In de voetsporen van Fernand Braudel : De wereld-systeemanalyse

Marc Vandepitte Gevonden op: http://www.flwi.ugent.be/worldsystems/WatisWSA.htm

Vlak na de Tweede Wereldoorlog lanceerde Harry Truman, toenmalig president van de VS, de zogenaamde ‘mythe van de ontwikkeling’: indien de ‘onderontwikkelde landen' enkele kenmerken van de rijkere landen zouden overnemen - o.a. moderne wetenschap, technische kennis, industrialisering, democratie - dan zouden ze na verloop van tijd hetzelfde welvaartspeil kunnen bereiken als de ‘ontwikkelde landen’. Tegen dit eurocentrisch vooruitgangsoptimisme kwam al gauw protest, vooral vanuit de Derde Wereld. In LatijnsAmerika ontstond het ‘dependentie-denken’. Gunder Frank publiceerde De ontwikkeling van de onderontwikkeling, Samir Amin schreef een aantal baanbrekende werken over de ongelijke ruil en de kapitaalaccumulatie in het licht van de Noord-Zuidverhoudingen. Sterk geïnspireerd door de Franse historicus Fernand Braudel, publiceerde Immanuel Wallerstein het eerste deel van The Modern World-System. Al gauw groepeerden zich in de VS een aantal onderzoekers uit verschillende menswetenschappen zich rondom Wallerstein. De wereld-systeemanalyse (WSA) was geboren en groeide uit tot een heuse denktank, jaarlijks goed voor honderden wetenschappelijke publicaties, colloquia, seminaries. Deze denkrichting is niet meer weg te denken en heeft vaste voet gekregen in de handboeken voor sociale wetenschappen, internationale politiek, derdewereldproblematiek, geschiedenis, enz. De WSA was en is niet zozeer een nieuwe theorie dan wel een protest tegen het hogervermelde ontwikkelings- en moderniseringsdenken. Dit protest gebeurt wel op wetenschappelijke basis. Het kant zich ook tegen het positivisme en tegen de zogenaamde neutraliteit van de sociale wetenschappen. Het deelt dit protest met veel andere stromingen, maar de kritiek gaat meestal dieper, tot en met het in vraag stellen van de fundamenten van de sociale wetenschappen die in de negentiende eeuw het licht zagen. Het is dus een debat over de fundamenten. De WSA bevat veel elementen uit andere theorieën of paradigma's. Oudere aspecten worden op een andere wijze behandeld. Hier en daar zijn er nieuwe concepten en andere invalshoeken of benaderingen. Het zijn vooral de combinatie en de accenten die gelegd worden, die het eigene van de WSA uitmaken. De WSA kan niet echt een school genoemd worden, ofschoon er tientallen onderzoekers zich

