SMART SHOPS EN NIEUWE TRENDS IN HET GEBRUIK VAN PSYCHO-ACTIEVE STOFFEN

Nota van de Werkgroep Smart Shops

Rijswijk, 19 januari 1998

Leden van de werkgroep
mr. E.L. Huberts (voorzitter) mw. mr. N. van der Arend Ministerie van Binnenlandse Zaken dr.ir. P.C. Bragt Hoofdinspectie Gezondheidsbescherming drs. A. Cramer Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport (VWS) A. Elissen Centrale Recherche Informatiedienst (CRI) van het Korps Landelijke Politie Diensten (KLPD) mr. W.A.G. Hillenaar VNG dr. R.J.J.Ch. Lousberg Inspectie voor de Gezondheidszorg mw. mr. F. Mulder Ministerie van Justitie mw. mr. C.M.M. Oostdam Gemeente Rotterdam mw. S.M.C. Potting Ministerie van VWS mw. dr. C.A. Rutgers Ministerie van VWS drs. M. Sijes Brijder Stichting mr. M.N.J. Smit Parket-Generaal dr. M. de Kort (secretaris) Ministerie van VWS

Inhoud
1. Inleiding 2. Plaatsbepaling 3. Het assortiment 4. Aard en omvang van het gebruik 5. De aanbodzijde 6. Wet- en regelgeving, toezicht en handhaving 7. Samenvatting 8. Slotbeschouwing, conclusies en aanbevelingen Literatuurlijst Beknopte begrippenlijst 4 6 9 19 23 27 38 43 52 53

1 Inleiding
Smart drugs, smart products, eco-drugs en hallucinogene paddestoelen hebben sinds een jaar of twee veel aandacht gekregen in de samenleving, de politiek en de media. Het blijkt dat er veel vragen leven over deze middelen en over de verkoop ervan in zogeheten smart shops. Wat voor risico's zijn verbonden aan het gebruik van de eco-drugs? Zijn smart shops "drugswinkels", die voor jongeren de drempel tot druggebruik verlagen en die een nieuwe bron van overlast kunnen zijn? Of zijn het alternatieve drogisterijen, waar het jonge uitgaanspubliek "gezonde" alternatieven kan vinden voor illegale drugs? Mogen hallucinogene paddestoelen nu vrij verkocht worden of niet? Wat is nu eigenlijk het beleid van de overheid? De werkgroep heeft zich bij het opstellen van deze notitie gebogen over de volgende vragen: om wat voor middelen gaat het? wat zijn de gezondheidsrisico's? welke wetgeving is van toepassing op de middelen? door wie worden deze middelen gebruikt en waarom? wat voor soort inrichtingen zijn smart shops? welke wet- en regelgeving geldt voor smart shops? is er voldoende toezicht op de handhaving van de regelgeving? is er bij de smart shops sprake van overlast en/of banden met de misdaad? welke trends en ontwikkelingen zijn er te verwachten?

Op grond van de beantwoording van deze vragen heeft de werkgroep conclusies en beleidsaanbevelingen geformuleerd. Zij heeft hierbij geprobeerd een eerste aanzet te geven tot een beleidskader dat ook in de nabije toekomst gehanteerd kan worden bij het omgaan met nieuwe trends en ontwikkelingen op dit gebied. Deze beleidsnotitie is onder verantwoordelijkheid van het ministerie van VWS tot stand gebracht door een werkgroep met vertegenwoordigers van de departementen van Binnenlandse Zaken, Justitie en VWS, het Staatstoezicht op de Volksgezondheid, de VNG, de Divisie CRI van het KLPD, de Brijder Stichting (centrum voor verslavingszorg in Noord-Holland), het Parket-Generaal van het Openbaar Ministerie en de gemeente Rotterdam. Mr. E.L. Huberts is opgetreden als onafhankelijk voorzitter van de werkgroep. Deze beleidsnotitie is in de eerste plaats bedoeld ter advisering van de Minister van VWS, als coördinerend minister voor het drugbeleid. De Minister zal deze notitie in het bijzonder kunnen gebruiken bij de besluitvorming door het kabinet over het te volgen beleid ten aanzien van hallucinogene paddestoelen. In antwoorden op vragen van het lid van de Tweede Kamer Van de Camp is gemeld dat het kabinet op grond van deze notitie en van de uitkomsten van de strafzaak Kerkdriel zal bezien of aanvullende maatregelen en/of aanpassing van de regelgeving nodig zijn (29 januari 1997, kenmerk 605370/97; 21 mei, kenmerk 2969711250). De werkgroep verwacht dat de beantwoording van de bovengenoemde vragen in de notitie ook van nut zal kunnen zijn voor het lokale bestuur, maar ook voor de inspecties voor de gezondheidszorg en gezondheidsbescherming, het Openbaar Ministerie, de politie, GGD'en,

verslavingszorg en smart-shophouders. Kortom, de nota is tevens bedoeld voor alle partijen die betrokken zijn bij smart shops, smart drugs, smart products en ecodrugs. De werkgroep is zich er van bewust dat het farmacologisch en medisch jargon in hoofdstuk 3 en het juridisch jargon in hoofdstuk 6 voor sommige lezers ten koste kan gaan van de leesbaarheid van deze notitie. De noodzaak om de informatie zo zorgvuldig en volledig mogelijk te presenteren, heeft tot gevolg gehad dat er op deze punten enige concessies zijn gedaan ten aanzien van de toegankelijkheid van deze notitie. De bijgevoegde begrippenlijst kan bij het lezen uitkomst bieden. Bovendien bevatten de genoemde hoofdstukken paragrafen waarin de conclusies worden samengevat. Tenslotte bevat hoofdstuk 7 een samenvatting van alle voorgaande hoofdstukken. In het volgende hoofdstuk van de notitie wordt aandacht besteed aan de vraag in welk kader de ontwikkelingen op het gebied van smart drugs, eco-drugs en smart products gesitueerd kunnen worden. Na deze plaatsbepaling op hoofdlijnen worden in hoofdstuk 3 een overzicht en een classificatie gepresenteerd van de in de smart shops verkrijgbare middelen. Tevens wordt op basis van een voor deze nota geschreven onderzoeksrapport een overzicht gegeven van de farmacologie en toxicologie van het smart-shopassortiment. In hoofdstuk 4 worden gegevens gepresenteerd over de aard en omvang van het gebruik en de kenmerken van de consumenten. De aanbodzijde van de markt staat in hoofdstuk 5 centraal, waarbij tevens aandacht wordt besteed aan de door smart shops verzorgde voorlichting en preventie, alsmede aan aspecten van overlast en criminaliteit. De van toepassing zijnde wet- en regelgeving en het toezicht op de handhaving komen in het zesde hoofdstuk aan de orde. Tenslotte wordt in hoofdstuk 7 een samenvatting gegeven en volgen in hoofdstuk 8, na een slotbeschouwing, de conclusies en de aanbevelingen.

2 Plaatsbepaling
Naar het zich laat aanzien, doet zich aan de vooravond van de 21e eeuw een omslag voor in het gebruik van psycho-actieve middelen. In Europa en de Verenigde Staten stijgt het gebruik van drugs onder jongeren en jong-volwassenen. We hebben echter niet primair te maken met middelen en gebruikspatronen die de afgelopen decennia de boventoon voerden. De drugproblematiek van de jaren zeventig en begin jaren tachtig betrof bovenal het heroïnegebruik. De afgelopen tien jaar is de populariteit van heroïne onder jongeren in Nederland duidelijk gedaald, maar is het gebruik van cannabis, XTC, XTC-achtigen, amfetamine en (sinds kort) hallucinogene paddestoelen toegenomen. Kenmerkend voor de meeste van deze middelen is dat het gebruik ervan niet leidt tot lichamelijke afhankelijkheid. De kans op geestelijke afhankelijkheid is niet zeer groot (amfetamine is in dit opzicht het meest riskante middel). Het meest zorgwekkende aspect van het gebruik van XTC, XTC-achtigen en amfetamine is dat het kan leiden tot acute (en waarschijnlijk ook chronische) gezondheidsschade. Niet alleen is er een duidelijke wijziging in de soorten middelen die populair zijn, ook de gebruikspatronen zijn veranderd. Het klassieke (deels stereotiepe) beeld van de aan heroïne en cocaïne verslaafde jongere, van wie zijn of haar leefstijl vrijwel volledig in het teken staat van drugs, is achterhaald. Voor de meeste jongeren en jong-volwassenen blijft het gebruik incidenteel, experimenteel en recreatief. Dit neemt overigens niet weg dat ook het gebruik van de nu populaire drugs riskant is. Hierbij dient tevens bedacht te worden dat jongeren vaak combinaties van deze drugs gebruiken en/of deze drugs combineren met alcohol (en tabak). Een groot pluspunt is dat er bij de consumenten van de thans populaire drugs geen sprake is van het soort criminaliteit, overlast en verloedering zoals bij heroïne het geval is. Ondanks het feit dat we met nieuwe ontwikkelingen te maken hebben, is een aantal aspecten niet wezenlijk veranderd. Het gebruik van middelen hangt sterk samen met de jeugd- en uitgaanscultuur. Middelengebruik is een modegevoelig, sociaal-cultureel fenomeen, waarvan een stijging of daling eerder met trends in de jeugdcultuur te maken heeft dan met het gevoerde overheidsbeleid. De trendgevoeligheid geldt niet alleen voor de omvang van het gebruik, maar ook voor de typen drugs, de gebruikspatronen en de functie van drugs binnen de jongerencultuur. De trendgevoeligheid van middelengebruik komt onder meer naar voren in de manier waarop de in de samenleving wijd verbreide aandacht voor gezonder leven in de jeugd- en uitgaanscultuur vorm heeft gekregen. Er is een (door de commercie snel gesignaleerde en gestimuleerde) vraag ontstaan naar "gezonde" drugs en naar producten die een moderne, "snelle" leefstijl zouden moeten ondersteunen door het leveren van energie, het verbeteren van de algemene gezondheidstoestand of het beperken van mogelijke gezondheidsschade. Het assortiment van de smart shops sluit goed aan bij de trends binnen bepaalde (sub)culturen. De eco-drugs voorzien in de vraag naar natuurlijke producten met een psycho-actieve werking. De smart products sluiten aan bij de behoefte aan natuurlijke producten die de gebruiker met een intensief uitgaansleven energiek en gezond moeten houden. Tevens spelen de smart shops in op de hernieuwde belangstelling

voor spirituele ervaringen. Deze "revival of the sixties" heeft duidelijk raakvlakken met de "New Age-beweging". De namen van sommige smart shops zijn in dit verband illustratief: Altered State, Conscious Dreams, Sign of Time en Sirius. Naast de inbedding van het middelengebruik in de jeugd- en uitgaanscultuur, is er een ander fenomeen dat minder tijdgevoelig is. Trends in de jongerencultuur hebben zonder uitzondering te maken met het proces van opgroeien. De puberteit en de adolescentiefase worden mede gekenmerkt door het "aftasten van grenzen", door het "experimenteren op velerlei gebieden". Het middelengebruik onder jongeren moet vooral binnen dit kader worden beoordeeld. Uit verschillende onderzoeken blijkt dat veruit voor het merendeel van de jongeren het middelengebruik beperkt blijft tot experimenteergedrag. De meeste mensen die ervaring hebben met illegale drugs, hebben deze middelen slechts enkele keren of gedurende een bepaalde fase in hun leven gebruikt.1 Experimenteren met psycho-actieve stoffen kan risico's voor de gezondheid met zich meebrengen. Dit geldt zeker voor kwetsbare groepen, zoals jongeren. Anderzijds moet onder ogen worden gezien dat dergelijk gedrag onderdeel is van het proces van opgroeien. Bij het bepalen van het beleid zal met beide aspecten rekening gehouden moeten worden. Voorts moet onder ogen gezien worden dat door de bovengenoemde ontwikkelingen de complexiteit van het drugvraagstuk sterk is toegenomen, waardoor het vormgeven van een effectief beleid niet eenvoudig is. Ten aanzien van het onderwerp van de onderhavige beleidsnotitie is het bovendien zelfs de vraag in hoeverre hier nog (uitsluitend) van specifiek drugbeleid gesproken moet en kan worden. Uit de naamgeving en aanprijzing van producten, met name de smart products, blijkt dat vaak geflirt wordt met een drugimago (bijvoorbeeld Fast Blast, Spiet, Herbal Ecstacy). Dit heeft niet alleen de beeldvorming over smart shops als "drugswinkels" versterkt, maar ook aanleiding gegeven tot misverstanden over de aard van de verkochte producten. Zoals in het volgende hoofdstuk zal blijken, worden naast hallucinogene paddestoelen veel andere producten verkocht. Een deel van deze producten heeft een zo beperkte psycho-actieve werking dat het zeer de vraag is of hierbij wel van "drugs" gesproken kan worden. Er worden ook producten verkocht die helemaal niet psycho-actief zijn. Hierbij gaat het om bepaalde eet- en/of drinkwaren (bijvoorbeeld voedingssupplementen, energiedrankjes) die ook bij andere, meer reguliere verkooppunten verkrijgbaar zijn. In enkele gevallen gaat het om producten die als geneesmiddel aangemerkt moeten worden.

Er wordt al met al een breed assortiment van middelen aangeboden, waarvan de risico's, de werking, de toedieningsmethode de productiewijze en de wettelijke

Van de consumenten van cannabis weten we bijvoorbeeld dat de meesten tussen de 15 en 25 jaar beginnen en, wanneer het gebruik niet beperkt blijft tot een enkel experiment, zij meestal tussen de 30 en 35 jaar met het gebruiken van hasj en marihuana stoppen. dr. P.D.A. Cohen, 'Cannabisgebruikers in Amsterdam', voordracht congres Gemeentelijk Gedoogbeleid Softdrugs (Utrecht, 1995).

1

status kunnen verschillen. Dit betekent dat het beleid ten aanzien van smart shops en de in deze shops verkochte producten in feite gesitueerd moet worden op het grensvlak tussen het drugbeleid in engere zin, het beleid ter bescherming van de gezondheid en veiligheid van de consument van eet- en drinkwaren in het algemeen en het beleid ten aanzien van de geneesmiddelenvoorziening.

3 Het assortiment
Het assortiment in smart shops en andere "alternatieve" verkooppunten bestaat uit een veelheid van verschillende producten, die in veel gevallen samengesteld zijn uit een groot aantal stoffen. De werking van deze stoffen, de farmacologie, kan sterk uiteenlopen. Ook de gezondheidsrisico's kunnen wat betreft aard en ernst per product sterk verschillen. De mate van schadelijkheid wordt echter niet alleen bepaald door de dosis en de stof. De werking en de mogelijke gezondheidsrisico's voor het individu en de samenleving zijn afhankelijk van de toxicologie van de stof(fen), de individuele karakteristieken van de gebruiker en de sociale context van het gebruik. Deze drie factoren worden wel omschreven als middel, mens en omgeving.2 Sinds het begin van de jaren zeventig is de hoofddoelstelling van het Nederlandse drugsbeleid het beperken van de risico's van drugsgebruik voor het individu, zijn of haar onmiddellijke omgeving en de samenleving als geheel. Zoals gezegd kunnen deze risico's bij de in de smart shops verkrijgbare producten sterk verschillen. Dit noodzaakt tot een gedifferentieerd beleid, dat gebaseerd is op een analyse van de risico's van de verschillende middelen. Bij deze analyse om de schadelijkheid van een middel voor het individu te bepalen, gaat het met name om de mate van risico voor lichamelijke en geestelijke afhankelijkheid en de acute en chronische toxiciteit van het middel. Bij het vaststellen van de maatschappelijke risico's moet gekeken worden naar de omvang en frequentie van het gebruik, de karakteristieken van de gebruikers, de beschikbaarheid, de mogelijkheden voor preventie en voorlichting, overlast en criminaliteit en internationaalpolitieke aspecten. In deze notitie zal zowel naar de farmacologie en toxicologie ("het middel") als naar de karakteristieken van de gebruikers ("de mens") en de sociale context ("de omgeving") worden gekeken. Het zal duidelijk zijn dat het niet mogelijk was om voor ieder product dat in de smart shops verkrijgbaar is een risico-analyse uit te voeren, waarbij voor ieder bovengenoemd aspect voldoende informatie voorhanden is. De werkgroep heeft besloten dat met name de middelen die een psycho-actieve werking hebben voor een risico-analyse in aanmerking komen.3 Het gaat om psilocybe pad
2

