You are on page 1of 66

Aanval en Verweer

Het Christelijke geloof in de eerste eeuw Door F.F. Bruce

Introductie. Het christelijk getuigenis komt in het Nieuwe testament herhaaldelijk ter sprake in termen van verdediging van het evangelie. Het verzet tegen de blijde boodschap kwam van verschillende zijden, zowel religieus, cultureel als politiek. Paulus schreef vanuit zijn gevangenschap aan de Filippenzen dat hij de taak had het evangelie te verdedigen. (Fil.1:16) Enkele jaren later schreef Petrus aan zijn medegelovigen in Klein Azi: Vraagt iemand u waarop de hoop die in u leeft gebaseerd is, wees dan steeds bereid om u te verantwoorden.(1 Petrus 3:15). Het Griekse woord dat Paulus gebruikt voor verdediging is hetzelfde woord wat bij Petrus vertaald is naar verantwoorden, namelijk apologia. Van dit woord kennen we de afleidingen: apologeet, apologie (mondelinge of schriftelijke verdediging of verantwoording van een persoon, zaak of leer, tegen onrechtvaardige aanvallen. vertaler), apologetiek. De periode van de tweede eeuw na Christus staat in het bijzonder bekend als de eeuw van de apologeten. Het was de eeuw waarin Christelijke leiders begonnen terug te vechten tegen de onderdrukkende politiek van de Romeinse staat. Men was zich ervan bewust dat de pen een machtiger wapen is dan het zwaard. In de vroegste jaren van die eeuw ontstonden de apologetische geschriften van Quadratus en Aristides; in het midden van deze eeuw was Justin Martyr actief en aan het eind van deze eeuw lieten Minucius Felix en Tertullianus hun geluid horen. Deze tweede-eeuw apologeten maakten duidelijk dat het christendom niet verantwoordelijk kon worden gesteld voor opruiing en onzedelijkheid, waarvan men beschuldigd werd. Het is ook absurd dat eerlijke en respectabele mensen vals beschuldigd worden van misdaden. Men durfde hen zonder reden van allerlei kwaad te beschuldigen. De apologeten stelden daar tegenover dat het christendom het doeltreffende en ware geloof was, in tegenstelling tot het onvolmaakte Judasme en de dwalingen van het heidendom. Het christendom zou de juiste invulling zijn van wat God in vroegere tijden had geopenbaard. Bovendien leverde het de exacte antwoorden op de zoektochten en ambities die tot uitdrukking kwamen in de filosofie. Het overschaduwde de religies van andere landen. Kortom, het christendom was bedoeld als een universele godsdienst. Op deze manier werd het geloof verdedigd, waarbij verschillende aspecten werden benadrukt. Maar de basis van datgene waar het om gaat, was al in de eerste eeuw gelegd. Dat is duidelijk op te maken uit wat er geschreven is in het Nieuwe testament. Het is dan ook het getuigenis uit dat Nieuwe testament waarmee we ons in de volgende hoofdstukken bezig zullen houden. Het kan zijn dat zon studie ons zal helpen om nieuwe wegen te vinden waarop wij het evangelie kunnen verdedigen. Het zou ons hedendaagse vormen kunnen aanreiken zodat de nodige aanpassingen kunnen worden gemaakt om de verschillen tussen de eerste eeuw en onze eeuw te overbruggen. Ongeacht de vorm van welk christelijk getuigenis dan ook, met inbegrip van de apologetiek en de polemiek, zal het doel ervan altijd moeten zijn de Verlosser te prediken. Een onweerlegbare redevoering en een winnend debat is een vruchteloos gebeuren vergeleken met het winnen van mannen en vrouwen voor Christus. Mochten we dat wel eens vergeten dan zullen de Christenen van de eerste eeuw ons daaraan herinneren. Zij zullen ons er ook op attent maken dat, omdat Jezus dezelfde blijft, het evangelie in onze eeuw zich in essentie niet onderscheidt van het evangelie in de eerste eeuw. De middelen waarmee we aan de slag kunnen gaan kunnen variren naar gelang de omstandigheden waarin getuigende christenen zich bevinden.. De mannen en vrouwen die het evangelie in de eerste

eeuw doorgaven verstonden de tijden; het koninkrijk van God doet ook vandaag een dringend beroep op zulke mannen en vrouwen. 1. De betekenis van evangelie. Het Engelse woord gospel is een vereenvoudigde vorm van het oud-Engelse woord godspell. De betekenis van dat woord is een goed verhaal of nog beter goed nieuws. Het Engelse woord komt overeen met het Nederlandse woord evangelie. Beide woorden zijn een equivalent van het Latijnse evangelium dat weer is afgeleid van het Griekse euangelion. Het Griekse voorzetsel eu- betekent goed. Het tweede deel van het woord wordt geassocieerd met het werkwoord angell dat rapporteren of een boodschap brengen betekent. (Dit komt ook tot uitdrukking in het woord engel angelus waarmee een hemelse boodschapper bedoeld wordt.) Met de Griekse samenstelling euangelion wordt in het Nieuwe testament dus aangeduid dat het gaat om goede berichten of goed nieuws. Het daaraan gerelateerde werkwoord euangeliz betekent goede berichten brengen. Hiervan is weer het zelfstandig naamwoord euangelists afgeleid, wat betekent iemand die goede berichten brengt, oftewel een evangelist. In het Nieuwe testament worden deze woorden speciaal gebruikt voor het brengen van de Christelijke boodschap. Niet minder dan Jezus zelf gebruikte deze woorden voor de evangelieverkondiging. Maar ook zijn volgelingen deden dat, zowel vr en na het sterven en de opstanding van Jezus. Het lijkt erop dat deze woordkeuze goed doordacht was. We komen deze woorden ook tegen in het boek Jesaja. Het gaat hier over de bevrijding en terugkeer van het in ballingschap levende volk uit Judea en Jeruzalem. Deze bevrijding was het gevolg van het voortreffelijke beleid van de Perzische Koning Cyrus, na zijn omverwerping van het Babylonische rijk. Wie herinnert zich niet de overbekende woorden van Jesaja 40:9, die prachtig vertolkt worden in The Messiah van Hndel: O thou that tellest good tidings to Zion. Deze goede tijding, dit evangelie was oorspronkelijk bedoeld voor de bannelingen die thuis mochten komen. Maar in het oratorium The Messiah wordt deze oud-testamentische profetie doorgetrokken naar de volbrachte bevrijding door Christus. Deze herinterpretatie vindt men terug in het Nieuwe testament zelf. Daar wordt gerefereerd aan de woorden van Jesaja 52:7: 7 Hoe welkom is de vreugdebode die over de bergen komt aangesneld, die vrede aankondigt en goed nieuws brengt. In de originele versie zien we hoe de boodschapper zich haast vanuit het westelijke Mesopotami naar Judea om herstel en redding aan te kondigen. Je hoort als het ware de boodschapper tegen Sion roepen: Je God is koning! In Romeinen 10:15 worden deze woorden gebruikt voor de predikers van de christelijke boodschap, en natuurlijk is dat ook zo bedoeld in het oratorium The Messiah. Nog sprekender dan de beide genoemde teksten is Jesaja 61:1, waar een niet met name genoemde spreker zichzelf introduceert door te zeggen: De geest van God, de H EER , rust op mij, want de H EER heeft mij gezalfd. Om aan armen het goede nieuws te brengen heeft hij mij gezonden.. Wie de persoon in deze bijbeltekst ook mag zijn, hij had een goddelijke zalving ontvangen om zijn taak te vervullen. In het oorspronkelijke Hebreeuws is het werkwoord zalven zo vertaald dat men bij het woord waarvan Messias is afgeleid, in de Griekse vertaling uitkomt bij de naam Christus. Dus de spreker, die door veel uitleggers wordt gedentificeerd als de dienaar van de Heer die we in de eerdere hoofdstukken van Jesaja tegenkomen, claimt in zekere zin een Messias te zijn, een door God Gezalfde. In dit verband denken we aan een later tijdsip waarop de discipelen van Johannes de Doper namens hun meester aan Jezus de vraag stelden of hij inderdaad wel degene was die komen

zou , waar zoveel Isralieten naar uitkeken. Het antwoord van Jezus was: Zeg tegen Johannes wat jullie gezien en gehoord hebben: blinden kunnen weer zien, verlamden weer lopen, mensen met huidvraat worden gereinigd en doven kunnen weer horen, doden worden opgewekt, aan armen wordt het goede nieuws bekendgemaakt. (Luk.7:22) En blinden kunnen weer zien en verlamden weer lopen, mensen met huidvraat worden gereinigd en doven kunnen weer horen, doden worden opgewekt en aan armen wordt het goede nieuws bekendgemaakt. (Math.11:5) Het lijdt geen twijfel: Jezus deed precies datgene waartoe hij door God was gezalfd. Er is geen andere conclusie mogelijk: Hij was degene die komen zou. Dit wordt nog eens bevestigd in het evangelie van Lucas. Kort na zijn doop ging Jezus op de sabbat terug naar Nazareth, waar hij de synagoge bezocht. Daar las hij Jesaja 61 voor, waar hij zijn missie bekend maakte, door te zeggen: Vandaag hebben jullie deze schrifttekst in vervulling horen gaan. (Lucas 4: 16-21). Met andere woorden, de doop die hij onlangs had ondergaan, waarbij Gods Geest op hem was neergedaald (Luk.3:21 e.v.), was zijn zalving, d.w.z. de goddelijke opdracht om het goede nieuws aan de armen te verkondigen en het genadejaar van de Heer uit te roepen (het aangename jaar des Heren). .De dag van bevrijding gloorde: dit was het goede nieuws!! Bij het woord evangelie of euangelion gaat het in het Nieuwe testament in de eerste plaats om de inhoud van de boodschap van bevrijding en soms, afhankelijk van het verband waarin het gezegd wordt, wordt dit woord gebruikt voor de bekendmaking van de boodschap. Helaas komt het voor dat het woord evangelie een ruimere betekenis krijgt. Het wordt dan een op zichzelf staande entiteit. Het houdt dan in dat iemand die deze boodschap gelooft het summum van christelijk geloof en christelijk leven benadert. Het woord evangelie is dan een geschreven document wat geloofd moet worden. Dis is een mening waarmee we behoorlijk vertrouwd zijn geraakt. Dat het evangelie een benaming is voor een document, vinden we niet terug in het nieuwe testament. Het is heel begrijpelijk dat het woord euangelion zowel voor de geschreven als de gesproken vorm van het goede nieuws een normaal spraakgebruik werd. Er is echter maar n betrouwbare goede boodschap, ongeacht wie de spreker of schrijver ervan is. Het evangelie naar Marcus bijvoorbeeld betekent: de goede boodschap van Christus, zoals opgetekend door Marcus. Dit geldt natuurlijk ook voor de geschriften van de andere evangelisten. Als in de tweede eeuw vier geschreven verslagen van het Goede Nieuws, die in de eerste eeuw waren samengesteld, als afzonderlijke gezaghebbende geschriften zouden zijn herkend, zou er in latere tijden niet de gewoonte zijn ontstaan om te spreken over de vier evangelin. Dat zou in de tijd van het nieuwe testament een onmogelijke uitdrukking zijn. We zijn intussen al zo gewend aan deze manier van spreken, dat het al helemaal niet meer opvalt. Toch zou het meer in overeenstemming zijn met het nieuwe testament om te spreken over n blijde boodschap, opgetekend door vier evangelisten. 2. Het evangelie van Jezus. Aan armen wordt het goede nieuws bekendgemaakt, zei Jezus tegen de discipelen van Johannes de Doper. De Heer heeft mij gezalfd om aan armen het goede nieuws te brengen, verklaarde hij in de synagoge van Nazareth, waarbij hij de woorden van Jesaja 61:1 op zichzelf toepaste. Maar

wat was eigenlijk de essentie van dat goede nieuws? Als we het gedeelte van Jesaja lezen in het nieuwe testament in combinatie met de boodschap: om aan gevangenen hun vrijlating bekend te maken en aan blinden het herstel van hun zicht, dan zou je daaruit kunnen opmaken dat genezing het belangrijkste aspect van zijn bediening was. Maar wat zou het nog meer kunnen betekenen? Marcus heeft waarschijnlijk het oudste verslag geschreven van de vier evangelisten. Hij citeert wat Jezus zei na de arrestatie van Johannes de Doper: De tijd is aangebroken, het koninkrijk van God is nabij: kom tot inkeer en hecht geloof aan dit goede nieuws. (Marcus 1:14b). In deze woorden wordt het goede nieuws dat Jezus verkondigde samengevat. Deze samenvatting is niet in tegenspraak met wat Lucas verkondigt in Lucas 4:21: Vandaag hebben jullie deze schrifttekst in vervulling horen gaan., maar het grijpt terug naar een andere oud testamentische onderwijzing. Het koninkrijk, of koningschap van God is een steeds terugkerend thema in het oude testament. De H EER heeft zijn troon boven de vloed, ten troon zit de H EER als koning voor eeuwig. (Psalm 29:10). De H EER zijn troon staat vast in de hemel, als koning heerst hij over alles. (Psalm 103:19). Het lijkt erop dat sommige psalmen zijn geschreven voor lofprijzing bij speciale gelegenheden in Isral. Hierbij klinkt het refrein: de Heer regeert of De Heer is Koning. (bijv. Ps. 93:1; 96:10; 99:1). Het koningschap van God kwam in Isral in het bijzonder tot uitdrukking door de menselijke koningen. Hun koningschap was afgeleid van de goddelijke Koning, als de Gezalfde van de Heer. Maar hoe kon Jezus nu aan de hand hiervan aankondigen dat het koninkrijk van God nabij was? Deze aankondiging wordt ontleend aan de visioenen in het boek van Danil. Het boek van Danil is ontstaan in een tijd dat het koningsschap was geweken uit Isral. Er is geen door God gezalfde die het goddelijke koningsschap over zijn volk vertegenwoordigde. Integendeel, Isral bevindt zich in een afhankelijke positie van opeenvolgende heidense overheersers. In de visioenen van Danil worden achtereenvolgens vier heidense wereldrijken uitgebeeld. Tenslotte verdwijnen deze wereldrijken en worden ze vervangen door een koninkrijk waarvan Danil zegt: Maar ten tijde van die koninkrijken zal de God van de hemel een rijk laten opkomen dat nooit te gronde zal gaan en dat nooit op een ander volk zal overgaan. Het zal al die koninkrijken verbrijzelen en vernietigen, maar zelf zal het eeuwig bestaan. (Danil 2:44) In n visioen dat betrekking heeft op de droom van Nebukadnessar (Danil 2:1-45), is de opvolger van de heidense wereldmachten uitgebeeld door een groot beeld dat uit vier metalen bestaat, terwijl het komende koninkrijk wordt gesymboliseerd door een steen die losraakte, zonder dat er een mensenhand aan te pas kwam, hoe de steen tegen de ijzeren en lemen voeten van het beeld sloeg en ze verbrijzelde. Op hetzelfde ogenblik verpulverden het ijzer, leem, brons, zilver en goud. Het werd als kaf op een dorsvloer in de zomer; de wind voerde het mee, totdat er geen spoor meer van te vinden was. Maar de steen die tegen het beeld was geslagen, werd een hoge berg die de hele aarde bedekte. (Danil 2:35). In een ander visioen dat aan Danil zelf geopenbaard werd, worden de heidense wereldrijken afgeschilderd als vier verscheurende wilde dieren. Deze beesten hebben macht omdat God hen die gegeven heeft. Uiteindelijk worden ze beroofd van hun heerschappij door iemand die er uitzag als een mens. Het is dus duidelijk dat het hier gaat om een menselijk en geen beestachtig figuur. Zijn heerschappij was een eeuwige heerschappij die nooit ten einde zou komen, zijn koningschap zou nooit te gronde gaan. (Danil 7:13b)

Als in dit visioen de wilde beesten model staan voor de heidense koningen of koninkrijken, dan is degene die er uitzag als een mens vergezeld van de heiligen van de hoogste God die het koningschap ontvangen, en zij zullen het koningschap altijd behouden voor eeuwig en altijd. (Danil 7:18). Danil beschrijft in de climax van zijn visioen (vs. 22) dat de tijd aanbrak dat de heiligen het koningschap in bezit kregen. Het is niet moeilijk om in deze woorden de grond te herkennen van Jezus bekendmaking dat de tijd aangebroken is, en het koninkrijk van God nabij is (Marcus 1:15). Dit is inderdaad goed nieuws voor diegenen onder zijn toehoorders die de strekking van zijn woorden begrepen. Maar wat hield dat precies in? Er waren in die tijd andere publieke figuren in Isral die de nabijheid van het koninkrijk van God predikten, wat inhield dat de heerschappij van de heidenen in handen van de gelovigen zou overgaan. En wie zouden er in die dagen als heersende heidenen worden beschouwd? Nu, dat konden alleen maar de Romeinen zijn. Veel van deze predikers gingen er vanuit dat deze nieuwe orde alleen maar tot stand kon komen door gewelddadig verzet van degenen die bereid waren om God een handje te helpen in de strijd tegen het machtige rijk. In de tijd dat Jezus nog een kind was, stond Judas de Galileer op die een nieuwe leer bracht. Hij vond dat het verkeerd was om een heidense machthebber, zoals de Romeinse keizer, te eren, omdat dit hoogverraad zou betekenen tegen God, die hun eigenlijke ware koning was. Hij organiseerde een opstand die met geweld door het Romeinse beroepsleger werd neergeslagen. In een bepaald opzicht was de boodschap van Jezus niet minder revolutionair dan die van Judas de Galileer. Iedere opvatting die maar zweemde naar een vervanging van het Romeinse Imperium was verdacht in de ogen van de bezetter. Uiteindelijk werd het openbare optreden van Jezus dan ook door een Romeins bestuurder beindigd op grond van de beschuldiging tot opruiing. Maar de opvattingen van Jezus met betrekking tot het koninkrijk van God en de wijze waarop dat tot stand moest komen waren totaal verschillend van wat Judas de Galileer en anderen propageerden. De aard van het koninkrijk van God, zoals Jezus dat verkondigde, viel samen met het karakter van de God tot wie het koninkrijk behoort. Bij wat Jezus onderwees stond zijn openbaring van God op de voorgrond. Dit komt, weliswaar heel compact, maar op voortreffelijke wijze naar voren in het gebed dat hij zijn discipelen leerde, waarbij hij God aansprak als Vader. Nu was het spreken over God als Vader niets nieuws in het Judasme, maar je kunt het woord Vader op meerdere manieren gebruiken. Waarin Jezus zich onderscheidde was, dat hij zijn gebed adresseerde aan God als Abba. Dit woord werd gebruikt door kinderen of als er over vader gesproken werd in de intimiteit van de familiekring. Nu was Abba niet alleen de aanspreekvorm tot God van Jezus zelf (zie Marcus 14:35) maar dit voorbeeld werd ook gevolgd door zijn discipelen en zelfs, in een later tijdperk, door de Grieks sprekende christenen (zie Rom.8:15; Gal.4:6). Abba is bovendien een Semitisch woord, dat al vroeg door bekeerde Grieks sprekende gelovigen aan hun vocabulaire werd toegevoegd. Hierdoor onderscheidde men zich van anderen en associeerde men zich met Jezus en zijn volgelingen. Kleine kinderen praten onbevangen en vol vertrouwen tot hun aardse vader en schromen niet allerlei dingen aan hem te vragen. Jezus leerde zijn discipelen om met hetzelfde vertrouwen en onvoorwaardelijke liefde naar God toe te gaan. Alleen in een kinderlijke houding van spontane afhankelijkheid en verwachting zou de geest van het ware geloof en het eerlijke gebed ontstaan. Wie niet als een kind openstaat voor het koninkrijk van God, zal er zeker niet binnengaan. (Marcus 10:15) en zoals Jezus het leerde: om het koninkrijk van God binnen te gaan was het nodig om

opnieuw geboren te worden. Dit was de weg om het nieuwe leven binnen te gaan, het leven van de tijd die is aangebroken (Marcus 1:14b). Het gaat er in Gods Koninkrijk om dat je God de heerschappij over je leven geeft. De volgende drie beden uit het Onze Vader t.w. laat uw naam geheiligd worden, laat uw koninkrijk komen en uw wil gedaan worden komen praktisch gezien op hetzelfde neer. Als Gods wil wordt gedaan, wordt zijn naam geheiligd en wordt zijn koninkrijk zichtbaar, zowel op aarde als in de hemel. Door de bediening van Jezus werd Zijn koninkrijk in zekere mate zichtbaar. Dat blijkt uit wat hij zegt: Maar als ik dankzij een kracht die van God komt demonen uitdrijf, dan is het koninkrijk van God bij jullie gekomen (Lucas 11:20). Aan de andere kant bad hij met betrekking tot zijn discipelen laat uw koninkrijk komen. Daarmee gaf hij te kennen dat deze manifestatie van kracht in de toekomst ligt. (Marcus 9:1). Omdat degenen die tot Gods Koninkrijk behoren hem als Vader erkennen, moeten ze elkaar ook beschouwen als leden van hetzelfde gezin en broederlijke liefde tonen in hun omgang met elkaar. Naar buiten toe zullen ze het karakter van hun Vader en zijn onvoorwaardelijke liefde moeten weerspiegelen. Dat houdt in dat ze barmhartigheid en vergevingsgezindheid moeten hebben zelfs naar degenen waardoor ze gehaat en vervolgd worden. Dat ze, als de gelegenheid zich voordoet, het goede moeten zoeken voor degenen die hen verdrukken en uitbuiten. Dat is een houding die totaal afweek van het beleid van hen die weerstand tegen de Romeinse overheersing bepleitten en een dodelijke vijandigheid ten toon spreidden tegen hun volksgenoten die met de Romeinen samenwerkten. De kinderen van de hemelse Vader moesten anderen dezelfde barmhartigheid en vergevingsgezindheid tonen die ze ook van hun Vader ervaren hadden. Als Gods kinderen zelf niet vergevensgezind waren zou dat hun blijdschap over de vergeving van de Vader in de weg staan. Deze onvergefelijke houding zou hun kindschap van God ongeloofwaardig maken. Wees barmhartig zei Jezus, zoals je Vader barmhartig is (Lucas 6:36). Deze lessen bestonden niet alleen uit een aantal duidelijk omschreven regels, maar zij werden ondersteund door het voorbeeld van de Meester. De lessen werden ook verduidelijkt in allerlei gelijkenissen. In zijn onderwijs maakte Jezus voortdurend gebruik van beelden. Gelijkenissen, zoals die van de man die de schuld van zijn schuldenaars niet kon kwijtschelden (Mathes 18:23-35), de barmhartige Samaritaan (Lucas 10:30-37) en de gelijkenis van de verloren zoon (Lucas 15:11-32) spreken voor zichzelf. De gelijkenissen zijn stuk voor stuk eenvoudige maar belangrijke lessen, en de details van deze verhalen versterken de betekenis ervan. Er waren ook andere gelijkenissen waarvan zelfs de discipelen die heel dicht bij Jezus stonden, een verklaring nodig hadden, terwijl het voor de omstanders onbegrepen raadsels bleven. Het ontbrak hen aan inzicht (Marcus 4:11). Het maakte de omstanders argwanend en zo ontwikkelde zich een crisissituatie waarin het geloof van de discipelen tot het uiterste op de proef werd gesteld. Het gevolg hiervan was ook dat duidelijk werd wat hen ten diepste bewoog. Zolang de discipelen hun meester vergezelden waren zij zich nog niet helemaal ervan bewust wat deze crisis zou uitwerken. Ook in deze tijd, zoveel eeuwen later, is er nog een extra moeilijkheid als wij dezelfde lessen van Jezus in praktijk willen brengen. Door de historische ontwikkeling bevinden we ons in een andere situatie dan die van de discipelen.

Ook de christenen van vandaag bidden het Onze Vader. Net zo als de discipelen van toen bidden ze breng ons niet in beproeving. Wij hebben de neiging om deze beproeving of verleiding op te vatten als een valstrik om ons te laten zondigen. Jezus echter spoort de discipelen aan om te denken aan een uur van benauwdheid waarin het geloof op de proef wordt gesteld. De druk om het geloof op te geven wordt zo sterk opgevoerd dat het bijna niet mogelijk is om die te weerstaan. Als we deze bede nu eens anders formuleren: Geef dat we niet zullen opgeven als we beproefd worden. Deze zin komt dichter in de buurt van de originele betekenis. Het is in ieder geval beter dan als we deze bede opvatten als: breng ons niet in het uur van beproeving. Een beproeving is een ervaring waaraan niemand van Jezus volgelingen zal kunnen ontkomen. Wat we nodig hebben is kracht om in deze beproeving stand te houden en de overwinning te behalen. Voor de discipelen kwam de ultieme beproeving toen hun Meester in Getseman werd gevangen genomen. Blijf wakker zei hij tot hen ongeveer twee uur ervoor, en bid dat jullie niet ten val komen in de beproeving. (Marcus 14:38 volgens F.F. Bruce). Jezus schetste geen vals optimisme. Maar of de discipelen bij machte waren de beproeving te doorstaan blijkt uit wat hij tot Petrus zei: Maar ik heb voor je gebeden opdat je geloof niet zou bezwijken. En als jij eenmaal tot inkeer bent gekomen, moet jij je broeders sterken.. (Lucas 22:32). Kennelijk zouden zijn arrestatie en executie een vrijwel onoverwinnelijke beproeving zijn om te volharden in hun geloof. De Herder zou worden gedood en de schapen zouden uiteengedreven worden. De discipelen zouden zich verlaten en gedesillusioneerd voelen. Maar ze kregen de belofte (en die werd sneller vervuld dan ze hadden durven hopen) dat de Herder terug zou komen en hen zou leiden als voorheen. (Marcus 14:27, 29) In zijn woorden die hij tot een breder publiek richtte was er sprake van een andere dreigende crisis. Er was de druk om mee te gaan in de opstand tegen Rome. Zovelen waren al bezweken voor die druk. Vooral in Jeruzalem was die atmosfeer van opstand zo groot, dat veel inwoners geen oren hadden voor de boodschap van vrede die Jezus leerde. Toen hij op een ezel de stad binnen reed presenteerde hij zichzelf niet als een oorlogszuchtig vorst, maar als een nederige vredevorst. In die gezindheid waarschuwde hij Jeruzalem dat de stad binnenkort met de grond gelijk zou worden gemaakt en hun kinderen de dood zouden vinden. En dat omdat ze op deze dag niet geweten hadden wat hen vrede zou brengen (Lucas 19:41-44). In dit licht kunnen we begrijpen dat Jezus zei dat je met je tegenstander het geschil moet bijleggen als je onderweg bent naar de rechter. (Mathes 5:25) en dat je de kosten moet berekenen voordat je een militaire actie onderneemt tegen een overmacht die tegen je oprukt (Lucas 14:31,32). Zulke uitspraken worden opgevat als een algemene en vaststaande aanwijzing, maar de betekenis ervan wordt duidelijker als we in gedachten houden dat het van levensbelang is dat we standhouden in de beproeving. Het onderwijs van Jezus over het Koninkrijk van God staat dikwijls in nauwe relatie tot wat er gezegd wordt over de Mensenzoon. Deze benaming wordt in het nieuwe testament alleen door Jezus gebruikt. Hiermee wordt teruggegrepen op de Mensenzoon uit Danil 7:13 (NBG51), aan wie God de universele en eeuwige heerschappij verleent. Als we de verwijzingen van Jezus naar de Mensenzoon in het evangelie bestuderen wordt het steeds duidelijker dat zijn bediening er op uitloopt dat hijzelf is voorbestemd om de profetien van de Mensenzoon te vervullen.

