You are on page 1of 39

Het reisverslag van de fietstocht

Mina en Herman van Beusekom


in de maanden
juli en augustus
1939
maakten naar
de Middellandse Zee
bewerkt door

Han Terheggen1990 - 1994


Frankrijk op de tandem

Data volgens de Datum Zonder datum


ansichtkaarten

Utrecht

Nijmegen Groesbeek di 25 juli 1939

wo 26 Kevelaer

do 27 Düsseldorf Keulen

Koblenz vr 28

za 29 Remagen

Kandel zo 30 stempel van LauterbourgRoute in


paspoort

Straatsburg ma 31

di 1 augustus

wo 2

do 3

Seurre vr 4

za 5

zo 6 Lyon

ma 7

Orange di 8

Aix-en-Province wo 9

do 10

vr 11

za 12

zo 13

Avignon ma 14

di 15 Cannes

Nice wo 16

do 17 Marseille

vr 18

za 19 Lyon Ars

zo 20

Rouvray en Avallon ma 21

Sens di 22

Fontainebleau wo 23

Parijs

2
Frankrijk op de tandem

Het vertrek
Mijn broer was, vanaf de opbouw, 35 jaar directeur geweest van een fabriek
met de grootste omzet van Nederland. Op zijn zestigste heeft hij bedankt.
Tot dan toe ging hij elk jaar zijn veertien dagen vakantie in het buitenland
doorbrengen, het liefst per fiets. Maar tijdens zijn betrekking al die jaren,
kon hij niet langer dan veertien dagen weg en daar moest hij zijn reisplan op
inrichten.
Reeds lang waren zijn plannen er op gesteld nu eens een onbeperkte tijd
een afstandstocht te maken. Het plan was reeds klaar om naar de
Middellandse Zee te gaan en de reis was op de landkaart al uitgestippeld. Hij
had zijn zwager uitgekozen als reisgezel, maar deze kon tenslotte zijn bedrijf
niet zo lang verlaten en verder had niemand ambitie in een reis, behalve zijn
zuster!

Utrecht
Zo gingen we dan vanaf Utrecht per tandem de reis aanvaarden.
Even voorbij Utrecht passeerden we het mooie sportterrein. Jammer: regen!
De regenjassen maar aan. Wat een aanhoudende regen! Daar was een
goede schuilplaats, een portiek. Ja, daar stonden onze wereldreizigers, na
een uur al en wat plaste de regen.
Maar nu werd het even minder. “Zullen we ‘t er maar op wagen?” zei oom
toen het bleef regenen. Het water liep uit onze kleren. Een bierhuis! Daar
toch maar even aangaan. Toen het droog was, stapten wij weer op de
tandem en ging het voort langs verschillende dorpen. De weg was niet zo
prettig, omdat er rails lagen en met uitwijken is dat altijd gevaarlijk. Maar de
mooie boomaanleg en de oude bomen die keurig in rechte lijn staan en
vakkundig gesnoeid zijn, ziet men nergens zo prachtig als die kant uit.
Wat jammer van de oude herenplaatsen die onbewoond zijn en ook de vele
moderne herenhuizen die leeg staan. Ook een gevolg van de moderne
opvattingen: ieder voor zich en God voor ons allen.
Verder gaan we. We komen aan de Waal. We moeten klimmen om op de dijk
te komen. Beneden ons in de diepte wonen de mensen. Wij hebben weer
honger. ‘t Is drie uur en we maken alles maar op wat er te eten valt. Ook de
melkfles is leeg. We zaten daar zo fijn boven aan de dijk, maar moesten
toch weer verder, op Nijmegen aan. We kregen een eentonige weg.

Nijmegen
Oom Herman zei al: “Hier kunnen we oefenen in het klimmen en dalen.” Het
regende steeds harder en oom besloot maar naar een logement uit te zien.
Op de brug van Nijmegen stond al iemand om ons een hotel te wijzen, maar

3
Frankrijk op de tandem
daar wij het er nog niet over eens waren wat wij zouden doen, bedankten
we. Weer even verder werden we weer aangehouden door iemand, die ons
een hotel wilde wijzen. Omdat er 3000 vreemdelingen die avond in
Nijmegen zouden logeren voor de loopmars van de volgende dag, bleek later
dat alle particuliere gelegenheden ook bezet waren.
Na veel moeite slaagden wij er in iets te vinden: ik in een hotel en oom bij
particulieren. Wij gingen ergens een dineetje gebruiken. Daar kwamen we in
gesprek met heren die de mars de volgende dag mee zouden maken. We
vonden het erg interessant. Ook in het hotel waar wij later naar toe gingen,
was aardig gezelschap.
Wij waren om zes uur in Nijmegen aangekomen. De volgende dag zouden
wij naar Ignard gaan, die in Dekkerswald was. We konden daar niet te vroeg
aankomen. ‘s Morgens daarom eerst maar naar de kerk, gezamenlijk
ontbijten en daarna naar Dekkerswald.

Dekkerswald in Groesbeek
Wij voelden ons in die mooie omgeving echt of we in het paradijs waren, zo
zuiver als de lucht daar was. Dat viel echt op! We werden bij Ignard
toegelaten. Hij lag nog te bed, maar zou weer opstaan. Hij had veel
behandeling gehad in die vier jaar, maar ging zijn algehele genezing
tegemoet. De Haagsche Hopjes van tante Tonie kwamen erg gelegen. Wij
hebben met veel belangstelling van beide zijden een uurtje doorgebracht. De
zuster kwam ons verrassen met een lekker kopje koffie. We gingen het
mooie Dekkerswald weer verlaten. Nu naar de grens en naar Kevelaar.
Het was bij twaalven. We waren in Groesbeek al langs een afsluitpaal
gereden, maar er stond geen wacht bij. Later werden we gewaar, dat we ons
al op Duits grondgebied bevonden! We moesten een post vinden. Niemand
wist ons het juiste te vertellen. We gingen ‘t vragen bij een pastorie. Na veel
wikken en wegen namen wij een pad door een korenland.
De weg had zulke diepe sporen dat we moesten lopen. We zakten tot onze
enkels weg in de modderpoel. Die poel was er toevallig, omdat er ‘s morgens
vroeg 3000 mensen langs waren gekomen en het nog nat was van de
aanhoudende regen van de vorige dag. Aan het eind van de weg zagen we
een watergemaal, dat door waterkracht werd aangedreven. Dat was een
mooi stuk werk van de natuur!
Wat zagen wij eruit! Gelukkig ontdekten wij een stroompje, gevormd door
een waterval. Dat was een uitkomst. We gingen in het stroompje staan en
zo werden onze schoenen weer schoon. In de plasmolen die daar was,
gingen we dineren. We genoten van de mooie inrichting en de vijver waar
we op uitkeken. We hadden gehoopt hier de groep van de afstandsmars te
zien, maar eindelijk reden we verder op Duits grondgebied.

Kevelaar
De eerste plaats die wij in Duitsland aandeden was Kevelaar, voorheen een
geliefde bedevaartsplaats voor Katholieken in Nederland.
We waren Kevelaar voorbij gereden en moesten dus weer terug. We vonden
Kevelaar verlaten nu de mannen voor het vaderland waren opgeroepen.
4
Frankrijk op de tandem

We gingen naar een hotel van oude bekenden. In het seizoen logeerden er
dagelijks honderden mensen en het was welvarend. Maar onder het bewind
van Hitler mochten er de laatste tijd geen pelgrims van Nederland komen.
Het was er nu verlaten en stil. Alle weerbare mannen waren opgeroepen. In
het hotel stonden de bedden leeg en het inkomen was weg. De mensen
leden honger en gebrek. Kleren waren niet te koop en de angst om de
mannen die weg waren, was groot. Maar zij moesten hun gedachten voor
zich houden want een ondoordacht woord kon hun het leven kosten.
In de goede tijd, misschien al veertig jaar terug, logeerden we er altijd. De
vroegere bewoners waren weer door hun kinderen vervangen. Wij werden
heel hartelijk ontvangen, maar de mensen waren erg teleurgesteld, want
Utrecht, Amersfoort enz. hadden alles al besteld voor een bezoek, maar om
de moeilijkheden bij de grens weer afbesteld.
Het was echt hopeloos, als je de gelegenheid zag en besefte hoe ze er in
Kevelaar op ingericht zijn, dat zo’n gehele plaats z’n bestaan vindt in het
vreemdelingenverkeer. Bijna elk huis is hotel, restaurant of winkel met
verschillende devotie-artikelen.
De Duitse pelgrims komen ook slecht, omdat de mannen opgeroepen waren
voor de “Krieg” en de vrouwen nu het werk moesten doen.
Alles was op de bon, maar boter was er voor geen geld te krijgen. Goede
kwaliteit stof was er in heel Duitsland niet te krijgen. Ze keken er ook van
op, dat wij nog zulke solide schoenen hadden.