Zinberg heeft in een klassieke studie deze drie factoren in het Engels taalgebied geïntroduceerd als Drug, Set en Setting. Zie: Norbert E. Zinberg, Drug, Set and Setting. The Basis for Controlled Intoxicant Use (New haven, London 1984). Ten behoeve van deze notitie is een aantal onderzoeken uitgevoerd die bij het maken van de risico-analyse een belangrijke rol hebben gespeeld. 1. Dirk J. Korf, Paolo van Steenhoven, Jeugd, Paddo's en smartshops (O+S Amsterdam, 1997). Dit is een bliksemonderzoek naar het gebruik van psychedelische paddestoelen onder ruim 1100 jongeren in de leeftijd van 15 tot 24 jaar. 2. J.A. Bosch, E.J.M. Pennings, F.A. de Wolff, Pyschoactieve Paddestoel & Plantproducten; toxicologie en klinische effecten (AZL Leiden, 1997). Dit is een literatuuronderzoek naar de toxicologie en farmacologie van paddestoelen en de in de smart shops meest voorkomende plantproducten. 3. Mariken Müller, De smart shop als moderne snoepwinkel; een veldonderzoek. Dit door de Brijder Stichting uitgevoerde "impressionistische veldonderzoek" gaat met name in op het publiek dat smart shops bezoekt, de mate van zelfregulatie van de
3

destoelen, belladonna en andere planten die belladonna-alkaloïden bevatten (waarvan alruin, bilzekruid en doornappel de belangrijkste zijn), cactussen en zaadjes waarin mescaline als werkzame stof voorkomt, kava kava, yohimbe, lachgas en efedrine. De psycho-actieve werking van deze middelen varieert van niet of nauwelijks (yohimbe), licht (kava kava) tot zeer sterk (planten die belladona-alkaloïden bevatten). De werkgroep is van mening dat hier het beste de verzamelnaam "niettraditionele genotmiddelen" gebruikt kan worden. "Niet traditionele" omdat het gebruik van deze middelen (dat op zich een lange voorgeschiedenis kan hebben) in onze samenleving niet geïntegreerd is. Er zijn immers geen algemeen bekende normen, waarden en rituelen rond het gebruik. "Genotmiddelen" omdat hiermee het (ondanks alle eventuele gezondheidsclaims) belangrijkste oogmerk van het gebruik wordt gekarakteriseerd. De term "genotmiddelen" is tevens gekozen omdat een aantal van deze middelen een zo beperkte psycho-actieve werking heeft dat de term "drugs" niet op zijn plaats zou zijn. Benadrukt dient te worden dat de uitkomst van een risico-analyse een beoordeling is van de huidige situatie. Nieuwe gegevens over de toxiciteit, nieuwe gebruikersgroepen, veranderde patronen van gebruik en een gewijzigde sociale context kunnen in de toekomst tot een andere conclusie leiden. Dit betekent niet alleen dat een risico-analyse altijd een "voorlopig" karakter heeft, maar ook dat monitoring en surveillance belangrijke instrumenten zijn om eventuele veranderingen tijdig te kunnen signaleren. 3.1 Classificatie In smart shops worden vele producten aangeboden, waaronder vitaminen, mineralen, voedingssupplementen, kruiden, energiedranken en samengestelde middelen. Deze worden veelal aangeduid met de term "smart drugs" of "eco-drugs". Sommige producten hebben een duidelijke psycho-actieve werking en kunnen dus als "drugs" in de eigenlijke zin van het woord worden betiteld. Deze stoffen kunnen stimulerende, sederende of hallucinerende effecten hebben. Een deel van het assortiment van de smart shops heeft echter niet of nauwelijks een psycho-actieve werking en kan derhalve niet of nauwelijks als "drugs" worden beschouwd. Voorts zijn er producten die niet de werking hebben die zij volgens de aanprijzingen in de smart shops zouden moeten hebben. Kortom, het aanbod in de smart shops is zeer gevarieerd. Tevens wordt dit aanbod regelmatig uitgebreid met nieuwe producten. Het is niet eenvoudig om een sluitende classificatie van deze verschillende producten te maken. In de literatuur en in de smart shops worden verschillende indelingen gehanteerd.4 Geen enkele indeling - ook de hier gehanteerde - leidt tot een gehele

smart shops en de kwaliteit van de voorlichting. 4. Enquête onder de gemeenten die lid zijn van de interbestuurlijke Task Force Veiligheid en Verslavingszorg. Deze gemeenten is gevraagd om informatie betreffende aantallen smart shops, incidenten, overlast en criminaliteit en het lokale beleid t.a.v. smart shops. Zie bijvoorbeeld: Brijder Stichting, Beleid t.a.v. paddestoelen en "eco-winkels/smart shops" (Alkmaar, 1997); Saco de Visser, Evaluatie Smart drugs (stageverslag VU, 1997); Vast Secretariaat voor het Preventiebeleid, De problematiek van
4

afbakening van alle verkrijgbare producten. Er komen namelijk regelmatig nieuwe middelen op de markt en tevens worden nieuwe samenstellingen van verschillende stoffen aan het assortiment toegevoegd. Er zal, welke indeling ook wordt gehanteerd, altijd een zekere overlap tussen de verschillende categorieën bestaan. De in deze nota gehanteerde indeling is gebaseerd op drie overwegingen: 1) Wordt het plantaardig product in nagenoeg onbewerkte vorm aangeboden, heeft het een significante bewerking ondergaan of kan het als een chemische stof worden gekarakteriseerd? 2) Bestaat het product uit één of enkele plantaardige stoffen of is er sprake van een samengesteld middel waaraan hogere concentraties werkzame bestanddelen worden toegevoegd? 3) Heeft het middel een psycho-actieve werking? Benadrukt dient te worden dat in onderstaande classificatie slechts een beperkt aantal verkrijgbare middelen wordt genoemd. A. Smart drugs Smart drugs zijn geen drugs in de eigenlijke zin van het woord. Smart drugs zijn medicijnen die worden (of werden) voorgeschreven bij ziekten als Alzheimer, Parkinson en Korsakov. Deze medicijnen, zoals piracetam en vasopressine, vallen onder de Wet op de Geneesmiddelenvoorziening en worden niet in smart shops verkocht. Zij worden slechts op recept verstrekt, maar zijn ook wel verkrijgbaar bij postorderbedrijven die hun waren via het internet aanprijzen. B. Eco-drugs Eco-drugs zijn plantaardige stoffen die ook als zodanig herkenbaar zijn. Het zijn tevens stoffen die een psycho-actieve werking hebben. Het meest in de belangstelling staan de psychedelische paddestoelen of paddo's. Ook sommige cactussen, yohimbe, kava kava en bepaalde zaden bevatten psycho-actieve stoffen. Sommige ecodrugs, zoals de paddestoelen, hebben een hallucinerende werking en aan anderen wordt een stimulerende of sederende werking toegeschreven. Tenslotte kunnen sommige kruidenmengsels met een dergelijke werking onder de categorie eco-drugs worden geplaatst. C. Smart products Smart products is een verzamelnaam voor middelen die samengesteld kunnen zijn uit meerdere stoffen. Eco-drugs kunnen derhalve ook onder de categorie smart products vallen wanneer er andere stoffen aan zijn toegevoegd of wanneer zij in geconcentreerde of geëxtraheerde vorm zijn verwerkt. De werking van smart products kan zeer uiteenlopen. Een nadere onderverdeling is derhalve raadzaam.

a)

De sterk stimulerende middelen. Dit zijn middelen die vanwege hun opwekkende werking worden geconsumeerd. In de smart shops worden zij wel als legale XTC of amfetamine-vervangers gepresenteerd en onder namen als Cloud Nine, Herbal Ecstasy en Spiet aan de man gebracht. In veel gevallen bevatten deze producten een bepaald percentage efedra of efedrine.

smart drugs in België (Brussel, 1997); Stichting Adviesburo Drugs, Smart Drugs: een nieuwe drugstrend? (Amsterdam 1996).

b) c)

d)

Licht opwekkende en/of euforiserende middelen en afrodisiaca. In deze producten worden veelal eco-drugs als yohimbe, kava kava en guarana verwerkt. Energy-drinks. Niet alleen in de smart shops, maar ook in supermarkten, platenzaken en benzinestations wordt een groot aantal soorten energy-drinks aangeboden. Deze drankjes bevatten veelal opwekkende stoffen als guarana, cafeïne, ginseng en soms alcohol. Vitaminen, mineralen en voedingssupplementen. In reformzaken en smart shops worden producten aangeboden die bij gebruik een verhoogde algemene gezondheid zouden bewerkstelligen. Deze producten worden ook wel smart nutrients genoemd en bevatten stoffen als anti-oxidanten, choline en aminozuren.

D.

De overige middelen, waaronder chemische producten (bijvoorbeeld GHB en lachgas) Deze laatste categorie bestaat voornamelijk uit chemische substanties die een zeer verschillende uitwerking kunnen hebben. Het middel 2CB (4-bromo-2,5-dimethoxyfenylethylamine) is een fenylethylamine en heeft eigenschappen die enigszins vergelijkbaar zijn met MDMA. 2CB werd tot voor kort in veel smart shops aangetroffen, maar is op 9 juli 1997 ex artikel 2, derde lid van de Opiumwet bij ministerieel besluit aangewezen als middel als bedoeld in artikel 2, tweede lid van de Opiumwet. Dit betekent dat het onder andere verboden is dit middel te bezitten, te verhandelen en te produceren. GHB (gamma hydroxy butyraat) is na enkele incidenten op instigatie van de Inspectie voor de Gezondheidszorg door de meeste smart shops in 1996 van de schappen gehaald. Lachgas wordt door sommige smart shops aangeboden. Het middel is tevens, veelal "verpakt" in ballonnen, verkrijgbaar op sommige house parties en popfestivals. Tevens kan het gekocht worden in supermarkten en winkels voor huishoudelijke artikelen waar het als drijfgas voor slagroomspuiten wordt aangeboden. 3.2 Farmacologie en toxicologie Alle genot- en levensmiddelen kennen een toxische dosis. Bijzondere aandacht is vereist voor stoffen die reeds bij de consumptie van lage doses ernstige gezondheidseffecten kunnen geven. Voor de meeste stoffen zal in de regel slechts bij de consumptie van relatief hoge doseringen risico's voor de gezondheid ontstaan. Een geringe dosis van een bepaalde stof kan dus relatief onschuldig zijn terwijl een hoge dosis een ernstig gevaar voor de gezondheid kan inhouden. Bij een adequate risicoanalyse zal dus met nadruk gekeken moeten worden naar de "gebruikelijke" dosis en de dosis die een reëel gevaar voor de gezondheid kan opleveren. Sommige kruiden, kruidenmengsels en plantenextracten, waaronder yohimbe, bevatten zogenaamde MAO-remmers. MAO-remmers remmen het enzym (mono amine oxidase) dat in de hersenen voorkomt en dat als functie heeft om de werking van de signaaloverdrachtsstoffen adrenaline, noradrenaline en serotonine te beëindigen of om de concentraties ervan binnen fysiologische grenzen te houden.5 Als MAO wordt geremd, stijgen de concentraties van deze signaaloverdrachtsstoffen soms in aanzienlijke mate. Bepaalde MAO-remmers worden als geneesmiddel ge-

Signaaloverdrachtsstoffen of neurotransmitters zorgen voor de signaaloverdracht van een zenuwuiteinde naar een andere zenuw of naar een spier.

5

bruikt (antidepressiva). Zij nemen gevoelens van apathie en neerslachtigheid weg en geven meer energie en eetlust. Als MAO-remmers worden gebruikt, moet men oppassen met het gelijktijdig gebruiken van geneesmiddelen die aminen bevatten of voedingsmiddelen waarin veel aminen voorkomen (wijn, sherry, bepaalde kaassoorten en mogelijk ook chocolade en bananen), omdat deze aminen dan niet worden afgebroken en zich in het lichaam ophopen. Hierdoor kunnen toxische verschijnselen ontstaan, waaronder sterk verhoogde bloeddruk. Het gebruik van MAO-remmende kruiden, kruidenmengsels of plantenextracten in combinatie met voornoemde voedingsmiddelen moet daarom ontraden worden. Ook het gelijktijdig gebruik van MAO-remmende kruiden en de psychoactieve stoffen dimethyltryptamine, diethyltryptamine en dipropyltryptamine of planten die deze stoffen bevatten, moet ontraden worden. A. Smart drugs Smart drugs worden onder meer gebruikt om helderder te denken, de concentratie te verhogen, om veroudering tegen te gaan en om meer energie te krijgen. Het is nog niet duidelijk of deze middelen daadwerkelijk de effecten bewerkstelligen, die de aanbieders aangeven. In wetenschappelijke kringen wordt hierover nog een discussie gevoerd. Voorts is het niet bekend wat de eventuele gevolgen zijn van het toedienen van een dosis die veel hoger is dan bij het gebruik als geneesmiddel. Smart drugs zijn geen psycho-actieve stoffen en de risico's voor het individu en de samenleving zijn bij normaal gebruik te verwaarlozen. Vermoedelijk is de omvang van het gebruik van deze middelen zeer beperkt. B. Eco-drugs De veel gehoorde opvatting dat natuurlijke producten, zoals de hallucinogene paddestoelen (paddo's), kava kava en yohimbe, per definitie minder schadelijk voor de gezondheid zijn dan chemische producten, is onjuist. Het feit dat het assortiment van de smart shops met name bestaat uit natuurlijke producten zegt niets over de toxiciteit ervan. De hoeveelheid werkzame bestanddelen in natuurlijke producten is bovendien nooit constant en dit kan op zich al risico's met zich meebrengen. Langs chemische weg kan daarentegen wel een standaard dosis verkregen worden, wat de kans op onbedoelde overdosering verkleint. Het standpunt dat eco-drugs per definitie "gezonder" of "minder schadelijk" zijn dan chemische drugs, is dus niet correct. Er bestaan vele soorten paddestoelen die een hallucinogene werking hebben. In de smart shops worden in de regel 3 à 4 soorten aangeboden; de Psilocybe semilanceata, de Psilocybe cyanescens, Psilocybe cubensis en de Copelandia cyanescens. De werkzame stoffen in deze paddestoelen zijn psilocybine en psilocine. Deze stoffen kunnen illusies, hallucinaties, euforie en slaperigheid tot gevolg hebben. Verder zijn ondermeer verhoging van de hartslag, lichaamstemperatuur en bloeddruk waargenomen. Sommige gebruikers worden draaierig en misselijk. Dit kan gepaard gaan met braken. Psilocybine en psilocine zijn bij "normale" gebruiksdoseringen nauwelijks toxisch. Van lichamelijke afhankelijkheid is geen sprake, noch van ernstige lichamelijke schade. De grootste risico's zijn roekeloos gedrag onder invloed van de stof en het ondergaan van een zogenaamde "bad trip". De kans op het ervaren van een "bad trip" wordt vergroot als de stof wordt geconsumeerd door psychisch instabiele mensen. Echter, hoe naar en angstaanjagend deze trips ook kunnen zijn, bad trips leiden normaliter niet tot blijvende geestelijke problemen. Bad trips zijn echter wel risicovol voor mensen met een (potentiële) psychose of depressie. Het risico van

geestelijke afhankelijkheid is vermoedelijk gering. Met betrekking tot de chronische toxiciteit zijn geen gegevens voorhanden. Vooralsnog zijn er geen berichten over ernstige incidenten in Nederland na het gebruik van paddestoelen. Volgens het Nationaal Vergiftigingen Informatie Centrum (NVIC) werden tot enige tijd geleden incidenteel (ongeveer 2 à 3 keer per maand) informatieve vragen over intoxicaties met paddestoelen gesteld. De laatste tijd neemt het aantal informatieverzoeken echter toe. In de periode van 9 juni '97 tot 13 augustus '97 heeft het NVIC 17 maal informatie verstrekt. De informatie diende ten behoeve van gebruikers van hallucinogene paddestoelen, in leeftijd variërend van 15 tot 39 jaar (gemiddelde leeftijd 20 jaar), voor wie vanwege hevige acute gezondheidseffecten medische hulp was ingeroepen. Effecten bestonden vooral uit paniekaanvallen, hevige agitatie en motorische onrust, angst, hallucinaties, verwardheid en visusstoornissen 6. Door de gemeenten die gevraagd zijn hun ervaringen met betrekking tot de smart shops aan de Werkgroep te rapporteren, zijn geen ernstige incidenten waargenomen. In 1996 zijn bijvoorbeeld bij de Amsterdamse GG&GD in totaal 4 meldingen binnengekomen met betrekking tot paddogebruik. Deze incidenten waren niet van ernstige aard en geen van de personen is in het ziekenhuis opgenomen. Uit het rapport van Bosch, Pennings en De Wolff blijkt dat er nog geen duidelijkheid bestaat over de kans dat in de nabije toekomst verhoogde concentraties psilocybine in paddestoelen zullen verschijnen.7 Sommige deskundigen zijn van mening dat door middel van veredelingstechnieken en genisolatie de alkaloïdeopbrengst vergroot kan worden. Andere deskundigen stellen echter dat het met technieken als sporenkruisingen niet mogelijk is om een hogere opbrengst te krijgen. Wel kan worden geconcludeerd dat er altijd enige variabiliteit tussen de werkzame bestanddelen van de paddestoelen blijft bestaan. Deze variabiliteit komt in de natuur in sterkere mate voor. Het psilocybine-gehalte van in de natuur gevonden paddestoelen kan sterk verschillen, wat bij gebruik risico's met zich meebrengt. Het grootste risico is echter dat het veelal bijzonder moeilijk is om de psilocybine paddestoel te onderscheiden van andere, soms bijzonder giftige paddestoelen. In de literatuur zijn vele verwisselingen van paddestoelen beschreven, waarbij een fatale afloop niet onbekend is.8 In smart shops worden (kleine) cactussen en zaadjes van Peyote of San Pedro verkocht. Deze producten bevatten de werkzame stof mescaline. Preparaten met mescaline komen ook voor, maar deze worden, voor zover de werkgroep bekend is, niet in smart shops verkocht. Mescaline heeft een hallucinerende werking. Meestal verloopt het gebruik van mescaline zonder ernstige complicaties. Volgens Bosch, Pennings en De Wolff kan de bad trip bij mescaline enigszins riskanter zijn dan bij

Persoonlijke communicatie, mw. I. de Vries, internist, Hoofd afdeling Documentatie en Informatie, NVIC, d.d. 13 augustus 1997. Met moderne kweektechnieken worden uitheemse paddestoelen al in Nederland gekweekt.
8 7

6

Zie: Bosch, Pennings, Wolff, Psychoactieve Paddestoel- & Plantprodukten.

psilocybine. Mescaline is licht toxisch, niet verslavend, maar mogelijk wel teratogeen. De meeste eco-drugs zijn bij inname van "normale" doseringen in het algemeen weinig toxisch. Bij de inname van hoge doseringen of bij chronisch gebruik kunnen echter wel gezondheidsproblemen ontstaan. Zo kan bijvoorbeeld yohimbe leiden tot een stijging van de bloeddruk, wat gezondheidsrisico's met zich mee kan brengen. Het middel in deze categorie dat vermoedelijk meer risico's kan opleveren is het gebruik van efedra of efedrine. Efedra wordt vooral verwerkt in smart products, afslankproducten en Chinese kruidenmengsels. Het is een stimulerend middel en is toxisch bij chronisch en overmatig gebruik (hyperthermie, hypertensie, psychose). Efedrine is in potentie verslavend en mutagene, teratogene en neurodegeneratieve effecten zijn niet uit te sluiten. De onderzoekers concluderen echter wel dat efedrine in vergelijking met amfetamine een lage kans op misbruik heeft en dat er gezien het wereldwijde gebruik relatief zelden ernstige complicaties worden gemeld. In smart shops worden alruin en zaden van de Datura stramonium (Doornappel, een plant die in Nederland inheems is) aangeboden die behoren tot de plantenfamilie Solanacea (Nachtschade). Deze zaden bevatten belladonna-alkaloïden die geestverruimende effecten kunnen bewerkstelligen. Bosch, Pennings en De Wolff oordelen dat de risico's van deze middelen vrij hoog zijn. Weliswaar is er geen verslavingsrisico, maar het gevaar voor acute intoxicatie is aanzienlijk. Koevoets en Van Harten beschreven een intoxicatie met doornappel bij een jong-volwassene. Het klinisch beeld komt overeen met een atropinevergiftiging.9 C. Smart products De smart products zijn, zoals hiervoor is aangegeven, middelen die samengesteld zijn uit meerdere stoffen. Iedere stof kan onderzocht worden op toxicologische en farmacologische effecten. Het probleem bij de smart products is echter dat er meerdere stoffen in het geding zijn die afzonderlijk misschien niet-toxisch zijn, maar in samengestelde vorm wel toxische effecten kunnen hebben (synergie). Het is vrijwel ondoenlijk om de farmacologie en toxicologie van de steeds nieuwe en wisselend samengestelde smart products te onderzoeken. De sterk stimulerende middelen bevatten veelal efedra of efedrine (zie vorige paragraaf), waaraan bij chronisch gebruik risico's kleven. Uit Belgisch onderzoek blijkt dat de hoeveelheid efedrine in smart products sterk kan variëren. Bij enkele producten is het percentage efedrine zelfs niet constant. Onduidelijkheid over de sterkte van het middel kan een risico voor gebruikers met zich meebrengen. Voorts heeft de werkgroep de indruk dat efedrine soms in geconcentreerde vorm in smart products wordt verwerkt, waardoor de stimulerende effecten toenemen. De licht opwekkende en/of euforiserende middelen, zoals yohimbe en kava kava, kunnen in hoge dosis en bij chronisch gebruik risico's voor de gezondheid met zich mee brengen. In lage doseringen zijn deze middelen echter relatief veilig. Het is echter niet precies bekend in welke concentraties deze stoffen voorkomen in de

P.F.M. Koevoets, P.N. van Harten, 'Doornappel-intoxicatie', Nederlands Tijdschrift voor Geneeskunde 18 (1997) 141, p. 888-889.

