You are on page 1of 269

Lijst v an afkortingen

1e van een aantal homonymen (gelijkluidende,


doc h in betekenis v erschillende woorden)
I
I-stam (ook G-stam) van het werkwoord
II
II-stam (ook D-stam) van het werkwoord
III
III-stam (ook S-stam) van het werkwoord
IV
IV-stam (ook N-stam) van het werkw oord
aanw.
aanwijzend (voornaamwoord)
abstr.
abstract (zelfstandig naamwoord)
ABN
agemeen beschaafd nederlands
acc.
accusativus (vierde naamval)
adj.
adjectief, bijvoeglijk naamwoord
adv.
adv erbum, bijwoord
AD
Anno Domini, een jaartal na het begin van
de jaartelling
a.h.w.
als het ware
AHw
von Soden's Akkadisc hes Handw
orterbuc h
Akk.
Akkadisc h
Arab.
Arabisch
Ar.
Arameesch
Ass.
Assyrisch
astron.
astronomie, astronomische teksten
Bab.
Babylonisc h
betrek. vnw. betrekkelijk v oornaamw oord
bezit. vnw. bezittelijk v oornaamwoord
bijv.
bijvoorbeeld
bil.
bilingue (tekst in tw ee talen)
CAD
Chicago Assyrian Dictionary
CH
Codex hammurabi
cohor.
cohortativus (aansporende wijs)
conj.
conjunctie, voegw oord
D
D-stam (ook II-stam) van het werkw oord
D-tantum komt alleen in de D-stam voor
denom.
denominatief (afgeleid van een nomen)
dat.
dativus (derde naamval)
det.
determinatief
denom.
denominatief
d.m.v.
door middel van
DN
devine name, godennaam
d.w.z.
dat wil zeggen
Du
Duits
EA
taal v an de El-Amarna kleitabletten
Eng.
Engels
enk.
enkelvoud
etym.
etymologie
ext.
extispicy
fem.
feminine, vrouw elijk (grammaticaal geslacht)
g.
guurlijk
fon.compl. fonetisc h complement
F r.
F rans
gen.
genitivus of tw eede naamval
GN
Godennaam
G
G-stam (ook I-stam) van het werkw oord
Gr.
Grieks
GAG
von Sodens' Grundri
Hebr.
Hebreeuws
i.h.a.
in het algemeen
intrans.
intransitief, onovergank elijk w erkw oord
imp.
imperatief, gebiedende wijs
inf.
in nitief
i.p.v.
in plaats van
I

i.t.t.
Jur.
Lat.

in tegenstelling tot
juridisc he (teksten)
Latijn
LB
Laat-Babylonisch (de periode of de taal)
lett.
letterlijk
litt.
literair(e teksten)
LL
lexicale lijsten
loc.
locativus
m.
mannelijk (grammaticaal geslacht)
math.
mathematische (teksten)
mng.
meaning (betekenis)
mngs.
meanings (betekenissen)
mnl.
mannelijk (grammaticaal geslacht)
m v..
meervoud
MA
Middel-Assyrisch (de periode of de taal)
MB
Middel-Babylonisc h (de periode of de taal)
N
N-stam (ook IV-stam) van het werkwoord
Ned.
Nederlands
N-tantum komt alleen in de N-stam voor
NA
Neo-Assyrisch (de periode of de taal)
nom.
nominativus (eerste naamval)
nb
Nota bene
NB
Neo-Babylonisch (de periode of de taal)
n.v.
naamval
nw.
nieuw (na de Oud-Babylonisc he periode)
OAkk.
Oud-Akkadisc h
OA
Oud-Assyrisch (de periode of de taal)
OB
Oud-Babylonisch (de periode of de taal)
o.i.v.
onder invloed van
onafh.
onafhankelijk
ong.
ongev eer
o.m.
onder meer
p.
persoon, bijv. 1e p.enk. 1e persoon enkelvoud
p.vnw.
persoonlijk voornaamw oord
perf.
perfectum (tijd van een werkwoord)
part.
participium (deelwoord) van een werkwoord
PN
persoonsnaam
PNs
persoonsnamen
phon.compl. phonetic complement
pl.
plural, meervoud
pl. tantum plurale tantum (alleen in meervoud)
prec.
precativus (aansporende wijs)
pres.
presens (tijd van een werkwoord)
pret.
preteritum (tijd van een werkwoord)
p. vnw.
persoonlijk voornaamw oord

RS
taal v an de Ras-Samra
kleitabletten
Sem.
Semitisch
SB
Standaard-Babylonisch (taal)
sg.
singular, enkelvoud
subj.
subjunctivus van een werkwoord
subst.
substantief (zelfstandig naamwoord)
Sum.
Sumerisch
stat.
stativus van een werkwoord
st.abs.
status absolutus van een zelfstandig
naamwoord
s/w
Duitse werkw oorden `sein' oder `werden'
st.c.
status constructus van een zelfstandig
naamwoord
syn.
synoniem
st.r.
status rectus van een zelfstandig naamwoord
S
S-stam (ook III-stam) van het werkwoord


S-tan
tum komt alleen in de S-stam
voor

term.
t.o.v.
trans.
ult.
uncert.
v.

unkn.
verb.adj.
vent.
vgl.
vnw.
voegw.
voorz.
vr.
vnl.
wsl.
ww.
X
zelfst.
zgn.
z/w.

terminativus
ten opzic hte van
transitief, o vergank elijk w erkw
oord
ultimae, de laatste letter van de wortel
van een woord
uncertain
van
unknown
verbaal adjectief
ven tivus
vergelijk
voornaamw oord, pronomen
voegwoord, conjunctie
voorzetsel, prepositie
vrou w elijk (grammaticaal geslac
ht)
voornamelijk
w aarsc hijnlijk
w erkwoord
een geheel getal
zelfstandig
zogenaamd
w erkw oorden 'zijn' of 'w
orden'

Lijst v an symbolen

een sterretje voor een w oord betekent dat het


w oord kunstmatig geconstrueerd is en niet daadwerkelijk zo wordt aangetro en. Het sterretje wordt op twee
manieren gebruikt. De eerste manier is om de constructie van een niet-bestaand w oord aan te geven, bijv.
*krijging. De tw eede gebruikswijze is het presenteren
van een hypothetische vorm van een w oord, waaruit
een ander woord geacht wordt gev ormd te zijn,bijv.
tovenaar< *tover aar, vgl. toveren.
Een sterretje voor een hele zin duidt op een ongrammaticale zin.
< beteken t `on tstaan uit', bijv.weer < weder
> beteken t `gew orden tot',
 de hoge punt w ordt gebruikt om lettergrepen in
het Sumerisch, die ieder met een afzonderlijk teken
w eergegev enw orden, van elkaar te scheiden. Bijv.
kiengiir is het Sumerische woord voor `Sumerisch'.
 de hoge punt w ordt ook gebruikt om een samenstelling van tw ee logogrammen in het Akkadisch weer
te geven. Bijv. \e is het logogram voor `huis', gal is
het logogram voor `groot' en egal is het logogram voor
`paleis'."
- Het koppelteken w ordt gebruikt om lettergrepen in
het Akkadisc h, die ieder met een afzonderlijk teken
w eergegev en w orden,
van elkaar te scheiden. Bijv. lisa-an ak-ka-di-tim (`de Akkadisc he taal/tong')
  de accen tus accutus en de accentus gravus in Akkadisc hewoorden geven niet de klemtoon aan, maar
w orden gebruikt om gelijke lettergrepen die met verschillende spijkerschrifttek ens w orden ewergegeven van
elkaar te ondersc heiden.Bijv. lu, lu en lu geven alle
drie de klank /lu/ w eer, maar het zijn drie verschillende spijkerschrifttek ens. Tekens zonder accent zijn de
meest voorkomende, daarna die met een accentus accutus en vervolgens die met een accentus gra vus. Zijn
er nog meer vormen, dan geeft men die met indices

aan. Hierbij is lu = lu1 , lu = lu2 , lu = lu3 .

! verwijzing naar elders in de woordenlijst


% verwijzing buiten de woordenlijst
pprs ongeveer
de w ortel v an het w
oord bestaat uit de consonan-

ten p, r en s.
!xxx! tijdelijk nog niet gezet spijkerschrijfttek en (in de
voorlopige uitgave)
: : : w eglating v an een stuk an
v de oorspronkelijke tekst
% verwijst naar het glossarium
indices van cijfers aan lettergreeptekens duiden op verschillende tekens die dezelfde klank w eergev en.Bijv.
lu1 , lu2 , lu3 , lu4 etc. De vorm lux geeft een niet in de
tekenlijsten v oork omend tek
en aan.
Akkadische klanken

lange klinkers Het Latijnse alfabet levert ons slechts symbolen voor de korte klink ers a, e, i, o, u. In het Oud-Nederlands schreef men soms nog jar voor `jaar', win voor
`wijn' en port voor `poort'. In de loop der tijd zijn verschillende systemen toegepast om de lange vocaal aan
te geven. Bijv. met een verlengings -e (jaer, een, hues,
poert), een v erlengings -i (jair, ein, huis) en soms met
een v erlengings -j. De huidige Nederlandse spelling laat
daar nog restanten van zien, zoals de lange i gespeld
als ie. Het teken ij in wijn komt voort uit een lange i
en ui w as oorspronkelijk een lange u.
a lange a-klank als in aap
e lange e-klank als in leed
 lange i-klank als in dier
o lange o-klank als in loop. De /o/ en / o/ k omen niet
als betekenisonderscheidende klank voor in het Akkadisch.
u in Akkadisc he woorden: oe-klank als in kloek
u lange oe-klank als in Oehoe
h in het Akkadisc h deharde g-klank zoals in achter.
 Er komt in het Akkadisch geen andere h voor.
s. in het Akkadisc h de zogeheten tsadeh-klank, zoiets
als een ts, op te vatten als een medeklinker, die zich
onderscheidt van de s en de s.
s in het Akkadisc h de zogeheten sjin klank, uitgesproken als sj zoals in sjaal; te beschouw en als een medeklinker.
t. in het Akkadisch de thet-klank, uit te sprek en als
een t, maar op te vatten als een medeklinker die zic h
onderscheidt van de t.
Lijst van referenties

A Ch-Sin
AHw Akkadisc hes Handw
orterbuc h
BAL `bab ylonisc h-assyrisc
he Lesestucke', Rylke Borger,
Rome Biblical Institute Press, 1979, 2nd improved edition in 3 volumes.
BAM578 BAM-578
CAD Chicago Assyrian Dictionary
CH
Codex Hammurabi
CT 51,161 Hemerologische text
Ee Enu ma elis, cuniform text in `The Babylonian Epic
of Creation', by W.G.Lambert, 1977, Ed.: W.G. Lambert, Birminghamn U.K., on sale by Blackw ell's, Broad

street, Oxford, ISBN 0-9503748-0-6

erra

H.Sip
Sil-A
Sil-C
Sin1
Sin3

Hoofdstuk 2
Akkadisch vocabularium

February 27, 2002 Hoofdstuk 2 Akkadisch vocabularium

alef

wortels naar von Soden's Akk. Handworterbuch

met verwijzingen naar wortels beginnend met j, w en n


(niet alle trefwoorden opgenomen in deze vocabulair)


*n p

a du
^

*n d,*w d



*n 
,*w 


j l (e 
e lu)



*n l



*n m

*n p

*w r,*n r




* u
r



*n s


s

*n 
s ,*w 
s

u


hahu
^




 
b

bb

bd



 
*wb

eb
e bu

* bt
abdu

bh

*jbh,* ph

b


eb
u ,* p


bk

ab
a ku




bl

ab
a lu,

* pl,*wbl

br

ab
a ru,
eb
e ru

bs
.

ab
as
. u,

* ps

b
s

bt

ab
a
su
ab
a tu,
n
a butu

bt
.

ebet
.u

*jd /wd

 


db

dd

dh

ed
e du
*jdh,

(ed
e h u)

dl

ed
e lu

dk

ed
e hu

dm

ad
a mu,




dp

adamatu,

adammu

dn


ndn St

dp

ed
e pu

dq

ed
e qu





dr

ad
a ru,
adru,

ed
e ru

d
s

ed
e
su

*jg (eg^
u)

 


gg

ag
a gu,

* qq

gl

*ngl

gm

ag
a mu




gr

ag
a ru,
*jgr(eg
e ru)

h


ahu
^ II,

hr

ah 
a ru




hz




b



ah 
a zu


ajj
a bu

February 27, 2002 Copyright Heise en Stadhouders, Akkadisch Vocabularium

2V
> C V

a
]

a{

,
+vent. am v.

ub-lam-ma ublamma

(G pret.
e

, pre x voor pers. vnw. 1 p.enk. ik, bijv. het paradigma (met G inf. para su `beslissen'): G pres. aparras `ik
beslis/zal beslissen'; G pret. aprus `ik besliste'; G perf.
aptaras `ik heb beslist';
Spellingsvoorbeelden:
V
ah-ri-a-am-ma, ahriamma



(1e p.enk. pret. + vent. am +ma v. her^u, `graven') H.Sip. 22




as-s
u-
uh, assuh


e
(G pret. 1 p.enk. v. nasa hu `uitrukken') CH-xxiv-31


a
s -ku-un, a
s kun
(G pres. 1e p.enk. v. saka nu `plaatsen', `zetten') CH-v-23
l
a
s -t
st
. ur-ma, a
. urma
(G pret. 1e p.enk. v. sat. a ru `(op)schrijven') CH-xxiv-75
al-bi-in, albin
(G pret. 1e p.enk. v. laba nu `metselen') Sil-A-67
= a-ra-am-mu, arammu, (G pres. +subj. u v.
r^
amu, `beminnen') CH-xxiv-94

8

*
CH

{a,{ a , (ook -ja en -), suf x bezit. vnw. 1ep.enk.


mijn;
-a of - a na de vocaal u ; -ja na de vocalen  of e; - na
consonanten. Voorbeelden:
belu a of belu a `mijn meesters'; bel `mijn meester';
assatu a `mijn vrouwen'; ana belja `aan mijn meester'; ana belja `aan mijn meesters'
E
be-l
-ia, bel
ja CH-xxiv-90
, suf x van pers. vnw. dativus 1e p.enk. aan
mij, voor mij, resp. tegen mij (pers. vnw. dativus 1e p.enk.). {a(m) na een consonant, {nim na een vocaal.
n.b.: een dativus kan zijn een datitivus commodi (van
de begunstigde persoon) te omschrijven met `voor',
`ten behoeve van', maar ook (met dezelfde vormen)
een dativus incommodi, als de persoon ongunstig bejegend is. Dan te omschrijven met `tegen', `ten nadele
van'. Spellingsvoorbeeden:
O i-din-nam, idinnam

{a(m), {nim

(G pret.+am v. nada nu `geven') CH-xxiv-14 Sil-A-23


O id-di-nam, iddinam
(G pret. +am v. nada nu `geven': `hij gaf mij') CH-xxiv-29
D
i
s -ru-kam, i
s rukam
(G pret. +dat. am v. sara ku `schenken': `hij schonk mij')
CH-xxiv-12

{a(m), {nim ,

suf xelement van de ventivus, formeel


identiek met dativussuf x -a(m) `aan mij', `naar mij',
resp. {nim na een vocaal. Bij werkwoorden van beweging duidt de ventivus op \beweging hierheen", bijv.
illik (G pret. v. ala ku) `hij ging' en illikam `hij kwam'.
Vaak wordt de ventivus echter stilistisch gebruikt en
hoeft niet te duiden op beweging. In een enkel geval
is de betekenis van de ventivus lexicaal bepaald, op te
zoeken in een woordenboek. De mimatie van de ventivus uitgangen -am en -nim wordt altijd geassimileerd:
*-amsu > -assu, ook *-amku > -akku; assimilatie van
n aan s is heel gewoon. De assimilatie van m aan s
komt soms voor, maar altijd bij de ventivus uitgangen
-am en -nim. Spellingsvoorbeelden:

is-ta-al-ma-am, istalmam

*V
a* C V
N H V

(G perf.vent. v. sala mu `wel zijn') CHx2

d Id

i-
s a-al-li-a-am-ma i
s alli amma

(G pres.vent. +ma v. sal^u `plonzen') CHx2


:

it-tu-ra-am-ma, itturamma
(G perf. vent. +ma v. t^aru `omkeren') CHx27x30

u
 bil

wab
a lu

(< u bilam)
`dragen') Sil-C-15


,
(G vent. +ma v. was.u^ `uitgaan') CHx3

u
-s
-a-am-ma us
.
. i amma

a alu , ww. p l of pj l a elu binden, verplichten (door


schuld)
aba , st.c. v. !abu
*ababu , !ebebu
abaku , (ww.; OA, OB, SB, NA, NB)




I. G-stam (Bab. pret. buk, pres. ibbak, perf. tabak, imp.


abuk) nemen, meenemen, brengen, halen; kopen AHw

\fortfuhren"; CAD 1 to send, to dispatch (merchandise), 2 to usher in (a person) to send away, 3 to lead
(animals, prisoners), 4 to bring along, to lead away
(NBonly: slaves, guarantors and other persons under
obliguation)
}
, lett. \voor geld/zilver nemen" ) kopen;
c;
at-ta en li-bu-uk-su
1 atta bel libuksu , (G prec. met suf x -su verwijzend
naar eerder genoemd kaspu `zilver, geld'; en hier bel
met suf x `mijn heer') `(dan) kunt gij, mijn heer, ('t
geld) nemen/houden' CT22-58,11 citaat in een brief verwijzend naar een brief waarin geld meegestuurd is;
}
, (subst.; ook apiktu;
bad5 bad5 of 
s i
si
met bad5 = si = igi), nederlaag; AHw \Niederlage";
CAD 1 decisive defeat; 2 massacre, carnage
; ww.; vanaf OA, OB;
uda;
uddu; Gstat.: droog z/w., dor z/w.
I. G-stam (pret. bal, pres. ibbal): drogen, uitdrogen; AHw
\trocknen", \austrocknen"; CAD B 1 to dry up, to dry
out;
II. D-stam (
) drogen; CAD 2 to dry
I
ti-q
 uda
1 teleqqe tubbala (G pres.2e p.enk. v. leq^
u `nemen';
D pres.2e p.enk. aba lu `droog zijn', D: `drogen'): `[deze
3 kruiden] moet je nemen, je moet (ze) drogen' BAM-

ana kaspi(m) abaku

abiktu

}C

abalu I

} C ubbulu

578-i-31

III. S-stam (

su bulu) CAD 3 to dry, to cause to dry up

}na balu , (subst.; MB, MA, SB, NB):

droog land, vasteland; AHw \trockenes Land", \Festland"; CAD arid

land, dry land

} }

}ablu , (adj.; vr. abiltu; MB, SB, NB;


; C

 ): droog, gedroogd
; AHw \trocken";
C
(D pres.2e p.enk.) BAM578-i-31
abalu II , !wabalu `dragen' etc.
aban , st.c. v. !abnu `steen'

}}

ud

ud du

uda

ud a

tubbala

abarakku ,

(subst.; st.c. abarak; !agrik!


agriq):
\Hausverwalter", \Palastverwalter", \Scha ner"
Eng.: stewart, an ocial of temple and estates;
 r):
, (subst.; vanaf OA, OB; !lu3! alu;
ba
AHw

abaru I
C
CX
lood
abaru II , (eberu), niet of zelden in G;
II. D-stam (uburru): (iem. van iets) betichten, beschul-

digen, jur.: in staat van beschuldiging stellen; een zaak aanspannen, aanhangig maken; Eng.: to accuse;
}
, D part., : beschuldiger, jur.: aanklager, degene

mubbiru

>>22x  bV
abatu I

die in staat van beschuldiging stelt.


u-te-eb-bi-ir, utebbir (D perf.) CHx126

u
-ub-bi-ir-ma, u
 bbirma (D pret.) CHx1
=
mu-ub-bi-ir-
s u, mubbir
s u (D part. +
s u)
, (ww.; met sterke alef; vanaf OB;
gul):

February 27, 2002 Hoofdstuk 2 Akkadisch vocabularium

I. G-stam (pret. i but, (but), pres. i abbat (ibbat), stat.


abit) vernielen, kapotmaken, ombrengen; teloorgaan; AHw

\vernichten"; CAD 1 to destroy (buildings, objects,


people), to lay waste, to ruin (a region, people), to
collapse
II. D-stam (
als G, D pret. u abbit, ook ubbit etc.);

D pres. u abbat, ook ubbat vernielen, kapotmaken
1 mu abbit egr
u ti za ir (D part.st.c.): `die de dwarsliggers (en) de vijanden vernietigt' of (met attribuut
voor subst.): `die de dwarse vijanden vernietigd heeft'

ubbutu

Ee-vi-154

utabbutu
na butu
na butu

II/2. Dt-stam (

, passief bij D) CAD 3 to become destroyed, ruined


IV. N-stam ( 
, ingressief) CAD 4 to collapse, to
fall down
IV. N-stam ( 
, passief): `vernield worden'
etc.
2 li  abit lum
asu, (N prec.): `moge (door uw bevel)
het sterrenbeeld vernietigd worden' Ee-iv-23
3 i  abit lum
asu, (N pret.): `het sterrenbeeld werd
vernietigd' Ee-iv-25
4 su
 li  abbitma (N prec.; verwacht 1 b): `h (die,
die ene) moet omgebracht worden' Ee-vi-14
}
, (G inf. als subst.): vernietiging, annihilatie (tegendeel van schepping, creatie)
5 ab
a tu u ba n^u qibi, (G imp. v. qab^u `zeggen', `spreken', `bevelen'): `beveel vernietiging en schepping!' Ee-

abatu

iv-22
6 ban^
u aba tu schepping en vernietiging, creatie en annihilatie Ee-vi-131

}abtu, G verb.adj., (SB, NB): teloorgegaan, vernietigd, verloren, beschadigd, vergaan, te gronde gericht; AHw \ver-

nichtet", \zerstort"; CAD ruined, decayed


7 sa kma bin^
utisuma iksiru kal^u il abtu ti
(G pret. subj. v. kasa ru `herstellen'; bin^utu (abstract)
`gestalte', (concreet) `maaksel', `product'; abtu tu
adj.m.mv.): `die alle beschadigde goden hersteld heeft
overeenkomstig zijn gestalte' Ee-vi-152 \naar zijn beeld
en gelijkenis" is niet Mesopotamisch gedachtengoed,
meer \naar zijn wezen"
 a-ba-tum, aba tum (G inf.) Ee-iv-22
 a-ba-tu, aba tu (G inf.) Ee-vi-131
: I ab-tu-ti abtu ti (adj.m.mv.gen.) Ee-vi-152

C
C

}
CDC D
DV
D
*abatu II


;
;

1 b) Ee-vi-14

 abit

(N pret.) Ee-iv-25
 abit (N prec.) Ee-iv-23
 abbitma (N prec., verwacht
li-ab-bit-ma, li

i -a-bit i

li- -a-bit li

mu-ab-bit mu abbit

(D part.st.c.) Ee-vi-154

, ww.; N-tantum, G alleen in OA; verba primae


Alef, a-klasse; vanaf OA, OB;
IV. N-stam ( 
, N pret. innabit, N pres.
innabbit): vluchten, wegvluchten (naar = ana of ana
qereb), de vlucht nemen, op de vlucht gaan; CAD 1 to
run away, to ee
}
, N part., , (subst.; ook munnabittu; mv.
munnabtu en munnabtu tu; vanaf OA, OB): vluchteling,
gevluchte persoon; AHw \Fluchtling"; CAD fugitive,
refugee
F : in-na-bi-tu, innabitu

na butu, nabutu

munnabtu

N N

(N pret. subj., blijkbaar niet >innabtu) CHx136

it-ta-bi-it, ittabit (N perf.) CHx136


= F ^ mu-na-ab-tim, munnabtim (N part.gen.)

CHx136

Abattu , onbekende plaats ergens in het westen van Mesopotamie


abbu, abb , (mv. v. !abu `vader') Verdubbeling van de

consonant in het mv., evenals bij ahu `broer', mv.



ahh u .



ab-b
e-e-
s u abb
e
s u (st.c.mv. + 
s u) Ee-vii-139
, (subst.; st.c. abbuti, met suf x abbutta-; OB, SB;
 r): slaven-haardracht, wicht, (soort haarlok, haarga
dracht karakteristiek voor slaven). Slaven mogen niet
de stadspoort uit en moeten mede daarom herkenbaar
zijn. (Niet denken aan katoenplantageslavernij). CAD
1 a characteristic hair style for slaves, 2 hair forming
the abbuttu-lock, 3 part of the head where the abbuttu
grows, 4 a metal clasp to hold the abbuttu lock
, (subst.) vaderschap !abu
abgal , W
abgal = apkal = nunme; !apkallu `wijze'
etc.
, st.c. van abum `vader' + suf x - `mijn', dus `mijn
vader'
a-bi, ab Ee-i-49
,(
bad5 bad5 , !ab
a ku), `nederlaag'
, G pret. 1e p.enk. v. !ban^u `scheppen' etc
, (subst. m. en vr.; mv. abnu en abna tu; st.c. aban;
na4 ; ook determinatief voor steensoorten): steen,
gewichtssteen, edelsteen, halfedelsteen; pit (van dadel, vgl.
steenvrucht) waarbij de zaden in een harde steenkern
zitten; [behoort tot de groep van vrouwelijke substantieven zonder -t-, zoals de natuurlijke feminina
als ummu `moeder', verschillende lichaamsdelen, zoals
sepu `voet' en de woorden umma nu `leger', harra nu
`veldtocht', ekallu `paleis', abnu `steen' en na ru`rivier'.
Het meervoud wordt wel gevormd met -a tu(m).] AHw
\Stein"; CAD 1 stone (in natural form and location)
2 stone (prepared for speci c use); 3 mv. precious colored stone (shaped and polished); 4 mv. stone weight,
weighing stone; 5 mv. pebble, counter (for accounting);
6 hailstones; 7 bladder stone (med.); 8 stone or seed
of a plant; 9 glass
1 ina abnim rabtim, lett.: \door middel van een grote
steen" ) tegen een hoge koers CHx108
2 awlum kaspam hur
a s.am abnam u bs qa tsu id a nu
dinma, (G pret. v. nad
`geven'): `iemand geeft zilver, goud, edelstenen of zijn roerende goederen' CHx112
3 aban er^e, (ar^
u, er^u `zwanger z/w.'): zwangerschapssteen; (een om de heupen gedragen steen om zwanger
te raken en te blijven, bestaan uit een holle steen met
een klein steentje erin)
4 aban al
a di, ( : na4 tu; (w)ala du `dragen',
`voortbrengen', `verwekken'): geboortesteen, amulet ter
verlichting van geboorten
}
, ( 
[xx] na4 zulumma):
dadelpit; na4 abnu `steen', `pit' (van dadel,
vgl. `steenvrucht'), zulumma sullupu `dadel' BAM578-

abbuttu

4b

abbutu
ab

abiktu
abni
abnu

aban suluppi

i-49

4,

5V

(gen.) CHx108

absanu , (subst.; ook apsanu, < Sum.; OB, SB):


na

AHw

abnim

\Geschirr", \Joch";

CAD

juk, tuig;
rope (as part of the

yoke)
1 sutb abs
a na, (G imp. vr.enk. v. teb^u `opstaan'):
`neem het juk van ons af' Ee-i-122
F ab-sa-na, absa na Ee-i-122

February 27, 2002 Copyright Heise en Stadhouders, Akkadisch Vocabularium

abtu , (verb.adj. !abatu): `teloorgegaan' etc.


abtutu , (adj.m.mv. v. abtu !abatu): `teloorgegaan'

etc.
: I ab-tu-ti abtu ti (adj.m.mv.gen.) Ee-vi-152
, (subst.; mv. abbu , st.c. abi ; triptotisch declinatie in
st.c. voor suf xen enk., nom. abu-, gen. abi-, acc. aba-;
vanaf oud-akk.; ad en  abba in OB-titels):
vader (in ruime zin), soms ook (in mv.) voorvader, verwant; sjeik (West Sem.); (`vader' en ahu `broer' zijn
termen die vaak ruim gebruikt worden voor verwanten) AHw \Vater"; CAD A 1 father (natural or adoptive), also as component in the kinship terms abi abi,
abi ummi grandfather, abu ummu parents; 2 father as
form of address, honori c title; 3 mv. forefathers, ancestors; 4 Sheikh; 5 principal (of a business), master,
expert, foreman; 6 part of the seed plow
1 sa abbesu usarrih u
 zikirsu (mv. `zijn vaderen' de

oudere generatie D pret.mv.
v. sar
a hu `verheerlijken'):

`degene wiens naam zijn vaderen hebben
verheerlijkt'

abu I

Ee-vii-139

}abi abi(m) ,

grootvader, voorvader;

2 ina bt absa wasbat, (G stat. v. !was


a bu `wonen'):

`zij woont (nog) bij haar vader thuis' (gezegd bijv. van
een juridisch reeds getrouwde vrouw in CHx130)
3 il abb
usu: `de goden zijn vaderen' Ee-iv-33
d
usu abusu d Anum (G pret. subj.
4 Marduk sa : : : imb^
v. nab^
u `noemen'): `Marduk (de naam waarmee) zijn
voorvader Anum hem heeft genoemd', Ee-vi-123, bij het
begin van de opsomming en uitleg van de 50 namen van
Marduk.
}
, (subst.; suf x !{u tu, {u t vormt abstracta)
vaderschap;
}
, (idioom) bemiddelen, voorspraak
doen;
}
, (wala du `verwekken') lijfelijke vader;

abbutu
abbuta s.abatu
abu (w)alidu

C ,
C sb K
CSil-A-61
C

(st.c.) Sil-A-60
a-bu-
s u-nu, ab
u
s unu (st.c. +
s unu) Sil-C-57
a-bi a-[bi]-ia, abi abb
ja, `mijn voorvader'

a-bi ab


4b b

ab-b
e-e-
s u abb
e
s u (st.c.mv. + 
s u) Ee-vii-139



-
s u, il
 abb
u
s u Ee-iv-33
, !Abum OB naam van een maand
, (subst.; vanaf oud-akk.;
D amaru): zondvloed, stormvloed, vloed; AHw \Sint ut", \wasser ut";
CAD 1 Deluge as cosmic event; 2 the Deluge personi ed as the ultimate of wrath, aggressiveness, and destructiveness; 3 the Deluge mythologized as a monster
with de nite features; 4 devastating ood
1 issima belum ab
u ba, (G pret. v.nasu^ `optillen', `werpen'): `de Heer hief de stormvloed op' (deed het water
stijgen) Ee-iv-49, 75
2 sa ina kakkisu ab
u bi ikm^u sa p^uti (adj.m.mv. v.
sa p^u `stiekem' zelfst. gebruikt; G pret. v. kam^u `vastbinden'): [Marduk] `die met zijn wapen, de stormvloed, de arglistigen in de boeien sloeg/gevangen heeft
genomen' Ee-vi-126
}
, oude tell, tell van de zondvloed
}
, (ook abu ba nis; adv., terminativus !{is; SB,
NA, NB): als een stormvloed, terminativus {is meestal
als adv. bij een adjectief-stam (\op : : : wijze"); bij een
substantief (zoals hier) is het vaak een vergelijking \als

Abu II
abubu

tilli abubim
abubis

CV

dingir dingir ad ad

een : : :"; AHw \wie die Wasser ut";


ood, 2 like an abu bu-monster

C ss
Cs
Cs

CAD

1 like the

(acc.) erra-i-132
(acc.) Ee-iv-49, 75
a-bu-bi ab
u bi (gen.) Ee-vi-125
a-bu-bu ab
u bu

a-bu-ba ab
u ba

abukatu , (subst. plantennaam):

een biezensoort; AHw


eine Binzenart \Scammonia (?)";
@ akal a-bu-kat gaz
1 hl abukat tahassal (st.c. v. hlu `sap', `hars';
een biezensoort, dat blijkbaar een gom produceert;
G pres.2e p.enk. v. hasa lu ` jnstampen'): `hars/gom van
 je jnstampen' BAM578-i-18, 51
een biezensoort moet
@ a-bu-kat abukat BAM578-i-18
, (subst.vr.; st.c. abul; met suf x abulla- mv. ab gal)
ulla ti;
abul = ka
stadspoort, poort; ook
als uitdrukking in de leverschouw (extispicium) AHw
\Stadttor"; CAD 1 city gate, 2 entrance gate (of a
building or building complex, of a country, of cosmic
regions) 3 district 4 ( a tax collected at the gate) 5
(a ssure in the ominous parts of the sacri cial animal)
 galme
1 iptema ka
s ina s
. eli kilalla n (D pret. v. pet^u
`openen'; s.elu `ribbe'; kilallu `beide' in dualis): `(toen)
opende hij aan beide zijden poorten' Ee-v-9, wsl.
horizonten aan weerszijde: oost en west



abull
a ti (vr.mv.) Ee-v-9
, !abu `vader'
, (subst.; vanaf oud-akk.;
nenegar,
met voorafgaand determinatief 4 iti `maand'; vaak
afgekort tot het eerste teken 4 iti ne): de 5e OB
maand (juli/aug), %\maanden van het jaar"; CAD B
(name of the fth month)
, (subst.; mv. aburru ; vanaf OB;
7
 salla):
u
polder, ooi, beemd, rivierweide AHw etwa
\Fluwiese" CAD 1 rear, back (of a house or eld); 2
eld or pasture by the city wall
V a-bu-ur-ri, aburr (gen.mv.) CH-xxiv-35,36
V a-bur-ri, aburr, (gen.mv.) Sil-A-24
, (st.c. abat), NA vorm van !awa tu woord etc
, stad Adab, stadsgod de godin Ninhursanga.

ki
W
( 
) , Adab CH-iii-67
d iskur): regen, stortregen; weergod Adad;
, (
Adad gaat over alles wat zich aan het rnament afspeelt: het weer, donder, bliksem, regenboog; Adad
schenkt vruchtbare regens, dus schenker van rijkdom
en overvloed. Zijn stem (rigmu `roep') is de donder (in de Bijbel de stem des Heren). Zijn embleem
(het godensymbool afgebeeld op kudurru's e.d.) is de
bliksemvork. Hij is sluiswachter van hemel en aarde;
hij beheert samen met !Ea het zoete water. d Adad
is de veroorzaker van de was in de rivieren als gevolg van overvloedige regenval; Adad is ook (samen

met d Sama
s ) god van de divinatie (wichelarij, o erschouw). O erschouwgebeden beginnen steevast met
de aanroeping: d Adad bel brim (!bru `divinatie') en
d Sama

s bel dnim (!dnu `gerechtelijke uitspraak');
d Adad is vooral een god van het noordelijke Mesopotamie.
1 eqlam Adad irtahis., (G perf. v. rah 
a su `overstro
 . onder water
men'): `de stortregen/Adad
heeft de akker
gezet' CHx45

C B Cs

Cs

abullu

W

abum I
Abum II

k
a gal me
s

>*

aburru

Cs
C]

abutu
Adab
}
d Adad

ud nun

February 27, 2002 Hoofdstuk 2 Akkadisch vocabularium

2 t.^
abu rigmasu eli ers.etim lirtas.in (Dt prec. v. ras. a nu
`donderen'; rigmu `roep') `moge zijn stem ten goede
over de aarde donderen' Ee-vii-120
3 k d Adad urtas.s.an (Dt pres.1e p.enk. v. ras. 
a nu I
`donderen'; sa ru `wind'): (ik waai gelijk de wind,) `ik
bulder gelijk Adad' erra-i-115
d

, d Adad CH-iii-57
, (subst.; ook adakurru; MB, SB;
!gur5!
adagur5 ):
een offerschaal CAD (a container with
a pointed bottom in ritual use for beer, wine or milk)
, !edelu `afsluiten' etc.
, (subst.; ook adannu, hada nu; st.c. hada n, adanni;
mv. adanna ti, ada na tu;  vanaf OB, MA;  
uddug4 ka, ook
e udsur): termijn; AHw \Termin"; CAD 1 a moment in time at the end of a speci ed period; 2 a period of time of predetermined length
or characterized by a sequence of speci c events
, subst.vr. !atappu `kanaal'
, (ww.
p a/u-klasse; verwant met adaru II , ook
hada ru; 1=2 dr ; vanaf OA, OB)
I. G-stam (pret. dur, pres. iddar) G-stat. (adir): donker
z/w., zwart z/w., duister z/w.; AHw A \ nster sein",
CAD A 1 to be worried, to be disturbed, to be restless,
2 to become obscured, (said of heavenly bodies, etc.)
II. D-stam (
) CAD 3 to cause annoyance, grief,
to make restless; 4 Dt passive to mng. 1

III. S-stam
( 
): CAD 5 to cause annoyance, grief, to frighten
III/2. St-stam (
, passief bij S): CAD 6 to become harrassed, worried
IV. N-stam ( 
, ingressief bij intransitieve G, vaak bij toestandsww., iets met een beginmoment), verduisteren; (van hemellichamen) CAD 7 to
become nervous, impatient, apprehensive, 8 to become
eclipsed (said of heavenly bodies)
, ww. a/u-klasse; vanaf OB;
I. G-stam (pret. dur, pres. iddar) vrezen, beduchten, bang
zijn voor; AHw B \(sich) furchten"; CAD B 1 to fear
(the deity) to respect (the oath), to show respect (to
parents) to be afraid of someone, to be in awe
1 l
a a diru ta h a zi, (G part.mv., ta h a zu `strijd'): `die


de strijd niet vrezen'
Ee-i-144
}
, (subst.; MB, SB): angst, vrees, schroom; AHw
\Furcht"; CAD fear
}
, zonder schroom, doortastend
2 adr l
a ahzu (verwacht acc. adra; la ontkenning
 zin, dus sa voorondersteld; G stat. met
in afhankelijke
subj. u v. ah a zu `leren', vaak als trans. stat.: `zich eigen

gemaakt hebbende'
= `kennen'): `die geen vrees kent'

adagurru

CO

i
s kur

*adalu
adanu

adappu
adaru I

udurru
su duru, su duru
sutaduru
na duru, nanduru

adaru II

adru
la adru

Ee-vii-4

su uduru

III. S-stam ( 
, harde alef, causatief): bang maken, beduchten;

III/2. St-stam
(alleen stat.): CAD 2 same as mng. 1
} 
, S verb.adj., , harde alef, elativisch: zeer
bang
3 ina su  
a ri su uduru qereb A., (S stat. mv.; met
su  a ri): (?) `vrolijk spel', `onstuimigheid'; Drie moge-

su uduru

lijkheden: (1e ,

transitieve stat.) `door de onstuimigheid


brachten zij paniek in A.'; (2e ) `zij brachten het inwendige van A. in paniek'; (3e ) `door de onstuimigheid
waren ze zeer bang'
IV. N-stam ( 
, passief, N pres. i  addar, N pret.

na duru

C
C

i  ader)
D a-di-ru, a diru (G part.mv.) Ee-i-144
{ a-dir, adr (acc. zonder a) Ee-vii-4
D su- -du-ru, su uduru (S verb.adj.mv. = S

stat. mv.) Ee-i-24

*adasu , !edesu `nieuw zijn' etc.


addannis , (adv. ook adannis; NA):

zeer, uiterst, in hoge


mate; CAD very, greatly
1 addannis addannis `in de hoogste mate'

itu

Addarum ,

o o

(subst.;
vanaf oud-akk.; 4
iti shekinkud, vaak afiti
e

gekort tot het eerste teken 4
s e): Adar, de 12
OB maand (feb/mrt), %\maanden van het jaar"
, (<*andi): G pret. 1e p.enk. v. !nad^u `werpen'
1 addi t^
aka, (t^u `bezweringsformule' + ka `jouw',
gen.obj. `over u'): `ik heb het machtswoord over u gesproken' Ee-i-153

ad-di, addi <*andi (G pret.) CH-xxiv-16 Ee-i-152


, nevenvorm van de god !Adad (Adad status abs.,
Addu met casus uitgangen)
ad d ad-du d Addu (= Adad) Ee-vii-119
(voorz.) , (ook adu, gadu, qadu, kadu; accepteert geen
suf xen; vanaf oud-akk.; ara; NA adu, kadu),
tot, zover als, samen met; AHw \bis"; CAD B prep.:
together with, inclusive of, pertaining to
1 adi mussa, (<*mutsa): `samen met haar echtgenoot' CHx133

addi
d

Addu

adi,

C ,
C 7

a-di adi

CHx133
,

erra-i-135

adi, (voegw.) , (ook adu, qadi, qadu, NA adu; vanaf ouda-di ul-la adi ulla

akk.; alleen in SB als c

en): totdat (voegw.); zolang


als, soms ook: zolang niet; CAD as long as, while, until,

(with negation) before


1 adi napistasu ibell^
u, (voegwoord+subj. v. bel^u `uitdoven'), lett.: `totdat zijn leven uitdooft' = `tot het
einde van zijn leven';
2 adi irb^
u, (G pret. v. rab^u `groot w.'): `totdat zij groot
werden' (opgroeiden, tot volle wasdom gekomen waren) Ee-i-11
}
, (ook ulla; idioom, ull^a < Sum. of Akk. ull^a
`de verre tijd'): tot in de verre toekomst, voor altijd, eeuwig
vgl. ultu ull^a, istu ull^a: van oudsher, van meet af aan, sinds
mensenheugenis;
} , ( ara, <Sum. ara `gang', ra is een vorm
van ww. `gaan' ) in:
X keer
12

`in 12-voud' CHx5
, (!ada ru `vrezen') `vrees'
, subst. !watmanu
p p `schrijn' etc.
, (dubbelzwak id ,  d wsl. verwant met na  a du
!n^adu `roemen', `prijzen'),
I. G-stam (pres. i- a-a-ad, i adda, pret. i-i-da, da): opmerken, bemerken; bedacht zijn op, benul hebben van; AHw
\aufmerken?";

III. S-stam
: informeren; AHw \informieren";


i-ad-da i adda (G pres.; variant: ia-a-ad, i^


ad)

adi ull^a
adi C

adru
admanu
^adu

a r
a 12 
su

adi X-su

Ee-vii-114

adu , NA vorm v. !adi, voorzetsel en voegwoord


adnatu , (subst. pl. tantum; SB) wereld (of iets dergelijks);
CAD world (as to extend and inhabitants); CH-l-18 var.
ad^u I , (subst.; pl. tantum; gen.-acc. ad^e; NA, NB): eed;
overeenkomst, afspraak, verdrag; CAD A (a type of formal

agreement)

February 27, 2002 Copyright Heise en Stadhouders, Akkadisch Vocabularium

agagu , (ww. a/u-klasse; vanaf OB) G stat.:

woedend z/w.,
boos z/w., verbolgen z/w.;
I. G-stam (pret. gug, G pres. iggag): boos zijn op
(op=ana); Er zijn veel woorden voor \boos zijn op",
\gaan haten" etc., vgl. kama lu+iti, aga gu, zer^u, ezezu;
AHw

\ergrimmen", \zurnen"; CAD to be angry, to


are up in anger
}
, (adj.; vanaf OB): woedend, toornig, driftig; AHw
\grimmig", \zornig"; CAD angry
1 kabattaka ezzetu aggu libbaka, (met -ka `jouw', kabattu `lever', libbu `hart'): 'uw boze lever, uw vertoornd
hart' (moge bedaren e.d.) van vertoornde goden.
}
, (adv.; vanaf OB): op woedende wijze, in woede
AHw \grimmig", \zornig"; CAD angrily
2 aggis l
u teb^u : : : (G stat.mv. v. teb^u): `(ook al) verhe en ze zich (nog zo) boos : : :' Ee-vii-12
II. D-stam (
, factitief): boos maken etc.
}
, D verb.adj., : boos gemaakt zijnd; D soms elativisch: zeer boos, razend van woede; [adj. van het purrustype, vr. purrust; %nominale typologie; verb.adj. van
de D-stam, vaak in gebruik ter aanduiding van lichamelijke gebreken; sukkuku `doof'; kubbutu `zwaar', maar
hier D elativisch]
3 uggugat, (D stat. vr.): `zij was razend van woede'

aggu

aggis

uggugu

uggugu

Ee-i-43
4 Ti
a mat sa uggugat, (D stat. vr.): `T. die woedend
was' Ee-iv-60

(/

III. S-stam (

su gugu):

toorn wekken etc.

a
ag-gi
s , aggi
s (adv.) Ee-vii-12
Z ug-gu-gat, uggugat (D stat.) Ee-i-43; iv-60
 pres.)
s
u
-
s ag-gag-ma, usaggagma (S

>

C / -i-132
/V
erra-i-127

(G pret. subj.+ ma)

agalu , (subst.; ook agallu; oud-akk., SB;


 ): een paardachtig dier: rijezel; CAD (an equid)
agammu , (subst. < Sum.; OB, SB): rietmoeras, rietlagune;
CAD marsh;
agaru , (ww. a/u-klasse; vanaf OA, OB)
erra

a-gu-gu-ma aguguma


an
se u

I. G-stam (pret. gur, pres. iggar, perf. itagar): huren,


inhuren (van mensen) AHw \mieten"; CAD 1 to hire,
to rent; 2 D as G; 3 N passive to be hired
} , G verb.adj., , (subst.; st.c. agir-; vr. agirtu; als
subst. mv. agru in NA en NB agru tu; vanaf OA, OB;

agru

J

lu hunga;
ernhunga): 1 een in
 Aries
gehuurde, huurling
; 2 het sterrenbeeld
AHw
\gemieted", \Mietling", \Mietarbeiter"; CAD 1 hired
man, hireling; 2 the constellation Aries
1 lu agram gurma, (G pret.) lett.: 'hij huurde een
huurling') `hij neemt een huurling' CHx26
} , (subst.; st.c. igir, mv. igru; in OA en NA pl.
tantum igru ; vanaf OB): huur, loon; AHw \Miete",
\Lohn"; CAD hire, rent, wages
2 ana igrim: tegen een huur
lu-  , lu agram (gurma) (acc.) CHx26
l
u
o
i-gur-ma, ( agram) 
gurma (G pret. +ma) CHx26
PV
ig-ri-im igrim (gen.) CHx34
, subst. !kappu `vleugel'
, (!aga gu) `toornig', `vertoornd'
, (!aga ru `huren') `huurling'
, (subst. < Sum.; ook aga u; st.c. aga -; vanaf OB;
aga): kroon, tiara; hoofdband, tulband; maan, soms

igru

J
V
agappu
aggu
agru
ag^u I

hun g
a

alle maanfasen i.h.a. maar speci ek: vollemaan (als S^n


met een kroon bekleed is, door vochtige of stof ge
lucht, niet de sikkelpunten bij wassende maan); aureool,
de stralenkrans van andere heldere hemellichamen; [De
kroon vertegenwoordigt de waardigheidstekens; in de
kroon van een god zetelt de goddelijke potentie] AHw
\Tiara", \Krone"; CAD A 1 crown (as insigne); 2 disk
(of the moon), corona, circle, circular shape
1 istahat. ag^
asu, (G perf.; ag^u `kroon'): `en hij [Ea]
 [Mummu's] kroon/hoofdband/tulband af'
pakte zijn
(en zo komt het dat Ea sindsdien het epitheton
Mummu draagt) Ee-i-67
2 arhisam : : : ina ag^e umus (N imp. v. nam
asu ne v. nawasu `zich voortbewegen', `weggaan'):
venvorm
`ga elke maand in de kroon op weg!' Ee-v-14 [Het beeld
van de maangod in zijn kroon: de maan als voertuig
komt wel vaker voor.]
u-mus voor N imp. kan echter ook anders gelezen worden, namelijk als (1 ) u-s.ir = us.ir D imp. v.
es.eru `aftekenen', `afbakenen': \baken de maand met
de kroon af!" of us.s.ir D pret. \hij ontwierp/plande (de
dagen) maandelijks met de kroon"
}
, lett. \halve kroon" ) halvemaan, eerste

>v

ag^u maslu

kwartier
 m ag^
3 ina u4 7ka
a masla `en op de 7e dag (straalt

C
C ?b
,
(acc. + ) Ee-i-67
C ? C , Ee-v-17
CU4 ,
(gen.) Ee-v-14,
-i-128
ag^u II , (subst. < Sum. `donker water'; vanaf ; C
C   ) vloed, vloedgolf; in LL-ii-52 bijv.
gij, maan) met halve kroon' Ee-v-17
U
a-gi-im, ag^
m (gen.) CH-iii-26
a-ga-
s u ag^
a
su


su

a-ga-a ag^
a

a-ge-e (ina) ag^


e

erra

OB


Malku:Sarru

a mi( a)

gi-ip-[su] = a-gu-u (gipsu `zwelling', `dikte', `massa')


AHw \Str
omung", \Wasser ut"; CAD B 1 ow of water, current; 2 wave, 3 destructive ooding
1 ag^
u saplutum, lett.: `het water beneden' ) grondwater

C/ >

LL-Ms-ii-52

*ag^u , !eg^u `nalatig zijn'


ah ames , (adv. %von Soden GAG x120e; ook ahamis,
a-gu-
u ag^
u

ah a jis, OA, , NA: ah a is, NA: aheis; vanaf OA, MB):



 1 each other, , one
gezamenlijk
, met/tegenelkaar; CAD
another, mutually; 2 together, jointly; 3 severally, each
in equal measure; 4 side by side, face to face, alike
, (adv. %von Soden GAG x118j; ook ahenna ; SB,
 NB, LB): deze oever, deze kant; [vgl. ahull^a:`de andere
 nearer shore
oever', `de overkant'] CAD this side, the
or bank;
}
, hierheen, hier naar toe;
, (ww. komt nauwelijks in G voor):
 I. G-stam : achterblijven
II. D-stam (
) Eng.: to tarry, to be delayed;
  , laatste; AHw \hinterer", \spaterer";
}  , achterste
}
, (adv.; SB; i.p.v. ana ahr^at, beetje afwijkens , door contaminatie
de vorm van de terminativus op {i
van de vr. vorm op {atis): voor de toekomst CAD in
the future
1 s^
asuma litta idasu nisu ahr^atas ((1 ) litta  idasu


Dtn of Gtn prec. na  a du met sterke
, `roemen', `prij2

zen'; of ( ) litta idasu Gt v. n^adu, met zwakke alef,
`letten op', `oppassen', `acht slaan op'): (1 ) `zij moeten
hem steeds tot in eeuwigheid roemen', of: (2 ) `laten zij

ahann^a

ana ahann^a
aharu
uhhuru
ahr^u
ahr^atas

February 27, 2002 Hoofdstuk 2 Akkadisch vocabularium

nauwgezet acht op hem slaan tot in de verre toekomst'

Ee-vi-136
2 ahr^
atas nis `voor de toekomst der mensen', `voor

de toekomstige
mensen' Ee-vii-133
}
, tot in lengte van dagen Ee-vi-108
3 ahr^
atas u me la mas^e (masu^ `vergeten', verwacht

ahr^atas u me

 la mas^e `om niet te vergeten', `tot niet-vergeeig. ana


ting'): `tot in lengte van dagen, zolang er memorie is'
Ee-vi-108

}ahrtis , (adv.; terminativus op {is, OB literair):

voor
de toekomst AHw \fur die Zukunft" CAD in future
}  , (subst.; pl. tantum; ook ahriatu, ahr^atu;
vanaf OB): volgende; CAD 1 future; 2 prosterity,

ahrtu

H ?
ahatu
progeny

ah-ra-ta
s ahr^
ata
s

Ee-vi-108, vii-132

, (subst.; st.c. ah a t; vanaf oud-akk.; mv. in OB:


 ahh a tu; mv. in OA: ah
 ua tu;
nin;
nin9 ): zuster;



CAD 1 (real) sister, also as components in kinship
terms; 2 sister (as designation of a rank or status);
3 one another
}
, oudste zuster;
}
, tante (vaderszijde);
}
, tante (moederszijde);
}
, neef (oom/tante-zegger);
p
, (ww. a/u-klasse, hz vanaf oud-akk.; verba pri mae Alef, a-klasse):

G-stat., (net als lama du vaak als trans. stat.): \zich
eigengemaakt hebbende" ) kennen
G-stat.: (met een vrouw) getrouwd zijn;
1 (sa) adr l
a ahzu (la ontkenning in afhankelijke zin,

dus sa voorondersteld;
G stat. met subj. u; verwacht
acc. adra `angst'): `die geen vrees kent' Ee-vii-4
2 summa awlum assatam huzma, (G pret.): `indien
 neemt' CHx128
een man een vrouw ten huwelijk
I. G-stam (pret. huz, pres. ihhaz): nemen, grijpen,
 ; ook een ww. van
pakken, (tot vrouw nemen:) trouwen
denken (geestelijke beweging, vgl. Ned. \grijpen" in
\begrijpen"): leren, zich iets eigen maken, concipieren, het
plan opvatten (ook in Ned. \vatten = pakken") kiezen
(een weg), inslaan (een weg); AHw \nehmen", \heiraten", \lernen"; CAD 1 to seize, to hold a person; 2
to take a wife, to marry 3 to hold, to possess, to take
over, to take to (a region); 4 to learn, to understand; 5
to mount (an object in precious metal) 6 in idiomatic
phrases
 a-hi-zu a hizu (G part.) Ee-vii-129
 ah-zu ahzu (G stat.subj.) Ee-vii-4
N
i-hu-uz-ma, 
huzma (G pret. +ma) CHx128


I/2. Gt-stam (
) CAD 7 to be interconnected

II. D-stam (
, Ass.: ahhuzu) CAD 8 to mount (an
  materials),
 to mary
object in precious
II/2. Dt-stam (
)
 , causatief/factitief): laten nemen
III. S-stam (
etc.; onderwijzen; (een weg) doen nemen/kiezen; instrueren; CAD 9 to teach, to educate, to inform, to instruct,
to incite, to make take a wife, to make hold, to have
(an object) mounted (in precious metal), to kindle a
re, to make a person liable for debts, stat.: to have a
claim on income
3 imnasu u
 sahiz, (S pret.; imnu `rechter kant'), lett.:

`hij liet zijn rechter
hand hem [het wapen] pakken' )
`hij nam hem in zijn rechter hand' Ee-iv-37

ahatu rabtu
ahat abi
ahat ummi
mar ahati
ahazu

C t V

ithuzu
uhhuzu
utahhuzu
su huzu

>b U ( sutahuzu
NT

 inf gen.) CH-v-18


(S

 pret.) Ee-iv-37
(S


s u-hu-zi-im 
su
 huzim




u
-
s
a-hi-iz


III/2. St-stam
(

u

s ahiz

): CAD 10 to be induced, in


uenced to be set a ame
IV. N-stam (
, passief): CAD 11 to be married

IV. N-stam (
, ingressief): CAD 11 to are up
(said of re) 
}
, N part., , adj.; SB: CAD aring-up (said of

re), enthusiastic
}
+

, (raq^u `verbergen';
marqtu `wijkplaats', `toevluchtsoord') toevlucht nemen/zoeken;
} 
, (ook a hizia nu; suf x !{a nu, {a n met in
dividualiserende kracht:
\lid van de klasse van"; OB,
): bruidegom CAD (a person who is atking a woman
in marriage), bridegroom;
}
, (subst.; ook ah u zatu), huwelijk, huwelijks
geschenk; trouwerij; CAD 1 marriage
gift; 2 a marriagelike relationship of dependency and protection between
an unprotected female and the head of a household;
}  , (subst. pl. tantum; OB, Mari, MB, NB, SB):
vatting (voor stenen); CAD mountings (for setting
stones and decorating costly objects)
}  , (subst.; MB, SB, NB;  nigzu): kennis,
geestelijke bagage (wat je hebt geleerd) CAD A knowledge, instruction, precepts;
}  , (subst. Gt-vorm bij !ahazu; st.c. tah az;
mv. ta h a za tu; b me; a me6 ): veldslag, strijd,
oorlog; misschien ook: oorlogsmacht; (eig.: handgemeen)
een subst. bij de Gt-betekenis van wederkerigheid; \het
elkaar aanvatten"; [tapra s-nomen, vr. tapra st, (%nominale typologie); vaak voor \de reciproke actie", een
subst. bij de Gt-betekenis van wederkerigheid, vgl. bijv.
tamh a ru `veldslag'] AHw \Kampf", \Schlacht"; Eng.:
 combat;
battle,
a h a zi u qabli: `Istar, meesteres van de
4 d Istar belet t

veldslag en de strijd';
5 l
a a diru ta h a zi, (G part.mv. v. ada ru): `die de strijd

niet vrezen' Ee-i-144
6 usziz imnussu t
a h a za rasba, (S pret. v.izuzzu

`staan'; rasbu `angstverwekkend'):
`hij [Marduk] plaatste aan zijn rechter zijde Geduchte Strijd' (naam van
een paard) Ee-iv-55
7 dingirdingir s
a me = ilu sa ta h a zi `de goden van

de strijd' Ee-iv-92
8 iks.uru t
a h a zu (G pret. subj. v. kas. a ru `knopen'):

`(en die) de oorlog
heeft/had georganiseerd' Ee-vi-24
9 rissu-ma libbasu epis t
a h a zi (< *irissu G pret.
eresu +2  acc:; 1e acc. -su; 2e acc. epis ta h a zi) `zijn
hart verlande van hem strijd te voeren' erra-i-6
T ta-h[a-zi], tahazi (gen.) Ee-i-144, vii-105

ta-ha-za, t
a h
a za (acc.) Ee-iv-55


 ta-ha-zu, ta h a zu Ee-vi-24, 30
b sa , (ilu ) sa ta h a zi Ee-iv-92
, (adv. < ah^e + ann^u %von Soden GAG x120g;
 ook ahenn^u, ana ahenn^u, ahinnu ; SB): ieder voor zich;
 , apart, speciaal


afzonderlijk
AHw \jeder/s f
ur sich"; CAD
ahenna each separately, singly;
, Ass.: D imp. (Bab.: uhhiz) v. !ah a zu `nemen'; verba
  primae Alef, a-klasse 


nanhuzu
nanhuzu
munnahzu
marqtu ahazu

ahizanu

ahuzzatu

ihzu

ihzu

tahazu

M
MJ
M

ahenn^a
ahhiz

m
e

February 27, 2002 Copyright Heise en Stadhouders, Akkadisch Vocabularium

ahh u tu , (subst.; suf x !{utu, {ut vormt abstracta bijahu


`broer'): Eng.: brotherhood, brotherliness; status of
brother
, Ass.: D stat. v. !ah a zu (Bab.: uhhuz); verba pri  mae Alef, a-klasse


, Ass.: D inf. of verb.adj. v. !ah a zu (Bab.: uhhuzu);
  verba primae Alef, a-klasse


, (adv. bij !ah a ru `achterblijven')
 , G pret. 1e p.enk. v. !her^u `graven'


V
ah-ri-a-am-ma, ahriamma



ahhuz
ahhuzu
ahr^atas
ahri

KC


s e
s

sesani; in PNs en NA (zelden


): broeder, broer, soms in een zwakke, bleke betekenis \iemand lid van de club"; ook ahu aham
 abu
: : : \de een [subject] : : : de ander [object]" (`vader'
en `broer' zijn termen die vaak ruim gebruikt worden
voor verwanten)
Verdubbeling van de consonant in het mv., evenals bij
abu `vader', mv. abbu . `mijn broeder' is in brieven soms
de aanspreekwijze van de ene koning tot de andere.
Als deze daar niet van gediend is, kan hij antwoorden: `ik kan mij niet herinneren familie te zijn'. AHw
\Bruder"; CAD 1 (real) brother, also as component
in kinship terms; 2 brother, colleague, associate (as a
term for a speci c social, political, legal, or emotional
relationship) 3 ahu aha, ahu ana ahi etc. one another;
4 ahu rab^u (also rabiahi, title of afunctionary of the
 or temple)

palace
1 ahum aham immar, (G pres. v. am
a ru `zien') `de een

ziet de ander'
2 ahum ana ahim ul iraggam, (G pres. v. rag
a mu

 geen claim leggen op een ander'
`claimen')
`men zal
3 GN-ahhe-irba/erba (G pret. v. r^
abu, ria bu `vervan
gen'; persoonsnaam:
`GN-heeft-mij-broers-vervangen'
bijv.. S^n-ahhe-erba Sanherib S^n is hier subject, dus
erba is in 3e p.enk.
de ww.-vorm
}
, oudste broer
}   , jongere broer
}
, oom van vaders(moeders)zijde
}
, neef (zoon van oom)
 , nicht (dochter van oom)
}
 , neef (oomzegger)
}

}
, nicht (oomzegster)
}  , (een soort Gt-vorm van een nomen) broeder,
litt. nevenvorm, waarin het Gt-aspect (reciprook) benadrukt wordt: medebroeder
4 ina il
a ni athesu, (bijstelling bij il; SB gen. e i.p.v.
), lett.: `onder de goden zijn broers', `onder zijn medegoden' Ee-i-20
5 linnadnamma isten ahusun, (N prec. v. nad
a nu `ge u `broer' in de zwakke beteven' + dat -am + ma; ah

kenis `iem. lid van de club'):
lett. `moge een van hun
broers aan mij gegeven worden' ) `laat een hunner
aan mij uitgeleverd worden' Ee-vi-13, waarin een god
moet worden omgebracht om uit zijn bloed de mens te
vormen.
OB ook
NB) <

als

pab

ahu rab^u
ahu s.ihru
ahu abi/ummi
mar ahi
marat ahi
mar ah abi
mar (marat) ah abi
athu

Ee-i-20

N L

aham nad^u

(G pret. 1e p.enk. + vent. am +ma v. her^u, `graven') H.Sip. 22




ahrtis , (!aharu): `voor de toekomst'


ahrtu , (!aharu): `volgende'
ahr^u , (!aharu `achterblijven'), (in plaats:) `achterste', (in
tijd:) `laatste'
ahhu , mv. v. !ahu `broer'
ahu I , (subst.; mv. ahhu; vanaf oud-akk.; K , in

at-he-e-
su
 ath
e
su

;
 ):
mv. zeldz.; vanaf OB, MA;
a
zag; j
gu
arm; zijde; oever, kust; AHw \Arm", \Seite"; CAD
B 1 (human) arm; 2 side (of a human), ank (of an
animal), wing (of an army) 3 bank (of a canal, river),
shore (of the sea), side, edge (of localities and objects);
4 sleeve or armhole ap, mv. ah a tu; 5 half, half share,
rst half 6 arm or handle of an instrument
}
, lett.: de arm laten hangen ) werkloos
toezien, niets ondernemen, verwaarlozen, in gebreke blijven;
1 ahsu iddima: `maar hij onderneemt niets', CHx44

4!


ahu II , (subst.; st.c. ah, vaak
geschreven als a-ah of ahi;



C b
C ,

,
(+su) CHx44


, `mijn arm' CH-xxiv-16

a-ah-
s u ah
su

ahu^ , (adj. < ahu II +, vr. ahtu; Ass. ahiu; vanaf OA,
a-hi

ah


J bar): \van de rand" ) vreemd, ander, buitengewoon, buitenlands, extracanoniek (bibliotheekterm) AHw
OB;

\auf der Seite", CAD 1 strange (person), foreigner,


outsider, alien (object); 2 additional, extraordinary; 3
strange, abnormal, estranged, unusual, ill-portending;
4 hostile
}
, CHx40; beetje lastig: een ilkum-goed, waar
op de normale
regels niet van toepassing zijn, en dan
overdrachtelijk gebruikt als persoonsaanduiding; v. Soden: iem. die voor een ander de ilkum-dienst verricht;
die een ander vervangt; `ilkum-plichtige';
1 eqel ahu
^: een speciaal soort akker, waarop norma van toepassing zijn; tegenover eqel biltim
le regels niet
akker, waarop belasting/pachtsom rust. list
}  , gesubstantiveerde vr. vorm v. ahu^; st.c. aht;
mv. ahia tu; Eng.: additional payment; extisspicy ook

misfortune,
adverse feature, secrecy; mv. also outskirts,
dependents
N
il-kum a-hu-u-um, ilkum ahu^m

ilku ahu^

ahtu

CHx40

ahull^a ,

>

(adv. %von Soden GAG x118j; ook ahullu ,



ahullua ; SB, NA, NB, LB): de andere oever, overkant

[vgl. ahann^a: `deze oever', `deze kant'] CAD beyond,
on the other shore or bank;
of , vetitivus partikel (negatieve wens of krachtig verzoek, ontkenning van de imperativus) \moge niet". ai
voor een preteritumwerkwoordsvorm met een vocaal.
De vorm voor een consonant is het partikel e, bijv.
aj imhur (met G pret. v. mah a ru) `moge hij niet ont aj imras (met G pret.
 v. mara su) `moge hij
vangen',
.
.
niet ziek worden', e tat.rudassi (met G pret. 2e p.enk.
v. t.ar
a du) `moge U haar niet sturen!'/ `stuur haar niet
(naar mij)!' De vetitivus is praktisch uitwisselbaar met
de prohibitief (= la +pres.) en verdwijnt in het latere
Akkadisch.

ai aj

, CH-xxiv-92

a ilu , MA vorm van !awlu


ajabba , (subst.; ook ajjabba, Sum. C    ; Mari,
SB*): zee, open zee; AHw \groes Meer"
aj
a
bu
, !ajja bu, `vijand'
d Aja, Ajja : Een godin, gemalin van Sama

s
d
CC
,
CH-ii-28
ajjabba , !ajabba, `zee'
ajjabu , (subst.; ook ajabu, hajabu, jabu; vanaf OB): vij

a ai

a ab ba

a-a Ajja/Aja

and ong. synonym met !za eru, G part. v. z^eru, `hater',

10

February 27, 2002 Hoofdstuk 2 Akkadisch vocabularium

`vijand' [parra s-type nomen en adjectieven (%nominale typologie) voor beroepen in ruime zin (beetje participiaal); ook gewoonten en zaken die men \pleegt
te doen"; nappa hu `smid', dajja nu `rechter', sarra qu

`dief', wassa bu `bewoner',
`huurder'] AHw \feindlich",
\Feind"; CAD 1 enemy, 2 in aja b akali (name of a
plant)
a-a-bi, ajja b (mv.) CH-iii-47
, !ajj^u
,
, (subst.; vanaf oud-akk.; p
gudsisa
met voorafgaand determinatief 4 iti `maand'; vaak
iti
e
afgekort tot het eerste teken 4
gud): de 2 OB
maand (april/mei), %\maanden van het jaar"; CAD B
(name of the second month)
, (vnw.; ook aj^u, ajju, j^u, vr. aj^utu; gespeld als
ia-
u): welke?, wat? AHw \welcher?" CAD 1 who?,
which?, what? (interr.) 2 who, which, what (inde nite)
}
, (adv.) waar?
, (onbepaald vnw. < ajjum + ma; ook
ajumma, ja umma; vanaf OB;
ia-um-ma): vr.
ajtumma enige, iemand, wie dan ook; la ajjuma geen
enkele; AHw \welcher auch immer", \irgend einer";
CAD someone, something

ajju-um-ma ajjumma Ee-vii-152


, vnw. vr. v. !ajj^u wat? welke?
, (subst. !aklu onder !aka lu `eten'; $ ninda =
 = na  n
gu7 = ku
g `mond'  `brood'; vanaf oudakk.): brood;

CC

ajjanu
Ajjarum

)
)

ajj^u

ajjanu
ajjumma

aj^utu
akalu

>

akalu , (ww. a/u-klasse, p kl , verba primae Alef, a-klasse,


ninda

akala

(gen.) BAM578-i-29, 38


= ku = nang `mond'  `brood'):


I. G-stam (pret. kul, pres. ikkal, stat. akil, imp. akul,
zie verder tabel) eten; (van lichaamsdelen) pijn doen,
zeer doen [voor `pijn doen' zie ook !zaqa tu, meestal
in D: zuqqutu `steken', `prikken'; !mah a s.u ook `slaan';
 term.] AHw
!lapatu, maar akalu is de meest algemene
\essen", \fressen"; CAD 1 to eat, to consume, to provide for oneself; 2 to take for oneself, to pocket (silver,
goods, pro ts), to enjoy (something or the use of something), to have the usufruct (of a eld, etc.) to use, to
consume 3 to decrease (in measuring the rate of incline,
math.) 4 to bite; 5 to ravage, to consume, to destroy
(said of gods, re, and other agents); 6 to irritate, to
hurt (of ailing bodyparts) 7 (in idiomatic uses)
1 sa ak
a lim, lett.: \dat van eten", `dat wat men kan
eten') voedsel, brood (in ruime zin), bestaansmiddelen,
levensonderhoud, middelen van bestaan; bijv.
2 ina btsu sa ak
a lim ibassi (G pres. v. !basu^ `zijn')
`in zijn huis zijn er (voldoende) middelen van bestaan'
$

gu7

CHx133

logogra sch:

$

 -
di
s
na
sag
sa
s u ku-su
3 summa amelu res libbsu ikkalsu (G pres.; resu
`kop', `top'): `indien iemand pijn heeft aan zijn bovenbuik' BAM578-i-1
$
kim-s.a-su grII -su kuII -su
4 kims. 
asu sepasu ikallasu (G pres.3e vr.mv. v. aka lu
`eten', maar ook gezegd van lichaamsdelen: `pijn doen';
lichaamsdelen in dualis, in logogrammen aangegeven
met
ii; in dualis krijgen predicaat en attribuut de
uitgangen vr.mv.: `zijn onderbenen en zijn voeten doen

J ! : !
:

:!

hem pijn' BAM578-i-46


, reciprook) CAD 8 to eat, to swallow up each other

III. S-stam
(
): CAD 9 to give to eat, to feed, to
support, to privide for, to fatten, to give medication to
steep an object in a liquid, to destroy in a re (with
isa tu) 10 OA: sa kulu to satisfy a claimant

III/2. St-stam
(
) math.: vermenigvuldigen,
kwadrateren CAD 11 to multiply, to square (math.)
IV. N-stam (
, passief) CAD 12 to be consumed,
to be used up, etc.
} , (subst.; ook akalu; st.c. akal vanaf oud-akk.;
ninda,
nindame
s;
nindahia): brood,

maaltijd, eten, voedel; AHw \Brot";

K

ninda
u kas
la
akala u sikara mut.t.u
1
 in med./therapeutische teksten ( ) sam
5 (K la
. a du
2
`aanbinden'; ( ) mat.u^ (vaag eigenschapsww.) `gering
zijn', vaak `te gering zijn', `tekort schieten' D mut.t.u^
`gering maken'; idioom: inf + mut.t.u^ D stat. lett.: `hij
is gering gemaakt/hij komt tekort' ) `iets in geringe
mate kunnen doen'; hier met ellips voor `nuttigen'): `hij
verdraagt geen brood en bier' of: `hij kan geen brood
en bier tot zich nemen' BAM578-i-29
F
$
#
N

di
s na ninda
ku
ka
s
nag-ma
u-nap-paq

atkalu
su kulu

I/2. Gt-stam (

sutakulu
nankulu

aklu

U
U

U C

U

V >

6 summa amelu akla ikkal sikara isattima unappaq (


ak(a)lu `brood'; $ ku aka lu `eten'; D pres. v.

ninda

napa qu in D `zich verstoppen', `verharden', `hard worden/maken', medisch: `aan verstopping leiden'): `indien iemand van brood eten en bier drinken [van dagelijkse kost] verstopping krijgt' BAM578-i-38
}
, (subst.; in SB ma ka l^u; vanaf OB): o erspijzen, spijzen, maaltijd; CAD 1 food, meal, food o ering
to gods; 2 hurt (?)
}
, (subst.; st.c. ukulla -; NA: akull^u;

 gal):
sa
voeding, voer AHw \Verplegungs(ration)",
\Verkostigung"; \Viehfutter"; Eng.: food allotment,
food supply, fodder;
}
, (subst.; st.c. ukulti-; met suf x ukulta-;
mv. ukla tu): Eng.: food, food supply provisions, feeding;


s a a-ka-lim, 
s a ak
a lim CHx133
 ; ma-ka-li, ma kal (mv.) CH-iii-34, IV.36
$
ikkal (G pres. ak
a lu) BAM578-i-1, 46

makalu

ukull^u

ukultu

aV C
k
u

paradigma voor verba primae aleph, de a-groep:


pres.
pret.
perf.
part.
imp.
inf.
V.A.
stat.

Gt

Gtn

ikkal,takkal


tappal


tanakkal


kul,t
a kul


tapal


takkal


takal

*
tatpal


tatakkal

a kilu


m
u taplum

*m
u takkilu

akul

athaz

atakkal

ak
a lu

athuzu

atakkulu

aklum

*athuzu

*atakkulu

akil

*athuz

*atakku







11

February 27, 2002 Copyright Heise en Stadhouders, Akkadisch Vocabularium

pres.
pret.
perf.
part.
imp.
inf.
V.A.
stat.

Dt

uhhaz


u
 tahhiz

u
 tatahhiz

m
u tahhizu

*utahhiz

utahhuzu

|
|

u
s akkal

u
s takkal

u
s tanakkal

u
s
a kil

u
s t
a kil

u
s takkil

u
s t
a kil

u
s tat
a kil

*u
s takkil

mu
s
a kilu

mu
s t
a kilu

mu
s takkilu


su
 kil


s ut
a kil


s utakkil


su
 kulu


s ut
a kulu


s utakkulu


su
 kulu

*
s ut
a kulu

*
s utakkulu


su
 kul


s ut
a kul


s utakkul

pres.
pret.
perf.
part.
imp.
inf.
V.A.
stat.

*
u tanah haz


uhhiz

u
 tahhiz

muhhizu

uhhiz

uhhuzu

uhhuzu

uhhuz


S

pres.
pret.
perf.
part.
imp.
inf.
V.A.
stat.

Dtn

u
 tahhaz


St

u
 tahhiz



*
u tatahhiz




utahhuzu

|

m
u tahhizu
utahhiz

*utah huzu


Stn

Ntn

innahhaz

ittanahhaz

innahiz

ittanhaz



ittanhaz

munnah zu

nanhiz

nanhuzu

nanhuzu

nanhuz




|
|
|
|
|
|



akappu , subst. !kappu `vleugel'


akas.u, ekes.u , (ww.) G stat.: halstarrig zijn, hartnekkig zijn;
AHw etwa \hartn
ackig sein"
}aks.u , (adj.; ook eks.u, waks.u; OB, MB, SB): wild, gevaarlijk; halstarrig?, hartnekkig?; AHw etwa \hartnackig"
CAD

dangerous, overbearing, terrible;

ak^e (voegw.) , !k (voegw.) `zoals', `wanneer', `dat' etc.


ak^e (voorz.) , !k (voorz.) `zoals', `als', etc.
ak^ (voegw.) , !k (voegw.) `zoals', `wanneer', `dat' etc.
ak^ (voorz.) , e!k (voorz.) `zoals', `als', etc.
akil , G stat. 3 m.enk.: !akalu `eten', vr. vorm is aklat
akilu , G part. !akalu `eten'; verba primae Alef, a-klasse
aktu , (subst.vr.; leenwoord vanaf OB): feest, nieuwjaarsfeest (belangrijk feest) AHw \(Neujahrs-)Fest", \Fest-

haus" CAD (a festival and the temple in which the


festival is celebrated)
, (Sum. uitspraak Agade), de stad en de landstreek
Akkad
ki

( 
 ) , Akkadum (stad en landstreek)

Akkad

C?

CH-iv-50

a

a k
a d
e

(gen.), CH-v-9

Akkad^u , (denom.adj.; st.c. akkad-; vr. akkadtu; vanaf


oud-akk.): Akkadisch
akkma , !kma
(voorz.)
akla , G pret. 1e p.enk. v. !kal^u
aklu , G verb.adj. !akalu `eten'; verba primae Alef, a-klasse
aklu , subst.; !waklu `opzichter', etc.
aktam , (subst. plantennaam): wonderolie, ricinusolie castorak-ka-di-im Akkadim

olie;
AHw eine P anze, \Ricinus (?)";
[aktam betekent ook: `ik bedek', maar wsl. zonder verband. aktam is de ricinus-boom en het product: ricinus-

olie, castorolie, ook `wonderolie', heden bij de drogist


verkrijgbaar als een sterk purgeermiddel. Het wordt
bereid uit geschilde zaden van ricinus communus, wonderboom, een kruidachtige tot 2 m. hoge plant uit de
familie van de wolfsmelkachtigen (zaden giftig voor
vee, de olie niet). De zaden bestaan voor bijna de helft

uit olie. De olie werd gebruikt als smeermiddel voor


vliegtuigmotoren, als laxans, bij zeepbereiding, in de
leerbewerking en sinds vroeg-Egyptische tijden als verlichtingsolie.
aktam wordt vaak genoemd samen met het onbekende maar ook veel voorkomende mastakal en ook
met tamarisk. Zeepkruid? Zeepkruidplanten bevatten
saponinen (giftig) die schuimen in water en gebruikt
kan worden voor wassen en reinigen van wollen stoffen. Een geneeskruid tegen reumatiek, jicht, huidziekten etc.
a
 E u ak-tam u in6 us
1 aktam mastakal `wonderolie en mastakal-kruid'

> }>
> }
ak^u
BAM578-i-13

a u ak-tam aktam BAM578-i-13, 51


, (subst. en adj. < Sum.; ook mak^u; vr. aku tu; OB, SB):
invalide, verminkte, gebrekkige; AHw I \Kruppel"; CAD
B 1 crippled, deformed,; 2 cripple
, G imp. !aka lu `eten'; verba primae Alef, a-klasse
, st.c. v. ! a lu `stad'
, (subst. < Sum.; NA;

d aladd lamma): een beschermgodheid; afgebeeld als
stier op de paleistoren (NA); CAD bull colossos with
human head;
, ww. 6 ala du, late vorm van !wala du `baren', `verwekken', `voortbrengen'
, (ww.; vanaf oud-akk.; du/gin; onregelmatig
ww.),
I. G-stam (pret illik, pres. illak, perf. ittalak, imp. alik)
gaan, gaan naar (acc.) [In Sem. talen zijn ww. van
beweging vaak transitief, waarbij de accusativus aangeeft `de plaats waarheen/-over/-langs/-uit/-op/-in'];
AHw \gehen"; CAD (28 pages) 1 to go, to move, to
proceed; 2 to come; 3 to move about, to walk about,
to live, to behave, to act, to serve, to do service, to be
loose and movable, to be displaced, to be on the move,
(said of eyes) to uctuate (said of prices), to run (said
of water), to burn, to go (said of res), to blow (said
of wind), to fall (said of rain), to trail (said of smoke),
to come, to pass (said of time), to run (said of a road),
to t, to be meant for; 4 (in idiomatic expressions);

akul
al
Aladlamm^u

C B

aladu
alaku

C

logogra sch:


s
ina ka-su mal-da-ris du-ku
1 m^
u ina p^su maldaris illaku (
du-ku
G pres.mv. omdat m^u pl. tantum; masdaris, maldaris
`durend', `steeds' bij sada ru `regelmatig zijn', `iets
steeds maar doen' als een soort hulpwerkwoord): `het
water loop steeds uit zijn mond' (`hij kwijlt voortdurend') BAM578-i-27
} +
, aan (zijn) zijde gaan; escorteren, begeleiden, meestal in de betekenis van helpen, beschermen;
CAD 4c3'a' to accompany, to walk alongside, 4c3'b'
to assist, to protect
2 ana idsu al
a ku: `aan zijn zijde gaan'; `escorteren'
3 id
usu ala ku, (locativus): `aan zijn zijde gaan'; `escorteren'
4 u il
u res. u su a liku idisu, (G part. v. ala ku, lett. `aan
zijn zijde gaan'): `zijn helpers, die hem begeleiden' Ee-

a me
s

idu alaku

iv-69
5 id
usu la tallikkima, (loc. +su; G pres. 2e p.enk.),

lett.: `aan zijn zijde bent u niet gegaan'

`u heeft

12

February 27, 2002 Hoofdstuk 2 Akkadisch vocabularium

hem niet beschermd' Ee-i-114


(suf x !{u tu, {u t vormt abstracta; bij res.u `helper', G part. v. ras.u^ `hardlopen',
`te hulp komen'): X te hulp komen;
}
+
, (suf x !{u tu, {u t vormt abstracta; bij sbu `grijzaard'): oud worden, een hoge leeftijd

}res.u t X + ala ku ,

sbutu alaku

bereiken

}tapp^ut X + ala ku ,

(G part.; suf x !{u tu, {u t


vormt abstracta; bij tapp^u `kamaraad', `maat',
`makker', `compagnon'): vriend van X worden;
}
, (girru `weg', `veldtocht'): veldtocht;
}
, G part., (subst.; OA, OB, Mari: `die gaat'): als
subst. lett. \de gaande", ook: ) bode; CAD traveller,
messenger
}
, (subst.; mv. a liku t pani, a liku pani; ong.
syn. met a liku t mahri; OA, OB, Mari, MB, NA, NB;

duigi): leider, aanvoerder Ee-iv-105 CAD 1 leader;
2 superior; 3 (member of a class of workers)
}
, (subst.; OB, SB; mahru `voorkant'):

 ; (ook temlett.: die vooropgaat
) leider, aanvoerder
poreel), voorganger CAD herald, forerunner
}
, (G part.; imnu `rechter kant'), lett. `iem.
die aan de rechter kant loopt' ) (als a lik idi) helper,
begeleider;
}
, (subst.; suf x !{u tu, {u t vormt abstracta;
bij G part.; SB*): (ambt van) bode
}
+gen. , (syn. met a lik pa ni), lett.: die
 leiding, leiderschap, aanvoerderschap; CAD
voorop gaat )
leadership (of the army)
6 
a liku t mahri pa n umma ni, (umma nu `leger'; pa n
 redundant, soort contaminatie): lei`voor', eigenlijk

alak girri
aliku
alik pani

alik mahri
alik imni

alikutu
alikut mahri

ding over het leger Ee-i-149

} a lik idi , (subst.; OB, Mari, SB):

helper, begeleider,
(lett. `die aan iem. zijde loopt'); CAD 1 person asigned
to escort diplomats, foreigners, and persons in need of
surveillance; 2 helper, protector, partner
7 ana d 
Id ala ku: `naar de Rivier gaan' ) `zich werpen' (in de rivier om het godsoordeel van de waterproef te ondergaan, ook !sal^u `plonzen' en !nad^u
`werpen');
8 warki X al
a ku: `X volgen' (lett. `achter X gaan');
}
, dood gaan, sterven, overlijden;
(lett.: \naar de (lots-)bestemming gaan"); vgl. mu t
smtim: `natuurlijke dood' en mu t la smtim: `onnatuurlijke dood'. CAD to die
I/2. Gt-stam (
, bij ww. v. beweging: seperatief)
weggaan; CAD 5 to go away
I/3. Gtn-stam (atalluku, italluku, habitatief, iteratief):
gaan, wandelen; ook in de zin van: levenswandel; CAD 6
to go, to walk about, to live, to act, to be in motion,
(frequentative to mngs. 1-4)
9 ina n
u risu namri littallaku sunu kajja n (Gtn prec.;
kajja n `voor altijd', `duurzaam'; `regelmatig', `rustig'):
`moge z in zijn stralend licht' duurzaam (kunnen)
wandelen' Ee-vi-128

III. S-stam
(
, causatief): CAD 7 to t, to correspond, to be tting, (causative to mngs. 1-4)
}
, X volgzaam maken;
}
, (subst.; st.c. alakti; met suf x
alakta-; mv. alka tu ook met onregelm. litt. mv. (met
reduplicatie) alkaka tu; vanaf oud-akk.; ara):
het gaan, gang, gang van zaken, wandel, looprichting, het

ana smti alaku:


atluku

su luku
(w)arki X su luku
alkatu, alaktu

optreden, handelswijze, levenswandel, levenswijze, het reilen


en zeilen; loop/baan (van sterren)
CAD 1 gait;

2 behavior, customary ways, activities, experiences; 3


road, way, course; 4 passage, advance, movement, traf c, ow (of water), blaze (of re); 5 caravan
10 l
a t.abat alkatsunu, (G stat. v. t.^abu `aangenaam z.'):
`hun optreden was onaangenaam' Ee-i-28
11 imtars.amma alkatsunu elija, (G perf. v. maras.u +
eli `mishagen'): `hun wandel is mij ergelijk geworden'
Ee-i-37
12 usahhir
u alkatsunu, (D pret. mv. v. sah a ru, in D


`toewenden'), lett.: \zij wenden om hun looprichting"
) `zij maakten rechtsomkeert' (de goden die Tiamat's
hulptroepen vormden bliezen de aftocht) Ee-iv-108
13 lusannima alkak
a t il lunakkil (2D cohor.; san^u,
(1 ) `herhalen', (2 ) `wijzigen'; naka lu in D: `vervolmaken'; alkaka t st.c. v. soort litt. mv. v. alaktu), twee mogelijkheden: (1 ) `ik [Marduk] wil opnieuw de levenswijze der goden vervolmaken', (maar wat is dan de eerste
keer? bouw universum? de bevrijding van Tia mat?) of
absoluut gebruikt, (2 ) `ik wil een verandering aanbrengen en de levenswijze der goden verbeteren' Ee-vi-9
14 alkak
a t ers.etim u(w)as.s.ir (D pret. v. es.eru `tekenen'): `hij [Marduk] regelde de gang van zaken op aarde' Ee-vi-43
15 alkatsunu is.batuma u dd
u manza ssun (G pret.
subj. v. s.aba tu `grijpen', hier in de betekenis `ter hand
nemen', `initieren'; D pret. subj. v. D-tantum: wuddu
!*wad^u `vaststellen'): `[Marduk] die de loop der sterren instelt en die hun standplaats toewees' Ee-vii-17
}
, (subst.; mv. ma laka ni; oud-akk., OB, Mari,
SB, NA, NB): gang, loop, wandel; CAD 1 march,
marching, advance; 2 course of a river or canal, watercourse; 3 passage, access, course of a procession; 4
distance
16 inat.t.alma esi m
a laksu, (G pres. v.nat. a lu; G stat. v.
esu^ `verward zijn'): `hij keek en zijn gang/wandel was
verstoord' Ee-iv-67
} , subst.; st.c. ilik; mv. ilku en ilkatu: leendienst,
herendienst, ook: de goederen (akker, huis CHx38), die
doorvoor verkregen werden: ilkum-goed, leengoed
17 ilik (eqlim) al
a ku: leendienst (van de akker) uitvoeren/verrichten/op zich nemen;
18 ina eqlim sa ilkisu ul ana assatisu isat.t.ar, (met
sat. a ru `schrijven', +ana `overschrijven naar', `schriftelijk op naam stellen van'): `hij zal niet de akker van
zijn ilkumgoed (schriftelijk) op naam van zijn vrouw
stellen' CHx38
19 iliksu al
a ku: zijn leendienst verrichten (bijv. het
bewerken van het land)
20 suma iliksu llak, (G pres.): `hijzelf moet zijn leendienst verrichten' CHx27x30
}
, CHx40; persoonsaanduiding, beetje lastig,
 iem. die voor een ander de ilkum-dienst verv. Soden:
richt; die een ander vervangt; ilkum-plichtige; ahu^ in
speciale bet.: `ander', `vreemd', `buitengewoon',`buitenlands'; zie voorbeeld 1 (en verder) onder !ahu^ op

pag. 9
De vormen van ala ku zijn onregelmatig:

malaku

ilku

ilku ahu^

13

February 27, 2002 Copyright Heise en Stadhouders, Akkadisch Vocabularium

pres.
pret.
perf.
imp.

Gt

Gtn

illak

ittallak

ittanallak

illik

ittalak

ittallak

ittalak

ittatlak

ittatallak

alik

atlak

C? V
,
C;  ,
C? '
C;
,
CSil-A-107
*

a-lid

(G imp. + ma) Ee-iv-31


a-li-ku 
a liku (G part.) Ee-iv-69
a-lik pa-ni, 
a lik p
a ni (G part. st.c.) Ee-iv-105
a-li-kut 
a lik
u t (abstr. G part. st.c.) Ee-i-149
a-ta-al-lu-kam, atallukam (Gtn. acc.inf.)

a-lik-ma alikma

**
*N

gaan' Sil-C-80

ni-il-la-ak

nillak

(G pres. 1e p.mv.) `wij

 @ al-ka-k[at], alkaka t (st.c.) Ee-vi-9, vi-43


?  K al-kat-su-nu, alkatsunu `hun optreden' Ee-i-28
@  al-kat-su, alkatsu Ee-vii-144
7 a it-ta-la-ak, (iliksu) ittalak (G perf.) CHx27
;P
i-li-ik-
s u, ilik
s u (st.c. v. ilkum +
s u)

b
ab b
V:! V
CHx27x30x31

7a
CHx27x30x31

;

i-il-la-ak (ilik
s u) illak

(G pres.)

,
CHx38
 pres.vent.) erra-i-98
[ ], sulika (S
ma-lak-
su
, m
a lak
s u (st.c. + 
s u) Ee-iv-67
e
V;
tal-li-ki-ma, tallikkima (G pres. 2 p.enk. + ki
+ ma) Ee-i-114
N
il-kum a-hu-u-um, ilkum ahu^m
CHx40


s a il-ki-
su 
s a ilki
su


s u-li-k a

>

alaktu , ook alkatu, (met onregelmatig, litt. mv. alkakatu):

zie onder !ala ku `gang', `wandel', `het optreden' `handelswijze', `levenswijze'


, (ww. a/a-klasse; OB, SB):
I. G-stam (pret. lul, pres. illal) ophangen (ina = aan);
(ook als doodstraf), zie ook !hala lu (met
= ha en
 hangen als afschrik
a4 ) [ophangen en het lijk laten
wekkend voorbeeld en als deel van de straf komt veel
voor in de Oude Orient, ook in de bijbel en nog steeds
in Iran]; AHw II \aufhangen"; CAD A 1 to suspend,
to hang
1 qastu u ispatu idussu lul, (G pret.): `hij hing boog
en koker [pijl en boog] aan zijn zijde' Ee-iv-38
2 idussa lul, (G pret.): `aan haar zijkant maakte hij
vast' (wat precies is niet duidelijk) Ee-iv-51
I/2. Gt-stam (
) CAD 2 to be tangled, to be girt,
to become allied,
II. D-stam (
, bet. als G)
II/2. Dt-stam (
, passief bij D)
 i-ha-al-la-lu-su, ihallalusu

7



alalu I

itlulu
(h)ullulu
(h)utallulu

M*  b

(G pres. 3e mv. + su) CHx21

i-lul, 
lul (G pret.) Ee-iv-38, 51

alalu II , (ww. niet in G; vanaf OB):


I/2. Gt-stam (atlulu) een vreugdelied zingen;
CAD 1
to shout ala la, to brag, to boast

III. S-stam
(s u lulu): juichen, jubelen; AHw III \jauchzen" CAD 2 to hail, to acclaim
alattu , G part. vr. !waladu `dragen', `baren'
albin , G pret. 1e p.enk. v. !labanu `metselen'
* , (G pret. 1ep.enk.) Sil-A-67
ald^u , (subst. < Sum.; OB; *  ): een hoeveelheid
al-bi-in albin


al du

graan voor de zaai CAD store of barley (reserved for


sowing and feeding the plowing oxen)
, (adv.) waar?
, G part. v. !wala du: `verwekker'

ali
alidu

(G part.st.c.) Ee-i-19
, a littum (G part. vr.) Sin3-47
a-lit-ta-
su
-nu, 
a litta
s unu (G part.vr. + 
s unu)

a lid


a-lit-tum

De S-stam (inf su luku) is regelmatig.

7a

C ,
C
CEe-iv-80
! K
C; b

[]

alik , G imp. v. !alaku

[ ],

a-l i -di- 
su

a lidi

su

(G part. + su) Ee-vii-5

ga!, ga op weg!, ga erop af!; verba

primae Alef, a-klasse


1 alikma sa Ti
a mat napsatus puru ma, (G imp. v.

para u `afsnijden'): `ga! en snij de keel van Tia mat
door!' Ee-iv-31

C? V
,
(G imp. + ) Ee-iv-31
`de gaande', ook: ) `bode'
C ;  , (G part.) Ee-iv-69
alikutu , suf x !{utu, {ut vormt abstracta bij G part.
a liku (`de gaande', `bode') v. !ala ku (`gaan')
C;
,
(st.c.) Ee-i-149
aliku , (G part. v. !alaku `gaan'): `die gaat' als subst. lett.
a-lik-ma alikma

a-li-ku

alittu ,

ma

a liku


a-li-kut

a lik

ut

(< *(w)a lidtu, G part. vr. v. !wala du `dragen', `baren'): `zij die gebaard heeft' ) `vruchtbare
vrouw' zie voorbeeld 2 (en verder) onder !wala du op
pag. 252
K a-lit-ta-su-nu, a littasunu (G part.vr. + sunu)

C !
C
Ee-iv-80

(G part. vr.) Sin3-47

alkat , st.c. v. G inf. !alaku `gaan'

*
alkakatu
!
*
alkatu

a-lit-tum

?K

a littum


al-k
at-su-nu alkatsunu

`hun optreden' Ee-i-28

(G inf. st.c. +sunu)

, onregelmatig, soort litt. mv. (met reduplicatie)


alaktu `gang', `wandel', `levenswijze'
 @ al-ka-kat, alkaka t (st.c.) Ee-vi-9, vi-43
, ook alaktu, (met onregelmatig, litt. mv. alkaka tu):
zie onder !ala ku `gang', `wandel', `het optreden' `handelswijze', `levenswijze'
, (subst.): eik, eikensap, en alles wat op een eikel
lijkt, bijv. voorwerp van hout plug, zetpil; AHw \Eiche
(?)", \Eichenzapfchen";
K alla-nu du-us
1 all
a nu teppus (alla nu hier `zetpil'; G pres. 2e p.enk.
v. epesu `maken'): `[met dat spul gekneed uit die ingredienten] een plug/zetpil samenstellen' BAM578-i-49
K alla-nu alla nu (`zetpil') BAM578-i-49
, (subst.; ook ellatu, elletu, ellutu, illitu, zie illitu
onder !wala du) geboorte, herkomst, afkomst
, (subst. < Sum.; vanaf oud-akk.;
gi
s al): hak,
houweel, bijl, scho el AHw \Haue", \Hacke"; CAD
hoe
1 d Anunnaki itruk
u alla, (G pret. mv. v. tara ku
`slaan', `kloppen'): `de Anunnaki staken de spade'
(`sloegen met een houweel', om de klei te delven, die
wordt afgestoken) Ee-vi-59
7 al-la, alla (acc.) Ee-vi-59
, (subst.; st.c. almatti; met suf x almatta- mv.

;
almana tu; K =  numusu; K
nuku
s u
vanaf OB): weduwe; AHw \Witwe"; CAD woman without support, widow [samen met eku tu `wees' de typisch
rechteloze zonder bescherming van man of ouder, vaak
met weinig middelen van bestaan]
K =    , almattim (gen.) CH-xxiv-61
, (subst.; st.c. alap; mv. alpu vanaf oud-akk.;
gud,
gu4 . Sum. gu4 (d)):
os, stier, rund; AHw I \Rind",
\Ochse"; CAD 1 bull, ox; 2 (head of) cattle; 3 beef
van het Semitische woord alpu is de naam van de
letter alef afgeleid (zgn. acrofonisch principe, vgl. ons
v.

allanu

allatu
allu

(*

almattu

alpu

nu mu su

14

February 27, 2002 Hoofdstuk 2 Akkadisch vocabularium

leesplankje \de a van aap"). In het oudste alfabet (Proto-Sinatisch, 15e eeuw v.C.) werd als symbool voor deze letter een stierekop gebruikt. Het symbool bestaat
uit een ovaaltje (kop) met twee uitsteeksels (hoornen).
Via de Funiciers is dit symbool tenslotte als de letter
in het Grieks terecht gekomen en als A in het Latijnse
alfabet. De \pootjes" van de letter A en de uitsteeksels van de zijn dus afkomstig van de hoorns van de
alpum. logogra sch:
!uzu!
!uzu! 5
K 9
uzu gud
uzu 
s ah
nu u
s -ta-mah-har
sr alpi
sr sah^
la ustamahhar

 pres. v. maha ru \elkaar ontmoeten"):
1 (St
`rundvlees

en varkensvlees : : : kan hij niet binnenhouden' = `hij
moet kotsen'; maar wsl. dietistisch voorschrift \dit niet
eten", `vasten' `voedselverbod' BAM578-i-2
, (< assi; in later tijd (na MB) wordt door dissimilatie s> l voor dentalen d, t en sybillanten s, z), G pret.
1e p.enk. v. !sas^u `roepen'
1 alsika bel: `ik heb u, mijn heer, (aan)geroepen' Sin1-

alsi

20b
2 alsika belum: `ik heb u, heer, (aan)geroepen' Sin3-61
p  al-si-ka, alsika (G pret. v. sas^u + ka) Sin3-61
, (st.c. v. ! a lu + suf x -su) `zijn stad'

alsu
alt.u , (zie wast.u onder !wasat.u) `moeilijk', `trots' etc.
alu , (subst.; soms vr.; st.c. al of ali; mv. alu, alani, alanu

in OB omina; vanaf oud-akk.; & uru): stad, plaats;


AHw I \Ortschaft", \Stadt"; CAD 1 city; 2 city (as
social organization); 3 village, manor, estate; 4 fort,
military strong point
1 
a lsu: `zijn stad'
2 
a lu u rabia nu, `de stad en de burgemeester'
}
, (libbu `hart', `binnenste'): stadsbewoner,

sa libbi ali


}il a lsu , `stadsgod', schutspatroon van de stad
} a l belu ti , (suf x !{utu, {ut vormt abstracta; bij
belu `heer'): residentie;
} a l sarru ti , (suf x !{utu, {ut vormt abstracta; bij
stedeling

sarru `koning'): residentie



3 Suanna
a l sar ila ni (st.c. v. a lu `stad' en sarru `kon
ing') `(De krijger Erra begaf zich naar) Suanna,
de stad
van de koning der goden' (epitheton van Marduk) erra-

i-124

&
&
&

, a lsu, `zijn stad' CHx27x135


, a lja, `mijn stad' CH-xxiv-47

l-
s u, il a
 l

s u `stadsgod' CHx32

uru-
su
uru-ia

{am, {nim , ook -a; suf xelement van de ventivus, formeel


identiek met dativussuf x -a(m) `aan mij', !-a
amahhum , (subst. < Sum. amah; SB*; ook amuhhu):
stadsmuur; AHw \Mauerring (?)" CAD city wall
amaru , (ww. a/u-klasse, p mr verba primae Alef, auru

;
klasse; vanaf oud-akk.;
igi;
igila

igidu8 ),
I. G-stam (pret. mur, pres. immar, stat. amir, imp.
amur): zien, waarnemen, bezien, gewaar worden, aankijken;
inzien in de zin van bevatten, doorgronden; onderzoeken, inspecteren; AHw \sehen"; CAD (23 pages) A 1 to see, to
behold, to look at (in general), to experience, to come
across, to nd (an object, merchandise, a site); to nd
out, to discover, to notice (a person); 2 to nd (after
searching), to select, to sight, to look up (information),
to nd a result (in math., astron.), to come to know, to

realize, to see, to learn by experience (especially stat.


and Gtn) to observe (ominous pheneomena), to witness
(an event), to examine (a person), to keep an eye on
(a person) to inspect, to check, to muster (people), to
look after, to take care of, to look (said of gods) with
favor upon (human beings) to go to see (a person), to
visit, to have an audience; 3 to read (a tablet, a document, an inscription); 4 G imp. amur look!, behold!,
see! (as an interjection) 5 (in idiomatic phrases)
1 ana am
a ri k^ata, (G inf. gen.; onafh. p. vnw. 2e p.enk.): `om u [S^n] te zien' Sin1-8
2 
a mersunu, lett.: `die hen ziet' ) `wie hen (ook)
aankijkt' Ee-i-139
3 mursun
u tima, (G pret. +sunu ti+ma): `hij keek hen
aan' Sil-C-7

ta-mar sum-ma ububuul


babbar
4 tammar summa bubu tu pes.^
at (G pres.2e p.enk. OBachtige schrijfwijze; bubu tu `buil';
babbar, ud is
afgeleid van
, of:
, pictogram van de opgaande
zon aan de horizon en krijgt daardoor de betekenissen
`dag', `wit', `stralend'; hier stat.vr. pes.^at `is wit' of adj.
pes.tu `wit'): `(na het aanleggen van een compres met
medicamenten) kijken/onderzoeken/inspecteren of de
buil wit is' BAM578-i-8
[Uniek geval: de prognose (en mag je aannemen: de
therapie) wordt bepaald aan de hand van een proefneming en is dus afhankelijk van de ondervinding]
5 dn-GN-l^
umur PN `Moge-ik-GN's-oordeel-zien';
ook dn-ili-l^umur
}
, G part., ;
}
, G verb.adj., , (st.c. amir-), Eng.: seen, checked;
}
, (G pres. immar, subj. +ma): hij zal
(be-)zien, ook: met dien verstande dat
}
, (!{is = ana ama ri), lett.: `om te zien/bevatten/doorgronden'
6 am
a ris pasqa, (= ana ama ri; ama ru `zien'; acc.adv.
v. pasqu `moeilijk', `benauwd'): `moeilijk te zien/doorgronden/in te zien' Ee-i-94

III. S-stam
(
, causatief) CAD 6 to have (someone) visit, meet (another person)
IV. N-stam (
, de initiele alef is een n geworden
o.i.v. de n-preformatief; passief): gezien worden, waargenomen worden; CAD 7 to be seen, to appear, to occur, to
be found, discovered, to be inspected, checked, picked
out to be observed, sighted
IV. N-stam (
, reciprook): elkaar zien; CAD 8
to meet (to see each other), to be in opposition, to be
seen together
7 innammar
u (N pres. mv.) `zij zien elkaar'
 ):
}
, (subst.;
igila
geschenk, begroetingsgeschenk; bezichtiging; astron.: waarneming, observatie; zichtbaar wording, verschijning (van een
hemellichaam)
}
, (met zelfst. sa), lett.
\dat van waarneming" ) ook: waarneming, observa-

3 V

}
 }

amera, amiru
amru
immaruma
amaris

su maru
nanmuru

nanmuru

tamartu, tamurtu

sa tamartu, sa tamurtu

tie

8 sa t
a marti amelu ti, lett.: \de waarneming der
mensheid" ACh-Sin-i-7, d.w.z. \alles wat onderwerp is
van de waarneming; de zaken die de mens observeert"
K a-me-er-su-nu, a mersunu (G part. st.c.

C !

+sunu) Ee-i-139

15

February 27, 2002 Copyright Heise en Stadhouders, Akkadisch Vocabularium

CV V
C V
CV s

(G inf. gen.) Sin1-8


,
(G pret.1e p.enk.) erra-i-136
a-ma-ri
s , am
a ri
s (= ana am
a ri) Ee-i-94

D
i-im-ma-ar-ru-ma, immaruma
(G pres. +ma) CHx9
=
K I i-mu-ur-su-nu-ti-ma,

mur
s un
u tima (G pret. +
s un
u ti+ma) Sil-C-7
=D i-mu-ru-ma, imuru ma (G pret. subj. mv.)
Ee-iv-70

i-mur-
s u-ma, 
mur
s uma (G pret. + 
s u+ma)
Ee-i-89
; =D
li-mu-ru-ma l
mur
u ma (G prec.) erra-i-75
 -
su
 = t
a martu (`waarneming') ACh-Sin-i-11
, <*amatsu, st.c. v. amtu +suf x, `zijn slavin',
a-ma-ri (ana) am
a ri
a-mur-ma amurma

V V
?b V
V
b V
V

!
amassu
igi l
a

(bepaald, maar ook onbepaald: `een slavin van hem');


!amtu `slavin'
ama , ( ama): ummu moeder: ummusu zijn moe-

-su

der

1 d Damkina

-su : : :, (= ammasu): `Damkina [gemalin van Ea], als zijn moeder, : : : (lag met hem in het
kraambed); \in de hoedanigheid van" (predicatief) Eeama

i-84

amatsu , st.c. v. SB vorm v. !awatu `woord' plus sux su

C n C n , (st.c.) -i-130
amatu , vorm v. !awatu `woord';
CV CI
,
(mv.) Ee-i-34
CV
,
(enk.) Ee-i-125
Cn
,
(st.c. + ) Ee-iv-15

`zijn woord, bevel, gebod, waarchuwing'


 a-mat-su, ama tsu (st.c. +su) Ee-vii-151,

erra-i-122

a-mat am
at

a-ma-a-ti am
a ti

a-ma-tum am
a tum

amelu , (subst.; J

ka

 ; laat, OB !aw
lu
 lum; in therapeutische teksten en omina (1e mill.) F na): man,
mens, OB ook pregnant: patricier, soms ook gewoon iemand.
F
di
s na z
e gig
1 summa amelu marta marus. (marta `gal', acc. v.
betrekking; G stat. v. mara s.u): `indien een man ziek
is aan de gal' BAM578-i-14
F
am
e lu BAM578-i-14
; a-me-li ameli (gen.)

C

na

erra-i-15

amelutu , !awlutu `mensheid'; suf x !{utu, {ut vormt

C 
C  }
C  :

abstracta.

,
Sin3-38
,
(acc.) Ee-vi-33
a-me-lu-tu, am
e l
u tu (toch acc.) Ee-vi-35
[a-me]-lu-tum am
e l
u tum

a-me-lu-tam am
e l
u tam

ammatu I , (subst.; st.c. ammat; mv. ammatu; >


el; (eenheid van lengte, ong. 50 cm);

Eng.: elbow

AHw


ku
s ):
\Elle";

ammatu II , (subst.; NA abbatu; SB*):

litt. voor aarde,


hapax legomenon, (Gr. hapax = een keer), unieke woor-

den die in de betekenis maar een keer in de bronnen


worden aangetroffen; zoals dit woord in Ee-i-2 AHw II
ein Wort fur \Erde?" CAD earth
1 saplis ammatum suma l
a zakrat: (en toen) `daarbeneden de aarde (nog) niet benoemd was'
am-ma-tum/tu4 , ammatum Ee-i-2
, Koning van Babylon 1683-1647
, (in OB reeds vaak zonder
mimatie; an(a) mni lett. `tot wat' )): waarom?; zie
ook !mnum; AHw \warum?"
, (subst. wsl. (h)ammu; OB*; West-Sem. woord):
 people (?) alternatief voor
volk, volkstam, CAD
nisu , wsl. een \Noord-Akkadisch" dialectwoord,

Amm-ditana
ammni(m), an(a) mni(m)
ammu

amnu
amru
amtu

amat ekallim
amat muskenim

.
.DW

g
eme s
u

, amtu

CHx15

*am^u , !aw^u `spreken'


amuhhum , subst. !amahhu `stadsmuur'
amurru , (subst.; ook ammur^u; MB, SB, NB; 3 :
gem
e 
egal

ekallim

  ): westen, westenwind; CAD 1 west (as one


of the four cardinal points); 2 west wind; 3 Perseus,
litt.: \west star";
:   , amurru Ee-iv-43
d
, God van de nomaden
, (subst.vr.; amuttu; suf x !{u tu, {u t vormt abstracta, bij amtu `slavin', `dienstmaagd'; vanaf OB;
g
eme met fon. complement):
betrekking/positie
van dienstmaagd AHw I \Magdschaft", \Stellung als
Sklavin"; CAD C status of a female slave
 ): lever,
, (subst.vr.; mv. zeldz.; vanaf OB;
ba
leveromen, levervoorteken, voorteken; AHw \Schafsleber",
\Leber", \Leberomen"; CAD A 1 liver (examined by
the haruspex); 2 omen
an ,

}
, hemel, lucht, hemelgewelf, rmaim mar tu

Amurru(m)
amutu I

erra

SB

a-mat-ka am
a tka

dat in West-Semitische talen als  ammu bekend


is. Zit in Amoritische namen als Hammurabi en

Ammis.aderqa.

am-mi, ammi (gen.) CH-iv-54


, G pret. 1e p.enk. v. !man^u `tellen' etc.
, verb.adj. bij !ama ru `zien'
, (subst.; andu; st.c. amat; mv. ama tu vanaf oudakk.;
g
eme =
+ munus+kur, `vrouw' +
`buitenland'; s
sagg
eme):
vrouwelijke bediende, maagd, slavin (m. slaaf is !wardu) AHw \Magd",
\Sklavin"; CAD slave girl, servant girl
}
, paleisslavin
}
, slavin van een horige
1 amtu halqu: voortvluchtige slavin CHx16

2 amassu <*amatsu `zijn slavin', maar ook onbepaald
`een slavin van hem' CHx119

 , amassu<*amat + 
s u CHx119

amutu II

im mar tu

sam^u I, sama u
an, ana , (voorz.; apocope vorm an; vanaf oud-akk., OA,
ment

OB; an in

oud-akk. en in OB, SB litt.; vanaf MB

):

di
s

naar, aan, voor, in ruil voor, als reactie op, vanwege,


naar de mate van AHw \zu" (in der Richtung); \nach";

to, up to, toward, against, upon,


ana wordt gebruikt ter omschrijving van de dativus.
n.b.: een dativus kan zijn een datitivus commodi (van
de begunstigde persoon) te omschrijven met `voor',
`ten behoeve van', maar ook (met de zelfde vormen)
een dativus incommodi, als de persoon ongunstig bejegend is. Dan te omschrijven met `tegen', `ten nadele
van'.
1 an il, (3 teken an = ana) `voor de goden';
ook: `tegen de goden' (dativus incommodi):
2 ah 
a zu an il, (ah a zu `grijpen', hier:) `(boze plannen)
 tegen de goden'
beramen
3 ana su
a ti, ook: `in ruil daarvoor'
4 ana pansu, (temporeel): `v
oor hem' of modaal: `ten
aanzien van', `derhalve'
5 ana X-su: `X keer', bijv. ana salssu `voor de derde
keer', `in drievoud', `drievoudig'
} +inf in gen. , om te; bijv. ana parasim : `om te
beslissen' (in nitiefzin)
6 ana l
a epes anni, (G inf. st.c. v. epesu `bouwen' etc.;
CAD

ana

16

February 27, 2002 Hoofdstuk 2 Akkadisch vocabularium

anni alternatief voor arni; gen.obj. v. arnu `straf' etc.):


lett.: `ter niet-making van fouten' ) `opdat er geen
fouten gemaakt zouden worden' (in nitiefzin kan ook
passief weergegeven worden)
7 ana : : : l
a eg^u mana ma, (G inf. mana ma `iemand'):
lett.: `(opdat) niemand zou verwaarlozen' (voorafgegaan door het vorige voorbeeld) Ee-v-7
mana ma is hier subject in in nitiefzin; een in nitiefzin met subject, een constructie die het Ned. niet kent,
behalve in een archasch voorbeeld: `ieder meent zijn
uil een valk te zijn', waaruit (na omzetting tot `: : :, dat
zijn uil een valk is') blijkt dat uil het logisch subject is;
F a-na, ana
an
, an il Ee-i-128
, (ww. a/a-klasse; vanaf OA, OB): G-stat.: moe

z/w.
I. G-stam (pret. nah, pres. innah): zuchten, moe wor inspannen,aftobben, bekommeren;
den, zich vermoeien, zich
AHw \m
ude sein", \ermuden"; CAD A 1 to toil, to
exert oneself, 2 to become tired, exhausted, to have had
enough; 3 to become weakened, to fall onto disrepair
(said of buildings)
1 id^
asu anh a (G stat.vr.mv. v. id^u `arm'; in dualis krij en attribuut de uitgangen vr.mv.) `zijn
gen predicaat
armen zijn moe' erra-i-15
}  , G verb.adj., , (OB, SB, NB): moe, vermoeid;
AHw \m
ude"; CAD 1 exhausted, weary; 2 in disrepair, eroded (said of buildings and walls)
}  , (subst.): vermoeienis, vermoeidheid;
2 anah 
a la du , (G pret. mv. pro stativo v. id^u `we kennen geen vermoeidheid' (gezegd van paarten'): `zij
den in Ee-iv-54)
}  , (suf x !{utu, {ut vormt abstracta): verval,
aftakeling; AHw \Erm
udung", \Verfall";
3 rub^
u arku anhussu : : : luter (D prec. v. t^aru `terugk
eren', D `restaureren')
`moge een toekomstige vorst zijn
verval restaureren' yos-ix-71,33

III. S-stam
(
) CAD 4 to make (someone) work
hard, to worry; 5to have a hard time (?), to linger on
(?), to be painfull (?), to last
}
, S verb.adj., , elativisch: zeer moe;
 , (adv.): zeer moeizaam
}

III/2. St-stam
(
) CAD to be dejected, to be in

pain
} 
, kommervol, zucht, moeite, bouwval
lig
F
a-na-ha, anah 
a (acc.) Ee-iv-54


a-ni-ha-am, a niham (G part.) Sil-C-34

an-ha, anh 
a (G stat.mv.) erra-i-15


N  an-hu-su anhussu (`zijn verval') yos-ix-71,33
, (onafhank., losstaand ofwel absoluut pers. vnw.
1e p.enk.; vanaf oud-akk.): ik; AHw \ich"; CAD I;
markeert substantief (PNs) als 1e (en niet 3e ) persoon,
bijv.
1 Hammurabi : : : an
a ku : : : askun: `ik H. stelde : : :'
 `ik ben H.'
en niet:
2 an
a kuma: ik ben (met -ma van de nominale zin);
gebruik met voorzetsels:
3 kma j^
ati: `zoals jij'
4 ana j^
asi taddinam, (2e p.enk. nada nu `geven' + dativus -am; pleonastisch): `jij geeft aan m' (emfase)
5 an
a ku u k^ata, (zelfst. vnw.): `ik met jou' een enkele

anahu I

dingir dingir

anhu

anahu

anhu tu

su nuhu

su nuhu
su nuhis

sutanuhu
tanehu, tanhu

C M
C M
M

anaku

keer wordt u als het voorzetsel `met' gebruikt; v. Soden


GAG x114i, !u (voorz.)
6 an
a ku u k^asi i niprus sasma, (cohor v. epesu;
sasmu `tweekamp'): `(kom op!) laat ik met u strijd leveren!', of (wens- of gebodsvorm, ook soms het presens,
in afhankelijke zin vaak weer te geven als zin van consequentie \en dan", \opdat", \zodat". Het gaat dan
om een mogelijk gevolg, bij feitelijk gevolg wordt de
indicativus gebruikt): `opdat ik met u strijd levere!'
Ee-iv-86

gebruik met werkwoord.:


7 j^
ati gimlanni, (!gama lu): `verleen m een gunst'

CF 
,
CC FF  V  C ,
(`ik met u') Ee-iv-86

CH-i-53, erra-i-121
CH-xxiv-42,43
a-na-ku u
 ka-a-
s i, an
a ku

a-na-ku an
a ku

a-na-ku-ma an
a kuma

u k^
a
si

Die van de 3e p. worden vaak anaforisch gebruikt,


d.w.z. terugverwijzend naar iem. die of iets dat uit het
verband genoegzaam blijkt;
dnim sua ti: `die rechtzaak', `dit vonnis';
Het gehele vormenbestand is:
1e c. enk.
2e m.enk.
2e vr.enk.
3e m.enk.
3e vr.enk.
1e c. mv.
2e m.mv.
2e vr.mv.
3e m.mv.
3e vr.mv.

Nom.

Gen./Acc.

Datief

an
a ku

j^
ati

j^
a
s im

atta

k^
ati (k^
ata)

k^
a
s im

atti

k^
ati

k^
a
s im


su



s
a ti/u,


s u
a
s im


s



s i
a ti,

(s^
ati/u)

(s^
a
s im)


s i
a
s im,

Nom.

(su
a ti, 
s^
ati)
(s
a
s im,
Gen./Acc. Datief

n
nu

ni
a ti

ni
a
s im

attunu

kun
u ti

kun
u
s im

attina

kin
a ti

*kin
a
s im


s unu


s un
u ti


s un
u
s im


s ina


s in
a ti

*
s in
a
s im


s^
a
s im)

ana mnim, ammni(m) , !ammni(m): `waarom'


anantu , (subst.; OB, SB; OB mv. ananatu, SB mv.

anna tu): Bab. (dichterlijk) voor strijd, weerstand, AHw


\Widerstand", \Kampf"; CAD a poetic term for battle, strife
1 dek^
u ananta, (inf dek^u `doen oprijzen', `ontketenen'): `het ontketenen van de strijd' (beide niet gebruikelijke woorden) Ee-i-150
2 sumela ananta, (usziz, S pret. v. izuzzu erbij denken): `links (plaat ste hij) Strijd', naam van een paard
in Ee-iv-56
F a-na-an-ta, ananta (acc.) Ee-i-150, iv-56, 78
, !amtu `slavin'
, (subst. < Sum.; OB, Mari, MB, SB, NB): scherm,
dak, beschutting; CAD 1 canopy, cover; 2 protection;
, (Sum. an `hemel', durun/dur = ku `zitten'/`gaan zitten'; lett. `hemel van het zitten'): Andurrunna, benaming (in Ee-i-24) voor de verblijfplaats
(woonoord) van de goden; komt ook wel buiten de
Enu ma elis voor; ook wel de naam van het tempelvertrek, de vergaderzaal van de goden.

F 

, Andurunna Ee-i-24
, (!dara ru) vrijlating, vrijheid
an , ( an onder meer = sam^e `hemel'): sam^e:
`hemel'
1 nann
a ru an-e = nanna ru sam^e: `het hemelse licht',
gezegd van de maangod S^n in Sin1-1 en Sin3-36, vanwege zijn heldere nachtelijke verschijning.

andu
andullu
Andurunna

anduraru
-e

an durun na

17

February 27, 2002 Copyright Heise en Stadhouders, Akkadisch Vocabularium

2 asared an-e u ki-tim = sam^e u ers.etim: `de leider


van (de bewoners van) hemel en aarde', bekend epitheton van goden, in Sin3-39 van S^n
3 dingirdingir sa
 an e u ki tim = (ana belu t) il sa
sam^e u ers.etim `(de heerschappij over) de goden van
hemel en aarde' Ee-vi-100

^
-e u
-tim, 
s am^
e u ers
. etim Sin3-39

-e

, sam^e ellu ti `reine hemel' Sin3-61

^


s
a
-e u
-tim, il


4
4
U 4
an

an

ki

k
u me
s

dingir dingir

an

Ee-vi-100

ki

anna , (acc.adv.; ook als annama, anni, ann^u indeclinabel;



sa 
s am^
e u ers
. etim

OB, SB): ja, inderdaad, zie hier, zie daar, hiermee, voila,
AHw \ja", \gewi" CAD yes,
consent,

K
annu I

answer to a query (usually through extispicy)


1 annu knu: betrouwbaar ja-woord
, variant < !arnu `zonde', `schuld' etc.
an-ni, anni (gen.) Ee-v-7, vi-16, vii-156
, Bijnaam van de godin !Istar
, Oergod, (Sum. an `hemel', s ar `3600', veel,
totaliteit): In het scheppingsepos Enu ma elis samen
met Kisar het eerste godenpaar dat, als personi catie van hemel en aarde, geschapen wordt door de oerpersonen !Tia mat en !Aps^u. Het ouderpaar AnsarKisar verwekt de hemelgod Anum. Ansar is uiteindelijk in Enu ma elis de overgrootvader van Marduk (in
de lijn Ansar{Anum{Ea{Marduk). Ansar als oergod
komt ook wel elders voor, maar is meestal een vorm
van Anum en niet zozeer zijn vader. Kisar (Sum. ki
`aarde') is in het epos slechts een analogie uitgelokt
door Ansar.
De naam Ansar wordt door assimilatie gelezen als
Assar. In de Assyrische versie van Enu ma elis is de
naam van Marduk vervangen door Assur, die als geaccepteerde spelling ook ansar heeft: er zijn dus twee
Ansars. Door de spelling is Ansar, een vorm van de
hemelgod, een beetje Assur geworden.
1 Ansar d Kisar ibb^
anu : `Ansar en Kisar werden geschapen' Ee-i-12
2 Ansar lugal dingirdingir = Ansar sar il, `Ansar
koning der goden' Ee-iv-83 Epitheton van Ansar, die
a.h.w. op teken-niveau een verklaring geeft voor de
naam Ansar: lugal is ook sar en dingir
is ook an.

An-
s
ar, An
s ar Ee-i-12
An-sar

, Ansar sar il

annu II
Annunitum
Ansar

approval, positive answer


1 annam bab^li subat narm^ekun (subtu `woning',
`plek'; narm^u `verblijfplaats'): `Zie hier Babel, uw verblijfplaats' Ee-vi-72
O an-nam, annam Ee-vi-72
, (subst.; Ass. annuku; vanaf OA, OB; F
anna, naga): tin, soms ook lood; CAD tin
, (adv.; bij !amm^u) `hier'
, (adv.; bij !amm^u) `hier'
, (adv.; bij !amm^u) `hier' (aan deze kant, dichtsbijzijnd)
, (vr. bij !ann^u, vr. vaak wat bij ons het neutrum is): die, deze
1 Ti
a mat annta ina sem^sa, (ina + G inf. gen. + sa
v. sem^
u `horen'; Tia mat casus pendens, weer opgepakt
door -sa; het voorzetsel ina komt graag direct voor de
inf.; een evt. object komt vaak voor het voorzetsel),
lett.: \T. dit in haar horen" ) temporele bijzin: `toen
T. dit hoorde' Ee-i-41, iv-87
2 d Marduk annta ina sem^esu, lett.: \M. dit in zijn
horen" ) temporele bijzin: `toen M. dit hoorde' Ee-vi-

annaku
ann^anu
annkiam
ann^s
anntu(m)

an-ni-ta

ann
ta

an-ni-
u anni^
u

anniu tu(m)/ann^uttu(m), vr. anntu , mv. annia tu,



ann^atu; vanaf oud-akk., OA, OB;
s e
s ): die, deze
(hierheen wijzend);
Komt ook voor als annu tin met nunatie. Normaal
wordt nunatie alleen gebruikt bij de dualis uitgangen,
maar dit woord vormt daarop de enige uitzondering,
wsl. onder Westsemitische invloed.
vgl. ull^u, (vr. ulltu ): aanwijzend vnw. `die', `dat'
(daarheen wijzend), ook met normale adjectivische verbuiging. Ook onafhankelijk gebruik, bijv.
1 anntam liqbi (qab^
u `zeggen'): `laat hem dit zeggen',
of ter wijziging van een nomen: sarru ull^u `die koning'
2 Tiamat annta ina sem^esa, (bijzin met inf., v
oor de
hoofdzin), lett.: \Tiamat dit in haar horen" ) `terwijl
Tiamat dit hoort' Ee-i-41
 an-ni-

lu
u
3 amelu anni^
u `deze mijnheer'; [in een contract na de
opsomming van de naam, vader's naam etc. van een
contractant] T97-ii-8
3 uhia ses
4 3 samm^e ann^
uti(ann^uti mv.; na een opsomming):
`deze drie kruiden' BAM578-i-31

an-ni-
u anni^
u T97-ii-8

J >
Q > CK

>

Ee-i-41, iv-87, vi-55

anniu , (onverkorte vorm bij !ann^u)


>
T97-ii-8
anniutu(m) , (m.mv. bij !ann^u): die, deze
ann^u , (aanwijzend vnw. m.; ook aniu, hanniu; m.mv.