bekennen tot de WSA. De WSA bezit geen canon, geen vast platform dat alle 'volgelingen' onderschrijven. Het is eerder te vatten met het concept 'familiegelijkenissen' zoals Wittgenstein dat gebruikte. In wat volgt proberen we enkele van die familiegelijkenissen te beschrijven. 1. Statuut van de sociale wetenschap: unidiciplinariteit Traditioneel worden de sociale wetenschappen onderverdeeld in een aantal onderscheiden 'disciplines': economie, politieke wetenschappen, sociologie en antropologie (en eventueel geografie). Deze opsplitsing (zowel wat betreft onderwerp als methodologie en die geïnstitutionaliseerd is in onderscheiden faculteiten, onderzoeksinstituten, enz.) is volgens de WSA het gevolg van de liberale opvatting van de negentiende eeuw, die stelde dat markt en staat, politiek en economie analytische van elkaar moesten gescheiden worden en elk een eigen logica hadden. De criteria (niveau van analyse, onderwerp, methode, theoretische vooronderstellingen) voor het onderscheiden van die aparte disciplines is niet langer houdbaar. Het verschil binnen de disciplines is groter dan ertussen. Interdisciplinariteit is geen oplossing omdat het de tussenschotten behoudt en zelfs versterkt. De WSA pleit voor één discipline, één onderzoeksveld met eenzelfde logica, waar wel verschillende accenten kunnen gelegd worden. Dit doel moet zowel bereikt worden op theoretisch, op methodologisch als op organisatorisch vlak. 2. De historische dimensie De opdeling tussen sociale wetenschap en geschiedenis is ook niet zinvol. Traditioneel wordt geschiedenis opgevat als de studie van het particuliere zoals het zich werkelijk heeft voorgedaan in het verleden. Sociale wetenschap gaat op zoek naar een universeel set van regels of patronen die het menselijk/sociaal gedrag kunnen verklaren. Dit is de fameuze distinctie tussen de ideografische en nomothetische manier van analyseren. Het probleem is dat men veronderstelt dat het mogelijk is om enerzijds 'gebeurtenissen' te isoleren en ze 'historisch' te onderzoeken en anderzijds kleine 'universa' te isoleren en deze te onderwerpen aan 'sociaal wetenschappelijke' analyse. Maar alle descriptie (van universa) heeft een tijdsdimensie, de enige vraag is hoe ver men moet gaan (in de tijd) om een beduidensvolle eenheid af te bakenen. Omgekeerd is elke particuliere of unieke gebeurtenis alleen te beschrijven in niet-unieke of algemene categorieën. Een strikt particularistische benadering van de geschiedenis is dan ook bedrog.

De WSA opteert daarom voor een via media tussen transhistorische generalisaties en particularistische verhalen. De oplossing van het dilemma gebeurt door te vertrekken van systemische raamwerken die temporeel lang genoeg zijn en ruimtelijk groot genoeg om de 'logica's' te bevatten die het grootste deel van de bevattende historische realiteit determineren. Om bijvoorbeeld van weerkerende patronen te kunnen spreken moeten de tijdsintervallen groot genoeg genomen worden, bijvoorbeeld tijdseenheden van vijftig tot honderd jaar, of zelfs meer. In plaats van zich te beperken tot de studie van afzonderlijke natiestaten, wordt de aandacht eerder gericht op grotere regio’s of zelfs ‘wereld-systemen’. Terzelfdertijd wordt erkend dat deze systemische raamwerken een begin en een einde hebben en dus geen eeuwige, universele entiteiten zijn. Dit impliceert dat zowel wordt gekeken naar de 'cyclische ritmes' van het systeem, die conceptueel worden beschreven, als naar de 'seculaire trends' van het systeem die tot de ondergang van het systeem kunnen leiden en dewelke sequentieel worden beschreven. · De cycli Over de korte economische cycli is weinig discussie, die worden door de meeste economen en historici aanvaard. De langere cycli, de zogenaamde Kondratieffs zijn meer omstreden. De WSA maakt een onderscheid gemaakt tussen een opgaande fase (A) en een neergaande (B). Een belangrijke vraag is of er ook langere cycli bestonden van ongeveer 150-300 jaar in de 'lange zestiende eeuw' (prijsrevolutie) en één in de zeventiende eeuw (depressie). In elk geval worden deze lange-termijn cycli als concept aanvaard. Daarvan wordt gesteld dat deze niet louter descriptief zijn maar ook constitutief voor het verloop van de wereldeconomie: zij zijn verantwoordelijk voor de structuurveranderingen van de wereldeconomie en leveren de basisdynamiek voor de seculiere trends. · De seculiere trends Het wereld-systeem is geen entiteit die zich eerst vestigt en dan ontwikkelt, de ontwikkeling ís zijn existentie. Het stagneert én groeit, maar het stagneert in groei. Het heeft geen geschiedenis maar is of maakt geschiedenis. Over 'ontwikkeling' (cfr. het ontwikkelingsdenken) spreken is enkel zinvol als men het over geheel het systeem heeft. Drie seculiere trends worden opgemerkt: · Expansie. Vanuit Europa werden steeds meer gebieden ingelijfd. Deze inlijving bestond in tegenstelling tot vroegere imperia of tributaire rijken in een 'periferalisering' van de gebieden waardoor deze werden opgenomen in de wereldwijde arbeidsverdeling. In plaats van een