De film
Daar zou iets worden vertoond op militair gebied en daar het heel goedkoop
was, besloten we ook maar eens te gaan kijken. Kaarten kreeg je niet, maar
er was iemand ....
Toen wij daar voor het gebouw stonden, kwam er een groep militairen aan.
Zij waren keurig gekleed en waren precies op elkaar ingesteld. Als
automaten maakten ze dezelfde beweging. Ze maakten een goede indruk.
Ze gingen de bioscoop binnen.
Bij het loket verdrongen de mensen elkaar om kaartjes. Wie eenmaal aan de
beurt was, kocht voor verschillende andere mensen, die in de groep stonden
en door een teken te kennen gaven, dat ze een plaatsbewijs wilden. Anderen
hadden weinig kans. Een meisje dat ons Kevelaar had zien binnenkomen,
maakte kennis met ons en vroeg of zij voor een kaartje zou zorgen. Ze
kreeg bij een opkoper kaartjes, wel iets duurder.
Toen gingen we naar binnen. Het was een mooie zaal met mooie banken.
Het hek was van mahoniehout. Er zaten ongeveer 100 mensen op een rij en
er waren 40 banken denk ik en er was nog meer ruimte wanneer ze het
gordijn wegschoven. Nog wel voor 100 mensen. Het waren flinke, ruime
plaatsen.
Eerst werd er reclame gedraaid voor verschillende fabrieken, toen kwam het
eigenlijke stuk. Wel erg op politiek gebied.

5
Frankrijk op de tandem
De voorstelling speelde zich af op een opleidingsschip voor matrozen. Eerst
zag je hoe ze zich oefenden met zeilboten op zee. Met een 40 zeilboten op
een kleine ruimte en om zo te laveren dat ze elkaar niet raken. Dan zie je
hoe er een niet oplet en door een wending van het zeil in de zee valt, maar
weer op het droge gehaald wordt. Ze laten zien hoe getraind de matrozen
reeds zijn.
Dan een tafereel: een hooggeplaatst heer komt zijn zoon terughalen, die er
tegen zijn zin is. Dochters komen mee. Die komen in een auto, heel deftig.
Je ziet hoe de kapitein van de marine die heer ontvangt en die Mijnheer zijn
bezwaren voordraagt en het helemaal niet eens is met de kapitein. Dan zie
je hoe die Kapitein hem beïnvloedt met drank, steeds maar inschenkt tot hij
tenslotte onder invloed van de drank toegeeft.
Ondertussen zijn de jongens in de zaal bijeen. Een kok gaat rond, bij de
jongens met Berliner bollen die ze gezeten aan kleine tafeltjes opeten. De
Kapitein roept de kok bij zich en laat de schaal voor de meisjes neerzetten.
De jongens zijn jaloers dat die lui op zullen eten wat voor hen bestemd is.
De meisjes begrijpen het en brengen het bij de jongens. De meisjes worden
gevraagd voor pianospel en de dans begint. Een van de meisjes heeft met
een gewone jongen gedanst en wat beloofd. Later wil ze met iemand dansen
die meer van haar stand is, maar ze wordt er in verhinderd en moet haar
woord houden om zich bij die ene jongen te houden, anders krijgt ze alle
anderen tegen. Ze houden er geen rekening met stand. Ze gaat naar die
jongen en vraagt wat hij wenst dat ze geeft om het weer goed te maken
zodat ze vrij is. Maar niets!
Die hoogstaande Heer met zijn dochters moeten op het schip blijven tot de
volgende dag. Dan wordt het schip overvallen door de Bolsjewieken, die
allen gevangen nemen. Die Bolsjewieken worden voorgesteld als
onopgevoed. Ze nemen alle papieren af van de Leiders van het schip en
sluiten ze op. De meisjes worden ook gevangen en opgesloten. Ruw gaat het
er aan toe. De grootste wanorde heerst er op het schip, nu de Bolsjewieken
er baas zijn.
Dan zie je weer ‘s nachts hoe een van de meisjes door het patrijspoort in het
water springt en weg zwemt. Ze weet een ander schip te bereiken en hulp te
krijgen. Het zijn matrozen die de Bolsjewieken overvallen en overmeesteren.
Dan gaat alles weer zijn oude gang. Je ziet zeiljachten die de meisjes weer
naar hun huis brengen. Onderhand breekt er brand uit in de machinekamer
van een van de jachten. De matroos die de hoogachting van het meisje nog
niet heeft kunnen winnen, waagt zijn leven om het leven van de machinist
te redden en wordt zelf voor dood boven gebracht, waarna het meisje hem
waardeert en hem met goedvinden van haar vader aanvaardt als haar
verloofde. Deze heeft ook de Marine hoog leren schatten en zijn zoon mag
bij de opleiding blijven.
Het geheel was echter een politieke zet om jongens voor de opleiding te
winnen.
‘t Was onderhand al veel later dan we dachten en de mensen van het hotel
waren erg ongerust geworden. Nu maar gauw naar bed. ‘s Morgens waren
we al vroeg op: we wilden graag, al was de tijd kort, toch als echte pelgrims
onze gaven aan Maria geven. We volgden de mis, ontvingen de H.
Communie en verbleven enige tijd bij haar miraculeuze beeld. We hebben
onze morgen aan deze devotie gewijd en onze reis onder haar hoede
gesteld. We bekeken alles nog eens goed en om twaalf uur gingen we weer
verder. We namen wat van die Kevelaarse broodjes mee en vulden onze fles
6
Frankrijk op de tandem

met melk.

De Rijn
Nu kwamen we gauw bij de Rijn. De Rijn is zo rijk aan schoonheid, je raakt
niet uitgekeken! Wat is het mooist? Zijn wijngaarden, zijn oude bruggen of
zijn stromend water? Je weet het niet, maar nooit raak je uitgekeken!

Keulen
Zo maar steeds verder naar Keulen. Ja, daar zijn we al in een voorstad en na
nog een poosje zijn we in het belangrijke Keulen. Nu uitkijken naar een
hotel. Wij staan bij het drukste punt: overal om je heen hotels. Ja, een
kamer! De bediende komt uit Holland, maar woont al vele jaren daar. Of er
geen twee kamers zijn? “Nee, maar ik weet nog een hotel waar U slaagt!” En
de jongen ging mee. En ja hoor, het lukte! Het is acht uur. Nu nog eten. Ik
geloof, dat we heel wat kilometers afgelegd hebben, want we zijn blij dat we
ons kunnen opfrissen en wat eten. Daarna zitten we nog even en gaan dan
naar bed. Het slaapt fijn als je zo getrapt hebt.
‘s Morgens eerst een kerk opgezocht. Het ontbijt bestaat in de regel uit
brood in de vorm van een dikke gordijnroe. De koffie smaakt goed. Ze geven
er apart suikerklontjes en een kannetje kokende melk bij. Er hoort geen
boter bij, maar dat vinden wij niet af en vragen ook jam.
Dan gaat onze correspondentie beginnen. We hebben ansichten gekocht en
op het postkantoor postzegels. Dat was wel altijd een heel gedoe, ook als er
gewisseld moest worden, omdat je altijd moest vragen en zoeken. Dan weer
op weg. O ja, we kochten ook vaak perziken of pruimen of een meloen voor
onderweg. Pruimen waren erg goedkoop en meloenen kostten 15 cent en
perziken 5 cent.
Als het tien uur was, vond Oom Herman dat het tijd was om naar een
restaurant uit te kijken, waar we naar Hollands gebruik een kopje koffie
konden drinken. Daarvoor moest je in een flink dorp zijn en meermalen
moest je alles aflopen om zoiets te vinden. Toch kwam het voor elkaar. Dan
waren we met onze gedachten in Holland. Nu werd ook bepaald in welke
stad we iets zouden eten. Dat was dan nog verscheidene kilometers fietsen.
Dan ging het verder. Maar als we dan twee uur gereden hadden, begonnen
we weer aan onze pruimpjes te denken en als we een geschikte plaats
gevonden hadden, spreidden we het zeil en wat smaakte dat dan fijn! Ook
de fles ging er dan aan.
Het was langs de Rijn wel fijn, omdat het zo makkelijk fietste, niet klimmen
of dalen zoals later.

Het eten
Om twee uur nuttigden we een koude maaltijd. Je kreeg eerst een schaal
7
Frankrijk op de tandem
met verschillende porties haring, rodekoolsla, vier schijven worst, twee
schijven ham, tomaten in saus, sla en zo, maar alles koud. Van vlees en
brood kreeg je zoveel als je bliefde. We namen er bier bij.
Ook was er altijd kaas: een schaal met Zwitserse, Duitse en Franse. De
Zwitserse kaas is scherp. De Franse is zacht maar heel fijn van smaak. Ze
lijkt veel op pudding wat vastheid aangaat. Soms is ze fijn verpakt in
zilverpapier, maar soms lijkt het wel of ze in stro bewaard wordt. Het zit er
soms nog buiten op! Nergens zit korst aan de kaas en Hollandse kaas
hebben we noch in Duitsland, noch in Frankrijk aangetroffen. Overal zie je
kaas zonder harde korst. De korst is zacht, maar de smaak is van de
verschillende soorten veel beter dan in Holland. Ze worden in ijskasten
bewaard. Al kom je in nog zo’n klein hotel, overal hebben ze een ijskast zo
groot als een fornuis en dat staat bij het buffet. Zo komt het ook, dat die
kaas niet uitloopt of smelt.