9

smart products. Nader onderzoek naar het percentage werkzame stoffen kan meer licht werpen op de vraag naar de schadelijkheid voor de volksgezondheid. In de energy drinks wordt veelal guarana en/of taurine verwerkt. Het werkzame bestanddeel van guarana is cafeïne. De stimulerende effecten van deze energy drinks worden met name veroorzaakt door het hoge cafeïne gehalte. Weliswaar kunnen hoge dosis cafeïne leiden tot een verhoogde hartslag, hoofdpijn en een gespannen gevoel, maar de risico's voor de gezondheid zijn zeer beperkt. Taurine is een stof die ook door het menselijk lichaam aangemaakt wordt. Het is overigens twijfelachtig of taurine daadwerkelijk een stimulerende werking heeft.10 Aminozuren, mineralen en vitaminen zijn noodzakelijk voor een goede gezondheid. Bij een normaal eetpatroon krijgt men echter voldoende van deze stoffen in het lichaam. Bij normaal gebruik zijn deze stoffen niet toxisch. Overmatig gebruik kan daarentegen schadelijk voor de gezondheid zijn. D. Chemische producten GHB is een narcosemiddel dat echter niet of nauwelijks meer in de medische praktijk wordt toegepast. Op de drugmarkt was het wel bekend als "liquid XTC". Het middel kan, zeker in combinatie met alcohol, snel leiden tot ongewenste bijwerkingen. Het risico om enige tijd in coma te raken is relatief groot. Voorts is de werking van GHB moeilijk te voorspellen. Dit kan voor gebruikers gevaarlijke gevolgen hebben. Lachgas is eveneens een narcosemiddel. Het heeft een zoetige, niet onaangename geur. Als narcosemiddel wordt het toegediend vermengd met zuurstof. Het gas geeft gedurende enkele minuten een sterke psychedelische roes waarbij zintuiglijke ervaringen in elkaar overlopen en waarbij men in een droomachtige toestand terecht komt. Lachgasverslaving is tot op heden in Nederland onbekend. Er is wel enige casuïstiek bekend van mensen die op een avond te veel nemen. Voorts zijn er zeldzame gevallen beschreven van mensen die gedurende lange tijd grote hoeveelheden consumeerden. Dit kan leiden tot lichamelijke klachten, stemmingsstoornissen en persoonlijkheidsveranderingen. Zoals ook bij andere snelwerkende middelen het geval is, kan het snelle stijgen en dalen van de roes sommigen uitnodigen tot een herhaling van het gebruik. Als men te veel lachgas neemt, krijgt men last van hoofdpijn en misselijkheid. Gebruik van lachgas is niet zonder risico's. Gebruikers kunnen bijvoorbeeld het evenwicht verliezen en vallen. Deelname aan het verkeer na het gebruik van lachgas dient sterk te worden ontraden. Ook nadat de directe roes is uitgewerkt, kan men nog uren onoplettend blijven. Indien lachgas geconsumeerd wordt door de mond direct op de drukfles of het patroon te plaatsen, kunnen lippen, neus en stembanden bevriezen. Ernstige brandwonden kunnen daardoor ontstaan. Indien de ingeademde lucht te grote hoeveelheden lachgas bevat (bijvoorbeeld meer dan 80%), krijgt de gebruiker te weinig zuurstof. Personen met een verstopte buis van Eustachius

Door de Inspectie voor de Gezondheidsbescherming is uitgebreid onderzoek gedaan naar deze energy drinks. In een klein aantal gevallen werden stoffen aangetroffen die niet zijn toegelaten. De maximaal toegestane hoeveelheid cafeïne in deze dranken is 350 mg/liter, wat vergelijkbaar is met 4 koppen koffie. Op de verpakking behoort het gehalte aan cafeïne te staan. De in België onderzochte energy drinks bevatten in het merendeel van de gevallen minder dan 350 mg/liter cafeïne.

10

kunnen door het gebruik van lachgas een gesprongen trommelvlies krijgen, wat tijdelijke of blijvende gehoorschade kan veroorzaken. Het gebruik van lachgas tijdens zwangerschap kan leiden tot een spontane abortus of ernstige geboorteafwijkingen. Langdurig en/of excessief gebruik van lachgas kan leiden tot een tekort aan vitamine B-12 en foliumzuur. Hoewel uit het bovenstaande blijkt dat het gebruik van lachgas zeker niet zonder risico's is, moet geconstateerd worden dat het gebruik van lachgas op grootschalige parties nog niet tot ernstige problemen heeft geleid. De kans op complicaties (zoals overdosering) wordt beperkt door de toedieningswijze, waarbij men het lachgas uit een ballon inademt. Voorlichting kan de risico's eveneens reduceren. 3.3 Conclusie In schema 1 wordt een kort overzicht gegeven van een aantal producten dat in smart shops wordt aangeboden. Uit voorgaande kan de algemene conclusie worden getrokken dat voor de meeste stoffen geldt dat het incidentele gebruik van "normale" doseringen door gezonde personen relatief weinig risico's met zich meebrengt. Een uitzondering hierop vormen de planten die tot de familie van de Nachtschades behoren en belladonna-alkaloïden bevatten, in casu alruin, bilzekruid en doornappel. Hier bestaat een reëel gevaar voor acute intoxicatie. Voor de psilocybe paddestoelen geldt dat beperkt gebruik door mensen die geen psychiatrische stoornissen hebben, zoals depressieve gedachten en psychosen, weinig gevaarlijk is. Een "bad trip" en de kans dat bij deelname aan het verkeer ongelukken worden veroorzaakt, zijn de grootste risico's. Aan een aantal stoffen, zoals efedrine, yohimbe en kava kava, kleven bij chronisch en overmatig gebruik risico's voor de gezondheid. In het algemeen kan geconcludeerd worden dat de kans op verslaving bij de meeste stoffen gering is.

Schema 1: selectie van "niet-traditionele genotmiddelen"
In smart shops voornaamste werking toxiciteit bij "normale" dosis kans op lichamelijke en/of geestelijke afhankelijkheid nee wet- en regelgeving grootste risico

Psilocybe paddestoelen Belladonna alkaloiden Mescaline

ja

hallucinogeen hallucinogeen

zeer gering acuut

Warenwet, mogelijk Opiumwet Warenwet

"bad trip"

ja

nee

acute intoxicatie

ja, als cactus of zaadjes

hallucinogeen

licht

nee

werkzame stof Opiumwet, cactus of zaadjes Warenwet, mogelijk Opiumwet Warenwet

risico's bij "bad trip"

Kava Kava

ja

relaxerend

weinig bij gematigd gebruik

onbekend, waarschijnlijk niet nee

huidschilfering en verkleuring bij chronisch gebruik complicaties bij overmatig gebruik en in combinatie met andere middelen bij zwangerschap, vallen, overdoseren toxisch bij overmatig, langdurig gebruik en in potentie verslavend

Yohimbe

ja

afrodisiacum, onbewezen

wellicht bij chronisch en overmatig gebruik gering

Warenwet

Lachgas

soms

hallucinogeen stimulerend

onbekend

Warenwet, mogelijk WOG Warenwet, in sommige gevallen Wet voorkoming misbruik chemicaliën

Efedrine

ja

bij chronisch en overmatig gebruik

in potentie

4 Aard en omvang van gebruik
Zoals gezegd, hangt het gebruik van psycho-actieve stoffen sterk samen met sociaalculturele ontwikkelingen. Nieuwe drugs worden in de regel geïntroduceerd door een kleine, specifieke subcultuur. Leden van deze subcultuur zijn nieuwsgierig naar nieuwe ervaringen en middelen. Zij zijn snel geneigd tot experimenteren. Vaak gaat het om mensen die niet tot een specifieke risicogroep behoren. Soms zullen deze stoffen nauwelijks gebruikt worden buiten deze kleine "elitaire" groep. Sommige middelen verdwijnen even snel als ze zijn opgekomen. Andere middelen worden echter ook populair buiten de groep van experimenteerders en raken "gedemocratiseerd". Het bekendste voorbeeld hiervan is XTC. Deze drug werd aanvankelijk door een kleine, elitaire groep gebruikt. In 1988 werd XTC op Lijst I van de Opiumwet geplaatst. Desondanks is deze drug in de jaren negentig ook onder andere subculturen zeer populair geworden. Het is moeilijk te voorspellen hoe de aard en omvang van het gebruik van niettraditionele genotmiddelen zich zullen ontwikkelen. Bepaalde producten die in de smart shops verkrijgbaar zijn - gedacht kan worden aan de middelen waarvan de werking op zijn minst twijfelachtig is - zullen waarschijnlijk niet aanslaan. Aan de andere kant is het zeker mogelijk dat andere middelen in farmacologisch en sociaalcultureel opzicht wel goed zullen aansluiten bij de huidige trends en door mensen buiten specifieke subculturen gebruikt gaan worden. De ervaring met XTC leert dat dat een snelle en brede verspreiding van bepaalde middelen nieuwe risico's met zich mee kan brengen. De hier gepresenteerde gegevens zijn gebaseerd op enkele onderzoeken die gedurende de eerste zes maanden van 1997 zijn uitgevoerd en derhalve een redelijk actueel beeld geven van aard en omvang van het gebruik. In het onderzoek van Müller wordt geconcludeerd dat de klantenkring van smart shops zeer gemêleerd is. Niet alleen jongeren, studenten, hippies en gabbers worden gesignaleerd, ook alternatieve groepen uit de New Age-beweging, vijftigplussers en liefhebbers van macrobiotiek en natuurgeneeskunde bezoeken smart shops. Veruit het merendeel van de klanten is echter tussen de 18 en 30 jaar en valt te typeren als "uitgaander". De kennis van de consumenten is, ondanks het feit dat zij vaak al ervaring met illegale drugs hebben, zeer wisselend. Soms is men precies op de hoogte van de effecten en risico's en soms is men in dergelijke informatie niet geïnteresseerd. De smart drugs zullen waarschijnlijk niet op grote schaal worden gebruikt, aangezien we hier spreken over geneesmiddelen die in principe alleen op recept afgeleverd mogen worden. Voorts zijn het geen middelen die een acuut psychisch of fysiek effect hebben en de kosten zijn vrij hoog. De indruk bestaat dat wanneer deze geneesmiddelen "op alternatieve wijze" worden gebruikt, het gaat om gezonde, goed geslaagde professionals die de niet onaanzienlijke kosten van dergelijke middelen kunnen opbrengen.11 Gezien het feit dat deze producten onder de werking van de Wet op de Geneesmiddelenvoorziening vallen, is verdere regelgeving vanuit onze optiek niet nodig.
11

Brijder Stichting, Beleid t.a.v. paddestoelen.

Het gebruik van paddestoelen is de afgelopen jaren toegenomen. Uit onderzoek blijkt dat paddo's in vergelijking met andere drugs in relatief korte tijd populair zijn geworden. Van de scholieren van 12 jaar en ouder heeft 4,3% ooit wel eens een paddo gebruikt.12 In absolute getallen betekent dit dat er in Nederland naar schatting tussen de 39.000 en 43.000 scholieren zijn die ooit wel eens een paddo hebben gebruikt.13 Uit een bliksemonderzoek bleek dat van de jongeren en jong-volwassenen (leeftijd 15-24 jaar) 10% ervaring had met paddestoelen. De helft van alle ooitgebruikers had slechts één of twee keer paddo's gebruikt. Uit het beschikbare onderzoek kan tevens worden afgeleid dat het paddogebruik incidenteel en experimenteel van aard is. Veel gebruikers stoppen na één of enkele keren.14 Zoals ook uit het rapport van Müller blijkt, hebben vrijwel alle ooit-paddogebruikers ook ervaring hebben met cannabis en/of XTC. De kans dat paddo's gebruikt worden is het grootst bij degenen die XTC slikken. Paddo's worden vermoedelijk niet snel gebruikt door jongeren die geen ervaring hebben met illegale drugs. In het Antenne-onderzoek van De Jellinek wordt in een panelstudie eveneens geconcludeerd dat de populariteit van paddo's toeneemt. Paddestoelen worden wel eens op house parties geconsumeerd, maar slechts in bescheiden mate. Het gebruik vindt op dit moment vooral plaats op kleine feestjes, in de natuur of thuis.15 In vergelijking met de hallucinogene paddestoelen is het gebruik van smart products door jongeren laag. Van de jongeren tussen 15 en 24 jaar had 3% wel eens Herbal Ecstasy en 2% wel eens Cloud Nine gebruikt.16 In België bleek uit een onderzoek onder discotheekbezoekers dat 7% wel eens een smart product had gebruikt. Vooral Magic mushrooms, Cloud Nine, GHB, Herbal Ecstasy en Spiet werden geconsumeerd.17 Sleutelfiguren in de verslavingspreventie hebben gesignaleerd dat deze middelen wel gebruikt worden ter vervanging van illegale, stimulerende drugs, zoals amfetamine. Op welke schaal deze vorm van substitutie plaatsvindt is echter niet bekend. In de al eerder genoemde panelstudie van het Antenne-onderzoek wordt geconcludeerd dat het gebruik van het onlangs verboden middel 2CB in 1996 beperkt bleef tot trendsetters. In deze studie wordt het vermoeden uitgesproken dat 2CB vooral thuis wordt geconsumeerd en niet zo snel op drukke feesten vanwege de hallucinogene eigenschappen. Aan de andere kant blijkt uit gegevens van het Drugs Informatie en W.M. de Zwart, H. Stam, S.B.M. Kuipers, Kerngegevens. Roken, drinken en drugsgebruik onder scholieren vanaf 10 jaar (Trimbos-instituut, 1997). De totale populatie van het peilstationsonderzoek van het Trimbos instituut bedraagt tussen de 900.000 en 1.000.000 scholieren.
14 13 12

Korf, Van der Steenhoven, Jeugd, Paddo's en Smartshops.

Dirk J. Korf, Ton Nabben, Zosja Berdowski, Antenne 1996, trends in alcohol, tabak, drugs en gokken bij jonge Amsterdammers (Amsterdam 1997).
16

15

Korf, Van der Steenhoven, Jeugd, Paddo's en Smartshops.

Kris van Limbergen, Marijke Vrijsen, Energy drinks en smart drugs, onderzoek naar kennis en gebruik in Belgische discotheken (Brussel 1997).

17

Monitoring Systeem (DIMS) van het Trimbos-Instituut dat in een gering, maar toenemend aantal gevallen 2CB-pillen worden aangeboden. 2CB wordt ook wel als XTC verkocht in het uitgaanscircuit. Sinds een jaar of twee worden er in het uitgaanscircuit, op house parties en in discotheken cilinders met lachgas gesignaleerd. Ook zijn er smart shops die het middel verkopen. Vanuit een cilinder worden ballonnen met het lachgas gevuld die voor ongeveer 5 gulden te koop zijn. In welke mate het gebruik van dit middel toeneemt is niet bekend, maar gezien het feit dat de cilinders met lachgas steeds vaker opduiken op feesten, lijkt hier toch sprake te zijn van een echte trend. Na een aantal incidenten op 30 april 1996 in Rotterdam, waarbij gebruikers gedurende korte tijd in coma raakten, is GHB van de schappen van de smart shops gehaald. Volgens de panelstudie van Antenne wordt GHB in Amsterdam nauwelijks meer gesignaleerd. 4.1 Het substitutie-effect versus de stepping stone hypothese Een bepaald middel kan als substitutie voor een andere (illegale) drug fungeren. Het bekendste voorbeeld hiervan is natuurlijk methadon, dat aan opiaatverslaafden wordt verstrekt. Maar ook zijn er aanwijzingen dat cannabis als substitutie dient voor het gebruik van andere (illegale) drugs en alcohol.18 In de smart shops worden middelen aangeprezen als legale vervanger van XTC en amfetamine. Het gebruik van legale, in de smart shops verkrijgbare middelen ter substitutie kan de risico's voor de gezondheid reduceren. In welke mate dit effect optreedt is echter niet bekend. De stepping stone theorie kan als de "negatieve tegenhanger" van het substitutieeffect worden beschouwd. Volgens de stepping stone theorie is er een (al dan niet noodzakelijke) overstap van het gebruik van cannabis naar het gebruik van hard drugs. De hieraan verwante gate way theorie gaat uit van een duidelijk opeenvolgend patroon (alcohol, tabak, cannabis, cocaïne) in de consumptie van legale en illegale psychotrope stoffen. In het geval van het gebruik van in de smart shop verkrijgbare producten impliceert de stepping stone hypothese dat er een drempelverlagend effect uitgaat voor het gebruik van illegale drugs. In een recente beleidsnotitie uit België wordt een dergelijk drempelverlagend effect gesuggereerd.19 Op grond van het beschikbare onderzoek kan deze hypothese voor de Nederlandse situatie niet worden bevestigd. Veeleer lijkt er sprake te zijn van een ontwikkeling waarbij subculturele groepen verschillende soorten legale en illegale middelen consumeren. Dit betekent dat deze groepen zowel op illegale markten (bijvoorbeeld de XTC-markt) als op de legale markt (de smart shops) drugs aanschaffen. Het gegeven dat veruit het merendeel van de personen dat ervaring heeft met paddo's ook (eerdere) ervaring heeft met cannabis of XTC, wijst niet in de richting van een drempelverlagend effect van de

18

Mark A.R. Kleiman, Against Excess. Drug policy for results (New York, 1992).

Vast Secretariaat voor het preventiebeleid, De problematiek van smart drugs in België.