, annta (vr. acc.) Ee-i-41


BAM578-i-31

an-ni-ta

ann^
uti

, (subst.; st.c. anni-, met suf x anna- OB, Mari,


MB, SB, NB): ja, jawoord, toezegging; AHw I \Jawort",
\Zusage"; CAD 1 consent, approval; 2 positive divine

nu dan;

55


s e
s

lugal dingir dingir

(epitheton) Ee-iv-83

{anu(m), -an+ uitgangen ,

suf x met de betekenis lid


van de klasse van : : :], vooral na participia en parra snomina, bijv. uit G part. na dinu ) na dina nu, `verko-

per', `schenker'; a.h.w.: `de verkoper in dit geval' (incidenteel, eenmaligheid, de suf x heeft een individualiserende kracht); Het Nederlands kent dit onderscheid
niet, de vertaling is meestal hetzelfde als het grondwoord.
1 sajj
a ma nu, koper; koper in dit geval, desbetreffende
koper
2 sarraq
a nu, dief, dief in dit geval
3 s. 
a bitannisu (<part. G +suf x v. s.aba tu), `degene

die hem (in dit geval) gegrepen heeft'

Anukki , incidentele verkorting voor !Anunnaki


CK

d A-nu-u[k-ki], d Anukki, (inciden.

verkorting) Ee-i-156

Anum , ( d

 r, nooit met determi, ook:


an
sa
d


natief * an of * an s ar): de god Anum;
1 Anu rab^
u abu il, (CH, Epiloog, 45): `de grote
Anum, vader der goden';
2 Anu sa Anunnaki;
3 d Anum an-e = d Anum sam^e: `O, Anum van de
hemel' (in directe rede) Sin1-9
[Anum en Enlil zijn beide gelijkelijk koning van hemel
an

18

February 27, 2002 Hoofdstuk 2 Akkadisch vocabularium

en aarde. Er is in de godenwereld een gedeeld koningschap. Dit blijkt uit de meeste teksten, maar ook uit
de afbeeldingen op !kudurru's (grenssteles). Goden
worden daarop aangeduid met emblemen of symbolen.
In het algemeen dragen alle goden een kroon (tiara)
met 1 a 3 paar horens. Anum en Enlil hebben beiden
als embleem een muts/kroon met wel tien paar horens.
Ze delen dus hetzelfde embleem. Anum en Enlil staan
boven aan deze afbeeldingen, soms samen met de moedergodin. Deze hierarchische volgorde weerspiegelt de
volgorde in de godenlijsten. Mythologisch gesproken
is Anum |in tegenstelling tot Enlil| een wat bleke
godheid. Een enkele keer blijkt wel een onderlinge taakverdeling en is Anum de koning der goden en Enlil de
heer van hemel en aarde.]

, Anum CH-i-1

-nim, Anim (gen.) CH-ii-46
d
d Anum Ee-i-14

a-num,
d
K a-nu-um, d Anum Ee-vi-94
d a-num-ma d Anum+ma erra-iii-D11

: (ook annumma, anummi, anummu < ann^u +
ma; OB, Mari): nu, hiermee, hierbij, bij deze;
AHw \nun", \nunmehr"; CAD now, here
: Anunnaki-goden, verzamelnaam, soms voor
de goden van hemel en aarde, soms alleen voor die van
de onderwereld; Anunnaki is een leenwoord uit het Sumerisch (anun(n)a(k)), zaad (nakomelingschap) van
de (-ak) vorst (nun), (als collectief) de nazaten van de
hemelgod An (Sum.) of Anum (Akk.). Het woord is
in het Akkadisch indeclinabel (enk. *Anunnaku komt
niet voor). De goden tezamen worden de Anunnaki genoemd (bijv. in Ee-i-156; de goden in het algemeen, of in
Ee-vi-46 Anunnaki sa sam^e u ers.etim `De A., de goden
van hemel en aarde'), maar soms worden ze verdeeld
naar goden van hemel en aarde. Er is dan een di erentiatie in de aanduiding: de Igigi en de Anunnaki.
De !Igigi zijn dan de hemelgoden en de Anunnaki de
goden van de onderwereld, het dodenrijk. Er is soms
sprake van 600 goden (Anunnaki en Igigi), bijv. in het
Enu ma elis-epos:
1 ina sam^e u ers.etim 600 (gisu) ustesib (S perf. v.
wasa bu `zitten'): `(aldus) gaf hij de 600 [goden] een
plaats inhemel en aarde' Ee-vi-44
azu `verdelen';
2 d Marduk lugal il uza iz (G pret. v. z^
lugal 
s arru als bijstelling; il object bij z^azu, hoewel
op zichzelf sar il of bel il `koning der goden' zou kunnen, omdat Marduk koning der goden over hemel en
aarde is): 'Marduk, de koning, deelde de goden in' of:
`Marduk, koning der goden, verdeelde (alle Anunnaki
over boven en beneden)' Ee-vi-39 (met het object in de
volgende zin:)
3 d Anunnaki gimratsunu elis u saplis (elis u saplis
als bijstelling bij A.; gimratsunu `hun totaal'): `alle
Anunnaki, boven en beneden', of (als bijwoordelijke
bepaling bij z^azu): `(hij verdeelde) alle Anunnaki (over
de gebieden) boven en beneden' Ee-vi-40
d A-nun-na-ki, d Anunnaki CH-i-2,
WF

C
C
C V
anumma
an

an

Anunnaki

C
Ee-vi-40, 46, 59 etc.
CK
verkorting Ee-i-156

d A-nu-u[k-ki], d Anukki, inciden.

Anutu , (subst.; ook Enutu; suf x !{utu, {ut vormt ab-

d anum of
d dis): Anustracta; SB, NB;
schap, Anu-waardigheid, opperheerschappij; AHw \Anuwurde", \Gottheit"; CAD function, rank of the highest
god (i.e. Anu)
1 innanu : : : leq^
u d Anu ti, (G stat. subj. v. leq^u `nemen'; innanu voegwoord): `nu hij [Kingu] dan de waardigheid van Anu aanvaard heeft' Ee-i-159
2 taskuns(u) ana par
a s. d Enu ti, (G pret. 2e p.enk. v.
saka nu + su met apocope van de u; para s.u `ambt'
etc.): `gij hebt hem aangesteld in het ambt van de Anuwaardigheid' Ee-iv-82
K I d a-nu-ti, d Anu ti Ee-i-159

K I d e-nu-ti, d Enu ti (gen.) Ee-iv-82

anzagar , Zaqqu, `droomgod'
1 Zaqqu ilu sa sun
a ti: `Z., de god van de dromen'

JM

Sin1-25

, Zaqqu Sin1-25

anzillu , (subst.; OB, SB): het afschuwelijke;


misdaad; CAD abomination, villainy
Anz^u , mythische reuzenvogel
apalu I , (ww. a/u-klasse; vanaf OA, OB):
anz
agar

overtreding,

I. G-stam (pret. pul, perf. tapal, pres. ippal, Ass. eppal,


stat. apil) i.h.a. reageren (op passende wijze) ) verantwoorden, antwoorden; of (als er niets gevraagd wordt:)
het woord nemen; voldoen, betalen (wat men schuldig
is); genoegdoening geven, schadeloos stellen, afbetalen; vergelden; AHw I \begleichen", \antworten"; CAD A 1

to satisfy a legimate demand, to give (a person or an


institution) satisfaction on a legimate claim, 2 to answer a question, to echo, to respond; 3 to correspond;
4 to result (in math. and astron.)
1 tamk
a ram ippal, (G pres.): `hij moet de koopman ten
volle betalen';
2 pulma d Mummu, (G pret.): `(en) Mummu nam het
woord' Ee-i-47
3 pulsuma d Ea am^
atam iqabbisu (G pret.; G pres.
v. qab^
u `spreken'): `Ea antwoordde hem/richtte het
woord tot hem, en spreekt tot hem (aldus):' (volgt directe rede) Ee-vi-11 (pres. na pret. omstandigheidszin:
`terwijl hij tot hem zei'/ `al zeggende')
4 pul
usuma d Igigi (G pret. mv. + dat. of acc. -su):
`de Igigi antwoordden hem' Ee-vi-27
I/2. Gt-stam (
) CAD 5 to reciprocate, to discuss,
to correspond;
II. D-stam (
, zeldzaam) CAD 6 to pay a debt, to
perform a service; 7 to make somebody responsible 8
Dtn passive to mng. 7

III. S-stam
(
, causatief) CAD 9 to make somebody answer, to make admit
IV. N-stam (passief) CAD 10 to be treated, to be answered, (passive to mngs. 1 and 2)

i-pul-ma, 
pulma (G pret. + ma) Ee-i-47

i-pul-
s u-ma, 
pul
s uma (G pret. +
s u+ma)

atpulu
uppulu
su pulu

V

bV
Ee-vi-11
sbV
+ + ) Ee-vi-27

i-pu-lu-
s u-ma 
pul
u
s uma

aparu , (ww.; zelden eperu; vanaf OB)



su

(G pret. mv.

ma

I. G-stam (pres. ippir, pret. pir, perf. taper, teper,


stat. apir): bekleden (van het hoofd), aan het hoofd
bedekken; (vaak van kronen gezegd) als een muts dragen AHw \den Kopf bedecken", \auf den Kopf setzen";
CAD

1 to provide with a headdress, to put a covering

19

February 27, 2002 Copyright Heise en Stadhouders, Akkadisch Vocabularium

on someone's head; 2 stat. to be covered, coated


1 melamm^e rasubbati apir r
asussu, (G stat.;
rasubbatu `geduchtheid'; rasu = resu `hoofd', locativus):
`zijn hoofd was bedekt met een huiveringwekkende uitstraling' Ee-iv-58
} , G verb.adj., , (st.c. apir-) met bedekt hoofd
I/2. Gt-stam (
, passief): bedekt z/w. (aan het
hoofd)
2 saq^s itbur, (= etpur, Gt stat.; saq^
u `hoog z/w.'),
lett.: \hij was op hoge wijze aan het hoofd bedekt",
`hoog was zijn hoofdbedekking' Ee-i-103
I/2. Gt-stam (
, re exief): zichzelf op het hoofd zet-

apru

atpuru

ten
II. D-stam (

atpuru
uppuru, als G) CAD 3 to provide with a

headdress, to put a covering on someone's head;


IV. N-stam (passief) CAD 4 to be crowned, covered
a-pi-ir, apir (G stat.) Ee-iv-58

C
N
]
aparu !

it-pur

of

it-bur itpur

(Gt pret. v. apa ru) Ee-i-103

, eperu
, !epesu
, !epesu `maken', `bouwen'
, st.c. v. !aplu
mul gi
s
apin , ( 8 mulapin, mul determinatief voor
sterren, apin !epinnu `ploeg') `Ploeg(ster)'
8 c

apasu
apasu
apil

dish

mul gi
s

9 C? '

d
apin En-l
l

a-lik pa-ni

b}
me
s

mul


s u-ut

d En-ll

Epinnu Enlil, 
a lik p
a ni kakkab
 
su
 t Enlil

De ploeg, Enlil, die de sterren van Enlil voorgaat Mul.Apin,


I-1
, G stat. v. !apa ru (het hoofd) `bekleden'
, st.c. v. apru, !apa ru (het hoofd) `bekleden'

apir
apir
apkallu ,

(subst.; ook abgallu; Sum.; vanaf OB; W


= abgal = apkal; nun ook vaak voor de stad
Eridu en voor de god Enki; me, !m^e en !pars.u):
raadsheer (wijze man); AHw \Weisser"; CAD 1 wise
man, expert; 2 (a mythological) sage; 3 (a priest or
exorcist)
[Apkallu's zijn magiers/wijzen in dienst van Ea, die onder meer de consecratie (heiliging, wijding, inzegening)
van godenbeelden tot taak hadden; Ea is patroon van
twee gildes, die van de handwerklieden (die de vervaardiging van de godenbeelden tot taak hadden) en deze
\intelectuele" Apkullu-club. De inwijding van godenbeelden (onder meer de zgn. mondwassing) vond daadwerkelijk plaats door priesters, maar die spelen dan de
rol van Apkallu. De Apkallu's hebben zelf niet de rang
van priester. Ea zelf heet ook wel `de Apkallu', maar in
mv. worden deze wijzen bedoeld. Zo komen onder meer
voor in bezweringen, wijdingen en reinigingen]
1 apkal il: `de (funktie van) raadsheer onder de goden' (gezegd van d Ea). Bijv. de 7 (of 5) koningen van
voor de zondvloed (in ieder van de 7 steden) hebben
raadsheren (die vaak tot epiteta van de koning worden). Zij worden verantwoordelijk gesteld voor grote
uitvindingen, zoals het schrift, de landbouw, stedebouw, divinatie (wiggelarij) en cultuurinstellingen..
2 apkal il: Apkal der goden, epitheton van d Ea; Ee-i-80
3 abgal dingirmes = apkal il, epitheton van Marduk
`Marduk, de wijgeer der goden' Ee-iv-93
W


, apkal il (Ea en Marduk in

nun me

 

abgal dingir me


s

resp.) Ee-i-80, iv-93

aplu I , (subst.; vr. apiltu, aplatu; st.c. apil; vanaf OA, OB;

ibila = turus): erfzoon, oudste zoon, eerstgeborene; AHw B \Erbe", \Sohn"; CAD 1 heir, oldest
son, son; 2 oldest daughter, heiress
1 d Anum apilsunu, (st.c. +sunu): (nominale zin)
d
` Anum werd hun eerstgeborene' (van Ansar en Kisar)
Ee-i-14
2 sa apla l
a su^ tusarsa

ibila (apla), (G pret. subj. i


s u^
`hebben'; S pret. 2e p.enk. rasu^ `krijgen'): `degene die
geen zoon heeft, bezorgt gij [S^n] een zoon' [een voorbeeld waarin de fonetisch gespelde vorm ap-la naast
de logogra sche vorm ibila in dezelfde zin voorkomt]

Sin3-46
3 GN-b
a n(i)-apli G stat. part. v. ban^u `scheppen'

met gen. objectivus; persoonsnaam: `GN-schept-eenerfzoon', bijv. Assurbanipal


4 GN-n
a din-apli G stat. part. v. nada nu `geven' met
gen. objectivus; persoonsnaam: `GN-geeft-een-erfzoon'
5 GN-n
a s.ir-apli met G stat. v. nas. a ru `bewaren', `GNbehoedt-de-erfzoon'
}
, (suf x !{u tu, {u t vormt abstracta): erfe-

aplutu

nis

, aplum, CH-iv-69
7 ap-la, apla (acc.) Sin3-46

a-pil-
s u, apil
s u (st.c. +
s u) Sil-C-21
K a-pil-su-nu, apilsunu Ee-i-14
, (subst., een van de weinige met een a-voorslag
vocaal;
hangt samen met pulhu `vrees'; mv. apluh a tu,
 , bepantsering; AHw
apluh a nu; OB, SB): pantser

\pantzer";
CAD armor, coat of mail
1 apluhti pulh 
a ti: (een mantel van) `een vreselijke be een
 opeenvolging van phlp , pplh, pplh,
pantsering',
phlp in Ee-iv-57 (!halapu)




2 apluh 
a ti s. a la ti attukama (attu+sux `behorende

bij', `zijnde
van') `pantser en strijd zijn van u' erra-

bb
apluhtu

ibila

C
C

iii-D14

 M CI

ap-luh-ti apluhti

(gen.) Ee-iv-57
erra-iii-D14



apparu , (subst.; <Sum.,
vanaf OA, OB; SB ook ippa ru;
ap-lu-ha-a-ti apluh 
a ti

mv. appa ra tu;


ambar; U
giambar),
moeras, ook als bewust aangelegd verdedigingswerk; AHw
\Rohricht", \Sumpf"; CAD reed marsh, reed bed, lagoon

''
appu

, appa ram Sil-C-136

ambar

ap-pa-ra-am, appa ram (acc.) H.Sip. 18,19


V ap-pa-ri, appa ri (na-zu-zu = ap-pa-ri) LL-Ms-ii-73
, (subst.; st.c. appi; met suf x appa-; dualis appa n;
mv. appa tu; pars-type nomen < * anpum; mv. appa tu
vanaf oud-akk., OB;  kir4 = ka): neus; AHw
\Nase"; CAD 1 nose; 2 tip, crown, end, rim, edge;
3 spur of land, causeway, bund [pars- (of pers) type nomen (vr. parsat (perset), %nominale typologie)
voor primaire, niet van ww. afgeleide nomen zoals kalbu
`hond', kalbatu `teef'; mar u > ma ru `zoon', ma rtu
`dochter']
}
+
, (laba nu I `zich neerwerpen'): `zich
deemoedig neerwerpen', `zich prosterneren' (zich plat
op de aarde werpen als gebedshouding van opperste deemoed); `een voetval doen', `zich verootmoedigen'
1 ana zikrisu qab^e i nilbin appa (cohortativus, zelfaansporing v. laba nu; qab^e gen. `spreken', verwacht eig.

labanu appa

20

February 27, 2002 Hoofdstuk 2 Akkadisch vocabularium

zikrasu ana qab^e, de neiging bestaat om alles na ana in


de genitief te zetten; zikru `naam'; ana `in reactie op'),
lett.: `in reactie op het uitspreken van zijn naam, laten
wij ons prosterneren' ) `als zijn naam genoemd wordt,
laten wij ons deemoedig ter aarde werpen' Ee-vi-102

ap-pa, appa (acc.) Ee-vi-102


, (adv.; ook appunna, appu na -ma; vanaf oudakk.): bovendien, daarenboven; AHw \obendrein",
\auerdem"; CAD moreover, in addition, besides, furthermore, indeed, as well
1 app
u nama isten esret kma su^ati ustabsi, (S perf.
v. basu
^, S: `creeren'): `daarenboven schiep zij (er nog
eens) elf net zo'
F
ap-pu-na-ma, app
u nama (+ma) Ee-i-146
, (adv.) Eng.: please
, (verb.adj. bij !apa ru): met bedekt hoofd
, (subst. < Sum.; vanaf OB;  abzu): ondergronds water;
AHw \untererdisches Suwasser",
\Grundwasser"; CAD 1 deep water, sea, cosmic subterranean water, 2 (a personi ed mythological gure)
3 waterbasin in the temple
Aps^u is het domein van de god Ea, zie ook aldaar. Aps^u
representeert de opslag van zoet water, dat zich onder
meer bevindt onder de aarde, het grondwater. Men kan
erbij door een gat te graven. De opslag van dit water
wordt op verscheidene wijzen voorgesteld. Soms als een
kubusvormige voorraad, ook treft men wel de gedachte
aan dat de Aps^u een opslagruimte van waterkruiken is
of een grote waterzak van leer voor het hemelwater. De
Aps^u grenst aan het dodenrijk en is daar soms bijna
equivalent mee. De Aps^u voedt de rivieren wat betreft
hun continue wateraanvoer. De god Ea is heer van het
water, koning van de wellen en beheerst deze water
toevoer. Op rolzegels zien we de Aps^u als tempel met
Ea zittend op een schrijn waar water doorheenloopt.
De periodieke wisselingen van het water (het wassende
water, het water van de regens) wordt beheerd door
de god !Adad. Ea en Adad leveren samen de vruchtbaarheid van het water. In het scheppingsepos Enu ma
elis is Aps^u (naast !Tia mat) de tweede oerpersoon,
een soort oergod die bestond voor de goden geschapen
waren. Hij wordt daar genoemd:
1 Aps^
uma rest^u (<restiu, `oudste (zoon)', `eerstgeborene', `de oeroude'; de -t- is geen vrouwelijke t, maar
deel van het morfeem -tiu dat van een substantiefstam
een adjectief maakt): `de oeroude Aps^u' Ee-i-3
2 Aps^
u za ri il rabiu tim: `Aps^u de verwekker van de
grote goden' Ee-i-29
Hij wordt voorgesteld als iemand met kosmische afmetingen. De personi catie van Aps^u (als iemand die
het woord voert) is uniek voor het Enu ma elis-epos,
wsl. uitgelokt door de personi catie van Tia mat. Elders treft men Aps^u slechts aan in zijn zakelijke betekenis: het ondergrondse water.
Tia mat, Aps^u en Mummu missen het godendeterminatief. Dit staat los van hun mogelijk boosaardige inborst, want demonen e.d. hebben wel een godendeterminatief.
  , Aps^u Ee-i-29 etc.
, (subst. < Sum.) vastgesteld aandeel, aandeel CAD
portion, agreed portion;
, (subst.; ook abu; mv. apu ; OB, Mari, MA, SB; U

'

appuna

s V

apputtu
apru
aps^u

apsit^u
apu

zu ab

 ): riet, rietbos, rietkraag; AHw \Rohricht"; CAD


A reed thicket, canebrake
1 kma is
a tim ezzetim sa apim, (met isa tu `vuur',
ezzetu `kwaad'): `als een hevig vuur van het riet') `hevige rietbrand' (dat in korte tijd alles verwoestend is)
2 ina api d Girraku ina qsi magsar
a k (Girru, de vuurgod; qsu `kreupelhout'; magsa ru `bijl' hier apocope
van -a ku): `in het riet ben ik [Erra] het Vuur, in het
bos ben ik een strijdbijl' erra-i-113
3 apu sa nereba l
a su^ (G pret. subj. v. isu^ `hebben'):
lett. `rietbos waar voor geldt de doorgang is er niet' )
gi
s gi

Cs
C

het ondoordringbare rietbos


a-pu apu

erra-i-72

erra-i-72

(st.c.gen.) erra-i-113

ap^u I , (ww.; adj.; litt. woord; ook ab^u, ep^u, SB) bewolkt, in
a-pi api

wolken gehuld, omvloerst; AHw I etwa \umwolkt"; CAD

B to become dim, to become cloudy, (said only of the


eyes)
1 s
a kin namirti ana nisu apa ti, (vr.mv.; G part.
saka nu `zetten', `te weeg brengen'; namirtu `schijnsel'),
lett.: `die helder schijnsel te weeg brengt voor door wolken omhulde mensen' Sin1-3
}
, (vr.mv.; zelfst.): omwolkten, een aanduiding
voor nisu mensen, de Sumeriers, later alle Mesopotamiers !s.alma t qaqqadi `zwarthoofdigen'
2 ai immasi ina ap^
ati (N vetitivus = ai + pret. v.
masu^ `vergeten'): `hij [Tutu] worde niet vergeten onder
de omwolkten' Ee-vii-18
3 sa naphar gimir ap^
atu, (i.p.v. ap^ati: `de omwolkten'
duidt hierwsl. op `de mensen'; naphar, gimir woorden
voor `alle'): `de mensen al te gader'(dan ook met twee
keer een woord voor \alle" vertaald) Sin3-40

apati

C' }
C' CI

a-pa-t
u ap^
atu

(vr.mv.) Sin3-40
(vr.mv.) Sin1-3, Ee-vii-18

ap^u , ww. !wap^u `zichtbaar worden', `verschijnen' etc.


aqaru , ww. waqaru `kostbaar z/w.' etc.
aqdamu , subst.; mogelijk N.W.-semitisch voor `oude tijden'
aqq^ , <*anq^ G pret. 1e p.enk. v. !naq^u `plengen'
etc.
e
a

apa-a-ti

) Sin1-20b

ap
a ti

aq-q
-ka aqq^
ka

(G pret. 1 p.enk. v. naq^u +

aqru , (verb.adj. !waqaru): `kostbaar' etc.


aq^u , (!waq^u), komt hoofdzakelijk in de Dt voor; vormen
lijken op !qu u `wachten' (op iemand)
II/2. Dt-stam ((w)utaqq^
u): `letten op', `acht slaan op',
ka



>

>

`geduldig wachten'
~
u
-taq-qu-
u utaqq^
u (Dt pret.subj.mv.)
Ee-vii-4

aradu , (ook eredu, !waradu `afdalen')


arah , (st.c. v. subst.vr. arhu II ): koe
arahu I , (ww.; warahu; vanaf OB):

I. G-stam (pret. rah, pres. *irrah, stat. aruh): zich haas


ten, iets snel doen, korte metten maken
met  AHw \eilig

sein", \eilen"; CAD 1 to hasten, to hurry, to come


quickly, to come promptly;
II. D-stam (
, als G) CAD 2 same mngs. 3 to send
in a hurry 4 to frighten (?)
}  , (adv.; term.; oud-akk., OA, OB, MA, SB, NA):
vlug, snel, spoedig, dadelijk, schielijk, ijlings; AHw \eilig",
\eiligst"; CAD promptly, soon, in time, without delay

arhis

urruhu

Sin3-55


arahu II , (ww. i/i-klasse
of erehu

ar-hi
s arhi
s

p  rh SB):
?

21

February 27, 2002 Copyright Heise en Stadhouders, Akkadisch Vocabularium

I. G-stam (pret. rih, pres. irrih):

vernietigen, beetje
 ook wel gezegd van een hond
duister woord, wordt
(`naar de keel vliegen'). AHw \aufzehren", \vernichten"; CAD C to attack, to rush against
 pret.) Sil-C-122
V
u
-
s a-ri-ih, u
sa
 rih (S


, (ww. van de i-klasse, zoals veel eigenschapsww.;
vanaf OA;
g
d(da)):
I. G-stam (pret. rik, pres. irrik, G-stat. arik): lang zijn;
AHw \lang sein"; CAD 1 to become long, to last
long, to be long-lasting; 2 to last too long, to be delayed;
1 is.u arik lu istenumma (is.u `hout'; G stat. \het hout
is lang" of vanwege PN \Langhout" een status abs.;
nominale zin): `de eerste (naam) zij Langhout' Ee-vi-89
2 arik-den-ili PN `God-wachtlang-met-zijn-oordeel'
}
, lett.: zijn staf lang maken ) zijn regeringstijd verlengen (concretum pro abstracto)
} , G verb.adj., , (ook irku; st.c. arik-; vr. ariktu,
araktu; vanaf OA, OB;
( ) gd(da)): lang; AHw
I \lang"; CAD 1 long; 2 tall
3 (sa) u
 m arku tim: tot in lengte van dagen
4 rub^
u arku anhussu : : : luter (D prec. v. t^aru `terugk
eren', D `restaureren';
anh u tu `verval') `moge een toekomstige vorst zijn verval restaureren' yos-ix-71,r.33
II. D-stam (
, factitief, D pret. urrik): lang maken,
verlengen; (in tijdsduur) overtreffen; CAD 3 to extend (in
space), to lengthen, to prolong, to extend, to add to,
to delay; 4 to attain length, 5 to be protracted;
5 urrik
u u m, (D pret.mv.): `ze maakten de dagen
lang' ) `ze overtreffen de duur (van hun jeugd)' Ee-

>a
sO

araku

hat.t.asu araku
arku

sO

urruku

i-13

su ruku


III. S-stam
(
): (tijdsperiode) verlengen, prolongeren; CAD 6 to lengthen, to prolong
}
, (subst.; OB, MB, SB): lengte, duur; AHw

maraku
CAD length, extend
}mu raku , (subst.; MB, SB; sO
\Lange";

>
? 

duur; AHw \Lange"; CAD length

): lengte,

g
d da

(G stat.) Ee-vi-89
(`toekomstig') yos-ix-71,33
ur-ri-ku, urrik
u (D pret.mv.) Ee-i-13

a-rik arik

ar-ku-
u ark^
u

arammu , (subst.; OB, MB, SB, NB): dam; CAD 1 wharf,


embarkment (of a canal); 2 ramp, causeway;
aran , st.c. v. !arnu : `zonde', `misdaad'; `straf'
araqu , !waraqu `groen zijn'
araru I , (ww. a/u-klasse; vanaf oud-akk.)

I. G-stam (pret. rur, pres. irrar): vervloeken; AHw I

\ver uchen"; CAD 1 to curse, 2 to treat with disrespect, to insult, to disown, to disavow
1 erreta ar
a ru: (met een vloek) vervloeken;
2 uzakkir
u ma ana rama nsunu ara ru (D pret. mv. v.
zaka ru `spreken', `noemen', `zweren'; verwacht ara ra
object bij uzakkiru ): `zij spraken een vervloeking over
zichzelf uit' Ee-vi-97, conditioneel bedoeld: \moge ik
vervloekt zijn als ik u zou afvallen"
}
, (subst.; NA, SB): vervloeking; CAD curse
}
, (mv. erretu): vervloeking;
3 erret il `vervloeking door de god', (mv. erret il)
D a-ra-ru
p, araru (vervloeking) Ee-vi-97
, (ww.; 6 rr ; ook tara ru, hara ru en ereru),
I. G-stam (G pres. irrur, G pret. rur,ihrur, G perf. itarur
 al die r's in het
= G pret. v. tara ru): sidderen, trillen (met
woord hoor je 't trillen); akkeren ) opbranden; AHw

araru
erretu

CH

araru II

\zittern", \ ackern", \brennen", \aufbrennen";


1 itrura isd
asu, (G pret. vr.mv. v. tara ru; a geen vent.
maar de dualis isdasu; in dualis krijgen predicaat en
attribuut de uitgangen vr.mv.): `haar benen sidderden', `zij stond te trillen op haar grondvesten' Ee-iv-90
2 b
u lum lrurma litu r ana t.it.t.i (G prec. v. ara ru;
G prec. v. t^aru `omkeren'): `laat het vee sidderen en
tot stof weerkeren' erra-i-74
l
u
 ra
 r): mole}
, (subst. < Sum.;
a
naar; [voor `malen' ook !t.^enu met zelfde logogram
 ra
 r] AHw \M
a
uller";
D
it-ru-ra, itrura, (G perf.vr.mv. of G pret. v.

ararru

N H
N ?V
tar
a ru

) Ee-iv-90

D
;D

it-tar-ru

itarr
u

(N pret. mv.) Ee-iv-108


(G prec. + -ma)

li-ru-ur-ma l
rurma

erra-i-74

arasu , (ww. Ass. vorm v. !eresu I ): (een akker) cultiveren


etc.
arba u, erb^u , (vr. erbetti, arbattu; U
): vier;


limmu

-su = erbe enasu (dualis erbe, acc. nu), lett.


\4 zijn zijn ogen", `zijn ogen zijn 4 in getal' Ee-i-95
2 s
a r erbetti sa puluht, (hier telwoord in status rec.
 status abs., dus anders dan geen het getelde in st.c. of
woonlijk, telwoord in st.abs. en het getelde in st. rect.:
sare erbet): `(hij creeerde) de vier winden, die vrees
aanjagen' Ee-i-115


ar-ba-im, arba im CH-v-11,12
^ er-be-tim, erbettim Sil-C-126
^ er-be-tim, erbettim (gen.), CH-ii-2,3,4

I er-bet-ti, erbett (status rec. gen. mv.) Ee-i-115


1 4

II
igi


D
U : !

II

(\4 zijn zijn ogen") Ee-i-95

arbu , (adj.; MB, SB): woest, onbebouwd, verwilderd; CAD


uncultivated ( eld)
arbu , (subst.; SB): voortvluchtig; vluchteling, deserteur ;
CAD fugitive, person without family;
}arbu tu , (suf x !{utu, {ut vormt abstracta), bij
4

igi

-
su
 erbe en
a
su

arbu `vluchteling': vlucht bij arbu `woest': verwoesting,


vernieling, ontvolking
, !wardu `slaaf', `dienaar'
, (subst. vogelnaam;
N nigibmusen ): duif;
}
, (subst. plantennaam) duivepoepkruid;
1 rikibti argabi (Np
N u5 -nigibmusen ; Np
u5 rak
a bu `berijden' (van dier; ook sexueel, gezegd van
dieren) + afleidingen; rikibtu `de daad van het rijden'

ardu
argabu
rikibti argabi

U

U

) `paring', `copulatie' (van dieren)

mu
s en
n
igib
, de vogel `argabu', een soort duif (die voortdurend aan het
paren is); hier het plantje met die naam): \duivepoepkruid" BAM578-i-52
mu
s en
N

argabu (`duif') BAM578-i-52
, (subst.; SB, NB, NA): roodpurper wol; CAD
1 red purple wool; 2 tribute;
, (adv. !ara hu I ): `snel', `spoedig', `schielijk', `da delijk'


U

argamannu
arhis

n
ig ib

Sin3-55


arhisam , adv. !warh
isam, maandelijks
arhu , !warhu maand
arhu II , (subst.vr.; st.c. arah; mv. arh atu; ): koe
aribu , (subst.; ook !erb^u I ) sprinkhaan, ook collectief:
sprinkhaanzwerm; AHw \Heuschrecke";
aribu , (subst.): raaf;
ar-hi
s arhi
s

b
a

22

February 27, 2002 Hoofdstuk 2 Akkadisch vocabularium

artu , (subst.; mv. ariatu, ar^atu; vanaf OA, MB):


schilddrager; een naam voor de planeet Venus

schild,

1
shield; 2 shield-bearer; 3 (a name of the planet Venus)
, ook ark^a !warka `erna', `achter' etc.
, (adv.; ook warka nis, arka nus; SB, NB): terug,
terugwaarts; later; AHw \zur
uck"; CAD 1 afterward,
later on; 2 backward
1 bini ark
a nis (G imp.; arka nis `terugwaarts', gezegd
tegen de vollemaan, wanneer deze via laatste kwartier tot nieuwemaan u m bubbilum krimpt), lett.: \bouw
af!" ) `groei terug!' Ee-v-20

ar-ka-ni
s , ark
a ni
s (adv.) Ee-v-20
, adv. !warka num `later', `daarna'
, !warkatu `achterkant', `rug', `achterhoede'
 I ar-ka-ti, arkati (gen.) Ee-iv-96
, adv. !warka `erna', `achter' etc.
, SB voor !warksu = warku + su

-
su
, ark

s u Ee-iv-48
, adv. !warka `erna', `achter' etc.
, (verb.adj. bij !ara ku `lang zijn'): lang;
, subst. asmar^u `speer'
, een bokkensoort; bok
, (subst.; ook annu; st.c. aran ; mv. arnu ; vanaf oudakk.; O~
namtagga):
zonde, blaam, misdaad;
straf (vooral in verbinding met !emedu en !nasu^;
Sum. leenwoord voor `zonde' ook !sertu); gebrek, fout,
misser [Zonde: Door een misstap is men in staat van onreinheid tegenover de god getreden: taboe geschonden?
eed niet gehouden? Men kan echter ook zonder het zelf
te weten een misstap begaan hebben] AHw \Schuld",
\Unrecht", \Sunde"; CAD 1 guilt, wrongdoing, misdeed, o ense; 2 punishment, ne
1 sinnistum s arnam ul su: `deze vrouw zal geen
straf hebben' ) `treft geen blaam' CHx134
}
, < arni, lett.: die van de zonde ) zonCAD

arka
arkanis


arkanu
arkatu

arki
arksu
!
arku
arku
armar^u
armu
arnu

eger

sa anni

daar
2 sa anni linnadinma (N prec. v. nad
a nu): `laat de

zondaar (aan mij) gegeven worden' Ee-vi-16


3 sa arn su
^ tapat.t.ar arn, (su^ G pret. `hebben';
G pres. 2e p.enk. v. pat. a ru `loskopen', `voldoen', `afdoen'): `hij die zonden heeft, die zonden voldoet gij
[S^n]' ) `gij voldoet zonden van degene die zonden
heeft' (S^n is behulpzaam bij de afdoening van schulden, maar niet zonder meer door kwijtschelding) Sin354
4 sa anni u gillati maharsu ba  u
 (G stat.mv. v. ba u^

 hem passeren' ) `gaan vrij`komen, arriveren'; `langs


uit'; gillatu `misdaad'; sa gillati `die van misdaad' )
`misdadiger'): `zondaars en misdadigers gaan bij hem
vrij-uit' Ee-vii-156
5 lipat.t.ira(m) arnja, (G prec. vent. 3e p.enk. v. pat. 
a ru
i.h.a. \losmaken"): `moge hij mij van mijn zonden verlossen', `laat hij mijn zonden ongedaan maken', `opdat
hij mijn zonden inlost/afdoet/opheft' Sin1-26a
6 ana l
a epes anni, (G inf. st.c. v. epesu): lett.: \tot
niet-making van fouten", in nitief kan ook passief
weergegeven worden: `opdat er geen fouten gemaakt
zouden worden' Ee-v-7
7 arnussu l
usassa^ (formeel loc. < *arnumsu, verwacht aramsu `zijn straf'; S cohor. 1e p.enk. v. nasu^;
< lu + *usansia vent.; ongebruikelijk lu-u-sa-: : : met
extra u gespeld): `ik wil (hem) zijn straf doen dragen'

(wens- of gebodsvorm, ook soms het presens, in afhankelijke zin vaak weer te geven als zin van consequentie
\en dan", \opdat", \zodat". Het gaat dan om een mogelijk gevolg, bij feitelijk gevolg wordt de indicativus
gebruikt): `opdat ik (hem) zijn straf laat dragen' Ee-vi-

22
2 !
26

O ar-nam, arnam (acc.) CHx134


ar-ni, arn (mv.) Sin3-54

ar-ni-ia arn

ja (mv. + {ia `mijn') Sin1-26a
K ar-nu-us-su, arnussu (loc.) Ee-vi-26
an-ni, anni (gen.) Ee-v-7 sa an-ni, sa
(gen.`zondaar') Ee-vii-156

arqu , warqum `groen' !waraqu `groen/geel zijn'


arsuppu , (subst. < Sum.; ook ersuppu; OB, NB, SB):
anni

karper; AHw \Karpfen", \Barbe"; CAD 1 carp (?),

2 (a cereal) 3 (a kind of apple)


1 ml(i) arsuppu, (mlu `vloed'): karpervloed, kennelijk een prematuur hoogwater met veel karpers in
maart i.p.v. april/mei; LL-Malku:sarru-ii-63 mi-li ar-supu = mu-u har-pu (harpu `vroeg')
mi-li ar-su-pu mli arsuppu
;


LL-Ms-ii-63

ar^u , ww. !war^u `leiden', `opvoeden' etc.


ar^u , (subst. < Sum.; vanaf OB): CAD 1 product (in multiplication); 2 mathematical table, ephemeris;
ar^u , (ww. ar^u (sterke alef); MB, SB; 
=
):



buru8

I. G-stam (pres. i arru)

hal

IV
\(sich) erbrechen"; CAD B 1 to vomit;

# :

ka
s bir
nag
tu-sa-a -ras-su
1 hqa isatti tusa r^
assu (bi asud = kasbir hqu
 bier', `scharbier', vgl. h^aqu `mengen'; # nag
`dun
= \mond  water" G pres.3e p.enk. v. sat^u `drinken';
S pres. vent. -^assu < -a+am+su v. 1 ar^u dat evenals par^u `braken', `overgeven' betekent, S: `tot braken
brengen'): `dun bier moet hij drinken en je moet hem
laten braken' BAM578-i-16
D #

D
ana sa sub nag-ma i-ar-ru
2 ana libbi tanaddi isatti i arru (ana libbi vaak als
adv. iets met `er': `erin', `eruit', `erbij'; D sub
G pres.2e p.enk. v. nad^u `werpen', dus samen: `erbij
doen'; # nag G pres.3e p.enk. v. sat^u `drinken' en
ar^u `braken'): `[honing en alie] moet je er bij doen,
drinken en braken' BAM578-i-18

#

ba-lu
pa-tan nag-ma hal

3 balu pat
a n isattima i arru (# nag G pres. v.
sat^u `drinken'; hal ar^u `braken', variant heeft inder
daad i-ar-ru): `[mengsel
van 12 kruiden] moet hij op
nuchtere maag drinken en (dan) moet hij braken' BAM578-i-52 (Medicijn tegen galaandoeningen, die ze blijkbaar met braakmiddelen te lijf gaan)

U

ina ge-si-su
z
e
i-ar-ru
4 ina ges^su marta i arru (gesu
^ `oprispen', `boeren';
G pres. v. ar^u `braken'): `(en) terwijl hij boert, geeft hij
gal op' BAM578-ii-20

III. S-stam
(  , causatief) CAD B 2 to induce vomiting;
:
tu-sa-a -ras-su tusa r^assu

Cu

U !

V 2

'B

braken, overgeven;

su r^u

U !

 pres. vent. -^assu


(S

+am+su) BAM578-i-16
(G pres.) BAM578-i-18

< -a

i-
ar-ru i arru

AHw

23

February 27, 2002 Copyright Heise en Stadhouders, Akkadisch Vocabularium

 i-ar-ru i arru BAM578-ii-20


  i arru BAM578-i-52
, ww. van de i-klasse, zoals veel eigenschapsww.;
I. G-stam (pret. ri, pres. irri): G-stat.: zwanger z/w.,
zwanger raken; AHw V \schwanger sein", \empfangen";
Eng.: to conceive, to become pregnant
1 aban er^e: zwangerschapssteen (!abnu steen)
}
, (vr. v. adj.): zwangere vrouw; AHw
I \Schwangere" Eng.: pregnant;
}
, (subst.; SB): zwangersschap; AHw \Schwangerschaft"; CAD pregnancy
2 zera u mer^e ul is.s.abbat, (wsl. G pres. is.abbat): (de
onvruchtbare vrouw) `is niet ontvankelijk voor zaad en
zwangerschap' Sin3-47
V
me-re-e m
e r^
e (acc.) Sin3-47
 za
 g):
, (subst.; ook asakku; Sum.; OB, SB;
a
kwaal, vaag voor aandoeningen; ook gepersoni ceerd:
een bepaalde demon; AHw I \ein Krankheitsdamon";
CAD A a demon and the diseases it causes
, ww. !wasa mum `passend zijn'
, epitheton van Marduk in Ee-vi-101, 147, de
 in de rij van 50 van het enu ma elis-epos;
zevende
eig. een godheid op zichzelf, de goddelijke asipu (bezweringspriester), !d Namtila, de genezende god. De
betekenis van de naam is onduidelijk, maar wel veel
uitgelegd, ook in de oudheid. A. is wsl. oorspronkelijk
ki
de stadsgod van het plaatsje Kuar(a),
haa ,
een satellietstad van Eridu, daarbij geannexeerd, maar
waarvan weinig bekend is. Het valt al heel vroeg onder het gezag van Eridu met stadsgod Enki/Ea, die
de god van veel zaken is, o.a. bezweringen en genezingen. A. gold dan als de zoon van Enki/Ea en wat
betreft bezwering en genezing de gedelegeerde hulp, de
uitvoerende instantie van Enki/Ea Asarluhi is met al de riten
lerlei taken van de Asiputu belast. Hij voert
uit, maar krijgt ze van zijn vader Enki/Ea. Op een gegeven moment in de loop van het 2e millenium wordt
A. gezien als manifestatie van Marduk (stadsgod van
Babel), waardoor Marduk de zoon is van Ea/Enki. In
An-Anum, de kanonieke godenlijst, wordt A. gelijkgesteld met Marduk, als oudste zoon van Enki/Ea. Op
deze manier wordt Babel langs geneaologische lijnen
geassocieerd met Eridu.
u;
1 d Asarluhi ittabi sussu, (< *intabi G perf. v. nab^
 s u `zijn naam'): `hij [Ansar] noemde hem
sussu < sum
[Marduk] Asarluhi' Ee-vi-101 of misschien omstandig van het eerste deel als hoofdzin:
heidszin, afhankelijk
`(Ansar gaf hem een hoge plaats) door hem Asarluhi

te noemen'. [Ansar, de oudste van de jongere goede
goden in het Enu ma elis-epos].

ar^u, er^u

hal

artum, ertum
mer^u

asakku

N'

as
amu
d Asarluhi

MC

J
asaru !
!asar!

d)

Asar-l
u-hi

, d Asarluhi Ee-vi-101, 147




eseru `opsluiten', `gevangen nemen'

asim , G stat. bij !wasamu `passend zijn'


asru , (subst. bij !eseru `opsluiten'): `gevangene', `krijgsgevangene'
askaru , subst.; !uskaru `maansikkel'
askuppatu , (subst.vr.; ook askuppu;   of
na4

i dib

; vanaf OB): stenen plaat, drempel, deurdrempel;


slab, threshold, doorsill;
, (subst., poetisch; ook azlu; mv. aslu ; OB, SB): schaap,
edelschaap; AHw eine Art \Edelschaf"; CAD young

na4

kun4

CAD

aslu

male sheep (as poetic term)

asma , G stat.vr.mv. bij !wasamu `passend zijn'

1 q
a tasu asma (qa tu `hand'; in dualis krijgen predicaat en attribuut de uitgangen vr.mv.; (w)asa mu
`passend zijn'): `zijn handen geschikt zijn om [Erra's
woeste wapenen te voeren] erra-i-4

as-ma asm
a (G stat.vr.mv.) erra-i-4
, (subst.; ook azmar^u, ismar^u, izmar^u, azzam^u,
MB, SB, NB, LB armar^
u; mv. azmar^u, azmara n^u):
speer, lans; AHw \Lanze"; CAD azmar^u lance;
, subst.; !uska ru `maansikkel'
, G pret. 1e p.enk. v. !sara qu `uitstrooien'
  as-ruq-ka, asruqka (G pret. 1e p.enk. + ka

asmar^u

asqaru
asruq

i.p.v. ku(m) dativus) Sin1-20a

assammu , (subst. < Sum.); Eng.: jug


assinnu , (subst.; ook isinn^u, isinnu; vr. assinnatu; SB,

J? *

 

 ur sal)
NA, NB;
lu
jongen van plezier, veile
knaap; AHw etwa \Buhlknabe" (in Kult) CAD (a mem-

ber of the cultic personnel of Istar)

asu , (subst.vr. plantennaam; ook asu, assu; vanaf oudakk.;


s im
g
ir): (welriekende plant) myrthenheide (altijd-groene heester waaruit olie wordt gewonnen), heidetakje; AHw \Myrte"; CAD A myrtle;


s im

`heide takjes' BAM578-i-48

as^u(m) , (subst. <Sum.; vr. as^atu; gen. as^m of as^em, acc.


g
ir

asu

as^am of asiam; st.c. asi; mv. as^u; vanaf oud-akk.;


 (lu)azu): arts CHx224 AHw \Arzt"; CAD A
physician;
, (subst.; Sum.) fundament, dat wat van aarde opgeworpen is. AHw \Grundmauer";
, subst. azaru, `moeraskat'
, <*as.tabat, G perf. 1e p.enk. v. !s.aba tu `grijpen'
, ww. !was.u^ `te voorschijn komen' etc.

a-s
e (st.c. inf.) Ee-iv-42
. e-e, (w)as
.^
, ww. !wasa bu `zitten', `wonen'
, G pres. v. sada du `verduren' etc.
a-sad-da-ad, asaddad (G pres. 1e p.enk. v.

asurr^u
as.aru
as.s.abat
as.u^
C 4
asabu
asaddad

C n O) Sin3-58

asam , G pret. 1e p.enk. v. !s^amu, I, `kopen'


asamsu tu , (subst.; ook asamsuttu; mv.

s ad
a du

asams^atu,
asamsua tu; vanaf OB): onweder, onweerswolken, wervelwind; AHw \Gewitter(wolke/sturm)"; CAD dust
storm
1 ibni imhulla meh^
a asamsu tum: `hij [Marduk] schiep

 een orkaan en onweerswolken'
een boosaardige
wind,

C> b

Ee-iv-45

a-
s am-
s u-tum a
s am
su
 tum

Ee-iv-45

(toch acc.)

asar (voegw.) , (st.c. v. !asru `plaats'; maar ook als be-

trek. vnw., voorz. of voegw. in gebruik;


ki; vanaf
OA, OB): erin daarin, waar, waarheen, terwijl, zodra etc.
CAD 1 where, whereto, wherefrom; 2 as soon as, while;
3 if, in case, 4 what;
1 asar atta taqabb^
u, (<taqabbiu G pres. subj. v.qab^u):
`(overal) waar gij [S^n] beveelt' Sin3-43

Sin3-43

asar (voorz.) , (st.c. v. !asru `plaats'; maar ook als bea-


s ar

a
s ar

trek. vnw., voorz. of voegw. in gebruik; vanaf OA, OB):


naar, aan, in; CAD with, before, in the presence of,
from, instead of
, (adj. <asar+edu, CAD asaridu, vr. asarittu;
vanaf oud-akk.; OB s
sagkal; sag `hoofd', kal
`sterk'; /r/ klank verhindert soms elisie voorafgaande

asaredu

24

February 27, 2002 Hoofdstuk 2 Akkadisch vocabularium

vocaal, vgl. zikaru, eperu, labiru, asaredu etc., dus geen


contractie tot *asred): eerste plaats, eerste, voornaamste; aanvoerder, leider, leidsman; AHw \allererster", \vornehmster"; CAD 1 rst in rank, foremost 2 lead (animal), high ranking, (court ocial) vanguard, leader, 3
(qualifying an object)
1 d S^n asared il: `Sin, de aanvoerder onder de goden' [Sum. gedachtengoed: de maangod S^n is de leider
der \planeten" (waaronder ook zon en maan): hij is de
grootste en snelste] Sin1-1
2 asared sam^e u ers.etim: `de leider van (de bewoners
van) hemel en aarde', bekend epitheton van goden, in
Sin3-39 van S^n
V
a-
s a-re-ed, a
s ar
e d (st.c.) CH-iv-23
s


, asared il Sin1-1
V a-sa-re-du, asaredu Ee-iv-70

Ca N
B 
CU
CU:

sag kal dingir me


s

(st.c.) Sin3-39

asaris , adv. daar


asaru I , (ww. a/u-klasse):
a-
s
a-red a
s ar
ed

I. G-stam (pret. sur, pres. assar, stat. asir): zorgen


voor, verzorgen; de zorg hebben voor AHw I etwa \ord-

nend uberwachen", \betreuen"; CAD A 1 to muster,


to organize, to marhal (forces), to provide with food
rations, to check, to control, to instruct
}
, G part., (subst.; OA, SB): verzorger,
raadgever; AHw etwa \Betreuer"; CAD supervisor,
helper
1 
aser
il kala ma (epitheton van Marduk; G part.st.c.): `(M.
als) verzorger aller goden' Ee-vi-143
2 d Asaru sa kma sumisuma suru il sm
a ti `A.
heeft de zorg {zoals zijn naam (al zegt){ voor de goden
van de lotsbeschikking' Ee-vii-123
a-se-er, aser, G part.st.c. CH-iii-68
a-ser, aser, G part.st.c. Ee-vi-143
D i-su-ru suru (G pret. subj.) Ee-vii-123
, !*wasa ru, *masa ru, D-tantum `vrijlaten' etc.
, !eseru, `recht
p zijn' etc.
, (ww. u/u-klasse; ? ss, ook: esesu, hasasu; van
af OA, OB):
I. G-stam (pres. issus, pret. sus, perf. tasus): bedroeven; G stat.: bedrukt z/w., bedroefd z/w.; AHw III \sich
betruben", CAD A 1 to become worried, to become
disturbed 2 to cause distress,
1 tasus libb: `mijn hart is bedrukt geraakt' Sin3-60
I/3. Gtn-stam (itassusu) CAD 3 to su er from spasm, to
be distraught, to be in continual distress T ziir
II. D-stam (
) kwellen, mishandelen CHx116 AHw
\betruben"; CAD 4 to cause distress, to mistreat a
person 5 Dt to become apprehensive

III. S-stam
(
, elativisch) CAD 6 to become
(very) worried
i-ta-su-us, tasus (G perf.) Sin3-60
, < asibu , G stat. v. !wasa bu `zitten', `wonen'

, (of ase  e): G pres. 1e p.enk. v. !se u^ `zoeken';
n.b. een dubbele alef wordt nooit geschreven, een enkele nog wel eens, maar meestal alleen als vocaalbreuk
a-u, u-i, etc.

aseru, asiru

Co
C

b
asaru II

asaru III
asasu

ussusu

asbu
ase i

Co

sutasusu

 i

(G pres. 1e p.enk.) Sin1-21

asib , ook wasib G stat. v. !wasabu `zitten', wonen' etc.


asm , G pret. 1e p.enk. v. !seiamu `bestemmen'; verba mea-
s e- i a
se

diae vocalis -i-; G pres. 1 p.enk. is asam

Asimbabbar , (

 d asim5 babbar; as `een', `uniek'; babbar `stralend wit'; niet duidelijk of dit
Sum. woord voor de maangod op zijn Akkadisch
gelezen werd, mogelijk het Akkadische epitheton
Narams.it): epitheton of verschijningsvorm van de
maangod S^n
 d  5
, d Asimbabbar Sin1-19
,
(subst.;
wasipu;
vanaf
MB, MA;
J J lu masmas): bezweerder, geestenbezweerder; CAD exorcist
, (subst. < Sum.; vanaf OA, OB;
!ashab!
l
u
a
s gab):
leerbewerker CHx274 AHw \Lederarbeiter";
CAD letherworker;
, subst.; !uska ru `maansikkel'
, (subst. < Sum.; st.c. asla k; mv. asla ku ; vanl
u
 g(ud))
af oud-akk.;
tu
wasman; AHw
\Wascher"; CAD fuller, washerman

, (subst.vr.; st.c. asal; mv. asla tu;
e
s ):
eenheid
van lengte, ong. 60 m = 120 ammatu Eng.: rope
, (subst.vr.; ook asnan; normaal zonder casus uitd setir): graangodin
gangen; OB, MB, SB;
) graan (zgn. re catie, vgl. Ceres, Bacchus, Venus)
AHw \Korn", \Getreide"; CAD grain, cereal (as a
generic term)
1 b
a n^u Asnan u lahri (G part. v. ban^u `scheppen';

asnan hier zonder godendeterminatief;
lahru `moederschaap', `drachtige ooi', `ooi met lam', ook gewoon
`schaap'): `(Marduk als d Gilim) die graan en vee heeft
geschapen' Ee-vii-79 [die dus de akkerbouw en veeteelt
heeft uitgevonden, waar de economie op gebouwd was]
F as-na-an asnan (`graan') Ee-vii-79
, subst.; !uska ru `maansikkel'
, (subst. m. en vr.; ook asaru; st.c. asar; mv. asru en
asra tu OA: isru; st.c. asar; vanaf oud-akk., OA, OB
ki): plaats, plek, daar waar (soms niet vertalen);
soms speciale betekenis, pregnant, vooral in met het
Enu ma elis-epos samenhangende teksten: hemel (in
LL-Ms-ii-104 as-[r]u = s
a-mu-u) of pregnant heiligdom,
dan vaak in mv. of vr.mv.; AHw III \Ort", \Stelle",
\Statte"; CAD A 1 place, site, location, emplacement;
2 region, country, city, building complex, sacred place,
cosmic locality, 3 (in idiomatic expressions)
1 ana asri sak
a nam, lett.: `op zijn plaats zetten' )
`realiseren'
2 ana asrsu turru(m), (D v. t^
aru): restaureren
3 asrukka, < asrum + ka, locativus + ka: `op uw
plaats' (heiligdom)
}
, als acc.adv. (= ina asrisu = asrusu (locativus)): daarin, daar ter plaatse daar ter plekke
4 i niddi parakku nemeda asarsu (< *nindi G cohor.
1e p.mv. v. nad^u; nemedu `stut', `steunpilaar', `heiligdom'): `laten we een schrijn stichten en daarin een
heiligdom (oprichten)' Ee-vi-53
}
, (adv.) daar;
}
, (= ana asri; adv.; ook asaris; OB, SB): daarheen;
AHw I \dorthin", \dort"; CAD A there,
thereto
5 asris Ti
a mat panussu iskun, (G pret. v. saka nu;
verwacht pansu): `hij ging naar Tia mat' Ee-iv-60
}
, (< asrum (locativus) + aanwijzend su):

asipu

askapu

}
J

askaru
aslaku

aslu
d A
snan

a
s im

babbar

J}

ow

asqaru
asru

asarsu

asranu
asris

asrussu

daar ter plaatse daar ter plekke

25

February 27, 2002 Copyright Heise en Stadhouders, Akkadisch Vocabularium

6 asrussu gipar(r)u usarsidma, (S pret. v. *ras


a du,
S-tantum): `op die plaats grondvestte hij zijn cella/hei-

ligdom' Ee-i-77
7 nug
a asrussu hid^utasa tasba ma, (G imp. mv. v.
 ssu loc. bij eerste zinsdeel \jubelt
nag^u `juichen'; asru
aldaar" of bij het tweede hid^utu `vreugde' \over dat

oord"; G imp. mv. uit de nevenvorm
tasa bu v. wasa bu
`zitten'), lett.: `jubelt aldaar en neem plaats/verwijlt
in zijn vreugde' (objectief: vreugde as.russu over dat
oord; of subjectief: in de vreugde die hij verschaft) Ee-

C !

vi-73

a-
s ar-
su

a
s ar
su

74

asrukka , < asruk + ka G pret. 1e p.enk. v. !saraku `geven' + p. vnw. ka: `ik geef jou'
asrukka , < asrum + ka, locativus + ka: `op uw

plaats'

74

a

s -ruk-ka a
s rukka

(loc. asrum +ka) Ee-iv-12,

asrussu , (< !asrum (locativus) + aanwijzend su): `daar


ter plaatse', `daar ter plekke'
assabu , subst. !wassabu `huurder', `bewoner'
assatti , adv. < ana satti; ook assatta; !satti (bij
!suati) CAD for this reason, thereupon, therefore;
assatu , (subst.vr.; stam * ant-; st.c. enk. assat; soms st.c.


asti; met suf x nom./acc. assat-; gen. assati-; mv.


assa tu; vanaf oud-akk.;
dam):
echtgenote, gemalin, vrouw;
AHw \Gattin", \Gemahlin"; CAD
wife; een vrouw is handelingsbekwaam, zij kan in het
zakelijk verkeer meedoen, kan bezit hebben etc. In contracten wordt wel bij haar naam wel vermeld (naast
de naam van de vader) de naam van de echtgenoot,
bijv.:
1 munus PN1 dumumunus p PN2 dam p PN3 (met
dumumunus hier st.c. m
a rat `dochter van'; en dam hier
st.c. assat `echtgenoot van') T97-ii-2
2 ina eqlim sa ilkisu ul ana assatisu isat.t.ar, (met
sat. a ru `schrijven', +ana `overschrijven naar', `schriftelijk op naam stellen van'): `hij zal niet de akker van
zijn ilkumgoed (schriftelijk) op naam van zijn vrouw
stellen' CHx38
3 assat awlim: vrouw van een man/patricier, patriciersvrouw, getrouwde vrouw CHx129


a
s -
s a-at a-wi-lim, a
s
s at aw
lim (st.c.)

a C 
a b
assu(m)
CHx129

Ee-vi-12

S!
assu(m)
~

I
a
s -
s a-ti-
s u a
s
s ati
s u (gen.) CHx38
(voorz.) , (voorz.; ook assa, assuma; met suf x
assumja, assumka, etc.; OA assumi; vanaf OB): vanwege, betreffende, wat betreft, aangaande, ter zake van
AHw \wegen", \um { willen"; CAD concerning, on
behalf of, on account of, because of, with respect to,
related to
1 assum il bukrsun: `aangaande de goden hun kinderen' Ee-i-34
2 assum lemneti ikpudu, (lemneti vr.mv. `het boze';
G pret. subj. v. kapa du `plannen', `beramen'): `vanwege
de boze dingen die hij had beraamd' Ee-i-52
3 assu tapsuhti sa il, (tapsuhtu, tech. term `rust', be


Ee-i-34,52
(voorz.) Ee-vi-12 erra-i-107, 131

a
s -
s um a
s
s um

a

s -
su


a
s
su

(voegw.) (vanaf OB): omdat; AHw \weil",


\darum", \da"; CAD 1 because, on account of the
fact that, 2 so that; 3 that
1 assu + inf.: opdat
2 assu l
a ishutu zikr (G pret. subj.mv. v. sah a tu II
 `naam, roem' met sux - `mijn'):

`schuwen'; zikru
`omdat zij mijn naam niet geeerbiedigd hebben' of `omdat zij mijn roem geen recht gedaan hebben' (zal ik de
toorn van Marduk wekken) erra-i-121

(acc.adv.) Ee-vi-53

V
a
s -ri-
s u, (ana) a
s r

s u (`op zijn plaats') CH-i-65
 V as-ri, asr (st.c.mv.) CH-xxiv-17
D
a

s -ru-u
s -
s u, a
s ru
s
s u (loc. + 
s u) Ee-i-77
s as-ris, asris Ee-iv-60
  as-ruk-ka, asrukka (loc. asrum +ka) Ee-iv-12,

SS
S

daard zijn na toorn): `ter zake van de rust der goden'

Sb

Assur ,

a

s -
s u a
s
su

erra-i-121

stadsgod van de stad Assur en later de oppergod van de Assyriers. In de 8e en 7e eeuw is Assur
wat Marduk is voor de Babyloniers. Zijn oorspronkelijke karakter en funkties zijn moeilijk na te gaan wegens
de assimilatie van de eigenschappen van veel andere
(opper)goden. Hij is vereenzelvigd met andere goden,
zonder dat deze daarna hun eigen identiteit verliezen
of worden \afgeschaft" Bijv.
Assur = de hemelgod Anu. Assur heeft de Anu tu,
Anu-waardigheid, ge-usurpeerd, zoals blijkt uit het
overnemen van de epitheta van Anu (-abi il `vader
der goden', en -bel il `heer der goden'). Dat blijkt ook
uit een geliefde orthogra e van zijn naam, het logo r, waarin de n geassimileerd met de
gram
an
sa
s wordt uitgesproken (niet de aloude god ansar uit
het Enu ma-elis-epos). Buiten dit epos is ansar een
bepaalde naam voor de hemelgod.
Meer nog dan Anu is Assur de oppergod Enlil. Assur is
enl
il il
 , de Enlil der goden, waarbij Enlil zelf gewoon
blijft bestaan. De tempel van Assur heet de !Esarra,
een bijnaam van de Ekur-tempel van Enlil en die ook
als bijstelling heeft: tamst bt Enlil sa sam^e, het evenbeeld van het hemelhuis van Enlil. Assur is ook de
lotsbeslisser, de funktie van Enlil bij uitstek en verder
de `heer der landen', ook een epitheton van Enlil, baas
van het gehele aardrijk, inclusief de vreemde naties die
hij dus ook als plaag op de mensen kan afsturen.
De echtgenote van Assur, serua , heet vaak Antu,
dus evenals de echtgenote van Anu. Als logogram ook
d ninlil, d
e naam voor de vrouw van Enlil, maar uit
te spreken als Mullissu < *Mun-lil-tu. u(mun) is de
!emesal-uitspraak van Sum. en of nin.
Ook Assur = Marduk (die al veel overgenomen heeft
van Ea). Dit blijkt expliciet uit de Assyrische versie
van het Enu ma-elis-epos. Deze tekst is identiek aan de
Babylonische handschriften, maar de naam van Marduk is overal vervangen door Assur in de schrijfwijze ansar (wat een logische probleem geeft met de in
dit epos functionerende ansar). Ook hier geldt dat
Marduk niet tegelijk is afgeschaft. Marduk kan nog
steeds in een bepaalde hoedanigheid worden aangeroepen (bijv. in verdragen of bij het afleggen van de eed).
In opsommingen kunnen de namen van Assur en Marduk samen voorkomen.
Op babylonische !kudurru's staan afbeeldingen van
goden, waarin Anu en Enlil gerepresenteerd worden
door een veel-hoornig hoofddeksel (tot wel 10 paar
hoorns). Op Assyrische kudurru's staan drie van die

26

February 27, 2002 Hoofdstuk 2 Akkadisch vocabularium

mijters getekend: Assur, Anu en Enlil. Ook dat wijst


op de gelijkheid in rang, maar ook op het in waarde
laten van de oude goden.
!shur3! d a-sur Assur, (spelling oudtijds)
 e d as-sur Assur
e d as-sur Assur, (gangbare spelling)
e d a-sur Assur, (MA PN assur-iddin) T97-ii-2
d a-sur4 Assur yos-ix-71,5

, stad,
uru
ki uru
&
( 

) ,
A
s
s ur CH-iv-58
, persoonsnaam: G stat. part. v.
ban^u `scheppen' met gen. objectivus; `Assur-schepteen-erfzoon'
,
persoonsnaam
`Assur-heeft-gegeven'
d A-sur-i-din (d assur-iddin) T97-ii-2
e
, (subst.; suf x !{u tu, {u t vormt abstracta): huwelijk, status van gehuwde vrouw
, (subst.; vanaf OA, OB;
s
2 saggeme2 arad; in OB ook
s2
g
emesagarad en
2 gemearad):
personeel, het geheel van slaven en bedienden; AHw
\Gesinde"; CAD slaves (collective), servants
, G stat. + dat. -a v. !wasa t.u `moeilijkheden ondervinden'

SC

Assur
C
d A
ssur-ban(i)-apli
p

pd

a lal sar

Assur-iddin

assu tu
astapiru

ast.a

SO

(G stat.+dat. -a) erra-i-135

ast.u , ook alt.u; zie wast.u onder !wasat.u `moeilijk', `trots'


etc.
asu , subst.vr.; plantennaam; asu `myrthe'
asu^ , Ass. vorm v. !esu^ `verwarren' etc ;
asu^ , (subst. ook hasu^, usu^; OB, MB, SB, NB): hoofdpijn AHw (ein Kopfkrankheit) CAD 1 (a disease)
2 in sammi as^ (name of a plant)
J>

a

s -t
st
. a a
.a

> C >

21 sla u a-si-i
 hier geen determinatief voor
a sammi as^ (
u
1 q^
kruidachtigen, medicijnen (inclusief mineralen); st.c. v.
sammu `kruid' ook sam; asu^ `hoofdpijn'): ` 12 q^a hoofdpijnkruid' BAM578-i-5


a-si-a pa-sit-tum u
lu-ba-t.i gig
2 asia p
asittum u luba t.i marus. (pasittum G part.vr.
v. pas
a t.u `uitwissen', `verdelgen'; part.vr. `verdelgster'
(ook naam van Lamastu, die babies verdelgt, hier de
naam van een ziekte); luba t.u `verstopping', een buikziekte; gig G stat. marus. `is ziek aan'): `dan is hij ziek
aan de asu^-hoofdpijn, de pasittum-ziekte of de luba t.ubuikziekte' BAM578-ii-18
a-si-i as^ (gen.) BAM578-i-5
1
2

C C' :

C
C C

^asu , (ww.

p s):

a-
s i-a a
s ia

(`hoofdpijn') BAM578-ii-18

I. G-stam (pres. i ^as; pret. i s): misselijk zijn, kokhalsen;



 -
sa
s u ia- a-as

1 libbasu i ^
as (G pres. v. ^asu; pre x ia- is gek, i.p.v..
i-), lett. `zijn buik/maag is misselijk' ) `hij is kotsmis-

!S

selijk' BAM578-i-47 (lichaamsdelen, ziektes etc. zijn in


het Akk. vaak subject)
V
7 sa-su ana pa-re-e i-tene-eb l-lac
2 libbasu ana par^e tenell^
a (Gtn pres. vent. -^a < -ia v.
el^u; lijkt op een glosse, een verklarende noot die in de

!' 4 x

contekst is geraakt, ter verklaring van het voorgaande


i ^as): `zijn maag komt tot brakens toe steeds omhoog'

BAM578-i-47

(G pres.) BAM578-i-47

ata isu , (subst. plantennaam): nieskruid, nieswortel;


ia- a-
a
s i ^
a
s

> nn
atakkal

etwa \weie Nieswurz";


kurkur

at
a i
su

BAM578-i-52

, Gtn imp. v. !aka lu `eten'


, Gtn inf. v. !aka lu `eten'
, Gtn inf. v. !ala ku `gaan'

a-ta-al-lu-kam, atallukam (Gtn inf.acc.)

atakkulu
atalluku

u


AHw

*

atanu , (subst.vr.; vanaf oud-akk.; *


Sil-A-107


eme = an
s esal,
+hub; X eme5 ): ezelin; AHw \Eselin"; CAD 1
mare; 2 she-ass,Eindexass, she-ass donkey mare;
, (subst.vr.; ook adappu, at.appu; mv. atappu , atappa tu OB, Mari, MB, SB; <
pa5 ):
sloot, gracht,
greppel, klein kanaal AHw \(kleiner) Kanal"; CAD 1 (a
small branch of a canal); 2 (a major canal)
, G stat. v. !wata ru `uitsteken', `uitmunten'
a-tar, atar (G stat.) Ee-i-92
, (subst.; suf x !{u tu, {u t vormt abstracta bij
 !athu `broeder'; st.c. athu^t) Eng.: brotherly attitude,

relationship,
partnership;
, G stat. v. !aka lu `eten'; verba primae Alef, a-klasse
, Gt inf. v. !aka lu `eten'; verba primae Alef, a-klasse
, (subst. < Sum.; ook askuppu; OB, MB, SB, NB;

adkid):
rietmatvlechter; AHw \Rohrmatten echter"; CAD (a craftman making objects of reeds)
, in LL-Ms-ii-95: at-kusu = a-la-ku, !Gt v. ala ku
`(weg)gaan'
, Gt inf. v. !ala ku `gaan'
, (subst.; atu a, ut^u; vanaf OB;
ludu8 ):
deurwachter, portier; AHw II \Pfordner", \T
urhuter";
CAD A doorkeeper;
, subst.vr. !atappu `kanaal'
, Gt imp. v. !ah a zu `grijpen'


, subst. !watmanu
`schrijn' etc.
, (subst.mv.; vanaf OA, OB; Gt verb.adj. !ahu) `broe der', litt. nevenvorm, waarin het Gt-aspect (reciprook)

benadrukt wordt: medebroeders; AHw \Genossen",
\Gefahrten"; CAD members of a group of persons of
equal status and age, partners in an ahh u tu relation
ship
1 ina il
a ni athesu, (bijstelling bij il; SB gen. e i.p.v.
), lett.: `onder de goden zijn broers', `onder zijn medegoden' Ee-i-20

 at-he-e-su, athesu Ee-i-20


, Gt inf. v. !ah a zu `grijpen'
 , (onregelm.) Gtimp. v. !ala ku
, (!watmanu): tempel, cella, heiligdom, schrijn
zie voorbeeld 1 (en verder) onder !watmanu op
pag. 260
at-ma-an, atman (st.c.) Ee-i-80
, Gt v. !aw^u `spreken'
, naam van de hoofdpersoon in het gelijknamige
 De naam betekent `uitmunten in wijsheid' (met
epos.
atra verb.adj. v. !(w)ata ru `uitmunten' en hassu `ver
standig', `wijs' !hasa su)

, (G stat.mv. v. !wata ru `overtre en')
D at-ru, (w)atru (G stat. mv.) Ee-i-12
sal

atappu

atar
C
athu^tu

atkul
atkulu
atkuppu

atkusu
atluku
at^u

at.appu
athaz
at.manu
athu^

athuzu
atlak
atmanu

atm^u, atw^u
Atrahasis
atru

27

February 27, 2002 Copyright Heise en Stadhouders, Akkadisch Vocabularium

atta , (< * anta


); onafhank., losstaand ofwel absoluut pers.
vnw. 2e m.enk. jij, gij
}attama , -ma of ter markering van het kernwoord


van de zin, of ter markering van een nominale zin: jij
bent, gij zijt
1 atta mars. 
a ta: `jij bent zelf ziek'
2 s.arr atta: `jij bent mn koning'
3 sar m
a tim atta: `jij bent koning van het land'

4 h
a ir ed^u atta, (h a iru `gemaal'; - `mijn'; ed^u `de
 `wees mijn enige
 echtgenoot' Ee-i-155
enige'):
5 attama kabt
a ta ina il rabu t, (stat. kaba tu +-ta 2e p.enk.): `gij [Marduk] staat in aanzien te midden van
de grote goden' (gij zijt de meest geeerde) Ee-iv-3
u terru gimillini: `O Marduk, gij
6 d Marduk attama m
zijt onze wreker' (lett. `de teruggever van onze vergelding; -ni `onze'; hier mu terru i.p.v. st.c. mu ter) Ee-iv-13
7 asar atta taqabb^
u (<taqabbiu, G pres. subj. v. qab^u):
`(overal) waar gij [S^n] beveelt' Sin3-43
at-ta, atta (zelfst. p. vnw.) Ee-i-155

at-ta-ma, attama (+ma) (zelfst. p. vnw.)

Ee-iv-3,13

atti , onafhank.,e losstaand ofwel absoluut pers. vnw.

nominatief 2 vr.enk. u, jij, gij, gij zijt


1 ul ummu atti: `gij zijt geen echte moeder' Ee-i-120
2 u atti 
a littasunu, (G part.vr. a littu `voortbrengster'): `en u, hun voortbrengster, : : :' Ee-iv-80
I at-ti, atti (zelfst. p. vnw.) Ee-i-119, iv-80
, onafhank., losstaand ofwel absoluut pers. vnw. nominatief 2e vr.mv. jullie (vr.)
, (met sux) behorende bij, zijnde van;
}
behorende bij u, zijnde van u
1 apluh 
a ti s. a la ti attukama (attu+sux `behorende

bij', `zijnde
van') `pantser en strijd zijn van u' erra-

attina
attu
attuka
iii-D14

:

erra-iii-D14

at-tu-ka-ma attukama

(attu+ka+ma)

attunu , onafhank.,
losstaand ofwel absoluut pers. vnw.
e

nominatief 2 m.mv. jullie, gij


1 attunuma: jullie (m.) zijn, gij (m.mv.) zijt; een nominale zin.
2 sa attunu tustaddin
a : (St2 pres. 2e p.mv. v. nada nu
`beraadslagen') `wat jullie (in je beraad) hebben afgesproken' Ee-i-126
3 k n^
asima attunu sumesu zukra (G imp.mv. v.
zaka ru `spreken'): `zoals w (enerzijds) spreekt (ook)
g (anderzijds/op uw beurt) zijn namen uit' Ee-vi-160
:K
at-tu-nu-ma, attunuma Sil-C-39
: K at-tu-nu, attunu Ee-vi-160
: K [sa at-tu-]nu, sa attunu Ee-i-126
, (Gt v. !aw^u `spreken')
, <*at.tarda, G perf. 1e p.enk. v. !t.ara du `zenden'
, (subst.; st.c. awa t; mv. aw^atum < awa + a tum,
am^atu; SB ama tu; OA awutu, MA, NA abutu; vanaf
oud-akk.;  inim): woord, bevel, zaak, aangelegenheid, kwestie; woord (orakel), teken (orakel) (de woorden
van de godheid); toespraak; AHw \Wort", \Angelegenheit"; CAD 1 spoken word, utterance, formula; 2 news,
report, message, rumor, secret, interpretation, plan,
thought; 3 wording, text, content, terms of an agreement; 4 command, order, decision; 5 legal case, case in
court, legal transaction; 6 matter, a air, thing
1 am
a tum t.b elsa, (G pret. v. t. a bu +eli verkort tot

atw^u
at.t.ara
awatum

el, `tot vreugde stemmen'): `de toespraak stemde haar


aangenaam' Ee-i-125
2 aw
a t iqb^u kort voor awa tam sa iqb^u (G pret. subj.
v. qab^
u `spreken'), lett.: `het woord dat hij spreekt'
) `de kwestie waarover hij gesproken heeft', ) `zijn
aantijgingen' ,
3 am
a ti imtalliku , (Gt mv. v. mala ku): zij bespraken de
kwesties, zij bediscussieerden Ee-i-34
4 l
u saqa ta ama tka, (prec. + G stat. 2e m.enk. v. saq^u
`verheven zijn'; verwacht 3e vr.enk., maar die worden
vaak voor elkaar gebruikt: parsat voor parsa ta en v.v.;
wens- of gebodsvorm, ook soms het presens, in afhankelijke zin vaak weer te geven als zin van consequentie \en dan", \opdat", \zodat". Het gaat dan om een
mogelijk gevolg, bij feitelijk gevolg wordt de indicativus gebruikt, hier na een voorafgaande ma): `opdat uw
woord verheven zij' Ee-iv-15
5 pulsuma d Ea am^
atam iqabbisu (G pret. v. apa lu
`antwoorden'; G pres. v. qab^u `spreken'): `Ea antwoordde hem/richtte het woord tot hem, en spreekt tot hem
(aldus):' (volgt directe rede) Ee-vi-11 (in de opeenvolging pret.-pres. , duidt de pres. vaak op een omstandigheid bij de hoofdhandeling van het pret., de zgn.
presens van de omstandigheidszin: `terwijl hij tot hem
zei'/`al zeggende')
a-wa-at, aw^at (st.c.enk.) CH-xxiv-89
a-wa-at , awa t (st.c.mv.) Sil-C-30
I
a-wa-ti-ia, aw^
at
ja `mijn uitspraken' CH-xxiv-74

:
a-wa-tu-
u-a, aw^
at
u a, `mijn woorden',

C
C
C
CCH-xxiv-81
 >C
CV CI
CV
Cn ,
Cn
Cn

,
(mv.) Ee-i-34
,
(enk.) Ee-i-125
a-mat am
a t (st.c.) Ee-iv-15
a-mat-ka, am
a tka (st.c. +ka) Ee-iv-15
a-mat-su, am
a tsu (st.c. +
s u) erra-i-122
a-ma-a-ti am
a ti

a-ma-tum am
a tum

awlum , (vr. bij awlu; mv. awlatu)

vrouw(e), dame; ook


epitheton van de godin Belessunu Eng.: woman, free
woman, lady;
, (subst.; ook awelu, NB amelu, amlu; mv. awlu ;
 ):
vanaf oud-akk.;
lu
man, mens, OB: patricier,
soms ook gewoon iemand; ook F na in latere medische en ominateksten. AHw \Mensch", \Burger";
CAD 1 human being (in contrast to gods and animals)
man, person, somebody, anybody, (negated) nobody,
one (another); 2 grown man, male; 3 free man, gentleman; 4 man (as designation of a person in relation to
another person, to an organization, to a city)
1 dish na gidim dib-suma (= summa amelu et.emmu
is.batsuma, amelu casus pendens, nom.): `indien een
man, een dodenschim heeft hem gepakt' ) `indien een
dodenschim iemand heeft gegrepen' (d.w.z. iem. ondervindt de nadelige gevolgen van een schim) KAR184-1
2 luszizma lull^
a lu amelu sumsu (S cohor. v. izuzzu
in S: `creeren'; lull^a Sumerisme voor `mens'; geleerd
woord, daarom misschien te vertalen met `home sapiens' of `species homo'): `ik wil de species homo maken,
zijn naam zij \mens" ' (creatie van de mens in het
schepping epos Enu ma elis) Ee-vi-6

awlum

C5
C 


a C 

CHx129

,
,

a-wi-lum aw
lum
a-wi-lam aw
lam
a
s -
s a-at

CHx1
(acc.) CHx1
a-wi-lim, a
s
s at

aw
lim

(gen.)

28

February 27, 2002 Hoofdstuk 2 Akkadisch vocabularium

C F @  , V

(creatie van de mens) Ee-vi-6


, summa amelu
is
. batsuma KAR184-1
a-me-lu am
e lu

dish na gidim dib-suma

awlutu , subst.; collectivum; OA awluttu, SB: amlutu,


et
.emmu

amelu tu, ameluttu, MA a luttu, suf x !{u tu, {u t


vormt abstracta;
 ux (gi
O 1
namlu
s gal);
O 1
 lux (gi
namlu
s gal); O 1
namux lu; O
 lu
;
 me
 hia:
namlu
lu
s;
lu
 onderscheidt
mensheid, de mens, menselijkheid, wat mens
van dier; ook: humaniteit; ook wel \een individu van
de mensensoort": personeel, lid van het personeel )
slaaf AHw \Menschheit", \Menschlichkeit"; CAD 1
mankind, the human species, man, human being, people (old and young, male and female), somebody, anybody; 2 soldier, workman, retainer, slave; 3 status of
being freeborn, behaviour of a gentleman, mature old
age
1 zer awl
u tim: `een mensenkind', een menselijke nakomeling.
2 bel amel
u tu, (i.p.v. amelu ti): heer der mensheid (zo
wordt |ongebruikelijk| de god S^n genoemd in Sin338, meestal is dit epitheton genoemd bij d Anu)
3 ina d
a mesu ibn^a ame u tam (G pret. subj.; da mu
`bloed'): `uit zijn [Kungu's] bloed schiep hij [Ea] de
mensheid' (volgens Marduk's plan) Ee-vi-33
4 ina d
a mesu ibn^a ame u tam (G pret. subj.; da mu
`bloed'): `uit zijn [Kungu's] bloed schiep hij [Ea] de
mensheid' (volgens Marduk's plan) Ee-vi-33
5 ultu amel
u tu ibn^u d Ea ersu (G pret. subj. v. ban^u):
`toen de wijze Ea de mensheid had geschapen' Ee-vi-35
[a-me]-lu-tum, amelu tum Sin3-38

C 
C  }
C  :

JJ J

J

JC

,
(acc.) Ee-vi-33
a-me-lu-tu, am
e l
u tu (toch acc.) Ee-vi-34

a-me-lu-tam am
e l
u tam

aw^u(m) , (ww. -u; drievoudig zwak

p

u , waarin de
2 w
middelste radicaal w als sterk vervoegd wordt; SB am^u;
denominatief: een ww. waarvan het subst. de grondvorm is en die dan altijd primair toestandsww. zijn;
van awa tu `woord', `aangelegenheid'; OA, OB, SB):
I. G-stam (pret. wu, pres. iwwu, imp. awu): spreken,
komt vanwege het wederkerige aspect vrijwel uitsluitend in de Gt voor (in OB niet in G). CAD 1 to argue
in court (OA only)
I/2. Gt-stam (
, pret. tawu, tamu/i, pres.
tawwu, tammu, imp. atwu, atama/i) spreken (itti =
met) AHw \sprechen"; CAD 2 to discuss, to talk over,
to negotiate with somebody, (with isti, itti ) to argue,
to think, to ponder; 3 to speak to somebody;

i-ta-mi itammi (Gt pres. !aw^


u) erra-i-7
e

ta-ta-mi, t
a tammi (Gt pres.2 p.enk.)

atw^u, atm^u

C
N}atwu>>libbu
erra-iii-D15

(Gt pret.enk.) Sil-C-31


, tawu (Gt pret.mv.) Sil-C-69
it-mu-
u, itm^
u (< *itma
u ; Gt pret.mv.) Ee-vi-98
i-ta-a-wu 
tawu
i-ta-wu-
u

+
+ suf. , idioom, lett.: \in zijn/haar
hart overleggen" ) bedenken, overwegen, plannen, van
plan zijn;
1 u t
a tammi ina libbika umma leq^u set.ut (Gt pres.2e p.enk.pf Gt pret.2e p.enk.; sj et.ut `mijn minachting') en
u [Erra] overwoog aldus: `zij hebben minachting jegens
mij tentoongespreid' erra-iii-D15
Het volgende voorbeeld is met St maar dat hoeft niet

per se, een variant geeft Gt pret. i-ta-mu-u, ita m^u


2 ina m^e u samni itm^
u (Gt pret. mv.; m^u `water';
samnu `olie'), lett.: \zij zwoeren bij/met water en olie"
Ee-vi-98

Een eed afleggen bij water en olie komt vaak voor,


o.m. bij verdragen en contracten. Contractanten drinken het water en smeerden hun lichaam met olie in.
Eedaflegging heeft een bezwerend karakter. De kracht
van de eed gaat in het water en de olie zitten, die het
lijf binnendringen en verblijft daarmee permanent in
de contractant. In sommige teksten wordt dit ook expliciet gezegd. Bijv. in de zgn. vazallenverdragen van
Assurbanipal wordt ook bij water en olie gezworen.
Over de voorwaardelijke vervloekingen (bij niet-nakoming) wordt gezegd: `zoals de olie uw vlees binnendringt, zo moge de goden deze vervloeking uw vlees
laten binnengaan' en `moge de vervloeking uw botten
binnendringen als olie'. Ook in het OT, psalm 109,
wordt gezegd: `die vervloeking moge in hem binnen
dringen als water en als olie in zijn botten'.
III/2. St-stam (
, reciprook, St pret.
usta wu, usta mu):
overleggen (met elkaar); CAD 4 to discuss, to consider,
to ponder; 5 to recite, (causative mng. to 3)
 pret. subj.) `wat hij had
3 sa ina libbsu ust
a m^u (St
bedacht' Ee-vi-4
4 ust
a m^u ina saplka, (St pret.): (ze hebben met z'n
allen plaatsgenomen en) `overlegen met elkaar aan uw
voeten' Sin1-14
5 sa ina libbsu ust
a m^u (St pret. subj.) `wat hij had
bedacht' Ee-vi-4
t pret.) Sin1-14
=
u
s -ta-mu-
u, u
s t
a m^
u (S
t pret. subj. am^u)
=
u
s -ta-mu-
u, u
s t
a m^
u (S

su taw^u, su tam^u

Ee-vi-4

>>

}ta wtu ,

(subst. ook tamittu, ta mtu, ta tum):


orakelvraag + orakelantwoord, orakelraadpleging AHw
\Anfragebeantwortung";
6 t
a mit il tanamdin, (G pres. 2e p.enk. v. nada nu; in
afhankelijke zin: pres. zin van consequentie): `opdat gij
[S^n] de goden antwoord geeft' Sin1-16
7 u
 m tamittka, (nominale zin): (de nieuwemaansdag
is) `de dag van uw orakelantwoord/orakelraadpleging'
Sin1-17

E ta-mit, ta mit (st.c.) Sin1-16


E I  ta-mit-ti-ka, tamittka (`orakelantwoord' +

azaru , (subst. ook azzaru, as.aru; h C V V    ):


moeraskat; AHw \Sump uchs"; CAD lynx;
azkur , G pret. 1e p.enk. v. !zakaru `spreken', `aanroepen'
) Sin1-17

ka

sa a ri ri

n
azmar^u
etc.

az-kur azkur

(G pret. 1e p.enk.) Sin1-20b

, subst. !asmar^u `speer'

azzaru , subst. azaru


, `moeraskat'
azzaz , G pres. 1e p.enk. v. !izuzzu `staan'
e

az-za-az azzaz

(G pres. 1 p.enk.) Sin1-21

b
(Woorden met b vaak afkomstig uit het Hurritisch, zie ook
onder p)

29

February 27, 2002 Copyright Heise en Stadhouders, Akkadisch Vocabularium

verbale wortels naar von Soden's Akk. Handworterbuch

(niet alle trefwoorden opgenomen in deze vocabulair)




b 1l

ba 
a lu

b
n

b
n(a)

brr

bar
a ru

b 2l

b^
alu

b
t

bi
a tu,

brs
.

bar
as
.u

b 4l

b^
elu,




b^
atu


s up^
elu

b 1? r

b

s

br
s

bar
a
su

bk


bak^
u

bsl

bas
a lu

b^
aru, I

bkr

bak
a ru, wqr

bsm

b^
eru

bl


bel^
u

bsr

bussuru

blkt

nabalkutu

bs
.l

bas
. iltu,

*wqr

b 3r

b 1
s

*psr

ba 
a
su

*psl

b ?
s

b^
e
su

bll

b
a 1

b^
a u,I

blm

b
a
s

b^
a
su

bls
.

bbl

bab
a lu

blt
.

bdd

bad
a du

blt
.

bdh

bad
a hu

bn


ban^
u,II,IV

b
s
s

bd


bed^
u

bnn

bunnunu,

bt /


bal
a lu

bs
.r

bas
a ru
.

bs
.s
.

bas
as
.
.u

bal
as
.u

b
s


ba
su
^

bal
at
.u

b
sl

ba
s
a lu

*plt
.

b
sm

ba
s
a mu,

II

*pnn
bdl

*bt
.l,btl

pet^
u,

of

mubatt
tu

bqm

baq
a mu

bqn

baq
a nu

bqq

baq
q
a tu,

btl

bat
u l(t)u

baqqu

btq

bat
a qu

bdq

*btq

bdr

budduru

bh


*b 


bqr

baq
a ru, wqr

btr

butturu

bhl

bah u
 l
a tu


bah 
a ru

buhhusu

buhhus
u
 .
beh 
a
su

bahu
^


bq
s

baq
a
su

bt

.

*bd


br 4?

ber^
u II

bt
.l

bat
a lu
.

brh

bar
a hu,

b
u



bhr

bhs

bhs
.
bh
s

bh u


b
d
b
l

b^
a u,
II

birihhu

b
ul

bullu

br


bar^
u, I

b
ur

b^
aru, III

bi
a tu

brk

berku

b
u
s

b
a
s ,p
u
s

bi
a du

brkt

lees:

bz /h

buzzu u

b
ul

brm

bar
a mu I,II

bzr

*pzr

brq

bar
a qu



prqd

ba alu , (ww. i/i-klasse; ook b^alu) AHw \abnormal gro,




lichtstark sein"; Eng.: to be(come) abnormally large,


important
, ww. variant v. !waba lu, aba lu (zie ook aldaar;
in OB alleen baba lu; andere nevenvorm zaba lu, taba lu;
De vormen met t-in x komen van taba lu en hebben
daardoor dubbele t; afgeleide vormen hebben meestal
initiele b; vanaf oud-akk.; !tum3! tum):
I. G-stam (pret. ubil, mv. ublu of ubilu ; pres. ubbal,
G imp. bil): brengen, dragen; wegbrengen, wegnemen )
roven, inpikken; CAD A 1 to bring, to transport (staples,
materials, nished objects, etc.) to there destination;
2 to bring perons and animals for a speci c purpose;
3 to carry a load, to carry water, (said of a river) to
carry an (unborn) child (said of a pregnant woman) 4
to carry o , to sweep away (said of water, wind, human, and other agents) to die (with smtu as subject as
a euphemism) 5 (in idiomatic uses and special mngs.)
to fetch a price, to be worth, to speak, to complain, to
bring word, to want, desire, to yearn for, to determine;
6 Gt
I/3. Gtn-stam CAD 7 to handle an object, , to direct,
to manage, to organize, to support (persons) also as
frequentative to mngs. 1-5
II. D-stam (
) CAD 8 to juggle;
III. S-stam (
, causatief): laten brengen ) verzenden, versturen, transporteren (van spullen, voor brieven
en berichten !sapa ru). In brieven treft men vaak het

babalu

ubbulu
su bulu

verzoek su bitam `breng mij', `stuur mij (spoedig)';


CAD 9 to send (merchandise, staples, gifts, tablets,
persons, etc.), to have carry away;
1 mimma sa su
 bulu, (S stat. + subj. -u): `alles wat op
transport is gesteld' CHx112;
III/2. St-stam (suta bulu, suta pulu) CAD 10 to mix ingredients, to evaluate, to calculate (ominous features)
to discuss, to argue a matter, to think, to ponder, to
understand, to move (?), to confuse
IV. N-stam (passief)
}
, transportgoed
2 ana sb
u ltim usa lsu, lett.: `hij laat hem ter transport dragen' ) `hij laat het als transportgoed verhuizen' CHx112;
3 bel sb
u ltim: `de eigenaar van het transportgoed'
CHx112;
}
, (subst.; ook met hulpvocaal bibbulu,
mv. bibla tu, st.c. bibil; vanaf OB): \het brengen, het
wegbrengen", maar ook: \het gebrachte" ) geschenk,
kado; pirs-type nomen (vr. pirist, %nominale typologie) geeft meestal de daad zelf weer (bijv. `zending' bij
`zenden') of dat wat eruit resulteert (bijv. \de zending
werd bij de grens tegengehouden"); nomina actioni van
eigenlijke ww. met betekenisovergang naar het concrete: bijv. siprum `zending' bij sapa ru `sturen';
AHw \Bringen", \Gebrachtes", \Gabe"; CAD 1 marriage gift; 2 mv. produce
}
, (subst.; zelden bibla t libbi; \wat het hart
brengt" )): wens, plan; voorkeur, favoriet; o er CAD 3
spontaneous wish, (of a king or god), voluntary o ering, appetite, wish (object of a wish), favorite
c
bi-bil sa d En-ll
4 bibil libbi d Enlil [de koning is de uitverkorene van
Anum en] `de voorkeur van Enlil' (Anum en Enlil
stellen koningen aan en kunnen ze dus maken en
breken)
}
, (subst.): CAD 4 pilfering
}
, (subst.): CAD 5 reconciliation
}
, (subst. <*bilbulum; ook bumbulu
<*bulbulu; vanaf OB): hoogwater (van rivier), was op de
rivier, hoge waterstand, vloed; nieuwemaan, de periode dat
de maan \weggebracht is" naar de onderwereld. Als
logogram:
 a ud `dag';
udnaam, ook
udna
n
a = nu `slapen', `zich neerleggen' [nieuwemaansdag
(de astronomische nieuwemaan: conjunctie van de
maan met de zon), de dag dat de maan slaapt, bij uitstek de dag van de tovenarij en de dag van de kispum,
de dodenofferlithurgie, omdat de maangod S^n in de
onderwereld is en de hele kosmos in het teken van de
dood staat];
[Het gebruikelijke woord voor de seizoensoverstroming
van de rivieren in april/mei is mlu, !mal^u I ]
AHw \Hoch ut", \Neumondstag"; CAD 1 ood; 2 day
of disappearance of the moon
 ba-bl, ba bil, (G part.st.c.)CH-ii-20
;

bi-bil li-ib-bi-ia, bibil libb


ja Sil-C-35
 pret. + su) CHx112

u
-
s a-b
l-
s u, u
s
a bil
s u (S
^ si-bu-ul-tim, sbu ltim (gen.) CHx112
, subst. < ba bu + -a nu !ba bu `buiten'
, adj. !ba bu `buiten'

sbultu, sebultu
biblu, bublu

bibil libbi

bibil qati
bibil pan
bibbulu, bubbulu

} C

> s
a b
babanu
baban^u

} C

30

February 27, 2002 Hoofdstuk 2 Akkadisch vocabularium

babil , G part. v. !babalu.


Babil(l)u , (OB-vorm: (

)ki ; jonge vorm:


ki


kadingirme s
): de stad Babylon (een oorspronkelijk
pre-Sumerische toponymvorm Babill + uitgang)
1 ips
a ma kadingirmeski (G imp. mv. v.epesu):
`bouwt Babel!' Ee-vi-57
2 sa teris
a sipirsu (G pret. 2e p.mv. v.eresu `wensen',
`begeren'; sipru `werk'): `wiens bouw gij hebt verlangd'
rest v. Ee-vi-57
ki

( 

) , B
a bilu CH-i-16
ki



, Babel Ee-vi-57
, (subst.; vr. v. !ba bu; mv. baba ti, in OA ba aba tum;
U daggia of met
gi4 ): stadsdistrict )
districtsbestuur, stadsdeelraad, wijkraad; ook economisch
tech. betekenis
AHw \Torbereich", \Stadtviertel", \Quartier"; CAD 1
quarter of a city, neighborhood, ward (as a subdivision
of a city's population) 2 an amount of staples, nished
goods or merchandise outstanding (i.e., not at hand at
the time of accounting but whose delivery or payment
is expected with certainty in the near future) 3 loss,
de cit
, (subst.; st.c. ba b; mv. ba bu , ba ba nu, ba ba tu; vanaf
oud-akk.; ka): poort, sluis, deur;
AHw I \Tor"; CAD A 1 opening, doorway, door, gate,
entrance (to a house, a building or a part thereof, to
a palace, a temple or part thereof, to a city, to a cosmic locality); 2 city quarter; 3 opening (of a canal, an
object, of a part of the body) 5 opening, beginning (in
transfered mngs.) 6 item, section
}
, paleispoort, in de leverschouw ook benaming van deel van de lever; CAD 4 umbilical ssure
of the liver; meni
}
, (subst. < ba bu + suf x !{a nu, {a n met
individualiserende kracht: \lid van de klasse van"; MB,
SB, NB; ka-a-ni of -nu; F ka-an-na):
buiten de poort, buiten; AHw \am Tor", \auen"; CAD
1 outside; 2 (personnel stationed outside the palace)
}
, (adj. < ba ba nu + -; SB, NA, NB): buitenste; AHw \auerer"; CAD outer
, stad Bad-tibira in het zuiden, nabij Uruk; het
huidige Tell Mada in.
, (subst. pl. tantum; ook ba ula tu; b^ula tu; oud akk., OB, MB, SB): onderdanen, troepen, mannen AHw
\Mannen", \Truppen"; CAD 1 subjects, population;
2 soldiers, workman (only in Sarr. and Senn.);

, part.bij !b^eru, b^aru verschijnen, zich openbaren

, (subst.; Ass. afleiding v. bu  u^) uitverkoren, uitgezochte; AHw \das Gesuchte"
&

uru ba-it dingirme
s
1 
a l ba  it ila ni 'de stad, uitverkorene van de goden'
) 'de door de goden uitverkozen stad' [Assur] yos-ix dingir ra
ka

H

babtu

k
a dingir ra

k
a dingir me
s

babu

bab ekalli
babanu

baban^u
Bad-tibira
bahu latu
ba iru
ba tu

71,25

bak^u , (ww.; vanaf OA, OB; C




ba-it ba

 it

(st.c.) yos-ix-71,25

):


r

I. G-stam (pret. ibki; pres. ibakki; stat. baki) wenen, huilen


(muhhi `om'); AHw \weinen"; CAD 1 to shed tears; to

 distress; 2 to complain in tears; 3 to wail (over


cry in
a dead person), to mourn; 4 to howl (said of animals
producing mournful sounds);
1 ikkaru ina muhhi : : : ibakki s.arpis (G pres. v. bak^
u+


muhhi `huilen om'; ikkaru `akkerbouwer'; s.arpis `luid



en bitter'):
`de boer weent luid en bitter over : : :' erra-

i-84

subk^u


III. S-stam
(

) CAD 5 to be drenched with tears,


to institute a wailing;

}
, (subst.; OB, MB, SB, NB;
r): het bewenen; AHw \Weinen", \Beweinung"; CAD 1 weeping,
tears; 2 sorrow, grief; 3 wailing, mourning (over the
dead);
N
i-bak-ki ibakki (G pres.) erra-i-84
, (ww. a/u-klasse;
hihi): mengen; AHw \be 
sprengen", \vermischen", \legieren";

ina iudu hihi
 
1 ina lip^i taballal ( i afgeleid van
pictogram
voor een zalfvaatje, Sum. , `olie', het teken gaat ook
staan voor ni `geur', omdat het verwijst naar welriekende olie, en ook zal `glimmen' (zoals na insmeren met olie);
udu `schaap'; 
iudu (dierlijk) `vet';
G pres. 2e p.enk. v. bala lu `mengen'): `in vet moet je
mengen' BAM578-i-49

biktu

balalu

balas.u

hihi

 

taballal

(G pres.2e p.enk.) BAM578-i-49

, (ww. i/i-klasse;

SB):

I. G-stam (alleen in inf. en stat.) uitpuilen, uitsteken;


AHw

\hervorragen", \hervorstehen", \hervortreten",


\heraustreten"; CAD 1 to stare, to stare with wide
open eyes; 2 (uncert. mng.)
II. D-stam (
) staren; met uitpuilende ogen kijken
(ana `naar') CHx159 CAD 3 (same mngs.)
, (ww. u/u-klasse; vanaf oud-akk.; I 7 ti(la);
din): G-stat.: gezond zijn;
I. G-stam : leven, in leven blijven; genezen (intrans.), beter
worden;
[Voor `genezen', `beter worden' zijn vier termen. De
twee frequentste zijn bala t.u en !n^esu, daarnaast regelmatig !sala mu (eig.: `ongedeerd z/w.') en, minder vaak, n^ahu, eig. `tot rust komen'. Voor `genezen',
 genezen', `iem. beter maken') is alleen
trans. (dus `iem.
bullut.u, D v. bala t.u, in gebruik.]
AHw II \leben"; CAD 1 to get well, to recover from a
sickness; 2 to be vigorous, in full health, to keep well,
to live long; 3 to be alive, to stay alive, to escape, to
live, to obtain food (to keep alive); 4 to become a credit
item;
}
(subst.) , (vanaf oud-akk.; I 7 ti(la);
din): leven;
AHw I \Leben"; CAD 1 life, vigor, good health, (held
and dispensed by the gods) immortality; 2 life, lifetime,
duration of life, 3 coming year; 4 provisions; 5 OA:
small pro t sucient only for a bare living
} , G verb.adj., , (st.c. balit-; vr. balittu < *balit.tu de
consonanten d en t. assilileren volledig aan de t van het
vr.enk.; vanaf OB; I 7 ti(la); I 7 luti(la)):
levend; gezond, ook: nancieel gezond, kapitaalkrachtig;
AHw \lebend", \lebendig"; CAD 1 alive, safe and
sound, surviving, taken alive; 2 healthy, intact,
sparkling, fresh, raw
}
, (subst.; suf x !{u tu, {u t vormt abstracta; OB, Mari, NA, SB, NB; I ti;
din) \toestand
van levend zijn" AHw \lebend(ig)er Zustand"; CAD
state of being alive, in good health, in vigor, in fresh
(untouched) state;

balat.u

bullus.u

balat.u

balt.u

balt.u tu

31

February 27, 2002 Copyright Heise en Stadhouders, Akkadisch Vocabularium

}bult.u ,

(subst.; vanaf

OA, OB;

leven, gedurende het leven;

I7

ti( la)

): bij

CHx170, 171 CAD 1 life,

lifetime; 2 health, vigor, (in bulut. libbi) happiness, luxuriance; 3 remedy, medication, 4 prescription;
II. D-stam (
, factitief): doen leven, in leven laten,
genezen (trans.), beter maken; In persoonsnamen, bijv.
d Sin-muballit (stat. van het part.) `S^n is een genezer';
.
CAD 5 to heal (a person), 6 to keep (somebody) alive
and in good health, 7 to provide with food; 8 to spare,
to pardon, to keep safe, intact, 9 OA to credit an
amount (to a person)
1 sarrum warassu uballat., (D stat.): `de koning laat
zijn dienaar in leven' (spaart hem de doodstraf),

bullut.u

CHx129

logogra sch: I ana ti-su


2 ana bullut.su (D inf. gen. factitief v. bal
a t.u in D `ge-

nezen'): `om hem te genezen'/`ter genezing' BAM578-i-2,


30 [waarna een recept volgt]
 K I u-sam-ra-su-ma nu ti
3 usamrassuma ul uballut. (S pres. v. mar
a s.u factitief:
`ziek maken'; I ti hier D pres. v. bala t.u): `het zal hem
zo ziek maken dat hij niet geneest' BAM578-i-10 [na de
constatering van een zwarte buil]
7 F I la ta-na-k[ud ti-ut.
4 l
a tanakkud uballut. (G pres.2e p.enk. v. naka du u/uklasse `zich zorgen maken', `hartkloppingen krijgen';
D pres. 3e p.enk. v. bala t.u): `maak je geen zorgen; hij
zal genezen/hij wordt (heus) beter' BAM578-i-41
II/3. Dtn-stam (
, passief bij D) CAD 11 to be
provided with food (passive to mng. 7) to be saved
(passive to mng. 8)
IV/3. Ntn-stam CAD 13 to recover
7
[ba]-la-t
.am, ba-la-t
.am, (acc.) Sil-A-89
 7 u-ba-la-at., uballat. (D stat.) CHx129
=
mu-ba-l
-it
., muballit
. (D part. st.c.), CH-ii-37
KI
ul uballat
. (D pres.`hij zal niet genezen')

>>H V

butallut.u

> -N
}
N
nu ti

BAM578-i-10

e
I
-ut
. tanakkud uballut
. (D pres.2 p.enk.) BAM578-i-41
d
d Sin-muballit,
c  =
-mu-ba-l
-it
.,
.
ti

CH-iv-70

zuen

balittu , vr. adj. !baltu


balu, ina bali (voorz.;. ook balum, bali, bala, bal; met suf-

x balukka, bulussu etc.; vanaf oud-akk., OA, OB; syllabisch zelden als bala, bal; K
nume(a)): ontstentenis, wat er niet is ) zonder, zonder toestemming van,
in : : : afwezigheid (uitgedrukt in de suf x)
AHw \ohne"; CAD without, without the consent of,
apart from, in the absence of
1 balum sib u riks
a tim: `zonder getuigen en contract'

C

CHx123
2 ina balka: zonder u Sin3-47

'B
 'B
FK

dis
s na nu

pa-tan

!patanu
`eten'): `indien een man, nog voor hij iets gegeten heeft'
3 summa amelu balu pat
a n (status abs. v.

BAM578-i-27


#

ba-lu
pa-tan nag-ma hal

4 balu pat
a n isattima i arru (# nag = \mond 
water" G pres. v. sat^u `drinken'; hal ar^u `braken', vari
ant heeft inderdaad i-ar-ru): `[mengsel
van 12 kruiden]
moet hij op nuchtere maag drinken en (dan) moet hij
braken' BAM578-i-52 (Medicijn tegen galaandoeningen,

die ze blijkbaar met braakmiddelen te lijf gaan)



ba-lum, balum CHx113x123
 ;  ba-li-ka, (ina) balka st.c. gen. + ka Sin3-41f,

!

'
B
BAM578-i-52
47

;


ba-li-
su
 (ina) bal

su

st.c. gen. + su Ee-vii-112


(status abs.)

ba-lu pa-tan balu pat


an

bal^u , (!bel^u `uitdoven')


baluhhu , (subst. plantennaam; ook bulluhum):

een plant
(boom) galbanum, moederhars; [een gomhars afkomstig
van een in Perzie voorkomende schermbloemige plant
(Lat. Ferula galbani ora); het merg van planten in deze
familie werd van oudsher ook als tonder gebruikt, de
licht ontvlambare stof in een tondeldoos om vuur te
maken] AHw \Galbanum-Kraut (?)"; CAD (a tree and
its resin, possibly galbanum)

s im
:
hal tu-sal-lat

1 baluhhu tusallat (baluhhu een boom; sal
a tu a/u

klasse ook i/i-klasse `instukken snijden', D pres.,
multipliciteit van object): `baluhhu-boom moet je in

repen/stukken snijden' BAM578-i-39
 sim  baluhhu BAM578-i-39
, (adv.; bij ba mtu `helft'): Eng.: in half
, (ww. -i; du;
d
m; in oud-akk. en
OB: 
bad
m), G-stat. (bani);
I. G-stam (pret. ibni, pres. ibanni, imp. bini, stat. bani;
vaak geschreven met een -u aan het eind, ook al wordt
-i verwacht, bijv. ba-nu-u voor st.c. en stat.):
maken, bouwen, scheppen; (2 acc. `iets bouwen tot');
Algemeen ww. dat zowel mensen als goden als subject kan hebben, evenals de vergelijkbare ww. epesu
`maken' en basa mu `vormen'
AHw IV \schaffen", \bauen"; CAD 1 to build, to construct, to form (a city, building, wall, canal, or parts
thereof, a tomb, etc.), to make, to manifacture, to
shape (a stela, statue, implement, boat), to construct
(a geometric gure in math.); 2 to engender, to produce; 3 to create (said of a deity); 4 to devise a plan,
to act in a speci c way, to create a situation
1 ban^
u aba tu schepping en vernietiging, creatie en annihi-

*n

bam^a
ban^u, baniu

hal

latie Ee-vi-131
2 ina d
a mesu ibn^a amelu tam (G pret. subj.; da mu

`bloed'): `uit zijn [Kungu's] bloed schiep hij [Ea] de


mensheid' (volgens Marduk's plan) Ee-vi-33
3 ultu amel
u tu ibn^u d Ea ersu (G pret. subj.): `toen de
wijze Ea de mensheid had geschapen' Ee-vi-35
4 s
a re sa ibnu , (G pret. subj.; sa ru `wind'): `de
winden (acc.) die hij [Marduk] geschapen heeft' Ee-iv-47
5 bini ark
a nis (G imp.; arka nis `terugwaarts', gezegd
tegen de vollemaan, wanneer deze via laatste kwartier tot nieuwemaan u m bubbilum krimpt), lett.: \bouw
af!" ) `groei terug!' Ee-v-20
6 ibann^
a nikla te (G pres. loos vent.; pres. futurum;
nikiltu `mooie dingen'): `hij [Marduk] gaat mooie
kunstwerken scheppen' Ee-vi-2
 u18 lu-a am
7 lubn^ma lu
e lu (G cohor.; logogram lull^a
geleerd woord voor `mens'; amelu `mens' een bijstelling): `ik wil homo sapiens, de mens, scheppen' Ee-vi-7
8 libnima sipta il
u linuhu (G prec. + ma en G prec.mv.
 een bezwering maken/uitv. n^
ahu): `laat hij [Marduk]

vinden, opdat de goden tot rust komen/bedaren' Eevii-11 [een bezwering in dit geval niet bestemd tegen

32

February 27, 2002 Hoofdstuk 2 Akkadisch vocabularium

boze demonen, maar eerder een gebed dat de goden


doet bedaren]
u tuquntu (Kingu-ma, nominale
9 d Kingu-ma sa ibn^
zin; G pret. subj. v. ban^u): `het was Kingu, die de oorlog
heeft aangesticht' Ee-vi-29
10 ina paramahi sa ibn
u subatsu (G pret. subj. mv.;

paramahu `verheven
schrijn'; subatsu, acc., `woning'):

`in de tempel,
die zij hadden gebouwd als/tot zijn woning' (noodde hij [Marduk] hen aan zijn dis) Ee-vi-70
} , G verb.adj., (st.c. bani-; vr. bantu; vanaf OB; in
PNs du):
AHw II \gut", \sch
on"; CAD well-formed, well-shaped,
of good quality, (said of staples, objects), ne, beautiful
(said of persons and animals) friendly, propitious
}
, G part., , (vr. ba ntu, st.c. ba n^u/^/^a triptotisch; SB ook de apocope vorm ba n; vanaf oud-akk.):
schepper, bouwer, maker, voortbrenger, die geschapen heeft;
CAD A 1 creator, begetter; 2 in b
a n sipri (an
ewer)
11 an il b
a nsun, (met sun = sunu `hen'):
`voor/tegen de goden, die hen geschapen hebben' Ee-i-

ban^u

ban^u

128
12 b
a n^u se e u q^e (ba-nu-u): [Marduk in de hoedanigd Asarri:]

heid van
`schepper van graan en vlas' Ee-vii-2
13 b
a n tedistisunu (`vernieuwing', bij edesu; hier
apocope ba n i.p.v. ba ni): `[Marduk] die hun vernieuwing geschapen heeft' Ee-vii-9 [de godencultus bewerkstelligt de vernieuwing/verkwikking van het godenleven; De \vernieuwing" ondergaan zij door de gestage
voedselvoorziening, waardoor hun leven in stand blijft.]

