You are on page 1of 17

Proefaudit

Instellingstoets kwaliteitszorg, Vrije Universiteit

QANU, januari 2013

QANU / Proefaudit Instellingstoets kwaliteitszorg, VU

Uitgave: Quality Assurance Netherlands Universities (QANU) Catharijnesingel 56 Postbus 8035 3503 RA Utrecht Telefoon: Fax: E-mail: Internet: 030 230 3100 030 230 3129 info@qanu.nl www.qanu.nl

2013 QANU / Q424 Tekst en cijfermateriaal uit deze uitgave mogen, na toestemming van QANU en voorzien van bronvermelding, door middel van druk, fotokopie, of op welke andere wijze dan ook, worden overgenomen.
2

QANU / Proefaudit Instellingstoets kwaliteitszorg, VU

Inhoudsopgave

1. 2. 3.

Inleiding en werkwijze van het panel De Kritische Zelfreflectie NVAO-standaarden

5 7 9 9 10 12 13 13 15 17

3.1 Standaard 1: Visie op de kwaliteit van het onderwijs 3.2 Standaard 2: Beleid 3.3 Standaard 3: Resultaten 3.4 Standaard 4: Verbeterbeleid 3.5 Standaard 5: Organisatie- en besliscultuur 4. Mogelijke trails 5. Conclusie

QANU / Proefaudit Instellingstoets kwaliteitszorg, VU

QANU / Proefaudit Instellingstoets kwaliteitszorg, VU

1. Inleiding en werkwijze van het panel


De Vrije Universiteit is bezig met de voorbereidingen op de Instellingstoets Kwaliteitszorg (ITK), die zal plaatsvinden in het voorjaar van 2013. De Vrije Universiteit heeft QANU gevraagd om een proefaudit voor de instellingstoets te organiseren. QANU heeft, in overleg met de Vrije Universiteit, een panel samengesteld dat de proefaudit heeft uitgevoerd. drs. J.G.F. Veldhuis, voormalig voorzitter van het College van Bestuur van de Universiteit Utrecht; ir. R.J. de Wijkerslooth, voormalig voorzitter van het College van Bestuur van de Radboud Universiteit; drs. A. Babeliowsky; projectleider Instellingstoets aan de Universiteit van Amsterdam; L. Gooskens, voorzitter Centrale Studentenraad van de Universiteit van Amsterdam.

Het panel werd ondersteund door drs. M.M. Frederik en S. Rooijakkers van QANU. Het panel bracht op 11 januari 2013 een bezoek aan de Vrije Universiteit en voerde gesprekken met vertegenwoordigers van verschillende niveaus binnen de instelling. Tijdens dit bezoek werd de eerste dag van de instellingstoets kwaliteitszorg zo goed mogelijk nagebootst, zodat de vertegenwoordigers van de Vrije Universiteit zich een goed beeld konden vormen van de onderwerpen die tijdens een instellingstoets aan de orde kunnen worden gesteld en van de manier waarop zij door een panel kunnen worden ondervraagd. Op het eind van de dag rapporteerde het panel bij monde van zijn voorzitter aan het College van Bestuur c.s. kort de hoofdpunten van zijn bevindingen. In dit rapport levert het panel in aansluiting op de mondelinge rapportage feedback op de mate waarin de VU in control is en doet het voorstellen voor verbetering van de conceptversie van de kritische reflectie die als basis voor het bezoek zal dienen. Ook geeft het panel feedback op het optreden van de vertegenwoordigers tijdens de verschillende gesprekken. Deze feedback heeft zowel betrekking op inhoudelijke aspecten (de antwoorden die het panel ontving) als op de vorm van het optreden (zoals houding, toon, gespreksvoering). Tot slot geeft het panel ook voorbeelden van audittrails die gekozen zouden kunnen worden.