19

legale status van de smart shops. Immers, de meeste klanten van smart shops kopen ook drugs op illegale markten en laten zich door het strafrechtelijk verbod niet afschrikken. 4.2 Conclusie De meeste in de smart shops verkrijgbare producten worden voor zover bekend door een relatief klein aantal personen gebruikt. Het zijn vooral jongeren en jongvolwassenen tussen 18 en 30 jaar die al ervaring hebben met illegale drugs en een grote interesse hebben voor andere middelen en bereid zijn om hiermee te experimenteren. De paddestoelen vormen een uitzondering; in korte tijd heeft 4,3% van de scholieren van 12 jaar en ouder ooit wel eens een paddo gebruikt. Opmerkelijk is echter wel dat ook voor de hallucinogene paddestoelen geldt dat veel gebruikers al ervaring hebben met illegale drugs. Naast de populaire paddo's is ook het gebruik van lachgas in opkomst. Daarentegen raken middelen die enige tijd geleden in de belangstelling stonden, zoals GHB, weer op de achtergrond. De conclusie is dat de trends elkaar in een hoog tempo opvolgen en dat het bijzonder moeilijk te voorspellen is of een bepaald middel ingeburgerd raakt of dat het weer snel uit het zicht verdwijnt.

5 De aanbodzijde
Het exacte aantal smart shops is niet bekend. De werkgroep schat dat er ongeveer 100 smart shops in Nederland zijn gevestigd. Het merendeel van de smart shops bevindt zich in de grote steden en in grensplaatsen. Paddestoelen zijn eveneens in een gering aantal coffeeshops te koop en in een aantal plaatsen rijdt een zogenaamde "paddo-taxi" rond. Ook worden wel paddestoelen en smart products verkocht in winkels voor benodigdheden voor kwekers van nederwiet, de growshops, en in zogenaamde headshops die drug-parafernalia, zoals pijpjes en weegschaaltjes, verkopen. Van de psilocybine paddestoel is de Psilocybe semilanceata in ons land inheems. Verschillende hallucinogene paddestoelen van de Amanita-soort groeien eveneens in Nederland. Smart drugs zijn via internet en postorderbedrijven te bestellen, evenals verschillende smart products. De energy-drinks zijn op veel plaatsen verkrijgbaar, zoals smart shops, supermarkten, benzinestations, cd-winkels, discotheken en house parties. Tenslotte worden kava kava en sommige kruidenpreparaten verkocht in reformzaken. Duidelijk is dat de distributie niet alleen via smart shops verloopt. Wanneer bepaalde producten aan populariteit winnen, kunnen ook andere verkooppunten ontstaan. Op welke wijze de distributiestructuren van nieuwe middelen zich ontwikkelen is mede afhankelijk van het gevoerde beleid. Een verbod op de verkoop van bepaalde producten leidt tot handelsvormen die het karakter van een illegale markt hebben. Producten die echter niet verboden of gereguleerd zijn, kunnen in principe overal worden verkocht. Zij vallen dan onder de algemene bepalingen van de Warenwet (zie ook hoofdstuk 6). De Warenwet geeft geen mogelijkheden tot het kanaliseren van verkooppunten. Naar schatting is zo'n 60% van de smart-shophouders aangesloten bij de Vereniging Landelijk Overleg Smart Shops (VLOS), een in 1997 opgerichte branche-organisatie. Het VLOS heeft het voornemen om een keurmerk voor smart shops in te voeren, dat ten doel heeft de kwaliteit te verhogen en wildgroei in de sector te voorkomen. Het aantal groothandelaren is beperkt en verspreid over een aantal kleine tot middelgrote handels- en distributienetwerken. Deze groothandelaren zijn vaak direct betrokken bij de detailverkoop. Er worden tussen diverse verkooppunten relaties onderhouden en er wordt gemeenschappelijk ingekocht c.q. centraal aangeleverd. De aanbodzijde wordt dus gekenmerkt door een zekere mate van organisatie. De werkgroep heeft de indruk dat de paddestoelen veruit de meest verkochte producten in de smart shops zijn.20 Er zijn geen gegevens voorhanden over de omvang van het plukken van paddo's in de natuur. Het aantal kwekers van paddo's is eveneens niet bekend. Het vermoeden bestaat dat grootschalige kweek, zoals die in Kerkdriel plaatsvond, slechts in beperkte mate voorkomt en dat er veeleer sprake is van een groot aantal kleine kwekers. Het feit dat het gebruik van paddo's in relatief korte tijd populair is geworden, zal waarschijnlijk weerspiegeld worden in een op die relatief snelle groei afgestemd(e) aanbod en productie. In Kerkdriel hield een ver20

Zie ook: Müller, De smart shop als moderne snoepwinkel.

dachte groepering zich vermoedelijk bedrijfsmatig bezig met de hele keten van productie tot en met handel. Er zijn ook aanwijzingen dat er export plaatsvindt naar landen als Duitsland, België en Zwitserland.21 Veel smart products worden overigens niet in Nederland geproduceerd, maar geïmporteerd uit de Verenigde Staten, het Verenigd Koninkrijk, Duitsland, China en Zuidamerikaanse landen. 5.1 Productie en handel in relatie tot criminaliteit en overlast Vooraf merkt de werkgroep op dat er slechts in beperkte mate gegevens voorhanden zijn. Via de CRI werd met behulp van informatie die beschikbaar was bij de politieregio's een "quick scan" uitgevoerd. Door de werkgroep werd aan de gemeenten die lid zijn van de Interbestuurlijke Taskforce Veiligheid en Verslavingszorg een vragenlijst gestuurd met onder andere vragen over criminaliteit en overlast. Met name op basis van de via de CRI uitgevoerde "quick scan" heeft de werkgroep de indruk dat: er op beperkte schaal relaties zijn tussen verkooppunten, (groot)handel en producenten enerzijds en criminelen en sleutelfiguren in de georganiseerde (synthetische drugs)criminaliteit anderzijds. Op dit moment is er qua omvang nog geen sprake van een verontrustende situatie en is het te prematuur om van een trend te spreken; bij een gering aantal verkooppunten ook XTC wordt verkocht. De voorheen vrijgelaten verkoop van 2CB had het risico van een ongewenste verwevenheid met het criminele milieu van de synthetische drugs. Inmiddels is 2CB onder de werking van de Opiumwet gebracht. Er zijn geen overlastgevende situaties gerapporteerd. Ook uit de antwoorden op de door de werkgroep aan de gemeenten gestuurde vragen, blijkt dat er geen sprake is van overlast. Eveneens blijkt uit de antwoorden van de gemeenten dat men niet bekend is met criminaliteit rondom verkooppunten of het gebruik van de in deze verkooppunten verkrijgbare producten. 5.2 Voorlichting Onder gebruikers van de niet-traditionele genotmiddelen is relatief weinig kennis aanwezig over de werking en de risico's van het gebruik. Goede voorlichting is daarom van groot belang. De instellingen voor de ambulante verslavingszorg en het Trimbos-instituut besteden reeds geruime tijd aandacht aan de nieuwe middelen Het Voorlichtingsburo Drugs van het Trimbos-instituut en verschillende instellingen voor de ambulante verslavingszorg hebben folders gepubliceerd over paddo's en smart products. Voor zover bekend, geven ook de meeste smart shops schriftelijke en mondelinge informatie over het gebruik van de paddo's en de andere producten. Sommige smart shops waarschuwen bijvoorbeeld paddo's niet te gebruiken bij zwangerschap, psychose, depressie, gebruik van geneesmiddelen, deelname aan gemotoriseerd verkeer, indien men jonger is dan 18 jaar en bij gebruik van andere drugs en alcohol. Uit het onderzoek van Müller blijkt echter duidelijk dat de informatie aan gebruikers niet door alle smart shops op nauwkeurige wijze wordt gege-

Recent werd onder meer 4,5 kg paddestoelen voor export naar Zwitserland door de douane in beslag genomen.

21

ven. Zowel wat betreft de kwaliteit als de kwantiteit van de voorlichting kan er nog veel worden verbeterd. Met name in de growshops en headshops, zo blijkt het rapport van Müller, is de kwaliteit van informatie over eco-drugs en smart products ver beneden peil. Voorts blijkt ook de kennis van de verkopers in smart shops zeer wisselend te zijn. Uit Antenne 1996 blijkt dat er bij veel gebruikers vragen bestaan over effecten, risico's, doseringen en de gevaren van gecombineerd gebruik van middelen. Om de risico's van het gebruik te beperken, is het belangrijk om (potentiële) gebruikers te laten weten waar zij antwoorden kunnen krijgen op deze vragen. De kwaliteit van de etikettering op de verpakte producten is wisselend en soms zeer slecht. 'Een aantal winkels volstaat met het geven van een reclamefolder waarin niets over samenstelling, dosering, werking en bijwerkingen van het middel wordt verteld.'22 Inmiddels is er tussen de Vereniging Landelijk Overleg Smart Shops (VLOS) en de verslavingszorg overleg op gang gekomen om de kwaliteit van de voorlichting te verbeteren. Tevens wordt in enkele steden, zoals Rotterdam en Den Haag, hierover door plaatselijke smart-shopeigenaren overlegd met de verslavingszorg en/of de gemeente. Volgens de smart-shopeigenaren worden paddo's niet verkocht aan personen onder de 18 jaar. Uit de verschillende onderzoeken blijkt echter dat er wel door jongeren onder de 18 jaar wordt gebruikt. Onderzoek geeft aan dat ruim één op de drie ooitpaddogebruikers nog nooit zelf paddo's heeft gekocht.23 Vermoedelijk worden de paddestoelen doorverkocht aan (minderjarige) vrienden. Het komt echter ook voor dat de leeftijdsgrens van 18 jaar niet door alle smart shops nauwgezet wordt gehandhaafd.24 Hieraan moet worden toegevoegd dat deze leeftijdsgrens een zelf opgelegde restrictie is. 5.3 Conclusie Er zijn ongeveer 100 smart shops in Nederland. Bijna tweederde van de shops is aangesloten bij de Vereniging Landelijk Overleg Smart Shops. Het VLOS heeft aangekondigd een keurmerk te willen invoeren, om de kwaliteit te verhogen en wildgroei in de sector te voorkomen. Er is een beperkt aantal groothandelaren. De aanbodzijde wordt gekenmerkt door een zekere mate van organisatie. Eco-drugs en smart products zijn niet alleen te koop in smart shops, maar worden ook via andere kanalen aangeboden. De energy-drinks zijn bijvoorbeeld in supermarkten, benzinestations en cd-winkels te koop. De niet-traditionele genotmiddelen die in deze notitie centraal staan, zijn echter hoofdzakelijk te koop in de smart shops, hoewel verkoop in growshops, headshops en coffeeshops ook wel voorkomt. Wanneer deze middelen aan populariteit winnen, kunnen ook andere verkooppunten ontstaan. Thans bestaan er geen wettelijke mogelijkheden om de verkoop van de

22

Müller, De smart shop als moderne snoepwinkel, p.7. Korf, Van Steenhoven, Jeugd, Paddo's en Smartshops. Müller, De smart shops als moderne snoepwinkel.

23

24

niet-traditionele genotmiddelen te beperken tot de smart shops en om het aantal verkooppunten te limiteren. Geconcludeerd kan worden dat de criminele betrokkenheid bij de smart-shopbranche thans nog niet zorgwekkend is. Voorts is er, voor zover bekend, geen sprake van overlast of gerelateerde criminaliteit rondom de detailverkoop en het gebruik van eco-drugs en smart products. De voorlichting in de smart shops, growshops en headshops kan sterk worden verbeterd. Met name de voorlichting in growshops en headshops is ver beneden peil. In het algemeen schiet tevens de etikettering van de producten tekort en wordt er te weinig aandacht besteed aan mogelijke risico's van het gebruik. Van belang hierbij is dat er juiste en betrouwbare informatie wordt gegeven. Voorts moet worden voorkomen dat de gebruikers met tegenstrijdige informatie geconfronteerd worden.

6 Wet- en regelgeving, toezicht en handhaving
Het assortiment van smart shops is zeer breed en met een grote diversiteit aan stoffen en middelen. In de praktijk is het niet altijd direct duidelijk welke wet- en regelgeving van toepassing is op deze producten. In dit hoofdstuk geeft de werkgroep een overzicht van de huidige wet- en regelgeving die in dit kader van belang is. Tevens wordt aandacht besteed aan de stand van zaken bij het toezicht en de handhaving. Aan het eind van het hoofdstuk komt de internationale context kort aan de orde. 6.1 Het instrumentarium van de rijksoverheid. a. De Opiumwet De Opiumwet vormt in belangrijke mate de wettelijke implementatie van twee VNverdragen waartoe Nederland als lidstaat is toegetreden. Het betreft het Enkelvoudig Verdrag van 1961 en het Verdrag inzake Psychotrope Stoffen van 1971, kortweg het Verdrag van 1971. De minister van VWS is samen met de minister van Justitie verantwoordelijk voor de uitvoering van de Opiumwet. De wet verbiedt onder meer het bezit, de handel, de verkoop, het vervoer, de vervaardiging etc. van de middelen die op de bij die wet behorende Lijsten I en II staan of zijn aangewezen. Voor beroepsbeoefenaren als artsen en apothekers maakt de wet uitzonderingen op de verboden. Dit geldt eveneens voor houders van een Opiumverlof. De Opiumwet regelt de legale productie en toepassing van de in de wet genoemde middelen voor geneeskundige, wetenschappelijke en instructieve doeleinden. De wet heeft hiermee het karakter van gezondheidswetgeving. De Opiumwet kent voor de middelen op Lijst I en Lijst II verschillende strafregiems. Op Lijst I van de wet staan middelen met onaanvaardbare risico's (bv. heroïne, LSD en XTC). Oorspronkelijk stond alleen hennep op Lijst II, ter onderscheid van middelen met onaanvaardbaar risico. In 1993 zijn ook veel middelen van het VN-verdrag van 1971 op Lijst II geplaatst. Bij de strafrechtelijke handhaving wordt een onderscheid gemaakt tussen druggebruikers en drughandelaren. Bedoeling van dit beleid is ondermeer om druggebruikers zo min mogelijk in de illegaliteit terecht te laten komen. Ze zijn dan moeilijker of niet meer bereikbaar voor preventie- en zorginterventies. De Opiumwet maakt het mogelijk op te treden tegen de illegale handel in en de vervaardiging en het bezit van door de wet gecontroleerde middelen. Naast de opsporingsambtenaren, waartoe primair de ambtenaren van de Inspectie voor de gezondheidszorg behoren, hebben ook politie en douane vergaande bevoegdheden. Ten aanzien van strafrechtelijke maatregelen hebben de procureurs-generaal bij de gerechtshoven een landelijke richtlijn opgesteld waarin wordt aangegeven welke situatie bij de strafrechtelijke handhaving prioriteit verdient. Deze richtlijn is in oktober 1996 opnieuw vastgesteld. Bij eventuele overweging of een middel onder de werking van de Opiumwet moet worden gebracht, moet er sprake zijn van èn getoetst worden aan drie primaire criteria: gaat het om een bewustzijnsbeïnvloedend middel, is er sprake van schade

voor het individu èn is er sprake van schade voor de samenleving? In verband met de systematiek van de Opiumwet en de relatie van deze wet tot de VN-verdragen op dit gebied, is feitelijk alleen de mogelijkheid aan de orde van het toepassen van het strenge regiem van Lijst I van de Opiumwet. Het op deze wijze strafbaar stellen van middelen kan in spoedeisende gevallen snel gerealiseerd worden door middel van een Ministerieel Besluit. Slechts enkele van de niet-traditionele genotmiddelen vallen thans onder de Opiumwet. De meest relevante daarvan in het kader van deze notitie zijn mescaline (de belangrijkste werkzame stof in de peyote-cactus) en psilocine en psilocybine (de belangrijkste werkzame stoffen in hallucinogene paddestoelen). Deze stoffen en preparaten waarin deze stoffen zijn verwerkt, vallen onder het regiem van Lijst I van de Opiumwet. De paddestoelen worden niet apart vermeld op Lijst I. Het wachten is op nieuwe jurisprudentie hierover. Psilocine en psilocybine zijn op Lijst I van het VN-verdrag van 1971 geplaatst. Dit houdt in dat hiervoor het strengste controle-regiem is aangewezen. Men zou op grond hiervan kunnen veronderstellen dat deze stoffen in het VN-verdrag (en vervolgens in de Opiumwet) zijn opgenomen op grond van een analyse van de risico's van het gebruik ervan voor het individu en de samenleving. Er is echter geen sprake geweest van een risico-analyse. Uit de risico-analyse door de werkgroep is niet gebleken dat het gebruik van hallucinogene paddestoelen thans onaanvaardbare risico's met zich meebrengt. Voor het gebruik van preparaten die ontstaan door bewerking van paddestoelen ligt dit anders. De werkgroep vindt het terecht dat deze preparaten in de Opiumwet aangemerkt zijn als stoffen met onaanvaardbare risico's. Immers, het gehalte aan werkzame stoffen in de preparaten is onvoorspelbaar en kan veel hoger zijn dan doorgaans in de paddestoelen het geval is. Voor de gebruiker ontstaat dan een situatie waarin hij of zij de risico's van het gebruik van deze preparaten niet meer kan overzien. b. De Warenwet De Warenwet is de wetgeving waarmee producenten, importeurs, vervoerders of distributeurs van eet- en drinkwaren en consumentenproducten te maken hebben. De doelstellingen van de Warenwet zijn: * bescherming van de gezondheid van de mens * bescherming van de veiligheid van de mens * het op eerlijke wijze informeren van de consument * het bevorderen van de eerlijkheid in de handel. De Warenwet regelt het verhandelen van waren waaronder eet- en drinkwaren. Als eet- en drinkwaren kunnen beschouwd worden waren die geschikt of bestemd zijn om door de mens genuttigd te worden. Zodra op dergelijke waren een meer specifieke wetgeving van toepassing is, bijvoorbeeld de Wet op de Geneesmiddelenvoorziening (WOG), dan treedt het toezicht op de naleving van de Warenwet terug. De Warenwet is niet van toepassing op hetgeen zich in de privésfeer afspeelt. Op grond van de doelstellingen van de Warenwet is er in ons land een groot aantal nadere voorschriften tot stand gebracht. Zo zijn er hygiëne-voorschriften voor de bereiding van levensmiddelen, voorschriften op het gebied van het toevoegen van