III. S-stam
(
, causatief): bouwen laten; CAD 6 to
build, to create (poetic use for ban^u)
IV. N-stam (
, passief) CAD 7 (passive to mngs.
1, 2, and 3)
14 ibban^
uma ila nu qerebsun, (N pret. mv.): `(en toen)
werden de goden te midden van hen geschapen' Ee-i-9
15 ina qereb Aps^ ibbani d Marduk, (N pret.): `binnen
in de Aps^u [de woning] werd Marduk geschapen' Ee-i-81
16 lum
asu ittabni, (N perf.): `het sterrenbeeld werd
(weer) geschapen' Ee-iv-26
}
, (subst.; mv. bin^atu; OB, MB, SB, NB): enk.:
gestalte, vorm, mv. ledematen;
AHw \Gestalt", \Gestaltung"; CAD 1 creation, creature; 2 form, structure; 3 (an abnormal growth) 4 eggs,
roe; 5 (an item of jewelry) 6 (unkn. mng.)
}
, (subst. pl. tantum; OB, SB; in OB binia tu):
ledematen; CAD 1 limbs; 2 (part of a boat and other
structures)
}
, (subst.vr.; MB, SB, NB; du): enk.: (abstract) gestalte, vorm, (concreet) maaksel, schepsel, product;
AHw \Erzeugnis", \Gesch
opf", \Product"; CAD 1
make-up, form, gure, shape, structure, construction;
2 creation, creature, product; 3 sh eggs, roe
17 s.alm
a t qaqqa di bin^atussu (pseudo-locativus): `de
zwarthoofdigen, zijn schepselen' Ee-vi-107
18 sa kma bin^
utisuma iksiru kal^u il abtu ti (G pret.
subj. v. kasa ru `herstellen'; abtu tu adj.m.mv. v. abtu bij
!abatu, adj.: `teloor gegaan', `verloren', `ten gronde
gericht', `beschadigde'): `die alle beschadigde goden
hersteld heeft overeenkomstig zijn gestalte' Ee-vi-152

subn^u
nabn^u

bintu

bin^atu

bin^utu

\naar zijn beeld en gelijkenis" is niet Mesopotamisch


gedachtengoed, meer \naar zijn wezen"
}
, (acc.adv. v. bin^utu, een acc. van betrekking,
die uitdrukt \in het opzicht waarin"): `wat betreft gestalte/vorm/uiterlijk'
19 mur
u ma qasta k nukkulat bin^uta (G pret. mv.
v.am
a ru `zien'; qastu `boog'; k leidt objectzin in;
D stat. v. naka lu, als verb.adj. D elativisch): `zij zagen hoe kunstig vervaardigd de boog is, wat betreft de
makelij/vorm/uiterlijk' (object is in de toestand van
kunstvaardigheid) Ee-vi-83
}
, (subst.; SB): schepsel, creatuur, gedrocht; gestalte, vorm;
AHw \Erschaffung", \Gesch
opf", \Gestalt"; CAD
1 o spring, progeny, product; 2 habitat, place of
growth; ; 3 living creature; 4 appearance, stature, features
20 samhat nabntsu, (G stat. vr.enk. v. samh 
a tu): `zijn
gestalte was statig', `hij was statig' Ee-i-87 
21 u isten esret nabnt: `en (hij [Marduk] bevestigde
teugels aan) de elf creaturen' Ee-iv-115
 ba-ni, ba ni (G part.gen.) H.Sip. 6
K
ba-nu-
u, b
a n^
u (G part.) Ee-vii-2
 ba-an, ba n (G part.st.c. apocope) Ee-vii-9

ba-ni-
s u, b
a n

s u, (G part. + 
s u) H.Bars. 32

bin^uta

nabntu

>
b

CH-iv-27,28

I

ba-ni-ti-ia

b
a n
t
ja

(G part.st.c. + ia)

 , (G pret.) Sil-C-134
K>
,
(G pret. subj.) Ee-iv-47
K
,
(G pret. subj. mv.) Ee-vi-70
CH-ii-14,15
b
,
(subj.pret. + )

,
(G imp.) Sil-C-86
F C
,
(G pres. vent.) Ee-vi-2,
vii-112

,
(N pret. v.
) Ee-i-81
 )Ee-i-9
K>V
,
(N pret.mv. +
K>
Ee-vi-29
N 2| V ,, (G, (Npret.perf.)subj.)(GEe-iv-26
cohor.) Ee-vi-7
Sil-A-43

ib-ni

ibni

ib-nu-
u ibn
u

ib-nu-u ibn
u

ib-ni-
u-
su

ibniu
su


su

bi-ni bini

i-ban-na-a ibann^
a

ib-ba-ni ibbani

ban^
u

ib-ba-nu-
u-ma ibban
u ma

ma

ib-nu-
u ibn^
u

c V

it-tab-ni

ittabni

lu-ub-ni-ma lubn^
ma

lib-ni-ma, libnima (G prec.) Ee-vii-11


 nab-nit-su, nabntsu (nabntu + su) Ee-i-87
I nab-ni-ti, nabnt (acc. mv.) Ee-iv-115
F
bi-na-tu
s -
su
, bin^
atu
s
s u (pseudo-loc vr.mv. +

!
K
K I! V
Ee-vi-152
K !
Ee-vii-113

) Ee-vi-107


su

bi-nu-ta

bin^
uta

(acc.adv.) Ee-vi-84
, bin^utisuma (adj. + su + ma)

bi-nu-ti-
su
-ma

bi-nu-tu
s -
su


bin^
utu
s
su

(loc. + su +

baniu , (!ban^u)
baqamu , (ww. a/u-klasse; ook baqanu):

ma

I. G-stam (pret. ibqum; pres. ibaqqam; stat. baqim)


uitplukken (van haar, baard); AHw \ausraufen",

\scheren";

CAD

1 to pluck;

buqqumu
subqumu
baqaru, paqaru , (ww. a/u-klasse):

II. D-stam (
) CAD 2 to pluck;

III. S-stam
(
) CAD 3 to have sheep plucked;
IV. N-stam (nabqumu) CAD 4 to be plucked
I. G-stam : jur.: claimen (gerechtelijk), opeisen;
AHw

\Anspruch geltend machen", \vindizieren";

33

February 27, 2002 Copyright Heise en Stadhouders, Akkadisch Vocabularium

Eng.: to claim, to lay claim to; to cotest, to bring suit


(against someone acc.; for something acc. or ana, assu)
}
, G verb.adj., , (mv. baqru ) Eng.: legal claims,
IV. N-stam (
, passief): teruggevorderd worden;
1 ul ibbaqar: (verkopen) `zonder recht op terugvordering'

ib-ba-qar, ibbaqar (N pres.) CHx118
, vr. baqartum in oud-akk. PNs !waqa ru `kostbaar' etc.
, (ww.; OB, NA, SB)
I. G-stam (alleen stat. barum) G stat.: bont zijn, veelkleurig zijn; CAD B 1 to be multocolored, speckled,
pied, variegated,

baqru

baqrum
baramu

nabquru

}barmu, G verb.adj., bont


II. D-stam (

burrumu

) CAD 2 to color, to twine in several colors


 na) bonte kle}
, (subst.; vanaf OB; r
gu
dingstof; CAD A trim wooven of several colors (used to
decorate garments)
}
, (adj.; st.c. bitra m-): veelkleurig Eng.:
brightly colored, multicolored
}
, Gt verb.adj., , bet. als verb.adj. G barmu
, (ww. i-klasse; vanaf OB;
hihi)

I. G-stam (pret. ibriq; pres. ibarriq):  bliksemen
; AHw
\blitzen", \leuchten"; CAD 1 to ash (said of lightning), to strike with lightning;
III. S-stam (subruqu, causatief) `iem. met de bliksem
treffen' CAD 2 to cause the lightning to strike
1 u ana subruq ulmesu ser
u ti (S inf v. bara qu; ulmu
`bijl'; sertu I `grimmig'): `en om met zijn geduchte bijlen te doen bliksemen' erra-i-5
D  sub-ruq subruq (S infst.c.) erra-i-5
, (ww. u/u-klasse) twinkelen; AHw \ immern";
}
, ook mas.s.artu sa bara rtu c W k
e
 san) 1 nachtwake
ennunusan; c W !usan2!
ennunu
die begin met de schemering; avondwake
, (subst.; mv. barbaru ; vanaf oud-akk., OB;
J
urbar(ra); met bar `buitengebied', `buitenkant'); vgl. urgi6 , kalbu `hond'; urmah, nesu

`leeuw'; echter ursag, qarra du `held', `voorvechter'; ur in Sumerische persoonsnamen wel `Man
van : : :', vgl. Urd Nammu, Urd Ningirsu, Urd Zababa;
Ur
edubba; wsl. niet hetzelfde woord als ur `hond';
wolf; CAD 1 wolf; 2 (a star)

1 nesu u barbaru sumqut
u bu l d Sakkan
(SJstat v.
maqa tu `vallen', trans. stat.; S `afslachten'; dqvee van

Sakkan
ook `vee'): `leeuw en wolf slachten het vee af'

birmu

bitramu
bitrumu
baraqu

bararu
barartu
barbaru

erra-i-85

JD

erra-i-85

bartu , !brtu, birtu


barkanu , adv. !warkanu `later', `daarna'
barmu , (verb.adj. !baramu `bont z.') `bont'
Barsipa : de stad Borsippa, zusterstad van Babel (op 25
bar-baru barbaru

km afstand bij het huidige Birs Nimrud), met de tempel !E-zida oorspr. van Marduk; later van Nab^u, de
zoon van Marduk, de secretaris der goden, god van de
schrijfkunst en letteren.
ki
JT
bar-s
-pa-ki, bars
pa
(stad Borsippa)

'

H.Bars. 33

& J T

Borsippa) CH-iii-12

uru

ki
Bar-s
-p
a

uru

ki

Barsipa

(stad

barqu , !warqump onder !waraqu `groen/geel zijn'


bar^u I , (ww. br; vanaf oud-akk., OA, OB):

I. G-stam (pret. ibri, pres. ibarri, stat. bari in colofons


ook bar): zien, i.h.a. \actief zien" ) (be)kijken, waarnemen, speuren, spieden, observeren, onderzoeken, verschijnen,
schouwen, inspecteren (van de leverschouw)
AHw

I \sehen", \schauen"; CAD 1 to look upon, to


keep an eye on, to watch over, to inspect, to observe; 2
to inspect exta, to observe omens, to check, to establish by observation; 3 to collate a tablet (tech. term in
colophons);
1 qablus Ti
a mat ibarri, (G pres.; qablus grammaticaal onduidelijk): `hij inspecteerde het strijdtoneel van
Tia mat'
2 u in
a (n) : : : ibarr^a gimreti, (G pres. 3e vr.mv., als
het subject in dualis is, verschijnt de niete ww.-vorm
in vr.mv.): `en de ogen kunnen alles zien' Ee-i-98
I/2. Gt-stam (
) CAD 4 to look at, to consider, to
search;
} , Gt verb.adj., (SB) imposant; zeldzaam adj.;
pitrus-vorm bij bar^u `schouwen', verb.adj. `te zien',
`zichtbaar'; bitr^u Gt intensief t.o.v. G, dus lett. `zeer
zichtbaar' ) `zeer de moeite van het zien waard' of
`erg in het oog lopend'; bijv `imposant' (dat iets van
beide heeft); AHw \betrachtlich", \prachtig"; CAD
outstanding, superb;
3 d Gilim mustappik kar^e till bitr^
uti (Gtn part. v.
sapa ku `optasten'; Gtn \her en der"; kar^u zijn de gedorste graankorrels, ook wel eens waar je een graanhoop opslaat: `schuur'; bitr^u hier als een predicativum
van het object `als imposante heuvels', `tot enorme
hopen'): `G. die her en der graan in enorme hopen opwerpt'

III. S-stam
(
, causatief): iem. iets zien laten; CAD
5 to show, to exhibit, to divulge, to reveal (in a dream
or vision)
} , G part., , (subst.; st.c. bari-; L
l
u

ma
s 
s ug
dg
d): orakelpriester, waarzegger, wichelaar
AHw \Opferschaupriester", \Opferschauer" Eng.: diviner, haruspex
} , (subst.; ook beru; vanaf OB; J mas): divinatie, wichelarij, offerschouw, raadpleging in het orakel, orakel sessie;
AHw \Opferschau"; CAD A divination
O erschouwgebeden beginnen steevast met de aanroe
ping: d Adad bel brim, d Sama
s bel dnim
}
, (subst.; suf x !{u tu, {u t vormt abstracta;
vanaf OB;
 luhal; O namuzu): weten der tekens: disciplina mesopotaschap van de divinatie, leer
mia;
AHw \Arbeit/Weisheit usw. des Opferschauers"; CAD
1 act of divination, 2 lore, craft of the diviner; 3 (designation of the series of extispicy texts)
e
J
i-bar-ra-a, ibarr^
a, (G pres. 3 vr.mv.) Ee-i-98
J V a-bar-ri, abarri, (G pres. 1e p.enk.) erra-i-116
, !ber^u `hongerig zijn'
,
p

, (ww. - /a-, b 1? r ; vanaf OB)

I. G-stam : (pres. iba ar, ib^ar; pret. iba r; perf. ibta r):
vangen, (vissen, vogels) (met een net);
AHw I \fangen" (mit dem Netz, usw.) CAD ba  
a ru
to catch sh, to sh, to catch birds, to hunt, to catch

bitr^u

bitr^u

subr^u

bar^u
bru

bar^utu

HC

bar^u II
*bar^u, *ber^u III
b^aru I, ba aru

J b ss

34

February 27, 2002 Hoofdstuk 2 Akkadisch vocabularium

animals, to capture persons to catch a criminal


(subst.; ook ba eru; vanaf OB;


s u ha
s uhax (pe
s )),
visser; in CHx26
32,36-41 soldaat, beroepssoldaat
, geen gewone infanterist
(!red^u), maar meer een soort commando; mogelijk
degene die het \wapen van het net" hanteert.
AHw \Fanger"; CAD 1 sherman, hunter; 2 (a class
of soldiers)
, (ww.)
I. G-stam (G pres. ib^ar, mv. iburru ) zich vertonen, verschijnen;
II. D-stam : aantonen, duidelijk maken, ophelderen CHx23
x120 x240;
, (subst.; ook besa mu, SB): zak, boetekleed;
AHw I \Sack", \B
uergewand"; CAD 1 coarse, irregular wool fabric (mainly used for sacks) 2 sack
, (ww. i/i-klasse, (litt. woord); ook pasa mu):
I. G-stam (pret. ibsim, pres. ibassim, stat. basim):
vormen, afbeelden; creeren, scheppen, vervaardigen (met
vakmanschap), fabriceren ontwikkelen; verfraaien, kunstig
maken;
AHw II \bilden", \formen"; CAD 1 to fashion, to form,
to build, to design, to lay out, to pertain to; 2 to create
1 ibsim qasta: `hij [Marduk] vervaardigde een boog'

}ba iru, G part., ,


M  ;

bZ

b^aru II

basamu I

basamu II

Ee-iv-35
2 ibsimsumma us.rat kal^, (G pret. + sum; us.urtu

`plan', `teken'): `hij vormde zich een beeld van alles'


Ee-i-61
3 d Anunnaki

kal^sunu parakksunu
ibtasmu
(G perf.mv.; parakku `schrijn', `kapel'): `(en toen) alle
Anunnaki hun eigen kapel hadden vervaardigd' Ee-vi68

bussumu

II. D-stam (

): ong. als G. CAD 2 to build, to


fashion, to create
4 ubassim manz
a za, (D pret.; manza zu = mazza zu
`standplaats'; !izuzzu): `hij [Marduk] maakte een
standplaats [voor de grote goden]' Ee-v-1
IV. N-stam (
, passief) CAD 4 (passive to mng.
1)
J V i-bar-ri, ibarri (G pres.) Ee-iv-65
ib-sim, ibsim (G pret.) Ee-iv-35
~
ib-
s im-
s um-ma, ib
s im
s umma (G pret. +

nabsumu


 ) Ee-i-61V
?=


s um

> S
bastu

ib-ta
s -mu ib-ta
s -mu

(G perf.) Ee-vi-68

 u-ba-as-sim, ubassim (D pret.) Ee-v-1


, subst., vr. verb.adj. !basu^
, (subst.; OB, SB;
!tur3! mussatur): 1
basmu-slang, een mythische gifslang; 2 het sterrenbeeld

basmu

Hydra
AHw

\(mythische) Giftschlange"; CAD 1 (a horned


serpent) 2 the constellation Hydra 3 (a plant)
1 usziz basmu, (S pret. v. izuzzu, usuzzu S: `tot stand
brengen'): `zij creeerde een basmu-slang' Ee-i-141
, (subst.; st.c. basti; met suf x basta-): Eng.: dignity, pride, good looks
, (ww.),
I. G-stam (pres. ib^as, mv. ibassu ; pret. ibas) zich
schamen, te schande worden; AHw \sich schamen",
\zuschanden werden";
1 atkal-GN-ul-ab
as PN `in-mijn-vertrouwen-op-GNben-ik-niet-beschaamd'

bastu
b^asu

2 l
a -abassi-GN PN `GN-laat-mij-niet-beschaamd!'
3 aj-ab
as-GN
PN

`GN-laat-mij-niet-te-schande-worden!'
4 t
a kilka ul ib^as PN `wie-op-u-vertrouwt-wordt-nietbeschaamd!'

 l voor
, (ww. -, vanaf oud-akk.; P gal;
ga
ittabsi, N perf.):
I. G-stam (pres. 3e p.enk. ibassi met eventueel toch subject in mv., pret. ibsi, stat. basi; zelden in 1e of 2e
persoon): zijn, er zijn, voorhanden zijn, ten deel vallen,
zich bevinden;
AHw \(vorhanden) sein", \existieren"; CAD 1 to exist,
to be in existence and available, to be on hand, to be in
evidence, to happen, to occur, (in OA) to be in storage,
in safekeeping 2 (ibassi) it is certain, certainly
1 ibassi: er is (G pres. 3e p.enk. v. basu
^ `zijn')
2 l
u basima nann^usu (G stat. komt niet zoveel voor,
met lu precativisch: `het zij er', `moge er zijn'; met
lu af rmatief: `die zijn er waarlijk/heuselijk'; nann^usu
locativus): [vergeving en bestraf ng] `moge er zijn op
zijn gebod' Ee-vi-132 of armatief: `die hangen waarlijk
van zijn bevel af'
3 ibsi libbukki, (G pret.; <*libbum-ki, loc. = ana
libbki): `hij kwam niet in uw hart' Ee-i-117 (pret soms
ingressief)
}
, (subst.; st.c. bs(i); ook busu en busu; OB, SB):
bezit, bezitting, roerend goed;
AHw \bewegliche Habe, Besitz"; CAD movable property
4 bs qatsu, (q
a tu `hand'): `(en) zijn (overige) roerende goederen' CHx112
} , G verb.adj., , (st.c. basi-; in de woordenboeken
onder part. basu^) Eng.: on hand, available, present;
}
, G verb.adj. vr., , (gesubstantifeerd; zelfde bet.
als bsu en als busu): bezit, bezitting, roerend goed; AHw
\Vorhandenes", \(beweglicher) Besitz" Eng.: moveable property, valuables, goods; stock, what's on hand
III. S-stam (
, S pret. usabsi): bestaan laten, doen
bestaan ontstaan laten, doen ontstaan ter wereld laten komen (kinderen); voortbrengen, planten (van gewas, graan);
AHw \erzeugen", \erschaffen"; \hervorbringen"
(Wort, Beschworung)
CAD 3 to make (physical) objects into excistence (either in a natural or a supernatural way), to create a
situation; (with ht.u and similar nouns) to commit a

crime

5 ina eqlim se am l
a ustabsi: `hij beplant de akker
niet met graan/gerst' CHx42
6 es.meta lusabsima (S cohor.; es.emtu `beenderen'):
`(en) ik wil gebeente het aanzien geven' (om samen
met samengebald bloed daarmee de mens te scheppen)
Ee-vi-5 (bloed en beenderen worden als de basisingredienten gezien voor het lichaam)
IV. N-stam (
, ingressief bij intransitieve G, vaak
bij toestandsww., iets met een beginmoment, N pret.
ibbasi, N perf. ittabsi): er komen, ontstaan, tot stand komen, optreden, intreden, groeien (gewas);
AHw \ins Sein treten", \entstehen"; \reif werden";
\eintreten", \geschehen" (Ereignis) CAD 4 to come
into existence, to come available, (in OA) to be held in
storage, safekeeping

ba-
s i-ma ba
s ima (G stat. + ma) Ee-vi-132

W:

basu^

bsu

basu^
bastu

subsu^

nabsu

35

February 27, 2002 Copyright Heise en Stadhouders, Akkadisch Vocabularium

 ,
; ~V
(prec. +
+
 ' V
b>

(G pret.) Ee-i-117
,

s um
ma), \moge hem geworden", Sil-C-42
 cohor.) Ee-vi-5
lu-
s ab-
s i-ma, lu
s ab
s ima (S
ib-ba-a
s -
s u-
u, ibba
s
su
 (N pres. subj.) CHx5
 perf.) CHx42
|
u
s -tab-
s i, u
s tab
s i (S
bi-is, bis (st.c.) CHx112
ib-
si

li-ib-
s i-
s um-ma lib
s i
s umma

*ba u^ II

bataqu , (ww. a/u-klasse; ook badaqu; vanaf oud-akk.):

I. G-stam (pret. ibtuq, pres. ibattaq, stat. batiq): afsnijden, doorsnijden, afrukken (ultu qereb `van')
AHw
CAD

\abschneiden", \durchschneiden", \abreien";


1 to cut o , to take away (by cutting o ), to
deduct 2 to cut through (mountains) 3 to pierce (dikes,
canals) to divert water; 4 to roughhew a statue (in the
quarry) 5 to stop work, to become cheap; 6 to accuse,
to denounce; 7 (in idiomatic phrases with ama tu, qa tu,
zittu)
II. D-stam (
): breuk veroorzaken; CAD 8 to cut
o , to take away (by cutting o ), to cut through, to
divide 9 Dtn (passive to D mng. 8)
1 qerbsa ubattiqa, (D pret. vent.): `hij brak haar ingewanden' Ee-iv-102
IV. N-stam (
, passief) CAD 10 (passive to
mngs. 1, 2, 4 , 7)
}
, (subst.; MA*) soms: verklikker, aanbrenger;
CAD informer;
}
, (subst.; st.c. bitiqti; met suf x bitiqta-; mv.
bitqa tu; OA, OB, MA): nadeel, schade, verlies CHx45 x102;
CAD 1 amount outstanding, de cit; 2 loss; 3 damages,
compensation;

}
, (subst.; OA, OB, SB; in OA:

buttuqa u pl. tantum): verlies, aftrek, korting teloorgang,
afname, vermindering;
AHw \Verlust", \Abzug"; CAD de ciency, loss
2 s.tu hulluqq^
u butuqq^u nusurr^u magal saknunimma,
 woorden voor \verlies"; magal `zeer'; G stat.
(allemaal
saka nu: `is gezet voor mij' ) `ik heb te lijden van'): `ik
lijd in hoge mate verlies, teloorgang en vermindering'

buttuqu

batiqanu
bitiqtu

nabtuqu

butuqq^u, butuqqa u

Sin3-59

}butuqtu , (subst.; st.c. butuqti; mv. butuqatu): Eng.:

s> >
>
b^atu

ood, sluice channel

bu-tuq-qu-
u, butuqq^
u Sin3-59
E I > u-bat-ti-qa, ubattiqa (D pret. vent.) Ee-iv-102
, !bia tu `overnachten'
, (ww. i/i-klasse)
I. G-stam (pret. ibt.il; pres. ibat.t.il; stat. bat.il) ophouden;
CAD 1 to stop, to interrupt (an activity), to cease (regular deliveries), to come to an end (said of supplies);

III. S-stam
(
) CAD 2 to discontinue, to interrupt
IV. N-stam (
) CAD 3 to fall into disuse, to cease,
to stop, to absent oneself;
} , G verb.adj., (vr. bat.iltu; OB, SB): afgeschaft, onderbreking; AHw \auer Gebrauch gekommen"; CAD
1 interrupted, omitted, in disuse; 2 (a person) likely to
stop work; subst.: interruption, cessation of work

, Westsem. ww. voor `gaan';
I. G-stam (pres. ib^a , pret. iba , perf. ibta ) passeren,
langsgaan, intrekken, komen, arriveren; in LL-Ms-ii-100 ba- u = e-te-qu, !etequ `passeren'; AHw \entlang gehen";
Eng.: to walk along
1 sa anni u gillati maharsu ba  u
 (G stat.mv. v. ba u^;

`langs hem passeren' ) `gaan vrij-uit'; annu < arnu

bat.alu

bat.lu

ba u^ I

subt.ulu
nabt.ulu

`zonde'; sa anni `die van zonde' ) `zondaar'): `zondaars en boosdoeners gaan bij hem vrij-uit' Ee-vii-156
 u ba u

ba- u-
 (G stat.mv.) Ee-vii-156

, (ww. D-tantum; vanaf OB)
II. D-stam (   ): zoeken (ina qa t `van iemand') rekenschap en verantwoording eisen ; CAD 1 to look for, to
search for, (with leq^u) to select, to take over; 2 to examine, to search through, to look up in records; 3 to wish,
to ask, to intend; 4 (ina qa ti bu  u^) to call (someone)
to account; 5 to le a lawsuit/complaint;

, stadsgodin van de stad Lagas

, (subst. pl. tantum; ook bahula tu, b^ula tu passief
 onderdanen, onderdeelwoord bij !b^elu `overheersen'):
horigen, beheersten

7 ba- u-u-la-tum, ba u la tum (pl. tantum)

>

ib
si

bu u^

Ba u
ba ulatu
d

>

Ee-vi-114

baz(a)hatu , (Noordwestsem.) Eng.: military outpost


bel , st.c. enk. v. !belu `heer'
bel , G imp. v. !b^elu `heersen'; verba mediae Alef, e-klasse;
mv. is bela
be-l, bel met sux !- `mijn heer'; ook voor bel
E
,
(`mijn heer') Ee-vi-49
d B
eltu , (vr. v. belu): Meesteres, aanduiding voor verschillende godinnen
beltu , (subst.vr. bij m. belu; ook poetisch belatu, beletu;
en

be-l
 b
e l


st.c. belet; mv. beletu; vanaf oud-akk.; belatu in OA, ,


nin; !gashan!
ga
s an):
meesteres, heerseres,
vrouwe, eigenares;
AHw \Herrin", \Besitzerin (von)"; CAD 1 lady; 2 mistress, owner of property,
, (ww. -; ook bal^u; vanaf OB):
I. G-stam (pret. ibli, pres. ibelli, stat. beli, imp. bili): uitgaan, vergaan, uitdoven;
AHw II \erloschen", \vergehen"; CAD 1 to become
extinguished, to come to an end, to burst (said of bubbles)
II. D-stam (
, factitief): uitdoven, blussen, uitblussen
) verdelgen, verwoesten, vernietigen;
AHw \ausl
oschen", \vernichten"; CAD 2 to extinguish, to put out, to exterminate
1 samm imta bull^, (als object; D inf.; sammu `kruid';
imtu `gif'): `(hij houdt) kruiden om gif te blussen (vast
in zijn hand)' Ee-iv-62
2 napsatus uballi, (D pret.): `hij bluste haar leven uit',
`hij smoorde haar leven' Ee-iv-103

;
ana ububuul bu-le-e
3 ana bubu ti bull^e (D inf. gen.; bubu tu `buil'; na de
constatering van een koortsig symptoom met builen):
`om de buil uit te blussen/af te koelen' BAM578-i-10
(volgt therapie)
; bul-li-i, bull^ (D inf.) Ee-iv-62
;
bu-ul-li-im, (ana) bull^
m (D inf.gen. `om te
MB;

bel^u

bull^u

s 4


s

>> 4
belu

blussen') CHx25

; u-be-el-li, ubelli (D pret.) CH-xxiv-32


; u-bal-li, uballi (D pret.) Ee-iv-103
, (subst.; voor vr. vorm !beltu; mv. belu ; st.c. enk.
bel(i); met suf x nom./acc. bel-, gen. beli-; st.c. mv.
nom. belu , gen./acc bel-; vanaf oud-akk.; c en, n.b.
en ook voor b
e l met - voor `mijn heer'): heer, meester,
eigenaar, bezitter; Heer (Marduk);
AHw I \Herr", \Besitzer (von)" CAD 1 master, ruler;
2 owner (of property), oce holder

36

February 27, 2002 Hoofdstuk 2 Akkadisch vocabularium

1 d en Bel, epitheton, later persoonsnaam van Marduk


2 en en en, bel bel: heer der heren, opperheer
3 l
u belum il sa sam^e u ers.etim kalisun (be-lum/lu4

i.p.v. st.c. bel): `[Marduk, die] waarlijk de meester van


al de goden van hemel en aarde is' (of: met lu precativisch) `hij zij de meester : : :' Ee-vi-141
}
, beedigde vazal/bondgenoot;
}
, (ook wel inbu bel arhi; inbu `vrucht';
 maangod S^n):
(w)arhu `maand'; epitheton van de

Heer van de maansikkel (resp. `vruchtheer' naar analogie van de vrucht die groeit), meer in het bijzonder
de eerstedags maansikkel, de eerste zichtbaarheid.
}
, beedigde vazal/bondgenoot
}
, ( a lu `stad'; subst.; vanaf OA, OB;
c&
 )enuru(me
(lu
s )): stadsvorst;
CAD 1 ruler of a city; 2 (an ocial)
}
, (arnu `zonde'): zondaar
}
, (subst.; btu `huis'; c
en 
e): huisbaas;
stamhoofd CAD owner of the house; (NB) chief of a
tribe
}
, (subst.; dnu `vonnis', `oordeel', `orakeluitspraak'; bij d^anu `rechtzitting houden'): Heer van de
 a mas);
orakel-uitspraken (epitheton van de zonnegod S
tegenstander in een rechtszitting Eng.: adversary (in
court)
}  , (subst.; ht.u^ `fout', `gebrek', `zonde'; bij
hat.u^ `iets missen'; NA, SB, NB): zondaar, boosdoener,
misdadiger; CAD malefactor
} 
, (subst.; hubullu `rentedragende schuld';

OB, Mari): schuldeiser, crediteur; CAD creditor
}
, Heer der bronnen, epitheton van de (water)god Ea, Sum. Enki.
}
, (subst.; narkabtu `strijdkaros'): berij-

bel ad^e u mamiti


bel arhi

bel ad^e u mamiti


bel ali

bel arni
bel bti

bel dni
bel ht.i

bel hubulli
bel nagb
bel narkabti
der van de strijdwagen
}bel niq^ , (niq^u `o er'): o eraar
}bel pa hati , (J c O
 ): stadhouder
}bel salmi , (salmu `eendracht', `vrede'): bondgenoot
}bel simmi , (simmu `wond'): gewonde
}bel tasm^e u maga ri , `Heer van verhoring en inwild
l
u

en nam

liging' in Ee-vii-20 gezegd van Tutu. [epitheton van


veel goden; verhoring/inwilliging (het betekent hetzelfde) van smeekbeden om \reiniging" opdat men niet
buitengesloten is]
E
be-lum, b
e lum CH-ii-37, Ee-vi-141
E;
be-li-im, b
e lim (gen.), H.Bars. 2,3
E
be-el, b
e l (st.c.) CH-i-4
E
be-l
-
s u, bel

s u CH-ii-9
E
be-l
-
s u, bel

s u H.Bars. 8
E  be-lu-su, belu ssu <*belu tsu Sil-C-1
E pbe-l-ia, bela H.Sip. 44
, (ww. b l ; ook be  a lu; verba mediae Alef, e-klasse):
I. G-stam (pret. ibel, mv. ibelu , pres. ib^el, imp. bel, stat.
bal): heersen, overheersen, in bezit nemen
AHw II \herrschen", \beherrschen", \verf
ugen"; CAD
1 to excersize rulership, to rule (said of kings and
gods), to be in authority (oner persons, property, etc.)
to have power of disposition (over money and goods)
II. D-stam (   ) CAD 2 to make somebody a ruler,
an owner

b^elu

bb


bu ulu

IV. N-stam (passief) CAD 3 to be ruled over (passive to

mng. 1)

}ba u la tu , (subst. pl. tantum; ook bahulatu, b^ulatu,


passief deelwoord bij b^elu; oud-akk., OB, MB, SB):
onderdanen, onderhorigen, beheersten; CAD 1 subjects,

population; 2 soldiers, workmen (only in Sar. and


Senn.)
1 ba  u
 la tu lu hissusa ilasina lizzakra (Gt stat. <
*hitsusa v. hasasu `wijs zijn', Gt: `verstaan', `begrij `bedenken';

pen',
Gt pret v. zaka ru `de naam noemen'):
`laat zij, de onderdanen, (erop) bedacht zijn dat ze
hun (persoonlijke) god aanroepen' Ee-vi-114 of `zij, die
onderhorig zijn'

7 ba- u-u-la-tum, ba u la tum (pl. tantum)

>

Ee-vi-114

belutu , (subst.; suf x !{utu, {ut vormt abstracta; vanaf oud-akk.; c en met fonetisch complement): heer
(abstractum: het ambt van heer, het heer-zijn); opperheerschappij; st.c. belu t + gen.obj.: : :: heerschappij over

:::

AHw

\Herrschaft"; CAD 1 rule, dominion, rulership,


position of supreme power, (referring to kings and
deities) 2 position of owner, master (in private context) 3 (a special social or legal relationship)
1 ana bel
u t il sa sam^e u ers.etim sunu uktinnusu
(D perf. v. k^anu, D: `vestigen', `bevestigen'; sunu beetje overbodig: `zij op hun beurt'): `zij bevestigden hem
[Marduk] in de heerschappij over de goden van hemel
en aarde' Ee-vi-100 (vgl. \bevestigen"/\installeren" in
het ambt van dominee)
E
be-lu-ut, b
e l
u t (st.c.) Sil-A-8, Ee-vi-100
I  be-lu-ti-ka, belu tika (st.c.+ka) erra-i-128
c
I -u-ti, belu ti (gen.) Ee-vii-106
, (subst.; vaak in mv. bennu ): een ziekte, epilepsie?
, !brtu, birtu
, !brtu, birtu
,
I. G-stam : verschijnen, zich openbaren, te voorschijn komen,
zichtbaar worden, zich manifesteren; komt veel voor in
PNs, bijv. libu r + GN `hij trede helder te voorschijn'
(a.h.w. zichtbaar worden van de godheid, om hulp te
bieden)
II. D-stam (
, factitief): duidelijk maken, nauwkeurig uit de doeken doen, nauwkeurig omschrijven, jur.: het
wettige en overtuigende bewijs leveren aantonen, bewijzen
(syn. met kunnu D v. !k^anu.)

u
-ba-ar-ma, ub
a rma (D pres.) CHx23
, (ww.; Ass. be  a ru(m); vanaf oud-akk.; J bar)
I. G-stam (pres. ib^er, pret. iber; imp. ber, br; Ass.
pres. ibe  ar, perf. ibte ar) zoeken, opzoeken, uitzoeken,
speuren naar, selecteren, kiezen; AHw \auswahlen", \aussuchen"; CAD A 1 to select, to choose; 2 to examine;
N passive bij 2 : to be examined
K
u nuluhha te-be-er

1 nuhurtu teb^er (pseudo-logogram nuluhha met


luh `wassen' lett. \de ongewassene", ook een soort dui
velsdrek (Lat. Asa Foetida; !(w)edu) een plant dat
een doordringende geur na kneuzing van de blaadjes
verspreidt; G pres.2e p.enk. v. b^eru `selecteren'): `stinkkruid moet je uitzoeken' BAM578-i-39
te-be-er teb^er (G pres.2e p.enk.) BAM578-i-39

}


>

bennu
berittu
bertu
b^eru, b^aru

en

burru

> V

b^eru

> AMx
x

37

February 27, 2002 Copyright Heise en Stadhouders, Akkadisch Vocabularium

beru , (subst.; st.c. ber; s

): eenheid van lengte,


A 1 \mile" (a measure of
length used for measuring long distances over 10 km);
2 double hour (twelfth part of a full day) 3 (twelfth
part of a circle: 30o )
, (ww. denominatief: een ww. waarvan het
subst. de grondvorm is en die dan altijd primair toestandsww. zijn; van btu `huis'; Ass. bia du):
I. G-stam (pres. ibat, pret. ib^at) overnachten, logeren, de
nacht doorbrengen; denominatief (thuis ben je alleen `s
nachts);
}
, onder de sterren overnachten; van
bijv. een magische drank of een medicijn. Deze uitdrukling komt veel voor, soms verbijzonderd met een
expliciete sternaam voor de magische potentialisering
van het medicijn, bijv. de ster van Gula, godin der geneeskunde (ook pleiaden).

E ina ul tus-bat
1 ina ul tusb^
at
ul hier kakkabu `ster' naast
e
mul, maar in deze uitdrukking altijd ul; G pres.2 p.enk. v. b^atu, bia tu `overnachten', `logeren': `(dan) moet
je (de drank) een nacht onder de sterren laten staan'
twee mijl, twee uur;

danna

CAD

biatu, b^atu

ina kakkibi b^atu

BAM578-i-18

}nubattu , (subst.; vanaf OA(?), OB):


) slaapplaats, pleisterplaats;

eig. avondrust

A 1 evening, evening time; 2 bivouac, overnight


stay; 3 eve of a feast, evening ceremonies
2 kummukku l
u nubattani i nisapsih qerbussu (<

*kummumku locativus; S prec. v. pasa hu `rust hebben';

factitieve S toch weer intransitief `rust vinden'; nubattu + sux ni `onze'; < *qerbumsu locativus`in zijn
binnenste'): `uw slaapvertrek zij onze slaapplaats, opdat wij daarin rust vinden' Ee-vi-52 (wens- of gebodsvorm, ook soms het presens, in afhankelijke zin vaak
weer te geven als zin van consequentie \en dan", \opdat", \zodat". Het gaat dan om een mogelijk gevolg,
bij feitelijk gevolg wordt de indicativus gebruikt)
K E nu-bat-ta-ni, nubattani (+ ni `onze') Ee-vi-52
E tus-bat tusb^at (G pres.2e p.enk.) BAM578-i-18
, (subst.) moe on, wild schaap; AHw eine Art Muf on;

bi-i[b]-ba-ku bibbaku (st.c.+ ku) erra-i-117
, (!waba lu `dragen'): hoogwater (van rivier), vloed;
nieuwemaan zie voorbeeld 3 (en verder) onder !waba lu
op pag. 251

b[u-ub-bi-l]m, bubbilum Ee-v-21


, (subst.) Eng.: plague
, (subst.; !waba lu `dragen'): gift
, G imp. v. !(w/b)aba lu `dragen' etc.
 un, !wab
, (subst.; vanaf OA, OB;
gun = gu
a lu
`dragen'): opbrengst, last, talent, manlast (60 mine, ong.
30 kg, %\gewichtseenheden"); afdracht, pachtsom (als
deel van de opbrengst); zie verder onder !waba lu op
pag. 251
F ^ na-si bi-il-tim nasi biltim CHx36
 bi-lat-su bilatsu (st.c.+su) erra-i-135
, subst. bij !ban^u `bouwen', `scheppen'; vr.mv. v.
!bin^utu `schepsel', `produkt'
F
bi-na-tu
s -
su
, bin^
atu
s
s u (pseudo-loc. vr.mv. +
CAD

bibbu

 

bibbulu

s2

bibbu
biblu
bil
biltu

n
bin^atu

!
) Ee-vi-107

bin^atu ,

su

(subst. bij !ban^u `bouwen', `scheppen'): (abstract) `gestalte', (concreet): `schepsel', `produkt',
`maaksel'

K I

Ee-vi-152

!V

bi-nu-ti-
su
-ma bin^
uti
s uma

(adj. + su+ ma)

bini , G imp.m. (vr. bin^, mv. bin^a, binia) v. !ban^u

,
(G imp.m.) Sil-C-86, Ee-v-20
binnu , subst. !bennu een ziekte
bnu , (subst.; vanaf oud-akk., OB; ( !shinig!
bi-ni bini

gi
s


s inig

):

tamarisk (een boomsoort)


1 ina bni quddusi, (D verb.adj. v.qad
asu `rein

z/w.'; elativisch): `met een (tak van een) hoogheilige


tamarisk' Sin1-20b

K !shinig! ina agis sunu gis sinig
2 ina m^e sun^e bni (betre ende een recept; wsl. wordt
bedoeld \zaden van : : :"): `met water van de kuisboom
(tamarisk)' BAM578-i-13

C( b

!shinig!

gi
s

BAM578-i-13

bintu , (mv. biniatu, bin^atu, !ban^u), enk.: `gestalte',


`vorm', mv. `ledematen'
bin^uta , (bij !ban^u `bouwen', `scheppen'; acc. adverbialis,
s inig

b
nu

een acc. van betrekking, die uitdrukt: \in het opzicht


waarin") `wat betreft gestalte/vorm/uiterlijk'
K bi-nu-ta, bin^uta (acc.adv.) Ee-vi-84
, (bij !ban^u `bouwen', `scheppen'; vr.mv. is bin^atu)
enk.: `gestalte', `vorm', mv. `ledematen'
, (voorz.; ook bri, beri, bari, ook als birt st.c. v. vr.vorm !birtu; vanaf OA, OB; OA alleen bari; V  F
dalbana): tussen;
AHw (bri) \zwischen"; CAD 1 between, amidst,
among, in common; 2 biri : : : biri (same mngs.)
}
+ suf x , in zijn/hun midden, tussen;
 v. rab^u `groot
1 ina brisunu s^
asu usrabbis(u), (SD
maken'), lett.: `te midden van hen maakte ze hem
groot' Ee-i-148
 is een zeldzame vorm die alleen in literai[De SD
re teksten voorkomt. De betekenis is meestal factitief, dus als D. De vormen worden gekenmerkt door
de toevoeging van een s tussen de preformatieven in
de D-stam: D pres. uparras )usparras; D pret. uparris
)usparris)]
2 d Kingu sa irtabb^
u ina brisun, (Gtn pret. subj. v.
rab^u): `K. die steeds groter in hun midden was geworden' Ee-iv-119
}
, uit (uit een groep)
V K bi-ri-su-nu, brisunu (+ sunu) Ee-i-148
V
bi-ri-
su
-un, b
ri
s un (+ 
s un) Ee-iv-119
, (subst.; st.c. birt) Eng.: interval, intervening
space; ext.: border area of the liver;
, (subst.; Ass. burku; mv. vaak in dualis; vanaf OB):
knie;
AHw \Knie"; CAD 1 knee, 2 lap (of human beings,
gods, and images) 3 (a euphemism for male and female
sexual parts)
1 usbamma birk
asu, (S pret. v. wasa bu; obl. dualis
zou zijn birk(n)su; nom. dualis: birka (n)su; hier acc.):
`hij [Abzu] ging op zijn knieen zitten' (voor zijn zoon,
zo blij was hij) Ee-i-54

bir-ka-a-
su
, birk
a
s u (acc.) Ee-i-54
, (subst.; vanaf OB;

nimgir): bliksem; CAD


1 lightning; 2 lightning bolt, thunderbolt (as representation of lightning)
Bliksem en bliksemschichten zijn godenattributen van
belangrijke goden, bijv. het embleem van Adad, maar

bin^utu
biri

ina bru

ultu bri-

birtu
birku

birqu

!8

C!

38

February 27, 2002 Hoofdstuk 2 Akkadisch vocabularium

ook (zoals in de volgende voorbeeld) van Marduk (vgl.


Jupiter en Zeus).
1 iskun birqa ina pansu, (G pret. v. sak
a nu): `hij
[Marduk] plaatste de bliksem voor zich' Ee-iv-39


, birqa (acc.) Ee-iv-39
, (subst.; ook bartu, berittu, bistu, bertu)
, (subst.; st.c. birti-; mv. bira tu, bira na tu) Eng.:
citadel, castle, fort;
, (!bar^u): `divinatie', (wichelarij)
, (<*btsu), !btu+ suf x su `zijn huis'
, !brtu, birtu
, (!basu^ `voorhanden zijn'): `bezit', `roerende goederen'; [pirs-type nomen (vr. pirist, %nominale typologie) geeft meestal de daad zelf weer (bijv. `zending' bij
`zenden') of dat wat eruit resulteert (bijv. \de zending
werd bij de grens tegengehouden"); nomina actioni van
eigenlijke ww. met betekenisovergang naar het concrete: bijv. siprum `zending' bij sapa ru `sturen']
1 bs qatsu, (q
a tu `hand'): `(en) zijn (overige) roerende goederen' CHx112
bi-is, bs (st.c.) CHx112
, stad,
uru ki uru
&
,
B
t-Karkara CH-iii-61
, (vr., maar geldt als m.), mv. v. !btu
, subst. !bata qu nadeel, schade, verlies; zie verder
onder !bata qu op pag. 35
, (subst.; st.c. bitiq) Eng.: opening (of a canal); divering (of water); cutting (zeldz.) (a measure/amount
(of silver, our))
, (adj.; !bara mu `bont z.') veelkleurig
, (zeldz. ww. Gt, niet in G) Eng.: to last, to be continuous

III. S-stam
(
, lex.) Eng.: to remain, to continue,
to make last;
, (Gt verb.adj. bij !bara mu `bont z.') bont
, (subst.; st.c. bt(i); mv. bta tu; in Ass. vaak het m.
mv. btu ; vanaf oud-akk.;
e):
1 huis, tempel;
2vertrek (in een huis) kamer, localiteit, 3 have en goed
(alle bezittingen), huishouden als economische eenheid;
vgl. Gr. o  ) eco-nomie \(staats-)huishoudkunde";
4 ook: familie (in vaderlijke lijn);
AHw \Haus"; CAD 1 house, dwelling place, shelter
(of an animal), temple, palace; 2 manor, estate, encampment (of nomads); 3 room (of a house, a palace,
a temple), cabin (of a boat), tomb; 4 container, repository, housing; 5 place, plot, area, region; 6 household,
family, royal house; 7 estate, aggregate of property of
all kinds
1 bssu <*btsu: `zijn huis'
2 ana bt sanm erebu, lett.: `het huis van een ander
binnengaan' ) `samenwonen met een andere man', `intrek nemen bij een ander' CHx133
}
,(
 eaba of ead), lett.: `huis
van vader' ) familie
3 bt mubbirsu: `have en goed van zijn aanklager'
(CHx2)
4 ina bt absa wasbat, (G stat. v. was
a bu `wonen'):
`zij woont (nog) bij haar vader thuis' (gezegd bijv. van
een juridisch reeds getrouwde vrouw in CHx130)
5 ana btsa t^
aru: `naar haar huis terugkeren', CHx131
(het huis van een getrouwde vrouw betreft altijd haar
eigen familie en niet die van haar echtgenoot; wsl. bet.

brtu, birtu

nim g
ir

birtu
bru
bssu
bistu
bsu

Bt Karkara

btatu
bitiqtu
bitqu
bitramu
bitr^u
bitrumu
btu

bt abi

im

sutebr^u

DC

de uitdrukking dat zij ook de bruidschat meeneemt.)

}bt emi , (zeldz.; emu `schoonvader', `vader van de


vrouw') bruiloft Eng.: wedding

}bt emu ti ,

het huis waar een bruiloft plaatsvindt Eng.:


house in which a wedding is held
}
, ( F ekurunna) lett.: lett. bierhuis; taveerne, kroeg
}
, (subst.; ook bt sikri; OA, OB, SB;
F ekurunna) bierhuis; taveerne, kroeg; CAD tavern, brewery
}
, raadhuis
6 d Asar-alim sa ina bt milki kabtu su
 turu miliksu
(nominale zin; kabtu stat. kabit + subj.u; S verb.adj.
v. wat
a ru met subj. u): `A. wiens raad in het raadhuis
gewichtig en uitmuntend is' Ee-vii-3
}
, tempel CHx32
}
, (subst.; du ru `stadsmuur', `vesting'; mv.
ba
 d): ommuurde stad,
bt du ra ni; F, SB*;
e
vesting; CAD fortress
}
, (subst.; makku ru `bezit'; OB, SB, NA,
n
NB, LB;
e
gga): voorraadkamer, schatkamer;
CAD storehouse, treasury
}
, (subst.; SB; nis.irtu `geheim', `het bewaarde', `schat' !nas. a ru `bewaren'): schatkamer; CAD
1 treasure house; 2 forti cation; 3 hyposoma
}
, (subst.; s.eru `vrije veld'; SB*; !edin! ):
tent; CAD pavilion, tent
}
, (tukla tu mv. v. tukultu `onderwerp van
vertrouwen'): toevluchtsoord
}
, (t.uppu `kleitablet';
 edubba)
school Eng.: tablet house, school, archive;
}
, Eng.: built-on property

bt sbim D
bt sikarim

bt milki

bt ili
bt duri

bt makkuri

DU?

bt nis.irti

bt s.eri
bt tuklati
bt t.uppi
btu epsu

, btim CH-ii-30


e

^ bi-tim, btim (gen.) CH-ii-66


, zie ook pu{, bu en pu zijn hetzelfde teken

, (subst.) Eng.: cheerfulness, prosperity
, (!waba lu `dragen'; subst. <*bilbulum; ook bumbulu <*bulbulu; vanaf OB): hoogwater
(van rivier), was op de rivier, hoge waterstand, vloed;
nieuwemaan, de periode dat de maan \weggebracht is"
naar de onderwereld. zie voorbeeld 3 (en verder) onder
!wabalu op pag. 251

b[u-ub-bi-l]m, bubbilum Ee-v-21


, (subst.; st.c. bubu t; mv. bubu  a tu, bub^atu) Eng.:
hunger, famine, sustenance

 bu
 bu
 ul):
, (subst.;

u
buil; AHw
\Eiter", \Eiterblaschen";

ta-mar sum-ma ububuul

bu{
bu aru
bubbulu, bublu, biblu

s2

bubutu
bubu tu


3 V }

babbar

 

1 tammar summa bubu tu pes.^


at (G pres.2e p.enk.
v.am
a ru `kijken' (OB-achtige schrijfwijze);
babbar,

is afgeleid van
, of:
, pictogram van de
opgaande zon aan de horizon en krijgt daardoor de betekenissen `dag', `wit', `stralend'; hier stat.vr. pes.^at `is
wit' of adj. pes.tu `wit'): `(na het aanleggen van een
compres met medicamenten) kijken/onderzoeken/inspecteren of de buil wit is' BAM578-i-8
[Uniek geval: de prognose (en mag je aannemen: de
therapie) wordt bepaald aan de hand van een proefneming en is dus afhankelijk van de ondervinding]



 
bubu tu BAM578-i-8
ud

 b
u
u b
u ul

39

February 27, 2002 Copyright Heise en Stadhouders, Akkadisch Vocabularium

budu , (subst.vr.; st.c. bud(i); dualis budan): schouder;


Eng.: shoulder
bukru , (subst.; st.c. bukur-, poetisch bukra-; OB, SB, NB,

LB): eerstgeborene, i.h.a. nakomeling, zoon (een litt.


term, maar in Westsemitische talen het gewone woord;
litt. vaak gewoon voor kinderen)
AHw \Erstgeborener"; CAD son, child;
1 Ansar d Anum bukrasu, (Anum subject, Ansar casus pendens): `Anum, Ansar's eersgeborene' Ee-i-15
2 ana il bukrsunu (st.c. + sunu) `aan de goden hun
kinderen' Ee-i-56
3 ina il bukresa: `onder de goden haar nakomelingen/kinderen' Ee-i-147

bu-uk-ra-
s u, bukra
s u (st.c. + 
s u) Ee-i-15
V
bu-uk-re-
s a, bukre
s a (st.c. + 
s a) Ee-i-147
V K bu-uk-ri-su-nu, bukrisunu (st.c. gen. +

sss Habb
) Ee-i-56

bull^u , (adj.; st.c. bullu-): bet. onbekend


bullut.u , (D v. !balat.u:) `genezen'
bult.u , !balat.u:
bulu , (subst.; vanaf OB; L 

s unu

): vee, groep

AHw \Getier",

\Vieh"; CAD 1 herd of cattle, sheep, or


horses; 2 wild animals (as a collective, referring mainly
to herds of quadrupeds)


1 b
u l d Sakkan
(bu lu `vee', `groep dieren'; d Sakkan
god
van de wilde dieren): gedierte des velds, ook gewoon vee

2 nesu u barbaru sumqut
u bu l d Sakkan
(SJstat v.
maqa tu `vallen', trans. stat.; S `afslachten'): `leeuw en
wolf slachten het vee af' erra-i-85

s5
s
bunnan^u !

erra-i-83
(st.c.) erra-i-77

bu-lum b
u lum

bu-ul b
ul

bunnann^u :

bunnann^u , (subst. pl. tantum; ook bunnan^u ; SB):

mv.

gezicht, uiterlijk voorkomen, uiterlijk;


AHw (bun
a n^u) \Gestalt", \Geschichtszuge"; CAD 1

general regiosn of the face (especially the eyes and the


nose) 2 outer appearance, gure, likeness, features
, bu nu : mv. gezicht, gelaatstrekken, omtrek, omlijning;
(hangt samen met !ba n^u)
, (subst.; ook bunnu ; bij ban^u; mv. bu nu ; vanaf
OB): mv. gezicht, gelaatstrekken omtrek, omlijning; (hangt
samen met !ba n^u) CAD A 1 (usually plural) features,
face; 2 plan, shape (of an object), appearance (of the
weather) 3 ana bu ni in view of,

bu-ni-
s u, b
u n

s u Sil-C-6
K bu-ni-su-nu, bu nsunu (bu nu /bunnu + sunu)

bunnu
bunu

ss bb
Sil-A-85

buqlu , (subst. ook buqulu; OA, OB, MB, SB, NB; !munu4!
): mout (ontkiemend gerst); CAD malt, green
malt, dried malt;
J>
p!munu4! 21 sla pappasi munu4
1
1 2 q^
a pappasi buqli (pappa su `brei', `gerstebrei', bijna
alle graan was gerst); ` 21 q^a moutbrei' BAM578-i-3

''

munu4

!munu4!

burasu ,

munu

buqlu

BAM578-i-3

burku
buru I


s im li

( >(

(subst.; vanaf oud-akk. OB;


; gis li;
gi
s

; simli;
;
s imli;
;
u

gi
s 
s imli):
jeneverbes; [Er zijn veel soorten jeneverbessen; sterk
aromatisch en ook als reukwaar in gebruik (wierook);
; li staat ook voor de jeneverbesstruik] CAD 1 juniper tree; 2 (an aromatic substance onbtained from

buru II

burtu

buru III

ma
s an
se

dieren;

the juniper tree)


J > ; 21 sla simli
1 12 q^
a burasa ` 21 q^a jeneverbessen' BAM578-i-3, 30
;

bur
a
s u BAM578-i-3, 30, 49
, (Ass. vorm voor !birku): `knie'
, (subst.; MB, SB, NA; mv. bu ru , NA: bu ru ni):
bron;
AHw I \Zisterne", \Brunnen"; CAD 1 pit, hole; 2 well,
pond, pool
, (subst.; ook pu ru; vanaf OB
amar): kalf, stierkalf;
AHw \Stierkalb", \Kalb"; CAD A 1 young calf, (without regard to sex) 2 male calf just before full maturity
(litt. only) 3 foal, kid (the young of quadrupeds)
}
, (subst.vr.; ook vr. bij bu ru `bron'; vanaf OB,
MA): koekalf; AHw II \Kuh";
d


, d Marduk CH-i-8
, (subst. < Sum.; CAD buru; zelden syllabisch,
meestal bur; oud-akk., OB. SB) bu ru, een oppervlakte maat; = 18 ik^u, ong. 64800m2 ;
r
bu
e, per buru-oppervlak CHx44
i
 , per b
u ru-oppervlak CHx44
, (subst.; !ber^u II ; NA) honger;
AHw IV \Hunger"; CAD starvation
, (subst.; onregelm. st.c. bussurat): Eng.: (good)
news, message
, (subst. ook bus.nu, bis.innu; U 
 lumma):
gizu
pit, lont; plantennaam: bus.innu-kruid
Logogram met moeilijke lezing; U gi qan^u `riet', afgeleid van pictogram dat riet voorstelt , Sum. gi
is `riet'; Ned. kanaal < Lat. canalis v. canna [riet]
< Gr. kanna [rieten mat] is verwant met het Sem.
woord qan^u, Hebr. qa ne; zulum(ma) suluppu `dadel'
(met steenachtige vrucht, die in een bolster zitten); Er
zijn drie lezingen voor de plantennaam gizulumma
(1 ) ku ru, (onderdeel van) een rietachtige plant; (2 )
kurs.iptu vlinder, een kruid met als dierennaam `vlinder': \vlinderkruid"; (3 ) bus.innu dat steeds in de betekenis `lont', `de pit van een lamp' voorkomt, dus de
(hennep-achtige) plant die daarvoor gebruikt werd;
CAD 1 (a plant) 2 lamp wick; 3 in bt bus.inni lamp
H
U

4
buru IV

amar utu

iku

iku
b
ur
e

bussurtu
bus.innu

numun

 

5V

5V


 lum ma
gi zu

5V

1 zer bus.inni `zaad van bus.innu-kruid' BAM578-i-19


U
 

bus
. innu BAM578-i-19

busanu , (subst. plantenaam; >


gi z
u lum ma

> }> > }

(?);

u


): wilde wijn

hab

a u-utu u hab u ak-tam



1 sammi-samsi b
usa nu aktam (lett. \zonnekruid",
niet onze zonnebloem): `zonnekruid, wilde wijn en wonderolie' BAM578-i-51

>
bust.tu

u


hab

b
u
s
a nu

(wilde wijn?) BAM578-i-51

, (subst.; later bult.ittu, Ass. balt.ittu; OB, SB; I


antibal): houtworm;
AHw \Holzwurm"; CAD (a wood-eating insect), wood
fretter, wood beetle
, (subst.; ook busu^, busiu, bij basu^; vanaf OB; P
7 nggal(la); in SB ook
n
g
s u): have, goed,
roerend goed, bezit;
AHw \bewegliche Habe", \Besitz"; CAD valuables,
goods, movable property

busu

Ub

40

February 27, 2002 Hoofdstuk 2 Akkadisch vocabularium

butuqq^u , (ook butuqqa u; !bataqu `afsnijden' etc.):

s> >

lies, aftrek, etc.

ver-

Sin3-59

butuqtu , (!bataqu `afsnijden') `kanaal'

(s }

cohortativus ,

bu-tuq-qu-
u butuqq^
u

i ni-pu-us, i npus (cohor. v. epesu) Ee-i-126


e

i ni-is
. -lal, i nis
. lal (cohor. 1 p.mv.) Ee-i-40,122
i ni-is-du-ud, i nisdud (cohor.) Ee-i-46

41

February 27, 2002 Copyright Heise en Stadhouders, Akkadisch Vocabularium

}da ma tu , (subst.; als adj. ook da matu, vr.mv. bij

(Voor woorden met d zie ook onder t. en vooral bij woorden


afkomstig uit het Hurritisch ook onder t).
verbale wortels naar von Soden's Akk. Handworterbuch

(niet alle trefwoorden opgenomen in deze vocabulair)




d q
nA voor
dgl
dag
a lu
d b
ook *d p,
*t
b
.

d/t

. 

*dmq
d
e qtu

dgr

d/ 2 m

da 
a mu I

d 1? s
.

d^
as
.u

dg
s

*dk
s

d ?m

da 
a mu II

dbb

dab
a bu

dhd

nA voor

*t
.hd

dbk

*tbk

dhh

*thh

dnn

dbq

dh


*dh u
,

da 
a pu,

dbr




d n




d 3p

d^
epu
dhr

dahru



dh u





dahu
^


dhs

duhhusu

d
n

di
a nu

II

dm

dab
a ru,
*dpr

dmm





dr






t
.h ,I,II

dar^
u,

dumm^
u,

der^
u,

*dw
u

*t

.r

dam
a mu

drk

*t
.mm

dar
a ku,
I,II

(d^
anu)

dmq

dam
a qu

(d
q)

*d q

dmr

*t
.mr

d

s

di
a
su

dms
.

dam
as
.u

drs

(d^
a
s u)

dm
s

dam
a
su

dr
s?

dk


dek^
u

dm
u

*dw
u

dkk

dak
a ku,

dn


dan^
u

d
s 1

de
su
^

dnn

dan
a nu,

d
s m?

du
s
s umu

d
sn

da
s nu

I,II;
*dqq

I|III

drr

dar
a ku,
I,II;*t
. rr

dar
as
.u
dar
a
s u?
t
s
.r

dkm

dak
a mu

dnp

*t
.np

d
sp

da
s
a pu

dk
s

dak
a
su

dpn

dap
a nu,

d
uk

d^
aku

dlp

*dlp

d
ul

d^
alu

dlq

dal
a qu?

dpp

*dbb

d
um

da 
a mu,

dl
u

dal^
u

dpr

duppuru,
d
ur

dr
I,

*dkk I

d
u
s

d

s

daq
a
su

dw
u

daw^
u

I,II.

*dbr,*t
.pr
dqq
dq
s?

II

daq
a qu,

d
u ru I

D-stam , gemarkeerd door verdubbeling van de middelste


radikaal en de preformatief-vocaal u- i.p.v. i- en a- in

pres., pret., en perf.


Betekenis: (1 ) in zowel toestandsww. als entische
(=aktie-) ww.: factitief, d.w.z. de causatief van de toestand van de G stat.
(2 ) in entische ww.: multipliciteit van de werking of
van het object. G: seberu `breken', D: subburu `verbrijzelen'
1 isbir, (G pret.): `hij brak' (een voorwerp);
2 usebbir, (D pret.): `hij brak' (vele voorwerpen), of:
`hij verbrijzelde' (een voorwerp)
Dt-stam , passief bij de D-stam. Er zijn sporenaanwijzingen voor het bestaan van een Dt2 als D van de Gt, zoals
 2 bestaat als S van Gt.
er ook een St

, (ww. van de i-klasse, zoals veel eigenschapsww.,
pd m , meestal
maar dit ww. soms ook u/u-klasse;
sterke alef; zeldzaam Bab. litt. woord OB):
I. G-stam (pret. id im, pres. ida um, stat. da um): donker z/w., donkerkleurig z/w.;
AHw I \dunkelfarbig sein"; CAD to become dark
} 
, G verb.adj., , (vr. da matu; SB; Q
mud;
dara4 ; vr.mv. als rode klei in gebruik
als kleurstof ook
!sig7! !sig7! imsig7 sig7 ): donker,

da amu

da mu, damu I

donkerkleurig
AHw

\dunkel";

CAD

dark-colored, dark red

da mu): duisternis
II. D-stam (  
, factitief): verduisteren (ook astron.: van de zon) AHw \verdunkeln";
II. D-stam (  
, elativisch): zeer donker;
AHw \sehr dunkel"

, (ww. i/i-klasse; NA, SB):
I. G-stam (pret. id ip, pres. ida ip, imp. di ip): neerwerpen, wegstoten;
AHw \wegstoen", \stoen", \anstoen";
CAD to push, to press, to knock over
}  , G part., , (met sterke alef)
1 d
a ipu zajjr, (G part.): `die vijanden neerstoot' Ee-

da apu, d^epu

du umu
du umu

da ipu

iv-30

}da jjpatu ,

die neerwerpt

2 d
a jjpat kala muttendi: `die alle samenzweerders (?)
neerwerpt' Ee-iv-56



da- -i-pu, d
a ipu (G part.) Ee-iv-30
!pad! da-ajji-i-pat, da jjpat (G part.) Ee-iv-56

O D s
O
dababu

, (ww. u/u-klasse; vanaf oud-akk., later OA en OB;


  kaka = du11 du11 ):
I. G-stam (pres. idabbub; pret. idbub, stat. dabib, imp.
dubub): spreken;
AHw II \sprechen", \reden"; CAD 1 to speak, to talk,
to tell, to relate; 2 to recite, to speak aloud; 3 to discuss a topic, to come to an agreement, to negotiate; 4
to plead in court, to litigate; 5 to complain, to protest,
to interfere; 6 to divise a plot, to conspire against somebody; 7 in itti (issi) libbi daba bu to ponder, to think,
to mutter to oneself, to worry;
II. D-stam (
): CAD 8 to make recite, to grumble, to pester a person, to complain to a person, to
entreat, to rave (said of a madman)
III. S-stam (
) CAD 9 to get (a woman), to talk
(to a stranger), to make somebody recite (a prayer),
to make somebody plaid a case, to make a statement,
to give cause to complain, to cause plotting
}
, (inf. als subst.; ook dabbu, dabu bu; vanaf OB;   kaka = du11 du11 ): redevoering, toespraak, gesprek;
AHw I \Rede"; CAD 1 speach, words; 2 statement, report, rumor, wording; 3 agreement; 4 plea, complaint,
lawsuit
1 tussa dab
a bu, (tussu `bedrog', `laster') kwaadspre-

dubbubu

sudbubu

dababu

N ss

ken

(G pret.mv.) Ee-vii-157

dabaru , (ww.; ook daparu):


}dabru, G verb.adj., (ook dapru; zeldzaam woord SB):
id-bu-bu idbub
u

agressief, woest;
AHw

etwa \aggressiv"; CAD erce, mighty


-me dabru ti: `woeste Stormen' Ee-i-143
D I da-ab-ru-ti dabru ti (vr.mv.) Ee-i-143
, (subst. < Sum.; ook dubd^u; in SB ext.
bad5 ,
bad5 bad5 ; triptotisch): nederlaag, bloedbad;
AHw \Niederlage"; CAD 1 defeat; 2 bloody battle,
massacre, carnage, a ray of battle, corpses on the battle eld
, (subst. bij daba bu `spreken') advocaat, aanklager;
AHw \Prozevertreter";
1 GN-d
a bib PN `GN-is-mijn-advocaat'
2 GN-d
a bib-ner PN met G imp. v. neru `doden';
`GN-dood-mijn-aanklager!'

u4

dabd^u

dabibu

42

February 27, 2002 Hoofdstuk 2 Akkadisch vocabularium

dadmu , (subst.; pl. tantum; gen. en acc. dadm^e, in OB

zelden SB ook dadm; vanaf OB): gehucht, dorp, nederzetting;


AHw \Ortschaften", \Wohnst
atten"; CAD the inhabitated world (settlements and inhabitants)
1 sar gimir dadme, (gimru `totaalheid'; dadme gen.):
`koning van al het bewoonde land' erra-i-1

da-ad-mi, dadm
 CH-iv-24,25,26

da-
ad-me, dadm
e erra-i-1,107
dagal , ( dagal onder meer = !rapasu `breed
z/w.'): rapsata (acc.) `breed'

[ -ta], (ers.eta) rapasta (acc.) (`de ganze

OO -ta

daga l

(aarde)') Sin1-7

dagalu , (ww. a/u-klasse)

I. G-stam Eng.: to look (at, upon), with ana, (ina) pa n:

to wait upon, to attend to, to belong to


: een Amoritische en West-Sem. god. Een belangrijke god van de stad Terga bij Mari; god van het graan;
in de Bijbel Dagon als god van de Filistijnen.

d Da-gan, d Dagan CH-iv-27,28
, (!d^anu, dia nu): rechter

Dagan

dajjanu

O CCCC
O
dajjanutu

(gen.) CH-xxiv-85
da-a-a-ni, dajjan (gen.mv.) CHx5
da-a-a-nim

dajj
a nim

, (suf x !{u tu, {u t vormt abstracta; !d^anu,


dia nu): `rechterschap', `ambt van rechter'
, (G part. v. !da  a pu: `neerwerpen'): `die neerwerpt'
!pad! da-ajji-i-pat, da jjpat (G part.) Ee-iv-56
, (ww. a/u-klasse, Ass. ook dua ku; vanaf OA, OB;

gaz; E
u
s ):
I. G-stam (pret. idu k, pres. id^ak, Ass. iduak, imp. du k,
stat. dk): doden, ombrengen, terechtstellen; bijv. G pres.
3e mv. idukku `(dan) zullen ze hem doden'; (voor dood
gaan, sterven !m^atu);
AHw \t
oten", \schlagen"; CAD 1 to kill (a person
or an animal); 2 to murder, to execute; 3 to break a
tablet; 4 to let (a date palm) die; 5 to defeat; 6 in d^aku
itti to ght;
1 idukk
usuma, (G pres. 3e mv. +su+ma): `dan zullen
ze hem terechtstellen' CHx21
I/2. Gt-stam (
, reciprook) CAD 7 to ght;
II. D-stam (
) CAD 8 to smite
III. S-stam (
, causatief): (iem.) laten vermoorden,
laten doden (door huurmoordenaar) bijv. mu ta usdk
`zij heeft haar man laten doden'; CAD 9 to have a
person killed
IV. N-stam (
, passief), bijv. N pres. idd^ak
<*ind^ak, `(dan) zal hij gedood worden';
CAD 10 to be killed
a id-da-ak, idd^ak <*ind^ak (N pres.) CHx1
, (ww. a/u-klasse): G stat. in de war zijn, troebel z/w.;
I.G-stam : (water) omroeren, vertroebelen ) verstoren, in
beroering brengen
AHw \tr
uben", \aufstoren"; CAD 1 to stir up, to roil
(water), to blur (eyes); 2 to disturb (persons, a country), to embarrass, to denounce, to interfere, to confuse, to make unintelligible (said of divine and royal
utterances)
1 dalhat Ti
a matma, (G stat. 3e vr.enk.): `T. was in de

war' Ee-i-109
2 dalh u
 nimma, (G stat. mv. +nim+ma): `zij verstoor a mat's binnenste) Ee-i-23
den' (Ti

dajjpatu

OD

d^aku

tiduku
dukk^u
suduku

NO

dalahu

*naduku

}libba (+ gen.) dala hu , (libbum `hart', `binnenste'):


iem. (gen.) in verwarring brengen

}karas (+gen.) dala hu , (karsu, karasu ook: `binnenste'): iem. (gen.) in verwarring brengen
II. D-stam (
, elativisch): totaal verward z/w.;
 , factitief): CAD 3 to disturb, to
II. D-stam (

dulluhu
dulluh u
hurry
} , D verb.adj., dulluh u, elativisch: totaal verward; [adj.

van het purrus-type, vr. purrust; %nominale typologie;


verb.adj. van de D-stam, vaak in gebruik ter aanduiding van lichamelijke gebreken; sukkuku `doof'; kubbutu
`zwaar', maar hier D elativisch]
}
, (term., adv.): verward, totaal verward, op
troebelewijze, op rusteloze wijze
III. S-stam (
, causatief), ook: verstoren, in be
roering brengen; CAD
4 to stir up, to disturb (poetic
only)
3 sudluh u
 karsakima, (S stat. mv. transitief!): `zij (de
winden) hebben uw binnenste verstoord' ) `zij hebben
u in de war gebracht' Ee-i-116
IV. N-stam (
, ingressief, passief): CAD 5 to be
come muddied, roiled,
blurred, to be or become troubled, confused, embarrassed, to be thrown into confusion
4 liddalham
a lihalliqa mehertasin (N prec.vr.mv. v.

a qu `kwijt raken'; mehertu
dala hu; G prec.vr.mv.
v. hal



`opbrengst'): `moge de [kolkende zeeen] vertroubeld
raken, en zo hun opbrengsten vernietigen/verliezen'
erra-i-70 (opbrengst is zeebanket: wier, vissen, schaaldieren)
V dal-hat, dalhat (G stat. 3e vr.enk.) Ee-i-109
VN
dal-hu-nim-ma, dalh u
 nimma (G stat. mv.



dulluhis

sudluhu

nadluhu

' V
}
bb }} 
dalalu I

+nim +ma) Ee-i-23

Ee-i-119

dul-lu-hi
s dulluhi
s

(D met terminativus {is)

N su-ud-lu-hu, sudluhu (S inf, locativus) Ee-iv-47


N su-ud-lu-hu, sudluh u (S stat. mv.) Ee-i-116
, (ww.) G stat.: armzalig z/w., armetierig z/w.;
AHw \k
ummerlich sein";
, (ww. a/u-klasse; ook tala lu; vanaf oud-akk.):
I. G-stam (pret. idlul, pres. idallal, stat. dalil, imp. *dulul): huldigen, prijzen, lof verkondigen, lof (be-)zingen; lof:

dalalu II

{ (be-)zingen
AHw

II \huldigen", \preisen"; CAD A to proclaim, to


glorify
}
, (subst.; NA dillu; meestal in mv.; vanaf OB;
|
katab(me
s )): huldiging, lofprijs;
AHw \Huldigung(en)", \Lobpreis" CAD fame, praise,
glory
1 dallka dal
a lu: `uw lof verkondigen'
2 dallka ludlul, (G prec. 1e p.enk.): `moge ik uw lof
verkondigen'; wens- of gebodsvorm, ook soms het presens, in afhankelijke zin vaak weer te geven als zin van
consequentie \en dan", \opdat", \zodat". Het gaat dan
om een mogelijk gevolg, bij feitelijk gevolg wordt de
indicativus gebruikt; (\dan zal ik"): `dan zal ik uw lof
zingen' Sin1-27, Sin3-69
 da-l-l-ka, dallika (+ ka; spell. altijd zo)

dallu

5c

Sin1-27, Sin3-69
e
lud-lul, ludlul (G prec. 1 p.enk. v. dal
a lu) Sin1-27
Sin3-69

dalapu , (ww. i/i-klasse; ook dalabu):

43

February 27, 2002 Copyright Heise en Stadhouders, Akkadisch Vocabularium

I. G-stam (pret. idlip, pres. idallip, stat. dalip, imp.


dilip): rusteloos z/w., slapeloos z/w.;
AHw

\aufstoren", \schlaflos sein"; CAD 1 to be or


stay awake, to be sleepless, to work ceaselessly, to continue to work into the night, to drag on, to linger on;
2 to keep (someone) awake, to harass

}dalpu, G verb.adj., slapeloos

1 k sa ameli dalpi `als een slapeloos mens, [z


o moe
zijn zijn armen]' erra-i-15

sudlupu) CAD 4 to harras


III. S-stam
(

}dalapis , (adv.: op de wijze van dalapu)

O Z

wakkere toestand

wakend, in

, dalapis (adv.) Ee-i-66


dal-pi, dalpi (adj.) erra-i-15
da-la-pi
s

dalpu , (G verb.adj. dalapu): `slapeloos'


daltu , (subst.) Eng.: door, door-leaf
d^alu , (ww.; a/u-klasse; OB, SB, NA):

I. G-stam (pret. idu l, pres. id^al, Ass. idual): ronddolen,


dwalen (om iets heen), drentelen, ijsberen, in rep en roer zijn,
rusteloos op en neer lopen; AHw \umhergehen", \herum-

laufen"; CAD 1 to wander about in despair, to prowl,


to disport oneself, to move (unnaturally)
1 il
u idullusu, (G pres. mv.): `de goden dwaalden om
hem [Marduk] heen' (wellicht om bescherming te zoeken) Ee-iv-63, 64
2 il
u idullu (G pres. mv.; in de opeenvolging pret.pres. , duidt de pres. vaak op een omstandigheid bij de
hoofdhandeling van het pret., de zgn. presens van de
omstandigheidszin) `(terwijl) de goden rusteloos heen
en weer drentelden' Ee-i-57
3 dulluhis tadull, (G pres. 2e p.enk.; dulluhis `totaal
 `jij doolt totaal verward rond' Ee-i-119

verward'):
4 urra u m
usi idullu, (verwacht id^ul; vorm idullu onduidelijk (geen mv.; geen subj.); lijkt erop dat hier pres
bedoeld is): `zij doolde dag en nacht rond' Ee-i-109
II. D-stam (
) CAD 3 to show indi erence;
III. S-stam (
) CAD 4 to show indi erence;

i-dul-lu, idull
u (G pres. mv.) Ee-i-57, 109?

i-dul-lu-
s u, idull
u
s u (G pres. mv.) Ee-iv-63,

dullu
sudl^u

 b

damamu
64

e
ta-dul-li, tadull
 (G pres. 2 p.enk.) Ee-i-119

;
, (ww. u/u-klasse; vanaf OB):
I. G-stam (pret. idmum, pres. idammum): klagen (als
klachten uiten)
AHw \jammern", \klagen"; CAD 1 to mourn
I/3. Gtn-stam
(
,
iteratief,
duratief; Gtn pret. iddammam, Gtn pres. iddanammam
of iddanammum): (steeds weer, gedurig) jammeren, klagen;
III. S-stam (
, causatief), CAD to cause to
mourne
}
, (subst.; zeldzaam SB): geweeklaag, gejammer;
AHw II \Gejammer"; CAD B moaning
1 mal
u duma n, (G stat. mv.): `zij zijn vol met gejammer'
du-ma-ni, duma n (mv. acc.) Ee-iv113
, (ww. van de i-klasse, zoals veel eigenschapsww.;

vanaf oud-akk.;
sig5 ; zelden
s a6 )
I. G-stam (pret. idmiq) G-stat. goed zijn, (ook goed zijn
voor in medisch/hygienische zin) gunstig zijn (ook van
voortekens),
, hij is goed;

ditammumu

dumanu

damaqu

sudmumu

damiq

AHw

\gut sein, werden" CAD 1 to improve (intrans.),


to prosper, to have good luck, fortune, to be propitious,
to be pleasing;
1 urh lidmiq, (G prec.; urhu `weg'): `moge mijn

 mijn levensloop goed
pad/levensloop
goed zijn', `opdat
is' Sin1-24b
II. D-stam (
, factitief): goed maken (reputatie); CAD 2 to improve (trans.), to embellish, to
make pleasing, to make prospitious, to be gracious,
to do a favor, to treat kindly, to approve, to do good
deeds, to execute eciency;
III. S-stam (
), CAD 4 to provide with propitious omens
}
, G verb.adj., , (< *damiqum; ook danqu, dequ;
st.c. damiq ; vr. damiqtu, deqtu, damqatu; vanaf OAkk;
sig5 ): goed, gunstig; AHw \gut"; [nomen/adjectief
van het paris-type, (vr. parist; %nominale typologie);
vaak als nominale formatie bij adj. of verb.adj., vooral
de vr. vorm: damiqtu `het goede', `geluk', `gunst'; kittu
< *kintu `waarheid']
CAD 1 good, ne, pleasant; 2 beautiful, handsome, 3
of good family, well-to-do; 4 expert, well-trained; 5 of
good quality, in good condition; 6 gracious, favorable;
7 propitious; 8 e ective; 9 canonical
}
, (als subst.; OA, Mari, SB;
sig5 ): CAD
good fortune, good luck, kindness
}
,
(subst.vr.; parist-nomen;
gesubstantiveerd; st.c. damiqti; vanaf OA, OB): iets goeds,
het goede (i.t.t. lemuttu `het kwade'); [nomen/adjectief
van het paris-type, (vr. parist; %nominale typologie);
vaak als nominale formatie bij adj. of verb.adj., vooral
de vr. vorm: damiqtu `het goede', `geluk', `gunst'; kittu
< *kintu `waarheid']
CAD 1 favor, good will, luck, fame, recommendation; 2
damqa ti goodness (in gen.), good relations, good news,
good luck
}
, (subst. m.; ook dunqu, na Oud-Bab. wordt
vaak m>n voor een dentaal of een s, s., q of k; vanaf OB;
sig5 ): het goede, reputatie, gunst, succes; [purs-type
nomen, vr. purust %nominale typologie; vaak voor abstracta uit adjectieven; pulhu `vrees'; dumqu `het goe
de', murs.u `ziekte']
AHw \Gutes", \das Gute";
CAD 1 good luck, good fortune, 2 favor, (divine) grace;
3 well-being, prosperity, fortune, pro t, fame; 4 recommendation; 5 gratitude; 6 beauty; 7 choice thing,
treasure, darling
2 igirr^e dumqi u msari, (igurr^
u `reputatie'): (bezorg
mij) `een gunstige reputatie van gerechtigheid/rechtschapenheid' Sin1-22 [Een heel algemene reden voor een
gebed, waarin de smekeling zijn nood klaagt en vraagt
om eerherstel, vooral bij superieuren, die soms expliciet worden opgesomd: god, koning en notabelen.]
}
, verkorte vorm van dumuqq^u
}
, dankbaarheid; en waar je dat mee concretiseerd: geschenk, dankgeschenk, dankbetuiging, dank
3 mn^
u dumq^ani ina mahrika (mn^u `wat?'; verwacht
 dumq^u verkorte (syncope)
dumq^uni, sux -ni `onze';
vorm v. dumuqq^u): `wat is ons geschenk ten overstaan
van u' = \hoe kunnen wij u bedanken" Ee-vi-50
}
, (subst.; st.c. tadmiqti, met suf x
tadmiqta-): renteloos voorschot; AHw \Gutmachung";

dummuqu

damqu

sudmuqu

damqu
damiqtu

dumqu

dumq^u
dumuqq^u
tadmiqtu

44

February 27, 2002 Hoofdstuk 2 Akkadisch vocabularium

O-O ?

Eng.: interest-free advance (for a business trip)


P da-mi-iq-tum, damiqtum Sil-C-41
P ^ da-mi-iq-tim, damiqtim CH-iv-56,57
dam-qa-am, damqam CH-xxiv-7
> I dam-qa-a-[ti] damq^ati (gen.) Ee-vii-81
> dum-qa, dumqa (acc.) Sin3-48
> dum-qa-a-ni, dumq^ani (+ni) Ee-vi-50
P lid-m-iq, liqmiq (G prec.) Sin1-24b

, (!da  a mu, da mu I ): `duisternis'
: godin, gemalin van !d Enki,
<
Sum. dam `echtgenote', gal `groot'; nun `vorst', damgal
`hoofdvrouw van de vorst'. Het logogram W nun verwijst vaak naar Enki's domein. d nun slaat op Enki,
ook het nun in Damgalnunna. vgl. bijv. nunki = de
stad Eridu d D. behoort tot de d nungalene: `grote
vorsten', een begrip voor een groep goden die ongeveer parallel loopt met de Akkadische term !Igigi.
De gemalin van Ea, Akkadisch equivalent van Enki,
is in Akkadische teksten meestal d Damkina genoemd.
Damkina is (quasi?) Sumerisch, `ware gemalin',

W F d Dam-gal-nun-na, d Damgalnunna

- C
C
?

da
matu
d Damgalnunna

-W

CH-iv-17,18

Damkina , een godheid,


-F d
,d
Ee-i-84
d Damu ,
da mu, damu I , (!da amu, damu I ): `donker'
damu II , (subst.; m.; mv. damu; CAD heeft damu; st.c.
d

dam-ki-na

Damkina

dam(i); vanaf OA, OB; zowel enk. als in mv. in gebruik), bloed;
AHw \Blut"; CAD 1 blood; 2 bloodshed, slaying,
blood money; 3 kin
1 imtu kma d
a mu : `gif i.p.v. bloed' (verwacht gen.,
in SB verdringt nom.mv. de obl.mv.)
2 s
a ru da msa ana puzra tim lbillu ni(m), (G prec.
vent. v. waba lu `(weg)dragen'; sa ru `wind' puzru `geheim'): `Moge de winden haar bloed naar het verborgene wegbrengen' (= brengen naar een plaats waar niets
van terug kan komen ) de \buitenste duisternis") Eeiv-32
3

da m luks.urma (G cohor.1e p.enk. v. kas. a ru `knopen';


of ook da mi in enk.): `ik [Marduk] wil bloed samenballen' (om samen met beenderen), daaruit de mens
de creeren' Ee-vi-5 (bloed en beenderen worden als de
basisingredienten gezien voor het lichaam)
4 d
a mesu iptar  u (G pret. met harde alef v. pet^u `openen'): `zij sneden zijn [Kungu's] bloed af' Ee-vi-32 (proleptisch voor: \zijn keel afsnijden zodat het bloed eruit
spatte") om daar vervolgens de mens uit te creeren:
5 ina d
a mesu ibn^a amelu tam (G pret. subj. v. ban^u):
`uit zijn [Kungu's] bloed schiep hij [Ea] de mensheid'
(volgens Marduk's plan) Ee-vi-33
= da-mu, da mu (enk.) (of da mu mv.) Ee-i-136

OOO a
O!
damqu
damtu
-}
dananu

mv. Ee-vi-5
(mv. + sa) Ee-iv-32
da-me-
su
, d
a m
e
s u (acc.) Ee-vi-32

da-mi d
a mi

da-mi
sa

of

d
a m


d
a m

sa

, (st.c. damiq , vr. damiqtu , !dama qu): `goed'


, laag aarde;
,

dam-tam damtam

Sil-C-111

B?

van de i-klasse, zoals veel eigenschapsww.;


pdnn, (ww.
Ass. ook da  a nu; vanaf OA, OB;
kalga):

G-stat. (danin): machtig z/w., krachtig z/w.;


1 danin, (G stat.): `hij is sterk', maar stat. vaak als
dan bij ww. met gelijke 2e en 3e radicaal.
I. G-stam (pret. idnin, pres. idannin): macht (hebben),
kracht (hebben);
AHw
CAD

\stark sein/werden", \machtig sein/werden";


1 to become strong;
II. D-stam (
): sterk maken;
CAD 2 to
strengthen, to increase, to reinforce, to make valid, to
speak severly, to deliver promptly, to bequeath
2 sigar
u udannina, (D pret. vent.; sigaru `slot'), lett.:
\hij versterkte grendels" ) `hij maakte sterke grendels' Ee-v-10
II/2. Dt-stam (
) CAD 2 to become stronger;
3 (with reduplicated nal radical) to become of even
thickness, to contend for superiority
}
, G verb.adj., , (vr. dannatu gesubstantifeerd,
zie hieronder; vanaf oud-akk.; OB gespeld als
da-num; status abs. dan, vr. da- -tu;
kal(ga)):
machtig, sterk; soms superlatief: de sterkste; van vloeistoffen: geconcentreerd, onverdund;
AHw I \stark", \m
achtig"; CAD 1 solid, strong, hard,
heavy, thick, massive, forti ed, steady, loud; 2 legitimate, binding, reliable; 3 strong, powerful, mighty,
great; 4 erce, savage, dicult, dangerous, serious,
grave, obstinate, dicult, dangerous, bad, tyrannical,
harsh, pressing, urgent, essential, imperative;
K lugal dan-nu
3 sarru dannu `machtige koning', ook superlatief:
4 d Nergal dannu ina il: `Nergal, de sterkste der goden'
5 ana dannim: `aan een sterker iemand' CHx34 (superieur, bijv. of cier t.o.v. soldaat, docent t.o.v. student)
6 gest.u
^ dannu `de sterke leidsman' Ee-vi-148
7 ina sasme danni t.u sub
a tni (G pret. subj. v. et.eru
`redden', `verlossen', `bevrijden'): `(die) in de harde
oorlog onze woningen redde' Ee-vi-150
8 ina qsi danni (qsu `struikgewas'): `in het dichte
bos, `in het ondoordringbare struikgewas' erra-i-71
S  !geshtin!
K
#

dunnunu

dutannunu

dannu

B? O5

B? 'B

d
su

ina

ge
s tin kal ga nu

pa-tan [nag]

9 tas^
ak ina kara ni danni la pata n isatti (S sud
G pres.2e p.enk. v. s^aku ` jnstampen'; gestin kara nu

B?

`wijn', `wijnstok';
kalga dannu `sterk', `geconcentreerd', `onverdund'; G pres.3e p.enk. v. sat^u `drinken'): `moet je jnstampen en met geconcentreerde/onverdunde wijn op nuchtere maag drinken' BAM578-i-31

}dannatu ,

*B?

(subst.vr. bij dannu; st.c. dannat; vankalag;


kikal;
salkalaga):
hongersnood, moeilijke tijden; militaire dienst;
AHw \das Starke", \Festung"; CAD 1 famine, distress, hard times; 2 fortress, forti ed place; 3 ground,
terrain, bottom of a foundation pit; 4 bad weather; 5
(a part of the lungs) 6 (a mark of the exta predicting
distress) 7 (a part of the construction of a window) 8
valid tablet,
}
, met geweld
}
, (adv.; vanaf oud-akk.): CAD 1 greatly, very;
2 severely
af

OA, OB;

dananis
dannis

45

February 27, 2002 Copyright Heise en Stadhouders, Akkadisch Vocabularium

}dannu tu ,

(subst.vr.; suf x !{u tu, {u t vormt abstracta; ook da nu tu; st.c. dannu t; vanaf OA, OB): vestingwerk;
AHw \St
arke", \Macht"; CAD 1 strength, power; 2
harshness, violence; 3 fortress
}
, (subst.) lett. `vaste grond', ook wel
`burgt' ) onderwereld een van de vele woorden voor
\onderwereld", \alles onder de aarde", \de wereld
der doden", maar soms gebruikt in tegenstelling tot
`hemel' en omvat dan vaak ook de aarde zelf, de wereld der mensen; er zijn tientallen woorden voor dit
begrip; vgl. ers.etu `aarde', saplis `onder', `wereld der
doden' met elis `boven', de wereld der mensen; AHw
\Unterwelt";
}
, (subst.; mv. dunna ti; vanaf oud-akk.): CAD
1 (physical) strength, power; 2 force, violence; 3 severity (of cold weather) 4 fort, forti ed home and area; 5
foundation, depth, rm ground, bedrock; 6 lump
}
, (subst.; st.c. tadninti, met suf x tadninta): AHw \Verstarkung"; Eng.: strengthening
F dan-na-at, (ina) dannat (sarrim) `in dienst van

dannnu

dunnu

tadnintu

B
BO
BO 5
BB
N(  O
dannatu B
dannnu
dannu B
OB 5
B(  O

de koning' CHx27
dan-nim,

(gen.) CHx34
(gen.) CH-xxiv-22
dan-nu-um, dannum CH-i-37,38
da-n
um, dannum, (oude orthogra e) CH-ii-23
K dan-nu, dannu, Ee-vi-148
dan-ni, danni, Ee-vi-150
F id-ni-na idnina (G pret.vr.mv.) erra-i-89
gi
s
gi
s

da-an-nim,
kakkim dannim
CH-xxiv-22
,
kalag; vr. v. !dannu

(ana) dannim

da-an-nim dannim

tukul

, (subst. bij !dana nu `sterk zijn') `onderwereld'


, ( kalag); vr. dannatu; !dana nu: machtig, sterk;
soms superlatief: de sterkste; van vloeistoffen: geconcentreerd, onverdund;
K dan-nu-um, dannum CH-i-37,38
da-n
um, dannum, (oude orthogra e) CH-ii-23
K

, Ee-vi-148
dan-ni, danni, Ee-vi-150

dan-nu dannu

CH-xxiv-22

gi
s

tukul

da-an-nim

d^anu, dianu , (ww.; vanaf oud-akk.):

gi
s

kakkim dannim

AHw

\richten"; CAD 1 to judge, to render judgement,


(mostly with dnu as object) 2 to start a lawsuit;
1 p GN-idnanni persoonsnaamGN-heeft-mij-gericht
II. D-stam (dunnu) CAD 3 to start litigation
IV. N-stam (
, passief) CAD 4 to be judged
}
, een oordeel vellen, een oordeel uitspreken, tot een oordeel komen, gerechtelijke uitspraak doen;
CAD 1 to judge, to render judgement,
}
, (subst.; Ass. ook da   a nu, dija nu; vr.
daja ntu, dija ntu; vanaf oud-akk., OA;
dikud
(kud = ku5 = tar); ook
ludikud); rechter;
[parra s-type nomen en adjectieven (%nominale typologie) voor beroepen in ruime zin (beetje participiaal);
ook gewoonten en zaken die men \pleegt te doen"; nappa hu `smid', dajja nu `rechter', sarra qu `dief', wassa bu

`bewoner',
`huurder']
AHw \Richter"; CAD judge

nadunu
dnam d^anu

(subst.; suf x !{u tu, {u t vormt abstracta; OB, SB, NB;
diku5 met fonetisch complement): rechterschap, ambt van rechter; CAD 1 status
and function as judge; 2 judicial procedure
}
, (subst.; mv. dna tu, dnia tu; vanaf oud-akk.,
OA;
di(ku5 )): oordeel, wettelijke zaak, vonnis,
gerechtelijke uitpraak, proces, rechtzitting; soms concreet:
wetsbepalingen; ook: orakeluitspraak, uitspraak,
speci
aal in de o er/leverschouw door Sama
s , de goddelijke
dajja nu. Hij heet daarom in o erschouwgebeden bel
dni(m).
AHw \Rechtsspruch", \Proze"; CAD 1 decision, verdict, judgement, punishment; 2 legal practise, law, article of law; 3 case, lawsuit; 4 claim (in the sense of
justi ed claim); 5 court (locality and procedure)
2 dn m
a tim: `recht over het land' (spreken)
3 ina dinim: in een proces-situatie, in een geding, in het

dnu

kader van een rechtszaak


4 ina dnim was.u
^: `ter rechtzitting verschijnen'
5 dn napistim: halszaak, `een zaak omtrent een le-

vensdelict', `een misdaad waarop de doodstraf staat'


6 dnam idn, (G pret., CHx5) `hij wijst vonnis'
7 dn kitti u msari, (kittu `recht'; msaru `rechtvaardigheid'): (gij [S^n] verschaft de zwakke) `recht' Sin3-45
8 dnum su
 rugumm^am ul su lett. `dit proces heeft
geen rechtseis' ) `in dit proces is de eis niet ontvankelijk' CHx123
9 innamar-dn-ili
persoonsnaamGods-vonnis-is-gewezen
F di-na-a-at, dina t (st.c. vr.mv.) CH-xxiv-1,2

C C
O CC
*daparu

di-a-nim di anim

(gen.), CH-xxiv-70

di-in, dn (st.c.) CH-xxiv-70, Sin3-45


K da-a-a-nu-um, dajja num CHx5
, (ww. D-tantum):
II. D-stam (
, ook dubburu) vertrekken, weggaan,
verhuizen, de wijk nemen, zich in den vreemde begeven;
AHw \sich entfernen"; CAD 1 to go away, to absent
oneself; 2 to expel (a person) to remove (an object)
II/2. Dt-stam (
, passief bij D) CAD 3 to be
removed
ud-da-ap-p-ir, uddappir <*udtappir

duppuru

dutappuru

}O

(D perf.) CHx30x31

I. G-stam (pret. idn, pres. id^an, idian): richten, rechtzitting houden, vonnissen;

dajjanu

}dajja nu tu ,

dararu , (ww.; OB, zeldz. in SB):

I. G-stam (pres. idarrar): de vrije loop krijgen;


AHw

I etwa \freien Lauf bekommen"; CAD A to become free (of a task), to move about freely, to run o
}
, (subst.; OA, OB, Mari, SB, NA, NB; ook
andara ru, indura ru, addura ru, in NA dura ru;
U amaargi): vrijlating, vrijheid bijv. nadat koningen schuldverplichtingen van tijd tot tijd vervallen verklaarden, zoals reeds in de oudste tijden voorkwam.
AHw \Zustand der Lastenbefreiung", \Freistellung von
Abgaben"; CAD remission of (commercial) debts,
manumission (of private slaves), canceling of services
(illegally imposed on free persons)
1 andurarsunu issakkan, (N pres. v. sak
a nu): `hun
vrijlating zal worden voltrokken' CHx117

K an-du-ra-ar-su-nu, andura rsunu

anduraru

Hb

(st.c. +sunu) CHx117

darasu , (ww.; i/i-klasse)

I. G-stam Eng.: to trample upon, to throw over, back

46

February 27, 2002 Hoofdstuk 2 Akkadisch vocabularium

dar^u, dariu , (adv.;

pdr, st.c. dar; vr. dartu, vr.mv.

daria tu; vanaf OB): durend, altijddurend; de stam is of


dari- of da ri-. Van Soden kiest voor -a - in verb.adj. en
part.
AHw \dauernd", \ewig"; CAD 1 everlasting, enduring,
perpetual; 2 durable, lasting
}
, (subst.; pl. tantum; ook da r^atu; vr.mv. bij
da r^u; vanaf OB): eeuwigheid;
AHw \Dauer", \Ewigkeit"; CAD eternity;
}
, voor altijd/eeuwig, tot in lengte van
dagen
1 ana d
a r^ati ludlul dallka, (G prec. 1e p.enk. v. dallu
`prijzen'): `moge ik voor altijd uw lof verkondigen';
wens- of gebodsvorm, ook soms het presens, in afhankelijke zin vaak weer te geven als zin van consequentie
\en dan", \opdat", \zodat". Het gaat dan om een mogelijk gevolg, bij feitelijk gevolg wordt de indicativus
gebruikt; (\dan zal ik"): `dan zal ik voor altijd uw lof
zingen' Sin1-27, Sin3-69
}
, voor eeuwig (da r is een status absolutus).
}
, (adv.; term.; vanaf OB): eeuwig; CAD forever
}
, (subst.; OB): CAD continuity, lastingness;

dariatu

ana dariatu

ana dar
dar^s
dartu

OOO }
O C
O
das.tu

da-ar d
ar

(status abs.), Sil-A-28

& da-r-is, da r^s CH-iv-21


& da-r-tam, da ritam, CH-i-21
& da-r-um, da rium, CH-v-1,2
& ^ da-r-a-tim, da riatim (gen.) H.Sip. 34
, (subst.)
p Eng.: deception
, (ww. d s. verba mediae Alef, a-klasse; vanaf OB):
I. G-stam (pres. id^as., mv. ida s.s. u ; pret. ida s., mv. ida s. u ;
stat. da s.): irriteren, kwellen, benauwen, plagen, chicaneren;
AHw etwa \drangsalieren", \bedr
angen"; CAD 1 to
treat with injustice, to treat with disrespect, 2 to dupe,
to cheat
1 issu m
a ru abb^esunu id^as.s.u, (G pret. v. sas^u; G pres.
v. d^
as.u, %pres. na pret.): `de zonen schreeuwden, en
kwelden daarmee hun vaderen' Ee-iv-79

i-da-as
as
. -s
. u, id^
.s
. u (G pres.) Ee-iv-79
, (denominatief: een ww. waarvan het subst. de
grondvorm is en die dan altijd primair toestandsww.
zijn; v. adj. !daspu)
I. G-stam : honingzoet z/w., zoet z/w. AHw \honigs
u
sein"; CAD to be sweet
}
, G verb.adj., , (SB, NB): honingzoet, zoet; AHw
\honigsu"; CAD sweet;
1 sikaru daspu: `honingzoet bier', `mede' (= een biersoort: door gisting uit gekruide honing bereide drank)
2 aqq^ka rest^
a sikara daspa, (<*anqi + ka, G pret. 1e p.enk. v. naq^u `offeren'; restu `het beste', hier als adj.
voor het subst.):
`ik heb voor u kostelijk en zoet bier geplengd' Sin1-20b
}
, D verb.adj., , (elativisch; vr. dussuptu; Ass.
dassapu; vanaf OB): gezoet, mierzoet; AHw \gesut",
\sehr su" CAD sweet;
3 sikar naspi dussupi ul ubbalu m^e n
a di (nasa pu
`wegblazen'; D pret. v. waba lu `dragen'; na du `leren
veld es') `[zelfs] mierzoet naspu-bier weegt niet op
tegen water uit de veld es' erra-i-58 een loflied op
de ontberingen van de miltaire veldtocht; naspu-bier
\doorblazen-bier" een betere kwaliteit bier, waain de

d^as.u

O
dasapu

daspu

dussupu

koolzuur (met een riet) is weggeblazen; op afbeeldingen


zie je Sumeriers wel bier drinken uit een riet;

O S 'b 

da-
a
s -pa da
s pa

erra-i-58

(acc.) Sin1-20b
,
(D verb.adj.gen.)

du-u
s -
s u-pi du
s
s upi

dasgarinnum , subst.; !taskarinnu, buksboom


daspu , (adj. v. !dasapu `honingzoet z/w.'): zoet
O S ' , (acc.) Sin1-20b
dasu^ , !desu^ `gedijen'
dek^u , (ww. zelden dak^u, ongebruikelijk woord; vanaf OB):
da-
a
s -pa da
s pa

I. G-stam (pret. idki, pres. idekke, idakke, stat. deki):


ww. met vrij algemene neutrale bet.: iets van iets verwijderen; doen oprijzen, tot opstaan brengen, ontketenen (van
strijd), opwekken, tevoorschijn roepen ) opheffen, wegjagen;
AHw \zum Aufstehen bringen"; CAD 1 to

move to another location, to remove, to clear away; 2 to make rise


and depart, to arouse (from sleep or rest) 3 to collect
taxes, etc., to summon ocials, to call up corvee workers, to mobilize, to raise, to lift up; 4 to call up soldiers
and dispatch them, to move troops (into battle); 5 (an
unidenti ed agriculural activity)
1 kapid libbakima dek^ ananta (trans. G stat. v. kap
a du
met object: G inf. st.c. v. dek^u; anantu `strijd'): `uw hart
beraamt het ontketenen van de strijd' ) `in uw hart
beraamt gij : : :' Ee-iv-78
@ sa udda de-kat
2 sa s.eta dek^
at (dek^at stat. v. G part. v. dek^u `te voorschijn roepen', hier ) `opheffen', `wegjagen'): `[kamille
en modder] die de hitte [koortsig symptoom] opheft'

U }O

BAM578-i-11

sudk^u
C V


III. S-stam
(

), zeldz.; Eng.: to persuade

(G inf. st.c.) Ee-iv-78


(G part.stat.) BAM578-i-11
e
a-de-ki-ma adekkima (G pres.1 p.enk.)

de-ki deki

de-k
at d
e kat

erra-i-123

d^epu, da apu , (!da apu `neerwerpen', `wegstoten')


desu^ , (ww.; vanaf OB):


I. G-stam : gedijen, tieren, ontspruiten; (gezegd van gewas-

sen, kuddes);
AHw \sprossen";

CAD 1 to be or become abundant,


(MB, SB, NB): overvloed CAD

}desu^, G verb.adj., ,

abundant, numerous; Een van de vele woorden voor


het begrip overvloed en rijkdom; vgl. desu^, hegallu,

his.bu, lul^u, masr^u, nuhsu, t.uhdu;



II. D-stam : rijkelijk voorzien, rijkelijk voorhanden doen zijn,
doen gedijen/ontspruiten; oreren, tot bloei brengen; tot
wasdom brengen; CAD 2 to make abundant, fertile,
to provide abundantly, lavishly; 3 Dt to become abundant, fertile
1 mudessu
^ urqti (D part. v. desu^; urqtu nevenvorm
van warqtu): `die groene gewassen doet gedijen', of:
`die de planten wasdom schenkt' Ee-vii-69
III/II. SD-stam CAD 4 to provide abundantly
=
mu-de-e
s -
s i, mude
s
s^
 (D part.) CH-iii-33
=
mu-de
s -
s u-u mude
s
su
^ (D part.) Ee-vii-69

bU C

dianu !

lid-de
s -
s
a-a lidde
s
s^
a

(Dt prec.vent.) Ee-vii-150

, ( d^anu `vonnissen')
, (subst.; st.c. dibbat; mv. dibba tu met enk. bet.;
bij !daba bu `spreken') Eng.: agreement
, (subst.; st.c. dikis; mv. diksu ) Eng.: wound, ext.:
severed part
, (subst.; ook dilibat) stad 40 km ten ZW van Babel,

dibbatu
diksu
Dilbat

47

February 27, 2002 Copyright Heise en Stadhouders, Akkadisch Vocabularium

huidige ruine heuvel Tell Delem; Laat Bab. muldilbad


de planeet Venus; veelal dil+bad in ligatuur E
ki
E
Dil-bat , Dilbat, CH-iii-19,20
, een vestingwerk Dimat-Enlil, dimat is st.c.
v. !dimtu
d  ki ,

c
 

Dimat-Enlil

JM

b
ad an za k
ar

d
ki
(Dimat- Ellil) , Sil-A-41

dimkurkurrra

ki

(stadsnaam

en l
il

Sum.:

mens wordt geschapen om het werk van de goden op


zich te nemen: `opdat z, de goden, rust genieten') Ee-

vi-8
3 mid dulli ilma il umtassir (G pret. emedu `zetten
tegen'; D perf. v. D-tatum mussuru, !*wasa ru): `hij

legde (de mensheid) de dienst/arbeid der goden op en


stelde de goden (daarmee) vrij' Ee-vi-34
4 dulla sa il miduni s^
asu (miduni rare vorm v.
emedu; Ass. subj. is op {uni, moet hier wel subj. zijn,
afhankelijk van ultu in r. 35; s^asu onafhank. pron.):
`(en toen) hij hem de dienst der goden had opgelegd'

nn H

dimkurkurra; dim `paal', `stut'; kur `land': \stut der

n nH

landen") naam voor de stad Babel;


ki
^



, dimkurkurrraki erra-iv-2
, (subst.; st.c. dimat; mv. dima tu;
 r): toren, nederzetting, district; Eng.: tower, foranzaga
ti ed area, settlement, district;
,
(subst.
< Sum.; SB*;
dingirug5 ):
dode god, de
dingirugg^u, een bepaalde klasse van doden. CAD dead
god; Vaak de oudste goden die ooit de heerschappij
hadden, maar die hun macht afgestaan hebben (soms
vrijwillig, soms als resultaat van een machtstrijd door
oorlog). vgl. de Titanenstrijd van de oudste goden in
de Griekse mythologie. De Mesopotamische dingirugg^u
waren hier een soort voorloper van.
1 ikmisuma itti dingirugg^e su
a ta imnisu, (G pret. v.
kam^u `binden' en G pret. v. man^u `tellen', `reciteren'):
`hij [Marduk] bond hem [Kingu] vast en rekende hem
tot de dode goden' Ee-iv-120


e (gen.) Ee-iv-120
5 -e dingirugg^
, (mv. dna tu, !d^anu): `oordeel' etc.
di-in, dn (st.c.) Sin3-45
, (subst., vr. en m.; leenwoord < Sum.; st.c. dipa r;
mv. dipa ra tu; OB, Mari, SB, NB; mv. dipa ra tu in SB,
en dipa ra nu, NB; izigar met det.
gi
s ): fakkel, toorts (om licht te geven)
AHw \Fackel"; CAD torch
1 sarhat dip
a raka (stat. vr. v. sara hu `prachtig',
 `uw fakkel is majesteitelijk' Sin1-6

`heerlijk')
2 atta dip
a ruma inat.t.alu nu rka (atta nominale zin `gij
zijt'; G pres.3e p.mv. v. nat. a lu `aanschouwen') `gij zijt
(dan) een fakkel en zij kunnen uw licht aanschouwen'

dimtu

dingirugg^u

dnu

diparu

?4

dingir ug

'' H V
erra-i-10


D

erra-i-10

JM

dim kur kur ra

(acc. + ka) Sin1-6


di-pa-ru-um-ma dip
a ruma (+ ma)

di-pa-ra-ka dip
a raka

diskarinnum , subst.; !taskarinnu, buksboom


dsu , (subst.; st.c. ds(i); mv. dsu): Eng.: green grass,
herbage, spring pasture, spring-(time)
di tu , (subst.; mv. di atu; bij e.d.^u) Eng.: notice, information
dullu , (subst.; m.; st.c. dulli-; vanaf OAkk; mv. soms dull


Ee-vi-36
5 dulli il
a ni midma sunu ippash u (G pret. v. emedu
+ 2 acc. `zetten tegen'; N pret. v. pasa hu `tot rust

 der goden
komen'): [de mensen] `die legde hij de arbeid
op zodat z rust kregen' Ee-vi-130

dulluhis

Ee-vi-8

}

dumanu
dumqu
dumq^u

Dumuzi
dunqu
duppuru

duru I

,


of dulla ti): werk; dienst, arbeid, werk, dienst, ritueel;


AHw \M
uhe", \Arbeit", \Dienst"; CAD 1 misery,
hardship; 2 corvee work, forced labor, royal service,
3 work (i.e., work to be performed, nished product,
material, compensation for work, technique, craft) 4
ritual, 5 medical treatment
1 Dulli-il
a ni, Dulli-il: dienst van/voor de goden (de
tempeldienst, cultus en zijn voorbereidende werkzaamheden, die goden aan mensen hebben uitbesteed; in
mythen de raison-d'^etre van de mensen.)
2 l
u endu dullu ila nima (G stat.prec. v. emedu): `moge
zij [de mensen] belast zijn met de arbeid der goden' (de

dul-lu dullu

; dul-li, dulli (acc.) Ee-vi-130


, (term. !{is; adv. v. D dulluhu, !dala hu `ver


troebelen')
`totaal verward'

dul-lu-hi
s , dulluhi
s Ee-i-119


, (!dama mu `jammeren'): `geweeklaag' `gejammer'
du-ma-ni, duma n (mv. acc.) Ee-iv113
, (!dama qu), het goede, reputatie, succes; zie verder
onder !dama qu op pag. 43
, (verkorte vorm v. dumuqq^u, !dama qu):
1 dumq^
ani (+ sux -ni): `ons geschenk' Ee-vi-50
> dum-qa-a-ni, dumq^ani (+ni) Ee-vi-50
, (subst.; H F sumununna) 4e maand in de
OB kalender, juni-juli
, < dumqu, m voor s,s., q of k wordt vaak n;
!damaqu
, (ww. niet in G)
II. D-stam Eng.: to go away, to absent oneself
duranki , l
logogram voor de stad Nippur.
Het is de Sumerische naam (lett.: de dur `band/schakel/spil' van an `hemel' en ki `aarde') en kan opgevat
worden als een epitheton voor Nippur, en wel speciaal
de citadel (de \acropolis") van Nippur.
, (subst.; m.; st.c. du r(i); mv. du ra nu ; vanaf oud d; mv.
 dba
 d en
akk.;
ba
ba
 dme
ba
s ): muur, stadsmuur, vestingwerken;
AHw I \Mauer", \Ringmauer", \Stadtmauer"; CAD
A 1 city wall, forti cation wall; 2 inner city wall; 3
fortress; 4 enclosure of a house; 5 (in names of parts
of the human and animal body)
b
ad

(acc.), H.Sip. 11,12


, du ra ni (acc.mv.) Sil-A-57

d
u ram

duru II , (subst.; st.c. dur(i)) AHw \lange Zeit", \Dauer";


Eng.: continuity, permanent status of property
dussupu , (adj.; st.c. dussup-) Eng.: sweet
b
adme
s

e{
e

, pre x voor pers. vnw. 1e p.enk. ik in werkwoorden


die met een alef beginnen en van de zgn. e-groep zijn
(woorden die beginnen met 3 6 , zie het paradigma
onder epesu). De klankwet (Umlaut) is: 3 7 a >e.
, vetitivus partikel (negatieve wens of krachtig verzoek)
\moge niet", voor een preteritumwerkwoordsvorm met

48

February 27, 2002 Hoofdstuk 2 Akkadisch vocabularium

een consonant. Historisch is het de ontkenning van de


precativus/ cohortativus en de imperativus. Voor een
vocaal is het vetitivus partikel ! a , ai, of aj, bijv. aj
imhur (pret. v. mah a ru) `moge hij niet ontvangen', aj
 (pret. v. mar
 a su) `moge ik niet ziek worden',
amras
.
.
e tat.rudassi (met pret. v. t.ara du) `moge U haar niet
sturen'/`stuur haar niet!'

CH-xxiv-92


Ea , (Sum.: dEnki): Ea de (water)god
,

DC

a-im-hur ai-imhur

Sum. enki, fonetisch meestal


e-a; de god van het vernuft en de
god `van het zoete water', de rivieren, meren, en het
ondergrondse water, de abzu, !Aps^u. Men dacht zich
een soort waterbasin onder het aardoppervlak waaruit onder meer het grondwater voortkomt. Vanwege
de connectie met water is Enki/Ea ook de god van de
wassing, reiniging en de witte magie. Ea heet bel nagb
Heer der bronnen en sar aps, koning van de Apsi . Op
rolzegels zien we de Aps^u als tempel met Ea zittend op
een schrijn waar water doorheenloopt. In de Iconogra e ziet men Ea tronend in de Aps^u, met waterstromen
uit zijn schouders.
Ea is de god van de wijsheid, die de mensheid goed
gezind is. Hij is god van de ambachten en kunsten. Ea
schept de mens in samenwerking met de moedergodin;
in het Enu ma elis-epos naar een concept van Marduk
uit het bloed van de overwonnen oergod Kingu.
a sis mimm^ama, (G part. v. hasa su): `Ea, die
1 d Ea h 
 Ee-i-60

alles weet'
2 melamm^esu itbala(m) (G perf. v. wab
a la of G pret.
v. tab
a lu `dragen'): `(en) hij [Ea] nam zijn [Mummu's]
melammu weg' (en neemt daarmee het goddelijke ornaat van Mummu over: en zo komt het dat Ea Mummu
heet (een epitheton van Ea) en in de Aps^u woont) Eei-68

}dEa (ster/sterrenbeeld)

3 manz
a z d Enlil u d Ea
ukn ittisu, (D pret. v. k^anu `vast maken'): `hij vestigde
de positie van (de ster/het sterrenbeeld) Enlil en van
Ea erbij/ernaast' (kennelijk bij Neberu) Ee-v-8
4 ultu amel
u tu ibn^u d Ea ersu (G pret. subj. v. ban^u;
ersu `wijs', `kundig'; epitheton van Ea): `toen de wijze
Ea de mensheid had geschapen' Ee-vi-35
5 ina nikl
a ti sa d Marduk ibn^a d Nudimmud (niklu
slaande op een gedachte, een concept, namelijk het
scheppen van de mens hier: `genie'): `met de kunstigheid van Marduk heeft Nudimmud (= Ea) het gemaakt' = `dankzij het genie van Marduk : : :' Ee-vi38 De naam Nudimmud werd oudtijds opgevat (volksetymologie) als `de bloedbouwer', `die van bloed iets
schept' (dm `bouwer', `vervaardiger'; mud `bloed'; nu
als lu een pre x `mens', `hij die')
d  , d Enki/Ea, CH-i-9,10
c
d e-a, d Ea, Sil-A-5, Ee-i-60 etc.


de-a er-su, d Ea ersu Ee-vi-35
, (tempelnaam;
 eabzu): Aps^u-tempel,
een tempelnaam (!aps^u = ondergronds water): Eabzu is de tempel in Eridu van de god !Enki/Ea, de
god van het (zoete) water: meren, rivieren, maar ook
de abzu, het ondergrondse water. De E-abzu is een van
de meest eerbiedwaardige cultus-centra van het oude
Mesopotamie en staat als nummer vier in een Babylonische tempellijst (1e millenium), die hierarchisch

DD CC
E-abzu

en ki

geordend lijkt (naar beroemdheid, kosmologisch belang of naar de veronderstelde oudheid). Deze lijst
bestaat uit drie kolommen. In de eerste staat de tempelnaam (eabzu), in de tweede een omschrijving (bt
d
e-a `huis van Ea') en met in de derde kolom een
geogra sche aanduiding (sa eriduki `die van de stad
Eridu')

 E-abzu
, Eabzu, CH-ii-1
, (tempelnaam;
F eanna): Eanna-tempel, de belangrijkste tempel van Inanna/Istar en An
(Anu) te Uruk. Zoals alle tempelnamen is dit Sumerisch Eanna met an `hemel' of de god `Anum' en na
afkomstig van -a de Sumerische genitief waarbij de n
van de inhaakspelling is, dus het Huis des hemels, Huis
van An. De naam werd reeds genoemd door Nara m-S^n
van Akkad en werd onder meer herbouwd door Ur
nammu en Sulgi.
Er zijn nog vijf andere tempels/heiligdommen met de naam eanna, onder meer in Girsu,
gewijd aan de godin Inanna

F E-an-na
, Eanna, CH-ii-42,43
, (tempelnaam;
ebabbar): E-babbar-tem

pel, de naam van de tempel van de zonnegod Sama
s
(Sumerisch utu) en zijn eega Aja in de stad Sippar;

ook de tempel van Sama
s en Aja te Larsa. De tem
pelnaam bevat het logogram utu, Sama
s , ook babbar pes
. u^ `wit': `het witte huis', `het stralende huis',
dus gra sch-etymologisch de naam van de god die er

woont. De Ebabbar van Sama
s te Sippar is een belangrijke tempel: staat als nummer twee in een Babylonische tempellijst (1e millenium), die hierarchisch
geordend lijkt (naar beroemdheid, kosmologisch belang of naar de veronderstelde oudheid). Deze lijst
bestaat uit drie kolommen. In de eerste staat de tempelnaam (ebabbarra), in de tweede een omschrijving


(bt d Sama
s `huis van Sama
s ') en met in de derde
kolom een geogra sche aanduiding (sa Sipparki `die
van de stad Sippar') De Ebabbar-tempel te Larsa staat
als nummer zeven.

D}

E-anna

E-babbar

D}
ebaru

, CH-ii-29,30


E-babbar
Ebabbar

, ww. Ass. vorm v. !eberu `overschrijden'


(ww. van de i-klasse, zoals veel eigenschapsww.;
p , b(b)
):
4
I. G-stam (pret. bib; pres. ibbib; perf. tebib, Ass. tabib)
G-stat. (ebi): puur z/w., heilig z/w., rein z/w.; rein soms
ook in de zin van `onschuldig' (dan meestal !zak^u);
AHw \licht sein", \rein sein";
II. D-stam (
, factitief): reinigen, weer rein maken,
voor onschuldig houden; `reinigen' heeft de jur. betekenis voor rein verklaren, d.w.z. voor onschuldig houden; AHw
\reinigen";
1 utebbibassu, (<*utenbibamsuma, D perf. +vent.
am +su): `hij houdt hem voor onschuldig' CHx2
}
, D part., : die rein maakt, etc.
} , G verb.adj., , (vr. ebbetu) rein, heilig;
 synonym !elelu, D: ullulu
 
u
-te-eb-bi-ba-a
s -
s u, utebbiba
s
su

ebebu

ubbubu

mubbib
ebbu

>x b
2 
eberu I

, (perf.D+vent. am +su) CHx2

<*utenbibam
s uma

mu-ub-bi-ib, mubbib (D part. st.c.) CH-i-66


, (ww. i/i-klasse, Ass. eba ru, soms als eperu)
I. G-stam : (pres. ibbir, pret. bir, perf. tebir) overschrijden; oversteken AHw \
uberschreiten";
I/2. Gt-stam (iteratief)
doorkruisen (bijv. van de

49

February 27, 2002 Copyright Heise en Stadhouders, Akkadisch Vocabularium

zee);
1 sa Ti
a mat rapasta tibbiru uzzussu (G perf. of
Gt pret. subj. < *tenbiru; uzzussu < *uzzumsu locativus, dus als ina uzzissu adv. `toornig'): `die de brede
Tia mat (oceaan) keer op keer heeft overgestoken in
zijn toorn' Ee-vii-74

III. S-stam
vent.: hierheen brengen
I D i-ti-ib-bi-ru tibbiru (Gt pres., Gtn pret.)


Ee-vii-74
x  D
Ee-vii-128
 D

i-te-eb-bi-ru 
tebberu

(Gt pres., Gtn pret.)

(G pres.mv.) Ee-vii-125

eberu II , (!abaru)
ebi , G stat. v. !ebebu `puur z/w.'
eblu , (subst.; st.c. ebel; E ) Eng.: rope, eenheid
van oppervlak = 6 ik^u = ong. 2.16 ha
eburu , (subst.; st.c. ebur; 6
) oogst, oogsttijd;
ib-bi-ru ibbir
u

e
s e3

buru14

zomer; AHw \Ernte", \Sommer"; Eng.: harvest(time),

crop, summer
1 ina eb
u rim: `in de oogsttijd' CHx111
6
u rim CHx111
14 , eb
, (adj. bij !edesu `nieuw zijn'; ook eddesu) immer
nieuw, verniewd
, (ww. u/u-klasse): G-stat.: scherp z/w., spits z/w.;
AHw \Spitzig s/w.";
II. D-stam (
, factitief): spits maken, in %hendiadys: zich haasten, iets gauw doen; AHw \spitzig s/w.";
Eng.: to be(come) pointed
, (ww. G allen in verb.adj.)
}  , G verb.adj., , st.c. edih Eng.: covered with
patches or a network
II. D-stam (
) Eng.: to cover completely with

(patches etc.) (patches
etc.)
, (ww. i/i-klasse)
I. G-stam (perf. tedil, Ass. etedil) afsluiten, vergrendelen, dichtdoen; AHw \verriegeln", \abriegeln"; Eng.:
to close, to lock (trans.)
II. D-stam (
, bet. als G), ook: afsluiten, vergrendelen, dichtdoen AHw \verriegln";
, (ww. i/i-klasse)
I. G-stam : bekleden (met 2 acc. voor `met wat' en
`wie'); AHw \bekleiden";
II. D-stam (
, bet. als G) bekleden (met 2 acc.)
II/2. Dt-stam (
, re exief): zich bekleden (met
= acc.)
1 su
^ u tadiq, (Dt pret.; su^ `zichzelf'): `en h [Ea] bekleedde zich er zelf mee' (met de zojuist afgepakte
kroon van Mummu; en zo komt het dat Ea sindsdien
het epitheton Mummu draagt) Ee-i-68
IV. N-stam (
, re exief): zich bekleden met; om-

eddessu^
ededu

buru

edehu
edhu
edelu

edequ

uddudu

udduhu

udullu

udduqu
utadduqu
nanduqu

hangen
2 nadiq
a kakk^ekun (N imp.vr.mv.; apocope v. -kunu

bezit. vnw.2e p.mv.) `bekleed u met uw wapenen' erra-

>
ederu
i-8

P u-ta-di-iq, u tadiq (Dt pret.) Ee-i-68


F
> na-an-di-qa nandiqa (N imp.mv.) erra-i-8
, (ww. i/i-klasse)
I. G-stam : omarmen, omhelzen; AHw \umfassen",
\umarmen"; Eng.: to hug, to embrace
1 d Mummu tedir kisadsu, (G perf.): `hij omhelsde
Mummu zijn nek' Ee-i-53
IV. N-stam (
, reciprook) Eng.: to embrace one

nenduru

another
{ i-te-dir, tedir (G perf.) Ee-i-53
, (ww. van de i-klasse, zoals veel eigenschapsww.;
gibil):
I. G-stam : nieuw z/w.; AHw \neu s/w."; Eng.: to
be(come) new
} , G verb.adj., , (adj. < *edsu; vr. essetu, soms
edistu) nieuw, vers; AHw \neu"; Eng.: new, fresh

edesu

essu

> &

u


 ku
u
s lagab gibil

1 irr^
u essu (

gibil ed
esu `nieuw zijn', essu
`nieuw', `vers'): `een verse/nieuwe colocynthis' BAM578i-38 [klimop-achtige plant met augurkvormige vrucht
van de familie der komkommerachtigen]
}
, (subst.; suf x !{u tu, {u t vormt abstracta;
bij essu): het nieuwe AHw \Neuheit";
2 t.uppam essam l
a ist.ur, (G pret. v. sat. a ru; t.uppu
`kleitablet'): `hij schrijft niet een nieuw contract'
CHx72+e
}
, (adj.; ook eddesu): immer nieuw, ver-

essu tu

eddessu^

nieuwd
3 d S^n eddessu
^: (de maangod) `S^n, die zich immer

vernieuwd' Sin1-1

uddusu

II. D-stam (

): vernieuwen, restaureren; Eng.: to


renew, to restore
4 luddis nar^eja u temenneja (D prec.) 'moge hij mijn
stele en mijn stichtingsoorkonde restaureren'
}
, D part., :
II/2. Dt-stam (
): nieuw gemaakt worden, zich

muddis

vernieuwen

}tedistu ,

utaddusu

vernieuwing AHw \Erneuerung";

5 b
a n tedistisunu (hier apocope ba n i.p.v. ba ni):
`[Marduk] die hun vernieuwing geschapen heeft' Ee-vii9 [de godencultus bewerkstelligt de vernieuwing/ver-

kwikking van het godenleven; De \vernieuwing" ondergaan zij door de gestage voedselvoorziening, waardoor
hun leven in stand blijft.]

x Nb
 }
x }
b
Sil-A-92

u
-t e-e d-de-
su u
 tedde
su

(Dt pres.)

lu-ud-di-is luddis (D prec.) YOS-ix-71,34


mu-ud-di-is, muddis (D part.st.c.) CH-ii-34
I K te-dis-ti-su-nu tedistisunu (+sunu) Ee-vii-9

e
s
s u (`nieuw') BAM578-i-38
, verb.adj. bij !edehu `bedekken'
 , !edu of !wedu `alleen'

=

edhu
edis
4 , Ee-i-118
edu , (latere vorm van !wedu)
gibil

e-di
s 
e di
s

enige

1 h
a ir ed^u atta, (h a iru `gemaal'; - `mijn'): `wees

 Ee-i-155
mijn enige echtgenoot'

}edis , (terminativus !{is achter adjectiva is meestal adverbiaal): enig (in zijn soort), alleen, uniek (soort
telwoord: de stam ed is in andere Semitische talen
`een', maar Akkadisch heeft daarvoor isten); afgezonderd, teruggetrokken, in afzondering
2 uggugat edis.s.isa, (D stat. v. ag
a gu): `zij alleen was
razend van woede' Ee-i-43

e-du-
u, 
e du Ee-i-155

444 >a
ed^u !

e-di
s

, ww.


e di
s

Ee-i-118
, edis(s)isa (+ sa) Ee-i-43

e-di
s -
s i-
sa

id^u, `weten', `kennen'

E-dubba , (tempelnaam; edubba)

Opslag Huis, ook gelezen als ekis ib(3) ba, Edubba-tempel, tempel van de

50

February 27, 2002 Hoofdstuk 2 Akkadisch vocabularium

god Zababa te Kis. Deze tempel staat als nummer


tien in een Babylonische tempellijst (1e millenium),
die hierarchisch geordend lijkt (naar beroemdheid, kosmologisch belang of naar de veronderstelde oudheid).
Deze lijst bestaat uit drie kolommen. In de eerste staat
de tempelnaam (edubba), in de tweede een omschrijving (bt d Zaba4 ba4 `huis van Zababa') en met in de
derde kolom een geogra sche aanduiding (sa Kiski `die
van de stad Kis')
, tempelnaam, een naam voor de tempel van
Enki/Ea, soms zo ongeveer synoniem met het !Eabzu
1 E-sarramma p
a nukka E-engurrama qatukka (loc. <
*pa numka i.p.v. ina panikka) lett. \het Esarra is voor
u" of \is in uw aangezicht" ) `E. is tot uw [Erra's]
beschikking en E. is op uw handen' erra-iii-D7 Hier is
het Esarra de woning van de hemelgoden, m.a.w. de
gehele kosmos, van zenit tot nadir, staat tot Erra's beschikking.

E-engurra

D HV
e elu



e-engur-ra-ma

p  l

, (ww. i/i-klasse; dubbelzwak


of
? ook
a a lu)
I. G-stam (pres. i  il, pret.  il(?), imp. e il) binden,
ook door een overeenkomst ) verplichten (door schuld);
aanbinden (bijv. v. dieren) [een van de weinige woorden
met twee alefs, de initiele en de expliciet aangegevene;
n.b. een dubbele alef wordt nooit geschreven, een enkele nog wel eens, maar meestal alleen als vocaalbreuk
a-u, u-i, etc.] AHw \binden", \anbinden"; Eng.: to
bind (by an agreement, by magic)

} 
,
(mv.

ook elletu) schuld, onbetaalbare
schuld (bedrag van
de schuld, maar ook de situatie van schuld ) schuldverplichting); het gaat hierbij om een schuld, die men
niet meer kan afbetalen (faillisement). Van deze schuld
kan men zichzelf niet meer bevrijden, maar moest men
worden losgekocht (!pat. a ru). Dit woord voor schuld
is later in de religieuze taal overgenomen met de betekenis `schuld', `zonde'; [nomen van het pirist(um)-type; %nominale typologie; met soms de betekenis van
een verplichting]: `dat je tot een schuld verplicht bent';
AHw \Verbindlichkeit", \Verschuldung";
1 e iltu is.bassuma, (<*is.batsu+ma, G pret. v. s.ab
a tu
`grijpen'), lett.: \schuld(en) grijpen hem" ) `hij raakt
in de schulden', CHx119, schulden waarvan de termijn
verstreken is en geen uitstel van betaling mogelijk is;
dus opeisbare schulden ) `hij kan zijn schulden niet
voldoen', `hij is insolvabel'
I
i-il-ti-
s u, ilti
s u, (st.c. gen. +
s u) CHx38
e-il-tum, e iltum (`schuld')
I
i-hi-il-ti-
s u, ehiltu CHx39


: e-hi-il-tu, ehiltu CHx117x119
, ook: i iltu, ehiltu, ihiltu, !e elu


, (tempelnaam;
egalmah): verheven paleis, de


 als Nin-Isinna van
tempel van de stadsgodin Gula
de stad Isin. Uit het Sumerisch: Egal `paleis' en
mah `verheven'. Ze heeft ook andere namen, onder
 Gula (<Sum. stat. determinatief v. gal; het gal
meer
uit Egalmah): `de Grote/Grootste'; Er zijn nog
vijf andere tempels/heiligdommen m met de naam

e iltu, i iltu, ehiltu, ihiltu

4 bb
4
e iltu


pj  l

(tempelnaam) erra-iii-D7

E-galmah

DW

egalmah



9

, CH-ii-54



E-gal-mah
Egalmah

egeru , (ww. i/i-klasse

pjgr of p  gr ):
3

I. G-stam : dwarsliggen, hinderen; AHw etwa \sich quer

daruberlegen";

}egru , (adj.)

dwarsliggend, zelfst. de dwarsligger AHw


\uber Kreuz", \quer liegend";
1 mu abbit egr
u ti za ir (D part.st.c. v. aba tu `vernielen'): `die de dwarsliggers (en) de vijanden vernietigt'
of (met attribuut voor subst.): `die de dwarse vijanden
vernietigd heeft' Ee-vi-154
P D I eg-ru-ti, egru ti Ee-vi-154
, !igirr^u `reputatie', `orakelwoord' etc.
, !igirr^u `reputatie', `orakelwoord' etc.
, G pret. 1e p.enk. v. !eg^u

egerr^u
egirr^u
egu
4 / , , (pret. 1ep.enk.), CH-xxiv-15
eg^u , (ww. -/u; dubbelzwak p g) G-stat.: nalatig zijn, bee-gu


e gu

hoeftig zijn (ana = `voor', `tegenover') Eng.: to become


careless, negligent, concerning: ana or assu
I. G-stam (pret. gi, gu; pres. iggi, iggu, in OB soms als
pret.) verwaarlozen, gebrek leiden; AHw V \ermuden",

\nachlassig sein"
1 bel btim sa g
u ma, (G pret. subj. + emfatisch -ma):
`de huiseigenaar, die immers nalatig was' CHx125
2 ana : : : l
a eg^u mana ma, (G inf.): lett.: `(opdat) niemand zou verwaarlozen' (voorafgegaan door: `opdat er
geen fouten gemaakt zouden worden') Ee-v-7
mana ma is hier subject in in nitief zin;
een in nitiefzin met subject, een constructie die het
Ned. niet kent, behalve in een archasch voorbeeld: `ieder meent zijn uil een valk te zijn', waaruit (na omzetting tot `: : :, dat zijn uil een valk is') blijkt dat uil het
logisch subject is;
}
, (subst.; suf x !{u tu, {u t vormt abstracta)
Eng.: negligence

eg^utu

4 // V
V
4
/>
egutu !
E-halanki
D
ehiltu, ihiltu, e iltu, i iltu !