Hoe men woont


Ook zijn de woningen anders gebouwd. Ze zijn er op ingericht dat het altijd
fris is binnen: op de dag zijn overal de luiken gesloten met ijzeren of houten
jaloezieën en de ramen zijn wel 4O cm naar binnen aangebracht en niet te
groot in omvang. Ook zijn de muren van andere stenen dan hier en al is het
nog zo warm buiten, binnen is het fris. De bouw van de huizen is ook anders
dan hier, meer Zwitsers. Het zijn vierkant opgetrokken huizen. De onderste
verdieping wordt als garage gebruikt en op de tweede verdieping wonen ze.
Ze gaan buiten met een trap naar boven. Er loopt in de regel een omgang
om de bovenste verdieping heen. Zo’n huis bestaat dan uit een garage met
daar nog twee verdiepingen op. Alles is van steen gemaakt. Het plafond
wordt gemaakt door eerst ijzeren biels als stut te gebruiken en daarop
stenen te leggen die hol zijn en een grote afmeting hebben. Maar omdat ze
hol zijn, zijn ze licht en praktisch. Je bereikt er hetzelfde mee als met een
spouwmuur, maar eenvoudig en goedkoop. Alle trappen zijn van dezelfde
stenen, maar aangesmeerd. Hout wordt niet gebruikt.
De daken zijn heel eenvoudig bewerkt. De pannen zijn mooi. Met de manier
waarop je ze sorteert wordt nog wel iets bereikt, prachtige soorten pannen
vind je er. De huizen zijn dus allemaal aangesmeerd, maar ze besteden wel
veel werk aan het schilderen van hun huizen. Je staat versteld van wat ze
bereiken! De aankleding van die huizen is eenvoudig, maar goed gekozen en
bestaat niet uit gordijnen of veel glas, zoals hier (wat ik nooit op prijs stel)
maar uit een mooie sortering van dezelfde soort pannen, de bovenste
omgang met trap, maar vooral uit de fijne beschildering van het huis. De
fijne kleuren en de kleurschakering is onnavolgbaar. Ook die kleine ramen
vind ik zo praktisch: hier zit je door al die ramen ‘s winters koud en ‘s
zomers veel te warm. De garage onder het huis vind ik ook praktisch, dan
hoef je nooit je huis uit.

Düsseldorf
Onderhand zijn we weer vertrokken naar Düsseldorf waar wij logeerden. Het
is alweer gauw afstappen, want het middagdutje moet toch vervangen
worden door een half uur rust. En ja hoor: meloen! Wij kunnen hem toch
niet helemaal op, maar eer we aankomen, moet hij er toch aan, want anders
8
Frankrijk op de tandem

bederft hij.
We komen in Remagen. Er is net een processie. Er is een Heilige voor
vallende ziekte. Op de berg is de kerk en het miraculeuze beeld, maar we
mogen niet te lang blijven. We gaan iets gebruiken en zien ook de stoet van
pelgrims. Net als bij ons: een Priester met zijn schaapjes. Goed geklede
mensen van alle standen, zo’n beetje.
We zouden graag Haagsche Hopjes hebben, maar ofschoon er een grote
zaak was, vonden we niet de toffees zoals in Holland. Wij hadden van Tante
een doos Haagsche Hopjes en eerst bliefde oom Herman ze niet, maar later
was het wat fijn. Je had wat in je mond en soms wel een uur lang! Je kreeg
geen dorst, of andersom gezegd, wat smaakte later het bier! Het bier was
heel goedkoop en je werd er net zo min onprettig van als hier van thee.
Wij gingen maar weer eens verder na eerst aan onze Hollandse vrienden
gedacht te hebben en onze zieken even aan de wonderbare heilige
aanbevolen te hebben.

Het ongeluk
Er was maar een fietspad en dat was zo smal dat je elkaar niet kon
passeren, maar de straat was daar, in tegenstelling tot wat we tot dan toe
gehad hadden, hobbelig. Daarom staken we over op het fietspad. Daar
zagen we een vrouwtje heengaan met een mand aan haar arm. Ze leek zo
armoedig, maar zoals we later hoorden, was het de moeder van de
stationschef en ze had haar zoon warm eten gebracht. Dat ze er zo armoedig
uitzag, komt door het algemene verval van Duitsland. De mensen zijn er zo
armoedig, ze kunnen geen behoorlijke stof krijgen in heel Duitsland.
We fietsten verder. Het vrouwtje liep links van het pad, maar we konden er
best door en oom Herman belde maar steeds. Op het laatste moment stak
ze over en gebeurde het: ze viel en de fiets viel en oom viel en ik viel. Alles
stond op dat ogenblik voor mijn geest, hoe zou dat vrouwtje
terechtgekomen zijn? Duitse politie en onze verloren reis. Maar het eerste
was, of er niemand iets gebroken had, onze eerste zorg was voor het
vrouwtje. Ik beurde haar op. Ze zag er zorgwekkend uit, maar ze kon nog
staan en alleen haar arm was pijnlijk.

9
Voor ons was het gelukkig en dat was ook de schuld van het ongeval dat de
trein passeerde op het ogenblik dat het vrouwtje overstak. Daardoor hoorde
ze niet, dat er een fiets in aantocht was en kon ze het bellen niet horen,
want de trein passeerde op twee meter tussenruimte. Op de trein stond
iemand die haar kende en ook de situatie aan haar zoon vertelde. Hij was op
het station, honderd meter verder. Haar zoon, een heel interessante
verschijning, kwam direct. We dachten dat het de dokter was en hij nam het
ons niet kwalijk. Hij zei direct dat wij geen schuld hadden, maar de dokter
moest toch komen. Dat vonden we beter. Ondertussen zou ook de politie
gewaarschuwd worden. Toch is het anders dan hier. Niemand kwam er bij die
er niet bij nodig was. De dokter was er al gauw. De arm was niet gebroken,
alleen wat bezeerd. Het was toch zo’n lief vrouwtje. Er kwam een auto
waarin zij naar huis zou worden gebracht. We moesten haar adres hebben
om later te schrijven vanuit Lyon. Zij zouden ook schrijven hoe het gebeterd
was.
Daar zaten wij op een stronk boom. Oom Herman had zijn pols verstuikt en
de knieën door alle twee zijn pantalons. Hij had zich ook nog aardig bezeerd.
Gelukkig had ik naaigerei bij me en heb ik de bovenste pantalon maar wat
gestopt.
De politie kwam en ofschoon wij geen schuld hadden.. ja, het was Duitsland.
Je was niet op je gemak, hoor, maar eindelijk, ja, het verlossende woord: wij
konden gaan, na nog eens afscheid genomen te hebben van het lieve
vrouwtje en haar interessante zoon.
Toen eerst ging mijn hele aandacht uit naar oom Herman, die ook heel erg
geschrokken was. Maar het fietsen in de vrije natuur is de beste
heelmeester geweest. Wat waren we blij dat alles zo goed was afgelopen.
Maria Kevelaar’s zorg!

Düsseldorf
...... wij ‘s avonds in Düsseldorf aan. Wij logeerden in een hotel, dat wel een
paleis leek wat de inrichting aanging. Verschillende kamers voor alle
doeleinden: een ontbijtkamer, een gezelschapskamer, weer een gelegenheid
om te dineren, kamers en schrijfbureaus voor de gasten enz. maar de
gasten ontbraken, het onweer was ook hier voelbaar.
De volgende dag weer verder. Steeds langs bergen waar we de stenen
uithaalden en waar verschillende mensen bezig waren met het werk en waar
soms de berg al half weggewerkt was.
Ze gebruiken die stenen zo in ruwe stukken om hun huizen te bouwen en wij
zagen ook sommige gebouwen van die stukken steen gebouwd en die zagen
er toch heel goed uit.
Oom vertelde dat juist die bergen in Duitsland ons behoud was en het
daarom mogelijk was dat Nederland, dat zo laag gelegen is, niet
overstroomt. Maar als de bergen in Duitsland zouden verdwijnen, zou dat
Nederlands ondergang zou zijn op natuurwetenschappelijk gebied.
Er zijn ook veel bergen die bebouwd zijn met druiven en dan kom je het veel
tegen, dat ze het gewas bespuiten. Het gaat dan met een handspuit. Die
hebben ze op hun rug en zo lopen ze de voren langs. Wij hebben het ook
gezien, dat ze het doen met een motorspuit, maar daar kunnen ze niet ver
genoeg mee komen, omdat ze op de weg moeten blijven staan.
Meisjes en vrouwen krenten de druiven en houden ze op hoogte. Tussen de
Frankrijk op de tandem

druiven zie je al meer en meer kleine schuurtjes gebouwd.