QANU / Proefaudit Instellingstoets kwaliteitszorg, VU

QANU / Proefaudit Instellingstoets kwaliteitszorg, VU

2. De Kritische Zelfreflectie
Het panel heeft voorafgaand aan de proefaudit de Kritische Zelfreflectie (KZR) ontvangen. Daarnaast heeft het onder meer de Onderwijsvisie van de Vrije Universiteit bestudeerd, en de rapporten van een eerder uitgevoerde audit. Algemene opmerkingen Het panel adviseert de VU om de testimonials weg te laten, of in elk geval minder prominent te maken. De testimonials doen af aan de inhoud van de KZR, en geven de KZR een glossy karakter. Het panel is van mening dat dit een verkeerde indruk kan wekken. Het panel is van mening dat de onderwijsvisie zoals beschreven in de KZR onvoldoende concreet en coherent is. Over de verschillende hoofdstukken worden diverse componenten genoemd, maar de onderlinge samenhang is onvoldoende duidelijk. Het panel adviseert om bij Standaard 1 de onderwijsvisie in zijn geheel op te tekenen. De integrale samenhang van centraal versus decentraal beleid zou volgens het panel coherenter voor het voetlicht moeten worden gebracht (zie hiervoor ook 3.5). De KZR moet volgens het panel inzichtelijker maken, welk beleid stamt uit het verleden of wordt beoogd voor het heden en/of de toekomst. De huidige a-chronologische weergave geeft, volgens het panel, onduidelijkheid over de status van de genoemde maatregelen. Er is de laatste jaren een flink aantal beleidsplannen geschreven, waarin volgens het panel onvoldoende duidelijkheid wordt gegeven over de samenhang en consistentie en de beoogde tijdsperiode waarin deze plannen moeten worden uitgevoerd. In relatie daarmee merkt het panel op dat uit de verschillende projecten en plannen geen heldere prioritering naar voren komt. Het panel adviseert om de verschillende stukken beter op elkaar af te stemmen, de plannen meer in relatie tot elkaar te bespreken en te expliciteren welke plannen prioriteit genieten. Het panel adviseert om duidelijker weer te geven wat de relatie is van de vijf kernmerken met de genoemde vijf prioriteiten (paragraaf 1.2). In de KZR staan weinig concrete facts (bijvoorbeeld componenten) & figures (meetbare indicatoren en streefcijfers). Ook valt het het panel op dat de KZR met name informatie geeft over formele processen en procedures, en in mindere mate over de concrete inhoud van het onderwijs en de zorg voor de kwaliteit ervan. Het panel heeft daarnaast geconstateerd dat de KZR over enkele zaken geen informatie verschaft. Zo ontbreekt informatie over de samenwerking met de Universiteit van Amsterdam. Verder gaat de KZR niet in op het rumoer waarin de VU als geheel en met diverse onderdelen zich bevindt, en de aandacht die de media daarvoor hebben gehad. Ook al is dit wellicht niet van invloed op de onderwijsvisie van de VU, het panel is van mening dat openheid hierover bijdraagt aan het zelfkritische karakter van het rapport.

QANU / Proefaudit Instellingstoets kwaliteitszorg, VU

QANU / Proefaudit Instellingstoets kwaliteitszorg, VU

3. NVAO-standaarden
In dit hoofdstuk beschrijft het panel zijn bevindingen aan de hand van de vijf NVAOstandaarden uit het kader van de Instellingstoets kwaliteitszorg, mede op basis van de gevoerde gesprekken. 3.1 Standaard 1: Visie op de kwaliteit van het onderwijs