PU

, (pret. 1e p.enk.), CH-xxiv-15


i-gu-ma, 
g
u ma (G pret. subj. +ma) CHx125
ig-gi-ma, iggima (G pres. +ma) Ee-vii-149
e-gu-
u, eg^
u (G inf.) Ee-v-7

e-gu


e gu

eg^u
, (tempelnaam, wsl. syn. met !Esangila)
 

e-hal-an-ki Ehalanki erra-i-128
 


, e elu `schuld'


, (subst.vr. zelden m.; st.c. ekal; met suf x ekalla; mv. ekalla tu; < Sum. egal, e `huis', gal `groot'):
paleis, koninklijk paleis, plaats van het koninklijk bestuur, soms vertalen met staat; [behoort tot de groep
van vrouwelijke substantieven zonder -t-, zoals de natuurlijke feminina als ummu `moeder', verschillende lichaamsdelen, zoals sepu `voet' en de woorden umma nu
`leger', harra nu `veldtocht', ekallu `paleis', abnu `steen'
en na ru`rivier'. Het meervoud wordt wel gevormd met
-a tu(m).] AHw \Palast", \Konigshof"; Eng.: (royal)
palace ba b ekallim ext.: palace gate the unbilical ssure
1 ekallum ipat.t.arsu: `de staat zal hem vrij kopen' (een
slaaf met losgeld) CHx32
, (ww. van de i-klasse, zoals veel eigenschapsww.)
I. G-stam donker zijn/worden; AHw \dunkel s/w.";
} , G verb.adj., , (vr. ekletu, vr.mv. ekletu): donker,
duister; AHw \dunkel", \ nster";
}
, (subst.; oorsponkelijk vr.mv. bij eklu?) duisternis; AHw \Dunkelheit", \Finsternis";
1 eklet l
a nawa rim: `een duisternis die niet (meer) op-

ekallu

ekelu
eklu
ekletu

51

February 27, 2002 Copyright Heise en Stadhouders, Akkadisch Vocabularium

klaart'

}uklu , (subst.):

donker; AHw \Dunkel";


2 d S^n munammir ukli: `Sin, die het donker doet op-

lichten', `die licht in de duisternis brengt' Sin1-2


; uk-li, ukli (gen.) Sin1-2
, (ww. i/i-klasse)
I. G-stam Eng.: to take away (someone of something
2acc.), to conquer, to annex, to snatch away, to absorb
}
, G verb.adj., (st.c. ekim-) Eng.: taken away etc.,
ext.: also stunted,stunted (ext.) atrophiedatrophied
(ext.)
, (tempelnaam; ekis nugal): Ekisnugal, tempel van de maangod Nannu/S^n in Ur. De Sumerische naam hangt samen met gis nu `licht' en gal,
het werkwoord `voorzien (zijnd) van', equivalent met
gar: huis waar het (maan-)licht is. Het is een belangrijke tempel en staat als nummer zes in een Babylonische tempellijst (1e millenium), die hierarchisch geordend lijkt (naar beroemdheid, kosmologisch belang of
naar de veronderstelde oudheid). Deze lijst bestaat
uit drie kolommen. In de eerste staat de tempelnaam
(ekis nugal), in de tweede een omschrijving (bt d S^n
`huis van S^n') en met in de derde kolom een geogra sche aanduiding (sa uriki `die van de stad Ur')

K P E-ki
s -nu-g
al, Eki
s nugal (tempel v. S^
 n te Ur)

ekemu

ekmu

E-kisnugal

CH-ii-20,21

ekkal , Ass. G pres. v. !akalu `eten'; verba primae Alef,


a-klasse; Bab: ikkal
ekmu , verb.adj. bij !ekemu
ekul , Ass.: G pret. v. !akalu `eten'; verba primae Alef,
a-klasse; Bab.: kul
E-kurru , (tempelnaam; D n ekur): de Ekur-tempel (huis

!Enlil in !Nippur. De tempel werd gezien als een van de belangrijkste: staat als
nummer een in een Babylonische tempellijst (1e millenium), die hierarchisch geordend lijkt (naar beroemdheid, kosmologisch belang of naar de veronderstelde
oudheid). Deze lijst bestaat uit drie kolommen. In de
eerste staat de tempelnaam (ekur), in de tweede een
omschrijving (bt d En-ll `huis van Enlil') en met in de
derde kolom een geogra sche aanduiding (sa Nippurki
`die van de stad Nippur')
Berg) van de oppergod

Dn

CH-i-62

*ek^u , (ww. niet in G)


}eku tu , (subst.; vorm is vr.enk. v.*ek^u K 


E-kur
Ekur

):
wees; [samen met almattu `weduwe' de typische rechteloze zonder bescherming van ouder of man, vaak met
weinig middelen van bestaan] AHw 1 in NB etwa \verarmung"; 2 Stand eines Madschens ohne Familie;
K

, eku tim (gen.) CH-xxiv-61
, subst. !*ek^u
, !eli (voorz.) op
, (adv. met sux, zeldz.) buiten AHw \auer";
1 ela s^
asu `buiten hem', `zonder hem';
7 e-la ela (adv.) Ee-vii-114
, vr.mv.; ook eltu, elijatu, !altu
7 I e-la-a-ti, el^ati Ee-v-11
, (ww. van de i-klasse, zoals veel eigenschapsww.;
 ; G-stat.: puur z/w., heilig z/w., rein z/w., zuiver z/w.,
ku
maagdelijk z/w., zonder smet z/w.; ong. syn met !ebebu;
vrij van schulden zijn; [i.h.a. alles wat met goden te ma-

ekutu
el
ela

4
el^atu
4
elelu

nu s
g

nu s
g

ken heeft; `rein zijn' heeft de jur. betekenis geen schuld


hebben] AHw II \rein s/w.", \frei sein"; Eng.: to
be(come) pure, clean, free of debt,
 , ook vaak
}
, G verb.adj., , (vr. elletu;
ku
!sikil, met klankwaarde el): rein, puur, heilig, glanzend, stralend  synonym ubbubu D v. !ebebu
AHw \rein", \frei", \hell"; Eng.: clean, pure, holy,
free,
1 ina qereb elli Aps^ibbani d Marduk, (N pret. v. ban^
u):
`in het reine/heilige Aps^u werd Marduk geboren' Ee-i82;
[het adjectief ellu komt vaak voor het subst.; misschien
vanwege het feit dat het hier logogra sch geschreven is
en kuabzu op te vatten is als een samengesteld logogra sch teken]
2 ta asu ellu, (verwacht acc. ellam; t^
u `bezwering'):
(hij maakte een) `heilige magische formule' Ee-i-62
3 ellu Anu `de reine Anum' [adjectief voorop geplaatst; komt een enkele keer voor, vooral bij epitheta,
wanneer de eigenschap een wezenlijk onderdeel is van
het substantivum; bijv. eristu Mami `de wijze Mami']
4 sa ukinnu ana il sam^e ell
u ti (D pret. subj. v. k^anu):
`die de reine hemelen van de goden heeft ingesteld' Ee-

ellu/ebbu

vii-16

II. D-stam (

u llulu

): reinigen, weer rein maken; `reinigen'


heeft de jur. betekenis voor rein verklaren, d.w.z. voor onschuldig houden, AHw II \reinigen"; Eng.: to purify,
to keep pure, to declare innocent, free (of debt), to
consecrate (to a god)
5 lillil sag^sunuma sunu l
u pash u (D prec.; sag^u

`kapel'; G stat.mv. v. pasa hu): `hij [Marduk]
reinige hun

heiligdom, opdat z rust genieten' Ee-vii-10
[wens- of gebodsvorm, ook soms het presens, in afhankelijke zin vaak weer te geven als zin van consequentie \en dan", \opdat", \zodat". Het gaat dan om een
mogelijk gevolg, bij feitelijk gevolg wordt de indicativus gebruikt]; In Ee-vii-10 gaat de lof op Marduk over
in een wens. Cultische onreinheid kan letterlijk vuilheid zijn. Vuil brengt onrust; de goden worden daarover boos. Er moet reinheid heersen en dit zal gebeuren
via het instituut de mens.
}
, D part., `die zuivert', etc.
6 d Namsub ilu ellu mullilu alaktini (D part., verwacht
st.c. mullil): `N. de reine god, die ons pad zuivert/ons
gedrag heeft gereinigd' Ee-vi-156
II/2. Dt-stam (
, passief of re exief): zich reinigen, gereinigd worden
7 l^
utellil ana ku, (Dt prec. 1e p.enk.): `opdat ik gereinigd worde', `moge ik mij reinigen' Sin1-26b
}
, (subst. ook tliltu; NA: telissu): reiniging;
AHw \Reinigung"; Eng.: puri cation
8 mukl telilti (D part. v. D-tantum kullu !*k^
alu): `die
reiniging vasthoudt/`houder van het reinigingsambt'

mullilu

u tallulu

teliltu

4 5 , , CH-iii-55, Ee-i-62
4^
,
(vr. gen.) CH-iv-22
4  I [ ], (vr. gen.) Ee-vii-16
4 
,
`reine hemel' Sin3-61
1 p.enk.)
9
,
(verwacht:
, Dt prec.
Sin1-26b
;P
,
(D prec.) Ee-vii-10
;
,
(D part.) Ee-vi-156
Ee-vii-19

el-lum ellum

el-lu-tim ell
u tim

el-lu- ti

ell
u ti

an-e k
ume
s


s am^
e ell
u ti

lu-ta-l
l l^
u tallil

li-lil lillil

mul-li-lu mulillu

l^
utallil

52

xP

February 27, 2002 Hoofdstuk 2 Akkadisch vocabularium

(gen.) Ee-vii-19

elenu , (voorz.; adv.; OB ook elianum, NB, LB ook el^anu,


te-lil-ti t
e lilti

als voorz. ook elen, ela n < el(u) + a n-um; voorz. met
suf x elenukka, etc. anta; ook  ugu):
\dat wat zich boven bevindt", boven; AHw \oberhalb",
\oben", \obendrein" Eng.: above, upstream, byond,
besides, in addition;
, (alternatieve locativus, typisch NB vorm <
elenussu < *elenumsu): bovenop;
1 s
a pik sad^ elenus Tia mat (G part. v. sapa ku `uitstorten'; sad^u `berg'): `[Marduk als d Sirsir] die het gebergte uitstorte bovenop Tia mat'
; K e-le-nu-us elenus (locatief) Ee-vii-70
, (subst.vr.; ook m.; st.c. elep, met suf x eleppa-;
mv. eleppa tu, elepp/ee tu; z gis ma): schip; [behoort tot de groep van vrouwelijke substantieven zonder -t-, zoals de natuurlijke feminina als ummu `moeder', verschillende lichaamsdelen, zoals sepu `voet'
en de woorden umma nu `leger', harra nu `veldtocht',
 `rivier'. Het meerekallu `paleis', abnu `steen' en na ru
voud wordt wel gevormd met -a tu(m).] AHw \Schi ";
Eng.: ship, boat;
, (ww. i/i-klasse) ontspruiten; AHw \sprieen";
}
, nakomeling, achterachterkleinzoon;
ontstaan uit de directe genitiefverbinding lip lpim >
liplippim, [de zgn. kwantiteitsmetathesis: bij verkorting
van lange vocaal ontstaat een dubbele consonant; vocaal en consonant ruilen hun kwantiteit;  en p ) i en
pp]; in later tijd geschreven als

 (g)
 (g), vanwege 
 =l
sa
sa
sa
b/p (< sa = libbu
`hart').
;
;
li-ip-li-ip-p, liplippi CH-iv-67
, (ww. i/i-klasse)
I. G-stam : jubelen, juichen; AHw \schwellen", \jubeln",
\jauchzen"; Eng.: to rejoice
} , (subst.; st.c. ulus.) vreugde; AHw \Jubel",
\Jauchzen"; Eng.: joy, rejoycing, exultation,
1 uls.a(m) epesu (epesu `doen'): Eng.: to rejoice, to
make love;
} , (adv. bij els.u): jubelend; AHw \jubelnd",
\jauchzend";
II. D-stam (
, bet. als S)
III. S-stam (
, causatief): jubelen laten, juichen laten;
T el-s.-is, els.is, Sil-C-68
, G imp. v. !el^u `hoog zijn', `omhoog gaan'
(voorz.) , (in litt. ook el; voorz. dat suf xen accepteerd
elsu etc.): op, boven, over; ook: tegen; `meer dan'
(comparatief) AHw \auf", \uber", \zu lasten von",
\gegen", \mehr als"; Eng.: on, upon, over, above, towards, against, byond, more than
1 eli m^
ati `over het land' bijv. in `wanneer de nieuwemaan over het land zichtbaar wordt' Ee-v-15
2 (sa) zikr p^su nusasq^
u eli ila ni ebbesu (< sasqiu
S pret. subj. 1e mv. v. saq^u S: `zeer verheven maken';
zikr p^su lett.: `uitspraken van zijn mond'; eli als comperatief gebruikt): `wiens bevelen wij hoger/belangrijker maakten dan (die van) de goden zijn vaderen' (of:
`: : : boven die van de goden hebben gesteld') Ee-vi-140
3 idnin
a eli emu qini (G pret.vr.mv. v. dana nu `sterk
z/w.'; eli als comperatief gebruikt; -ni bezit. vnw.
`onze'): [onze bogen] 'worden sterker dan onze kracht',

elenus

4
eleppu

elepu
liplippu, liplpu

eles.u

 

uls.u

els.is

eli
eli

ullus.u
su lus.u

`zijn te sterk geworden voor onze armen', `gaan onze


kracht te boven' erra-i-89
}
, `erop', (vaak elativisch) meer dan
}
, uitdrukking: meer dan vroeger
4 eli kalsunu d Anukki, (volgt op Gtn v. rab^
u `steeds
groter worden'): `groter dan alle goden' Ee-i-156
; e-li, eli, CH-iv-47
;
F e-li sa pa-na, ell sa pa na, Sil-C-12

, eli Ee-i-156

^
-tim, eli ers
. etim (+--tim) Ee-vii-69
, !el^u
, (< voorz. eli + suf x -ja) `op mij' !eli
, (< voorz. eli + suf x -ka) `op jou' (m.; vr. is elki)
!eli
, (adv.): boven; vaak duidend op de wereld der mensen,
tegendeel van !saplis `onder', de wereld der doden;
maar ook: qboven = `hemel' en `onder' = `aarde'; AHw
\oben", \noch dazu";
1 elis u saplis, lett.: boven en onder (vaak bedoeld
als overal, hemel en onderwereld);
2 En
u ma elis: `toen daarboven : : :' (de hemel nog
geen naam had) beginwoorden van het zogenoemde
Babylonische scheppingsepos
3 d Anunnaki gimratsunu elis u saplis (elis u saplis
als bijstelling bij A.; gimratsunu `hun totaal'): `alle
Anunnaki, boven en beneden', of (als bijwoordelijke
bepaling bij z^azu `verdelen' in r. 39): `(hij verdeelde)
alle Anunnaki (over de gebieden) boven en beneden'

elsu
el sa pana

44 a '

eliatu
ugu

ugu ki

elja
elka
elis

Ee-vi-40

Betekenis onduidelijk in volgende voorbeeld (v.Soden:


`luide', `luidkeels'):
4 mn^
a t.ubba ti elis nasatima, (G stat. 2e p.vr. v. nasu^
`dragen'; t.ubba tu `vriendelijkheid', `vrede'): lett. \wat
draagt gij luidkeels vriendelijkheid?" ) (?) `waarom
brengt gij zo luidkeels vrede ter sprake?' Ee-iv-77
5 qibtussu l
u su turat elis u saplis (S stat. prec. v.
wata ru `zeer uitmuntend zijn'; qibtussu pseudo-locativus: `op zijn bevel' heeft geen zin, we nemen het als
nom.): `zijn bevel zij boven en onder zeer uitmuntend'
Ee-vi-104 of (wens- of gebodsvorm, ook soms het presens, in afhankelijke zin vaak weer te geven als zin van
consequentie \en dan", \opdat", \zodat". Het gaat dan
om een mogelijk gevolg, bij feitelijk gevolg wordt de
indicativus gebruikt): `zodat zijn bevelsvoering in de
hemel en op aarde als de hoogste geldt'
; e-li-is, elis, (adv.) CH-xxiv-30

4
4y
elsu <
4 b
eltu I

e-li
s eli
s

(adv.) Ee-i-1, iv-77, vi-40, vi-104

( voorz. eli + su; vr. is elsa) erop, op hem; van


eli: `op'
;
e-li-
s u, el

s u, Sil-C-111
, (vr. v. el^u; ook el^atu, elia tu, elijatu): bovenste,
hoogste, bovenste deel van de mond, bovenwereld (= op
het aardoppervlak)
}
, lett.: \hoogste punt van de hemel" )
zenit; logogram anpa;
pa is oorspronkelijk een pictogram van een tak. Het heeft ook tak, stok als lezing
en pa = gidru hat.t.u `(herders-)staf', `skepter'; pa staat

dan ook voor ugula
= pa (w)aklu opzichter, iemand die
op zijn staf leunt. anpa zenit is het punt aan de hemel
(an) waar de staf naar wijst (recht omhoog); via `stok'
pa = s
g mah 
a su `slaan';
 . , ook: zenit;
}

el^at sam^e

el^at sa sam^e

'

53

February 27, 2002 Copyright Heise en Stadhouders, Akkadisch Vocabularium

}ela tu/eltu sam^e ,

zenit;

1 ina kabattsama istakan el^


ati (Gt pret. of G perf. v.

saka nu, Gt. temporeel intensief: `duurzaam vestigen';


kabattu `lever', `lijf', `binnenste'; el^ati hier als ellips?),
(beetje raadselachtig: -sa kan haast alleen maar op
Tia mat slaan, uit haar lijf worden hemel en aarde gevormd): `in haar binnenste vestigde hij het zenit' of
(van Soden:) `de bovenwereld vestigde hij in haar binnenste' Ee-v-11
2 res
a n elia tu, (Sum. idioom; resu `bovenste', `eersste', `beste') `opgewektheid', (lett. `opgeheven hoofd',
attribuut na dualis komt in 3e vr.mv.)
}
, (acc.adv.): hogelijk, luid, op hoge
toon
3 ana Tiamat elltamma izakkarsi: `en sprak Tiamat
op luide toon toe' (ma ter markering van het voorwerp
van informatie) Ee-i-36
4 issima Ti
a mat sitmuris elta, (G pret. v. sas^u;
sitmuris `onstuimig'): `zij slaakte luid en zeer woedend
een kreet' Ee-iv-89
;
el-li-tam-ma, ell
tamma (acc.adv. + ma)

elta, ellta

}V

44
ellatu

Ee-i-36

; e-li-ta, elta (acc.adv.) Ee-iv-89


7 I e-la-ti, el^ati (acc.) Ee-v-11
, (subst.; ook elletu, ellutu, illatu, zie illitu onder
!waladu) geboorte, herkomst, afkomst
, (adv.; !eltu I ) `op hoge toon'
, uitspraak van !Enlil
, !Enlilu tu
;
, (adj.;
ku
sikil; !el
e lu `rein zijn'): puur, heilig, glanzend, stralend; zie voorbeeld 1 (en verder) onder
!elelu op pag. 51

ellta
Ellil
Ellilutu
ellu

45
4^
4I
4 

, CH-iii-55, Ee-i-62
(vr. gen.) CH-iv-22
el-lu-[ti], ell
u ti (vr. gen.) Ee-vii-16
-e

, sam^e ellu ti `reine hemel' Sin3-61

el-lum ellum

el-lu-tim ell
u tim

ellutu , (subst.; ook elletu, ellatu, illitu, zie illitu onder


!waladu) geboorte, herkomst, afkomst
elu , nevenvorm v. voorz. !eli (de eindvocaal werd in later
an

k
u me
s

tijd als stomme-e uitgesproken en nu eens met -u dan


weer met -i gespeld)

4
el^u

e-lu elu

Ee-i-42

, (ww. -i; dubbelzwak) G-stat.: hoog zijn, verheven zijn


I. G-stam (pret. li, pres. illi, perf. teli, imp. eli): omhoog gaan, zich opwaarts begeven; ; AHw IV \aufsteigen",

\emporsteigen"; stat. \hoch sein"; \auftreten", \auftauchen"; Eng.: to go up, to ascend, vent. to come up,
to emerge, to appear;
} , G verb.adj., , (st.c. ele-; vr. eltu): hoog, verheven
AHw I \hoch"; Eng.: high, tall, exalted;
1 ibn^
uma ziqqurat Apsu elte, (G pret. mv. v. ban^u
`bouwen'): `zij bouwden de hoge/verheven tempeltoren
[bij de Esagila] naar (analogie van) de Apsu' Ee-vi-63
}
, G verb.adj. vr.mv., , (gesubstantifeerd vr.mv. v.
el^u): Eng.: addional sum,
I/2. Gt-stam (
, bij ww. v. beweging: seperatief,`weg
van'), (pres. telli), + ina , lett.: wegvliegen uit ) omhoog gaan van, uit iets weggaan ) verliezen verbeuren, verspelen, kwijtraken, verduisteren; AHw \hinwegsteigen",
\aufsteigen";
2 ina kaspsu telli, (Gt pres.): `(dan) zal hij zijn geld
kwijtraken' CHx35

el^u

eliatu

etl^u

I/3. Gtn-stam (iteratief, pret. telli); steeds weer omhoog


gaan;

! ' 4 4x

V
7
su ana pa-re-e e-te-ne-la-a
3 libbasu ana par^e etenell^
a (G inf. gen. v. par^u
`braken'; Gtn pres.vent. v. el^u in Gtn `steeds weer omhoog gaan'; zonder vent. tenelli, hier een Ass. 3e p.enk.
met e-): `tot brakens toe komt zijn maag steeds weer
omhoog' of vrij: `(indien een man zonder dat hij gegeten heeft) oprispingen heeft' BAM578-i-27
II. D-stam (
, factitief): hoog maken, verhogen, verheffen; verheven maken; AHw \erhohen";
4 sim
a t d Marduk ull^u sunu uskennu (D pret. mv.;
pres. mv. v. 4-rad. sukenu `zich neerwerpen'; omstandigheidspresens: \maakten zijn lot verheven, terwijl
: : :"): `zij gaven Marduk hoge lotsbestemmingen, terwijl z zichzelf ter aarde wierpen' Ee-vi-96
5 i nulli sumsu (D cohor. = i + pret. 1e p.mv.): `(komaan) laat ons zijn naam verhogen'/ `laten wij zijn
naam hoogmaken' Ee-vi-164
}
, D part., ;
} , D verb.adj., , elativisch: zeer verheven
6 ull^
uma ina il, (D stat., qua vorm ook D pret.): `hij
is zeer de verhevenste/hoogste onder de goden' Ee-i-99
III. S-stam (causatief; pres. uselle, pret. useli, perf.
usteli)

; i-te-el-li telli (Gt pres., ook Gtn pret.)



sa

ull^u

mull^u

ull^u

x4
4 C
44x x C
>>  >
C

 V
Elulum
CHx35

; ^

Sil-A-103, 104

e-li-a-tim eli
a tim

(3e vr.mv. acc.-gen.)

;
e-li-te, el
te (verb.adj. vr.) Ee-vi-63
7 e-te-ne-la-a etenell^a (Gtn pres.)

BAM578-i-27

CH-xxiv-66

u
-ul-li ulli

(D pret.), Sil-C-143
,
(D pret. 3e m.mv.)

u
-u[l]-lu-
u ull^
u

7 ul-la-a-am, ull^am (D inf.acc.) Sil-C-13


; u-ul-li, ulli (D pret.) H.Sip. 17
= ; , mu-ul-li, mulli (D part. st.c.) CH-??-42,43
K ; nu-ul-li i nulli (D cohor.D pret.1e p.mv.) Ee-vi-164
,

ul-lu-ma ull^
uma

(D stat.) Ee-i-99

, (subst.; ook Elu num; later Ulu lum;


g
d
e
kin inanna): in OB de 6 maand: augustus-september
, !Elu num
, (voegw.) Eng.: where(ever)
, (tempelnaam; 9 emah): Verheven Huis, een

 van de Moedergotempel,
in de klassieke theologie
din: Dingirmah/Belet-il/ninmah, onder meer te Ba
 van Umma (rivaal
bel. Ook de tempel
van god S ara
van Lagas) heette Emah (Er zijn bijna twintig andere
tempels/heiligdommen met de naam emah).

9 -mah, Emah, CH-iii-68,69
, (soms: Imar): een stad in Noord-Mesopotamie,
aan de bovenloop van de Eufraat, kruispunt van het
oost-west verkeer.
, (subst.; plantennaam; ook endu, imdu): een soort
Cypresse; (altijd groene naaldboom); AHw ein immergrune Zypresse;
J >


s im
1
s
la
im-di
2
1
1 2 q^
a imdi (imdu ook emdu een of andere Cypresse):
` 12 q^a cypresse' BAM578-i-3

Elunum
ema
E-mah

Emar
emdu


e

54

_
e[m-di
mun
e]me-sal-lim
2 emdi t. 
a bat emesallim (_ mun t. a bu `zout';
emesal `vrouwetong' met
sal `vrouw', maar
ook `dun', ` jn': \ jnproeverszout?"): een bepaalde
varieteit zout BAM578-i-48

s im

s im

im-di
imdi (gen.) BAM578-i-3

s im

e[m-di emdi BAM578-i-48


, (ww. i/i-klasse; OA, vroeg-OB a/u-klasse) G-stat.:
endu < emdu < *emidu [na Oud-Bab. wordt vaak m>n
voor een dentaal of een s, s., q of k]
I. G-stam intrans. (oppervlakken die elkaar raken): leunen tegen, zetten tegen, liggen langs, schurken tegen; over
elkaar heen liggen (in omina: van leverdelen); tegen elkaar
aanliggen (ook in vijandige zin: strijd leveren)
I. G-stam trans. iets ergens tegenaan zetten (2 acc.), opleggen (van boete), belasten; zijn toevlucht nemen tot; AHw
\anlehnen", \auferlegen"; Eng.: to lean against, to
tough, to cling to, to reach, to stand near/by, to place,
to lean (something against something 2acc.) to load,
to impose (taxes, punishment, etc.: acc.; on someone
acc.)
1 endmma, (G imp. 2e p.enk.; < emd + vent. -m +
ma; na Oud-Bab. wordt vaak m>n voor een dentaal of
een s, s., q of k), lett.: \leun tegen mij!" ) kom op!
2 l
u endu dullu ila nima (G stat.prec.; dullu `werk', `ritueel'): `moge zij [de mensen] belast zijn met de arbeid
der goden' (de mens wordt geschapen om het werk van
de goden op zich te nemen: `opdat z, de goden, rust
genieten') Ee-vi-8
3 mid dulli ilma il umtassir (G pret.; dullu
ook: `dienst', `arbeid'; D perf. v. D-tatum mussuru,
!*wasaru): `hij legde (de mensheid) de dienst/arbeid
der goden op en stelde de goden (daarmee) vrij' Ee-vi-34
4 dulla sa il miduni sa
^su (miduni rare vorm, Ass.
subj. is op {uni, moet hier wel subj. zijn, afhankelijk
van ultu in r. 35; sasu onafhank. pron.): `(en toen) hij
hem de dienst der goden had opgelegd' Ee-vi-36
}
+
, (tubqu `hol', `gat', `uithoek'
`schuilhoek'): in alle hoeken toevlucht zoeken
5 end
u tubqa ti, (G stat. mv. < emdu < *emidu ): `ze
hadden in alle uithoeken hun toevlucht gezocht' Ee-iv
s im

emedu

tubqati emedu

113

}arnam + emedu , (arnu ook annu `straf', `zonde'):

straf opleggen
6 annam med
usuma, (G pret. mv. +2 acc.): `zij leg-

den hem (die) straf op' Ee-vi-32


): bij elkaar klitten
), ong. als G trans.: aanleggen (iets
tegen iets anders, 2 acc.); Eng.: to lean, push, rest,
set something on, against something
III/2 St2 -stam (
): verenigen
7 s. 
a bam itti s. a bim sutemid: `verenig de troepen met
(andere) troepen'
Eng.: to bring into contact, to join, to unite, to add
IV. N-stam (
, passief), (N pret. innemid; soms
assimilatie van m>n: N pret. mv. innemdu >innendu ):
i.h.a. \tegen elkaar aan gaan zitten" ) leunen tegen,
belast worden, opgelegd worden; zich verzamelen, verenigd
worden, tezamen komen, tezamen groeperen, (in vijandige zin), samenzweren, de confrontatie zoeken, handgemeen

etmudu
ummudu

I/2. Gt-stam (
II. D-stam (

sutamudu

nenmudu

raken

February 27, 2002 Hoofdstuk 2 Akkadisch vocabularium

8 innen
u ma Tia mat d Marduk (N pret. mv.): `T. en
M. namen het tegen elkaar op' Ee-iv-93
}
, (subst.; vanaf oud-akk.): stut, steunpilaar,
sokkel; ook hele schrijn, heiligdom;
AHw \St
utze"; CAD 1 support; 2 (a piece of furniture)
3 cult platform, cult foundation, 4 (an astron. term);
5 (unkn. mng. in the name of a calamity)
c en-du, endu (< emdu), (G stat. mv.) Ee-iv-113, vi-8
e
c
en-di-im-ma, end
mma (G imp. 2 p.enk. vent.

nemedu

V
 bV
V
>
-m

) Ee-iv-86

ma

i-me-du-
s u-ma 
med
u
s uma

Ee-vi-32

(G pret.mv.)

i-mi-du-ni miduni (Ass. subj.) Ee-vi-36


E i-mid-ma midma (G pret. +ma) Ee-vi-130

 u-um-mi-su, ummissu <*ummidsu

,V

(D pret.) H.Sip. 23,24

*emequ , (ww.)

in-nen-du-ma innend
u ma

+ma) Ee-i-21, iv-93

n
e-me-du n
e medu

(N pret. mv.

Ee-vi-53

I. G-stam wijs zijn; AHw I \weise sein";



III/2. St-stam
(
): (vurig) smeken, bidden +
ana `tot'; AHw \inbrunstig ehen";
}
, St part., ;

sutamuqu
mustemiqum
}nemequ , (subst.; vanaf OB; O 
wijsheid, verstand, inzicht; synoniem met

  ):
!uznu; AHw
 zu
nam ku

\Weisheit"; CAD knowledge, experience, wisdom (referring to the body of experiences, knowledge, skills,
and traditions which are the basis of a craft or occupation, or form the basis of civilization as a whole),
skill, cunning
}
, G verb.adj., : wijs, verstandig; AHw
\weise", \klug";
=
mu-us-te-mi-qum, mustemiqum

emqu, enqu

4
ememu

t part.) CH-ii-19; CH-iv-65


(S
em-qum, emqum, CH-iv-7,8
= e-mu-uq, emu q (st.c.), Sil-A-37, 38

, (ww. i/i-klasse; Ass. ema mu; ni):


I. G-stam warm zijn, heet zijn; AHw \hei sein, werden";
F

di
s

U*


gaba-su

na

7
u sa-sal-la-su

ne me
s

1 summa amelu irassu u sasallasu emm


a ( ne
afgeleid van , pictogram voor vuurplaats, en staat
voor alles wat met `hitte' te maken heeft; ememu `heet
zijn', `ummu' `hitte', bahru `heet', `gaar'; hier ememu
`warm/heet zijn' (ook kum) hier G stat. 3e vr.mv.; of Gtn
itenemma ; in dualis krijgen predicaat en attribuut de
uitgangen vr.mv.; mes kan op mv. duiden of op Gtn):
`indien een man, zijn borst en zijn rug zijn heet' ) `hij
is koortsig' BAM578-i-50


emm
a (G stat.vr.mv.) BAM578-i-50
, tempelnaam; tempel van !Istar van
!Nineve

E-mesmes

ne me
s

D::

, Emesmes, CH-iv-61

Emete-ursag , tempelnaam, de tempel van de god Zababa



e-mes-mes

in Kis. Sumerisch: ursag `held' en emete heeft het Akkadische equivalent simtu `sieraad'.

s E-me-te-ur-sag
, Emete-ursag, CH-ii-62
, subst.; Ass. vorm v. !immeru `schaap'
, (ook enqu, !*emequ): wijs, verstandig
em-qum, emqum, CH-iv-7,8
= e-mu-uq, emu q (st.c.), Sil-A-37, 38

Dx ?
4

emmeru
emqu

55

February 27, 2002 Copyright Heise en Stadhouders, Akkadisch Vocabularium

emu , (subst.; st.c.met suf x triptotisch: emu-, eme-, ema-

) schoonvader (vader van de vrouw) Eng.: father-inlaw (wife'spfather)


, ( 2 w, !ew^u): `zich veranderen in', `worden tot';

i-te-mi, 
temi (G perf.) Ee-iv-88
 ): kracht,
, (subst. bij *emequ; NA ook ama qu;
a
strijdmacht; een woord voor \arm" en verschijnt daardoor wel in de dualis; AHw \Armkraft", \Macht",
\Gewalt";
1 ina em
u q rama n-: op eigen kracht
2 em
u qa n pungul, (dualis; <*puggal D pret. v. paga lu
`sterk z.', D: `zeer sterk'): `hij is zeer sterk in kracht'

em^u, ew^u

ensu

emuqu

Ee-i-18
3 em
u q la sana n, (sana n in status abs.): `ongeevenaarde kracht' Sin1-19
4 tamt.^
ati emu q(n), (tamt.tu `gebrek'): `vermindering
van kracht', `krachtverlies' Sin3-58 (in alle opzichten:

fysisch, mentaal en maatschappelijk)


5 idnin
a eli emu qini (G pret.vr.mv. v. dana nu `sterk
z/w.'; eli als comperatief gebruikt; -ni bezit. vnw.
`onze'): [onze bogen] 'worden sterker dan onze kracht',
`zijn te sterk geworden voor onze armen', `gaan onze
kracht te boven' erra-i-89
= e-mu-uq, emu q (st.c.), Sil-C-132
= e-mu-qan, emu qa n (dualis) Ee-i-18
 e-muq, emu q (st.c.) Sin1-19

444
N

, emu q(n) (dualis, mv.) Sin3-58


a

en , c
enmeli = ensi , c ;
}  , eig. G part. v. !sa alu `vragen' (om een
orakel); `droomuitlegger'
, (< emd), G imp.vr.enk. v. !emedu `leunen
tegen'
e
c
en-di-im-ma, end
mma (G imp. 2 p.enk. vent.

end

sa ilu

V
+

) Ee-iv-86

endu , subst.; plantennaam; !emdu


endu , < emdu < *emidu, G stat. mv. v. !emedu `leunen
-m

ma

tegen'
c en-du
p , endu (< emdu, G stat. mv.) Ee-iv-113, vi-8
, (ww. ? nn ): bestraffen (door goden); AHw \sundigen";
1 napsura enema (N inf. en G inf.): vergeving en be-

enenu

straf ng Ee-vi-131

(acc.) Ee-vi-131

enequ , (ww. <*janaqu; i/i-klasse),


en
e-na en
e na

I. G-stam :

zuigen (van kind aan de borst);


AHw
\saugen";
1 teniqma s.erret d istar
a ti, (G perf.; s.ertu, ook
s.erretu `tepel', `borst'): `hij [Marduk] zoog aan goddelijke borsten' Ee-i-85

III. S-stam
(
, causatief, ww. komt veel in de S
voor): zogen; AHw \saugen";
}
, (subst.; st.c. tenq) zuigeling; AHw
\Saugen", \Saugelohn", \Saugling"; Eng.: suckling
baby
I
i-te9 -niq-ma, 
t
e niqma (G perf.) Ee-i-85
, (ww. van de i-klasse, zoals veel eigenschapsww.)
G-stat.: zwak z/w.; bouwvallig z/w.;
I. G-stam (pret. nis, pres. innis verzwakken, vervallen;
AHw \schwach s/w.";
1 maqtu sa nisu, (G pret. subj.; maqtu `gevallene'),

tenqu

enesu

su nuqu

3V

lett.: `de gevallene waarvoor geldt hij is zwak' ) `degene die verzwakt is geraakt' (in sociale zin en niet
zozeer fysiek) Sin3-44
} , G verb.adj., , st.c. enis-; in ensu geen assimilatie van de n; komt regelmatig voor in verb.adj. met
tweede radix n, zoals ensum, kankum (`verzegeld') en
Sum. leenwoorden zoals Entum `hoge priesteres'; zwak,
(ook: de juridisch zwakke partij); bouwvallig; AHw I
\schwach"; Eng.: weak, powerless;
2 dannu u ensu: de sterke en de zwakke
3 dn kitti tusamhar ensa, (S pret. 2e p.enk. v.
 kittu `recht'): `gij [S^n] vermah a ru; dnu `oordeel';

schaft de zwakke recht' Sin3-45
[de goden nemen het op voor de zwakke en behoeftige, een algemene gedachte die later ook in de bijbel
(in legio psalmen) terug te vinden is. De tegenstelling
dat God geen erbarmen heeft met de aanzienlijken en
rijken is echter typisch bijbels]
II. D-stam (
): verzwakken (bijv. een koe door de
honger); AHw \schwachen";

i-ni-
s u, 
ni
s u (G pret. subj.) Sin3-44
c en-sa-am, ensam (acc.), CH-i-37,38
c
en-
sa
, en
s a (acc.) Sin3-45
, de (zoet)watergod (Akkadisch Ea, zie aldaar). Enki
is onder meer sar aps^, Koning van de !Aps^u en bel
nagb, heer der bronnen.
, Ellil, oppergod, de luchtgod, de tweede van de
vier hoofdgoden. De eerste is An (Anu), koning van de
hemel, de (stam-)vader der goden. Enlil is koning van
het aardrijk, het gebied tussen hemel en aarde. [Vergelijk: Enki/Ea is koning van de Aps^u, het gebied onder
de aarde. Enki/Ea deelt de macht over de onderaardse
domeinen met !Ereskigal, koningin van de onderwereld/dodenrijk.]
Enlil is voorzitter van de godenvergadering, bestemmer van de lotsbepalingen, degene die andere goden
toestemming moet geven, hij is de beschermer etc. Hij
is d enkurkur, en `heer', kur `land', dus Heer der Landen; het epitheton van Enlil. Hij is dus niet alleen
heerser over Mesopotamie, maar ook over alle vreemde
landen (alle gebieden met mensen). In het Enu ma-elisepos tablet 7, r. 136 staat abu d Enlil `vader Enlil' deze
(meest essentiele) waardigheid af aan Marduk.
1 d enkurkur sumsu ittabi abu d Enlil (ittabi <
*intabi G perf. v. nab^u) `vader Enlil ggaf hem [Marduk]
de naam Enkurkur' Ee-vii-136 Anu is de eigenlijke vader
der goden, vooral de stamvader; Enlil is van dezelfde
generatie als Anu, broer/neef?
}
(ster/sterrenbeeld) 2 manza z d Enlil u d Ea
ukn ittisu, (D pret. v. k^anu `vast maken'): `hij vestigde
de positie van (de ster/het sterrenbeeld) Enlil en van
Ea erbij/ernaast' (kennelijk bij Neberu) Ee-v-8
d  , d Enlil CH-i-3,4
c
d  l
d Enlil(la) (Sumerisme) ACh-Sin-i-5
c
a,
d
c


, d Enkurkur (Heer der landen)

aU b

Enki

Enlil

ennusu

Enlil

9nn9

Ee-vii-136

en l
l

en l
l

en kur kur

Enlilutu , (subst.; ook Ellilutu, Illilutu, suf x !{utu, {ut

vormt abstracta): Enlilschap, (de functie als die van


Enlil/Ellil), hegemonie, opperheerschappij; [Bijv. Marduk (als stadsgod van het steeds belangrijker wordende Babylon) krijgt in de loop van het eerste millenium

56

February 27, 2002 Hoofdstuk 2 Akkadisch vocabularium

van de goden die boven hem staan het Enlilschap over


het mensdom.] AHw \Ellil-wurde"; vgl. !Anu tu en
!Ea u tu;
d  -ut, d Ellil
c
u t (st.c.) CH-i-11,12
, tempelnaam, een tempel van Ningirru te Girsu,
ninnu = 50: huis 50.

E-ninnu

9}

en l
l

CH-iii-46

enqu , (< emqu G verb.adj. v. !*emequ): `wijs' etc.


ensu , (G verb.adj. v. !enesu): zwak, bouwvallig;

E-ninnu

Eninnu

1 dannu u ensu: `de sterke en de zwakke';


zie voorbeeld 2 (en verder) onder !enesu op
pag. 55
c en-sa-am, ensam (acc.), CH-xxiv-59
c
en-
s
a, en
s a (acc.) Sin3-45
, (subst.; vr. v. enu < Sum.; geen assimilatie van
de n; komt regelmatig voor in verb.adj. met tweede
radix n, zoals ensum, kankum (`verzegeld') en Sum.
leenwoorden zoals Entum `hoge priesteres';

nindingir(ra)) priesteres (van hele hoge rang), CH x110
x127 x178f. Het logogram staat ook voor !ugbabtu, een
iets minder hoog geplaatste priesteres; voor `verblijf
van de entu-priesteres' !gipar(r)u; AHw \hohe Priesterin"; Eng.: high priestess;


, entim (gen.) CHx127
, (vr. !entu)
e mill. graag met het de, (subst.;
igi, in het 1
terminatief
ii voor de dualis; vr.mv. 
e na tu) !nu
`oog'
1 4 igiII -su
 = erbe enasu (dualis erbe, acc. nu), lett.
`4 zijn zijn ogen', `zijn ogen zijn 4 in getal' Ee-i-95

entu

enu
enu

nin dingir

:!

II

en^u , (ww. i-klasse):


4

igi

-
su


erbe en
a
su

(\4 zijn zijn ogen") Ee-i-95

I. G-stam (pres. inni; intrans.): veranderen,


I. G-stam (trans.), wijzigen; AHw III \umwenden",

\andern"; Eng.: to change, to revert, to revoke


1 wark
a numma dinsu teni: (over een rechter, CHx5)
`en later/daarna zijn uitspraak verandert/wijzigt'
I/3. Gtn-stam (iteratief) steeds veranderen;
f

K
mu
s me
s -
s u i-te-nen-nu-u
2 zm
usu tenenn^u (Gtn pres. v. en^u `veranderen'; f

mu
s z
 mu `gelaat'; er zijn veel uitdrukkingen voor het
veranderen van gezicht. bijv. bij boos worden, hier misschien van kleur? vaak als symptoom van pijn): `zijn
gelaat vertrekt' (van pijn) BAM578-i-29
IV. N-stam (
, passief)
3 l
a innenn^a qibtka, (N pres. vent.; qibtu `bevel'):
`uw gebod zal/kan niet veranderd worden' Ee-iv-7
4 k^
ata qibtka la innenn^a, (N pres. mv. vent. < -ia(m);
k^ata is proleptisch t.o.v. {ka): `wat u betreft: uw bevelen mogen/kunnen niet veranderd worden'Ee-i-158

F in-nen-na-a, inenn^a (N pres. vent. -a(m))

x,

!

nan^u

, C
Ee-iv-7
,FC
Ee-i-158
x,K
BAM578-i-29

in-nen-na-a

innenn^
a

i-te-nen-nu-u 
tenenn^
u

(N pres. mv. vent.)


(Gtn pres.)

(G stat.vr.) Ee-vii-151

enuma (voegw.) , (!inuma; ook inu; voegw.):


e-na-at en^
at

V
4
V
enutu, Enutu
toen

K
K

,
,

i-nu-ma in
u ma

e-nu-ma en
u ma

, suf x

CH-v-14,15, Ee-i-1
Ee-i-113

wanneer,

!{utu, {ut vormt abstracta;

I:

abstractum < Sum. en een bepaalde priester, maar


heeft meer betekenissen, in Akk. en alleen `heer'
II: < !Anu tu en !belu tu, abstractum: `En-schap',
`En-waardigheid', heerschappij, opperheerschappij, dominantie AHw 1 \Herrschaft"; 2 \Stellung des hohen
Priesterin";
1 en
u ssu lu su turat (S stat.prec. v. wata ru `uitmunten'): `zijn heerschappij zij zeer uitmuntend' of (consecutief met het volgende): `moge zijn heerschappij zo
uitnemend zijn, dat (hij zijn gelijke niet heeft) Ee-vi-106

K I d e-nu-ti, d Enu ti (gen.) Ee-iv-82
K
 e-nu-us-su, enu ssu (< *enu tsu) Ee-vi-106
, (subst.vr.; ook ezzum, inzum, izzum; mv. enzetu;
z uz): geit; mul enzu astron. sterrenbeeld de Geit
ong. het huidige sterrenbeeld Lyra (De Lier), dat geldt
als het astrale evenbeeld van Gula, de godin van de
geneeskunst; AHw \Ziege"; Eng.: she-goat, Lyra
z
ana igi mul uz gar-an
1 ana mahar mul enzi tasakkan (mul enzu ook: ezzu,
 `Geit'; men kent ook de associatie gal-geit,
sterrenbeeld
zoals blijkt uit bezweringen; `voor het sterrenbeeld
Geit neerzetten' betekent tenminste een hele nacht laten staan en is als zodanig dus een variant op de uitdrukking ina kakkabi tusb^at, S pres. v. b^atu): `voor Enzi
moet je neerzetten' BAM578-i-40
z mul mul enzi BAM578-i-40
, ww. !eberu `overschrijden'
, (subst.; LB ook ipiru; st.c. eper; mv. ep(e)ru
vaak met enk. bet.; /r/ klank verhindert soms elisie
voorafgaande vocaal, vgl. zikaru, eperu, labiru, asaredu
 , /r/ klank verhindert soms elisie
etc.;
saharha

voorafgaande vocaal,
vgl. zikaru, eperu, labiru, asaredu
etc.) stof, losse aarde (ook in mv.); AHw \Erde",
\Staub"; Eng.: dust, (loose) earth
V e-pe-ri, eper (gen.mv.), H.Sip. 13
V e-pe-ri, eper (gen.enk.), Sil-C-137
, (ww. i/i-klasse)
I. G-stam : onderhouden, de kost geven, verzorgen; AHw
\verkostigen", \versorgen";
} , (subst.; st.c. ipir; mv. ipru;  seba): levensonderhoud; AHw \Gerstenration", \Verp egung";
Eng.: barley ration, food allowance;
, !eberu I `overschrijden'
, (zelden, meestal !apa ru): (het hoofd) bedekken, op het hoofd zetten

4t
4
enzu

eperu
eperu, epru

z
u

4
4
eperu I

ipru

eperu II
eperu III

N]

, it-pur of

(Gt pret. v. apa ru) Ee-i-103

epesu , (ww. in G stat. en D)


I. G-stam AHw \zu schwierig sein"; Eng.: to object
epesu , (ww. e/u-klasse en later soms u/u-klasse;
it-bur itpur


du

):

I. G-stam (pres. ippes/ippus; pret. pus, Ass. epus)


maken, opnieuw maken, doen,
vervaardigen, verrichten, ondernemen, uitoefenen, uitvoeren, voeren (oorlog)
bouwen, in de praktijk vaak herbouwen/restaureren, een

van de taken van de koning: het restaureren van de


vaak al na enkele decennia tot runes vervallen tempels en palijzen; AHw \machen", \tun", \bauen",
\ausuben", \durchfuhren", \ausfuhren", \veranstalten";
1 i npus u
 mu, (cohortativus, aansporende wijs, altijd
in 1e p.mv.): `laten we (dat) vandaag/meteen doen'

57

February 27, 2002 Copyright Heise en Stadhouders, Akkadisch Vocabularium

2 ips
a ma kadingirmeski (G imp. mv.): `bouwt Babel!' Ee-vi-57
3 iddin
usumma sarru t il epesa, (G pret. 3e mv. v.
nada nu + dat. sum + ma; G inf. acc. v. epesu `doen',
`uitvoeren'; nada nu + inf. acc.: `toelaten te'): `zij [de
anddere goden] stonden hem [Marduk] de uitoefening
van het koningsschap toe', toe', Ee-vi-99
4 lpusma re u
^t s.alma t qaqqa di (G prec.; re u^tu `herderschap'): `laat hij [Marduk] het herderschap over de
zwarthoofdigen uitoefenen' Ee-vi-107
5 ina Esagila rasbi tepusu
 taqribtu (G perf. mv.;
rasbu `ontzagwekkend'; taqribtu de ceremonie van de
`voorbede', waarin de lotsbestemmingen worden toegedeeld): `(toen) verrichtten zij in het eerbiedwaardige
Esagila een voorbede' Ee-vi-77
6 z
a ninu ssun lpusa (< *za ninu tsun; G prec. vr.mv.
verwijzend naar `het volk' vr.mv. via s.alma t qaqqa di):
`(en) laat z (dan) hun verzorging op zich nemen' Eevi-110 (ondergeschikt gemaakt aan Ee-vi-109: `laat h de
o ers instellen')
}
+
, (acc. v. ala ku `gaan'): reizen
}
+
, (acc.mv. v. kakku `wapen'): lett.:
\het wapen doen" ) vechten, oorlogvoeren
} +
, (ww. idioom < Sum.), lett.: \de mond
(open) doen" ) het woord nemen/voeren, toespreken,
bijv.
7 Aps^
u p^asu pusamma (G pret. vent.) `Aps^u nam het
woord', `Aps^u ging spreken' Ee-i-35
asunu pusuma (G pret. mv.): `(en
8 d Anunnaki p^
toen) namen de Anunnaki het woord' Ee-vi-47
e-pe-sa-am, epesam (G inf. acc.) Sil-A-96, 97
(ina)
e-p
e-
s i-im, ep
e
s im (G inf. gen.) CHx42
i-pu-us, pus (G pret.) Sil-C-141

[i]-pu-
s u, 
pu
s u (G pret. subj.) Sil-A-62

i-pu-
s u-ma, 
p
u
s uma (G pret. mv.) Ee-vi-47

i-pu-
s am-ma, 
pu
s amma (G pret. vent. +ma)

alaka epesu
kakk epesu
p^u epesu

4 4a
ssb
sb
s>VV
xx sb
 sb
4s
s V
sU
s
s

Ee-i-35

(G perf. mv.) Ee-vi-77


i-te-ep-pu-
s u, 
teppu
s u (G perf. subj.)

i-te-pu-
su 
tepu
su


Ee-vi-85

Sil-A-68

;
;

(G pret. 1e p.enk.)
(G prec. +

ma

(G prec.) Sil-C-47
(G prec.vr.mv.) Ee-vi-110
e
n
pu
s (G cohor.; G pret.1 mv.)

li-pu-u
s l
pu
s

li-pu-
s
a

l
pu
s
a

ni-pu-u
s (i)

d
u-u
s

 pu
3 s

li-pu-
u
s -ma l
pu
s ma

Ee-vi-107

Ee-i-126

e-pu-u
s 
e pu
s <*a

(G pres.2e p.enk.) BAM578-i-49


(G imp. mv.) Ee-vi-57

teppu
s

iteppusu

ip-
s
a-ma ip
s
a ma

 UV

I/3. Gtn-stam (
, iteratief)
9 sap
a rsa teppusu muru (sapa ru `werpnet';
Gtn pret. subj., iteratief vanwege 'net'; G pret. mv. v.
ama ru `kijken naar'): `zij namen het net, dat hij had

x  sb

gemaakt, in ogenschouw' Ee-vi-83

i-te-ep-pu-
s u, 
teppu
s u (Gtn pret. subj.)
Ee-vi-83, vi-112

uppusu
muppisu
cerer, sorceress;
II/2. Dt-stam (uteppusu)

II. D-stam (
, factitief, niet algemeen in OB; bet.
ong. als G) AHw OB \berechnen";
}
, D part., , subst.; vr. muppistu; SB: CAD sor-

su pusu
sutepusu
*nenpusum


III. S-stam
(

, causatief) AHw 1 \machen lassen"


etc.; 2 \ausuben lassen", \durchfuhren lassen",
III/2. St-stam (
, causatief) Eng.: to get busy,
active,
IV. N-stam (
), OB: pres. inneppes, pret. innepis, perf. *ittenpes;
IV. N-stam (SB en NB: inneppus, innepus, ittenpus):
doen, maken;
}
, (gesubstantiveerd vr. v. verb.adj. epsum; NB
ook epsetu; st.c. epis, litt. ook epsa met hulpvocaal u;
mv. epsetu; in Ee-vi-85 st.c. aps^et of mv. apset): handeling, arbeid, bezigheid, werk, daad; gedoe; religieus: rite;
AHw \Werk", \Tat";
10 aps^et teppusu (G perf. subj. v. epesu): `het werkstuk dat hij gemaakt had' Ee-vi-85
11 seh^
at(i) epsetsu, (G stat. v. sehu^ `in oproer zijn'):
 daad was opstandig' ) `zijn activiteit was
lett.: `zijn
in moeilijkheden, ondervond obstructie' (door de magische blik van Marduk) Ee-iv-68; in seh^ati: de eindvocaal

moet een zgn. overhangende (overtollige)
vocaal zijn;
e
komt vaker voor in stat. 3 p. vr.enk. v. verba ultimae
voc.; i.p.v. de uitgang -^at ziet men dan -^atu/-^ati/-^ata ,
bijv. in Ee-vi-122: su-pa-a-tu = sup^atu `zij is zichtbaar
gemaakt'; vgl. von Soden GAGx75.c, x75.b noot 11;
x105k; x18e
12 epset
asu likilla (D prec. 3e vr.mv. v. kal^u): `moge
zij zijn werken in gedachte houden' Ee-vii-18
13 kal^
a epsetusu ja nu (kal^u `totaliteit'; ja nu een substantief dat non-existentie uitdrukt) 'Er is geen enkele
rite van hem' CT51,161,r. 11
} + sux +
, (idioom < Sum.; het substantief bij de werwoordelijke uitdrukking p^a epesu), lett.:
\de daad van de mond", \mondmaaksel" ) toespraak,
bevel, woord, antwoord, last, instructie
14 epsa p^kunu d Girra linh, (D prec. v. n^
ahu `rust

 Girra'
hebben'): `jullie toespraak kalmere
(de vuurgod)

epistu

p^

episu

Ee-i-161
15 epsu p^ka li  abit lum
asu, (N prec. v. aba tu I met

sterke alef; epsu(m) locativus= ina epes p^ka): `moge


door uw bevel het sterrenbeeld vernietigd worden' Eeiv-23
16 epsu psu ana d Ea, (locativus): `met zijn toespraak tot Ea' Ee-vi-3
17 epsu psu il
u upaqqusu, (locativus; D pret. v.

!puqqu): ( ) `op zijn woord letten de goden op hem'


1

of (2 ) als casus pendens en -su resumptief: `de goden


sloegen acht op zijn toespraak' Ee-vi-19
18 epsu p^su il
u lipiqqsu (prec. v. D-tantum puqqu
`letten op', `aandacht schenken aan'; epsu locativus,
als ana epis of ina epis: `op zijn bevel'): `laten de goden acht slaan op hem, op zijn bevel' Ee-vi-104 of (met
-su resumptief): `laten de goden op zijn bevel achtslaan'; of (cf. von Soden -su = Marduk): `laten ze op
hem letten, wanneer hij een bevel geeft'
 !dugud! e-pis ka-su dugud
19 epis p^su kabit (!dugud! dugud G stat. v. kab
a tu
`zwaar zijn'), lett. \het doen van zijn mond is zwaar"
) `het spreken valt hem zwaar'/`zijn spreken is moeizaam' BAM578-i-50 (ook van oren gezegd: `doof'; elders,
bijv. in het enu ma elis-epos juist in de betekenis: \wat
hij zegt is gewichtig")
}
, (st.c. epset, voor su . epseta=, ook epset=,

4Z

epsetu

58

February 27, 2002 Hoofdstuk 2 Akkadisch vocabularium

poetisch voor epistu), ook: arbeid, werk, daad, handeling;


20 imtars.amma epsetasun elisa, (G perf.vent. v.
maras.u +eli `iem. mishagen'): `hun daad mishaagde
haar' Ee-i-27
21 seh^
at(i) epsetsu, (G stat. v.sehu^ `in opstand zijn'; -i
 vocaal): `zijn daad was
 in opstand' ) `zijn
overtollige
[Kingu's] activiteit ondervond obstructie' (door de magische blik van Marduk) Ee-iv-68
:
ep-
s e-tu-
s u, ep
s
e t
u
s u CH-iv-46

ep-
s e-ta-
s u-un, ep
s eta
s un (vr.enk. +
s un)

o b
Ee-i-27
o b8
ob
:
:
a ,
! ,
 !  !
 b  b
b ,
H.Sip.a27: b

(vr.mv. +su) Ee-vii-18


,
(+ su) Ee-iv-68
ap-
s et ap
s^
et (st.c. i.p.v. ep
s^
et) Ee-vi-85
ep-
s a ep
s a (litt. st.c.), Ee-i-161
ep-
su
 ep
s u Ee-iv-23
ep-
su
 pi-i-
su
, ep
s u p^

s u Ee-vi-19
ep-
s u pi-i-
s u, ep
s u p^

s u Ee-vi-103
ep-
s u ep
s u Ee-vi-3
ep-
s a-tu-
s u, ep
s
a t
u
s u (st.c. vr.mv. +
s u),
ep-
s e-ta-
s u ep
s
e t
a
su

ep-
s et-su ep
s etsu

}tepsu , zie itpesu hieronder


}itpesu , (ook: tepsu): vrij lett.: bedreven; dqzeer
doenig ) wijs, ink, knap, bekwaam;
[pitra s-type nomen (%nominale typologie); iets Gtachtigs: wel eens intensief: \zeer", bijv. itpesu `bekwaam' bij epesu `vervaardigen'] AHw \erfahren",
\tuchtig";
22 itpesu, (als bijstelling in Ee-i-59): `wijs'

b
NN a

,
,

it-pe-
s u itp
e
su
it-pe-
s a itp
e
sa

logogra sch:

0K

alla-nu


du

(st.c.+ su) Ee-i-59


(st.c.+ sa) Ee-vii-117

-us

23 all
a nu teppus (alla nu `eik', `eikensap', en alles wat

op een eikel lijkt, bijv. voorwerp van hout `plug', `zetpil'; G pres. 2e p.enk. v. epesu `maken'): `[met dat spul
gekneed uit die ingredienten] een plug/zetpil samenstellen' BAM578-i-49
paradigma voor verba primae aleph, de e-groep:
pres.
pret.
perf.
part.
imp.
inf.
V.A.
stat.
pres.
pret.
perf.
part.
imp.
inf.
V.A.
stat.

Gt

Gtn

ippe
s


terrub


teneppe
s


pu
s


terub


teppe
s


tepe
s

*
teterub

*
teteppe
s


e pi
su

m
u teppi
su

epu
s

etrub

*eteppe
s

ep
e
su

*etrubu

iteppu
su

ep
su

epi
s

*etrub

S

*eteppu
s

uppe
s

u
s eppe
s

inneppe
s

uppi
s

u
s
e pi
s

innepi
s

u
 teppi
s

u
s t
e pi
s

*ittenpe
s

muppi
su

mu
s
e pi
su

munnep
su

uppi
s


su
 pi
s

uppu
su


su
 pu
su

*nenpu
su

|
uppu
s

su
 pu
s
|
volledige vervoeging van de G-tijden
Presens-G
Preteritum-G
Perfectum-G
uppu
su

3e enk. irrub
2e m.enk. terrub
2e vr.enk. terrub
1e enk. errub


su
 pu
su


rub


terub

t
e rub

t
e terub

t
e rub


t
e terb



e rub


e terub

3e m.mv. irrub
u
3e vr.mv. irrub
a
2e mv. terrub
a
1e mv. nirrub


rub
u


terb
u


rub
a


terb
a

t
e rub
a

t
e terb
a

n
rub

n
terub

epinnu , (subst. < Sum. zowel m. als vr.; ( 8

apin;
mv. epinnetu) zaadploeg CHx259; AHw \Saatp ug";
[ook !maja ru]; etymologie onbekend, meer een soort
vore-trekkende ploeg; een ploeg in de oudheid is meer
een soort woelstok, de echte kerende ploeg ontstond
pas in de Karolingische tijd. Dat hangt samen met het
juk. In de oudheid lag het juk rond de nek, later vanaf de borst/schoften, waardoor een grotere trekkracht
mogelijk is.
mul gi
s
, (subst.;
8 mul gis apin; mul determinatief voor sterren, apin !epinnu `ploeg')

Epinnu

(8

gi
s

9
' b}

Ploeg(ster)

c
d En-ll
1 Epinnu Enlil (`De ploeg, Enlil') Mul.Apin, I-1

c
a-lik pa-ni mulmul gis su-ut d En-ll
2 Epinnu Enlil, 
a lik pa ni kakkab su t Enlil ('die de
sterren van Enlil voorgaat') Mul.Apin, I-1
, ass. voor pir: G pret. v. !apa ru
, G stat. v. !epesu
, subst. !epesu werk, daad, handeling, gedoe
, G part. v. !epesu
, Ass.: D imp. v. !epesu `maken' etc.; verba primae
Alef, e-klasse; (Bab.: uppis)
, Ass.: D stat. v. !epesu `maken' etc.; verba primae
Alef, e-klasse; (Bab.: uppus)
, Ass.: D inf. en D verb.adj. v. !epesu `maken' etc.;
verba primae Alef, e-klasse; (Bab.: uppusu)
, (subst.): Eng.: leprosy
1 epqa ma^
u Eng.: to become covered with leprosy
, !eperu
, (subst.; poetische nevenvorm v. epistu, !epesu):
werk, daad, bezigheid, handeling, gedoe; religieus: rite;

ep-
s e-ta-
s u-un ep
s eta
s un (vr.enk. +
s un)
dish

mul gi
s

C?

apin

epir
epis
epistu
episu
eppis
eppus
eppusu
epqu
epru
epsetu

o b8
ob
Ee-i-27

(vr.mv. +su) Ee-vii-18

epsu , G verb.adj. v. !epesu `maken' etc.


epus , G imp. v.e!epesu `maken' etc.
epus , G pret. 1 p.enk. v. !epesu `maken' e
4s ,
(pret. 1 p.enk.) Sil-A-68
eqletu , vr.mv. v. eqlu ( ph.ql ): akker, veldp
eqlu , (subst.; st.c. eqel mv. eqletu (vr.); h.ql ; C  ):
ep-
s e-ta-
s u ep
s
e t
a
su

e-pu-u
s 
e pu
s <*a

 pu
3 s


a 
sa

veld, akker AHw \Feld", \Gelande"; Eng.: plot of land,

eld, area, region


1 eqel nid^
utim: woeste grond, onbebouwd land;

C b b

 -
su u

s u, eqel
s u u kir^
a
s u,
6 -
`zijn akker en boomgaard', CHx27
, Ass. vorm v. !erebu `binnenkomen' etc.

a 
sa

kiri

erabu
erbe- 

 m , (< Sum.; niet duidelijk hoe uit te spreken);


ta a
getal + taam: in viervoud, in vier keer, voor de vierde

keer
1 irtib
u erbe-taam hassa(n)', (< irtabu G perf. mv.;
dualis hassu `oren'): `de oren groeiden alle vier', `elk

der vier oren [van Marduk] werden groter en groter'


(symbool van wijsheid) Ee-i-97
4  , erbe-  , Ee-i-97

U C

m
ta a

m
ta a

59

February 27, 2002 Copyright Heise en Stadhouders, Akkadisch Vocabularium

erbet , G stat. 3e vr.enk. v. !erebu `binnentreden', 3e m.enk.


is ereb
erbettu , (ook irbettu; ||
; vr. v. !erb^u, status abs.

limmu

erbet): vier;
1 is.midsimma erbet nas.mad, (G pret. + dat. sim v.
s.ama du `aanspannen'; erbet vr. status abs. `vier'): `hij
[Marduk] spande een vierspan in' Ee-iv-51
, (subst. <erbiu; ook erbu, erebu, ereb^u, aribu):
sprinkhaan; collectief: sprinkhanen, sprinkhaanzwerm; AHw
\Heuschrecke";
}
, lett. aanval van sprinkhanen, sprinkhanenplaag
, (vr. erbettu , ook !arba u, status abs. erbet):
vier
1 4 igiII -su
 = erbe enasu (dualis erbe, acc. nu), lett.
\4 zijn zijn ogen", `zijn ogen zijn 4 in getal' Ee-i-95
2 s
a r erbetti sa puluht, (hier telwoord in st. rec. en
het getelde in st.c. of status abs., dus anders dan gewoonlijk, telwoord in status abs. en het getelde in status rec.: sare erbet): `(hij creeerde) de vier winden, die
vrees aanjagen' Ee-i-115
^ er-be-tim, erbettim (gen.), CH-ii-2,3,4

I er-bet-ti, erbett (status rec. gen. mv.) Ee-i-115

erb^u I

tib^ut erb^
erb^u II

U : !

II

(\4 zijn zijn ogen") Ee-i-95

ereb^u , subst. ook erebu; !erb^u I , `sprinkhaan'; `sprinkhaanzwerm';


erebu , (ww.; Bab. u/u-klasse, Ass. a/u-klasse; p rb verba
4

igi

-
su
 erbe en
a
su

primae Alef, e-klasse; Ass.: era bu; : ku4 )


I. G-stam (pres. irrub, met sux -ma irrumma, pret.
rub) binnenkomen, (de onderwereld) binnengaan, binnentreden; meestal met ana, bijv. ana bti erub `ik trad het
huis binnen';
erebu is tegendeel van !was.u^ `uitgaan'; AHw \eintreten", \untergehen" (Sonne), \hineingehen", (in
vent.:) \hinauskommen", \Hinausgehen"; \eindringen" (feindlich); Eng.: to enter, to arrive, to invade;
}
, (subst.; pars-nomen; ook irbu): lett.: binnentreding ) inkomen; als term bij o ers: gave; [pars(of pers) type nomen (vr. parsat (perset), %nominale typologie) voor primaire, niet van ww. afgeleide nomen zoals kalbu `hond', kalbatu `teef'; mar u >
ma ru `zoon', ma rtu `dochter'] AHw I \Einkommen"; II
\Untergang", \Sonnenuntergang";
d
}
, zonsondergang ) westen; ereb hangt
samen met Arabisch ma_greb, `het westen', ook de benaming in het Arabisch van de regio Marokko, Algerije en Tunesie. Vergelijk Arabisch algarve < al-_garbah
( al is het lidwoord, g_ arbah hangt samen met ma_grab),
een landstreek in het zuiden van Portugal, maar `ten
westen' van het door de Moren bezette deel van het
Iberisch schiereiland;
1 ana bt sanm erebu, lett.: `het huis van een ander
binnengaan' ) samenwonen met een andere man, intrek

erbu

ereb Samas

nemen bij een ander CHx133


III. S-stam (
, causatief) AHw \hineinbringen",

su rubu

\hineinfuhren";
2 imhulla usteriba, (S perf. vent.): `zij (Ti
a mat) liet
 ulla-wind binnen' Ee-iv-98
de Imh
D
[i-ir]-ru-ub, irrub (G pres.) CHx133x134
D
i-te-ru-ub, 
terub (G perf.) CHx110 x133b x135
x

x 22
o s

136

li-
s e-ri-bu

li
s
e rib
u

 prec.mv.) Ee-vi-110
(S

2V
Bb V
x
eredu
D

er-ru-ub-ma errubma

erra-i-125

K
D

i-rib-
s u-nu irib
s unu

erra-i-125

(G pres.< irrub+ma)

(st.c. erbu) Ee-vii-111


(G pres.< irrub+ma)

i-ru-um-ma irrumma

V  us-te-ri-ba, usteriba (S perf. vent.) Ee-iv-98


, (ook: ara du), !wara du `afdalen'
, (subst. < Sum.; plantennaam; ook erinnu):
ceder (welriekende, altijd groene naaldboom); AHw
\Zeder";
e gis eren gis surmin
1 erenu surmenu (opsomming van welriekende planten voor een recept): `ceder, cypres : : :' BAM578-i-48

erenu

((
(
erepu
gi
s

eren

er
e nu

BAM578-i-48

, (ww. u/u-klasse; denominatief: een ww. waarvan


het subst. de grondvorm is en die dan altijd primair
toestandsww. zijn; bij erpetu, urpatu `wolk';
{
imdir)
I. G-stam AHw \sich umwolken";
} , G verb.adj., , ( { imdir) bewolkt;
}
, (subst.;
{ imdir) wolk; bewolking;
AHw \Wolke";
 prec. v. kas. a bu in
1 Mummu erpeti listaks.ibamma (St
G `verminderen', met vent. -am en sux ma): `moge hij
[Adad] als Mummu de wolken tot ontlading brengen'

erpu
erpetu

Ee-vii-121

}urpu , (subst.; m. en vr.;

king; AHw \Wolke", \Gewolk";

}urpatu ,

) wolk; bewol-

im dir

(subst.;
{ imdir) wolk; bewolking;
\Wolke";

I er-pe-e-ti erpeti (acc.) Ee-vii-121


, (subst.vr.; st.c. ereq; met suf x ereqqa-; mv.
ereeetu;
upgisjmargdda): Eng.: wagon,
cart (astron.pa constellation)

, (ww.
a ru II ; ook tara ru, hara ru,
6 rr !ar
G pres. irrur, G pret. rur, ihrur, G perf. itarur =G pret.

v. tar
a ru):
I. G-stam : sidderen, trillen (met al die r's in het woord
hoor je 't trillen); akkeren ) opbranden; zie voorbeeld
1 (en verder) onder !ara ru op pag. 21
D
it-ru-ra, itrura, (G perf.vr.mv. of G pret. v.

4

AHw

ereqqu
ereru

( 3 sO

N H

) Ee-iv-90

Ereskigal , (Sum. eres een woord voor `meesteres', kigal


tar
a ru

`groot land' = `dodenrijk') koningin van de onderwereld


, (ww.; Bab. i/i-klasse, oud-akk., Ass. a/u-klasse;
oud-akk. erasum, arasum; Ass. arasu(m))
I. G-stam : cultiveren (een akker), ploegen, in cultuur brengen, bebouwen; bewerken; spec.: inzaaien; AHw \besaen";
}
, (subst.; parra s-nomen; oud-akk. ook

arrasum):
landbewerker, boer, pachtboer, landarbeider [parra s-type
nomen en adjectieven (%nominale typologie) voor beroepen in ruime zin (beetje participiaal); ook gewoonten en zaken die men \pleegt te doen"; nappa hu `smid',

dajja nu `rechter', sarra qu `dief', wassa bu `bewoner',
`huurder'] AHw \Landpachter", \Landwirt";
}
, (subst.; suf x !{u tu, {u t vormt abstracta; bij erresu): bedrijf van de landarbeider ) landbewerking, pacht (van land); AHw \Pacht zur Feldbestellung";
1 ana erresu
 tim sus.u, (S v. !was.u^ `uitgaan', `te

eresu I

erresu

erresu tu

60

February 27, 2002 Hoofdstuk 2 Akkadisch vocabularium

voorschijn komen'): `een akker pachten', `pachten'


2 ana erresu
 tim uses.ima (S pres. v. !was.u^ + ma),
CHx42
3 eqlam sus.u, ook:

een akker pachten, pachten; [De


pachtsom bedraagt meestal 1=3 tot 1=2 van de opbrengst, bij boomgaarden tot 2=3.]
V ^ er-re-su-tim, (ana) erresu tim (gen.) CHx42
V
er-re-
s i-im, err
e
s im (gen.) CHx45
, (ww. i/i-klasse; Ass. erasu)
I. G-stam : wensen, vragen om; verlangen, opeisen, vorderen (iets van iem. 2 acc.); AHw II \verlangen", \fordern", \erbitten", \wunchen"; Eng.: to ask, to request
(something acc., from someone acc. or itti), to desire,
to wish;
1 sa teris
a sipirsu (G pret. 2e p.mv.; sipru `werk'):
[bouwt Babel!] `wiens bouw gij hebt verlangd' Ee-vi-57
2 rissu-ma libbasu epis t
a h a zi (< *irissu G pret.
eresu +2  acc:; 1e acc. -su; 2e acc. epis ta h a zi) `zijn
hart verlande van hem strijd te voeren' erra-i-6
}
, (subst.; ook iristu; st.c. vr. ersat):
wens, verlangen, eis, vereiste, behoefte; zie voor eristu
`wijs' verb.adj. vr.enk. v. !ersu; AHw \Verlangen",
\Bedarf";
3 erista eresu, (paranomastisch: een wens wensen):

eresu II

eristu, erestu

wensen
4 zanan
u tu ersat parak ilma, (nominale zin): `verzor-

ging is de behoefte van een godentempel' Ee-iv-11


1
>
sI
s
la e-ri
s -ti asa
3
5 13 q^
a eristi eqli (een plantennaam in een recept, lett.
\behoefte van het veld", een gen.subj.: waar het veld
behoefe aan heeft of graag mee bedekt wordt, bijv. te
vertalen met \akkerverlangen"): ` 13 q^a \akkerverlangen" ' BAM578-i-5
V i-ir-ri-is, rris (G pres.) `zal opeisen' CHx30
s
i-ris-su-ma, 
rissu-ma (G pret.+
s u) erra-i-6
s I e-ris-ti, eristi (gen.) BAM578-i-5

er-
s at, er
s at Ee-iv-11
V te-ri-sa, terisa (G pret. 2e p.mv.) Ee-vi-57
, ww. i/i-klasse, !irsu
, (!eristu), verb.adj.vr.enk.: `wijs'
, G stat. v. !erebu
uru
, (subst.; & W
Eriduki ; ook geschreven als
& eridu8 ): de stad Eridu;
Eridu is een van de oudste Mesopotamische steden gelegen in het uiterste zuiden aan een meer of (toenmalige) binnenzee aan de monding van een zijarm van de
Eufraat. De beschermgod is de (water)god Enki (Akkadisch Ea). Diens tempel, de E-abzu, is vele malen herbouwd, in Ur-III tot aan Nebukadnezar-II toe. Diepgravingen tot aan de natuurlijke bodem tonen in de
diepste (genummerd xvii) laag resten van muren.
uru
ki
&W
Eridu , Eridu, CH-i-64,65
&

8 Eridu
, (of erestu), verb.adj.vr.enk. v. !ersu : `wijs'; zie
voorbeeld 2 (en verder) onder !ersu op pag. 60
V p
e-ri-i
s -tum, eri
s tum CH-iii-28,29
, (subst. rnn !irnittu): zege, triomf overwinning
, (subst. !erepu) wolk;

I er-pe-e-ti erpeti (acc.) Ee-vii-121


, de stadsgod van de stad !Kuta, een onderwereld guur, ook wel oorlogsgod, die de (vervelende) bijverschijnselen van de oorlog veroorzaakt. Later onstaat

4n V
x U
eresu III

erestu
erib
Eridu

eristu

eri du

ernettu
erpetu
4
Erra

een syncretisme met de god Nergal. Erra is, ondanks


hetpSum. uiterlijk van het woord, een Semitische naam
( rr , `droogte', `dorheid', !urruru, aan het vuur
drogen)

2
Er-ra
, Erra, CH-ii-69erra-i-5
p
, (subst.; h.rt), !eresu II : boer, pachtboer
, (subst. bij erresu, !eresu II ): het bedrijf van de
landarbeider ) de landbewerking, `pacht (van land)'; zie
voorbeeld 1 (en verder) onder !eresu II op pag. 59
, (subst.; mv. erretu , !ara ru I `vervloeken') ver-

erresu
erresu tu

erretu
vloeking
err^u , subst. plantennaam!irr^u
erru , (subst.; mv. erru) darm; mv. ingewanden AHw
\Darm", in mv. \Eingeweide"; Eng.: in mv. intestines
errub , G pres. 1e p.enk. v. !erebu `binnengaan' etc.
erub , G imp. v.e!erebu
erub , G pret. 1 p.enk. v. !erebu `binnengaan'
erub , G pret. v. !erebu `maken'; verba primae Alef, eklasse; Bab.: rub
ers.etu , (subst.; parsat- (perset) nomen; st.c. ers.et; mv.

ers.etu;
ki):
aarde, land, landstreek, streek, grondgebied, bodem; soms ook: onderwereld; een van de vele
woorden voor \onderwereld", \alles onder de aarde",
\de wereld der doden", maar soms gebruikt in tegenstelling tot `hemel' en omvat dan vaak ook de aarde
zelf, de wereld der mensen; er zijn tientallen woorden
voor dit begrip; vgl. ers.etu `aarde', saplis `onder', `wereld der doden' met elis `boven', de wereld der mensen; [pars- (of pers) type nomen (vr. parsat (perset),
%nominale typologie) voor primaire, niet van ww. afgeleide nomen zoals kalbu `hond', kalbatu `teef'; mar u
> ma ru `zoon', ma rtu `dochter'] AHw \Erde", \Unterwelt", \land"; logogra sch:
1 mal^
u ki-ta dagal-ta = mal^u ers.eta rapasta, (acc.):
(het maanlicht van S^n) `vult de wijde aarde', `vult
gans de aarde' Sin1-7

^
gi
s hurme
s
an-e
u ki-tim

2 us.r
a t sam^e u ers.etim (st.c. mv. v. us.urtu): `het ontwerp van hemel en aarde' ACh-Sin-i-6 (de tekeningen,
de plannen: hoe hemel en aarde in elkaar steken)
W

^
^
h
enun
ugu
ki-tim
dagal-tim

3 musaznin nuhsi eli ers.etim rapastim (henun nuhsu
 rapsu `wijd', `breed'):`die rijkdom

`overvloed'; dagal
doet regenen over de ganze aarde' (het wijde land) Ee-

( 

vii-69

er-s
. e-et, ers
. et (st.c.) Sil-C-110
^ er-s.e-tim, ers.etim (gen.), CH-i-5
-ta, ers.eta (acc.) Sin1-7
, st.c. vr. v. eristu: !eresu

er-
s at, er
s at Ee-iv-11
, (adj.; ook zelfstandig; st.c. eris) wijze, kundige;
epitheton van d Ea AHw \weise"; Eng.: wise, clever,
skillful
1 d Ea ersu `de wijze d Ea' Ee-vi-35
}
, (of erestu, verb.adj.vr.enk.) wijs;
2 eristu Mami `de wijze Mami' [adjectief voorop geplaatst; komt een enkele keer voor, vooral bij epitheta,
wanneer de eigenschap een wezenlijk onderdeel is van
het substantivum; bijv. ellu Anu `de reine Anum']
er-su, ersu Ee-vi-35

ersat
n
ersu I

eristu

ki

61

February 27, 2002 Copyright Heise en Stadhouders, Akkadisch Vocabularium

CH-iii-28,29

ersu II , G verb.adj. v. !eresu I


ersu III , (G verb.adj. v. !eresu II `wensen') `gewenst'
^eru , (ww. e/e-klasse)
I. G-stam Eng.: to awaken, to be(come) awake, alert
}eru, G verb.adj., (st.c. er) Eng.: awake, alert, watchful,
E-sagila , (tempelnaam; D s @ esaglad, ook gee-ri-i
s -tum eri
s tum

schreven als esaggl): E-sagila-tempel van Marduk


te Babylon (g als ng uitspreken), met de tempeltoren (de ziqqurat) Etemenanki, die in Gen.11:4,5 misschien op de achtergrond staat en door Herodotus genoemd wordt. Na de plundering van Babylon door
Takult{Ninurta I werd het kultus-beeld van Marduk verhuisd naar Assyrie, later aan het eind van de
Kassietenperiode naar Elam en tenslotte teruggehaald
door Nebukadnezzar I. De E-sagila is een belangrijke
tempel en staat als nummer drie in een Babylonische tempellijst (1e millenium), die hierarchisch geordend lijkt (naar beroemdheid, kosmologisch belang of
naar de veronderstelde oudheid). Deze lijst bestaat
uit drie kolommen. In de eerste staat de tempelnaam
(esagl), in de tweede een omschrijving (bt d Marduk
`huis van Marduk') en met in de derde kolom een geogra sche aanduiding (sa ba biliki `die van de stad Babel')
1 Esagila mehret Apsi, (epitheton van Esagila; mehret
subst. `evenbeeld'): `Esagila, het evenbeeld van de
Apsu' Ee-vi-61 (waar Marduk's vader Ea woont)


2 Su-anna-ma
tapaqqid E-sagila-ma
tuma  ar (Sjuanna, lett. \hand van An", een andere naam voor de
stad Babel; G pres.2e p.enk. v. paqa du; G pres.2e p.enk.
v. ma  
a ru, nevenvorm van !w^aru, in D mu urru `op daarover voert gij het
dragen|, `bevelen geven') `S,
gezag , het E. bestuurt gij' erra-iii-D8

s
E-sag-
la, E-sagila CH-ii-12, erra-i-125
, (ww. i/i-klasse)
I. G-stam Eng.: to assign
, (ww.)
I. G-stam alleen G-stat. esil: opblazen, doen opzwellen;
AHw \aufbl
ahen";
IV. N-stam (
, passief): opgeblazen worden
IV. N-stam (
, ingressief bij intransitieve G, vaak
bij toestandsww., iets met een beginmoment): opge-

D @

esehu
eselu

nensulu
nensulu

zwollen raken
1 innesil libbasama, (N pret.): `haar buik raakte opge-

zwollen' Ee-iv-100
in-ne-sil, innesil (N pret.) Ee-iv-100
, (ww. i/i-klasse)
I. G-stam Eng.: to collect, to gather up
, (ww. i/i-klasse)
I. G-stam : inkrassen, inkerven; AHw \einritzen", \(Bild)
einschneiden";
} , (subst.; ook isqu, esqu; st.c. isiq, mv. meestal
als vr.mv. isqatu): aandeel, deel, lot, taak, bestemming;
in profane teksten deel van inkomen, inkomen (verbonden aan een tempeldienst); tech. betekenis: aandeel in
de cultusdienst, Elke god heeft een isqu, datgene wat
hem in een godenvergadering als taak is toebedeeld,
zijn bestemming. Ook (NB): (tempel)-praebende; AHw
\Los", \Anteil";
1 ana d Anunnaki sa sam^e u ers.etim uza  izu isqat-

esepu
esequ

isqu

sun (D pret. subj. v. z^azu `delen'; verwacht in vr.mv.


isqatisun, hier litt. vorm): `(en toen) hij [Marduk] aan
de goden van hemel en aarde hun aandelen had toegewezen' Ee-vi-46
2 mu add^
u isqisun (D part. bij D mudd^u !*wad^u):
`[Marduk] die hun (o er)aandeel in de cultus toewijst'

(b 8
(b8
eseru I
Ee-vii-7

is-qat-su-un isqatsun

) Ee-vi-46

(st.c.vr.mv. verwacht

isqati
s un

is-q
-
s u-un isqi
s un

(st.c. gen.) Ee-vii-7

, (ww. i/i-klasse; Ass. asa ru)


I. G-stam (pret. sir, pres. issir) opsluiten (in 't gevang),
gevangen nemen; AHw II \einschlieen"; Eng.: to enclose, to shut in
1 d Mummu tasir, (G perf.): `hij [Ea] zette Mummu
gevangen', `hij sloot M. op' Ee-i-70
2 sirsun
u tima, (G pret. + sunu ti + ma): `hij nam
hen gevangen' Ee-iv-111
}
, gevangene, krijgsgevangene; AHw \gefangener", \Kriegsgefangener";
}
, (subst.; ook mesiru; OB, MB, SB): omsluiting, omsingeling; AHw \Einschlieung"; CAD 1 imprisonment, detainment; 2 diculties, hard times
3 bt meseri, (subst.; MB, SB): lett.: \huis der omsluiting", een bepaald rituaal, waarin een huis omgeven
wordt met allerlei voorwerpen; CAD (a ritual enclosure)
i-ta-sr, tasir (G perf.) Ee-i-70

K I i-s.r-su-nu-ti-ma, sirsunu tima (G pret.

asru
meseru

s! V

+sunu ti + ma) Ee-iv-111

eseru II , (ww. i/i-klasse)

I. G-stam Eng.: to press (someone: acc., for payment:

acc.), to put under pressure


, bet. ong. als G)
, (ww. i/i-klasse)
I. G-stam Eng.: to harvest, to reap
}
, G part., , st.c. es.id; mv. es.idu : Eng.: harvester
, (ook es.metu, es.entu, es.ettu; st.c. es.emti, met suf x es.emta-; litt. mv. es.metu ; !pad! grpaddu):
been (van skelet); beenderen, gebeente AHw \Knochen";
Eng.: bone;
1 es.meta lusabsima (S cohor. v. basu
^ `er doen zijn',
`het aanzijn geven'): `(en) ik wil gebeente het aanzien
geven' (om samen met samengebald bloed daarmee de
mens te scheppen) Ee-vi-5
(bloed en beenderen worden als de basisingredienten
gezien voor het lichaam)
es.-me-ta, es.meta Ee-vi-5
, !es.emtu
, (ww. i/i-klasse)
I. G-stam : ruiken (trans.); ook rieken, ruiken (intrans.);
(bijv. `de wierook riekt', intrans. en `jij ruikt het',
trans.); AHw \riechen";
II. D-stam (
, bet. ong. als G) ruiken etc.; AHw
\beriechen", \beschnu eln";
III. S-stam (factitief, causatief): doen rieken, laten rui-

us.s.uru

II. D-stam (

es.edu
esidu
es.emtu.

(

es.entu
es.enu

us.s.unu

ken

1 lises.in qutrinn (S prec.; mv. v. qutrenu, qutrnu,


ook qutre/i nnu `wierook', `reuko er'): `moge hij geuroffers doen ruiken', `moge hij welriekende reukoffers
instellen Ee-vi-111

; li-se-sp
s
es
. i-in, li
. in (S prec.) Ee-vi-111

, (ww. i/i-klasse;
s.r < *jes.eru; Ass. es. a ru;

es.eru

62

February 27, 2002 Hoofdstuk 2 Akkadisch vocabularium

I. G-stam : tekenen (van plattegrond e.d.); markeren, ontwerpen AHw \zeichnen";


II. D-stam (
): ong. als G. regelen, organiseren
1 alkak
a t ers.etim u(w)as.s.ir (D pret.; alkaka t litt.
vorm v. ala ktu `wandel', `gedrag', `het reilen en zeilen'):

us.s.uru

`hij [Marduk] regelde de gang van zaken op aarde' Eevi-43

}is.ratu , (vr.; vr.mv. is is.ratu):

plattegrond, ontwerp;
(iets wat is afgegrensd, speciaal:) perceel, perceel bouwland; in een commentaartekst staat: is.ratu = tawwertu
bouwland; AHw \Grundri", \Grundplan";
2 d Asarri s
a rik meresti sa is.ra ta ukinnu (D pret.
subj. v. k^anu, D `vaststellen'; merestu `cultuurland'):
`A. schenker van het cultuurland, die de percelen vaststelt' Ee-vii-1
}
, (subst.; st.c. us.urti{; litt. st.c. us.rat; vr.mv.
us.ura tu; r verhindert meestal elisie tot us.ra tu;
gi
s -hur): tekening, bouwplan, plan; ook abstr.: plan, wet,
regel, regeling, ontwerp, instelling, de funkties en instituties (culten en ambten) van de stedelijke samenleving,
die door de goden verdeeld worden, vaak samen genoemd met de m^e. Als er iets concreets mee bedoeld
is, zijn het de \beroepen, ambachten en ambten". vgl.
de oude term uit de statenvertaling van de bijbel: \de
wetten en inzettingen".
astron.: halo, waarmee hemellichamen kunnen worden
omringd, wsl. de enigzins kruisvormige stralenkrans
die je op rolzegels ziet. AHw \Zeichnung", \Vorzeichnung", \Planung";
3 S^us.urta lami (G stat. v. lam^
u, law^u `omgeven'): `de
maan is omgeven met een halo'
4 ibsimsumma us.rat kal^, (G pret. v. bas
a mu II `afbeelden'): `hij vormde zich een beeld van alles' Ee-i-61
5 mis.r
a ta u as.s.ir, (D pret.; mis.ru `grens', mv. `gebied'): `hij bakende de grenzen af' Ee-v-3
6 istu u
 mi sa satti us.s.iru us.ura ti (D pret. subj.): `nadat hij de regelingen van het jaar had ontworpen' Ee-v-5
7 kunn
a t^ereti napharsina us.ura ti (D stat. vr.mv. v.
k^anu, D: `bepalen'; t^ertu `gebod', `order', `orakel'):
`vastgesteld werden al hun besluiten en wetten/instellingen' Ee-vi-78 (bij de zgn. taqribtu, de ceremonie van
de voorbede in de eerbiedwaardige Esagila)

us.urtu

(  4

logogra sch:

 

gi
s hur me
s an

-e u

-tim

ki

8 us.r
a t sam^e u ers.etim (st.c. mv.): `het ontwerp van
hemel en aarde' ACh-Sin-i-6 (de tekeningen, de plannen:

(  V

hoe hemel en aarde in elkaar steken)


gi
s hur nigin-ma

9 us.urta talammima (
gi
s hur us
. urtu `tekening', `plan', maar ook geleerd woord < Sum. gishurru
`silhouet', `omtrek';
nigin o.m. law^
u, lam^u `iets
omgeven/omsingelen met' (2 acc., hier G pres.2e p.enk.): `je moet (rond de pot) een tekening trekken'
BAM578-i-40 (zie ook onder !law^
u, lam^u)
}
, (G inf. gen. etequ `overschrijden'):
onneembare barriere die god noch mens kan overschrijden; bezwering in consecratieformules bij het maken
van wijwater; ook !zisurr^u `magische meelcircel'
is.-ra-ta ts.ra ta (acc.mv.) Ee-vii-1

^ u-s.u-ra-tim, CH-iii-31,32


:
u
-s
-ra-tu-
u-a, us
ratu a (vr.mv.
.u
.u

us.urtu la eteqi

>>( H HH > C

>> ++ HH C
t(
(( 
>> v v
>> v v
es.ettu !

+-a) CH-xxiv-91

I u-s.u-ra-ti, us.ura ti (vr.mv.) Ee-v-5


I u-s.u-ra-a-ti, us.ura ti (vr.mv.) Ee-vi-78

(st.c.) Ee-i-61
BAM578-i-40

, us.ura ti (gen. vr.mv.) Ee-i-79

, us.ura t (st.c. vr.mv.) ACh-Sin-i-6

 sir (D pret.) Ee-v-3

u
-as
-s
. . ir, u ss
..
u
-s
ir
,
us
ir
(D
imp.)
Ee-v-14
.
.
u
-s
. ir, us
.s
. ir (D pret.) Ee-v-14

u
-as
. -s
. ir, u(w)as
.s
. ir (D pret.) Ee-vi-43
us
. -rat us
. rat

gi
s hur

us
. urta

gi
s -hur-me
s
gi
s -hur-me
s

esentu : `been', `beenderen' (van skelet)

.
es.idu , G part.
bij !esedu `oogsten'
es.metu , litt. voor !. es.emtu : `been',
skelet)

(

`beenderen' (van

Ee-vi-5

es.u , (Ass.; Bab.: s.u, ms.u, ws.u, verb.adj. bij !w^as.u; vr.
istu, s. > s voor vr. t): weinig, gering (in aantal)
es aru , Ass.
vorm v. !eseru `juist zijn' etc.
Esarra (tempelnaam; esarra): `Huis van het Univeres
. -me-ta es
. meta

sum', naam (epitheton) van de (!Ekur) tempel van


!Enlil te !Nippur. Mythologisch en theologisch: de
tweede hemel tussen de opperhemel waar Anu zetelt en
de nederhemel: de sfeer van de hemellichamen. Esarra
is dus de tussen-hemel, woonoord der goden (speciaal
de hemelgoden, de Igigi).
In Assyrie is Esarra de naam van de tempel van de
Assyrische oppergod !Assur te Assur.
1 E-sarramma p
a nukka E-engurrama qatukka (loc. <
*pa numka i.p.v. ina panikka) lett. \het Esarra is voor
u" of \is in uw aangezicht" ) `E. is tot uw [Erra's] beschikking en E. is op uw handen' erra-iii-d7 Hier is het
Esarra de woning van de hemelgoden; en E-engurra,
een naam van de tempel van Enki/Ea (zo ongeveer
synoniem met de onderwereld, het Abzu) is het heiligdom van Enki/Ea. m.a.w. de gehele kosmos, van zenit
tot nadir, staat tot Erra's beschikking.

DH

Ee-vi-66

esbir , G pret. 1e p.enk.


v. seberu `breken'
esebbir , G pres. 1e p.enk. v. seberu `breken'
eser , G imp. v. !eseru
esertu , (mv. esretu; OB meestal isertu; litt. woord): heiligdom, kapel
}esretu , (mv.; OB meestal isertum): heiligdom, kapel;
AHw


e-
sa
r-ra e
s arra

\Kapelle", \Heiligtum";

1 lipaqqid
a esressun (D prec. vr.mv. v. paqa du `zorgen

voor'; subject is `het volk' de s.alma t qaqqa di `zwarthoofdigen'; D bij trans. ww. vaak alleen vanwege meervoudig object; < *esretsun mv. + sun): `(en) laat z
(dan) hun heiligdommen verzorgen' Ee-vi-110
als zin van doelstelling afhankelijk genomen van
r. 109.
V I es-re-e-ti, esreti (mv.) Ee-i-76
V 
e
s -re-es-su-un, e
s r
e ssun (mv. +
s un)

(4 8
Ee-vi-110

eseru , (ww. van dep i-klasse, zoals veel eigenschapsww.;

Ass.: esa ru;


jsr , verba primae Jod, de vormenopbouw is dezelfde als e-klasse van de verba primae
 ): GAlef;voor paradigma zie na epesu; (p
sisa
stat. (isar): recht zijn, juist zijn, welgesteld zijn;
I. G-stam : in orde komen, gedijen; voorspoedig verlopen;
medisch: beter worden, ook wel \de darmen recht

63

February 27, 2002 Copyright Heise en Stadhouders, Akkadisch Vocabularium

maken" ) ontlasting lozen; AHw \in Ordnung sein,


kommen", \zugehen auf";
1 pad
a n lsir, (G prec.; pada nu `pad', `weg'): `moge
mijn route/levensloop voorspoedig verlopen', `opdat
mijn weg gedije' Sin1-24b
;
p
li-pit suII -su si[sa]
2 lipit q
a tsu isser (G pres. v. eseru) [na het doen van
schenkingen op deze gunstige dag] '(dan) zal zijn zijn
handwerk/maaksel gedijen' CT51,161,r. 13

III. S-stam
(
, factitief): recht maken, leiden, toezichthouden, in orde brengen; AHw \in Ordnung bringen";

III/2. St-stam
(
, als S): in orde houden, langs
rechte banen leiden, recht verschaffen, leiden, voorop gaan,
de weg wijzen, toezicht houden op; ook wel:
laten gedijen ) vruchtbaar zijn, baren;

sutesuru is een eigenschap van de zonnegod Sama
s:
hij is de gids en helpt de mensen aan recht met zijn
aanwijzingen. Hij leidt ze langs rechte banen, zowel
letterlijk als guurlijk dus ook moreel.
}
, St part., : die leidt, die stuurt, die recht
verschaft (+ acc.)
3 musteser t^eret d Anum : : : (St2 part. v. eseru):
`[Marduk] die de beslissingen van d A. : : : stuurt/recht
leidt' Ee-vii-6 [Marduk wordt de topgod, die de leiding
in handden heeft en een gidsfunctie heeft, maar de andere drie oppergoden Anum, Enlil, Ea behouden hun
zeggenschap en beslissingsbevoegdheid]
III/2 St2 -stam + kakki gebruiksklaar maken (van wapen),

Db:!

susuru

sutesuru

musteseru

in gereedheid brengen (van wapen)


 2 pret.): `de heer ging voorop',
4 ustesirma belum, (St

`de heer wees de weg' (`weg' hier elliptisch) Ee-iv-59

}msaru , (subst.; mesaru, meseru; vanaf oud-akk.;


Up
  ): gerechtigheid ) edict, dat maat-


n
g si sa

schappelijke misstanden moet opheffen en zo rechtvaardige verhoudingen moet creeren; behelst een reeks
bepalingen ter bewerkstelliging hiervan.
AHw \Gerechtigkeit"; CAD A 1 redress (as a legislative act to remedy certain economic malfunctions, OB
only); 2 justice (in general); 3 (name of a month in OB
Alalakh)
5 dn kitti u msari, (dnu `oordeel'; kittu `recht'):
`een oordeel van recht en gerechtigheid' Sin3-45 (S^n
verschaft de zwakke recht)
; G li-sir, lisir (G prec.) Sin1-24b

bb xx bb ?
bo
vx
aaH
?
xx o V
!
esi
4
estu
4
esme
V

CH-xxiv-62

 st.c.), CH-v-16
(S
t2 gen.)

s u-te-
s u-ri-im, 
s ute
s urim (S
,


s u-te-
s u-ur 
s ut
e
s ur

mu-su-se-er, musu ser (S part.) CH-iv-54


mus-te-ser, musteser (St2 part.) Ee-vii-6
V
mi-
s a-ri-im,m

s arim (gen.) CH-xxiv-1,2
i-sa-ra-at, isarat (stat. 3e vr.enk.)

CH-xxiv-44,45

G us-[te]s-s[er], ustesser (St2 pres.) Sin3-43

us-[t]e-se-er, usteser (St2 pret.) Sil-C-97


t2 pret.) Ee-iv-59
G
u
s -te-
s ir-ma, u
s te
s irma (S
p
 , i
s
s er (G pres. e
s
e ru) CT51,161,r. 13
, G stat. v. esu^ `verwarren'
si s
a

e-
s i e
si

(G stat.) Ee-iv-67

, G verb.adj. vr. (!esu^), `verwarring'


e-si-ta, esta (vr.acc.) Ee-i-49
, G pret. 1e p.enk. v. !sem^u `luisteren' etc.

Esnunna ,

plaatsnaam, ook Isnunna genoemd; het


huidige Tell Asmar; belangrijke stad ten oorsten van
de Tigris;
W F , is-nun-naki , isnunnaki Sil-C-116
, (subst. !isqu onder !esequ): `aandeel', `lot', `taak',
`bestemming'
, (dualis; gen./acc. esr) twintig;
, status abs. vr. !esru `tien'

esqu
esra
esret
: , (status abs.) Ee-i-103
esret , (status abs. v. *esirtu): eentiende;
esretu , (mv. v. !esertu; OB meestal isertu; litt. woord;
e
s -ret e
s ret

1
10

(4 8

ook in mv.): heiligdom, kapel


V I es-re-e-ti, esreti (mv.) Ee-i-76
V 
e
s -re-es-su-un, e
s r
e ssun (mv. +
s un)
Ee-vi-110

esru , (status abs. eser, vr. esertu, st.c. vr. es(e)ret):

tien,
tiental; AHw \zehnter", \Zehntel";
1 melamm^e esret il: `(hij [Marduk] is bekleed met)

het aureool van (wel) tien goden' (namelijk 10 paar


hoorns op hun kroon) Ee-i-103

(status abs.) Ee-i-103

estar , !istar: godin `Istar' en het zelfstandig naamwoord


`godin'
esu^ , -i, (dubbelzwak p s; ook asu^), G-stat. (3ep.enk.
e
s -ret e
s ret

esi): in verwarring zijn; (betekenis ook bijna als pret.:


`in verwarring gebracht worden')
I. G-stam : verwarren, verstoren; met veel afgeleide woorden die alle ongeveer hetzelfde betekenen. AHw V
\verwirren";
} , (G inf. als subst.): verwarring, chaos, blindheid;
1 esu
 Tia matma, (G stat. mv., maar hier transitief):
`ze brachten Tia mat in verwarring' Ee-i-22 (In het
Enu ma elis-epos staan veel transitieve stat.)
2 nit.ilsun si, (G pret.; nit.lu `gezichtsvermogen'): `(zodra zij de krijger zagen) raakte hun blik in verwarring'

esu^

Ee-iv-70

}tesu^ ,
rung";

verwarring, troebelen, onlusten; AHw \Verwir-

}estu, istu, G verb.adj. vr., , verwarring,

rebellie (in eigen leger, i.h.a. politieke revolutie), chaos (vr.verb.adj.


gesubstantiveerd in gebruik voor abstract begrip, vgl.
!lemuttum); AHw \Verwirrung";
3 hulliqamma ab alkata esta, (hier als adj. in acc. bij
 `gedrag'; D imp. v. hala qu): `mijn vader, verdelg
alkata

het verwarde gedrag!' Ee-i-49
}
, (subst.; OB): verwarring, rep en roer, radeloosheid; daardoor soms ook: opstand, rebellie; CAD
confusion, blindness
4 ina mstim, (adverbiaal): `in een toestand van verwarring'

mstu

4b >
4
4
Esumesa

, (G stat. mv.) Ee-i-22


(G stat.) Ee-iv-67
e-si-ta, esta (vr.acc.) Ee-i-49
i-
s i, 

s i (G pret. v. e
su
^ `verwarren') Ee-iv-70
, (tempelnaam; e s ume s a4 ), Esumesa-tempel,
e-
s u-
u e
su


e-
s i e
si

tempel van de god Ninurta te Nippur, reeds bekend


uit de Vroeg-dynastische periode. Deze tempel staat
als nummer acht in een Babylonische tempellijst (1e
millenium), die hierarchisch geordend lijkt (naar beroemdheid, kosmologisch belang of naar de veronderstelde oudheid). Deze lijst bestaat uit drie kolommen.

64

February 27, 2002 Hoofdstuk 2 Akkadisch vocabularium

In de eerste staat de tempelnaam (e s ume s a4 ), in de


tweede een omschrijving (bt d ninurta `huis van Ninurta') en met in de derde kolom een geogra sche aanduiding (sa nippurki `die van de stad Nippur')
, Ass.: G perf. v. !aka lu `eten'; verba primae Alef,
a-klasse, Bab: takal
, Ass.: Gt perf. v. !aka lu `eten' verba primae Alef,
a-klasse, Bab.: takkal
, Ass.: Gtn pret. v. !aka lu `eten' verba primae Alef,
a-klasse, Bab.: takkal
, Ass.: Gtn pres. v. !aka lu `eten'; verba primae
Alef, a-klasse, Bab: tanakkal
, Ass.: G perf. en Gt pret. v. !erebu `binnenkomen';
verba primae Alef, e-klasse; Bab.: terub
, Gt pres. v. !erebu `binnenkomen'; verba primae
Alef, e-klasse; Bab.: terrub
, (adj. gesubstantifeerd; ook itellu; st.c. etel; Ass.
etallu): heerser; prins AHw \Herrscher", \Furst";
1 d S^n ilu etellu: `S^n, god en heerser' Sin3-36

etakal
etakkal
etakkal
etanakkal
etarab
etarrab
etellu

4x 4
4
Etemennanki
Dx
E

,
,

e-te-el etel

(st.c.), CH-iii-70
Sin3-36

e-tel-lu etellu

, (tempelnaam) tempeltoren
c

e-te-me-en-an-ki Etemennanki

etequ , (ww. i/i-klasse; Ass. etaqu(m); 


erra-i-128

dib

),

I. G-stam : passeren (van grens = it^u) (naar buitenland), overschrijden, voorbijgaan; maar ook: verstrijken

(van tijd); [i.h.a. \langs iets gaan", \over iets heengaan", \met iets in aanraking komen"] AHw \durchgehen", \vorbeigehen", \passieren"; \uberschreiten"
Eng.: to pass along, to pass by; to advance, to elapse;
to pass through, across, to exceed, to transgress, to
avoid
I/3. Gtn-stam (iteratief)
1 k titurri tittiqu asar sasmesa (Gtn pret. v. etequ
`passeren'; subj. hangt af van voorafgaande sa; asar
hier adv. `waar', `op de plaats waar'; sasmu `strijd'
`waar haar slagveld is' of `op de plaats van het gevecht met haar'): `en die haar [Tia mat, de oceaan],
overal waar hij met haar slag moest leveren, over wist
te steken als was zij een brug' Ee-vii-75 [d.w.z. hij, Marduk, ging niet ten onder in het oneidige water, maar
schreedt over haar als was zij een brug, dus zonder weg
te zinken]
III. S-stam (
, causatief) voorbij laten gaan,
etc.;
2 tamk
a rum usetteq, (G pres. of useteq pret.): `de
koopman heeft (zijn betalingstermijn) voorbij laten
gaan' CHx118
3 it^
ukka la ittiq, (locativus it^um + ka; la +pres. is prohibitief) `laat (niemand) uw grens overschijden' Ee-iv-10
I P it-ti-iq, ittiq (G pres.) Ee-iv-10
I I i-ti-it-ti-qu tittiqu

su tuqu

NN
>ox
eterrub

(Gtn pret.) Ee-vii-75

P u-se-te-eq, usetteq (S pres.) CHx118


, Gtn imp. v. !erebu `binnengaan' etc.
, G perf. 1e p.enk. v. !erebu `binnengaan' etc.
, Gt v. !el^u `omhoog gaan'
, Gt imp. en Gt stat. v. !erebu
, Gt inf. v. !erebu
, (denominatief: een ww. waarvan het subst. de
grondvorm is en die dan altijd primair toestandsww.

eterub
etl^u
etrub
etrubu
et.elu

zijn; v. et.lu): G-stat.: mannelijk z/w.; AHw \mannlich


sein", \zum Mann werden";
II. D-stam (
, elativisch): zeer mannelijk z/w.
1 ut.t.ulat s.tasu, (D stat. vr.): `zijn verschijning is zeer
mannelijk' Ee-i-88
} , (subst.; mv. als een adj. et.lutu; gurus, het
teken kal): jonge man (in de kracht van zijn leven),
kerel, vent; AHw \mannlich", \(junger) Mann"; Eng.:
young man, youth
2 sa et.lu u ardatu ina sulmi ittanarr^
u (Gtn pres. subj.
v. war^
u in Gtn `leiden'; !wardatu `jonge vrouw'): `die
man en vrouw behouden en wel leidt' erra-i-22 (jongeman en jongevrouw; adolescent, jongeling)
}
, (subst.; suf x !{u tu, {u t vormt abstracta):
jongelingsschap; AHw \Mannheit", \Mannestum";
7 et.-la, et.la (acc.) erra-i-22

ut.t.ulu

et.lu

et.lutu

NS n
}
et.emmu

ut
.-t
.u-lat ut
.t
.ulat

(D stat. vr.) Ee-i-88

, (subst. <Sum.; ook it.emmum, OA ook


et.ammum;
gidim, [gidim =
+  =
2
+(sahar  sila), met sahar `stof', sila `straat'; een
3
 vorm heeft
5 
2
variante
i.p.v.
])
6
3
dodengeest, (doden) schim, spook, zwervende ziel [in
vervloekingen: `zijn et.emmu moge dorst lijden']. AHw
\Totengeist";
1 nsu
 u et.emmu : levende en overleden verwanten
logogra sch: F

di
s na gidim dib-suma
2 summa amelu et.emmu is.batsuma, (amelu `man' casus pendens (nom.); et.emmu `schim' (nom., subject);
is.bat G pret., suf. < su+ma): `indien een man, een dodenschim heeft hem gepakt' ) `indien een dodenschim
iemand heeft gegrepen' (d.w.z. iem. ondervindt de nadelige gevolgen van een schim) KAR184-1

@

<

<

et.eru I , (ww. i/i-klasse; Ass. et.aru; p tr )


I. G-stam : (iem. iets, 2 acc.) ontnemen, wegnemen, afpak, et.emmu KAR184-1

gidim

ken, iem. beroven van; (een zoon onthouden, d.w.z. geen

zoon krijgen);
redden; AHw \wegnehmen", \retten";
1 et.ir napist, (G imp.): `red mijn ziel' Sin3-64
2 il abbsu t.eru ina saps
a qi (G pret. subj.; sapsa qu
`nood', `benauwenis', `benardheid'): `(Marduk die zo)
de goden zijn vaderen uit de nood redde' Ee-vi-126
3 ina sasme danni t.eru sub
a tni (G pret. subj.; sasmu
`tweekamp'): `(die) in de harde oorlog onze woningen
redde' Ee-vi-150
}
, G part., : redder
4 et.ereta d Sin: `gij zijt een redder, o Sin' Sin3-64
}
+
, lett. het leven redden, ) het vege

et.eru
napistu et.eru
lijf redden

5 naps
a tus et.eru, (G inf. locativus, bij inf. soms in
de betekenis \om te"), lett.: `om zijn leven te redden'
(Ee-iv-109, verwacht {sunu `hun leven')
D e-t.e-ru, et.eru (G inf. loc.) Ee-iv-109
V e-t.e-re-ta, et.ereta (stat. 2e p.enk. v. part.)

4
4

Sin3-64

D i-t.e-ru t.eru (G pret. subj.) Ee-vi-126, 150


TI
-ir
-ti, et
s t
 Sin3-64
.ir napi
!et.elu `jong man', `kerel', `vent'
, (tempelnaam; Sum. eu4 galgal(la) ): Eudgalgal-tempel, tempel van de storm/onweersgod
Adad te Karkara. ud/u4 is hier: `storm': huis Grote Stor-

et.lu
E-udgalgal

kar

zi

65

February 27, 2002 Copyright Heise en Stadhouders, Akkadisch Vocabularium

D }W W

men

E-ulmas , (tempelnaam; D J
CH-iii-64



E-ud-gal-gal
E-udgalgal

mensen in het land'): `onder de mensen ben ik koning, onder de goden ben ik geducht' (of elativisch `de
meest boze') erra-i-110
6 sa ana nas^e kakke ezz
u ti qa tasu asma (G inf.gen.
nasu^ `dragen'; qa tu `hand'; asma stat.vr.mv. v.
(w)asa mu `passend zijn'): `[Isum] wiens handen geschikt zijn om zijn [Erra's] woeste wapenen te voeren'

(tempel v. Adad)

eulma

s ): tempel van
de godin Istar te Akkad, o.m. bekend van de mythe
`Inanna's afdaling' (naar de onderwereld).
J -ul-mas, E-ulmas (tempel v. Istar te Akkad)


e

ew^u, em^u , (ww. i/i-klasse; litt.; drievoudig zwak p


CH-iv-49


,
2 w
waarin de middelste radicaal als sterk vervoegd wordt):
I. G-stam (pres. iwwi, pret. wi, perf. tewi) zich veranderen in, worden tot; AHw \werden zu"; Eng.: to become,
to turn, to change (ana/-is: into)
1 mahh u
 tis temi, (G perf.): \zij werd tot een doldries werd/raakt razend/doldriest' Ee-iv-88
te" )`zij

i-te-mi, 
temi (G perf.) Ee-iv-88
, (ww. i/i-klasse)
I. G-stam (pret. zib, pres. izzib) verlaten, achterlaten, opgeven, scheiden (huwelijk), (een document) uitreiken, in de
plaats stellen; AHw \verlassen", \hinterlassen"; Eng.:
to leave, to leave behind, to abandon, to neglect, to
entrust, to divorce, to make out legal document
III. S-stam (
, G trans. dan S vaak causatief): opstellen laten; Eng.: to cause to leave, to save (persons,
cities)
1 kunukkam su
 zubu: `een akte laten opstellen' (nalatenschap)
2 kunnukam usezib, (S pres., CHx5): `hij laat een acte
opmaken'
}
, (subst.; uzubba -) Eng.: divorce, divorcepayment
}
, voorz. < G imp.; !ezib
, (ww. i/i-klasse) aangorden, omgorden AHw \gurten"; Eng.: to gird
IV. N-stam (
, passief, re exief) Eng.: to gird

oneself, to be girded
, (ww. u/u-klasse, later meestal i/i-klasse; vgl. de
vormen met die van izuzzu `staan') G-stat.: boos z/w.,
woedend z/w. (op = itti); AHw \z
urnen", \in Wut geraten";
1 zuz, (G pret., ingressief): `zij werd boos' Ee-i-42; Er
zijn veel woorden voor \boos zijn op", \gaan haten"
etc., vgl. kama lu+iti, aga gu, zer^u, ezezu;
2 d Mersakusu eziz u must
a l (M. epitheton van Marduk; G stat.; en de tegenstelling musta lu Gt part. bij
sa  a lu `bedachtzaam', `bezonnen'): 'M. kan boos zijn,
maar ook weloverwogen' Ee-vi-137
}
, (mv. uzza tu), toorn (zowel enk. als mv.);
} , adv. vr. ezzetu ; ook uzzu; [n.b. ezzu ook subst.
!enzu `geit']: kwaad, woedend, toornig; geducht; AHw
\zornig", \wutend";
3 kabattaka ezzetu aggu libbaka, (met -ka `jouw', kabattu `lever', libbu `hart', aggu `vertoornd'): 'uw boze
lever, uw vertoornd hart' (moge bedaren e.d., gezegd
van vertoornde goden)
4 ezz
u tum tu15 mes = ezzu tum sa ru , (m.mv.): `de
woeste winden' adjectief vooropgeplaatst; komt een enkele keer voor, vooral bij epitheta, wanneer de eigenschap een wezenlijk onderdeel is van het substantivum,
bijv. ellu Anu `de reine Anum', eristu Mami `de wijze
Mami';
5 ina m
a ti sarra ku ina ila ni ezza ku (nominale zin
met suf x -ku `ik ben'; `ma tu' `land' maar ook `de

ezebu

su zubu

uzubb^u
ezib, ezub
ezehu
nezuhu
ezezu

uzzatu
ezzu

erra-i-4

}ussu(m) ,
\Zorn";

(subst. ook ezzu): toorn, woede;

AHw

}uzzussu , (< *uzzumsu locativus, dus als ina uzzissu

instrumenteel en adv.): toornig;


7 sa Ti
a mat rapasta tibbiru uzzussu (G perf. of
Gt pret. subj. < *tenbiru `oversteken', Gt `doorkruisen'): `die de brede Tia mat (oceaan) keer op keer
heeft overgestoken in zijn toorn' Ee-vii-74

i-zu-uz-ma, 
zuzma (G pret. +ma) Ee-i-42
 ez-zu-tum, ezzu tum (m.mv.) Ee-iv-99
 : ez-zu-tu, ezzu tu (m.mv.) erra-i-98

(( t V
(4 J (
tt J b !
ezib

ez-za-ku ezz
a ku

(nominale zin+ku) erra-i-110

T
e-zi-iz, eziz (G stat.) Ee-vi-137
 uz-zu-us-su uzzussu (locativus +su) Ee-vii-74
uz-za-
s u uzza
su

(acc. +su) Ee-vii-154

, (voorz.; OB ook ezub, zonder suxen; G imp. v. ezebu


`achterlaten', dus \zie af van!": afgezien van, naast AHw

\abgesehen von", \Auer
(da)"; Eng.: apart from,
besides
, tempelnaam;
T
ezida, het Ware Huis,

Ezida-tempel, tempel van d Marduk (als Tutu) te Borsippa, later ook die van d Nabu, de zoon van Marduk,
secretaris der goden, god van de schrijfkunst. Tempel hersteld en herbouwd door Hammurabi. Er zijn
nog drie andere tempels/heiligdommen met de naam
ezida. Die in Borsippa behoort tot de belangrijke

tempels en staat als nummer vijf in een Babylonische
tempellijst (1e millenium), die hierarchisch geordend
lijkt (naar beroemdheid, kosmologisch belang of naar
de veronderstelde oudheid). Deze lijst bestaat uit drie
kolommen. In de eerste staat de tempelnaam (ezida),
in de tweede een omschrijving (bt d Nab^u `huis van
Nab^u') en met in de derde kolom een geogra sche aanduiding (sa bar-sipaki `die van de stad Borsippa')

T
E-zi-da
, E-zida CH-iii-15
, voorz.; OB vorm van !ezib `naast'
, subst.; ook !enzu `geit'
, ook uzzu; vr. ezzetu, !ezezu kwaad, woedend
 ez-zu-tum, ezzu tum (m.mv.) Ee-iv-99
, subst.; enzu `geit'

E-zida

D O

D O

ezub
ezzu
ezzu
(
ezzum

g
(Voor woorden met g, zie ook onder q en k, vooral als ze
van Hurritische oorsprong zijn.)

66

February 27, 2002 Hoofdstuk 2 Akkadisch vocabularium

wortels naar von Soden's Akk. Handworterbuch

(niet alle trefwoorden opgenomen in deze vocabulair)




g s

g 
s

g^
esu,

glm
s

nagalmu
su

g^
e
su

glp

*qlp

g^
e
su

gl
s

gil
s u,

grd

*ql
s

g u


gar
a du,
qrd I,II

grh

*gr
s

*kbb,kpp

glt/d

gal
a t/du

gr


ger^
u

gbh

gubbuhu,

glt
u

negelt^
u

grm

gar
a mu

qubbuhu?

gml

gam
a lu

grn

*qrn

gds
.

*kb/ps
.

gmm

gam
a mu,

grr

*qrr,

gb
s

*gp
s

gdd

gad
a du,

gmr

gam
a ru

*qdd

gmt

gummutu

gad
a mu,

gnh

gan
a hu

gr
s

gar
a
s u,

*qdm

gn


gen^
u

qr
s


nagar
su

ghb

guhhubu

 

gnn

gan
a nu,

qr
su


idem

g


g^
a u

*qnn

gs
.s
.

*ks
.s
.

g
r

gi
a rum

gns
.

gan
as
.u

g
sr

ga
sa
 ru

g

s

g^
a
s u II

gp


gep^
u

g
s
s

ga
sa

su

*g
su


gp

idem

g
su


ge
su
^

gullubu,

gpr

gap
a ru

g
u
s

g^
a
s u,I




gdm



glb

*qmm

grs
.

gar
as
. u,
*krs
.

gall
a bu

gp
s

gap
a
su

gz


gutezz^
u

*glt

grb

gar
a bu,

gzz

gaz
a zu

gl


gal^
u,

gu(r)rubtu

*ql
u
*qll

G-stam van het sterke werkwoord ,


G stativus, persoonsvormen ,
3m
3f
2m
2f
1c

paris

mv.

parsat
pars
a ta
pars
a ti
pars
a ku

G imperativus, persoonsvormen ,
inf.
m.enk.
vr.enk.
mv.
inf.
m.enk.
vr.enk.
mv.

pars
u
pars
a
pars
a tunu
pars
a tina
pars
a nu

i-klasse

rap
a dum

paq
a sum

(rennen)

(toevertrouwen)

rupud

piqid

rupd


piqd


rupd
a

piqd
a

a-klasse

a/u-klasse

s
a tum
. ab

par
a sum

grijpen

beslissen

s
. abat

purus

s

. abt

pursi

s
a
. abt

pursa

inf.

mv.

3m
3f
2m
2f
1c

3c
2m
2f
1c
3m
3f
2c
1c

a/u-klasse

a/a-klasse

par
a su

s
a tu
. ab

`scheiden'

`grijpen'

iprus

is
. bat

taprus

tas
. bat

taprus


tas

. bat

aprus

as
. bat

iprus
u

is
u
. bat

iprus
a

is
a
. bat

taprus
a

tas
a
. bat

niprus

nis
. bat

3c
2m
2f
1c
3m
3f
2c
1c

u/u-klasse

i/i-klasse

rap
a du

paq
a du

`rennen'

`vertrouwen'

irpud

ipqid

tarpud

tapqid

tarpud


tapqit


arpud

apqid

irpud
u

ipqid
u

irpud
a

ipqid
a

tarpud
a

tapqid
a

nirpud

3c

iprus

2m
2f
1c

enk.

nipqid

mv.

taprus

3m
3f
2c

iprus
u
iprus
a
taprus
a

taprus


1c

aprus

G presens, persoonsvormen ,
3c

iparras

2m
2f
1c

mv.

taparras

niprus

3m
3f
2c

iparras
u
iparras
a
taparras
a

taparras


1c

aparras

G perfectum, persoonsvormen ,
enkelvoud

2m
2f
1c

u-klasse

G preteritum, persoonsvormen ,

enk.

enk.

3c

gal
a lu,

enk.

mv.


s ugarruru

gld

gll

enk.

gar
a du,

gbb

inf.

iptaras
taptaras
taptars


<

3m
3f
2c

niparras

meervoud
iptars
u
iptars
a

<
<

*iptaras
u
*iptars
a

taptars
a

*taptaras


1c

gabarahhu , (subst. <Sum. qab `borst', rag `slaan', van


aptaras

niptaras

hart tegen de borst; vanaf OB; in OB vaak kabarahh u;




gabarah): aandoening, vertwijfeling, wanhoop;


AHw \Brustschlagen", \Vertweifelung (?)" CAD rebellion
, (subst.vr.; < Sum.; soms m.; ook gabr^u;
mv. gabra n^u; vanaf MB; V gabari; V
gabaari): tegenstand, tegenstander, opstand, wantoestand;
AHw \Kopie", \Gegner"; CAD 1 duplicate, copy, answer; 2 opponent, corresponding entry, 3 epact
(voorz.) , !adi, (voorz.)
(voegw.) , !adi, (voegw.)
, (subst. <Sum. gagi4 a; stam gagi-; OB en SB omen
 gi4 a; of U
 gia met detexts;
ga
ga
terminatief
ki):
soort klooster; AHw \eine Art Frauenkloster"; CAD
cloister (a building or section of the temple district,
reserved for women of the nadtu-class)
1 nadum sa ina gag^m l
a wasbat: `priesteres die niet
in een klooster woont' CHx110

 4  , gag^
m CHx110
, (ww. D-tantum; vanaf OB):
}
, (subst.; st.c. galla b; sui) kapper,
Eng.: barber;
II. D-stam (
): scheren, afscheren, kaalscheren;
AHw II \scheren", \rasieren"; CAD 1 to shave (i.e. to
cut and shave hair of head or body); 2 to consecrate a
priest (by shaving the hair of his head and body) 3 to
rob, to dispoil (a house); 4 (in qaqqada sa eqli gullubu)
mng. uncert.;
1 muttassu gullubu, (muttatu + su `de helft'): `hem
voor de helft kaalscheren' CHx127 een smadelijke behandeling als afschrikwekkende maatregel; overal: hoofd-,
baard-, borst- en schaamhaar
e
7
u
-gal-la-bu, ugallabu (D pres. 3 mv.) CHx127

gabar^u

gadu,
gadu,
gag^u

FC

FC

*galabu
gallabu

g
a gi

gullubu

>W s

67

February 27, 2002 Copyright Heise en Stadhouders, Akkadisch Vocabularium

galatu , (ww. u/u-klasse, zelden i/i-klasse; ook galadu;


vanaf

OB;

luh

en

AA




): G-stat. (galit):

luh luh



onrustig zijn,
I. G-stam (pret. iglut, pres. igallut, imp. gulut): schrikken, sidderen; AHw \zittern", \erschrecken"; CAD 1 to

twitch, to quiver, to have a premuture emission, to be


or become frightened, to fear;
} , G verb.adj., , rollend, kolkend, golvend (gezegd van
de zee) AHw etwa \wogend"
1 t^
ama ti galla ti lismama (G prec. v. sem^u `horen')
`laat de rollende/kolkende zeeen 't horen' erra-i-70
7 I gal-la-ti, galla ti (acc.vr.mv.) erra-i-70
}
, angstaanjagend
2 narkabta u
 mu la mahri galitta irkab, (G pret. v.
 `strijdwagen'): `hij [Marraka bu `berijden'; narkabtu
duk] besteeg de onoverwinnelijke Storm als strijdwagen' (de storm gezien als strijdkaros) Ee-iv-50
ga-lit-ta, galitta Ee-iv-50
II. D-stam (
, factitief): verschrikken; CAD 2 to
frighten, to cause trouble, to scare away

gallu

Wgalittu
?

gullutu

d Igigima

sahtu ka d Anunnakima gultuka (G stat.trans.



sah a tu `vermijden';
D stat.trans.) 'de Igigi schuwen u,

de Anunnaki voelen huiver voor u' erra-iii-D10
:  gal-tu-ka galtuka (stat.+ka) erra-iii-D10
}
, D part., , OB, Mari, SB: rustverstoorder, onruststoker, verschrikker; CAD troublemaker, intimidator;
= ; mu-gal-li-tam, mugallitam (D part.)