levensmiddelenadditieven, zoals conserveermiddelen, antioxidanten, bindmiddelen en dergelijke en voorschriften op het gebied van het toevoegen van kleur- en zoetstoffen aan levensmiddelen, waarmee de gezondheid van de consument worden beschermd, productveiligheidsvoorschriften om de veiligheid van de consument te beschermen en etiketteringsvoorschriften om de consument zo volledig en eerlijk mogelijk voor te lichten. Veel regelgeving in het kader van de Warenwet is gebaseerd op besluiten die in EUverband genomen worden. Overtredingen van de Warenwet zijn in artikel 1 van de Wet op de Economische delicten aangemerkt als Economisch delict. In de Warenwet treft men slechts een aantal regels aan dat rechtstreeks van toepassing is op levensmiddelen. De belangrijkste hiervan zijn de artikelen 18 tot en met 21. Het betreft hier onder meer het verbod op het verhandelen van schadelijke levensmiddelen, het gebruik van schadelijke grondstoffen bij de bereiding van levensmiddelen en het gebruik van medische claims of zinspelingen hierop bij het verhandelen van levensmiddelen. Daarnaast kan de verhandelaar van een gevaarlijk product verplicht worden om de consument op de hoogte te brengen van dit gevaar. Alle producten die in de smart shops verkocht worden, dus ook alle door de werkgroep bestudeerde niet-traditionele genotmiddelen, vallen in ieder geval onder de algemene bepalingen van de Warenwet. Bij overtreding van deze bepalingen kan strafrechtelijk worden opgetreden. Dit zou men de "vangnet-functie" van de wet kunnen noemen. Er zijn bovendien diverse specifieke warenwettelijke toetsingskaders die van belang lijken te zijn voor producten die in smart shops worden verkocht. Dit geldt met name voor de voedingssupplementen, energiedrankjes, kruiden, kruidenmengsels, plantenextracten, die ook wel met de verzamelnaam "smart products" worden aangeduid. Op dit moment is er nog geen specifiek Warenwettelijk toetsingskader voor kruiden, kruidenmengsels en plantenextracten. Een dergelijk toetsingskader is echter wel in voorbereiding. Producten die aan deze toetsingskaders voldoen mogen in principe overal vrij verkocht worden. Dit zou men de "signaal-functie" van de Warenwet kunnen noemen. De overheid geeft hiermee het signaal dat het gebruik van het betreffende product binnen bepaalde vastgestelde grenzen veilig is. Op dit moment is echter niet van alle "smart products" bekend of zij aan alle eisen van de Warenwet voldoen. De warenwettelijke toetsingskaders bieden ook de mogelijkheid om bepaalde producten te verbieden. De toxiciteit van een product kan op zich voldoende reden zijn voor een verbod dat via een specifiek Warenwet-besluit wordt vastgelegd. Bij het vaststellen van de bedoelde verboden moet met het oog op mogelijke handelsbelemmeringen rekening gehouden worden met het EG-verdrag. Het verdrag biedt lidstaten de ruimte om in bepaalde gevallen (onder meer wanneer de volksgezondheid in het geding is) maatregelen te nemen die handelsbelemmeringen opwerpen. De Inspectie voor de Gezondheidsbescherming (IGB) is in ons land belast met het toezicht op de naleving van de wettelijke voorschriften op het gebied van de gezondheidsbescherming. De regionale Inspecties voor de Gezondheidsbescherming, beter bekend onder de naam "Keuringsdienst van Waren", hebben een breed werkgebied. Zij controleren productiebedrijven, winkels, markten, restaurants, en

dergelijke. Als er sprake is van gezondheidsschade bij normaal gebruik van eet- of drinkwaren, kunnen de controle-ambtenaren strafrechtelijk optreden. Voor de uitvoering van de taken beschikt elke regionale Inspectie voor de Gezondheidsbescherming over een buitendienst met controle-ambtenaren en goed geoutilleerde chemische en microbiologische laboratoria. In drie laboratoria wordt ook productveiligheidsonderzoek gedaan. De Warenwet kent niet de mogelijkheid van kanalisatie, dat wil zeggen een beperking van de verkoopkanalen. c. De Wet op de geneesmiddelenvoorziening (WOG) De WOG is gebaseerd op twee pijlers: 1. de registratie van geneesmiddelen. 2. de bereiding en de distributie, de kanalisatie van geneesmiddelen. Het bereiden en afleveren van geneesmiddelen is uitsluitend toegestaan aan apothekers, apotheekhoudende artsen en vergunninghouders (fabrikanten en groothandelaren). U.R.-geneesmiddelen (Uitsluitend op Recept) mogen slechts onder medische begeleiding worden gebruikt. De O.T.C.-geneesmiddelen (Over-TheCounter) zijn farmaceutische producten die zonder recept van een arts te koop zijn bij apotheker of drogist. Er zijn twee criteria op grond waarvan beoordeeld kan worden of een product een geneesmiddel is: het aandieningscriterium en het toedieningscriterium. Een product is een geneesmiddel als aan één van beide criteria wordt voldaan. Het aandieningscriterium heeft betrekking op de medische claim of de geclaimde werking waarmee een product wordt geafficheerd. Het kan ook betrekking hebben op de farmaceutische vorm waarin het op de markt wordt gebracht, bijvoorbeeld als ampul. Bij het toedieningscriterium gaat het er om of het actieve bestanddeel in het middel een farmacologisch actieve stof is, dat wil zeggen of het leidt tot herstel, verbetering of wijziging van organische functies, c.q. het functioneren van organen bij de mens. Het toezicht op de naleving van de WOG berust bij de Inspectie voor de Gezondheidszorg (IGZ). De middelen die onder de Warenwet en de WOG vallen zijn niet limitatief opgesomd. Het toezicht op de Warenwet treedt terug als de WOG van toepassing is. Er zijn definities op grond waarvan kan worden vastgesteld of bepaalde producten als geneesmiddel moeten worden gekwalificeerd of als een waar. Voor werkers in het veld is dat onderscheid niet altijd even duidelijk vast te stellen. Derden kunnen de toegekende status ook aanvechten voor de rechter, die in gevallen van twijfel uitspraak moet doen. Lachgas en de smart drugs in de engere zin van het woord vallen onder het regiem van de WOG. Voor zover bekend, worden de smart drugs in de engere zin niet in smart shops verkocht. Met betrekking tot producten die wel in smart shops worden verkocht, heeft de IGZ tot nu toe alleen opgetreden bij het middel GHB. De WOG kent een kanalisatie van producten, via de registratie van geneesmiddelen, en een kanalisatie van verkooppunten, via de beperking van het bereiden en afleveren van geneesmiddelen tot vergunninghouders en apotheekhoudenden.

d. De Wet voorkoming misbruik chemicaliën Deze wet regelt het toezicht op de vervaardiging van en handel in precursoren (stoffen die gebruikt kunnen worden bij het vervaardigen van illegale synthetische drugs) door middel van een vergunningenstelsel en administratieve regels. Het strengste regiem geldt voor de stoffen die vermeld staan onder categorie 1 van de bijlage bij de wet. Het zonder vergunning vervaardigen, in de handel brengen en voorhanden hebben van deze stoffen of preparaten die deze stoffen bevatten is verboden. Overtreding van deze verboden vormt een economisch delict. Het toezicht op de naleving van de wet is opgedragen aan de Economische Controle Dienst van het Ministerie van Economische Zaken. Onder de genoemde stoffen van categorie 1 vallen efedrine en pseudo-efedrine. Er zijn diverse smart products waarin deze stoffen voorkomen. De bepalingen van de wet gelden echter niet voor geneesmiddelen en andere preparaten die geregistreerde stoffen bevatten, mits zij op zodanige wijze zijn samengesteld dat deze stoffen niet op een eenvoudige wijze kunnen worden gebruikt of met eenvoudige middelen kunnen worden teruggewonnen. Het is de vraag of de efedrine in deze smart products op eenvoudige wijze kan worden gebruikt of teruggewonnen om vervolgens gebruikt te kunnen worden als grondstof voor de productie van drugs. Dit lijkt over het algemeen niet aan de orde te zijn. De Wet voorkoming misbruik chemicaliën lijkt daarom niet van praktisch belang te zijn bij de verkoop van deze producten in de smart shops. De wet kan wel gehanteerd worden bij de vervaardiging van deze smart products. Bijvoorbeeld bij gebruik van efedrine en pseudo-efedrine ter verrijking van producten waarin bestanddelen van de Ephedra plant zijn verwerkt. Indien dit laatste het geval blijkt te zijn, kan de Economische Controle Dienst onderzoeken of de betrokken bedrijven beschikken over de vereiste vergunning25. Op dergelijke producten is tevens de WOG van toepassing. e. Artikel 174 en 175 Wetboek van Strafrecht26 Artikel 174 van het Wetboek van Strafrecht heeft betrekking op de opzettelijke verkoop etcetera van schadelijke waren. Lid 1 van dit artikel luidt: "Hij die waren verkoopt, te koop aanbiedt, aflevert of uitdeelt, wetende dat zij voor het leven of de gezondheid schadelijk zijn, en dat schadelijk karakter verzwijgende, wordt gestraft met een gevangenisstraf van ten hoogste vijftien jaren of geldboete van de vijfde categorie". De strafbedreiging is hoger als het strafbare feit iemands dood tengevolge heeft. Het artikel maakt voorlopige hechtenis mogelijk. Bij toepassing van dit artikel moet er sprake zijn van de wetenschap dat de betreffende waren schadelijk zijn en van opzet bij de verkoop en het verzwijgen. Het schadelijk karakter moet voortvloeien uit het normale gebruik. Blijkens een uitspraak van de Hoge Raad ontheft het plaatsen van een algemene waarschuwing op de verpak-

Bosch, Pennings en De Wolff hebben reeds verrijkingen van producten gesignaleerd. Geraadpleegde bronnen: Noyon, T.J., G.E. Langemeijer, Het wetboek van Strafrecht (Arnhem, 1993) Cleiren, C.P.M., J.F. Nijboer, Strafrecht. Tekst & Commentaar (Deventer, 1997)
26

25

king de verkoper in het algemeen niet van de plicht in het bijzonder te waarschuwen (HR 12 februari 1991, DD 91.193). Er kan samenloop zijn met bepalingen van bijzondere wetten, zoals de Warenwet. In artikel 174 gaat het "meer om bescherming tegen het niet vermelden van de schadelijke aard bij verkoop etcetera, dan om de schadelijke aard op zichzelf. Op dit laatste zien de bepalingen uit de bijzondere wetten". Artikel 175 betreft de culpose verkoop van schadelijke waren. Lid 1 luidt: "Hij aan wiens schuld te wijten is dat waren, schadelijk voor het leven of de gezondheid, verkocht, afgeleverd of uitgedeeld worden, zonder dat de koper of verkrijger met dat schadelijke karakter bekend is, wordt gestraft met gevangenisstraf of hechtenis van ten hoogste zes maanden of geldboete van de vierde categorie". De strafbedreiging is hoger als het feit iemands dood tengevolge heeft. Bij verdenking ter zake van dit feit is voorlopige hechtenis in het algemeen niet toegestaan. De kern van het verwijt ligt hier in de onvoorzichtigheid ten aanzien van de verkoop van schadelijke waren. Onvoorzichtige gedragingen kunnen zowel door een handelen als door een nalaten van handelen worden begaan. De mogelijkheden van toepassing van deze artikelen op de verkoop etcetera van niet-traditionele genotmiddelen lijken in de praktijk, vanwege de zware bewijslast bij opzet of schuld, niet erg groot. Bovendien doet zich hier, evenals bij de Warenwet, de vraag voor wat "normaal gebruik" is bij deze middelen. Tevens zal het vaak lastig zijn om aan te tonen dat er daadwerkelijk significante gezondheidsschade optreedt of kan optreden, zeker als er over de farmacologie en toxicologie van de betreffende stof(fen) weinig of niets bekend is. In geval van ernstige, bewijsbaar geachte zaken zou echter vervolgd kunnen worden, hetzij op grond van artikel 174 (opzet), hetzij op grond van artikel 175 (schuld). In deze zaken zou subsidiair overtreding van de betreffende bepalingen van de Warenwet ten laste gelegd kunnen worden. 6.2. Toezicht en handhaving De Warenwet is in principe op alle producten van toepassing. Het toezicht op de naleving van de Warenwet treedt echter terug als de meer specifieke regelgeving van de WOG (dan wel van de Opiumwet) van toepassing is. Bepaalde in smart shops verkochte producten kunnen, op grond van claims van een medische werking en/of op grond van het feit dat ze een farmaceutische vorm hebben, beschouwd worden als geneesmiddel. De Inspectie Gezondheidsbescherming en de Inspectie voor de Gezondheidszorg beschikken over definities om te beslissen of een product beschouwd moet worden als een waar of als een geneesmiddel. Thans is echter nog lang niet voor alle in aanmerking komende producten deze beslisprocedure doorlopen. Bovendien doen zich in de praktijk gevallen voor waarin het ook na de genoemde procedure toch niet voor partijen in het veld duidelijk is of een product beschouwd moet worden als een waar of als een geneesmiddel. In sommige gevallen moet de status worden vastgesteld door een uitspraak van de rechter. Tot die tijd kan de wetshandhaving worden belemmerd. Bovendien is er op dit moment door het ontbreken van menskracht feitelijk geen sprake van systematisch toezicht op en controle van de smart shops door de IGB en de IGZ. Er wordt wel altijd opgetreden bij ernstige incidenten, maar er is geen routi-

nematig toezicht. Dit heeft overigens niet alleen te maken met de prioriteiten die ook de inspecties moeten stellen, maar ook met onbekendheid met de nieuwe branche en, voor wat de IGZ betreft, met het feit dat smart shops feitelijk geen onderdeel vormen van de gezondheidszorg, waarvoor de bestaande wetgeving feitelijk is ontworpen. Als er sprake is van gezondheidsschade bij normaal gebruik van eet- of drinkwaren, kunnen de controle-ambtenaren van de Inspecties voor de Gezondheidsbescherming strafrechtelijk optreden. Het is echter allereerst de vraag wat "normaal" gebruik is bij de niet-traditionele genotmiddelen. De consument is immers veelal bereid om ten behoeve van de gewenste roes onaangename acute effecten en de kans op gezondheidsschade op de langere termijn op de koop toe te nemen. Maar bovendien doet zich de complicatie voor dat het voor de Inspectie vaak lastig is om aan te kunnen tonen dat er daadwerkelijk significante gezondheidsschade optreedt, zeker als er over de farmacologie en toxicologie van de betreffende stof(fen) weinig of niets bekend is. De bewijslast dat er sprake is van het verhandelen van een product dat schadelijk is voor de gezondheid, ligt bij de Inspectie. Dit belemmert in dergelijke gevallen het toezicht op de naleving van de Warenwet. Ook bij het toezicht op de WOG wordt men geconfronteerd met vragen. De WOG is bedoeld voor de kanalisering van de productie en distributie van geneesmiddelen in een reguliere medisch/farmaceutische setting. Het werkgebied van de Inspectie voor de Gezondheidszorg is derhalve gericht op de reguliere gezondheidszorg (ziekenhuizen, instellingen, farmaceutische groothandels, apotheken, artsenpraktijken en dergelijke). Bij de aflevering van mogelijk als geneesmiddel te karakteriseren producten door smart shops is er echter geen sprake van een dergelijke medisch/farmaceutische setting. Deze branche valt hiermee in de praktijk buiten het werkgebied van de IGZ. 6.3 Het gemeentelijk instrumentarium De werkgroep heeft zich gebogen over de mogelijkheden van lokale overheden om regulerend ten aanzien van smart shops op te treden. De werkgroep stelt vast dat gemeenten geen taken of bevoegdheden hebben op basis van de Wet op de Geneesmiddelenvoorziening, Wet voorkoming misbruik chemicaliën, Warenwet en Opiumwet. Ten aanzien van de producten die in de smart shops worden verkocht hebben de gemeenten derhalve geen regulerende bevoegdheden. Een verbod van deze producten op gemeentelijk niveau is evenmin aan de orde. Dat gaat de autonome verordeningsbevoegdheid te boven. Voor de vraag in hoeverre het voor gemeenten niettemin mogelijk is om regulerend op te treden dient derhalve gekeken te worden naar indirecte instrumenten (in het kader van de planologie, bescherming van de openbare orde etc.), waarvan ook gebruik wordt gemaakt bij de formulering en uitvoering van het lokaal coffeeshopbeleid. A. Vestigingswetgeving Een vestigingsvergunning om een winkel te mogen beginnen wordt niet verstrekt door gemeenten, maar door de Kamer van Koophandel. Dit biedt derhalve geen aanknopingspunten voor een regulerende aanpak.

B. Bescherming van de openbare orde en het woon- en leefklimaat Gemeenten hebben tot taak de openbare orde te handhaven en het woon- en leefklimaat te beschermen. Dit is in het bijzonder een bevoegdheid van de burgemeester. Op basis van deze wettelijke taak en de daarbij behorende bevoegdheden, hebben gemeenten in de APV bepalingen opgenomen die tot doel hebben de openbare orde te beschermen. Indien de verkoop van smart/ecodrugs overlast veroorzaakt kan daartegen op basis van deze regels worden opgetreden. Er dient dan in de praktijk wel sprake te zijn van overlastgevende incidenten waarbij de rol van de shop duidelijk is. In de APV zijn vaak ook regels met betrekking tot het toezicht op openbare inrichtingen opgenomen (hoofdstuk 2.3.1. van de model-APV van de VNG). In veel gemeenten dienen op basis daarvan openbare inrichtingen over een overlastvergunning te beschikken. Dit stelt gemeenten in staat om preventief de gevolgen voor de openbare orde te toetsen. Het gemeentelijk coffeeshopbeleid wordt vaak op deze regels gebaseerd. Ook smart shops zouden beschouwd kunnen worden als openbare inrichtingen. Naar analogie van het coffeeshopbeleid zouden vervolgens regels kunnen worden gesteld waar smart shops aan zouden moeten voldoen. In de praktijk zal het -gelet op de verschillende verschijningsvormen- echter zeer moeilijk zijn om smart shops te definiëren. Anders dan coffeeshops zijn het namelijk geen horeca-inrichtingen, maar winkels. Winkels vallen normaal gesproken niet onder het begrip 'openbare inrichting'. Een ander belangrijk verschil met coffeeshops is dat smart shops in principe geen illegale producten verkopen. Met het oog op de bescherming van de openbare orde kunnen in de APV ook regels worden gesteld met betrekking tot bordelen en sexwinkels. Zouden smart shops naar analogie van sexshops aan nadere regels kunnen worden onderworpen? Dit is niet uitgesloten, maar ligt ook niet erg voor de hand, omdat smart shops geen onzedelijke producten verkopen die de openbare orde en rust verstoren. Gemeenten kunnen voorts bij het verlenen van vergunningen voor houseparties op grond van de evenementenbepaling in de APV - na afstemming in het driehoeksoverleg (gemeentebestuur, politie en openbaar ministerie) - desgewenst ten behoeve van de gezondheidsbescherming grenzen stellen aan het assortiment van middelen dat ter plekke verkocht mag worden. Al met al is de mogelijkheid voor gemeenten om in het kader van de bescherming van het woon- en leefklimaat en de handhaving van de openbare orde, regels te stellen ten aanzien van smartshops en de verkoop van niet-traditionele genotmiddelen volgens de werkgroep wel aanwezig, zij het zeer beperkt. Smart shops zijn immers geen horeca-inrichtingen, maar winkels en tot nu toe lijkt van overlast veroorzaakt door deze winkels nauwelijks sprake. C. Drank- en horecawet Zoals hiervoor al is opgemerkt zijn smart shops geen horecagelegenheden maar winkels. In die zin is de drank- en horecawet niet van toepassing. Wel staat in artikel 11 van de Drank- en horecawet het verbod om kleinhandel in andere goederen dan drank uit te oefenen. De verkoop van smart products en eco-drugs in horeca-inrichtingen is derhalve niet toegestaan.