louter roof van de aangetroffen rijkdommen (mineralen en andere kostbaarheden) werden de economieën van de veroverde rijken getransformeerd en afgestemd op de metropolen. Er zijn weliswaar pieken aan te duiden van deze inlijving (1450-1520, 1620-1660, 1750-1815, 18801900) maar toch gaat het om een relatief continu fenomeen. · Commodificatie. Het gaat hier over de transformatie van goederen, sociale fenomenen of diensten tot 'waren' die een prijs krijgen en op de markt worden verhandeld. Bijvoorbeeld grondstoffen, risico, natuurlijke schoonheid, tijd, maar vooral land en arbeid. De commodificatie van deze laatste twee wordt gezien als de essentie van het kapitalisme. Niet het feit zelf van de commodificatie maar eerder de structurele dwang om steeds meer land te 'vervreemden' en arbeid te 'proletariseren' maakt de kern uit van het kapitalisme. · Mechanisering. De industrieel-technologische opgang wordt gezien als een continu proces in alle productieve sectoren (ook die van de landbouw) en los van de nationale focus. 3. Analyse-eenheid: het wereld-systeem De negentiende eeuw werd gekenmerkt door de opkomst van nationale soevereine staten en terzelfdertijd werden de moderne sociale wetenschappen geïnstitutionaliseerd. Sindsdien werden door de sociale wetenschappers en historici de soevereine staten gezien als de basisentiteiten waarin het sociale leven zich voltrekt. Er werd verondersteld dat de grenzen van een 'maatschappij' samenvallen met die van de staten of dat in elk geval zouden moeten doen: de geschiedenis van Engeland, de economie van Frankrijk, enz. De WSA werkt niet direct met nationale staten, maar vervangt 'maatschappij' door 'historisch systeem'. Deze entiteit wordt zowel systemisch als historisch opgevat. “Men vertrekt van het idee dat de arena waar het sociale gebeuren en de sociale veranderingen plaatshebben, niet een abstracte ‘maatschappij’ is, maar een welbepaalde ‘wereld’, een ruimtelijk en tijdelijk geheel.” Essentieel om dat geheel in tijd en ruimte af te bakenen is de arbeidsverdeling. Dat geheel vormt een systeem waarin een duidelijke arbeidsverdeling waarneembaar is tussen de samenstellende regio’s. Regio’s die niet opgenomen zijn in deze arbeidsverdeling, vallen buiten het systeem. Zo bleef het wereld-systeem in de eerste eeuwen na de veroveringstocht van Columbus beperkt tot de kustgebieden van de kolonies. Een systeem komt tot zijn einde als het niet meer in staat is om deze arbeidsverdeling in zijn geheel te reproduceren. In de moderne wereld is deze arbeidsverdeling een mondiale structuur, die zich vooral manifesteert d.m.v. de beweging van materiële goederen.