De grond op de bergen schijnt niet vruchtbaar. Enkele keren ziet men, dat
ze het met groente proberen, maar je kunt zien dat de grond daar wat mist.
Ook vruchtbomen staan er niet zo welig bij. Droog lijkt het en nog eens
droog en de zon brandt er te veel, dunkt mij.
Hier zien we een waterval, schitterend. Ook is er een visser aan het vissen
met grote netten die machinaal worden uitgezet en opgehaald. Daar is maar
een man mee bezig. Graag zouden wij er even bij gestaan hebben, maar wij
gaan weer verder.
‘t Enige dat hier aan toebereidselen voor de oorlog herinnert, is het
voortdurend voorbijsnorren van vrachtauto’s waar in de cabine drie
militairen zitten. Verder is niets te zien. Het zijn auto’s die je in Holland niet
ziet, zo groot! Geheel met zeildoek bedekt, ook over de cabine heen. Verder
is er nergens een opening, zoals je bij ons wel eens vrachtauto’s ziet waar
een sluiting opwaait of zo. Je denkt onwillekeurig aan de grote inhoud. Daar
kunnen wel honderd militairen in staan en dan hangen er nog soms twee
aanhangwagens achter. Als ze voorbijgaan, is het of ze je meezuigen.
Hoeveel zouden er op een dag in de richting van Frankrijk gegaan zijn?
Honderd zeker! Nooit zag je een militair anders reizen dan in de cabine van
die vrachtwagens.
We hebben misschien tien dagen door Duitsland gereisd, maar zagen nog
niet een Hollandse auto.
We kwamen, als de bergen en de Rijn afweken van onze weg, door velden.
Soms bebouwd met rogge, soms met tarwe, soms met maïs en soms met
hop.
Iemand, bij wie wij informeerden naar de manier van bebouwen zei, dat hij
zelf ook een terrein had, waar hij hop verbouwde. Het was wel winstgevend
als het een vrije handel was, maar als het klaar was, moest je het aan de
regering verkopen. Die betaalde een zekere prijs en dat beviel niet zo erg.
Je ziet ook stukken land waar koeien en paarden weiden en het lijkt wel
Hollands vee. Maar toch kom je dat maar zelden tegen.
Het bouwland is ook niet afgeschermd. Je kunt overal zo op lopen van de
weg af. We gingen nog wel eens kijken wat het voor soort was. Ook
lijnzaadbouw zagen we een keer. Heel zeldzaam zag je snijbonenbouw en
aardappelbouw kom je heel niet tegen. De stukken bebouwd land zijn soms
zo groot als de Eemnesserpolder in zijn geheel.
Hier zie je geen gebouwen uren ver in de omtrek. Fietsen zag je bijna nooit.
Wel auto’s en die zie je ook zo oud van het jaar nul, omdat de afstanden die
onbewoond zijn zo groot zijn dat zelfs de armste mensen wel een auto
moeten hebben.
Je kwam ook nooit een mens lopend tegen. Bloemen zie je ook heel weinig
verbouwd worden.
Telkens kwamen we weer bij de Rijn terecht en daar is alles dicht bebouwd.
Wij zoeken naar de muizentoren en ja hoor, daar is hij en de loterij ??? ja en
ja, daar heb je een grote fabriek vertelt oom, welke door de kracht van het
11
Frankrijk op de tandem
water van een waterval gedreven wordt. Gaarne had ik eens een kijkje gaan
nemen, maar oom zei, dat je er in de fabriek niets van gewaar werd. Ook
molens maakten veel gebruik van een grote of kleine waterval.
Wij zagen ook grind en zand machinaal uit de bodem halen. Eerst uit de
grond ophalen, zuiveren en zo machinaal naar de vrachtauto’s vervoeren.
Het gaat allemaal zo eenvoudig, bijna zonder menselijke krachten. Dat is in
Duitsland toch wel mooi, dat de bodem zoveel bevat: zand, stenen, grind
enz.
Ook hun koren om brood te bakken, bloem voor gebak, haver en gort en
gerst voor .... en bier, druiven voor wijn.
Wij gaan verder. Weer zijn we van de Rijn afgedwaald. Aan de ene kant is
een bos. Hoewel, het is geen bos meer want het inwendige is omgehakt en
door de dunne houtlaag ziet men de tenten van de militairen of de houten
keten. Het is een groot terrein. Veertig bunder schat ik in het vierkant. Daar
staat nog een groot kruis in het bos. Tussen de bomen ziet men het, maar
het corpus is er afgehaald. Alleen het bordje met INRI verraadt, dat er
vroeger meer geweest is.
We zien de grote bedrijvigheid van de militairen en ik word een beetje
angstig en ben blij dat dit kamp weg.....
.....Verder maar steeds. Oom Herman zoekt weer een restaurant, maar het
dorpje, dat wij passeren heeft geen gelegenheid. Ja toch, ‘melk’ staat er op
een bordje. Het ziet er wel een beetje armoedig uit. Even afstappen. Ja,
melk! De koffie is nog niet klaar. Daar komen ze aan met een kan en een
paar glazen. Oom zat nog eens echt landelijk met die oude man te praten
over van alles en nog wat. Maar ik hoorde dan later wel waar het over ging.
Wij hadden nog zulke solide stoffen in Holland en in Duitsland was de
kwaliteit zeer slecht.
Al maar verder. Dan weer langs de Rijn en dan weer door de velden.
Wanneer het ‘s avond half acht was en de zon onder ging, was het ineens te
donker om te fietsen en met licht op fietsen in een vreemde plaats is zo
angstig, dus zochten we dan een hotel.
Je had het niet altijd in de hand, want soms was er in de plaats waar je
dacht te overnachten geen hotel en moest je nog een twintig kilometer
verder gaan. Dan was het soms wel laat eer je aankwam, maar in Duitsland
vonden wij altijd wel wat we zochten. Het was dan meestal een hotel met
uitzicht op de Rijn en als je dan ‘s morgens opstond, kon je niet verzadigd
worden van het aanzicht.
We vroegen ‘s avonds alvast of er een R.K.-kerk was en hoe laat de H. Mis
was. Het eerste wisten ze wel, ofschoon ze altijd schenen te schrikken als ze
hoorden dat je Katholiek was.
In een plaats die er nogal welvarend uitzag en wel een kleine stad leek, was
het antwoord heel eigenaardig. Er was een Katholieke kerk, die zondags
bediend werd door vier geestelijken. Maar daar het nu oogsttijd was, kwam
er niemand in de kerk en was er door de week geen mis. Ik kon het niet
geloven en ging er in mijn eentje op uit. De kerk stond op een berg maar
dichtbij. Toch raakte ik verdwaald en durfde toen niet verder. Ik wist enkel
maar Rijnhotel te vragen aan de mensen en was blij dat ik weer terug was.
Ik kocht wat perziken voor onderweg en na onze ansichten verzorgd te
hebben, gingen we weer op weg. Wel tijdrovend is de verzorging van de
correspondentie, omdat je postzegels van het postkantoor moet halen, enz.

12
Frankrijk op de tandem

Nu maar weer verder. Als je ‘s morgens weer op de buitenwegen was, dan


genoot je van alles zo echt.
Ik heb het idee van Oom Herman om om half elf koffie te gaan drinken altijd
fijn gevonden.
We hebben in Duitsland wel eens op een zondag ergens gelogeerd en
hebben daar zondags de mis bijgewoond. Daar heb ik bijzonder genoten van
de leiding die daar was. Het was een kerk met gewitte muren en zonder
pilaren. De priesterkleding was van rood fluwelen stof, een model met
schouderpellerien, maar de stof scheen heel dun.
Wij gingen naar de mis van negen uur. Enkel de tien achterste banken
waren vrij. Ik denk dat er plaats was voor 1OOO mensen. Toen we kwamen,
was de kerk nog leeg. Daar kwamen ze: alle kinderen tot 18 jaar toe. Eerst
was het erg rumoerig. Daar kwam de priester, een jonge geestelijke. Direct
werd alles stil. Toen werd een vers gezongen. Daarna kwam de geestelijke
voor de kinderen een preek houden, het evangelie lezen enz.
Daarna begon de mis. Er werd in de landstaal gezongen en gebeden. Voor de
mis had de geestelijke even met een groot meisje gesproken, zeker over wat
er gezongen of gebeden moest worden. Toen ging de H.Mis beginnen. Een
van de kinderen bad voor.
Een keer was het een heel klein meisje van 5 jaar, denk ik, dat voorbad
onder de mis. Alle kinderen zonder uitzondering gingen ter communie. Toen
de mis uitwas, gingen alle kinderen buiten de bank staan, knielden tegelijk
en marcheerden af! De misdienaars ook. Degenen die niet dienen, zitten op
een bank op het priesterkoor. Ze hebben veel krukken die met een band
overbonden zijn.
De vrouwen gaan zonder hoed naar de kerk, maar dat is plaatselijk gebruik.
Wij liepen, voordat we naar de kerk gingen, nog eens rond en keken op het
aanplakbord van het gemeentehuis. Daar vonden we een aanplakbiljet,
waarop stond: WIE BIJ JODEN KOOPT IS EEN VOLKSVERRADER. Ook
zagen we ergens in Duitsland in een hotel waar we logeerden: VERBODEN
VOOR JODEN. We hebben ook een keer gehad, dat we werden nagezeten
door een vliegmachine.
In Duitsland waar we zo langskwamen schijnen de mensen ook vergeten te
hebben, dat het misoffer het mooiste bezit is van ons Katholieken. Je krijgt
de indruk, dat ze opzettelijk het uitwendige van het kerkgebouw laten
verwaarlozen om niet op te vallen bij andersgezinden. Kom je binnen, dan
valt het nog wel mee, maar de belangstelling van de mensen is erg gering.
Nooit zie je door de week een man in de kerk, ook geen kinderen. Er is ook
maar een Mis. We zijn in plaatsen geweest waar een koster als misdienaar
fungeerde, maar we hebben ook meegemaakt dat jongens in hun gewone
goed bedienden of waar van dat alles niets was en een vrouw in de kerk de
priester antwoordde en verder de priester de rest deed. Wanneer de priester
de kerk inkwam, trok hij meteen maar aan de bel.
Waar wij ‘s nachts logeerden waren nog de voornaamste plaatsen en steden.
We zijn in een kerk geweest, waar een mis was voor een overledene. Daar
waren wij met die mensen de enigen. Wanneer je in je hotel vroeg naar de
R.K.-kerk, dan schrokken de mensen zichtbaar. In sommige kerken vergezelt
13
Frankrijk op de tandem
een misdienaar met brandende kaars de priester bij het uitreiken der
communie. Algemeen is het koperen schaaltje, waardoor het communiekleed
overbodig wordt.
Wij naderen de grens steeds meer. Daar zien we opeens een goed
onderhouden kruisbeeld. Wat doet je dat goed als katholiek, na al die
verwaarloosde kruisbeelden die wij zo hier en daar tegenkwamen en waaruit
dikwijls moedwil sprak. Wij naderen de grens. Moeten er vandaag nog over,
maar het is al half acht en we zijn moe. We hebben al heel wat kilometers
afgelegd. We hebben geen Duits geld meer voor logies. Eerst maar dineren
en dan uitgerust weer verder. Het is tevens zo, dat wij hier kunnen logeren,
maar de moeilijkheid van het geld wordt opgelost. Er zijn zoons op een
wisselkantoor en die helpen de moeilijkheid oplossen.
Het is zaterdagavond. Wat wordt hier een bier gedronken! Dat bier is goed
en zeer koud. Het bier staat in het ijs, heel praktisch.
Bij dit hotel hoort ook een boerderij. Ze voeren hier maïsplanten, halfwas. Er
staat een voer klaar. Zondags eerst naar de kerk. Ontbijt en nog wat
correspondentie en daar gaan we!