Het koninkrijk van God was gedurende de bediening van Jezus onderworpen aan beperkingen, in afwachting van de tijd dat het zou komen met kracht. De ultieme bekleding met soevereiniteit van de Mensenzoon moet voorafgegaan worden door een periode waarin hij veel moet lijden en waarin hij door deze generatie verworpen moet worden. (Lucas 17:25). Het lijden van de Mensenzoon en het geven van zijn leven als losprijs voor velen wordt beschreven als iets dat Jezus zelf betreft, maar in de visioenen van Danil zullen we tevergeefs zoeken naar een duidelijke aanwijzing van een lijdende Mensenzoon. Als we echter degene die volgens Daniels beschrijving eruitzag als een mens laten samenvallen met de lijdende dienaar van de Heer uit Jesaja 52:13-53 dan zien we het vanuit een ander aspect. Dat geeft een antwoord op de vraag uit Marcus 9:12: maar over de Mensenzoon staat toch geschreven dat hij veel moet lijden en met verachting behandeld zal worden? Alleen door het drinken van de beker van het lijden en het ondergaan in de doop van de dood kon de Mensenzoon de heerlijkheid binnengaan. Het mag dan zo zijn dat in het visioen van Danil de Mensenzoon niet als lijdende dienaar beschreven wordt, Danil betrekt dat beeld in hoofdstuk 7:25 en 26 wel op de heiligen van de Allerhoogste die het koninkrijk ontvangen en het oordeel tot uitvoer brengen nadat zij vervolging hebben doorstaan. Nu zien we heel duidelijk de relatie tussen wat Jezus leert en wat aan Danil werd geopenbaard. We gaan steeds beter begrijpen dat Jezus zichzelf zag als iemand die eruitzag als een mens, of in zijn eigen woorden als een Mensenzoon. De heiligen van de Allerhoogste waren voortdurend bij Hem in zijn beproevingen. Het was de kleine kudde waarvoor de Vader de erfenis van het koningschap bestemd had. (Lucas 12:32; 22:28:30) Zij waren ertoe bestemd om te delen in de heerlijkheid van de Mensenzoon, maar dat was alleen mogelijk door zijn beker te drinken en zijn doop te ondergaan, al hoefde dat niet noodzakelijk op hetzelfde tijdstip te gebeuren. (Marcus 10:35-45) Zijn wereldheerschappij zou ook hun heerschappij zijn, maar alleen als zij bereid waren dit te verwerven zoals hij dat deed. Niet door gediend te worden, maar om te dienen, door hun leven te verliezen om het te vinden. Maar let goed op, het koninkrijk, de kracht en de heerlijkheid waren geen beloning voor hun dienen en zelfopoffering. Het dienen en de zelfopoffering zijn het koninkrijk, de kracht en de heerlijkheid. Aan het eind van de tijden zouden de volgelingen van Jezus dienaren en deelgenoten zijn van een koning die zijn koninkrijk vestigde door zijn dood aan het kruis. Het kruis dat eens een symbool van nederlaag en schande was is tot een teken van overwinning en heerlijkheid omgevormd. Dat is het goede nieuws dat Jezus bracht.

3. Het evangelie: een confrontatie met de Joden. <1> Een verandering van perspectief. De dood en opstanding van Jezus betekende niet zozeer een verandering in de wezenlijke inhoud van het evangelie, maar betrof meer een verandering in het perspectief. Was Jezus eerst de prediker, nu was hij de gepredikte. Het onderwijs van Jezus werd gellustreerd door wat hij liet zien: werken van barmhartigheid en kracht. Deze werken vonden hun climax in de kruisiging en opstanding. Vanuit dit nieuwe perspectief gezien, was Jezus zelf de belichaming van het evangelie. In n van zijn grote werken zegt Origenes dat Jezus de autobasilea was, d.w.z. het koninkrijk van God in persoon. Nog nooit was het karakter van het koninkrijk van God zo in Jezus tot zijn recht gekomen toen hij de woorden sprak: laat niet wat ik wil, maar wat u wilt gebeuren. (Lucas 22:42) Vanuit deze gezindheid aanvaardde hij het kruis. Toen de discipelen zich realiseerden dat Jezus hen niet in de steek gelaten had, maar dat hij zich in de opstanding manifesteerde als overwinnaar van de dood werd hun liefdevolle navolging nieuw leven ingeblazen. Hun liefde en verwondering was zo groot dat niets of niemand hen dat af kon nemen. In hem vonden ze de weg om door God aanvaard te worden en vonden ze rust en vrede voor hun ziel. In hem leerden ze ook, zowel na Pasen als vr Goede Vrijdag, God zelf kennen op een geheel nieuwe manier. Zij bleven volharden in hun geloof dat Gods karakter zichtbaar was geworden in het menselijk leven van Jezus en zij begrepen dat God zelf door Jezus tot hen sprak. Toen konden ze getuigen van de Jezus die ze kenden. Ze vertelden van wat ze gezien en gehoord hadden. Ze deden dat in de overtuiging dat ze hun ervaring met anderen, die de man van Galilea niet zo hadden leren kennen als zij, konden delen. Dat dit mogelijk was klinkt in onze oren verrassend. Maar het is nog verrassender dat die overtuiging gerechtvaardigd is. De discipelen volhardden in het bekendmaken van het goede nieuws. Ze deden dat in de naam van hun Meester en in de kracht van zijn Geest. Ze gingen eerst naar hun volksgenoten en daarna naar de heidenen. Dat hun verkondiging zo opmerkelijk veel vrucht droeg zou in onze ogen eigenlijk niet zon vanzelfsprekende start zijn. Maar hoeveel te meer zou het voor ons, die terugkijken op een afgerond heilsfeit, vanzelfsprekend moeten zijn om het goede nieuws met vrucht te verkondigen. Toch, hoe je het ook wendt of keert, de verkondiging in de autoriteit van de Heer en Heiland die aan het kruis gestorven was, vormde onvermijdelijk een struikelblok om het goede nieuws te aanvaarden. Hoe zij omgingen met dit struikelblok waarmee Joden, Grieken en Romeinen geconfronteerd werden, is onverbloemd beschreven in de nieuw testamentische geschriften. Zelfs voor de kruisiging van Jezus was hij al een struikelblok voor veel van zijn volksgenoten. Jezus werd in de loop van de tijd door sommigen omschreven als een milde, goedmoedige persoon. Maar dit is een karikatuur van wie hij feitelijk was. Als deze beschrijvingen zouden beantwoorden aan de werkelijkheid, kunnen we ons afvragen wie er belang bij zou hebben om hem te kruisigen. Het spreken van Jezus bevatte vaak terechtwijzingen. De mensen vonden hem maar een lastig persoon. Hij ging in tegen de gevestigde religieuze praktijk. Hij sprak op een intieme manier over God als zijn vader, hetgeen zijn volksgenoten als godslastering in de oren klonk. Hij scheen te genieten van gezelschap van verdacht allooi. Hij bewandelde doelbewust een weg die, in de ogen van verstandige mensen, gedoemd was om in een fiasco te eindigen.

Uiteindelijk werd hij door een Romeins college veroordeeld tot de dood, maar de Joodse religieuze raad, onder leiding van de hogepriester, speelde een cruciale rol bij het indienen van de aanklacht. Hij ging in debat over de aard van het koninkrijk van God met de leiders van de synagoge in Galilea en met de schriftgeleerden en farizeen op het tempelplein in Jeruzalem. Maar voor het Sanhedrin verklaarde hij ondubbelzinnig dat Hij de Messias was (dit was de titel die men wilde horen), toen hij bevestigend antwoordde op de vraag van de hogepriester. Hij voegde eraan toe: vanaf nu zult u de Mensenzoon zien zitten aan de rechterhand van de Machtige en hem zien komen op de wolken van de hemel. waarmee hij naar het oordeel verwees. Deze leiders van Isral beschouwden hem als een bedreiging voor de nationale veiligheid, voor de heiligheid van de tempeldienst en ook voor het handhaven van hun eigen positie. Kortom, wanneer zij de hele situatie in ogenschouw namen, was er geen andere weg mogelijk dan hem uit de weg te ruimen. <2> De apostolische prediking. Maar, ondanks het feit dat zij hem uit de weg geruimd hadden, ondervonden ze al spoedig dat zij opnieuw werden geconfronteerd met de boodschap van Jezus en wel in een opmerkelijk hardnekkige vorm. De discipelen van Jezus waren in verwarring geraakt bij de arrestatie van Jezus. Men zou dus verwachten dat ze terug zouden gaan naar hun geboortestreek Galilea en daar in de anonimiteit zouden schuilgaan. Maar niets daarvan! Ze keerden terug naar Jeruzalem en begonnen een publieke propagandacampagne in de kracht van hun onlangs gekruisigde Meester. Ze verkondigden dat Jezus de lang verwachte Messias is. De profetische geschriften hadden zijn komst aangekondigd, maar ook de profetien met betrekking tot het lijden en de overwinning waren in hem in vervulling gegaan. De vele machtige werken die met zijn verschijning gepaard gingen, waren tekenen dat in hem het Messiaanse tijdperk was begonnen. De christenen van de eerste eeuw, maar ook die van de tweede eeuw en vele eeuwen daarna, beriepen zich op de wonderen die Jezus deed als vervulling van de profetien. Het waren voor hen de sterkste bewijzen voor de waarheid van het evangelie. Tegenwoordig voelt men een zekere schaamte om over die wonderen te spreken. De huidige wereldvisie is daar ongetwijfeld mede debet aan. Het oude testament is bepaald niet in overeenstemming met de eigentijdse manier van denken. Het zou goed zijn als wij, naast ons Christelijk getuigenis, ons een nieuw bewustzijn eigen maken van de autoriteit van de Schriften en die dus inderdaad zien als het Woord van God. Ook moeten we ons opnieuw realiseren zijn dat God werkelijk met kracht aan het werk is in de wereld die hij zelf heeft geschapen. In de verkondiging van de apostelen waren de wonderen inbegrepen bij de uitleg van de profetien. Het n kan niet zonder het ander, het mondt uit in het hoogtepunt van de opstanding van Jezus. De opstanding was bij uitstek het messiaanse teken, de geweldigste demonstratie van Gods kracht en tegelijkertijd de ultieme vervulling van de profetien die naar Jezus wijzen. Maar dat niet alleen, het was iets waarvan de apostelen een rechtstreeks getuigenverslag konden geven. Jezus is door God tot leven gewekt, daarvan getuigen wij allen. (Hand. 2:32) De apostelen verzekerden hun gehoor dat God door de opstanding van Jezus aan Isral zijn plechtige belofte aan David in vervulling deed gaan. (Jes.55:3 geciteerd in Hand.13:34) .

Deze plechtige belofte hield in dat Davids grote Zoon niet aan het dodenrijk zou worden overgeleverd en dat zijn lichaam niet tot ontbinding zou overgaan. (Psalm 16:10 geciteerd in Hand. 2:25 ev.; 13:35). Niemand anders was zo opgestaan uit de dood. Daarom was Jezus zonder twijfel de Messias, die nu zit aan de rechterhand van God in overeenstemming met wat God sprak in Psalm 110:1 (Hand.2:34). Hij was de gehoorzame Dienaar van de Heer, verheerlijkt en geprezen en de hoogste eer toegekend na zijn overgave aan onverdiend lijden en dood. (Jes. 52:13 geciteerd in Hand 3:13 e.v.) Laat degene die hem eerder weigerde te erkennen, nu haast maken en berouw tonen. Dan zullen zijn zonden uitgewist worden en ze zullen delen in de zegeningen van het Messiaanse tijdperk. Dit was het overtuigde appl van de apostolische boodschap in zijn vroegste dagen. De verdediging van het evangelie was in dit stadium een verdediging van Jezus aanspraak Gods zoon en de Messias te zijn. Een aanspraak die al heel gauw door de hogepriesters en de Joodse raad verworpen werd, maar nu door Gods toedoen bevestigd werd, omdat de apostelen vanuit hun eigen ervaring getuigenis konden geven. Ongetwijfeld was het getuigenis van Jezus opstanding bijzonder krachtig, omdat het werd volgehouden door mensen die hem zelf na zijn sterven in levenden lijve gezien hebben en die uit de mond van de opgestane Heer uit de Schrift hoorden uitleggen alles wat op hem betrekking had. Maar de christenen van vandaag kunnen ook het bewijs van zijn opstanding benadrukken als het meest krachtige argument voor de waarheid van het evangelie. Hun bewijs zal nog overtuigender zijn als de kracht van Christus werkzaam is in hun leven en wel die mate dat anderen dat merken. <3> het offensief van het kruis. Veel van degenen die de apostolische boodschap hoorden beseften dat zij in een onmogelijk dilemma waren verzeild. Hoe kon iemand die gekruisigd was nu de Messias zijn? Iedereen, behalve de apostelen, zag de kruisiging van Jezus als een afgang. Er viel dus veel uit te leggen en te verdedigen over deze kruisiging. Voor de Joden was de kruisdood een enorm obstakel om Jezus te zien als de gezalfde Messias. Hoe kon de Messias, op wie de bijzondere zegen van God rustte, nu gestorven zijn met een dood die door God zelf een vloek werd genoemd? Het stond duidelijk in de wet: Want op een gehangene rust Gods vloek. (Deut.21:23). Jezus was onmiskenbaar een gehangene, maar het was godslasterlijk om te zeggen dat iemand op wie zo duidelijk Gods vloek rustte, de Messias van Isral kon zijn. De apostelen van de vroegste dagen kwamen in hun prediking frontaal in botsing met deze kwestie. Toch leken ze dit niet te omzeilen, maar kozen hun woorden doelbewust om hun toehoorders met deze zwaarwegende zin in de wet te confronteren. Toen de apostelen zich moesten verdedigen bij het Sanhedrin, waar ze werden beschuldigd van het overtreden van het verbod om over Jezus te spreken, zeiden ze: De God van onze voorouders heeft Jezus weer tot leven gewekt, nadat u hem had vermoord door hem aan een kruishout te hangen. (Hand. 5:30). En Petrus die het verhaal over Jezus aan Cornelius en zijn huisgezin vertelde, zei: ze hebben hem gedood door hem aan een kruishout te hangen. (Hand.10:39) De apostelen waren zich er terdege van bewust dat het hangen aan een kruis het n en ander losmaakte bij hun toehoorders. Niettemin aarzelden ze geen moment om te verkondigen dat degene die deze onwaardige straf had ondergaan, de Heer, de Messias, de Vredevorst en Verlosser was. Zij baseerden hun prediking op het feit dat God hem had

opgewekt uit de dood; welke betekenis men ook toekent aan de wijze van executie, deze is ondergeschikt aan de onweerlegbare betekenis van zijn opstanding. In de periode voordat Paulus tot bekering kwam zal de kruisiging van Jezus waarschijnlijk een beslissend argument zijn geweest tegen de aanspraken van de discipelen. Jezus was gestorven onder de vloek van God en daarom kon hij niet de Messias zijn; degenen die het tegendeel beweerden maakten zich schuldig aan godslastering en bedrog. Maar toen Paulus bij zijn bekering de verrezen Heer zag, was hij onmiddellijk ervan overtuigd, in tegenstelling tot wat hij eerder geloofde, Jezus was inderdaad de Messias, de Zoon van God. Zijn dood aan het kruis had niet die strekking waarvan Paulus eerst overtuigd was. Maar het feit dat de Messias een vervloekte dood had ondergaan moest wel een uitzonderlijke betekenis hebben. Op dit punt getuigde Paulus van een opmerkelijk inzicht, dat hij uiteenzette aan de hand van oud testamentisch voorbeeld. De vloek die wordt uitgesproken in Deut. 21:23 is te vergelijken met een andere vloek die later in hetzelfde bijbelboek naar voren komt: Vervloekt is een ieder die zich niet houdt aan de bepalingen van deze wet. (Deut 27:26). Paulus zegt daarover: Maar iedereen die op de wet vertrouwt is vervloekt, want er staat geschreven: Maar Christus Jezus heeft ons vrijgekocht van deze vloek door voor ons te worden vervloekt, want er staat geschreven: Vervloekt is ieder mens die aan een paal hangt. Zo zouden door hem alle volken delen in de zegen van Abraham en zouden wij, zoals ons is beloofd, door het geloof de Geest ontvangen. (Gal. 3: 10
en 13).

Dat wil dus zeggen dat Christus, die de vloek van God droeg (in de vorm van dood door kruisiging), zijn volk bevrijdde dat onder een andere vorm onder de vloek lag (door hun onvermogen om de hele wet van God te houden) en bemachtigde zo de zegeningen van het evangelie. Vermoedelijk is deze verklaring al spoedig na zijn bekering in Paulus gedachten tot stand gekomen, omdat heel zijn denken toen gefocust werd op een totaal nieuw uitgangspunt. Of de andere apostelen tot een vergelijkbare verklaring zijn gekomen kan niet met zekerheid vastgesteld worden, maar ook zij zullen een bevredigende verklaring hebben moeten vinden om de tegenstanders van repliek te kunnen dienen. In 1 Kor.15 is een opsomming te vinden van de belangrijkste punten van het fundamentele onderwijs, die de gezamenlijke basis was voor hemzelf en de andere apostelen. Paulus begint dan ook in vers 3 met de bevestiging dat: Christus voor onze zonden is gestorven, zoals in de Schriften staat. Paulus zegt daar ook bij dat hij deze principes heeft ontvangen. Hij geeft niet alleen maar een verklaring van het algemeen aanvaarde feit dat Jezus stierf. Door te zeggen dat Christus stierf, verklaarde hij dat degene die stierf de Messias was, de door God gezalfde. Deze verklaring houdt in dat hij zijn dood heeft ondergaan voor de zonden van zijn volk en dat hij door te sterven de profetien in de heilige geschriften vervulde. Welke schriften waren dat? We vinden dat ongetwijfeld heel duidelijk in de profetien van Jesaja (in het bijzonder Jes. 52:13 53:12) maar ook elders in de schriften. Jesaja beschrijft het lijden en sterven van de gehoorzame Dienaar van de Heer als degene die de schuld van velen droeg De apostolische prediking moest noodzakelijkerwijs ook een apologetisch element bevatten. (apologetisch = verdedigbaar, zie introductie). Dit was nodig om over het struikelblok van het kruis heen te komen. Het kyregma (Grieks voor inhoud van de preek) moest in zekere mate apologia (verdediging of verantwoording) zijn. De apologia was niet het iets wat de apostelen

zelf bedacht hadden, ze hadden het ontvangen. Ze hadden het van niemand minder ontvangen dan van God zelf. Het begon er al mee dat het kruis een struikelblok voor henzelf was geweest, totdat Jezus zelf na zijn opstanding aan hen verscheen en aan hen vroeg: Moest de Messias al dat lijden niet ondergaan om zijn glorie binnen te gaan? (Lucas 24:26). Dat moest inderdaad, want: Daarna verklaarde hij hun wat er in al de Schriften over hem geschreven stond, en hij begon bij Mozes en de Profeten. (Lucas 24:27). En Paulus die het belangrijkste wat hij heeft doorgegeven , d.w.z. dat Christus voor onze zonden is gestorven, zoals in de Schriften staat, heeft dat op zijn beurt ook weer ontvangen. (1 Kor. 15:3). Op deze manier sprak Paulus ook tot de Joodse koning Agrippa: Omdat God mij echter tot op de dag van vandaag bijstaat, blijf ik mijn getuigenis zonder onderscheid aan iedereen bekendmaken, en daarbij zeg ik niets anders dan wat volgens de profeten en Mozes moest gebeuren, namelijk dat de Messias zou lijden en sterven en dat hij als eerste van de doden zou opstaan om aan zijn eigen volk en aan de heidenen het licht te verkondigen.(Hand. 26:22, 23) <4> Israls ongeloof. Maar als Jezus inderdaad de beloofde Messias van Isral is en als zijn dood (iets wat op het eerste gezicht onbegrijpelijk is) zo ronduit was aangekondigd in de Joodse heilige geschriften, waarom herkende het grootste deel van Isral hem dan niet? Dit was een ander aspect van het 'joodse vraagstuk', waarmee de vroeg christelijke apologetiek werd geconfronteerd. Toch was dit onbegrip niet nieuw in het apostolische tijdperk, want het was al ontstaan tijdens het publieke optreden van Jezus. Het wordt veelvuldig in de evangelin beschreven. Marcus maakt in een vroeg stadium van zijn verslag, melding van vijf controversile ontmoetingen van Jezus met de religieuze leiders van het volk. Hieruit krijgt men de indruk dat het conflict al spoedig ontstond en steeds grotere vormen ging aannemen, totdat het zijn hoogtepunt bereikte in de verwerping en veroordeling. (Marcus 2:1 3:6) Jezus zelf vestigde de aandacht op het feit dat zo velen van zijn toehoorders hem niet geloofden, ook niet als zij zijn werken zagen. Hij wees erop dat de geschiedenis zich herhaalt, omdat hun voorouders ook niet aanvaardden wat God hen te zeggen had bij monde van de profeten. Neem Jesaja. Aan het begin van zijn loopbaan waarschuwde hij dat zijn boodschap niet zou landen als mensen er niet voor open staan. Zijn boodschap bestaande uit woorden of daden werkt dan op zichzelf niets uit. (Dit is te lezen in Jes. 6:9 en 10 en wordt geciteerd Marcus 4:12) Het geloof van de mensen tot wie Jesaja sprak was niet meer dan lippendienst, want hun hart was ver van God. Ze gaven de voorkeur aan hun eigen ideen over het Woord van God. Ook de religieuze leiders in de tijd van Jezus maakten het Woord van God tot een dode letter door de hardnekkigheid waarmee ze hun eigen tradities vasthielden en verkozen boven het bevrijdende goede nieuws van het koninkrijk van God. (Jesaja 29:13 wat geciteerd wordt in Marcus 7:6 e.v.) De steen die de bouwers afkeurden was al lange tijd spreekwoordelijk in Isral, maar die spreuk was nog nooit zo actueel geweest. De eigenaar van de wijngaard had zijn Zoon gestuurd omdat de tijd van de fruitoogst was aangebroken. Maar de beheerders van de wijngaard wierpen zich op die Zoon om hem te vermoorden. (psalm 118:22, geciteerd in Marcus 12:10).

Deze gelijkenis werd heel goed begrepen door degenen die daarin werden bedoeld. Ze kenden de schriften waarin de wijngaard van God het huis van Isral genoemd wordt (Jesaja 5:7) en ze wisten dat hij hen op het oog had bij het vertellen van deze gelijkenis (Marcus 12:12) Het is opvallend dat de profetie van Jesaja zo dikwijls in verband wordt gebracht met het ongeloof van Isral in het nieuwe testament. Het is duidelijk dat dit boek betrekking heeft op Jezus zelf. In de beschrijving van Lucas van de gelijkenis van de wijngaard wordt de steen van Psalm 118:12 vereenzelvigd met het struikelblok van Jesaja 8:14. Velen zullen hierover struikelen, ten val komen en vermorzeld worden. Dit is ook het geval met de steen die losraakte, zonder dat er een mensenhand aan te pas kwam, waarover Danil profeteert in hoofdstuk 2:34 e.v. Deze steen verpulverde de ontzagwekkende structuur van de heidense wereldoverheersing en verving deze door het Koninkrijk van God. (Lucas 20:17). In deze ketting van steen-getuigenissen vinden we ook een schakel bij Paulus en Petrus, als verwijzing naar de hoeksteen (of grondsteen) in Jesaja 28:16, die door God in Sion is neergelegd. (Rom. 9:33; 1 Petrus 2:6). Beide aanhalingen vinden plaats in een context waarin de apostelen zich zorgen maken om degenen voor wie het evangelie van Christus een struikelblok is. Zij struikelen omdat ze Gods woord niet gehoorzamen, zei Petrus, omdat ze daartoe zijn bestemd. (1 Petrus 2:8) . Hoezo bestemd? Door het woord van God in de profetische geschriften en in het bijzonder in het boek van Jesaja. <5> De verdediging van Stefanus. In wat Stefanus zegt zien we een tamelijk kenmerkende omschrijving van het ongeloof van Isral. De toespraak van Stefanus in Handelingen 7 wordt meestal de verdediging (apologie) van Stefanus genoemd. Het is goed om eens na te gaan hoe we deze verdediging moeten zien. Hoewel Stefanus de rechtbank toesprak in een gerechtelijke procedure voerde hij toch geen juridisch verweer. En dat terwijl zijn leven op het spel stond. Het was nauwelijks denkbaar dat hij met argumenten zijn onschuld kon aantonen. De verdediging moet meer gezien worden als een verantwoording waarom hij zich staande moest houden toen hij een dienst in de Hellenistische synagoge bijwoonde. Mogelijk kunnen we dit bekijken als een voorbeeld van christelijk Hellenistische apologetiek tegen de Joodse bezwaren ten aanzien van het evangelie. (Hellenistisch heeft in deze context betrekking op de Grieks sprekende Joden; volgens Hand. 6:1 was er een invloedrijke groep van deze Hellenisten in de vroege gemeente van Jeruzalem.) Stefanus was n van de leidende figuren van het Hellenistische deel in de kerk van Jeruzalem die nog maar enkele jaren bestond. Hij was een man met een bijzonder helder inzicht in Gods bedoeling met betrekking tot de uitwerking van het evangelie. Hij begreep ook dat dit gevolgen had voor de status van het Judasme. Als zou blijken dat het evangelie de ultieme waarheid zou zijn, dan had het Judasme geen bestaansrecht meer. Je kunt nu eenmaal geen nieuwe wijn in oude zakken doen. De apostelen zouden best door kunnen gaan met het bijwonen van de tempeldiensten. Als ze zich aan de regels zouden houden, konden het gerespecteerde Joden zijn die geen onrust veroorzaakten. Stefanus wist dat de weg om tot God te komen buiten de tempeldienst om ging. Hij kon daarover in de Hellenistische synagoge vurig en met overredingskracht spreken. Het gevolg was een fel verzet van de kant van de Joden voor wie de tempeldienst een heilige zaak was. De reden dat Stefanus voor het Sanhedrin werd gebracht was dan ook de beschuldiging van godslastering: laster en smaad tegen Mozes en God.

