You are on page 1of 5

Na het verschijnen van het boek: Zoektocht in vrijheid, raak ik vaak met mensen in gesprek over de mogelijke effecten

n van het Nederlands slavernijverleden. Zou dit verleden nazaten van slaafgemaakten nog erg benvloeden? Het antwoord hierop is al door mening onderzoeker gegeven. Elke nazaat die over het antwoord nadenkt, ervaart soms dat het een worsteling blijft, zich van dit juk uit de erfenis van het slavernijverleden te ontdoen. Het blijft zoeken naar hoe je in het dagelijkse leven onbevooroordeeld en open op te stellen. Dit merk je soms in de communicatie over en weer met nazaten van slavenhouders, bijvoorbeeld op school, op het werk, op de opleiding, in de buurt, in gesprekken op de tv e.d. Dit merk je vooral wanneer in het intermenselijke verkeer het aspect van vertrouwen geven en vertrouwen krijgen aan de orde is. Men wil zich over het algemeen onbevangen opstellen en de ander vriendelijk tegemoet treden, maar dan is er altijd weer dat hinderlijke inwendige belletje dat waarschuwt op te letten. Een lastig waarschuwingsmechanisme dat menige ouder of opvoeder, vaak onbewust en ongewild doorgeeft aan kinderen en jongeren. Hieronder een recent voorbeeld.

Het is januari 2013. Ik ga met een van mijn dochters de wekelijkse boodschappen doen bij een bekende supermarkt. Voor de deur van de supermarkt zie ik het volgende tafereel. Een meneer die de straatkrant verkoopt trapt een balletje met een voor mij op het oog uitziend Surinaams jongetje van 7 a 8 jaar. De bal blijkt van het jongetje te zijn. Hij schopt rustig en beheerst de bal naar de meneer van de Straatkrant. Deze glimlacht vriendelijk en trapt de bal steeds zachtjes terug. Ik vind het een mooi gezicht. Als ik die twee bezig zie, krijg ik een binnenpretje. Een voetbal haalt altijd de jongen in de man naar boven, waar de man ook vandaan komt. Ik geniet van het schouwspel, loop er langs en heb er geen hinder van. Ik haal een winkelkarretje. Nog voor ik mijn karretje heb losgekoppeld, hoor ik een andere meneer met een duidelijk Surinaams accent roepen: wat doe jij, we hebben een K O (letterlijke vertaling poepgat) voetbalveld achter ons huis en je gaat daar niet naar toe. Ga in die KOauto zitten, straks krijg je hier problemen. Ik schrik en keer
1

mij om, om te kijken wat er aan de hand is. De ouders van dit jongetje deden hun boodschappen in de supermarkt en waren inmiddels naar buiten gekomen. Ik zie nog net dat leuke jongetje zijn bal pakken, hij krimpt ineen, wordt nog kleiner dan hij al was en holt met zijn bal op zijn buik geklemd, de auto in. De ouders lopen met hun volgepakte winkelkar naar de auto en laden hun boodschappen in. Ze blijven echter, nu in het Surinaams, schelden op hun zoontje. Het woord KO valt in dit gescheld nog een paar keer. Ik ben zeer verbaasd dit tafereel bij een jongere generatie nog in deze heftige vorm mee te maken. Ik krijg de rillingen over mijn rug en denk: hier wordt weer de kiem gelegd bij een zwart jongetje om later een negatief zelfbeeld te hebben. Hier is een jongetje dat opgroeit met het idee dat je voorzichtig moet zijn met je witte medemens. Hier is een jongetje dat als kind niet zichzelf mag zijn. Een jongetje dat leert dat witte mensen een positie innemen die hij als zwart jongetje niet heeft. Een jongetje dat leert dat hij meer dan normaal, rekening moet houden met de bijzondere positie van zijn witte medemens. Hier is een jongetje dat opgroeit met het besef dat witte mensen de spelregels bepalen en daarom meer macht hebben. Ik krijg intens medelijden met dit jongetje, maar ook met de op het oog, aardig uitziende ouders. Hier moet ik iets mee, denk ik dan. Ik moet er iets van zeggen. Ik hoop dat de ouders oogcontact met mij maken. Ik reken hierbij op het respect dat de doorsnee Surinamer nog voor wat oudere mensen heeft. Gelukkig de vader kijkt tijdens het inpakken om en we krijgen oogcontact. Ik wenk hem met mijn hand:dimmen, dimmen, dimmen. Hij wenkt over het dak van de auto naar zijn vrouw dat ik iets zeg en ik hoor hem vragen: ken je die mevrouw? Wanneer zijn vrouw ook naar mij kijkt, ga ik over op het Surinaams: Un prakseri pikinso dat na boy na wan pikin ete. A boy habi en yeye tu. Unu no musu bari na boy na a fasi disi. Un mu taki nanga na boy meki a frestan sa no bun na a tori disi. Un boy no ben du ogri. Na prei a ben prei.