14
Frankrijk op de tandem

Frankrijk
Daar is de grens. Er staat een militair die wij moeten passeren. Opeens
strekt hij zijn arm: Heil Hitler! Ik schrok geweldig en was blij dat ik weg
was. Toen op naar het douanekantoor. Oom Herman had heel wat te
verantwoorden en toen het adres van de Duitse stationschef voor de dag
kwam, moest alles uitgelegd worden. Ook de adressen en rekeningen van de
hotels werden vernietigd, tot oom vroeg of hij ze mocht houden, die er dan
nog over waren. Ja, wat streng was het daar! Alles moest oom uit zijn
zakken pakken. Klaar ja!
Nu gelukkig naar de Franse douane. Nou, die was nogal gemoedelijk. Je
moest zeggen hoelang je in Frankrijk dacht te blijven. De sigaren, acht in
getal, waren nog teveel. Maar ja, ze zeiden er niets van. Oom had groot geld
en dat ging de beambte heel gemoedelijk wisselen. En verder maar weer
eens! Het was twee uur. We gingen wat eten. Even verder zagen wij hoe een
groep muzikanten die Duitsland in wilde, teruggestuurd werd.
Wij betaalden in het restaurant en er was een vals geldstuk bij. Terug naar
het grenskantoor en ja, we kregen het weer ingewisseld. Ze moesten het bij
de mensen waar ze het gewisseld hadden zien terug te krijgen. Met verlicht
hart gingen we weer verder, nu in Frankrijk.
Ik geloof dat we de volgende dag in Straatsburg waren. We hadden malheur
aan de fiets en daar hebben we na veel zoeken een gelegenheid gevonden.
Straatsburg is een oude stad met een mooie kathedraal.
Om drie uur gingen wij weer verder, na nog eens gedineerd te hebben in een
restaurant tegenover de kathedraal.
Wij kwamen op een punt over een rivier, waar het uitzicht zo mooi was, dat
we even een biertje gingen drinken om te genieten van een zeldzaam
natuurschoon.
Hier, even over de grens, vertelden ze ons, hebben de katholieke priesters
het goed. Ze krijgen een toeslag van het rijk en ook de Katholieken zelf
hebben het beter.
We zag hier veel monumenten voor slachtoffers van de oorlog ‘14 en in de
Katholieke kerken vind je de namen van de slachtoffers in goud gegrift in
een wit marmeren plaat die in een vak van de muur hangt. De kerken in
Frankrijk bezitten prachtige schilderijen, schilderstukken op doek, van
bijzonder grote afmetingen. Je kunt er haast niet op uitgekeken raken.

De kathedralen
De kathedralen in Frankrijk, die men in de grote steden aantreft, vind ik
over het algemeen meer musea, waar vreemdelingen stof vinden om hun
nieuwsgierigheid te bevredigen, vooral kunstkenners. Je vindt er prachtige
raamschilderingen, maar de ramen zijn zo hoog, eigenlijk te hoog om goed
te beoordelen.

15
Frankrijk op de tandem
In veel kathedralen kun je ook de mooie aankleding van de altaren
bewonderen: mooi kant- en borduurwerk. We zijn ook in een Katholieke
kathedraal geweest. Wij kwamen er op zaterdagmiddag. Het was een groots
gebouw, maar het was gesloten. Maar om twee uur zouden er een paar
trouwen. We hebben maar een uurtje gewacht. Toen het bruidspaar
arriveerde, gingen we gelijk mee naar binnen. Twaalf meisjes in het wit
gekleed stonden boven aan de trap, met palmen meen ik. Onder een boog
van groen ging het bruidspaar door. Toen ze de kathedraal binnengingen,
speelde het orgel en werd er gezongen. Ze gingen het altaar op, waar de
priester was die hen bij de ingang ingehaald had. De familie schaarde zich
ook op het altaar. Het koor zweeg. De priester sprak een rede. Er werd weer
gezongen, onderhand waren ze getrouwd. De priester feliciteerde bruid en
bruidegom en de familie. Ik meen dat de priester meeging naar de uitgang,
waar de erewacht ze weer uitluidde en toen was het afgelopen.
Wij zagen ‘s zaterdags verschillende bruidsstoeten. Het is daar de gewoonte
om op zaterdag te trouwen.
Wij gingen nog even rondlopen. Er was ook een prachtig wit beeld van
Jeanne d’Arc, maar ik kan die kerken niet interessant vinden. Het altaar is
veel te ver weg. We hebben ook wel kathedralen gezien, waar alle stoelen
opgestapeld aan de kant stonden, ook zo’n ongezellig gezicht! We hebben
ook een kathedraal gezien, waar zeer veel te zien was en waar onder andere
Maria in stof gekleed was en het altaar rijk was versierd met echte kant en
kostbaar lijnwaad. Buiten de kathedraal die wij bezochten stond een rij
doodskisten van heel vroeger, honderden jaren geleden. Ze hadden de
gewone vorm en waren van zandsteen. Er waren ook daar veel oude stukken
te zien uit steen gehouwen.

Sens
In Sens zijn wij in een kathedraal geweest met de graven van vroegere
koningen. Soms met groepen uit het leven uit steen gehouwen. Het mooiste
in die kathedraal was een reliekschrijn. Daarin bevond zich het lichaam van
een jong meisje dat in de tijd van de kerkvervolging haar leven voor haar
geloof had moeten geven. Zij was in de catacombe begraven geweest, maar
door Paus Innocentius aan die kathedraal geschonken. Het lichaam was op
Romeinse manier gekleed met beenwindsels en met goud bestikte kleren. Zij
lag als de H. Cecilia met opgetrokken knieën, haar handen naast elkaar.
Haar gezicht had nog een aantrekkelijke aanblik, ofschoon toch ook iets van
de dood. Je zag ook haar handen. Sommige waren zwart maar haar handen
en benen waren normaal. Verklaren kan ik het niet. Het was een voorrecht
dat wij helemaal bij haar kist mochten, anders moet je voor een hek op een
afstand blijven. Dat is wel een van de mooiste verrassingen geweest. Er was
in die kathedralen heel wat te zien van oude mis benodigdheden, maar wij
waren trekvogels en ons doel was nog ver. In Frankrijk was het toch veel
............stand, want in Duitsland hebben wij bijna geen mannen gezien. Die
waren al onder dienst geroepen.
Je kwam er ook geen hond tegen en ook zag je nergens een kat. Je hoorde
ook geen vogels. Maar in Frankrijk hadden ze overal een of twee katten waar
wij logeerden en je zag ook weer honden, soms vogels in een kooi.

16
Frankrijk op de tandem

Orange
Toen wij in Orange waren, dacht oom geld te wisselen. Het was de 14e
augustus, daags voor O.L.V. Mariadag. Hij kwam om twaalf uur, maar het
kantoor was gesloten. Ze verwezen naar het politiebureau en die naar het
Nederlandse consulaat. Die meneer ging zelf mee naar een hotel en daar
kon oom wisselen. Oom kon zoveel krijgen als hij wilde. Jammer dat ik niet
even met de vrouw van de Consul kon spreken, want die liep naast me. Toen
we daar zo stonden, kwam er nog een wielrenner langs, die in Nederland
ook meegereden had. Hij heeft even met oom staan praten.
Wij gingen verder na eerst de poort bekeken te hebben. Hier moet de wieg
van de voorouders van onze koningin gestaan hebben.