Tegen God, omdat hij (volgens zijn aanklagers) onderwees dat Jezus van Nazareth de tempel wilde vernietigen. De tempel was de heilige plaats waar God woning hield temidden van zijn volk Isral. Tegen Mozes, omdat hij leerde dat Jezus van Nazareth de gebruiken wilde veranderen, die al eeuwen lang van generatie op generatie, de godsdienst van Isral bepaalden. Uiteindelijk waren die gebaseerd op de wet die Mozes van God op de Sina had ontvangen. De hogepriesters hadden tevergeefs geprobeerd om Jezus te veroordelen op grond van het spreken tegen de tempel; de zaak van Stefanus hield een belofte in voor een groter succes. Bovendien, als Stefanus op deze aanklacht schuldig kon worden verklaard, dan zouden de bewoners van Jeruzalem achter hen staan. De apostelen genoten een goede reputatie en waren geliefd bij hun achterban. Daarom was het voor de hogepriesters niet verstandig om al te hard tegen hem op te treden. Maar als zij de gemeenschap die onder hun leiderschap viel konden betrekken in hun aanklacht tegen Stefanus, zouden ze hun slag kunnen slaan. Stefanus, die was uitgenodigd om te reageren op de beschuldiging, verdedigde zijn onderwijs door zich te beroepen op de geschiedenis van het oude testament. Hij zei dat het bij de ware godsdienst niet gaat om de tempel in Jeruzalem. God had zijn aanwezigheid ook buiten de grenzen van het beloofde land gemanifesteerd. Voorbeelden daarvan zijn: Abraham in Mesopotami, Jozef in Egypte, Mozes bij de Sina. Bovendien, lang voordat er sprake was van enig heiligdom dat gebouwd was voor de God van Isral, was alles wat nodig was om Hem te eren en te aanbidden, aanwezig in zijn schepping. Toen er eindelijk een heiligdom voor Hem kwam, was deze heilige plaats een verplaatsbare tent voor een nomadenvolk. Net zo als hun voorvader Abraham moesten ze kunnen optrekken en hun kamp opslaan als ze daarvoor van God aanwijzingen kregen. Pas tijdens de regering van Salomo werd er een tempel gebouwd, waar God zijn woning in het midden van Isral zou hebben. Maar het nadeel ervan was dat mensen geneigd zijn om te denken dat de aanwezigheid van God beperkt was tot het gebouw wat met mensenhanden was gemaakt. Zo konden ze de plaats van Gods aanwezigheid zelf bepalen. Ze waren wel gewaarschuwd tegen deze verkeerde mentaliteit, maar het was tegen dovemansoren gezegd. Salomo had dan wel uitgesproken in zijn gebed: Zelfs de hoogste hemel kan u niet bevatten, laat staan dit huis dat ik voor u heb gebouwd. (1 Kon.8:27) En God had bij monde van Jesaja deze onderwijzing bekrachtigd: Dit zegt de H EER : De hemel is mijn troon, de aarde mijn voetenbank. Waar zouden jullie een huis voor mij kunnen bouwen? En wat zou mij als rustplaats dienen? (Jesaja 66:1) Maar veel mensen namen het niet ter harte. De tempel was een soort talisman, waarop ze hun vertrouwen stelden, in plaats van te vertrouwen op de levende God. Toen Jeremia in de tempelpoort zijn grote redevoering hield, riep hij op zich te bekeren van dit zelfbedrog met de woorden: Vertrouw niet op die bedrieglijke leus: Dit is de tempel van de H EER ! De tempel van de H EER ! De tempel van de H EER ! (Jeremia 7:4) En in vers 13 en 14 van dat

hoofdstuk waarschuwde God het volk dat de tempel hetzelfde lot zou ondergaan als het heiligdom in Silo in voorbije tijden. En nu was Stefanus daar, als het ware gehuld in de mantel van Jeremia, en hij waarschuwde zijn toehoorders tegen het vertrouwen dat ze stelden in deze tweede tempel. Het was hetzelfde ongegronde vertrouwen dat hun voorvaders stelden in de eerste tempel. Het was geen gedetailleerde profetie van de verwoesting van de tweede tempel, maar dat hij de verwoesting ervan bedoelde, was gemakkelijk af te leiden uit zijn woorden. De woorden van Jezus hierover waren de hogepriesters en de andere leden van de hoge raad niet vergeten. Maar nu klonk de oproep van God om de ingebeelde gerustheid van hun traditionele cultus los te laten. Ze zouden, in navolging van Abraham, de weg mogen gaan waarheen God hen wilde leiden. (Het is niet toevallig dat Lucas de zendingsopdracht voor de heidenen presenteert als het directe gevolg van de bediening van Stefanus.) Het volk echter, keek liever achteruit dan vooruit en onderscheidde zich daarin niet van hun voorouders in de woestijn. De beschuldiging van het lasteren van God kwam van mensen wier voorouders voortdurend tegen hem hadden gerebelleerd. Vanaf het gouden kalf in de woestijn tot aan het aanbidden van de hemellichamen in latere dagen! De generatie uit de tijd van Stefanus toonde zich onverzettelijk in het volgen van het voorbeeld van vroegere geslachten. Helaas weigerden ze om in te gaan op Gods roepstem. De beschuldiging van het lasteren van Mozes kwam van mensen wier voorouders die voortdurend in opstand kwamen tegen Mozes en de profeten doodden. Mensen die de maat vol gemaakt hadden van hun voorouders doordat ze de Rechtvaardige afwezen en doodden, degene naar wie Mozes en de profeten hadden heen gewezen! De verdediging van Stefanus werd dus een aanval, geheel in de lijn van de profetische waarheid. Je zou je een reactie van een welwillende Jood kunnen voorstellen, in de trant van Ben Sira, de auteur van Ecclesiasticus, die de positieve feiten van zijn volk beschreef in plaats van de donkere kant van zijn volk. Maar het gehoor van Stefanus bestond niet uit zachtmoedige Joden, zoals Ben Sira. Hij sprak tot de hoge raad die, slechts enkele jaren daarvoor Jezus zelf had afgewezen. Stefanus betoogde dat door dit feit hun eeuwenlange verzet tegen God en zijn boodschappers tot een dieptepunt was gekomen. Hier zien we dus een vroeg voorbeeld van de Hellenistische christelijke apologetiek tegen de Joden. Een echo daarvan vinden we in de volgende generatie in de brief aan de Hebreen en nog een generatie later in de brief van Barnabas. Inderdaad, deze echos zijn zelfs ook te horen in de streng Hebreeuws christelijke kringen, na de val van de tempel in het jaar 70. Het feit dat God het toeliet dat de tempel verwoest werd bracht een aantal Hebreeuwse christenen, die voor die tijd vereerders van de tempel waren, tot de conclusie dat God nooit had bedoeld dat de instelling van het offerritueel het belangrijkste thema zou zijn. Maar Stefanus, die zijn rede dertig jaar voordat de Joodse oorlog uitbrak hield, was in zijn denken niet benvloed door de gebeurtenissen in deze oorlog, maar door de woorden en daden van Jezus Christus. <6> Het komende herstel. In de verdediging van Stefanus missen we ook maar een sprankje hoop voor degenen die in vroegere dagen het profetisch woord van God hadden afwezen en nu hun rebellie tegen hem bekroonden met het verwerpen van zijn Zoon. Maar die situatie kon zo niet blijven bestaan.

Hierdoor zou een verkeerd beeld ontstaan van Gods handelen. (De schrijver gebruikt hier een woord dat we in
het Nederlands als theodicee kennen. Hiermee worden de pogingen bedoeld om Gods handelen met de mens te rechtvaardigen. noot vertaler.)

Onder Stefanus tegenstanders was een jonge man die Saulus heette die net zo als Stefanus ervan overtuigd was dat het oude en het nieuwe onverenigbaar waren. Het verschil was dat Stephanus ervan overtuigd was dat het oude had afgedaan omdat het nieuwe was gekomen. De overtuiging van Saulus was, dat het nieuwe geen kans moest krijgen, omdat het oude daardoor in gevaar zou komen. Niet lang na het verhoor en de dood van Stefanus onderging Saulus van Tarsus een revolutionaire ommekeer toen hij van een fanatieke christenvervolger veranderde in een energieke verkondiger van het evangelie. Voor hem vertegenwoordigde de oude orde nu een tijdelijke bedeling, door God verordend tot de tijd van de vervulling van de beloften aan Abraham en andere aartsvaders, eeuwen voordat de wet van Mozes gegeven werd. Hij herkende helemaal, net zo als Stefanus, de tragische gevolgen van de dwaling van Isral om die ne te verwelkomen, in wie de beloften van God werden vervuld. Maar die tragedie lag principieel hierin, dat van het volk Isral verwacht mocht worden vooraan te staan om de Verlosser te verwelkomen, omdat zij bij uitstek waren uitverkoren om de weg te bereiden voor de komst van de Heiland. Omwille van hen, de Isralieten schrijft hij die God als zijn kinderen heeft aangenomen en aan wie hij nabijheid, de verbonden, de wet, de tempeldienst en de beloften heeft geschonken; omwille van het volk dat van de aartsvaders afstamt en waaruit Christus is voortgekomen. God, die boven alles verheven is, zij geprezen tot in eeuwigheid (Rom.9:4 en 5) De aartsvaders hadden de beloftes ontvangen, die aan hun nageslacht zouden worden vervuld; maar het nageslacht van de aartsvaders wezen die beloftes af toen deze werkelijk in vervulling gingen. Maar betekent dit dat Gods plan nu in duigen viel? Betekende dit dat hij zijn eigen volk nu liet vallen? Verre van dat! Uit de geschiedenis van het Oude Testament blijkt overduidelijk dat God altijd weer mensen uitkoos om zijn doel te bereiken, waarbij hij aan anderen voorbijging. Uit de verhalen van het Oude Testament komt steeds weer naar voren dat Isral een ongehoorzaam en opstandig volk was. Dat was dus al ver vr de komst van Jezus. (Zie Jes. 65:2 dat wordt geciteerd in Rom. 10:21.) Door hun afwijzing van Christus gaven ze blijk van een afkeurende houding ten aanzien van de openbaring van God. Maar ook zien we door de hele geschiedenis van Isral een gelovig en gehoorzaam overblijfsel dat God in zijn genade uitgekozen heeft (Rom.11:5). Het bestaan van zon overblijfsel, zowel vroeger als nu, garandeert dat God tot zijn doel komt. Dit door God uitgekozen overblijfsel was het middel in Gods hand de opdracht om de heidenen bekend te maken met het evangelie, te verwezenlijken. Maar hoe zit het dan met het overgrote deel van de Isralieten, dat de Messias niet had geaccepteerd? Kun je daar gewoon het etiket op plakken met de tekst pot bestemd voor de ondergang (Rom.9:22) en de zaak laten voor wat het is? Er zijn mensen die daar genoegen mee nemen, maar dat gold niet voor Paulus. Het is waar dat hun afwijzing niet alleen in overeenstemming was met de houding van hun voorgeslacht, het was in feite de vervulling van specifieke oud testamentische profetien. Hun ongeloof werd al eeuwen tevoren door Jesaja voorzegd toen hij zei; Want een geest van diepe slaap heeft de H EER over jullie uitgestort:

hij heeft jullie ogen, de profeten, gesloten en jullie verstand, de zieners, verduisterd. (Jesaja 29:10 geciteerd in Romeinen 11:8) Paulus kon zich hun situatie heel goed indenken. Als hij in Romeinen 11:8 schrijft dat hun geest verdoofd is, kent hij dat uit eigen ervaring. Hij verkeerde in dezelfde positie totdat zijn ogen en oren op de weg naar Damascus werden geopend. Maar het was niet de bedoeling dat deze verdrietige toestand maar altijd voort moest duren. De verharding van het hart dat Isral wordt toegeschreven gold ook nu een gedeelte van het volk, weliswaar het grootste gedeelte ervan. Maar laten we niet vergeten dat het slechts tijdelijk was. God had in zijn wijsheid de zaken zo beschikt dat deze gedeeltelijke en tijdelijke verharding het mogelijk maakte dat de zegeningen van het evangelie op een doeltreffende wijze de heidense landen zouden bereiken. Het gevolg van de zegeningen voor de heidenen zou weer ten goede komen aan Gods uiteindelijke doel met Isral. God had door Mozes gesproken: Daarom terg ik hen met wat geen volk is, ik daag hen uit met een volk zonder verstand. (Deut. 32:11). Dit wordt door Paulus geciteerd: Maar dan vraag ik weer: heeft Isral de boodschap niet begrepen? Welnu, Mozes zegt al: Ik zal jullie afgunstig maken op een volk dat geen volk is, ik daag jullie uit met een volk zonder verstand. (Rom. 10:19) De volle betekenis van deze woorden zou blijken als het ongelovige Isral, bij het zien van de uitstorting van Gods zegeningen op de heidenen, tot jaloersheid zou worden gebracht. Dan zouden ze zeggen; Wij hebben toch recht op die zegeningen? Waarom zouden de heidenen daarvan wel mogen genieten en wij niet? Dan zouden ze de bedekking van de geest van diepe slaap van zich afschudden, ze zullen horen en zien met geopende oren en ogen en ze zullen Christus en zijn goede nieuws voor zichzelf opeisen. Paulus zegt hierover tot de gelovigen uit de heidenen: Zoals u God eens ongehoorzaam was, maar door hun ongehoorzaamheid Gods barmhartigheid hebt ondervonden, zo zijn zij nu ongehoorzaam om door de barmhartigheid die u ondervonden hebt, ook zelf barmhartigheid te ondervinden. Want God heeft ieder mens uitgeleverd aan de ongehoorzaamheid, opdat hij voor ieder mens barmhartig kan zijn. (Rom.11:30-32) Aldus Paulus, die hier belangrijke argumenten aandraagt ten aanzien van het theodicee (zie noot blz. 28) waardoor het probleem van Israls ongeloof wordt omgezet in een positieve wending. De manier waarop Paulus dit schrijft benadrukt elk principe van het evangelie en laat de uitkomst over aan de genade van God. Trouwens, de prediking van het evangelie aan de heidenen is al een thema in de profetien van het oude testament. En zo zijn we bijna aangeland bij onze volgende studie: de verdediging van het evangelie met betrekking tot de heidenen. Het christelijk getuigenis aan de Joden blijft tot vandaag een opdracht, maar vergeleken met de eerste eeuw, is het vooral in onze eeuw een zeer gevoelig liggende verantwoordelijkheid. De christenen die in de tijd van het nieuwe testament het evangelie aan hun volksgenoten doorgaven hadden nog schone handen. De christenen van deze tijd moeten met nederigheid en berouw beseffen dat er door de eeuwen heen veel onrecht heeft plaats gevonden ten aanzien van de Joden en nog wel door mensen die zichzelf christen noemden. Als er iets de evangelieverkondiging in de weg heeft gestaan is het wel deze hoogmoedige houding. Een Joodse rabbi zei: Het christendom heeft het aangezicht van Christus voor ons

verborgen. Er zit veel waars in die uitspraak. Voordat christenen met het evangelie naar de Joden gaan moeten ze hun vertrouwen terugverdienen. In de afgelopen eeuw zijn ze door een grotere beproeving gegaan dan ze ooit hebben verdragen. Door al het lijden van de voorbije eeuwen hebben de Joden een aangeboren besef een lijdend volk te zijn. Mogelijk hebben ze daardoor aansluiting en herkenning in de Lijdende Knecht die in de ellende zijn volk wordt getroffen, maar ook de hoop en de redding is van Isral.

4. Het evangelie: een confrontatie met het heidendom. <1> Naar de Griekse dwaasheid. Als de verkondiging van de gekruisigde Christus een schandaal was voor de vrome Joden, dan was het dwaasheid voor de verstandige heidenen en zeker voor die heidenen die zich zelfbewust binnen Griekse cultuur een plaats verworven hadden. Voor hen was het kruis van Christus geen theologisch probleem, maar meer een praktisch obstakel om het evangelie serieus te nemen. Hoe kon je van hen verwachten dat ze Jezus zouden accepteren als bevrijder, leider en Heer, terwijl hij niet eens de wijsheid en het vermogen had, om zichzelf van zulk een verschrikkelijke dood te vrijwaren? De christenen van de eerste eeuw deden bij hun prediking geen moeite om het feit van het kruis te verdoezelen en om het verhaal voor hun gehoor aantrekkelijker te maken. Integendeel, zij plaatsten het kruis centraal in hun boodschap en accepteerden de situatie dat, ongeacht alle standaard ideen over wijsheid en kracht, de kruisiging van Jezus een schouwspel was van dwaasheid en hulpeloosheid. Maar niettemin, door de gekruisigde Jezus had God bereikt wat met al de erkende vormen van wijsheid en kracht niet bereikt kon worden: de bevrijding van mannen en vrouwen die voorheen slaven waren van de zonde. Hiermee kon duidelijk aangetoond worden dat de erkende normen van wijsheid en kracht niet de normen van God waren. Want: De boodschap over het kruis is dwaasheid voor wie verloren gaan, maar voor ons die worden gered is het de kracht van God. Er staat namelijk geschreven: Ik zal de wijsheid van de wijzen vernietigen, het verstand van de verstandigen zal ik tenietdoen. Waar is de wijze, waar de schriftgeleerde, waar de redenaar van deze wereld? Heeft God de wijsheid van de wereld niet in dwaasheid veranderd? Want zoals God in zijn wijsheid bepaalde, heeft de wereld hem niet door haar wijsheid gekend, en hij heeft besloten hen die geloven te redden door de dwaasheid van onze verkondiging. De Joden vragen om wonderen en de Grieken zoeken wijsheid, maar wij verkondigen een gekruisigde Christus, voor Joden aanstootgevend en voor heidenen dwaas. Maar voor wie geroepen zijn, zowel Joden als Grieken, is Christus Gods kracht en wijsheid, want het dwaze van God is wijzer dan mensen, en het zwakke van God is sterker dan mensen. (1 Kor.1:18-25) Aldus gesproken door de belangrijkste verdediger van het evangelie in de apostolische eeuw. Zulk een verdediging van het evangelie is net zon rechtstreeks appl op de heidense filosofie als het een appl was op de wet van het Judasme. <2> De aanval op afgoderij. Als het evangelie zelfs een beroep doet op de hoogste uiting van de heidense cultuur, hoeveel te meer deed het een beroep op die manifestaties van de verschillende vormen van heidense afgodendienst, die bijzonder controversieel waren in de ogen van de monotheistische Joden en Christenen. We zien hier, zoals overal, hoe de verkondiging van de waarheid gepaard gaat met het maken van fouten. De heidense godsdienst was controversieel omdat het meerdere goden in plaats van n God aanbad. Goden die geen God waren, maar demonen, goden die zichtbaar en tastbaar werden afgebeeld. De heidense religie was in de kern afgodisch. De godsdienstkenners onder de

heidenen zouden erop kunnen wijzen dat het godsbeeld slechts een vertegenwoordiging van n van de goden was. Maar de gewone man en dat betekent de grote meerderheid van de heidenen ziet het godsbeeld als de belichaming van de desbetreffende god zelf. Alle verklaringen ten spijt, de afgod was de godheid en werd als zodanig aanbeden door zijn vereerders. In de afkeuring van afgoderij hanteert het nieuwe testament een norm die we al in vroege tijden van het oude testament tegenkomen. Elia bespotte op de Karmel de fanatieke Bal profeten die hartstochtelijk tot hun god riepen, terwijl hij wist dat hun god geen god was. Een Hebreeuwse psalmist, die het over de heidenen heeft, zegt het zo: Hun goden zijn van zilver en goud, gemaakt door mensenhanden. Ze hebben een mond, maar kunnen niet spreken, ze hebben ogen, maar kunnen niet zien, ze hebben oren, maar kunnen niet horen, ze hebben een neus, maar kunnen niet ruiken. Hun handen kunnen niet tasten, hun voeten kunnen niet lopen, geen geluid komt uit hun keel. Zoals zij, zo worden ook hun makers, en ieder die op hen vertrouwt. (Psalm 115: 4-8; vergelijk Psalm 135: 15-18) Het bekende commentaar op afgodendienst in het oude testament vinden we in Jesaja 44: 920, waarin een man wordt beschreven die een goede boom uitkiest en hem omhakt. Een gedeelte van het hout gebruikt hij als brandstof. Daarna als hij zijn eten erop heeft gekookt en lekker warm is gaat hij aan hogere dingen denken en maakt van het restant van het hout een beeld, waarvoor hij neerknielt in aanbidding en zegt: Red mij, want u bent mijn god. We vinden dit voorbeeld ook in het apocriefe boek Wijsheid hoofdstuk 13 en in Grieks Joodse literatuur, zoals de brief van Aristeas. Maar ook in de tijd na het nieuwe testament bij de apologeten van de tweede christelijke eeuw wordt deze afwijzing van de afgodendienst voortgezet. In het nieuwe testament zelf vinden we het op niet mis te verstane wijze in Romeinen 1:18-32, de grote aanklacht van Paulus tegen het heidendom. Paulus maakte duidelijk dat afgoderij niet enkel het aanbidden van afgoden in de vorm van gehouwen of gegoten beelden is, de essentie van afgoderij is het aanbidden van een iets wat we zelf gemaakt hebben, in plaats van de Schepper. Zelfs kan het een beeld van God zijn dat onze eigen gedachten ervan hebben gevormd. En, zoals de schrijver van het boek Wijsheid beschrijft dat ontrouw begint met de gedachte aan afgodsbeelden, en de uitwerking daarvan eindigt in de ondergang van het leven. (Wijsheid 14:12). Paulus voert dus de toename van de heidense verdorvenheid in zijn tijd terug op ze hebben de majesteit van de onvergankelijke God ingewisseld voor beelden van vergankelijke mensen, vogels, lopende en kruipende dieren (Rom. 1:23)..(Het aantal overeenkomsten tussen het boek van Wijsheid en de twee eerste hoofdstukken van de Romeinen maakte dat de latere Ronald A. Knox in een overmoedige bui het voorstel deed om eens een scriptie te schrijven waarin aangetoond zou worden dat het boek Wijsheid door Paulus zelf is geschreven, voordat hij een christen werd!)

Paulus benadrukt bovendien dat de heidenen niet hebben onderzocht wat ze van God kunnen weten en dat ze daarom geen excuus hebben. Ze hadden God kunnen leren kennen zowel uit de werken van de schepping, als in de stem van het geweten. Maar Paulus gaat een stap verder dan anderen die zich eveneens verzetten tegen de heidense afgoderij en verdorvenheid. Hij brengt Jood en heiden samen in eenzelfde patroon. Ze zijn beiden even schuldig voor God, maar ook beiden gezegend in zijn reddende genade. De brief aan de Romeinen is echter aan christenen gericht. In zijn aanklacht in het eerste hoofdstuk tegen het heidendom onderwijst Paulus de bekeerde christenen. In het boek Handelingen staan twee passages waarin het evangelie in een rechtstreekse confrontatie met het heidendom beschreven zijn. In deze twee passages wordt vooruitgelopen op de hoofdlijn die gevolgd werd door de christelijke apologetiek in de tweede eeuw met betrekking tot het heidendom. Het zijn de gedeelten waarin het protest van Barnabas en Paulus tegen de afgoderij in Lystra ter sprake komt (Hand. 14:8-18) en waar Paulus op de Areopagus in Athene de onbekende God verkondigde (Hand.17:16-34). Eerst werden de fatsoenlijke heidenen met het evangelie geconfronteerd en in laatste instantie ook de heidenen die een zondig en zedeloos leven leidden. <3> de afgoderij in Lystra Tijdens hun gezamenlijke zendingsreis naar Cyprus en Klein Azi uitgezonden door de grote heidense kerk van het Syrische Antiochi bezochten Barnabas en Paulus de Romeinse kolonie Lystra, een stad van de regio Lyacaonia in de provincie Galati. Daar genas Paulus een man die vanaf zijn geboorte verlamd was. De inheemse, niet Romeinse bevolking van Lystra was zo enthousiast over dit wonder dat ze meenden dat de bezoekers van hun stad goden in mensengedaante waren. In Lystra kende men de legende waarin Zeus de oppergod en Hermes, zijn heraut hun gebied al eens incognito had bezocht. Er bestaan inderdaad archeologische bewijzen van een gemeenschappelijke cultus van Zeus en Hermes in dat gebied, die stand hield tot in de christelijke jaartelling. Dus zeiden de mensen dat hier weer twee goden in mensengedaante waren: Barnabas was Zeus en het lag voor de hand dat Paulus, omdat deze meestal de woordvoerder was, Hermes was. Maar als er zulke aanzienlijke bezoekers in Lystra waren gekomen moesten die ook naar behoren behandeld worden. Zo werden er voorbereidingen gemaakt om Barnabas en Paulus goddelijke eer te bewijzen. De priester van Zeus, Propolis nam het op zich om hen een plechtig offerfeest aan te bieden. Als offerdieren bracht hij met bloemenkransen versierde stieren naar de stadspoort. De tempel van Zeus stond vlak voor de stadspoort. Toen de twee apostelen merkten dat er voorbereidingen voor een offer gemaakt werden, beseften ze ineens wat er aan de hand was. Aanvankelijk hadden ze niet begrepen wat er gaande was, omdat de bewoners in hun volkstaal, het Lycaonisch, communiceerden. Ze renden geschrokken weg vanuit het publiek en drongen aan om onmiddellijk hiermee te stoppen. Zij wezen niet slechts de goddelijke eerbewijzen af, maar maakten meteen van de gelegenheid gebruik om hun toehoorders bekend te maken met de ware God. Wat doet u toch? riepen ze, wij zijn mensen, net als u. Onze boodschap is nu juist dat u geen afgoden moet vereren, maar de levende God, die de hemel en de aarde en de zee heeft geschapen en alles wat daar leeft. Hij heeft in het verleden alle volken hun eigen weg laten gaan, maar heeft toch blijk gegeven van zijn goedheid: vanuit de hemel heeft hij u regen geschonken en vruchtbare seizoenen, hij heeft u overvloedig te eten gegeven en u zodoende vreugde gebracht. (Hand.14:15-17)

De bewoners van Lystra stopten de voorbereidingen van het offer met tegenzin. Een aantal van hen schonk zelfs aandacht aan de woorden van de apostelen, hoewel anderen boos en gergerd waren omdat hun mooie plan in duigen viel. Als de Judasten met het evangelie geconfronteerd werden, konden de apostelen vrijuit over de wonderen spreken vanuit de profetien. Maar tegenover de heidenen in Lystra beriepen ze zich op Gods openbaring inde natuur, als schepper en onderhouder van het universum, hetgeen sommige theologen zijn algemene genade noemen. De regen, de vruchtbare seizoenen, de regelmatige oogsten die hen niet alleen in leven hielden, maar hen bovendien met blijdschap vervulden, al deze dingen waren een gave van de levende God, die ze nog niet kenden. Waarom stopten ze niet met het aanbidden van deze waardeloze goden die nog nooit iets voor hen gedaan hadden, en gaven ze zich niet dankbaar over aan de ware God aan wie ze het leven en het levensonderhoud te danken hadden? Er is al vaak aangetoond dat er sterke overeenkomsten zijn tussen de verslagen van Lucas over de prediking van de apostelen in Lystra en de beschrijving van Paulus over de manier waarop de gelovigen uit Tessalonica christen werden. U hebt zich van de afgoden afgewend om u tot God te keren, zei hij, om hem, de levende en ware God, te dienen en om zijn Zoon te verwachten uit de hemel: Jezus, die hij uit de dood heeft doen opstaan en die ons zal redden van het komende oordeel (Tess. 1:9,10) Zeker, deze woorden bevatten veel meer positief christelijke inhoud dan wat er in de prediking in Lystra werd gezegd, maar in Lystra werd tot heidenen gesproken die nog helemaal niets van het evangelie wisten. Dat lag anders bij de prediking tot Joden. In Lystra was de prediking er juist op gericht om zich van de afgoden af te wenden en om de levende ware God te gaan dienen. De volgende stap zou dan vermoedelijk zijn ze te vertellen over God die alles geschapen had, die zorg heeft voor de mens die hij tot leven riep en die zijn Zoon vanuit de hemel stuurde om zijn schepselen te verlossen. Hoewel de prediking in Lystra niet expliciet van de oud testamentische openbaring is afgeleid, weerklinkt toch veel daarvan in het gesprokene. De manier waarop de levende God wordt gentroduceerd als die de hemel en de aarde en de zee heeft geschapen en alles wat daar leeft is vrijwel een citaat van het vierde gebod uit Exodus 20:11. De woorden die gebruikt worden voor de heidense goden en culten zijn zowel in het origineel Hebreeuws als in het Grieks (Septuaginta) van het oude testament terug te vinden. Gods goedheid in het zenden van regen en oogst is een steeds terugkerend thema in het oude testament (bijv. Gen.8:22), en de combinatie van de begrippen voedsel en vreugde heeft ook oud testamentische parallellen (bijv, Prediker 9:7). Dat God in het verleden alle volken hun eigen weg heeft laten gaan.houdt in dat God tot nu toe een zekere verdraagzaamheid aan de dag heeft gelegd, waaraan met het aanbreken van het uur van het evangelie een eind is gekomen. Dit komt nog duidelijker naar voren in de toespraak van Paulus in Athene, waar hij zegt dat God echter geen acht slaat op de tijd waarin men hem niet kende, maar de mensen nu oproept op om een nieuw leven te beginnen met het oog op een dag die komt waarop hij in Christus een rechtvaardig oordeel over de mensheid zal laten vellen (Hand. 17:30). We zullen nu onze aandacht vestigen op de latere uitvoeriger prediking in Athene.

<4> Paulus op de Areopagus Er zijn in het nieuwe testament nog geen tien verzen nodig om een grote rijkdom aan evangelieverkondiging door te geven. Deze schat aan informatie vond zijn oorsprong op de Aeropagitica waar Paulus het woord voerde (Hand. 17:22-31). (De term Aeropagitica is genomen uit
"Aeropagitica, a Speech for the Liberty of Unlicensed Printing" in 1644 geschreven door de Engelsman John Milton. Dit was een belangrijk

Er is aan getwijfeld of Paulus dit inderdaad heeft gesproken en of het sowieso mogelijk was dat Paulus dit, samengevat in deze verzen, kon verkondigen. Er zijn hierover totaal verschillende inzichten gepubliceerd.
prozawerk, geschreven ter verdediging van de persvrijheid.)

