NRC Handelsblad Donderdag 22 november & Vrijdag 23 november 2012

NRC Handelsblad Donderdag 22 november & Vrijdag 23 november 2012

14 Het Grote Verhaal

Mijn taal en ik Verengelsing
Het Engels heeft in Nederland en Vlaanderen een hoge status onder wetenschappers, managers, popzangers en allen die dromen van een carrière in die sectoren. Heeft het Nederlands daaronder te lijden? Ach…
Door Ludo Permentier olgens het standaardwerk Ethnologue zijn er op dit ogenblik 6.909 talen in de wereld. Ruim 450 daarvan zijn bijna uitgestorven. Hoe komt dat? Mensen kunnen om verschillende redenen met hun kinderen hun tweede taal gaan spreken, schrijven de auteurs. Als de erftaal daardoor niet langer van generatie op generatie wordt doorgegeven, blijft er op den duur geen moedertaalspreker meer over. Hooguit bestaat zo’n slapende of uitgestorven taal dan nog in opnames of in schriftelijke bronnen. Zo ver is het nog lang niet met het Nederlands. De reden waarom ouders hun moedertaal niet meer doorgeven, heeft te maken met de status die zo’n taal heeft. Geloven de ouders bijvoorbeeld nog dat hun kinderen de taal van thuis zullen kunnen gebruiken om vooruit te komen in het leven? Geloven universiteiten nog dat afgestudeerden met de studietaal internationaal aan de bak komen? Denken popzangers dat er een publiek bestaat voor hun liedjes in de taal van hun land? Verlies van status leidt gemakkelijk naar domeinverlies. De taal wordt dan niet meer gebruikt voor bepaalde doeleinden, zoals onderwijs, wetenschap, politiek, media. Dat is dodelijk voor een taal. De neerlandici van de Vrije Universiteit van Berlijn, die met enige afstand naar ons kijken, erkennen de dreiging van het Engels aan de universiteiten. Maar op hun website ‘Structuur en geschiedenis van het Nederlands’ merken ze op ,,dat in de Middeleeuwen het Latijn de taal van de universiteit was. Dat heeft het voortbestaan van het Nederlands niet in de problemen gebracht”. Een grotere bedreiging is volgens hen het Engels in het bedrijfsleven: „Het lijkt alsof titels als senior office manager en account executive meer prestige uitstralen dan het Nederlandse alternatief. Als het Nederlands functies en status verliest in het Nederlandse taalgebied, kan dat op termijn wel een bedreiging betekenen.” Hoe hoog schat de Nederlandstalige zijn moedertaal in? Dat lijkt dus een essentiële vraag. Een antwoord hebben we niet. Er zijn wel enquêtes gehouden, en sommige leveren merkwaardige resultaten op. Een onderzoeksgroep van de universiteit van Nijmegen ondervroeg twaalf jaar geleden 300 Nederlanders,

Vijf taal thema's
De Nederlandse taal verandert. NRC Handelsblad en het Belgische dagblad De Standaard leggen het Nederlands onder de loep. In vijf thema’s, tot en met aanstaande vrijdag.

Op internet
• Op de website van De Standaard valt deze week elke dag een taaltest te maken. Zie nrc.nl/mijntaalenik. • Speciaal voor het onderwijs staan deze taalpagina’s vanaf vrijdagmiddag a.s. ook op nrc.nl/mijntaalenik

15

We laten het Nederlands toch
V
waarvan een groot deel van huis uit anderstaligen die Nederlands hadden geleerd, naar hun houding tegenover het Nederlands. De onderzoekers hadden verwacht dat de Nederlanders hun eigen taal minder hoog zouden aanslaan dan de in Nederland wonende buitenlanders. Of dat de buitenlanders het niet nuttig zouden vinden om Nederlands te leren, omdat je dan beter meteen Engels leert. Niets van dat alles. Als gepeild werd naar het belang dat Nederlanders hechtten aan hun eigen taal, toonde het onderzoek een score van 4 op 5, maar als men onderzocht hoe spijtig Nederlanders het zouden vinden als ze hun taal moesten opgeven, kwam men op 4,8 op 5. Er werd ook gepoogd om te meten welk economisch belang de ondervraagden hechtten aan het Nederlands en andere talen. En ook daar kwam een verrassend antwoord: de buitenlanders erkenden de hogere marktwaarde van het Engels boven hun eigen moedertaal, maar de Nederlanders schatten hun eigen taal precies even hoog in, namelijk 3,5 op 5. Conclusie: Nederlanders erkennen de hoge status van het Engels, maar willen daarom het Nederlands nog niet opgeven. Hoe komt het dan dat Nederlanders en Vlamingen zo graag Engels spreken? In een enquête over meertaligheid vroeg de Nederlandse Taalunie in 2011 aan duizend Nederlanders en Vlamingen wat ze doen als iemand op straat hun de weg vraagt in gebroken Nederlands met een zwaar Engels accent. Bijna zeven op de tien