De basis-eenheid is dus een 'wereld-systeem' gedefinieerd d.m.v. zijn economische processen en relaties, en niet een eenheid op basis van juridische, politieke, culturele, geologische of andere invalshoeken. Er worden drie soorten historische systemen onderscheiden. · De 'mini-systemen'. Dat zijn relatief kleine rijken, kort van duur (ongeveer zes generaties), cultureel en politiek vrij homogeen en gekenmerkt door wederzijdse ruil. We moeten hier vooral denken aan groepen jagers die zich in stamverband organiseerden. · Een 'wereld-rijk' is één grote politieke structuur die cultureel heterogeen is. De basislogica is het afromen van belastingen van geïncorporeerde gebieden door het centrum, denk bijvoorbeeld aan de Grieken en de Romeinen. · Een 'wereld-economie' bestaat uit ongelijke ketens van geïntegreerde productiestructuren verdeeld over meerdere politieke structuren. De basislogica bestaat erin dat het geaccumuleerde surplus ongelijk wordt verdeeld ten voordele van monopolies (landen of ook handelsgenootschappen) die tijdelijk de markt beheersen. Deze opdeling is ook min of meer chronologisch op te vatten. De pre-agrarische periode werd gekenmerkt door de constante opkomst en ondergang van naast elkaar bestaande minisystemen Tussen 8000 voor het begin van onze tijdrekening tot ongeveer 1500 AD waren de wereld-rijken de dominante vorm, ofschoon de twee andere ook terzelfdertijd voorkwamen. Rond 1500 was één wereldeconomie in staat te overleven en zich te ontwikkelen als een dominant systeem dat de rest stilaan heeft onderworpen en opgeslokt. De hoofdaandacht van de WSA gaat voornamelijk uit naar dit 'historisch kapitalisme', hoewel de laatste jaren ook meer aandacht gaat naar vroegere historische systemen. 4. Historisch kapitalisme Twee interdependente hoofdprocessen. Het kapitalistische 'wereld-systeem' verscheen in de zestiende eeuw als een Europagecentreerde wereldeconomie. De basisdynamiek en drijvende kracht was van in het begin de voortdurende accumulatie, concentratie en centralisatie van kapitaal. De kapitaalsaccumulatie gebeurt op basis van de toeëigening van de meerwaarde. Sinds zijn ontstaan heeft dit wereldsysteem zich ontwikkeld doorheen cycli van expansie en contractie. Deze ontwikkeling

voltrok zich op verschillende vlakken. Vooreerst geografisch: vanuit enkele regio’s in Europa breidde het zich uit tot de hele planeet. Ten tweede, op het vlak van productie-capaciteit: een permanent proces van reusachtige kapitaalvorming en -vernietiging (oorlogen) en mede daardoor ontzaglijke technologische vooruitgang. Ten derde, op het vlak van interne economische integratie van het geheel: alle gebieden werden langzaam maar zeker economisch op elkaar betrokken en werden wederzijds afhankelijk van elkaar. Ten tenslotte transformeerde en organiseerde het wereld-systeem de bestaande sociale relaties: de commodificatie en de klassen-formatie, met name het ontstaan van proletariërs en bourgeoisie. Deze integratie en organisatie gebeurde eveneens op het politieke vlak. De bourgeoisie hanteert de staat als middel om economische macht te verwerven of te consolideren. De staat is het instrument om tussen te komen in de markt, ten voordele van sommige, tegenover de rest. Dat gaat via distributie van nationale rijkdom, protectionisme, regulering van de interne markt, monopolievorming, stimulans van bepaalde productie of handel, militaire operaties, enz. Zo ontstond gaandeweg een interstatelijk systeem, hetgeen de politieke vertaling is van de hogergenoemde wereldwijde arbeidsverdeling. Belangrijk is op te merken dat staten worden gevormd binnen dit interstatelijk systeem en niet omgekeerd. De formatie van het wereldwijde kapitalistische systeem gaat hand in hand met de ontwikkeling van een interstatelijk systeem. Het zijn twee interdependente hoofdprocessen van het historisch kapitalisme die terzelfdertijd contradictorisch zijn: wat de staat tracht te verenigen wordt door de markt (concurrentie) uit elkaar getrokken. Naast deze twee aspecten, het economische en het politieke, is er ook nog het culturele. Op dat vlak moet nog heel wat werk worden geleverd binnen de WSA. Een goede aanzet is o.a. te vinden bij Peter Taylor. Ongelijke ontwikkeling. De arbeidsverdeling en de productieketens verlopen niet gelijk. Sommige regio's verschijnen als 'kern-regio's' omwille van het hoge aantal wereld-systeem activiteiten en andere als 'periferieën' omwille van het lage aantal. Deze polarisatie is o.a. gebaseerd op 'ongelijke ruil' dat een constant kenmerk is van het historisch kapitalisme. De 'onderontwikkeling' wordt 'ontwikkeld'. Economische achterstand is geen kwestie van het feit van laat te starten maar is een voorwaarde én een gevolg van de opkomst van het kapitalisme. Deze polarisatie is geen toeval maar behoort tot de essentie van het systeem. Het gaat hier over processen. De 'kern-