Studenten die de klassieke oudheid hebben bestudeerd, hebben zich verdiept in de geschiedenis van de Areopagus. Het is opmerkelijk dat zij de passage in deze tien verzen van het nieuwe testament wel als waarheid beschouwen. Van de geleerden die deze woorden van Paulus niet als authentiek beoordelen, is de meerderheid van mening dat het ook in tegenstelling is met de brieven van Paulus die over hetzelfde onderwerp gaan. Maar met al deze wetenschappelijke benaderingen bestaat het gevaar dat we Paulus tekort doen. Het mag niet zo zijn dat wij beter weten wat Paulus bedoelt, dan Paulus zelf. Wij kunnen zijn uitspraken ook plaatsen in het licht van wat hij in 1 Kor. 9:22 zegt: "Voor de zwakken ben ik zwak geworden om hen te winnen. Ik ben voor iedereen wel iets geworden, om in elke situatie althans enkelen te redden". Laten we de schrijver van de eerste drie hoofdstukken van de Romeinenbrief eens meenemen naar Athene. We moeten er rekening mee houden dat Paulus bediening als zendeling onder de heidenen in de loop van een aantal jaren opmerkelijk veel vrucht had gedragen. Hij was een man met ervaring. Hij wist dus dat hij gebruik moest maken van een bepaalde gemeenschappelijke basis, om de aandacht van zijn toehoorders te krijgen, die op een heel andere golflengte functioneerden. Bedenk daarbij ook, dat, hoewel de blijde boodschap voor ieder in essentie dezelfde is, de presentatie ervan aan de heidenen in Athene, niet hetzelfde kan zijn als zijn schriftelijke onderwijzing aan de christenen in Rome. Laten we hem uitnodigen om zijn boodschap te brengen aan een cultureel hoogstaand gehoor in Athene. Wat zal hij nu zeggen? Dan kan ik me moeilijk indenken dat hij dit totaal anders zou aanpakken dan zoals het door Lucas beschreven is. Paulus debatteerde in the Atheense agora, het marktplein, met degenen die interesse toonden. Onder hen waren aanhangers van de belangrijkste filosofische stromingen. Hij legde zo'n nadruk op Jezus en zijn opstanding (anastasis in het Grieks) dat enkelen van zijn toehoorders, die niet precies hadden gehoord waarover Paulus sprak, meenden dat hij twee nieuwe goden aan hun collectie toevoegde. Dat zouden dan Isous en Anastasis zijn. (De betekenis van deze godennamen zou door hen mogelijk als 'heling' en 'vernieuwing' kunnen zijn opgevat.) Maar iemand die een nieuwe godsdienst introduceerde viel onder de rechtsbevoegdheid van het hof van de Areopagus (de Heuvel van Mars). Dit was het meest respectabele hof in Athene, dat veel betekenis genoot door zijn oudheid. Bovendien stond het bekend om zijn specifieke kennis met betrekking tot morele en religieuze vragen. Paulus was naar deze rechtbank gebracht, misschien wel in de "beschilderde zuilengang" die toen de gebruikelijke ontmoetingsplaats was. Men had hem niet gevraagd zichzelf te verdedigen zoals het gaat als men voor strafbare feiten terechtstaat. Paulus was uitgenodigd om zijn leer uiteen te zetten bij

een instantie die bevoegd is om te oordelen of zijn boodschap het algemeen welzijn al of niet dient. Net zoals in Lystra citeert Paulus ook voor het hof van Areopagus niet welbewust uit de profetien van het nieuwe testament. Dat zou ook tamelijk onbekend zijn voor zijn gehoor. Zijn toespraak bevat rechtstreekse citaten van Griekse dichters. Paulus argumenteert niet aan de hand van bepaalde uitgangspunten, die de basis vormden van de diverse stromingen van de Griekse filosfie. De uitleg en de verantwoording van zijn boodschap zijn gebaseerd op de bijbelse openbaring van God waarin het gedachtegoed, en heel soms de taal, van het oude testament weerklinkt. Net zo als de bijbelse openbaring zelf begint zijn toespraak met God de schepper van alle dingen, en maakt vervolgens duidelijk dat God zijn schepping onderhoudt. Hij eindigt ermee dat God dat God de aarde zal oordelen. De inzet om de aandacht van de Atheners te trekken is een altaar. Hij kan zijn gehoor aanspreken op hun buitengewone interesse voor religie. Menige bezoeker in de oude tijd was onder de indruk van deze belangstelling voor religieuze zaken. Het opschrift van dit bijzondere altaar was: "VOOR EEN ONBEKENDE GOD". We vinden ook in andere geschriften dat er altaren voor "onbekende goden" in Athene gevonden werden en er zijn verschillende legendes over de reden van het ontstaan hiervan. In n van deze verhalen wordt verteld dat ze enkele eeuwen daarvoor werden opgericht op aanwijzing van Epimenides, een wijze man uit Kreta. In dit verband is het mogelijk belangrijk dat Epimenides n van de dichters is, die door Paulus in zijn toespraak wordt geciteerd. Wat ook de redenen en de bedoelingen zijn voor dit bijzondere opschrift, Paulus gebruikt het in ieder geval als een tekst waarop de Atheners aanspreekbaar zijn. "Atheners, ik heb gezien hoe buitengewoon godsdienstig u bent" zei hij " wat u vereert zonder het te kennen, dat kom ik u verkondigen". a. De leer van God. In de eerste plaats vervolgt Paulus zijn betoog met hen te onderrichten over "de leer van God". Hij begint ermee dat God de schepper is van het heelal en alles wat daarin is. Hij is de Heer van hemel en aarde. Dit is zonder twijfel de God zoals in de bijbel geopenbaard. Het taalgebruik is helemaal bijbels. Er worden geen concessies gedaan om aan te sluiten bij de Hellenistische denkbeelden, zoals die van Plato. Er wordt geen synthese bedacht tussen het opperwezen en een "demiurg" of ambachtsman, die de wereld vormde uit ongeordende materie, omdat het opperwezen te zuiver is om in contact komen met besmet materiaal. Ten tweede, God woont niet in heiligdommen die met handen zijn gemaakt. Dat had Stefanus het Sanhedrin al op het hart gedrukt met betrekking tot de tempel in Jeruzalem, die gebouwd was om de levende God te aanbidden. Paulus bekrachtigde dit met nog meer nadruk op de Areopagus, naar aanleiding van de prachtige tempelcomplexen van de Atheense Acropolis, die gewijd waren aan goden die geen goden waren. Het hoger ontwikkelde heidendom erkende weliswaar dat de goddelijke natuur te verheven is om van materile structuren afhankelijk te zijn, maar wat Paulus verkondigt is volkomen bijbels waarbij hij geen aansluiting zoekt bij het heidense denken. Ten derde, God vraagt niets van zijn schepselen. Ook hier kunnen van de argumenten van Paulus parallellen getrokken worden met de klassieke Griekse literatuur, maar Paulus staat onwankelbaar in de Hebreeuwse profetische traditie, evenals op andere plaatsen in de bijbel. Bij de heidenen, maar ook in Isral kwam het voor dat mensen dachten dat God afhankelijk was van wat zij God aanboden. Dat werd door de profeten weerlegd. De waarheid was dat ze

volkomen afhankelijk van God waren, maar God was volkomen onafhankelijk van hen. Zo spreekt de God van Isral in psalm 50:9-12: De stier uit je stal heb ik niet nodig, noch de bokken uit je kooien. Mij behoren de dieren uit het woud, de beesten op duizenden bergen, ik ken alle vogels van het gebergte, wat beweegt in het veld is van mij. Had ik honger, ik zou het je niet zeggen, van mij is de wereld en wat daar leeft. Dat is precies waarop Paulus hier de nadruk legt, als hij verklaart dat de God die de wereld heeft gemaakt en alles wat er leeft, die over hemel en aarde heerst, zich niet laat bedienen door mensenhanden. Het is juist omgekeerd. Niet mensen voorzien in zijn behoeften, het is juist God die voorziet in elke behoefte van mensen. Hij schenkt aan hen "leven en adem en al het andere'. b. De leer van de mens. De schepper van alle dingen is in het bijzonder de schepper van de mens. Deze overweging leidt Paulus verder van de leer van God naar de leer van de mens. Ten eerste, de mens is n. De Grieken zijn trots op hun natuurlijke superioriteit ten opzichte van ongeletterde, onbeschaafde medemensen. De Atheners waren er trots op dat ze, in tegenstelling tot de andere Grieken, de oorspronkelijke bewoners waren van hun geboorteland Attica en zichzelf als daarom als "autochtoon" bestempelden. Paulus daarentegen verkondigt dat alle mensen dezelfde oorsprong hebben, ze allemaal door God geschapen zijn en afstammen van dezelfde gemeenschappelijk voorvader. Voor God zitten we allemaal op dezelfde lijn. Het is moeilijk om de draagwijdte van deze waarheid in deze tijd uit te leggen. De bijbelse leer rekent af met alle ingebeelde aanspraken op superioriteit, die verband houdt met klasse, ras, geslacht of huidskleur. Ten tweede, de aardse woonplaats van de mens en de wisseling van de seizoenen zijn ten gunste van de mens, door goddelijke beschikking bepaald. Dit is eveneens een bijbels gegeven. Volgens het eerste hoofdstuk van Genesis, was de aarde gevormd en zo ingericht dat de mens zich daar thuis zou voelen, al voordat deze bewoond werd. Tot de vorming en inrichting van de aarde tot een woonplaats voor de mens, behoorde ook het 'vaststellen van tijdperken en het bepalen van de grenzen van hun woongebied'. Waarschijnlijk konden de Grieken hiermee beter gedentificeerd worden dan de bewoners uit Lystra, waar de nadruk gelegd werd op de vruchtbare seizoenen van zaaien en oogsten. De vastgestelde tijdperken en grenzen die in Athene genoemd worden, lijken verband te houden met het opkomen en de ondergang van politieke rijken zoals die in de visioenen van Danil beschreven worden. Ten derde, Gods bedoeling met dit alles was dat de mensen hem zouden zoeken en vinden. We kunnen dit vergelijken met wat Paulus in Romeinen 2:4 aan de orde stelt: "Veracht u dan zijn onbegrensde goedheid, geduld en verdraagzaamheid, en weet u niet dat zijn goedheid u tot inkeer wil brengen?" Nu wordt er in deze tekst niet uitdrukkelijk gevraagd hoe mensen ertoe komen om God te zoeken en te vinden, maar het antwoord erop, over de dag van het oordeel, vinden we terug in de toespraak van Paulus. Hij fundeert zijn spreken geheel op Gods woord. We vinden hier ook weer een parallel met Romeinen 5:12 e.v.: "Door n mens is de zonde in de wereld gekomen en door de zonde de dood, en zo is de dood voor ieder mens gekomen, want ieder

mens heeft gezondigd." De oorzaak ligt in de eerste ongehoorzaamheid van de mens. Je proeft door heel de toespraak heen dat de opvattingen over een goddelijke natuur van de mens, zoals de inwoners van Athene, maar ook anderen die hanteren, in feite een schuldige onwetendheid is. Ten vierde, is Gods verlangen dat de mens hem zou zoeken en vinden, des te meer vanzelfsprekend, omdat we 'uit hem zijn voortgekomen' en hij steunt hen in de verwezenlijking van zijn verlangen door in hun nabijheid te zijn. Het is hier dat de door Paulus gebruikte terminologie heel dicht aansluit bij de Hellenistische denkbeelden. Toch, als Paulus dit tot een ander publiek had gesproken, zou hij gebruik hebben gemaakt van een meer bijbelse terminologie door te zeggen dat de mens een schepsel van God is, dat gemaakt is naar zijn beeld. Bij zijn gehoor in Athene sluit hij echter aan bij twee citaten van Griekse dichters, waarin de relatie van de mens tot het opperwezen wordt uiteengezet. Het eerste citaat is de laatste regel van een vierregelig gedicht dat wordt toegeschreven aan Epimenides, de Kretens, gewijd aan Zeus, de vader der goden. Het gedicht luidt aldus: Ze maakten een graf voor u, o heilige en hoogverhevene De Kretenzen, onverbeterlijke leugenaars, gemene beesten, vadsige vreters (zie Titus 1:12) Maar ge zij niet dood, ge leeft en houdt stand voor eeuwig Want in U leven wij en bewegen wij en zijn wij. Het tweede citaat komt uit het gedicht Natural Phenomena, geschreven door Aratus van Sicili. Dit gedicht begint met een strofe over Zeus: Zeus het opperwezen in de Griekse fylosofie, of beter gezegd: Zeus het hoofd van de Griekse mythologische pantheon dat het met de zeden niet zo nauw nam: Laten we beginnen met Zeus; laat ons nooit vergeten hem te noemen, O stervelingen. Al de wegen zijn vol van Zeus en alle ontmoetingsplaatsen van mensen; de zee en de havens zijn vol van hem. Op al onze wegen hebben we met Zeus te maken; uit hem komen ook wij voort. Wilde Paulus door deze citaten de god Zeus uit de Griekse mythologie gelijkstellen met de levende God uit de bijbel? Of heeft hij de citaten los gemaakt uit hun oorspronkelijke context en aangepast aan de fundamentele bijbelse context? Deed hij daarmee dan geen afbreuk aan wat de dichters met deze woorden bedoelden? Dat zou hem toch gerechtvaardigde protesten kunnen opleveren. Het is eigenlijk heel logisch dat Paulus, ondanks de heidense context ervan, gebruik maakt van de gedachten van deze dichters. Zo kan hij aansluiten bij het beperkte bevattingsvermogen van deze heidenen, om zicht te krijgen op de ware God. De christelijke predikers van vandaag doen hetzelfde. Ze maken gebruik van uitspraken van bekende personen zonder hun boodschap te vereenzelvigen met de context of de achtergrond ervan. De mens komt dus uit God voort; volgens de scheppingsorde wordt het mensenleven 'in God' geleefd. Het argument dat deze toespraak niet aan Paulus kan worden toegeschreven, omdat hij hier een 'mystiek rondom God' predikt, terwijl het in zijn brieven over een ' mystiek rondom Christus' handelt, gaat niet op. Men mist dan het vermogen om verschillen te onderscheiden. De term 'mystiek' is in beide opties niet van toepassing en had ook helemaal niets van doen met de verkondiging op de Areopagus. Maar, afgezien daarvan, het zou ook geen enkele zin hebben om een heidens publiek de betekenis duidelijk te maken van "het in Christus zijn". Hier spreekt Paulus over de mens voordat hij een nieuwe schepping is geworden door het verlossende werk van Jezus Christus. De mens komt uit God voort, maar

wordt 'door geloof in Christus een kind van God'. (Gal. 3:26) Zijn eerste zorg is om zijn toehoorders op het hart te drukken dat de mensen Gods schepselen zijn in wie hij de levensadem blies. (Gen. 2:7) Dit te weten schept een verantwoordelijkheid naar God toe om hem de eer te geven die hem toekomt. Als de Atheners geloven dat de goddelijke natuur zich in vergankelijke materie manifesteert, blijven zij nalatig om God hun schepper de eer geven, zoals in Rom. 1:21 gezegd wordt: 'ze hebben hem niet de eer en dank gebracht die hem toekomen'. Opnieuw horen we de bijbelse afwijzing van beeldendienst: 'we mogen niet denken dat het goddelijke gelijk is aan een beeld van goud of zilver of steen, het werk van een ambachtsman, door mensen bedacht.' (Hand. 17:29) Ten vijfde, Paulus roept op tot berouw. De Atheners waren enigszins bereid om hun onwetendheid over de goddelijke natuur te erkennen. Van die onwetendheid waren ze niet helemaal vrij te pleiten. Paulus is zich hier bewust van wat hij in Rom. 1:19 e.v. benadrukt: als men aandacht had geschonken aan Gods werk in de schepping dan hadden ze genoeg informatie gehad om Gods eeuwige kracht en goddelijkheid te ontdekken. Maar, hoewel er sprake is van schuld wil God daaraan voorbij gaan. Er is hier een overeenkomst met wat Paulus in Lystra verkondigde, dat God 'in het verleden alle volken hun eigen weg laten gaan' (Hand.14:16). Dit komen we ook tegen in Rom. 3:25 waar we lezen: 'dat God in zijn verdraagzaamheid voorbij gaat aan de zonden die in het verleden zijn begaan'. Al deze uitingen van Paulus houden in dat de komst van Christus een nieuw begin mogelijk maakt. Het is bijzonder dat God geen rekening houdt met de vroegere onwetendheid met het oog op de uiteindelijke openbaring van zichzelf in Christus. Dat God die vroegere schuld niet toerekent komt voort uit zijn geduld, en niet uit onverschilligheid. Maar nu het zo is dat de kennis van God onder handbereik is in het evangelie, laat alle mensen zich afkeren van hun onwetendheid en de daaruit voortvloeiende ongehoorzaamheid en zich bekeren tot de ware God, die in Christus naar de mensen toe is gekomen. Bovendien is God de schepper ook nog God de rechter over alle dingen. Hij heeft als hoogste autoriteit 'een dag bepaald waarop hij een rechtvaardig oordeel zal laten vellen' (Hand. 17:31). Dit is een door en door bijbelse zegswijze. De Grieken hebben theorien over een steeds terugkerende cyclus in de geschiedenis. Dat maakt dat zij niet open staan voor een leer waarbij de geschiedenis uitmondt in een doel of voltooiing van een tijdsbestek. In de Griekse literatuur worden mannen beschreven die tijdens hun leven als uitermate kundige juristen bekend stonden. Namen als Minos, Aeacus en Rhadamanthys zijn daar voorbeelden van. Deze mensen worden gezien als degenen die na hun sterven in het dodenrijk het oordeel is toevertrouwd. Het is duidelijk dat een dergelijke opvatting wezenlijk anders is dan wat Paulus verkondigt. Het rechtvaardig oordeel van de wereld waarvan in de psalmen gesproken wordt (bijv. Ps.9:8; 96:13; 98:9) zal God in handen geven van Jezus Christus op een toekomstig vastgesteld tijdstip. Hoe kenmerkend het voor Paulus is om op deze wijze over het oordeel te spreken blijkt uit een vergelijking met Rom. 2:16 waar hij spreekt over de 'dag waarop, volgens het evangelie dat ik verkondig, God door Christus Jezus oordeelt over wat er in de mens verborgen is'.

De 'man die hij voor dat doel heeft aangewezen' om zijn eeuwig doel te verwezenlijken is zonder twijfel de 'iemand die er uitzag als een mens' van Danil 7:13, die zijn autoriteit ontving van de 'Oude Wijze' (of 'Oude van Dagen' NBG51). Mogelijk is hier de vierde evangelist met dit Semitische taalgebruik nagesproken, als hij zegt dat de 'Vader de zoon gezag heeft gegeven om het oordeel te vellen, want hij is de Mensenzoon". (Joh.5:27) Maar dit taalgebruik zou zinloos zijn tegenover de leden van de rechtbank op de Areopagus; vandaar dat Paulus dezelfde boodschap brengt, aangepast aan het Griekse denken. Bovendien, zegt Paulus dat God een belofte en teken aan de mens heeft gegeven dat Jezus degene is die de opdracht gekregen heeft om de wereld in rechtmatigheid te oordelen. Het bewijs dat het om deze man gaat is, dat God hem uit de dood heeft doen opstaan. Hier kan men het nieuwe testament vergelijken met wat later gepubliceerd werd door Dr. Oscar Cullmann, die stelt dat de V-Day (Victory) in de tweede wereldoorlog, gegarandeerd was door D-Day (decision) die in Normandi plaatsvond. Dat houdt in dat de ultieme overwinning (Victory) slechts tot stand kan komen door de beslissende (Decision) strijd en overwinning, ongeacht de tijdsduur die tussen beide fenomenen ligt. De grootse prediking van Paulus in Athene is een nuttige les om het christelijk geloof aan geciviliseerde heidenen te verkondigen. Hij voerde zijn publiek vanuit hun zelfbenoemde onwetendheid van de goddelijke natuur naar het punt waarop de Man die door God is aangesteld, wordt ingeleid. De tweede les sluit naadloos aan waar de eerste les beindigd wordt. Deze les maakt duidelijk wie deze Man was en waarom hij was opgestaan uit de dood. Verder bevat de les een veelheid aan informatie om God echt te leren kennen. Hij kiest zijn woorden niet om een intellectuele indruk te maken, maar is zich daarbij bewust van zijn verantwoordelijkheid. De kennis van God, zoals Paulus die presenteert, is de kennis van God waarover het oude testament spreekt: het is geworteld in het ontzag voor God. Het behoort tot dezelfde geestelijke waarden: waarheid, goedheid en verbondsliefde. Het ontbreken van deze waarden zal tot gevolg hebben dat mannen en vrouwen zich in het verderf storten. Maar als Gods wil wordt gedaan zal de aarde vervuld worden met heerlijkheid en het eeuwig verbond definitief zijn vervulling vinden. De 'fijngevoelige toespelingen' op Stocijnse en Epicurische leerstellingen, zoals de citaten uit de heidense gedichten, zijn uitsluitend bedoeld als een aanknopingspunt, om contact te krijgen met het publiek. Ze mogen niet uitgelegd worden als zou de apologeet instemmen met het gedachtegoed van de dichters van wie de citaten afkomstig zijn. In tegenstelling tot enkele latere apologeten die in zijn voetstappen gingen, bleef Paulus fundamenteel bijbels in zijn benadering van de Grieken, zelfs ook wanneer hij hiermee (zoals ook hier) zijn kans op succes lijkt te verliezen. Het feit van de opstanding, waarmee Paulus eindigde, was onverteerbaar en paste niet in het denken van de toehoorders. Als hij de opstanding had vervangen door de Griekse leer van de verdorvenheid van de ziel, dan zou, op de Epicuristen na, iedereen met hem hebben ingestemd. De Griekse denkwijze met betrekking tot de opstanding is goed weergegeven met de woorden die Aeschylus toeschrijft aan Apollo die door hem uitgesproken zouden zijn bij een geruchtmakende rechtsspraak voor welke gelegenheid de rechtbank op de Areopagus is ingesteld. Apollo zou daarbij hebben uitgesproken: "Eens sterft een mens en de aarde drinkt zijn bloed op, er is geen opstanding." Dit laatste woord, opstanding, is in het Grieks anastasis, en juist dat woord kwam meermalen over Paulus lippen. Dus toen Paulus sprak over de

opstanding vond de meerderheid het niet meer van belang om hier verder naar te luisteren. Slechts een klein aantal toehoorders namen zijn woorden serieus. Maar een ware getuige van Christus zal het evangelie niet afzwakken of een naar een compromis zoeken om de waarheid van het christelijk geloof beter aan de man te kunnen brengen. Voor de christelijke getuige in onze eeuw, en in het bijzonder in onze westelijke cultuur, die geconfronteerd wordt met het hedendaagse heidendom, zal het noodzakelijk zijn om wat niet goed is ook als zodanig te benoemen. Hij zal de obstakels moeten wegnemen die de mensen in de weg staan om de waarheid te accepteren. Een voorbeeld van zulke obstakels zijn valse voorstellingen van God. Hij moet niet proberen om het evangelie aan te passen aan de opvattingen van hun lezers of toehoorders, maar het is vooral belangrijk om zijn boodschap te verpakken in termen die door de ander begrepen wordt. Hij zal waakzaam moeten zijn om in te haken op een zeer geschikt aanspreekpunt. Alles wat een belletje doet rinkelen in de hoofden van zijn toehoorders kan dienen om antwoorden vanuit het evangelie aan te reiken. De gedachten van de toehoorders zitten vol vragen en verlangens en soms zijn ze zich zelf daar maar ten dele van bewust. Het evangelie geeft daarvoor antwoorden en kan Gods werk in hen in gang zetten. Net zoals de predikers van de eerste eeuw moet hij mensen confronteren met de waarheid over God als schepper, onderhouder, de God van de geschiedenis, het oordeel over allen en .. zijn opdracht om tot berouw te komen. Hij moet ze confronteren met de waarheid over de mens en zijn geestelijke verlorenheid in Gods ogen. Maar bovenal moet hij hen confronteren met Jezus Christus in de kracht van zijn opstanding, zijn autoriteit om het oordeel over de mensen spreken en zijn verlossende liefde waarbij hij mannen en vrouwen bevrijdt van hun afkerigheid en opstandigheid en hen maakt tot een nieuwe schepping doordat ze hun Schepper leren kennen.

5. Het evangelie: een confrontatie met het Romeinse Rijk. <1> Huldebetuiging aan de keizer. 'In die tijd' zo begint evangelist Lucas het verhaal over de geboorte van Jezus 'kondigde keizer Augustus een decreet af dat alle inwoners van het rijk zich moesten laten inschrijven'. (Lucas 2:1) Als Lucas tot doel had gehad om de geboortedatum van onze Heer vast te stellen als een gedenkwaardige gebeurtenis in de toenmalige keizerlijke geschiedenis, dan heeft hij geen onverdeeld succes behaald, want over de datum van de inschrijving waarnaar hij verwijst bestaat geen eensgezindheid. Maar misschien is het doel van Lucas veel breder dan het vaststellen van een datum. Hij zet de twee leiders doelbewust tegenover elkaar. Keizer Augustus heeft de heerschappij over het Romeinse Rijk; vanuit die heerschappij besluit hij tot een wereldwijde telling. In bepaalde delen van zijn rijk was het de gewoonte dat iemand naar de plaats moest gaan waar zijn familie vandaan kwam om zich daar te laten registreren. Er is bewijsmateriaal dat deze gewoonte ook in Egypte voorkwam. Volgens Lucas gebeurde dat ook in Judea. Want, overeenkomstig de keizerlijke opdracht, ging "Jozef van de stad Nazaret in Galilea naar Judea, naar de stad van David die Betlehem heet, aangezien hij van David afstamde, om zich te laten inschrijven samen met Maria, zijn aanstaande vrouw, die zwanger was. Terwijl ze daar waren, brak de dag van haar bevalling aan." (Lucas 2:4-6) En zo kwam het dat Jezus werd geboren in Betlehem in Judea. De christelijke lezer van het nieuwe testament leest het verslag van Lucas vanzelfsprekend met in het achterhoofd het geboorteverhaal van Matheus. Hij kent daarom nog een andere reden waarom Jezus in Betlehem in Judea geboren zou worden. Hij herinnert zich hoe de schriftgeleerden aan Herodes de Grote duidelijk maakten dat de Messias in Betlehem zou worden geboren, omdat hiervan geprofeteerd was door Micha. (Matheus 2:5 e.v. waar Micha 5:2 geciteerd wordt). Maar keizer Augustus (zijn naam betekent: de verhevene) had geen idee dat zijn decreet een instrument zou zijn voor de vervulling van een meer verheven decreet dan welk decreet van hem ook. Wat wist Augustus van het logistieke ongemak waarmee hij twee of drie van zijn nederigste onderdanen in een afgelegen grensprovincie vermoeide? Dat zou hem een zorg zijn. Hij had geen enkele notie van het kind dat in Betlehem tijdens de volkstelling was geboren. Het kind ging tijdens de regering van keizer Augustus onopvallend op in de massa. In de latere jaren werd het zich vanzelfsprekend wel bewust van de keizerlijke macht, ongeacht welke Romeinse keizer dat was. Maar de Romeinse keizers lieten zich niets aan hem gelegen. Toch was dit kind een goddelijke uitdaging gericht aan de opeenvolgende keizers, gedurende drie eeuwen. Uiteindelijk kwam er toch n keizer die deed wat zijn voorgangers geweigerd hadden te doen, zich te buigen in erkenning van de superieure macht van de eerstgeboren zoon van Maria. Lucas schreef zijn boek natuurlijk al lang voor de tijd van Constantijn, maar zelfs gedurende de tijd dat hij schreef, twee of drie geslachten na de geboorte in Betlehem, was wat Christus had teweeg gebracht, een uitdaging die onvermijdelijk de aandacht van de keizers trok. Dit nu had Lucas in gedachten toen hij in zijn geschrift het verband legde tussen het decreet van Augustus en de vleeswording van de Zoon van de Allerhoogste.