Het panel adviseert de VU om de onderwijsvisie te beschrijven aan de hand van het meer gebruikelijke onderscheid instroom, doorstroom en uitstroom van studenten. De daaruit volgende samenhangende verdeling van functies, taken, rechten en plichten van docenten, studenten en andere betrokkenen kunnen aan dit onderscheid worden opgehangen. Het draagvlak voor de visie roept overigens vragen op. De melding in de KZR dat niet alle faculteiten de onderwijsvisie onderschrijven is weliswaar eerlijk, maar met het oog op het voornaamste criterium van de instellingsaudit uitermate riskant. Het panel constateert ook dat enkele belangrijke componenten ontbreken. Het panel verwacht, gezien de grote uitval en de aard van de instroom aan de instelling, uitspraken over instroom en opvang en begeleiding in het eerste jaar. Dit zou gedifferentieerd moeten worden naar vooropleiding en clusters van opleidingen (alfa, bta, gamma, medisch). Zoals ook vermeld in hoofdstuk 2, moet de integrale samenhang van centraal versus decentraal beleid volgens het panel coherenter voor het voetlicht worden gebracht. Het is onduidelijk wat de balans is tussen universiteitsbrede eenheid en de ruimte voor differentiatie daarbinnen. Het panel signaleerde dat dit onder meer de uniforme jaarkalender betreft, het onderwijsmodel, de instroom van vwoers en hboers, de bachelor- en masteropleidingen en de verschillende faculteiten (alfa, bta, gamma, medisch). De onderwijsvisie van de VU is voor het panel na de verschillende gesprekken enigszins duidelijker geworden dan uit KZR. Tijdens verschillende gesprekken leek verwarring te bestaan over wat de visie is en welke prioriteiten zijn benoemd. Over het algemeen wordt het Instellingsplan (IP) als uitgangspunt voor de onderwijsvisie gezien. Het IP is vertaald in richtlijnen, waarvan momenteel de implementatie wordt ingezet. De betrokkenen met wie het panel sprak vinden de doelstellingen in het IP concreet en meetbaar. Het panel heeft geconstateerd dat de VU volop in beweging is. Het panel heeft hierbij een duidelijke aanzet tot prioritering bespeurd. De komende periode wordt de nadruk gelegd op onderwijskwaliteit, bedrijfsvoering en de samenwerking met de UvA. Het panel heeft vastgesteld dat het een goede zaak is, dat de onderwijskwaliteit bovenaan de prioriteitenlijst staat. Toch lopen er nog veel zaken naast elkaar; de bouwplannen, de reorganisatie van de ondersteunende diensten en de samenwerking met de UvA vergen de nodige (bestuurlijke) aandacht. Het panel heeft geconstateerd dat het onderwijs te lang secundair is geweest. Het panel heeft vastgesteld dat de onderwijsvisie nog niet voldoende in samenhang helder is. Dit geldt niet alleen voor het panel; ook verschillende geledingen binnen de universiteit konden de onderwijsvisie desgevraagd niet verwoorden. Van een breed draagvlak voor een visie kan, naar de waarneming van het panel, dan ook niet worden gesproken. Het panel heeft gezien dat een visie op wat de identiteit van de VU is, zich momenteel wel aftekent. Een deel van de vertegenwoordigers met wie het panel heeft gesproken, liet weten zich te herkennen in de community of learners. Diverse vertegenwoordigers gaven aan niet te weten wat er met deze duiding is gebeurd, maar zich er wel degelijk in te herkennen. Het ligt volgens het panel voor de
QANU / Proefaudit Instellingstoets kwaliteitszorg, VU 9