gebieden' en 'perifere gebieden' worden wel voortdurend herschikt maar de reproductie van de polarisatie blijft een essentieel en noodzakelijk kenmerk van het historisch kapitalisme. De kerngebieden worden gekenmerkt door verregaande mechanisering en proletarisering, door de export van afgewerkte producten of althans producten met een hoge toegevoegde waarde, hoge lonen en sterke staatsapparaten. De perifere gebieden worden gekenmerkt door voornamelijk landbouw en mijnbouw of althans door productie van waren met lagere toegevoegde waarde, lage mechanisering, semi-proletarisering, lage lonen en zwakke staatsapparaten. In afwijking met het 'dependentie-denken' voegt de WSA nog een concept toe: de semiperiferie. Deze gebieden bevinden zich tussen de twee en bevatten zowel 'kern-processen' als 'perifere processen'. Er wordt in dat verband ook gesproken van sub-imperialisme (op het politieke vlak). Deze gebieden werden empirisch vastgelegd en functioneel verklaard. De ongelijke ontwikkeling uit zich ook op het politieke vlak. Het interstatelijk systeem wordt gekenmerkt door permanente en sytem(at)ische competitie en conflicten, hetgeen hen onderscheidt van alle niet-Europese beschavingen van de wereld. Dit uit zich op drie niveaus. · Patroon van dominantie: het imperialisme. Het imperialisme is geen historische fase (Lenin, Hobson) maar een permanent gebruik van politieke macht door een sterkere staat (meestal 'kern-staat') tegen een zwakkere staat (meestal 'perifere staat') om de allocaties op de wereldmarkt direct of indirect te wijzigen. In dat verband wisselen 'neo-kolonialisme' (rechtstreeks politieke en militaire interferentie in de economische activiteiten) en 'informal empire' (imperialisme zonder koloniaal bestuur) elkaar af. · Hegemonie/rivaliteit. De geschiedenis van het historisch kapitalisme wordt gekenmerkt door opeenvolgende periodes van kortstondige hegemonie (de Nederlanden 1625-1650/72, Groot-Brittannië 1815-1850/73 en de V.S. 1945-1967 [?]). In die periodes heeft één grootmacht het voor het zeggen op economisch, financieel en diplomatiek vlak. Na verloop van tijd brokkelt de hegemonie af en zijn er nieuwkomers die de alleenheerschappij betwisten. We belanden dan in een periode van grote rivaliteit tussen de kernstaten en als gevolg daarvan systeemchaos (oorlog). · Bourgeoisie-proletariaat. Dit begrippenpaar wordt overgenomen voor het conflict binnen de staten, maar wordt ook uitgebreid tot het conflict tussen de staten. Het begrippenpaar wordt