D. Bestemmingsplan Het bestemmingsplan biedt slechts zeer beperkt de mogelijkheid de vestigingsplaats te beïnvloeden. De bestemming "winkel" is vereist. Waar dit niet het geval is, behoeft de gemeente natuurlijk niet aan een bestemmingswijziging mee te werken. De handel vanuit een woning is natuurlijk in strijd met de gebruiksvoorschriften van het bestemmingsplan. Daartegen kan natuurlijk -net als tegen andere detailhandel vanuit een woning- worden opgetreden. E. Leefmilieuverordening De leefmilieuverordening -een tijdelijke aanvulling op het bestemmingsplan die een verdere achteruitgang van probleemwijken moet voorkomen- biedt gemeenten iets meer armslag. In deze "anti-verloederingsverordening" kunnen namelijk voorschriften worden gegeven ten aanzien van onder meer het in gebruik nemen van op te richten of door verbouwing tot stand te brengen bouwwerken. Hierdoor wordt de vestiging van bijvoorbeeld nog meer horeca in sommige stadscentra geweerd. Zo kan ook ingebruikname van nieuwe of verbouwde panden als smartshop worden voorkomen of gemaximeerd. Overigens past ook hier de kanttekening dat het zeer moeilijk zal zijn een goede, sluitende definitie voor smart shops te vinden. F. Wet milieubeheer De Wet milieubeheer biedt evenmin veel aanknopingspunten, tenzij er natuurlijk zodanige activiteiten plaatsvinden in de smartshop, dat er sprake is van een vergunningplichtige inrichting. Indien er uitsluitend wordt verkocht en geen producten worden bereid, is daar in het algemeen echter geen sprake van. G. Winkeltijdenwet De Winkeltijdenwet is per 1 juni 1996 in werking getreden. Deze wet vervangt de Winkelsluitingswet en behelst een liberalisering van de sluitingstijden. Het is winkels toegestaan op werkdagen tussen 06.00 en 22.00 uur open te zijn. Op zon- en feestdagen geldt een verplichte sluiting. De wet biedt gemeenten de mogelijkheid om in afzonderlijke gevallen ontheffingen te verlenen. Met behulp van deze ontheffingsbevoegdheid kunnen gemeenten de openingstijden van smart shops enigszins reguleren. Zo zouden, om de openingstijd niet onnodig te verruimen en gecombineerd gebruik met alcohol tegen te gaan, gemeenten bijvoorbeeld af kunnen zien van de verlening van een dergelijke ontheffing. H. Gemeentelijk coffeeshopbeleid In het kader van het gemeentelijk coffeeshopbeleid, waarin wordt aangegeven onder welke omstandigheden en voorwaarden de verkoop van softdrugs wordt toegestaan, kunnen gemeenten opnemen dat het voor coffeeshops verboden is om paddo's en aanverwante middelen te verkopen. De gemeenten Den Haag en Enschede kennen een dergelijke voorwaarde. Deze aanpak heeft onder meer tot doel om het gecombineerd gebruik van cannabis en andere genotmiddelen tegen te gaan, aangezien een dergelijk gecombineerd gebruik leidt tot verhoging van de gezondheidsrisico's. Tevens kan deze aanpak gezien worden als een uitbreiding en actualisering van het beleid tot scheiding van de markt van cannabis van de markten voor andere drugs. Hetzelfde geldt voor house parties. Gemeenten kunnen ten behoeve van de gezondheidsbescherming in de evenementenvergunning grenzen stellen aan het assortiment van niet-traditionele genotmiddelen dat ter plekke mag worden verkocht. Een

dergelijke maatregel dringt het aantal verkooppunten terug en voorkomt het gecombineerd gebruik. In een dergelijke maatregel schuilt wel een dilemma. Het is mogelijk dat als gevolg van zo'n maatregel bezoekers van house parties in plaats van niettraditionele genotmiddelen stoffen gaan gebruiken die meer risico's kennen en onder de werking van de Opiumwet vallen, zoals XTC. Uit een enquête onder de gemeenten in de interbestuurlijke Task Force Veiligheid en Verslavingszorg blijkt dat zij mogelijkheden zien voor een regulering van smart shops in het bestemmingsplan, de gemeentewet/APV en de leefmilieuverordening. 6.4. Conclusie Ieder middel dat in de smart shops verkrijgbaar is valt in ieder geval onder de algemene bepalingen van de Warenwet. Als blijkt dat het gebruik van een bepaald middel leidt tot significante gezondheidsschade, kunnen de controle-ambtenaren van de Inspecties voor de Gezondheidsbescherming strafrechtelijk optreden. Voor de meeste "smart products" gelden bovendien specifieke warenwettelijke toetsingskaders. Van een aantal van deze producten is echter nog niet duidelijk of zij wel voldoen aan alle wettelijke eisen. De Warenwet kent de mogelijkheid om producten te verbieden, maar niet de mogelijkheid van kanalisatie. Producten die aan de eisen van de wet voldoen mogen in principe overal verkocht worden. In sommige gevallen kan naast de Warenwet tevens specifiekere wetgeving van kracht zijn. Het belangrijkst in dit verband zijn de Opiumwet, de Wet op de geneesmiddelenvoorziening , de Wet voorkoming misbruik chemicaliën en de artikelen 174 en 175 van het Wetboek van Strafrecht (Sr). De verkoop van middelen die onder de Opiumwet vallen, is verboden. Middelen die onder de WOG vallen mogen alleen bereid en afgeleverd worden door vergunninghouders en apotheekhoudenden. De Wet voorkoming misbruik chemicaliën kent een vergunningenstelsel voor het produceren, verhandelen en voorhanden hebben van grondstoffen die gebruikt kunnen worden om illegale drugs te produceren. De artikelen 174 en 175 Sr stellen de opzettelijke, respectievelijk culpose, verkoop etcetera van schadelijke waren strafbaar. In ernstige, bewijsbaar geachte zaken kan op grond van art 174 of 175 vervolgd worden. Subsidiair kan hierbij overtreding van bepalingen van de Warenwet ten laste gelegd worden. Voor sommige producten en stoffen is het in de praktijk niet duidelijk welke wetgeving van toepassing is. De wetshandhaving kan hierdoor worden belemmerd. Er is bovendien door het ontbreken van menskracht feitelijk geen systematisch toezicht op en controle van de smart shops door de Inspectie voor de Gezondheidsbescherming en de Inspectie voor de Gezondheidszorg. De gemeenten beschikken in de huidige situatie alleen over indirecte instrumenten om regulerend op te treden ten aanzien van het aanbod van niet-traditionele genotmiddelen. Volgens de gemeenten die vertegenwoordigd zijn in de interbestuurlijke Task Force Veiligheid en Verslavingszorg bieden het bestemmingsplan, de gemeentewet/APV en de leefmilieuverordening mogelijkheden voor regulering van de smart shops. De mogelijkheden voor gemeenten om regulerend op te treden ten aanzien van de vestiging van smart shops zijn in de praktijk echter zeer beperkt.

De gemeenten hebben iets ruimere mogelijkheden om de verkoop van niettraditionele genotmiddelen in het uitgaanscircuit tegen te gaan. 6.5 De internationale context In de meeste Europese landen vallen psilocybine en psilocine onder de wetgeving. In veel gevallen, zoals in Duitsland, het Verenigd Koninkrijk en Zweden, zijn de paddestoelen niet verboden. In Frankrijk zijn zowel de werkzame bestanddelen als de paddestoelen onder de drugwetgeving geplaatst. Het is in het algemeen niet helder welke wetgeving in de ons omringende landen van toepassing is op de andere producten die in smart shops verkrijgbaar zijn. Een aantal smart products wordt uit Duitsland en het Verenigd Koninkrijk geïmporteerd. Mogelijk zijn deze stoffen daar legaal. In het al eerder aangehaalde Belgische rapport wordt gesteld dat paddestoelen en veel andere niet-traditionele genotmiddelen niet verhandeld mogen worden. In een recent ontwerp-Koninklijk Besluit is aangegeven dat de Belgische regering dit wil baseren op de voedingswetgeving. Verder kan in het algemeen worden gesteld dat tal van middelen in de ons omringende landen bij apotheker en drogist zonder recept verkrijgbaar zijn, terwijl die in Nederland als U.R.-geneesmiddelen worden beschouwd.

7 Samenvatting
De opkomst van het gebruik van smart products en eco-drugs moet gesitueerd worden binnen brede sociaal-culturele veranderingen. In Europa en de Verenigde Staten stijgt het gebruik van illegale drugs onder jongeren en jong-volwassenen. Kenmerkend voor de meeste van de middelen die nu populair zijn (zoals XTC) is dat het verslavingsrisico beperkt is. Het meest zorgwekkende aspect van het gebruik van deze middelen is dat het kan leiden tot acute (en waarschijnlijk ook chronische) gezondheidsschade. Een pluspunt lijkt te zijn dat er bij de gebruikers geen sprake is van het soort criminaliteit, overlast en verloedering zoals bij heroïnegebruikers wordt gezien. Het gebruik van (al dan niet legale) genotmiddelen hangt sterk samen met de jeugden uitgaanscultuur. Middelengebruik is een modegevoelig, sociaal-cultureel fenomeen, waarvan een stijging of daling eerder met trends in de jeugdcultuur te maken heeft dan met het gevoerde overheidsbeleid. Het assortiment van de smart shops sluit goed aan bij de trends binnen bepaalde (sub)culturen. De eco-drugs voorzien in de vraag naar natuurlijke producten met een psycho-actieve werking. De smart products sluiten aan bij de behoefte aan natuurlijke producten die de gebruiker met een intensief uitgaansleven energiek en gezond moeten houden. Tevens spelen de smart shops in op de hernieuwde belangstelling voor spirituele ervaringen. De puberteit en de adolescentiefase worden gekenmerkt door het "aftasten van grenzen", door het "experimenteren op velerlei gebieden". Het middelengebruik onder jongeren moet vooral binnen dit kader worden beoordeeld. Uit verschillende onderzoeken blijkt dat veruit voor het merendeel van de jongeren het middelengebruik beperkt blijft tot experimenteergedrag. Experimenteren met psycho-actieve stoffen kan echter risico's voor de gezondheid met zich meebrengen. Anderzijds moet onder ogen worden gezien dat dergelijk gedrag onderdeel is van het proces van opgroeien. In smart shops worden naast hallucinogene paddestoelen veel andere producten verkocht. Enkele producten hebben evenals de paddestoelen een duidelijke psychoactieve werking. Sommige andere producten hebben een zo beperkte psycho-actieve werking dat het zeer de vraag is of hierbij wel van "drugs" gesproken kan worden. Er worden ook producten verkocht die helemaal niet psycho-actief zijn. Al met al wordt een breed assortiment van middelen aangeboden, waarvan de risico's, de werking, de toedieningsmethode, de productiewijze en de wettelijke status kunnen verschillen. Dit betekent dat het beleid ten aanzien van smart shops en de in deze shops verkochte producten in feite gesitueerd moet worden op het grensvlak tussen het drugbeleid in engere zin, het beleid ter bescherming van de gezondheid en veiligheid van de consument van eet- en drinkwaren en het beleid ten aanzien van de geneesmiddelenvoorziening. De werkgroep heeft haar aandacht om praktische redenen gericht op een beperkt deel van het brede assortiment van middelen, namelijk die middelen die een psychoactieve werking hebben. Het gaat om psilocybe paddestoelen, belladonna en andere

planten die belladonna-alkaloïden bevatten (waarvan alruin, bilzekruid en doornappel de belangrijkste zijn), cactussen en zaadjes waarin mescaline als werkzame stof voorkomt, kava kava, yohimbe, lachgas en efedrine. De psycho-actieve werking van deze middelen varieert van niet of nauwelijks (yohimbe) tot zeer sterk (planten die belladona-alkaloïden bevatten). De werkgroep is van mening dat hier het beste de verzamelnaam "niet-traditionele genotmiddelen" gebruikt kan worden. "Niet traditionele" omdat het gebruik van deze middelen (dat op zich een lange voorgeschiedenis kan hebben) in onze samenleving niet geïntegreerd is. Er zijn immers geen algemeen bekende normen, waarden en rituelen rond het gebruik. "Genotmiddelen" omdat hiermee het (ondanks alle eventuele gezondheidsclaims) belangrijkste oogmerk van het gebruik wordt gekarakteriseerd. De term "genotmiddelen" is tevens gekozen omdat een aantal van deze middelen een zo beperkte psycho-actieve werking heeft dat de term "drugs" niet op zijn plaats zou zijn. Een aantal kenmerken van deze middelen is samengevat in het schema op bladzijde 18 van deze notitie. De werkgroep verwacht dat zich de komende jaren, met name in het uitgaanscircuit, regelmatig nieuwe trends in het gebruik van niet-traditionele genotmiddelen zullen voordoen. Zij acht het niet wenselijk als het beleid met betrekking tot nieuwe trends ad hoc en aan de hand van incidenten wordt ontwikkeld. De werkgroep heeft zich daarom tot taak gesteld om een eerste aanzet te geven tot een beleidskader dat ook in de nabije toekomst bruikbaar is. Het uitgangspunt van dit beleidskader ligt bij de beoordeling en weging van de risico's van de betreffende middelen. Ten behoeve van deze notitie heeft het Ministerie van VWS een aantal onderzoeken laten uitvoeren die bij het maken van de risico-analyse een belangrijke rol hebben gespeeld: Dirk J. Korf, Paolo van Steenhoven, Jeugd, Paddo's en smartshops (O+S Amsterdam, 1997). Dit is een bliksemonderzoek naar het gebruik van psychedelische paddestoelen onder ruim 1100 jongeren in de leeftijd van 15 tot 24 jaar. J.A. Bosch, E.J.M. Pennings, F.A. de Wolff, Pyschoactieve Paddestoel & Plantproducten; toxicologie en klinische effecten (AZL Leiden, 1997). Dit is een literatuuronderzoek naar de toxicologie en farmacologie van paddestoelen en de in de smart shops meest voorkomende plantproducten. Mariken Müller, De smart shop als moderne snoepwinkel; een veldonderzoek. Dit door de Brijder Stichting uitgevoerde "impressionistische veldonderzoek" gaat met name in op het publiek dat smart shops bezoekt, de mate van zelfregulatie van de smart shops en de kwaliteit van de voorlichting. Tevens is in mei '97 een enquête gehouden onder de gemeenten die lid zijn van de interbestuurlijke Task Force Veiligheid en Verslavingszorg. Deze gemeenten is gevraagd om informatie betreffende aantallen smart shops, incidenten, overlast en criminaliteit en het lokale beleid t.a.v. smart shops.

-

-

-

In de notitie is zowel gekeken naar een aantal niet-traditionele genotmiddelen die in de smart shops verkrijgbaar zijn als naar de karakteristieken van de gebruikers en de sociale context waarin het gebruik plaatsvindt. In de risico-analyse stonden de acute en chronische toxiciteit, het verslavingsrisico, aard en omvang van het gebruik, de beschikbaarheid, de karakteristieken van de gebruikers, de kwaliteit en kwantiteit

van preventie en voorlichting, overlast en criminaliteit, de mogelijkheid om het aanbod te reguleren en internationaal-politieke aspecten centraal. Benadrukt wordt dat deze risico-analyse de huidige stand van zaken weergeeft. Gezien de vaak snelle veranderingen op dit gebied moet een dergelijke risico-analyse regelmatig geactualiseerd worden. In algemene zin kan voor de onderzochte middelen geconcludeerd worden dat het risico van verslaving gering is. Bij chronisch en overmatig gebruik van efedra en efedrine is dit risico het grootst. De acute toxiciteit van alruin, bilzekruid en doornappel is relatief groot. Wat betreft de chronische toxiciteit is van veel middelen weinig bekend. De incidenten die gerapporteerd zijn, kunnen als mild gekarakteriseerd worden. Hallucinogene paddestoelen zijn in vergelijking met andere drugs in relatief korte tijd populair geworden. Van de scholieren van 12 jaar en ouder heeft 4,3 % ooit wel eens een "paddo" gebruikt. Uit een bliksemonderzoek bleek dat 10 % van jongeren en jong-volwassenen (in de leeftijd van 15-24 jaar) ervaring had met het gebruik van paddestoelen. Alle ooit-gebruikers van paddo's in dit onderzoek hadden reeds eerder ervaring opgedaan met het gebruik van cannabis en XTC. Uit het beschikbare onderzoek kan afgeleid worden dat het gebruik van paddo's incidenteel en experimenteel van aard is. Veel gebruikers stoppen na één of enkele keren. De omvang van het gebruik van andere eco-drugs en van smart products is gering. Het publiek dat smart shops bezoekt is zeer divers, maar het gaat vooral om jongeren tussen 18 en 30 jaar die als "uitgaander" getypeerd kunnen worden. In de smart shops worden bepaalde middelen aangeprezen als legale vervanger van XTC en amfetamine. De werkgroep heeft de indruk dat deze middelen inderdaad door sommigen op deze wijze worden gebruikt. Het gebruik van dergelijke vervangende middelen kan de risico's voor de gezondheid reduceren. In welke mate dit effect optreedt is echter niet bekend. Leidt het gebruik van in de smart shop verkrijgbare producten tot een drempelverlagend effect voor het gebruik van illegale drugs? In een recente beleidsnotitie uit België wordt een dergelijk effect gesuggereerd.27 Op grond van het beschikbare onderzoek kan deze hypothese voor de Nederlandse situatie niet worden bevestigd. Veeleer lijkt er sprake te zijn van een ontwikkeling waarbij subculturele groepen verschillende soorten legale en illegale middelen consumeren. Dit betekent dat deze groepen zowel op illegale markten (bijvoorbeeld de XTC-markt) als op de legale markt (de smart shops) middelen aanschaffen. Het gegeven dat veruit het merendeel van de personen dat ervaring heeft met paddo's ook ervaring heeft met cannabis of XTC, wijst niet in de richting van een drempelverlagend effect van de legale status van de smart shops. Immers, de meeste klanten van smart shops kopen ook drugs op illegale markten en laten zich door het strafrechtelijk verbod niet afschrikken. Er zijn ongeveer 100 smart shops in Nederland. Bijna tweederde van de shops is aangesloten bij de Vereniging Landelijk Overleg Smart Shops (VLOS). Het VLOS heeft aangekondigd een keurmerk te willen invoeren, om de kwaliteit te verhogen en

Vast Secretariaat voor het preventiebeleid, De problematiek van smart drugs in België.