hand om de community of learners weer te betrekken bij haar onderwijsvisie. Een belangrijk deel van de identiteit van de VU zal, zo constateert het panel na de gesprekken, zijn dat de VU een emancipatieuniversiteit is met een breed en ruimhartig toelatingsbeleid dat ruimte biedt voor een studentenpopulatie met uiteenlopende religieuze, culturele en sociale achtergrond. Dit werd door nagenoeg alle gesprekspartners benoemd. Een belangrijk aspect dat terecht ook door meerdere vertegenwoordigers werd genoemd is de VU als research universiteit. Het principe van de academische kern past hier volgens het panel goed in. Op de omvang en invulling van de academische kern lijkt echter geen uniforme visie te bestaan. Het panel vindt het niet problematisch dat de academische kern aan verschillende faculteiten een eigen invulling krijgt. Buiten dat onderwijskwaliteit de prioriteit moet krijgen, is er geen consensus over de richting waarop het onderwijs zich moet ontwikkelen. Het panel adviseert de instelling met klem om de visie nader uit te werken, en te concretiseren in een integraal en coherent onderwijsmodel, en er goed over te communiceren en mede daardoor draagvlak te creren. Duidelijkheid dient ook te bestaan over de balans wat centraal wordt geregeld en voorgeschreven, en waar ruimte voor differentiatie op decentraal niveau bestaat. Onvoldoende duidelijk is voor wie de VU voornamelijk het onderwijs aanbiedt en wat het voornaamste doel van het onderwijs is. Van oudsher is de VU een universiteit die zo veel mogelijk studenten toelaat, maar dit imago lijkt te botsen met bijvoorbeeld het BSA, dat zorgt voor een niet geringe heenzending na het eerste studiejaar in de bachelorfase. Dit speelt vooral in grote opleidingen. De BSA geniet overigens een breed draagvlak. Dit kan volgens het panel nog sterker worden neergezet in de KZR. Het emancipatoire element van de (impliciete) visie op de instroom roept nog discussies op. Het feit dat zo veel mogelijk studenten worden toegelaten, heeft volgens sommigen een negatief effect op het studieklimaat. Het panel heeft geconstateerd dat de visie op het masteronderwijs een brede instroom en een internationale orintatie omvat. Men gaat ervan uit dat alleen een wetenschappelijke bacheloropleiding, wel of niet direct na afronding, wordt vervolgd met een academische masteropleiding. Desondanks lijkt de VU de instroom vanuit hbo-opleidingen te willen behouden. De wens om de helft van de instroom in de masteropleidingen te laten bestaan uit van buiten de VU instromende studenten, roept de vraag op of het een doel van de VU is om een deel van de afgestudeerde bachelorstudenten kwijt te raken. Wanneer het doel is om de bachelorstudenten te laten doorstromen naar de master, en eenzelfde aantal internationale studenten te werven, is verdere groei een impliciete doelstelling. Het panel wijst erop dat verdere groei niet kan rekenen op draagvlak binnen de instelling. Wanneer het de bedoeling is dat studenten na de bacheloropleiding uitstromen, moet er zicht op zijn waar deze studenten naartoe gaan. Tot slot is de mate waarin de masteropleiding moet kwalificeren voor de arbeidsmarkt nog niet voldoende geconcretiseerd in de stukken die het panel heeft bestudeerd. Conclusie Op basis van bovenstaande zal een officieel NVAO-panel geen voldoende kunnen geven op Standaard 1. 3.2 Standaard 2: Beleid

Het panel heeft met de opstellers van de KZR geconstateerd dat er sprake is van relatieve achteruitgang van de VU op het gebied van de kwaliteit van het onderwijs. Er wordt ontegenzeggelijk veel beleid ontwikkeld, maar beleid dat niet direct bijdraagt aan het realiseren
10