De registratiepolitiek van de keizer bracht in Isral de gemoederen in hoge mate in beroering. Er vonden dan ook heftige debatten hierover plaats tijdens de vroege jaren en het publieke optreden van Christus. Was het voor de Isralieten betamelijk om de soevereiniteit van een heidense heerser te erkennen door aan hem belasting af te dragen? Dit toch was het rechtstreekse gevolg van de volkstelling. Er waren Isralieten die volhielden dat de keizer het recht niet had om belasting te innen. God alleen was Koning van Isral en belasting betalen aan een heidense bestuurder die niet eens de ware God erkende stond gelijk aan verraad, niet alleen ten aanzien van hun eigen land, maar bovenal tegen de hemel. Tot deze groep hoorden allereerst de Zeloten. De betekenis van de naam Zeloot is 'ijveraar'. Ze werden dan ook zo genoemd omdat ze zichzelf als ijverig voor God bestempelden. In de vroege historie van Isral vinden we ook 'ijveraars voor God', zoals Pinehas de priester of Elia de profeet (Num. 25:13; 1 Kon. 19:10,14). De Zeloten onderschreven de idealen en politiek van Judas de Galiler, die 'ten tijde van de volkstelling met zijn volgelingen in opstand kwam', in het jaar 6 na Chr. toen Judea was gereduceerd tot de status van een Romeinse provincie en zij rechtstreeks aan Rome belasting moesten betalen (Hand. 5:37). Dit waren degenen die een prominente rol speelden in de Joodse opstand tegen Rome die in het jaar 66 na Chr. uitbrak en vier jaar later leidde tot de vernietiging van de tempel en de stad Jeruzalem. Het was dus geen louter theoretische vraag die aan Jezus op het tempelplein werd gesteld door een groep Farizeen en Herodianen: 'Is het toegestaan belasting te betalen aan de keizer of niet? Moeten we betalen of niet?' (Marcus 12:14). Als Jezus antwoordde met "nee" dan kon hij meteen bij de Romeinse autoriteiten worden aangeklaagd wegens opruiing. Als hij met "ja" zou antwoorden dan zou hij zijn goede reputatie verliezen, want (evenals extremisten in andere plaatsen en perioden) de Zeloten stonden bij velen van hun achterban in hoog aanzien om hun ware vaderlandsliefde. Het antwoord van Jezus was: 'het geld is in ieder geval van de keizer, want het draagt zijn naam en zijn afbeelding. Geef hem maar terug wat zo duidelijk van hem is. Maar vergeet niet aan God, jullie hemelse koning te geven, wat hem toebehoort.' Wat hier gebeurde is heel begrijpelijk binnen het spanningsveld dat er bestond vanuit het Zelootse denken. Maar, zoals bij zoveel feiten die opgetekend staan in de evangelin, is het goed om niet alleen te kijken naar de leefomstandigheden in de dagen dat Jezus op aarde was, maar vooral ook naar het leven van de eerste gemeente, d.w.z. wat was er zo belangrijk om in herinnering te houden en het vast te leggen. Het is heel waarschijnlijk dat het zojuist beschreven incident een belangrijk onderwerp is in de apologetiek van het primitieve christendom omdat het hun reputatie onderstreepte dat men, in tegenstelling tot bepaalde vooroordelen, in hun geloof en godsdienst loyaal was ten aanzien van de wet en dat men zich aan het gezag van de keizer onderwierp en zijn rechten respecteerden. In de brief van Paulus aan de Romeinen (Rom. 13:1-7) horen we de woorden van Jezus weerklinken. Hier draagt hij zijn lezers op zich aan de wereldlijke overheden te onderwerpen, omdat zij in dienst van God staan door de gezagsgetrouwe onderdanen te beschermen en de wetsovertreders te bestraffen. Hij voegt daaraan toe: '' Daarom betaalt u ook belasting en staat wie belasting int in dienst van God. Geef iedereen wat hem toekomt: belasting aan wie u belasting verschuldigd bent, accijns aan wie u accijns verschuldigd bent, ontzag aan wie ontzag toekomt, eerbied aan wie eerbied toekomt.' (de verzen 6 en 7).

Het is opmerkelijk dat Paulus dit schrijft op het moment dat hij een reis naar Rome voorbereidt. In andere plaatsen was hij beschuldigd van revolutionaire activiteiten, het negeren van de bevelen van de keizer en niet in de laatste plaats, het propageren van een cultus die niet door een Romeinse wet was goedgekeurd. Het zou de Romeinse christenen gerust stellen te weten dat een bezoek van Paulus niet bedoeld was om de vrede te verstoren. In dezelfde geest schrijft ook Petrus: "Erken omwille van de Heer het gezag van de bestuurders die door de mensen zijn aangesteld: van de keizer, de hoogste autoriteit, en van de gouverneurs, die hij heeft afgevaardigd om misdadigers te straffen en om te belonen wie het goede doen.Houd iedereen in ere, heb uw broeders en zusters lief, heb ontzag voor God en eerbiedig de keizer."(1 Petrus 2:13, 14 en 17) Als Petrus aan de vooravond van een "vuurproef" in ongeveer het jaar 63 na Chr. vanuit Rome schrijft aan de christenen in Klein Azi, dan legt hij de nadruk op hun plichten ten aanzien van de keizerlijke autoriteiten. Niemand die deze brief zou lezen zou daarin enige aanwijzing hebben kunnen vinden, dat het christendom een opstandige beweging zou zijn. <2> Christendom en de Romeinse wet. We moeten ons voor ogen houden dat het christendom begon met een ernstige handicap met betrekking tot de Romeinse wet. Toen het Judasme en het heidendom geconfronteerd werden met het evangelie, was de kruisiging van Jezus een godsdienstig en intellectueel struikelblok; Voor zover de christelijke betrekkingen met de keizerlijke macht in aanraking waren gekomen ontstond er een enorm struikelblok, zowel op het politieke als op het juridische vlak. Men kon nu eenmaal niet ontkennen dat christenen de volgelingen waren van een man die gekruisigd was door het vonnis van een Romeinse rechter op de beschuldiging van oproermaker. Het christendom stond dus gebrandmerkt als een beweging waarvan de oprichter een strafrechtelijk veroordeelde en gexecuteerde was. Vergelijkbare bewegingen waren die geleid werden door Judas de Galiler en Theudas de wonderwerker. Toen de historicus Tacitus eerst de gelegenheid kreeg om te refereren aan de christenen (in verband met de nasleep van de grote brand in Rome in het jaar 64), vermeldde hij dat "zij hun naam dankten aan Christus, die was gexecuteerd door de procureur Pontius Pilatus toen Tiberius keizer was. (Annalen 15:44). De oorsprong van de christelijke naam was voldoende om de christenen in een negatief daglicht te plaatsen. Bovendien, en dat bevestigt deze constatering, waren christenen vaak betrokken bij ongeregeldheden, toen het evangelie zijn zegetocht maakte door de provincies van het keizerrijk. In het boek Handelingen lezen we meermalen dat er heftige reacties waren op de activiteiten van Paulus. Hoe sommigen heidenen aankeken tegen de groei van het christendom is te lezen bij Tacitus, die na zijn verwijzing naar de executie van Christus, verder gaat met te zeggen dat door deze executie 'het verderfelijke bijgeloof voor een korte tijd onder controle was, om opnieuw uit te breken, niet alleen in Judea, waar de plaag begon, maar in Rome zelf, waar alle verschrikkelijke en schandelijke dingen van de wereld zich verzamelen en een thuis vinden'. Men zou Paulus nog iets kunnen verwijten voor de onrust die gepaard ging met de opmars van het evangelie in Klein Azi, Macedoni en Griekenland, maar hij kon zeker niet verantwoordelijk worden gesteld voor de rellen die ten tijde van keizer Claudius in het jaar 49 na Chr. in Rome uitbraken. Suetonius zegt (Life of Claudius, 25) dat deze rellen waren aangesticht door 'Chrestus'. Dit is wellicht een verwarrende indicatie van het feit dat de rellen het gevolg waren van de introductie van het christendom in de Joodse gemeenschap in Rome. We lezen over de gevolgen daarvan in Handelingen 18:2, waar ons verteld wordt dat Aquila

en Priscilla in die tijd verhuisd waren naar Korinthe ' omdat Claudius had bevolen dat alle Joden Rome moesten verlaten'. Er is reden om aan te nemen dat de Joodse gemeenschap van Alexandri in Egypte, tijdens de regering van Claudius, onder vergelijkbare rellen te lijden hadden. Deze wijdverbreide onrust vormde de achtergrond van de beschuldiging die tegen Paulus en zijn vrienden werd ingebracht voor de burgerlijke autoriteiten in Thessalonica. We lezen dit in Handelingen 17:6 en 7 hetgeen in de Engelse KJ vertaling anders wordt geformuleerd dan in de NEB vertaling. Deze laatste heeft een betere weergave waardoor de zwaarte van de beschuldiging beter wordt overgebracht. Het komt overeen met de NBV vertaling: De mensen die in het hele rijk de orde verstoren, zijn nu ook hier gekomen. .. Allemaal overtreden ze de verordeningen van de keizer door te beweren dat iemand anders koning is, namelijk Jezus! Deze woorden klonken onheilspellend voor buitenstaanders. Predikers, en dan vooral jonge predikers, moeten ermee bekend zijn dat hen zulke beschuldigingen voor de voeten kunnen worden gegooid. Er was Paulus juist veel aan gelegen om respect voor de keizerlijke wet en ordehandhaving te tonen, maar het kan niet worden ontkend dat hij de heerschappij verkondigde van degene die was gexecuteerd door een Romeinse rechtspraak en op de beschuldiging dat hij de koning der Joden was. Bovendien was de beweging van de Zeloten tijdens de regering van Claudius bijzonder actief in Judea en de invloed ervan bleef niet beperkt tot de grenzen van die provincie. Een militant messianisme werkte als een gisting in de joodse gemeenschappen elders in de wereld, en de autoriteiten waren niet bereid een onderscheid te maken tussen deze beweging en het 'messianisme' van de christelijke verkondigers. De beschuldiging was dus dat het christendom blijkbaar vanaf het begin illegaal was, en dat het onrust en rellen veroorzaakt, waar het ook gepredikt wordt. Wat kunnen we tegen zo'n beschuldiging inbrengen? In de eerste plaats is het duidelijk dat de veroordeling van Jezus een justitile miskleun was. Het is waar, de gouverneur Pontius Pilatus had hem ter dood veroordeeld, maar hij had de veroordeling met tegenzin uitgesproken en tegen beter weten in. Lucas vertelt in het bijzonder hoe Pilatus ten aanzien van Jezus uitsprak 'niet schuldig!' toen zijn aanklagers hem beschuldigden met: We hebben vastgesteld dat deze man ons volk van het rechte pad afbrengt en de mensen ervan weerhoudt belastingen aan de keizer te betalen en dat hij van zichzelf zegt de messiaanse koning te zijn' (Lucas 23:2 e.v.). Zelfs toen deze beschuldigingen kracht werden bijgezet hield Pilatus zijn uitspraak 'niet schuldig!' volhardend staande. Herodes Antipas, de viervorst van Galilea stemde in met de beoordeling van Pilatus. Het was het aandringen van de joodse hogepriesters, zegt Lucas, en het geschreeuw van de menigte die door hen waren opgehitst, dat Paulus zich uiteindelijk gedwongen voelde om toe te geven en vervolgens het doodvonnis uitsprak. En dat niet alleen, want n van de misdadigers die aan de zijde van Jezus gekruisigd was, zei tegen de andere misdadiger dat Jezus, in tegenstelling tot hen, niets verkeerds had gedaan. Het betekende dat Jezus, zoals de beide misdadigers, niet tot een opstandige organisatie behoorde die zich verzette tegen de bezettende macht. En de centurion die het commando had over het detachement van Romeinse soldaten en was belast met de uitvoering van de kruisiging, merkte op, toen Jezus zijn laatste adem uitblies: Werkelijk, deze mens was een rechtvaardige!.

Al deze details helpen een overtuigende apologie op te bouwen tegen de prima facie (op het eerste gezicht) opinie van de gemiddelde burger van het Romeinse Rijk, die niet anders gehoord hebben dan dat de stichter van het christendom een ter dood veroordeelde is door een Romeinse rechter. Maar dit is slechts een deel van de verantwoording die Lucas aanvoerde tegen de vertegenwoordigers van de keizerlijke wetshandhaving. Beide delen van zijn verslag over het ontstaan van het christendom hebben een sterk apologetische nadruk. Met andere woorden, de nadruk ligt op het verdedigende karakter van het evangelie. Het eerste deel richt de focus op de beschuldiging dat Jezus zich persoonlijk revolutionair opstelde tegen Rome. In het tweede deel verdedigt hij de christelijke beweging in het algemeen, die beschuldigd wordt van provocatie en rellen, overal waar het evangelie verspreid wordt. <3> de geschriften van Lucas Lucas heeft twee geschriften nagelaten die bewaard zijn gebleven in het nieuwe testament. Het is het derde evangelie en de 'handelingen der apostelen.' Zijn doel was om ne Theophilus op een betrouwbare en nauwkeurige manier te informeren over het begin van het christendom. Deze Theophilus had vanzelfsprekend al wel het n en ander gehoord. Het eerste deel van zijn werk bestaat grotendeels uit een verslag over de bediening van Jezus in woord en daad en over zijn dood en opstanding. Het tweede deel sluit aan bij het verslag van de opstanding en hemelvaart en beschrijft de ontwikkeling van het evangelie gedurende de daarop volgende dertig jaar. Dit geschrift eindigt met de evangelieverkondiging van de apostel der heidenen in het hart van het Romeinse rijk en met volledige toestemming van de keizerlijke autoriteiten. Zoals Lucas in zijn evangelie de onwettigheid van de veroordeling van Jezus aan de kaas stelt, zo voert hij in Handelingen een indrukwekkende verscheidenheid van mensen ten tonele die een rol vervullen in allerlei officile functies. Onder deze personen zijn zowel heidense als joodse functionarissen die Paulus en de andere zendelingen ter wille zijn en die tenminste bereid zijn toe te geven dat de vijandelijke aanklachten tegen hen elke grond missen. In Cyprus was er de proconsul Sergius Paulus die de apostelen en hun boodschap welwillend ontving (Hand. 13:7,12). In Filippi, een Romeinse kolonie, verontschuldigden de stadsbestuurders zich tegenover Paulus en Silas omdat zij hen ten onrechte hadden geslagen en gevangen genomen (Hand. 16:37 e.v.). In Korinthe was er Galio, die van 51 tot 52 na Chr. proconsul van Achaje was. Hij verklaarde dat de beschuldiging van onwettige religieuze propaganda die door de plaatselijke Joodse gemeenschap tegen Paulus en zijn collega's was ingebracht, gerelateerd waren aan interne interpretaties van de Joodse wet, en oordeelde dat ze niet schuldig waren bevonden aan enige overtreding van de Romeinse wet (Hand. 18:12 e.v.). In Efeze zijn er de Asiarchs, voorname burgers die verantwoordelijke posities in de provincie van Azi bezetten. Zij zijn heel vriendelijk tegen Paulus. De secretaris van het gemeentebestuur spreekt hem publiekelijk vrij van de beschuldiging van heiligschennis en godslastering tegen de gevestigde cultus van de stad (Hand. 19:31,35 e.v.). In Judea waren het de procurator Felix en zijn opvolger Festus die Paulus onschuldig bevonden aan de ernstige misdaden waarvan hij door het Sanhedrin werd beschuldigd. De Joodse koning Agrippa II en zijn zuster Bernice kwamen tot de conclusie dat Paulus niets had gedaan dat met de dood of gevangenschap moest worden bestraft (Hand. 24:1 - 26:32).

En toen Paulus zich beriep op zijn rechten als Romeins burger en van de provinciale rechtbank in hoger beroep naar het gerechtshof van de keizer in Rome ging, zette hij gedurende twee jaar zijn zendingsactiviteiten voort. Hij kon dit doen onder voortdurende politiebewaking en er werd hem geen strobreed in de weg gelegd (Hand. 28:30 e.v.). Als het christendom werkelijk zo'n wetteloze beweging was, als algemeen werd aangenomen, dan hadden de bewakers Paulus wel verboden om het tijdens zijn detentie in Rome te propageren! Wat valt er dan te zeggen over de constatering dat de opmars van het christendom zo vaak gepaard gaat met strijd en wanorde? Lucas beantwoordt deze vraag door de verantwoordelijkheid van de onrust neer te leggen bij de Joods autoriteiten. Net zo als het de hogepriesters van Jeruzalem waren die Jezus vervolgden en hem aan Pilatus overleverde, waren het hun opvolgers die Paulus vervolgden en hem - met minder succes - aan Felix en Festus overleverden. De meeste ongeregeldheden die uitbraken als het evangelie overal in de Romeinse provinciesteden zijn weg vond, werden aangesticht door de locale Joodse gemeenschappen, die weigerden het evangelie te aanvaarden en zich eraan ergerden als hun heidense buren dat wel deden. Wat is vanuit de apologetiek gezien nu een geschikte manier om in deze moeilijke omstandigheden zendingswerk te verrichten? Naar mijn mening is er geen zo doeltreffend als de situatie in Rome in de zestiger jaren van de eerste eeuw. Paulus aankomst in Rome, ongeveer aan het begin van het jaar 60 na Chr., zijn apostolisch getuigenis dat hij daar gedurende twee jaar kon geven, het legale proces waarin hij verwikkeld was omdat hij zich beroepen had op de keizer. Dit alles heeft eraan meegewerkt het christendom onder de aandacht te brengen van verscheidene invloedrijke personen in die stad. Voordat het christendom werd gepredikt kende men de invloed van oosterse culturen die in de ogen van de Romeinen verachtelijk waren. Het was de lagere klasse die daarvoor openstond. Men zag het als een vervuiling van de Romeinse cultuur en vergeleek het met de riolering van de Syrische Orontes die geloosd werd in de Tibet, waardoor deze rivier vervuild werd. Maar nu was het anders. Paulus was een Romeins burger en zijn zaak moest onpartijdig en waardig worden onderzocht. De titel 'hooggeacht' waarmee Lucas Theofilus aanspreekt (Lucas 1:3) doet vermoeden dat hij behoort tot de ridderstand: de tweede orde in de hirarchie van de Romeinse samenleving. Hij vertegenwoordigde de intelligente middenklasse van Rome en Lucas greep de gelegenheid aan om mensen zoals hij nauwkeurig en betrouwbaar op de hoogte te houden van de voortgang van het christendom, omdat ze uit andere bronnen niet goed genformeerd werden. Hij greep die gelegenheid ook aan om de onschuld van Paulus en andere christenen ten aanzien van de Romeinse wet te rechtvaardigen. Hoe Lucas er toe kwam om zijn verhaal op te dragen aan deze bijzondere man, weten we niet. Sommigen hebben gespeculeerd dat Theofilus betrokken was bij de voorbereidingen voor de hoorzitting van de rechtzaak van Paulus door de keizer of zijn plaatsvervanger. Het gaat misschien te ver om te veronderstellen dat Theofilus de advocaat was die was aangewezen voor de verdediging van Paulus en dat Lucas zijn tweevoudige verslag schreef om hem van de informatie te voorzien die hij nodig had om de verdediging te voeren. Er staat veel informatie in het verslag dat niet van belang is voor een gerechtelijk onderzoek. Niettemin, Lucas is onbetwistbaar een baanbreker op het gebied van de apologetiek die erop gericht is de wereldse autoriteiten te overtuigen van het gezagsgetrouwe karakter van het christendom.

<4> het beroep op de keizer Het beroep van Paulus op de keizer verdient een nadere overweging. Het was n van de privileges van een Romeins burger om een beroep op de keizer te doen tegen het vonnis van een lager rechtscollege. Het is ook mogelijk dat het beroep is uitgebracht in een eerder stadium van de procedure, als de verdachte geen vertrouwen heeft in een lagere rechtbank. Dit laatste was bij Paulus het geval. Ten tijde van het keizerrijk werd het beroep op de keizer ingesteld, waarmee er een einde kwam aan het recht van iedere burger om een beroep te doen op onafhankelijke personen, zoals het bestond in de dagen van de Romeinse republiek. Waarom maakte Paulus gebruik van dit recht? Ten eerste deed hij dat ongetwijfeld omdat hij in Rome een deugdelijke rechtsprocedure kon verwachten. Hij had minder vertrouwen in de rechtspraak in Judea. De nieuwe procurator Festus zou zich door onervarenheid kunnen laten benvloeden door het Sanhedrin in Jeruzalem. Dat zou zijn zaak geen goed doen. Paulus had eerder te maken gehad met de Romeinse justitie en bij eerdere gelegenheden de onpartijdige beslissing van de Romeinse ambtenaren ondervonden. Hij had in het bijzonder een goede herinnering aan de houding van Galio in Korinthe. Toen de Joodse autoriteiten in Korinthe Paulus beschuldigden van het promoten van een religie die strijdig is met de Romeinse wet, oordeelde Galio dat de godsdienst die Paulus predikte een vorm van Judasme was en onder de erkenning en bescherming van de Romeinse wetgeving viel, omdat dit recht zich ook uitstrekte tot de Joodse godsdienst. In veel preken wordt de verklaring van Galio dat hij 'zich van dit alles niets aantrok' (Hand. 18:17) als heel negatief afgeschilderd, maar Lucas prijst Galio voor zijn onpartijdigheid, en verweet hem geen onverschilligheid voor geestelijke zaken. De officile status van Galio, maar ook zijn persoonlijke connecties waren van dien aard dat zijn oordeel een precedent schiep voor andere overheidsinstanties. Het kan zijn dat Paulus aan deze gunstige beslissing heeft gedacht om zich op de keizer te beroepen om zo zeker te zijn van opnieuw een gunstige uitspraak. Bovendien is het oordeel van de hoogste rechtbank van het keizerrijk meer gezaghebbend. Ten tweede, hoopte Paulus dat de keizer het christendom zou erkennen als een geoorloofde godsdienst - een religo licita - met eigen rechten of als de ultieme vervulling van de historische verwachting van het Joodse geloof. We kunnen er zeker van zijn dat Paulus er de man niet naar was om zijn keuzes voornamelijk te bepalen met het oog op zijn persoonlijke veiligheid. Het belang van het evangelie stond bij hem voorop en hij was vol vertrouwen dat het evangelie zou worden gepromoot als gevolg van zijn beroep op de keizer. De woorden van God, door Ananias uitgesproken, waarmee hij Paulus op de dag van zijn bekering kwalificeerde, stonden in zijn geheugen gegrift: 'hij is het instrument dat ik gekozen heb om mijn naam uit te dragen onder alle volken en heersers en onder al de Isralieten' (Hand. 9:15). Het beroep op de keizer zou Paulus in de gelegenheid stellen een getuige van Christus te zijn tegenover de heerser van de Romeinse wereldmacht. Stel je voor dat de keizer zelf gewonnen zou worden voor Christus? Ten derde, zijn beroep op de keizer zou de voorwaarde van de komst van de Heer, zijn parousia (zijn komst in heerlijkheid) kunnen bespoedigen: 'want eerst moet aan alle volken het goede nieuws worden verkondigd' (Marcus 13:10). Rome was het centrum van de wereld;

alle wegen leidden naar Rome en langs deze wegen kon het evangelie in alle richtingen worden uitgezonden en zo de dag naderbij brengen 'dat de volheid der heidenen binnengaat en dat dan heel Isral zou zijn gered' (Rom. 11:25). Enkele van deze doelstellingen hadden resultaat. Paulus mocht zich inderdaad voor de keizer verantwoorden en verzekerde zich zo van een gunstig vonnis. Omdat hij twee jaar in Rome verbleef werd de positie van de christenen in de stad versterkt en dientengevolge in het hele rijk. Maar het feit dat Paulus voor de keizer was verschenen had de status van het christendom, in verhouding tot de Romeinse wet, allerminst verbeterd, integendeel, deze verslechterde snel in de jaren die erop volgden. De situatie waarin Paulus voor zijn bediening kon rekenen op bescherming van de Romeinse wet, was onvermijdelijk slechts tijdelijk. In de vroege zestiger jaren kwam daaraan een einde. Galio's besluitvorming in het jaar 51 na Chr. mocht dan voor ruwweg de daarop volgende tien jaar door andere overheidsinstituten als een precedent zijn overgenomen, deze werd onherroepelijk teruggedraaid door de keizerlijke actie in 64 na Chr., toen Nero in de christenen van Rome een passende zondebok vond door ze te beschuldigen van het veroorzaken van de stadsbrand. <5> de vuurproef Een belangrijke reden voor de steeds moeilijker wordende situatie van de christenen gedurende de 50er en 60er jaren was om wettelijke erkenning te krijgen van de Romeinse overheid. Het Judasme werd wel als zodanig erkend. Het was onvermijdelijk, maar ook wenselijk dat het christendom niet langer moest worden beschouwd als een variant van het Jodendom. En dat bleek ook wel, want omdat Paulus met zijn verkondiging steeds gericht was op de heidenen kon men moeilijk volhouden dat dit kenmerkend was voor de Judastische beweging. De Joden zelf spaarden kosten noch moeiten om aan te tonen dat zij het christendom niet als een vorm van het Jodendom erkenden. Zij werden in die jaren daarin gesteund door een machtige vrouw aan het keizerlijke hof: keizerin Poppaea. Een tweede reden voor die verandering was de algemene tendens om christenen als a-sociaal te beschouwen. Ze stonden bekend als mensen die niet meededen aan sociale activiteiten. De reden hiervan was dat deze activiteiten te maken hadden met afgoderij, maar het volk maakte daaruit op dat het "mensenhaters" waren. Er stonden familierelaties onder druk als sommige familieleden gelovigen waren en anderen dat niet waren. Door al deze ontwikkelingen groeide wijd verbreid een afkeer van christenen. Tacitus noemde ze 'een klasse van mensen verfoeid om hun ondeugden'. Toen Nero probeerde hen te beschuldigen van brandstichting, verklaarde Tacitus dat een groot aantal niet zozeer op deze beschuldiging (die bij onderzoek niet staande kon worden gehouden) was veroordeeld, maar als vijanden van de mensheid. Het maakt duidelijk dat, naar zijn mening (en ongetwijfeld de mening van veel anderen), ook al hadden ze Rome niet in brand gestoken, zij volledig toerekenbaar konden worden gesteld vanwege hun houding in het algemeen. Deze straf had derhalve een voorbeeldfunctie. Het was blijkbaar niet meer van toepassing wat Paulus in het jaar 57 na Chr. in zijn Romeinenbrief schreef: 'Wie doet wat goed is heeft van de gezagsdragers niets te vrezen, alleen wie doet wat slecht is' (Rom.13:3). In de eerste brief van Petrus, die ongeveer zes jaar later is geschreven, kunnen we die verandering heel duidelijk zien. Petrus drukt zijn lezers op het hart om de overheden te gehoorzamen en dan vraagt hij: 'wie zou u kwaad doen als u zich volledig inzet voor het goede?' (1 Petrus 3:13). Maar hij voegt er in n adem aan toe: ' maar zelfs als u zou lijden omwille van de gerechtigheid' en hij gaat in hoofdstuk 4:12 e.v. verder

hen te waarschuwen voor een 'vuurproef': 'geliefde broeders en zusters, wees niet verbaasd over de vuurproef die u ondergaat; er overkomt u niets uitzonderlijks.Laat niemand van u moeten lijden omdat hij een moordenaar is, een dief, misdadiger of onruststoker. Maar als u lijdt omdat u christen bent, schaam u dan niet en draag die naam tot eer van God.'(1 Petrus 4:15,16). In deze nieuwe situatie waarin de christenen de straffen moesten ondergaan die hen door het Romeinse recht werden opgelegd omdat ze christenen waren, gingen de christelijke apologeten door om te protesteren tegen hun veroordeling. Ze maakten duidelijk dat ze onschuldig waren aan een misdrijf, maar hun protesten hebben niets opgeleverd. In de tweede en derde eeuw werd degenen die hun mond open deden tegen dit onrecht, verteld dat ze hun loyaliteit aan het keizerrijk eenvoudig konden laten blijken door het aanbidden van de staatsgoden en in het bijzonder door het branden van wierook voor het beeld van de keizer of door te zweren bij zijn goddelijkheid. Wat hier gevraagd werd was natuurlijk onmogelijk voor gewetensvolle christenen. De derde reden voor die verandering bestond al in de eerste eeuw. Dit was de tendens om de keizer bij officile gelegenheden te vereren als goddelijk persoon. Het kwam voort uit een keizerlijke ideologie en vormde een bijzonder krachtige reden tot vijandigheid tegen het christendom. Deze vijandigheid nam in de tweede helft van de eeuw in het hele Romeinse rijk steeds ernstiger vormen aan. Volgens deze ideologie was de keizer veel meer dan een dienstknecht van God die de boosdoeners moet straffen en ervoor moet zorgen dat de gezagsgetrouwe burgers een rustig en vreedzaam leven kunnen leiden, zonder gehinderd te worden door kwaadwillende figuren. De keizer was de personificatie en vergoddelijking van de maatschappij en eiste totale onderworpenheid van zijn onderdanen. Dit betekende eigenlijk dat er twee geestelijke totalitaire regimes met elkaar in botsing kwamen. De keizerlijke ideologie was veelomvattend en verdraagzaam. Als de onderdanen maar enigszins hun erkenning toonden werden zij voor een groot deel vrij gelaten als het om andere religieuze verplichtingen ging. Maar dit was nu net het punt waarop het christendom een exclusieve aanspraak maakt. Christenen aanbidden God door Jezus Christus en zij kunnen geen goddelijke eer aan iemand of iets anders bewijzen, of zelfs ook maar de indruk wekken om dat te doen. Omdat zij hun leven aan Jezus Christus hadden gewijd wisten zij dat ze trouwe onderdanen van de keizer moesten zijn en dat zij behoorden te bidden voor zijn welzijn. Tegelijkertijd hield dat in dat hun geloof in Christus niet kon samengaan met het bidden tot de keizer. (Ook de Joden werden, in overeenstemming met het eerste gebod, door hun religie uitgesloten van keizerverering, maar de opeenvolgende keizers waren hen gedurende lange tijd daarin tegemoet gekomen.) In het boek 'Christus und die Ceasaren' van professor Ethelbert Stauffer (SCM Press 1955) wordt gellustreerd hoe de twee ideologien lijnrecht tegenover elkaar staan. Hij besteedt in het bijzonder aandacht aan het keizerlijke muntstelsel, hetgeen regelmatig als propagandamiddel werd gebruikt. Het keizerlijke muntstelsel is rijk voorzien van karakteristieke beelden van advent en epifanie, die heen wezen naar de zegeningen die de opeenvolgende goddelijke keizers brachten voor een wereld die daarop wachtte. Onder de vleiende formules waarmee de keizer werd geprezen, noemt hij, waarmee hij waarschijnlijk teruggaat naar de eerste eeuw: Heil, Overwinning, Heer van de aarde, Onoverwinnelijk, Macht, Roem, Eer, Vrede, Veiligheid, Heilig, Zalig, Geweldig. Ongevenaard, Gij Alleen,

