B ELEGGEN

Liever dividendtoppers dan staatsleningen
Door J oos tR amaer

D

e obligatiemarkt blijkt een dankbaar onderwerp. Ook de tweede column over obligaties van vorige week zaterdag leverde reacties op. Obligatiehandelaar Frank Schaeffers van Indexus vraagt zich af hoe Wilfried Steentjes van Steentjes Vermogensbeheer er bij komt, dat er een tekort aan obligaties zou zijn. „Momenteel komen er iedere dag zo’n dertig nieuwe leningen bij, in euro’s en in dollars.” Institutionele beleggers herbeleggen vrijwel al hun inkomsten uit obligaties – rente plus aflossingen – weer in obligaties. Ook aan de kant van de debiteuren blijft de machine draaien: als bestaande leningen aflopen, geven zij weer nieuwe uit. Daarmee is niet gezegd dat de obligatiemarkt vlekkeloos functioneert. Integendeel. In Nederland zijn nog maar enkele professionele obligatiehandelaren actief. De staatsleningen hopen zich op bij de centrale banken, de voornaamste opkopers van zulk schuldpapier. En bedrijfsleningen zijn alleen nog te koop in coupures van minimaal 100.000 euro. Vanaf die grens hoeven banken namelijk geen dure prospectussen te maken. Dat betekent dat Jan de Belegger alleen via trackers of dure fondsen in bedrijfsobligaties kan beleggen. Zo wordt de obligatiemarkt steeds meer een onderonsje tussen enkele professionele partijen, die daarbij zwaar wordt beïnvloed door de ‘financiële onderdrukking’, de massale geldinjecties en lagerentepolitiek van de centrale banken. Aandelen zijn veel aantrekkelijker, vindt Hans Koolschijn, zelfs vanuit risico-oogpunt. „Bij een inflatie van 2,5 procent en 1,2 procent

vermogensbelasting heb ik minstens 3,7 procent rendement nodig om niet armer te worden”, schrijft deze particuliere belegger. „Het rendement op tienjarige Nederlandse staatsleningen is nu 1,74 procent, de dertigjarige geven 2,52 procent. Je spaart je dus arm”, aldus Koolschijn. Hij kiest daarom voor aandelen die al vele jaren betrouwbaar dividend uitkeren. „Liefst ieder jaar meer, maar ieder jaar 5 procent dividend vind ik ook al heel mooi.” Op de Amerikaanse beleggerssite DripInvesting.org vond hij een lijst met US Dividend Champions, honderden beursgenoteerde Amerikaanse bedrijven die al jaren, en vaak zelfs decennia achtereen dividend betalen. Daaruit kiest hij er tien tot vijftien „die een acceptabel dividend (meer dan 2 procent) opleveren, die dat dividend normaal gesproken niet zullen verlagen en waarbij het koersrisico beperkt is”. Daarnaast let hij ook nog op koerswinstverhouding – hij slaat graag goedkoop in – en marktkapitalisatie – hoe groter, hoe beter. Met zo’n portefeuille verdien je nu meer dan met obligaties. Bedrijven gelden als riskanter, maar bij reuzen als General Mills (voeding, sinds 1856) en BHP Billiton (mijnbouw, sinds 1860) is het risico op een bankroet minimaal. Koersrisico is er wel, maar voor bu y and h o l d-beleggers als Koolschijn, is dat ondergeschikt. Het dividendrendement geeft „een prima bescherming tegen inflatie”. Daarnaast loopt hij een wisselkoersrisico, omdat hij alleen in Amerikaanse bedrijven belegt. Noodgedwongen, bij gebrek aan informatie. „Van Europese ‘dividendkampioenen’ heb ik zo’n mooie lijst als die op DripInvesting niet gevonden.”

Sign up to vote on this title
UsefulNot useful