QANU / Proefaudit Instellingstoets kwaliteitszorg, VU

van de zeer impliciete onderwijsvisie. Er is teveel beleid op terreinen die geen prioriteit genieten. Het beleid is lang gericht geweest op groei. Op enkele faculteiten heeft dit tot onrust en onvrede geleid; dit verdient aandacht. Ook is bij het implementeren van beleidsplannen geen logische volgorde gehanteerd, waardoor de kwaliteit van het onderwijs niet de prioriteit heeft kunnen krijgen. Het panel heeft verder geconstateerd dat het gebrek aan visie in het onderwijsmodel zichtbaar wordt in het beleid, dat weinig coherent is. Het panel heeft bij haar beoordeling van deze standaard bijzondere aandacht besteed aan de centraal gestelde kaders, en de decentrale invulling daarvan. In de stukken wordt, zoals ook in het vorige hoofdstuk geconstateerd, niet duidelijk omschreven welke ruimte bestaat om binnen de gestelde kaders te differentiren. De personen met wie het panel sprak tijdens de proefaudit konden hierop ook geen eenduidig antwoord geven. Onderwijs Voor wat betreft de instroom heeft het panel geconstateerd dat er veel activiteiten worden ondernomen, vooral in het eerste jaar. Het BSA is universiteitsbreed ingevoerd. Zoals ook bij Standaard 1 vermeld, ziet het panel hier een best practice van een centrale visie, die breed wordt gedragen binnen de instelling en die effectief is ingevoerd. Om te waarborgen dat het taalniveau van de studenten voldoende is voor het succesvol doorlopen van een opleiding aan de instelling, moeten studenten in het eerste semester een taaltoets doen. Het hangt van de desbetreffende faculteit af of een remedirende cursus met een voldoende moet worden gehaald om de opleiding te vervolgen. Voor eerste generatiestudenten, dus niet alleen voor niet-westerse studenten, wordt een summercourse aangeboden. Ook zijn er studentcoaches voor deze groep. Het deelnemersaantal zou volgens verschillende betrokkenen moeten toenemen om het effect te vergroten. Het panel heeft geconstateerd dat deze initiatieven aansluiten op de impliciet gedragen visie van VU als emancipatoire universiteit. Ondanks dat deze emancipatoire doelstelling door velen wordt onderschreven, constateert het panel dat er een fors spanningsveld is ontstaan. De laatste jaren heeft de grote groei van de studentenpopulatie duidelijk zijn weerslag gehad op de organisatie, waardoor er geluiden opgaan om vooral de getalenteerde en gemotiveerde studenten binnen te halen. Bij sommige opleidingen is een numerus fixus ingevoerd. De grote omvang van sommige masteropleidingen is een probleem. Men stuurt op een balans tussen bachelors en masters, en een verhoging van de internationale instroom in de masteropleidingen. Doorstroom Er is een uniforme jaarkalender ingevoerd. Over het minimaal aantal contacturen per week, waarover afspraken zijn gemaakt, bestaat geen discussie. Niet alle faculteiten doen mee aan het verplichtende karakter van het onderwijs, dat het CvB beoogt. Het panel heeft geen signalen gekregen dat de verankering van het onderzoek in het onderwijs niet in orde zou zijn. Zij kan daarentegen niet vaststellen dat hierop actief wordt gestuurd. Alle bacheloropleidingen verzorgen inmiddels vijf vakken waarin onder meer filosofie en methodologie aan de orde komen. De academische kern wordt op verschillende manieren ingevuld door de faculteiten. Het panel meent dat de academische kern een goed voorbeeld is van kaderstelling op centraal niveau met decentrale invulling. Uitstroom Per opleiding wordt bepaald of alumni worden gevolgd. Studenten vinden het beroepsperspectief steeds belangrijker, docenten willen dan ook dat dit o.m. via alumnibeleid aandacht krijgt.

QANU / Proefaudit Instellingstoets kwaliteitszorg, VU

11

Docenten In de gesprekken die het panel tijdens het bezoek voerde werd duidelijk dat alle docenten over een BKO moeten beschikken, en een taaltoets Engels moeten doen. Het panel is hierover positief en adviseert de VU om de desbetreffende passages in de KZR aan te vullen. Voorzieningen Door de groei die de VU de laatste tien jaar heeft doorgemaakt zijn de voorzieningen een stevig knelpunt geworden. Er is duidelijk sprake van achterstallig onderhoud; dit werd tijdens de proefaudit door alle gespreksdelegaties benoemd. Het panel constateert dat wordt geworsteld met de prioriteiten die moeten worden gesteld. Immers, de kwaliteit van het onderwijs geniet de hoogste prioriteit, maar de voorzieningen zijn in zekere zin een voorwaarde om dit onderwijs te kunnen bieden. Het panel heeft gesproken over de voorzieningen die de VU kan bieden aan studenten met een functiebeperking. Er is veel gebeurd aan de bereikbaarheid van de gebouwen. In samenwerking met studieadviseurs worden ook studenten met andersoortige beperkingen ondersteund. Zo worden er cursussen aangeboden voor dyslectische studenten. Voor studenten met ADHD is er een buddyproject. Het panel is van mening dat de VU op dit punt aan de eisen voldoet. Het panel merkt op dat de VU met de gebedsruimtes voorziet in de ondersteuning van haar interculturele en interreligieuze visie. Ook is er een cordinator voor diversiteit, die discussiebijeenkomsten en dergelijke organiseert. Diversiteit maakt bij sommige faculteiten deel uit van het BKO. Een gehoorde doelstelling op gebied van grootschalig tegenover kleinschalig onderwijs, wordt niet overal gerealiseerd, omdat de campus daar nog niet toe is uitgerust. De Faculteit der Rechtsgeleerdheid heeft hier een oplossing voor gevonden, door een verschil te maken tussen intensief en extensief onderwijs. Conclusie Op basis van bovenstaande zal een officieel NVAO-panel geen voldoende kunnen geven op Standaard 2. 3.3 Standaard 3: Resultaten