Wmugallitu
W }

CH-xxiv-38


III. S-stam
(

sulutu) CAD 3 to frighten, to inspire fear,

to inspire awe or respect 4 SD to frighten

galittu , (!galatu `schrikken'): `angstaanjagend'


? , Ee-iv-50
gall^u , (subst. < Sum.; SB): gall^u-demon, kwade demon/duiga-lit-ta galitta

vel; ;

AHw \ein b
oser Damon"; CAD (an evil demon)
1 milla gall^e: de schare gall^u-demonen (kwade demonen); afleiding van milla onduidelijk, mogelijk een
woord voor volheid en hangt dan samen met mal^u I
`vol zijn'; of een variant voor mlu `vloed'
;
gal-le-e, gall^
e (gen.) Ee-iv-116
, (ww. i/i-klasse; vanaf oud-akk.) G-stat.: genadig
zijn;
I. G-stam (pret. igmil, pres. igammil, stat. gamil, imp.
gimil): genade tonen, sparen, ontzien (niet vernietigen
na verovering), begenadigen; AHw \Vergeltbares tun",
\vergelten", \schonen"; CAD 1 to be obliging, to perform a king act, to act so as to please, to come to an
agreement; 2 to spare, to save; 3 St sutagmulu to make
mutual concession
}
, (adj. vr. ga miltu; vanaf OB): AHw \schonend"; CAD merciful, forbearing;
}
, (adj. SB): meedogenloos, niets ontziend;
CAD merciless
1 j^
ati gimlanni, (!j^ati `mij'): `verleen m een gunst'
2 sunuti igammila, (G pres. 3e p.enk. vent. -a(m); pres.
voor duurzame toestand): `zij spaarde hen (toch)' Ee-

W 4
gamalu

gamilu
la gamilu

i-28

}napista + gama lu ,

lett.: `het leven sparen'

sparen, redden
3 belum sa takluka napistasu gimilma, (G imp.; -ka

hier dativisch; taklu `vertrouwend', subj.stat. < takilu): `O Heer, redt degenen die op u zijn vertrouwen
heeft gesteld' Ee-iv-17
}
, (adj. parras-type; sparend,
ontziend, genadig; [parras-type nomen, %nominale typologie];
AHw \viel schonend"; CAD gamm
a lu, vr. gamma ltu
SB* merciful
bijv. stativisch gebruikt 2e p.enk.:
4 gammalata d Sin: `gij zijt genadig' Sin3-65

}
, (subst.; st.c. gimil; vanaf OA, OB;
s u):
genade; voorkeur, vergelding; ook positieve vergelding:
vergoeding; AHw \Vergeltung"; CAD 1 an act of kindness, favor, complaisance, mercy;
5 gimilla sukna(m), (G imp. mv. v. sak
a nu + dat.
-a(m)), idioom: wees mij genadig Sin3-65
6 gimilla + suf x of gen. t^
aru, (t^aru `omkeren') `iets
op iem. wreken', `vergelden'; ook positief: `vergoeden';
de persoon als genitief bij gimillu); bijv. CAD 2 to return an act of kindness, to wreak vengeance
7 gimillasunu terr (G imp. vr.enk. v. t^
aru), lett.: `doe
hun vergelding terug ) `wreek hen', `neem voor hen
wraak' Ee-i-123
8 d Marduk attama m
u terru gimillini, (G part. v. t^aru
`keren'): `O Marduk, gij zijt onze wreker' (lett.:
`de teruggever van onze vergelding; -ni `onze'; hier
mu terru i.p.v. st.c. mu ter) Ee-iv-13
9 m
a ru muter gimillini (-ni `ons'): `de zoon die ons
gewroken heeft' Ee-vi-105
}
, (adj.; vr. gitma ltu; vanaf OB): volmaakt,
perfect, edel; [pitra s-type nomen (%nominale typologie); iets Gt-achtigs: wel eens intensief: \zeer", bijv.
itpesu `bekwaam' bij epesu `vervaardigen']
AHw \vollkommen"; CAD 1 equal (in size, rank, etc.)
2 nobel, perfect (describing gods, kings, etc., and certain animals as perfect specimens, used exclusively as
a poetic term)
}
, G verb.adj. m.mv., , volmaakt, perfect
ga-mi-il, ga mil (G part.st.c.) CH-ii-32,33
!gam! 7 gam-ma-la-ta, gammalata (G stat. 2e p.enk.

gammalu, gammal^u

gimillu

gitmalu

gitmalutu
?
V
? V
N V 5
NV
b

v. adj) Sin3-65

U
gi-mil-ma, gimilma, (G imp. +ma) Ee-iv-17

7 i-ga-m-la, igammila (G pres. 3e p.enk. vent.


) Ee-i-28

-a(m)

P
U
U

(G pret. subj.) CH-iv-29


CH-iii-36,37
go i-it-ma-[l]u-tum, gitma lu tum
(adj.m.mv.) Sil-C-54
U 7 K gi-mil-la-su-nu, gimillasunu (acc. + sunu)
Ee-i-123
U ; gi-mil-li-ni, gimillini (+ ni) Ee-iv-13, vi-105
U 7 gi-mil-la, gimilla (acc.) Sin3-65
ig-mi-lu igmilu

gi-it-ma-lum gitm
a lum

gamaru , (ww. a/u-klasse)


e

I. G-stam (Gt pret. 3 mv. igdamru , <*igtamru ) G stat.


klaar z/w.; eindigen, aan zijn eind brengen, eind, aan zijn {
brengen' voltooien, afmaken ) `afmaken' in de zin van
vernietigen, kapot maken; totaal beheersen; AHw II \zu

Ende bringen"; CAD 1 to bring to an end, i.e. 1a to


annihilate, 1b to use up, 1c to spend, 1d to settle, 1e
to encompass, to control, to possess in full, 1f to nish
2 to come to an end,
1 t
a mtamma dalh a ta saddema gamra ta (transitieve

G stat.vr.mv.) 'u [Erra:
uw wind] maakt de zee troebel

68

February 27, 2002 Hoofdstuk 2 Akkadisch vocabularium

en u vernietigt de bergen'erra-iii-D5
!gam!
gam-ra-ta gamra ta (G stat.vr.mv.)
erra-iii-D5

gummuru

II. D-stam (
, bet. als G), beeindigen, voltooien;
ook volledig betalen; beheersen CAD 3 D gummuru (mng.

as 1a, 1b) 3c to pay or deliver in full 3d to encompass,


to control, 3e to use one's full strength, to concentrate,
3f to render a nal verdict, 3g to nish;
d en-ll gu-u[m!garza! c

garza ana
mur]
2 pars.u ana d enlil gummur `de ceremonie voor Enlil
is voltooid' CT51,161,r. 11
; 5 N;
CAD 4 S
}
, (subst.; OB, Mari, in speciale bet. NB) geheel, totaal; AHw \gesamtheit"; CAD A 1 totality;
completion 2 in NB termination; 3 in NB (grammatical
term)
3 naphar ers.etimma gammar
a ta matumma beleta

(Gstattrans.;
meestal gamra ta) `u heerst over de gehele aarde en alle landen' erra-iii-D4
}
, (subst.; pirs-nomen; st.c. gimrat, gimret; vanaf OB, MA): totaalheid, geheel; [pirs-type nomen (vr.
pirist, %nominale typologie) geeft meestal de daad zelf
weer (bijv. `zending' bij `zenden') of dat wat eruit resulteert (bijv. \de zending werd bij de grens tegengehouden"); nomina actioni van eigenlijke ww. met betekenisovergang naar het concrete: bijv. siprum `zending'
bij sapa ru `sturen'];
AHw \Gesamtheit"; \Kosten"; CAD 1 totality, all; 2
universe; 3 expenses
}
, G verb.adj., , st.c. gimir-; kan volgen op een
ander adj.: Eng.: nished, settled; complete, entire,
full;
}
+ gen. , (st.c. v. verb.adj. gamru-) alle,
geheel;
4 gimir m
a tim: al het land
}
+suf x , geheel, totaal
5 gimratsunu: `hun geheel' Ee-i-154
6 niddinka sarr
u tum kissat kal gimreti, (G pret. als
synchroon pres. v. nada nu) `wij geven u hierbij het
koningschap over het totaal van het hele universum'

9/

gamartu

gimru

gamru
gimir

gimer

Ee-iv-14
7 u in
a (n)

: : : ibarr^a gimreti, (G pres. 3e vr.mv. v.


bar^u; als het subject in dualis is, verschijnt de niete ww.-vorm in vr.mv.): `en de ogen kunnen alles zien'

 b
[
H
8
Ee-i-98

V I gim-re-ti, gimreti (gen. vr.) Ee-iv-14


V gim-ri, gimri (st.c.) Ee-vii-142
U K gi-me-er-su-nu, gimersu nu (st.c. +sunu),
Sil-C-115

(st.c.), erra-i-1
d e
,
gimratsunu (st.c. +sunu) Ee-i-154

gim-ras-su-un,
gimratsunu (st.c. +sunu) Ee-vii-118
gi-mir gimir

K

gim-ra- at -su-nu

gamirutu(m) : CAD: gamu tu overpowering strength


vaardigheid, bekwaamheid, knapheid
gammalu, gammal^u I , (adj. parras-vorm; !gamalu):

`sparend', `ontziend', `genadig'; [parras-type nomen,


%nominale typologie]; bijv. stativisch gebruikt 2e p.enk.:
1 gammalata d Sin: `gij zijt genadig' Sin3-65

!gam! 7
adj.) Sin3-65

gam-ma-la-ta gammalata

(stat. 2e p.enk. v.

gammalu II , (subst.; ook gamlu; F): kameel; CAD camel


gamru , (verb.adj. bij !gamaru `klaar z.') `klaar'
gana , (Sum. gana `kom!') kom op!
gannu , (ook: ganunu, ginnu) !ganunu grote ruimte,
tempelvertrek, woning
ganunu , (subst. <Sum.; in OB, MdA, NA gannu, in SB,

ginu nu; litt. woord; vanaf OB, MA; in OB W


; en W F ganunna): grote ruimte, tempelvertrek, woning; AHw \ein groer Raum"; CAD 1
storage room, storage building; 2 living quarters,
1 sa saphi tupahhara gan
u nsu, (D pres. 2e p. v. pah a ru



D `verzamelen'; saphu `verstrooid'): lett.: `van deverstrooide zijn woninggij verzamelt' ) `gij verzamelt de
dakloze in zijn (eigen) woning' ) `gij [S^n] bezorgt de
dakloze een thuis' Sin3-53
W
ga-nun-
s u, gan
u n
s u (st.c. +
s u) Sin3-53
, (ww. u/u-klasse; vanaf OB): G-stat.: machtig z/w.,
indrukwekkend z/w., van gewicht z/w.; AHw \massig sein,
werden"; CAD to be huge, to ne massive
}
, G verb.adj., , vr. gapustu; vanaf Ur III: imposant, indrukwekkend, van gewicht; AHw \massig", \stolz";
CAD huge, overbearing, proud;
1 gaps
a t^eretusa, (G stat., t^ertu `order', `aanwijzing'):
`haar bevelen zijn (zo) krachtdadig (dat)' Ee-i-145
}
, (subst.; vanaf OB): zwelling, dikte, massa;

vloed, vloedgolf; in LL-Malku:Sarru
-ii-52 gi-ip-[su]= a-guu !ag^u II , (< Sum. `donker water');
AHw \Masse"; CAD 1 mass, expanse, might; 2 (a deformation of part of the exta)

gap-
s a, gap
s a Ee-i-145
U
gi-ip-[
s u], gip
s u = ag^
u LL-M
s -ii-52
, subst. !kappu `vleugel'
, (ww.; ook kara nu, AHw qara nu; OB, SB, NA):
I. G-stam (pret. igrun, imp. gurun): CAD to store, to
pile up in heaps
II. D-stam (
, bet. als G): ophopen, optasten (van
graan);
}
, (subst.; mv. burunne en gurunneti vanaf OB):
hoop, stapel;
CAD heap,
mound;
1 gurun salm
a t umma na tsu: `een hoop lijken van
zijn troepen'
=
V mu-ga-ar-ri-in, mugarrin (D part.
NB

 nun
ga

? b

gapasu

gapsu

gipsu

a b

gappu
garanu

gurrunu
gurunnu, qurunnu

st.c.) CH-iii-21

gararu , (ww. u/u-klasse; ook qararu)

I. G-stam Eng.: to roll, to turn over; to twist, to grow

crooked;

}garru, G verb.adj., , st.c. garir- Eng.: round, bulging


garru , (verb.adj. bij !gararu) `rond'
gar^u , ww. !ger^u, `strijd voeren tegen' etc.
gar^u , (G part. v. !ger^u), litt.: tegenstander, vijand
V!
,
(gen. + ) Ee-i-74
gas.as.u , !kas.as.u `knarsen' (van tanden)

ga-re-
su
 (eli) gar^
e
su


su

gasaru , (ww. van de i-klasse, zoals veel eigenschapsww.


< Sum. woord

guru
s voor `man' of `kerel', `adolescent', iem. in de kracht van zijn leven; of omgekeerd;
het Sum. woord is een leenwoord uit het Semitisch): Gstat.: sterk z/w., geweldig z/w., superieur z/w., ook: man
z/w., kerel z/w.;
AHw \
uberlegen stark sein, werden"; CAD 1 to

69

February 27, 2002 Copyright Heise en Stadhouders, Akkadisch Vocabularium

be(come) (all) powerful;


1 gaser ultu ulla (G stat.; ultu ulla idioom `van oudsher'): `hij is van meet af aan heel sterk' Ee-i-88
}
, G verb.adj., , ook gesru, gisru; st.c. gaser-,
gasir-; vr. gasratu, gesratu, gisirtu; vanaf OB: geweldig, krijgshaftig, stoer; superieur;
AHw \
uberlegen stark"; CAD strong
2 gasir il
a ni rab^uti, (hier: elativisch): (S^n) `de
sterkste/krijsghaftigste onder de grote goden' Sin3-37
3 ina d Igigi qard
a ku ina d Anunnaki gasraku (nominale zin met sux -ku `ik ben') `onder de Igigi ben ik
[Erra] heldhaftig (of elativisch: de heldhaftigste), onder
de Anunakki ben ik machtig (de machtigste)' erra-i-111
II. D-stam (
, factitief): sterk maken; CAD 2
to concentrate (troops)
II. D-stam (
, elativisch): zeer sterk
4 gussur ma adis ana Ansar, (D stat.; ma adis
`veel'): `hij is zeer veel machtiger dan Ansar'
}
, (subst.; OB, Mari, MB, SB): 1 de machtige,
enorme kracht; 2 bijl, strijdbijl CAD 1 strength, power,
force; 2 (an ax); 3 (uncert. mng.)
 bij raba bu `zwak worden',
5 magsaru lisrabbib, (SD
`verlammen', `versagen'): `moge (jullie opgehoopte gif)
de enorme kracht doen verzwakken' Ee-i-162
 is een zeldzame vorm die alleen in literai[De SD
re teksten voorkomt. De betekenis is meestal factitief, dus als D. De vormen worden gekenmerkt door
de toevoeging van een s tussen de preformatieven in
de D-stam: D pres. uparras )usparras; D pret. uparris
)usparris)]
6 ina api d Girraku ina qsi magsar
a k (apu `riet';
Girru, de vuurgod; qsu `kreupelhout'; magsa ru `bijl'
hier apocope van -a ku): `in het riet ben ik [Erra] het
Vuur, in het bos ben ik een strijdbijl' erra-i-113
II/2. Dt-stam (
, re exief): zich inspannen;
CAD 3 to show oneself superior in strength
7 nsu
 ugdassara ana ama ri k^ata, (Dt pres. vr.mv.;
de t van de -t-in x > stemhebbende d na de eerste
radicaal g; assimilatie G inf. gen. v. ama ru): `de mensen spannen zich in om u [S^n] te zien' Sin1-8
V
ga-a
s -ri-im, ga
s rim (gen.) CH-iii-22,23
ga-ser, gaser (G stat.) Ee-i-88
G ga-sir, gasir (st.c.) Sin3-37

ga
s -ra-ku, ga
s r
a ku (st.c. +ku) erra-i-111

ug-da-
s
a-ra, ugda
s
s ar
a (Dt pres. vr.mv. met

gasru

gussuru
gussuru

magsaru

gutassuru

???
HOU H
VV aU *
-gt-

>

a
a

-gd-) Sin1-8

erra-i-113

ma-ag-
s a-ru mag
s aru

Ee-i-162
(-a k<

ma- *ag -
s
a-rak mag
s ar
ak

-
a ku

gassu , (subst.; st.c. gass) Eng.: impaling stake


gasir , st.c. v. G verb.adj. gasru, !gasaru `sterk z/w.',

etc.
G ga-sir, gasir (st.c.) Sin3-37
, G verb.adj. bij !gasa ru `sterk z/w.', etc.
, de vuurgod, zie !Girra
, (subst., m. en vr.; st.c. gerri; mv. gerru en gerretu)
Eng.: road, path, journey, (business) trip caravan, military campaign, expeditionary force, travel provisions
, (ww. i/i-klasse; ook gar^u; vanaf OB):
I. G-stam (pret. igri, pres. igerri/igarri, stat. geri, gari):
strijd voeren tegen, in vete liggen; procederen, een proces
voeren;

gasru
Gerra
gerru
ger^u

AHw \befehden", \prozessieren"; CAD 1

to be hostile,
to start a lawsuit;
} , G part., , ook gar^u, litt. woord; vanaf OB: tegenstander, vijand; AHw \Feind", \Gegner"; CAD foe,
adversary
II. D-stam (
) CAD 2 to open up hostilities, to
make war, to start a lawsuit; 3 itegr^u to quarrel
V ga-re-su, (eli) gar^esu (gen. + su) Ee-i-74
, (subst. < Sum.; st.c. gerseqqa -;

g
rs
ga) Eng.: an attendant, domestic, (attached to
the palace or tempel)
, (subst.; SB litt. woord < Sum.): leidsman, leider;
CAD leader
1 gest.u
^ dannu `de sterke leidsman' Ee-vi-148

ger^u

gurr^u

gerseqq^u

gest.u^

(S>

ge
s -t
u ge
st
^
.u-
.u

Ee-vi-148

gewichtseenheden , De grootste eenheid is j gu of


 un = gun, biltu `talent', `manlast' (dat wat
gu
een man kan dragen), ong. 30 kg. Onderverdeeld in 60
F mana, man^u `mine' van ong. 500 gr. 1 mine is
weer onderverdeeld in 60 sjekels (sikkels): siqlu, (
g
in) van ca. 8.3 gram. Een sjekel is onderverdeeld in
180 ut.t.atu, se, `graankorrels'. 60 gin vormen 1 mana
!man^u `mine', dus ong. 500 gram.
, (ww. v. geluid; SB*):
I. G-stam (pres. igessu, stat. gesi): boeren, opboeren,
oprispen; ook wel brullen; AHw \aufstoen", \rulpsen";
CAD to belch;

U

F
ina ge-si-su
z
e
im-ta-na-a 
1 ina ges^su marta imtan^
a (Gtn pres. v. m^a u `overgeven', `kotsen'): `(en die) bij zijn opboeren/al boerend
gal opgeeft' BAM578-i-1
U

 ina ge-si-su marta i-ar-ru


2 ina ges^su marta i arru (gesu
^ `oprispen', `boeren';
G pres. v. ar^u `braken'): `(en) terwijl hij boert, geeft hij
gal op' BAM578-ii-20
U
ge-
s i-
s u ge
s^

s u (G inf.gen. +
s u) BAM578-i-1,

gesu^

b 2

ii-20

Gibil , andere naam voor !Girra/Gerra, de vuurgod


gigun(n)^u , (<*giguna u, Sum., st.c. gigunn^e; mv. gig

gun^u): tempelterras, tempeltoren, het heiligdom op


de tempeltoren Eng.: a sacred building, temple
tower
U
gi-gu-ne-e, gigunn^
e (st.c.mv.) CH-ii-28
, (subst.; st.c. gilitti, met suf x gilitta-) Eng.: fright,
terror
, (subst.; ook gelletu; st.c. gillat) misdaad, onrecht,
zonde; AHw \Unrecht", \Sunde"; Eng.: crime
}
, lett.: `die van misdaad' ) boosdoener,
misdadiger;
1 sa anni u gillati maharsu ba  u
 (G stat.mv. v. ba u^
`langs hem passeren' ) `gaan vrij-uit'; annu < arnu
`zonde'; sa anni `die van zonde' ) `zondaar'): `zondaars en boosdoeners/misdadigers gaan bij hem vrijuit' Ee-vii-156
7 I gl-la-ti gillati (gen.) Ee-vii-156
, G imp. v. !gama lu
U
gi-mil-ma, gimilma (G imp. v. gam
a lu) Ee-iv-17
, !gama lu: genade; voorkeur; vergelding, ook positief: vergoeding
1 gimilla sukna(m), (G imp. mv. v. sak
a nu), idioom:
`wees mij genadig' Sin3-65
2 gimill
a +suf x of gen. t^aru, (t^aru `omkeren') `iets op

gilittu
gillatu
sa gillati

gimil
gimillu

70

February 27, 2002 Hoofdstuk 2 Akkadisch vocabularium

iem. wreken', `vergelden'; ook positief: `vergoeden'; de


persoon als genitief bij gimillu; bijv.
3 gimill
asunu terr (G imp. vr.enk. v. t^aru), lett.: \doe
hun vergelding terug" ) `wreek hen', `neem voor hen
wraak' Ee-i-123
4 d Marduk attama m
u terru gimillini: `O Marduk, gij
zijt onze wreker' (lett.: \de teruggever van onze vergelding"; -ni `onze'; hier mu terru i.p.v. st.c. mu ter)
Ee-iv-13
5 m
a ru muter gimillini (-ni `ons'): `de zoon die ons
gewroken heeft'/`onze wreker' Ee-vi-105, vi-163
6 gimil-GN persoonsnaam: Genade(gave)-van-GN
7 GN-g
a mil
(G stat. part.) persoonsnaam:

Genade(gave)-van-GN
8 GN-igmilanni (G pret. met dativus -anni) persoonsnaam: GN-is-mij-genadig-geweest/heeft-mij-gespaard
9 GN-gimilanni (G imp. met dativus -anni) persoonsnaam: GN-wees-mij-genadig/spaar-mij

U 7

Ee-i-123

U ;
vi-105, 163

U 7

gi-mil-la-
s u-nu gimill
a
s unu

gi-mil-li-ni

gimillini

(acc. + sunu)

(+ ni) Ee-iv-13,

(acc.) Sin3-65

gimir , st.c. v. !gimru, ook !gamaru


gimlu , (subst.; zeldz.) Eng.: reserve ox
gimru , (subst.; pirs-nomen; !gamaru; st.c. gimir; st.c. vr.
gi-mil-la gimilla

gimrat, gimret): `totaalheid', `geheel'; [pirs-type nomen


(vr. pirist, %nominale typologie) geeft meestal de daad
zelf weer (bijv. `zending' bij `zenden') of dat wat eruit
resulteert (bijv. \de zending werd bij de grens tegengehouden"); nomina actioni van eigenlijke ww. met betekenisovergang naar het concrete: bijv. siprum `zending'
bij sapa ru `sturen'];
1 gimir + gen.: `alle', `geheel', bijv.
2 gimir m
a tim `al het land'
3 gimratsunu `hun geheel' Ee-i-154
zie voorbeeld 5 (en verder) onder !gama ru op
pag. 68
 K gim-ra-d ate -su-nu, gimratsunu

H
H

ginnu

(st.c. +sunu) Ee-i-154


Ee-vi-79

K

gim-ra-s
u-nu gimrassunu

(st.c. +sunu)

V I gim-re-ti, gimreti (gen.) Ee-iv-14


, (ook: ganu nu, gannu) !ganu nu `grote ruimte',
`tempelvertrek', `woning'
, (subst. <Sum. gi `riet'; ook gipa ru, mipa ru,
miparru; Ass. gibaru; MA, SB): 1 godenwoning (in de
cella), woning, rietwoning; 2 weide; AHw \Wohnung von
enu-priest or entu-priestess"; \Gotteswohnung"; CAD
1 residence of enu-priest or entu-priestess; 2 part of a
private house; 3 pasture, meadow; 4 taboo
1 asrussu gipar(r)u usarsidma, (S pret. v. *ras
a du,
S-tantum): `op die plaats grondvestte hij [Ea] zijn
cella/heiligdom [de Aps^u]' Ee-i-77
2 (en
u ma) giparra la kis.s.uru , (Ee-i-6, in de oertijd toen er nog) `geen weiden waren gevlochten'
(<*kits.aru Gt stat. 3e m.enk. subj. v. !kas. a ru `in elkaar vlechten')
U
gi-pa-ra, giparra (acc.), Ee-i-6
, (!gapasu `van gewicht zijn'): zwelling, dikte, massa;

vloed, vloedgolf; in LL-Malku:Sarru
-ii-52 gi-ip-[su]= a-guu !ag^u II , (< Sum. `donker water')

gipar(r)u

gipsu

'H

b

[ ],

LL-Ms-ii-52

Girra , (subst., eigennaam; Sum. gibil, U


gi-ip- 
su

gip
su

ag^
u

;
is ook ne `vuur'; ne afgeleid van , pictogram voor vuurplaats, en staat voor alles wat met
`hitte' te maken heeft; ememu `heet zijn', `ummu' `hitte', bahru `heet', `gaar'; ook
J d gisbar): vuur;
vuurgod Girra (ook Gerra); (vuur in de verschijningsvorm van de god)
1 d Girra ittanpah, (Ntn pret. (habitatief/iteratief) v.

napa hu): `(dan) wordt
Girra/vuur ontstoken' Ee-i-96

2 kma Girra himit.ka, (himt.u `brand', `hitte', `gloed'):

`uw gloed is als die van Girra'
Sin1-6
d
3 ina api Girraku (apu `riet'; nominale zin met sux
-ku `ik ben') `in het riet ben ik [Erra] het Vuur' erra-i-

113

bil gi


J d  , d Girra (vuurgod) Ee-i-96
U d  , Girra Sin1-6
, een stad,
ki



, Girsu CH-iii-41,42
, (leenwoord < Sum.) schorpioenmens, mythisch
monster genoemd in het Enu ma elis-epos; gir `schorpioen'; | tab `dubbel', `tweeling'; lu `mens', `mensheid'

|
&

  8 , girtabbilu Ee-i-142
, (subst. <Sum.; OB*): standplaats, positie, sterpositie; AHw \Standort (von Sternen)"; CAD position
(of a star)
1 uknma gisgallasa itti il ath^esa (D pret. v. k^
anu
 `(ster)positie'): `hij
`vast z.', D: `vaststellen'; gisgallu
stelde haar [de boog(ster)] standplaats vast te midden
van de goden haar broeders' Ee-vi-91
U
7 gi-is-gal-la-sa, gisgallasa (acc.) Ee-vi-91
gis ,
determinatief voor hout, boomsoorten
, (subst. < Sum.;
gi
s hur): patroon, silhouet, omtrek; vergelijk usurtu: `plan',
 `tekening' dat
.
hetzelfde logogram heeft; AHw \Vorzeichnung";
gi
s hur nigin-ma

1 us.urta talammima (
gi
s hur us
. urtu `tekening', `plan', maar ook geleerd woord < Sum. gishurru
`silhouet', `omtrek';
nigin o.m. law^
u, lam^u `iets
omgeven/omsingelen met', 2 acc., hier G pres.2e p.enk.): `je moet (rond de pot) een tekening trekken'
gi
s bar

Girsu

girtabbilu
gisgallu

bil gi

g
r su

g
ir tab l
u u

(W
(
gishur(r)u

(  V

( 

BAM578-i-40

gi
s -hur-me
s

2 (atman) us.ur
a ti, ((w)atmanu `tempel', `kapel'):
`schrijn der tekeningen' Ee-i-79 [geestelijke plannen, de

( 
(
gisimmaru

lotsbeslissingen]


, us.ura ti (gen. vr.mv.) Ee-i-79


BAM578-i-40

gi
s -hur-me
s

gi
s hur

us
. urta

(d

, (subst. m. en vr. < Sum.; st.c. gisimmar; mv.


gi
s
gisimmara tu;
gi
s immar, teken met klankwaarde sa6 ): palm, dadelpalm; AHw \Dattelpalme";
Eng.: date palm
, (!gama lu): `volmaakt', `edel'; [pitra s-type
nomen (%nominale typologie); iets Gt-achtigs: wel
eens intensief: \zeer", bijv. itpesu `bekwaam' bij epesu
`vervaardigen']
}
, G verb.adj. m.mv., , volmaakt, perfect
U
gi-it-ma-lum CH-iii-36,37
U
go i-it-ma-[l]u-tum, gitma lu tum

gitmalu

gitmalutu

NN VV 5

(adj.m.mv.) Sil-C-54

71

February 27, 2002 Copyright Heise en Stadhouders, Akkadisch Vocabularium

GN-in-persoonsnamen 1 gimil-GN `Genade(gave)-van-

GN'
2 GN-g
a mil (G stat. part.) `Genade(gave)-van-GN'
3 GN-igmilanni (G pret. met dativus -anni) `GN-ismij-genadig-geweest/heeft-mij-gespaard'
4 GN-gimilanni (G imp. met dativus -anni) `GN-weesmij-genadig/spaar-mij'
5 GN-gimilanni (G imp. met dativus -anni) `GN-weesmij-genadig/spaar-mij!'
6 GN-iddinam `GN-heeft-mij-gegeven' (G pret. en
dat. -am);
7 GN-n
a din-apli `GN-geeft-een-erfzoon' (G stat. van
part. (eigenschap, maar ook entisch ww., hier vertaalt
met pres..
8 Nidinti-GN `Gave-van-GN'
9 p lipit-GN `Schepsel-van-GN'
10 serikti-GN Geschenk-van-GN
11 GN-leqe-unninn `GN-aanvaard-mijn-smeekbede!',
bijv.: S^n-leqi-ennemu (imp. `S^n, aanvaard mijn
gebed!';
12 GN-ism^
anni met G pret. `GN-heeft-mij-verhoord'
13 GN-sem^
anni met G imp. `hoor-mij-GN!'
14 GN-magir G stat.`GN-is-goedgunstig'
15 GN-mugur/mug(u)ranni
D imp.`Verhoor-(mij-)GN!'
16 migir-GN `Verhoring-van-GN'
17 GN-idnanni `GN-heeft-mij-gericht'
18 innamar-dn-ili `Gods-vonnis-is-gewezen'
19 dn-GN-l^
umur `Moge-ik-GN's-oordeel-zien'; ook
dn-ili-l^umur
20 arik-den-ili `God-wachtlang-met-zijn-oordeel'
21 GN-d
a bib `GN-is-mijn-advocaat'
22 GN-d
a bib-ner met G imp. v. neru `doden'; `GNdood-mijn-aanklager!'
23 GN-muballit. (stat. van het part.) `GN-is-eengenezer'
24 GN-bal
a ssu-iqbi < *bala t.su `zijn leven' met G pret.
v. qab^
u `GN-heeft-bevolen-dat-hij-leeft'
25 GN-n
a s.ir-apli met G stat. v. nas. a ru `bewaren',
`GN-behoedt-de-erfzoon'
26 GN-kudurr(a)-us. ir met D imp. v. nas. 
a ru D
d
`beschermen': `GN-behoed-de-erfprins!' bijv. Nab^ukudurru-us.ir `Nebukadnezar'
27 GN-re ^ `GN-is-mijn-herder'
28 s.ill-GN nominale zin `GN-is-mijn-schild'
29 GN-s.ul
u l nominale zin `GN-is-mijn-scherm'
30 GN-lamass `GN-is-mijn-schutse'
31 GNsalim met G stat. v. sala mu `GN-is-verzoeningsgezind',
`GN-betoont-zich-een-vriend'
32 GN(vr.)-remeniat `GN-is-barmhartig'
33 GN-remanni (r^emu `zich erbarmen') `GN-erbarmu-mijner!'
34 GN-tajj
a r `GN-is-vol-ontferming'
35 p Tukult-d Ninurta = `N. is mijn betrouwe'; vgl.
het Wilhelmus \Mijn schild ende betrouwe zijt Gij, o
God, mijn Heer"
36 ana-dn-GN-atkal G pret. v.tak
a lu `vertrouwen
hechten aan' `ik-vertrouwde-op-het-oordeel-van-GN'

37 atkal-GN-ul-ab
as
`in-mijn-vertrouwen-op-GN-ben-ik-niet-beschaamd'
38 l
a -abassi-GN `GN-laat-mij-niet-beschaamd!'
39 aj-ab
as-GN
`GN-laat-mij-niet-te-schande-worden!'
40 nar
a m-GN `beminde-van-GN', vgl. de naam
Nara m-S^n, de op een na laatste koning van de Akkad-dynastie;
41 ir
a m-GN `GN-bemind'
42 GN-r
a m met G imp. vr. (voor vr. naam) `beminGN!'
43 GN-r
a ma met G imp. mv. `bemin-(o-mensen)-GN!'
44 GN-res.i-kni `GN-helpt-de-rechtschapene'
45 GN-p
a t.ir G part. stat. `GN-is-losser'
, (subst.) boomstam, boom; AHw \Baum(stamm)"

gubnu

1 liktappiru gupn
usu (Dtprec. of Gtnprec. v. kapa ru
`afwissen'): `Moge zijn boomstammen worden weggevaagd' erra-i-71
K gup-nusu gupnusu (st.c.mv.+su) erra-i-71
, (subst.; st.c. gubur) Eng.: shepherd's hut
, godin van de geneeskunst, stadsgodin van de
stad Isin, samengevallen met ninisinna (`meesteres
van Isin') en nintinug7=5 ga `de meesteres (nin) die
de doden (ug7 ) tot leven maakt (ti(n))'. In het Akkadisch muballit.at mt `genezeres der doden'. [`de doden levend maken' is vaak een epitheton van de goden,
vooral de goddelijke genezers zoals Marduk, ook wel

Sama
s en veel godinnen, waaronder de godin Gula.
muballit.at mt `genezeres der doden' is niet letterlijk \doen opstaan uit de dood". In Mesopotamie is
het dodenrijk het land vanwaar niemand wederkeert.
Het slaat op doodzieke mensen, ten dode opgeschreven maar toch weer genezen. In de oudheid is ziekte
een broertje dood.]
: een plaatsnaam (Kullaba?)
uru
ki
& 7
Gu-la, Gulabadu, Sil-A-53
, D v. !*gala bu `scheren', `afscheren'
, (subst.vr.; ook gulgullatu; mv. gulgullu en gulgulla tu; vanaf OB): schedel (vgl. de berg Golgota, een
berg als een schedel) een woord waarvan de stam een
reduplicatie heeft. Dit is vaak het geval bij woorden
voor lichaamsdelen, in het bijzonder qaqqadu < qadqad
`hoofd', gulgullum `schedel', kimkimmu `polsgewricht'.
AHw \Sch
adel"; CAD 1 skull; 2 (container shaped like
a human skull)
, (D, niet in G, !*gala bu) `scheren'
, (subst.; ook qurqurru; st.c. gurgur;
!urudu!
l
u
tibira met tibira = urudu-nagar met urudu er^
u
`koper' determinatief voor metaalwaren, en naga ru
`timmerman') metaalbewerker Eng.: woodworker, metalworker
: Heer Goudsmid, , , een schutspatroon
van de goudsmeden, gezel van Ea in het Bt mummu
(!mummu), het tempelatelier, waar goden(beelden)
vervaardigd en gerestaureerd worden; mythologisch
door Ea en zijn gezellen, die dus patronen van werklieden zijn.
, (subst. < Sum.; st.c. gusur; NA gasu ru;
 r): AHw \gef
gi
s u
allter Baumstamm" \Balken" Eng.:
beam, log

gubru
d Gula

Gulabadu
/
gullubu
gulgullu

gullubu
gurgurru
d

b
ad

Guskin-banda

gusu ru

72

February 27, 2002 Hoofdstuk 2 Akkadisch vocabularium

}habtu, G verb.adj., , st.c. habit-

h
ababu ,

(ww. u/u-klasse) AHw \murmeln", \zirpen",


\zwitchern"; Eng.: to murmer, to whisper; to chirp;
to caress
, (ww. a/u-klasse, soms ook i/i-klasse; vanaf oud akk.):
I. G-stam (pret. ihbul, soms ook ihbil, pres. ihabbal, soms

onrecht doen,
ook ihabbil, stat.habil, ihbil): (iem.=acc.)



benadelen, beschadigen, verdrukken i.h.a., maar speci ek:
misbruik maken van machtspositie, overweldigen;
AHw II \Gewalt (an)tun", \Unrecht (an)tun" CAD A
1 to oppress, to wrong (a person); to ravage, to take
away, to undo;
1 ana l
a habal ens.im: `om de zwakke geen onrecht te

doen';
II. D-stam (
) CAD 2 to damage (denominative
from hibiltu), to destroy (LB only), to do wrong (to a
 3 Dt hutabbulu passive;
person);
IV. N-stam ( 
, passief) CAD 4 (passive)
} , (adj.;vr. habiltu) verdrukte; AHw \dem Unrecht geschah"; CAD unjustly treated, wronged person
2 ana hablim sutesurim: `om de verdrukte recht te

verschaffen'
}
, (subst.; st.c. hibilti-, met suf x hibilta-; mv.

hibla tu) Eng.: damage, wrong;
 ;
ha-ba-li-im, hab
a lim CH-i-39



ha-ba-lim, hab
a lim (gen.) CH-xxiv-60



ih-ta-ba-al ihtabbal (G perf.) CHx34


, (ww.; OA, OB, MB, , NA):
 I. G-stam (pret. ihbul, pres. ihabbal): CAD B to borrow,
(stat.) to owe, to acquire on credit, (basically \to assume a nancial obligation")
}
, (subst.; oud-akk., OB, Mari, OA, MA;
ur5 ra): rentedragende schuld
CAD 1 obligation,
debt (with interest) 2 interest

habalu I

hubbulu

nahbulu

hablu

hibiltu

*
habalu II
M
M

Hhubullu
H
habaru I

5 r[a],

ur

hubullim

CHx70+c

, (ww. u/u-klasse; vanaf OB):


 I. G-stam (pret. ihbur): lawaai maken; AHw I \larmen";

CAD A to be noisy
} , G verb.adj., , st.c. habur- Eng.: noisy
}
, (subst.; SB): lawaai, herrie, geroep, geraas; [Deze minder gebruikelijke term komt voor
in het Atrahasis-epos; `lawaai' meestal !rugmu ;
hubu ru meer algemeen: `de menselijke activiteiten',
vgl. \makkers staakt uw wild geraas"]
AHw \L
armen"; CAD B din;
N
 hu-bur-si[n] (st.c.+-sin) erra-i-73
, (ww. a/u-klasse; vanaf OB):
 I. G-stam (pret. ihbus, stat. habis in mootjes hakken; jn

hakken
AHw \zerkleinern" CAD 1 to break into pieces; 2 to
chop up; 3 (uncert. mng.)
, (ww. a/u-klasse; vanaf OB):
 I. G-stam (pret. ihbut, pres. ihabbat, stat. habit): roven;


 to plunder;
CAD A 1 to rob, to take away by force;
2 to commit a robbery; 3 to snatch
1 alpam hab
a tu: `een rund roven'
, (subst.; st.c. habba t; OB, EA, SB, NB; in
}
 ): rover; CAD 1 robber; 2
omina
h lusagaz
(uncert. mng.)

habru
huburu

habasu
habatu

habbatu

beroofd, geroofd; AHw


\geraubt (Mensch)"; CAD (released or runaway) prisoner robbed, plundered
2 awlu habtu: beroofde man
}
, (subst.; OB, EA, MA, SB, NA, NB): roof, buit,
krijgsgevangene; CAD 1 robbery; 2 booty, loot; 3 captive, prisoner of war
3 hubta hab
a tu: \een roof roven" ) roven, een roof


uitvoeren
(diefstal
met geweld)
4 hubtum ihhabtu (N pret. subj.) `de roof is gepleegd',


CHx23
5 alpam hab
a tu: `een rund roven'
IV. N-stam (
, passief)
 , hubtam (acc. `roof') CHx22
N hu-ub-tam


hubtu

nahbutu
}
s}V
M
M
2M

ih-bu-ut-ma ihbutma

(G pret. +ma), CHx22

 ha-ab-ba-tum, habba tum CHx23


ha-ab-tum, habtum CHx23
N
hu-ub-tum, hubtum (`roof') CHx23
: ih-ha-ab-tu, ihhabtu (N pret. subj.) CHx23
, (!haba lu `onrecht doen'): `verdrukte'
, (!haba tu `roven'): `rover'
a ru `lawaai maken'): `luidruchtig'
, (!hab

, (!haba tu `roven'): `beroofd', `geroofd'

, subst.;
!adanu termijn;
, !ada ru II `donker zijn' etc.
, (adv.. v. !had^u): vrolijk, blij, verheugd
 later ook i/i-klasse; st.c. hadi ; van, (ww. u/u-klasse,

af OAkk):
I. G-stam (OB en OA pret. ihdu, pres. ihaddu, imp. hudu;
 v. het type
 ban^u vaak
 gelater ihdi, ihaddi, hidi; ww.



schreven met een -u aan het eind, ook al wordt -i verwacht, bijv. ha-nu-u):
 , (over = ana);
(zich) verheugen
AHw \sich freuen"; CAD 1 to be happy, to rejoice; 2
to be pleased; 3 to be weldisposed toward, to welcome
a person; 4 to be agreeable;
1 ihd^
uma ilu ismu siqa rsun (G pret.mv. v. had^u en
u `luisteren naar'; sigru alternatief voor
 zikru
sem^
`naam', `roem', `bevel'): `de goden verheuden zich (zodra) zij hun aansporing hoorden' ) ` verheugd gaven
de goden gehoor aan hun aansporing' Ee-vi-161
2 ihdusumma Abzu, (G pret. eig. ihdi): `Abzu verheug over hem' Ee-i-51

de zich
} , G verb.adj., , st.c. hadi-; Eng.: happy, joyful, rejoicing
II. D-stam (
, factitief): gelukkig maken, blij maken;

CAD 5 to make happy;
}  , D part., : bijv. muhaddi libbi Istar `die het
hart van Istar blij maakt'
IV. N-stam (
, ingressief): CAD 6 to come to an

agreement
}
, (adv.; vanaf OB): vrolijk, blij, verheugd; AHw
\freudig"; CAD joyfully, happily
}
, (subst.; vanaf oud-akk.;
vreugde; AHw \Freude"; CAD hidu tu joy,
 lme
hu
s ):


merry-making
3 hid^
uta imla, (G pret. v. mal^u `zich vullen'): `hij geraakte vol vreugde' Ee-i-90
4 hid^
utasa tasba ma, (G imp. uit de nevenvorm tasa bu
 a bu, lett.: `neem plaats/verwijlt in zijn vreugde'
v. was
) (objectief: vreugde as.russu `over dat oord'; of subjectief: in de vreugde die hij verschaft) Ee-vi-73

hablu
habbatu
habru
habtu
hadanu
hadaru
had^s
had^u

had^u

hudd^u
muhaddi
nahd^u
had^s
hid^utu, hed^utu

&

73

February 27, 2002 Copyright Heise en Stadhouders, Akkadisch Vocabularium

}h u du , (in h u d libbim ):

VV
M
M

} b
ha iru
!
M
ha irutu !
M

blij gemoed Eng.: joy

ih-du-ma ihd^
uma

Sil-C-61

(G pret., object: libbasunu)

ih-du-ma ihd^
uma (G pret.mv. +ma) Ee-vi-161


~
ih-du-
s um-ma, ihdu
s umma (G pret. + ma,

eig. ihdi) Ee-i-51

=
mu-ha-ad-di, muhaddi (D part.) CH-iii-53


ha-di-is, had^s, Sil-A-6
^ hi-du-tim, hid^utim, (gen.) Sil-C-28
hi-du-ta, hid^uta (acc.) Ee-i-90

hi-du-ta-
s u, hid^
uta
s u (acc. + 
s u) Ee-vi-73


N ;

h[u-u]d li-ib-bi-im, h u
 d libbim


Sil-A-106

, (subst.; h^aru, hia ru `kiezen') `gemaal', `echtge


noot'

V ha- -i-ri, h a ir (+ - `mijn') Ee-i-155

, ( h^aru, hia ru `kiezen'; suf x !{u tu, {u t
 vormt abstracta): partnerschap, gemaal, echtgenoot

 u tiki (abstr. + ki)
DI
ha- i-ru-ti-ki, h 
a ir




Ee-iv-81

hajabu , !ajjabu, `vijand'


halalu I , (ww. a/u-klasse; ook !alalu I, `ophangen' ook

ala lu met
ha = a4 ) [ophangen en het lijk laten

hangen als afschrikwekkend
voorbeeld en als deel van
de straf komt veel voor in de Oude Orient (ook in de
bijbel en nog steeds in Iran)]

7
i-ha-al-la-lu-
s u, ihallal
u
su



M*  b

(G pres. 3e mv. +su), CHx21

i-lul, 
lul (G pret.) Ee-iv-38, 51

halalu II , (ww. a/u-klasse; vanaf OB):


IV. N-stam (nahallulu, onregelm.): wegsluipen; AHw
 CAD A to creep, to steel, to slink
IV \schleichen";
halapu , (ww. u/u-klasse; ook halabu; vanaf OB): G-stat.:

bekleed zijn met


I. G-stam (pret. ihlup, pres. ihallup): bekleden; AHw I

 CAD A 1 to slip in or through, to


\hineinschlupfen";
enter surreptitiously; 2 to cover, to clothe
I/2. Gt-stam (
) bekleed zijn met AHw I (stat.)

\ist ganz bekleidet
mit"; ; CAD 3 to be intertwined
(said of trees);
II. D-stam (
) CAD 4 to coat (with bronze) 5

(uncert. mng.)
IV. N-stam : (
, passief): AHw I \sich bekleiden

mit";
} 
, (subst.; mv. nahlapa tu; vanaf OA, OB;
 j tuggu; j
 g)gu
 e
(a);
j
(tu
 hia):
gu
omhulsel, kleed, mantel; CAD 1 wrap, outer

garment
(worn by soldiers and as festive apparel); 2
facing, coating; 3 leather or metal armor
1 nahlapta halipma, (G stat. + ma): `hij was bekleed
 mantel' Ee-iv-57 met als bijstelling apluhti
met een

pulh a ti (een mantel van)
`een p
vreselijke
bepantsering',
p
p
p

een opeenvolging van hlp , plh, plh, hlp (een



soort rijm)

hitlupu

nahlaptu

}C

McV

B
halaqu
F

hullupu
nahlupu

ha-lip-ma halipma

(G stat. +

) Ee-iv-57

ma

na-ah-lap-ta, nahlapta (acc.) Ee-iv-57


, (ww. i/i-klasse; ook helequ; vanaf OB; !gur10!
 zah in verscheidene gra sche varianten): G stat. (haliq):
 zijn, verdwenen zijn; verloren zijn, verloren gaan, verkwijt
nield z/w.;
I. G-stam (pret. ihliq, pres. ihalliq): kwijtraken, verliezen,
 van, er niet
 meer zijn; te gronde gaan;
buiten bereik komen
AHw \verschwinden", \zugrundegehen", \ iehen";

1 to disappear, to vanish, to become missing or


lost, to perish; 2 to escape, to ee;
1 awlum sa mimmusu halqu, (subj. -u): `een man,
die iets kwijt is', CHx9; 
2 liddalham
a lihalliqa mehertasin (N prec. v. dala hu
 raken';

 v. hala qu; mehertu `op
`vertroubeld
G prec.


brengst') `moge de [kolkende zeeen] vertroubeld raken,
en zo hun opbrengsten vernietigen/verliezen' erra-i-70
(opbrengst is zeebanket: wier, vissen, schaaldieren)
}
, (als subst.) teloorgang, ondergang;
3 hal
a q a lsu: `de teloorgang van zijn stad';
} , G verb.adj., , st.c. haliq-; vr. haliqtu; vanaf OB;
 h of !gur10!
 h):
za
za
voortvluchtig, het verlorene;
 G stat. `hij is kwijt'); AHw \verloren",
(n.b. ook
\ uchtig"; CAD 1 lost (object); 2 missing (animal or
person) 3 ruined ( eld)
II. D-stam (
): vernielen, vernietigen, verdelgen, te
 , ontvallen aan, onttrekken (aan iem. contgronde richten
role); CAD 3 to make disappear, to cause a loss
4 hulliqamma ab alkata esta, (D imp.): `mijn vader,
 het verwarde gedrag!' Ee-i-49
verdelg
} , (subst.; vanaf OB): verloren goed, verloren voorwerp; AHw \verlorenes Gut"; CAD 1 lost object; 2
loss
5 mimmasu halqam: `zijn verloren goed', CHx9

}
, (subst.;
ook haluqq^u, hu/aluqqa um, hulq^u;


vanaf oud-akk.): verlies; AHw \Verlust";
CAD 1 lost
merchandise; 2 (commercial) losses
6 s.tu hulluqq^
u butuqq^u nusurr^u magal saknunimma,
 woorden voor \verlies"; magal `zeer'; G stat.
(allemaal
saka nu: `is gezet voor mij' ) `ik heb te lijden van'): `ik
lijd in hoge mate verlies, teloorgang en vermindering'
CAD

halaqu
halqu

MC

hulluqu

hulqu

huluqq^u

Sin3-59

suhluqu) CAD to help to escape, to cause



III/2. St-stam
(sutahluqu, betekenis als S)

III/II. SD-stam
 is
(factitief, pres. ushallaq, pret. ushalliq) (De SD


III. S-stam (

losses;

een zeldzame vorm die alleen in literaire teksten voorkomt. De betekenis is meestal factitief, dus als D. De
vormen worden gekenmerkt door de toevoeging van een
s tussen de preformatieven in de D-stam: D pres. uparras )usparras; D pret. uparris )usparris)): te gronde
richten, radicaal beeindigen, verloren laten gaan; CAD 5
to destroy
7 lushalliqma alkatsunu, (SD prec.): `ik wil hun gedrag
 richten' Ee-i-39
te gronde
 pres. 1e p.mv.; pres. potentialis):
8 nushallaqma, (SD

(waarom) `zouden wij verloren laten gaan' Ee-i-45
N
hu-ul-lu-q
-im, hulluqim,



V

? b

>

 ?V

(D inf. gen.) CH-i-36


; !gam!
hul-li-qam-ma, hulliqamma (D imp. +


ma) Ee-i-49

hal-q
u, halq
u (G stat. subj.-u) CHx9


 hal-qa-am, halqam (acc.), CHx9
N

hu-lu-uq-
s u, huluq
s u CHx9


N

hu-lu-uq-qu-
u, hulluqqu^
u Sin3-59


N
hu-ul-q
-im, hulqim CHx9


; P ih-ta-li-iq, ihtalliq, (G perf.) CHx20
;  ; > li-hal-li-qa, lihalliqa (G prec.vr.mv.)
erra-i-70
D prec.)

lu-u
s -hal-liq-ma, lu
s halliqma (S


Ee-i-39

74

:V
> ?:

Ke 

1 p.mv.) Ee-i-45

February 27, 2002 Hoofdstuk 2 Akkadisch vocabularium

nu-u
s -hal-laq-ma nu
s hallaqma

D, pres.
(S

 pres.1e p.enk.) erra-i-146



u
-hal-laq, uhallaq (S


 pret.2e p.enk.) erra-i-146
:
tu-hal-liq, tuhalliq (S


, (ww. a/u-klasse) Eng.: to press, to squeeze out
, oppergod van de Urarteers
 st.c. halli-, met suf x halla-) Eng.: crotch,
, (subst.;
 Eng.: hind legs
}
, dualis,subst.; achterpoten
, (subst.; ook: hulluqq^u, hu/alluqa um;


!halaqu): `verlies'
N

hu-lu-uq-qu-
u, hulluqqu^
u Sin3-59


, (verb.adj. bij !hala qu): `verloren'
, (subst.; mv. hals.u ) Eng.: forti cation, fortress
, (litt.ww. a/u-klasse)
I. G-stam verzamelen; AHw \Sammeln", \Vereinigen";
II. D-stam (
, bet. ong. als G)

1 gimir pars.ima hamm
a ta (G stat.vr.mv.trans.) `Alle
 gij verzameld' ) `Alle ambten
rituele functies hebt
bekleedt gij/oefent gij uit' erra-iii-D9
ha-am-ma-ta hamma ta (G stat.) erra-iii-D9
, (ww.):
I. G-stam : uitdrogen; AHw \austrocknen";
II. D-stam stat. (
, elativisch): zeer droog, zeer

uitgedroogd, kurkdroog
1 hummur
a na tu ni, (D stat. mv. vr.mv. (hier geen
 v. nu `ogen' + suf x ni): `onze ogen zijn zeer
dualis)
droog' Ee-i-121
II. D-stam (
, factitief, betekenis als G) uit
drogen
e
N=
hu-um-mu-ra, hummur
a (D stat. 3 p.mv.)



hdalas.u
H aldia, Haldi
hallu
halan
halluqq^u

halqu
hals.u
hamamu

hamaru

>

hummumu

hummuru

hummuru

Ee-i-121

hamas.u , (ww. a/u-klasse; vanaf OB)

I. G-stam (pres. ihammas., stat. hamis.): AHw \fort-

reien";

CAD

II. D-stam (


1 to take o (clothing)
by force;
) roven, plunderen; CAD 2 to

hummus.u
suhmus.u


strip, to rob;

III. S-stam (
) CAD 3 to cause to rob, to de
spoil
, (ww. u/u-klasse; vanaf OB):
 I. G-stam (pret. ihmuut, pres. ihammut, stat. hamut):
.
.
.



AHw II \eilen", \sich beeilen"; CAD A 1 to hasten,
to be quick 2 to be (too) soon; 3 D hummut.u to send
 promptly, to
quickly, to hasten; 4 S suhmut.u to send

do quickly, to be in good time, to deliver in good time
, (ww. a/u-klasse; vanaf OB; logogra sch |
 tab; fonetisch
: : : ha-mat.- ook: ha-sat !hamsu


`vijf');
G stat.: heet zijn;
I. G-stam (pret. ihmut., pres. ihammat., stat. hamit.):
 , verzengen;  AHw III \brennen",

branden, verbranden
\verbrennen"; CAD B 1 to burn, to be in amed;
II. D-stam (
) CAD 2 to burn, to make glow,
to heat, to cause fever, to make feverish, restless;
III. S-stam (
) CAD 3 to burn, to set aglow, to
make restless 
 part., : immer brandend
}
, Stn

1 nabla mustahmit.u, (Stn part.): `(zijn lichaam werd
gevuld met) een immer brandende vlam' Ee-iv-40
}
, (subst.; ook hint.u; SB; |  tab(ba)):

brand, hitte, gloed; AHw \Versengen";
CAD 1 scorching; 2 fever; 3 anxiety
2 kma Girra himit.ka: `uw gloed is als die van (de
vuurgod) Girra'Sin1-6

hamat.u, I

hamat.u, II

Mn

hummut.u
suhmut.u
mustahmit.u
himt.u

Ee-iv-40

S

mu
s -tah-m
-t
s tahmit
.u mu
.u

tn part.)
(S

hamis , (num. 5; vr. hamsat, hamset, hansat, hanset) vijf;


!hamsu
hamma u , (subst.; ook hamm^u, hammamu; vanaf OB;


U imgi): rebel; CAD usurper (king), rebel;


1 sar hamm
a i: usurpator, rebellenkoning
 sar ha-am-ma-i, sar hamma i (gen.mv.)

Sil-C-113

hamm^u , (subst.; mv.) Eng.: rebels


}sar hamm^e , usurpator (wederrechterlijke heerser);
Eng.: usurper king
hammu , (subst.; vr. hammatu) AHw \Familienoberhaupt"; Eng.: head of the family
hamiltu , (< hamistu, in later tijd (na MB) wordt door

dissimilatie s> l voor dentalen d, t en sybillanten s,


z): vr. v. hamis !hamsu getal `vijf'

, (!h^aru `kiezen')
`echtgenoot'


, vr. v. hamis !hamsu getal `vijf'

 ): Hammurabi, de vijfde ko, (of Hammurapi
 ning in de Amoritische dynastie van Babylon
= ha-am-mu-ra-b, H ammurabi CH-i-28
, (indeclinabel; ook hassa , hansa , dualis v.
 !hamsu, st.c. hamsa t): in dualis

het getal vijftig


1 il
u rab^utu hamsa tsunu usibu ma (G pret. mv. v.
wasa bu): `de 50 grote goden namen plaats' Ee-vi-80
p F ha-sat-si-na hassatsina (< hamsa t +sina)

hamiru
hamistu
Hammurabi

hamsa

Mn
MEe-vi-80
nb K
Ee-i-104

ha-am-
s at-
s u-nu ham
s
a t
s unu

(st.c. +sunu)

hamsisu : vijf maal !hamsu


hamsu , (adj.; ook hassu; vr. hamsat, hassat [OA], hamset

[OB], hansat, hamisti [SB], hamilti, hamultu [NB]; van (rangtelwoord)




af OA,OB): vijfde
eenvijfde
CAD fth;
}
, (nom. vr. hamistu, hamiltu, hamultu): getal



vijf;
}
, (num.; indeclinabel; ook hassa , hansa , du het getal

alis v. hamsu; vanaf Ur-III): in dualis
vijftig;

De vormen van het telwoord in de dualis doen dienst
als de tientallen. In het Hebreeuws heeft het meervoud
die functie. CAD 1 fty; 2 (a eld held in feudal tenure
by 50 men)
1 pulh 
a tu hamatsina, (met onduidelijke herkomst van
 worden als < hamsat- vr.-vorm `vijf',
t; kanopgevat

maar hier < hamsa `vijftig', zoals
blijkt uit Ee-vi-80),

lett. (bijstelling): \vreeswekkendheden, hun vijftigtal"
2 i nimb^ema hass
a sumesu (G cohor. 1e p.mv. v. nab^u

`noemen'; < nibbi < ninbi): `kom, laten we hem (dus)
zijn 50 namen geven' Ee-vi-121 (In tablet iv volgen de
50 namen van Marduk)
3 hams
a sumesu imbu `ze gaven hem zijn vijftig na Ee-vii-144 aan het eind van de opsomming
men'
~ ha-a[m]-sum, hamsum Sil-A-62
p F ha-sat-si-na hassatsina (< hamsat +sina)

hamis
hamsa

M
MEe-i-104
n
M a C

(50) Ee-vii-144


h amu , (mv.) AH w \Abfalle";
Eng.: litter (of leaves, etc.)
hamultu , (< hamistu, in later tijd (na MB) wordt door
ha-an-
s a-a han
s
a

dissimilatie s> l voor dentalen d, t en sybillanten s, z):


vr. v. hamis !hamsu getal `vijf'
 ann^u aanwijzend

,!
vnw.
, ook hamsa , hassa , dualis v. !hamsu, in dualis




hanniu
hansa

75

February 27, 2002 Copyright Heise en Stadhouders, Akkadisch Vocabularium

aC
hapatu


het getal `vijftig'



ha-an-
s a-a han
s
a (50) Ee-vii-144


, (ww. i/i-klasse en u/u-klasse) AHw \ubermachtig
s/w." Eng.: to be(come) powerful, to prevail
} , G verb.adj., , st.c. hapit- Eng.: powerful, triumphant
, (G verb.adj. bij !hapa tu) Eng.: powerful, tri
umphant
, !hep^u `vernietigen' etc.

, (ww.;
ook hia qu; MB, NA, SB)
I. G-stam (pret. ihq, pres. ihiaq, ih^aq; mv. iheqqu) door ; AHw \mischen",


eenmengen, mengen
\vermischen";
CAD A 1 to mix liquids; 2 to mix with (in armed con ict, to be intermixed)
1 m^esunu istenis ihiqq
u ma, (G pres. 3e p.mv.): `(terwijl) ze eerst hun wateren dooreenmengden' Ee-i-5
(pres. voor de gaande actie, in omstandigheidszin)
[Achtergrond van het \mengen van wateren": in de
moerasdelta van Zuid-Mesopotamie ontstaat in het
brakke water (mengen van zout (Tia mat) en zoet
(Aps^u) water) rietvelden, moeras, drijvende eilanden
en tenslotte nieuw land.]
e

i-hi-qu-
u-ma, ihiqq
u ma (G pres. 3 p.mv.)



haptu
haptu
hap^u
h^aqu I

>V

harabu I , (ww. u/u-klasse, NB, SB; C V C   ): Gstat.: woest z/w., dor z/w. CAD 1 to lie waste;
III. S-stam (suhrubu) CAD 2 to lay waste;
 harbu t; suf x !{u tu, {u t vormt ab}harbu tu , (st.c.

Ee-i-5

a ri a

stracta): woestheid, dorheid, doodsheid Eng.: devastation


,
 }
, (subst.; SB*) minnaar, liefje (in de erotische
 bijv. Tamus is de harmu van Istar; soms te vertasfeer,
 ; CAD (male) lover;
len met: gemaal, echtgenoot
1 elu harmesa: (en schreewde) `tegen haar minnaar'

Ee-i-42, 113, 117
2 haramki, (st.c. +ki): `uw gemaal' Ee-i-113
} 
, (subst.vr.; ook harintu, harmatu; st.c. harmti; mv.



m

harma tu; vanaf OB;
karkid): prostitue
e;
soms vertalen met gemalin, echtgenote AHw \Abgesonderte"; \Prostituierte" Eng.: prostitute

ha-ram-ki, haramki (st.c. +ki) Ee-i-113,117




, (ww. u/u-klasse; ook hara bu; vanaf OB;
nim)
 G stat.: vroeg z/w.; CAD to be early
}
, vroeg, prematuur
1 ml(i) harpu, (mlu `vloed'): `vroeg hoogwater' (in
 april/mei; ook de mli arsuppu `de karpermaart, i.p.v.
vloed' genoemd in LL-Malku:sarru-ii-63 mi-li ar-su-pu =
mu-u har-pu

haramu
harmu

harimtu

harapu
harpu

*9

s
hararu p

har-pu (m^
u) har-pu



(verb.adj.) LL-Ms-ii-63

rr !ara ru II ; ook tara ru, ereru)


 I. G-stam (pres. irrur, pret. rur, ihrur, perf. itarur =
 al die r's in het
pret. v. tara ru): sidderen, trillen (met
woord hoor je 't trillen); akkeren ) opbranden
D
it-ru-ra, itrura, (G perf.vr.mv. of G pret. v.

,(

N H

) Ee-iv-90

haras.u , (ww. a/u-klasse, vanaf OA, OB)


tar
a ru

I. G-stam (pres. iharras., pret. ihrus., stat. haris.) CAD 1


to cut down, tocut o , 2 to set, to determine;
3 to
incise, to cut in deeply, 4 to make clear, to satisfy; 5
to become ready, to consider (as), to adjust;
II. D-stam (
): CAD 6 to cut o ;


hurrus.u

sutahrus.u

 2 -stam (
III/2 St
): aftrekken (ina = van),
 ; CAD to deduct, to correverrekenen, verdisconteren

spond;
 2 pret.; n.b. pret. onder1 summa : : : l
a ustahris., (St

 ): `indien hij niet
scheidt zich niet van de gewone St
(rente) verrekent' CHx72+e

V
u
s -ta-ah-ri-is
s tahris
. u

 .

t2 pret.) CHx72+e


(S

harasu , (ww. i/i-klasse; SB; NA)

I. G-stam : in het kraambed liggen CAD 1 to plant trees,

2 to bind; 3 (uncert. mng. said of human body and


parts of the body)
1 d Damkina ummasu harsassu, (G stat. harsat + su;
 assimilatie tot -ss-): `Damhier ts > ss, dus hier geen
kina [gemalin van Ea] lag met hem [Marduk] in het
kraambed' Ee-i-84

har-
s
a-as-
s u, har
s as
s u (G stat. + 
s u) Ee-i-84


, (!hara bu I `woest z/w.', `onbebouwd z/w.'):
 woestheid, doodsheid
, (!hara mu) `prostituee'


, (subst.vr.;
zelden m.; mv. harra na tu; vanaf oud akk.; kaskal): !harru en ! suf x -a nu; [behoort

tot de groep van vrouwelijke
substantieven zonder -t-,
zoals de natuurlijke feminina als ummu `moeder', verschillende lichaamsdelen, zoals sepu `voet' en de woorden umma nu `leger', harra nu `veldtocht', ekallu `paleis', abnu `steen' en naru `rivier'. Het meervoud wordt
wel gevormd met -a tu(m).] weg, route, astron.: baan
(van hemellichaam) ; reis, zakenreis, karavaan; milit.:
expeditie, expeditieleger, expeditiemacht, veldtocht, leger op
veldtocht (i.t.t. de kazerne), krijgsdienst, het dienst nemen;
CAD 1 highway, road, path, way; 2 trip, journey, travel;
3 business trip, 4 caravan 5 business venture, 6 business capital, 7 military expedition, campaign
1 ina harranim wasibma, (G stat. v. was
a bu `wonen',

`zich bevinden'):
op reis zijn CHx112

2 ana harr
a n d Sama
s , het pad van Samas, de zonnebaan

Ee-v-21
}
, een weg kiezen/nemen, een weg inslaan
3 uruh sulmi u tasm^e ustas.bit
us(u) harra nu,


 2 pret.
(St
mv. v. s.aba tu; urhu ook `pad') `zij lieten hem
een pad van veiligheid en gehoorzaamheid nemen (als
route)' Ee-iv-34

U b

harbutu
harimtu
harranu

harranam/usam/rdam s.abatu

MH
H
H
H

ha-ra-nim harranim

(gen.) CHx112

K har-ra-nu, harra nu Ee-iv-34


har-ra-ni, harra ni (acc.) erra-i-96
kaskal-a[m]

, harra nam, Sil-C-98



,


harru , (subst.; mv. harratu; vanaf OB;

har-ra-an (ana) harran (


s arrim)


CHx26, Ee-v-21

(st.c. gen.),

 r) waterloop,
su
\Wassergraben"; CAD 1 topographical feature,
depression (topographical feature) 2 watercourse
, - I. G-stam

: kiezen (partner), uitzoeken ) huwen, beminnen, de echt onderhouden met AHw \erwahlen", \aussuchen"; Eng.: to choose a mate
}  
, (G part.; st.c. h a ir,


h a wir): echtgenoot, gemaal
 d

1 Kingu h 
a risa: `Kingu haar [Tia mat's] gemaal' Ee
iv-66
}
, (subst.; vr. gesubstantiveerde vorm


AHw

h^aru, hiaru

ha iru, hawiru, hamiru


hrtu, hratu

76

February 27, 2002 Hoofdstuk 2 Akkadisch vocabularium

van G verb.adj.; st.c. hrti, met suf x hrta-; mv.




hra tu) echtgenote, gemalin
van gelijke status
als de
echtgenoot;
2 d Ea u d Damkina hratus, (hratu + su): `Ea en
 Ee-i-78
Damkina, zijn echtgenote'

3 h
a ir ed^u atta, (- `mijn'; ed^u `de enige'): `wees
 enige echtgenoot' Ee-i-155
mijn
} 
, (suf x !{u tu, {u t vormt abstracta; bij
h a iru): partnerschap, echtgenoot, gemaal;

4 tamb^e d Kingu ana h 
a iru tiki, (e i.p.v. i; G pret. 2e 
p.enk. door dissimilatie < tabb^e < *tanb^e): `u benoemt
K. tot uw echtgenoot', `u hebt K. geroepen tot uw partnerschap/om uw partner te zijn' Ee-iv-81
V
ha-wi-ri-
s a, h 
a wiri
s a `haar echtgenoot'



ha irutu

M a
M V 
M VU 
M H D I
Ee-iv-81
CHx135


  (+-
ha- -i-ri, h 
a ir
 `mijn') Ee-i-155
 

ha- i-ri-
s
a, h 
a ri
s a (+ 
s a) Ee-iv-66

hi-ra-tu
s h
ratu
s



(< hratusu) Ee-i-78



, 
(abstr. + ki)


ha- i-ru-ti-ki h 
a ir
u tiki

hasasu , (ww. a/u-klasse) G-stat.:

verstandig zijn, wijs z/w.;


I. G-stam : denken, doorgronden, nadenken over, overleggen;
zich herinneren Eng.: to heed, to think of, to be mindfull,

to care for, to remember, to refer to, to mention; to


plan
}
, G part., : (hij) die weet, kenner
a sis mimm^ama: `Ea, die alles weet' Ee-i-60
1 d Ea h 
 (
I/2. Gt-stam
, reciprook): verstaan, begrijpen,
(zich) bedenken, indachtig zijn, (erop) bedacht zijn
2 ba  u
 la tu lu hissusa ilasina lizzakra (ba  u la tu `on vr.mv. < *hitsusa ; Gt pret. v. zaka ru
derdanen'; Gt stat.
`de naam noemen'): `laat zij, de onderdanen, (erop)
bedacht zijn dat ze hun (persoonlijke) god aanroepen'

hasasu

hitsusu

Ee-vi-114

}hasa sis , (!{is;

= ana hasa si): `om te doorgron


den'
3 has
a sis la nat.^a, (nat.u^ `ge-eigend'): \niet mogelijk
omte begrijpen" ) `ze kunnen niet doorgrond worden' Ee-i-94
4 sipru su
 la nat.u^ hasa sis (nat.u^ G verb.adj. `ge-ei
gend zijn', hier predicatief
gebruikt, hoewel in dat geval meestal de stat. nat.^ gebruikt wordt; hasa sis = ana
hasa sim `om te begrijpen'): `die daad [het scheppen
van de mens] is niet geschikt om te begrijpen' Ee-vi-37
}
I: oor;
II: verstand, wijsheid; (vgl. Ned. \het zit tussen de
oren"); Eng.: understanding, wisdom;
5 hasis, (G stat.): `hij is wijs' Ee-i-18

6 irtib^
u erbe-taam hassa (n)', (< irtab^u G perf. mv.;
dualis hassu, `oren'): `de oren groeiden alle vier', `elk
der vier oren [van Marduk] werd groter en groter' (symbool van wijsheid) Ee-i-97
} , G verb.adj., , st.c. hassis-; verstandig, wijs; vgl.
de naam !Atrahasis van het gelijknamige epos, atrahas.is uitmunten in wijsheid
(met atra verb.adj. v.
(w)ata ru) Eng.: intelligent

hassu

hassu

M K , (G stat.) Ee-i-18
M K  ,  (G part.) Ee-i-60
M p h  ,  (acc.) Ee-vii-117
M h K  ,  (= 
ha-sis

hasis

ha-sis

h
a sis

(
hassu !


ha-si-sa

hasisa

ha-sa-si
s

has
a si
s

ana has
a si

) Ee-i-94, vi-37

 h hi-is-su-sa, hissusa (Gt stat. vr.mv.) Ee-vi-114


, ( hasa su `denken') `verstand'


hassu , !hasasu
has.abu I , a/u-klasse:
I. G-stam : afbreken
has.abu II , G-stat.: groen z/w.
}his.bu , rijke opbrengst
(   (gen. `rijke opbrengst')
CH-ii-45
has.s.nu , (subst.; ook has.s.innu; mv. has.s.nu, has.s.innu)
bijl; AHw \Axt" Eng.: ax
hasahu , (ww.; Bab. i/i-klasse, Ass. a/a-klasse soms u/uhi-is
. -bi-im his
. bim

klasse)

I. G-stam (alg.:) hunkeren naar, (pregnant: naar voed-

sel); AHw \brauchen", \begehren"; Eng.: to desire,


to require, need
}  , behoefte;
}   , honger, hongersnood
}  , (subst.; st.c. husah) honger Eng.: hunger,
need
IV. N-stam (
, passief)
  gaz): jnstampen; AHw
, (ww. a/u-klasse;
 \zerstoen", \zerschlagen";
O tesbi gaz sim
1 istenis tahassal tanappi ( tesbi istenis

`bijeen', `bijelkaar',
`samen' waarin bi element
voor bijwoorden; gaz hasa lu ` jnstampen' of
 vijzel) of zeldzamer
de synoniemen sak^u, z^aku (met
kasa mu ` jnsnijden', bijv. in recepten O gaz-sim
G pres. 2e p.enk. takassim `moet je jnsnijden'; hier
gaz voor G pres.2e p.enk. v.hasa lu en O sim voor
G pres.2e p.enk. v. nap^u of sah a lu `zeven', `ziften'): `[dit
mensel] moet je jnstampenen zeven' BAM578-i-7
@ akal a-bu-kat gaz
2 hl abukat tahassal (st.c. v. hlu `sap', `hars';


 biezensoort, dat
abukatu
is een plantennaam,
wsl. een
blijkbaar een gom produceert; G pres.2e p.enk. v. hasa lu
 je
` jnstampen'): `hars/gom van een biezensoort moet
jnstampen' BAM578-i-18

taha
s
s al (G pres.) BAM578-i-7

, ook hamsa , hansa , dualis v. !hamsu, in dualis
 het getal `vijftig' 

ha-
s
a-a, ha
s
s
a (50) Ee-vi-121
pF



hisihtu
hasahhu
husahu

hasalu

nuhsuhu

C B Cs

hassa

MUC

gaz

hasu^ , (subst.; st.c. hasi-;


AHw \Lunge"; Eng.: lung;
hat^u , -i,
ha-
s at-si-na ha
s
s atsina

MI

Mn

(< hamsat +sina) Ee-i-104



ur5

, het teken

): long;

har

I. G-stam : neerslaan
,

(G part.) Sil-A-56



hat.tu , Eng.:
o ense
( )hat.t.atu , ( mv. v. !hat.t.u): staf, skepter;
( )hat.t.u , (subst. gewoonl. vr., tweede t. geassimileerd
ha-ti h 
a ti

gi
s
gi
s

'

van vr. t; st.c. hat.t.i, met suf x hat.t.a-; mv. hat.t. a tu;

s

gi
gidri, hendur, het teken pa; (
determinatief voor
houtsoorten; pa is oorspronkelijk een pictogram van
een tak. Het heeft ook `tak', `stok' als lezing en pa =
gidru hat
tu `(herders-)staf', `skepter'; pa staat dan ook
 .. = pa (w)aklu `opzichter', iemand die op zijn
voor ugula
staf leunt. anpa `zenit' is het punt aan de hemel (an)
waar de staf naar wijst (recht omhoog); via `stok' pa
= sg mah a s.u `slaan'):
 ; Eng.: scepter, Sta , stick, branch;
staf, skepter
1 hat.t.isu ar
a ku, lett.: \zijn staf lang maken" = `zijn

regeringstijd
verlengen' (concretum pro abstracto)

'

77

February 27, 2002 Copyright Heise en Stadhouders, Akkadisch Vocabularium

2 us.s.ib
usu hat.t.a kuss^a u pal^a, (D pret. v. was. a bu `toe su(m)): `(en) zij gaven hem [Marduk]
voegen' + dat.
(daarbij) scepter, troon en koningsstaf' Ee-iv-29 (de regalia, die de waardigheid van de koning symboliseren)

('

V : gis hendur is-re-tu


3 hat.t.u isretu `een rechtvaardige skepter', `de legit staf' (gegeven aan de koning op bevel van Enlil
ieme

en Sama
s)
} 
,(
papa, 
s a `die van'): sergeant,
commandant, centurio, sergeant majoor; CHx33; iem. die
manschappen van voetvolk onder zich heeft, verantwoordelijk voor een peleton (onderof cier). Er zijn drie
lezingen van papa. (1 ) pa = hendur = hat.t., in mv.
 ) wakil
) (sa) hat.t. atim; (2 ) papa = ugulahendur
hat.t.im met waklum `opzichter'/`opziener met de staf'
en (3 ) pa rabi hattim/hatt a tim rabi ook `opzichter
..
..
voor nomen in de gen. dieeen beroepsgroep aanduiden
(hoewel rabi- opzichzelf geen lezing is van pa).

ha-at
-ti-im, hat
tim (gen.) CH-iii-25
 ..
 ..

sa hat.t.atim

''

'
M
(( '' b
'S

, hat.t.a (acc.) Ee-iv-29



-
s u, hat
ta
s u (+
s u), CH-xxiv-44,45
 ..
hat
-t
u
,
h
at
t
u
(toch
st.c.),
erra-i-3
 . .  ..

gi
s

pa

gi
s

gidri

hat.u^ , (ww. i/i-klasse)

I. G-stam : iets missen (tegendeel van rasu^ krijgen); mislopen Eng.: to make a mistake, to fail, to miss; to commit

an o ense, to trespass
1 ul ihat.t.i dumqa, (G pres.): `hij zal het goede niet
 Sin3-48
mislopen'
}
, (subst.; st.c. hit.t.-) Eng.: damage, negligence,

fault, crime
} , (subst.; st.c. ht.(i)-) Eng.: fault, damage, offense, crime, negligence

i-ha-at
-ti, ihatti (G pres.) Sin3-48
 . .  ..
, (part. !h^aru `kiezen') `echtgenoot'

, !had^u `zich verheugen'
, !hid^utu `vreugde' onder !had^u
, (subst. < Sum.; ook hengallu st.c. hegal; met
 suf x hegalla-; Sum. hegal bet. `er zal zijn';
 1

 
 l): overvloed AHw \Uber u"
h
ega
Eng.: abundance,
abundant yield Een van de vele woorden voor het begrip overvloed en rijkdom; vgl. desu^, hegallu, his.bu,


lul^u, masr^u, nuhsu, t.uhdu;


1 sa sukussu hegalli us.s.abu ana m
a ti (D pret. subj.;
 , maar eindvocalen klinken in hoge
verwacht sukussi
mate gelijk; ma tu `land' bijna syn. met `mensen'):
`[Marduk] die akker na akker van overvloed geeft aan
het land' (erbij geven) Ee-vii-8
P he-gal, hegallim, CH-ii-20, Ee-vii-8
d
,
(subst.
eigennaam;
ook
Hendursagga)
1 d Hendursanga apil d Enlil, `H. de oudste zoon van
Enlil', erra-i-2
s ? d hendur-sag-ga, hendursanga, erra-i-2
, (ww. - ,-e) G-stat. (3e p.enk. hepi) `is kapot'; woord
 dat als technische term oudtijds gebruikt werd om lacunes in afschriften op te vullen; bij de huidige reconstructie kan dat lastig zijn, omdat niet is aangegeven
hoe groot de breuk is;
I. G-stam : splijten, breken, stukbreken, kapotbreken vernietigen, vernielen, verbreken; Eng.: to smash, to destroy,

hit.tu
ht.u

hawiru
hed^u
hed^utu
hegallu

Hendursanga

hep^u

'

to wreck; to break, invalidate (a tablet, document) to


split, to divide
1 ihtepi karassa, (G perf.; < karas + sa): `(een pijl
die)haar borst brak' Ee-iv-101
}hep^u, G verb.adj., , st.c. hepi- Eng.: smashed, broken,
split
} +
, contract verbreken
II. D-stam (
, bet. als G):
IV. N-stam (
, passief):

2 t.uppasu ihheppe, (N pres.): `zijn contract zal wor [het stukmaken van een klei-oorkonde
den verbroken'
als op zichzelf letterlijke handeling kan ook overdrachtelijk opgevat worden.]
}
, breuk
 ih-te-pi, ihtepi (G perf.) Ee-iv-101


ih-he-ep-pe ihheppe, (N pres.) CHx37
, -i, -e,
 I. G-stam (ook ventivus): graven, uitgraven, baggeren, uitbaggeren; Eng.: to dig
}
, stadsgracht, kanaal
V ih-ri, ihri (G pret.) Sil-C-135
e
V
ah-ri-a-am-ma, ahriamma (1 p.enk. pret.,



hep^u t.uppu
hupp^u
nahp^u

hepu/h^epu
x



her^u
hirtu

C V

hialu
-am

vent. +ma), H.Sip. 22

V  hi-ri-su, hirissu, <*hiritsu) Sil-C-135


V hi-ri-tum, hirtum LL-Ms-ii-67
, (ww.; ook h^alu):
 , uitscheiden (van bloed en etter); in
I. G-stam afscheiden
barensweeen liggen AHw \Kreien";

7 zumes-su i-hi-la

1 sinn
asu ihlla (G pres. 3e p.mv. v. hia lu of G pret.mv.

 toch met mes):
ihilla ;  zu sinnu `tand' hier dualis

[hij heeft koorts en] `zijn tanden geven een afscheiding'
(`zijn tanden vloeien') BAM578-i-50
7 i-hi-la ihlla (G pres.mv.) BAM578-i-50
, ww.; !h^aqu I qmengen

, !h^aru, `kiezen',
`uitzoeken' `huwen'
, (ww. a/i-klasse; litt.) AHw \hineilen"; Eng.: to
hasten, to hurry
, (ww. a/i-klasse; litt.) AHw \uberwachen", \uberprufen", \wagen"; Eng.: to watch over, to take care
of; to examine, to search, to explore
, (subst. bij !haba lu `beschadigen') `schade'
, (!had^u `zichverheugen') vreugde
^ hi-du-tim, hid^utim, Sil-C-28

hi-du-ta-
s u, hid^
uta
s u (acc. + 
s u) Ee-vi-73


, (subst.; vanaf OB;
akal): uitvloeisel, sap, hars,
gom; akal lett. `sterk water/vocht' met a `water' en
kal = dannu `sterk' ) h
 lu `uitvloeisel', uit bomen dus

`hars', `gom';
} sim   , (buluhhi een Sum. leenwoord: een
struik waaruit gom vloeit als je 'm kerft, Lat. galbanum): galbanum-struik
!kisal!
 10 kisal akal sim buluh

1 10 kisal hl baluhhi (kisal gewichtseenheid): `10



kisal van de galbanum-struik' BAM578-i-6
@ akal a-bu-kat gaz
2 hl abukat tahassal (st.c. v. hlu `sap', `hars';


 biezensoort, dat
abukatu
is een plantennaam,
wsl. een
blijkbaar een gom produceert; G pres.2e p.enk. v. hasa lu
 je
` jnstampen'): `hars/gom van een biezensoort moet
jnstampen' BAM578-i-18

!

hiaqu I
hiaru
hiasu
hiat.u
hibiltu
hid^utu

hlu


CB

hl buluhhi

C B Cs
CB

CB

akal

h
lu

(`gom') BAM578-i-6, 18

78

February 27, 2002 Hoofdstuk 2 Akkadisch vocabularium

himetu , (Ass. himatu; W F


inunna) boter, botervet;
\Butter";
 
$
F
ga ku
inunna 
s e
s: : :
1 sisba lkul himeta lippasis (ga sisbu `melk'; lkul
a lu `eten'; ses pasasu `zalven', hier
prec. v. ku ak
N prec. te lezen: lippasis) 'hij gelieve melk te eten en
zich met botervet in te zalven', CT51-161,r. 6; wat hem
dan te beurt zal vallen is onleesbaar;
, (!hama t.u `heet zijn'): `brand', `hitte',
`gloed' 
1 kma Girra himit.ka: `uw gloed is als die van (de
vuurgod) Girra'Sin1-6
, (verb.adj. bij hia qum, h^aqu `mengen';
 s bir): 
ka
s bir; bi asud = ka
dun, vermengd, aangelengd; subst.: dun bier, scharbier

# :

ka
s bir
nag
tu-sa-a -ras-su
1 hqa isatti tusa r^
assu (hqu `dun bier', `scharbier',
vgl. h^aqu `mengen'; #  nag = \mond  water"
 e p.enk. v. sat^u `drinken'; S pres. vent.. -^assu
G pres.3
< -a+am+su v. 1 ar^u (sterke alef) dat evenals par^u
`braken', `overgeven' betekent, S: `tot braken brengen'): `dun bier moet hij drinken en je moet hem laten
braken' BAM578-i-16

h
qu BAM578-i-16

, (!h^aru, hia ru `kiezen', `uitzoeken'): `echtgenote',

`gemalin'

AHw

himt.u
hqu

Cu

ka
s bir

(< hratusu) Ee-i-78

hratus , < !hratu +suf x su 


hirtu , (vr. v. !her^u), `stadsgracht', `kanaal'
hrtu , (!h^aru, hiaru `kiezen', `uitzoeken'): echtgenote, gemalin
his.bu , !*has.abu, `rijke opbrengst' Een van de vele woorhi-ra-tu
s h
ratu
s

den voor het begrip overvloed en rijkdom; vgl. desu^,


hegallu, his.bu, lul^u, masr^u, nuhsu, t.uhdu;
  hi-is.-bi-im (gen.), CH-ii-44,45



, (!hasa hu), `behoefte'
 , schuldbekentenis
 
met voorgeschiedenis, bijv. als er al
 een deel van de schuld betaald is en de transactie over
een restschuld gaat of een schuld na aanbetaling.
, (subst. bij !hatu^ `iets missen')
 , (subst.; bij !hatu^. `iets missen')

 .
, (!haba tu `roven')
roof, buit, krijgsgevangene;
 N
 hu-ub-tum, hubtum CHx23



, (subst.;
ur5 ra, !hab
a lu II ): rentedra gende schuld

, Hubur, naam van de onderwereldrivier
 1 Umma
 Hubur pa tiqat kala mu, (G part. vr. v. pata qu

`vervaardigen'):
`Moeder Hubur, die alles geschapen
heeft' (Hubur, in het Enuma elis-epos een epitheton
a mat, is de naam van de onderwereldrivier)
voor Ti
verwacht: Ummu en kala mi (gen.) Ee-i-133
N
hu-bur, Hubur Ee-i-133


, bierpul

, (!haba ru I ) `lawaai'


, niet-rentedragende
lening, waarbij de rente di rect al bij de hoofdsom is inbegrepen en dat als totaalbedrag volgens contract moet worden terugbetaald.
, (in h u d libbim bij !had^u): blij gemoed
 N ;



h[u-u]d li-ib-bi-im, h u
 d libbim



hisihtu
hisu^

hit.tu
ht.u
hubtu
2
hubullu
Hubur

huburu I
huburu II
hubuttatu
hu du

Sil-A-106

hullulu , D bij !alalu `ophangen'


hulluqq^u , (ook: halluqq^u, hu/alluqa um; !halaqu):


ver-

Sin3-59


hulluqu , D v. !halaqu :`vernielen' etc.
hulqu , (!halaqu): `verloren voorwerp'
humus.s.ru , (subst.) Eng.: mouse
huppudu , (ww. in D, niet in G) Eng.: to blind
huras.u , (subst.; st.c. huras.-; U
, =
hu-lu-uq-qu-
u hulluqqu^
u

gu
s kin

 gi
ku

):

goud
1 awlum kaspam hur
a sam abnam u bis qatsu ida nu.`geven'): `iemand geeft zilver,
dinma, (G pret. v. nad

(
(
hurhuda

goud, edelstenen of zijn roerende goederen' CHx112


U
, hara s.um CHx112

gi
s
, (subst. plantennaam;
hab): looiersboom;

AHw \Gerber-Sumach";

Cu h uratu

U !

Cu
hratu
H

>

lies

gu
s kin

gi
s

hab

1 hu
 ratu of puquttu een doornige plant in gebruik in
de looi-industrie BAM578-i-52
gi
s
hu
 ratu BAM578-i-52
 


hab

, (subst.; ook ur udu; st.c. hurhud, ur ud) Eng.:


 throat, windpipe
 
, de tempel van Inanna/Istar in Kis.
Sumerisch: hursag `gebergte', en ka lamma is de genitivus van kalam, `van het land'.
s
hur-sag-kalam-ma, hursagkalamma (tempel



Hursagkalamma

8V
hursanu
<

van Istar in Kis) CH-ii-67

, (subst. Sum.; pl. tantum; ook hursa nu; SB:


 , gebergte;
s hur sag; vanaf oud-akk.) berggebied

AHw \Gebirge";
1 hurs
a ni zaqru ti (zaqru `spits' adj.m.mv.): bergtoppen; erra-i-69
h hur-sa-a-ni hursa ni (pl. tantum) erra-i-69
, (!kusarikku)
, (subst. bij !hasa hu) `honger'

 

husarikku
husahu

i{

, pre x pers. vnw. 3e p.enk. en mv. hij, zij; met


inf. para su `beslissen' als paradigma: G pres. iparras `hij beslist/zal beslissen', iparrasu /a `zij beslissen
(m./vr.)'; G pret. iprus `hij besliste', iprusu `zij beslisten';
Spellingsvoorbeelden G pres. sterke w.w.
De syllabe-grens in het presens is zodanig (i-pa-ra-as
of i-par-ras) dat de pre x i{ meestal expliciet gespeld
wordt met bijvoorbeeld:

i-za-kar-ma, izakkarma (G pres. +ma v. zak


a ru

JV

`spreken') `hij moet een eed (nis

a V
? sV

) afleggen', CHx20x131

ilim

En ook als 2e en 3e radix zwak is:

= i-sa-am-mu-ma, isammuma

(G pres. (expliciet met -mm-)+ma v. s^amu `kopen') CHx39



i-q
a-ab-bu-ma, iqabbuma (G pres. + ma v.
qab^
u `spreken'), CHx9

Spellingsvoorbeelden G pres. w.w. primae aleph


De pre x i{ in G pres. van werkwoorden met een
initiele alef wordt meestal dubbel geschreven (maar is
geen lange ):

D
i-im-ma-ar-ru-ma, immaruma

V V

(G pres.+ma v. ama ru `zien'), CHx9


V i-ir-ri-is, rris (G pres. v. eresu I ) `opeisen',
CHx30

Spellingsvoorbeelden G pres. w.w. primae n


Voorbeelden van de pre x i{ in G pres. van werkwoor-

79

February 27, 2002 Copyright Heise en Stadhouders, Akkadisch Vocabularium

>
>b

den met een initiele n (niet dubbel geschreven):


F
i-na-ad-du-
u-
s i, (ana m^
e) innadd
u
si
(G pres. 3e p.mv. +si v. nad^u

F
nat
^, nad^
u
.u

`werpen') CHx108
, inaddusu (G pres. v.

i-na-ad-du-
u-
su

`slaan') CHx127

Spellingsvoorbeelden G pret. sterke w.w.


Bij G pret. is de syllabegrens zodanig (ip-rus, ip-ru-us)
dat de pre x i{ zich in de spelling verbind met de eerste
consonnant:
D
i
s -ru-kam, i
s rukam

( V

s>
b

(G pret. + dat. am v. sara ku `geven'), `hij gaf mij'


CH-xxiv-12

is
a tu
. -ba-at-ma, is
. batma, (G pret. +ma v. s
. ab
`grijpen') CHx30
ib-ni, ibni (G pret. v. ban^u `scheppen') Sil-C-134
P
iq-bu-
u (subj. v. qab^
u `spreken') CHx3
P ik-su-du, iksudu (G pret. subj. v. kasa du
`bereiken'), CH-iv-9,10

Spellingsvoorbeelden G pret. w.w. primae aleph


Bij werkwoorden met een initiele alef komt in G pret. het
teken i- weer terug, de uitspraak is dan een lange ,
i >:
N
i-hu-uz-ma, 
huzma (G pret. +ma v. ah 
a zu




tV
/V
s

`grijpen') CHx128

i-gu-ma 
g
u ma

z.') CHx125

(G pret. subj. +ma v. eg^u `nalatig

i-pu-us, pus (G pret. v. epesu `maken') Sil-C-141


?? Een enkele keer wordt de i{ in de G pret. ook expliciet toegevoegd:
P
i-ik-mi, ikmi, (G pret. v. kam^
u `(vast)binden')
Sil-C-118

Spellingsvoorbeelden G pres. w.w. primae n


In G pret. bij werkwoorden met een initiele n, assimileert de n op de gebruikelijke wijze:
O id-di-nam, iddinam (G pret. +am v. nada nu

N

N V
NV

`geven': `hij gaf mij') CH-xxiv-29


e

ib-bi-
u, ibbi
u <*inbi
u , (G pret. 3 m.mv. v.
nab^
u, `noemen') CH-i-17
e
K
id-di-nu-ma, iddinuma (G pret. 3 p.mv. +ma
v. nada nu `geven') CHx27
id-di-ma, iddima (G pret. +ma v. nad^
u I
`werpen'), CHx30x135

Spellingsvoorbeelden G pret. holle w.w.


De pre x i{ bij holle werkwoorden (met een vocaal als
tweede radicaal) verschijnt weer als i:
F
i-na-ar, in
a r (G pret. v. n^
aru `doden') Sil-C-114

i-q
-ip-ma, iq
pma (G pret. v. q^
apu II

V
a b

V

(J

`toevertrouwen') CHx107

i-q
-
s u, iq

s u, (subj. v. q^
a
s u `schenken') CH-iv-1,2

= i-sa-mu, isamu (G pret. subj. v. s^amu `kopen')


CHx9
=, i-si-mu, ismu (subj.pret. v. s^amu II `vaststellen'),
CH-iv-21

i-si-ma-am, ismam (G pret. +am v. s^amu II


`vaststellen') CH-xxiv-27

Spellingsvoorbeelden G perf. sterke w.w.

im-ta-har, imtahar (G perf. v. mah 


a ru



`ontvangen') CHx108

{

Of met assimilatie:
 is.-s.a-ba-at, is.s.abat <*is.tabat (G perf. v. s.aba tu
`grijpen') CHx9

2 bel
u a of belu a `mijn meesters';
3 ana belja `aan mijn meester'; ana belja `aan mijn

, (ook -ja en -a), suf x bezit. vnw. 1e p.enk. mijn; vaak


moeilijk te herkennen omdat de lange  vaak niet expliciet wordt aan-gegeven; -a of a na de vocaal u ; -ja na
de vocalen  of e; - na consonanten. Voorbeelden:
1 bel `mijn meester';

meesters'
4 assat
u a `mijn vrouwen'
E
be-l
-ia, bel
a, H.Sip. 44
, (suf x bezit. vnw. 1e p.enk. `mijn', !-a)
E
be-l
-ia, bel
ja, `mijn heer' CH-xxiv-90
, N pret. (met sterke alef) v. !aba tu I `vernielen'
etc.

{ia

i abbit


CD
i abbut


etc.

i -a-bit i

 abit

(N pret.) Ee-iv-25

, G pres. (met sterke alef) v.

!abatu I

`vernielen'

Iabusu : een plaatsnaam (met een vestingwerk)


&s~
,
Sil-A-50
Iamutbalim ,
cUs W
6,
, Sil-C-105
i^ati : e mij (onafhank. losstaand of absoluut p. vnw.
uru

Ia-bu-
s u[m]

kiengisag

ki

Iabubini

Iam
u tbalim

1 p.gen/acc);
1 ana i^
ati voor mij; voor vormenbestand en toelichting, zie onder ana ku. bijv. ana i^ati `voor mij', kima
i^ati `zoals ik'
I ia-ti, i^ati CH-i-31
, G pres. v. !ban^u `scheppen' etc.
: `er is' (3e p.enk.pres. v. !basu^ `zijn')
, N pres. v. (4-rad.) !nabalkutu
, N pret. v. (4-rad.) !nabalkutu
, N pret. v. !ba n^u `scheppen'
 ib-ba-ni, ibbani (N pret. v. ban^u) Ee-i-81
K
ib-ba-nu-
u-ma, ibban
u ma (N pret. mv.

ibanni
ibassi
ibbalakkat/it
ibbalkit
ibbani


+ ) Ee-i-9> V
ibbassi , N pres. v. !basu^ `zijn' etc.
 b>
,
CH 5
ma

ib-ba-a
s -
s u-
u ibba
s
su


(N pres. subj.)

ibbir , G pres. v. !eberu `overschrijden'


ibbiu , (<*inbiu): G pret. 3e p.mv. v. nab^u; soms dissimilatie ibbi > imbi
ibb^u , (subst.; Sum. leenwoord < imba; st.c. ibba-) gebrek,
x

 s>
,
imb^u
 s> ,+ )VCH-xxiv-40,41
(G pret. +

verlies; AHw \Verlust"; Eng.: loss, de cit

CHx120

ibb^u , G pret. v. nab^u `noemen'; soms dissimilatie ibbu >


i-ib-bu-
u-um ibb^
um

ib-bu-
u-nin-ni-ma ibb
u ninnima

ib^el , G pres. v. !b^elu `heersen'; verba mediae Alef, e-klasse; G pres. mv. ibellu
ibel , G pret. v. !b^elu `heersen'; verba mediae Alef, e-klasse; G pret. mv. ibelu
bir , G pret. v. !eberu `overschrijden'
ibiss^u , (subst. < Sum.; OA ibissa um; st.c. ibissa-) AHw
\Geldverlust"; Eng.: nancial loss
ibn^a, ibnia , G pret. 3e vr.mv. v. !ban^u `scheppen' etc.
ibni , G pret. v. !ban^u `scheppen'
 , (G pret.) Sil-C-134
ibn^u, ibniu , G pret. subj.e v. !ban^u `scheppen' etc.
ibn^u, ibniu , G pret. 3 m.mv. v. !ban^u `scheppen'
nim

ma

ib-ni

K

etc.

ibni

(G pret. subj. mv.) Ee-vi-70

ibru , (subst.; st.c. ibir; mv. ibru) Eng.: colleague, friend,


(person of equal status)
ibsi , G pret. v. !basu^ `zijn' etc.
 , (G pret.) Ee-i-117
ibtani , G perf. v. !ban^u `scheppen'
ib-nu-u ibn
u

ib-
si

ib
si

80

February 27, 2002 Hoofdstuk 2 Akkadisch vocabularium

ibtel , G perf. v. !b^elu `heersen'; verba mediae Alef, e-klasse; mv. ibtelu
d
Id , (subst.; C d ): Id, de god Rivier (vr.); wordt

een werkwoordstijd, die qua vorm een preteritum is,


maar qua betekenis een stativus; G pret. 1e en 3e de
(pret. pro presenti) `ik/hij weet', tde `jij weet', mv.:
di/e/u , tdea vaak: >td^a `gij weet', etc.),
I. G-stam : weten, kennen, begrijpen, bekennen (van een
vrouw), beslapen;
}
, G part., , (<mu diu, (st.c. mu di/e; onregelm.
met mu- in de G; CAD mud^u ook muda u, mudd^u;
vr. mud^atu, mudu tu; vanaf oud-akk.): (de) wetende,
die alles weet, ook pregnant: wijs, onderlegd, als subst.:
terzakekundige, ingewijde; vaak ziet men de stat. van
dit part. als niete ww. vorm mu de: `hij weet/kent',
mu d^aku <mu dia ku: `ik weet/ken', wat men weet staat
dan in acc. (vaak een inf.), zie voorbeeld;
In redactionele opmerkingen die men geregeld bij \geheimwetenschappelijke" teksten als ritualen en vooral
commentaren vindt:
1 m
u d^u (la ) mu d^a (met kullumu `tonen', `in kennis
stellen', 2 acc.: iem. (van) iets)
AHw \wissend", \klug"; CAD mud^
u adj.; 1 knowing
(something or somebody), expert in a speci c craft,
wise, competent, learned, knowledgeable, expert; 2 acquaintance, person known, (but in no de nite relationship), mude sarri friend of the king
2 btam epesam m
u di: `hij weet hoe hij een huis moet
bouwen'
3 sibu m
u de hulqim: `de getuige die het verloren goed
kent' CHx9 
4 zikaram l
a id^u, lett.: (nog) geen man bekennen )
maagd zijn, bijv. assat awlim sa zikaram la id^uma een
getrouwde vrouw die (nog) maagd is CHx130 (d.w.z. juridisch reeds getrouwd, maar het huwelijk is nog niet
geconsumeerd, de verloofde woont dan nog bij vader
thuis)
5 anah 
a la du , (G pret. mv. pro stativo; ana hu `moe
 van
z/w.'):  `zij kennen geen vermoeidheid' (gezegd
paarden in Ee-iv-54)
}
, (subst.; suf x !{u tu, {u t vormt abstracta; OB, Mari, MB, SB, NB): wetenschap, kennis; CAD
knowledge, information, wisdom
II. D-stam
, (D-tantum v. *wad^u): vaststellen, bepalen, bekend maken, beslissen, bekendheid geven,
aanwijzen, signaleren, merken, markeren;
}  , D part., 6 mu add^u isqisun (D part. bij D
mudd^u !*wad^u): `[Marduk] die hun (o er)aandeel in
de cultus toewijst' Ee-vii-7
e

i-du-
u, id^
u <ide (+subj.u, subj.pret. 3 p.enk.)


id

op z'n Sum. uitgesproken en niet als na ru `rivier': de


godheid voor rivieren en kanalen; niet alleen (soms)
rechter, maar vooral als scherprechter voltrekt zij vonnissen.
Id sal^u, (!sal^u `in de rivier springen'),
1 
het godsoordeel laten vellen, als men er langs juridische weg niet meer uitkomt. Blijven drijven duidt (anders dan bij heksen in de Middeleeuwen) op onschuld.
`de Rivier werpt hem uit' bet. vrijspraak: op de oever aanspoelen. In !namburbu-ritualen wordt onheil
onder meer afgewend door een beeldje met gepaste rituelen in de rivier te werpen. Tot de (positieve) goden
die daarbij worden aangeroepen behoort dId. Daarbij
wordt het epitheton gebruikt:
Id ba niat kala ma, (G part. st.c. vr. v. b^anu `schep2 d
pen'): `Oh Id, schepster van alles'
Id u tebbibassuma (<*u tebbibamsuma, D perf.
3 
+vent. am v. ebebu +su +ma), `Id houdt hem voor
onschuldig'.
4 d
Id sal^u: `in de rivier werpen/duiken' als godsoordeel, bijv. CHx132 na overspel maar niet betrapt, vgl.
met:
5 kas^
u (+ma) ana m^e nad^u, (!kas^u `binden'): gebonden en wel in het water gooien, als doodstraf, bijv.
CHx129 na overspel op heterdaad betrapt.
d Id, d Id (`riviergod') CHx2

, G pret. vent. v. !nad^u `werpen'

mud^u

idd^a
N O C , (G pret. vent.) Ee-iv-104
idd^ak , N pres. v. !d^aku `hij moet gedood worden', in de
id-da-a

NO
NV
N
iddin p

idd^
a

apodose van bijv. CHx1x3


a id-da-ak, idd^ak <*ind^ak (N pres.) CHx1
, G pret. v. !nad^u `werpen', `oprichten' etc.

iddi

Ee-vi-93

id-di-ma iddima

id-di iddi

(G pret. +ma) CHx30x135

mud^utu

(G pret. v. nad^u) Ee-iv-71, vi-82

, ( ndn ) G pret. 3e p.enk. v. !nada nu (`geven', `verkopen')p


, ( ndn ) G pret. 3e p.mv. v. !nada nu (`geven',
`verkopen')
K~
id-di-nu-
s um-ma, iddin
u
s umma

wudd^u, udd^u

iddinu

N V
iddu
N V

mu dd^u

(G pret.mv. + sum+ma) Ee-vi-99


, G pret.mv. v. !nad^u `werpen', `oprichten' etc.

id-du-ma, idd
u ma (G pret. subj.mv. + ma),
erra-i-122

de , G pret. 1e en 3e p.enk. v. !id^u


idi , G imp. v. !nad^u `werpen'
idi , (voorz. bij !idu `arm', `zijde'; met suf x id-, ook

ana idi, ina idi) Eng.: near, next to, beside, on the
side of, with
, N imp. v. nada nu `geven'
, (subst.) Tigris; de rivier `Tigris' (`Tigris' is een
Grieks woord, ontstaan uit idiglat; door wegvallen van
de initiele i en verwisseling van l voor r).
p P i-di-iq-lat, idiqlat LL-Ms-ii-47
, ( ndn ) G imp. vr. v. !nada nu (geven, verkopen);
G imp. mv. is idna
, -e, (ww.; dubbel zwak <*jada um; er is een nevenvorm !*wad^u, die alleen in de D voorkomt;  zu,
het werkwoord id^u heeft (evenals isu^ `hebben') maar

idin
idiqlat
idn
id^u

>
>>

CH-iii-57

i-du-
u, 
d
u (G pret. mv. pro stat.) Ee-iv-54
=
mu-du-
u, m
u d^
u (G part.) Sil-C-37
=
mu-de, m
u de (D part. gen.) CH-iii-17
=  K mu-du-su-nu, mu d^ussunu (<*mu d^utu+sunu)
CHx9

idu

= mu-ad-du-u mu add^u (D part.) Ee-vii-7


, (subst. m. en vr.; st.c. idi, zelden id; dualis ida (n);
 , dualis id
 min): oormv. idu en ida tu;
a
a
a
spronkelijk arm (lichaamsdeel;
vaak
litt.),
maar
meestp
al: kant, zijde, weerszijde; j(a)d in Hebr. `hand', vgl.
Ned. (<Jidd.) jatten Eng.: arm; side, edge; strength;
 or
goal, purpose; in sg. en m.pl.
a
abi:
wages, hire, rent, payment
1 idsunu ukassi, (D pret. v. kas^
u, lett.: `hij [Marduk]

N:

81

February 27, 2002 Copyright Heise en Stadhouders, Akkadisch Vocabularium

maakte hun armen vast' ) `hij sloeg hen in de boeien',


`hij legde hen handboeien aan' Ee-iv-117
2 idasu, (nom. dualis als locativus): aan zijn zijde
3 id
asu anh a (ana hu `moe zijn' G stat.vr.mv. vanwege
dualis v. id^u`arm') `zijn armen zijn moe' erra-i-15
 en niet a
me
} , (pl. tantum, toch
a
s ):
huur,
loon, honorarium
4 ina idisu al
a ku, lett.: `aan zijn zijde lopen', `hem
begeleiden, escorteren';
5 
a lik idi, (G part. v. ala ku `gaan'): `helper', `begeleider', (die aan iem. zijde loopt)
6 res. u
 su a liku idisu, (G part. mv. v. ala ku, lett. `aan
zijn zijde gaan': `zijn helpers, die hem begeleiden'):
`(zodra de goden) de heldhaftige leidsman (: : : in het
oog kregen)' Ee-iv-69
} , (een secundaire terminativus op !{us): ter
weerszijde, ter zijde
7 idus Ti
a mat: `ter (weers-)zijde van Tia mat', `aan
Tia mat's zijde' (ook wel: `naar T.'s zijde') Ee-i-129
8 qastu u spatu idussu lul, (G pret. v. al
a lu I `ophangen'; term. idus + su): `hij hing boog en koker [pijl en
boog] aan zijn zijde' Ee-iv-38

id

idus

N
O C! ! b
OCC
idullu

igaru(m)

, id (naspakim) `huur (van de opslag)' CHx121


a

i-du-us, idus Ee-i-129



i-du-u
s -
s u, idu
s
s u (term. + 
s u) Ee-iv-38

i-di-
s u, idi
s u (gen. + 
s u) Ee-iv-69

i-da-a-
su
, id
a
s u (dualis mv.) erra-i-15


i-da-a-a, id
a a (loc.) erra-i-98
, G pres. mv. v. !d^alu `drentelen'

i-dul-lu, idull
u (G pres. mv. v. d^
alu) Ee-i-57
, (subst.vr. < Sum.; st.c. iga r-; mv. iga ra tu;

egar8 ): muur, wand Eng.: wall (of a building)
, <*igtamru , Gt pret. 3e p.mv. v. !gama ru `klaar
zijn'
, (<*igtapus) Gt pret. v. !gapasu
, (subst.; P igigal, <Sum. igi `ogen', gal
`voorzien van', dus `voorzien van ogen', evenals `oren'
symbool voor `wijsheid'): wijsheid
P

-im, igigallim (gen.) CH-iii-17
P  , igigallim, CH-xxiv-26
P

-ia, igigall
ja +ia Sil-A-39
: Igigi (hemelgoden, een naam voor de grote goden)
(geen Sum. woord). In het Atrahass-epos waren de
Igigi belast met het uitvoeren van de landbouw en veeteelt. Ze waren in zekere zin de knechten van de Anunnaki. Mogelijk dat de Igigi de wat jongere goden (van
de Akkadiers) waren, terwijl de Anunnaki de oudere
(Sumerische) goden vertegenwoordigden. In het verhaal in het eerste tablet van het Atrahass-epos heerste
 een opstand uit
er ongenoegen onder de Igigi. Er breekt
onder de goden uit (zij bonzen op de deur van Enlil,
etc.), \omdat hun het juk van de arbeid was opgelegd".
Daaruit vloeit tenslotte een vergelijk voort, waarbij ter
oplossing van het probleem de mensen worden geschapen. Er zou dus sprake zijn (een theorie van von Soden) van een con ict tussen twee typen goden over \gelijkberechtiging". In andere tradities zou er juist geen
sprake zijn van een \vergelijk", maar nemen de Igigi de
macht over en verdrijven de Anunnaki naar de onderwereld. De Igigi komen aan de top, zij worden de baas
en vormen de \beraadslagende goden". Deze top wordt
tenslotte beheerst door vier of zeven oppergoden. Deze

igdamru
igdapus
igigallu


Igigi

igi g
al

igi g
al

igi g
al

opvatting van von Soden volgt niet rechtstreeks uit de


letterlijke tekst van de epen, maar kan a.h.w. tussen
de regels door te lezen zijn.
In het Enu ma elis-epos is de literaire vormgeving zo
dat Marduk iets vraagt aan de Anunnaki (Ee-vi-20, terwijl in Ee-vi-27
1 pul
usuma d Igigi ilu rab^utu (G pret. mv. v. apa lu +
dat. of acc. -su): `de Igigi, de grote goden, antwoordden
hem' Ee-vi-27
Orthogra e, OB en NB:

i-gi4 -gi4 , Igigi


late orthogra e ook:
-g-g, Igigi; waarin ook  de lezing ia = Sum.
`vijf' en is ook `2' of `2  60', zodat de spijkers ook
het getal 5+1+1 = 7 of het getal 5  2  60 = 300 symboliseren. 7 is het getal waarop het aantal oppergoden
oudtijds wel gesteld was en 300 of 600 is oudtijds ook
het totaal aantal goden (Niemand weet precies wat dat
betekent).
2 300 (5gis) ina sam^e ukn mas.s.artu (D pret. v. k^
anu
`vestigen'; mas.s.artu predicatief `als hoeder'): `hij [Marduk] plaatste (er) 300 in de hemel tot wacht' Ee-vi-42
3 ina sam^e u ers.etim 600 (gisu) ustesib (S perf. v.
wasa bu `zitten'): `(aldus) gaf hij de 600 [goden] een
plaats in hemel en aarde' Ee-vi-44, maar in het volgende is sprake van:
4 300 (5gis) d Igigi sa sam
a m u 600 (gisu) sa Apsu
kalusunu `300 Igigi des hemels en 600 van de Apsu al te
gader (verzamelden zich)' Ee-vi-69, waarin het lett. zou
gaan over 900 goden in totaal. Betekenis onduidelijk.

i-gi4 -gi4 , Igigi, CH-i-15 Sin3-39


U U I-g[i-g]i, Igigi, Sil-C-5

FF
V
:

FF
V
igirr^u U


-g
-g
 Igigi

Ee-vi-27, vi-69

, (
inimgar; Sum., ook: egirr^
u, st.c. igirr^e=,
ook igirr^=):
I: roep, reputatie;
II: soort omen, een omineus geduid (toevallig) geluid
(van de straat bijv.), godsdiensthistorisch bekend als
! ; ) orakelwoord, orakel, igirr^u-orakel
1 igirr^e dumqi u msari: (bezorg mij) `een gunstige
reputatie van gerechtigheid/rechtschapenheid' Sin1-22
[Een heel algemene reden voor een gebed, waarin de
smekeling zijn nood klaagt en vraagt om eerherstel,
vooral bij superieuren, die soms expliciet worden opgesomd: god, koning en notabelen.]


, igirr^e (st.c.) Sin1-22
 ): Eng.:
, (subst. < Sum.; st.c. igisa -;
igisa
an annual tax (collected from merchants, priests); gift,
o ering;
, (!aga ru `huren') `huur', `loon'
PV
ig-ri-im igrim (gen.), CHx34
, G pret. v. !eg^u `nalatig zijn'

i-gu-ma, 
g
u ma (G pret. subj. +ma) CHx125
, G pret. v. !aga ru `(in)huren'
o i-gur-ma, gurma (G pret. +ma) CHx26
, G pres. v. !hat.u^ `iets missen'

 -ti, ihatti (G pres.) Sin3-48
i-ha-at
 . .  ..
, G pret. v. !haba tu `roven'


ih-bu-ut-ma, ihbutma (G pret. +ma), CHx22


, G pret.mv. v. !had^u `zich verheugen'



ih-du-ma ihd^
uma (G pret.mv. +ma) Ee-vi-161


, N pret. subj. v. !haba tu `roven'

: ih-ha-ab-tu, ihhabtu (N pret. subj.) CHx23

igis^u

inim gar

igru

gu
/V
gur
V
ihat.t.i
M
ihbut
s}V
ihd^u
V
ihhabtu

82

February 27, 2002 Hoofdstuk 2 Akkadisch vocabularium

ihheppe , N pres. v. !hep^u `vernietigen'


   e iltu ,!e ,e(Nlu pres.)
CH 37
ihiltu, ehiltu, i iltu,
`schuld' (speciaal


ih-he-ep-p
e ihheppe

waarvan vervaldatum is verstreken); ook godsdienstig:


`schuld', `zonde'
, G pret. v. hara ru, ook tara ru, ereru en !ara ru II
 `trillen'

, G perf. v. !haba lu; niet Gtn daar hitbulu niet
 voorkomt


, G pret. v. !aha zu `nemen'
 N
i-hu-uz-ma, 
huzma (G pret. +ma) CHx128


N  i-hu-zu, huzu, (G pret. subj.) Ee-iv-18


, G imp. v. !na a du `opletten'

, G pret. v. !na  a du `opletten'

, G pres. v. !e elu `binden'

, G pret. v. !e elu `binden'


, !e elu `schuld';


i-hi-il-tum, of: ihiltum, of: i- -il-tum,
i iltum (ook met e- geschreven).
, G pres. v. !k^anu `vast z/w.'; verba mediae vocalis
-u-,pmv. is daarom ikunnu
, ( nks , verba primae N) G imp. v. !naka su `(af)snijden', `hakken'; G imp. vr. is iks; G imp. mv. iksa
, (< *i akkal), G pres. v. !aka lu `eten', verba primae
Alef, a-klasse, Ass.: ekkal
, G pres. v. !kal^u
, (< *inkam), N pret. v. !kam^u `binden', `gevangen
nemen'
P =
ik-ka-mu-
u, ikkam^
u (<*inkam^
u N pret.

ihrur
ihtabal
huz

tV

i id
i id
i il
 il
i iltu, e iltu, ihiltu, ehiltu
ik^an
ikis
ikkal
ikkala
ikkam

>

`zitten') lett.: `moge hij in het huis der gebeden gaan


wonen' (op de troon plaatsnemen) Ee-vii-108
PV
p ik-ri-bi ikrib (gen.mv.) Ee-vii-109
, ( nks , verba primae N): G imp.vr. v. !naka su
`(af)snijden', `hakken'; G imp. mv. is iksa
, G perf. v. !kal^u
, G pret. mv. v. !kar^u `kort z/w.'
P : D ik-tu-ru, ikturu Ee-iv-60
, < *i kul, G pret. v. !aka lu `eten'; verba primae Alef,
a-klasse; Ass.: ekul
, (subst. < Sum.; stam iku-; i iku): een eenheid
van oppervlak ong. 3600m2 = 100 musaru
, 2e type mv. v. !ilu, goden
, !d Nin-ildu
, ook isdud, irdud, G pret. v. !sada du `trekken' etc.
[thesjl]

, (of ile), G pret. v. !le u^ `kunnen'

, (of il^e), G pres. v. !le u^ `kunnen'; n.b. een dubbele
alef wordt nooit geschreven, een enkele nog wel eens,
maar meestal alleen als vocaalbreuk a-u, u-i, etc.
; i-li-i, illi  i of il^ (G pres.) CHx28x29
, G pret. v. !
p el^u `hoog zijn', `omhoog gaan'
, (subst.; ld !wala du): `geboorte', `herkomst', `afkomst'
}
, (acc.adv. van betrekking): `van geboorte', \in
het opzicht van geboorte"
1 illitam su
 tur, (S stat. v. wata ru): `hij is zeer voortreffelijk wat betreft geboorte' Ee-i-100
; i-li-ta(m), ilitta (acc.adv.) Ee-i-100
, (!ala ku `gaan') `leendienst'
;P
i-li-ik-
s u, ilik
s u (st.c. +
s u) CHx27x30x31
il-kum, ilkum CHx40


s a il-ki-
s u, 
s a ilki
s u CHx38
, (onregelm.) G pres. 3e p.enk. v. !ala ku `gaan'
7 a i-li-ik-su i-il-la-ak, iliksu) illak (G pres.)

iks
iktala
ikturu
kul
ik^um
ilanu
ildu
ildud
il e
ile i
li
ilittu

ilitta

ikkaru , (subst. < Sum. apin; st.c. ikkar; mv. ikkaru; 8

ilku

ikkarutu

illi , G pres. v. !el^u `hoog ezijn', `omhoog gaan'


illik , (onregelm.) G pret. 3 p.enk. v. !alaku `gaan'
ilsi , (< issi, in later tijd (na MB) wordt door dissimilatie

subj.) Ee-i-118

): akkerbouwer, boer; AHw \Landmann"; Eng.:


farm, farm laborer, plowman
1 ikkaru ina muhhi : : : ibakki s.arpis (G pres. v. bak^
u
 sarpis `luid en bitter'): `de boer
+ muhhi `huilen om';
.
 en bitter over : : :' erra-i-84
weentluid
P  D ik-ka-ru ikkaru erra-i-84
, (subst. suf x !{u tu, {u t vormt abstracta bij
!ikkaru) AHw \Landarbeit"; Eng.: agricultural work,
plowing
, (subst. < Sum.): taboe, verbod; bijv. sommige
meelsoorten gelden als de gruwel van bepaalde demonen, het ikkibu `taboe' van de schim, de ilu lemnu
`kwaadwillende god', `demon', `duivel' AHw \Verbotenes", \nicht allen Zugangliches";
, < *inkir N pret. v. naka ru `vreemd z.'
P
D ik-ki-ru, ikkiru (N pret. subj.) CHx124
, < *inkis, verba primae N: G pret. 3e p.enk. v.
!nakasu `(af)snijden',
`hakken'
, G pret. v. !kal^u (3e m.mv. is ikl^u, 3e vr.mv. is ikl^a)
, G pret. 3e p.enk. v. !kam^u `(vast)binden'
P
i-ik-mi, ikmi, (G pret.) Sil-C-118
P
ik-mi-
s u-ma, ikmi
s uma (G pret. + 
s u + ma)
engar

ikkibu
ikkir
ikkis
ikla
ikmi

b V
ikmil

ikm^u
>
ikpud
s
ikribu !
Ei-i-69

, G pret. v. !kama lu `boos zijn op'


P
ik-mi-lu, ikmilu, (G pret. subj.) Ee-iv-76
, G pret. subj. 3e p.enk. v. !kam^u `(vast)binden'
P=
ik-mu-
u, ikm^
u (G pret. subj. v. kam^
u) Ee-i-73
, G pret. v. !kapa du `plannen', `beramen'
P ik-pu-du, ikpudu (G pret. subj.) Ee-i-52, 55
, ( kara bu, `groeten', `zegenen'): gebed, gelofte, begroeting, wijgave
1 ina bt ikrub lisibma (G prec. v. was
a bu `wonen',

b
a b
illak
CHx27x30x31

s> l voor dentalen d, t en sybillanten s, z): G pret. v.