overigens ook geproblematiseerd omdat slechts een minderheid van de wereldbevolking terug te vinden is in één van beide categorieën. (Zie verder.) Drie antinomieën. Het wereld-systeem wordt gekenmerkt door drie continue tegenstellingen. Het zijn die contradicties die het systeem een cyclisch karakter bezorgen en het vooruitstuwen. (cfr. Dialectisch karakter.) · Economie/politiek. De economie is voornamelijk een wereld-structuur terwijl de politieke activiteiten hoofdzakelijk plaatsvinden binnen en door staatsstructuren, waarvan de grenzen kleiner zijn dan die van de economie. Er zijn twee sets van conflictueuze relaties: de kern t.o.v. de periferie en de tegenstellingen binnen de kern-staten. De eerste wordt meestal behandeld door economisten in het kader van internationale economie, de interesse naar de tweede subantinomie gaat meestal uit van politieke wetenschappers in het kader van internationale relaties. De WSA verbindt deze twee subantinomieën theoretisch met elkaar. · Vraag/aanbod. Het aanbod is voornamelijk een functie van markt-georiënteerde individuele productiebeslissingen. De geaggregeerde wereldvraag hangt in de eerste plaats af van sociaal gedetermineerde allocaties van inkomen. De wereldwijde productie van kapitaalgoederen overstijgt regelmatig de wereldwijde vraag vanuit de consumptiegoederen-industrie, die uiteindelijk bepaald wordt door de consumptiecapaciteit van de wereldwijde koopkracht. Overproductie t.o.v. de inadequate marktvraag leidt tot economische crises en contracties (de B-fases van de Kondratieffs) omdat een gedeelte van de productiecapaciteit ongebruikt blijft. Deze periode van stagnatie leidt tot een herstructurering van de productieprocessen (transfer van particuliere productieve activiteiten en tewerkstelling van kern naar perifere gebieden) en een relocatie van de 'vraag'. Er treedt een periode van transitie op die gekenmerkt wordt door een verhoogde graad van kapitaal-accumulatie. Daarna treedt een periode op van expansie (Afase). Wat nu opvalt is dat doorheen de geschiedenis de lengte van de cycli (de som van de Afase en B-fase) steeds korter wordt. · Kapitaal/arbeid. Kapitaal wordt geaccumuleerd door de toeëigening van surplus uit arbeid. De bron van het kapitaal is dus arbeid. Maar hoe meer kapitaal wordt geaccumuleerd, hoe minder de rol van arbeid in het productieproces. Het kapitaal vernietigt m.a.w. zijn eigen bron.

Hier wordt echter afgeweken van de traditionele visie. Traditioneel (K. Marx, A. Smith) wordt het kapitalisme opgevat als een systeem gebaseerd op concurrentie tussen vrije producenten, gebruik makende van vrije arbeid met vrije waren. Met 'vrij' wordt dan bedoeld de beschikbaarheid om te kopen en te verkopen op een markt. Het arbeidsproces wordt in de eerste plaats bekeken onder de noemer van legale rechten: een slaaf t.o.v. een vrije arbeider. De geschiedenis zou dan een langzame (sprongsgewijze) overgang zijn van het slavendom, over de feodaliteit (half vrij) naar het kapitalisme (volledig vrij). Dit wordt betwist door de WSA. In plaats van de focus op de 'legale rechten' te plaatsen kijkt de WSA naar 'het huishouden van de arbeider gespreid over zijn hele leven' (workers' household over a lifetime). Er is een continuüm tussen arbeiders van wie de overleving gebeurt door productie los van de wereldwijde arbeidsverdeling (de niet-vrije arbeider), de arbeiders die er part-time ingeschakeld zijn en diegene die full-time ervan leven. Zo heb je nog steeds bevolkingsgroepen die leven van de jacht alsook semi-proletariërs die te weinig loon ontvangen om te kunnen overleven, en daarom gedeeltelijk aangewezen zijn op ‘eigen productie’ of ‘informele activiteiten’. Gedurende zijn actieve periode kan een individu of zelfs bevolkingsgroepen overschakelen van de ene categorie naar de andere. Welnu, volgens de WSA is de situatie van vrije arbeiders die werken voor een loon in bedrijven van vrije producenten (dus de rechterkant van het continuüm) slechts een minderheid in de moderne wereld. De combinatie of mengeling van de zogenaamde subsistentie en de loonafhankelijke huishouding is precies het karakteristieke kenmerk van het kapitalisme als historisch systeem. De mengvormen die optreden zijn niet overal dezelfde en evolueren bovendien doorheen de tijd . De WSA gaat dan op zoek naar patronen die deze mengvormen consolideren of juist doen wijzigen. Het begin van het kapitalisme: de Franse en de Industriële Revolutie? Klassiek wordt het einde van de achttiende eeuw en het begin van de negentiende eeuw gezien als een cruciaal keerpunt in de wereldgeschiedenis. Toen zijn de kapitalisten (de klasse van de burgerij) erin geslaagd de staatsmacht te veroveren in de belangrijkste kern-staten. De twee grote gebeurtenissen die toen plaatsvonden waren de Franse Revolutie en de Industriële Revolutie. De eerste revolutie was a.h.w. het rechtzetten van een politieke anomalie. De tweede revolutie was een gevolg van de eerste, men kon nu de vruchten plukken op het gebied van de techniek van de politieke transformatie. Beide waren goed voor de echte start van het kapitalisme. Deze visie wordt betwist door de WSA. Er is misschien sprake van een industriële revolutie