Avignon
We zijn ook in Avignon geweest waar wij het huis van de vroegere Paus
gezien hebben. Veel mooie doeken schilderkunst zijn er te zien. Daarnaast
was een kerk. Daar zag ik een afbeelding van de H. Nicolaas, waar hij de
kinderen weer tot leven opwekt.
Ook zag ik er een “Ecce Homo”-beeld geheel met stof bekleed met een rode
mantel en een rietstok. Hier waren ook mooie schilderstukken.
Daar in die omgeving waren een soort insekten die in het houtgewas
huisden en niets als schreeuwen deden. Dikwijls zijn we van de fiets
afgestapt, maar nooit konden wij ze vinden.
We dachten naar Ars te gaan, maar waren onderhand al te ver.
Toen we pas kort in Duitsland waren, was de fietsband al lek. Oom heeft
hem zelf gerepareerd en dat was maar goed ook, want nog steeds hield het.
We zijn onderhand ook poste-restante geweest. Ik geloof dat wij in Keulen
de correspondentie van oom Toon hadden en in Straatsburg de brief van
Hendrik. Tegelijk met die brief van Toon met nieuws van Abstede kregen we
een brief van Breukelen met nieuws van mij thuis. Nooit met meer interesse
een brief gelezen!

Lyon
Wij waren Lyon al gepasseerd en waren al een plaats verder, toen het ons
inviel dat wij voor poste-restante Lyon opgegeven hadden. We hadden de
berg op gemoeten, dus het was een hele teleurstelling dat we terug
moesten. Het is wel veel zoeken, vooral in zo’n plaats als Lyon, om het
hoofdpostkantoor te vinden. Dit gebouw is in de laatste jaren gebouwd en
het is wel 50 meter breed met marmeren trappen van 20 treden. Het is
geheel in het wit opgetrokken en prachtig van lijn met een groot plein
ervoor met boombeplanting. Het inwendige is ook rijk beschilderd met
kleurrijke taferelen, maar de voorstelling is onbenullig, banaal en laag bij de
gronds.
In Lyon hebben we de kathedraal bezichtigd die geheel van wit marmer was.
17
Frankrijk op de tandem
Wij gingen erheen en terug met de tandradwagen, want het was boven op
een berg. Naast de kathedraal was ook een groot plein. Daar je boven de
wolken stond, was het een interessant gezicht als je de wolken daar onder je
zag hangen.
Er was daar tegelijk een wonderbaar beeld aanwezig, zodoende waren er ook
pelgrims. Ze brachten hun brood mee en daar op dat plein was een
overdekte plaats waar ze het opaten. Ook ansichtkaarten waren er in
verscheidenheid te krijgen. In die kerk was ook een groot beeld van de
Pastoor van Ars.
Wij hadden daar een groot hotel. Met de lift ging je op en neer, maar je
bediende jezelf. Als de deur niet goed gesloten was, werkte het mechanisme
niet.

Naar Nice
Nu gaan wij verder op Nice aan. Even voor Lyon merkte oom dat de rem van
de fiets gebroken was. Dat was een teleurstelling, want op de rem moest je
kunnen bouwen. Gelukkig was er een station, waar je benzine kon krijgen.
Die mijnheer was zo aardig om het euvel te verhelpen, ofschoon er geregeld
bediening nodig was en die mijnheer was maar alleen.
We zijn nog binnen geweest en hebben een poosje gepraat. We konden op
de kaart daar zien hoe bergachtig onze toekomst was. Dat was geen erge
troost. We durfden weer op de fiets te vertrouwen. Het was wel moeilijk,
want soms kwam je met een daling in een drukke straat en dan hield je je
hart vast. Maar Oom was secuur en het ging altijd goed. De berg op ging
wel, als er eerst een helling geweest was waardoor je een flinke gang had,
dan kwam je er soms bijna geheel. Maar het was dan weer trappen. En je
liep tussenbeide ook wel graag even.
Hoe dichter we bij Nice kwamen, hoe bergachtiger het werd. Wel was het
verrukkelijk schoon. Een stuk natuurleven, zo mooi! Ook dat draaien en
draaien om zo’n berg en eindelijk was je er doorheen. Dat gaf iets
eigenaardigs.
Wanneer de weg rechtuit ging en er geen huizen stonden, genoten wij er wel
van dat ons wiel zoveel kilometers maakte in korte tijd.
De natuur was er schitterend en als wij in het vrije veld waren, hadden wij
altijd een fris windje. Alleen wanneer je zo om twaalf uur in de straten van
een stad was, brandde de zon en hoe meer we op Nice aankwamen, hoe
warmer was de zon.
Dan, eindelijk, zagen wij de Middellandse Zee. Je staat wel te kijken van het
zuivere water en van de blauwe kleur. We gingen in zo’n hotel dat zo aan
zee gebouwd was wat gebruiken. Je zag onderhand al de palmen, die zo
groot zijn als bomen.
Bijvoorbeeld hotels gebruiken de palmen veel. Er is dan een omheining van
cement en dan is er telkens ook van cement een bak, waar de planten in
gaan. Ik heb daar dikwijls verwonderd gestaan van het schitterende effect
dat zo’n afscheiding daar geeft. En toch is het eenvoudig van steen. Ook
brengen ze op afscheidingen versieringen aan met vazen van grote
afmetingen met het model van een kruik. Die staan dan met gelijke
tussenruimte op een plaats die daar voor aangebracht is.

18
Frankrijk op de tandem

Je ziet daar ook gordijnen van kralen in plaats van een deur. In sommige
hotels zie je ze met prachtige patronen. Het zijn houten kralen of ook wel
koperen kettingen.

Cannes
Toen wij op Cannes aan gingen, dachten we in een voorstad te logeren,
maar alles was vol. Wij kwamen in Cannes en dat vind ik een van de
interessantste plaatsen. Wij reden al van
‘s morgens vroeg langs de zee, omdat wij niet konden logeren waar wij
dachten en zo kilometers verder moesten. Het werd al donker. Dan reden wij
weer om een berg, dan weer langs de zee, vol hoop dat we in Cannes
zouden slagen met een hotel.
We hebben lang gezocht, maar toen het elf uur werd, brachten we ons
rijwiel maar in de garage en gingen dineren. Het was ondertussen al twaalf
uur en het was nogal een deftige zaak waar we gegeten hadden. En toen we
nog eens een kop koffie en weer een potje bier gebruikt hadden, begon het
al licht te worden. Naast ons zaten ze te kaarten en geregeld kwamen ze in
en uit en zag je wat anders. Rasechte negers en geverfde vrouwen. Maar
opvallend zo beschaafd als de zwartjes eruit zagen.
We gingen vroeg op stap om ons rijwiel te halen. Er was iemand in de
garage. Op ons bellen werd een ijzeren gordijn opgetrokken en wij stonden
in de garage. Het was net na vijf uur en alles was in Cannes nog als ‘s
avonds, toen wij er aankwamen.
We stonden nog even te kijken op het stationsplein, maar toen pas, tegen
vijf uur, gingen de mensen naar huis, zag je de auto’s voorrijden en de
mensen vertrekken.
Ook waren de straten nog volop verlicht toen we Cannes uit trokken. Cannes
lijkt mij voor vakanties een mooie gelegenheid. Toen wij weer op de straat
waren, een hoofdstraat, zagen we nog een diep treurig ongeluk. Een auto
was over de weg gesmakt. Overal bloed. Ze waren net thuisgekomen bij hun
hotel, maar hadden niet gezien dat het hek gesloten was. Met volle vaart
erop ingereden! Twee mensen dood. De overlevende stond het net te
vertellen.

Nice
Maar weer verder naar Nice. We hebben daar eens echt op ons gemak aan
het strand gezeten. Beneden was een speelgelegenheid. Het was een rijke
stad, Nice. Je zag er meer mooie winkels en mooie kerken. Er stond
aangeplakt, dat er in september een wereldcongres zou zijn. De meisjes zijn
er niet veel meer dan modepoppen. Die formeel geverfde gezichten en
gebleekte haren! Net reclamepoppen.

19
Frankrijk op de tandem
Marseille
Wij hadden veel tijd verloren en we waren beu van het zoeken naar hotels
en daarom gingen we met de trein naar Marseille. Daar slaagden we weer,
ofschoon er wel veel mensen waren die de volgende dag met de boot naar
Algiers moesten. Wij vonden het interessant om de boot te zien vertrekken,
omdat je er zoveel van hoort als onze geestelijken naar de missie
vertrekken. Maar het was al half twee voordat we Marseille uitgingen.