27

wildgroei in de sector te voorkomen. Er is een beperkt aantal groothandelaren. De aanbodzijde wordt gekenmerkt door een zekere mate van organisatie. Eco-drugs en smart products zijn niet alleen te koop in smart shops, maar worden ook via andere kanalen aangeboden. De energy-drinks zijn bijvoorbeeld in supermarkten, benzinestations en cd-winkels te koop. De niet-traditionele genotmiddelen die in deze notitie centraal staan, zijn echter hoofdzakelijk te koop in de smart shops, hoewel verkoop in growshops, headshops en coffeeshops ook wel voorkomt. Wanneer deze middelen aan populariteit winnen, kunnen ook andere verkooppunten ontstaan. Thans bestaan er geen wettelijke mogelijkheden om de verkoop van de niet-traditionele genotmiddelen te beperken tot de smart shops en om het aantal verkooppunten te limiteren. Is er sprake van criminaliteit en overlast rond de smart shops? Via de CRI werd met behulp van informatie die beschikbaar was bij de politieregio's een "quick scan" uitgevoerd. De werkgroep heeft aan de gemeenten die lid zijn van de interbestuurlijke Taskforce Veiligheid en Verslavingszorg een vragenlijst gestuurd met onder andere vragen over criminaliteit en overlast. Criminele betrokkenheid bij de productie van en handel in eco-drugs en smart products is in beperkte mate vastgesteld, maar de werkgroep heeft niet de indruk dat dit thans een zorgwekkende omvang heeft bereikt. Overlast als gevolg van de verkoop of het gebruik van deze middelen is niet gesignaleerd. Op het gebied van de productvoorlichting kan er nog veel worden verbeterd. De meeste smart shops geven schriftelijke en mondelinge informatie, maar dit is zeer wisselend in kwaliteit en kwantiteit. Tevens is de wijze van etikettering, de vermelding van de inhoudstoffen en de kwaliteit van eventuele bijsluiters onvoldoende. Ieder middel dat in de smart shops verkrijgbaar is valt in ieder geval onder de algemene bepalingen van de Warenwet. Als blijkt dat het gebruik van een bepaald middel leidt tot significante gezondheidsschade, kunnen de controle-ambtenaren van de Inspecties voor de Gezondheidsbescherming strafrechtelijk optreden. Voor de meeste "smart products" gelden bovendien specifieke warenwettelijke toetsingskaders. Van een aantal van deze producten is echter nog niet duidelijk of zij wel voldoen aan alle wettelijke eisen. De Warenwet kent de mogelijkheid om producten te verbieden, maar niet de mogelijkheid van kanalisatie. Producten die aan de eisen van de wet voldoen mogen in principe overal verkocht worden. In sommige gevallen kan naast de Warenwet tevens specifiekere wetgeving van kracht zijn. Het belangrijkst in dit verband zijn de Opiumwet, de Wet op de geneesmiddelenvoorziening , de Wet voorkoming misbruik chemicaliën en de artikelen 174 en 175 van het Wetboek van Strafrecht (Sr). De verkoop van middelen die onder de Opiumwet vallen, is verboden. Middelen die onder de WOG vallen mogen alleen bereid en afgeleverd worden door vergunninghouders en apotheekhoudenden. De Wet voorkoming misbruik chemicaliën kent een vergunningenstelsel voor het produceren, verhandelen en voorhanden hebben van grondstoffen die gebruikt kunnen worden om illegale drugs te produceren. De artikelen 174 en 175 Sr stellen de opzettelijke, respectievelijk culpose, verkoop etcetera van schadelijke waren strafbaar.

In ernstige, bewijsbaar geachte zaken kan op grond van art 174 of 175 vervolgd worden. Subsidiair kan hierbij overtreding van bepalingen van de Warenwet ten laste gelegd worden. Voor sommige producten en stoffen is het in de praktijk niet duidelijk welke wetgeving van toepassing is. De wetshandhaving kan hierdoor worden belemmerd. Er is bovendien door het ontbreken van menskracht geen sprake van systematisch toezicht op en controle van de smart shops door de Inspectie voor de Gezondheidsbescherming en de Inspectie voor de Gezondheidszorg. De gemeenten beschikken in de huidige situatie alleen over indirecte instrumenten om regulerend op te treden ten aanzien van het aanbod van niet-traditionele genotmiddelen. Volgens de gemeenten die vertegenwoordigd zijn in de interbestuurlijke Task Force Veiligheid en Verslavingszorg bieden het bestemmingsplan, de gemeentewet/APV en de leefmilieuverordening mogelijkheden voor regulering van de smart shops. De mogelijkheden voor gemeenten om regulerend op te treden ten aanzien van de vestiging van smart shops zijn in de praktijk echter zeer beperkt. De gemeenten hebben iets ruimere mogelijkheden om de verkoop van niet-traditionele genotmiddelen in het uitgaanscircuit tegen te gaan. In de meeste Europese landen vallen psilocybine en psilocine onder de drugswetgeving. In veel gevallen zijn de hallucinogene paddestoelen zelf niet verboden. In België heeft de regering het voornemen de handel in deze paddestoelen (en andere niet-traditionele genotmiddelen) te verbieden op grond van de voedingswetgeving. De meeste andere stoffen die in smart shops verkrijgbaar zijn vallen niet onder het regime van de internationale verdragen voor verdovende middelen en psychotrope stoffen en zijn derhalve ook niet in de nationale drugswetten opgenomen.

8 Slotbeschouwing, conclusies en aanbevelingen
8.1 Slotbeschouwing In de publieke discussie is meer dan eens de vraag gesteld of het tot op heden gevoerde beleid wel adequaat is geweest. Moeten jongeren niet beter beschermd worden tegen de risico's van hun experimenteergedrag, door de psycho-actieve smart products en eco-drugs die niet onder de Opiumwet vallen alsnog onder het regiem van deze wet te brengen? En is strafbaarstelling via de Opiumwet niet ook noodzakelijk om de criminele betrokkenheid bij productie van en handel in deze middelen een halt toe te roepen? Is er rond het nieuwe commerciële circuit van de smart shops niet in feite een nieuwe, schimmige gedoogsituatie ontstaan, waarbij de overheid bovendien nauwelijks instrumenten heeft om op te kunnen treden? Door anderen is de vraag gesteld of het sop de kool wel waard is. Zijn de risico's wel zo groot dat de Opiumwet in stelling moet worden gebracht? Moet er niet veel meer worden ingezet op het weerbaar maken van jongeren, onder meer door goede voorlichting? Dreigt de overheid niet haar geloofwaardigheid te verliezen als zij middelen gaat verbieden die hetzij in de vrije natuur vóórkomen (zoals de Nachtschades), hetzij voor andere gebruiksdoeleinden her en der vrij verkrijgbaar zijn (zoals lachgas)? En heeft verbieden niet het risico van mogelijk ernstige neveneffecten, zoals het aanbieden van gevaarlijker middelen door criminelen in oncontroleerbare situaties en zoals criminalisering van jongeren die (meestal in een voorbijgaande fase) experimenteren met middelen? In het beleid heeft tot op heden de nadruk gelegen op gezondheidsbescherming. In dit kader is met name gewerkt aan voorlichting, monitoring en onderzoek. De belangrijkste resultaten van deze activiteiten zijn beschreven in deze notitie. Op het gebied van opsporing en vervolging hebben de Inspecties voor de Gezondheidsbescherming en de Gezondheidszorg tot op heden de lijn gevolgd dat alleen wordt opgetreden bij ernstige gezondheidsrisico's. Het Openbaar Ministerie heeft ten aanzien van producten die het resultaat zijn van bewerkingen van hallucinogene paddestoelen en derhalve onder de Opiumwet vallen de lijn gevolgd waarbij prioriteit is gegeven aan de opsporing en vervolging van grootschalige productie van en handel in dergelijke producten. Ten behoeve van de beantwoording van de vraag of het huidige beleid voldoet, heeft de werkgroep de onderstaande uitgangspunten geformuleerd om de doeltreffendheid van het huidige beleid te beoordelen en eventuele lacunes in kaart te brengen. 1. 2. De inzet van wet- en regelgeving moet in een goede verhouding staan tot de ernst van de risico's. Ten behoeve van de beperking van gezondheids- en maatschappelijke risico's dient het beleid gericht te zijn op beperking van het aanbod en de vraag, alsmede op het weren van overlast en criminaliteit. Het beleid dient in het bijzonder te voorzien in de bescherming van minderjarigen. Bij de volwassen gebruiker dient de eigen verantwoordelijkheid voor gezondheid en welzijn uitgangspunt te zijn voor het beleid.

3.

Uit de risico-analyse blijkt naar de mening van de werkgroep dat er bij het gebruik en het aanbod van niet-traditionele genotmiddelen thans in het algemeen geen sprake is van onaanvaardbare risico's in termen van schade voor het individu en voor de samenleving. Bij enkele van deze middelen (i.c. de planten die belladonaalaloïden bevatten) is het risico van acute intoxicatie zodanig dat het aanbeveling verdient de handel in deze middelen krachtens de Warenwet te verbieden. Andere riskante middelen, zoals de producten die het resultaat zijn van de bewerking van hallucinogene paddestoelen, zijn reeds verboden op grond van de Opiumwet. Bij het merendeel van de niet-traditionele genotmiddelen ligt een verbod op grond van de Warenwet of de Opiumwet echter niet voor de hand. In het huidige wettelijk kader is daar ook geen sprake van. De meerderheid van de middelen valt onder de algemene bepalingen van de Warenwet. Er is echter thans geen sprake van systematische handhaving van de Warenwet. Dit heeft begrijpelijkerwijs de schijn gewekt van een gedoogsituatie. Bovendien is het niet altijd direct duidelijk wanneer de Warenwet of de WOG primair van toepassing is. Dit kan de wetshandhaving belemmeren. Er zijn in de huidige situatie geen algemene maatschappelijke normen en waarden die tot uitdrukking brengen voor wie en onder welke omstandigheden het gebruik van niet-traditionele genotmiddelen op een relatief veilige manier kan plaatsvinden. De werkgroep is daarom van mening dat de beschikbaarheid van de niet-traditionele genotmiddelen beperkt moet blijven. Gezien de aard van de risico's die aan het gebruik verbonden kunnen zijn, komen deze middelen zoals reeds opgemerkt weliswaar in meerderheid niet in aanmerking voor een verbod, maar zijn ze ook niet zodanig veilig dat ze zonder bezwaar overal vrij verkocht kunnen worden. Het aantal verkooppunten dient derhalve beperkt te blijven. Ten aanzien van de middelen die niet verboden zijn op grond van de Warenwet of de Opiumwet en die niet onder de WOG vallen, beschikt de rijksoverheid thans niet over de wettelijk vastgelegde mogelijkheid om het aantal verkooppunten van deze middelen te beperken. De gemeenten hebben wel enige mogelijkheden hiertoe. In de praktijk lijkt er overigens sprake te zijn van een stabilisatie van het aantal smart shops. In het kader van de beperking van de vraag wordt in de gezondheidsvoorlichting reeds geruime tijd informatie verstrekt over de risico's van het gebruik van smart products en eco-drugs. De branche van de smart shops is een zeer jonge branche, waarin op enkele punten criminele betrokkenheid is gesignaleerd. Verder heeft de branche door een aanvankelijke identificatie met het drugsimago van sommige producten her en der twijfel gewekt aan de bedoelingen van deze ondernemers. De rijksoverheid en de gemeenten beschikken niet over de mogelijkheid om eisen te stellen aan de antecedenten van exploitanten van smart shops. De criminele betrokkenheid bij de smart shop-branche is thans overigens niet zorgwekkend. De gemeenten hebben een beperkte mogelijkheid om in het kader van de handhaving van de openbare orde regels te stellen aan de smart shops. Voorzover bekend is er in de huidige situatie geen sprake van overlast rond de verkoop en het gebruik van eco-drugs en smart products. Minderjarige, onervaren gebruikers hebben waarschijnlijk een verhoogd risico op schade voor de lichamelijke en/of geestelijke gezondheid. Ten aanzien van jeugdigen

moet daarom een ontmoedigingsbeleid gevoerd worden. Door middel van voorlichting moet hen het gebruik van alle niet-traditionele genotmiddelen ontraden worden. Deze middelen dienen bovendien niet aan minderjarigen verkocht te worden. De rijksoverheid en de gemeenten hebben niet de wettelijk vastgelegde mogelijkheid om een leeftijdsgrens te verbinden aan de verkoop van niet-traditionele genotmiddelen. In de praktijk hanteren de meeste smart shops op vrijwillige basis een leeftijdsgrens van 18 jaar bij de verkoop van hallucinogene paddestoelen. In de gezondheidsvoorlichting wordt met name aandacht besteed aan de risico's van het gebruik voor jongeren. De volwassen gebruiker moet over voldoende informatie kunnen beschikken om de risico's van het gebruik van de niet-traditionele genotmiddelen in te kunnen schatten. Naast de informatie die gegeven wordt in de gezondheidsvoorlichting, gaat het hierbij evenzeer om de informatie die de aanbieder geeft over de verkochte producten. De kwaliteit en kwantiteit van deze voorlichting in de smart shops en andere "alternatieve" verkooppunten is wisselend en veelal zeer slecht. De werkgroep heeft zich gebogen over de vraag of het aanbeveling zou verdienen om tot nieuwe wetgeving te komen voor de niet-traditionele genotmiddelen. Hiermee zou mogelijk voorzien kunnen worden in de gesignaleerde lacunes in het huidige wettelijk instrumentarium. Er doen zich in dit verband enige vragen voor die nader onderzoek vereisen. Het is bijvoorbeeld de vraag of met nieuwe productwetgeving niet nieuwe afgrenzingsproblemen ontstaan ten opzichte van de bestaande wetten die betrekking hebben op producten. Nieuwe wetgeving zou ook ingaan tegen het algemene beleid van deregulering. Mogelijk zou dit bezwaar minder sterk gelden als er sprake zou kunnen zijn van een wet op niet-traditionele genotmiddelen die als "voorportaal" dient totdat duidelijkheid is verkregen over de risico's en het geëigende wettelijk kader. De werkgroep is al met al van mening dat nader onderzoek in deze aanbeveling verdient. Op grond van het voorgaande komt de werkgroep tot de volgende conclusies en aanbevelingen. 8.2 Conclusies en aanbevelingen Uit de risico-analyse blijkt naar de mening van de werkgroep dat er bij het gebruik en het aanbod van niet-traditionele genotmiddelen thans in het algemeen geen sprake is van onaanvaardbare risico's in termen van schade voor het individu en voor de samenleving. Bij de beoordeling van het beleid tot op heden zijn enige lacunes gesignaleerd, met name in de wet- en regelgeving en het toezicht, die overigens niet hebben geleid tot een zorgwekkende situatie. De werkgroep stelt dan ook voor om het huidige beleid, waarin de nadruk ligt op gezondheidsbescherming, voort te zetten. De werkgroep is wel van mening dat op enige punten een beleidsintensivering noodzakelijk is en dat onderzoek gewenst is naar de mogelijkheid van verbetering van het wettelijk instrumentarium.

De werkgroep beveelt de volgende maatregelen aan: 1. Systematisch toezicht van de Inspectie voor de Gezondheidsbescherming/Keuringsdienst van Waren op de smart shops, andere "alternatieve" verkooppunten, (groot)handel en producenten, ten behoeve van de wetshandhaving en monitoring van de situatie. Onderzoek naar de mogelijkheid om, indien dit in de nabij toekomst noodzakelijk blijkt, op basis van wet- en regelgeving een leeftijdsgrens voor de verkoop van niet-traditionele genotmiddelen in te stellen, om het aantal verkooppunten te beperken en om eisen te stellen aan de antecedenten van exploitanten van verkooppunten. Een verbod van de verkoop van enkele middelen met hoge acute toxiciteit (belladonna, alruin, bilzekruid en doornappel) op grond van de Warenwet. Periodieke herhaling van de "quick scan" van de CRI naar criminele antecedenten van exploitanten van verkooppunten, (groot)handelaren en producenten. Overleg van de rijksoverheid met de branche van de smart shops, over zelfregulering op het gebied van het hanteren van een leeftijdsgrens bij de verkoop van niet-traditionele genotmiddelen en over de verbetering van de productvoorlichting en de opleiding van winkeliers. In het overleg tussen de rijksoverheid en de branche dient tevens de afgifte van een keurmerk aan de orde te komen. Ontwikkeling van lokaal beleid door gemeenten. Aandachtspunten hierbij: beperking van het aanbod van niet-traditionele genotmiddelen - na afstemming in het driehoeksoverleg - door het stellen van grenzen aan het assortiment dat ter plekke op house parties mag worden verkocht, in de horeca en in coffeeshops; het inzetten van GGD'en en/of de ambulante verslavingszorg ten behoeve van monitoring van de lokale situatie en het ontwikkelen van voorlichtingsactiviteiten. Een ontmoedigingsbeleid voor minderjarigen, door middel van een leeftijdsgrens bij de verkoop en voorlichting over de risico's aan jongeren, hun ouders en andere opvoeders. Ontwikkeling van een landelijke registratie van hulpvragen en incidenten rond het gebruik van hallucinogene paddestoelen en middelen die sterke acute gezondheidseffecten kunnen hebben, zoals efedrine en yohimbine. Periodieke herhaling van de brede risico-analyse die de werkgroep heeft uitgevoerd, aangezien nieuwe ontwikkelingen tot bijgestelde conclusies kunnen leiden.

2.

3. 4. 5.

6.

7.

8.

9.