Waardig zijt Gij, Waardig is hij om het Koninkrijk te erven, Kom kom, toef niet, Kom terug (pag. 155). Het is inderdaad zo, dat als iemand psalm 72 leest in het Latijn, de officile taal van het keizerrijk, dat hij grotendeels dezelfde terminologie aantreft. Het woord advent is afgeleid van het Latijnse advenire (naderen) en adventum (komst). Deze woorden werden gebruikt bij de troonsbestijging van de keizer. Deze terminologie werd ook gevonden in catacomben voor de viering van de Epifanie van Christus. Hier was geen compromis mogelijk. Wie was er waardig om de troon van het universum te bestijgen en de loop van de geschiedenis te bepalen? De keizer, of Christus? Keizer Domitianus (81-96 na Chr.) vond dat hem meer goddelijke eer toekwam dan n van zijn voorgangers op de keizerlijke troon. Hij stelde er prijs op als zijn onderdanen hem 'Onze Heer en onze God' noemden. Ook keizer Nero werd op soortgelijke wijze vereerd: de koning van Armeni bijvoorbeeld, bewees hem hulde als zijn 'Meester en God'. En we weten hoe keizer Gauis in het jaar 40 na Chr. verontwaardigd was, omdat de Joden hem niet erkenden als een god. Hij gaf opdracht om in de tempel te Jeruzalem een standbeeld voor hem op te richten. Hoewel die opdracht te elfder ure werd ingetrokken, heeft dit zowel op Joden als op christenen diepe indruk gemaakt. De weigering van christenen om aan zulke eisen tegemoet te komen en de taal waarin zij goddelijke eer aan Jezus bewezen, kan gemakkelijk leiden tot de beschuldiging van opruiing. We hebben al gezien hoe Paulus en zijn metgezellen in het jaar 50 na Chr. door de stadsbestuurders van Thessalonica werden beschuldigd van revolutionair ondermijnende activiteiten en in het bijzonder, het verkondigen van koning Jezus als een rivaal van de keizer (Hand. 17:7). Het is te danken aan deze bestuurders dat ze niet in paniek raakten door deze ernstige beschuldiging, maar de zaak beheerst en met overleg aanpakten. Later in dat jaar schreef Paulus een brief aan die kerk en adviseerden hen zich niet te laten misleiden door hen die verkondigden dat de dag van de Heer op het punt staat om aan te breken. Hij zei daarbij dat, voordat die dag zou aanbreken 'velen zich van het geloof zouden hebben afgekeerd en de wetteloze mens verschenen is, hij die verloren zal gaan. Hij zal alles wat goddelijk en heilig is bestrijden en zich erboven verheffen, om in Gods tempel plaats te nemen op de troon en zich voor te doen als God zelf ' (2 Thes. 2:3,4). In deze beschrijving herkennen we de woorden die Jezus sprak over 'de verwoestende gruwel die staat waar hij niet hoort' (zie Marcus 13:14). Deze woorden werpen licht op wat keizer Gauis tien jaar daarvoor probeerde, om zich door middel van een standbeeld in de tempel van Jeruzalem te laten vereren. Maar Paulus vervolgt dat de verschijning van die "wetteloze mens" voortdurend wordt tegengehouden door een kracht die zal verdwijnen (zie 2 Thess. 2:7). Die weerhoudende kracht is mogelijk de keizerlijke autoriteit zoals Paulus die kent, die een waardevolle bescherming bood tegen de wetteloze krachten die opstonden om de voortgang van Gods werk te belemmeren. Maar Paulus vond het nodig om zijn gedachten te uiten in versluierde taal. Als deze brief in verkeerde handen zou vallen, zou een expliciete vermelding daaruit kunnen worden gebruikt als een bevestiging van de beschuldiging van opruiing, zoals die enkele weken daarvoor tegen hem in Thessaloniki was geuit. 6. <de apocalyps>

Van al de provincies van het Romeinse keizerrijk was er geen n waar zo'n ver doorgevoerde verering voor de keizer was georganiseerd, dan ik Klein Azi. In Pergamum was de vereringcultus van Rome en keizer Augustus al een feit in het jaar 29 voor Christus. Volgens sommigen had Johannes deze cultus in gedachten toen hij Pergamum beschreef als 'de stad waar Satan woont' (Op. 2:13). Anderen denken hierbij aan de verering van Aesculaap, de god van de geneeskunde die met een slang wordt uitgebeeld. Deze god had ook een heiligdom in Pergamum. Hoe het ook zij, vergeleken met andere heidense religies waar de christenen in Azi mee te maken hadden, was dit wel een heel verleidelijke. Als men geen interesse toonde voor de keizerlijke cultus werd dit uitgelegd als een gebrek aan gemeenschapszin en vaderlandsliefde. We herinneren ons dat Paulus vrienden had onder de Asiarchs (voorname burgers die verantwoordelijke posities in de provincie van Azi bezetten), die hem waarschuwden niet het theater binnen te gaan als daar een schaamteloze demonstratie werd gehouden, waarbij de grote godin Artemis verdedigd werd tegen degenen die kwaad van haar spraken. Toch waren het deze Asiarchs die het hogepriesterschap van de keizerlijke cultus instelden en de Aziatische aristocratie vond het een eer om deel te nemen aan deze verering. De verleiding was groot voor de christenen om toch enigszins een tussenweg te zoeken. Ze wilden hun heidense buren niet de indruk geven dat ze de zegeningen van vrede en voorspoed die het keizerrijk hen bracht, niet op prijs stelden. Maar de meerderheid van de christenen wilde geen compromis sluiten en zij ontmoetten in de keizerlijke cultus een dodelijke vijand. De Openbaring van Johannes schetst de situatie van de Aziatische kerken onder de Flavische dynastie (69-96 na Chr.). In Rome was al een hevige vervolging van christenen - ongetwijfeld die van 64 na Chr. uitgebroken. Ook bij de autoriteiten in de Aziatische provincie ontstond een meedogenloze vervolging gericht tegen christenen. Johannes maakt duidelijk dat deze vervolging uit de koker van de duivel komt. Hij tekent in Openbaringen 13 deze macht als de grote rode draak, die oorlog voert tegen de heiligen door middel van twee beesten. Het eerste beest is de keizerlijke macht, het komt voort uit de zee (of uit de afgrond), het andere beest dat uit het land voortkomt (ook genoemd 'de valse profeet'), is de keizerlijke cultus. De macht die zich in Paulus' tijd had voorgedaan als 'dienstknecht van God' verschijnt nu in het krachtenveld van de duivel om het volk van God te vernietigen. De keizer is zijn boekje te buiten gegaan. De macht die aan God ontleend is en de eer die God toekomt heeft hij zichzelf toegeigend. Hij meende zelf te kunnen beschikken over goddelijke zaken en hieraan konden de christenen niet tegemoetkomen. Maar wat moet je, als de eeuwenoude vijand van God en zijn bondgenoten, gebruik makend van de keizerlijke macht en cultus, de vijandigheid aanwakkeren en de christenen de oorlog verklaren? 'Zij hebben hem overwonnen' zegt Johannes 'dankzij het bloed van het lam en dankzij hun getuigenis. Zij waren niet aan het leven gehecht en hebben hun dood aanvaard' (Openb.12:13). Zij weigerden hun trouw aan Christus te verloochenen, in weerwil van alle verlokkingen en bedreigingen van hun vijanden; zij ondergingen het martelaarsschap en hun bloed was als zaad dat in latere generaties een rijke oogst zou voortbrengen. Johannes had hen de overwinning die hun Heer 'de betrouwbare getuige' al had behaald, voor ogen gehouden om hen te bemoedigen. Door te volharden zelf een getrouwe getuige te zijn, zou de overwinning van Jezus Christus hun overwinning worden. Als de keizer zich toeeigent wat hem niet toekomt, wat in feite ook vandaan aan de dag in zoveel situaties gebeurt, zullen vooral de christenen vooraan moeten staan om de keizer te

geven wat hem toekomt, maar ook vooraan moeten staan in het weigeren van onrechtmatig van hen gevraagd wordt. Want christenen erkennen dat Jezus Christus hun Heer is, 'de Koning der Koningen', en daarom ook degene die heerschappij over de keizer heeft. Als in Engeland een lid van het koninklijk huis tot koning(in) wordt gekroond biedt men een rijksappel aan in de vorm van een globe onder het kruis. Deze symboliek wil zeggen 'bedenk dat de hele wereld is onderworpen aan de macht en het koninkrijk van Jezus Christus, onze Verlosser'. Gelukkig zijn de landen waarvan de heersers de kroningsrechten van die Verlosser erkennen. Als we het nu nog niet ervaren dat alles aan Christus onderworpen is, mogen we er in ieder geval getuige van zijn dat hij Heer is. Het geduld en het geloof van de heiligen die overwonnen in de vroege christelijke eeuwen, zullen ook nu in deze tijd hetzelfde uitwerken als er nieuwe totalitaire regimes en nieuwe politieke ideologien de kop opsteken die heel het leven als hun domein beschouwen. Zo'n overwinning zien we in feite al voor onze ogen als we kijken naar onze broeders en zusters in verschillende delen van de wereld. Zij weerspiegelen de triomf door het bloed van het Lam en door het woord van hun getuigenis, en zijn eerder bereid hun leven te geven dan ontrouw te zijn aan Christus. Als er zulke gelovige belijders overblijven hoeft geen christen meer te twijfelen aan de komst van die dag, wanneer het koninkrijk van de wereld het koninkrijk van Jezus Christus wordt. Nu begint de heerschappij van onze Heer over de wereld, en die van zijn Messias. Hij zal heersen tot in eeuwigheid (Op. 11:15b). 6. Het evangelie: een confrontatie met 'dwalingen binnen het christendom' 'Christelijke dwalingen' is de titel van een boek geschreven door Dr. Horton Davies, in 1954 uitgegeven (SCM Press). In dit boek werden een aantal religieuze bewegingen genterviewd die min of meer afweken van de belangrijkste stroom binnen de christelijke traditie. In dit hoofdstuk zullen we vier bewegingen uit de eerste eeuw nader bekijken. Het gaat hier om stromingen die ook kunnen worden gezien als 'dwalingen binnen het christendom'. Deze dwalingen zijn in de ogen van de schrijvers van het nieuwe testament dermate radicaal, dat ze het evangelie van het eigenlijke karakter beroofden en daarom ontmaskerd moeten worden. Deze vier zijn wetticisme, ascetisch gnosticisme, antinomische gnostiek en docetisme. <1> legalisme Met legalisme bedoelen we hier de poging om het evangelie van redding door geloof te combineren met het houden van de Joodse wet. We komen dit meermalen tegen in de geschiedenis van de apostolische gemeentes, maar we zullen bijzondere aandacht besteden aan wat Paulus in de brief van de Galaten bestrijdt. In de jaren 47 en 48 na Chr. waren Paulus en Barnabas vanuit het Syrische Antiochi op zendingsreis. Zij bezochten ook Cyprus en centraal Klein Azi op deze reis. In sommige steden van Klein Azi en in het zuidelijke deel van de Romeinse provincie Galati, kwamen mensen tot geloof en ontstonden er christelijke gemeentes. Maar niet lang nadat de beide zendelingen weer op hun basis in het Syrische Antiochi waren teruggekeerd, deden zich in de kerk van Galati moeilijkheden voor. Deze problemen verspreidden zich als een olievlek naar de pas gestichte gemeentes van Zuid Galati.

De moederkerk van Jeruzalem had onder haar leden veel Joodse gelovigen die men kon beschrijven als 'ijveraars voor de wet'. Sommige van hen hadden banden met de partij van de Farizeen. Voor deze mensen was de kerk niet veel meer dan een groep binnen het Joodse grondgebied en wel een groep die in Jezus de vervulling van de messiaanse hoop zagen, waarvoor hun volksgenoten de ogen hadden gesloten. Ze waren het ermee eens dat, omdat zoveel Joden hadden verzuimd om Jezus te erkennen als de Messias, een aantal van de heidenen moest worden opgenomen in de Messiaanse gemeenschap, opdat het volledige quotum van de uitverkorenen van de laatste dagen zou worden gehaald. Maar, deze heidenen moesten worden ingelijfd als proselieten. (Proselieten waren heidenen van geboorte die zich volledig bekeerden tot het
Jodendom. Zij onderscheidden zich van 'God-vereerders', die afstandelijker waren met betrekking tot de Joodse eredienst en manier van

De proselieten werden verplicht om niet alleen in Jezus als Messias te geloven, maar zich ook aan de Mozasche wet te houden. De apostelen in Jeruzalem accepteerde deze zienswijze blijkbaar niet en dit gold ook voor Paulus en Barnabas. Maar deze 'ijveraars voor de wet' zochten de leiding van de gemeente niet bij de apostelen, maar bij Jacobus de rechtvaardige, de broer van Jezus. Het is duidelijk dat Jacobus veel wijzer en gematigder was dan veel van zijn meer extreme volgelingen.
leven.)

Een delegatie van deze mannen bracht een bezoek aan Antiochi en probeerden hun visie op de gemeente daar over te brengen. Een tijd lang lag de zaak daar bijzonder gevoelig, omdat enkele christelijke leiders in Antiochi leerden dat men zich tijdelijk moest aanpassen aan deze bezoekers met hun sterke overtuigingen. Maar Paulus weigerde een duimbreed toe te geven, omdat hij van oordeel was dat de basisbeginselen van het evangelie op het spel stonden. Zijn standvastige houding heeft ertoe bijgedragen dat de twijfelaars weer vertrouwen kregen in het evangelie dat hen was verkondigd. De situatie was veel ernstiger in de kerken van Galati. Deze kerken hadden bezoek gekregen van Judastische christenen uit Jeruzalem. Ze drongen er in die kerken op aan dat de nieuwe gelovigen zich moesten laten besnijden en dat zij de Joodse wet moesten onderhouden, wilden ze voor God acceptabel zijn. Dit zou ook de band met de kerk van Jeruzalem versterken. Door hun onervarenheid waren de christenen uit Galati niet op hun hoede en vertrouwden ze deze bezoekers. Het was mogelijk dat Paulus niet van alles op de hoogte was, tenslotte was hij een nieuwkomer in het christendom en hoorde hij niet tot de apostelen die bij Jezus waren geweest. Als Paulus al autoriteit bezat dan had hij dat verkregen via de leiders van de kerk in Jeruzalem. De Judasten konden zich erop beroepen het ware geloof te vertegenwoordigen, zoals dat in Jeruzalem gepraktiseerd werd. Het ging hier niet om een aanvulling van het evangelie, maar, volgens Paulus, een verdraaiing ervan. De eis van besnijdenis en het houden van de Joodse wet om redding te ontvangen doet het principe te niet dat genade wordt geschonken op geloof. Door dit geschenk deelt men in de heerlijkheid van de verlossing die, volgens het evangelie, alleen God kan geven. De hele lijst van voorwaarden waarmee de Judasten kwamen vertegenwoordigde een evangelie dat verschilde van wat Paulus en zijn medeapostelen predikten: het was in feite helemaal geen evangelie. Toen het nieuws Paulus bereikte over wat er in de kerken van Galati gebeurde, schreef hij een dringende brief. Hij waarschuwde hen dat als het heil van Christus hun wat waard was, zij de bevrijdende boodschap die ze van hem hadden gehoord niet moesten inruilen voor een systeem waardoor ze geestelijk gebonden zouden raken. In zijn verdediging van het evangelie tegen het legalisme noemt hij de volgende punten: a) Het evangelie dat Paulus predikte had hij door een rechtstreekse opdracht van Jezus Christus ontvangen.

Door deze ontwikkelingen zag hij zich genoodzaakt zijn apostelschap te verdedigen en terug te blikken op de periode van zijn bekering (speciaal met betrekking tot de verhouding tot de gemeente van Jeruzalem). De autoriteit die hij bezat ontleende hij aan de directe opdracht van Christus en daarom wees hij de klacht van de hand dat hij verantwoording schuldig was aan de leiders te Jeruzalem. Overigens, Paulus' verdediging van zijn apostelschap, waarin hij zich in de loop van zijn carrire herhaaldelijk gedreven voelde, vormt een interessante fase van de christelijke apologetiek in de eerste eeuw, hoewel het in dit bestek geen punt is om daar uitgebreid aandacht aan te besteden. Niettemin was het voor Paulus vaak een noodzakelijk onderdeel in zijn verdediging van het evangelie. b) Paulus stelt de vraag: als de goedkeuring van God kan worden verkregen door het houden van de Joodse wet, wat is dan het nut van het sterven van Christus? Hij stierf voor de redding van zijn volk, maar dat zou toch geen zin hebben als die redding moest worden verkregen op de manier die de Judasten voorstonden. c) Zoals de christenen uit Galaten uit eigen ervaring wisten, is het christelijk leven een gave van de Heilige Geest. Toen ze deze gave ontvingen ervoeren ze tegelijkertijd de onmiskenbare bewijzen van de aanwezigheid en de werken van de Geest in hun midden. Maar als hun leven met Christus op zo'n hoog niveau was begonnen, was het dan niet absurd om die weg te vervolgen op het lage niveau van werken volgens de wet? d) De Judasten rechtvaardigden hun standpunt van de noodzaak tot besnijden op het voorbeeld van Abraham. De besnijdenis was het zegel van het verbond dat God met hem gesloten had. Iemand die niet besneden was kon hopen deel te hebben aan dat verbond met al de zegeningen die daar bij hoorden. Hierop antwoordde Paulus dat de ware kinderen van Abraham diegenen waren die, net zo als Abraham, gerechtvaardigd waren door het geloof in God. Degenen die God geloven zoals Abraham dat deed, mogen zich verheugen in de zegeningen die God aan Abraham beloofde. De belofte van God aan Abraham vond zijn vervulling in Christus en niet in de wet. De zegeningen die deze belofte met zich mee bracht werden niet verkregen door de Mozasche wet, maar door het geloof in Christus. Trouwens de Mozasche wet kwam pas veel later in beeld dan de belofte die was gegeven en kon de voorwaarden daarvan niet veranderen. e) De wet houdt een vloek in voor degene die hem niet in zijn geheel kan nakomen. Degenen die voor hun redding vertrouwen op de wet, lopen het risico die vloek over zich te halen. Maar Christus heeft bij zijn kruisdood de vloek van de wet op zich genomen en zijn volk daarvan vrij gemaakt. Waarom zouden we naar die situatie terug moeten gaan om onszelf opnieuw onder de vloek te stellen? f) Het principe van rechtvaardiging door het houden van de wet behoort tot de fase van geestelijke onrijpheid, waarbij men onder toezicht van een tuchtmeester staat. Maar nu Christus is gekomen verkrijgen degenen die hun geloof op hem vestigen, hun geestelijke volwassenheid als verantwoordelijke zoons en dochters van God. Door te luisteren naar de Judasten wordt de klok terug gezet en staan we weer in onze kinderschoenen. g) De wet legt ons een juk op waardoor we gebonden zijn. Het geloof in Christus brengt vrijheid. Waarom zouden verstandige mensen die door Christus zijn vrijgemaakt hun vrijheid opgeven om opnieuw dienstbaar te zijn aan de "elementaire krachten" (engelen worden wel als zodanig aangeduid) die aan de wet ten grondslag liggen? ' Christus heeft ons bevrijd opdat wij in vrijheid zouden leven; houd dus stand en laat u niet opnieuw een slavenjuk opleggen' (Gal. 5:1)

h) Laten niemand denken dat de vrijheid die verkregen wordt door het evangelie van genade, ook maar iets van doen heeft met losbandigheid of anarchisme. Het geloof waarover het evangelie spreekt, uit zich in daden van liefde en zo wordt 'de wet van Christus' vervuld. Gal. 5:6 en Gal. 6:2) <2> Ascetisch gnosticisme Gnosticisme is een manier van denken die we al in de tweede eeuw, in een ontwikkelde vorm, tegenkomen. Gnostiek is een andere benadering van het christendom. Men vindt het onder de intellectuele elite als een mystieke vorm: 'hogere kennis' (gnsis), waarbij de ziel bevrijd wordt van de ketenen van de materie en kan functioneren op het hoogste niveau van waarheid en licht. In veel gnostische stromingen kwam de geringschatting van de materie vooral tot uiting in soberheid ten aanzien van het menselijk lichaam: lichamelijke ascese en geestelijke verrijking gingen hand in hand. Een beginnende vorm van deze gnostiek wordt door Paulus weerlegd in de Brief aan de Kollossenzen. Kolosse was een stad gelegen in de Lycus vallei in het bergland van Klein Azi. Tijdens de drie jaar durende bediening van Paulus had n van zijn medearbeiders het evangelie gebracht in Efeze (52-55 na Chr.). Enkele jaren later, toen Paulus in Rome onder huisarrest wachtte op voorgeleiding aan de keizer, kwam hem ter ore dat er in de kerken van de Lycus vallei, en met name in de kerk van Kolosse, een verontrustende ontwikkeling plaatsvond. In die gemeente had men zich opengesteld voor een andere vorm van onderwijs die, zonder dat ze het in de gaten hadden, erop was gericht hun geloof in het zuivere evangelie omver te werpen en hen in geestelijke slavernij te leiden. Deze prediking was in principe Joods. Dat bleek duidelijk uit het belang dat er gehecht werd aan besnijdenis, voedingsvoorschriften, de sabbat, nieuwe maan en andere bijzondere dagen, gerelateerd aan de Joodse kalender. Tot op bepaalde hoogte kwam deze stroming vrij dicht bij het legalisme waar Paulus eerder mee te maken had in de kerken van Galati. Maar bovenop dat Joodse fundament was een filosofische superstructuur verrezen die van oorsprong niet Joods was. In dit deel van Klein Azi waren te tegenstellingen tussen de Joden en hun heidense buren vrij aardig genivelleerd. Sociale vermenging leidde tot een fusie. De religieuze 'Kolossiaanse dwaalleer' kon worden omschreven als een herwaardering van het evangelie, zodat het past het in het kader van een Joods-Hellenistisch syncretisme. In deze stroming werden de engelen (of 'elementaire krachten') door welke de Joodse wet was gegeven (vgl. Hand.7:53, Gal. 3:19, Heb. 2:2) vereenzelvigd met de 'kosmische Heren (goden) van de zeven planetaire sferen', vorstendommen en krachten; die een aandeel hadden in de volheid van de goddelijke natuur en de communicatieverbindingen tussen God en mensen beheersten. Omdat zij macht hadden mensen van het contact met God af te sluiten, was men hen een tegenprestatie verschuldigd in de vorm van het houden van de wet. Door het overtreden van de wet haalde men de boosheid van deze goden op de hals. Men moest deze dan weer gunstig stemmen door zelfverloochening en boetedoening. Het feit dat er in deze manier van denken geen aandacht werd besteed aan wat Christus voor ons heeft gedaan, heeft waarschijnlijk te maken met de opvatting dat de komst van Christus en zijn Hemelvaart heeft plaatsgevonden op grond van toestemming van deze planeetgoden. Het lijden en de dood van Christus is mogelijk gezien als een bewijs van zijn ondergeschiktheid aan de planeetgoden.