De pastoor van Ars


Nu de terugreis aanvaard. We moesten naar Ars. Dat was over Lyon. Wat
hebben we veel moeten vragen, maar tenslotte zagen we een katholieke
priester die op de straat de krant liep te lezen. Gauw! Ja hoor, we kregen
alle inlichtingen. Dank U wel en weer verder naar Ars.
De indruk die je krijgt als je eindelijk de weg vindt of liever het weggetje dat
naar Ars gaat. Dan waan je je voor 40 jaar terug op de Nieuwenweg: een
zandweg met aan weerskanten land, diepe sporen. Dan sta je nog meer
verwonderd als je de herberg ziet. Precies een plein met een boom, een
pomp, een oud huis met een deur met een ijzeren raam. En toch logeerden
hier verschillende Priesters en is het ‘t voornaamste hotel. Waar wij onze
fiets neerzetten, was de klei niet van je schoenen te krijgen. Het diner was
voortreffelijk. We kregen appelmoes van goudrenetten toe.
‘s Morgens kreeg je een pot met koffie en kommen zo groot, van die ronde
en een paplepel om op te lepelen.
Toen we gedineerd hadden, ging we Ars in. Er waren twee zandwegen. Een
ging naar het dorp, langs het kerkhof. Wij dachten hier iets te vinden wat
onze Pastoor aanging. Maar toen wij een heel gewoon kerkhof vonden,
gingen we weer verder.
We zagen helemaal geen nieuwbouw. Alle oude huizen herenhuizen die voor
hotel dienden. Eindelijk zagen we in de verte een dorpsstraat, ook het idee
van vroeger. Het waren lage huizen met een klein formaat ramen. Voor het
glas waren beelden en beeldjes van de Pastoor van Ars en andere
kleinigheden. Kwam je binnen, dan zag je een vertrek met een tafel in het
midden waar alles op uitgestald was en ook langs de muur in vakjes. Maar
alles doodouderwets.
Dan was er nog een straatje maar hier was de kerk met een trap van 15
treden. Het was een oude kerk met een portaal en dan stond je in de kerk,
nog zoals het in die tijd in gebruik was: klein, met houten banken, zowat 15.
Tegen die oude kerk is zo een nieuw gedeelte in de vorm van een koepel
aangebouwd door de ene muur weg te breken. Het lijkt een kathedraal in
het klein.
Er was een gezelschap in de kerk en een priester stond op de preekstoel.
Toen de plechtigheid afgelopen was, gingen we even naar voren. Daar zagen
we de pastoor van Ars op zijn doodsbed. Hoe groot of onze verrassing en ons
geluk was, kan ik niet beschrijven. Wij wisten alleen dat die Pastoor daar
geleefd had. Nu lag daar werkelijk zijn eigen lichaam in een reliekschrijn, zo
dichtbij je! Het was een grote beloning voor al onze moeite.
We hebben daar in het bijzonder gedacht aan Ignard, die als jong priester al
zoveel jaren ligt en zijn belang aanbevolen. Nu werd de kerk gesloten, maar

20
Frankrijk op de tandem

de volgende dag mochten wij hier weer een uurtje doorbrengen. We hebben
nog een poosje in onze landelijke herberg doorgebracht en gingen toen naar
bed.
‘s Morgens eerst naar de kerk en ter communie. En toen hebben we de
pastorie van Pastoor van Ars gezien: zijn slaapkamer, het ledikant met
gordijnen, dekens en matrassen, de schilderijen en een bidstoel. In een
tweede kamer lagen in vitrines al zijn miskleding, lijfgoed, beddengoed,
schoenen, een stuk of vier paar pantoffels. Verder al zijn goed en zijn
gebruik, ook een medaille van Napoleon.
Wij waren echt voldaan dat wij alles gezien hadden van ons eenvoudige
pastoortje. Het was alles van hout: het huis en nog net als voor 40 jaren
geleden. Er waren op dat moment ook veel priesters. Sommigen ook op de
fiets. Er was ook een bisschop die in alle eenvoud ergens in de kerk ging
zitten, maar iemand kwam al gauw met een beklede stoel aandragen en
zette de bisschop vlak naast het reliekschrijn. Of hij het leuk vond? Hij had
misschien liever eens heel gewoon willen zijn. Er was ook een secretaris bij,
die zat bij ons.
Wij moesten voor onze schoonzoons als aandenken een pastoor van Ars
meebrengen, dus die gingen we kopen. Eer we goed en wel weg waren, was
het twaalf uur. Nu maar weer verder. Een nieuwe weg. Bergen en een rivier.
Onze ansichten hadden ook tijd in beslag genomen. Toen kregen we een
lekke band. Gelukkig was er een fietsenmaker dichtbij.

Mina

21
Frankrijk op de tandem

Hier volgt een latere versie van hetzelfde verhaal.


We konden geen cadeaus kopen vanwege de ballast die het gaf als wij door
Duitsland reisden. Mijn broer ging wisselen en ik bleef bij de fiets. Er
kwamen al gauw veel mensen die alles wilden weten over Holland: of wij
nog eten konden open zonder bon, of de schoenen die ik aan had nog te
koop waren, of ik de stof van mijn japon nog had kunnen kopen, enz.
Toen ons Prinsesje in die dagen geboren werd, leefden ze in Duitsland ook
erg mee en feliciteerden ons ermee. In Duitsland hing overal in de huizen
waar iets te koop was een grote foto van Hitler, maar verder waren alle
schilderijen van de muur verwijderd.
Onze reis langs de gehele linie van de Rijn was wondermooi. We kwamen
nog langs een plaats, waar men een heilige vereerde, die tegen vallende
ziekte beschermde. Er was juist een bedevaart binnengekomen.
Het onaangename van de Duitse reis was wel, dat in dezelfde richting de
hele dag door militaire wagens met zeildoek overspannen, soms drie
achtereen, je voorbij snorden en je wist niet wat er vervoerd werd.
In de cabines zaten steeds drie militairen, maar wat er achterin zat was een
raadsel.
....woord kon hun het leven kosten. De volgende dag voormiddag hebben wij
eer gebracht aan Maria en aan het sacrament des Altaars. Wij hebben de
zegen gevraagd en onze reis onder de bescherming van Maria gesteld.
Wij trokken de Duitse Rijn langs. De indruk die wij van het begin af dat wij
Duitsland binnen trokken kregen, was drukkend. Je voelde dat de atmosfeer
tot berstens toe geladen was. De mensen leefden onder de druk van het
regime.
Ons tweede hotel was aan de Rijn gelegen. Zo schitterend was het uitzicht
vanuit mijn kamer, dat je je er bijna niet van los kon maken.
Ons diner toen wij er ‘s avonds aankwamen, was buitengewoon solide. Wij
konden een keuze maken. Zij mochten aan de buitenlandse gasten niet
laten blijken hoe groot het gebrek aan levensmiddelen was.
Het was opvallend hoe ze schrokken toen wij naar een katholieke kerk
vroegen. Het duurde lang eer zij ons uitsluitsel gaven. Er was een kerk waar
zondags zes geestelijken bedienden, maar in de week was er geen mis en
was de kerk gesloten omdat de mensen moesten werken. Ze moesten de
bouw binnen halen.
We werden door Duitsland heen geholpen als het nodig was. We waren nog
200 km voor de Franse grens. We kwamen in een stad aan. Tot onze
teleurstelling vertelden de mensen dat de militairen in die stad
ingekwartierd waren en de bedden van de hotels onder andere innamen.
Toen we bij het eerste hotel aankwamen, was het vol, maar we kregen de
belofte terug te mogen komen als wij verder ook niet slaagden. Zo stonden
wij dan later weer bij ons eerste hotel. De eigenaar van het hotel liet onze
tandem opbergen en enige militairen boden mij hun kamer aan. Mijn broer
kreeg in de badkamer een ledikant. De meisjes zag je slepen en sjouwen op
de late avond om het in orde te brengen en het was of wij thuis in ons eigen
bed lagen.
Er was daar wel een muggenplaag zoals ik nog nooit meegemaakt heb,
22
Frankrijk op de tandem