!sas^u `roepen', ook geschreven als issi, isi
, (NB, in OB !ista nu; in later tijd (na MB) wordt
door dissimilatie s> l voor dentalen d, t en sybillanten
s, z;
 ): noorden, noordenwind;
p
imsisa
, (SB vorm < istassi; in later tijd (na MB) wordt
door dissimilatie s> l voor dentalen d, t en sybillanten
s, z): Gt pret. v. !sas^u `roepen'
p il-ta-si, iltassi Ee-i-42
, (!isten `een', `eerste'; in later tijd (na MB) wordt
door dissimilatie s> l voor dentalen d, t en sybillanten
s, z)
, (G perf. v. !leq^u `nemen')

/lees:
il-te-q
e, ilteqe, (G perf. v. leq^
u

iltanu

iltassi
ilten

ilteqe

`nemen') CHx25x113
, ook isti G pret. v.

ilti
!sat^u `drinken'
iltu , (subst.vr. bij !ilu `god'; st.c. ilat; mv. ilatu): godin
ilu , (subst.; st.c. il(i), met suf x il of triptotisch declinatie in st.c. voor suf xen enk., nom. ilu-, gen. ili-, acc.
ila-; mv. ilu of ila nu ; dingir): god; in NB een st.c.
ilu- i.p.v. il(i)- (archaserend met behoud casusvocaal
in st.c.);
Let op:
i-lu, ook = i-dib = askuppatu

83

February 27, 2002 Copyright Heise en Stadhouders, Akkadisch Vocabularium

1 an il, (3 teken an = ana) `voor de goden';


ook: `tegen de goden' (dativus incommodi)
2 dingirdingirgalgal, il
u rab^utu: `de grote goden'
(niet gebruikelijk: meestal dingirgalgal)
3 dingirdingir admes-su
, il (ila ni) abbsu (acc.
mv.): `de goden zijn vaderen' Ee-vi-126
4 su
 lu ilni: `h onze (persoonlijke) god' Ee-vi-120
(Elke god gaat Marduk een naam geven. In die naam
erkent hij Marduk als persoonlijke god).
}
, kwaadwillende god, demon, duivel;
}
, (suf x !{u tu, {u t vormt abstracta): godheid, goddelijkheid Eng.: divinity, devine nature, devine
power;
5 ilussa, (<*il
u tu + sa): `haar goddelijke macht', Sil-

ilu lemnu
ilutu

C-26
6 u
 m taslti ilutka, (tasltu `pracht'; `de dag van uw

goddelijke luister', `de dag van de glorie van uw goddelijkheid' Sin1-18


7 il
u tka rab^uta: `uw grote godheid' Sin3-68
8 sunn^
at ilussu, (D stat. vr.; < *ilu tsu): `zijn [Marduk's] goddelijkheid is heel eigenaardig' (of !san^u II :
`is in tweevoud voorhanden') Ee-i-91
&

l-
s u, il a
 l

s u `stadsgod' CHx32



, il rab^utim, CH-iv-66

an



, an il rab^uti (gen.)

W Wb W W
W
t

J
5

uru

dingir gal gal

Ee-v-1


17

dingir dingir gal gal

dingirdingirgalme
s

il
 rab^
uti

(acc.) Ee-vi-15,



-us-s[u], ilussu (< il
u t
s u) Ee-i-91

F
-
s i-na, il
s ina (+
s ina) Ee-vi-116

i-lu, ilu (enk.) CH-iii-16

i-lu-s
a, ilussa, <*il
u tu + 
s a Sil-C-26

 i-lut-ka, ilu tka (st.c. ilu t + ka) Sin3-68


-l, il (mv.), CH-i-31
e


-ni, il
a n
 (2 type mv. zie fon.
dingir

dingir


complem.) Ee-i-21

dingir me
s

an
, an il Ee-i-128
I
-ti-ka, ilut
ka (+ ka) Sin1-17
, G pret. v. !hala lu, ook ala lu


i-lul, 
lul (G pret.) Ee-iv-38, 51
, een koning van de stad Isnunna, in de historische
literatuur ook Esnunna genoemd

-ni, Ilu-ni, Sil-C-116
, (< imaggar), G pres. v. !maga ru `inwilligen'
etc.; [vanaf het MB wordt een stemhebbende dubbele
middelste radicaal van een werkwoord: bb, dd, gg of zz,
vaak gedissimileerd tot resp. mb, md, mg of mz; of nb,
nd, ng of nz]
, G pres. v. !man^u `tellen' etc.
, (of vaker: Emar): een stad in Noord-Mesopotamie.
, G pres. v. !man^u `reciteren'
i-man-i, imani (G pres.) Ee-iv-91
, (G pres. v. !m^atu `sterven') `hij zal dood gaan'
, (st.c. v. !imtu): gif, venijn, zwadder

i-mat imat (st.c.) erra-i-7


, (< ibbi < *inbi), G pret. v. !nab^u `noemen'; [vanaf het MB wordt een stemhebbende dubbele middelste
radicaal van een werkwoord: bb, dd, gg of zz, vaak gedissimileerd tot resp. mb, md, mg of mz; de dubbele
consonant zelf kan ontstaan zijn uit assmilatie van n;
dus *inbi > ibbi > imbi ]
~
im-bi-
s um-ma, imbi
s umma (+ dat. nab^
u)
dingir dingir

ilul
Iluni

imangar

dingir

dingir

imannu
Imar
imanni

im^at
imat
n
imbi

Ee-i-76

s> !
V
imb^u <
s
imb^u t^amti

im-bu-
u-
su
 imbu
su

) Ee-vi-123

(<*inbu G pret. subj.

nab^
u

im-bi-ma, imbima (<*inbi G pret. nab^u) Ee-vi-88


, ( ibbiu < *inbiu), G pret. subj. v. !nab^u `noemen';
im-bu-u imb^
u

(G pret. subj.) Ee-vii-137

, (subst.;   kaaabba): wier of algachtige (plantennaam; komt veel voor, ook syllabisch;
aabba in Sum. teksten voor `zee', `open water'; cryptogra sch  ka niet `mond', maar imb^u dat volksetymologisch als een vorm van nab^u `noemen' gezien
wordt en ka = `spreken'
!kisal!   10 kisal kaaabba
1 10 kisal imb^
u t^amti `10 kisal wier' BAM578-i-6
     imb^u t^amti BAM578-i-6
, !emdu een soort Cypresse

imdu

(gen.) BAM578-i-3
imeru , (subst.; st.c. imer; mv. imeru;
ka a ab ba

im-di imdi

an
s e):
ezel
(m.); Eng.: (male) donkey; a unit of capacity (in OB
at Mari)
, (subst.; Sum. leenwoord;
im = `wind'): kwade
storm, Imhullu

1 ibni imhulla: `hij schiep de Imhullu' Ee-iv-45, een variant heeft: im-lem-na, lett.: `boze storm';
7 im-hul-la, imhulla (acc.) Ee-iv-45, 96, 98
, vr. v. !imnu `rechter kant'
, (subst.; st.c. imitti; dualis imitta (n);
zag):
Eng.: shouldr of an animal
, wsl. Ass. subj. v. !emedu in Ee-vi-36

i-mi-du-ni miduni (Ass. subj.) Ee-vi-36


imiminbi , (Sum.: im `wind'; imin `zeven'; bi `zijn';
lett.: `de winden hun zevental'): de zeven-wind; vgl.
imlimmu3 bi de `vier-wind'; speciale winden genoemd
als goddelijk wapen in het Enu ma elis-epos Ee-iv-

imhullu

imittu
imittu
miduni

46

  , imiminbi (< Sum.) Ee-iv-46


imlimm
uba , (Sum.: im `wind'; limmu `vier'; ba `zijn', `erim imin bi

van', ook `men'; lett.: `de winden hun viertal'): de


vier-wind; vgl. imiminbi `de zeven-wind'; speciale
winden als goddelijk wapen in het Enu ma elis-epos

Ee-iv-46

|| 

3 ba, imlimmu3 ba

(< Sum.) Ee-iv-46

immar , (< *inmar, G pres. enk. v. namaru jonge vorm v.


!nawaru `zien', `aankijken' etc.
}immaruma , (G pres. subj. +ma): `hij zal bezien',
imlimmu

V V
immaru (
immaru <

ook: `met dien verstande dat'

D
i-im-ma-ar-ru-ma, immaruma
(G pres. +ma) CHx9

, ( !immar! gisimmar): dadelpalm


, ( *inmaru ; G pres. mv. v. nama ru jonge vorm
van !nawa ru `zien', `aankijken' etc.
, N pret. v. !masu^ `vergeten'

immasi

VU C
V
immer <
[ !
Ee-vi-117

,(

G pret. v.

Ee-i-90

im-ma-
s i (ai) imma
si

(N vet.) Ee-vii-18
(N vet. vr.mv.)

im-ma-
s
a-a (ai) imma
s
a

*inmer, ook immir, i voor r wordt vaak e):


nawa ru `licht/helder z/w.', `stralen'
,

im-mir immir

(<

*inmir

, G pret. v. nawa ru)

immeru , (subst.; st.c. immer; mv. immeru of immeratu;

Ass. emmeru;
udu):
schaap, ram; AHw \schaf",
\Widder"; Eng.: sheep, ram
, (<*inmeru/u ) G pret. 3e p.enk. (subj.) resp.
e
3 mv. v. nama ru jonge vorm v. !nawa ru `licht/helder

immeru/u

84

February 27, 2002 Hoofdstuk 2 Akkadisch vocabularium



imna
imnisu
U
imnisu
b
imnu

z/w.', `stralen'
D im-me-ru, immeru (G pret. subj.) Ee-i-51
D
p im-me-ru
p , immeru (G pret.mv.) Ee-vi-56
, 6 mn of jmn , acc. v. !imnu `rechts'
, !imnu, `aan zijn rechter kant'

im-ni-
s
a, imni
s a (imnu + 
s a) Ee-iv-116
, eig. imnusu, G pret. v. !man^u `tellen', `reciteren'

im-ni-
s u, imni
s u (G pret. v. man^
u) Ee-iv-120
, G pret. v. !man^u `tellen' etc. (3e vr.mv. is imn^a,
3e m.mv. imn^up)
pjmn ; m. vorm zeldzaam;

, (subst.;
6 mn of
meestal vr. imittu dat dan vaak in omina als m. telt;
st.c. imitti;
zag):
rechter kant; de rechter kant
wordt over het algemeen gezien als de gunstige kant;
als windrichting is `rechts' het zuiden. Men orienteerde
zich namelijk op de opkomende zon in het oosten, het
zuiden is dan `rechts' van het oosten; vgl. de wortel
met het land Jemen = het zuiden.
}
, (adv.; acc.adv.): rechts;
1 sumela u imna `links en rechts' Ee-v-10 soms refererend aan \beide zijden" of \oost en west", maar dus
niet speci ek \links = oost" en \rechts = west"
 im-ni-ka, imnka, (+ka) Sil-C-79
F im-na, imna (acc.adv.) Ee-v-10
F
im-na-
s u, imna
s u (acc. + 
s u) Ee-iv-37
, (Sum.
!suh3! imsuh; im `wind'; suh = esu^


`verwarren'):
heftige wind, tornado
genoemd in het
Enu ma elis-epos Ee-iv-46

imnu

imna

b
imsuhhu

imtanu
!
!suh3!

,


ims
uh

imsuhhu



Ee-iv-46

, G perf. v. man^u `tellen' etc.


, (st.c. imat): gif, venijn, zwadder; (giftanden van slangen en schorpioenen, maar ook een vervaarlijk wapen
van onder meer demonen); Ned. \zwadder" is uitgespuugd speeksel, slangespog; vgl. bezwadderen;
1 sinn
asunu nas^a imta, (G stat. vr.mv. v. nasu^ `heffen'; sinnu `tand'): `(dan) dragen hun tanden gif' in
Ee-iv-53 gezegd van paarden, maar komt ook veel voor
bij demonen.
2 imtuknu kitmuru, (< imtu +kunu, apocope vorm;
verb.adj. Gt v. kama ru `ophopen'): `uw samengebalde/opgehoopte gif' Ee-i-162
3 litpata imat m
u ti (Gt prec. v. lapa tu `aanraken'; Gt
`zich inwrijven'; mu tu subst. `dood'): `smeert u in met
gif des doods/dodelijk gif' erra-i-7
: im-tu, imtu Ee-i-136
im-ta, imta (acc.) Ee-iv-53
K im-tuk-nu, imtuknu (< imtu + kunu) Ee-i-162

i-mat imat (st.c.) erra-i-7


, (subst. pl. tantum; ook int.u^; bij mat.u^ `gering zijn'):
tekort(en), verlies; AHw \Verlute", \Mangel"; Eng.:
depletion, losses [nom. vorm van het ipris(um)-type;
%nominale typologie; er zijn er niet veel met zo'n vocaalvoorslag; vgl. ikribu `gebed', ipt.iru `losgeld', isdihu
`winst', ispiku `voorraad(s-kruiken)', imt.u^ `verlies'] 
, G pret. v. !ama ru `zien', `aankijken' etc.
=
K I i-mu-ur-su-nu-ti-ma,

imtu

>
n
imt.u^
mur

?b

V
b V

aan'

=D

Ee-iv-70

Ee-i-89

, (G pret. +sunu ti+ma), Sil-C-7, `hij keek hen


mur
s un
u tima

i-mu-ru-ma 
mur
u ma

(G pret. subj. mv.)

i-mur-
s u-ma 
mur
s uma

(G pret. + su+ma)

in

=D i-mu-ru, muru (G pret. mv.) Ee-vi-83


, apocope vorm v. !ina; in;
in, in (= ina) CH-i-18
;
in li-ib-bu, in libbu (st.c. en locativus)
Sil-A-66

s

ina , (voorz.; 

ina; in litt. teksten soms apocope vorm


in; accepteert geen suxen): in, onder, te midden van,
van, met; soms temporeel te vertalen met een bijzin:
`toen : : :'; AHw \in", \an"; \durch", \aus" Eng.: in,
into, at, among, with (things), by means of, by; from,
from within (a place); partitively: out of; temporaly:
in, on, at the time of
1 ina btim: in het huis, thuis
} +inf. in gen. , terwijl, tijdens, toen; bijv. ina
para sim `toen : : : besliste',
2 Ti
a mat annta ina sem^sa, (G inf. gen. + sa v. sem^u
`horen'; annta vr. zelfst. vnw.), in nitiefzin, lett.: \T.
dit in haar horen" ) temporele bijzin: `toen T. dit
hoorde' Ee-i-41, iv-87
3 zikri il ina sem^su of mv.: zikr il, lett.: \de woorden van de goden in zijn horen" ) `(toen Marduk) de
woorden/toespraak van de goden hoorde' Ee-vi-1
4 ina res arhima nap
a hi eli m^ati (G inf. `opkomen'


(van hemellichamen),
`zichtbaar
worden'; res arhi

lett.: \het hoofd/begin van de maand" ) `de nieuwemaan', hier subject), lett.: `de nieuwemaan in het zichtbaar worden boven het land' ) `wanneer de nieuwemaan boven het land zichtbaar wordt' Ee-v-15;
een in nitiefzin met subject, een constructie die het
Ned. niet kent, behalve in een archasch voorbeeld: `ieder meent zijn uil een valk te zijn', waaruit (na omzetting tot `: : :, dat zijn uil een valk is') blijkt dat uil het
logisch subject is
5 ina res arhima nap
a hi (G inf. in gen. napa hu `op

 lett.:
komen' (van hemellichamen),
`zichtbaar worden';
`de nieuwemaan in het zichtbaar worden' ) `wanneer de nieuwemaan zichtbaar wordt/verschijnt' Ee-v15; ook in nitiefzin met subject.
}
, in nood, soms temporeel te vertalen: toen
: : : in nood waren
6 sa : : : ittadd^
u suba tni ina pusqi (Gtn pret.subj. v.
nad^u `opwerpen' < *intandiu; st.c.vr.mv. + suf. -ni
`onze'): `[Marduk] die onze woningen : : : bouwde, toen
wij in nood waren' (successievelijk, daarom Gtn) Ee-vi-

ina

ina pusqi

144

}ina + mv. , vaak superlatieve of elativische betekenis:


7 attama kabt
a ta ina il rabu t, (stat. v. kaba tu + -ta
2e p.enk.): `gij staat de meest geeerde onder de grote
goden' Ee-iv-3
F i-na, ina (voorz.) CH-i-20

, ina Ee-i-20, 79 etc.

2, ina il Ee-i-20, 99 etc
 ( ina
2, ina puhur il Ee-i-153

, (voegw.) Eng.: as long as, while
, (adv. < ina ann^a; soms ook inanni) AHw \jetzt";
Eng.: now
}
, Eng.: right now
, G pres. 3e p.enk. v. !nada nu `geven, verkopen';
wordt later (NB):
O
i-nam-din, inamdin
, G pres. mv. v. !n^adu, na  a du `roemen', `prijina

ina dingir

ina
inanna
(ina) kma inanna
inaddin

ukin dingir

inaddu

85

February 27, 2002 Copyright Heise en Stadhouders, Akkadisch Vocabularium

zen'
F i-na-ad-du, inaddu (G pres. mv.) Ee-vi-85


, G pres.
p v. !na adu `oppassen'
, ( nks , verba primae N): G pres. 3e p.enk. v.
!nakasu (afsnijden, hakken)
, (< inabbi), G pres. v. !nab^u `noemen'; [vanaf het
MB wordt een stemhebbende dubbele middelste radicaal van een werkwoord: bb, dd, gg of zz, vaak gedissimileerd tot resp. mb, md, mg of mz; de dubbele consonant zelf kan ontstaan zijn uit assmilatie van n; dus
*inanbi > inabbi > inambi]
, (< *inabbiu ), G pres. 3e p.mv.v. !nab^u `noemen'
e
O
i-nam-bu-u inamb^
u (G pres.3 p.mv.) Ee-vi-165
, (< inaddin), G pres. v. !nada nu `geven'; [vanaf het MB wordt een stemhebbende dubbele
middelste radicaal van een werkwoord: bb, dd, gg of zz,
vaak gedissimileerd tot resp. mb, md, mg of mz of; mb,
md, mg of mz]
O
i-nam-din, inamdin (G pres.) Ee-vi-4
, Sum. naam voor de godin !Istar, <Sum.
(N)inan(n)a `Meesteres des hemels' of `zuster van
An'.
, (met dissimilatie < inazziq), G pres. v. !naza qu
`boos worden', `verdriet hebben' [vanaf het MB wordt
een stemhebbende dubbele middelste radicaal van een
werkwoord: bb, dd, gg of zz, vaak gedissimileerd tot
resp. mb, md, mg of mz of; nb, nd, ng of nz]
, G pret. v. !n^aru `doden'
F
i-na-ar-ma, in
a rma (G pret. +ma) Sil-C-109
F
i-na-ar, in
a r (G pret.) Sil-C-114
F
i-na-ra-
a
s -
s u, in
a ra
s
s u (G pret. vent. <

ina id
inakkis
inambi

inamb^u

in^ar
inar

inimm^u

i ni ud

HS Vb

) Ee-i-69
, G pres. v. !n^aru `doden'
, G pret. v. !n^aru `doden'; De spelling i-na-ru-ma kan

{am
su

ook als presens mv. opgevat worden: inarru ma


FD
i-na-ru-ma, in
a r
u ma (G pret. mv.) Ee-i-113
, G pres. 3e p.enk. v. !nas. a ru (bewaren, houden)
, G pres. v. !naza qu `boos worden', `verdriet hebben'; vaak dissimilatie inazziq > inanziq
, (subst.; st.c. inib; mv. inbu vaak met enk. bet.;
vrucht; fruitboom; AHw \Frucht", \Geschlechtskraft"
Eng.: fruit, fruit tree; sex.: attractiveness
}
, (of kortweg bel arhi; epitheton van
 n; (w)arhu `maand'):  vruchtheer van de
de maangod S^
 van de vrucht die groeit),
maansikkel (naar analogie
meer in het bijzonder de eerstedags maansikkel, de
eerste zichtbaarheid.
Inhoudsmaten , De grootste eenheid is !kurru (< Sum.,
o gur, het Hebreeuwse `kor' (een inhoudsmaat voor
vloeisto en en graan), ong. 300 liter. vgl. Ned. \mud",
een inhoudsmaat voor droge waren, thans 100 liter. 1
gur was onderverdeeld in 5 !p
a num of ook parsiktum,
parsiktum, status abs. parsikat ( nigida) een schepel
van 60 liter. Een pa num is 6 !su tu, ban, van ong. 10
liter. Een ban is 10 q^um, sila, van ong. 1 liter. Hoeveelheden graan etc. werden gegeven van grotere naar kleinere eenheden (zoals algemeen voor numerieke notaties). Het aantal gur wordt aangegeven in horizontale
spijkers, zonder het teken gur. Het aantal nigida wordt
gegeven in vertikale spijkers, zonder het teken nigida.
Het aantal sila door gebruikelijke vertikale spijkers, nu
wel met het teken sila. Vaak wordt aan het eind van

inas.s.ar
inazziq
inbu


s e gur

inanziq
inar

inhur

VC
s
nisu
b
intu

inamdin, inandin
Inanna

de reeks maatgetallen het teken gur toegevoegd


10 o 10  , `10 kur graan' CHx44
, late vorm van het part. v. mah a ru `ontvangen',
 `zich wenden tot', `tegen over staan' etc. [na Oud-Bab.
wordt vaak m>n voor een dentaal of een s, s., q of k]
, (litt. woord < Sum. inim `woord'): woord
1 kn
a ti atam^a inimm^a ittija (beetje raadselachtig,
misschien atm^a, Gt imp v. aw^u `spreken'): `spreekt met
mij een woord als waarheid' Ee-vi-22 (\ik heb u leren
kennen als eerlijke lieden"?)

i-nim-ma-a, inimm^
a (acc.) Ee-vi-22
, G cohor. (dus 1e p.mv.) v. !epesu `maken'
etc.
i ni-pu-us, i npus (G cohor.) Ee-i-126
, G pret. subj. v. !enesu `zwak z.'

i-ni-
s u, 
ni
s u (G pret. subj. v.en
e
s u) Sin3-44
, (subst.; st.c. int; mv. inia tu; ook inittu, entu) AHw
\Mietrindergespann"; Eng.: sevices, rate of hire (of an
ox or ox team)

, (G cohor. 1e p.mv. met ventivus -a, <i niprusvorm *nin ud): `laat ons prijzen'
d u? -da? e (i) ni  uda (cohor.vent.) Ee-vi-154

ni, (< *idna ) G imp. mv. v. !nada nu `geven'


, N pres. v. N-tantum na butu `vluchten'; !*aba tu;
verba primae Alef, a-klasse
, N pret. v. N-tantum na butu `vluchten'; !*aba tu;
verba primae Alef, a-klasse
F : in-na-bi-tu, innabitu (N pret. subj.,

inbu bel arhi

i npus

inna
innabbit
innabit

blijkbaar niet >innabtu) CHx136

innab^u , N pret. subj. v. nab^u `noemen'


F

Ee-vi-155

in-na-bu-u innab^
u

(N pret. subj. v. nab^u)

innaddin , N pres. v. !nadanu `geven'


F

,
(N pres.), CH 5
innahhaz , N pres. (inf.: nanhuzu) v. !ah azu `grijpen'
innahiz , N pret. (inf.: nanhuzu) v. !ahazu `grijpen'
innakil , N pret. v. !akalu `eten', maar ook G pres. v.
!nakalu
innamer, innamir , (  ): N pret. (N inf. nanmuru) v. !ama ru `zien'; verba primae Alef, a-klasse;
innammar , N pres. (N inf. nanmuru) v. !amaru `zien';
i-na-ad-di-in

innaddin

igi ir

verba primae Alef, a-klasse; mv. innammaru `zij zien


elkaar'
, (innanu, innani; ook met dubbele n: innanna,
innanni, innannu; voegw.): nu (temporeel), nu dan,
toen; nu (modaal); of modaal: wel nu
1 innanu d Kingu susq^
u, (S stat. subj. v. saq^u `hoog
z/w.'): `nu dan K. is verhoogd/ een verheven positie
heeft' Ee-i-159
2 innanna bel sa subarr^
ani taskunuma (G pret. subj.
2e p.enk. v. saka nu; subarr^u `bevrijding'; be-l `onze
heer'; met sa van de ondergeschikte zin): `O Heer, nu
gij dan onze vrijheid hebt bewerkstelligd' (bevrijding
van Tia mat of van de arbeid, doordat de mens is geschapen) Ee-vi-49
F K in-na-nu, innanu (voegw.) Ee-i-159
d  = i-d nanna, innanna (voegw.)

i-

innana

K
innassi
!
Ee-vi-49

, N pret. v.
F

Sil-C-108


s e
s ki

nasu^ `ophe en'


,

in-na-
s i-
u

inna
s
s iu

(N pret. subj.)

innemid , N pret. (N inf. nenmudu) v. !emedu `leunen


tegen'; verba primae Alef, e-klasse

86

February 27, 2002 Hoofdstuk 2 Akkadisch vocabularium

innemmid , N pres. (N inf. nenmudu) v. !emedu `leunen

tegen'; verba primae Alef, e-klasse; N pres. mv.: innemmidu `zij leunen tegen elkaar'
, N pret. mv. v. !emedu `leunen tegen'

in-nen-du-ma, innend
u ma (N pret. mv.

innendu

+ma Ee-i-21, iv-93

innepis , OB: N pret. v. !epesu `maken' etc.


inneppes , OB: N pres. v. !epesu `maken' etc.
inneppus , NB: N pres. v. !epesu `maken' etc.
innepus , NB: N pret. v. !epesu `maken' etc.
innesil , N pret. v. !eselu `opblazen'

,
(N pret.) Ee-iv-100
inn , (< *idn) G imp. vr.enk. v. !nadanu `geven'
nsu , (st.c. v. !nu +suf x su)
int.u^ , (subst. pl. tantum; ook !imt.u^ tekort(en), verlies;
inu , (voegw.; poetische variant van inuma): wanneer,
in-n
e-sil

innesil

`toen' (leidt een temporele bijzin in)


K -nu, inu, H.Bars. 24
K -nu, inu CH-i-1
, (subst.vr.; st.c. n; dualis na (n);
igi ; in eerste
mill. graag met determinatief voor de dualis ii; dualis na n, soms ook vr.mv. na tu, ook ena tu): oog;
AHw \Auge", \Quelle"; Eng.: eye, spring;
}
+
+
, (zijn) oog richten op in het oog
krijgen, begeren, (wederrechtelijk) begeerte opvatten voor
bijv.
1 nsu issima, (G pret. v. nasu
^) `hij kreeg in het oog'

nu

nasu^ na ( ana)

CHx25
2 hummur
a na tu ni (D stat. mv. v. hama ru `uitdro-

 vr.mv. `ogen' + suf x {ni) `onze ogen zijn zeer


gen',
droog' Ee-i-121. `ogen', `oren' en dergelijke lichaamsdelen gaan meestal in de dualis (in alle Semitische talen),
hier echter vr.mv.
3 s.arir nsi insu, (G stat. v. s.ar
a ru; + tweeledige
st.c.; nsu `ophef ng'), lett.: `de hef ng zijner [Marduk's] ogen is fonkelend' (van daadkracht), `hij heeft
een fonkelende oogopslag' Ee-i-87
4 4 igiII -su
 = erbe enasu (dualis erbe, acc. nu), lett.
\4 zijn zijn ogen", `zijn ogen zijn 4 in getal' Ee-i-95

i-in-
s u i
s -
s i-ma (G pres. v. na
su
^),
CHx25

b V
b

i-in-
s u, 
n
s u (+ 
s u) CHx25
F : i-na-tu-ni, na tu ni (vr.mv. +ni) Ee-i-121

i-ni-
s u, 
n

s u (gen. + 
s u) Ee-i-87

U : !
:!

igi

II

-
su
 erbe en
a
su

i nulli

inuma, enuma , (voegw.; ook poetisch/archasch inu; }


igi

u4 -ma in deze combinatie standaard voor en


u ma in
medische omina): wanneer, toen (leidt een temporele
bijzin in); AHw \als", \wenn" uns. Eng.: when, as
soon as, after, at the time that, while
1 En
u ma elis toen: { daarboven : : : (de hemelen
nog geen naam hadden) beginwoorden van het (dusgenaamde) Babylonische scheppingsepos
#
u4 -ma nag-
u
2 en
u ma ist^u # nag 4 =4 \mond  water"
G pret. ist^u v. sat^u `drinken' of G perf. istat^u) `als hij
gedronken heeft' BAM578-i-13
K i-nu-ma, inu ma CH-v-14,15, Ee-i-1

}V >

V
}V
inumsu

4 -ma

en
u ma

BAM578-i-13

, (adv.): toen (adv.), te dien dage

AHw

inusu
inusu
inzu
iphur

bb
!
b

pir
ipir
ipiru
ippal
ippalt.u^
 S>
Ee-iv-16
ippes , G pres. v. !epesu `maken' etc.
ippir , ipper, G pres. v. !aparu `bedekt zijn' (van hoofd)
ipru , (subst. !eperu `verzorgen') `levensonderhoud'
ipsa , G imp. mv. v. !epesu `bouwen'
 UV
,
(G imp. mv. + ) Ee-vi-57
ipsu , (subst. bij !epesu `maken', `doen'; ook epsu; st.c.
ipis): werk
ipte , G pret. v. !pet^u `openen'
xV
,
(G pret. + ) Ee-iv-97
ipteru , (subst.; pl. tantum; ook ipt.iru !pat.aru `losmaken'): `losgeld'
iptete , G perf. v. !pet^u `openen'
xx
,
(G perf.) CH 44 110
ipt.eru , pl. tantum: `losgeld', !pat.aru `losmaken'
ipt.iru , pl. tantum: `losgeld', !pat.aru `losmaken'
ipt.ur , G pret. v. !pat.aru `losmaken'
 l , (G pret.) Ee-i-67
pul , G pret. v. !apalu `antwoorden'
 V
,
(G pret.) Ee-i-47
pus , G pret. v. !epesu `maken', `bouwen'
ip-
s
a-ma

\in

ip
s
a ma

ip-te-ma iptema

ip-te-te iptete

ma

ma

ip-t
. ur ipt
.ur

s
sb
s> V

i-pul-ma 
pulma

,
,

(G pret.) Sil-C-141
(G pret. subj. + su) Sil-A-62
i-pu-
s am-ma, 
pu
s amma (G pret. vent. +ma)

i-pu-u
s 
pu
s

[i]-pu-
su 
pu
su

Ee-i-35

,
(\4 zijn zijn ogen") Ee-i-95
II
(4)
-
su
, erbe en
a
s u (\(4) zijn zijn ogen") Ee-i-95
, D cohor. v. !el^u, D: hoog maken'
K ; i-nu-ul-li i nulli (D cohor. v. el^u) Ee-vi-164
4

den Erwahnten Tagen"; \damals" Eng.: at the time,


then;
K
i-nu-mi-
s u, in
u m

s u CH-i-27
K

-nu-mi-
s u, inum

s u Sil-C-129
, G pret. subj. v. !n^asu `losraken', `beven'
K i-nu-su inusu, (G pret. subj.) erra-i-135
, (adv.): toen, te dien dage
K

-nu-
s u, inu
s u, Sil-A-17
, subst.; ook !enzu `geit'
, G pret. v. !pah a ru u/u-klasse `zich verzame len'

N D ip-hu-ru, iphuru (G pret. mv.) Ee-iv-74
, per, G pret. v.!apa ru `bedekt zijn' (van hoofd)
, st.c. v. ipru `levensonderhoud' !eperu `verzorgen'
, subst.; LB vorm v. !eperu `stof', `losse aarde'
, G pres. v. !apa lu `antwoorden'
, N pret. v. 4-rad. !napalt.u^: `missen', `falen'

ip-pal-t
u, (ai) ippalt
^ (N pret. vetitivus)
.u-
.u

iqabbi , G pres. v. !qab^u `spreken'

,
(G pres.) Ee-vi-3, vi-86
iqb^u , (<iqbiu) G pret. (subj.) v. !qab^u `spreken'
P s>
(G pret. subj.mv.) erra-i-93
iqq^ , (<*inq^), G pret. v. !naq^u `offeren'
irassu , (< st.c. irat + su) !irtu `borst'
iratu , vr. v. !irtu `borst'
irbettu , (ook erbettu; vr. v. !erb^u, status abs. erbet): `vier'
irbu(m) , subst. !erbu onder !erebu): lett.: binnentreding
i-qab-bi iqabbi

iq-bu-
u iqb
u

Bb

) inkomen, gave;

Ee-vii-111

irdud , ook isdud, ildud, G pret. v. !sadadu `trekken' etc.


irrimmu , (subst.; mv. irrimu): Eng.: bead
irs , G pret. v. !r^asu `blij z.', `juichen'
s
,
(G pret.) Ee-i-90
iristu , (subst. !eristu onder !eresu `wensen') wens, verlangen
Irkallum , (subst. < Sum.; ir `stad', kal = gal `groot' )
i-rib-
s u-nu irib
s unu

i-ri
s

B5

ir

s

`grote stad') naam voor de onderwereld \Hades"

ir-kal-lum Irkallum (Hades) erra-i-135


, arku (!ara ku `lang zijn') `lang'

irku

87

February 27, 2002 Copyright Heise en Stadhouders, Akkadisch Vocabularium

irnittu, ernettu , (subst.

prnn ; ook irnintu; st.c. irnitti,

met suf x irnitta-): zege, triomf, overwinning, strijdwens,


gesteld oorlogsdoel;
[nom. vorm van het ipris(um)type; %nominale typologie; er zijn er niet veel met
zo'n vocaalvoorslag; vgl. ikribu `gebed', ipt.iru `losgeld', isdihu `winst', ispiku `voorraad(s-kruiken)', imt.u^
 w \Kampfeswunsch"; Eng.: victory, tri`verlies'] AH
umph;
I
ir-ni-ti-
s u, irnitti
s u (+
s u) Sil-C-23
er-net-ta-su, ernettasu (acc. + su) Ee-i-74
, !warqum `groen' onder !wara qu `groen/geel zijn'
, N pres. v. !r^abu `vervangen'
V ~ i-ri-a-ab-bu-sum, irriabbusum (N pres.

irqu
irriabbu

b!

v. r^abu, `vervangen'), `zal worden vergoed' CHx23


, G pres. v. !eresu `wensen', `opeisen'
V i-ir-ri-is, rris (G pres.) CHx30

rris
irru , ingewanden
irr^u , (subst. plantennaam; ook err^u; OB, SB, NB):

een
plant: colocynthis; [klimop-achtige plant met augurkvormige vrucht van de familie der komkommerachtigen] AHw err^u wohl \Koloquinte"; CAD A (a medicinal plant of the cucurbitaceae) possibly colocynth

p
u



uku s lagabgibil
sa imsisa
1 irr^
u essu sa ilta nu ( gibil edesu `nieuw zijn',
essu `nieuw', `vers'): `een verse/nieuwe colocynthis van
de noordkant' BAM578-i-38 (waar de klimplant tegenopgroeit)

>&

>&
2
irrumma <
V!
irrur
u


BAM578-i-38

irrub , (<*i errub), G pres. v. !er


e bu `binnengaan' etc.
e


uku
s lagabgibil

irr^
u

(verba primae Alef, e-klasse; 3 p.mv. is irrubu )


D
[i-ir]-ru-ub, irrub (G pres.) CHx133x134
, ( irrub + ma), G pres. v. !erebu `binnengaan'
etc.
D
i-ru-um-ma, irrumma (G pres.) erra-i-125
, G pres. v. ara ru II `trillen' (ook tara ru, hara ru

en ereru
e
, G pret. 3 p.enk. v.!rasu^ `hebben'

ir-
s i, ir
s i (G pret.) Ee-vi-106
, G pret. 3e vr.mv. v.!rasu^ `hebben'
e

ir-
s i-a, ir
s i
a (G pret. 3 vr.mv.) CH-xxiv-92
, Gtn pret. subj. v. !rab^u
|
ir-tab-bu-u, irtabbu (Gtn pret. subj.) Ee-iv-119
, in Ee-i-97 < irtabu (door vocaalharmonie?) G perf.
mv. v. !rab^u `groot z/w.': `groeien'
I
ir-[ti]-bu-
u, irtib
u (< irtab^
u Gt pret.)

irsi

irsia
C
irtabbu
s
irtibu
Ee-i-97

s>

irtu , (subst.; vr. iratu; st.c. irat; soms geschreven met ex-

pliciete Stimmabsatz i-ir-tum, dat hier dus niet op vocaallengte duidt; gaba):
borst AHw \Brust"; Eng.: chest, breast;
1 iratus(u) usatmih (S pret. v. tam
a hu `vasthouden';
 ssu `aan zijn
verwacht eig. irassu < *iratsu of: iratu
borst') lett.: `zij liet zijn borst (de lotstafelen) vasthouden' ) `zij hing hem de lotstafelen om (als ambtsketen)' Ee-i-157

}
, lett.: \de borst keren" ) op de
vlucht slaan Eng.: to turn away, to withdraw;
2 l
a ine   u iratsun (prohibitief (la + pres.) v. n^e u
`omkeren'), lett.: `laat ze niet de borst keren' )`laat
ze niet op de vlucht slaan' Ee-i-140
3 line u
 iratsunu (G prec.mv.; vr. v. irtu + sunu
`borst'; wens- of gebodsvorm, ook soms het presens,

irtam ne u(m)

in afhankelijke zin vaak weer te geven als zin van consequentie \en dan", \opdat", \zodat". Het gaat dan
om een mogelijk gevolg, bij feitelijk gevolg wordt de
indicativus gebruikt): `zodat ze terugdeinzen'
}
, (subst.; m.: dumugaba; vr.
munusgaba): zuigeling
F 
7

di
s
na
gaba-su
u sa-sal-la-su nemes

mar(at) irti

U* !

4 summa amelu irassu u sasallasu emm


a (

ne

afgeleid van , pictogram voor vuurplaats, en staat


voor alles wat met `hitte' te maken heeft; ememu `heet
zijn', `ummu' `hitte', bahru `heet', `gaar'; hier ememu
`warm/heet zijn' (ook kum) hier G stat. 3e vr.mv. vanwege dualis; of Gtn itenemma (mes kan op mv. duiden
of op Gtn): `indien een man, zijn borst en zijn rug zijn
heet' ) `hij is koortsig' BAM578-i-50
S
i-rat-su-un, iratsun (vr.st.c. +
s un(u)

H

Ee-i-140, vii-12

i-ra-tu
s iratu
s

borst') Ee-i-157

(verwacht: iratussu `aan zijn

irru , (subst. pl. tantum; ook wirru; vanaf OB; OB ook




;

 me
wirru; !uzu!
uzu
sa
sa
s ):
ingewanden;
1 intestines; 2 gut;
N sames-su sarsar-hu


 me
1 irr
usu ittanappah u (
sa
s in mv. meest
al irru `ingewanden' (darmen, longen, ook bij leverschouw);
sar nap
a hu `aansteken', `blazen', ook:
 op tn-vorm, Ntn `opgebla`opzwellen', sarsar duidt
zen worden' of intrans. `zich opblazen', Ntn pres.mv.
ittanappah u ): `zijn ingewanden zijn opgezwollen' BAM
578-i-28

 !

CAD

rub , (< *i rub), G pret. v. !erebu `binnentreden' (mv.


rubu ; verba primae Alef, e-klasse; Ass.: erub
rur , G pret. v. !araru II `trillen' (ook tararu, hararu en
ereru)
isad^u , G pret. subj. v. !s^a du `doodslaan'
h C
,
(G pret. subj. v.
) Ee-i-73
isbus , < isbus, G pret. v. !sabasu `zich toornig afwen

i-sa-a-du is
a d^
u

(s

den'

s^
adu

(G pret. subj. mv.) Sin1-23a

isi , (ook issi): G imp. v. !nesu^, ook ness^u `ver (verwijderd) z/w.', `zich verwijderen'
isi , (<issi <issi) G pret. v. !sas^u `roepen'
Isin , stad Isin; De eerste dynastie van Isin domineert pois-bu-su isbusu

litiek-militair Zuid-Mesopotamie van  2000 1800.


De eerste koning was Isbi-Erra, generaal onder IbbiSn, laatste koning van Ur-III dynastie, van wie hij
de hegemonie overneemt. Het is een bloeiperiode van
de Sumerische letteren. Beroemd zijn de zgn. koningshymnen op de koningen van deze dynastie. Zij bezingen het sacrale huwelijk van de koning met de godin
Inanna (zie Romer, SKIZ). Er zijn veel (Sumerische)
koningsinscripties. Bekende guren uit deze dynastie
zijn: Iddindagan, Lipitistar
ki
ki
p

-si-in , Isin
CH-ii-51
, subst. !assin^u `jongen van plezier' (cultisch)
, (subst.) feest
1 ud30 kam isinnaka (acc. + sux -ka): `de 30-ste
dag is uw feest' (uit een gebed voor Sin, de maangod:
Sin1-18)
F  i-sin-na-ka, isinnaka (-a-?, nom. + ka)

isinnu
isinnu

Sin1-18

88

February 27, 2002 Hoofdstuk 2 Akkadisch vocabularium

isiq , (st.c. v. isqu): zie aldaar.


ismar^u , subst. !asmar^u `speer'
isqu , (subst. bij !esequ): aandeel, lot, taak, bestemming,

etc.; zie voorbeeld 1 (en verder) onder !esequ op


pag. 61

is-qat-su-un, isqatsun (st.c.vr.mv. verwacht

(b 8
(b8
isququ


) Ee-vi-46

isqati
s un

is-q
-
s u-un isqi
s un

(st.c. gen.) Ee-vii-7

, (subst.; ook isquqqu, isquqqu; zkum): een


meelsoort, grutmeel, grutten; AHw eine Art Mehl;
>
1 sla zkum
1 1 q^
a isqu qi ( kum hasa lu `breken', `pletten',

` jnstampen', harde graankorrels
zoals gerst, boekweit
worden alleen maar verbroken; dus: `gebroken meel'
wsl. `grutmeel', `grutten'): `1 q^a grutten' BAM578-i-7
 isqu qu BAM578-i-7
, N pret. vent. v. !sapa hu `wegvagen', `verstroo

ien'

issapha

z
 kum

( ' M
issi
issi

is-sap-ha issapha

(N pret. vent.) Ee-iv-106

, (ook isi): G imp. v. !nesu^, ook ness^u `ver (verwijderd) z/w.', `zich verwijderen'
, (<issi) G pret. v. !sas.u^ `roepen'; vgl. issi < *insi
G pret. v. nasu^ `dragen' met assimilatie -ns-> -ssp is-si, issi (G pret. v. sas^u) Ee-i-30
p is-si-ma, issima (G pret. v. sas^u + ma) Ee-i-43,

(( V
issi
issu
( > !
issuk
(
!
is.^a
is.an
J V !
is.ratu !
iv-89

, NA vorm v. G pret. v. !sat^u `drinken' (ook isti, ilti)


, G pret. subj. v. sas^u `schreeuwen'

is-su-
u, issu (G pret. subj.) Ee-iv-79
, G pret. v. nas. a ku `verwijderen'
,

is-suk issuk

(G pret.) Ee-iv-101

, G imp. mv. v. was.u^


, G pret. v. s.^anu
K
i-s
a n
u ma (G pret. mv.) Ee-iv-99
. a-nu-ma, is
.
, (vr.; es.eru `ontwerpen'; vr.mv. is is.ra tu): plattegrond, ontwerp; (iets wat is afgegrensd, speciaal:) perceel,
perceel bouwland; in een commentaartekst staat: is.ratu
= tawwertu bouwland
a rik meresti sa is.ra ta ukinnu (D pret.
1 d Asarri s
subj. v. k^anu, D `vaststellen'; merestu `cultuurland'):
`A. schenker van het cultuurland, die de percelen vaststelt' Ee-vii-1
is.-ra-ta ts.ra ta (acc.mv.) Ee-vii-1
, G pret. 3e p.enk. v. nas. a ru (bewaren, houden):
, (N musen): vogel
, ( gis): boom, hout
1 is.u arik lu istenumma (is.u `hout'; G stat. \het hout
is lang" (nominale zin) of vanwege PN een status abs.
\Langhout"): `de eerste (naam) zij Langhout' Ee-vi-89

i-s
. u, is
. u (`hout') Ee-vi-89
, (verb.adj. v. !w^as.u), `weinig' (vr. istu, s. > s voor
vr. t)
na adjectief , uitgang op {is heet de terminativus. Bij
een adjectief-stam is deze meesal adverbiaal \op : : :
wijze"; \-is erachter is ana ervoor", bijv. qerbis = ana
qereb; ook na een in nitief kunnen we te betekenis omschrijven met \-is erachter is ana ervoor", bijv.:
1 am
a ris pasqa, (= ana ama ri; ama ru `zien'; acc.adv.
v. pasqu `moeilijk', `benauwd'): `moeilijk te doorgronden' Ee-i-94;
Andere voorbeelden zijn:
}  , (adv. bij arahu I `zich haasten'): `vlug',
`spoedig'

(H

is.s.ur
is.s. u ru
is.u (
s.u
{is,

arhis

}dulluh is , (adv. bij D (elativisch) v. dalahu `omroeren', `verstoren'): op troebele wijze, totaal verward

}dalapis , (adv. bij verb.adj. dalpu `slapeloos'; op de


wijze van dala pu): `wakend', `in wakkere toestand'

}da r^s , (term., adv. bij dar^u `altijd durend'): eeuwig


}els.is , (adv. bij elesu `juichen'): `jubelend'
}had^s , (adv. bij had^u): vrolijk, blij, verheugd
}kajja nis , (term. bij adj. kajjanu `regelmatig'): op
constante wijze, steeds weer, constant

}kam^s , (adv. bij verb.adj. kam^u `gebonden'):

op geboeide wijze, gevankelijk, gebonden, geboeid, in de boeien,


}
, (adv. bij adj. knu `recht', `vast', `veilig', `eerlijk', `betrouwbaar'): \op knu wijze"): heuselijk, betrouwbaar
}  , adv. bij mah ar `ten overstaan van'; (r verhindert soms elisie tot mahris) = ana mahar, ook: `ten

knis

maharis



overstaan van'
}
, (adv. bij mars.u `ziek', `slecht'): kwaadaar-

mars.is

dig

2 issima mars.is, (G pret. v. sas^


u): `zij schreeuwde
kwaadaardig' Ee-i-43
}
, (adv. bij musu `nacht'): `'s nachts'
}
, (adv. bij nakru, adj. `vijandelijk'; subst. `vijand'): op vijandelijke wijze, vijandig
}
, (adv. bij verb.adj. nawru `glanzend', `stralend'): `op stralende wijze'
}
, = ana qereb; \{is er achter, is ana er voor";
regeert een genitivus, dus soms praktisch een voorzetsel): `naar', `naar binnen', `in'
3 qerbis kummsu, (kummu `heiligdom'): `in zijn heiligdom/woonvertrek' Ee-i-75
}
, (adv. bij rab^u, rabiu `groot'): op grootse wijze
}
, (adv. bij vr. ristu `jubelkreet', `gejubel'): op
blijde wijze, blij, verheugd
}
, (adv. bij 4-rad. saqammumu): `op doodstille wijze', `doodstil'
}
, (adv.): `op veilige wijze'
}
, (adv. bij t.^abu, t.ia bu `goed z/w.'): `op goede
wijze', `vriendelijk', `goed gezind', `lankmoedig'
na substantief , uitgang op {is heet de terminativus.
Bij een adjectief-stam is deze meestal adverbiaal \op
: : : wijze"; bij een substantief is het vaak een vergelijking \als een : : :";
voorbeelden waarbij {s geen terminativus
maar ontstaan door apocope van u: {(i)s < {
(i)su:
 v. rab^u: usrabbi +
1 ina brisunu s^
asu usrabbis, (SD
su `groot maken'), lett.: `te midden van hen maakte ze
hem groot' Ee-i-148

musis
nakris
nawris
qerbis

{is,

rabis
rsis
saqummis
sulmanis
tabis

voorbeelden van terminativus bij substantief

}abu bis , (adv. bij subst. abubu `stormvloed') `als een


stormvloed'

}sasmis ,
strijd'

(adv. bij subst. sasmu `strijd'): `tot de

}sursis , (adv. bij subst. sursu `wortel'): \tot in de


wortel" ) `fundamenteel', `grondig'
}ta h a zis , (adv. bij subst. tah azu `strijd'): `tot de
strijd'

}urris , (adv. v. subst. urru `licht', `dag'): `overdag',


`bij dag'

{isa(m) , de sux {sa(m) heeft een distributief karakter en komt vooral voor in temporele adverbia, bijv.

89

February 27, 2002 Copyright Heise en Stadhouders, Akkadisch Vocabularium

!u misa(m) `dagelijks', met iets distributiefs: \dag in

dag uit";
1 (w)arhisa(m): `maandelijks' (\maand in maand
uit") 
2 s
a risa (sa-ri-s'a in Ee-i-110; sa ru `wind', is mogelijk van dit type, omdat een variante tekst sa-ri-sam
geeft): \wind voor wind", \de ene wind na de andere";
v. Soden vat 't op als suf x: sa resa (mv. + suf x sa):
`haar winden'
, later isabbas, G pres. v.!saba su, sabasu, sabu su
, G pres. v. !sa^hu, sia hu `groeien'
p
, OB G pres. v. !
 sa^lu `vragen'

( s 1 l verba mediae
Alef, a-klasse; G pres. mv. is isallu ; later met sterke
alef: isa  al)


i-
s al-lu-ka-ma i
s allukama (G pres. +ka

isabbus
is^ah
is^al

*

isbir
isbus
isdihu
isdu

isal, is al , OB G pret. v. !s^alu `vragen'; ps


+ma) Sin1-14, 16



1 l verba mediae Alef, a-klasse; later met sterke alef: is al; G pret.
mv. isa lu
, G pres. v. !sal^u II `plonzen'
, ook isallu, G pres. v. !sal^u I
, G pres. v. !san^u II ; sana u
, G pret. v. !s^amu I `kopen' etc.
, G pres. v. !s^amu I `kopen' etc.
, G pres. v. !sap^u II
, G stat. v. !eseru
, G pres. v. !sar^u `rijk z/w.' cryptogra sch geschreven in de apodose van omina:
i-sarru, (sar ook klankwaarde sarru) isarru
`hij zal rijk worden', ook als:
i11 -sarru, met hi als i11 .
 zijn'; ook eseru, esru, iseru,
, (adj. bij !eseru `recht
Ass. es(a)ru; vr.-vormen: isartu, ook wel isertu en
esertu): normaal, in orde; AHw A \normal", \in Ordnung";
1 hat.t.u isretu (hat.t.u subst.vr., tweede t. geassimileerd

vanvr. t): `rechtvaardige
skepter', `legitieme staf'
V : is-re-tu isretu (vr.,`recht') yos-ix-71,6
, (subst.; OB, SB, NB: musa ru, usa ru; gs): penis [bij eseru `recht zijn', dus \het rechte lichaamsdeel"] AHw B \Penis"; CAD 1 penis;

!sig7!
|
ina dur-su sig7 u-tabba-kam
1 ina suburrisu isarsu urqu utabbakam (
ku; In
dit teken zijn een aantal oorspronkelijk verschillende
tekens samengevallen. Het teken gaat terug op het pictogram dat een paar billen voorstelt. De betekenissen
hangen samen met `zitten', `installeren', `achterwerk',
 r = ku 
du
s uburru `anus', se = ku z^u `uitwerpselen';
etc.;
gs isaru `penis' of jongere nevenvorm (m)usaru;
!sig7! sig7 (w)ara qu, (w)arqu, urqu `groen/geel z.',
resp. subst. `iets groens'; D pres.vent. v. taba ku `gieten',
`uitgieten'): `er stroomt uit zijn anus en zijn penis iets
groen-geels' BAM578-i-29
}
, Eng.: glans penis;
, G pres. v. !sat^u `drinken'
, (subst.vr.; izi, vr.enk. mv. isa ta tu): vuur,
brand; vuursein, vuursignaal; med.: ontsteking; het woord
p s
is vrouwelijk, de m. nominale vorm van radix
wordt alleen gebruikt in Westsemitische dialecten en
in het Akkadisch voor de godsnaam d Isum: vizier van

isalli
isallu
isanni
isam
is^am
isappi
isar
isarru

isaru

isaru

! !

appi isaru
isatti .
isatu

>

de god Erra.

i-sa-tum, isa tum, CHx25


, G pret. 3e p.enk. v. seberu (breken) 3e p.enk.
, G pret. v.!saba su, sabasu, sabu su
, (!sada hu) `winst' (in handel), soms: `resultaat'

 het ipris(um)-type; %nominale typo[nom.
vorm van
logie; er zijn er niet veel met zo'n vocaalvoorslag; vgl.
ikribu `gebed', ipt.iru `losgeld', isdihu `winst', ispiku
`voorraad(s-kruiken)', imt.u^ `verlies'] 
, (dualis isda ): voeten, benen, fundering, grondvesten;
discipline (van leger)
}
, (ook isid sam^e; lett.: fundatie van de
hemel): horizon

1 in
u ma d Sama
s ina isid sam^e inat.t.aluka (G pres. +

-ka v. nat. a lu `zien'): `wanneer Sama
s u (S^n) ziet aan
de horizon' (vollemaan: het moment van oppositie, als
de maan opkomt terwijl de zon ondergaat) Ee-v-19
 , isdu CH-ii-25

-
s u, i
s d
a
s u CH-xxiv-69



-
s u, i
s di
s u (st.c. +
s u) Sil-C-138

is-di-si-in, isdsin (mv.)+sin, CH-iv-41

i
s -da-
s a, i
s d
a
s a, (nom. dualis +
s a) CH-i-24

i-
s id, i
s id (litt.st.c.) Ee-v-19
, ook isdud, ildud, irdud, G pret. v. !sada du
`trekken' etc.

ni-is-du-ud, (i) nisdud (G cohor.; G pret.


e

isd sam^e

bb
O a
:

suhu
s

suhu
s

isdud

suhu
s suhu
s

1 mv.) Ee-i-46

is^e, ise i , G pres. v. !se u^ `zoeken'; n.b. een dubbele




alef wordt nooit geschreven, een enkele nog wel eens,


maar meestal alleen als vocaalbreuk a-u, u-i, etc.

 ^

i-
s e- -a, i
se
a (G pres. vent. ^
a < ia(m))

oC

Ee-i-59, Ee-iv-66

ise, ise e , Gtn pret. v. !se u^ `zoeken'


iseppi , ook isappi; G pres. v. !sap^u IIp
iser , G pret. v. !eseru `juist zijn'; jsr verba primae


Jod, de vormenopbouw is dezelfde als e-klasse van de


verba primae Alef;voor paradigma zie na epesu; i>e
o.i.v. de r
, G pres. 3e p.enk. v. !seberu `breken'
, G pres. v. !sem^u `luisteren' etc.
, ook isappi; G pres. v. !sap^u II
, G pret. (pret. pro stativo) v. !isu^ `hebben'; zie ook
spellingswijzen !issi

i-
s i, i
s i (G pret. (ook 

s u) v. i
su
^; `hebben') Ee-i-20
, (meesal esi), G stat. v. !esu^ `verwarren'
, (ook esi), G pret. v. !esu^ `verwarren'; zie ook
spellingswijzen !issi

i-
s i, 

s i (G pret. v. e
su
^ `verwarren') Ee-iv-70
, litt. st.c. v. !isdu `fundament'

i-
s id, i
s id (litt.st.c.) Ee-v-19
, G pret. v. !s^ahu, sia hu `groeien'
 , (< isam): Gpres. v. !sia mu `bestemmen'; verba
mediae vocalis;

= i-si-im-mu , isimmu (G pres. subj.) Sil-C-19


, G pret. v. !sia mu `bestemmen'; verba mediae vocalis; G pres. is isam
= i-si-mu, ismu (G pret. subj.), CH-iv-21, Ee-vi-92
= i-si-mu-ma, isimu ma (G pret. mv.) Ee-iv-33

i-si-ma-am, ismam (G pret. +am) CH-xxiv-27


, (st.c. isid v. !isdu `fundament' + su . su met
assimilatie -ds- > -ss-): `zijn fundament'
, (ook estu; G verb.adj. vr. !esu^): `verwarring'
, G pret. v. !sal^u II `plonzen' etc.

isebbir
isemme
iseppi
isi
isi
si

isid
ish
is^m

V V
isissu

ism

istu
isli

90

February 27, 2002 Hoofdstuk 2 Akkadisch vocabularium

Up

islu , G pret. v. !sal^u I e


ism^a, ismea , G pret. 3 vr.mv. v. !sem^u `luisteren' etc.
isme , G pret. v. !e sem^u `luisteren' etc.
ism^u , (G pret. 3 m.mv. v. !sem^u): `zij luisterden' of

`(toen) zij (het) hoorden'


=
i
s -mu-nim-ma, i
s m^
unimma (G pret. vent. mv.
+ ma) Ee-i-57

isni , G pret. v. !san^u II ; sana u


Isnunna , plaatsnaam, ook Esnunna genoemd
WF
,
Sil-C-116
ispur , G pret. v. !saparu `zenden', `sturen'
]!
,
(G pret. + ) Ee-iv-76
ispatu , koker (voor pijlen van pijl en boog)


ki

i
s -nun-na

i
s -pur-
su
 i
s pur
su


su

gen'; term. idus + su) `hij hing boog en koker [pijl en


boog] aan zijn zijde' Ee-iv-38
is-pa-tum, ispatum Ee-iv-38
, G pret. v. !sap^u II
, (mv., !sapa ku), `voorraadskruik' ) `proviandkast' [nom. vorm van het ipris(um)-type; %nominale typologie; er zijn er niet veel met zo'n vocaalvoorslag; vgl. ikribu `gebed', ipt.iru `losgeld', isdihu `winst',
ispiku `voorraad(s-kruiken)', imt.u^ `verlies'] 
, (of isqu, subst. bij !esequ): aandeel, lot, taak, bestemming, etc.;
, (subst.; ook isquqqu, isquqqu) !isqu qu `grutten'
, (mv. isretu; na OB vaak esertu, litt. woord; ook in
mv.): `heiligdom', `kapel'
V I es-re-e-ti, esreti (mv.) Ee-i-76
, (adj., vr., ook wel isertu en esertu; een van de vr.
vormen v. adj. isaru `recht' !eseru `recht z/w.';
1 hat.t.u isretu `rechtvaardige skepter', `legitieme staf'
V : is-re-tu isretu (vr.,`recht') yos-ix-71,6
, (mv. issallallu ) N pres. v. !*sala lu II , `wegsluipen'; [Onregelmatige N-stam bij geminaat-radicalen: met identieke 2e en 3e radicaal in de wortel: de
laatste radicaal voor uitgangen wordt nog eens extra
verdubbeld; zoals bijv. bij *sala lu wordt N pret. mv.
issalillu ; en N stat. mv. wordt nasallulu i.p.v. naslulu ]
, (mv. issalillu ) N pret. v. !*sala lu, I: `plunderen',
II: `wegsluipen'

;
i
s -
s a-li-il-ma, i
s
s alilma (N pret. +ma)

'

isqu
isququ
isretu

isretu

issallal
issalil

a
iss^amu
a
isatti

CHx133

, N pret. v. !s^amu, `kopen'

= is-sa-mu, iss^amu (N pret. subj.) CHx9


, G pres. v. !sat^u `drinken'
p
, G pres. v. !eseru `juist zijn'; jsr verba primae
Jod, de vormenopbouw is dezelfde als e-klasse van de
verba primae Alef;voor paradigma zie na epesu; i>e
o.i.v. de r
, (< *insi) G pret. v. nasu^ `dragen' met assimilatie ns- > -ss-; vgl. issi < *issi G pret. v. sas^u `roepen' met
assimilatie -ss-> -ss
i
s -
s i-ma, i
s
s ima (G pret. + ma) Ee-iv-37, 49, 75
, ( p ensi, <Sum. ensi(k)),) stadsvorst, OB vooral gouverneur
, G pres. v. !asasu `bedroeven' p
, OB G perf. v. !s^alu `vragen' ( s 1 l verba mediae
Alef, a-klasse; mv.: ista lu )

, Gtn pres. v. !sa  a lu `vragen'
, (later ilta nu;in later tijd (na MB) wordt door dissimilatie s> l voor dentalen d, t en sybillanten s, z;
 ): noorden, noordenwind;
p
imsisa

isser
issi

issiakku, issakku
issus
istal
istana al
istanu


im si sa


Istar
U

im si s
a

im si s
a

, godin Istar, Sum. inanna, belangrijke godin van


het pantheon, godin van de liefde, godin van de oorlog
(later ook voor substantief `godin' i.h.a. (soms zonder godendeterminatief) zie hierna) Inanna <Sum.
(N)inan(n)a g inanna, het teken
is oorspronkelijk het embleem van deze godin. Meesteres des hemels
of zuster van An.
g d , d Istar, CH-ii-47
r Is8 -tar, Istar, CH-iii-54
, (NB; r udar; ook iltu; !ishtar2!
i
s tar2 ; mv. i
s tara tu): zelfstandig naamwoord godin
i.h.a. (soms zonder godendeterminatief)
1 il u istar: `mijn god en mijn godin' Sin3-67 (persoonlijke god en godin, vaak een godenechtpaar)
2 teniqma s.erret d istar
a ti, (G perf. v. enequ `zuigen';
s.ertu, ook s.erretu `tepel',`borst'): `hij [Marduk] zoog
aan goddelijke borsten' Ee-i-85
3 epsu p^su d istaris lipiqq
a (D prec. vr.mv. v. Dtantum puqqu `acht slaan op'; hier D toch intransitief;
istaris terminativus = ana istari; epsu locativus i.p.v.
ina epis) `op zijn bevel/woord, laten ze acht slaan op
de godin' Ee-vi-115 (hier wordt de cultus van de persoonlijke godin ingesteld)
4 nindab^e linnas
a ilsina d istarsin (N prec. vr.mv. v.
nasu^ `brengen', `dragen'; nindab^e `o erspijzen'; ilsina
gespeld als dingir-si-na) (1 ) met veronderstelde haplologie an ilsina: `o erspijzen worden aangedragen
(voor) hun god en hun godin', of (2 ) N v. nasu^ hier transitief, dan N ingressief `gaan dragen' en `de mensen'
(vr.mv.) als logisch subject evenals in vorige zin, dan:
`laten zij [de mensen] o ers aandragen (aan) hun god
en godin' Ee-vi-116
V is-ta-ri, istar `mijn godin' Sin3-67
r =   , istar `mijn godin' ( = Sum. `mijn')

ki

i
s nunna

1 qastu u ispatu idussu lul (G pret. v. al


a lu I `ophan-

ispi
ispiku

 

sa

1 sa ilt
a nu '[een klimplant] van de noordkant' (waar
de plant tegenopgroeit) BAM578-i-39
p
  , i
s t
a nu Ee-iv-43
p

s
a
 

s a ilt
a nu BAM578-i-39

'x

h
istar, istaru

innin

Sin3-57
!ishtar2!

u dar mu

i
s tar

2 mes,

mu

i
s tar
a ti

(gen. vr.mv.) Ee-i-85

s is-ta-ris, (d )istaris (= ana istari) Ee-vi-115


 is-tar-sin, (d )istarsin (+sin) Ee-vi-116
, vr. status abs.; !isten `een'
d ise -ta-at ist^at Ee-vi-60
, G perf. v. !s^amu `bestemmen'
= is-te-mu, istemu (G perf. subj.) Ee-i-160
, G perf. v. !sem^u `luisteren' etc.
, (status abs., vr. isti at, istet, ist^at): een,

ist^at
istem
x
isteme
isten, ilten

eerste
1 ana istissu voor de eerste keer CHx169
2 isten esret (+ status abs. 10) elf (`monsters' in Ee-

i-146, `schepsels' in Ee-iv-115


3 isten ahusun, (ahu `broer' in de zwakke betekenis

 de club'):
 lett. `moge een van hun broers'
`iem. lid van
) `een hunner' Ee-vi-13, waarin een god moet worden
omgebracht om uit zijn bloed de mens te vormen.
4 sattu ist^
at libittasu iltabnu , (sattu `jaar'; ist^at vr.,
status abs. (naamvalloos), telwoord bij het getelde in
status abs.; libittu `tichelsteen'; Gt pret. mv. v. laba nu
`metselen'): `in een jaar (= binnen een jaar) maakten

91

February 27, 2002 Copyright Heise en Stadhouders, Akkadisch Vocabularium

ze zijn tichelwerk' Ee-vi-60; of (minder correct met -u)


acc.adv.: `een jaar lang'; of stativus (maar dan -ma
verwacht): `het jaar was een', als omstandigheidszin
\al toen er een jaar om was"
5 is.u arik l
u istenumma (is.u `hout'; G stat. v. ara ku
`lang zijn': \het hout is lang" of vanwege PN \Langhout" een status abs.; nominale zin): `de eerste (naam)
zij Langhout' Ee-vi-89

i
s -t
en e
s -ret, i
s ten e
s ret Ee-i-146, iv-115
d ise -ta-at ist^at Ee-vi-60
K
i
s -te-nu-um-ma, i
s t
e numma (nominale zin)

:
x V
istene u^
x >
Ee-vi-89


, Gtn pret. v. !se u^ `zoeken'

 is-te-ne- -u-ka, istene  u^ka

(Gtn pret. subj. + ka) Sin3-48

istenis , (adv.):

eerste, bij elkaar, ook: gelijkelijk, in gelijke


mate bijeen, samen;
1 istenis l
u kubbutuma (D stat.prec. v. kaba tu `eren'

etc.): `moge zij [de goden] gelijkelijk eer genieten' Ee-

vi-10

t
e
s bi gaz sim

tesbi istenis `bijeen',


waarin bi element voor bijwoorden; gaz
hasa lu ` jnstampen' of de synoniemen sak^u, z^aku (met
vijzel) of zeldzamer kasa mu ` jnsnijden'; hier gaz
voor G pres.2e p.enk. v.hasa lu; `[dit mensel] moet je

eerst jnstampen' BAM578-i-7
2 istenis tahassal (

1-nis ar ar


3 istenis tet. en (G pres. 2e p.enk. v. t.^enu `malen'):
`moet je bijelkaar jnmalen' BAM578-i-49 zie ook voorbeeld 1 onder !t.^enu op pag. 240

i
s -te-ni
s , i
s t
e ni
s , Ee-i-5, vi-10


i
s t
e ni
s BAM578-i-7
, ook ilti G pret. v. !sat^u `drinken'
, G perf. mv. v. !sa^mu `vaststellen'
= is-te-mu, istemu (G perf. subj.) Ee-i-160
, (verb.adj. vr. v. !was.u), `weinig' (m. is is.u met s. > s
voor vr. t)
(voorz.) , (later ultu; ta), van(af), van, afkomstig
van, uit, weg van
(voegw.) , (later ultu): sinds, sedert, nadat
}
, (ook: u mtu ull^a): sinds lange tijd
}
, lett.: sinds de dag/tijd ) nadat (dus zelfde
als istu alleen)
1 istu u
 mi sa satti us.s.iru us.ura ti (D pret. subj. v.
es.eru `tekenen'; us.urtu `regeling'): `nadat hij de regelingen van het jaar had ontworpen' Ee-v-5
: is-tu, istu H.Sip. 40,41
:
i
s -tu 4 -mi, i
s tu u
 mi Ee-v-5
:
7 is-tu
ul-la-a, i
s tu ull^
a Sin3-58
p
, (subst.; m. s, vr. vorm is !isa tu `vuur' etc.);
vizier van de god Erra; als vizier (sukallu) is hij vooral bode en schildknaap: hij draagt de wapenen van
Erra;
1 d Isum t. 
a bihu na du (G part. v. t.aba hu `slachten';
 `Isum, de roemruchteslager/slachn^adu II `roemen'):
ter' erra-i-4
2 sa ana nas^e kakke ezz
u ti qa tasu asma (G inf.gen.
nasu^ `dragen'; qa tu `hand'; asma stat.vr.mv. v.
(w)asa mu `passend zijn'): `[Isum] wiens handen geschikt zijn om zijn [Erra's] woeste wapenen te voeren'

x
?

isti
istimu
x
stu
istu,
istu,
istu ull^a
istu u mi

t
s
s bi

}
Isu(m)

erra-i-4

su , G pret. v. !isu^


isu^ , (ww. -u)

i-
s um I
s um

erra-i-4

I. G-stam (pret. su, ook: isi; pret. pro stativo): hebben;

[defectief ww., d.w.z. slechts weinig vormen in gebruik;


vgl. !rasu, ook defectief; vgl. Du es gibt]; er ontbreekt
in het paradigma veel, dat dan aangevuld wordt met
andere stammen; vgl. Ned. `wezen' als secundair in nitivus van `zijn' en de vormen `ben', `is' etc.; bijv.
1 le u
^t sa ninam ul su (pres.) `mijn kundigheid heeft
zijn gelijke niet'
2 eli+isu, lett.: `iets (acc.) hebben t.o.v. (eli) iemand'
) (in een zaak) `van iem. een opeisbare schuld/vordering (acc.) hebben'
3 summa awlum eli awlim se am kaspam suma indien iem. bij iem. anders een (opeisbare) schuld heeft
van graan of geld' CHx113-115
4 sa apla l
a su^ tusarsa apla (G pret. subj.; S pret. 2e p.enk. rasu^ `verkrijgen'): `degene die geen zoon heeft,
bezorgt gij [S^n] een zoon' Sin3-46

i-
s u, 

s u (G pret. pro stat.) CH-xxiv-83, CHx113

i-
s i, i
s i (G pret.; ook 

s u) Ee-i-20

i-
s u-
u, 

su
^ (G pret. subj.) erra-i-72
, G pret. (ook isi) v. !isu^ `hebben'

i-
s i, i
s i (G pret.; ook 

s u) Ee-i-20
, G pret. v. !asasu `bedroeven'
, G pret. v. !asa ru `zorgen'
D i-su-ru suru (G pret. subj.) Ee-vii-123
, Gtn imp. v. !waba lu `dragen' etc.
, Gtn inf. v. !waba lu `dragen' etc.
, inf. Ntn v. (4-rad.) !nabalkutu
, G perf. v. !aka lu `eten'; verba primae Alef, a-klasse, Ass.: etakal
, Gt perf. v. !aka lu `eten' verba primae Alef, aklasse, Ass.: etakkal
, Gtn pret. v. !aka lu `eten' verba primae Alef, aklasse, Ass.: etakkal
, Gt pres. v. !aw^u, am^u `spreken'

i-ta-mi itammi (Gt pres. !aw^


u) erra-i-7

i-ta-a-mi it
a mi (Gt pres. !aw^
u) erra-i-129
, G perf. en Gt pret. v. !apa lu
, (ook tepir), G perf. en Gt pret. v. !apa ru
, Gt pres. v. !apa lu
, Gtn pres. v. !aka lu `eten'; verba primae Alef,
a-klasse, Ass.: etanakkal
, G perf. v. !eseru `opsluiten'
i-ta-sr, tasir (G perf. v. eseru) Ee-i-70
, Ntn inf v. !sala lu; [Onregelmatige N-stam bij
geminaat-radicalen: met identieke 2e en 3e radicaal in
de wortel: extra verdubbeling van de laatste radicaal
in de N inf. en N stat.]
, G perf. v. !asasu^ `bedroeven'
i-ta-su-us, tasus (G perf. v. asas^u) Sin3-60
, Gt perf. v. !aka lu `eten'; verba primae Alef, aklasse
, Gtn perf. v. !aka lu `eten'; verba primae Alef,
a-klasse
, Gt pret. v. atw^u, !aw^u `spreken'

i-ta-a-wu, 
tawu (Gt pret. enk.) Sil-C-31

i-ta-wu-
u, 
taw
u (Gt pret. mv.) Sil-C-69
, G perf. v. !waba lu, onregelmatig <ittabal (komt ook

bb >
su

sus
sur
b
itabbal

itabbulu
itablakkutu
takal
takkal
takkal
itammi

tapal
tapir
tappal
tanakkal
tasir
itaslullum

tasus
b
*tatkal
*tatakkal
tawu
itbal

C
>

92

February 27, 2002 Hoofdstuk 2 Akkadisch vocabularium

voor), door contractie waardoor -ta- wegvalt, of: itbal


G pret. v. nevenvorm !taba lu
1 itbalam, G perf. vent. v. !wab
a lu, CHx9
 7 it-ba-la, itbala(m) (G perf. vent.) Ee-i-68
, G perf. v. !eberu `overschrijden'
, G perf. v. !ederu `omarmen' etc.
{ i-te-dir, tedir (G perf.) Ee-i-53
, G perf. of Gt pret. v. see el^u `hoog zijn', `omhoog gaan'
, Gt pres. of Gtn pret. v. !el^u `hoog zijn'

; i-te-el-li telli (Gt pres., ook Gtn pret.)

N
tebir
tedir
x
teli
telli
x4
temi
x
teneppes
CHx35

, G perf. v. em^u !ew^u `worden tot'


,

i-te-mi 
temi

(G perf.) Ee-iv-88

, Gtn pres. v. !epesu `maken' etc.

tepes , G perf. v. !epesu `maken' etc.


tepir , (ook tapir, G perf. en Gt pret. v. !aparu `(hoofd)
bedekken'
teppes , Gtn pret. v. !epesu `maken' etc.
teppusu , Gtn inf. v. !epesu `maken' etc.
teppusu , Gtn pret. subj. v. !epesu `maken' etc.

x  sb
tepsu
N b !
tepusu
x sb !
terrub

i-te-ep-pu-
su 
teppu
su

Ee-vi-83

, nomen, (zie itpesu


ink, knap, bekwaam
,

it-pe-
s u itp
e
su

, G perf. v.

!epesu

(Gtn pret. subj.)

`maken' etc.): wijs,

(pitra s-type bij epesu) Ee-i-59

epesu `doen', `maken' etc.


,

i-te-pu-
su 
tepu
su


(G perf. mv.) Ee-vi-77

, Gt pres. v. erebu `binnenkomen'; verba primae


Alef, e-klasse; Ass.: etarrab
, Gtn inf. v. !erebu `binnenkomen'; verba primae
Alef, e-klasse;
, G perf. en Gt pret. v. !erebu `binnenkomen'; verba
primae Alef, e-klasse; Ass.: etarab
D
i-te-ru-ub, 
terub (G perf.) CHx110 x133b

terrubu
terub

x 2

135 x136

teser , G perf. v. !eseru `juist zijn';


x

pjsr verba primae

Jod, de vormenopbouw is dezelfde als e-klasse van de


verba primae Alef;voor paradigma zie na epesu; i>e
o.i.v. de r
iti , 4 , (Sum.. itu een ablautvorm van iti `maand',
determinatief voor maandnamen) !itu (maand)
, G pret. v. !wata ru `uitsteken'
, Gt pret. v. !aw^u, am^u `spreken'
, (subst.; pitra s-nomen; ook tepsu !epesu `maken' etc.): wijs, ink, knap bekwaam; [pitra s-type nomen
(%nominale typologie); iets Gt-achtigs: wel eens intensief: \zeer", bijv. itpesu `bekwaam' bij epesu `vervaardigen']

tir
itmi
itpesu

N b
N H

(pitra s-nomen bij epesu) Ee-i-59

itruku , G pret. mv. v. !taraku `slaan', `kloppen'


N D  , (G pret.mv.) Ee-vi-59
trura , G pret. v. tararu, G perf. v. !araru II `trillen'
D

it-pe-
s u itp
e
su

it-ru-ku itruk
u

it-ru-ra 
trura

) Ee-iv-90

, (G perf.vr.mv. of G pret. v.

ittabal , (ook itbal), G perf. v. !wabalu `dragen' etc.


ittabbal , Gtn pret. v. !wabalu `dragen' etc.
ittabalakkat , N pret. v. (4-rad.) !nabalkutu
ittabalkat/it , N perf. v. (4-rad.) !nabalkutu
ittabi , < *intabi, G perf. v. !nab^u `noemen' etc.
N , (G perf.) Ee-vi-101
ittabt , N perf. v. N-tantum nabutu !*abatu II `vluchtar
a ru

it-ta-bi ittabi

N N

ten'

it-ta-bi-it, ittabit (N perf.) CHx136


, N perf. v. !ban^u `scheppen'

ittabni

N
NN
|

(N perf.) Ee-iv-26

ittadi , G perf. v. !nad^u I `werpen'


N , (G perf.) CH 43, Ee-iv-117
ittaddi , Gtn pret. v. !nad^u I `(op-)werpen'
it-tab-ni

it-ta-di

ittabni

ittadi

it-ta-di, ittaddi < *intandi (Gtn pret.) Ee-i-44


it-ta-ad-du-u, ittadd^u < *intandiu

(Gtn pret.subj.) Ee-vi-144

ittaddi , Gtn v. !wad^u


itta id , G perf. v. !na adu `oppassen'
ittal , G pres. v. !itulu `liggen'
ittalad , G perf. v. taladu, !waladu `dragen', `bevallen'


N n
N
ittalak
N

7 it-ta-la-ad, ittalad (G perf.) CHx135

it-ta-lad, ittalad (G perf.) Ee-i-134


, (onregelm.) G perf. of Gt pret. v. !ala ku `gaan';
meestal in vent.: ittalkam
7 a it-ta-la-ak, (iliksu) ittalak (G perf. v. ala ku)
CHx27

ittallak , (onregelm.) Gt pres. 3e p.enk. of Gtn pret. v.


!alaku `gaan'
ittanallak , (onregelm.) Gtn pres. 3e p.enk. v. !alaku `gaan'
ittanabbit , Ntn pres. v. N-tantum nabutu !*abatu II
`vluchten'; verba primae Alef, a-klasse
ittanablakkat , Ntn pres. v. (4-rad.) !nabalkutu
ittanamdi , Gtn pres. v. !nad^u `werpen'
N O
,
(Gtn pres.) Ee-iv-91
ittanaslal , (mv. ittanaslallu): Ntn pres. v. !salalu; [Onit-ta-nam-di ittanamdi

regelmatige N-stam bij geminaat-radicalen: met identieke 2e en 3e radicaal in de wortel: de laatste radicaal
voor uitgangen wordt nog eens extra verdubbeld; zoals
bijv. bij *sala lu wordt N pret. mv. issalillu ; en N stat.
mv. wordt nasallulu i.p.v. naslulu ]
, Gtn pres. v. !waba lu `dragen' etc.
, Ntn pres. v. !ah a zu `grijpen'
  , N perf. (nanhuzu)of Ntn perf. v. !ah a zu `grij


pen'
, Gtn pret. v. !nag^u `zich verheugen'
U it-ta-an-gi ittangi (Gtn pret.) Ee-vii-138
, Ntn pret. v. !napa hu `aanlichten', `oplichten',


`zichtbaar
worden'
| it-tan-pah, ittanpah (Ntn pret.) Ee-i-96
, N perf. (N inf. nanmuru), !ama ru `zien'; verba
primae Alef, a-klasse
, N perf. v. !rehu^ `verwekken', `begieten', etc.


it-tar-he-e-ma, ittarhema (N perf.) Ee-i-80


, N pret. <*intaris. v. !tara s.u `uitbreiden'
V
it-ta-ri-is
. -ma, ittaris
. ma (N pret.) CHx132
, N pret. mv. v. !tara ru, nevenvorm v. ara ru, ook
hara ru, ereru
 D it-tar-ru, itarru (N pret. mv.) Ee-iv-108
, G perf. v. !was.u `uitgaan'
, G perf. v. !wasa bu `zitten', `wonen'
, (mv. ittaslallu ): N perf. v. !sala lu; [Onregelmatige N-stam bij geminaat-radicalen: met identieke 2e en
3e radicaal in de wortel: de laatste radicaal voor uitgangen wordt nog eens extra verdubbeld; zoals bijv.
bij *sala lu wordt N pret. mv. issalillu ; en N stat. mv.
wordt nasallulu i.p.v. naslulu ]
, Ntn pres. v. (4-rad.) !nabalkutu
, (onregelm.) Gtn perf. 3e p.enk. v. !ala ku `gaan'
, (mv. ittataslallu ): Ntn perf. v. !sala lu; [Onregelmatige N-stam bij geminaat-radicalen: met identieke 2e en 3e radicaal in de wortel: de laatste radicaal
voor uitgangen wordt nog eens extra verdubbeld; zoals

ittanabbal
ittanahhaz
ittanhaz
ittangi
N
ittanpah

NBb

ittanmar
ittarhe
N 4V
ittaris.
N (V
ittarru

ittas.i
ittasab
ittaslal

ittatablakkat
ittatallak
ittataslal

93

February 27, 2002 Copyright Heise en Stadhouders, Akkadisch Vocabularium

X) L U
7?
b U

C
}
}
So C

bijv. bij *sala lu wordt N pret. mv. issalillu ; en N stat.


mv. wordt nasallulu i.p.v. naslulu ]
, G perf. v. !itu lu `liggen'
, (onregelm.) Gt perf. 3e p.enk. v. !ala ku `gaan'
, G perf. v. !izuzzu `staan'
E it-ta-ziz ittaziz (G perf.) erra-i-125
, Gt pres. mv. v. !teb^u (Gt wordt niet in v. Soden
genoemd)

ittatl
ittatlak
ittaziz
N
ittebbu

Ns

(Gt pres.mv.) Ee-iv-94

ittenmid , N perf. (N inf. nenmudu) v. !emedu `leunen


tegen'; verba primae Alef, e-klasse
itti , (voorz., ): met; ittsu met hem, tot hem, ittka
it-teb-bu ittebb
u

ki

met jou, tot jou


1 silim ittja (G imp. v. sal
a mu, `in goede verstand-

NN V bb

ittja
V

ittl

houding zijn'): `verzoen u met mij' Sin3-66


I
it-ti-
s u, itt

s u, Sil-C-68
I K it-ti-su-nu, ittisunu `tot hen' Sil-C-31
, ittja `met mij' Sin1-24a
, ittja `met mij' Sin3-66, 68, 69

ki-
a

ki-ia

!itti + suf x -ia 1e p.enk. `mij'

, (voorz..)

, ittja `met mij' Sin1-24a


-ia, itt
ja `met mij' Sin3-66, 68, 69
, G pret. v. !itu lu `liggen'
, G pres. v. !wata ru `uitsteken'
ki

ittir
ittu , (subst.)

teken, voorteken
-tum, ittum CH-iv-27
K it-ta-ku-nu, ittakunu (st.c. +kunu) Sil-C-40
, Nieuw-Ass. vorm van ittas.i; G perf. v. !was.u `uitgaan'
, (Nieuw-Ass. vorm, OB: ittasab), G perf. v.
!wasabu `zitten', `wonen'
itu , 4 , (Sum.. itu een ablautvorm van iti
maand, determinatief voor maandnamen) !warhu

(maand)
1 ituXkam 4 X
, kam een soort determinatief
na (vooral rang-) getallen, `binnen X maanden', `X
maanden lang', `X-de maand'
4

!ken! $
F
dis ina itu logoKIN U4 10kam ana XXX lis-ken ga ku

 } y ?


:::


i nun na 
s e
s

logoKIN U4 10kam ana S^n lis-ken sisba


lkul himeta lippasis ( dis betekent hier niet summa
 het staat niet voor een woord, maar heeft een
`indien';
markeerfunctie, hier een nieuw bestandsdeel; lisken
prec. v. 4-rad. sukenu `zich neerwerpen', (in gebedshouding) `neerknielen'; geen dingir voor de godsnaam
XXX voor S^n, zoals vaker in hemerologische teksten;
ga 
s isbu `melk'; lkul prec. v. ku aka lu `eten'; ses
pasasu `zalven', hier N prec. te lezen: lippasis) 'op de
tiende dag van de maand elul moet/kan hij [de raadpleger van de tekst] voor S^n neerknielen, gelieve hij
melk te eten en zich met botervet in te zalven', CT51161,r. 6; wat hem dan te beurt zal vallen is onleesbaar;
hemerologische teksten zijn lijsten van gunstige/ongunstige dagen.
2 dis ina

itu

 ra zag gar
ba

gud si sa

ki-
a

ittus.i
ittusib

 
 


Nisa nu
mrt-apr
Ajaru
apr-mei
sig4 ga
Sima nu
mei-jun

H
s unumun
Dumuzi
jun-jul

nenegar
Abu
jul-aug
d
g
kin innin
Ulu lu
aug-sep

du6 ku
Tasrtu
sep-oct
8
apindu8 a
Arahsamna oct-nov
 mu

gangan
e
Kisl
nov-dec

abba
e
t.ebetu
dec-jan
 a t.u
z
iza(an)
Sab
jan-feb


s ekinkud
Addaru
feb-mrt
De maanden worden vaak afgekort tot het eerste logogram. Deze maandnamen zijn standaard in het eerste
millenium. In het tweede millenium zijn er vaak regionale verschillen. De zesde en de twaalfde maand
kunnen geschrikkeld worden (intercalaire maand, eens
in de ong. drie jaar toe te voegen omdat 12 maanden
van ong. 29 12 dag ong. 354 dagen is en je dus ieder
jaar van ong. 365 dagen steeds 11 dagen te kort komt,
in drie jaar openlopend tot 33 dagen). Zo'n schrikkelmaand heet bijv.
{ kindiri met diri = watru
`extra';
itu
du6 ta
s rtu; sep-oct; lett. `begin' (Hebr. tesri), vgl.
D-tantum surru `beginnen'); de naam gaat terug op
een kalender die in de herfst (na de oogst) begint;
itu
apin Arahsamna; oct-nov; arah< warhu `maand' en
sama ne `het cijfer acht', de enigemaandin het kanonieke systeem met het nummer van de maand (vgl. Ned.
september (< Lat.) `de zevende maand na het begin
van het jaar in maart', evenzo october t/m december
de achtste t/m tiende maand);
, (subst.; ook et^u; st.c. it^a, it^e, mv. itu en ita tu) grens
(in abstracte zin), ook concreet: buurman
1 kma it^esu zo veel als zijn buurman, evenveel als zijn
buurman, CHx42
2 it^
ukka la ittiq (G pres. v. etequ `overschrijden', la +
pres is prohibitief; it^ukka < *it^umka locativus it^um +
ka) `laat (niemand) uw grens overschijden' Ee-iv-10
}
(vr.mv.) omgeving, buurt, gebied; quotdomein
van (gevolgd door een genitivus ep exegetum); oever
(van een rivier)
3 itti it^
at a lija Assur [toen de Tigris zijn loop verlegd
had] `weg van de omgeving van mijn stad Assur' yos-

it^u

itatu

xb

ix-71,16

>

(st.c. +su) CHx42


(+ka) Ee-iv-10

i-te-
s u (kima) it^
e
su

itulu, utulu , (ww.)

i-tuk-ka it^
ukka

I. G-stam (pret. ittl, pres. itta l, perf. ittatl, vgl. de


vormen van !ala ku en !izu zu): liggen, slapen met
(sex.) (met = itti), bijslaap verrichten, beslapen, CHx129132
1 itti zikarim san^m ina it
u lim, lett.: `in het liggen

met een andere man' ) `terwijl (zij) met een andere


man de bijslaap verricht' CHx129
2 ina s
u nisa itu lu, lett.: in haar schoot liggen ) ook:
beslapen, bijslaap verrichten;
3 kubbulu +ma +it
u lu (D v. !kaba lu `overweldigen')

>N V

verkrachten CHx130

:
i-tu-lim, (ina) it
u lim (G inf.gen.) CHx129
:
u
-tu-lim, (ina) ut
u lim (G inf.gen.) CHx131
I
it-ta-ti-il-ma, ittat
lma (G perf. +ma)

94

February 27, 2002 Hoofdstuk 2 Akkadisch vocabularium

CHx130

it^ur , G pret. v. !t^aru `omkeren' etc., in %hendiadys `her-

halen'
i-tur, it^ur (G pret.) Ee-iv-26
(G pret. subj. v. !et.eru)

D i-t.e-ru t.eru (G pret. subj.) Ee-vi-126, 150


, (subst.;
esir) asfalt, teer, als kit gebruikt; ook
product in de bouw, dus niet al te dun;
1 atta mannu mimma lemnu sa s.almata kima it.t.^e
(met gim esir voor kima it.t.^; atta onafhank. p. vnw.
`jij'; mannu `wie'; mimma `welk dan ook'; lemnu
`Kwaad', `demon'; s.almu `zwart' hier als `onzichtbaar',
`ongrijpbaar'): `wie gij ook zijt, `welk boze macht dan
ook, die zwart zijt als asfalt' kar76-1 (of: `welke demon
dan ook : : :') (eerste regel van een bezwering die begint

met
en 
s iptu, ter markering)

t.eru
it.t.u^

"C

iwwallad

logogim esir kima it


e
.t
.^

(gen.) kar76-1

, N pres. v. !wala du `dragen' etc.


, N pret. v. !wala du `dragen' etc.
, G pres. v. !zaka ru `spreken' etc.

iwwallid
izakkar

JV

i-za-kar-ma, (ni
s ilim) izakkarma (G pres.
+ma), `hij moet een eed afleggen', CHx20x131
, G pres. v. !zer^u `haten'
, G pret. v. !zer^u `haten'

iz^er
izer
izmar^u , subst. !p asmar^u `speer'
izuzzu , (ww. (n)zz , ; onregelmatig, na OB:
gub

uzuzzu, MB-LB vaak usuzzu)


I. G-stam (Bij vervoegingen voor suf xen/afformatieven
verdubbeld de z; G pres. izzas `hij staat', pres. pro stativo, ook: `hij zal (gaan) staan'; G pret. izziz; G perf.
ittaziz; G imp. iziz, izizza ; part. muzzazzu):
staan, zich zetten; +dat.: ten dienste staan, ter beschikking
staan, bijstaan, helpen, staan voor, komen voor; borg staan,
pand geven (Sum. du of gub) AHw \stehen"; \sich aufhalten", \zur Verfugung stehen", \hintreten";
1 kamsaku azzaz (G stat. 1e p.enk. v.kamasu II ; G pres.
1e p.enk.): `(nu eens) kniel ik, (dan weer) sta ik' Sin1-21
2 elsa izziza, (G pret. vent.): `hij ging op, haar staan'
(Maduk in gevecht met Tia mat) Ee-iv-104
3 izuzzu +ana/ina p
a n() : in dienst staan van, dienen,
staan bij, gaan staan bij, treden, toetreden, aantreden;
Gt pres. ittazzaz;
Gtn pres. ittanazzaz; imp itazzaz, itazza ;

III. S-stam
(Vervoegingen: voor suf xen/afformatieven
verdubbeld de z; S pres. uszaz; pret. usziz; imp. suziz,
suzizza )
(een stele) plaatsen, opstellen (vaak gebruikt als saka nu);
(een koning) benoemen; (een leger) stationeren; (een
monster) tot stand brengen ) creeren AHw \aufstellen" (Stele, Bild);
4 ana s
a zuzi lu akrub (S infgen.; G pret.1e p.enk. van
kara bu) `ik beloofde om [het beeld] op te stellen' yosix-71,27
5 usziz basmu mushussu (S pret.; acc. maar geschre-

 eerde een basmu-slang en een


ven als nom.) `zij cre
mushussu-draak' Ee-i-141

6 usziz imnussu : : : (S pret.) `hij [Marduk] plaatste
aan zijn rechter zijde : : :' (volgen namen van paarden)
Ee-iv-55
7 uszizz
u ma ina birisunu lumasa isten,

(S pret.mv.): `zij plaatsten te midden van hen een eerste sterrenbeeld' Ee-iv-19

8 luszizma lull^
a lu amelu sumsu (S cohor.; lull^a Sumerisme voor `mens', geleerd woord, daarom misschien
te vertalen met `homo sapiens' of `het genus homo'): `ik
wil het genus homo maken, zijn naam zij \mens" ' (creatie van de mens in het scheppingsepos Enu ma elis)
Ee-vi-6

}mazza zu ,

(subst.; ook: manza zu, manzazzu, mazzazzu, manzanzu, muzza zu; vanaf oud-akk.;

kigub): \waar iets staat" ) standplaats, defacto vaak


tempel of de astrale verschijningsvorm (het beeld) van
de godheid; ook tech. term (astron.): positie, sterpositie,
standplaats (van sterren), plaats van de vaste sterren;
CAD 1 emplacement, stand,stand: { (base,sockle) socle
(or a stela), perching place, socket (of a door), oor (of
a chariot or wagon); 2 (a mark on the liver); 3 position, oce, rank; 4 abode, whereabouts, resting place,
military position; 5 station, position of celestial bodies (observed at sunset) 6 object given as a pledge 7
presence of a deity or a demon signifying an omen and
the feature on the liver that is associated with it; 8
excrement (?); 9 ( a math. term)
9 ubassim manz
a za, (D pret. v. basa mu `(kunstig)
maken'): `hij [Marduk] maakte een standplaats [voor
de grote goden]' Ee-v-1 (het gaat hier om de inrichting
van het rmament)
10 manz
a z d Enlil u d Ea ukn ittisu, (D pret. v. k^anu
`vast maken'): `hij vestigde de positie van (de ster/het
sterrenbeeld) Enlil en van Ea erbij/ernaast' (kennelijk
bij Neberu) Ee-v-8
11 manz
a z sam^e u ers.etim uza izu ilu gimrassunu
(D pret. mv. v. za^zu `verdelen', D vanwege meervoudig
object): `alle goden verdeelden (onderling) de standplaats van hemel en aarde' Ee-vi-79
12 usarsid manz
a z d Neberi, (S pret. v. S -tantum
*rasa du): `hij grondvestte de standplaats van d Neberu' Ee-v-6
13 alkatsunu is.batuma u dd
u manza ssun (G pret.
subj. v. s.aba tu `grijpen', hier in de betekenis `ter hand
nemen', `initieren'; D pret. subj. v. D-tantum: wuddu
!*wad^u `vaststellen'): `[Marduk] die de loop der sterren instelt en die hun standplaats toewees' Ee-vii-17
}
, (subst.; ook munzizu; oud-akk., OB):
CAD witness, attendant
az-za-az, azzaz (G pres. 1e p.enk.) Sin1-21
 iz-za-zu, izzazzu <*inzazzu (subj.), CH-ii-11
T iz-zi-za, izziza (G pret. vent.) Ee-iv-104
E it-ta-ziz ittaziz (G perf.) erra-i-125
T T [su{zi]-zi, suzizz (S imp. vr.enk.) Ee-i-123
 pret.) Ee-i-141
T
u
s -zi-iz, u
s ziz (S
E us-ziz, usziz (S pret.) Ee-iv-55
E  us-ziz-zu, uszizzu (S pret. subj.) Ee-i-74
 pret. mv.) Ee-iv-19
T
u
s -zi-zu-ma, u
s zizz
u (S
 T sa-zu-zi sa zuzi (S infgen.) yos-ix-71,27

muzzazu

(( J J J
Nb
(
a
JJ

J J

(acc.) Ee-v-1
man-za-az, manza z (st.c.) Ee-v-8, vi-79

man-za-as-su-un, [manzassun] (st.c. +
s un)
Ee-vii-17
E lu-us-ziz-ma, luszizma (S cohor.) Ee-vi-6
, <*iztakar, G perf. of Gt pret. v. !zaka ru `spreken'
man-za-za manzaza

izzakar

(( LJ

(tot/met = itti).
D

(G perf.) CHx18
(Gt pret. mv.) Ee-iv-20

iz-za-kar izzakar < iztakar

iz-zak-ru izzakr
u

95

February 27, 2002 Copyright Heise en Stadhouders, Akkadisch Vocabularium

izzakru , (< inzakru) N pret. mv. v. !zakaru `spreken'


izzakru , (< iztakru) G perf. of Gt pret. v. !zakaru `spre-

(L
izzas
(J
izzis
ken'

Ee-i-112

iz-zak-ru izzakr
u

(hier: G perf. <

iztakr
u

, G pres. v. !izuzzu
 iz-za-zu, izzazzu <*inzazzu (subj.), CH-ii-11
, G pret. v. !izuzzu
, subst. !enzu `geit'

izzum

{ja , (ook -a en -), suf x bezit. vnw. 1e p.enk. mijn; -ja na

nomen in gen.enk. en obl.mv.; -a na nomen in nom.mv.;


- na nomen in gen./acc.enk.; Voorbeelden:
belu a of belu a `mijn meesters'; bel `mijn meester';
assatu a `mijn vrouwen'; ana belija `aan mijn meester'; ana belja `aan mijn meesters'
E
be-l
-ia, bel
ja, `mijn heer' CH-xxiv-90
, (Ass.) !ajja bu, `vijand'
, (< !ajja nu, ook ja nu, ja na; MB, LB) is (er) niet,
zijn er niet, is niet voorhanden; substantief dat de nonexistentie aanduidt; vaak absoluut gebruikt en dan
in de vertaling aanvullen wat er niet is; AHw \ist
nicht";
1 u
 k (aj)ja nu (wanneer het tot tevredenheid is : : :)
en wanneer 't niet (tot tevredenheid is)' CT22-58,13
2 kal^
a epsetusu ja nu (kal^u `totaliteit'; epsetu
`werken, daden, bezigheden', religieus: `riten') 'Er is
geen enkele rite van hem' CT51-161,r. 11
K
(i)ja-nu
u j
a nu (`het is niet') CT22-58,13
: een koning van de stad !Mari, vader van
Jahdunlim

: een koning van de stad !Mari, zoon van
 Jagitlim, vader (of wellicht oom) van koning Zimrilim.
, onafhank., losstaand ofwel absoluut pers. vnw. datief
1e p.enk. aan mij Voor volledig vormenbestand en toelichting zie onder ana ku.
1 ana j^
asi taddinam (2e p.enk. nada nu `geven' + dativus -am) pleonastisch: `jij geeft aan mij'
, ook ij^ati, LB ook j^atu; onafhank., losstaand ofwel
absoluut pers. vnw. gen.-acc. 1e m. en vr.enk. mij
Voor volledig vormenbestand en toelichting zie onder
ana ku.
1 kma j^
ati zoals ik Ee-vii-140
2 j^
ati gimlanni, (!gama lu): `verleen m een gunst'
I ja-a-ti-ma j^ati-ma Ee-vii-140
p
: (Element van een Amoritische naam, uit twb

`antwoord', `terugkeer')
, !ajj^u vnw. `welke?', `wat?'

jabu
janu

CC

>

Jagitlim
Jahdunlim
j^asi
j^ati

Jasu b
j^u

{ka , esuf x bezit. vnw. 2e m.enk. jouw (m.), uw (bezit. vnw.

2 p.mv.); vr. vorm is -ki


V  za-i-ri-ka, za irka (+ka), `uw
haters/vijanden' Sil-C-81

{ka , suf x pers. vnw. accusativus 2e m.enk. jou,


is {ki

vr. vorm

k^a , !k am (adv.) `aldus'


kabarahhu , !gabarahhu `aandoening'
kabattu , (!kabatu `zwaar zijn') buik, lever, gemoed, even

als !libbu zetel van het gemoed, vaak parallel:


1 kabattaka ezzetu aggu libbaka (met -ka `jouw') 'uw
boze lever, uw vertoornd hart' (moge bedaren e.d. gezegd van vertoornde goden.
 E
ka-bat-ta-
s u kabatta
s u (st.c. + 
s u) Ee-vii-138
, (ww.; ook kaba du; van de i-klasse, zoals veel eigenschapsww.; vanaf OA, OB; !dugud! dugud):
I. G-stam (pret. ikbit, pres. ikabbit, stat. kabit): zwaar
zijn, gewichtig zijn, aanzienlijk zijn; moeizaam zijn; (`hij is
zwaar' ook in de zin van het valt hem zwaar; vgl. Mozes,
waar hij onder zijn opdracht probeert uit te komen:
`ik ben zwaar van mond en zwaar van tong' ) `ik kan
moeilijk spreken'; (van oren gezegd, ook:) doof;
AHw \schwer sein/werden"; CAD 1 to become heavy,
massive, fat, rich, lethargic; 2 to become dicult, bothersome, to become painful; 3 to become important,
honored; 4 to hatch (said of a bird)
1 attama kabt
a ta ina il rabu t (G stat. + -ta 2e p.enk.)
`gij staat in aanzien te midden van de grote goden' (gij
zijt de meest geeerde) Ee-iv-3
2 d Ninlil sa qibssa kabtat `Ninlil wier bevel van gewicht is, gewicht in de schaal legt';

!dugud!
e-pis ka-su dugud
3 epis p^su kabit (Sumerisme \het doen van zijn
mond" ) `spreken'; !dugud! dugud G stat.): lett. \het
doen van zijn mond is zwaar" ) `het spreken valt hem
zwaar'/`zijn spreken is moeizaam' BAM578-i-50 (ook van
oren gezegd: `doof'; elders, bijv. in het enu ma elis-epos
juist in de betekenis: \wat hij zegt is gewichtig")
}
, (subst.; ook kabtatu, kabittu; vanaf OB):
buik, lever (als zetel van het gemoed, evenals !libbu
`hart') ) gemoed; (vaak in gebeden: `boos gemoed en
toornig hart'); met suf xen kabattaka of kabtatka;
AHw \Leber"; \Gem
ut"; CAD 1 inside (of the body),
liver (?); 2 emotions, thoughts, mind, spirit
4 mut.ibba kabattija (D part.st.c. v. t.^
abu `aangenaam
z.', st.c. in OB mut.b, hier met hulpvocaal) `die mij
een goed gemoed geeft' ) `die mij in goede stemming
brengt' Ee-i-31
5 ismema d Ea kabattasu ittangi (G pret. v. sem^
u
`horen'; Gtn pret. v. nag^u, frequentief): lett.: [de namen
die de Igigi hadden genoemd] 'hoorde Ea, zijn gemoed
juichtte' ) `[zodra Ea de namen : : : hoorde, raakte hij
in verrukking' Ee-vii-137
}
, G verb.adj., , (vr. kabittu ; vanaf OA, OB; E
idim; !dugud!
dugud): zwaar, belangrijk (persoon), ge-

kabatu

4Z

kabattu

kabtu

eerd

AHw

\schwer", \gewichtig", \angesehen"; CAD 1


heavy, dense, abundant, substantial; 2 dangerous,
grievous, severe, serious; 3 honored, important, venerable, in uential; 4 important person, in uencial person
(at the royal court)
6 d Marduk kabt
a ta ina il rabu tu (stat. 2e p.enk.) `O,
Marduk, gij zijt geeerd onder de grote goden' Ee-iv-5
 turu miliksu
7 d Asar-alim sa ina bt milki kabtu su
(nominale zin; kabtu stat. kabit + subj. u; S verb.adj.
v. wat
a ru met subj. u): `A. wiens raad in het raadhuis

96

February 27, 2002 Hoofdstuk 2 Akkadisch vocabularium

gewichtig en uitmuntend is' Ee-vii-3

}kabittu, G verb.adj. vr., , (vr. v. kabtu):

zwaar, belang-

rijk (persoon), geeerd; vaak in omina en ritualen als


substantief: aanzienlijke, bijv. in een opsomming zoals
ilu, sarru, belu, rub^u, kabtu e.d. bij wie men (geen) ge-

hoor vindt, of met wie men (niet) op goede voet staat.

kubbutu

II. D-stam (
, factitief): zwaar maken, eren, met
eerbied behandelen, eer ontvangen; CAD 5 to honor a

person, to show respect, to give honor; 6 to pay respect


to gods, to parents, to respect an oath; 7 to aggravate,
to make dicult, etc.; 8 to extinguish a re
8 istenis l
u kubbutuma (D stat.prec.): `moge zij [de
goden] gelijkelijk eer genieten' Ee-vi-10
}
, D verb.adj., , (adj.; ook kubbudu, kabbutu;
vr. kubuttu; vanaf oud-akk.): zwaar etc. [adj. van
het purrus-type, vr. purrust; %nominale typologie;
verb.adj. van de D-stam, vaak in gebruik ter aanduiding van lichamelijke gebreken; sukkuku `doof'; kubbutu
`zwaar']
CAD 1 heavy; 2 thick, squat; 3 honored
II/3. Dtn-stam (kutabbutu, passiefbij D) CAD 9 to be
honored (passive to mng. 6) 10 (uncertain mng.)

III. S-stam
(
) CAD 11 to underline the importance of, 12 to make heavy
X : kab-t[u] kabtu (stat. subj.) Ee-vii-3
X kab-ta-ta, kabta ta (G stat. 2e p.enk. -ta) Ee-iv-3,

kubbutu

sukbutu

b
s V

 E
 EI
Ee-i-31

Ee-vi-10
!dugud!

(st.c. + su) Ee-vii-138


ka-bat-ti-ia, kabattija (st.c. +-ia `mijn')

ka-bat-ta-
s u kabatta
su

kub-bu-tu-ma kubbutuma

(D stat.prec.)

(G stat.) BAM578-i-50

kabittu , (vr. v. kabtu !kabatu) zwaar, belangrijk (persoon),


dugud

kabit

geeerd; vaak in omina en ritualen als substantief: aanzienlijke,


, (adj. bij kaba ru; vr. kabartu(m)): dik; AHw

kabru(m)

*

\dick";
h !gazi!

XD I
sar
 ssa gazi
al u
kab-ru-ti
1 siqqi kas^e kabr
u ti (siqqu waarschijnlijk gekruide
saus van vis of sprinkhanen; kabru ti `dik', vr. vanwege `mosterd', dus \vissaus van dikke mosterd" en niet
\dikke mosterd-vissaus"; mosterd is bekend om zijn
digestieve eigenschappen bij vet eten, hier als braakmiddel; `vissaus van dikke mosterd (moet hij drinken)'
BAM578-i-15

XD I

(vr.gen.) BAM578-i-15

Kabta , god van de (bouw)stenen


kabtu , (E ; vr. kabittu; !kabatu) `zwaar', `belangrijk
d

kab-ru-ti kabr
u ti

idim

(persoon)', `geeerd'
X : kab-t[u] kabtu (stat. subj.) Ee-vii-3
, (adj. bij kada ru; vr. kadirtu; OB, MA, SB, NB):
wild, trots;
AHw \sich aufb
aumend", \angri sbereit"; CAD wild,
goring (bull), impetuous, proud (deity or person)
 D ka-ad-ru-um, kadrum CH-iii-8
, (subst. < *kadrau, leenwoord) geschenk (bij begroeting), ook wel negatief: steekpenning; AHw \Begruungsgeschenk";
1 il
u mahrsu liseribu kadr^asun (S prec. v. erebu `bin mahrsu `voor hem') `moge de goden hun
nenkomen';
 binnenbrengen' (bij hem presenteren,
geschenk bij hem

kadru
kadr^u

H!8

aan zijn voeten leggen) Ee-vii-110


@
k
ad-ra-
su
-un kadr^
a
s un (st.c.+ 
s un) Ee-vii-110
(voorz.) , NA vorm v. !adi, (voorz.)
(voegw.) , NA vorm v. !adi, (voegw.)

kadingirmeski , de stad Babel
1 ips
a ma kadingirmeski (G imp. mv. v.epesu):
`bouwt Babel!' Ee-vi-57
ki



, Babel Ee-vi-57
gal ,
ka
!abullu stadspoort, poort



abull
a ti (vr.mv.) Ee-v-9
, (subst.; parra s-nomen; vr. kaja ntu, kajattu; vanaf OA, OB): altijd, steeds, gedurig, permanent, duurzaam, constant; regelmatig ) normaal, rustig, langzaam
[parra s-type nomen en adjectieven (%nominale typologie) voor beroepen in ruime zin (beetje participiaal);
ook gewoonten en zaken die men \pleegt te doen"; nappa hu `smid', dajja nu `rechter', sarra qu `dief', wassa bu

`bewoner',
`huurder']
AHw \dauernd", \st
andig"; CAD kaja nu normal,
plain, permanent, constant, regular
1 biltu kaj
a nu `permanente last' ) `belasting', `tribuut';
2 ina n
u risu namri littallaku sunu kajja n (Gtn prec.
v. al
a ku `gaan', in Gtn `wandelen'): `moge z in zijn
stralend licht duurzaam (kunnen) wandelen' Ee-vi-128
}
, (OB, MB, SB, NA, NB; s sagus;
in astron. turdis), betekent als adjectief ongeveer hetzelfde als kajja nu; als subst. de planeet Saturnus, \de standvastige" (die zich slechts langzaam over
het uitspansel verplaatst); In de MULAPIN worden
voor Saturnus de volgende namen gebruikt: zibantu en
d
uduidimsagu
s de stabiele planeet en ook mul utu ster

kadu,
kadu,


W W

kajjanu

k
a dingir me
s

k
a gal me
s

kajjamanu

van de zon

}kajja nis , (term.; adv.; OB, Mari):

op constante wijze,
steeds weer, constant; CAD always, constantly
, (subst. ook kabkabu < redup. *kabkab; mv. later
vaak kakkaba nu; vanaf OA, OB;
mul; dat ook determinatief is voor sterrennamen; spelling OB: ka-akka-bu-um; NB: kak-ka-bu; een enkele keer wordt het

kakkabu

logogram
ul gebruikt):
ster;
AHw \Stern"; CAD 1 star, 2 meteor, falling
star; 3 starshaped object or formation
}
, lett. onder de sterren een nacht
doorbrengen van bijv. een magische drank of een medicijn. Deze uitdrukking komt veel voor, soms verbijzonderd met een expliciete sternaam voor de magische potentialisering van het medicijn, bijv. de ster van
Gula, godin der geneeskunde (ook pleiaden); !enzu;
mul
enzu (ong. het huidige sterrenbeeld Lyra (De Lier)
geldt als het astrale evenbeeld van Gula.