maar zeker niet van de industriële revolutie, als er al van een revolutie sprake kan zijn. Hetzelfde geldt voor de zogenaamde 'burgerlijke' revolutie. De WSA wenst deze historische momenten (de revoluties) te evalueren in het kader van de 'longue durée' van het historisch systeem waarbinnen ze plaatsvonden. De opdeling politieke macht (staatsmacht) versus economische macht is een negentiende eeuwse opdeling en moet bevraagd worden. Industrialisering was eerder een continu proces en niet het beslissend criterium voor de aanvang van het kapitalisme. De oorsprong van het kapitalisme wordt eerder in de zestiende eeuw gesitueerd. 5. Het vooruitgangsdenken Er wordt vaak verondersteld dat de menselijke geschiedenis 'vooruitgaat' dat er lineaire progressie is, zeker als wij de hoofdlijnen bekijken. De WSA betwist dat. Het is niet zeker dat er een lineaire opgaande trend is. Historische systemen die elkaar opvolgen kunnen beter of slechter geweest zijn. De WSA geeft met zijn typisch taalgebruik, met zijn logische concepten vaak de indruk dat het sterk deterministisch denkt. De geschiedenis loopt volgens patronen, het wereld-systeem ontwikkelt zich ‘achter de ruggen’ van individuen en zelfs staten. Dat is echter een verkeerde indruk. In het klassieke debat tussen 'vrije wil' versus 'determinisme' neemt de WSA een zeer specifieke positie in. Ingebed in zijn eigen historisch wereld-systeem is er sprake van een zekere ‘logica’, d.w.z. een set van zelfbewegende en zelfversterkende institutionele structuren die het traject op lange termijn ‘determineren’. Op dat moment is er van bewegingsvrijheid niet veel sprake. Maar dat wereld-systeem is niet eeuwig, het evolueert, botst op interne tegenstellingen en verliest op een bepaalde moment zijn dwingende kracht. Op dergelijke breukmomenten kunnen kleine gebeurtenissen of beslissingen grote gevolgen hebben. Een kleine factor kan op bepaalde momenten van doorslaggevend belang zijn om machtsverhoudingen te wijzigen en een belangrijk voordeel te verwerven. Om het met een beeldspraak te zeggen: Het systeem veroorzaakt een zwaartekracht die de bewegingsvrijheid sterk belemmert (determinisme). Op het moment van een crisis, de zogenaamde ‘transities’, wordt die zwaartekracht tijdelijk opgeheven waardoor een sprong kan gemaakt worden (vrije wil). De richting van die sprong is ondermeer afhankelijk van de anti-systeembewegingen of van de belangrijkste medespelers in het conflictueuze spel tijdens de crisis. Zo bijvoorbeeld vonden de revoluties in Rusland in 1917 en in China in 1948 niet toevallig plaats tijdens of kort na een grootschalig wereldconflict breukmoment.