niet tackelen!
ties in bedrijven. Tot 1984 was een manager volgens Van Dale een ‘chef, bestuurder, leider, directeur, administrateur’. In 1192 is daarbij gekomen ‘op allerlei niveaus’. Vandaag zijn er zoveel ‘sales managers’, ‘booking managers’, ‘leisure managers’ en ‘catering managers’ dat je wel iets héél laags bent in de hiërarchie van je bedrijf als er geen manager op je naamkaartje staat. Er zijn wel degelijk redenen Engelse woorden te importeren, zoals dat voor alle leenwoorden geldt. Een is dat we dikwijls niet meteen een eigen woord hebben voor een nieuwigheid, en dat de Engelse term achteraf goed bruikbaar blijkt, zeker als je er gemakkelijk een werkwoord van kunt maken. Dan is dat leenwoord een verrijking voor het Nederlands. Zo kwamen veel computer- en internettermen in onze taal, tot en met haast niet te spellen woorden als ‘de gedeletete bestanden’, die velen toch niet zomaar willen inruilen voor ‘de gewiste bestanden’. Soms is een Engels leenwoord korter dan het Nederlandse. Denk aan drugs tegenover verdovende middelen. Soms klinken ze minder hard, zoals sorry tegenover ‘het spijt me’. Of zijn ze preciezer, zoals de loser, die niet zomaar een verliezer is. Dat soort woorden blijft. Maar Marinel Gerritsen en Frank Jansen telden eens voor het blad Onze Taal hoeveel Engelse leenwoorden tussen de jaren zestig en vandaag zijn verdwenen. Ze namen twee verzamelingen met Engelse leenwoorden, een van 1951 en een van 1964. Daarin vonden ze 991 woorden. Die zochten ze op in de dikke Van Dale. Blijkt dat een derde tot de helft van de woorden vanzelf zijn verdwenen. Wat blijft volgens deze onderzoekers? Zelfstandige naamwoorden (dealer, plaid) en werkwoorden (finishen, scoren) meer dan bijvoeglijke naamwoorden (downhearted, classic). Concrete woorden (crew, flat) meer dan abstracte (prim, showy). Woorden die in het Nederlands langer zijn (strapless – zonder bandjes) en goed uitspreekbare woorden (dancing). En opmerkelijk: als er naast het leenwoord een Nederlands woord bestaat dat er sterk op lijkt, dan verdwijnt het leenwoord snel. Daardoor is de hall vervangen door een hal en laten we de trophy vallen voor een trofee.

Nieuwe werkwoorden formen
In het Nederlands kan uit een zelfstandig naamwoord gemakkelijk een werkwoord worden gevormd door er gewoon -en achter te zetten: fiets en pen hebben op die manier de werkwoorden fietsen en pennen opgeleverd. Ook met recente Engelse leenwoorden – al dan niet gebaseerd op een merknaam – lukt het prima: blackberryen, computeren, iPadden. Meestal levert dat een lastig te vervoeattachen bashen battelen bleachen blenden bodypumpen bouncen browsen buyen cammen cashen chargen chatten cheaten chillen cleanen closen contacten copen met copy-pasten couchsurfen cruisen customizen digesten downdaten downsizen dressen editten ejecten establishen exposen facen forwarden framen gossippen hosten joken launchen gen, overbodige nieuwvorming op waarvoor we al lang een Nederlands woord hadden; browsen en chatten betekenen niets meer of minder dan bladeren en kletsen. Maar de nieuwelingen klinken cooler en een enkele keer krijgen we er een nuttig werkwoord bij. Want hoe zeg je in het Nederlands even beknopt dat je een website geliket hebt? Hieronder wat aanwinsten: levelen liken listen make-uppen mentionen multitasken nursen optimizen outpacen partyen performen pleasen posten quoten refreshen relocaten reminden replyen rushen skypen soundchecken spenden straighten submitten suen supervisen supplyen survivallen swappen syncen tracen traden triggeren try-outen wasten webvertisen wrappen zoomen