Volgens deze zienswijze gaf trouw aan Christus onvoldoende bescherming in een universum dat beheerst wordt door deze machtige wezens. Dat was duidelijk te zien aan Paulus, een dienaar van Christus. Paulus was met zijn dienst aan Christus toch in de narigheid terechtgekomen. Hieruit bleek dat hij geen controle had over de kosmische machten, die hem in staat zouden stellen de problemen te vermijden. Met deze manier van onderwijs wordt een beroep gedaan op een bepaalde religieuze karaktertrek, te meer omdat het zich laat voorstaan op een vorm van onderwijs voor geestelijk geavanceerde superieure personen. Christenen werden uitgenodigd om met deze hogere wijsheid verborgen geheimen te ontdekken door middel van allerlei riten, om zo het hoogste niveau van perfectie te bereiken. De doop was slechts een voorlopige inwijding. Degenen die op het pad van de waarheid wensten door te gaan moesten zich door middel van een strenge ascese ontdoen van alle materile elementen, totdat zij uit deze wereld van de duisternis genomen worden en aankomen in het domein van het licht, en zo volledige aflossing ervaren. Maar hoe aantrekkelijk deze cultus voor menigeen mocht zijn, Paulus veroordeelt het als een doe-het-zelf geloof, waarvan de schijn bedriegt. Afgezien van de fraaie redeneringen dat het hoge niveau van kennis ver uit gaat boven het evangelie dat de apostelen brachten, was het volledig onverenigbaar met dat evangelie en was het erop gericht om de fundamenten van het christelijk geloof te ondermijnen. Een religie die de genade van God afwijst, die de planeetgoden eer bewijst en vertrouwt op het lot in plaats van op de wil van God, maakt dat mensen slaven worden van deze machten. Tegen deze 'traditie van mensen' zoals hij het noemt, keert Paulus zich met de ware traditie van Christus. De planeetgoden hadden helemaal geen deel aan de goddelijke volheid. In Christus zijn al de schatten der wijsheid en kennis verborgen. (Kol.2:2 NBG) De wijsheid en kennis van Christus is voor iedereen toegankelijk, en zeker niet voor een geestelijke elite. De planetaire machten zijn geen bemiddelaars tussen God en mensen, deze rol behoort Christus toe. In hem zijn God en mens verenigd tot n persoon. Zou Christus minderwaardig zijn in vergelijking tot de planeetgoden? In tegendeel, zijn heerschappij over hen berust op een tweevoudig recht. Ten eerste, deze machten zijn door hem en tot hem geschapen, tezamen met alles wat er bestaat. Ten tweede, hij overwon ze toen ze hem aanvielen aan het kruis, en door deze overwinning heeft hij zijn volk bevrijd, die zij vroeger in slavernij hadden gehouden. Maar door de overwinning aan het kruis hadden ook deze planeetgoden hun greep op de mens verloren. Waarom zouden zij, die n waren met Christus het nodig vinden om deze engelengoden gunstig te stemmen? Die machten hebben immers hun bestaan aan Christus te danken? En waarom zouden zij die door hun geloof zijn gestorven en opgestaan met Christus en daarom delen in zijn overwinning, zich aan machten onderwerpen die hij zo glansrijk versloeg? In plaats van een hoog ontwikkelde wijsheid droeg deze engelencultuur alle kenmerken van onvolwassenheid. Het riep degenen die tot volwassenheid waren gekomen in Christus terug te keren naar hun kindertijd. In zijn verdediging van het evangelie tegen dit misleidende geloof geeft Paulus een goed voorbeeld van zijn bereidheid om 'voor iedereen wel iets te worden, om in elke situatie althans enkelen te redden' (1 Kor.9:12). Hij confronteert de valse gnsis en lichamelijke ascese die de christenen uit Kolosse was opgedrongen met de ware gnsis en geestelijke ascese van Christus. Hoewel hij een spijkerhard bezwaarschrift tegen het bedrieglijke onderwijs schrijft, maakt hij gebruik van de terminologie van deze beweging en toont hen hoe

de waarheid die zij proberen te bereiken, belichaamd is in Christus, het ware 'mysterie' (of openbaring) van God. In deze brief, zo zegt men, houdt Paulus zich bezig met twee taken: de verdediging van het christelijk geloof tegenover de intellectuele wereld van het heidendom en de verdediging van het evangelie van de waarheid binnen de kerk. Als een apologist naar de heidenen was hij waarschijnlijk de eerste die deze heidense tegenstanders op eigen bodem ontmoette. Hij gebruikte daar hun begrippen om hen op christelijke wijze duidelijk te maken dat het antwoord op de problemen die zij tevergeefs zochten in hun cultus, ergens anders te vinden was, namelijk in Christus. Zijn gebruikmaking van specifieke begrippen uit de Kolossiaanse dwaalleer, weliswaar ontdaan van hun occulte lading, vormen een verklaring voor het verschil in woordgebruik van Paulus' brieven aan Kolosse en Efeze aan de ene kant en de rest van Paulus 'brieven aan de andere kant. Mogelijk is het een reactie op de Kolossiaanse dwaalleer geweest, dat Paulus zijn eerder gebruikte beeld van 'de christelijke gemeente als lichaam', heeft ontwikkeld tot het beeld dat hij in de brieven aan de Kolossenzen en Efezirs beschrijft, waar de kerk wordt gezien als het lichaam waarvan Christus het hoofd is. Op deze manier brengt hij niet alleen de onderlinge afhankelijkheid van de leden van de gelovige gemeenschap tot uitdrukking, maar hij benadrukt ook dat men ieder persoonlijk, maar ook als gemeenschap met elkaar, van Christus afhankelijk is. Van Christus ontvangt men het leven, aan hem ontlenen we ook de macht. Zo doet Paulus recht aan de hoogste autoriteit van Christus waarmee hij een godsdienstig systeem weerlegt dat het Hoofd van de gemeente berooft van zijn waardigheid. In zijn reactie op de Kolossiaanse dwaalleer ontvouwt Paulus de kosmische betekenis van Christus beter dan hij dat in zijn vorige geschriften had gedaan. Het was niet zo dat dit element ontbrak in de eerdere brieven, maar het komt later uitgebreider aan de orde. Hoewel het onderwijs van de rechtvaardiging door het geloof altijd het fundament was in het evangelie van Paulus, is daarmee niet alles gezegd. Maar in sommige kringen van het Paulinisme is men ertoe gekomen om zo uitsluitend te worden gedentificeerd met de leer zoals uiteengezet in de brieven aan de Galaten en Romeinen, dat de kosmische en fysieke aspecten van het evangelie zoals uiteengezet Kolosse en Efeze hen doen vermoeden dat dit niet door Paulus is geschreven. In feite is er in het onderwijs van Paulus ruimte voor beide en ook bij een evenwichtige evangelieverkondiging van vandaag moet deze ruimte er zijn. Het is uiterst noodzakelijk voor de moderne mens om doordrongen te zijn van de waarheid van de hoogste autoriteit van Christus, die reikt over alle machten in het universum. De mens wordt gekweld door een gevoel van onmacht tegen de meedogenloze krachten die hem tiranniseren, zonder dat hij kans ziet eraan te ontsnappen. Deze machten komen in de gedaante van het monster van Frankenstein, geesten of iemands eigen bedenksel. Het kunnen ook verschrikkingen zijn die zich buiten de bewuste controle voordoen. Ze kunnen de mens intimideren en tiranniseren en dreigen hem de vernietiging in te jagen, of hij wil of niet. Voor deze moderne mens in zijn frustratie en wanhoop is er het volle evangelie van Christus, zoals Paulus dat verkondigt aan de inwoners van Kolosse. Het is een boodschap van hoop: de gekruisigde en opgestane Christus heeft alle macht over de krachten in het universum, zowel de goede als de slechte, ze zijn allemaal onderworpen aan hem.

Als we door het geloof n worden met Christus kunnen we ons bevrijden uit de slavernij van vijandige machten en zo de volkomen vrijheid genieten. Waar komt de autoriteit over de macht van het kwaad vandaan? Het is de overwinning van Christus die wij alleen door onze nheid met Christus verkrijgen. Zijn overwinning is onze overwinning. <3> Antinomische (tegenstrijdige - dualistische) gnostiek Hoewel het standpunt werd gehuldigd dat materie onlosmakelijk verbonden is met het kwaad verzorgden de meeste gnostici het lichaam heel bewust en zorgvuldig omdat ze het zagen als een voorwaarde voor het behoud van de geest van de mens. Er waren echter enkele gnostische groepen die er anders over dachten. Het lichaam, zeiden ze, is als onderdeel van de materile orde, niet relevant voor religie. De manier waarop je er mee omgaat maakt geen verschil voor iemands geestelijke welzijn. Deze houding zou ertoe kunnen leiden dat de eigenschap van de zelfbeheersing, voor zover dat de activiteiten van het lichaam betreft, niet meer voldoende functioneert. Voor wat het praktische effect betreft kwam dit overeen met de leefwijze van degenen die vonden dat het lichaam moet worden vernederd door zich onder te dompelen in allerlei slechtheid en onreinheid . In tegenstelling tot al deze verkeerde levensopvattingen leert de apostolische onderwijzing dat het lichaam aan God toebehoort, precies zo als de geest en dat lichaam en geest moet worden toegewijd tot zijn dienst. Er is n document in het Nieuwe Testament die het meest rechtstreeks lijkt te handelen over de verscheidenheid van de antinomische gnostiek, die zelfbeheersing weigert ten aanzien van het lichamelijk leven, en dat is de kleine brief van Judas. Judas schreef dit waarschijnlijk in het laatste deel van de eerste eeuw. Hij vertelt zijn lezers dat hij van plan was om hen te schrijven over 'onze gemeenschappelijke redding', maar dat hij in plaats daarvan gedwongen werd om zijn pen te gebruiken om het evangelie te verdedigen tegen mensen die de genade van God misbruiken en die door hun losbandigheid ondermijnen. Maar Judas beperkt zich beslist niet tot passieve verantwoording. Er zijn situaties denkbaar dat het niet genoeg is om de waarheid vast te houden en toe te lichten. De strijd moet worden geleverd binnen de vijandelijke linies, zodat de dwaling kan worden aangevallen, belicht en weerlegd. Het geloof waarvoor Judas zich sterk maakt is 'het geloof dat voor eens en voor altijd aan de heiligen is overgeleverd". Het betreft hier niet een onderdeel van de waarheid maar een optelsom van alles wat het geloof omvat. Het is gebaseerd op wat de Heer aan zijn apostelen heeft doorgegeven en wat door middel van die apostelen aan zijn volk is bekend gemaakt. Want Christus is Gods allesomvattende Woord voor de mensen. God heeft niets meer te zeggen dat wat er gezegd is in Christus. Daarom zijn alle beweringen over een aanvullende openbaring op wat door Christus is bekend gemaakt (die afwijken van wat voorvloeit uit de openbaring van Christus) ongefundeerd. Dat is het geval wanneer dit wordt aangereikt in een boek dat pretendeert de bijbel te vervangen of aan te vullen, of het aannemen van buitenbijbelse vormen en tradities die door kerkelijke autoriteiten als dogma worden uitgevaardigd. Het is waar wat John Robinson van Leiden zei: 'de Heer wilde nog meer waarheid en licht uit zijn heilig Woord te voorschijn gaan brengen', maar die waarheid zal tevoorschijn komen uit het Woord dat al was gesproken, het woord dat is vleesgeworden in Jezus Christus en voor ons is opgeschreven inde bijbel. De Geest van God, die door de profeten en apostelen sprak, spreekt nog steeds door hun woorden tot ons en getuigt van Christus, de volkomen openbaring van God.

De valse leraren waartegen Judas het geloof verdedigt begonnen hun aanval niet openlijk maar waren heel ongemerkt in de christelijke gemeenschap genfiltreerd. Zij hadden hun geloof in Christus beleden, waren in zijn naam gedoopt, hadden zich bij de gemeente aangesloten, maar bleken wolven in schaapskleren te zijn. Ze gebruikten de boodschap van vergeving alsof de verlossing van Christus een vrijbrief was om naar believen te zondigen, zonder zich zorgen te maken over de gevolgen. Net zo als sommige mensen die door Paulus werden bestreden, en net als Raspoetin in het begin van de twintigste eeuw, waren ze van mening dat ze in de zonde moesten blijven opdat de genade zou toenemen. Door zo te doen, zegt Judas 'misbruiken ze de genade van God als voorwendsel voor losbandigheid'. Hun leven was volkomen vervreemd van de betekenis en kracht van het evangelie en daardoor verloochenden ze openlijk onze enige meester en Heer, Jezus Christus. Toen Judas deze woorden sprak in vers 4 van zijn brief zal hij de gedacht hebben aan wat deze mensen leerden en in praktijk brachten. Deze dwaalleer ging waarschijnlijk gepaard met een valse voorstelling van de persoon en het werk van Christus, zoals het in alle gnostische stromingen het geval is. Hoe verdedigt Judas het geloof tegenover de gelovigen die met deze leringen in aanraking waren gekomen? Ten eerste, herinnert hij zijn lezers aan personen in het Oude Testament die hij onder hetzelfde oordeel plaatst. Ook de opstandige Isralieten in de woestijn, de ongehoorzame engelen, de inwoners van Sodom en Gomorra, maar ook individuele personen, zoals Kan, Bileam en Korach vielen onder dit oordeel. Deze Oud Testamentische personen kwamen in opstand tegen God en zijn vertegenwoordigers en ontvingen daarvoor straf. Deze valse leraren miskenden de oudsten die door God in de gemeente waren aangesteld en waren op zichzelf gericht in plaats van op hun misleide volgelingen: Blinde monden, (monden die zelf niets ontvangen hebben en toch geven) die zelf nauwelijks weten hoe ze een herdersstaf moeten vasthouden en die geen kennis hebben van de werken van de trouwe herder. (John Milton, Lycidas) Ten tweede, Judas wijst erop dat de Henoch in het Oude Testament al hierover heeft geprofeteerd. Ook hebben de apostelen van Christus tevoren gewaarschuwd voor 'mensen die verdeeldheid zaaien en op het aardse gericht zijn' (vers 19). Inderdaad, hij herkent in hen de vervulling over de voorzegging van de Antichrist; als hij hen beschrijft als mensen die brallen (vers 16) gebruikt hij de woorden van Danil's beschrijving van de eigenzinnige koning, die 'tegen de God der goden lasterlijke woorden spreekt' (Danil 11:36). (Deze overeenkomst komt beter uit in
de Statenvertaling.)

Het was niet alleen Judas die in die tijd de voorlopers van de geest van de Antichrist die aan het eind van de tijden losgelaten zal worden, herkende. Johannes, zoals we zullen zien, doet het hetzelfde. Ten derde spoort Judas zijn lezers aan hun leven te bouwen op het fundament van het geloof, te volharden in gebed, te leven in de gemeenschap van Gods liefde, uit te zien naar de tweede komst en de barmhartigheid van Jezus Christus. Zo zouden hun voeten op de weg naar het eeuwige leven blijven. Zo zouden ze de valse predikers kunnen herkennen en verafschuwen en degenen die door hen misleid kunnen redden.

Ten vierde, draagt Judas de gelovigen op aan 'God die zijn volk voor struikelen kan behoeden en hen uiteindelijk onberispelijk en juichend van vreugde voor zijn majesteit zal laten verschijnen' (vs.24). De kracht van zijn aanpak is vooral dat hij zich niet beperkt tot het bestrijden van dwaalleer. De beste verdediging tegen deze verraderlijke invloeden is een nauwe relatie met de liefdevolle God en het geloof in zijn zoon Jezus Christus. <4> Docetisme De gnostische kijk op de materile wereld als onwerkelijk of essentieel kwaad komt op verschillende punten in conflict met de leerstellingen van het nieuwe testament. Het ondermijnt de bijbelse weergave van de schepping, want iets wat onwerkelijk is of wezenlijk kwaad, kan niet door God gemaakt zijn. Het ondermijnt de leer van de vleeswording van Christus, want een goddelijk wezen kon vanzelfsprekend niet leven in een stoffelijk lichaam als dat onwerkelijk was of bestond uit een inferieure substantie. Een poging om de gnostische leerstelling in overeenstemming te brengen met het apostolische onderwijs ten aanzien van Christus, was de theorie dat zijn lichaam niet een werkelijk lichaam was maar een geestverschijning. Het leek alleen maar een materieel lichaam. Het Griekse woord dokein betekent 'schijnen' of 'lijken'. Vandaar dat mensen die deze theorie aanhingen doceten werden genoemd. Maar als de vleeswording van Christus onwerkelijk was, dan kan het niet anders dan dat zijn dood en opstanding eveneens onwerkelijk zou zijn. Hiermee wordt het hele evangelie van zijn kracht beroofd. Deze docetische dwaling was een kortstondige fase in de geschiedenis van het christendom. Het heeft echter wel gevolgen gehad voor het christelijk getuigenis naar de moslims, die tot op vandaag nog merkbaar is. Want als de Koran zegt 'zij doodden hem niet en zij kruisigden hem niet, doch voor hen werd een schijnbeeld van hem gemaakt' kunnen wij daarvan afleiden dat Mohammed zijn informatie had van een christelijke bron, besmet met docetisme. Tegen het eind van de eerste eeuw waren er meerdere christelijke gemeenschappen die herhaaldelijk waarschuwingen ontvingen tegen de verkondiging van degenen die de werkelijkheid van de vleeswording van Christus ontkenden en die derhalve ook zijn komst in het vlees ontkenden. Deze mensen kunnen zich presenteren vanuit een bevoorrechte positie als erkende profeten, wiens woorden gewoonlijk werden ontvangen als ingegeven door de Heilige Geest. De christenen moesten worden gewaarschuwd dat zij slechts uit de inhoud van deze profetische woorden konden vaststellen of zij van de Heilige Geest kwamen of van een geest van een heel andere orde. Aan het begin van de tweede eeuw was er Ignatius, bisschop van Antiochi. Ondanks het feit dat hij zelf de gave van profetie bezat vond hij het nodig het profeteren in de kerken af te remmen, omdat het werd gebruikt om dwalingen te verkondigen. En nog eerder vond Johannes 'de discipel van de Heer', zoals hij in Klein Azi genoemd werd, het nodig om aan de christenen in die provincie te schrijven: 'Geliefde broeders en zusters, vertrouw niet elke geest. Onderzoek altijd of een geest van God komt, want er zijn veel valse profeten in de wereld verschenen. De Geest van God herkent u hieraan: iedere geest die belijdt dat Jezus Christus als mens gekomen is, komt van God. Iedere geest die dit niet belijdt,

komt niet van God; dat is de geest van de antichrist, waarvan u hebt gehoord dat hij zal komen nu al is hij in de wereld' 1 Joh. 4:1-3).
(d.w.z. die ontkent dat de historische Jezus van Nazareth de eeuwige Zoon van God is)

En opnieuw: 'Er zijn veel dwaalleraren in de wereld verschenen die de komst van Jezus Christus als mens niet belijden. Dat nu is de verleider, de antichrist' (2 Joh.1:7)! Het optreden van deze 'vele dwaalleraren' was een kenmerk van het 'laatste uur', de dag van de grote en laatste Antichrist (1 Joh.2:18). En vorm van docetisch onderwijs wordt geassocieerd met de naam van Cerinthus, die volgens de traditie de 'dwaalleraar' was die Johannes met name in gedachten had. De geschiedenis vertelt dat deze Cerinthus leerde dat 'de Christus' (een goddelijke macht) op de mens Jezus neerdaalde toen hij gedoopt werd en hem in staat stelde om de machtige werken te doen die zijn zending kenmerkte. Deze 'goddelijke macht' verliet hem weer voordat hij stierf aan het kruis. Dit laatste wordt goed gellustreerd door het zo genoemde 'Evangelie van Petrus' een docetisch document uit de late tweede eeuw, waarin wordt vermeld dat Jezus aan het kruis zou hebben uitgeroepen: 'Mijn kracht, mijn kracht, waarom hebt ge me verlaten?' Johannes verwerpt zijn leer, zowel in zijn evangelie en in zijn brieven, uitdrukkelijk. Als hij in 1 Joh. 5:6 zegt: 'hij, Jezus Christus, is gekomen door water en bloed niet door het water alleen, maar door het water en het bloed', denkt hij aan diegenen die leren dat Christus kwam met het water (op het moment dat Jezus gedoopt werd), maar niet met het bloed (want de goddelijke macht verliet voor zijn dood). Sommige commentatoren zien in deze woorden van Johannes een verwijzing naar de beide christelijke sacramenten, en dat is niet onwaarschijnlijk. Maar Johannes is in de eerste plaats bezorgd over de historische gebeurtenissen die aan de sacramenten ten grondslag liggen. Hij die was gedoopt was Christus, de zoon van God, hij die stierf was Christus, de zoon van God. Johannes reageert op de docetische ontwrichting van het geloof met een positieve benadering van de ware leer van Christus. Ook in zijn evangelie spreekt hij over de vleeswording van onze Heer in woorden die niet voor tweerlei uitleg vatbaar zijn. 'Het Woord is mens geworden' (Joh. 1:14). Deze tekst kan onmogelijk uitgelegd worden in docetische zin. Als er nu had gestaan 'het Woord heeft de menselijke natuur aangenomen' of 'het trok in een menselijk lichaam' dan zou hij de waarheid spreken, maar door zo ronduit aan te geven dat het woord vlees is geworden, benadrukte hij de vleeswording in woorden die geen handige theologische formule en een veelheid van interpretaties toelieten. Zoals hij in het begin van zijn evangelie de werkelijkheid van de vleeswording beklemtoont, zo maakt hij tegen het einde van zijn evangelie de realiteit van de dood van Christus duidelijk tegenover degenen die beweren dat het er alleen maar op leek dat hij stierf, of dat het niet de Christus was die stierf. In zijn verslag over de kruisiging beschrijft hij dat er een lans in zijn zij werd gestoken en 'meteen vloeide er bloed en water uit' (Joh.19:34). Dan voegt hij er aan toe: 'Hiervan getuigt iemand die het zelf heeft gezien, en zijn getuigenis is betrouwbaar. Hij weet dat hij de waarheid spreekt en wil dat ook u gelooft'. Deze plechtige verklaring is kennelijk bedoeld om te bevestigen dat: a) Christus werkelijk stierf b) met zijn dood de Oud Testamentische beloften vervuld werden

c) het bloed en het water dat uit zijn zij kwam een teken was dat overeenkomst vertoonde met 'niet door het water alleen, maar door het water en het bloed' (1 Joh.5:6). Wij kunnen en moeten ons steeds weer op de historische feiten over Jezus Christus beroepen, zowel voor de weerlegging van dwalingen als voor de verkondiging van de waarheid. Geen enkele uitspraak van welk kerkelijk gezag ook mag meer gewicht in de schaal leggen dan de verkondiging van de eenvoudige historische gegevens uit Gods Woord. Het is zoals R.C. Moberly in 1889 schreef: 'Concilies zullen er moeten zijn, en geloofsbelijdenissen, we kunnen er niet zonder, maar ze zullen volledig moeten rusten op de geschiedenis van onze Heer Jezus Christus'. De verkondiging van het evangelie in al zijn volheid en diepte, is de beste verdediging tegen pseudo-christendom. Zo geloofden de apostelen en andere christenen uit de eerste eeuw het klaarblijkelijk. Ze wisten dat het noodzakelijk was om dwalingen te weerleggen, omdat alleen zo de weg werd vrijgemaakt voor de verkondiging van de waarheid. Sommige afwijkingen van de leer waarmee ze te maken hadden zijn nog steeds actueel in onze tijd. De meest voorkomende dwaling aller tijden is dat we voor God acceptabel zijn door onze eigen werken of gewoon door fatsoenlijk te leven en ieder het zijne te geven. God kan toch niet meer van ons vragen? Ik denk dat menigeen de ervaring heeft dat, als we in eenvoudige woorden het geloof door rechtvaardiging aan iemand uitlegen, dit niet wordt begrepen. We denken dat we het heel duidelijk hebben uitgelegd en de reactie is zoiets als: 'Ja, dat is wat ik altijd al heb gezegd, we moeten doen wat we kunnen'. De totale verlorenheid van de mens ten opzichte van God, hoe hij volslagen schuldig staat en afhankelijk is van de vrije genade van God, dat we alles wat we nodig hebben vinden in Christus, deze fundamenten van het evangelie moeten vandaag aan de dag net zo met klem verkondigd worden als in de tijd dat Paulus zijn brief aan de Galaten schreef. Maar als iemand zou denken dat de christelijke vrijheid die we door de genade van Christus hebben ontvangen ons vrijstelt van ethische verplichtingen, dan slaat hij de plank mis. Dan is het hard nodig dat we hen vertellen dat het tegendeel waar is: de genade van God 'leert ons dat we goddeloze en wereldse begeerten moeten afwijzen en bezonnen, rechtvaardig en vroom in deze wereld moeten leven' (Titus 2:12). Als er een poging wordt gedaan om het christendom te 'herformuleren' naar 'new age' of andere eigentijdse vormen van kosmologische of filosofische aard, kan men niet langer van christelijk geloof spreken. Dan mogen we ons eraan herinneren dat de gelovigen uit de eerste christelijke eeuw al te maken kregen met dergelijke stromingen en van hen kunnen we leren hoe we er mee om moeten gaan. Vaak zijn zulke levensbeschouwingen voorbijgaande trends. Als het vroege christendom geheel zou zijn opgegaan in n van deze stromingen, zou het spoedig ouderwets zijn geworden. Het evangelie met zijn eeuwigheidswaarde is niet gebonden aan verouderde wereldbeschouwingen, het is in iedere eeuw actueel. 88 Het evangelie is in onze eeuw net zo reel en fundamenteel als in de eerste eeuw, omdat het tegemoet komt aan alle menselijke nood. Dat komt omdat het woord is vleesgeworden in Jezus Christus, die dezelfde is gisteren, vandaag en voor altijd.

7. Het exclusieve karakter van het evangelie. Ik kreeg eens het volgende krantenbericht onder ogen:

Een inheemse evangelist die in Soedan werkte voor de Deense zending, heeft een boete gekregen en is veroordeeld tot zes maanden gevangenisstraf voor het feit dat hij de moslims had beledigd door een preek te houden over de woorden van Jezus: "Niemand komt tot de Vader dan door Mij." De evangelist heeft verklaarde dat hij niets vijandigs over het islamitische geloof heeft gezegd en is in hoger Ik heb geen enkele informatie over de juistheid van dit bericht of de omstandigheden waaronder het incident werd gerapporteerd. Maar het tekent wel wat, volgens veel mensen, het struikelblok bij uitstek is van het christelijk geloof. (Het woord 'struikelblok' is in het Grieks 'scandalon' of weer naar het Nederlands terug vertaald: 'schandaal'. 'Het schandaal van de bijzonderheid' was een theologisch thema. Er wordt de christelijke claim mee aangeduid dat het hoogtepunt van Gods reddende openbaring is gebonden aan een bijzondere tijd, een bijzondere plaats en bovenal een bijzondere persoon.) Het christendom wil niet opgaan in of samengaan met andere religies, het wil niets afdoen van de aanspraken van Gods woord om zo met anderen mee te kunnen gaan en zo hun boodschap aan te passen. Het christelijk geloof presenteert zich op dezelfde wijze als in de eerste eeuw, als Gods onveranderlijk woord tot mensen gesproken, het verkondigt Jezus Christus als de Middelaar tussen God en mensen, zoals dat gebeurde in de eerste eeuw. De Soedanese evangelist zal gelijk hebben om vol te houden dat hij niets vijandigs heeft gezegd ten aanzien van het Islamitisch geloof, voor zover dat de wet van het land betrof. Echter, uit godsdienstig oogpunt bekeken is elke evangelieverkondiging, en in het bijzonder als die gebaseerd is op de tekst die deze evangelist koos, een onvermijdelijke botsing met een systeem dat een ander dan Christus verkondigt. Maar in zo'n botsing herkent men Christus, de woordvoerder van God bij uitstek. De boodschap van het nieuwe testament is in een door en door bijbelse wereldbeschouwing geplaatst. We hebben gezien hoe dit wereldbeeld werd gepresenteerd in de apostolische verdediging van het evangelie tegen het heidendom van de eerste eeuw. Hierin is God verkondigd als schepper van de wereld, onderhouder van het leven, Heer over de geschiedenis en rechter over allen. Jezus Christus de zoon heeft een centrale plaats in dit wereldbeeld. Hij is degene door wie alle dingen werden geschapen, in wie alle dingen samenhangen omdat hij ze in stand houdt door zijn levend en krachtig woord, die door zijn overwinning op het kwaad zich Heer van de geschiedenis heeft bewezen, en die is aangewezen door God als rechter van de levenden en de doden. En Christus openbaarde zich op aarde 'eenmaal bij de voltooiing van de tijden, om met zijn offer de zonde teniet te doen' (Heb.9:26). Het is niet zo dat de voltooiing van de tijden moest worden afgewacht, voordat hij kon verschijnen, het is eerder zo dat zijn komst en de verwezenlijking van zijn plan het moment van de voltooiing van de tijden bepaalde. Op deze manier werd de bedoeling van Gods openbaring in hem benadrukt. Er zijn twee nieuw testamentische geschriften welke, op verschillende manier, de bedoeling van het christelijk geloof duidelijk maken. We kunnen dit aspect van de christelijke apologie in de eerste eeuw het beste begrijpen als we onze aandacht bij deze geschriften bepalen.