Het viel het panel op dat niet iedereen met wie zij sprak, de resultaten scherp op het netvlies heeft. Zo wist men niet goed wat de resultaten waren van het BSA, waar afgestudeerden terecht komen of wat de resultaten zijn van studenten die deel hebben genomen aan de summercourse. Zeker van het BSA, dat met recht een succes genoemd mag worden, had het panel verwacht dat de gesprekspartners de resultaten paraat zouden hebben. Het wekt tijdens een audit een steviger indruk wanneer men kan laten zien van dergelijke zaken op de hoogte te zijn. Het panel merkt op dat er veel is gekwantificeerd, en de managementinformatie is in orde. Wel kan er nog beter worden gewerkt met de beschikbare managementinformatie, en kan de informatie inzichtelijker worden gemaakt in de KZR. In de KZR zou duidelijker omschreven moeten worden hoe de VU zicht heeft op de informatie, die moet bijdragen aan het realiseren van de onderwijsvisie. Het is nu niet duidelijk waarop wordt gestuurd. Het panel adviseert de VU om in de KZR meer aandacht te besteden aan de resultaten van de NSE. Verder vernam het panel dat door het buddy-project voor studenten met ADHD, er een

12

QANU / Proefaudit Instellingstoets kwaliteitszorg, VU

toename is geweest van studenten met ADHD. Dit resultaat onderstreept de emancipatoire doelstelling van de VU, en zou daarom aan de orde kunnen komen in de KZR. Het panel vindt dat er momenteel onvoldoende zicht is op waar de alumni zich bevinden. Het panel adviseert de VU om in ieder geval gebruik te maken van de tweejaarlijkse ROA-enqute waar ook de VU aan deelneemt, en waar zeker voor de grotere opleidingen beperkte maar toch waardevolle informatie aan te ontlenen is. Conclusie Op basis van bovenstaande zal een officieel NVAO-panel een voldoende, met enkele aanbevelingen, kunnen geven op Standaard 3. 3.4 Standaard 4: Verbeterbeleid

Het panel constateert dat er continue sprake is van verbeterbeleid. Zij benadrukt dat het van belang is dat de verbetermaatregelen bijdragen aan het verbeteren van de onderwijskwaliteit. De voorbereiding op de Instellingstoets Kwaliteitszorg heeft geleid tot verbeteringen. Resultaten van evaluaties worden nu bijvoorbeeld structureler besproken, ook in het kader van bevorderingen, jaargesprekken, etc. De verbetermaatregelen verschillen per faculteit. Er zijn maatregelen genomen om het premastertraject minder arbeidsintensief en steviger neer te zetten. Ook is een numerus fixus ingevoerd bij sommige opleidingen. Verder worden bij veel opleidingen remedirende cursussen aangeboden. In een enkel geval moet de student dat zelf betalen. Het panel merkt op dat sommige van deze maatregelen de emancipatoire doelstelling van de VU niet ondersteunen en vraagt aandacht voor een expliciete visie op dit gebied. Men is zich ervan bewust dat de groei van de studentenpopulatie problemen met zich meebrengt. De voorzieningen staan onder spanning (computerzalen, rijen bij lift, studieplekken). De VU is actief bezig met verbeterbeleid op dit punt. Naar aanleiding van de positieve effecten van de BSA is de brandbreedte daarvan verhoogd. Dit is gebeurd met instemming van alle betrokkenen. Ook wordt het BKO verplicht ingevoerd voor de zittende staf. Het panel is positief over deze maatregelen en benadrukt dat dit steviger mag worden aangezet in de KZR. Conclusie Op basis van bovenstaande zal een officieel NVAO-panel een voldoende kunnen geven op Standaard 4. 3.5 Standaard 5: Organisatie- en besliscultuur