schakelt onmiddellijk over op het Engels. Wie praat met buitenlandse studenten die hier Nederlands komen leren, hoort de klacht dikwijls: wij krijgen niet de kans hier onze taalkennis in praktijk te brengen, want iedereen wil per se tonen hoe goed hij het Engels machtig is. Het imago van het Engels heeft daar veel mee te maken. Begin dit jaar liet de Taalunie honderd Nederlandstalige jongeren in groepjes praten over het Nederlands en vroeg wat dat voor hen betekende. Het beeld was bedroe-

vend. Het Nederlands is een suffe taal en ook nog eens moeilijk om te leren. In hun perceptie is het Engels een trendy en hippe taal, die ze ook nog eens vanzelf leren door de media en door hun favoriete muziek. Ook veel volwassenen vinden dat ze hun imago een boost geven door Engelse woorden en uitdrukkingen door hun Nederlands te mixen. Vandaar kreten als ‘be reasonable’, ‘not my cup of tea’, ‘by the way’ en ‘keep in touch’ waar anderen dan weer ‘pissed” van worden. Heel zichtbaar is het imago-Engels in terminologie voor func-

Vlamingen lenen net zo makkelijk als Nederlanders
Vlamingen zijn gewend om bij wijze van spreken elk woord van hun taal te bevechten. Toch is vrachtwagen voor hen camion en fiets vélo.
Door Marc van Oostendorp Het is een gemeenplaats én een mooi verhaal: Vlamingen zijn resistenter tegen leenwoorden dan Nederlanders. Terwijl men in Amsterdam zonder erg een jus d’orange (of, beter nog, een zjuu) bestelt, geeft men in Antwerpen de voorkeur aan fruitsap. Een aantrekkelijk aspect van het verhaal is dat het zo goed in ons beeld van de geschiedenis lijkt te passen. Waar Nederlanders al eeuwenlang probleemloos in eigen land hun eigen taal kunnen spreken, zijn Vlamingen gewend om bij wijze van spreken ieder woord van hun eigen taal te bevechten. Hoe mooi het verhaal ook is, uit onderzoek blijkt de werkelijkheid weerbarstiger. In de eerste plaats ontlopen Nederlanders en Vlamingen elkaar niet veel als het gaat om hun waardering van het gebruik van vreemde talen. Ongeveer een derde van de mensen blijkt, in onderzoek dat enkele jaren geleden werd uitgevoerd aan de Universiteit Gent, vooral positieve kanten te zien. Een derde beoordeelt het vooral negatief en nog een derde heeft geen mening. Zijn er dan verschillen in het aantal leenwoorden in beide landen? Ook dat blijkt moeilijk vast te stellen. Het gaat vooral om andere leenwoorden. Behalve van jus hebben sommige Vlamingen ook een afkeer van punaise, dat ze als een dialectvorm beschouwen en liever vervangen door duimspijker. Daar staat dan weer tegenover dat Vlamingen juist in hun dialect veel leenwoorden gebruiken, zoals camion (vrachtwagen) en vélo (fiets). Misschien is dat dan ook het belangrijkste onderscheid: voor Nederlanders is een Frans leenwoord deftig, voor Vlamingen is het dialect. Ook als het gaat om leenwoorden uit andere talen dan het Frans is het beeld niet eenduidig. Zo zijn organisaties die zich teweer willen stellen tegen het gebruik van leenwoorden zoals de ‘Stichting Nederlands’ en ‘Taalverdediging’ Nederlandse aangelegenheden. Ook in Nederland zijn deze clubjes overigens marginaal. De verschillen tussen de twee landen blijken zo ook weer behoorlijk klein. Paulien Cornelisse: pagina 36