<1> de brief aan de Hebreen In 1899 was er een voortreffelijke Schotse theoloog, A.B. Bruce, die een boek schreef onder de titel 'De brief aan de Hebreen: de eerste Apologie voor het Christendom.' Of de aanduiding 'eerste' in de titel helemaal gerechtvaardigd is, mag dan een onderwerp van discussie zijn, maar afgezien hiervan, omschrijft het in het kort wat de Brief aan de Hebreen werkelijk is. De onbekende auteur streeft ernaar om, zoals Bruce in zijn voorwoord zegt, 'de voortreffelijkheid van het Christendom te tonen aan een gemeenschap die een zeer gebrekkig inzicht heeft in de ware betekenis ervan'. De omstandigheden die ertoe leidden dat deze brief werd geschreven, moeten worden afgeleid van de inhoud ervan. Hierover zijn allerlei conclusies getrokken door verschillende lezers. En van de meest overtuigende bevindingen van deze materie die ik ken is hetgeen te lezen is in de Verhandelingen van William Manson's Baird: The Epistle to the Hebrews (Hodder & Stoughton, 1951) Volgens de schrijver was de brief geadresseerd aan een groep christenen van Joodse afkomst, die waarschijnlijk in Rome woonden. Deze brief is eerder een homilie in geschreven vorm is, waaraan aan het slot enkele persoonlijke notities zijn toegevoegd. De christenen aan wie de brief gericht was hadden de neiging om terug te kijken in plaats van vooruit; ze aarzelden om zich helemaal los te maken van het Judasme en zich onvoorwaardelijk toe te vertrouwen aan de weg die God met hen wilde gaan. Ze liepen zelfs gevaar hun eerder gestelde vertrouwen in Christus te verliezen. Dit kwam gedeeltelijk door vervolging en teleurstelling, en misschien ook wel voor een deel omdat ze waren benvloed door 'allerlei vreemdsoortige leerstellingen', die overeenkomsten vertoonden met wat er in de kerk van Kolosse gaande was. Er waren enkele schrijvers die verwantschap zagen tussen de standpunten die in de Hebreenbrief bekritiseerd werden en dat wat er in de Qumran-geschriften naar voren kwam. Maar alles wat er in dit verband kan worden gezegd is dat de Joodse gemeenschappen eerder bepaalde kenmerken hadden die wij associren met de doperse sekten van de Jordaanvallei en de Dode Zee regio, dan dat ze een binding hadden met het reguliere jodendom. De gelovigen aan wie de brief is geschreven waren geneigd af te haken van de christelijke gemeenschap met hun toekomstgerichte visie en zij hadden hun identiteit binnen het Judasme verloren Daarom onderstreept de schrijver het beslissende karakter van de christelijke openbaring, de dreigende verdwijning van de oude Joodse religie, de onmogelijkheid van opnieuw tot bekering komen voor wie afvallig is geworden (die de enige weg tot behoud heeft afgezworen), en de zaligheid van de christelijke hoop. Veel van wat de schrijver hier zegt is van toepassing op de situatie waarmee hij te maken had. Om deze reden is wel eens verondersteld dat wat hij schrijft niet op onze tijd kan worden toegepast. Een schrijver uit de twintigste eeuw meende nieuw licht op dit bijbelboek te werpen door te stellen: 'het hele boek gaat over een situatie die zich in de eerste eeuw voordeed, en die vandaag niet bestaat,' en omdat de oorspronkelijke toepassing van de brief moet worden bepaald op basis van studie en analyse van de historische achtergrond, 'kan het niets toevoegen voor de wereld van vandaag, omdat de problemen van die tijd zich nu niet meer voordoen'. Als reactie hierop mogen we zeggen dat de algemene strekking van de brief

ook nu van kracht en toepasbaar is, waar het volk van God gevaar loopt zijn geloof in hem te verliezen en dreigt terug te vallen in plaats van te groeien in geloof. Hieronder volgt een opsomming van de hoofdpunten van de brief aan de Hebreen: "Op velerlei wijzen en langs velerlei wegen heeft God in het verleden tot de voorouders gesproken door de profeten, maar nu de tijd ten einde loopt heeft hij tot ons gesproken door zijn Zoon, die hij heeft aangewezen als enig erfgenaam en door wie hij de wereld heeft geschapen. In hem schittert Gods luister, hij is zijn evenbeeld. De Zoon van God is groter dan welke profeet ook; hij is zelfs groter dan de engelen, waarvan de oud testamentische geschriften veelvuldig getuigden. De wet is door bemiddeling van engelen gegeven, en de sancties waren ernstig genoeg; hoeveel te meer is het gevaarlijk om de reddende boodschap te negeren, die niet door een engel werd gebracht, maar door Jezus, de Zoon van God! Jezus, de Zoon van God is degene aan wie de heerschappij van de wereld is gegeven voor alle tijden en ook voor de toekomende tijden. Psalm 8 leert ons dat God alles aan de voeten van de mens heeft gelegd. Daarvoor had God de mens geschapen. D eze bestemming behoorde daarom oorspronkelijk tot de natuur van de mens: onze natuur. De Zoon van God heeft het op zich genomen om deze heerschappij terug te winnen, te veroveren op de duivel, die het zich had toegeigend, en vervolgens degenen die hij in slavernij hield te bevrijden. Dit is mogelijk omdat Jezus de mens werd zoals God die bedoeld had, bovendien is hij bevoegd om op te treden als hogepriester voor zijn volk. Hij is een middelaar, een krachtig voorbidder en plaatsvervanger voor God: hij kent de beproevingen van de gelovige uit eigen ervaring en kan daarom op de juiste tijd de hulp geven die ze nodig hebben. (Maar laten we wel beseffen dat de Isralieten die tijdens de reis door woestijn opstandig waren tegen God, geen deel kregen aan de rust van het beloofde land. Maar er is een betere rust dan de rust die de Isralieten in Kanan vonden; het is de rust die beloofd is aan Gods volk. We moeten alles op alles zetten om die rust niet mis te lopen door opstandig te zijn tegen God. Het is niet meer Mozes die tot ons spreekt namens God, maar het woord komt nu tot ons door Gods Zoon, die meer is als Mozes. ) Zoals gezegd is Jezus onze grote hogepriester, die niet alleen kan meevoelen met zijn volk en hen kan helpen. We mogen met een gerust hart begrip en bevrijdende genade verwachten van degene die de kwellingen van Getsemane heeft doorstaan. Hij is door God zelf tot zijn hogepriesterlijke taak geroepen, zoals in het oude testament duidelijk werd gemaakt: 'De HEER heeft gezworen, en komt op zijn eed niet terug: 'Je bent priester voor eeuwig, zoals ook Melchisedek was'" (Ps.110:4). (Ik zou hierover nog veel meer willen zeggen, maar ik weet niet of ik dat kan. Je bent zo onvolwassen in je christelijk geloof. Ik moet je ernstig waarschuwen dat degenen die eenmaal in Christus gedoopt zijn en de zegeningen van Gods Woord en Geest geproefd hebben, en vervolgens afvallig zijn geworden, onmogelijk opnieuw bekering en vernieuwing kunnen ervaren. Niet dat ik denk dat je echt van plan bent je geloof in Christus vaarwel te zeggen, wat jou betreft ben ik vol goede hoop. Ik wil je echter op het hart drukken om, vanaf het punt dat je hebt bereikt, je te blijven uitstrekken naar de verwezenlijking van Gods beloften, om zo tot volle rijpheid te komen, in plaats van achter te blijven.) Christus is door God zelf aangesteld tot hogepriester in de orde van Melchisedek. Denk maar aan de geschiedenis van Melchisedek, waarvan in Genesis 14:18 wordt gezegd dat hij priester van God, de Allerhoogste is. Hij verschijnt plotseling, terwijl er niets over hem bekend is en er ook niets gezegd wordt over zijn latere loopbaan. Toch was hij een heel belangrijk persoon;

onze vader Abraham betaalde tienden aan hem en werd door hem gezegend. Je zou zelfs kunnen zeggen dat Levi, de voorvader van het priestergeslacht in Isral, aan Melchisedek tienden betaalde in de persoon van zijn overgrootvader Abraham. Dit houdt in dat Melchisedek belangrijker is dan Levi, en het priesterschap van Melchisedek beter is dan dat van Aron. Nu wordt ook duidelijk waarom er een priesterschap van een andere orde moest zijn. Immers, als de volmaaktheid moest worden bereikt onder het priesterschap van Aron, waarom zou God dan aan de Messias een priesterschap van een andere orde hebben toevertrouwd? Er zijn meer redenen aan te wijzen om te begrijpen dat het priesterschap van Jezus, volgens de orde van Melchisedek, van een hogere orde moest zijn dan het priesterschap van Aron. Jezus is onsterfelijk, terwijl de priesters van Aron's geslacht achtereenvolgens stierven. Jezus is zonder zonde, terwijl de priesters van Aron's geslacht eerst een zondoffer voor hun eigen zonde moesten brengen, voordat ze konden offeren voor de zonde van het volk. Hun offerdienst moest voortdurend worden herhaald, want het is slechts een bedekking voor de zonde. Het enige offer van Jezus daarentegen doet de zonde voor eeuwig weg. De Levieten verrichtten hun dienst onder het oude verbond dat werd ingesteld op de berg Sina; Jezus is de middelaar van het nieuwe verbond, waarvan Jeremia al had geprofeteerd. Het feit dat er een nieuw verbond is houdt in dat het eerdere verbond verouderd is. De priesters deden hun werk in een aards heiligdom dat behoorde tot de oude orde, waar een dik gordijn de toegang tot de goddelijke aanwezigheid versperde; Jezus vervulde zijn hogepriesterschap in het hemelse heiligdom, waar geen versperring bestaat tussen God en degenen die hem aanbidden. En dit hemelse heiligdom waar we rechtstreeks tot God kunnen gaan is het echte heiligdom, waarvan het aardse heiligdom alleen maar een kopie was. Daarom was de godsdienst van het oude testament vergeleken met de christelijke openbaring als schaduw vergeleken met de werkelijkheid. Laten we dan die oude orde wegdoen en God naderen langs deze nieuwe weg, die Jezus door zijn kruisdood voor ons heeft geopend. Laten we volharden in onze hoop en ons geloof in hem onwankelbaar vasthouden. Zo zullen zeker zijn van die eeuwige werkelijkheid die voor lichamelijke ogen onzichtbaar is, maar met geestelijke ogen zijn we in staat om vooruit te kijken en reikhalzend uit te zien naar de komst van die ne. Het was door zulk vooruitziend geloof dat de gelovigen van vroeger dagen welgevallig waren voor God, laat ons hun voorbeeld volgen. Maar nog beter, laat ons het voorbeeld van Jezus zelf volgen, want hij liep de wedstrijd van het geloof standvastig, ondanks de schande van het kruis en nu zit hij op de troon aan de rechterhand van God. Verlies de moed niet als er beproevingen komen: deze beproevingen zijn een bewijs dat we werkelijk Gods kinderen zijn. Denk aan de heerlijkheid waarmee we dit nieuwe tijdperk, waarin beloften zijn vervuld, zijn ingeleid. Deze heerlijkheid overtreft ruimschoots wat gelovigen in vroeger tijden hebben ervaren. Hou zouden we het ooit in ons hoofd halen om terug te keren naar onvolmaakte en verouderde vormen van aanbidding? Daarom, houd vast aan de christelijke belijdenis in geduld en hoop, leef zoals het een christen past en moge God, die Christus uit de dood heeft opgewekt, je helpen om in ons datgene tot stand te brengen wat hem welgevallig is." Dit is in het kort wat de schrijver wil zeggen. Men zal moeten toegeven dat veel van zijn aanwijzingen ook heel belangrijk zijn voor het christelijk geloof vandaag de dag.

Maar als we verder kijken dan wat er speelde in de eerste eeuw van het christelijk geloof, de specifieke en tijdelijke dilemma's waarin de eerste lezers zich bevonden, dan zien we toch vooral de nadruk op de kern van het evangelie. Daarom blijft de inhoud van deze brief van kracht voor alle tijden. De schrijver stelt zich op het standpunt dat Christus het exclusieve woord van God voor de mens is. Christus is de weg tot redding, de weg tot de Vader. Degenen die dit negeren of verwerpen kunnen geen andere boodschap van God verwachten, geen nieuwe heilsweg die hen vergeving of vrede brengt, buiten het offer van Christus om, dat eens en voor altijd gebracht werd. Het begrip 'eens en voor altijd' doordringt de hele brief. Het bepaalt de lezers bij 'het volbrachte werk van Christus' als een voldoende basis voor hun geloof. Dit offer, en daar zijn we zeker van, is in staat ons geweten grondig te reinigen, zodat we vrede in ons hart krijgen die in deze wereld op geen andere wijze te verkrijgen is. Hoewel de redding 'voor eens en altijd' tot voltooiing is gebracht blijft Jezus Christus dezelfde, gisteren, vandaag en tot in eeuwigheid (Heb.13:8). Al het andere verandert voortdurend; religieuze trends komen en gaan; leiders en leraren sterven; hemel en aarde zullen vergaan. "Maar u blijft dezelfde, uw jaren nemen geen einde". Dit werd gesproken door een vroegere psalmist (zie Ps. 102:28). Deze tekst wordt in Heb.1:12 toegepast op Jezus. Daarom voorziet Jezus ons van de enige stabiele basis voor ons geloof. Dat betekent zeker niet dat we voortaan een passieve houding kunnen aannemen. Integendeel, de brief van de Hebreen roept ons herhaaldelijk op om onze aandacht te richten op Jezus, op wat voor volwassenen bedoeld is, om te waken en vast te houden aan onze belijdenis. We lezen steeds weer: "laat ons." en dan volgt er een opdracht In Heb. 2:1 lezen we: daarom moeten wij al onze aandacht richten op wat we geleerd hebben, dan zullen we niet uit de koers raken." Jezus is, om zo te zeggen, het vaste punt waarop we koersen. Wij varen in de stroom van de tijd met hem mee. Alleen als we voortdurend alert zijn, kunnen we stroomopwaarts roeien om in zijn nabijheid te blijven. We kunnen ook een ander beeld gebruiken en met James Russell Lowell zeggen: Nieuwe kansen doen je leren De 'goede oude tijd' wordt slecht Steeds naar verder, hoger sferen Dan wordt de Waarheid levensecht. We zijn christenen op grond van wat God gedaan heeft op een bepaald tijdstip in het verleden. Maar deze daden van God hebben een dynamische kracht in werking gesteld die nooit zal toestaan dat christenen achterblijven of in de modder blijven steken. Het geloof dat 'eens en voor altijd' aan de heiligen is geschonken is niet iets dat we in eigen beheer naar believen kunnen hanteren. We komen in ons leven met Christus steeds weer voor nieuwe situaties te staan, waarin God ons opnieuw roept. Het was omdat Abraham een sterk geloof had in de onveranderlijke God dat hij bereid was om op weg te gaan toen God hem riep, terwijl hij niet wist waarheen hij zou worden geleid. We kunnen blijven staan bij het punt waar een gerespecteerd leraar ons in het verleden heeft gebracht, uit een misplaatst gevoel van loyaliteit. We kunnen een bepaald patroon van religiositeit in stand houden, simpelweg omdat onze ouders en grootouders daarin zijn voorgegaan. In zulke situaties is het noodzakelijk en heilzaam voor ons om naar de boodschap van de Hebreen te luisteren.

Elke nieuwe beweging van de Geest van God heeft de neiging om in de volgende generatie een gewoonte te worden. En wat we gehoord hebben met onze oren, wat onze ouders ons hebben verteld, kan een onbuigzame traditie worden, die inbreuk maakt op de trouw aan God. Onze loyaliteit zal zich alleen moeten richten op het levende en krachtige Woord van God. Als een christen de wereld van vandaag overziet, weet hij dat we het land zullen bezitten in de naam van Jezus, maar om er bezit van te nemen vraagt een ruime mate van dat vooruitziend geloof, waarop zo vurig wordt aangedrongen in de brief aan de Hebreen. De eerste lezers van die brief leefden in een tijd waarin die oude, geliefde orde omver gehaald werd. Het vasthouden aan de eerbiedwaardige tradities van het verleden baatte hen niet in deze situatie, ze moesten achter de onveranderlijke Christus aan, die voorop gaat en hen in staat stelt de nieuwe toekomst met vertrouwen en kracht tegemoet te gaan. Daarom, als de dag aanbreekt, waarop alles dat kan worden geschud, voor onze ogen en onder onze voeten zal worden geschud, laten we dan het onwankelbare en eeuwigdurende koninkrijk dat we hebben gerfd, dankbaar ontvangen. Al het andere, waarop de mens zijn hoop heeft gevestigd is gedoemd te verdwijnen zonder een spoor achter te laten. <2> Het evangelie van Johannes Tegen het einde van de eerste christelijke eeuw had het christelijk geloof zich genstitueerd in de Romeinse wereld en in het bijzonder langs de kustlijn van het oostelijke deel van de Middellandse zee. Het onderscheidde zich in leer en leven van het Judasme, waarmee het historisch gezien zo nauw verbonden was. De oorspronkelijke situatie waarin het evangelie verhaal speelde - het Isral zoals het veertig jaar vr het einde van de Tweede Joodse Staat er uit zag - behoorde nu tot het verleden. De Tweede Joodse Staat was ineengestort toen de opstand tegen Rome in een debacle eindigde. De tempel van Jeruzalem en de tempeldienst, die zo centraal stonden in de Joodse godsdienst en cultuur, waren in het jaar 70 na Christus teniet gegaan. Omdat het christelijk geloof gebaseerd was op historische gegevens, had de terminologie waarin zij gewoonlijk werd gepresenteerd, onvermijdelijk banden met de voorbije tijd. De vraag dringt zich op of een geloof waarvan de oorsprong zozeer verbonden is met een bepaalde plaats en een bepaalde tijd wel relevant is voor andere plaatsen en tijden? Dit is een kwestie die de laatste overlevende van de discipelen van Jezus bij zichzelf aan de orde stelt in het vierde evangelie. Hij kan en wil geen afstand nemen van de historische entourage die ten grondslag ligt aan het evangelie. Het was de tijd en de plaats waar de heilsfeiten hadden plaatsgevonden en hij registreert deze gebeurtenissen. Hij wil die boodschap in een vorm brengen, die zal leiden tot hun blijvende betekenis. Hij ziet zichzelf in de eerste plaats als een getuige, en wel een getuige van feiten die hij en zijn medeapostelen aan het eind van het derde decennium van die eeuw, in Isral gezien en gehoord hebben. Maar hij schrijft zijn getuigenis zo, dat men in de bredere Hellenistische wereld van het laatste decennium van de eeuw, of het nu om joden of heidenen gaat, iets kan proeven van wat hij en zijn vrienden hebben ervaren toen zij de heerlijkheid van God zagen schijnen in het leven van 'Jezus van Nazareth, de zoon van Jozef'. Het is inderdaad bewonderenswaardig dat zijn getuigenis een veel grotere wereld bereikte dan die waarvoor hij het schreef. Zelfs in de wereld van vandaag, die al twintig eeuwen christendom aan zich voorbij zag gaan, kan men nog aan zijn voeten zitten als hij het leven beschrijft van hem die het licht der mensen was en daardoor een ontmoeting van aangezicht tot aangezicht met de eeuwige Christus mag ervaren.

Het evangelie van Johannes bevat hier en daar verschillende voorbeelden van apologetiek. We hebben het al gehad over zijn verdediging van het evangelie tegen de doceten. Hij verdedigt het ook tegen bezwaren van de zijde van het Judasme en mogelijk zelfs tegen kritiek van mensen die nog steeds Johannes de Doper als de grootste gezonden leraar van God beschouwen en niet als de voorloper van n die groter is dan hijzelf. Johannes gaat moeiteloos van verdedigende apologetiek over op positieve polemiek en hij houdt niet van compromissen. Degenen die het niet eens waren met de eerbied voor zijn Meester bestraft hij, of ze nu regelrechte vijanden zijn of meelopers die, uit angst voor de Farizeen, er niet openlijk voor uit durfden te komen discipelen van Jezus te zijn, en de eer van mensen meer op prijs stelden dan de eer van God. Maar belangrijker dan deze apologetische en polemische motieven is het voornaamste doel van de evangelist, te getuigen van Jezus als het eeuwige Woord van God dat mens is geworden. Hij getuigde van God die zichzelf openbaarde in een zeer reel menselijk leven, bepalend voor de geschiedenis van deze wereld. Het Woord, de Logos, van God kwam in vroegere dagen op verschillende manieren tot de mensen, maar in Jezus werd het Woord vlees. God kon zijn Woord niet dichter bij de mensen brengen dan in een reel leven dat temidden van de mensen leefde. Daarom is, met de komst van Jezus, Gods openbaring tot voltooiing gekomen. 'Het Woord is mens (vlees) geworden' zegt Johannes, 'en heeft bij ons gewoond en wij hebben zijn grootheid gezien'. Hoe die goddelijke grootheid in Jezus zichtbaar was, vormt het thema van het evangelie. Johannes beschrijft achtereenvolgens de machtige werken van Jezus, die hij typeert als 'tekenen'. Hij wil hiermee zeggen dat het tekenen waren van de goddelijke heerlijkheid, die in Jezus werd geopenbaard. Tijdens de bruiloft te Kana, bij het graf van Lazarus, aan de oever van het meer van Galilea, en voor het Sanhedrin in Jeruzalem, en ten volle bij zijn kruisdood en zijn opstanding openbaart Jezus de heerlijkheid van God aan degenen die ogen hebben om te zien. Deze tekenen zijn n voor n beschreven en vertegenwoordigen lessen die indruk hebben gemaakt op de lezer. Jezus is degene die het leven van de mens in stand houdt, hij is het licht dat leven geeft en het brood dat leven geeft, hij geeft het levende water. De beperkte eredienst van vroegere dagen heeft plaats gemaakt voor een nieuwe orde, zonder begrenzing van tijd of ruimte. De mens mag de Vader aanbidden in Geest en in waarheid. Vergeleken met dit nieuwe verbond is het oude als water ten opzichte de wijn waarin hij het veranderd heeft. In het liturgisch jaar tijdens het oude verbond vonden bepaalde feesten plaats die verwezen naar historische feiten om de mensen aan de grote daden van God te herinneren. Dit alles is nu samengevat in de nieuwe openbaring en de redding die God in Christus tot stand gebracht heeft. Dit is allemaal zo ingesteld dat niet Joodse gelovigen zullen begrijpen dat zij in Christus volledig mogen delen in alle zegeningen die de Joodse gelovigen hebben. De tussenmuur van het oude verbond, die Isral scheidde van de volkeren, is nu afgebroken. Enkele dagen voor de kruisiging van Jezus gaven enkele Grieken, die voor de viering van Pesach in Jeruzalem waren, de wens te kennen dat zij Jezus wilden zien. De manier waarop Jezus reageerde is heel opmerkelijk. In het antwoord liet Jezus doorschemeren dat ze zeer binnenkort op dezelfde wijze vrije toegang tot hem zouden hebben, als zijn Joodse

volksgenoten. "Wanneer ik van de aarde omhoog geheven word, zal ik iedereen naar mij toe halen" (Joh.12:32). Iedereen.. dat wil zeggen: alle mensen zonder onderscheid, zowel heidenen als Joden. Men heeft vaker geworsteld met de vraag of het vierde evangelie nu bestemd was voor Joodse lezers of voor heidense lezers. Maar het was bestemd voor beide, opgeschreven opdat zij geloven dat Jezus de Messias is, de Zoon van God en opdat zij door te geloven leven door zijn naam (Joh, 20:31). Het laatste kruiswoord dat Johannes in zijn evangelie registreert is 'het is volbracht' (Joh.19:30). Veel van wat hij door zijn hele evangelie heen benadrukte bereikte een climax in dit majestueuze kruiswoord. In Jezus kwam Gods wil, zijn openbaring en zijn beloften, tot volheid. God had zijn Woord in het verleden op veel manieren doen uitgaan, maar alles wat hij bij eerdere openbaringen had bekend gemaakt, werd samengevat en vervolmaakt in de openbaring van zijn heerlijkheid, die zichtbar werd in het lijden en in de overwinning van Jezus Christus. Johannes beschrijft de kruisiging met de woorden "hoog verheven worden". Deze uitdrukking is bewust dubbelzinnig gebruikt. Het betekent zowel het omhoog brengen aan het kruis, als de verheerlijking door God. Wat Johannes op deze manier beschrijft is feitelijk hetzelfde wat de schrijver van de Hebreen brief op een andere manier zegt. De eerste drie verzen van de Hebreen zouden een samenvatting kunnen zijn van het evangelie van Johannes. Wat God vroeger door de profeten tot de vaderen had gezegd is uiteindelijk in vervulling gegaan in de openbaring van zijn zoon. De schrijver aan de Hebreen brengt zijn boodschap in de vorm van een preek, "woorden van bemoediging"(Heb.13: 22), en Johannes schrijft zijn evangelie in de vorm van een verhaal. Zijn verhaal is onmiskenbaar de oorspronkelijke apostolische prediking, en wel zo gebracht dat het zijn waarde houdt voor alle tijden. Over het langdurige verloop van Gods openbaring, zegt hij, dat plaats, tijd, geschiedenis en omstandigheden, door God waren vastgesteld. Pilatus, die van 26 - 36 jaar na Chr. Romeins landvoogd van Judea was, leverde Jezus over om gekruisigd te worden. Hij liet een opschrift voor het kruis maken waarop te lezen was: "Jezus uit Nazareth, Koning van de Joden". Het stond er in het Hebreeuws, het Latijn en het Grieks (Joh.19:19). Toen de Joodse hogepriesters tegen deze woordkeus protesteerden antwoordde hij: "Wat is geschreven heb, dat heb ik geschreven". (Joh.19:22) Johannes beschreef het antwoord van Pilatus klaarblijkelijk met een bedoeling. Waarschijnlijk wilde hij dat zijn lezers beseften dat deze woorden een veel grotere reikwijdte hadden, dan Pilatus zelf had kunnen bedenken. Maar wat kon het aan het eind van de eerste eeuw de Hellenistische lezers nu schelen wie er in het jaar 30 na Chr. koning der Joden was? Als dat de beschuldiging was waarop Jezus ter dood was veroordeeld, welke betekenis kon zijn dood dan voor hen hebben? Johannes voorzag deze moeilijkheid en bereidde zijn lezers erop voor. In zijn verslag over de ondervraging van Jezus door Pilatus, vertelt hij iets wat de andere evangelisten niet vertellen: een gesprek tussen de rechter en de gedaagde. De hogepriesters beschuldigden Jezus ervan dat hij beweerde de koning der Joden te zijn. "Zo," zei Pilatus, "dus u bent de koning der Joden. Is dat zo?" "Ik ben een koning," zegt Jezus, "maar niet in die zin zoals u bedoelt. Als mijn koningschap was zoals de wereld die kent, zouden mijn dienaren wel gevochten hebben om me te verdedigen. Maar mijn koningschap is een koningschap van waarheid. Mijn onderdanen zijn

degenen die de waarheid liefhebben en ik ben hun koning." Geen wonder dat Pilatus het gesprek onderbrak met: "wat is waarheid?" en vervolgens de ondervraging af brak. Maar als het voor de Hellenistische lezers aan het eind van de eerste eeuw niet veel uitmaakte wie er zestig jaar geleden een Joodse koning was, dan zou het voor hen toch wel heel veel moeten uitmaken of ze de waarheid van God al of niet zouden herkennen. Je kunt de vraag "wat is waarheid?" vrijblijvend stellen, en proberen om het antwoord te ontdekken zonder persoonlijke betrokkenheid. Maar je kunt ook naar waarheid zoeken omdat je ernaar verlangt en het van levensbelang acht. Dan zul je, als je de waarheid vindt, die ook vastbesloten en van ganser harte omhelzen en je eraan overgeven. Voor hen wordt de belofte van Jezus bewaarheid: "zoek en je zult vinden." Jezus komt tot hen in eigen persoon met de zekerheid dat hij de belichaming is van de eeuwige waarheid van God. Deze waarheid is essentieel voor mannen en vrouwen in elke eeuw. Want het woord is mens geworden, heeft 'onder Pontius Pilatus' voor ons mensen geleden zodat wij gered zouden worden en hij leeft tot in alle eeuwigheid. In hem is de eeuwige waarheid naar ons toe gekomen. Ieder woord van God, of we ons ervan bewust zijn of niet, kwam door middel van zijn zoon tot de mens, ieder gebed kon door hem het hart van God bereiken, ook al is men zich daarvan niet bewust. We zullen het evangelie rechtop laten staan, het verdedigen. We nemen geen genoegen met concessies die het evangelie beroven van zijn essentie of afbreuk doen aan de titel van onze Redder, namelijk "Het Woord van God". Het christelijk getuigenis van vandaag moet de echo zijn van het credo: Ik ben de weg, de waarheid en het leven. Niemand kan bij de Vader komen dan door mij" (Joh.14:6). Maar hij die aanspraak maakt op dit credo is het Woord dat mens is geworden. Hij is de personificatie van elke openbaring van de goddelijke waarheid. Het is zo overweldigend groot dat mensen dit niet kunnen vatten. Hoogstens heeft men een glimp van deze goedheid en genade die God aan deze wereld heeft gegeven, vanuit de verte opgevangen. Hij is het allesomvattende Woord, dat de oogst bijeenbrengt en elk woord dat God heeft gesproken, tot vervulling brengt. God kwam tot de mens, als mens belichaamd in de liefde, dezelfde liefde van het vleesgeworden Woord is belichaamd in de mens zodat hij God kan naderen.