6. Wetenschappelijke opvattingen Traditioneel wordt wetenschap opgevat als het zoeken naar regels of redenen waarom de dingen zijn zoals ze zijn en hoe dingen gebeuren. De traditionele wetenschap gaat niet alleen terug op de negentiende eeuw, maar ook tot de zestiende en misschien zelfs tot de dertiende eeuw. Belangrijk was het opsplitsen (Descartes), de lineariteit, de causaliteit, de gelijkheid, en de zekerheid (Newton). De natuurlijke wetenschappen stonden steeds model voor de andere wetenschappen. Wetenschap was een cumulatieve en unilineaire opstapeling van kennis. De WSA breekt met deze opvatting. De factor onzekerheid, probabiliteit wordt geïntegreerd. Vooral de ‘transities’ zijn heel onzeker. Maar het feit dat onzekerheid of waarschijnlijkheid tot de wetenschappelijke realiteit behoren betekent niet dat het object niet kan benaderd worden met rationeel onderzoek. “We kunnen de krachten die aan het werk zijn in kaart brengen, de mogelijke vectoren uittekenen en daardoor de reële historische keuzes die zich aandienen op het spoor komen. De wetenschap van het complexe is de wetenschap van de optimale beschrijving van de intrinsieke onzekerheid.” 7. Antisystemische bewegingen *** Hier ontbreekt definitie: wie kan mij helpen. Cfr. discussie over het fundamentalisme als anti-systeembeweging. *** Nationale staten worden geconstitueerd door het interstatelijk systeem en niet omgekeerd. Parallel daarmee is het veroveren van de staatsmacht niet langer zinvol. Deze revolutionaire (of reformistische) strategie stamt uit de negentiende eeuw maar is niet langer nuttig of haalbaar. Anti-systeembewegingen moeten ook ruimer opgevat worden dan de arbeidersbeweging en ook het voorhoedemodel heeft afgedaan. De rol van de anti-systeem bewegingen is vooral groot op breukmomenten, in periodes van transities. Over de rol van de anti-systeembewegingen is er wel het meest divergentie tussen de tenoren van de WSA.

Ten slotte: het belang en de kracht van het wereld-systeemdenken · Ook al ben je het niet eens met (een deel) van de WSA, het is een krachtig denken, een stevig (pre-) paradigma, het haalt een hoog niveau en het werkt altijd uitdagend. De WSA is ondertussen uitgegroeid tot een heuse 'school' waar de hypothesen één voor één worden

uitgetest, waar de vooronderstellingen worden bijgesteld, enz. De WSA is jaarlijks goed voor een indrukwekkende hoeveelheid publicaties met een hoog wetenschappelijk gehalte. De WSA is hoe dan ook een stimulans voor het wetenschappelijk onderzoek voor de historische en sociale wetenschappen. Er zijn weinig 'scholen' waarvoor dat dit momenteel geldt. · De unidisciplinaire benadering. De hedendaagse wetenschappen worden gekenmerkt door overspecialisatie en technocratie, door ‘puzzle-solving’. De WSA slaagt erin sociale problemen in al hun dimensies te benaderen, hoewel nog niet volmaakt. · Het breed perspectief (temporeel en ruimtelijk) opent vaak interessante en ongekende inzichten en benaderingen voor heel wat disciplines. Bijvoorbeeld de crisis van vandaag in wereldhistorisch perspectief, het fenomeen van het nationalisme en migratie, enz. · De WSA heeft consequenties voor alle niveaus van onderzoek in de sociale wetenschappen: studie-object, methode, vooronderstellingen. · De WSA presenteert een 'groot verhaal'. In tijden van capitulatie, vertwijfeling, cynisme, het nihilisme van het postmodernisme, enz. is dat zeer welkom. · De WSA maakt brandhout vanuit historische en analytische gronden van het neo-liberaal paradigma. Het staat diametraal t.o.v. het triomfalistische post-'89 denken. · De WSA bevat sterke kritieken op het moderniserings- en ontwikkelingsdenken. Naïeve opvattingen over de Noord-Zuidproblematiek en ontwikkelingshulp worden deskundig van tafel geveegd. De 'realistische' benadering van het wereld-systeem is een goede remedie tegen enerzijds het utopische en 'softe' derdewereldactivisme en anderzijds de anti-tiersmondistische stromingen die meer en meer de kop opsteken. · In het verleden zijn veel anti-systeem bewegingen mislukt. Vaak was dit het gevolg van het niet inschatten van de 'marges' van het wereld-systeem waarbinnen moest gewerkt worden, naast het overschatten van de eigen mogelijkheden. De WSA geeft een realistische inschatting van deze 'marges'. In die zin is het 'dialectisch': het toont de dynamieken die in de realiteit zelf aanwezig zijn en die mogelijkheden openen om de situatie 'ten goede' bij te sturen.

Sign up to vote on this title
UsefulNot useful