E
ina ul tus-bat
1 ina kakkabi tusbat
ul kakkabu `ster' naast
e
mul, maar in deze uitdrukking altijd ul; G pres.2 p.enk. v. b^atu, bia tu `overnachten', `logeren': ina kakkabi
tusb^at `onder de sterren een nacht laten doorbrengen';

ina kakkabi b^atu

BAM578-i-18

In het Enu ma elis-epos (in tablet v over de inrichting


van de hemel) worden de goden geidenti ceerd met een
ster of sterrenbeeld (lumasu of lumassu). Goden hebben een astrale dimensie. Naast hun beeld op aarde
(in de tempel) hebben zij hun beeld (afbeelding, even-

97

February 27, 2002 Copyright Heise en Stadhouders, Akkadisch Vocabularium

beeld, tamslu) aan het rmament:


2 mulmes tamslsunu lum
as uszz, (S pret. v. izuzzu
`neerzetten', `doen plaatsen'; mulmes = kakkab): `hij
[Marduk] plaatste de sterren in sterrenbeelden (als)
hun evenbeeld' Ee-v-2
 m u
3 12 itumes mulmes 3taa
s zz = 12 (w)arhu

kakkaba ni 3 ta-am iszz, (D pret. v. izuzzu): lett.: wat
betreft 12 maanden, telkens drie sterren zette hij [Marduk] neer' Ee-v-4, in totaal dus 36 sterren ten behoeve
van de tijdmeting: elke 10 dagen (3 in een maand) komt
er een andere ster op tijdens zonsondergang
d
}
, sterren(beelden) van Anu; sterren die aan de noordelijke horizon (rond het NO) opkomen (de meest noordelijke \poort passeren"): het pad
van Anu. Het sterrenbeeld van Anu maakt niet deel
uit van het pad van Anu, maar is circumpolair (altijd te zien), wat ook wel redelijk is voor de hemelgod
Anu. Dit feit is een van de argumenten die erop wijzen dat de indeling in paden van later datum is dan
de representatie van een god als sterrenbeeld aan de
hemel.
d
}
, sterren(beelden) van Ea; sterren
die aan de zuidelijke horizon opkomen (rond het ZO)
(de meest \zuidelijke poort passeren"): het pad van Ea
d
}
, de sterren(beelden) van Enlil;
sterren die aan de oostelijke horizon opkomen (de \centrale poort passeren"): het pad van Enlil. De sterren
die \geen poort passeren", de zgn. circumpolaire sterren (sterren aan de noordelijke hemel die altijd boven de horizon staan), worden soms voor het gemak
aan de sterren van Enlil toegevoegd na Enlil's eigen
sterrenbeelden, hoewel ze niet tot een van de drie paden behoren (Mul.Apin I-i-15-22). Enlil's eigen sterrenbeeld (!supa) maakt (als enige van de drie) wel deel
uit van het pad van hemzelf.

kakkabu su t Anim

kakkabu su t Ea

kakkabu su t Enlil


(acc.) Ee-v-2
 b } C
mulme
s

kakkab


23 kakkab
u 
su
t

me
s
d A-nim
23 mul

s u-ut
d Anim (de 23 sterren van Anu) Mul.Apin,

15 kakkab
u 
su
t

d Ea

23

 b } D C
(de 15 sterren van Ea) Mul.Apin, I-ii-35
33  b } c 9
I-ii-18
15

33

me
s

mul


s u-ut

d En-ll

15

mul

me
s


s u-ut

d e-a

33 kakkab
u 
su
 t Enlil

van Enlil) Mul.Apin, I-i-39

(de 33 sterren

kakku , (subst.; st.c. kakki en kak; mv. kakku; vanaf oudakk.;

(

gi
s

, zelden zonder determinatief):

tukul

wapen (godsembleem [onderscheidingsteken]); Deel cul-

tusinventaris, naast strijdkaros, troon etc. In mythen


gepersoni ceerd, ontvangt als zodanig o ers. In de
leverschouw (extispicium) kenmerk van de lever
AHw \Stock", \Wa e"; CAD 1 weapon (a speci c,
individually used weapon); 2 weapon (metaphoric for
military strength and aggressiveness), warfare, attack,
troops; 3 standard with divine symbols; 4 tool, shaft,
barb, thorn; 5 (a formation on the exta, a sign predicting certain events)
1 ina kakkim dannim, `met het machtige wapen'
 pret. v. red^u) `zij voegde
2 usraddi kakku l
a mahri (SD
 toe' Ee-i-134
onverzettelijk wapentuig
 is een zeldzame vorm die alleen in literai[De SD
re teksten voorkomt. De betekenis is meestal facti-

tief, dus als D. De vormen worden gekenmerkt door


de toevoeging van een s tussen de preformatieven in
de D-stam: D pres. uparras )usparras; D pret. uparris
)usparris)]
3 kak l
a mahra (status abs.) onweerstaanbaar wapen

Ee-iv-30
4 nasu
^ kakki (inf. nasu^ `he en', `dragen') `het he en
van het oorlogswapen' Ee-i-150
5 kakkasu uwaddi (D pret. v. *wad^
u) `(die) hij bestemde tot zijn wapen' (als zijn schiettuig) Ee-iv-35
6 kakkusu maharsun iddi (G pret. v. nad^
u `deponeren'): `(en) zijn wapen wierp hij voor hen neer' Ee-vi-82
7 kakkka lira  is
u nakireka, (D pret. prec. v. r^asu
`stukslaan'; D voor meervoudig object; nakru, nakiru,
`vijand'): `(maar) mogen uw wapenen uw vijanden vernietigen' Ee-iv-16
8 sa ina kakkisu ab
u bi ikm^u sa p^uti (G pret. v. kam^u
`vastbinden'; adj.m.mv. v. sa p^u `stiekem', zelfst. gebruikt): [Marduk] `die met zijn wapen, de stormvloed, de arglistigen in de boeien sloeg/gevangen heeft
genomen' Ee-vi-126
gi
s
gi
s

da-an-nim,
kakkim dannim

(O
( 
(! WC
(b
*kalalu
CH-xxiv-22

tukul

kak-ku kakku

Ee-i-134

, kakki (gen.) Ee-i-150


 a ka-ak, kak (la mahra) (status abs.) Ee-iv-30
gi
s
a , kakkasu rab^
-
su

a `zijn grootste
wapen' Ee-iv-49
gi
s
-
s u, kakku
s u (nom.) Ee-vi-82, 125
gi
s

tukul

tukul

gal

tukul

, (ww. niet in G);



III. S-stam
(
), (Ass. saklulu, OA, OB, MB, SB,
NA, NB): voltooien, completeren, tot een einde brengen,
volbrengen, perfect uitvoeren;
AHw II \volenden", \fertigstellen"; CAD 1 to complete a construction, to perfect (the appearance of an
artifact), to nish work on an object, to accomplish, to
carry out a task, a rite, to complete, to provide in full,
to have ready, to carry to term, to grant full measure;
III/2. St-stam (passiefbij S) CAD 2 to become fully
formed or nished, to be carried out (passive to mng.
1)
a;
u
-
s a-ak-li-lu-
s u, u
s aklilu
su

suklulu

>a
a

b

 subj.) CH-iii-27
(S

a;

CH-i-57

mu-
s a-ak-li-il mu
s aklil

 part.)
(S

kal^ama/u , !kal^u II +ma `alle'


7V
,
Ee-vi-143
*kalamu , ww. D-tantum; vanaf oud-akk.
II. D-stam (kullumu, +2 acc.): iem. iets tonen;
ka-la-ma kal^
ama

AHw

\sehen lassen", \zeigen"; CAD 1 to show, to


point out; 2 to produce a person, to produce a document, with sikkatum to show somebody the peg driven
in a eld (as a legal act accompanying the transfer of a
eld), to show an item to be accounted for, to assign,
to o er to a god; 3 to reveal (something hidden), to
expose to the sun, to disclose, reveal, explain, exhibit,
to show an (ominous) sign; 4 to advice, to instignate,
to teach, to instruct, to give an order; 5 to show a particular mood or attitude, to make someone experience
prosperity, hardship
II/2. Dt-stam (
, passief bij D) CAD 6 to be
shown, o ered, to become exposed

kutallutu

98

February 27, 2002 Hoofdstuk 2 Akkadisch vocabularium


III. S-stam
(suklumu) CAD 7 to show, to reveal, to dis-

close, to produce, to grant;


III/II. SD-stam CAD 8 to show, to disclose
}
, aanwijzing, verwijzing, instructie
onderwijzing, bekendmaking; bijv. van een tekst gezegd
\afgeschreven ana taklimti : : :" dus `om te tonen' en
niet om geheim te blijven;
1 sarru ana taklimtisu il
a nu lu su duru elis u saplis

(S pret.mv. v. ada ru `vrezen', S: `doodsbang zijn'): `de
koning op wiens verwijzing de goden boven en beneden
waarlijk huiveren' Ee-vi-142

taklimtu, taklittu

>W
!
kalbatu
~
~

u
-k
al-lam ukallam

(D pres.) CHx122

I tak-lim-ti taklimti (st.c.) Ee-vii-157


I tak-lim-ti-su taklimtisu Ee-vi-142
, (parsat-nomen; vr. v. !kalbu `hond'): `teef'
, (subst.; pars-type nomen; mv. kalbu en kalba ni;
vanaf oud-akk.;
urgi6 ;
ur):
1 hond; 2
sterrenbeeld Hercules;
[pars- (of pers) type nomen
(vr. parsat (perset), %nominale typologie) voor primaire, niet van ww. afgeleide nomen zoals kalbu `hond',
kalbatu `teef'; mar u > ma ru `zoon', ma rtu `dochter'];
vgl. urmah, nesu `leeuw'; urbar, barbaru, `wolf'; echter ursag,qarra du `held', `voorvechter'; ur in Sumerische persoonsnamen wel `Man van : : :', vgl. Urd Nammu,
Urd Ningirsu, Urd Zababa; Ur
edubba; wsl. niet hetzelfde woord als ur `hond';
AHw \Hund"; CAD 1 dog; 2 the constellation Hercules; 3 (a sh)
}
, (vr.; OB, Mari, SB;
salur): teef;
AHw \H
undin"; CAD 1 bitch, female dog; 2 (a leather
part of the plow)
, LB vorm v. kasdu, zie onder !kasa du `bereiken'
, (subst.; ook kallutu; vanaf oud-akk.;

egi4 (a);
U egia): schoondochter, bruid (de
vrouw van de aplu, de erfzoon, die beiden vaak nog in
huis wonen)
AHw \Schwiegertochter", \Braut"; CAD daughter-inlaw, wife of a son living in his fathers's household,
bride, sister-in-law
, (subst. < Sum.; vanaf oud-akk., OB;
gala =
u
s -ku): klaagpriester;
AHw III \Klagepriester", \Tempelklagepriester",
\Kultsanger";
CAD A lamentation-priest zijn gebeden zijn een
bepaalde genre geschreven in een dialect van het Sumerisch !emesal. Een omvangrijk corpus van gebeden/gezangen om de goden te bedaren of om te voorkomen dat zij in toorn ontsteken
, (ww. a/a-klasse; vanaf OA, OB;
gul):
I. G-stam (pret. ikla, pres. ikalla, imp. kila, stat. kali):
houden, terughouden, vasthouden, vastzetten; [drie woorden die op elkaar lijken en soms vergelijkbare betekenis `binden' hebben; het meest gewone woord is kam^u
`binden', `gevangen nemen'; kal^u `vastzetten' en kas^u
`boeien', `vastbinden'];
AHw V \zuruckhalten";
CAD 1 to detain, to delay, to hold back (a person),
to keep in custody, to keep in con nement, to distrain,
(with ana/ina and inf.) to prevent, to hinder; 2 to withhold, to refuse goods (merchandise, deliveries), to keep,
withhold a document, a tablet, to deny a wish, a request, to withhold tribute, gifts, to stop, to detain, to

kalbu

*?

kalbatu

kaldu
kallatu

DF C

kal^u

kal^u I

delay (a boat), to cut o , deny (water for irrigation),


to retain food, urine, etc., to block progress, a road,
to check an animal; 3 to reserve, to place at someone's
disposal, to keep available; 4 to nish, to bring to an
end; 5 (intrans.) to come to an end, to be nished, to
cease, to be delayed,
I/3. Gtn-stam (
) CAD 8 to stop repeatedly, to
hold up
II. D-stam (
) (iem. iets) onthouden, achterhouden,
vasthouden, vastzetten ook: in gedachten houden, denken
aan;
(van lichaamsdeel:) onderhevig zijn aan; CAD 7 to hold
back 8 Dt passive to mng. 7
1 epset
asu likilla (D prec. 3e vr.mv.): `moge zij zijn
werken in gedachte houden' Ee-vii-18

III. S-stam
(sukl^u) CAD 9 to cause to detain, to keep
someone from doing something, to hinder, to stop (to
cause to stop)
III/II. SD-stam CAD 10 to hold back
IV. N-stam (
, passief)
P 7
ik-ta-la-
s u, iktala
s
s u (G perf.) CHx19
; 7 li-kil-la, likilla, (D prec. 3e vr.mv.) Ee-vi-117,

kitall^u
kull^u

nakl^u
b

vii-18

kal^u II , (subst.; st.c. kala, ook kali, kal; kal is de jongere

vorm; triptotisch declinatie in st.c. voor suf xen enk.,


nom. kal^u-, gen. kal^-, acc. kal^a-; CAD heeft kalu; ook
kulu; vanaf oud-akk.; du): totaliteit, geheel; vaak
als hoeveelheidswoord en te vertalen met alle, evenals
woorden als kissatu, gimru; komt voor in st.c., maar
vaak ook na het te kwanti ceren subst. (in appositie
met het voorafgaande subst. en dus in dezelfde casus,
gevolgd door een resumptief pronomen; zie de voorbeelden;
AHw \alles", \Ganzes"; CAD whole, entirety, all
1 m
a tu kal^sa: `het gehele land'
2 ana m
a tim kal^sa `voor het gehele land'
3 eli kalsunu d Anukki (st.c. + sunu; volgt op Gtn
v. rab^
u `steeds groter worden') `groter dan alle goden'
Ee-i-156
4 niddinka sarr
u tum kissat kal gimreti (G pret. als
%synchroon pres. v. nadanu) `wij geven u hierbij het

koningschap over het totaal van het hele universum'

Ee-iv-14

}kal^ama/u , (subst.; <kal^u II +ma; litt.; vanaf OB;


C   ): alle, heel de;
AHw

 a bi
du

\alles"; CAD all, everything


5 
aser il kal^ama G part.st.c. v. asa ru, `verzorger',
`raadgever'): `verzorger aller goden' Ee-vi-143
 K
-
su
-nu, eli kal

s unu (+ 
s unu) Ee-i-156

B V!
*k^alu
,

kal kal

ugu d
u

(st.c.) Ee-iv-14
ka-la-ma, kal^
ama Ee-vi-143

7
, ww.; komt niet voor in G;
II. D-stam (
, (vanaf oud-akk.; D pret. ukl, D pres.
uk^al, ukial; zelden
dib): vasthouden, bevatten, inhouden, ophouden, houden, bevatten, dragen; van lichaamsdelen: onderhevig zijn aan;
AHw II \festhalten", \halten"; CAD 1 to hold an object (physically) to handle a tool, to hold valuables
(also documents, as security or for other reasons) to
wear, to have on one's person, to hold back, to detain
a person or an animal as a pledge, security, or for other
reasons; 2 to contain, to hold (said of containers, the

kullu

99

February 27, 2002 Copyright Heise en Stadhouders, Akkadisch Vocabularium

body, the soil, etc.) 3 to hold authority, to control, to


hold a city, to rule a country, to hold excersize (an
oce), to maintain a rite, to uphold laws, to keep or
have in mind, to consider as given, to have possesion
of or to hold real estate; 4 to present an o ering to a
deity (or a person), to grant a boon (said of gods) to
provide (somebody with something) to hold in store,
to put up merchandise (also slaves) for sale, to o er a
suggestion, to make a statement, a disposition, 5 (in idiomatic phrases, with kutallu, letu, p^u, pu tu, qaqqadu,
resu)
1 ina saptsu t^
a ukalla (D pres.; saptu `lippen'; t^u `bezeringsformule'): `op zijn lippen hield hij een bezwering
gereed' Ee-iv-61


 -
sa
s u ne
u-kal

>B

libbasu umma uk^al (D pres. `bevatten', van lichaamsdelen: `onderhevig zijn aan', `hebben'; de diagnose is):
`dan bevat zijn binnenste hitte' BAM578-i-9 [en is blijkbaar een curabele ziekte]
}
, D part., , (st.c. mukl): die gereed
houdt, handhaver
3 mukl b
a bi (subst.; OB, SB): lett. poortwachter )
deur; CAD 1 \gatekeeper" (a word for door); 2 doorkeeper, guard;
4 mukl telilti (D part.; teliltu `reiniging' !elelu `rein
z/w.'): `die reiniging vasthoudt/`houder van het reinigingsambt' Ee-vii-19
=
mu-ki-il, mukl (D part. st.c.) CH-iii-43
=
mu-kil, muk
l (D part. st.c.) Ee-vii-19
u-ki-il, ukl (D pret.) CH-xxiv-52

mukillu, muklu

>> B
> BV

(D pres.) Ee-iv-72
,
(D pres. vr.mv.) Ee-iv-61
li-kil-ma, lik
lma, (D prec. +ma) Ee-vii-119

u
-kal uk^
al

u
-kal-la ukall
a

k^am , !k am (adv.) `aldus'


kamalu , (ww. i/i-klasse; SB, NB):


I. G-stam (pret. ikmil) boos zijn op (op=itti); Er zijn

veel woorden voor \boos zijn op", \gaan haten" etc.,


vgl. kama lu+iti, aga gu, zer^u, ezezu;
AHw \grollen", \z
urnen"; CAD 1 to become angry,
wrathful,
1 Ti
a mat sa ikmilu, (G pret. subj.): `T. die boos was'

Ee-iv-76

kitmulu

I/2. Gt-stam (

) CAD 2 to be irascible, to be
angry with eachother;
II. D-stam (kummulu, factitief) CAD 3 to make angry
}
, D verb.adj., ,
elativisch,
m.mv.
kummulu tu): `zeer toornig'; [adj. van het purrus-type, vr. purrust; %nominale typologie; verb.adj. van de
D-stam, vaak in gebruik ter aanduiding van lichamelijke gebreken; sukkuku `doof'; kubbutu `zwaar', maar
hier D elativisch]
2 il u istar zen^
uti sabsu ti kummulu ti, (adiectiva m.mv.): `mijn boze, toornige en zeer kwade god en godin'

kummulu

Sin3-67

makmulu, ingressief) CAD 4 to become


}kummulu tu , (suf x !{utu, {ut vormt abstracta):
IV. N-stam (

angered

grote toorn, grote boosheid; ander woord voor `toorn'


zen^utu, !zen^u;

, (G pret. subj.) Ee-iv-76

ik-mi-lu ikmilu

 = I

(gen.) Sin3-67

kamantu , (subst. plantennaam; ook kamandu, kam^atu,


ku-um-mu-lu-ti kummul
u ti

>

kammantu; SB, NB;


u abduh): (planten
naam die veel voorkomt, maar niet geindenti ceerd
 b `koe', afgeleid van
is;
a
, pictogram van koeiekop)
> H
13 sla numun u abduh
1
1 3 q^
a z^e zer kama nti ` 31 q^a zaad vande kama ntu

>
kamaru

>

BAM578-i-5

u   kama nti BAM578-i-5


, (ww. a/u-klasse; OB, MB, NA, NB):
I. G-stam (pret. ikur, pres. ikammar, NA ikammir; in
math.
gar;
ulgar): ophopen, opstapelen, verstrikken; math. optellen
AHw III \schichten", \h
aufen"; CAD 1 to heap up, to
pile up, to spread (dates for sorting); 2 to add (as a
math. term)
1 pulh 
a tu elsu kamra , (G stat. vr.mv.), lett.: `vrees
wekkendheden
zijn op hem opgestapeld' Ee-i-104
I/2. Gt-stam (
) CAD 3 to accumulate, to have
in store
II. D-stam (
, als G): ophopen, opstapelen; CAD
4 to heap up, to pile up; 5 Dt passive to D
IV. N-stam (
, passief) CAD 6 to be heaped up
(said of ruin mounds and corpses)
}
, Gt verb.adj., , (vr. kitmurtu, SB*) opgehoopt,
samengebald; CAD heaped up, stacked
2 imtuknu kitmuru (< imtu +kunu, apocope vorm;
verb.adj. Gt): `uw samengebalde/opgehoopte gif' Ee-i b duh
a

kitmuru

kitmuru
kummuru
namkuru

162

}kama ris , (term.):

in een valstrik, in de val, vuik; AHw


\im Garn";
3 kam
a ris usbu, (< u sibu G pret. mv. v. wasa bu): `zij
raakten in de val', `zij kwamen in de val te zitten' Ee-

9 H
iv-112

k
am-ra kamr
a

(G stat. vr.mv.) Ee-i-104

= D kit-mu-ru, kitmuru (Gt verb.adj.) Ee-i-162


=
mu-kam-me-er, mukammer (D part.) CH-i-54
, (ww. i/i-klasse; ook kama s.u; vanaf OB)
I. G-stam (pret. ikmis, pres. ikammis, stat. kamis): inzamelen;
AHw I \einsammeln"; CAD A 1 to gather (trans.),
to collect, to bring in (barley, persons, animals, documents or objects); 2 to gather (intrans.); 3 to nish,
to complete
II. D-stam (
) CAD 4 to gather in barley, to
collect, to assemble persons; stat. to be assembled, stationed, to gather animals and objects, to prepare for
burial 5 Dt passive to mng. 1;
III. S-stam (
) CAD 6 to collect, to place
IV. N-stam (nakmusu, passief) CAD 7 (passive to mng.
1 and 3)
, (ww. i/i-klasse; ook kama s.u I , kamasu; vanaf
OB; !gam! du8 gam): G-stat.: geknield liggen
1 kamsaku, (G stat. 1e p.enk.): `ik lig geknield' Sin1-21
I. G-stam (pret. ikmis, pres. ikammis, stat. kamis): knielen, zich buigen;
AHw \sich beugen", \knien"; CAD 1 to squat, to kneel,
to kneel in prayer or in submission;
2 kams
u maharka ilu rabu tim, (G stat. mv.): `de grote
goden knielen voor u [S^n]'
3 kamsaku azzaz (G stat. en G pres. 1e p.enk. v.izuzzu):

kamasu I

kummusu
sukmusu

kamasu II

100

February 27, 2002 Hoofdstuk 2 Akkadisch vocabularium

`(nu eens) kniel ik, (dan weer) sta ik' Sin1-21


, re exief) CAD 2 to kneel down,
stat. to be in a kneeling position
II. D-stam (
, bet. als G)

III. S-stam
(sukmusu, causatief)
 kam-su, kamsu (G stat. mv.) Sin1-11
e
h
kam-sa-ku, kamsaku (G stat. 1 p.enk.) Sin1-21

, !k am (adv.) `aldus'
, (ww. i/i-klasse, vanaf oud-akk., OB;
lal):
I. G-stam (pret. ikmi en ikmu, pres. ikammi, ikammu,
stat. kami, imp. kimi en kumu binden, vastbinden, boeien, gevangen nemen;
AHw III \binden"; CAD A 1 to capture of to defeat
an enemy; 2 to capture, to overcome, to ensnare (in
transferred mngs. and in magical context) 3 to attach
(as a technical term in extispicy)
[drie woorden die op elkaar lijken en soms vergelijkbare
betekenis `binden' hebben. Het meest gewone woord is
kam^u `binden', `gevangen nemen'; verder kal^u `vastzetten' en kas^u `boeien', `vastbinden']
1 ikmisuma Apsa (G pret.): `hij [Ea] boeide Aps^
u' (en
doodde hem toen) Ee-i-69
2 ultu limnesu ikm^
u isa du (asyndese van G pret. subj.
v. kam^
u en G pret. subj. v. s^adu `doodslaan'): `nadat hij
[Ea] zijn vijanden had vastgebonden en doodgeslagen'

kitmusu
kummusu

I/2. Gt-stam (

k^amma
kam^u

Ee-i-73
3 ikmisima, (G pret.): `hij nam haar gevangen' Ee-iv103
4 ikm^
usuma mahris d Ea ukallusu (G pret. subj. mv.
 v. D-tantum kullu, !*k^alu): `zij
< ikmiu ; D pret.mv.

boeiden hem en hielden hem vast/in bedwang voor Ea'

Ee-vi-31
5 sa ina kakkisu ab
u bi ikm^u sa p^uti (adj.m.mv. v.
sa p^u `stiekem', zelfst. gebruikt; G pret. v. kam^u `vast-

binden'): [Marduk] `die met zijn wapen, de stormvloed, de arglistigen in de boeien sloeg/gevangen heeft
genomen' Ee-vi-126
}
, G verb.adj., , (OB, SB;
lal):
gebonden,
geboeid;
AHw I \gebunden"; CAD captured, captive
}
, (term.; adv.; ook kames; OB, SB, NB): op geboeide wijze, gevankelijk, gebonden, geboeid, in de boeien;
CAD like a captive
IV. N-stam (
, passief): gevangen genomen worden;
CAD 4 (passive)
6 Mummu sa ikkam^
u (N pret. subj.) `Mummu die gevangen genomen werd' Ee-i-118
P
i-ik-mi, ikmi, (G pret.) Sil-C-118
P
ik-mi-
s u-ma, ikmi
s uma (G pret. + 
s u + ma)

kam^u

kam^s

nakm^u

b V
V
>
V >

kanaku
Ee-i-69

Ee-iv-103

ik-mi-
s i-ma ikmi
s ima

(G pret. + si +

ma

P=
ik-mu-
u, ikm^
u (G pret. subj.) Ee-i-73
P = ik-mu-u, ikm^u (G pret. subj.) Ee-vi-125
P = ik-mu-ma, ikm^uma (G pret.) Ee-vii-162
P =
ik-ka-mu-
u, ikkam^
u (<*inkam^
u N pret.
subj.) Ee-i-118

;P
li-ik-mi likmi (G prec.) Ee-vii-132
, (ww. denominatief: een ww. waarvan het subst.
de grondvorm is en die dan altijd primair toestandsww.
zijn; v. kunnuku a/u-klasse; vanaf oud-akk.):
I. G-stam (pret. iknuk, pres. ikannak): verzegelen, zegelen;

AHw

\siegeln", \oversiegeln"; CAD 1 to seal (by making a seal imprint on the clay tag of a container, on a
door, on a house) 2 to seal a document; 3 to place objects unders seal (for safekeeping, identi cation, etc.)
4 to give or receive under seal;
II. D-stam (
, bet. als G) CAD 5 (same mngs. 1
to 4)

III. S-stam
(
, causatief) CAD 6 (causative to
mngs. 1 to 4)
IV. N-stam (
, passief) CAD 7 (passive to mngs.
1 to 4)
}
, (subst. v. verb.adj.; m. en vr.; mv. kanka tu;
OB, Mari, MB, MA, NA): gezegelde oorkonde;
AHw \gesiegelte Urkunde"; CAD 1 sealed document;
2 sealed bag; 3 sealed tag; 4 (uncert. mng.) [nom.
vorm van het pars-type; %nominale typologie; niet
zo frequent voorkomend; passief voltooid deelwoord,
die het resultaat van het handelen weergeeft; gesubstantiveerde verb.adj.; bijv. nashu `geselecteerde' >
`gedetacheerde': kanku resultaat van kana ku]
}
, (subst.; st.c. kunuk; met suf x nom/acc.
kunukka-; gen. kunukki-; mv. kunukku , kunukka tu; vanaf OA, OB;
ki
s ib, later 
s id): rolzegel, zegel, (cylindervormige zegel) verzegelde brief, oorkonde, akte, zegelafdruk;
AHw \Siegel"; CAD 1 seal, cylinder seal; 2 seal impression produced by a cylinder seal; 3 sealed clay tablet
(legal or administrative document, also letter) 4 vertebra
, (ww. u/u-klasse, zelden i/i-klasse; vanaf oud r):
akk.;
gu
I. G-stam (pret. iknus, soms iknis, pres. ikannus, soms
ikannis, stat. kanis): zich buigen, knielen;
AHw \sich beugen", \sich unterwerfen"; CAD 1 to
submit to an overlord, a deity, to submit to a decision; 2 to bend down, to bow down; 3 (with kinsu) to
construct an incline;
I/2. Gt-stam (
, re exief) CAD 4 (only stat. attested) to subject oneself
II. D-stam (kunnusu): (zich aan iem.) onderwerpen, doen
buigen; CAD 5 to force into submission, to make submissive, to bend; 6 Dt passive to mng. 5)
III. S-stam (
) CAD 7 to subjugate, to make
submissive, to make bow;

III/II. SD-stam
CAD 8 to subjugate, to make submissive
=  mu-ka-an-ni-is, mukannis (D part.)

kanku

kunnuku
suknuku
naknuku

kunukku

kanasu

kitnusu

suknusu

CH-iv-24

k^anu , (ww. -u-, < *kuanum < *kuwanum; Ass. vorm is

kua nu vanaf oud-akk.; gin; U F gina), ook


alleen gi)
I. G-stam (pret. iku n, pres. ik^an < iku a < *ikawwan
met als altijd *aw > u ; stat. ku n): stevig z/w., vast
z/w.; duurzaam z/w.; betrouwbaar z/w.; waar zijn, vaststaan; astron.: stationair zijn (gezegd van planeten)
AHw \dauerhaft wahr, treu sein, werden"; CAD A
1 to be rm in place, to remain stationary, (said of
planets) to be secure, (said of a foundation, a rule, a
position), to last, to endure, to remain into e ect, to
be loyal, honest, reliable, correct to be well disciplined;
to remain quantitatively constant,
1 l
u knamma mahru nimbukun (G stat. + dat. am;


101

February 27, 2002 Copyright Heise en Stadhouders, Akkadisch Vocabularium

hier niet lu + stat. = prec.; nimbu variant v. nbu


+kun(u), adj. mahru voor subst.!) `uw vroegere woord

hebt gij waarlijk jegens
mij gestand gedaan' Ee-vi-21
2 kn, knat (G stat. 3e m. en vr.), bijv. in G prec. l
u
knat `moge zij vast zijn/betrouwbaar zijn' (van bevelen in Ee-iv-9)
I/2. Gt-stam (
, duurzaam, altijd; Gt pret. iktu n):
duurzaam vestigen, beklijven CAD 2 Gt (same mngs. as
G)
3 likt
u nu , (Gt prec. mv.): `moge ze beklijven' of (wensof gebodsvorm, ook soms het presens, in afhankelijke
zin vaak weer te geven als zin van consequentie \en
dan", \opdat", \zodat". Het gaat dan om een mogelijk gevolg, bij feitelijk gevolg wordt de indicativus
gebruikt): `opdat ze beklijven' (van maatregelen, zoals
vernietiging en schepping) Ee-iv-22
4 sunu likt
u nu , (Gt prec. mv.; wens- of gebodsvorm,
ook soms het presens, in afhankelijke zin vaak weer te
geven als zin van consequentie \en dan", \opdat", \zodat". Het gaat dan om een mogelijk gevolg, bij feitelijk
gevolg wordt de indicativus gebruikt): `opdat z dan
(op hun beurt) stand houden/blijven bestaan' Ee-vi-16
II. D-stam (
, factitief; D pret. uk^n, Ass. uka in;
D pres. uk^an, Ass. uka an; D stat. kn): stevig/sterk maken, vastmaken, bevestigen, grondvesten, vaststellen, vastleggen; jur.: wettige en overtuigende bewijs leveren, aantonen, bewijzen, (versus `weerleggen', `loochenen')
CAD 3 to place an object correctly or in a speci ed
place (said of ritual and votive objects, of tablets, food,
and other objects), to set up a stela, a boundary stone,
an inscription, an image, to place parts of a construction in correct position, to establish the foundation of
a building, to erect (a wall, a building, a city), to lay
out a watercourse, a boundary, to impose tribute, a
ne, to levy taxes, to establish regular deliveries and
o erings, to establish laws (regulations, rituals, fame),
to organize, to put in order, to assign (a person to a
position, an oce), to grant good fortune, a calamity
to assign ( elds, houses, staples, etc.) to maintain and
preserve (the rule, the life of a person, the safety of an
object, the permanance of a city) 4 to testify, to make
a statement as witness, to act as a witness, to con rm,
to certify, to establish (in math. and astron.)
5 kunn
a t^ereti napharsina us.ura ti (D stat. vr.mv.;
 `orakel'; usurtu `ontwerpen',
t^ertu `gebod', `order',
.
`plannen'): `vastgesteld werden alle besluiten en wetten/instellingen' Ee-vi-78 (bij de zgn. taqribtu, de ceremonie van de voorbede in de eerbiedwaardige Esagila)
6 uknma eli Aps^
u subatsu (D pret.) `hij [Ea] vestigde
zich op de Aps^u, zijn woning' (verklaring in Enu ma
elis, waarom Ea op de Aps^u woont) Ee-i-71
7 s
a btam sia ti ukannusima (D pres. +si+ma) `(dan)
moeten ze het overtuigende bewijs tegenover deze
waardin geven'
8 aw^
at iqb^u la uktn (D perf. en G pret. v. qab^u `spreken'; iqb^u< iqbiu) CHx3 `(en) de kwestie waarover hij
heeft gesproken, niet kan bewijzen' of `aantijging, die
hij heeft gedaan', `bewering, die hij heeft gedaan'.
9 ana bel
u t il sa sam^e u ers.etim sunu uktinnusu
(D perf. v. k^anu, D: `vestigen', `bevestigen'; sunu beetje overbodig: `zij op hun beurt'): `zij bevestigden hem
[Marduk] in de heerschappij over de goden van hemel

kitunu

kunnu

en aarde' Ee-vi-100 (vgl. \bevestigen"/\installeren" in


het ambt van dominee)
10 likn ana abbsu nindab^e rab^
utu (D prec. 3e p.enk.;
nindab^u `broodo er'): `moge hij [Marduk] voor zijn vaderen rijke/copieuze spijso ers instellen' Ee-vi-109
}
+
, ter hand stellen, overhandigen, toe-

qatu kunnu

vertrouwen
11 ana q
a ti il rabu ti ukinnu (D pret. subj.), lett.: `(en

toen zij) in de hand/macht van de grote goden (de


plannen) hadden vastgesteld' ) `(en toen ze die) aan
de grote goden hadden toevertrouwd' ACh-Sin-i-6
II/2. Dt-stam (
, passief bij D; D pret. uktn,
Ass. ukta in): vastgesteld worden etc.;
CAD 6 passive to mng. 3
12 il
u sima ti 7-sunu ana esbar uktinnu (= ana puruss^; Dt pret. mv., passief), lett.: `de goden van de
lotsbepalingen, hun zevental, werden bestemd voor de
beslissing' Ee-vi-81 (er werden 7 goden [door Marduk]
aangewezen tot het ambt van puruss^u \inwilligers".
Marduk als koning der goden wijst andere goden hun
plaats, maar niet als alleenheerser. Anu en anderen
blijven in hun souvereiniteit erkend als o.m. lotsbeslissers. Uit de tekst blijkt niet wie deze zeven zijn, waarschijnlijk Anu, Enlil, Ea, de moedergodin en de drie

astrale goden S^n, Sama
s en Istar.)
}
, (isdu in dualis `benen', `fundament'): lett. zijn fundament stevig vestigen ) vaste grond
onder de voeten geven, een stevige positie geven
13 tuk^
an isdsu (D pres. 2e p.enk.): (wie vertrouwt op
u, Sin), die `geeft u vaste grond onder de voeten' Sin3-49
}
, D part., ,
(subst.;
st.c. mukn; mv. mukinnu ; OB, NB): eig. vaststeller,
constateerder ) getuige (zie ook sbu); AHw \Zeuge";
CAD 1 witness; 2 (uncert. mng.)
}
, (< *ka imum; Ass. kenu; st.c. kn-; vr. kittu,
vr.mv. kna tu: recht, vast; ook: veilig, betrouwbaar,
oprecht, eerlijk, rechtschapen; [nomen/adjectief van het
paris-type, (vr. parist; %nominale typologie); vaak als
nominale formatie bij adj. of verb.adj., vooral de vr.
vorm: damiqtu `het goede', `geluk', `gunst'; kittu <
*kintu `waarheid']
AHw \dauerhaft", \wahr", \treu"; CAD 1 true, reliable, just; 2 honest, decent, loyal; 3 correct, normal,
regular, sound, legitimate; 4 rm (in place)
14 ina kitti u msari: in waarheid en gerechtigheid )
echt, eerlijk, oprecht Sin1-24a
15 dn kitti u msari: `een oordeel van recht en rechtvaardigheid' Sin3-45
16 GN-res.i-kni PN `GN-helpt-de-rechtschapene'
}
, (term.; adv.: \op knu wijze"; ook kenis; vanaf oud-akk., OB): heuselijk, betrouwbaar;
AHw \zuverl
assig"; CAD duly, according to expectation, in due form, correctly, truthfully, loyally, steadily,
rmly
17 knis naplisannima (N imp. v. N-tantum naplusu +
dat. nim + ma): `zie mij heuselijk aan' Sin3-62 (zodanig
dat hij, de god, het eerlijk meent')
}
, (< *kintu, vr. v. knu < *ka inum, gesubstantiveerd vr. verb.adj.): waarheid, recht (waar je je op
verlaten kunt; wordt ook van woorden gezegd); [nomen/adjectief van het paris-type, (vr. parist; %nominale typologie); vaak als nominale formatie bij adj. of

kutunnu

isdsu kunnu
mukinnu

knu

knis

kittu

102

February 27, 2002 Hoofdstuk 2 Akkadisch vocabularium

verb.adj., vooral de vr. vorm: damiqtu `het goede', `geluk', `gunst'; kittu < *kintu `waarheid'];
d Kittu (d n

gzida), de vizier sukkal van Sama
s /Utu
d
aan zijn rechter zijde, naast ngsisa als vizier aan
diens linker zijde; maar in orthogra e d nggina is zij

Sama
s ' dochter.
}
, (subst.; vr.mv. v. kittu; vr.mv. voor abstracte woorden; vanaf OA, OB) recht, waarheid, betrouwbaarheid, soms lastig woord, zoiets als betrouwbare
orde, \waar je van opaan kunt"; CAD 1 truth, correct
measure, correct behaviour, justice, loyalty, stability,
permanency;
18 kn
a ti atam^a inimm^a ittija (beetje raadselachtig,
misschien atm^a, Gt imp. v. aw^u `spreken'): `spreekt met
mij een woord als waarheid' Ee-vi-22 (\ik heb u leren
kennen als eerlijke lieden"?)
19 mukn t.urri il b
a u^ kna ti (D part. v. k^anu in
D `grondvesten'; G part. v. ban^u `scheppen') `die de
band/de samenhang der doden tot stand heeft gebracht en die de scheppingsorde heeft ingesteld' Ee-

knatu

vii-80

}takittu , (subst.; st.c. takitti):

bevestiging; AHw \Bestattigung"; Eng.: con rmation


F ki-na, kna (G stat. 3e vr.mv.) CH-xxiv-69
ki-ni-is, knis, Sil-C-14


9 N }

n C
V

(adv.) Sin3-62
,
(vr.acc.), CH-v-20,21
I kit-ti, kitti (gen.) Sin1-24a, Sin3-45
F ^ ki-na-tim, kna tim (vr.mv.), CH-iv-53
F ki-na-at, knat (G stat. vr.) Ee-iv-9
ki-nat, k
nat (G stat. vr.) Ee-vii-151
F I ki-na-a-[ti], kna ti (gen.vr.mv.) Ee-vii-80
O ki-nam-ma, knamma (G stat. + dat.-am + ma)
Ee-vi-21
M F kun-na, kunna , (D stat. vr.mv.) Ee-vi-78
; P : K li-ik-tu-nu, liktu nu (Gt prec. mv.) Ee-iv-22
: K lik-tu-nu, liktu nu (Gt prec. mv.) Ee-vi-16
e
;
li-kin, lik
n, (D prec. 3 p.enk.) Ee-vi-109, vii-130
=
mu-ki-in, mukn (D part. st.c.) CH-ii-24
=
mu-kin, muk
n (D part. st.c.) Ee-vii-106
=
K mu-ki-in-nu, mukinnu (D part.) CH-iv-40
:  tu-ka-an, tuk^an (D pres. 2e p.enk.) Sin3-49
tuk-tin-ni, tuktinn (D perf. 2e p.enk.) Ee-iv-84
u-ki-in, ukn (D pret.) CH-xxiv-78, Ee-i-71
u
-kin-
s u, uk
n (D pret. + 
s u) Ee-i-61
K u-kin-nu, ukinnu (D pret. subj.) ACh-Sin-i-6,
Ee-vii-16
K ~ u-ki-in-nu-sum, ukinnusum (D pret.
3e m.mv. + sum), CH-i-26
K
u
-ki-in-nu-ma, ukinnuma (D pret. +ma)
CH-xxiv-5
K uk-tin-nu, uktinnu (Dt pret. mv.) Ee-vi-81
K
uk-tin-nu-
s u, uktinn
u
s u (D perf. mv. + 
su
Ee-vi-100
O ki-nam, knam CH-xxiv-6
ki-ni
s

k
ni
s

ki-it-tam kittam



>
>>  b
>
>
> V
b

kapadu

, (ww. u/u-klasse, minder vaak i/i-klasse; ook


kapa tu; vanaf OB):
I. G-stam (pret. ikpud, pres. ikappud): plannen, beramen
(van kwade zaken); soms transitieve stativus)
AHw \erstreben", \planen"; CAD 1 to plan, to plot, to
devise; 2 OB to take care o ; 3 Gt kitpudu same mngs.
as 1 and 2;

1 kapid libbakima dek^ ananta (G stat. object: G inf.


st.c. v. dek^u; anantu `strijd'): `uw hart beraamt het
ontketenen van de strijd' ) `in uw hart beraamt gij
: : :' Ee-iv-78
2 ezz
u kapdu (2 stat. 3e p.mv., ezezu `woedend
z/w.') `In woede ontstoken, beraamden ze boze plannen'
3 assum lemneti ikpudu (lemneti vr.mv. `het boze';
G pret. subj.) `vanwege de boze dingen die hij had beraamd' Ee-i-52
4 mimm^
u ikpudu (G pret. subj.): `alles wat hij had beraamd' Ee-i-55
5 iktapd
u ma karsussunu lemutta, (G perf. mv.; verwacht karsusunu, mogelijk locativus < *karsumsunu
= ina karsu): `zij beraamden een boos plan' Ee-i-111
II. D-stam (
, betekenis als G) CAD 4 same
mngs. as 1;
III. S-stam (
) CAD 5 to make a plot, to make
(someone) plot

ka-pid, kapid (G stat.) Ee-iv-78
X kap-du, kapdu (G stat. mv.) Ee-i-130
P ik-pu-du, ikpudu (G pret. subj.) Ee-i-52, 55
P|
ik-tap-du-ma, iktapd
u ma (G perf. mv.) Ee-i-111
, (ww. a/u-klasse; vanaf OB; o o sugurgur;
suur):
I. G-stam (pret. ikpur; pres. ikappar; G stat. kapir) afwissen, wegvagen; AHw \abschalen", \abwischen"; CAD
A 1 to whipe o ; 2 to smear on (a paint or liquid);
II. D-stam (
, bet. vaak als G) CAD 3 to whipe
o , to clean objects, to rub, to purify magically;
1 ina qsi danni liktappiru gupn
usu (Dtprec. of
Gtnprec. hebben beide li-; ww. komt veel in de D voor;
qsu `struikgewas'; gupnu `boomstam'): `In het ondoordringbare bos, moge zijn boomstammen worden weggevaagd' erra-i-71
oo
gurgur-
su
2 tukapparsu (volgt in BAM578-i-10 na de constatering van koorts; beetje raadselachtig: o gur t^aru
in Dtn (herhaald logogram) `steeds doen terug keren';
misschien sugurgur dat in het Sum. vaak alleen als
gurgur verschijnt, kap
a ru D kuppuru `afwissen' als
korte therapie?): `je moet hem afwissen' BAM578-i-10
IV. N-stam (passief) CAD 4 to be rubbed, to be
smeared;
| D lik-tap-pi-ru liktappiru (Dt of Gtn prec.)

D
s V

kuppudu
sukpudu

kaparu

kuppuru

erra-i-71

*kapatu , (ww. niet in G; D-tantum)


II. D-stam (kupputu) AHw \zusammenbringen",
\zusammenfassen";
}kippatu , (subst.) kring, ring; abstr. alles wat kring-

vormig is, vgl. Ned. `cultuurkringen', maar ook concreet `ring' om arm, door de neus etc.; vaak als ellips
\kring der landen" ) de gehele wereld; AHw \kreis",

\Ring"; Goden, met name Sama
s , worden wel afgebeeld met een grote ring en een stok in hun hand. De
kring is waarschijnlijk symbolisch voor souvereiniteit
(of wellicht concreet: de neusring waarmee de herder
zijn vee aan de leiband voert);
 s i abarri kippata kal^ama (G pres.1e p.enk. v.
1 kd Sam

bar^u \actief zien", `speuren', `spieden') `zoals Sama
s
kan ik de gehele wereld bekijken'
[k]ip-pa-ta kippata (acc.) erra-i-116

'

103

February 27, 2002 Copyright Heise en Stadhouders, Akkadisch Vocabularium

kappu , (subst.; ook akappu, NA agappu, gappu; vanaf OB):


vleugel; CAD 1 wing, quill, plumage, frond; 2 arm,

hand, list; 3 lobe of the lung, 4 side part of a horse bit


5 kappi ni the region of the eyebrow, the eyelid and
the eyelashes;
, !qaqqadu `hoofd' etc.
, (ww. a/u-klasse; vanaf oud-akk.):
I. G-stam : zegenen, groeten, bidden (voor of ten behoeve
van = dat., soms `tot'); ook wijden, toewijden + acc. v.
voorwerp en `voor wie' met datief; schenken van wijgeschenk; beloven, gelofte doen;
AHw \beten", \weihen", \segnen"; CAD 1 to pronounce formulas of blessing to pronounce formulas of
: : : (said of gods and divine powers and manifestations)
2 to pronounce formulas of praise, adoration, homage
and greeting, 3 to invoke blessings upon other persons
(for a speci c purpose) before the images of gods, to
pray to the gods; 4 to make the gesture of adoration
or greeting; 5 to dedicate an o ering (by pronouncing
the relevant formulas)
1 s.alam sarr
u tja epesa : : : lu akrub 'ik beloofde om
een beeld van mijn koningsschap te maken' (mijn koninklijk beeld: meestal iemand in een biddende houding)
II. D-stam
, bet. als G) CAD 6 (same mngs. as
2 but plural)
IV. N-stam (
, passief)
}
, (subst.; SB*): eerbiedwaardige (subst.);
[nom. vorm van het paru s-type; %nominale typologie; evenals het pars-type vaak het gesubstantiveerde
verb.adj., ons passief voltooid deelwoord met een potentialis karakter \moetende/kunnende : : : worden",
hier `gegroet moetende worden' ) `eerbiedwaardig']
CAD honored person
u bu nu r abi a lidisu (G part.
2 d Asar-alimnunna kar
v. wal
a du, `verwekker') `A. [epitheton van Marduk],
de eerbiedwaardige, het licht van zijn biologische
vader/zijn verwekker' Ee-vii-5
}
, (subst.; st.c. ikrib; mv. ikribu ; vanaf oudakk.): gebed, gelofte, begroeting, wijgave; idioom dus:
kara bu ana PN ina mahar GN: `bij GN voorbede doen
 het ipris(um)-type; %nomivoor PN'; [nom. vorm van
nale typologie; er zijn er niet veel met zo'n vocaalvoorslag; vgl. ikribu `gebed', ipt.iru `losgeld', isdihu `winst',
ispiku `voorraad(s-kruiken)', imt.u^ `verlies'] 
CAD 1 blessing, benediction; 2 money or goods pledges
by a vow to a deity; 3 prayer
D
ka-ru-bu, kar
u bu Ee-vii-5
e
aD
ak-ru-ub akrub (G pret.3 p.enk.) yos-ix-71,27
, (subst.; !geshtin! gestin `wijnstok' <
ge
s
`hout' en I ti(m) `leven', \levenshout"):
wijn, wijnstok;
S 
!geshtin!
K
#
d
su
ina gestin
kalga
nu pa-tan
[nag]

kaqqadu
karabu

karubu

kuburru
nakrubu

ikribu

karanu

2s

B? 'B

1 tas^
ak ina kara ni danni la pata n isatti (S sud
G pres.2e p.enk. v. sa^ku ` jnstampen'; gestin kara nu

B?

`wijn', `wijnstok';
kalga dannu `sterk', `geconcentreerd', `onverdund'; G pres.3e p.enk. v. sat^u `drinken'): `moet je jnstampen en met geconcentreerde/onverdunde wijn op nuchtere maag drinken' BAM578-i-31
!geshtin!

B?

ge
s tin kalga

(ina) kar
a ni danni

BAM578-i-31

karassa/u ,

`buik'
h

< karas + sa of -su,


,

(<

*kara
s

(<

*kara
s

ka-ras-sa karassa

iv-101



!karasu,
+


sa


su

karsu

) Ee-i-23,
) Ee-vi-138

karasu I , (subst. ook karsu, CAD karasu; OB, MA, SB,


ka-ras-su karassu

NB) legerkamp, leger;


AHw I \Feldlager"; CAD

A 1 camp, encampment of
an army
: (subst. ook karasu^; oud-akk., OB, Mari, SB)
rampspoed, nood, catastrofe;
AHw II \Katastrophe"; CAD catastrophe, annihilation, slaughter

ka-ra-
s i-im, kar
a
s im (gen.) CH-iv-13
, (subst.; ook karsu; OB, SB, NB;

u

sar
gara
s of

gara
s
): prei; CAD B 1
leek; 2 (a stone)
sar


kara
s u (`prei') BAM578-i-2
, (subst.vr.; st.c. karas soms karsa; mv. alleen in NA karsa nu; OA, OB, SB): buik, maag, inwendige, binnenste: ook overdrachtelijk, vaak  syn. met
libbum
AHw \Bauch", \Magen", \Inneres"; CAD 1 stomach,
belly, womb, body; 2 mind, heart, plan, desire; 3 inner
or lower side
1 dalh u
 nimma sa Tia mat karassa (vent. dala hu `ver +libba of +karsu `iem. in verwarring
 brentroebelen'
gen') lett. `zij verstoorden T.'s binnenste' ) `zij brachten T. buiten zinnen'
2 lemutta ittaddi ana karsisa (Gtn v. nad^
u `opwerpen')
lett. `het (geopperde) kwaad wierp zij in haar gemoed'
) `zij nam het kwaad ter harte' (ging haar aan het
hart) Ee-i-44
3 iktapd
u ma karsussunu lemutta, (G perf. mv.; verwacht karsusunu, mogelijk locativus < *karsumsunu
= ina karsu): `zij beraamden een boos plan' Ee-i-111
4 sudluh u
 karsakima, (S stat. mv. v. dala hu): `zij (de
winden) hebben uw binnenste verstoord' )`zij hebben
u in de war gebracht' Ee-i-116
5 karsasa is. 
a nu ma, (G pret. mv. v. s.^anu `doen opzellen'; karsa alt. st.c. `buik'): `(de woeste winden) bliezen
haar ingewanden op' Ee-iv-99
6 l
a it karassu (G part. stat. v. l^at.u `omvatten'; stat.
v. part. komt niet veel voor, meestal in PNs; <karasu
+ su): `zijn gemoed is veelomvattend' Ee-vi-138

h ka-ra-sa, karassa <*karassa (st.c. +sa)

karasu II

H
?

karasu III

karasu, karsu

ga ra
s

H
H
H
aa
aV
a
bt

Ee-i-23, iv-101

Ee-vi-138

>?

ka-ra-su karassu <*kara


s
su

+su) Ee-vii-155

d e

ka-ra- as -su karassu <*kara


s
su

kar-
s a-
s a kar
s a
sa

+ma) Ee-i-116

(st.c. +su)

(st.c.

(alt. st.c. + sa) Ee-iv-99


(alt. st.c. + ki

kar-
s a-ki-ma kar
s akima

kar-
s i-
sa

K

(ana) kar
s i
sa

(gen. + sa) Ee-i-44


(+sunu; ss

kar-
s u-us-s
u-nu kar
s ussunu

i.p.v. s, afwijkend) Ee-i-111

Karkaka , (!Bit Karkaka), stad,


karru II , (subst. <Sum.; vanaf OB; M

 r): knop, kapiga


teel; ook: zetel, troon (normale woord voor `troon' is
!kuss^u)

AHw

\Knauf";

CAD

knob, pommel;

104

February 27, 2002 Hoofdstuk 2 Akkadisch vocabularium

1 usesibassu ina karri (S pret. vent. < -*amsu v.


wasa nu `zitten') `zij liet hem plaats nemen op een
troon' Ee-i-152
V kar-ri, (ina) karri (gen.) Ee-i-152
, !karasu `buik' etc.
, (subst. <Sum., vanaf oud-akk., OB;
gur7 ,
kara6 ) graanschuur, silo, graanhoop;
AHw \Getreidehaufen", \Speicher"; CAD A 1 pile of
barley (prepared for storage) 2 (alleen NB) property
held in common by several persons

karsu
kar^u I



gur

7 gur7 ,

kar^
e

(gen. mv.) CH-iii-21

V
ka-re-e kar^
e (gen.obj.) Ee-vii-78
, (ww. u/u-klasse, ook i/i-klasse; vanaf OB, MB;
 dda):
lugu
I. G-stam (pret. ikru en ikri, stat. *keri): kort z/w.;
AHw II \kurz sein/werden"; CAD 1 to become short
(said of time), to be short (said of breath, temper)
1 iktur
u napist (G pret. mv., verwacht iktaru ) `mijn
leven is kort', `mijn adem is kort geworden' Sin3-60
(waarschijnlijk niet zozeer levensverkorting, maar meer
algemeen idioom voor \in levensnood zijn")
II. D-stam (
): verkorten; CAD 2 to make shorter,
to cut short, to cause hardship, to reduce in size and
number;

III. S-stam
(
) CAD to cut short
P : D ik-tu-ru, ikturu (G pret. mv. met u i.p.v. a)

kar^u II

kurr^u

sukr^u

?V

Sin3-60

karu , (subst. <Sum., ook karatu; vanaf oud-akk.;


,

lik-ri likri

(G prec.) Ee-vii-131

): kade, aanlegplaats, stapelplaats, transitoplaats, markt,


marktplaats, factorij (vgl. VOC-factorij Decima).

kar

AHw

\Kai", \Wall", \Handelsambt"; CAD A 1 embankment, quaywall, mooring place; 2 harbor district,
city quarter destined for traders and sailors; 3 harbor,
trading station, community of merchants; 4 (in OB)
price of a unit of merchandise
1 k
a r sulmim veilige kade, goede/veilige ree

, ka r,

, H.Sip. 23,24

k^aru , (ww.) G stat.: versufd z/w.


II. D-stam (kurru, factitief):
kar

stand brengen
AHw

k
a rum

versu en, in versufte toe-

II \benommen sein"; CAD B to be in a depression, in a stupor


1 k
u r (D stat.) `is suf gemaakt' Ee-i-66 (ku-u-ru, u aan
het eind is onduidelijk )
D ku-u-ru, ku r(u) (D stat.) Ee-i-66
, (ww. a/u-klasse, NB i/i-klasse; OA, OB, SB;
gaz):
I. G-stam (pret. iksum, SB iksim; pres. ikassim) jnsnijden; AHw \zerschneiden"; CAD to cut down trees, to
cut wood, to cut weeds, to cut or chop herbs;
O gaz-sufsim
1 takassim (veel in recepten:) `moet je jnsnijden';
maar ook sim niet als fonetisch complement, maar als
logogram:
O gaz sim
2 tahassal tanappi ( gaz has
a lu ` jnstampen'
 vijzel) of zeldzaof de synoniemen sak^u, z^aku (met
mer kasa mu ` jnsnijden', hier gaz voor G pres.2e p.enk.
v.has
a lu en sim voor G pres.2e p.enk. v. nap^u of sah a lu

`zeven',
`ziften'): `[dit mensel] moet je jnstampen en
zeven' BAM578-i-12

>

kasamu

kasap , st.c. v. !kaspu : `zilver'


kaspu , (subst.; vanaf oud-akk.; }
geld, wit;

): zilver,

 babbar
ku

AHw

\Silber"; CAD 1 silver (as metal used for objects


and as means of payment) 2 money (as medium of
exchange), price, value, payment (usually plural)
1 (ana kaspim) nad
a nu: verkopen
2 kasap tamk
a rum isqulu (G pret. subj. v. saqa lu `betalen', eig. `afwegen') `het geld dat de koopman heeft
betaald' CHx119
3 kaspum har
a s.um u mimma sumsu `zilver, goud of
 CH
iets dergelijks'
x124
4 awlum kaspam hur
a sam abnam u bis qatsu id a nu. `geven') `iemand gaf zilver,
dinma (G pret. v. nad
goud, edelstenen of zijn roerende goederen' CHx112
 babbar = 1 mana kaspam, (acc.) 1 mine
5 1 mana ku
( 500 gr.) zilver, CHx25
1 F


, 1 mana kaspam CHx25
, (subst. pl. tantum; plantennaam; vanaf OB; kasia
sar
in NB; !gazi!
gazi = sila4
): mosterd; CAD (a
native spice plant, speci cally its pungent seeds)
sar
1 
J >!gazi!
sla gazi
2
1
1 2 q^
a kas^e (kas^u `mosterd'; komt veel voor, een plurale tantum, mv. blijkt uit attributen; hier wordt het
spreekwoordelijk kleine mosterdzaad bedoeld): ` 12 q^a
mosterdzaad' BAM578-i-4
 !gazi!
ina a gazisar
2 ina m^e kas^e ( a m^
u `water van' ) `aftreksel'; `met
aftreksel van mosterd [moet je (het) kneden en (als een
pleister) opleggen]' BAM578-i-12

kas^u

V }

1 ma na k
u babbar

kas^u , (ww. u/u, i/i-klasse, vanaf OA, OB;


!gazi!

sar

gazi

kas^
u

BAM578-i-4

):


la

I. G-stam (pret. iksi, iksu, pres. ikassi, ikassu, stat. kasi,


imp. kusu): boeien, binden vastbinden;
AHw

III \binden"; CAD 1 to put a person in fetters,


to arrest a person, to bind hands and feet; 2 to join,
to tie (objects together) to bond (bricks or blocks of
stone) 3 to paralyse limbs and parts of the body, to
bind magically; 4 to demand payment (OA only)
[drie woorden die op elkaar lijken en soms vergelijkbare
betekenis `binden' hebben; het meest gewone woord is
kam^u `binden', `gevangen nemen'; kal^u `vastzetten' en
kas^u `boeien', `vastbinden']
1 ikass^
usunutima ana m^e inadd^usunuti (G pres.;
G pres. + sunuti v. nad^u `gooien'): `(dan) zullen ze hen
geboeid te water werpen' (een op heterdaad op overspel betrap stel CHx129
II. D-stam (
, factitief of bet. als G): CAD 5 to bind,
to put in fetters, to arrest, to tie objects together, to
paralyse, to bind magically; 6 to demand payment; 7
Dt passive to mng. 1 8 N passive to mng. 2
2 idsunu ukassi, (D pret.), lett.: `hij [Marduk] maakte hun armen vast' ) `hij sloeg ze in de boeien', `hij
legde ze handboeien aan' Ee-iv-117
 p u-ka-as-si, ukassi (D pret.) Ee-iv-117
, (ww. a/u-klasse):
I. G-stam : minderen; verminderen;
t (
AHw etwa \minderen"; S
) ontlasten,
leegmaken, uitladen; ontladen, afnemen (van de maan) )
krimpen (van de maan) (i.t.t. de wassende maan) CAD
lemma sutaks.unu to reach fullness, full strength
 2 imp. vent. +ma), ge1 ina simti sutaks.ibamma (St

kuss^u

>

kas.abu

sutaks.ubu

105

February 27, 2002 Copyright Heise en Stadhouders, Akkadisch Vocabularium

richt tegen de maan na vollemaansdag: `neem naar behoren af!', `krimp naar behoren!' Ee-v-20
2 Mummu erpeti listaks.ibamma (St prec. met vent.
-am en sux ma): `moge hij [Adad] als Mummu de
wolken tot ontlading brengen' Ee-vii-121
~

s u-tak-s
s utaks
. i-ba-am-ma 
. ibamma

t2 imp. vent.) Ee-v-20


(S

kas.aru , (ww.
):

a/u-klasse): ook qas. a ru; vanaf

OB;

k
e
s

I. G-stam (pret. iks.ur, pres. ikas.s.ar, stat. kas.ir binden,


knopen, klitten, soms i.h.a. \tot een organisch geheel maken" ) samenballen, construeren, ordenen, praktisch een
woord voor creeren; ook: bewapenen (van soldaten) [in
woorden met 2 emfatische cons. q, t. dissimileert er een
(t.>t, q prefereert boven t.); in wortel met 2 emfatische
cons. q, s. dissimileert er een q>k ]
AHw

\knoten", \fugen", \sammeln"; CAD 1 to tie, to


bind together, to join, to construct buildings, etc. to
collect, to compose a text, to give relief, to strengthen,
(with batqu) to repair; 2 to organize, to assemble a
body of soldiers into a military formation, to form a
herd (of animals), to make regulations, to organize a
group (a country) to set up a battle (array), to prepare
for battle, to plot evil; 3 to cluster, to gather, to concentrate, to make compact; 4 to work for wages;
1 d
a m luks.urma (G cohor.1e p.enk.; da mu in enk. en
mv. `bloed'): `ik [Marduk] wil bloed samenballen' (om
samen met beenderen, daaruit de mens te creeren) Eevi-5
2 iks.uru t
a h a zu (G pret. subj.): `(en die) de oorlog

heeft/had georganiseerd'
Ee-vi-24, 30

kis.s.uru <*kits.uru): doorvlechten, vlech) tot stand brengen CAD 5 to become

I/2. Gt-stam (
ten (in elkaar)

joined, to put together


3 (en
u ma) giparra la kis.s.uru (Ee-i-6, in de oertijd toen
er nog) `geen weiden waren gevlochten' (<*kits.aru
Gt stat. 3e m.enk. subj.)
II. D-stam (
) CAD 6 to tie together, to surround (with a fence or net); 7 Dt to assemble, to make
ready for battle, to concentrate (re exive)

III. S-stam
(
) CAD 8 to join together, to make
ready for battle

III/2. St-stam
(
) CAD 9 to make ready, to
gather
IV. N-stam (
, passief) CAD 10 to be tied,
bound together (passive to mng. 1)
}
, (subst.; ook kis.aru; st.c. kis.ir; mv. kis.ru ; vanaf
oud-akk.;  kakisda; ook kes): primair
knoop, tesamenballing; meute, schare, regiment; ook huishuur CHx69+c CAD 1 knot (made for magic purposes);
2 contingent of soldiers, troop, team of workman or experts, 3 rent (payment); 4 joint of the human or animal
body, a feature of the exta; 5 kis.ir libbi anger, wrath;
6 structure, bond (of a mountain, a wall) mountain
fastness, concentration, strength; 7 joint, node, knot
(of a plant); 8 section (of a text), region; 9 possessions, treasures; 10 stricture (of the alimentary canal)
11 lump, meteorite (?) 12 clasp, handle; 13 (an astron.
term)
4 kis.ir sanat jaarhuur, huursom over een jaar
5 kis.ir sarr
u ti koninklijke garde;
6 kis.risa uptarrirma, (Dt pret. of D perf. vent. v.

kus.s.uru

kis.ru

suks.uru
sutaks.uru
naks.uru

para ru `losmaken', `ontbinden'): `haar meute verspreidde zich/ werd verspreid' of: `hij verspreide haar
meute' Ee-iv-106
P
D ik-s.u-ru, iks.uru (G pret. subj.) Ee-vi-24, 30
D ki-is.-s.u-ru, kis.s.uru (<*kits.aru (Gt stat.

+( +
 ( VU
subj.) Ee-i-6

V ki-is.-ri-sa, kis.risa Ee-iv-106

lu-uk-s
. ur-ma, luks
. urma (G prec.) Ee-vi-5
, (ww. a/u-klasse; ook gas. a s.u; vanaf OB; 
 guz):
zu
I. G-stam (pret. iks.us.; pres. ikas.s.as.) knarsen (van tanden); schuren, afslijpen; AHw I \abschleifen"; CAD
(gas. a s.u A 1 to gnash the teeth, 2 to bare the teeth, 3
to rage, to be raging;
F K
s

 -
di
s
na
nu pa-tan
sag 
sa
s u i-kas.-s.a-as-su

kas.as.u

'B

1 summa amelu l
a pata n res libbasu ikas.s.assu
(G pres. 3e p.enk. + su v. kas. a s.u < *-as.su a/u-klasse
transitief `knarsen' (van tanden), ook `schuren', `afslijpen'; hier absoluut met dativus incommodi \het knarst
tegen hem" ) `geeft hem een knagend/bijtend gevoel'): `indien een man (nog) voor hij gegeten heeft,
boven in zijn buik/maag een bijtend gevoel heeft' BAM-

J

578-ii-20

BAM578-ii-20

i-kas
. -s
. a-as-su ikas
.s
. assu

(G pres. +su)

kas.u^ , (ww. van de i-klasse, zoals veel eigenschapsww.):


I. G-stam (pres. ikassi; stat. kasi): koud z/w., koel z/w.;

..
.
III \kalt sein/werden"; CAD 1 to become cold,
to cool o ;
II. D-stam (
, causatief): CAD 2 to let cool o , to
allow to cool;
, soms voor pers. vnw. dativus 2e p. !k^asi(m)

ka-a-
sa
, k^
a
s a Sin1-21 Sin3-49
, (ww. a/u-klasse, vanaf oud-akk.;
kur;
 sa
 ):
sa
I. G-stam (pret. iksud, pres. ikassad, stat. kasid): bereiken, treffen, aankomen; verwezenlijken, overweldigen, grijpen
(syn. met s.aba tu), te grazen nemen, te pakken krijgen' (gezegd van boze tekenen, als het voorzegde onheil werkelijkheid wordt), veroveren (trans.), overmeesteren,  syn.
met s.abatu `grijpen';
AHw \erreichen", \ankommen", \erobern"; CAD 1 to
reach, to arrive (said of a moment of time), to reach
and equal in value, to amount to, to be sucient, to
approach (a person, an authority) with a claim, a complaint, to nd; 2 to conquer (a country, a city), to defeat (an enemy), to be victorous, to capture an enemy,
to arrest (a fugitive, a criminal), to surprise (in the
act), to seize (said of diseases, evil spirits, misfortunes,
etc.) to obtain a wish, knowledge, good health, luck, a
friend, to attain old age, to win a case, to obtain possession of objects, merchandise, etc. to get hold of (in
various shades of meaning), to nish completely;
1 nizmatam kas
a du : `een wens in vervulling doen
gaan/realiseren';
2 ina u
 me sa nikassada (G pres. 1e p.mv. vent.; ook
onder ! u mu I ): `ten dage dat wij bereikt zullen
hebben' ) `op de dag dat wij klaar zullen zijn' (\op
het moment dat wij de klus geklaard hebben") Ee-vi-54
}
, lett.: `in het bereiken' ) `toen : : : aanbrak', bijv.:
AHw

k^asa
CU
kasadu

kus.s.u^

ina kasadi

106

February 27, 2002 Hoofdstuk 2 Akkadisch vocabularium

3 santa satta ina kas


a di: `toen het tweede jaar aanbrak', Ee-vi-61, maar wellicht (arriveren op zijn bestemming, dus aan het eind van het tweede jaar): `toen het
tweede jaar om was'
II. D-stam (
) CAD 4 to chase away, to pursue, to drive away, to drive into exile, to disinherit, to
drive away evil spirits to remove sins, etc. 5 to make
a journey, to drive (horses), to approach (someone), to
defeat an enemy, to conquer, to raid, to make prisoner,
to seize; 6 to send;

III. S-stam
(
, causatief)
4 usaksidassu (+suf x su) `ik/hij veroorzaakte dat
hij bereikt', vgl. iksudam `hij bereikt', vent.
5 
a lsu ustaksidassu, (S perf.vent. -ssu <-amsu, a lu
`stad'): `hij brengt hem terug naar zijn stad' CHx32.

III/2. St-stam
(
) CAD 8 (uncertain mng.)
IV. N-stam (
, passief) CAD 9 (passive to mng.
1 and 2) 10 to pertain to property, to a right (late NB
only)
}
, G verb.adj., , LB ook kaldu; vr. kasittum <
*kasidtum, de consonanten d en t. assilileren volledig
aan de t van het vr.enk.; mv. kasdu tu, vr.mv. kasda tu;
succesvol; AHw \erreicht", \erfolgreich";

ka-
s a-dam, ka
sa
 dam (acc.) Sil.A 101

ka-
s i-id, k
a
s id (G part.st.c.) Sil-C-23

ka-
s
a-di, ka
s
a di (G inf.gen.) Ee-vi-61
P ik-su-du, iksudu (G part. subj.) CH-iv-9,10
P
 ik-ta-sa-su, iktasassu (G perf. +su) CHx2
P
ik-ta-
a
s -dam, ikta
s dam (G perf. vent.)

kussudu

suksudu

sutaksudu
naksudu

kasdu

UaNba
SUO
>a
O b
CHx27x135

Ee-vi-54

CH-ii-70

ni-ka
s -
s
a-da nika
s
s ada

(<-amsu), CHx32

u
-
s a-ak-
s i-du

(G pres. 1e p.mv. vent.)

u
s ak
s idu

 pret.)
(S
,

u
s -ta-ak-
s i-da-a
s -
su

kasapu , (ww. i/i-klasse, OB, SB):

u
s taksida
s
su

I. G-stam (pret. iksip, pres. ikassip, stat. kasip beheksen; vaak als G stat. kasip `hij is behekst';
AHw

\verhexen", \behexen"; CAD to bewitch, to cast


an evil spell
}
, (subst.; vr. kassa ptu; SB) tovenaar
[parra s-type nomen en adjectieven (%nominale typologie) voor beroepen in ruime zin (beetje participiaal);
ook gewoonten en zaken die men \pleegt te doen"; nappa hu `smid', dajja nu `rechter', sarra qu `dief', wassa bu

`bewoner',
`huurder']
AHw \Hexer", \Hexenmeister"; CAD sorcerer
}
, (subst.; pl. tantum; vanaf OB): tovenarij, toverkunst, hekserij, zwarte magie;
AHw \Zauber", \Hexerei";
CAD witchcraft, sorcery; Andere benamingen voor hekserij/zwarte magie:
upsasu^ (ook witte magie), ruhu^, rus^u, zikarrud^u
[Beoefenen van zwarte magiewas een zware misdaad,
we kennen de praktijk ervan alleen via een omvangrijk corpus over de bestrijding van de zwarte magie.
De beschuldiging van zwarte magie betreft vaak naaste
verwanten, maar is moeilijk te bewijzen. Al te gretige
beschuldigingen kunnen een heel dorp ontwrichten. In
de Codex Hammurabi wordt de doodstraf gesteld op
onterechte beschuldigingen.]
, OB a/u-klasse, later i/i-klasse; ook keseru; vanaf
OB)

kassapu

kispu

kasaru

I. G-stam (pret. iksur, pres. ikassar) herstellen, restaureren;


AHw

\wiederherstellen"; CAD A 1 to repair (ruined


or damaged walls, buildings, etc.) 2 D kussuru (same
mng.)
1 sa kma bin^
utisuma iksiru kal^u il abtu ti (G pret.
subj.; bin^utu (abstract) `gestalte', (concreet) `maaksel', `product'; abtu tu adj.m.mv. v. abtu bij !aba tu,
adj.: `teloor gegaan', `verloren', `ten gronde gericht',
`beschadigde'): `die alle beschadigde goden hersteld
heeft overeenkomstig zijn gestalte' Ee-vi-152 \naar zijn
beeld en gelijkenis" is geen Mesopotamisch gedachtengoed, meer \naar zijn wezen"
, (ww. a/u-klasse; vanaf OA, OB):
I. G-stam (pret. iksus, pres. ikassas, stat. kasis): in
dienstbaarheid nemen;
AHw \in die Gewalt bekommen"; CAD 1 to extract
services for a debt or ne, to hold sway, to master; 2
N passive: to be made serve for a debt
}
, (subst. mv.; OB): dienstbaarheid (na faillissement), die ingaat na het hebben van een !e iltum
`onbetaalbare schuld'. jur. begrip voor een soort geconditioneerde slavernij (bijv. n.a.v. schulden), te vertalen
met kissatu-slavernij; Wellicht: dienst waarvoor men op
afroep beschikbaar moet zijn. CAD 1 status of a person given as a distrainee for a debt; 2 indemnity for a
lost object, replacement for a distrained person
1 bt kiss
a im huis der dienstbaarheid, gevangenis, speciale werkplaats voor tewerkgestelden (zij die hun
schulden niet meer kunnen betalen).

^ ki-is-sa-a-tim, kissatim (gen.) CHx117

^ ki-is-sa-tim, kissatim (gen.) CHx118


, (ook k^asa): onafhank., losstaand ofwel absoluut
pers. vnw. datief 2e m. en vr.enk. Voor volledig vormenbestand en toelichting zie onder !ana ku. Soms
gewoon in gebruik i.p.v. suf x {ka, bijv. in:
1 as  i k^
asa (G pres. 1e p.enk. v.se u^): `ik zoek u', in
Sin1-21 omstandigheidspresens: `terwijl ik u zoek'
2 sa ana k^
asa itkaluka (G pret. subj. v. taka lu `vertrouwen op = ana'): `wie vertrouwt op u', `degene die
zijn vertrouwen op u heeft gevestigd' Sin3-49
3 an
a ku u k^asi i niprus sasma, (G cohor. v. epesu;
sasmu `tweekamp'; een enkele keer wordt u als het
voorzetsel `met' gebruikt; v. Soden x114i): `(kom op!)
laat ik met u strijd leveren!', of (wens- of gebodsvorm,
ook soms het presens, in afhankelijke zin vaak weer te
geven als zin van consequentie \en dan", \opdat", \zodat". Het gaat dan om een mogelijk gevolg, bij feitelijk
gevolg wordt de indicativus gebruikt): `opdat ik met u
strijd levere!' Ee-iv-86
4 sa l
a kas^ama ta h a zu (sa la `zonder') `zonder u Erra]

is er tweedracht/vijandschap'
erra-iii-D13
F

a-na-ku u
 ka-a-
s i, an
a ku u k^
a
si

kasasu

kissatu

aa C

k^asi(m)

C  C
CU

(`ik met u') Ee-iv-iv-86



ka-a-
sa
, k^
a
s a Sin1-21, Sin3-49

kasisu , iem. in de status van kissatu-slavernij G part. v.


!kasasu; AHw \Schuldherr";
kasusu , (subst.; OB, SB): een godenwapen, het wapen van

Nergal, ook wel van andere goden, bijv. Anu. De aard


er van is niet duidelijk, moet iets zijn dat brand veroorzaakt. Onbekende etymologie.
AHw \eine G
otterwaffe"; CAD 1 overpowering divine

107

February 27, 2002 Copyright Heise en Stadhouders, Akkadisch Vocabularium

weapon; 2 annihilation, crushing defeat

kassapu , (vr. kassaptu, !kasapu) `tovenaar' [parras-ty-

pe nomen en adjectieven (%nominale typologie) voor


beroepen in ruime zin (beetje participiaal); ook gewoonten en zaken die men \pleegt te doen"; nappa hu

`smid', dajja nu `rechter', sarra qu `dief', wassa bu `bewoner', `huurder']
, onafhank., losstaand ofwel absoluut pers. vnw.
gen.-acc. 2e p.enk.; !k^ati
, (ww. u/u-klasse; vanaf OA, OB;
dul en
duldul):
I. G-stam (pret. iktum, pres. ikattam, stat. katim): bedekken, overdekken, dekken, verhullen (trans.)
AHw \bedecken"; CAD 1 to cover with garments etc.,
dust, sand, (the sky) with smoke, etc.; 2 to clap down
(said of a trap), to overwhelm, to constrict; 3 to conceal; 4 to appropriate illegally, to seize and hold persons;
1 ana l
a kata m saptsa, lett.: \tot niet-bedekken van
haar lippen" ) `zodat zij haar lippen niet kon sluiten';
of inf. passief uitgedrukt: `(zo zeer) dat haar lippen niet
meer gesloten konden worden' Ee-iv-98
II. D-stam (
) CAD 5 to cover with garments,
to provide with clothing, to cover, to close, to veil (the
eyes, the face, the lips, etc.) to cover with earth, etc., to
overwhelm, to clap down, to conceil; 6 to cover, close
a pot, a door 7 Dt passive to mng. 5 to be clothed,
covered, etc. 8 Dtn to cover the body, to cover up

III. S-stam
(suktumu) CAD 9 to cover, to overwhelm

III/2. St-stam
(
) CAD 10 to cover tightly (?)
IV. N-stam (
, passief) CAD 11 to be covered,
clothed, to overwhelm
 ka-tam, kata m (G inf. st.c.) Ee-iv-98
@ = kat-mu, katmu (G stat.mv.) erra-i-128
P ik-tum, iktum (G pret.) Sil-A-83
, onafhank., losstaand ofwel absoluut pers. vnw.
gen.-acc. 2e p.enk.
1 ana am
a ri k^ata, (G inf. gen. v. ama ru): `om u [S^n]
te zien' Sin1-8
2 an
a ku u k^ata, (zelfst.vnw.): `ik met jou' (een enkele
keer wordt u als het voorzetsel `met' gebruikt; v. Soden
x114i) Ee-iv-86
3 k^
ata qibtka la innenn^a, (N pres. mv. vent. < -iam v.
en^u `veranderen'; k^ata is proleptisch t.o.v.. {ka): `wat
u betreft: uw bevelen mogen niet veranderd worden'

k^ata, k^ati
katamu

kuttumu

sutaktumu
naktumu

k^ati, k^ata

Ee-i-158

e
ka-ta, k^
ata (onafh. p. vnw. 2 p.enk.) Ee-i-158
e
ka-a-ta, k^
ata (onafh. p. vnw. 2 p.enk.) Sin1-8



, (subst.; SB;  katar): paddestoel, zwam,
muurzwam, schimmel; AHw eine Art \Wandschwamm";
CAD 1 (a mole or mark) 2 (a fungus)
, (subst. ww.; ook kata u; OA*; (Sum. leenwoord
kata ook inimta `in opdracht van') garant voor een
lening, iemand die zich garant stelt. CAD A to take
as security
, !k (voegw.) `zoals', `wanneer', `dat' etc.
, !k (voorz.) `zoals', `als', etc.
, !k am (adv.) `aldus'
, (ww. ook kap^u) buigen; zich ombuigen AHw \beugen";
1 sa us.s.ini zaqti kep^
at(a) lisa nsu (us.s.u `pijl'; -ni
`onze'; zaqtu `spits'; G stat. kep^u `zich ombuigen', half-

katarru
kat^u

k^e
k^e
k^em
kep^u

cirkelvorm; lisa nu `tong', hier tongvormige punt): `wat


betreft onze puntige pijl: zijn punt is kromgebogen'

'

erra-i-90

d e

(G stat.) erra-i-90

Kes , stad (een andere dan Kis)

(een stad, niet: Kis) CH-iii-32


{ki , suf x bezit. vnw. 2e vr.enk. jouw
(vr.); m. vorm is -ka
{ki , suf x p. vnw. accusativus 2e vr.enk. jou, m. vorm is
{ka
{ki(m) , suf x van p. vnw. dativus 2e vr.enk. aan jou, voor
jou, m. vorm is {kum.
k (voegw.) , (ook k^e, ak^, ak^e; soms ook alternatief voor
ke- pa -ta kep^
at(a)

K
e
si

ke
si

!kma; vanaf oud-akk., OB): zoals (voegw.), wanneer,


dat (voegw.); leidt objectzin in: \(zeggen) dat : : :",

e.d.; AHw \als", \wenn", \da"; CAD when, as soon


as, after, if, in case, whether, that, because, according
to, as, just as

(maar meestal ki-i) CH-ii-31

k (voorz.) , (ook k^e, ak^, ak^e; soms ook alternatief voor
ki k


!kma; vanaf oud-akk.):

als, zoals (in vergelijkingen)


\wie"; CAD like, in the manner of, as, according
to, in stead of
ki ,
ki onder meer = itti `met'; itt
 ja: met mij
AHw

V
ka !
-ia
,

, ittja `met mij' Sin1-24a


, ittja `met mij' Sin3-68-69

ki-
a

ki-ia

k am (adv.) `aldus'


, (adv.; ook k^em, k^am, ka, k^a, kamma, k^amma; vanaf OA, OB): aldus, als volgt, zo; meestal bij een werkwoord van spreken (verba dicendi) en vaak gevolgt door
de direce rede; kan verwijzen naar iets wat komen gaat:
`hij sprak als volgt', of als afsluiting van iets dat reeds
gezegd is: `zo sprak hij';
AHw \so"; CAD 1 thus, in this manner; 2 how
1 ana Ti
a mat k am ispursu, (G pret. v. sapa ru `zenden', `sturen'): `aan Tia mat berichtte hij aldus:' Ee-iv-

kam

76
2 imbima sa qasti k am sumsa (G pret.

< ibbi <


*inbi; qastu `boog'), lett.: `hij noemde van de boog haar
namen als volgt' ) `hij gaf de boog de volgende namen' Ee-vi-88
ki-a-am k am (`aldus') Ee-iv-76; vii-76
, !k am (adv.) `aldus'
, (vr.mv. v. !kibru)

I kib-ra-a-ti, kibra ti Sin3-38


, (subst.; ook kipru(m), st.c. kipir; vr.mv.
kibra tu; vanaf oud-akk.;
kia): oever, rand; AHw
\Ufer", \Rand"; CAD 1 bank (of a canal or a river),
seashore; 2 rim, edge (of an object); 3 (unknown
mng.)
1 ina kipir d idigna ina sippi alja 'op de oever van
de Tigris op de toegangspoort van mijn stad' yos-ix-71,

kamma
kibratu
HC
kibru(m)

29

}kibra tu ,

(vr.mv.; vanaf oud-akk.;

2

):

ub me
s

windstreken, wereldstreken, met name in kibra t erbettim;

regions (refering to the four regions in the inhabitated world), edge, shore line
2 kibr
a t erbettim, (vr. vorm met st.c.): de vier wereldCAD

streken

[alle (half-barbaarse) gebieden behalve het cultuurland van de Mesopotamische beschaafde gebieden, het
land van Sumer en Akkad zelf; een Sumerisme <
ubdalimmuba met ub `hoek', da `zijde, rand', limmu

108

February 27, 2002 Hoofdstuk 2 Akkadisch vocabularium

`vier' en ba `alle']; ook:


3 kibr
a tu erbettu (vr. vorm status rec.),
4 kibr
a tu arba u (m. vorm status rec.),
5 kibr
a t arba im (m. vorm met st.c.);
deze vier
gevallen zijn niet overeenkomstig de regels van de constructie van het hoofdtelwoord, dat normaal vooraf
gaat en in de status abs. staat;
6 sar kibr
a ti: `koning van de wereldstreken' Sin3-38
ki-ib-ra-at, kibra t (st.c. vr.) CH-ii-3
^ ki-ib-ra-tim, kibra tim (vr. gen) CH-i-18

I kib-ra-a-ti, kibra ti (vr. gen.) Sin3-38


, (subst.;
gig): een soort tarwe; AHw \Weizen";
een meelsoort; samen met !segussu een geliefd soort
meel. Deze twee meelsoorten gelden als de gruwel van
bepaalde demonen, het ikkibu `tabu' van de schim, de
ilu lemnu `kwaadwillende god', `demon', `duivel'
}
, (qemu `meel'): tarwebloem
>
1 sla zgig
1 1 q^
a qem kibti (
z
 q
e mu `meel'): `1 q^a tarwebloem' BAM578-i-6

H CHH

kibtu

qemkibti


kdu

z
gig

q
e m kibti

(`tarwebloem') BAM578-i-6

: (subst. ook kiddu; mv. kdu en kda tu; vanaf OA,


OB): veld, ina kdi: naar buiten;
AHw \Auenseite", \Feld"; CAD outside, region outside a city, open country
, G imp. v. !kal^u (vr. is kil^, mv. is kil^a)
, (vnw.; dualisvorm; vr. kilatta n,
kiletten; vanaf OA, OB; aJ |  mastabba): beide,
beiden; AHw \beide", \die Beiden"; CAD both, two,
pair
1 iptema abull
a ti ina s.eli kilalla n (D pret. v. pet^u `openen'; vr.mv. v. abullu `stadspoort'; s.elu `ribbe'): `(toen)
opende hij aan beide zijden poorten' Ee-v-9, waarschijnlijk horizonten aan weerszijden: oost en west
7 ki-lal-la-an kilalla n (dualis) Ee-v-9
, suf x van pers. vnw. dativus 2e vr.enk. aan jou
voor jou m. vorm is {kum.
(voorz.) , (ook kme, akkma; vanaf oud-akk.;
gim):
als (voorz.), zoals, op de manier van, zoveel als,
evenveel als; dus niet echt `als' in de betekenis `in de
hoedanigheid van' (daarvoor wordt het voorzetsel ana
gebruikt of een acc. als predicativum), maar meer overeenkomstig, naar de mate van, naar;
AHw \wie"; \als"; CAD like, in the manner of, as,
according to, corresponding to, in stead of, in lieu
of
1 kma j^
ati `zoals jij'
2 kma it^esu `zo veel als/evenveel als zijn buurman',
(!et^u)
3 kma u
 mu immeru zmusu (verwacht: um; G pret.
v. am
a ru; zmu `gezicht', `gelaatstrekken'): `zijn gelaat
werd licht als de dag', `zijn gelaat begin te stralen als
het daglicht' Ee-vi-56
4 sa kma bin^
utisuma iksiru kal^u il abtu ti (G pret.
subj. v. kasa ru `herstellen'; bin^utu (abstract) `gestalte',
(concreet) `maaksel', `produkt'; abtu tu adj.m.mv. v.
abtu bij !aba tu, adj.: `teloor gegaan', `verloren', `ten
gronde gericht', `beschadigde'): `die alle beschadigde
goden herstelt heeft overeenkomstig zijn gestalte' Eevi-152 \naar zijn beeld en gelijkenis" is niet Mesopotamisch, meer \naar zijn wezen"
}
, (praktisch adverbiaal; vrij unieke uit-

kila
kilallan, kilallu(n)

{ki(m)
kma,

kma suati

drukking in Ee-i-98): desgelijks, evenzo;


5 u in
a (n) kma sua tu, (onafh. p. vnw.), lett.: \en
de ogen eveneens deze" ) `en de ogen op hun beurt'
(kunnen alles zien) Ee-i-98

kma, (voegw.) , (ook kme; vanaf oud-akk.;


,

ki-ma k
ma

(voorz.) Ee-i-98

):

gim

zoals (voegw.), wanneer, dat (voegw.); leidt objectzin

in: \ (zeggen) dat : : :", e.d.


AHw \als", \wenn", \da"; CAD as soon as, when,
according to, in the manner of, as, that, whether, because, on account of, if, in case, so that
1 mur
u ma qasta k nukkulat bin^uta (G pret. mv.
v.am
a ru `zien'; qastu `boog'; k leidt objectzin in;
D stat. v. naka lu, als verb.adj. D elativisch; bin^utu
`vorm', `gestalte'): `zij zagen hoe kunstig vervaardigd
de boog is, wat betreft de makelij/vorm/uiterlijk' (object is in de toestand van kunstvaardigheid) Ee-vi-83
Het subject uit de objectzin wordt geisoleerd en als
object eerst genoemd na het ww. waarvan de objectzin afhankelijk is. Het zijn vooral ww. van zintuigelijke
waarneming en `spreken'. Het is eigenlijk een soort bijstellingsgeval: 2 objecten, waarbij de tweede een bijstelling is bij de eerste. Dergelijke constructies komt men
ook in het Hebreeuws tegen, bijv. in Genesis, lett.: \en
God zag het licht, dat het goed was".

kme !
,

CH-i-22
Ee-vi-84

ki-ma k
ma

ki-i k


kma (voegw. of voorz.)

kimkimmu , (subst.; ook kinkimmu <*kimkim een woord

waarvan de stam een reduplicatie heeft. Dit is vaak


het geval bij woorden voor lichaamsdelen, in het bijzonder qaqqadu < qadqad `hoofd', gulgullum `schedel',
kimkimmu `polsgewricht'.; SB*) polsgewricht;
AHw \Handwurzel", \Handgelenk"; CAD A wrist (?),
, (subst.; ook kins.u(m), kis.s.um; mv. kis.s. a tu;
OB, SB, NB; a !gam! du10 gam): schenen, onder-

kims.u(m)

been

AHw

\Unterschenkel"; CAD 1 knee, shin, calf of the


leg, legging; 2 (a measure of length, Nuzi only) 3 support; 4 (part of a lock)
$
kim-s.a-su grII -su kuII -su
1 kims. 
asu s.epasu ikallasu (G pres.3e vr.mv. v. aka lu
`eten', maar ook gezegd van lichaamsdelen: `pijn doen';
lichaamsdelen in dualis, in logogrammen aangegeven
met
ii; in dualis krijgen predicaat en attribuut
de uitgangen vr.mv.): `zijn onderbenen en zijn voeten
doen hem pijn' BAM578-i-46

J! :!
:
J!

:!

BAM578-i-46

kn , G stat. v. k^anu, mv.: kenu, vr.mv. kna


{kina , suf x bezit. vnw. 2 vr.mv. jullie (vr.); m. vorm is
-kunu
{kinasi(m) , suf x van p. vnw. dativus 2e vr.mv. aan jullie,
voor jullie, m. vorm is {kunusi(m).
{kinati , suf x p. vnw. accusativus 2e vr.mv. jullie m. vorm
is {kunu ti.
kinati , onafhank.,
losstaand ofwel absoluut pers. vnw.
e
kim-s
su
 kims
a
su
. a-
.

gen.-acc. 2 vr.mv. Voor volledig vormenbestand en


toelichting zie onder ana ku.
, casus obl. v. kna tu, vr.mv. v. kittu, vr. v. knu,
!k^anu
F I ki-na-a-ti, kna ti (vr.mv.) Ee-vi-22

knati

109

February 27, 2002 Copyright Heise en Stadhouders, Akkadisch Vocabularium

Kingud ,

Kingu-ma sa ibn^u tuquntu (Kingu-ma, nominale


zin; G pret. subj. v. ban^u): `het was Kingu, die de oorlog
heeft aangesticht' Ee-vi-29
d kin-gu, d Kingu Ee-i-148 ev

, adverbiaal bij knu; zie verder onder !k^anu op
pag. 101
1

knis

/

(adv.) Sin3-62

kins.u , !kims.u schenen, onderbeen


knu , (!k^anu, vr.mv. knatu): recht, vast; ook: veilig,
ki-ni
s k
ni
s

betrouwbaar, eerlijk, rechtschapen; waarheid (= kittu,


kna tu); zie voorbeeld 14 (en verder) onder !k^anu op

pag. 101

kippatu , (subst. bij !kapatu `samenvoegen') `kring', `ring'


kirbanu , (subst.; ook karbanu, kirbannu, kurbannu; vanaf
OB;

): klomp (vormloze massa), knoedel; AHw


\Klumpen"; CAD 1 clod (of earth); 2 lump (of salt,
stone, metal or slag);
}
, (subst. plantennaam; ook met kurba n;
u

 (ga) en
( ) laga
sa
i (u )
 n):
lagga
kamille(?); CAD 3 (a mediacal plant)
lag heeft veel waarden o.m. `klomp'; v.Soden kirb
a neqli `kamille?';
j
@
u



laga
sa
imgu
sa udda de-kat
1 u kirb
a n-eqli qadu tu sa s.eta dek^at
im `klei'; j
 `oever' ) imgu
 `modder', `leem', `klei'; d
gu
e k^at stat. v.
G part. v. dek^u `ontketenen', `opwekken', `te voorschijn
roepen' ) `opheffen', `wegjagen'): `kamille en modder
die de hitte [koortsig symptoom] opheft' BAM578-i-11
j u    kirba n eqli
lag

>kirb
:aCneqli?

>:

> : C
> :C

BAM578-i-11

}O

 im g
lag a 
sa
u

kir^u , (subst.; ook kiriu <*kiri u; mv. kir^u en kir^atu,; van-

af oud-akk., OB;
kiri6 ;
gi
s sar):
tuin,
boomgaard;
AHw \Garten", \Baumgarten", \Obstgarten"; CAD
garden, orchard, palm grove
 -
1 asa
s u u kiri6 -su = eqelsu u kir^asu, `zijn akker en
boomgaard', CHx27

C b b

CHx27

kisal , (subst.) !kisal!

 -
a
sa
su

u


s u,
6 -

kiri

eqel
s u u kir^
a
su

kisal gewichtseenheid van onbekende grootte, ook kisal `tempel'; niet zeker of kisal de
juiste lezing is; in gebruik bij therapeutische teksten,
recepten, fabricage van glas. Oppenheimer (zie AHw
1
sjeqel met 1 siqlu
onder kisal) suggereert 1 kisal = 20
= 8:3 gram, logogram gin; en 1 sjekel = 180 se
(te lezen als ut.t.atu `graankorrel'. Dan zou 1 kisal = 9

s e, onwaarschijnlijk weinig in verhouding met 1 liter
en voor de aard van de zaken hier genoemd. Het CAD:
het gewicht 1 kisal 22 12 se wordt ergens genoemd, dus
1 kisal > 22 12 se. Omdat 22 12 se = 81 sjekel vermoedt
men in de CAD dat 1 kisal = 1 siqlu en kisal slechts
een alternatieve schrijfwijze voor gin. Borger bestrijdt
dit weer omdat beide logogrammen in een tekst voorkomen.
, (subst.;  kakesda, !kas. a ru), eig. `knoop',
`tesamenballing', (meute, schare, regiment); ook: `huishuur';
V ki-is.-ri-sa, kis.risa Ee-iv-106
, !kims.u `schenen', `onderbeen'
, (subst.; vanaf OB) heiligdom; CAD cella, chapel

kis.ru

kis.s.u
kis.s.u

as a speci c part of a sanctuary, also a term for temple


1 ina kis.s.i sim
a ti: `in het heiligdom van de lotsbestemmingen' Ee-i-79
ki-is.-s.i, (ina) kis.s.i (gen.) Ee-i-79
: de stad Kis Belangrijke stad in Noord-Babylonie (bij
Tel el-uh^emir). Opgegraven in 1912 (door H. de Grouillac) en in 1923-33 (S. Langdon). Volgens de Sumerische
koningslijsten de eerste stad waar het koningsschap na
de zondvloed uit de hemel is afgedaald. De oudste historisch vorst van Kis van wie een inscriptie is ontdekt,
is Mebaragesi (ong. 2700 vC), die met Elam gestreden
zou hebben. Kis is tot in de Perzische tijd een belangrijke stad gebleven.
uru
ki
&
Ki
s , Ki
s CH-ii-59
, (subst.; mv. kisa da tu, vanaf oud-akk.; j gu;
zelden !uzu! j uzugu):
1 oever, kust;
2 hals, nek;
AHw \Hals", \Nacken", \Ufer"; CAD 1 neck, throat
(of a human being, a god, or an animal, often including
the head and the shoulders) 2 string of beads, necklace,
piece of juwelry or amulet worn around the neck, neck
scarf; 3 bank (of a river, canal, ditch, shore of the sea,
edge of a well, rim of a pot, etc.
1 ana kis
a d tia mtim `naar de kust van de zee'
d
2 Mummu tedir kisadsu (G perf. v. ederu `omarmen') `hij omhelsde Mummu zijn nek' Ee-i-53 (kisadsu
geassimileerd uit te spreken als kisassu)
}
+
, lett. \de nek keren" ) zich omwenden, afwenden; vgl. \met de nek aankijken"
3 ul ut^
ar(i) kisa dsa, (D pres. v. t^aru met onduidelijke
-i): `zij wendde zich niet af' Ee-iv-71
4 ikkelemmuma ul ut^
ar(i) kisa dsu (pres. v. 4-rad.
nekalm^u `boos aankijken'; D pres. v. t^aru weer met extra -i): lett.: `wordt hij boos, dan keert hij de nek niet
om' ) dan is hij omvermurmbaar boos' Ee-vii-153 n.b.
meestal zijn goden kortstondig boos en weer snel vriendelijk en genadig;
 ki-sad-su, kisa dsu (+ su, hier niet > ss) Ee-i-53,

Kis

kisadu

kisadu t^aru

n
n
Kisar

vii-153

h ki-sad-sa, kisa dsa (+ sa, hier niet > ss) Ee-iv-71


, Oergod, (Sum. ki `aarde', sar `3600', veel, totaliteit): In het scheppingsepos Enu ma elis samen met
Ansar het eerste godenpaar dat, als personi catie van
hemel en aarde, voortgebracht wordt door de oerpersonen !Tia mat en !Aps^u. Dit ouderpaar verwekt de
hemelgod Anum. Ansar als oergod komt ook wel elders
voor, maar is meestal een vorm van Anum en niet zozeer zijn vader. Kisar (Sum. ki `aarde') is in het epos
slechts een analogie uitgelokt door Ansar.
1 Ansar d Kisar ibban^
u `Ansar en Kisar werden geschapen' Ee-i-12

Ee-i-12

kispu , (pl. tantum; !kasapu): tovenarij, toverkunst, hekserij, zwarte magie;


kissan^u , (subst.; ook kissenu,kessenu, kissinnu; vanaf
Ki-
sa
r Ki
s ar

U H
U

 n
j
gu
gharra): peulvrucht; j
 ar `malen', `verma`peulvrucht',
n
ig `iets',
len'; vgl. gugal (`groot') hallu ru `kikkererwt'; j

 tur (`klein') kakk^
gu
u `linzen'
CAD (a leguminous plant)

OA, OB;

gu

110

February 27, 2002 Hoofdstuk 2 Akkadisch vocabularium

U H

1
 n
 rra
J>j
s
la gu
iga
2
1 12 q^
a kissa n^e ` 12 q^a peulvruchten' BAM578-i-4
j

 
ki
s
s
a n^
e BAM578-i-4
 rra;

 ):
, (subst.;
ki
s,
ki
sa
su
heelal, wereld, wijde wereld, gezamenlijkheid, (vaak te vertalen met alle, evenals woorden als kal^u, gimru; soms
zelfs als opeenstapeling van deze woorden)
AHw \Gesamtheit", \Welt"; CAD A 1 entire inhabitated world (as a politico-religious term) 2 all, totality
1 niddinka sarr
u tum kissat kal gimreti (G pret. als
%synchroon pres. v. nadanu) `wij geven u hierbij het
koningschap over het totaal van het hele universum'

kissatu

U H

 r ra
g
u n
ig a

n
kissatu, kissatu
Ee-iv-14


sim g
ur g
ur

, (!kasasu) `dienstbaarheid'
, (subst. < Sum.; ook kisukku, hangt samen met
!ku^ `(vast)houden'; SB, NA, NB: gevangenis;
AHw I \Gef
angnis"; CAD 1 grate; 2 prison (as a poetic
term)
}
, (term.): in de gevangenis
1 kal
u kisukkis, (G stat. mv. v. !kal^u `vasthouden',
`in hechtenis nemen'): Ee-iv-114

kisukku

kisukkis

kitmuru
9
kittu <

ki-
su
k-ki
s ki
s ukki
s

(term.) Ee-iv-114

= saplu voeten onderkant


1 ina ki ta-ka = ina saplka: `aan uw voeten' Sin1-14
  -ka, saplka (st.c. +ka) Sin1-15
, Gt stat. (en verb.adj.) v. !kama ru `ophopen'
= D kit-mu-ru, kitmuru (Gt verb.adj.) Ee-i-162
, ( *kintu, parist-nomen; vr. kna tu, !k^anu `vast
z/w.'): `waarheid'; zie verder onder !k^anu op pag. 101
, (subst.; vanaf oud-akk. OB; Z gis gada):
vlas (als plant) linnen (als product) CAD 1 ax; 2 linnen
(thread and fabric)
}
, lijnzaad;
J > H Z 21 sla numun gada
1 12 q^
a zer kit^e (zerum `zaad' als collectivum; ` 12 q^a
lijnzaad' BAM578-i-3
Z
kit^
u (`vlas') BAM578-i-3
, (D inf. en D verb.adj. v. !kaba tu `zwaar maken',
`eren'): zwaar; [adj. van het purrus-type, vr. purrust;
%nominale typologie; verb.adj. van de D-stam, vaak
in gebruik ter aanduiding van lichamelijke gebreken;
sukkuku `doof'; kubbutu `zwaar']
, Demon van de misgeboorte. (vaak apotropaeisch gebruikt in PNs, d.w.z. afwendend, als bezwering
tegen dat onheil)
, (subst.; mv. kudurreti; vanaf MB, MA;
nggub): grenssteen, grensoorkonde; ook zoon in
de naam d Nab^u-kudurr(u)-us. ur ) `Nebukadnezar'
(\Nab^u behoed de zoon!")
AHw II \Grenze", \Grenzstein"; CAD 1 boundary
stone, boundary marker; 2 boundary (line); 3 region,
territory
[Vanaf Middel-Bab.: een beschreven steen van 20-40
cm, gemaakt van een donkere steensoort, vaak dioriet
of basalt, in gebruik bij grensmarkering. De teksten
zijn beschrijvingen van contracten m.b.t. stuk land,
geogra sche omschrijvingen aangevuld met aanroepingen van goden en vervloekingen voor ieder die met de

kit^u

ki ta

ki ta

zer kit^e

kubbutu

gada

Kubu

kudurru

kukru

BAM578-i-3, 30, 51 BAM578-ii-18

, kissat, kissatum, CH-i-12


ki
s -
s at, ki
s
s at (st.c.) Ee-iv-14, vii-119

ki
s

kita , (

steen knoeit. Ze bevatten soms afbeeldingen van in de


tekst genoemde goden. Kuduru's zijn vooral in gebruik
vanaf de Kassietische tijd (1600 vC). Er zijn er ong. 90
van bewaard gebleven.]
, (subst. ook kukuru; vanaf oud-akk. OB;
!gam! !gam! gis gurgur):
terebinth; [reukplant, een eikenboomachtige plant]
CAD (an aromatic plant)
J > !gam! !gam! 21 sla simgurgur
1 12 q^
a kuk(u)ra (!gam! !gam! ook: gamgam met gam
= gur): ` 12 q^a terebinth' BAM578-i-3, 30 [kukru (gurgur
> gugur > kukur), waarschijnlijk worden de nootjes
bedoeld]
!gam! !gam!


kuk(u)ru (terebinth)

kullu , (subst.; ook kulil^u, AHw ook kullulu; leenwoord <

MJ 

 u11 lu) :
Sum.; OB, SB;
N
ku6 lu
vismens,
een van de monsters, genoemd in het Enu ma elis-epos

Ee-i-143
AHw

\Fischmensch";

CAD

dragon y;

kullu , D inf. v. !*k^alu (niet in G) onder meer `vasthouden',


`bevatten', `inhouden', `ophouden'
kullulu , !kullu `vismens'
{ku(m) , suf x van p. vnw. dativus 2e m.enk. aan jou, voor
jou, vr. vorm is {ki(m).
kummu , (subst. < Sum.; OA, OB, MB, SB, NA; D W


): (goddelijk) slaapvertrek, woning;


\heiliger Raum", \Heiligtum"; CAD cella, private room (of a temple or palace)
1 kummukku l
u nubattani i nusapsih qerbussu

(< *kummumku locativus; S cohor. v. pasa hu `rust
 `rust
hebben'; factitieve S toch weer intransitief
vinden'; nubattu `avondrust', `pleisterplaats', `slaapplaats'; < *qerbumsu locativus `in zijn binnenste'): `uw
slaapvertrek zij onze slaapplaats, opdat wij daarin rust
vinden' Ee-vi-52 (wens- of gebodsvorm, ook soms het
presens, in afhankelijke zin vaak weer te geven als zin
van consequentie \en dan", \opdat", \zodat". Het gaat
dan om een mogelijk gevolg, bij feitelijk gevolg wordt
de indicativus gebruikt)

ku-um-muk-ku, kummukku (+ku i.p.v. ka)

e nun

AHw

Ee-vi-52

kummulu , (D verb.adj. !kamalu `boos zijn op'; m.mv.


kummulu tu; D elativisch): `grote toorn', `grote boosheid'
= I ku-um-mu-lu-ti, kummulu ti (D verb.adj.

m.mv. gen.) Sin3-67

kunna , D stat. vr.mv. v. !k^anu in D: `vaststellen'


MF
,
, (D stat. vr.mv.) Ee-vi-78
kunsang^u , (subst. < Sum.) keerpunt; AHw \Bahnwendekun-na kunn
a

punkt?"
M s U kun-sag-gi kunsagg^ (gen.) Ee-vii-127
, suf x bezit. vnw. 2e m.mv. jullie; uw (bezit. vnw.
2e p.mv.); vr. vorm is -kina; soms apocope vorm {knu,
bijv.:
1 imtuknu, (< imtu +kunu, apocope vorm): `jullie gif'

{kunu

N 
a
>
kunukku
Ee-i-162

K it-ta-ku-nu, ittakunu (st.c. v. ittu


`(voor)teken' +kunu), Sil-C-40

K

toespraak') Ee-i-161

ep-
s a pi-i-ku-nu ep
s a p^
kunu

(`jullie

K im-tuk-nu, imtuknu (< imtu + kunu) Ee-i-162


, (st.c. kunuk, !kana ku): rolzegel, zegel, verzegelde

111

February 27, 2002 Copyright Heise en Stadhouders, Akkadisch Vocabularium

brief, oorkonde, akte


1 kunnukam usezib (S v.

opmaken'
K
ku-nu-uk-kam, kunnukam (acc.), CHx5
, onafhank., losstaand ofwel absoluut pers. vnw.
datief 2e m.mv.
, suf x p. vnw. accusativus 2e m.mv. jullie, vr.
vorm is {kina ti.
;
K I li-b sec -si-ib-ku-nu-ti, lisesibkunu ti

kunusi
{kunuti

voegen' + dat. su(m)) `(en) zij gaven hem [Marduk]


(daarbij) scepter, troon en koningsstaf' Ee-iv-29 (de regalia, die de waardigheid van de koning symboliseren)
2 iddima kuss^
a sarru ti, (G pret. v. nad^u `(neer)werpen', `oprichten'): 'hij richtte een koninklijke troon op'
(koningstroon) Ee-vi-93

!ezebu) `hij laat een acte

o 

 prec. v. !wasa bu `wonen' +kunu ti), Sil-C-52


(S

(/J

voor jullie, vr. vorm is {kinasi(m).

kur ,

}sad^u I (sadd^u I , sadu u): berg


kur , D stat. v. !k^aru `versuft z/w.'
Ee-i-66

ku-
u-ru k
u r(u)

gur

ste inhoudsmaat voor vloeisto en en graan), ong. 300


liter. vgl. Ned. \mud", een inhoudsmaat voor droge
waren, thans 100 liter. 1 gur was onderverdeeld in 5
!panum II of ook parsiktum ( nigida) van 60 liter. Zie verder onder %inhoudsmaten met voorbeelden.
10 o 10  , `10 kur graan' CHx44
, (subst.; ook ku s.u; mv. kus.s. u ; vanaf OA, OB; c
c F enteenna): kou, koude, koelte, winter; AHw
\Kalte", \Winter"; CAD 1 cold, frost, cold weather;
2 cold season, winter; 3 chill, ague (as disease)
!sed!
ne
sed
ir
tukume
s -
si
1 umma kus.s.a zu tu irtanassi ( ne afgeleid van
, pictogram voor vuurplaats, en staat voor alles wat
met `hitte' te maken heeft; ememu `heet zijn', `ummu'
`hitte', bahru `heet', `gaar'; !sed! sed kas.u^ `koud zijn',
subst. kus.s.u of met kwantiteits metathesis (korte vocaal en dubbele consonant > lange vocaal en enkele
consonant) ku s.u `koude', `koelte'; ir ook zu tu
`zweet', meestal met sterke alef; Gtn v. rasu^ `hebben',
`krijgen'): `hij heeft steeds hitte koude en zweet' )
`hij heeft het afwisselend koud en warm en hij zweet'

BAM578-i-28


s e gur

>

kusarikku , (leenwoord < Sum., ook kusarakku, lusarihhu,

husarikku; oud-akk., OB, SB; !alim! gudalim en



gudalim)
1 bisonmens, wisent (Europesche bison); genoemd als een van de monsters in het Enu ma
elis-epos; 2 een sterrenbeeld
AHw \Wisent"; CAD 1 bison (as a mythological creature) 2 (a constellation)
h ku-sa-r[ik]-kum, kusarikkum Ee-i-143
, (subst.; ook kussiu; vanaf oud-akk.;
gi
s
guza);
zetel, troon; Dit is het normale woord, zie
ook karru (in Ee-i-152)
AHw \Stuhl", \Thron"; CAD 1 chair, sedan chair; 2
throne; 3 rule, dominion, royal property and service;
4 (in ndi kuss^ a feature of the exta; 5 (name of a
month) 6 saddle; 7 (part of a chariot or a plow)
1 us.s.ib
usu hat.t.a kuss^a u pal^a (D pret. v. was. a bu `toe

kuss^u

g
u du

(D stat.; -u is onduidelijk)

kurra , !dNin-kur(ra)
kurru , D inf. v. !k^aru `versuft z/w.'
kurru , (<Sum., o , het Hebreeuwse `kor' (de groot-

kus.s.u

, kuss^a (acc.) Ee-iv-29, vi-93

guza

een stad met de onderwereldgod Nergal als stadsgod (!Erra) en wordt daarom wel gezien als de poort
naar de onderwereld. Kuta is ook wel eens de naam
van de onderwereld.
uru
ki
&j
(  8  ) , Kut^
a, CH-iii-3

kunuti , onafhank.,
losstaand ofwel absoluut pers. vnw.
gen.-acc. 2e m.mv.
{kunusi(m) , suf x van p. vnw. dativus 2e m.mv. aan jullie,

n
>

gi
s

Kut^a ,

(/J

la

, (ontkenning; vanaf oud-akk.; in MA, NA vaak laa; in NB ook la- ; K nu): niet, zonder; (zie ook ul
`niet'). AHw la \nicht", \un-"; CAD la no, not, without; Ontkenning van nomina en nominale zinnen. De
prohibitivus (een negatief bevel) wordt gevormd door
la plus presens, bijv. la tapallah (pres. v. pala hu), `wees

niet bang!', vgl. ul tapallah `jijbent niet bang'

1 l
a le u^ (G part.): `de niet-kundige'
) `de zwakkeling' Sin3-51
7 la, la CH-i-39

, (ww. u/u-klasse; MB, SB):
I. G-stam (pret. il ut; pres. ila ut) litt. woord voor: slikken, doorslikken, verzwelgen, verslinden;
AHw \schlucken", \hinunterschlucken"; CAD to swallow;
1 iptema p^sa Ti
a mat ana la  a tsu (G pret. v. pet^u
`openen'; p^u `mond'; G inf. gen.): `T. opende haar mond
om die (de wind) te verzwelgen' Ee-iv-97
7
I la- a-a-ti-sa, la a tsa (G inf. gen.) Ee-iv-97
, (ww. a/a-klasse; ook lapa pu; SB):
I. G-stam (pret. ilbub; pres. ilabbab) woeden, tieren, razen, te keer gaan;
AHw \w
uten"; CAD to rage;
1 labb
u (G stat. mv.) `zij waren in staat van razernij'

la atu

lababu

Bs

Ee-i-131

(G stat. mv.) Ee-i-131

labanu I , (ww. i/i-klasse; ook lapanu, lebenu, lepenu;

lab-bu labb
u

vanaf OB; 

 

):

l
kir4 
s u ga

I. G-stam (pret. ilbin; pres. ilabbin; stat. labin): neerwerpen, vooral in de uitdrukking met appa;
AHw

I etwa \hinwerfen"; CAD B 1 to beg humbly, to


exhibit utmost humility (in gestures) to pray contritely
(always with appu)
}
+
, (appu < * anpum `neus') zich deemoedig neerwerpen,
zich prosterneren (zich plat op
de aarde werpen als gebedshouding van opperste deemoed); een voetval doen, zich verootmoedigen
1 ana zikrisu qab^e i nilbin appa (cohortativus, zelfaansporing; qab^e gen. `spreken', verwacht eig. zikrasu
ana qab^e, de neiging bestaat om alles na ana in de genitief te zetten; zikru `naam'; ana `in reactie op'), lett.:
`in reactie op het uitspreken van zijn naam, laten wij
ons prosterneren' ) `als zijn naam genoemd wordt,
laten wij ons deemoedig ter aarde werpen' Ee-vi-102
II. D-stam (
, bet. als G) CAD 2 (same mngs.)

labanu appa

lubbunu

112

February 27, 2002 Hoofdstuk 2 Akkadisch vocabularium

sulbunu) CAD 3 to act humbly;


III. S-stam
(


) Ee-vi-102

i ni-il-bi-in

i nilbin

labanu II , (ww. i/i-klasse; ook lapanu):

sulbusu


III. S-stam
(
): kleden (metaforisch); iem. met iets
bekleden (+2 acc.), bedekken, bijv. awlam s.uba tam
sulbusu lett.: `een man met een kleed kleden'

(G cohor. v.

lab
a nu

I. G-stam (pret. ilbin; pres. ilabbin; afstrijken, metselen,


tichelen, tichels maken (met libittu `tichels')

AHw II \(Ziegel) streichen, formen"; CAD A 1 to make

bricks;
1 libittasu iltabn
u , (libittu `tichelsteen'; Gt mv.): `ze
maakten zijn tichelwerk' Ee-vi-60;
II. D-stam (
) CAD 2 to thicken, to reinforce;

III. S-stam
(sulbunu, causatief) CAD 3 to have bricks
made;
}
, (subst. < *libintu; in EA labittu; mv. libna tu;
st.c. libnat en libitti vanaf oud-akk.;
sig4 ): tichel,
(ongebakken) kleisteen, tichelwerk; AHw \luftgetrockneter Ziegel"; CAD 1 brick, mud brick; 2 brickwork; 3
slab, block, cake (of material other than mud)
u-sa-al-bi-in, usalbin (S pret.)

lubbunu

libittu

>a*
7b
*D !
Sil-C-140

K
s u-nu, libitta
s unu +
s unu Sil-A-67
4 -
al-bi-in, albin (G pret. 1e p.enk.), Sil-A-67
; li-bit-ta-su, libittasu (acc. +su) Ee-vi-60
| K il-tab-nu, iltabnu Ee-vi-60
, (ww. van de i-klasse, zoals veel eigenschapsww.;
vanaf oud-akk.; E til, = sumun, sun, bad),
I. G-stam (pret. ilbir; pres. ilabbir) oud worden; lang
duren;
AHw \alt werden", \lange dauern"; CAD 1 to last, to
endure;
I/3. Gtn-stam (
) CAD 2 to last;
II. D-stam (
) CAD 3
libirra to last a
long time, to live an old age; ; 4 to prolong, to make
last a long time;
II/3. Dtn-stam (
) CAD 5 to last long, to live
long, to endure;
III. S-stam (
) CAD 6 to live long, to last;
}
, (subst.; MB, SB, NB) CAD long duration,
longevity, growing to old age;
}
, (adv. < inf.)
1 lab
a risu m^e lett. `tot het oud worden der tijd' )
sig

labaru

litabburu
lubburu

labaru
labaris

lutabburu
sulburu

tot in lengte van dagen

7  s la-ba-ris laba ris (adv. < G inf.) Ee-vii-133


, (ww. a/a-klasse, NB i/i-klasse; vanaf OA, OB;
mu4 ;
voor litbusu, lubbusu, nalbusu, italbusu)
I. G-stam (pret. ilbas; pres. ilabbas; stat. labis) dragen
(van kleren), aanhebben (van kleren), aandoen (van
kleren); bekleed zijn met;
AHw \sich bekleiden mit (= acc.)"; CAD 1 to put on
clothing;
1 labis melamm^e esret il, (G stat. trans.): `hij [Marduk] is bekleed met het aureool van (wel) tien goden'
(n.l. 10 paar hoorns op hun kroon) Ee-i-103
I/2. Gt-stam (
, re exief) zich kleden, aantrekken;
CAD 2 to clothe oneself, to provide for one's own clothing, 3 to provide someone with clothing, to cover a
person with a garment, to clothe a (magic) gurine 5
to coat, to cover an object/building with metal/bricks
II. D-stam (
): iemand (+1e acc.) aankleden met
e
(2 acc.); CAD 3 to provide someone with clothing,
to cover a person with a garment, to clothe a (magic)
gurine 5 to coat, to cover an object/building with
metal/bricks

labasu



litbusu

lubbusu

!mng. 3) 5 to coat,
to cover an object/building with metal/bricks
2 pulh 
a ta usalbisma (S pret.) `zij bekleedde (woeste
 met een vreeswekkend uiterlijk' Ee-i-137
draken)
IV. N-stam (
) CAD 4 to be closed, robed (ceremonically) 5 to coat, to cover an object/building with
metal/bricks
=
mu-sa-al-bi-is, musalbis (S part.) CH-ii-26
AHw \verkleiden"; (
ubertr) CAD (

a* ZV
*
>
labiru(m)

nalbusu
[

 pret.) Ee-i-137
], usalbisma (S

u
-
s al- bi
s -ma

: (adj.; ook laberu(m), labru(m), laberu(m);


labru; vr. labirtu, labertu, labistu; vanaf OA, OB; E
sumun, = til, sun, bad;
libir(ra)), oud; (eigenschapsadj. van nominaal stamtype paris-; /r/ klank
verhindert soms elisie voorafgaande vocaal, vgl. zikaru,
eperu, labiru, asaredu etc.; dus niet labru)
AHw \alt"; CAD labru 1 old, ancient, past, remote
(said of buildings, temples, city walls, ruins, gods, kings
and historical persons), traditional, customary, established (said of customs, o erings, measures), inherited,
owned for a long time, native, old (said of trusted,
faithful, old retainers, long-time residents, etc.) 2 old
(as opposed to new), original, previous, former; 3 old
(as opposed to fresh), aged, stale, rancid, used (said
of objects), worn (said of garments) 4 old, abandoned,
ruined (said of private buildings)
}
, (subst.; ook libiru tu; OB, MB, SB): suf x
!{utu, {ut vormt abstracta): ouderdom;
AHw \hohes Alter"; CAD long duration, old age;
1 labir
u ta(m) ala kum oud worden, vervallen;
7 D I K [la]-[b]i-ru-ti-su-nu, labiru tsunu

NB

labirutu

(+-sunu) Sil-A-63

Lagaba , een plaats met een vestingwerk, vindplaats van

?
]

een belangrijk OB-archief van brieven.


ki
7 
la-ga-ba[ ], Lagaba, Sil-A-47
, de stad Lagas;
ki
G
7
(

 ) , Laga
s (of: (

Lagas

CH-iii-41


s ir bur la

)laki )


s irbur

Lahmu ensteLah amu I , (<Sum. lahama, vanaf oud-akk.;

in 21
eeuwse teksten van Gudea, cylinder-A; mv.
lahmu en lahma nu).
 oergod;
een
De Lahmu is de poortwachter van

de !Aps^u gezien als domein
van !Ea. Op rolzegels
zien we de Aps^u als schrijn met Ea zittend op zijn
troon vanwaar water loopt. Lahmu wordt dan afgebeeld als een stevige kerel met zes tressen (dikke vlechten haar), die de deurpost ondersteunt. Er zijn meerdere Lahmu's. In godenlijsten twee, soms 8, ook wel 50.
Gudea (op Kleicylinder A) spreekt van 50 Lahama's
van de engur (ong. synoniem met abzu). Het grote
aantal is in het scheppingsepos Enu ma elis gereduceerd tot het paar Lahmu en Lahamu (man en vrouw?
 dat nodig
 is in deze theogoHet staat er niet!) omdat
nie, naar analogie van de andere paren. Elders wordt
over Lahmu in meervoud gesproken. Ze worden ook

wel voorgesteld
als portiers van een tempel, daar waar
de zonnegod Samas dagelijks in het oosten en westen
van de onderwereld naar de hemel vertrekt en omgekeerd. De poort van Aps^u wordt gepasseerd door de
zonnegod. De Lahmu's doen hem 's avonds bij zijn in

113

February 27, 2002 Copyright Heise en Stadhouders, Akkadisch Vocabularium

tree in de Aps^u en onderwereld de deur open. Enki/Ea


zwaait hem uit. Lahmu en Lahamu worden verbonden
 die poort,
 als personi catie van
met de deurstijlen van
de deurpost. Zij staan met hun voeten op de aarde en
torsen met hun handen de hemel. Zij zorgen ervoor dat
het hemeldak niet op de aarde valt en bewerken zo de
scheiding tussen hemel en aarde. Ze creeren daarmee de
ruimte op aarde. Deze kosmische symboliek komt terug
in veel tempels, waarbij de deurstijlen gezien worden
als de poorten en stutten van hemel en aarde.

= d lah-mu, d Lahmu Ee-i-10, vi-157
7 = d la-ha-mu, d Lahamu Ee-i-10, vi-157
, Lahmu-monster uit Ee-i-141 AHw
 mythisches


ein
Meerungeheuer;
CAD (a monster)
d
d
7 = la-ha-mu, Lahamu Ee-i-141
, (subst.vr.; vanaf oud-akk., OB;
!U8! (udu )u8 ):
 moederschaap, drachtige ooi, ooi met lam; ook gewoon
schaap of ooi; AHw \Mutterschaf"; CAD 1 ewe, fullgrown female sheep; 2 (a poetic term for ock);
1 b
a n^u Asnan u lahri (G part. v. ban^u `scheppen';

asnan `graan' hier zonder
godendeterminatief; `(Mard
duk als Gilim) die graan en vee heeft geschapen' Eevii-79 [die dus de akkerbouw en veeteelt heeft uitgevonden, waar de economie op gebouwd was]
V lah-ri lahri (gen. `schaap') Ee-vii-79
, (subst. <Sum. lala; st.c. lal^e; vanaf oud-akk.; 7
la):
begeerte, verrukking, (hoog) genot; weelde, levens-

AM

Lahmu, Lahamu II

lahru

lal^u I

kracht


I \Fulle", \Uppigkeit";
CAD A 1 wish, desire 2
wealth, happiness, riches, desirability; 3 prime of life; 4
pleasant appearance, 5 charms (of a woman or a man),
luxury objects, sumptuous decoration, abundant vegetation,
} , weelderige rijkdom, volheid, overvloedigheid; Een
van de vele woorden voor het begrip overvloed en rijkdom; vgl. desu^, hegallu, his.bu, lul^u, masr^u, nuhsu,



t.uhdu;

AHw I \F
ulle"; CAD A splendor, glamour, abundance
}
, in de kracht van je leven
7;
la-le-
s u, lal^
e
s u, (+
s u) Sil-A-21
7 lu-la-a lul^a (acc.) erra-i-127
, !la ma
voegw. , (< la `niet' + ma, vanaf OA, OB; voordat;
AHw \bevor"; CAD before; zie ook l
a m + inf.gen.
onder la ma voorz.
voorz. , (< la `niet' + ma, voor pronominaalsuf xen
ook la mi/u-; voorz.; vanaf OA, OB): voor AHw \vor
(zeitlich)"; CAD before;
} + inf.gen. , voordat;


1 l
a m d Sama
s napa hi `voordat de zon/Sama
s is opgekomen'
2 l
a m mamma issuqusu (D pret. subj. v. nasa qu `kussen'): `voordat iemand hem gekust heeft' (als begroeting)
, (ww. a/a-klasse; vanaf OA, OB;  zu),
I. G-stam (pret. ilmad; pres. ilammad; stat. lamid; onregelm. imp. limad) leren, zich iets leren, vernemen, ervaren, doorgronden, begrijpen; gemeenschap hebben, beslapen
(een vrouw), bekennen (van een vrouw); (een ziekte)
diagnostiseren; G-stat. (als G: komt veel in stat. voor,
ook transitief: \ik ken iets = ik kan iets" (kennen en
AHw

lul^u

lal^utu

 C

lam
lama
lama

lam

lamadu

kunnen is dus hetzelfde woord in het Akk.); wat je geleerd hebt vaak in acc. van de inf.;
AHw \lernen", \kennen lernen", \erfahren"; CAD 1
to become aware, informed, to understand, to comprehend, to diagnose a disease; 2 to learn a craft, a skill,
to become knowledgeable; 3 to know sexually (only in
OA, OB) 4 to study, to take note of a message, delivery, of a matter, a prayer, to recognize a legal claim or
obligation;
1 sap
a na lamdu (G stat. mv.; sapa nu `effenen', `platwalsen') \zij zijn bekwaam in het platwalsen" ) `zij
weten te vernietigen' (gezegd van vervaarlijke paarden
in Ee-iv-54)
2 sa l
a ilammadu miliksu mamman (G pres. subj.;
milku `raad'): `voor wie geldt: niemand kan zijn raadsbesluit doorgronden' (presens potentialis) of `wiens besluit niemand doorgrond' (tijdloos presens) Sin1-9, 19
}
, G verb.adj., , passief resultatief: gekend, geleerd, bekend; vaak potentialis (woorden, hier adjectieven, die de \(on)mogelijkheid" weergeven, zoals in
het Nederlands bij woorden met sux {baar en {lijk;
potentialis karakter hebben veel passief-achtige woorden in Semitische talen): onkenbaar \onmogelijk te kennen"
3 l
a lamda ma, ongekend;
I/2. Gt-stam (
, reciprook, re exief) CAD 5 (reciprocal) to know each other, (re exive) to be experienced, to be versed;
I/3. Gtn-stam CAD 6 to become informed, to understand, to take cognizance of (same mngs. 1 and 4, but
referring to a plurality of objects)
II. D-stam (
, factitief): onderwijzen, informeren,
doceren;
AHw \unterrichten", \lehren"; CAD 7 to inform somebody, to teach somebody a craft or a skill, to charge
somebody with expenses;
}
, (subst.; ook talmedu, vr. talmittu leerling,
student; AHw \Lehrling", \ein P ug"; Eng.: student;

III. S-stam
(
) CAD 8 to cause to teach
IV. N-stam (
) CAD 9 to become known (passive to mng. 1)
lam-du, lamdu (G stat. mv.) Ee-iv-54

i-lam-ma-du, ilammadu (G pres. subj.) Sin1-9,

lamdu

litmudu

lummudu

talmdu

sulmudu
nalmudu

19; Ee-vii-118

Lamassu , (subst.vr.; dLama(r), een schutsgodin, Sum.


leenwoord; vanaf OA, OB): beschermengel, beschermgod,
beschermgeest, schutse, bescherming, geluk;
AHw

\Lebens- und Leistungskraft"; CAD 1 protective


spirit (representing and protecting the good fortune,
spiritual health and physical appearance of human beings, temples, cities and countries); 2 representation
of the lamassu-spirit; 3 representation of the human
shape; 4 (a precious stone); 5 (a star)
1 ina lamassja `door mij als beschermengel' = `door
mijn bescherming'
2 GN-lamass PN GN-is-mijn-schutse xxxxx
3 lamassi ili u m
a ti (st.c. v. lamassu): `[Marduk is] beschermgod van god en land' Ee-vi-149 (`land' hier voor
`de mensen': `goden en mensen')
L. is soms een speci eke godin, maar duidt oorspronkelijk/primair een hoedanigheid aan: de beschermfunktie waarin elke god kan optreden en de bemid-

114

February 27, 2002 Hoofdstuk 2 Akkadisch vocabularium

deling die iedere godheid kan geven bij hogere godheden. L. heeft te maken met `leven', maar ook met
`groeien', `instandhouden', vgl. ah a su. Elke tempel

heeft zijn d Lama(r)/d Lamassu, die |vaak samen met
d alad/d s
e du (\genius")| vooral tot taak heeft de gebeden van de smekeling aan de god van de tempel door
te geven en verhoring te bewerkstelligen. E kal 
be = alad = 
s edu. Zo, en als beschermengel van het
individu, bemiddelt de L. bij de goden. Dankzij de
L. vind je bij de goden een willig oor voor je verzoeken.
d

-
s u, Lamass

s u CH-iv-56
7 T
la-ma-s
-ia, lamass
ja, `mijn bescherming'

VB b
lam^u
>
l^anahis

lamma

CH-xxiv-53

7 J p la-mas-si, lamassi (st.c.) Ee-vi-149


, SB vorm van !law^u `omgeven', `omsingelen'
7=
la-mu-
u, lam
u (G stat. mv.) Ee-iv-110
, (subst. < la + ana his bij inf. !ana hu `aftob + sux -s; ww. gaat vaak met de ontkenning)

ben'

onvermoeibaar


lanu , (subst.; vanaf OB; f

7F

la-na-hi-i
s l^
an
a hi
s

(la +

) Ee-vii-128

an
a hi
s

): vorm, gestalte; andere ong. synonieme woorden zijn: !mina tu en


!nabntu;
AHw \Gestalt"; CAD 1 body, gure, appearance,
stature (of persons), self, person, body, size, shape,
con guration (of objects)
1 su
 tur la nsu, (S stat. v. wata ru): `zijn gestalte is zeer
uitmuntend' (onder die van de goden) Ee-i-99
7
la-a-an-[
s u], l
a n
s u (subj. + 
s u) Ee-i-99
, (ww. a/u-klasse, ook laba tu; vanaf oud-akk.; ~
tag; ook ), ~
tagga):
I. G-stam (pret. ilput; pres. ilappat; stat. lapit) aanraken
(zowel vriendelijk als met geweld), aanpakken, aandoen,
treffen; slaan (een klap geven), verpletteren, neermaaien;
medisch (vooral in Gtn) pijn doen
AHw \eingreifen in" (mit acc.), \anfassen", \schreiben"; CAD 1 to tough lightly, to tough in a symbolic
act, to tough, cover a quadrant of the moon, to come
(accidentally) in contact, to put hands on with evil
intensions to commit a sacrilege, to apply water or
re, to smear on, to paint a surface, to write down,
to record, to fashion an object, to give a work assignment, to a ect, to attack (in the stat.), to be bad, to
be evil-portending, to be abnormal, to be anomalous,
(said of ominous features) to hurt, to bother, to strike,
to attack, to defeat, to strike a chord;
!pad! 
i-b lap-patc -su-ma
1 ilappatsuma (G pres.3e p.enk. v. lap
a tu medisch ook:
`pijn hebben', bijv. van medicijn) `het (medicijn)
zal hem aangrijpen'/`heeft een forse uitwerking'; vrij
unieke toevoeging in BAM578-i-41; het gaat daar over
de bijverschijnselen van een medicijn; dus het medicijn heeft een krachtig effect):
I/2. Gt-stam (
, re exief; ~ ~ tagtag): zich bestrijken, zich insmeren, CAD 2 to moisten (with oil
and other liquids) to write down, to smear oneself, to
bother(?) (re exive to mng. 1)
2 litpata imat m
u ti (Gt prec.; imtu `gif'; mu tu subst.
`dood'): `smeert u in met gif des doods/dodelijk gif'

lapatu

alam

litputu

erra-i-7

I/3. Gtn-stam (iteratief) \steeds slaan"

) (medisch)

pijn doen, pijn hebben; In deze betekenis logogra sch ~

;~
tagga; ook tagtag en tag(ga)me
s ; CAD
3 to touch, a ect, hurt repeatedly
~
taggame
s -
s u
3 ittanappat
asu (~
tagga ook alleen tag lap
a tu
`aanpakken', `vormen', `formeren'; 3e vr.mv. vanwege
dualis): `[heupen en schenen] doen hem pijn' BAM578-

? !

tag

i-28

lupputu

II. D-stam (

, bij entische ww. D soms voor


meervoudige werking of multipliciteit van object), betekenis als G: aanraken, neerslaan, verslaan, etc.;
AHw \anfassen", \hineinfassen"; CAD 4 to touch, to
smear, to write, to play a stringed instrument to strike,
(in the stat.) to be anomalous (said of ominous features) to make unclean, to obscure, to rub, to scratch,
to scatter, to sprinkle, to tarry, to be delayed;
}
, aanraken van de keel (bij eed afleggen); een plaats aanraken waar het leven zetelt (weg
van de adem en het voedsel), vgl. in andere talen: het
hart (\met de hand op het hart"), elders ook: de testikels of de lendenen, waar men de oorsprong van het
sperma lokaliseerde. De gedachte is dat men zijn levenszetel als onderpand en waarborg geeft, a.h.w. alsof
men daarmee zeggen wil: \zo ik mij niet aan de belofte
houd, dan moge mij de keel worden afgesneden".
4 ina m^e u samni itm^
u ulappitu napsa ti (Gt pret. mv.
v. aw^
u `spreken'; D pret. v. lapa nu `aanraken'), lett.:
\zij zwoeren bij/met water en olie en grepen (hun)
kelen" (terwijl zij (hun) kelen aanraakten/onder aanraking van de kelen) Ee-vi-98
Een eed afleggen bij water en olie komt vaak voor,
o.m. bij verdragen en contracten. Contractanten drinken het water en smeerden hun lichaam met olie in.
Eedaflegging heeft een bezwerend karakter. De kracht
van de eed gaat in het water en de olie zitten, die het
lijf binnendringen en verblijft daarmee permanent in
de contractant. In sommige teksten wordt dit ook expliciet gezegd. Bijv. bij de zgn. vazallenverdragen van
Assurbanipal wordt ook bij water en olie gezworen.
Over de voorwaardelijke vervloekingen (bij niet-nakoming) wordt gezegd: `zoals de olie uw vlees binnendringt, zo moge de goden deze vervloeking uw vlees
laten binnengaan' en `moge de vervloeking uw botten
binnendringen als olie'. Ook in het OT, psalm 109,
wordt gezegd: `die vervloeking moge in hem binnen
dringen als water en als olie in zijn botten'.
De Eed (in het Akkadisch ma mtu) wordt soms ook
gepersoni ceerd als een demon, die in de buik van de
persoon aanwezig is. Bij mijneed gaat de Eed zich verzetten. De ma mtu pakt je en voert de straf ten uitvoering. Ziekten van de buik worden vaak aan de ma mtu
toegeschreven. (vgl. ziekten van het hoofd, zoals oorsuizingen, die aan de et.emmu `schim', `spook', `geest'
worden toegeschreven. De et.emmu dringt namelijk binnen via de openingen in het hoofd, zoals oren, neus,
mond.)

III. S-stam
(
): vernietigen, stukslaan;
AHw \ruinieren", \brandschatzen"; CAD 5 to make
tough, to overthrow, to defeat, to destroy, to de le, to
spinkle;

III/2. St-stam
(
, passief bij S): `vernietigd
worden' CAD 6 to be defeated, overthrown, to be des-

lapatu napsati

sulputu

sutalputu

115

February 27, 2002 Copyright Heise en Stadhouders, Akkadisch Vocabularium

ecrated, de led (passive to mngs. 5) 7 to allow to be


toughed;
5 ustalpit `werd vernietigd'
IV. N-stam (nalputu, passief) CAD 8 to be touched, to
be sprinkled, to be written down, recorded, to become
a ected;
}
(subst. uit de bet. v. lapa tu `formeren' ; st.c.
lipit) ingreep; maaksel, schepsel (zowel zakelijk als persoonlijk; vgl. de naam van koning Lipit-Istar, de eerste
in de dynastie van Isin, vroeg-OB) AHw \Eingreifen",
\Eingri ";
6 p lipit-GN persoonsnaam: Schepsel-van-GN
;
p
li-pit suII -su si[sa]
7 lipit q
a tsu isser (G pres. v. eseru `in orde komen')
[na het doen van schenkingen op deze gunstige dag]
'(dan) zal zijn zijn handwerk/maaksel gedijen' CT51-

liptu

Db:!