Het panel is onder de indruk van de aandacht van de Raad van Toezicht, ondanks zijn minimale bezetting, voor de bestaande problemen binnen de VU en voor de noodzaak het onderwijs en zijn kwaliteit prioriteit nummer n te laten zijn. Met een spoedig te completeren Raad kan deze steun nog steviger worden. Het panel heeft voorts geconstateerd dat er meer en doelgerichter overleg nodig is tussen CvB en faculteiten. Het CvB moet niet eenmaal, maar minstens tweemaal per jaar met elk Faculteitsbestuur overleg voeren. Bij deze twee overleggen is het belangrijk dat het voltallige CvB deelneemt, ter garandering van de eenheid. De visie op het onderwijs en de samenhang binnen
QANU / Proefaudit Instellingstoets kwaliteitszorg, VU 13

de instelling moet, mede op die manier, beter uit de verf komen. Ook wordt het CvB op die manier zichtbaarder op de werkvloer. Naast deze overleggen kunnen nog andere plaatsvinden, zoals nu ook het geval is. Het panel adviseert minder deeloverleggen te voeren, en vaker integraal te overleggen. Dat wil zeggen, vaker overleggen over alle aspecten die de onderwijsvisie en de realisatie daarvan betreffen. Het panel constateerde dat gesprekken die worden gevoerd over de resultaten van het beleid grondig worden voorbereid aan de hand van de beschikbare informatie, maar dat men vervolgens niet structureel ingaat op de cijfers en de implicaties ervan. Verder constateerde het panel dat sommige faculteiten frequenter contact hebben met het CvB dan andere. Het hanteren van verschillende structuren voor verschillende faculteiten haalt de eenheid uit de universiteit. Het panel pleit dan ook voor gelijke overlegstructuren voor alle faculteiten. Het is het panel niet geheel duidelijk geworden in welke mate de centraal gestelde kaders, op decentraal niveau ingevuld kunnen worden en in welke mate er vrijheid bestaat tot differentiatie. Het panel heeft geconstateerd (zie 3.2) dat in sommige gevallen hier succesvol mee wordt omgegaan, maar heeft niet kunnen vaststellen dat hiervoor structurele richtlijnen worden gegeven. Het panel signaleerde dat er veel nadruk wordt gelegd op formele processen en dat men veel vertrouwen legt in richtlijnen, handboeken en procedures. Er bestaat weinig aandacht voor intensieve informele contacten, vooral niet voor contacten tussen de leiding en de werkvloer. Voor wat betreft het overleg met de medezeggenschap adviseert het panel om, buiten de twee verplichte Gezamenlijke Vergaderingen per jaar, meer gezamenlijke vergaderingen met de Studentenraad en de Ondernemingsraad te beleggen. Ook dit bevordert de eenheid, bovendien is het efficinter dan de huidige gescheiden overleggen. Er heerst niet altijd consensus tussen verschillende bestuurlijke lagen onderling, en tussen de lagen naar elkaar. Er heerst, zo constateert het panel, geen gemeenschappelijk gevoel. Dit zou moeten worden vergroot. Het panel vermoedt dat wanneer de zichtbaarheid van het CvB vergroot wordt door frequenter voltallig overleg met faculteiten, dit kan worden bewerkstelligd. Maar ook informele contacten en activiteiten van diverse aard kunnen het gemeenschapsgevoel, het esprit de corps, vergroten. Het panel heeft vastgesteld dat er veel zaken door elkaar lopen. Projecten worden veelal niet afgemaakt; er is veel in gang gezet maar het lijkt niet te beklijven. Mede hierom adviseert het panel om duidelijke prioriteiten te stellen en deze actief te communiceren en uit te dragen. Tot slot wil het panel ingaan op de algehele sfeer tijdens de proefaudit, en de houding van de gespreksdeelnemers tijdens de gesprekken. Het panel constateerde dat uit de houding van haar gesprekspartners geen eensgezindheid naar voren kwam. Het veroorzaakt onzekerheid bij medewerkers en bij het onderwijspersoneel op de werkvloer. Dit bemerkte het panel niet alleen bij de delegaties onderling, maar ook door de manier waarop de delegaties spraken over andere delegaties. Het is duidelijk dat er weinig in teamverband wordt geopereerd. Het panel nam ook diverse keren een soort boosheid in de bestuurlijke gremia waar. Het panel vindt dit zorgelijk. Conclusie Op basis van bovenstaande zal een officieel NVAO-panel geen voldoende kunnen geven op Standaard 5.