Vertaling Denken jullie er alsjeblieft een beetje aan dat het hier om een kind gaat. Die jongen heeft ook zijn gevoel. Jullie moeten niet op deze manier tegen die jongen schreeuwen. Jullie moeten met de jongen praten, zodat hij kan begrijpen wat niet goed is in deze situatie. Jullie zoon deed geen kwaad. Hij speelde gewoon. De jonge moeder antwoordt mij hierna respectvol in het Surinaams: mevrouw yu sabi toch, fa den witi suma tan. Mi sabi den suma disi. Dyonsro den witi suma o go taki na min pikin tapu. Mevrouw you sabi na fasi fu den witi suma. Ik antwoord haar: Prakser fosi dat yu boi de wan pikin nengre ete. Pikin nengre wani prei, spesrutu efu den fini wan bal. Yu nanga yu masra no musu frede den witi suma. Fu san ede un frede den witi suma so? Efu witi suma e taki wan sani di no bun, di no de na a yuisti fasi, dan yu e taki nanga den, yu mu piki den. Efu yu habi leti, yu musu taki nanga den, no frede! A boi habi en leti tu, leki fa ala pikin habi den leti ini na kondre disi. Tak nanga yu boy dat suma wani pesa na a winkri mofodoro, suma wani go na ini na winkri, ma no bari yu boy na a fasi disi. Vertaling
Mevrouw, u weet toch hoe de witte mensen zijn? Ik ken hen. Straks gaan de witte mensen over mijn kind klagen. Ik antwoord haar: Denk er eerst aan dat jullie zoon nog kind is. Kinderen willen spelen, helemaal wanneer zij een bal vinden. Jij en je man moeten niet bang zijn voor witte mensen. Waarom zijn jullie zo bang voor witte mensen? Wanneer een wit iemand iets zegt, wat niet in orde is, iets wat niet klopt, dan moet je juist met hen praten, jullie moeten antwoorden. Als je gelijk hebt, moet je met hen praten, je moet daarvoor niet bang zijn. In dit land heeft jullie zoon dezelfde rechten als alle andere kinderen. Praten jullie met je zoon, leg uit dat er mensen langs de winkel willen lopen of naar binnen willen gaan, maar schreeuw alsjeblieft niet zo tegen jullie zoon.

Mijn dochter trekt dan aan mijn jasje en zegt: ma het is genoeg, ik denk dat de boodschap is overgekomen, laten wij naar binnen gaan. Deze recente ervaring is voor mij het zoveelste pijnlijke bewijs dat wij als nazaten in mentaal opzicht nog worstelen met de erfenis van slavernij. Maar wij moeten verder! Wij kunnen elkaar helpen dit juk af te werpen. Wij moeten als nazaten op een positieve en constructieve manier leren omgaan met dat hinderlijke, maar alerte waarschuwingsmechanisme in ons. Dit waarschuwingsmechanisme mag ons niet

meer beletten onze gerechtvaardigde ruimte in de samenleving in te nemen. De


wereld is van ons allemaal. Waar wij in de opvoeding en vorming van kinderen en jongeren vooral op moeten letten, is de juiste boodschappen door te geven. Boodschappen die leren zelfverzekerd te zijn en je niet minderwaardig te voelen. Boodschappen die leren dat gekleurde kinderen er ook toe doen. Zij mogen er ook zijn. James Brown zong: Say it loud, Iam black and Iam proud! Zijn boodschap is toen tot ons doorgedrongen. We zijn zelf inmiddels al lang ervan doordrongen dat wij zwart zijn en dat dit ok. Binnen onze eigen groep voelen wij ons doorgaans trots en zelfverzekerd. Maar deze tijd vraagt van ons een basisgevoel te tonen van mens te zijn zoals alle andere mensen. Laten wij ook meer bewust worden van ons handelen en gedrag in contact met de witte medemens. In situaties waarin contact plaats vindt tussen nazaten van slaafgemaakten en nazaten van slavenhouders komt het nog vaak voor dat onbewuste innerlijke mechanismen over hirarchische rangorde tussen ons als nazaten, ons als mens verhinderen objectief te reageren op wat goed en fout is. Subjectieve onderliggende gevoelens die duiden op ons slavernijverleden spelen in deze situaties vaak nog een te grote rol in onze houding en gedrag.

Dit moet ergens ophouden! Wij meten na 150 jaar afschaffing Nederlandse
slavernij verder! Volgende generaties moeten die mentale ballast uit onze gezamenlijke historie helemaal van zich af kunnen werpen. Als mens van deze
4

wereld is het de bedoeling dat ook wij als mensen optimaal leven en ten volle tot bloei komen. Anas Nin ( 1903-1977), schrijfster van Franse oorsprong schreef: And the day came when the risk it took to remain right in a bud, was more painful than the risk it took to blossom.

Dat dit in onze tijd onze richtlijn mag zijn.

Rotterdam, februari 2013 Mildred Uda-Lede