161,r. 13

}laputt^u , (subst. <Sum.; ook lapputa um; K



; ook

; nu is andere uitspraak voor
l
u

 nda
nu ba

 nda
nu ba

l
u `man', `mens', `iemand'; banda `klein'; nu staat wel
meer voor `mens', vgl. nukiri6 = nukarribu `man' +

`tuin' ) `tuinman')
luitenant CHx33, ook (sa) !hat.t. a tim; kennelijk ook iem.
 een peleton (mobilisatie);
die belast is met ronselen van
AHw etwa \Leutnant";
!pad! 
i-b lap-patc -su-ma ilappatsuma

B V
'2 DN
>?B  !

(G pres. +ma) BAM578-i-41


;
li-p
-it, lipit, Sil-C-65
lit-pa-ta, litpata, (Gt prec.) erra-i-7
d e
lu- up -p[it], luppit, (D imp.) erra-i-97
u-lap-pi-tu4 , ulappitu (D pret. mv.) Ee-vi-98

taggame
s -
su


ittanappat
a
su

(Gtn pres. vr.mv. +su) BAM578-i-28

laputt^u , (subst. ook laputta um, lupputt^u; !lapatu; <




Sum. K nubanda, Sum. nu andere uitspraak voor


l
u `man', `mens', `iemand'; banda `klein'; oud-akk.,
OA, OB, MB, SB, NA) luitenant CHx33; AHw etwa
\Leutnant"; CAD 1 steward (as epithet of a god or
ruler); 2 lieutenant (as ocer in charge of workmen
and soldiers) 3 mayor of a city;
, een stad. In de OB-tijd rivaal eerst van de stad
Isin, dan van het babel onder Hammurabi; machtig onder koning Rm-Sn I ( 1825-1765).
ki


, Larsa, CH-ii-33
, godin, gemalin van Nergal

, (ww.; OB, SB;
s id):
I. G-stam (pret. *ilus; pres. il^as; imp. lus): kneden (van
deeg etc.); AHw \zu Teig) kneten"; CAD A to knead;

!gazi!
7
 -id
ina a gazisar
ta-la-as
la
1 ina m^e kas^e tal^
as tas.ammid ( a m^u `water van' )
`aftreksel'; G pres.2e p.enk. v. l^asu `kneden', G pres.2e p.enk. v. s.ama du `aanbinden', `opleggen', `opbinden':
`als een pleister opleggen'): `met aftreksel van mosterd
moet je (het) kneden en (als een pleister) opleggen'

Larsa

Las
l^asu.
d

ud unu

BAM578-i-12

S N
C

(G pres.) BAM578-i-12

l^at.u , (ww. <la it.um, zwakke alef; OB, MB, MA, SB):
ta-la-a
s tal^
a
s

I. G-stam (pret. ilu t.; pres. il^at.; stat. la it.) omspannen,


omvatten; AHw \umspannen"; CAD A 1 to con ne, to

keep in check (with a briddle), to curb, to control

}la itu, G part., (in part. komt de alef terug):

omvattend, omspannend
1 l
a it karassu (G part. stat. v. l^at.u `omvatten'; stat.
v. part. komt niet veel voor, meestal in PNs; <karasu
+ su): `zijn gemoed is veelomvattend' Ee-vi-138
II. D-stam (
) CAD 2 to keep in check, to curb, to

lut.t.u

N
C N
law^um, lam^u
control;
7

K

la- i-it
a it
. -su-nu l
.sunu

(G part.st.c.+sunu) Ee-vii-81

la-a- -it
a it
. l
.

(G part.st.c.) Ee-vi-138

, (ww. i/i-klasse; dubbelzwak; w tussen vocalen wordt later m; MA, NA ook lab^u; vanaf oud-akk.;
nigin;);
nig
n
I. G-stam (pret. ilmi, OA, OB ilwi; pres. ilammi, OA,
OB ilawwi; perf. iltawi, OA, OB iltami; stat. lami, lawi;
imp. liwi omgeven;
AHw \umgeben"; \belagern"; CAD 1 to move in a circle, to make a round, to circle around an object/person,
a region, to circumambulate; 2 to encircle, to arrange
decorations in a circular form, to encircle an object
with decorations, to form a circle for magic purposes
with sand, our, etc. to wall a city, a precinct, to fence
a garden, a house, etc.; to surround (in transferred
mngs.) 3 to wrap up, to pack, to wrap; 4 to besiege a
city, to surround (an enemy) to hem in (an enemy), to
throng around a person;
1 S^n us.urta lami (G stat.): `de maan is omgeven met
een halo' [de halo, waarmee hemellichamen kunnen
worden omringd, waarschijnlijk de enigzins kruisvormige stralenkrans die je op rolzegels ziet.
2 nta lam
u , (G stat. mv.): `zij zijn omgeven (met een
omsingeling)' Ee-iv-110
3 alam nta lam^
u: `een stad omsingelen'

( 

V

gi
s hur

-ma

nigin

gi
s hur us
. urtu `tekening', `plan', maar ook geleerd woord < Sum. gishurru
`silhouet', `omtrek';
nigin o.m. law^
u, lam^u `iets
omgeven/omsingelen met' (2 acc., hier G pres.2e p.enk.): `je moet (rond de pot) een tekening trekken'

4 us.urta talammima (

BAM578-i-40

[misschien een variant op de uitdrukking zisurr^a lam^u


`er een meelspoor/magische meelcirkel omheen trekken' om boze machten op een afstand te houden;
}
, (ook met !law^u `iets omgeven/omsingelen met' 2 acc.): uitdrukking er een meelspoor/magische meelcirkel omheen trekken om boze machten op een afstand te houden; er bestaat een cultusmiddelbezwering, een bekende bezwering ter zegening
van de middelen die in de cultus gebruikt worden om ze
te potentialiseren (vgl. de consecratieformules bij het
maken van wijwater). In die bezwering is sprake van
een us.urtu la eteqi (G inf. gen.), `die niet overschreden
kan worden', `een onneembare barriere' die god noch
mens kan overschrijden.]
I/2. Gt-stam (
) CAD 5 to surround completely;
I/3. Gtn-stam (
) CAD 6 to throng constantly;
II. D-stam CAD 7 to wrap, to surround completely;

III. S-stam
(
, factitief): doen omgeven ) omsingelen, omsluiten CAD 8 to encircle, to walk around a eld,
house, etc.; to surround a city with a wall, a moat, to
have someone circle, surround an object (a place), to

zisurr^a lam^u

litm^u
litamm^u
sulm^u

116

February 27, 2002 Hoofdstuk 2 Akkadisch vocabularium

lummunu

arrange objects in a circle, to besiege;


5 sulm^
u qerbis Tia mat (S inf `(ten einde/om) Tia mat
daarmee [met het werpnet] te omsingelen' Ee-iv-41
6 usalmisi, (S pret. + si): `(en) omsloot haar ermee'
(`ving haar in het net') Ee-iv-95
IV. N-stam (passief) CAD to be besieged;
7=
la-mu-
u, lam
u (G stat. mv.) Ee-iv-110
 inf Ee-iv-41
!shul! =

s ul-mu-
u, 
s ulm^
u (S

>>
> *V 

 pret. + si) Ee-iv-95


(S
e
-ma talammima (G pres.2 p.enk. +ma)
BAM578-i-40

, ( zu; G part. v. !le u^ `kunnen', `in staat
,

u
-
s al-m
-
si

u
s almi
si

nigin

lej^u, le u^

zijn'): ` ink', `bekwaam', `knap', `kranig', `kundig',


`degelijk', `in staat zijnd'; ook zelfst.: `de kundige', `de
knappe' etc. zie voorbeeld 2 (en verder) onder !le u^
op pag. 117
, (ww. i/i-klasse; Ass. lama nu; vanaf OA, OB):
I. G-stam (pret. ilmin; pres. ilemmin) slecht z/w.; AHw
\bose werden", \schlecht werden" (im stat. Dt{ sein)
CAD 1 to fall into misfortune, to come upon bad times,
to turn into evil, (with libbu as subject) to become
angry;
}
, G verb.adj., , (ook subst.; stam lemun, stat.
lemun; Oud-Ass. lamnum; vr. lemuttu, lamuttu; vanaf
oud-akk.;
hul; [adjectief van het parus-type, (vr.
 typologie), dat relatief weinig voorparust; %nominale
komt; vgl. lemnu `slecht', mars.um `ziek' en de rangtelwoorden 3 10]
slecht, kwaad, boosaardig;
subst. gebruik: vijand, bijv. in eerste voorbeeld) AHw
\bose", \schlecht"; subst.: \Boser", \Feind"; CAD 1
morally bad, evil, wicked, magically evil and dangerous, ill-boding, unlucky, dangerous, hard, bitter, unhappy, fateful, bad (in taste or smell); 2 (in predicative
use) evil, unhappy, bad;
1 ultu lemnesu ikm^
u isa du, (%hendiadys van G pret.
subj. v. kam^u `vastbinden' en G pret. subj. v. s^adu
`doodslaan'): `nadat hij [Ea] zijn vijand [Mummu] had
vastgebonden, sloeg hij (hem) dood' Ee-i-73
}
, G verb.adj. vr., , (< lemuntu; Ass. meestal
lamuttu; subst. gebruik v. vr. verb.adj.; mv. lemnetu
en lemnetu; vanaf OA, OB;
hul met phonetisch
ighul; slechtheid,
compl.;
m
ihul;
n

kwaad (het), kwaadaardigheid, boze daad, misdaad;
AHw \B
oses"; CAD wickedness, misfortune, danger,
evil intentions/plans, calamity;
2 lemutta ittaddi ana karsisa (Gtn v. nad^
u `opwerpen';
lett. `het (geopperde) kwaad wierp zij in haar gemoed'
) `zij nam het kwaad ter harte' (ging haar aan het
hart) Ee-i-44
3 assum lemneti ikpudu (G pret. subj. v. kap
a du
`plannen', `beramen') `vanwege de boze dingen die hij
had beraamd' Ee-i-52
4 lemneti tese ema, (G pret. 2e p.enk. v. se u
^ `zoeken'): `gij hebt kwade dingen/snode plannen gezocht'

lemenu

lemnu

II. D-stam (
): (een zaak = awa tu) slecht
maken, ten nadele pleiten; CAD 4 to treat badly, to

defame; 5 to change into something bad (fate, a sign,


a rumor, etc.) to make someone feel bad, to make something look bad; 6 (with libbu as subject) to make angry,
to annoy, to o end, to worry; 7 (Dt) to treat each other
badly;

III/2. St-stam
(
) CAD 8 to make (two parties) enemies of each other;
; Q le-mut-ta, lemutta (verb.adj. vr. acc.) Ee-i-44
I lem-ne-e-ti, lemneti (gen. vr.mv.) Ee-i-52,

4
4!
lemnu
iv-18, 83

lem-n
e-e-
su
, lemn
e
s u (`zijn vijand') Ee-i-73
, verb.adj. v. !lemenu
, (ww. -e, ook laqa u, laq^u; vanaf oud-akk.; I ti):
I. G-stam (pret. ilqe; pres. ileqqe; stat. leqi, laqi; imp.
leqe) nemen, aannemen, aanvaarden, tot zich nemen, krijgen, terugkrijgen, ontvangen, terugnemen; inpikken; G-stat.
aanvaard hebben (vaak transitief)
AHw \nehmen", \annehmen"; CAD 1 to take (something in one's hand), to take up an object (for a speci c
purpose), to take objects or persons along, to accept,
to take over, to take in, 2 to take a wife, to adopt (a
son, a brother, etc.) to assume responsibility (for someone), to assume an obligation, to accept gifts, bribes,
to acquire, to buy; 3 to take what is one's due (shares
of an inheritance or partnership, of booty, toll, tax,
tribute, interest, rent, etc.), to take what belongs to
one; 4 to take away by force (or under threat: objects,
persons, annimals, elds, countries, etc); (in the stat.)
to be lacking; ; 5 (in idiomatic phrases)
In PNs: GN-leqe-unninn `GN-aanvaard-mijnsmeekbede!', bijv.: S^n-leqi-ennemu (imp. `S^n, aanvaard mijn gebed!';
1 innanu : : : leq^
u d Anu ti, (G stat. subj.; innanu voegwoord): `nu hij [Kingu] dan de waardigheid van Anu
aanvaard heeft' Ee-i-159
2 q
a ta t PN leq^u (vr.mv. v. qa tu `hand', < Sum.
s adupa `die de handen losmaakt'; `borg') lett. `de

handen van PN nemen' ) borgtocht nemen; PN garandeert terugbetaling van een lening
I
ti-q

uda
3 teleqqe tubbala (G pres.2e p.enk. v. leq^
u `nemen';
D pres.2e p.enk. aba lu `droog zijn', D: `drogen'): `[deze
3 kruiden] moet je nemen, je moet (ze) drogen' BAM-

leq^u

lemuttu

litmunu) CAD 2 to be angred


litammunu, frequentief) CAD 3 to be-

I/2. Gt-stam (
I/3. Gtn-stam (

}C

Ee-iv-83
5 ilu sa lemn^eti huzu, (G pret. subj. v. ah 
a zu `ne dingen heeft beraamd'
 Ee-iv-18
men'): `de god, die boze

come depressed repeatedly

sutalmunu

578-i-31

Gtn (iteratief) CAD 6 (iterative to mngs. 1-4)


II. D-stam CAD 7 to take (same mngs. as mng. 1)
III. S-stam (
, causatief) CAD 8 (causative to

mngs. 1-5)

sulq^u

IV. N-stam (passief) CAD 9 to be taken, accepted, to

>

x
@
le u^

be taken away; (passive to mngs. 1-4)


;
le-q
e-em, leq
e m (G inf. gen. CHx113
;
le-qu-
u, leq^
u (G stat. subj. Ee-i-159
;
i-le-q
e, ileqqe (G pres.) CHx9

/lees:
il-te-q
e, ilteqe, (G perf.) CHx25x113
l-qu-u, ilq^u, (G pret.) Ee-vii-162
e
I
teleqqe (G pres.2 p.enk.) BAM578-i-31
, (ww. e/e, i/i-klasse; ook le  a u, leju; dubbel zwak;
n.b. een dubbele alef wordt nooit geschreven, een enkele nog wel eens, maar meestal alleen als vocaalbreuk
ti-q


117

February 27, 2002 Copyright Heise en Stadhouders, Akkadisch Vocabularium

a-u, u-i, etc.; vanaf oud-akk.; 

in D en S, bijv. D liparris en S lisapris. Bijv.: limhas.



(bij mah a s.u) `moge hij aanvallen'

Gebodsvormen (imperativus, precativus) in afhankelijke zinnen (bijzinnen) geven vaak een zin van consequentie aan (\dan zal ik"). Bijv.
1 narb^ka lus
a pi (S prec. 1e p.enk. v. wap^u `duidelijk
maken'; narb^u `grootheid'): `dan zal ik uw grootheid
verheerlijken' Sin3-69
; D ~ a-na se-ri-ik-tim li-is-ru-ku-sum, ana

zu

I. G-stam (pres. ile  i of il^e; pret. il e of ile; kunnen, in


staat zijn;

AHw \verm
ogen", \konnen", \uberwinden"; CAD 1 to

be able (to do something), to be an expert, to master,


to understand (something); 2 to win (in a legal case),
to overpower someone 3 (Gt, negated) to be lost, powerless
1 ilkam alakam il^ (G pres.) `hij kan de leendienst verrichten' CHx28
} 
, G part., , (vr. le itu; ook als subst. gebruikt; vanaf oud-akk., OB;
P agal; in PNs ook
da en 
zu): ink, bekwaam, knap, kranig, kundig,
degelijk, in staat zijnd; ook zelfst.: kundige (man), knappe
(man) etc. AHw \t
uchtig", \fahig"; CAD able, capable,
skilled;
2 le u
^ le u^ti, (adj. m.mv.): knapste der knapste, allerkundigste Ee-i-80;
Deze vorm wordt wel in het Nederlands de Hebreeuwse genitief genoemd, waarbij het nomen nogeens in de
genitief herhaald wordt, of (zoals hier) met een gesubstantiveerd adiectivum; vgl. \het boek der boeken",
\koning der koningen"

}
, lett. `de niet-kundige' ) zwakkeling CAD
unskilled, powerless, unprotected;
3 l
a le ^a tasakkan resi (G pres. 2e p.enk. v. saka nu;
resu `hoofd'): `de zwakkeling plaatst gij [S^n] aan het
hoofd' (S^n verheft de zwakke) Sin3-51
}  , (subst.; OB, SB, NA, NB) bekwaamheid, kundigheid, geschiktheid; soms macht;
AHw \T
uchtigkeit", \Klugheit"; CAD 1 power,
strength; 2 victory (in a lawsuit) 3 knowledge, ability, skill;
4 le u
^t sa ninam ul isu, (G pres. v. isu^ `hebben';
G part. v. sana nu): mijn kundigheid heeft zijn gelijke niet
}  , (vr. teltu, tapras-nomen): ink, bekwaam, ervaren (iem. die veel heeft gedaan), knap, kranig; [tapra snomen, vr. tapra st, (%nominale typologie); vaak voor
\de reciproke actie", een subst. bij de Gt-betekenis van
wederkerigheid] AHw \uberaus tuchtig, fahig";
5 tele u
^, als bijstelling in Ee-i-59: `knap'
}
, (subst.; vr. v. tele u^; ook teetu, telijatu): ink,
bekwaam knap, kranig; epitheton van de godin Istar;
AHw \die u
beraus tuchtige";

III. S-stam
CAD 4 to enable someone;
; i-li-i, illi  i of il^ (G pres.) CHx28x29
; le-ju-um, le u^m, CH-i-63
;
le-u-um, le u^m , CH-xxiv-4
;
^ le-u-tim, le u^tim, CH-xxiv-28

a (G part. acc.) Sin3-51
;
le- -a, l
e ^
^t
;
le-
u-t
, le u
 `mijn kundigheid' CH-xxiv-82
; ^ te-li-tim, teltim, (vr. v. tele u^) CH-iii-49
^ Ee-i-59
;
te-le-
u, tele u

, (!le u^ `kunnen') bekwaamheid, kundigheid, geschiktheid; soms macht
, precativus 3e p.enk. en mv., drukt een gewenste actie
uit (\moge hij : : :") en wordt gevormd door het partikel
lu met preteritum. Het partikel lu verbindt zich met
de werkwoordvorm met preformatieven en wordt in OB
aangetroffen in 1e p.enk. en in 3e p.enk. en mv. en versmelt met de vocaal van de werkwoordstam. De resulterende vocaal is altijd lu{ in 1e p. en li{ in 3e p., ook

le u^, lej^u

la le u^
le u^tu

tele u^
teltu

>>
> C
xx >
le u^tu
li{


s eriktim li
s ruk
u
s um

Sil-C-153-154

, prec. mv.: `moge zij hem schenken'

~
li-ib-
s i-
s um-ma, lib
s i
s umma
(G prec. +sum+ma v. basu^ `zijn'), \moge hem geworden",
Sil-C-42
;
li-pu-us, lpus (G prec. Sil-C-47
;
K I li-b sec -si-ib-ku-nu-ti, lisesibkunu ti
 prec. v. !wasa bu `wonen'+kunu ti), Sil-C-52
(S
 prec. 1e p.enk. v. wap^u, S
:
lu-s
a-pi, lu
s
a pi (S
.
`verheerlijken') Sin3-69
e
lud-lul, ludlul (G prec. 1 p.enk. v. dal
a lu II
`prijzen') Sin3-69

, N prec. (met sterke alef) v. !aba tu I `vernieti-

so  
U
5c
li abit
CD
li addi
V


gen'

 abit (N prec. Ee-iv-23
;
li- -a-bit, li
, D prec. v. D-tantum !*wad^u

;
li-ad-di-ma, li addima (D prec. +ma)
Ee-vi-113

libbu , (subst.; st.c. libbi; met suf x nom./acc libba-; gen.


 ): hart, buik, maag, baarlibbi- vanaf oud-akk.;
sa
moeder, inwendige;
middelste, binnenste, centraal, het wezen (van goden);

 me
sa
s (in mv.) meestal irr
u ingewanden (darmen,

longen, ook bij leverschouw); [vgl. Ned. \lef", in de


betekenis van `moed', <Hebr.plew `hart', `moed' dat
op dezelfde Semitische stam lbb teruggaat.]
AHw \Leib", \Inneres", \Herz"; CAD 1 heart, abdomen, entrails, womb; 2 inside (or inner part) of a
building, an area, a region, of a container, parts of the
human body, parts of the exta, inside, pith of plants,
a type of document, etc.; 3 mind, thought, intention,
courage, wish, desire, choice, preference; 4 (in prepositional use) in, among, from, belonging to, like, instead
of, according to; 5 (ina (ana) libbi) in adverbial use, i.e.
without following sux of genitive) therefore, therein,
therefrom, etc. 6 woof; 7 heart of the datepalm (also
bud, o shoot, leaf, trunk);
1 in libbu, ook: binnen (het tijdsbestek van)
2 ina libbsu (lett. `in zijn hart') daarin, erin
3 libbukki (<*libbumki, locativus +suf x ki = ina
libbki): `in uw hart' Ee-i-117
4 hu
 d libbim (h u du alleen in deze uitdrukking) `blij


gemoed'
5 rapas libbasu lett.: `zijn hart is wijd', `wijd van hart'
) `alwetendheid'; soms `ruimhartig', `begripsvol', bijv.
in Ee-vi-138
D #

D
ana sa sub nag-ma i-ar-ru
6 ana libbi tanaddi isatti i arru (ana libbi vaak als
adv. iets met `er': `erin', `eruit', `erbij'; D sub
G pres.2e p.enk. v. nad^u `werpen', dus samen: `erbij
doen'; # nag = \mond  water" G pres.3e p.enk. v.
sat^u `drinken' en ar^u `braken'): `[honing en olie] moet
je er bij doen, drinken en braken' BAM578-i-18

V 2

118

February 27, 2002 Hoofdstuk 2 Akkadisch vocabularium

7 iqabbi ana libbisu lutb^ lus.lalma, (hier libbisu als een


re exief pronomen \zichzelf"; G pres. v. qab^u `spreken';
cohor. v. teb^u `opstaan' en s.ala lu `slapen'; zie voorbeeld
2 (en verder) onder !teb^u op pag. 234): `zeggende tot
zichzelf (lett. tot zijn hart): moet ik opstaan of moet
ik slapen gaan?' erra-i-16
V
7

 -
sa
s u ana pa-re-e e-te-ne-la-a
8 libbasu ana par^e etenell^
a (G inf. gen. v. par^u
`braken'; Gtn pres.vent. v. el^u in Gtn `steeds weer omhoog gaan'; zonder vent. tenelli, hier een Ass. 3e p.enk.
met e-): `tot brakens toe komt zijn maag steeds weer
omhoog' of vrij: `(indien een man zonder dat hij gegeten heeft) oprispingen heeft' BAM578-i-27
N

 me
sa
s -
s u sarsar-hu


 me
9 irr
usu ittanappah u (
sa
s in mv. meest
al irru `ingewanden' (darmen, longen, ook bij leverschouw);
sar nap
a hu `aansteken', `blazen', ook:
 op tn-vorm, Ntn `opgebla`opzwellen', sarsar duidt
zen worden' of intrans. `zich opblazen', Ntn pres.mv.
ittanappah u ): `zijn ingewanden zijn opgezwollen' BAM
578-i-28
}
, lett. dat van haar buik ) foetus, soms
cryptogra sch geschreven met drie keer hetzelfde teken
(met sa logogram voor libbu)

 
 
 
sa
sa
sa
s a-libb-sa
} +suf. +
, idioom, lett.: \zijn/haar etc.
hart brengen" ) `het plan opvatten', het object staat
vaak in de ini nitief acc.: \het hart brengt iets te
doen", Echter in het volgende voorbeeld een (niet als
zodanig te herkennen) afhankelijke bijzin, waarin soms
het presens te vertalen met een nale bijzin (opdatzin):
10 ubbal libbasu ibann^
a nikla te (G pres. v. waba lu;
G pres. vent. v. ban^u; nikiltu `mooie dingen'; a in libbasu
hulpvocaal en geen acc.): `hij vatte het plan op kunstwerken te scheppen' Ee-vi-2
} +D
, !t.^abu, t.ia bu G: `goed zijn'; D: `behagen'; idioom, lett.: \het hart vreugde brengen" ) `blij
maken', `vreugde bezorgen', `prettig stemmen'
11 t. u
 b libbi: `welbehagen'
12 mut.b libbi d Anunnaki (D part.st.c. v. t.^
abu, libbi
gen.obj.): `die (het hart van) de Anunnaki blij
maakt/vreugde bezorgd' Ee-vi-134
}
, (resu `kop', `top', `bovenste'): bovenbuik,
epigastrium [eigenlijk een te gedetailleerde term, er
bestaan geen orgaanbeschrijvingen in het Akkadisch]
logogra sch: F s
$
 -
di
s na sag 
sa
s u kusu
13 summa amelu res libbsu ikkalsu (G pres. v. al
a ku
`eten', maar ook tech. ook: `pijn doen'): `indien iemand
pijn heeft aan zijn bovenbuik' BAM578-i-1 [gaat over
galklachten (!martu `gal') die zich inderdaad ergens
boven in de buik uiten, ergens boven de abdomen (weke
delen)]
5 sa-su i-pa-sah

14 libbasu ipassah (prognose na diagnose en therapie;

pasa hu `bedaren', `tot rust komen' bijna woord voor

`genezen',
hier G pres.): `dan zal zijn inwendige tot rust
komen' BAM578-i-8
;
li-ib-bi, libbi (st.c.), CH-ii-8

! ' 4 4x

 !

sa libbsa

libbu

wabalu

libba t.^abu

res libbi

! '


c s s
!
!
libbuk
cs !
lbil
V
libittu <
;

-um

li-ib-bu (in) libbu

+ki) Ee-i-117

(st.c. en locativus) Sil-A-66


(<*libbumki, loc. op

lib-bu-uk-ki libbukki

(a hulpvoc.) Ee-vi-2, 138


(gen. Ee-vi-134
-
su
 libb

s u (+
s u) BAM578-i-1
, (apocope vorm v. libbuka, st.c. v. libbu + sux
l
b-ba-
su
 libba
su

l
b-bi libbi



sa

-ka): uw hart etc.


lib-bu-uk, libbuk < libbuka (-ka) erra-i-14
, G prec. v. waba lu `dragen'
; li-bil-ma, lbilma (G prec.) Ee-vii-141
, ( *libintu !laba nu `metselen'): `tichel', (ongebakken) kleisteen, `tichelwerk'
, subst. !liplippu `nakomeling', `achterachterkleinzoon';
, G prec. v. !basu^
;
~
li-ib-
s i-
s um-ma, lib
s i
s umma

liblibbu
libsi

(prec. +sum+ma), \moge hem geworden", Sil-C-42


, G prec. v. !dama qu `goed z/w.'
1 urh liqmiq `moge mijn pad/levensloop goed zijn',
`opdat mijn levensloop goed is' Sin1-24b
P lid-m-iq, liqmiq (G prec.) Sin1-24b
, G prec. v. !nag^u `jubelen', `juichen'
, D prec. 3e vr.mv. v. kal^u, D: `vasthouden', ook `in

lidmiq

?

ligi
liklla

gedachte houden' etc.


; 7 li-kil-la, likilla, (D prec. 3e vr.mv.) Ee-vi-117,
vii-18

likn , D prec. 3e p.enk. v. k^anu, De: `vaststellen' etc.


;
,
, (D prec. 3 p.enk.) Ee-vi-109
likkis , ( pnks ) G prec. 3e p.enk. v. !nakasu `(af)snijden',
`hakken'
liktunu , Gt prec. mv. v. !k^anu `vast z/w.' etc.
; P: K
,
(Gt prec. mv.) Ee-iv-22
lim, lmu , (subst. < Sum.; NA ook li mu; mv. lm vanaf
li-kin

lik
n

li-ik-tu-nu likt
u n
u

oud-akk.; lim met `10' en !100! `100'): duizend,


duizendtal, AHw \tausend"; CAD one thousand;
, (subst.) mv. lm; jaareponiem, AHw

lmu, limmu

\Jahreseponym"; in de Assyrische jaarrekening worden jaren vernoemd naar een functionaris; bijvoorbeeld
in een colofon:
p d

limmu
, limmu p errba-d Sin, in het

limhas.
line u
>
linnadnam

su

xxx

jaar van Errba-Sin (yos-IV-71)


, G prec. v. !mahas.u
 , G prec.mv. v. !n^
a u, n^e u, naw^u `zich roeren'
 u line  u
;
li-ne- u-
 (G prec.mv.) Ee-vii-12
, (N prec. v. !nada nu `geven' + dat. -am):

`laat aan mij gegeven/uitgeleverd worden'


; F O li-in-na-ad-nam-ma, linnadnamma
(N prec. + dat. -am+ma) Ee-vi-13, 25
, (N prec. vr.mv. v. !nasu^ `brengen', `dragen'
;F
li-in-na-
s
a-a, linna
s
a (N prec. vr.mv.)
Ee-vi-116
, G prec.mv. v. !n^ahu `bedaren'
; K N li-nu-hu linuhu (G prec.mv.) Ee-vii-11


, G prec. 3e p.enk. v. !pat. a ru
; !pad!
li-pat
.-t
.i-ra, lipat
.t
.ira(m) (G prec. vent.)
Sin1-26a

linnasa

UC

linuhu
lipat.t.ir
H
liplippu , (subst.; ook liplpu, liblibbu, libbilibbi, lpilpi;

vanaf OB, MA;): nakomeling, achterachterkleinzoon; ontstaan uit de directe genitiefverbinding lip lpim > liplippim, (de zgn. kwantiteitsmetathesis: bij verkorting
van lange vocaal ontstaat een dubbele consonant; vocaal en consonant ruilen hun kwantiteit;  en p ) i en
pp); in later tijd geschreven als

119

February 27, 2002 Copyright Heise en Stadhouders, Akkadisch Vocabularium


 (g)
 (g), vanwege 
 =l
sa
sa
sa
b/p (< sa = libbu
`hart').
CAD 1 o spring, descendant; 2 o shoot of the
datepalm
;
;
li-ip-li-ip-p, liplippi CH-iv-67

, (subst.; ook lipiu, lpu, lepu; OB, SB;
iudu en
!uzu!
uzu
iudu): (dierlijk) vet, vetweefsel AHw
II \Korperfett", \Fett"; CAD 1 adipose tissue, fat,
tallow; 2 marrow, pith;


ina iudu
hihi
 
1 ina lip^ taballal ( i afgeleid van
pictogram
voor een zalfvaatje, Sum. , `olie', het teken gaat ook
staan voor ni `geur', omdat het verwijst naar welriekende olie, en ook zal `glimmen' (zoals na insmeren met olie);
udu `schaap'; 
iudu (dierlijk) `vet';
G pres. 2e p.enk. v. bala lu `mengen'): `in vet moet je
mengen' BAM578-i-49


(ina) lip^
 (gen.) BAM578-i-49
, (subst.; ook lepu; vanaf OA, OB; in PNs
nunuz):
telg (hangt samen met elepu `groeien') AHw \Abkommling", \Nachkomme" CAD A 1 o spring, descendant, posterity; 2 generation;
, G prec. v. !epesu `maken' etc.
;
li-pu-us, lpus (G prec.) Sil-C-47
;
E li-pu-us-ma, lpusma (G prec. + ma)

 
lip^u


lpu


i udu

lpus

ss V
lir ^a

C!
lira isu
H
lre


Ee-vi-107

, G prec. v. re u^ `hoeden'



a (G prec.) Ee-vii-131
;
li-ir- a-a lir ^

, (D pret. prec. v. !r^asu, ra  a su, ook wel r^asu):
`slaan', `verslaan', `vernietigen'
;
 li-ra-i-su, lira  isu (D pret. prec.) Ee-iv-16
, (ook: lir e G prec. v. !re u^ `hoeden'), `moge hij hoeden'
1 nissu ina msarim lre `moge hij zijn volk in gerechtigheid hoeden'
, (D prec. v. !ara ku) `lang maken'
, (Gtn prec.mv. v. !rab^u)
, G prec. mv. v. !sala mu `vriendelijk z/w.'
1 lislim
u ittja `moge zij [mijn god en godin] (weer)
vrede met mij sluiten' Sin1-24a
; = lis-li-mu, lislimu Sin1-24a
, (subst.vr.; mv. lisa na tu; vanaf oud-akk.;
eme):
tong, taal; AHw \Zunge", \Sprache"; CAD 1
tongue; 2 statement, wording, report, gossip, slander; 3
commentary, synomym list; 4 language, technical language, special language, dialect, nationality, person or
people speaking a foreign language 5 person (captured)
able to give information; 6 tongue of a ame, blade of
a weapon or tool; plowshare, ingot;
1 lis
a n akkadtim (st.c.; gen.vr. v.akkadu(m) `de taal
van Akkad'
2 lis
a num akkadtum (akkad adj. `van Akkad') `de
Akkadische taal'
3 sa us.s.ini zaqti kep^
at(a) lisa nsu (us.s.u `pijl' + ni;
zaqtu `spits'; G stat. kep^u `zich ombuigen', halfcirkelvorm; lisa nu `tong', hier tongvormige punt): `wat betreft onze puntige pijl: zijn punt is kromgebogen' erra-

lirrik
lirtabb^u
lislimu

lisanu

i-90

U !

[ ]

(st.c.+su) erra-i-90

lises.in , S prec. v. !es.enu `ruiken', `rieken'


;

li-
s
a-a n -
su
 li
s
a n
su

li-
s e-s
. i-in

li
s
es
. in

 prec.) Ee-vi-111
(S

lism , G prec. 3e p.enk.


v. !si
a mu `bestemmen'; verba mediae vocalis, 1e p.enk. is lusm
lisir , G prec. v. !eseru `gedijen'

1 pad
a n lisir (G prec.; pada nu `pad', `weg'): `moge
mijn route/levensloop voorspoedig verlopen', `opdat
mijn weg gedije' Sin1-24b
; G li-sir, lisir (G prec. v. eseru) Sin1-24b
, (afwijkend < *lisrsa , naar analogie met de D):
S prec. vr.mv. v. !r^asu `juichen'
 prec. vrmv) Ee-vi-111
s
li
s -ri
s -
s
a, li
s ri
s
s
a (S

 pret.mv. v. !ra  a bu G: `beven' St
 passief bij
, St
G: `in huiver gebracht worden'
 u , (S
t pret.mv.) Ee-vi-146

li
s -tar-i-bu li
s tar ib
, Gtn pres. v. !waba lu `dragen'
;
| li-it-tab-bal, littabbal (Gtn pres.) Ee-vii-142
 ,
lu
 bad ,
lu
E
}
, !sala mu lijk;
dingir(ra) ,
lu
( )
}  , eig. G part. v. !sa alu `vragen' (om een
orakel); droomuitlegger; cryptogra sch: met lu = sa;
dingir(ra) = ilu/i; dus: 
s a-ilu/i = sa ilu/i;
: of . . . of
,(
lu), +ww.(nadruk/af rmatief): inderdaad, waarlijk; ondergaat geen crasis met volgende preformatief;
dus: lu iprus en lu aprus
1 l
u knamma mahru nimbukun (G stat. v. k^anu +
 lu + stat. = prec., maar af rdat. am; hier dus niet
matieve lu ; nimbu variant v. nbu +kun(u), adj. mahru
voor subst.!) `uw vroegere woord hebt gij waarlijkjegens mij gestand gedaan' Ee-vi-21
2 alk
a tus lu su p^at(u) (S stat. vr. su p^at, elativisch,
v. wap^
u met redundante u, zgn. overhangende vocaal,
%GAGx75b, noot 11): `zijn optreden/actie/onderneming is waarlijk schitterend' of met lu als precatief:
`zijn optreden zij luisterijk' Ee-vi-122
+ stat. , precativus, drukt een gewenste toestand
uit (\moge : : :") en komt in alle persoonsvormen
voor.
1 l
u balt. a ta `moge U in goede gezondheid zijn'
2 l
u da ri `moge het duurzaam zijn' ook in nominale
zin:
3 n
u rsu nawrum lu attunu-ma `weest zijn stralend
licht!'
Soms is niet uit te maken of lu armatief of precatief
gebruikt, bijv.
4 l
u basima nann^usu (G stat. basu^ komt niet zoveel voor, met lu precativisch: `het zij er', `moge er
zijn'; met lu armatief: `die zijn er waarlijk/heuselijk';
nann^usu locativus): [vergeving en bestraf ng] `moge er
zijn op zijn gebod' Ee-vi-132 of armatief: `die hangen
waarlijk van zijn bevel af'
+ pret. , precativus 1e p.enk., drukt een gewenste actie
uit (\ik wens : : :", vaak te vertalen met een futurum:
\ik wil : : :") en wordt gevormd door het partikel lu met
preteritum; Het partikel lu verbindt zich dan met de
werkwoordvorm (crasis van -u en vocaalpreformatief)
en wordt in OB aangetroffen in 1e p.enk. en in 3e p.enk. en mv. en wordt verbonden met de vocaal van de
werkwoordstam. De resulterende vocaal is altijd lu{ in
1e p. en li{ in 3e p, ook in D (liparris) en S (lisapris).
Bijv. 1e p. lumhas. (bij mah a s.u) `ik wil slaan', `laat mij



lisrissa

y U
y s
littabbal
J NJ
listar ibu

salamtu
sa ilu

lu ...lu
lu 

lu

lu

J H

120

February 27, 2002 Hoofdstuk 2 Akkadisch vocabularium

slaan'; 3e p. limhas.; men spreekt van cohortativus, zelfaansporing: `ik wil : : :', `kom, laat ik : : :', ook in verzoek aan meerdere, dan te vertalen met `mag ik a.u.b.
: : :?'.
1 luszizma lull^
a lu amelu sumsu (S cohor. v. izuzzu

in S: `creeren'; lull^a Sumerisme voor `mens', geleerd
woord, daarom misschien te vertalen met `homo sapiens' of `genus homo'; amelu lu sumsu is een nominale zin): `ik wil het genus homo maken, zijn naam zij
\mens" ' (creatie van de mens in het scheppingsepos
Enu ma elis) Ee-vi-6
p
, (subst.; lbr `oud'; mv. luba ru ; vanaf OB;
 ghia):
g
tu
doek, (oude) lap, `oud stuk stof'; [
tu
 `kleed'] AHw \altes (gutes) Gewand"; CAD 1
= kum
clothing, garment; 2 (a speci c piece of female apparel,
NB only) 3 piece of clothg, rag;

eV
ina tughia sur-ri

1 ina lub
a ri tet.erri (e sur hier G pres.2e p.enk. v.
t.er^u `uitpersen', `smeren', `insmeren', speci ek: `uitwringen' (van pastavormige substantie): `(en) moet je
met/op een doek insmeren' BAM578-i-7

C


lubaru

C

C

lubat.u , (subst.; SB):


t
ughia

lub
a ru

BAM578-i-7

(een buikziekte) verstopping; AHw


Dt(Stuhl-)verstopfung; CAD (a disease)


a-si-a pa-sit-tum u lu-ba-t.i
gig
1 asia p
asittum u luba t.i marus. (asu^ `hoofdpijn';
pasittum G part.vr. v. pasa t.u `uitwissen', `verdelgen';
part.vr. `verdelgster' (ook naam van Lamastu, die babies verdelgt, hier de naam van een ziekte); gig G stat.
marus. `is ziek aan'): `dan is hij ziek aan de asu^-hoofdpijn, de pasittum-ziekte of de luba t.u-buikziekte' BAM-

C C

':

d Lugal-dimmer-anki Ee-vi-28, 139

lull^u I , (subst. leenwoord < Sum.; OB, SB)

Sumerisme
voor mens, geleerd woord, daarom misschien te vertalen met homo sapiens of genus homo; soms: oermens; AHw
\ursprunlicher Mensch"; CAD man;
1 luszizma lull^
a lu amelu sumsu (S cohor. v. izuzzu in
S: `creeren'; fonetisch lul-la-a; amelu lu sumsu is een
nominale zin): `ik wil het genus homo maken, zijn naam
zij \mens" ' (creatie van de mens in het scheppingsepos Enu ma elis) Ee-vi-6, daarna nog eens logogra sch
geschreven (als het ware een uitleg van dit Akkadische
leenwoord) in:
 u19 lu-a am
2 lubnima lu
e lu (G cohor. v. ban^u `scheppen'; amelu een bijstelling): `ik wil homo sapiens, de
mens, scheppen' Ee-vi-7
}
, (acc.adv., \als een lull^u"): op de wijze van een

lull^a

c C
J C
lull^u II

oermens Ee-iv-72

lu-ub-ni-ma lubn^
ma

zen'
1 dallika ludlul: `moge ik uw lof verkondigen'; wensof gebodsvorm, ook soms het presens, in afhankelijke zin vaak weer te geven als zin van consequentie
\en dan", \opdat", \zodat". Het gaat dan om een mogelijk gevolg, bij feitelijk gevolg wordt de indicativus
gebruikt: `dan zal ik uw lof verkondigen' Sin3-69

5c
Lugal-asala
(C y
,

lud-lul ludlul

(G prec. 1e p.enk. v. dala lu) Sin3-69

, naam van een godheid,


gi
s
o 
: d



d Lugal-gis asala Sil-A-51

lugal

Lugal-dimmer-anki ,

a t

u gab[li
s]

(quasi-Sum.

lugaldmmeeranki): het epitheton van !Marduk;


lugal `koning' (Marduk is koning der goden van hemel en aarde); dimmer `heer' (in de %emesal-vorm van
het Sumerisch); an `hemel'; ki `aarde'; de naam wordt
verklaart in Ee-vi-141 (!belu), waain lugal als belum

en dimmer als dingirdingir terugkomt;


1 ana d Lugaldimmeranki m
a lik il belasun (verwacht beli (gen.), hangt af van ana): `hun heer,
d Lugaldimmeranki, raadgever van de goden' (of malik met korte a: `koning') Ee-vi-28
!dim3!


 
 ,

lugal d
m me er an ki

(acc.adv. v. lull^u I ; van Soden in:)

&
 18  -a, lull^
a Ee-vi-7
: denominatief: een ww. waarvan het subst. de
grondvorm is en die dan altijd primair toestandsww.
zijn; bij D v. !lal^u I
, postulaat: mogelijk een homoniem ontstaan uit
lul = sarru `leugen', in het Akk. in gebruik als logogram
lul = sarru; in dat geval zou lull^
u III een
geleerd woord voor leugens zijn; ter verklaring van Ee-

lull^u III

l
u u

lu

iv-72
1 ina saptsa lull^
a uka l sarra t, (D pres. v. *k^alu):

578-ii-18

lublam , (<lubilam, onregelm.), G prec. vent. v. !wabalu


lubn^ , G cohor. v. !ban^u `scheppen'
 2 V
,
(G cohor.) Ee-vi-7
ludlul , G prec. 1e p.enk. v. !dalalu II `loven', `prij-

lul-la-a lull^
a

Ee-iv-72, vi-6

lul^u

lett. `op haar lippen hield zij leugens en onwaarheden'


Ee-iv-72;
[De stijl waarin eerst een geleerd woord gebruikt wordt
en dan ter nadere verklaring een bekend woord, komt
wel vaker voor; hier zou zowel lull^a als sarra t beide
object zijn bij kullu]
7 lul-la-a, lull^a (acc. v. \lull^u III ") Ee-iv-72
, (bij !lal^u I ): weelderige rijkdom, volheid, overvloedig-

C
heid
7C

lumasu, lumassu , (subst.; SB, LB;  J


lu-la-a lul^
a

(acc.) erra-i-127

luma
s of
J
soms met si): sterrenbeeld; AHw \TierkreisSternbild"; CAD 1 (one of several stars whose helical
risings fall at or near the solstices and equinoxes, and
which therefore serve to divide the year) 2 (poetic term
for star) 3 zodiacal constellation;
1 uszizz
u ma ina birisunu lumasa isten, (S pret. mv.
v. izuzzu `staan'; S: `tot stand brengen', `plaatsen'): `zij
plaatsten te midden van hen een eerste sterrenbeeld'

 ma
lu
s

Ee-iv-19
2 epsu p^ka li  abit lum
asu, (N prec. v. aba tu I met

sterke alef; epsu(m) locativus = ina epes p^ka): `moge


door uw bevel het sterrenbeeld vernietigd worden' Ee-

iv-23
3 i  abit lum
asu, (N pret. met sterke alef v. aba tu I ):
`het sterrenbeeld werd vernietigd' Ee-iv-25
4 lum
asu ittabni, (N perf. v. ban^u): `het sterrenbeeld
werd (weer) geschapen' Ee-iv-26

In het Enu ma elis-epos (in tablet v over de inrichting


van de hemel) worden de goden geidenti ceerd met
een ster of sterrenbeeld (lumasu of lumassu). Goden
hebben een astrale dimensie. Naast hun beeld op aarde
(in de tempel) hebben zij hun beeld (afbeelding, even-

February 27, 2002 Copyright Heise en Stadhouders, Akkadisch Vocabularium

beeld, tamslu) aan het rmament:


5 mulmes tamslsunu lum
as uszz, (S pret. v. izuzzu
`neerzetten', `doen plaatsen'; mulmes = kakkab): `hij
[Marduk] plaatste de sterren in sterrenbeelden (als)
hun evenbeeld' Ee-v-2

VU
Vb
V

,
(acc.) Ee-iv-19
,
(nom.) Ee-iv-23; 24; 25
lu-ma-
s i, lum
a
s
 (acc. mv.) Ee-v-2
, G prec. 1e p.enk. v. !mahas.u `ik wil slaan', `laat
lu-ma-
s
a lum
a
sa

lu-ma-
s u lum
a
su

lumhas.

mij slaan'; 3e p. limhas.;
e 

lusabsi , S cohor. (1 p.enk.) v. !basu^ in S: `er doen zijn'

 ' V
 U V
Ee-vi-9
etc.

 cohor.) Ee-vi-5
(S

lusanni , D prec. v. !san^u `iets voor de 2e keer doen'


lu-
s ab-
s i-ma

lu
s ab
s ima

lu-
s
a-an-ni-ma

lu
s annima

(D prec. +ma)

lusapi , S prec. 1e p.enk. v. !wap^u; S: `duidelijk maken',

 U

`verheerlijken'

 prec. 1e p.enk. v. wap^u) Sin3-69


(S

lusass^a , S cohor. vent. 1e p.enk. v. !nasu^ `dragen'; < lu


lu-
s
a-pi lu
s
a pi

+ *usansia vent.; ongebruikelijk met extra u gespeld


als lu-u-sa-: : :):

 > USUC

lu-
u-
s
a-
a
s -
sa
-a

 cohor.1e p.enk.) Ee-vi-26


(S
, (G prec. 1e p.enk. v.

lusme

l
u
s a
s
s^
a

!sem^u `horen', `vernemen';


nb. G pret. is isme): `ik wil horen', `laat mij vernemen',
`opdat ik verneme'

lu-u
s -me, lu
s me (G prec. v. 
s em^
u) Sin1-26b
, S cohor. v. !izuzzu, in S: `creeren'
E lu-us-ziz-ma, luszizma (S cohor.) Ee-vi-6
, (Dt prec. 1e p.enk. v. !elelu G: `rein z/w.'; D `reinigen'; Dt passief of re exief): `moge ik me reinigen', `opdat ik gereinigd worde'

lu-ta-l
l, l^
u tallil (verwacht: l^
utallil, Dt prec.

 

lusziz

l^utellil

1e p.enk.) Sin1-26b

121

122

February 27, 2002 Hoofdstuk 2 Akkadisch vocabularium

{ma : (emfatisch partikel ter markering van het voorwerp

van informatie)
1 ana Tiamat elltamma izakkarsi `en sprak Tiamat
op luide toon toe' Ee-i-36
, suf x ter markering van het predikaat, dat wat in logische zin voorwerp van mededeling is; in het bijzonder
bij de nominale zin
1 umm
a nsuma rema aj ursarsi `moge zijn leger geen
erbarmen doen verkrijgen/ondervinden'
2 mannumma, (mannu(m) `wie?'), nominale zin: `het
is wie die' ) `wie is het die', `degene die', in zelfstandige relatieve zin (zonder antecedent)
3 mannumma sa ibn^
u tuquntu (G pret. subj. v. ban^u;
tuquntu `strijd', `oorlog'): `wie is het die de strijd ontketende' Ee-vi-23
4 d Kingu-ma sa ibn^
u tuquntu (Kingu-ma, nominale
zin; G pret. subj. v. ban^u): `het was Kingu, die de oorlog
heeft aangesticht' Ee-vi-29
: (coordineringspartikel) staat achter de persoonsvorm in ww.Verbindt zin met het daarop volgende zin
(ook als de werkwoordsvorm zoals soms in Laat-Babylonisch voorop staat in de zin). {ma duidt dan op een
intrinsiek verband, dat van verschillende aard kan zijn.
Vaak te vertalen met \en" tussen de zinsdelen, maar
soms ook met een bijzin met de juiste keuze van het
voegwoord.
} redengevend, {ma is soms redengevend, in dat
geval de zinsdelen verbinden met een voegwoord als
\want/doordat/met dien verstande dat".
1 l
a lamda ma nukkula minna tusu, (la lamda `ongekend'; nukkula D stat. 3e vr.mv. v. naka lu in D: `artistiek vormgeven'; min^atu `ledematen'), lett.: \zijn ledematen zijn onkenbaar en fraai gemaakt" met -ma coordinerend ) `zijn ledematen zijn zo fraai, dat het 't
verstand te boven gaat' Ee-i-93
} , epexegetisch: Soms is {ma epexegetisch, d.w.z.
het tweede zinsdeel geeft een nadere uitleg van het
eerste (Ned. \en" is ook vaak epexegetisch). In dat
geval kan het tweede zinsdeel in logische of temporele
zin voorafgaan aan het eerste zinsdeel en moeten we in
de vertaling de volgorde omdraaien.
} , bijzin van consequentie: Soms moet men de zin
na {ma vertalen met een bijzin van consequentie of
doelstelling \zodat", \en dan", n.l. indien in de bijzin
de persoonsvorm van het werkwoord een ( entische of
stativische) precatief is, dus: -ma : : : liprus of -ma : : :
lu paris. In de regel is de persoonsvorm van de voorafgaande hoofdzin een gebodsvorm (imperativus of precativus).
maanden van het jaar , !itu, het determinatief voor de
naam van de maand
, een soort uitroep, die vaak in de praktijk de directe rede inleidt; waarlijk, ja, welaan; AHw etwa:
\was!?"

{ma

{ma

{ma

{ma

{ma

ma

VC
madadu

ma-a m
a

(uitroep) Ee-vii-139

, (ww. a/u-klasse; vanaf oud-akk.;

):

g
a

I. G-stam (pret. imdud, pres. imaddad, stat. madid): afmeten (van graan), toemeten (van graan); in de praktijk ) betalen, berekenen, leveren CHx44; CAD A 1 to

measure (using a measure of capacity or length), to

pay, to deliver (in a measure of capacity), to measure


(length), to survey; 2 (uncert. mng.)
I/2. Gt-stam (
, < *mitdudu) CAD 3 to correspond, to be proportional;
II. D-stam (
) CAD 4 to measure (using a measure of capacity or length), to calculate time; birt n
muddudu to make something clear to somebody;

III. S-stam
(
, causatief) CAD 5 to have somebody pay (causative to mng. 1)
i-ma-a[d-d]a-ad, imaddad (G pres.) CHx44
, (adv. !m^adu, ma a du): `zeer', `talrijk', `met vele'

, (ww. i/i-klasse; ook mia du; vanaf oudakk.; logogram met de meervoudstekens mes en
hia):

I. G-stam
(in OA, MA, NA: pret. im id, pres. ima id,
stat. ma d; in oud-akk., OB, MB: pret. imd, pres.
imiad, stat. ma d, md; in SB: pret. imd en im id,
pres. im^ad (mv. imiddu, imindu) en ima id, stat. ma d,
ma ad): veel z/w., talrijk z/w.;
AHw II \viel werden, sein", \zahlreich werden, sein";
CAD 1 to be or become much, numerous, plentiful,
abundant, to increase, to gain;


III. S-stam
(
, sumu du): CAD 2 to increase, to
enlarge (in number and size), to make much, numerous;
III. S-stam (passief): CAD 3 to become increased;
}
, G verb.adj., , (vr. mattu < *madtu, de consonanten d en t. assilileren volledig aan de t van het
vr.enk.; vanaf MB ook ma du, maddu; vr. ma attu,
NA ma assu; vanaf oud-akk.;
me
s en
hia(me
s )): veel, overvloedig, copieus, talrijk; AHw \viel",

\zahlreich";
CAD much in quantity, plentiful, abundant, large, heavy, severe, serious, many, numerous,
strong, several, plural;
}  , G verb.adj. m.mv., : zeer, grotelijks, veel, lang;
CAD d3' many people, other people, others;
1 sa istu u
 m^e ma du ti (sa istu `sinds', `sedert'; u mu
`dag'): (die) `sinds lange tijd' Sin1-23a

}
, (adv.; vanaf OA, OB;
hia):

zeer, talrijk, met velen, in hoge mate; AHw \viel", \sehr";
CAD very (much), greatly;
2 susqu m
a dis, (S stat. v. saq^u, ook al elativisch): `hij
is buitengewoon zeer verheven' Ee-i-92
3 kma u
 mu immeru zmusu ma dis (verwacht: um;
G pret. v. ama ru; zmu `gezicht', `gelaatstrekken'): `zijn
gelaat werd zo licht als de dag', `zijn gelaat begon zeer
helder te stralen als het daglicht' Ee-vi-56
ma- -du-tu, ma du tu (i.p.v. gen.: ma du ti)

middudu
muddudu

V O

sumdudu

madis
m^adu, ma adu

sum udu

madu

C

ma dutu

madis, ma dis

V }
V
magal
Sin1-23a

ma-a -di
s ma di
s

(adv.) Ee-i-92, vi-56

, (adv.; OB, MB, MA, SB, NA;

ul4 gal):
zeer, in hoge mate; heleboel AHw \sehr"; CAD very
(much), greatly, in large amounts exceedingly, abundantly
1 s.tu magal saknunimma (s.tu `verlies'; G stat.
saka nu: `is gezet voor mij' ) `ik heb te lijden van'):
`ik lijd in hoge mate verlies' Sin3-59
 h ma-gal 
D
u
s ubme
s

2 ru tu magal ittanaddi (D sub maq
a tu `vallen' dan
ru tu subject; ook nad^u `werpen' dan ru tu object; mes
voor Ntn, meestal pres.): Ntn pres. v. nad^u ittanaddi `hij
werpt steeds speeksel uit' of: ittanaqqu `hij laat steeds
speeksel vallen' BAM578-i-27

VW

123

February 27, 2002 Copyright Heise en Stadhouders, Akkadisch Vocabularium

C !sed! V W # } D

a sed

ma-gal

nag

i-par-ru

3 m^e kas.u
^ti isatti iparru (a m^u `water' pl. tan-

tum, maar hier zonder mes; !sed! sed kas.u^ `koud',


hier adv.m.mv.; expliciet G pres. v. par^u `braken'): `hij
drinkt een heleboel koud water (maar) braakt (het)
weer uit' BAM578-i-29

VW
magaru
o?

Sin3-59

oo?

ma-gal magal

, (ww. OB a/u-klasse, later u/u-klasse; vanaf OA,




s e(ga)
s e
s ega):
G stat. (magir) gunstig zijn, in de gunst vallen; ter wille
zijn;
I. G-stam (pret. imgur, pres. imaggar vanaf MB ook
imaggur) accoord zijn/gaan, inwilligen, toestemmen, verhoren, toestaan (met acc. van de persoon); AHw \einwilligen", \zustimmen"; CAD 1 to comply with a request,
to consent, to give permission (for an action or to a
person), (negated:) to refuse to accept a judgement, a
proposal; 2 to grant (a person something), to grant a
prayer, to agree to a demand; 3 to follow an order, to
obey; 4 to nd acceptance, favor;
1 i nimgur (i+pret 1e p.mv. = cohortatief) `laten we
overeenkomen'
2 GN-magir in PNs met G stat. GN-is-goedgunstig
3 d Enlilma magirka (actieve G stat.) `Enlil is u terwille' erra-iii-D12 (meestal wordt deze stat. (in rituelen
etc.) passief begrepen: `van hem is het verzoek ingewilligd' of `hij vindt gehoor voor zijn verzoek', maar hier
dus actieve stativus.
 ma-gir-ka magirka (G stat.+ka) erra-iii-D12
}
, G part., : als subst. `die inwilligt', als adj.
gehoorzaam; CAD obedient, submissive;
4 sukkallum l
a ma giru: (sukkalum `vizier') lett. `de er
niet mee eens zijnde vizier' Ee-i-48
}
, G verb.adj., , (subst.): inwilliging
5 bel tasm^e u mag
a ri `Heer van verhoring en inwilliging' in Ee-vii-20 gezegd van d Tutu. [epitheton van veel
goden; verhoring/inwilliging (het betekent hetzelfde)
van smeekbeden om \reiniging" opdat men niet buitengesloten is]
I/2. Gt-stam (
, reciprook) het eens zijn, het eens
zijn met (itti) iemand over (ana); AHw \einander zustimmen"; CAD 5 to agree with each other, to come to a
mutally acceptable agreement, to be friendly, gracious;
6 Gtn to be repeatedly obedient, gracious, or agreeable
to someone;
II. D-stam (
) CAD 7 to get someone to agree,
to make amicably disposed, to make obey;
6 GN-mugur/mug(u)ranni
persoonsnaam D imp.
OB;

VmZagiru

magaru

mitguru

mugguru

Verhoor-(mij-)GN!

III. S-stam
(sumguru) CAD 8 to get someone to agree,

to induce a deity to accept a prayer, a pious deed

III/2. St-stam (sutamguru) CAD 9 to make mutally sat-

ifactory agreements, to create friendly feelings between


persons (caustive to mng. 5)
IV. N-stam (
, ingressief) CAD 10 to come to
an agreement, to agree, to nd favarable acceptance, to
accept a gift (Bogh. only) 11 itamguru to be acceptable
}
, (subst.; mv. migra tu; st.c. migir; vanaf oudakk.): inwilliging, verhoring, gunsteling; AHw \Einwilligung", \Zustimmung"; CAD 1 agreement, consent;
2 person endowed with divine or royal favor, grace; 3
contendness of heart (also migir libbi)

namguru

migru



7 migir Sama
s , gunsteling van Sama
s
8 migir-GN persoonsnaam Verhoring-van-GN
mi-gi4 -ir, migir, (st.c.), CH-iii-48

F
o?
}o ? b

}mitga ru ,

gunstig, zeer gunstig; `gunstig' ook in hemerologische zin (lijst met \gunstige" dagen);

s ega mitg
a ri

logogra sch:

BAM578-i-41

o?

#
ina d u4 sege a nag-su

9 ina u
 mi mitga ri tasaqqisu (
s e(ga) 
s em^u
`luisteren', `verhoren' en mitga ru `gunstig'; # nag
= \mond  water" sat^u `drinken', maar ook saq^u II
`drenken', `te drinken geven' (trans.), een homoniem
van saq^u I `hoog zijn'; hier een soort annex \mits",
een waarschuwing aan het adres van de medicijnman,
sprekend over een recept): `je moet het hem (wel) op
een gunstige dag te drinken geven' BAM578-i-41

}
, (subst.; OB, SB;
s e(
s e)ga):
eendracht; AHw \eintrachtig"; CAD agreement, consent, concord; (negated:) disagreement, discord;
, (!gasa ru): `de machtige', `enorme kracht',
`bijl'
a D ma-ag-sa-ru, magsaru Ee-i-162
, (status abs. en st.c. v. !mah a ru), status abs.
in vaste uitdrukkingen): bijv. la mah
 a r `onweerstaan
baar', `zonder een tegenstander te hebben';
(vgl. ook
la sana n)
, (ww. a/u-klasse; vanaf oud-akk.;
I. G-stam + acc. van de persoon; (pret. imhur, pres.
 de beteimahhar, stat. mahar vaak trans., met name in



kenis `ontvangen'): ontvangen, aannemen, afnemen, ontmoeten, (zich) teweerstellen, het opnemen tegen, zich verzetten, zich tegen iem. keren (in vijandige zin, maar ook
positief:) tegenover iem. staan, iets aankunnen, zich wenden tot (positief van lagere persoon tot hogere, maar
ook aggressief); ook +2 acc.: iets van iem. accepteren,
in dank aannemen; G-stat. ook aangenaam z/w., beha

mitgur(t)u

oo?

magsaru

V a

mahar

maharu

gen
1 simatka belum l
u mahrat ilma, (G stat. vr.enk.

prec.): uw (lots-)beslissing, O heer, behage de goden'


Ee-iv-21
AHw
CAD

\gegenubertreten"; \angehen", \empfangen";


(20 pages) 1 to accept (values, staples, persons,
etc.), (in legal and adm. contexts), to take in, to collect tribute, gifts, bribes, gratuities, to receive, take in
persons, woman with their dowries, to collect objects,
to accept o erings; (with ana smi, ana/k^ kaspi) to
buy; (in nada nu u mah a ru) to sell and to buy, to do
business, to collect a liquid in a container, to take
in (food, drink, sperm, breath) to grant a prayer, to
accept a prayer (a request), to receive a report, an assignment, informations, to receive evil, contamination
from someone; 2 to approach (the king, an ocial, an
authority etc. with a demand or complaint), to pray to
a deity, to present a demand, to meet someone, to confront someone (said of diculties, evil, etc.), to meet an
obligation, to dam up; 3 to face, to rival, to match, to
withstand, to be equal, to correspond (in size or number), to be adequate, sucient; 4 to please, to welcome,
to be ready for, to meet someone; (with nu or panu
+ mah a ru) to be acceptable, agreeable, preferable;
} +  , (idioom met mah aru `ontvangen'
in de zin van `accepteren', `verdragen'; lett.: \'t oog

nu maharu

124

February 27, 2002 Hoofdstuk 2 Akkadisch vocabularium

verdragen" ) `het goedkeurend oog verdragen' iets


iem. goedkeuring verdragen (iem. uitgedrukt in de sux
van nu), bevallen, aan de verwachting voldoen;
 9 V ki-i igi-ka mah-ri

2 k nka mahri, (G stat., subj. voor mahru) wanneer

't jouw goedkeuring wegdraagt, wanneer het naar uw tevredenheid is, wanneer 't je voldoet CT22-58,10
I/2. Gt-stam (
, re exief; Gt pret. imtahir en


imtahar, Gt perf. imtath
ar): elkaar ontmoeten etc.;


CAD 5 to meet each other, to move against each other,
to face each other, to be in opposition, to be of equal
size, to be level, to agree with each other
I/3. Gtn-stam (mitahhuru, frequentief) CAD 6 to ac etc., repeatedly (or from many
cept, receive staples,
persons), to collect tribute regularly, to accept o erings again and again, to approach the king or a person
in authority repeatedly, to pray to a deity again and
again, to confront, to withstand again and again;
II. D-stam (
, factitief) CAD 7 to make (i.e.
  an o ering, to send upstream (by
have one accept)
boat), to proceed upstream, to expose, to make face
(in a direction), to mix (ingredients into liquid glass);
8 to approach (a palace or a deity), to collect matter
(in a container), to oppose, to contest, to face, to steer
a boat; 9 Dtn mutahhuru to approach repeatedly;
 , st.c. mahar; met suf x
} 
, G verb.adj.,
 irtu(m); vannom/acc. mahar-; gen. mahri-; vr. mah
af oud-akk.; verb.adj. bij entische ww. passief resultatief, maar ook met potentialis-karakter: \kunnende
worden"): \geconfronteerd kunnende worden" ) confronteerbaar, (on)weerstaanbaar;
3 gapsa t^eretusa l
a mahra sinama (stat. 3e vr.mv.,

gapsu `imposant', t^ertu `order')
`haar bevelen zijn (zo)
krachtdadig, die zijn niet te weerstaan' Ee-i-145
4 kak l
a mahra (kak status abs. `wapen') `een onweer
staanbaar wapen'
Ee-iv-30
}  , G verb.adj., , (als subst. en als voorz.; vanaf
oud-akk.;
igi; st.c. mahar, acc. adverbialis, syn.

met ina mahri of mahri): voorzijde
, voor, ten overstaan


van;
AHw II 1 \Vorderseite"; 2 \vor (ihm)", \im Gegenwart
von";
CAD 1 subst.: past, bygone time; 2 prep.: before, in the
presence, in front of, (persons, objects, staples), with,
under the responsibility of in the direction of,
5 kams
u maharka ilu rabu tim, (G stat. mv. v.
 goden knielen voor u [S^n]' Sin1-11
kama su): `de grote
6 mahar ili, ten overstaan van de god

7 mahar sb, `ten overstaan van getuigen'

8 sb
u sa mahrisunu `de getuigen in wier aanwezig
heid' (ten overstaan
van wie),
9 
a liku t mahri (ook: a lik mahri) `leiding'


10 
a liku t mahri pa n umma ni (umma nu `leger'; pa n

`voor', eig. redundant) `leiding over het leger' Ee-i-149
11 kakkusu maharsun iddi (G pret. v. nad^
u `depone
ren'): `(en) zijn wapen
wierp hij voor hen neer' Ee-vi-82
}
+sux , voor
12 mn^
u dumq^ani ina mahrika (mn^u `wat?'; verwacht
dumq^uni, sux -ni `onze'; dumq^u verkorte (syncope)
vorm v. dumuqq^u `dankbaarheid', `geschenk'): `wat is
ons geschenk ten overstaan van u' = \hoe kunnen wij
u bedanken" Ee-vi-50

mithuru

muhhuru

mahru(m)

mahru

ina mahri

}ana mahri ,

adverbiale bepaling van tijd: vantevoren;


of van plaats (als ana pa ni): ervoor;
# ana igi kas nag-su
13 ana mahri sikara tasaqqisu (een soort toevoeging
met ana igi een adverbiale bepaling van tijd: ana mahri

`vantevoren', elders ook van plaats ana pa ni `ervoor';
# nag = \mond  water" sat^u `drinken', maar
ook transitief saq^u `drenken', `laten drinken', `te drinken geven'): `van te voren moet je hem (wel) bier laten
drinken' BAM578-ii-19
}  , (status abs. v. mah aru), in vaste uitdrukkingen, bijv.: la mah a r onweerstaanbaar, zonder een tegenstander te hebben 
 pret. v. red^u) `zij voeg14 usraddi kakku l
a mahri (SD
 toe' Ee-i-134
de onverzettelijk wapentuig
 is een zeldzame vorm die alleen in literaire tek[De SD
sten voorkomt. De betekenis is meestal factitief, dus
als D. De vormen worden gekenmerkt door de toevoeging van een s tussen de preformatieven in de D-stam:
D pres. uparras )usparras; D pret. uparris )usparris)]
}  , (term.; adv.; ook mahris maar r verhindert
soms elisie tot mahris; oud-akk., SB): = ana mahar,

ten overstaan van; CAD in front of
15 maharis abbesu `ten overstaan van zijn vaderen'

Ee-iv-2
}  , (subst.; st.c. tamh ar) strijd, slag; [taprasnomen, vr. tapra st, (%nominale typologie); vaak voor
\de reciproke actie", een subst. bij de Gt-betekenis van
wederkerigheid, vgl. ta h a zu `handgemeen', `gevecht'
(< \elkaar vastpakken"] AHw \Kampf", \Schlacht";
Eng.: battle
16 su
 t tamh a ru, (-sut oude m.mv. vorm van sa; verwacht: tamha ri), lett.: \die van de strijd" (van perso , soldaten Ee-i-151 (vgl. constructies als
nen) ) krijgers
sa libbsa `dat van haar buik' ) `foetus')
}  , (adv., toch komt ook pleonastisch ana mahra
voor i.p.v. ina mahri; OB, Mari, SB;
igi): CAD 1
before, earlier; 2 in front, ahead
17 (ina) mahra al
a ku (temporeel) voorafgaan, voorop
gaan = `de leiding
hebben';

III. S-stam
(
, causatief): bezorgen, verschaffen,
 synoniem met S v. rasu^ `laten hebo er brengen; ong.
ben', en dan in %hendiadys gebruikt;
CAD 10 to make (gods, spirits) accept o erings, gifts,
to o er, to hand over (staples, etc. in admin. contexts),
to make face events or objects, to face, to make accept (a dream), to transfer an evil, to have someone
collect something, to make level, to treat in the same
way;
18 dn kitti tusarsa tusamhar ensa (S pret. 2e p.enk.

v. rasu
^ en S pret. 2e p.enk. v. mah a ru; dnu `oordeel';
kittu `recht'): `gij [S^n] bezorgt enverschaft de zwakke
recht' Sin3-45

III/2. St-stam
(
, lexicaal): \elkaar ontmoeten", op weg zijn naar elkaar ) confronteren, zich gelijkstellen met, aan elkaar gelijk maken; tech. term (astron.):

in oppositie staan (als S^n en Sama
s elkaar zien), maar
ook: in conjunctie staan (als zon en maan samenvallen
aan de hemel) stat. (passief, dus): in contact/ontmoeting
gebracht zijn;
CAD 11 to assume the same rank as someone else, to
rival, to compete with someone, to make of equal size,

mahar

maharis

tamharu

mahra

sumhuru

sutamhuru

125

February 27, 2002 Copyright Heise en Stadhouders, Akkadisch Vocabularium

 to hand
to square (math.), to keep (food) down; 12 Stn
over;
19 sapattu l
u sutamhurat misil arhisam, (St stat.prec.
 abs. `half'; arhisam adverbiv.mah
a ru; misil status

 met de halve
e
aal): `de 15 maandsdag zij gelijkgesteld
maand', grammatikaal onduidelijk, of met sapattu locativus: `op de vollemaansdag moge zij in ontmoeting
gebracht zijn' Ee-v-18
20 l
u sutamhura t lu san^at (St stat.prec.; G stat. v.
 30e dag dan) komt U [de maan] ten
san^u): `(op de

tweede male in ontmoeting met Sama
s ' Ee-v-22

21 l
a ustamahhar (St pres. v. mah a ru \elkaar ontmoe  kan 't niet binnen

ten", CAD: `hij
houden' = `hij
moet kotsen'; maar wsl. dietistisch voorschrift \dit niet
eten", `vasten'): `voedselverbod' BAM578-i-2
IV. N-stam (
): zijn tegenstander vinden, tegenstand ondervinden, geconfronteerd worden, ontvangen worden, aangenomen worden;
CAD 13 to be handed over, to be given, to be accepted,
to be confronted (faced with a weapon, an attack, a
superior power, etc.), to become of equal size; (panu +
mah a ru) to become acceptable; to meet;
}   , (subst.; mv. mahru en in de betekenis
`prijs' mahra tu; vanaf OA, OB;
kilam =

ganba; mv. mah
 ra tu): prijs, koopprijs, handelswaarde,
 , wisselkoers;
ruilwaarde, geldkoers
AHw \Gegenwert", \Kurs", \Markt"; CAD 1 market
place; 2 commercial activity, business transactions; ;
3 tari , price equivalent, rate; 4 purchase, purchase
price
22 mahr sikarim ana mahr se im umtat.t.i (D perf. v.

mat.u^ `geringer
worden') `zeverkleint/verlaagt/vermindert de koopprijs van het bier t.o.v. de prijs van gerst'
CHx108; d.w.z. ze verkoopt minder bier voor eenzelfde
hoeveelheid gerst (te duur, boven de marktprijs)
23 mahru is.ehher (in omina) `de ruilwaarde wordt
 stijgen) ) in atie
kleiner'(= prijzen
24 mahru isaqqu ruilwaarde stijgt, prijzen dalen ) de atie 
e
9
mah-ra, mahr
a (G stat. 3 vr.mv.) Ee-i-145


9 V  mah-ri-ka, (ina) mahrka (+ka) Ee-vi-50
9 S mah-rat, (lu ) mahrat (G stat. vr.enk. prec.)

namhuru

mahru

H
VV H
VV MM
?V
M
!

>
mahru
!
Ee-iv-21

(G verb.adj.) Ee-iv-30

,
(gen.) CH-iii-72

ma-har, mahar CHx9


V ma-ha-ri-is, maharis Ee-iv-2
N
im-hu-ur-ma, imhurma (G pret. +ma) CHx33



im-ta-har, imtahar (G perf.) CHx108




9 D i-mah-ha-ru-ni imahharuni (G pres.
subj.+ ni) Ee-vii-111
9
i-mah-har-
su
 imahhar
s u (G pres.+ 
s u)


Ee-vii-154

, mahr (st.c.) CHx108

7 9 V la mah-ri, la mahri (acc.,i?) Ee-i-134
 pret. 2e p.enk.) Sin3-45
:
tu-
s am-har, tu
s amhar (S



-ka, maharka (st.c. +ka) Sin1-11

t pres. v.
9
u
s -ta-mah-har u
s tamahhar (S

mah 
a ru) BAM578-i-2

ma-ah-ra mahra




ma-ha-ri-im maharim

ki lam

igi

, (
kilam
= ganba; mv. mahra tu,
 mah a ru): `prijs', `koopprijs', `handelswaarde'
 oorspr. u/u?-klasse; Mari, SB)
, (ww.;


mahu^

imhu

I. G-stam (pret.
, ook imhi; pres. imahhu, ook

imahhi; stat. mahu): woeden, razen; AHw \rasen";

to become frenzied,



to go into trance
}   , (subst.; ook muhhu^; vanaf oud-akk., OB;
 lugubba): profeet, die in een vorm van bezetenheid visionair boodschappen ontvangt; in afgezwakte betekenis: dweper, fanaticus, een razende, een doldrieste;
AHw \Ekstatiker", \Prophet"; CAD ecstatic
}   , (vr.): profetes, etc. !mahhu;
}   , (= ana mahh u ti): `als een doldrieste'
1 mahh u
 tis temi, (G perf. v. em^u `zich veranderen in',
 worden'): \zij werd tot een doldrieste" ) `zij
`tot iets
werd/raakt doldriest/razend' Ee-iv-88
9N
mah-hu-t

s , mahh u
 ti
s (term. adv.) Ee-iv-88


, (= ana mahh u ti !mahu^): `als een doldrieste'



9N
mah-hu-t

s , mahh u
 ti
s (term. adv.) Ee-iv-88


, (
kilam =
ganba;
mv. mahra tu,
!mah a ru): `prijs', `koopprijs', `handelswaarde'
, (ww. a/a-klasse; vanaf oud-akk.;
s
g;
pa is oorspronkelijk een pictogram van een tak. Het
heeft ook `tak', `stok' als lezing en pa = gidru hat.t.u

`(herders-)staf', `skepter'; pa staat dan ook voor ugula
= pa (w)aklu `opzichter', iemand die op zijn staf leunt.
anpa `zenit' is het punt aan de hemel (an) waar de staf
naar wijst (recht omhoog); via `stok' pa = sg mah a s.u

`slaan'):
I. G-stam (pret. imhas., pres. imahhas., stat. mahis., imp.

, verslaan; \lichaams
mahas.): slaan, toeslaan
, neerslaan

delen slaan" ) pijn doen van lichaamsdelen; lichaamsdelen, ziektes etc. zijn in het Akk. vaak subject, bijv.
\de gal heeft hem geslagen" ) hij heeft een galaanval;
AHw \schlagen", \weben"; CAD 1 to hit, to wound,
to kill, to strike (said of gods, demons, diseases, bad
weather, the \divine weapon"), to a ect, to hurt, to
strike an object, to drive in a nail or peg, to knock on
a door, to stamp (a design), to cut reeds, to smash,
to demolish, to knock down, to ram a boat, to ruin a
harvest, to give battle, to defeat an enemy; 2 (in the
stat.) to be attened (said of part of the exta); 3 (in
specialized mngs.) to weave, to play a musical instrument, to divide, to cut prices, to give a discount, to stir
(powder) into a liquid, to cover, to coat, to border, to
abut, to put in fetters, to ip (said of the tail), to jump
rope; amaru + kubtu + mah a s.u to make a brick pile;
maja ru + mah a s.u to plow; 4 (in idiomatic expressions
 panu , pana tu, pu tu, qaqqadu, qaqqad
with dabd^u, irtu,
eqli, qa tu, pu hu);
 an bi zeke sg-su
F
4
1 amelu su
 martu imhassu (na een symptoombe
schrijving volgt de diagnose;
ze martu `gal', het
element
ke4 markeert (quasi-Sumerisch, kan ook
zonder) het subject (van een transitief ww., een zgn.
%ergatief), bijv. ook dingiruruke4 met gen. -e: `de
god van de stad';
s
g = pa mah 
a su `slaan' i.v.m. pa
 . G pret.; lichaams`stok', dus `(met een stok) slaan', hier
delen, ziektes etc. zijn in het Akk. vaak subject), lett.
\die man, de gal heeft hem geslagen" ) `hij heeft een
galaanval', `hij heeft een galaandoening' BAM578-i-30
CAD

mahhu^

mahhu tu
mahhu tis

mahhu tis
mahru
mahas.u

?
?

9'
9

'

'

'

126

February 27, 2002 Hoofdstuk 2 Akkadisch vocabularium

}dabd^a mah a s.u , (ook dabd^a d^aku)

met een nederlaag


verslaan, `een vernietigende nederlaag toebrengen' (op
een wijze van een dabd^u doden (d^aku), verslaan; dabd^a

acc.adv., namelijk toestandsacc. van aard en wijze.


CAD 4a to in ict a defeat
}
+
+
, lett. \voren slaan" )
omploegen, ploegen; CAD3 to plow
} 
, (subst.; NB): borgtocht, pandgeving;
CAD warrantor
I/2. Gt-stam (
, re exief) vechten; CAD 5 to

ght with each other,
to go to war, to battle; 6 Gtn to
ght repeatedly
II. D-stam (
) CAD 7 to hurt (said of parts of
 repeatedly, to wound, to smash, to
the body); to hit
destroy, to kill, to cover, to ick the tail or ear, to
a ect, to spoil (said of barley); to drive a peg in;

III. S-stam
(
) CAD 8 to cause quarrels
III/2. St-stam ( 
) CAD 9 to cause constant

enmity; 10 to be subjected
to enmity, to become detached
IV. N-stam (passief) CAD 11 to be hit, to be wounded,
to be killed, to be snashed, ruined, to be played (said
of a musical instrument), to ght with somebody, to
be driven in (said of a peg)

i-ma-ah-ha-as., imahhas. (G pres.) CHx43



-su imhassu BAM578-i-30

, (subst. bij ah a zu; ook mahzu; mv. ma h a zu of
ma h a za mi vanaf oud-akk.): stad/plaats

van godsver
ering;
AHw \Markt- und Kultstadt"; CAD 1) A
small structure or enclosure (serving as a sacred place,
or connected with a well or pond); 2 sanctuary, temple (containing a m.); 3 city in which such a temple
stands, important city 4 town, settlement; 5 quay, harbor;
ma-ha-za-am , mah a zam (acc.) Sil-C-8
ma-ha-az-ni, mahazni (gen. +ni) Sil-C-84
, (st.c. mahar, !mah a ru): `voorzijde'
 , (verb.adj. bij !mah
 a ru
 , (adj.; < *mahrum, vr. mahrtu; vanaf OB, MA;
 igi): in tijd voorafgaand


) vroeger
, toenmalig, destijds;
AHw \vorderer", \erster", \fr
uherer"; CAD 1 rst (in
a sequence), old, original, rst (of two); 2 rst (to come
or go), next, future; 3 former, earlier, previous; 4 fore,
front
1 mahr
u nimbukun (+kun(u), adj. voor subst.!) `uw

eerdere/vroegere/toenmalige
woord' (hebt gij waarlijk
gestand gedaan) Ee-vi-21
9D
mah-ru-
u, mahr^
u


, (subst.; ook majja ru; mv. maja r; OB, MB, SB,
NB; 8
apin
s ugur10 ; etymologie onbekend `het
scheuren' ?): een soort ploeg, vore; [niet een zaadploeg,
daarvoor !epinnu, een Sumerisch woord; een ploeg in
de oudheid is meer een soort woelstok, de echte kerende ploeg ontstond pas in de Karolingische tijd. Dat
hangt samen met het juk. In de oudheid lag het juk
rond de nek, later vanaf de borst/schoften, waardoor
een grotere trekkracht mogelijk is.]
AHw \Bodenzerschlagung (?)"; CAD 1 plow (without
seeder) 2 land plowed with the m.-plow
1 majj
a r+eqlam+maha s.u lett. `voren slaan' ) om
ploegen, ploegen

majjar eqlum mahas.u


mahis. puti
mithus.u
muhhus.u

sumhus.u
sutamhus.u

V M
'
mahazu
s
g

V MM J
V
mahru
mahru
mahr^u

majaru

>
b

V CC
V
makaru

(mv.) CHx43

makalu , makal^u, (!akalu `eten'): `offerspijzen', `maalma-a-a-ri majj


a r


tijd'
 ; ma-ka-li, ma kal (mv.), CH-iii-34, iv-36
, (ww. OA): AHw II \im Handel einsezten (?)";
CAD B to do business, to use (silver, etc.) in business
transactions
}
,(
n
igga): bezit, eigendom, have;
}
, (subst.; st.c. tamka r; mv. tamh a ru ;
 AHw
 r)
damga
koopman, geldschieter, bankier
\Kaufmann", \Handler", \Finanzier"; Eng.: merchant, trader;
1 tamk
a ram ippal (!eperu) `hij moet de koopman
ten volle betalen'
2 kasap tamk
a rum isqulu, (G pret. subj. v. saqa lu `betalen') `het geld dat de koopman heeft betaald' CHx119

namkuru, makkuru U ?
tamkaru

U?
-M

, namku rim (gen.) CHx125


, tamka ru, CHx31

n
igga

makkuru , !makaru
mala , (voegw.; vanaf OA, OB; soms apocope vorm mal of
damg
ar

mali, subst., st.c. v. !mal^u `volheid') op te vatten als


een relatief pronomen met onbepaald antecedent, gevolgd door genitivus of subjunctivus. vgl. ook !kal^u
`totaliteit'):
zoveel als, alles, al het : : :, al wat, alles wat, wat dan ook;
AHw \entsprechend (wie)", \gema"; CAD as much as,
as many as, everything that, everybody who;
1 se am mala lett. `het graan zoveel als : : : = `al het
graan dat' CHx113
2 n^
asi mala suma nimb^u su lu ilni (G pret. subj. 1e p.mv. v. nab^u): `voor ons allen, die een naam geven,
zij h onze god' Ee-vi-120 (\hij zal respectievelijk onze
god zijn in elke naam die wij hem geven". Elke god
gaat Marduk een naam geven. In die naam erkent hij
Marduk als persoonlijke god).
}
, betekenis als mala alleen, zoveel als,
alles, al het : : :, al wat, alles wat, wat dan ook;
}
, betekenis als mala en
mimma mala): zoveel als, alles, al het : : :, al wat, alles
wat, wat dan ook;
3 ina mimma sumsu mala iddinu (G pret. nad
a nu
`geven') `in alles wat hij gegeven had' CHx113
7 ma-la, mala CHx113, Ee-vi-120
, ww. wala du `dragen' etc.
, (subst. < Sum.; NB mv. mala haa nu; vanaf oud

akk.;
z !lah4! (lu )malah4 ; ook malahlah en z

madu; het teken lah4 = du boven du Sum. `gaan'
 samen `schip' + `voortbeen ma eleppu `schip'; dus
wegen') schipper, bootsman; AHw \Schiffer"; CAD A
sailor, boatman, boatwright;
1 Ti
a mat ruku bsuma su mala hsa (nominale zin): `T.
is zijn vaartuig en hij [Marduk] is haar schipper' Ee-vii-

mimma mala
mimma sumsu mala

maladu
malahu

VAU

77

malaku , (ww. i/i -klasse; pmlk ; vanaf oud-akk.; 


= 
):
I. G-stam (milka + mal
aku, paranomastisch): raad
galga

ma-l
ah-
sa
 mal
a h
sa


ga

(st.c. +sa) Ee-vii-77

gar

geven; iem. iets adviseren (2 acc.); beslissing nemen AHw

II \raten", \beraten"; CAD A 1 to give advice, 2 to


ponder, to deliberate, to come to a decision; 3 to care

127

February 27, 2002 Copyright Heise en Stadhouders, Akkadisch Vocabularium

for (somebody or something) (EA only)


1 Abza imallik : : : + milku (G pres.) `(en) hij gaf Abzu
het advies : : :' Ee-i-47
2 milkama tumallik d Anumma semika (G pres.2e p.enk.) `gij [Erra] neemt een beslissing (en dan) luistert
A. zelf naar u' erra-iii-D11

i-ma-al-lik, imallik (G pres.) Ee-i-47


V;
im-tal-li-ku, imtallik
u (Gt pret. mv.) Ee-i-34
e
:
tu-ma-al-lik tumallik (G pres.2 p.enk.)

VV ** ??
}ma liku

FF
erra-iii-D11

AHw

, G part., , (subst.; vr. ma liktu; vanaf OA, OB;


;
adgi4 gi4 ): raadgever, raad;

galga

slag' ACh-Sin-i-6

}nada nu + milku ,

raad geven, adviseren

12 inamdin milku (G pres. v. nad


a nu `geven'; moet zijn

acc. milka of is locativus `tot raad', `als advies'): `(wat


hij had bedacht) dat gaf hij als raadslag', `: : : dat adviseerde hij' Ee-vi-4

?!?? !

(st.c.) Ee-i-48
(st.c.) Sin1-19
m
-lik-
su
, milik
s u (st.c.) Sin1-9
 mil-ka, milka (acc.) Sin1-14

mil-ku, milku Ee-vi-4

K mil-ki-su-nu, milkisunu (gen. +sunu)


ACh-Sin-i-6
mi-lik milik

mi-lik-
su
 milik
su

\Ratgeber", \Berater"; CAD councelor, advicer;


}
, (suf x !{u tu, {u t vormt abstracta; abstr. v. part.): het ambt van raadgever
;
ma-li-ku-ut, malik
u t (G part. abstr. st.c.)

}nada nu St

I/2. Gt-stam (
, re exief) als N: zich beraden, beraad houden, beraadslaging houden, beraadslagen; CAD 4

 2 pret. mv.
upsukinnaki ustaddinu sunu milkatsun (St
 2 `elkaar geven', `uitwisselen';
v. nad
a nu `geven', in St
upsukinnaki `raadszaal', vergaderplaats der goden, in
de hemel, maar ook in Babylon; st.c.vr.mv.): `in U.
voerden zij onderling beraad uit' Ee-vi-162
}
, subst.; tapras-nomen: raadgever; AHw
\Ratgeber"; [tapra s-nomen, vr. tapra st, (%nominale
typologie); vaak voor \de reciproke actie", een subst.
bij de Gt-betekenis van wederkerigheid]
@
mil-k
at-su-un, milkatsun (st.c.vr.mv. +
s un)

malikutu

}

Ee-i-154

mitluku

to deliberate;
3 am
a ti mitluku lett. \met woorden zich beraadslagen" ) discussieren, beraad houden, iets bediscussieren' iets
bespreken;
4 am
a ti imtalliku `zij bediscussieerden' Ee-i-34
IV. N-stam (
, re exief en passief): zich beraden, beraad houden, beraadslaging houden; CAD 5 to
deliberate, to be given advice
}
, (subst.; ook maliku; st.c. malik; vanaf oudakk., OB, (Mari), MA): Westsemitisch voor koning,
vorst; AHw \Furst", \Konig"; CAD king, foreign ruler,
ruler;
5 ana d Lugaldimmeranki m
a lik il belasun (verwacht
beli (gen.), hangt af van ana; d Lugaldimmeranki is het
epitheton v. Marduk, voor uitleg !Marduk): `hun heer,
d Lugaldimmeranki, koning van de goden' (of G part.
ma lik `raadgever') Ee-vi-28
}
, (subst.; suf x !{u tu, {u t
vormt abstracta; bij malku; OB, SB): ambt van vorst,
soevereiniteit, vorstendom; AHw \F
urstentum"; CAD
rule, government, overlordship;
6 malik
u t il `de soevereiniteit over (alle) goden' Ee-i-

namluku

malku

malikutu, malkutu

154
7 ana malik
u ti irmi (ibni-vorm: G pret. v. ram^u `wer-

pen', ook: `wonen', `plaatsnemen') `(en) koos domicilie


(met het oog op) soevereiniteit' Ee-iv-2
; I ma-li-ku-ti, (ana) maliku ti (gen.) Ee-iv-2
}
, (subst.; i.t.t. het West-semitische malku is dit
wel Akkadisch; st.c. milik; vanaf OA, OB;
galga):
raad, plan, advies, raadsbesluit, raadslag, beraadslaging,
overleg, beraad; AHw \Rat(schlu)"; CAD 1 advice, instruction, order, decision (of a deity); 2 intelectual capacity, mood, spirit; 3 conscious intent, consent
8 milik mummsu (Mummu personi catie van `knappe man'): `de raad van zijn genie' Ee-i-48
9 sa l
a ilammadu miliksu mamman (G pres. subj. v.
lama du `kennen'): `voor wie geldt: niemand kan zijn
raadsbesluit doorgronden' Sin1-9, 19
10 sum-in milka = in Sin1-14 tanaddin milka (G pres.
2e p.enk. v. nada nu; hier presens als gebodsvorm; en gebodsvorm in afhankelijke bijzin: zin van consequentie):
`opdat u raad geeft' Sin1-14
11 ina milkisunu (gen. +sunu): `in hun beraad/raad-

Vmilku

len

milku ,

beraadslagen, raad uitwisse-

13 ina

tamlaku

Ee-vi-162

malaku ,

Ee-i-66

(st.c. + su) Ee-iv-67

tam-la-ku taml
a ku

( lk , !ala ku `gaan'): gang, loop, wandel


etc.; zie voorbeeld 16 (en verder) onder !ala ku op
pag. 12

V:!

malamalis , (adv.; ook !malmalis dienovereenkomstig


maldaris , (adv. < masdaris) ook mesdaris; SB): durend,
ma-lak-
su
 m
a lak
su

steeds; bij sada ru `regelmatig zijn', `iets steeds doen'

als een soort hulpwerkwoord; CAD continually;


 s
ame
s ina ka-
s u malda-ris du-ku
1 m^
u ina p^su maldaris illaku (G pres.mv. ala ku
`gaan, lopen', omdat m^u pl. tantum; `het water loopt
steeds uit zijn mond' (`hij kwijlt voortdurend') BAM-

C

578-i-27

BAM578-i-27

Malgu , stad,
* # C
,
, CH-iv-12
malikutu, malkutu , (suf x !{utu, {ut vormt abstracta;
bij malku): !mala ku
malittu , G part. vr. bij !waladu `dragen', `verwekken'
malku , (!malaku) Westsemitisch woord voor `koning'
malkum-sarrum , naam van een Lexikale Lijst (LL), gemal-da-ri
s maldari
s

ki
(m
aalnaga)

Malg^
m

noemd naar de eerste woorden. Een woordenlijst waarin buitennissige of zeldzame Akkadische woorden (vaak
leenwoorden, bijv. uit het Aramees) een meer gangbaar Akkadisch equivalent krijgen, een soort synomiemenlijst dus. Het Westsemitische woord malkum staat
daarin gelijkgesteld met sarrum `koning', Westsemitisch woord voor koning
, (adv.; ook mammalis; malamalis < mal-mal +
is; OB, Mari, MB, SB, NB): dienovereenkomstig, net zo,
volledig, helemaal, al te gaarde; soms: in gelijke hoeveelheden, naar evenredigheid;
AHw \entsprechend"; CAD evenly, equally, to the

malmalis

128

February 27, 2002 Hoofdstuk 2 Akkadisch vocabularium

V Vy

same amount, completely

 ki-ma pi-i mal-ma-lis taramuk


1 kma p^ malmalis taramuk (kma p^ `zoals de tekst
zegt' ) `volgens voorschrift' met p^u `mond' maar
ook `woordelijke inhoud van een tekst'; malmalis adv.
hier `in gelijke hoeveelheden', `naar evenredigheid';
tar hier met overhangende vocaal te lezen als tara;
G pres.2e p.enk. v. rama ku `baden', `drenken', `dompelen', `laten wellen'): `die [drie plantjes] moet je volgens
voorschrift in gelijke hoeveelheden wassen/laten wellen' BAM578-i-40

V *V yV y

(adv.) Ee-iv-90
BAM578-i-40

ma-al-ma-li
s malmali
s

malmallu , !mulmullu `pijl' etc.


malttu, masttu , (!sat^u) `drank', `drinkplaats'
mal^u I , (ww. - /a-; vanaf oud-akk.; p C  ): G-stat.
mal-ma-li
s malmali
s

si a

(mali): vol zijn (met = acc.); soms (litt.) een transitieve stativus, zie 1e voorbeeld;
1 mal^
u namrru ka ers.eta (G stat.; gezegd van de
maangod S^n) `uw ontzagwekkende glans vult de
aarde' Sin1-7
2 mal
u duma n, (G stat. mv.): `zij zijn vol met gejammer/geweeklaag' Ee-iv-113
I. G-stam (pret. imla, pres. imalla) vol worden, zich vullen;
AHw \Voll sein, werden"; \sich f
ullen" (mit, von acc.);
CAD 1 to be full, to ll up (said of containers, objects,
canals, ditches, irrigated elds, parts of the human and
animal body); 2 to be fully covered (with marks, discolorations, vegetation, etc.); 3 to be well-provided, richly
decorated 4 to be lled (with non-material things, as
with fear, anger), to reach fullness (said of time); 5
(trans. stat.) to ll, to cover
3 hid^
uta imla, (G pret.; hid^utu `vreugde'): `hij geraakte vol vreugde' Ee-i-90 
4 ana q
a t mal^u (iem. iets ) overhandigen/ overgeven,
geheel en al overleveren aan;
5 q
a tukka mal^u (loc. `in uw hand') ter hand stellen,
overhandigen, overleveren (iets aan iem.), uitleveren (praktisch equivalent aan !paqa du)
II. D-stam (
, D pret. umalli, umelli, D pres.
umalla, umella, D imp. mulli): vullen (met, 2 acc.);
vol maken; CAD 6 to pay in full, to deliver in full
(contracted obligations and nes imposed), to assign,
to allocate, to make restitution; 7 to ll a container,
censer, canal, ditch, well, land, (etc.), to ll the human
body or parts of it, to stu a bag, to load a boat, to
load a beast of burden, to ll a house, storeroom, a
city, to ll the ocean, an area with people or animals,
to build up a terrace, to knock a bow; 8 to cover with
earth, marks, etc. (causative to mng. 2); 9 to make full
(with non-material things, causative to mng. 4) 10 Dt
to become lled, covered, to be delivered in full
6 nabla mustahmit.u zumursu umtalli (D perf. of

Dt pret.; nablu `vlam';
zumru `lichaam') `zijn lichaam
werd gevuld met een immer brandende vlam' Ee-iv-40
7 ana q
a tn mull^u, in handen geven, iem. iets overhandigen, volledig overleveren [In deze uitdrukking is de
tweede accusatief toch weer met een voorzetsel uitgedrukt, mogelijk onder invloed van het Sumerisch, waarin dezelfde uitdrukking ook met een voorzetsel voor-

mull^u

komt]


III/II. SD-stam
(betekenis als D, pret. usamli, usemli,
pres. usamla) De SD is een zeldzame vorm die alleen in

literaire teksten voorkomt. De betekenis is meestal factitief, dus als D. De vormen worden gekenmerkt door
de toevoeging van een s tussen de preformatieven in
de D-stam: D pres. uparras )usparras; D pret. uparris
)usparris); CAD 13 to ll, to cover (same mngs. as
D)
 pret.): `zij [het kindermeis8 pulh 
a ta usmalli, (SD

je] vervulde
hem [Marduk] met vreeswekkendheid',
`maakte hem ontzagwekkend' Ee-i-86
 pret.) `zij vulde hun
9 imtu zumursunu usmalli (SD
lichaam met gif' Ee-i-136
10 q
a tukka usmalli `ik heb aan u overhandigd'
(SD pret.) Ee-i-154

III. S-stam
(
) CAD 11 to make full, to ll, to
cover
III/2. St-stam (
) CAD 12 to assign ( elds,
houses, persons, animals, etc.), to make up a complement, a xed number, to add, to ll, to cover;
IV. N-stam (passief) CAD 13 (passive to mngs. 1-4)
}
, (subst.; vr. maltu; SB, NB; p sia), vol,
gevuld; CAD B fullness, state of being full
}
, (subst.; ook mil u; pirs-nomen; mv. mlu ,
mil a ni):
akal, illu;
T
aziga;
9
amah): hoogwater, was, vloed, was(-sende water); volheid;

periodiek
van de rivier in de maanden maart/mei. Andere overstromingen bibbulu onder !baba lu; [pirs-type
nomen (vr. pirist, %nominale typologie) geeft meestal de daad zelf weer (bijv. `zending' bij `zenden') of
dat wat eruit resulteert (bijv. \de zending werd bij
de grens tegengehouden"); nomina actioni van eigenlijke ww. met betekenisovergang naar het concrete: bijv.
siprum `zending' bij sapa ru `sturen']
CAD A 1 seasonal ooding of the rivers; 2 (mli irti)
pride; 3 (ml libbi) high spirits;
11 ml(i) harpu (harpu `vroeg', `prematuur') vroeg
 maart)

hoogwater (in
12 ml(i) arsuppu (arsuppu `karper') `karpervloed'
(kennelijk hoogwater met veel karpers)
}
+
, (G inf. `terugtrekken') `het terug hoogwater'
trekken van het

suml^u
sutaml^u

mal^u
mlu

CB

mlu nahasu

VVV  >>
C V
V*
V*

Mama

,
,

(G stat. mv.) Ee-iv-113


(G stat.) Sin1-7
7 ma-la-at, mal^at (G stat.vr.) erra-i-127
7 , im-la, imla (G pret.) Ee-i-90
= ;
mu-ul-li-a-ma, mulli
a (D imp.mv.) Sil-C-45
K
7 nu-ma-al-la, numalla (D pres. 1e p.mv.) Sil-C-83
V ; um-tal-li, umtalli (D perf. of Dt pret.) Ee-iv-40

; us-ma-al-l[i], usmalli (SD pret.) Ee-i-86, 136


; us-mal-li, usmalli (SD pret.) Ee-i-154
; mi-li ml (mv.) erra-i-136
ma-lu-
u mal
u

ma-lu-
u mal^
u

, (ook Mami), een naam voor de moedergodin,


meestal naam van Nintud, Ninhursanga, Ninmah;

Schept met Enki/Ea mens (en god) uit klei; goddelijke
vroedvrouw
d Ma-ma, d Mama CH-iii-29

, adv.; !malmalis `dienovereenkomstig'
, (onbepaald vnw.; ook mammu, mam; vanaf OB: vergelijkbare vormen zijn mana ma, manamma,
manna ma; vanaf oud-akk., OB): iemand; AHw \je-

VV

mammalis
mamma(n)

129

February 27, 2002 Copyright Heise en Stadhouders, Akkadisch Vocabularium

mand", \irgend jemand", \wer auch immer"; CAD


somebody, anybody, (negated) nobody
1 mamma l
a niemand
}
, niemand geen een Ee-i-7, v-7 CAD nobody
2 sa l
a ilammadu miliksu mamman (G pres. subj. v.
lama du; milku `raad'): `voor wie geld: niemand kan
zijn raadsbesluit doorgronden' (presens potentialis) of
`wiens besluit niemand doorgrondt' (tijdloos presens)

la manama

Sin1-9, 19
3 ana : : : l
a eg^u mana ma, (G inf. eg^u `gebrek leiden'

etc.), lett.: `(opdat) niemand zou verwaarlozen' (voorafgegaan door: `opdat er geen fouten gemaakt zouden
worden') Ee-v-7
mana ma is hier subject in in nitiefzin;
een in nitiefzin met subject, een constructie die het
Ned. niet kent, behalve in een archasch voorbeeld: `ieder meent zijn uil een valk te zijn', waaruit (na omzetting tot `: : :, dat zijn uil een valk is') blijkt dat uil het
logisch subject is.
4 mamman ina il su  
asu la umtassalsu (Dt pres. v.
masa lu, in D `iem. vergelijken met', Dt `zich gelijkstellen' of passief: `vergeleken worden'): `laat niemand
onder de goden zich met hem meten' Ee-vii-14
F
ma-na-ma, man
a ma Ee-i-7, v-7

ma-am-man, mamman Ee-vii-14, 112


mam-ma-an, mamman Ee-vii-154
man ,
}
, (verb.adj. <saniu, vr. santu , ook als
2kam): tweede, ander, volgende; dubbel, tweevoud; subst.
gebruik: iets anders, een ander
mankam ,
}
, (verb.adj. <saniu, vr. santu , ook als
2kam): tweede, ander, volgende; dubbel, tweevoud; subst.
gebruik: iets anders, een ander
mana , !man^u, II
, !mamman `iemand'
F
ma-na-ma, man
a ma Ee-i-7, v-7
, (vnw.; ook manna, manni, ma u, man; vanaf
oud-akk.): wie?; AHw \wer?"; CAD 1 who? (interr.);
2 who, anyone, someone, one (inde nite); 3 each
1 atta mannu mimma lemnu (atta onafhank. p. vnw.
`jij'; mimma `welk dan ook'; lemnu `Kwaad', `demon'):
`wie gij ook zijt, welk boze macht dan ook' kar76-1 (of:
`welke demon dan ook : : :') (eerste regel van een be
zwering die begint met
en 
s iptu, ter markering)
, (onbepaald vnw.; eig. nominale zin: `het
is wie die' ) wie is het die, degene die, in zelfstandige
relatieve zin (zonder antecedent);
1 mannumma sa ibn^
u tuquntu (G pret. subj. v. ban^u;
tuquntu `strijd', `oorlog'): `wie is het die de strijd ontketende' Ee-vi-23
, (ww. u/u-klasse, later vaak i/i-klasse; vanaf OA,

OB;
s id):
I. G-stam (pret. imnu, pres. imannu, stat. mani, imp.
muni): tellen, rekenen (op); reciteren (gebeden, bezweringen), opzeggen (gebeden, bezweringen); beschouwen;
bezweren (zie hiervoor ook nad^u `werpen van bezwering'); rekenen tot, toekennen;
AHw V \z
ahlen", \rechnen"; CAD 1 to count, to count
and list (individual objects, animals, persons, and units
of time); 2 to wait (for a number of days); 3 to recite,

VVV V

san^u I

san^u I

manama, manamma
V V
mannu(m)

mannumma
man^u, I

"

to recount events; 4 to hand over, to deliver (objects


or persons to someone) 5 to charge interest, deliveries, etc. to someone, to reckon against someone; 6 to
consider a person, a region, an object as belonging to
a speci c class, region, or destination; 7 `to assign,
to deliver persons or objects to the responsibility of
(ina/ana qa t) another person'; 8 to change, to turn
into (ana or -is, used with terms for destruction, annihilation, etc.)
1 imnusumma (G pret. + dat. sum + ma): (hij maakte
een magische formule) `(die) hij reciteerde' Ee-i-63
2 imanni sipta, (G pres.; siptu `bezwering'): `zij reciteerde een bezwering' Ee-iv91
3 itti dingirugg^e su
a ta imnisu, (G pret. verwacht eig.
imnusu, maar de vocaal u wsl. bijna vocaalloos: de
stomme e): `(en) hij rekende hem tot de dode goden'
Ee-iv-120

munn^u
sumn^u

II. D-stam (

, betekenis als G) CAD 9 (same


mngs. as mngs. 1, 3, 4, 5, 7)

III. S-stam
(
, causatief) CAD 10 (causative to
mngs. 1, 3, 7)
IV. N-stam (passief) CAD 11 (passive to mngs. 1, 6, 7,
8)
K~
im-nu-
s um-ma, imnu
s umma (G pret. + dat.

V
b

man^u, II

s um

+ ma) Ee-i-63
i-man-ni,

imanni

(G pres.) Ee-iv-91
(G pret. met i i.p.v. u) Ee-iv-120

im-ni-
s u imni
su

, (subst.; ook mana u; vanaf oud-akk.; F


mana, vaak afgekort tot ma):
mine, gewichtseenheid
van ong. 480 gr. De grootste eenheid is j gu of
 un = gun, biltu `talent', `manlast' (dat wat
j
gu
een man kan dragen), ong. 30 kg. Onderverdeeld in 60
F mana, man^u `mine' van ong. 500 gr. 1 mine is
weer onderverdeeld in 60 sjekels (sikkels): siqlu, (
g
in) van ca. 8.3 gram. Een sjekel is onderverdeeld in

180 ut.t.atu,
se, `korrels'. 60 g
in vormen 1 mana
!man^u `mine', dus ong. 500 gram.
CAD 1 mina (one sixtieth of a talent (biltu), ca. 480
gr.); 2 man^u sehru one third of a shekel (litt. `small
mina'); 3 mina (unit of time measured in water running through a water clock)
1 F


, 1 mana kaspam, (acc.) 1

V }

1 ma na k
u babbar

mine zilver CHx25

manzazu ,

ook:

JJJ J 8
!izzuzu

mazza zu
,

man-za-za manzaza

`standplaats,

positie'

(acc.) Ee-v-1

man-za-az, manzaz (st.c.) Ee-v-8, vi-79



man-za-as-su-un, manzassun (st.c. +
s un)

Ee-vii-17

maqartu , NB vr. (in PNs) v. waqrum `kost-baar' !waqaru


maqatu , (ww. u/u-klasse; vanaf oud-akk.; D ),

s ub

I. G-stam (pret. imqut, pres. imaqqut, stat. maqit): vallen


(op = eli), ineenstorten; AHw \fallen"; CAD 1 to fall

down, to collapse (said of a wall, house, statue, etc.), to


fall, to fall to the ground, into a pit, to fall upon something, to swoop down, to throw oneself down, to su er
a downfall, to perish, to fall in battle, to su er a defeat,
to fall dead (said of cattle), to fall (said of re, lightning, snow, stars, sleep, seed), to hang down, to descend (said of parts of the exta), to diminish (in transferred mngs.) 2 to collapse (said of parts of the body), 3
to arrive (said of people, fugitives, news, merchandise,
etc.), (ina/ana qa te maqa tu) to fall into somebody's

130

February 27, 2002 Hoofdstuk 2 Akkadisch vocabularium

hands , to fall to one's share, to happen; 4 to attack,


to invade, to in ict (said of diseases, misfortune, fear,
demons)
}
, G verb.adj., : gevallen
1 maqtu sa nisu (G pret. subj. v. enesu): lett. `de
gevallene waarvoor geldt hij is zwak' ) `degene die
verzwakt is geraakt' (in sociale zin en niet zozeer fysiek) Sin3-44
II. D-stam (
): CAD 5 to make (silver) come in;
6 to collapse

III. S-stam
(
, factitief): neerleggen, vellen; op de
grond leggen, doen sneuvelen; slachten, afslachten CAD
7 to overpower in battle, to strike down, to overthrow
an enemy, to defeat an enemy (a country); 8 to strike
with pestilence, to kill animals in a hunt, to destroy a
wall, a building; 9 to diminish, to make a deduction ;
10 to assign, to forward

2 nesu u barbaru sumqut
u bu l d Sakkan
(SJstat v.

maqa tu, trans. stat.; dqvee van Sakkan ook `vee'):
`leeuw en wolf slachten het vee af' erra-i-85
IV/3. Ntn-stam (
):
 h ma-gal 
D
u
s ubme
s

3 ru tu magal ittanaddi (D sub maq
a tu `vallen' dan
ru tu subject; ook nad^u `werpen' dan ru tu object; mes
voor Ntn, meestal pres.): Ntn pres. v. nad^u ittanaddi `hij
werpt steeds speeksel uit' of: ittanaqqu `hij laat steeds
speeksel vallen' BAM578-i-27
a ma-aq-tu, maqtu Sin3-44
~ sum-qu-dtue sumqutu (S stat.mv.) erra-i-85
D

ittanaqqu (Ntn pres.) BAM578-i-27
, G verb.adj. v. !maqa tu
, (!ara ku `lang zijn'): `lengte', `duur'
, (ww. i/i-klasse): bitter z/w.
, (ww. a/u-klasse; OB, SB):
I. G-stam (pret. imrur, pres. imarrar): omploegen (diep),
omspitten (diep), prepareren (van grond), om van woeste
grond cultuurland te maken, CHx44; AHw etwa \durchgraben"; CAD 1 to break a eld for cultivation; 2 Dt
to be split (?); 3 N to be broken

i-mar-ra-ar, imarrar (G pres.) CHx44


, (ww. a/a-klasse, later u/u-klasse; zelden in D;
vanaf oud-akk.;
gig):
I. G-stam (pret. imras., NB imru ; pres. imarras., NB
imarrus.; stat. marus., een van de weinige stat. met een
u; Ass. maris.):
ziek zijn, slecht zijn; onaangenaam zijn, slecht bevallen,
mishagen; AHw \beschwerlich sein, werden", \krank
sein, werden"; CAD 1 to fall ill, to have a disease, (in
the stat.) to be diseased; 2 to be concerned, to be cause
for annoyance, to become troublesome, to become dif cult, (in the stat.) to be dicult, in diculty, troublesome; 3 (with eli, ina muhhi, ana or dative) to become
displeasing, troublesome;4 (with libbu as subject) to
become angry, to become displeased; 5 D murrus.u to
cause diculty, to cause annoyance,
}
, G verb.adj., , vr. marustu < *marus.tu; s. > s
voor vr. t; Ass. ook maristu en later ook murultu, in
later tijd (na MB) wordt door dissimilatie s> l voor
dentalen d, t en sybillanten s, z; vanaf OA, OB;
 gig en F
gig en als subst.
lu
nagig):
ziek, ziek makend, kwaadaardig, moeilijk, onaangenaam, bitter, kwalijk pijnlijk; ellendig, onheilspellend; [adjectief van

maqtu

muqqutu
sumqutu

VW

itamqutu

V }}


maqtu
maraku
mararu I
mararu II


s ub me
s

3H

maras.u

mars.u

het parus-type, (vr. parust; %nominale typologie), dat


relatief weinig voorkomt; vgl. lemnu `slecht', mars.um
`ziek' en de rangtelwoorden 3 10];
AHw \krank", \beschwerlich"; CAD 1 sick, diseased;
2 dicult, inaccessible, impregnable, severe, grievious,
bitter;
}
, (subst.; vr. v. mars.u; ook marus.tu maar
s. > s voor vr. t; mv. mars. a tu; vanaf OB;
n
gsig):

ziek, ellende, slechtheid; AHw \Ubel",
\Schlimmes";
CAD 1 trouble, hardship, diculty; 2 left side
1 asaddad marusta ook: asaddad nissata (G pres. 1e p.enk. v. sada du `verduren'): `ik heb ellende te verduren' (bijv. zin uit een gebed)

marustu

UP

J Z 
logogra sch:

 gig, marsu, zieke (man), patient;


lu
.
F F
na bi qer-b
e-na gig
2 amelu su
 qerbena marus. (een diagnose na een
symptoom beschrijving, hier galklachten, meestal de
naam van de ziekte, hier nogal triviaal): `deze man
heeft een inwendige ziekte' BAM578-i-1
F
di
s na z
e gig
3 summa amelu marta marus. (marta `gal', acc. v.
betrekking; `ziek zijn aan' gaat met een acc. van betrekking: `wat betreft gal'; G stat. v. mara s.u): `indien
een man ziek is aan de gal' BAM578-i-14
}
, (term.; adv.; SB): kwaadaardig; AHw
\schmerzlich", \muhsam"; CAD bitterly, with diculty, with pain
4 issima mars.is (G pret. v. sas^
u) `zij schreeuwde
kwaadaardig' Ee-i-43
}
+
, iem. mishagen (tegendeel van t.^abu +
eli `iem. behagen'); slecht bekomen; tegenstaan, ergelijk


mars.is

maras.u eli

worden
5 imtars.amma epsetasun elisa (G perf.vent.; epsetu
poetisch voor epistu `daad') `hun werk/daad mishaag-

de haar' Ee-i-27
6 imtars.amma alkatsunu elja (G perf.) `hun wandel
is mij ergelijk geworden' Ee-i-37
7 aw
a tu marustu het zieke woord ) onheilstijding;
III. S-stam (
); CAD 6 to cause trouble, diculty, to make someone worry, to bring illness upon
someone, (with eli) to make (someone or something)
displeasing;
}
, S verb.adj., : zeer ziek, doodziek; \ziek gemaakt zijnde"; zeer ergelijk; komt veel voor in su illa's:
sumrus. a ku `(O god,) ik ben doodziek'
8 alkatsunu l
u sumrus.atma (lu+stat. als af rmatief:
waarlijk) `hun gedrag is waarlijk zeer ergelijk' (of als
precatief:) `(hoewel) hun gedrag zeer ergelijk is' Ee-i-46
III/2. St-stam (
); CAD 7 to be troubled, annoyed (passive to mng. 6) 8 to concern oneself, to take
trouble;
}
, (subst.; mv. murs. a nu; vanaf OA, OB):
gig): ziekte, onheil; AHw \Krankheit"; CAD 1 illness;
2 murus. libbi worry, preoccupation
F

na bi gig z
e gig
9 amelu su
 murus. marti marus. (murs.a mara s.u `aan
een ziekte lijden' met ziekte in de acc.), lett.: `hij is
ziek van een galkwaal' ) `hij lijdt aan een galkwaal'

sumrus.u

sumrus.u

sutamrus.u

murs.u

J
J

BAM578-i-38

im-tar-s.a, imtars.a (G perf. +dat. -a) erra-i-136



im-tar-s
. a-am-ma, imtars
. amma (G perf.

131

February 27, 2002 Copyright Heise en Stadhouders, Akkadisch Vocabularium

J V
) Ee-i-46

subj.) Ee-i-27

~D

mardtu


s um-ru-s
s umrus
. a-at-ma 
. atma

+
(verb.adj.S

ma

gig

marus
.

(G stat. `is ziek') BAM578-i-1, 14, 38

, (subst. bij red^u) weg, pad, gang, route, loop (van


rivier)
1 mardt d idigna `de loop van de Idiglat/Tigris'

3N

Marduk , ( }

mar-di-it mard
t

(st.c.) yos-ix-71,15

d amar utu,

ook logogram voor de


planeet Jupiter): de god Marduk, schutspatroon
van Babylon, wordt in de loop van het tweede millenium steeds belangrijker, vanaf de tijd van Hammurabi. Marduk krijgt van de goden die boven hem
staan eerst het Enlilschap over het mensdom, maar in
de OB-tijd blijft zijn macht nog beperkt. Pas zeven
eeuwen later krijgt hij de heerschappij over de gehele
kosmos: \koning der goden van hemel en aarde".
1 abgal dingirmesd marduk = apkal il d Marduk
`Marduk, de wijsgeer der goden' Ee-iv-93 (epitheton van
Marduk, in Ee-i-80 ook van Ea)
2 lugald
mmeeranki: het epitheton van Marduk;
quasi-Sum. lugal `koning' (Marduk is koning der goden van hemel en aarde); dimmer `heer' (in de emesalvorm van het Sumerisch); an `hemel'; ki `aarde';
3 ana d Lugaldimmeranki m
a lik il belasun
(verwacht beli (gen.), hangt af van ana): `hun heer,
d Lugaldimmeranki, raadgever van de goden' (of malik
met korte a: `koning') Ee-vi-28
4 d Marduk lugal il uza iz (G pret. v. z^
azu `verdelen';
lugal 
s arru als bijstelling; il object bij z^azu, hoewel
op zichzelf sar il of bel il `koning der goden' zou kunnen, omdat Marduk koning der goden over hemel en
aarde is): `Marduk, de koning, deelde de goden in' of:
`Marduk, koning der goden, verdeelde (alle Anunnaki
over boven en beneden)' (met het object in de volgende
zin) Ee-vi-39
Opsomming en uitleg van de 50 namen van Marduk in
het enu ma elis-epos vanaf Ee-vi-123:
5 d Marduk sa ultu s.tsu imb^
usu abusu d Anum (1)
(G pret. subj. v. nab^u `noemen'; s.tu `opkomst' (van
hemellichamen), `verschijning'): `Marduk (de naam
waarmee) zijn vader Anum hem (reeds) bij zijn verschijning heeft genoemd', Ee-vi-123
6 d Marukka l
u ilu ba n^usunu su ma (2) (su ma nominale zin `hij is'; G part. ba n^u): `Ja, hij is de god die
hen geschapen heeft' Ee-vi-133 (sunu wsl. `de mensen'
(vr.mv.) , hoewel men dan vr.mv. s ina verwacht)
u tukultu ma ti a li u nissu (3) (tukultu
7 d Marutukka l
st.c. `hulp', `bijstand', verwijst terug naar elmenten in
de naam): `M., hij is het toevertrouwen van land, stad
en zijn volk' Ee-vi-135
a l sabus u tajja r (4) (stativi
8 d Mersakusu eziz u must
ezezu en sabasu of sabasu ww. voor `boos zijn'; en tegenstelling: musta lu Gt part. bij sa  a lu `bedachtzaam',
`bezonnen'; adj. tajja ru `zich berouwvol toewendend'):
'M. kan boos zijn, maar ook weloverwogen, woedend,
maar vergevingsgezind' Ee-vi-137
9 d Lugal-dimmer-ankia sumsu sa nimb^
u puhurni (5)
(nominale zin `is zijn naam', vaak bij sumsu zonder
ma; G pret. subj. 1e p.mv. v. nab^u `noemen'; Sum. lugal
`heer', dimmer is `god' in het %emesal-dialect, an

`hemel', ki `aarde'; de naam wordt verklaard in Eevi-141 (!belu), waain lugal als belum en dimmer als

terugkomt): `d Lugal-dimmer-ankia is zijn


naam die wij met zijn allen [lett. in onze vergadering]
hebben gegeven' Ee-vi-139
10 d Nari-lugal-dimmer-ankia sumsu sa nizkur 
aser
il kala ma (6) (nominale zin; G pret.1e p.mv. v. zaka ru;
G part.st.c. v. asa ru `verzorger', `raadgever', refereert
naar Sum. nari in de naam, dat ook `raadgever' betekent): `N. is zijn naam, waarmee wij hem hebben
aangeduid als verzorger aller goden' Ee-vi-143
11 d Asar-l
uhi sumsu sa imb^u abusu d Anum `A. is
zijn naam, die zijn vader Anum hem gegeven heeft' Eevi-147 [bekende naam, ge-assimileerd uitgesproken als
Asalluhi. Hij is de goddelijke asipu (bezweringspries
ter). !d Asar-luhi
 d
d


, Marduk, CH-i-8, Ee-i-81 etc.
D  d ma-ru-uk-ka d marukka (Marduk, 2)
dingir dingir

}
V
V

[I
amar utu

Ee-vi-133

D:

(Marduk, 3) Ee-vi-135

d ma-ru-tu-uk-ku d marutukku
d mer-sa-k
d mersakusu
u
s -
u

(Marduk, 4) Ee-vi-137
!dim3!


 
 ,
Lugal-dimmer-ankia (Marduk, 5) Ee-vi-28, 139
F V !dim3!
 


 
 ,
Nari-lugal-dimmer-ankia (Marduk, 6) Ee-vi-143
d
d Asarluhi (Marduk, 7)
!asar!
 


Ee-vi-147
d
W


, apkal il

na ri lugal d
m me er an ki

 

d Marduk

Mari ,

lugal d
m me er an ki

asar l
u hi

abgal dingir me


s

marduk

stad aan de bovenloop van de Eufraat bij de Syrische-Iraakse grens. De restanten, bij het huidige Tell
Hariri liggen nu enkele kilometers van de rivier. Sinds
1933 (A.Parrot) een reeks opgravingen, waarbij tempels en paleizen uit de Vroeg-Dynastische periode tot
de Oud-Babylonische tijd gevonden zijn. Mari wordt
genoemd in de Sumerische koningslijsten. Het is verwoest door Hammurabi aan het eind van de regering
Zimrilim. Daarna is er pas weer in de Nieuw-Assyrische tijd bewoning. Er zijn zeer omvangrijke archieven
 s i-Adad, Iasmahgevonden: correspondentie van Sm

Addu, Isme-Dagan, Zimrilim (met Hammurabi) en
de zgn. profetische brieven aan het hof van Mari (
1760)

H

CH-iv-30

ki
Me-ra

, Mera, een achasche naam voor Mari

marqtu , (!raq^u): `toevlucht', `wijkplaats'


martu , (subst.; ook mertu; mv. marratu; OB, MB, SB,
NB):

ze: gal; AHw \Galle", \Gallenblase"; CAD


A 1 gall bladder; 2 bile, gall
1 ina ges^su ze (marta) imtan^
a (gesu^, ww. v. geluid:
`boeren', `oprispen'; Gtn pres. v. m^a u `overgeven', `kotsen'): `(en die) bij zijn opboeren/al boerend gal opgeeft' BAM578-i-1
F
di
s na z
e gig
2 summa amelu marta marus. (marta `gal', acc. v.
betrekking; G stat. v. mara s.u): `indien een man ziek
is aan de gal' BAM578-i-14
F
 an bi zeke4 sg-su

9'

132

February 27, 2002 Hoofdstuk 2 Akkadisch vocabul