You are on page 1of 4

De geschiedenis van een hond

Octave Mirbeau, Dingo. - Paris, Fasquelle, 1913.

Er wordt tegenwoordig weer veel over dieren geschreven. In de Fransche letterkunde


zagen in de laatste tijden verschillende werken het licht, die over deze stof handelen; om maar
onder de vele schrijvers den genialen Maeterlinck te noemen: iedereen kent van hem La Vie
des Abeilles, het zoo mooie stuk over den hond in Le double Jardin, het ijl-fijne sprookjes-
spel: L'Oiseau Bleu. En ook het lawaaierige succès van Edmond Rostand's Chantecler is nog
niet vergeten. Octave Mirbeau gaf dit jaar een roman uit: Dingo, de geschiedenis van een
hond. De stof, die ik straks in 't voorbijgaan mededeel, heeft eigenlijk weinig om het lijf, maar
is op een zoo persoonlijke en schilderachtige manier behandeld geworden, dat het boek tot
iets wordt, dat men lief heeft en gaarne in zijn bereik vindt.
Octave Mirbeau trouwens lijkt me wel te zijn de verpersoonlijking van den
hedendaagschen Franschman, zoo goed als Anatole France. Doch waar France, fijn en lenig,
kunstig en paradoxaal, de gebreken van zijn tijd medelijdend beschouwt en er soms vermaak
in vindt ze te verdedigen, ziet Mirbeau - met dezelfde gedachten maar een verschillend
temperament begaafd - die gebreken uit een gansch ander oogpunt. Hij spot niet veel, is
meestal somber gestemd, hekelt het slechte rondom hem op grootsche wijze, is soms wel wat
overdreven maar stijgt op andere plaatsen tot het echt epische. Le Journal d'une Femme de
chambre en Les Vingt et un Jours d'un Neurasthénique zijn rake studies van Parijzer zeden,
onbewimpeld waar en bedroevend. En de schoonste en droefste, de wrangste passiekreet stijgt
uit zijn bewonderenswaardigen roman: Le Calvaire.
Voor het tooneel schreef Mirbeau Les Affaires sont les Affaires, Le Foyer, Les Mauvais
Bergers - om maar van de belangrijkste werken te spreken - stukken, welke voorzeker de
maag moeten ontstellen van den rustigen burger, die het theater beschouwt als een tijdverdrijf;
stukken, waarin vlijmend is de waarheid, en waarvan de schoonheid benauwend aandoet door
het geweldige. De pessimist Mirbeau is een virtuoos van de drift en het geweld.
Een hond is de studie waard van een schrijver, misschien meer dan menig banaal en
leelijk menschje; toch kan Mirbeau zich niet ontlasten van een hoovaardig en dwaas
anthropomorphisme, en zoo komt het, dat de hond Dingo gedachten en gevoelens heeft gelijk
de menschen. De schrijver ziet die bijzonderheid als een gebrek aan en klaagt er zelfs over,
dat hij te zwak is om van Dingo enkel een ‘hond’ te maken. Maar dàt is juist de
eigenaardigheid van het boek.
Dingo werd hij genoemd, naar den naam van zijn Australisch ras, bijna uitgestorven.
Zulke honden zijn eigenlijk meer wolf dan wat anders. De schrijver ontvangt hem van een
geleerde en voelt dadelijk sympathie voor het piepjonge, lompe diertje, dat door een niet te