Deze maatregelen worden in het volgende toegelicht en geconcretiseerd. ad 1: toezicht door de IGB. De werkgroep is van mening dat het ontbreken van systematisch toezicht op de smart shops en andere 'alternatieve' verkooppunten een verhoudingsgewijs ernstige lacune is die op korte termijn moet worden opgelost. Het niet handhaven van de wet geeft een verkeerd signaal aan deze branche en aan de samenleving in het algemeen. Systematisch toezicht op de naleving van de wet heeft tevens het voordeel dat hierbij gewerkt kan worden aan een goede monitoring van de situatie en aan het opbouwen van jurisprudentie op punten waar het wettelijk kader thans niet duidelijk is. Het verdient aanbeveling de Inspectie voor de Gezondheidsbescherming opdracht te geven een project op te starten met het doel de activiteiten van de smartshops te

toetsen aan de warenwettelijke kaders, een beeld te presenteren van "rotte appels" in de mand van smartshops in Nederland en een voorstel te doen voor een vorm van permanent toezicht op de smartshops en de inpassing binnen de reguliere werkzaamheden van de Inspectie. Een dergelijk project heeft als voordeel dat beleidsbeslissingen in de nabije toekomst genomen kunnen worden op basis van een gedetailleerd beeld en "harde" gegevens. Voor de uitvoering van een dergelijk monitorings- en handhavingsproject is op hoofdlijnen extra capaciteit vereist voor de coördinatie en de intra- en interdepartementale afstemming en communicatie, voor de instructie en begeleiding van controle-ambtenaren op het terrein van de smart-shophandel, alsmede inspectie- en laboratoriumcapaciteit, gericht op onderzoek van productsamenstelling. Onderdelen van een project op hoofdlijnen zijn; De registratie van smartshops, andere verkooppunten, (groot)handels, producenten en rechtspersonen/verantwoordelijken. Inspectiebezoeken met controles op declaraties, claims, samenstelling, bewaaring van producten en van de hygiëne. Tevens bemonstering van relevante condities van producten. Laboratoriumonderzoek. Voor het uitoefenen van toezicht en controle is laboratoriumonderzoek naar de samenstelling in relatie tot de ingredientendeclaratie en naar de eventuele aanwezigheid van verboden c.q. schadelijke ingrediënten essentieel. Methodenontwikkeling is een kritische stap. Toetsing van de smartshop activiteiten en de verhandelde waar aan de warenwettelijke kaders. Het onderzoeken van de mogelijkheden tot het stellen van concentratielimieten, aanbiedingsvormen, bijsluiters, etikettering en leeftijdsgrenzen.

-

-

De IGB zal in dit project gebruik kunnen maken van de aanbevelingen van Bosch et al. over analytisch-chemische analyse van inhoudsstoffen, toxicologische controle en toxicologisch onderzoek bij intoxicatie. De werkgroep heeft de indruk dat de vraag naar en het aanbod van niet-traditionele middelen zich min of meer aan het stabiliseren zijn. Zij verwacht niet dat het aantal verkooppunten op korte termijn weer significant zal toenemen. Het is wel mogelijk dat ook andere typen winkels in de verleiding zullen komen om deze middelen te gaan verkopen. De werkgroep acht de kans hierop niet groot, maar kan deze ook zeker niet uitsluiten. Zij is daarom van mening dat hier in het kader van de monitoring bijzondere aandacht aan gegeven dient te worden. Bij de handhaving moet hoge prioriteit worden gegeven aan (intensieve) controle van nieuwe verkooppunten. In samenwerking met de politie, het Openbaar Ministerie en de Inspectie voor de Gezondheidszorg kan de IGB er mede op toezien dat in de smart shops geen middelen verkocht worden die onder de Opiumwet vallen of die op grond van de Wet op de geneesmiddelenvoorziening alleen door vergunninghouders en apotheekhoudenden afgeleverd mogen worden. De IGB kan tevens de Economische Controle Dienst informeren als efedrine en pseudo-efedrine gebruikt worden ter verrijking van producten.

ad 2: onderzoek wetgeving. De werkgroep stelt voor dat de departementen van VWS, Justitie en Binnenlandse Zaken in overleg met de VNG de onderzoeksopdracht formuleren en aanbesteden. In het onderzoek kan worden nagegaan of er in het kader van een eventuele Wet op de openbare inrichtingen of anderszins mogelijkheden gevonden kunnen worden, in het bijzonder voor gemeenten, om het aantal verkooppunten van niet-traditionele genotmiddelen te beperken. Tevens kan worden nagegaan welke mogelijkheden de wet Bevordering Integere Besluitvorming Openbaar Bestuur (BIBOB) biedt om personen met criminele antecedenten uit de smartshop-branch te weren. In het onderzoek kan bovendien worden bekeken wat de voor- en nadelen zouden kunnen zijn van een "noodwet" of "parkeerwet" voor mogelijke nieuwe traditionele genotmiddelen waarvan niet direct duidelijk is onder welk wettelijk kader zij vallen en/of waarvan de risico's niet bekend zijn. Met een dergelijke noodvoorziening zou de introductie van dergelijke middelen in de smart shops voorkómen kunnen worden totdat duidelijkheid op de genoemde punten is verkregen. ad 3: verbod acuut toxische middelen. Gezien de risico's van acute intoxicatie bij het gebruik van bepaalde middelen, verdient het aanbeveling om de verkoop van middelen met hoge acute toxiciteit te verbieden op grond van de Warenwet. In dit verband stelt de werkgroep voor dat belladonna, alruin, bilzekruid en doornappel onder de werking worden gebracht van het ontwerp Kruidenbesluit. In afwachting hiervan kan de branche verzocht worden in het kader van zelfregulering de verkoop (voor zover hier sprake van is) te staken. Indien hieraan geen gehoor wordt gegeven, kan de IGB deze middelen uit de handel nemen. Ter toelichting het volgende. De Opiumwet en de Warenwet bieden beide de mogelijkheid om middelen te verbieden. Bij toepassing van de Opiumwet dient er sprake te zijn van psycho-actieve stoffen die schadelijk zijn voor het individu èn de samenleving. Strafbaarstelling impliceert het strenge regiem van Lijst I. Anders dan bij de Opiumwet, is het gegeven dat een bepaalde stof acuut (dan wel chronisch) toxisch is, reeds voldoende om op grond van de Warenwet producten uit de handel te nemen. Bij aantoonbare schade kan altijd direct worden opgetreden. Verder kunnen verboden op het verwerken van gevaarlijke stoffen in specifieke Warenwet-besluiten worden vastgelegd. Kenmerkend voor de Warenwet is dat verboden alleen van kracht kunnen worden indien de volksgezondheid in het geding is. De Europese Commissie toetst vooral of het vrije handelsverkeer in de Europese Unie niet wordt belemmerd. Gezien de aard van de risico's van de betreffende middelen, komt de Opiumwet volgens de werkgroep niet in aanmerking. Een verbod op grond van de Warenwet heeft bovendien het voordeel dat criminalisering van gebruikers wordt voorkómen, omdat het bezit voor eigen gebruik niet strafbaar is. Een bijkomend voordeel kan zijn dat op deze wijze het "drugsimago" van deze middelen niet wordt versterkt. ad 4: periodieke herhaling onderzoek criminele antecedenten. De werkgroep beveelt aan dat de "quick scan" van de CRI jaarlijks wordt herhaald en dat hierbij tevens gebruik wordt gemaakt van de door de IGB verzamelde gegevens. ad 5: overleg met de branche. De werkgroep heeft niet de indruk dat er thans op grote schaal niet-traditionele genotmiddelen aan minderjarigen verkocht worden.

Ten aanzien van het stellen van een leeftijdsgrens aan de verkoop lijkt het de werkgroep op de korte termijn het meest aangewezen om, naast het verbeteren van de voorlichting op dit punt aan minderjarigen, hun ouders en andere opvoeders, de mogelijkheid van zelfregulering door de branche op dit punt serieus te verkennen. De werkgroep stelt daarom voor dat de rijksoverheid hiertoe officieel in overleg treedt met de Vereniging Landelijk Overleg Smart Shops (VLOS). Tevens geeft de werkgroep de gemeenten in overweging om op lokaal niveau direct, of via de GGD en/of de ambulante verslavingszorg, te overleggen over het hanteren van leeftijdsgrenzen. Uiteraard doet zich hier de kwestie van de handhaafbaarheid van een (al dan niet wettelijke) leeftijdsgrens voor. Doorverkoop door volwassenen aan minderjarigen lijkt niet te voorkómen. Dit geldt echter ook in andere situaties waar een leeftijdsgrens wordt gesteld. Op dit punt kan alleen door voorlichting en opvoeding beïnvloeding plaatsvinden. Waar het gaat om het toezicht op een leeftijdsgrens ter plekke, lijken de vooruitzichten voor de handhaafbaarheid, gezien het relatief beperkte aantal verkooppunten en op voorwaarde van de intensivering van het toezicht door de IGB en van een signalerende rol van de GGD en/of de ambulante verslavingszorg, nog relatief gunstig. In het overleg met de VLOS dient ook de productvoorlichting aan de orde te komen. Het verdient aanbeveling dat in de smart shops en andere "alternatieve" verkooppunten kwalitatief goed schriftelijk voorlichtingsmateriaal wordt verspreid waarin informatie wordt verstrekt over: kenmerken, effecten en samenstelling van middelen, de invloed van de omgeving op het effect, doseringsadviezen, verschillen in effecten tussen individuen en mannen en vrouwen; adviezen over zo veilig mogelijk gebruik, risico's van polygebruik en MAOremmers lichamelijke en geestelijke risico's voor gebruikers in het algemeen en voor specifieke risicogroepen de risico's van lichamelijke en/of geestelijke afhankelijkheid. Dit voorlichtingsmateriaal moet door de smart-shopbranche (fabrikanten, importeurs en verkopers van eco-drugs en smart products) worden ontwikkeld. Het verdient aanbeveling dat de branche hierbij samenwerkt met het Trimbos-instituut en de instellingen voor verslavingszorg. De Inspectie voor de Gezondheidsbescherming en de Inspectie voor de Gezondheidszorg kunnen hierbij een toezichthoudende en adviserende rol vervullen. Conform de aanbevelingen van Bosch et al. dient in de voorlichting aandacht besteed te worden aan het ontraden van gebruik bij deelname aan het verkeer, bij het gebruik van medicijnen en bij het gecombineerd gebruik van middelen en dient gewaarschuwd te worden voor het zelf zoeken in de vrije natuur.

Voorts verdient het aanbeveling dat de branche er voor zorgt dat winkeliers worden opgeleid met betrekking tot de volgende thema's: productkennis; het geven van voorlichting aan consumenten; het anticiperen op risico's bij onervaren klanten en risicogroepen; het onderkennen van en reageren op signalen van misbruik; het leggen van contact met instellingen van de ambulante verslavingszorg.

Deze opleiding zou vergelijkbaar kunnen zijn met de programma's die zijn ontwikkeld voor personeel van casino's en gokhallen. De kosten van een dergelijke opleiding zullen door de branche gedragen moeten worden. Bij de afgifte van een keurmerk door de branche-organisatie aan smart shops kan een aantal vragen worden gesteld. In de eerste plaats is het van belang welke aspecten van de smart shop onder het keurmerk vallen. Hierbij kan gedacht worden aan de antecedenten van de verkoper, de deskundigheid, het assortiment, de inrichting en de productkwaliteit. Een volgende vraag die gesteld kan worden is welke criteria gehanteerd zullen worden waarop de smart shop wordt getoetst door de verlener van het keurmerk. Bij deze criteria denkt de werkgroep vooral aan gezondheids- en veiligheidsaspecten, het gehalte aan werkzame stof en de bewaking daarvan, etikettering, claims op of bij het product en de kwaliteit van het gebruiksvoorschrift. De sancties die er bestaan op het niet voldoen aan de criteria zijn eveneens van belang. Kan het keurmerk worden ingetrokken en welke procedures worden hierbij doorlopen? Tenslotte is nog relevant of er een lichaam wordt ingesteld dat toezicht houdt op de instelling die de keurmerken verleent. Een keurmerk kan ook opgevat worden als een verkoopargument waarmee een marktpartij zich tracht te onderscheiden van andere marktpartijen. Met of zonder keurmerk, er moet altijd voldaan worden aan de wettelijke voorschriften. Of het dragen van een keurmerk bepaalde waarborgen biedt aan de bevoegde autoriteiten zal in de praktijk moeten blijken. Een bewezen goed werkend keurmerksysteem zou eventueel van invloed kunnen zijn op de inspectiefrequentie en intensiteit. Het is echter niet mogelijk om hier vooraf afspraken over te maken. Het verdient aanbeveling dat de branche met de rijksoverheid in overleg treedt over een keurmerksysteem. ad 6: ontwikkeling gemeentelijk beleid. De werkgroep beveelt de gemeenten waar smart shops of andere verkooppunten van niet-traditionele genotmiddelen zijn gevestigd, aan om op dit gebied, voorzover dit niet reeds is gebeurd, een lokaal beleid te ontwikkelen. De gemeenten kunnen zich hierbij laten adviseren door de instellingen voor verslavingszorg en de GGD. Naar de mening van de werkgroep kunnen de gemeenten thans met name een rol spelen bij de beperking van het aanbod, het bevorderen van monitoringsactiviteiten en het ontwikkelen van voorlichtingsactiviteiten. Bij de beperking van het aanbod van niet-traditionele middelen kunnen gemeenten met name een bijdrage leveren waar het gaat om de verkoop van deze middelen in het uitgaanscircuit. Het gaat hierbij niet alleen om de algemene doelstelling van het instandhouden van een hoogdrempelig karakter van het aanbod, maar ook om het voorkómen van de verhoogde gezondheidsrisico's van combinaties van middelen. De gemeenten kunnen bij het verlenen van vergunningen voor house parties - na afstemming in het driehoeksoverleg (gemeentebestuur, politie, openbaar ministerie) - desgewenst ten behoeve van de gezondheidsbescherming grenzen stellen aan het assortiment van niet-traditionele genotmiddelen dat ter plekke verkocht mag worden. In dit verband dient volgens de werkgroep wel afgewogen te worden of dergelijke beperkingen de consumenten die deze middelen in plaats van XTC zijn gaan gebruiken niet alsnog weer op het spoor zet van XTC-gebruik. Dit zou contraproductief zijn.

Gemeenten kunnen voorts bij het preventief toezicht op de Drank- en horecawet en bij de handhaving aandacht vragen voor de naleving van het verbod op kleinhandel in horeca-inrichtingen, in het bijzonder wat betreft de kleinhandel in smart products en eco-drugs. Verder verdient het naar de mening van de werkgroep aanbeveling dat gemeenten in het kader van het lokale coffeeshopbeleid de verkoop van hallucinogene paddestoelen, andere eco-drugs en smart products in coffeeshops verbieden. De gemeenten kunnen de GGD'en en/of de ambulante verslavingszorg de opdracht geven om de ontwikkelingen rond de verkoop en het gebruik van niet-traditionele middelen te volgen. In veel gevallen is er reeds contact gelegd tussen deze instellingen en de smart shops. In aansluiting op het toezicht door de IGB kunnen de instellingen een signalerende rol spelen als zich ongunstige ontwikkelingen zouden voordoen wat betreft het assortiment van de smart shops, de productvoorlichting, de verkoop aan minderjarigen en dergelijke. De instellingen kunnen in het bijzonder een signalerende rol spelen bij een eventuele uitwaaiering van de verkoop van niettraditionele genotmiddelen naar andere typen winkels. Verder kunnen zij de smart shops desgevraagd adviseren over de voorlichting aan consumenten en medewerking verlenen aan het organiseren van opleidingen. ad 7: ontmoedigingsbeleid minderjarigen. Bij de toelichting op punt 4) is reeds aandacht besteed aan de kwestie van leeftijdsgrenzen. De werkgroep stelt voor dat het Trimbos-instituut de opdracht krijgt om de kwaliteit van de gezondheidsvoorlichting over niet-traditionele genotmiddelen aan jongeren, hun ouders en andere opvoeders te beoordelen en, waar nodig, voorstellen te doen voor verbetering en/of intensivering. ad 8: landelijke registratie incidenten. De werkgroep stelt voor dat het NVIC wordt gevraagd om een dergelijke registratie te ontwikkelen, mogelijk in aansluiting op de reeds bestaande registratie van incidenten met XTC en XTC-achtigen. ad 9: periodieke herhaling risico-analyse. De werkgroep denkt aan een tweejaarlijkse herhaling van de risico-analyse, tenzij er aanwijzingen zijn dat een herhaling eerder aan de orde is.

Literatuurlijst
Bosch, J.A., E.J.M. Pennings en F.A. de Wolff, Psychoactieve Paddestoel- & Plantproducten; toxicologie en klinische effecten (AZL Leiden 1997). Brijder Stichting, Beleid t.a.v. paddestoelen en "eco-winkels/smart shops" (Alkmaar, 1997). Cleiren, C.P.M. en J.F. Nijboer, Strafrecht. Tekst & Commentaar (Deventer 1997). Cohen, P.D.A., 'Cannabisgebruikers in Amsterdam', Voordracht congres Gemeentelijk Gedoogbeleid op 7 juni 1995 (Utrecht). Kleiman, Mark A.R., Against Excess. Drug policy for results (New York, 1992). Koevoets, P.F.M. en P.N. van Harten, 'Doornappel-intoxicatie', Nederlands Tijdschrift voor Geneeskunde 18 (1997) 141, p. 888-889. Korf, Dirk J. en Paolo van Steenhoven, Jeugd, Paddo's en smartshops (O+S Amsterdam 1997). Korf, Dirk J., Ton Nabben en Zosja Berdowski, Antenne 1996, trends in alcohol, tabak, drugs en gokken bij jonge Amsterdammers (Amsterdam 1997). Limbergen, Kris van en Marijke Vrijsen, Energy drinks en smart drugs, onderzoek naar kennis en gebruik in Belgische discotheken (Brussel 1997). Müller, Mariken, De smart shop als moderne snoepwinkel; een veldonderzoek (Brijder, Alkmaar 1997). Noyon, T.J. en G.E. Langemeijer, Het wetboek van Strafrecht (Arnhem 1993). Stichting Adviesburo Drugs, Smart Drugs: een nieuwe drugstrend? (Amsterdam 1996). Vast Secretariaat voor het Preventiebeleid, De problematiek van smart drugs in België (Brussel 1997). Visser, Saco de, Evaluatie Smart drugs (stageverslag VU, 1997). Zinberg, Norbert E., Drug, Set and Setting. The Basis for Controlled Intoxicant Use (New Haven, London 1984). Zwart, W.M. de, H. Stam en S.B.M. Kuipers, Kerngegevens. Roken, drinken en drugsgebruik onder scholieren vanaf 10 jaar (Trimbos-instituut Utrecht 1997).

Beknopte begrippenlijst
afrodisiacum alkaloïde farmacologie hallucinogeen seksueel stimulerend middel plantaardige stikstofverbinding geneesmiddelenleer stof die een zinsbegoocheling, verandering van waarneming veroorzaakt verhoogde bloedruk verhoogde lichaamstemperatuur (van exogene oorsprong) vergiftiging monoamine-oxydase, enzym dat monoaminen inactiveert remmer van het enzym MAO met als gevolg een verhoging van het serotoninegehalte in de hersenen. Sommige psychofarmaca remmen de MAO-activiteit en worden daarom gebruikt tegen stoornissen als depressie. het veroorzaken van erfelijke veranderingen ontaarding, verwording van de zenuwcellen stoffen die in de hersenen signalen overbrengen ernstige geestesziekte het veroorzaken van aangeboren afwijkingen kennis van giftige stoffen stoornis aan het gezichtsvermogen

hypertensie hyperthermie

intoxicatie MAO MAO-remmer

mutageen neurodegeneratief neurotransmitters psychose teratogeen toxicologie visusstoornissen