You are on page 1of 2

Schema beeldanalyse

Gegevens van het object:

Titel: ………………………………………………………………………………………………………………...

Jaar: ………….; maker: ………………………………………………………………………………………….

Afmetingen: ………………………………………………………………………………………………………..

1. Wat is het? □ Plat / tweedimensionaal: schilderij, tekening, grafiek, foto, collage


□ Ruimtelijk / driedimensionaal: beeld, architectuur, textielobject,
gebruiksvoorwerp, assemblage, environment
□ Halfruimtelijk: reliëf, wandkleed
2. Wat is er te zien? Vertel wat er allemaal te zien is, van links naar rechts.

Noemen we dit
□ figuratief,
□ nonfiguratief / abstract of
□ geabstraheerd?
3. Wat is de techniek? Welk materiaal
Welk gereedschap
Welke werkwijze
4. Welke beeldaspecten? □ Punt
□ lijn
□ vlak
□ vorm
□ licht
□ kleur
□ ruimte
□ textuur (“huid”)
□ compositie / ordening
5. Wat heeft de nadruk? Welke opvallende beelaspecten?

Welke andere opvallende dingen?

6. Wat is de bedoeling? In welke tijd is het werk gemaakt?


Tot welke stijl / stroming behoort het werk?
Welke kenmerken van deze stijl / stroming zijn in het werk terug te vinden?

Wat probeert de maker duidelijk te maken?

7. Wat vind ik zelf? Geef je eigen mening naar aanleiding van je antwoorden op de
bovenstaande vragen.