bedaren geblaf protest aanteekent tegen de brutale wijze waarop de geleerde hem verzond, en
zijn menschenhaat door onloochenbare bewijzen doet kennen. Zoo worden de menschenhater
Mirbeau en de menschenhater Dingo van lieverlede dikke vrienden. Daarbij, met de
opvoeding van een hond heeft men zulk een last niet als met die van kinderen, vindt de
schrijver. Hij ziet Dingo groeien en schoon worden, en het is hem een groot genot, de uiting
na te gaan der onvervalschte instincten van het mooie dier. Dingo bijt alles stuk, loopt en ketst
in den hof, tot groote wanhoop van den hovenier, voelt zich van een beter ras dan de andere
honden en kan er geen kennis mee maken; bemint daarentegen met ongewone zachtheid
kinderen en arme lieden en ook het mooie katje Miche. De vriendschap tusschen Miche en
Dingo geven den auteur gelegenheid tot het schrijven van de schoonste en fijnste bladzijden,
die men lezen kan.
Dingo is volvormd en sterk, de menschen hebben zijn ras niet kunnen verslaven, hij is
gansch en schoon natuurlijk in alles en kent niet de luidruchtige en likkende genegenheid voor
den mensch van andere honden. Dingo is den schrijver een goed en oprecht vriend. Maar te
Ponteilles wordt zijn wolven-instinct met den groei wakker; hij bijt eerst twee katten dood, en
daarna wordt het van lieverlede een echte moorderij van al wat er maar in en om het dorp leeft
van gevogelte en wild en schapen en geiten. De aangeboren haat van den kleindorpschen
Franschen boer tegenover elken vreemdeling kookt over en de schrijver moet het dorp
verlaten; hij heeft wel gepoogd Dingo te verbeteren, maar slaagt er niet in en vindt ten laatste
den hond schoon, in de uiting van die wilde, driftige moordzucht.
Te Parijs gedraagt Dingo zich nogal wel; maar zulk een mooie hond hitst natuurlijk de
begeerte op van de hondedieven. Het slimme dier weet aan al hun hinderlagen te ontsnappen;
totdat hij op zekeren dag den man, die hem wou meelokken, bijna de keel afbijt. Het leven
van Dingo te Parijs wordt al even onmogelijk als te Ponteilles. De hond vergezelt zijn meester
op een reis door Italië en Duitschland en weet altijd te ontsnappen om op jacht te gaan op al
wat maar te dooden is. Eindelijk gaat Mirbeau in het stille woud van Fontainebleau wonen,
waar Dingo bevriend raakt met den altijd-zwijgenden pensjager Flamant; waar hij op een
zekeren dag een gansche jacht - menschen en honden - doet huilen van woede, omdat híj
alléén een hert opjaagt. Maar Dingo wordt ziek. De vrouw van Mirbeau verkeert al een tijdje
lang in een bedenkelijken toestand en de schrijver is diep ongelukkig. Zijn ‘vrienden’ kunnen
hem niet troosten, hem blijft enkel de troost over van dien goeden, armen, zieken Dingo. De
hond sterft; de groote, schoone, wilde hondwolf is geworden tot iets dat Flamant in een put
steekt. De schrijver staat bij den pensjager:

« Je lui serrai la main, y glissai quelques pièces d'or. Flamant me les rendit, et,
secouant la tête tristement, dit : - Non, monsieur, non... ça je ne peux pas... je ne le connaissais
pas beaucoup, c'est vrai... Mais il était si beau!... Et puis, qu'est-ce que vous voulez?... Quand
je travaillais chez vous, il re me quittait pas... Il se couchait dans l'allée, en face de moi, et il
me regardait... Des fois, il est venu me lécher la main... Voyez-vous ça... Non, non, je ne
pourrais pas ! Et sa voix trembla d'émotion. Jamais Flamant n'en avait tant dit. Il rechargea les
outils sur son épaule et s'en alla de son pas silencieux, et il disparut bientôt derrière la
maison. »

Zoo eindigt de geschiedenis van Dingo. Maar het voornaamste uit het werk heb ik bij
deze korte inhoudsvermelding noodzakelijk moeten verzwijgen, nl. de verhouding van
Dingo's gevoelens tegenover die van den mensch; en waarlijk, in die vergelijking blijkt de
mensch wel vaak een leelijk en verfoeilijk wezen.
Wat is de beschrijving van het dorp Ponteilles met zijn bewoners een
bewonderenswaardig meesterstuk in zijn aard! Voor wie de kleine, afgelegene Fransche
dorpen kent is het, alsof hij te Ponteilles heeft gewoond, alsof hij dien maire Théophile
Lagniaud en die kruidenierster Emilie Tourteau en dien herbergier Jaulin en dien veldwachter
Cornelius Fiston altijd heeft gekend, alsook die boeren, norsch en geniepig, levende als
dieren, terwijl het goud in overvloed, lijk een nuttelooze waarde, in den een of anderen
verholen hoek van hun ellendige kotten onaangeroerd blijft, - ál die lieden met hun
vooroordeelen, hun twisten, hun misdaden, hun domheid.
Vooral blijft in de herinnering dat portret van den dorpsnotaris. Dat is áf, dat is
classiek-schoon en een ‘Anselme Joliton’ doet als portret niet onder voor het schoonste van
La Bruyère; - wat niet weinig gezegd is!
En zoo is ook mooi de beschrijving van die arme, teringachtige Parijzer actrice, die
Dingo in haar donkere kamer-van-misère had opgenomen, toen de hond in de oneindige
wereldstad verloren was. Die arme vrouw, voor wie het summum van het menschelijk geluk
is: reizen in tweede klasse en gelogeerd zijn in hôtels!
En dan de wreedheid van die heele bende dames en heeren, van den heelen troep
toeschouwers dier chasse à courre, hoe treffend wordt ze door den auteur gevat en
weergegeven!
Een eigenaardigheid van het boek zijn ook de gispingen van het gemaakte en valsche
in kunstenaarszeden, de onverwachte en leuke zetten over deze of gene kunst-richting.

« Je regrette, comme un ami qui a mal tourné, ce fameux diplodocus (vóórhistorisch


dier) devenu, ainsi qu'un tableau de M. Cormon ou une statue de M. Frémiet, un vulgaire
objet de musée. »

Of, sprekende van den groei van Dingo:

« Aucun doute que, sous le nez, le menton, au bas du poitrail, il ne lui vînt de la barbe,
comme à un vieux sculpteur. »

En, om een laatste voorbeeld te geven:


« Il (Dingo) avait, en toutes choses, des idées exclusivement réalistes. Contrairement
aux défunts poètes symbolistes qui, par une ironie vengeresse du sort, sont devenus
académiciens, bookmakers, critiques de théâtre, placiers d'automobiles, réparateurs de
porcelaines, il se refusait avec la plus belle énergie à vivre dans un ‘chenil d'ivoire’
d'abstractions prosodiques et - autant que cela fût possible à un chien - d'idéales chevauchées
avec des crémières neurasthéniques, d'immatérielles amours avec des fruitières de rêve. »

En dat ik nu eindelijk nog een woordje zegge over den stijl, den meesterlijken stijl van
het boek. Hoe treffend, die stoute beelden als:

« les moissons s'apprêtent a verser tout l'or de leurs gerbes dans les bas de laine du
pays. ».
Dingo had een hondendief gebeten en daarom moest Mirbeau bij den politie-
commissaris komen. Deze spreekt over allerlei zaken op een allerpedantste wijze. ‘Enfin il me
parla littérature...’ Daarmee is 't uit! Voelt men den vlijmenden spot van die stilte daarna, van
die enkele drie puntjes?
Een laatste citaat. Mirbeau heeft het over een lief hondje, dat hij vroeger bezat:

« C'était un exquis petit animal, pas joli, plus que joli, vif et joyeux et sans cesse
pétillant et sans cesse caressant, tout grâce, tout caresses, tout amour. Il s'était fait une toute
petite âme, soyeuse et frisée comme son corps, mais blonde, et délicate et un peu frivole et si
inventive, en constant désir de plaire, de la plus gentille, de la plus imprévue cocasserie qui se
pût voir. »

Hoe smaakt men die heerlijke, verteederde ontroering van den schrijver, dat ijl-fijne
van ieder tintje, de waarde van elk woordeken! Die herhaling van ‘et sans cesse’ en van ‘tout’,
die kostbare vergelijking van het zielken bij het zachte lichaam, en dan, dat enkel woordje
cocasserie, dat het portret belet, sentimenteel te worden!
Mirbeau heeft hier een werk geleverd, somber misschien, maar leerrijk en mooi, en
waar men dankbaar vóór staat.

FRANZ DE BACKER.
Den Gulden Winckel, Jaargang 12, 1913, p. 177-179