Zeven woorden op een heel velletje A4
Onze taal zit vol met Engelse leenwoorden en er komen er elk jaar meer bij. Niet te tellen. Is dat waar? Ze zijn geteld en het valt reuze mee.
Door Nicoline van der Sijs Een vast topic van ingezonden brieven en internetreacties is de oproep om al die Engelse leenwoorden die het arme Nederlands overspoelen tegen te houden. Deze oproep wordt al minstens een halve eeuw gedaan. Inmiddels moet de stroom Engelse leenwoorden wel zijn uitgegroeid tot een tsunami en is een Nederlandse zin zonder Engelse leenwoorden ondenkbaar. Hm, even factfinden en reality checken dan maar. In 1994 heb ik geteld hoeveel Engelse leenwoorden er in een gemiddeld krantenstuk staan. Het bleek dat 2,3 procent van de woorden ontleend was aan het Engels. In 2012 heb ik de telling herhaald, en toen was het percentage gestegen tot 3,7. Dus ja: de hoeveelheid Engelse leenwoorden neemt geleidelijk toe. Maar het gaat om betrekkelijk weinig woorden. Bij deze telling werd ieder woord slechts eenmaal meegeteld, ook als dat meer dan eens werd gebruikt. Als we rekening houden met het aantal keren dat een woord in de tekst voorkwam, daalde het aandeel Engelse leenwoorden dramatisch naar 1,5 procent: op een A4’tje met 500 woorden kom je gemiddeld 7 maal een Engels leenwoord tegen. Oké, zult u zeggen: maar dat is de krant – de redactie heeft misschien wel allerlei Engelse leenwoorden geschrapt. Kijk nu eens naar al dat Engels in reclame-uitingen of slogans: ‘Let’s get closer’ van – jaja - Center Parcs, ‘At the heart of the journey’ van TomTom, ‘Design your own life’ van Ikea. Of kijk naar namen van Nederlandse televisieprogramma’s: ‘Hello Goodbye’, ‘That’s the question’, ‘The voice of Holland’. Goed, daar heeft u een punt. Alleen… wie gebruikt in zijn conversatie ooit de zin ‘Design your own life’, om nog maar te zwijgen van ‘Let’s get closer’? En dan is er nog iets: uit onderzoek is gebleken dat de meeste Engelse leenwoorden maar zelden wordt gebruikt en dat een derde tot de helft van de Engelse leenwoorden na verloop van tijd vanzelf uit het Nederlands verdwijnt. Hoort u ooit nog iemand zeggen deadlock of downhearted? Toch zijn deze woorden in het Nederlands ooit gebruikt. Kortom: het valt allemaal heus mee met die Engelse leenwoorden. Die boodschap willen sommige leken echter liever niet horen – ze beseffen niet dat een levende taal een elastisch medium is!

Ander woord voor...
Van 119 tot 2007 daagde het tijdschrift Onze Taal in de rubriek ‘Ander woord voor…’ zijn lezers uit om alternatieven voor Engelse woorden voor te stellen. Niet zozeer omdat die per se vervangen moesten worden – als taalgebruikers daar behoefte aan hebben, gebeurt dat vanzelf wel –maar meer om te laten zien dat je met een beetje creativiteit ook wel een Nederlands woord voor een nieuw fenomeen kunt bedenken. Hieronder een selectie: multitasken: simulteren headhunter: talentenjager braindrain: kennisvlucht longlist/shortlist: tiplijst/toplijst podcast(en): webzending/webzenden tabloid: halfformaat(skrant) taskforce: taakploeg koffiepad: koffierondje sidekick: aangever flashmob: bliksembende outlet: restwinkel running gag: groeigrap content: inhoud exitpoll: stemecho breaking news: voorrangsnieuws backslash: terugstreep primetime: kluistertijd interface: tussenlaag royaltywatcher: koningshuisvolger disclaimer: vrijwaringsclausule catwalk: paradepad personal shopper: koopkoerier browser: webverkenner soundbite: pakzin assessment: geschiktheidstest zero tolerance: geenpardonbeleid website: weblocatie science: natuurleer inlay: inlegvel/cd-boekje airbag: botsballon