14

QANU / Proefaudit Instellingstoets kwaliteitszorg, VU

4. Mogelijke trails
Bij de Instellingstoets Kwaliteitszorg die de Vrije Universiteit in het voorjaar van 2013 ondergaat, zullen trails worden uitgezet. De volgende trails zouden zijn uitgezet door het panel van de proefaudit: 1. Diversiteitsbeleid aan de Faculteit der Rechtsgeleerdheid; hoe wordt aan deze faculteit omgegaan met de gedifferentieerde instroom? 2. Verankering van onderzoek in het onderwijs aan de Faculteit Economische Wetenschappen en Bedrijfskunde; op welke manier waarborgen deze opleidingen dat onderzoek een grote rol speelt in het onderwijs?

3. Realisatie van de onderwijsvisie bij de bachelor- en masteropleiding Geschiedenis. In hoeverre is het onderwijsmodel wel of niet afgeleid van de VU-onderwijsvisie en in hoeverre krijgt deze visie dan zo concreet mogelijk gestalte in het gehanteerde onderwijsmodel (de vele en diverse componenten van in-, door- en uitstroom, met nadruk op de vorm en inhoud van het curriculum en op de inzet hierbij van docenten en studenten; extra aandacht voor verband instroom-diversiteit en beleid in 1e jaar)? Het panel constateert dat meerdere onderwerpen aanleiding zouden kunnen geven voor nader onderzoek: 1. de gedragenheid van de visie (is die gedragen en wat heeft het CvB daaraan gedaan), 2. de kwaliteitscultuur (waaruit blijkt die en wat heeft het CvB gedaan om de kwaliteitscultuur te verstevigen), 3. de samenhang tussen centraal en decentraal beleid (is nu duidelijk wat harde centrale eisen zijn waar iedereen aan moet voldoen en waar vrijheid bestaat om zaken decentraal anders in te richten) 4. het allocatiemodel (is dat effectief en geldt dat voor zowel grote als kleine faculteiten) 5. de kwaliteit van besluitvorming.

QANU / Proefaudit Instellingstoets kwaliteitszorg, VU

15

16

QANU / Proefaudit Instellingstoets kwaliteitszorg, VU

5. Conclusie
Het panel heeft geconstateerd dat er een gebrek aan consistentie in beleid bestaat, waardoor ook de KZR weinig coherentie vertoont. Verder heeft het panel geconcludeerd dat een gebrek aan gedeelde opvattingen leidt tot onzekerheid bij ondersteunende staf en personeel op de werkvloer en boosheid in de meer bestuurlijke gremia. Ook de onduidelijkheid over de decentrale differentiatie van de centraal gestelde kaders, de nadruk op formele processen en het gebrek aan aandacht voor informele contacten, spelen de VU parten. Het panel heeft vastgesteld dat, wanneer de Instellingstoets Kwaliteitszorg op korte termijn uitgevoerd wordt aan de VU, het zeer waarschijnlijk is dat de VU op drie van de vijf standaarden niet, of slechts gedeeltelijk voldoet. Het panel adviseert de VU dan ook met klem om bij de NVAO een uitstel aan te vragen, en op korte termijn diverse acties te ondernemen. Zonder hierin volledig te willen zijn, noemt het panel enkele dringende kwesties: 1. De onderwijsvisie moet coherenter en integraler worden uitgewerkt, n nader geconcretiseerd in een onderwijsmodel. Deze onderwijsvisie en dit onderwijsmodel moeten draagvlak genieten binnen de gemeenschap. 2. De community of learners blijkt een herkenbare visie op de VU als gemeenschap. Het panel adviseert om, dit in acht nemende, een duidelijke keuze te maken voor wat betreft de onderwijsvisie en deze helder te communiceren. 3. Er moeten duidelijke prioriteiten worden gesteld voor de toekomst. Er mag geen twijfel bestaan over welke beleidszaken prioriteit hebben, en welke niet. 4. Het formele bestuurlijke contact tussen CvB en faculteiten moeten worden uitgebreid naar minstens tweemaal per jaar. 5. De RvT kan, zeker wanneer zij weer op volle sterkte is, het CvB ondersteunen bij de prioritering van de onderwijskwaliteit.

QANU / Proefaudit Instellingstoets kwaliteitszorg, VU

17