behalve op onze reis in een bos, waar ze je gewoon aanvielen en je bont en


blauw beten.
Toen we de volgende dag weer aan een logies toe waren, waren wij nog
maar enkele uren van de grens verwijderd. Het was zondagavond en er was
geen gelegenheid geweest om de marken in te wisselen tegen Frans geld,
maar de zoons van de eigenaar van het hotel waren werkzaam op een bank
en zo werd dat probleem opgelost.
We wilden de volgende dag de voormiddag benutten om naar de kerk te
gaan en zo en in de namiddag vertrokken we.
Duitsland had iets drukkends. Er was niets dat een beetje sfeer bracht en we
verlangden naar Frankrijk.
Na enige tijd rijden liep de band van de fiets leeg, wij waren in een vallei ver
van de bewoonde wereld. Gelukkig had mijn broer gereedschap bij zich om
de band te repareren. Dat was dus een uitkomst. Maar toen mijn broer in
een stroompje het lek van de band trachtte te ontdekken, bleek dat
onmogelijk. Omdat ik niets kon vinden om water in te doen, lukte het niet.
Ik moest op zoek naar zoiets zei mijn broer. Tenslotte bleef ik bij de fiets.
Het duurde erg lang eer Herman terug kwam en ik ben nog nooit zo blij
geweest. Hij had een pan in zijn hand. Zijn relaas was, dat hij na veel
zoeken een verlaten steenkoolmijn had ontdekt. Hij was er in gegaan met de
gedachte dat daar weleens een pan kon zijn achtergelaten. Maar het was er
stikdonker. Met een lucifer moest hij zijn weg zoeken, maar hij vond er wat
hij zocht. Hij had nu het nodige materiaal bij elkaar en al gauw was de band
keurig geplakt.
Verder maar weer. Wij kwamen aan een post van soldaten dicht bij de grens.
Zij hadden niet veel te zeggen, maar zij verwachtten instemming met de
groet van Hitler. Het overviel ons. Eerst wisten wij niet wat wij doen
moesten, maar toen maakten wij maar gauw dat we wegkwamen.
Eindelijk de laatste post eer wij het land zouden verlaten. Mijn post was bij
onze boel: onze fiets en bagage. Het duurde lang, zeer lang eer Herman te
voorschijn kwam en ik verwachtte een teleurgesteld gezicht maar we
konden verder. Een paar passen en Duitsland was aan het einde.
Onmiddellijk daarop de Franse grens waar wij heel welwillend werden
doorgelaten. Toen we verder reden, hoorde ik hoe het bij de grensbeambte
van Duitsland was gegaan. Herman moest alles wat hij bij zich had laten
zien, onder andere ook zijn portefeuille. Van beleefdheid was geen sprake.
Alle rekeningen van de hotels waar we gelogeerd hadden, werden
verscheurd. Tot grote schrik werd er een adres gevonden van een
stationschef welke wij toevallig ontmoetten in verband met een aanrijding
die voor ons noodlottig had kunnen worden als er niet iets was geweest dat
onze soliditeit had bevestigd. Het laatste dat uit de portefeuille werd
gehaald, was een adres als Directeur van de SOL en toen was alles weer
goed en hadden wij het vertrouwen dat we geen spionnen waren. Die
aanrijding had wat te maken met die stationschef, omdat die stationschef op
een trein stond die ons passeerde op het ogenblik van de aanrijding. Het
was een dame op leeftijd die aan de verkeerde kant van de weg liep en doof
was. Op het ogenblik dat wij passeerden stak ze over, ofschoon wij maar
steeds belden. Toen er later mensen kwamen, gingen ze de dokter en politie
23
Frankrijk op de tandem
halen. Maar toevallig kwam er een heer, die zich voorstelde als de zoon van
het slachtoffer. Het was de stationschef die alles zag gebeuren daar hij op
een trein stond die op het ogenblik van de aanrijding voorbij kwam en die
zei dat wij hoegenaamd geen schuld hadden. En wij konden daardoor weer
verder. Gelukkig maar, want je staat gek te kijken. In een vreemd land
neemt niemand het voor je op.
Wij hadden in het land dat wij verlaten hadden nooit honden en katten
gezien. We zagen nooit vogels.
Maar in Frankrijk kwamen wij in het eerste het beste hotel twee grote witte
katten en een grote jachthond tegen.
Het eten was in het buitenland steeds wel goed. Bij het ontbijt wordt niet
veel omhaal gemaakt. Brood zo dik als en pols en in de vorm van een stok.
De boter zit er ingebakken en het is bros gebakken. Je eet het zonder meer
op. Geen beleg of boter en koffie wordt er heel dikwijls bij gegeven in een
pot. Dan wordt het in een grote kom gegoten en met een lepel naar binnen
gewerkt.
‘s Middags een koud diner dat heel uitgebreid is bij het ontbijt vergeleken.
Eerst een schaal waarin verschillende vakjes zijn, met voor twee personen
bestemde consumpties. Je ziet dan rode kool en sla. Verschillende soorten
groenten die hier gekookt worden, worden daar rauw toebereid. Verder ham,
haring en verschillende worstplakjes. Verder komt er een stuk mager vlees
met gekookte maar koude groente, en altijd brood. Verder een schaal met
verschillende soorten kaas en nog fruit. Dat is ‘s middags om twee uur. Om
half acht ‘s avonds is er gelegenheid om te dineren. Er is dan steeds soep
vooraf en altijd een groot stuk vlees, steeds brood, groente, nooit
aardappels. Maar het is best ruim voldoende.
In het eerst misten wij de aardappels. Je kon ze wel bestellen, maar het was
een grote moeite. Je kreeg ook weleens omelet. Herman leek het niet
aanlokkelijk, maar toen hij het eens geproefd had, vond hij het lekker.
Wij waren zeer hongerig na zo’n dag van fietsen en wij aten alles op, tot
ergernis van mijn broer, die vond dat de etiquette vergde nog wat over te
laten. Maar ik vond dat ik het beter op kon eten, dan dat het in de kiepelton
ging.
Als wij ‘s avonds ons hotel hadden gevonden, waren wij wel moe, maar het
was zo fijn. Je ging je eens lekker wassen en je trok een andere japon aan
en dan was de eetzaal een paradijs. Zo’n zaal was dan bezet met veel
mensen. Het scheen de gewoonte te zijn buitenshuis te dineren.
En je genoot, net zo goed als van de buitenlucht. Maar als je de hele dag op
de fiets gezeten had, ging je ‘s avonds maar liever niet meer uit.
Het was bedoeld als een afstandsmars, dus wij hielden ons nergens lang op.
Om half negen begon de rit. Die werd afgebroken na elke twee uur rijden en
dan gingen wij weer eens langs de weg wat gebruiken van het fruit dat wij
bij ons hadden: meloen, pruim, perzik of ook wel eens iets anders.
Het zeil was een uitkomst. Je kon er op zitten. In Frankrijk vind je buiten de
grote rivieren bijna geen sloot langs de weg. Om half elf dachten wij aan de
koffie met melk die maar zeldzaam is in dat land en waarvoor je soms heel
wat moeite moet doen. Maar lukken deed het altijd.
Het weer was steeds goed en de Rijn mooi. In Sons in Frankrijk hebben wij
een kerk bezocht waar in een glazen kist het stoffelijk overschot werd

24
Frankrijk op de tandem

bewaard dat voorheen in de catacomben was bewaard geweest en dat uit de


tijd van de kerkvervolging stamde. Het was een jong meisje, gekleed in
Romeinse dracht in harnas. Het opvallende was dat zij met opgetrokken
knieën op haar zij lag. Het leek een jong meisje. Haar mond was iets open
en daardoor waren haar handen te zien die zwart waren. Ze was een
gewelddadige dood gestorven en de wond van het mes waarmee ze
gestoken was, was te zien. Het geheel was aan de kathedraal geschonken
voor paus Innocentius die waarschijnlijk resideerde in Avignon.
Door een toeval dat de gids die een gezelschap rondleidde vergeten had het
hek te sluiten, zijn wij helemaal tot de kist geweest en hebben alles goed
opgenomen. De kist stond alleen in een afgesloten ruimte langs de
buitenmuur van de kerk waar meestal altaren zijn waar de mis gelezen
wordt. De bodem was van hout, de rest van glas.
We hadden grote belangstelling voor de pastoor van Ars en we stonden erop
om dat plaatsje te gaan bezoeken. In het heengaan waren wij er al lang
voorbij, eer wij het wisten. Maar in het teruggaan hebben wij lang gevraagd
en gezocht, maar eindelijk waren wij er. We zijn nooit meer verwonderd
geweest dan over dat plaatsje. Om er te komen moest je een zandweg
volgen, zo smal dat er geen auto er kon rijden. Toen waren we er. Het
voornaamste huis was daar het hotel. Waterleiding was er niet. Een grote
pomp voor het huis was de enige watervoorziening. Alles leek veertig jaar
geslapen te hebben. De zaal voor de mensen, niks geen luxe. Alles
ouderwets en toch kwamen er maar steeds door mensen.
Er was een bisschop en vele priesters die daar heen getrokken waren om de
Heilige pastoor van Ars te zien. Er kwam ook nog een pastoor aan per fiets
die dagen gefietst had wegens de afstand.
We waren moe en hebben ons eerst wat verfrist in het hotel en gegeten en
toen waren wij weer fit. Op zoek naar het relikwie van de Heilige. We gingen
de enige verkeersweg op. Er was maar een weg, dus dat kon niet missen.
Eerst kwamen wij een man tegen die erg dronken was. We waren bij het
kerkhof en wij dachten daar het graf te vinden van de pastoor van Ars. Er
waren nogal wat mensen die daar liepen maar wij vonden niets wat daarmee
in betrekking kon staan.
Wel een kerkhof dat getuigde van de grote verering die die mensen voor hun
doden hadden. Wat mij daarvan is bijgebleven is de zeldzaam mooie kransen
van kralen gemaakt, maar onnoemlijk mooi. Op elk graf bijna een foto van
degene die er begraven ligt en je krijgt het idee dat geen moeite of kosten
gespaard zijn. Er waren heel wat dingen gemaakt van die kralen in de
mooiste kleurschakeringen. Vocht noch zon had invloed op die werkstukken.
En er was niets bij dat al geleden had. Alles was nog als nieuw. In Frankrijk
maken ze heel wat werk van de graven waar hun doden rusten. Daar is geen
geld te duur voor.
In Parijs zijn we op een kerkhof geweest. Daar zag je dikwijls boven een graf
een kapel gebouwd die wel meer gekost kon hebben dan de kapel op het
R.K. Kerkhof in Utrecht. En toch zijn het maar particuliere instellingen. Er
kan een mis gelezen worden en er is ruimte voor de hele familie en op die
altaren is het in de regel ook een bloemenpracht! Je ziet ze zo in hele
slierten, die kapellen en kapelletjes, maar ook graven die gesloten zijn met
25
Frankrijk op de tandem
prachtig marmer.
De pastorie, waar de pastoor van Ars geleefd heeft, is nog in dezelfde
toestand als toen de pastoor er woonde. In de pastorie is alleen het nodige.
Zijn ledikant is met gordijnen omhangen. Eronder staan zijn schoenen en
zijn leren. Alles is er tentoongesteld. Ook een geschenk van Napoleon aan
de pastoor van Ars. Zijn misgewaden en verdere benodigdheden voor een
priester zijn er te zien. Er is geen vloerbedekking maar een planken vloer.
Aan de kerk is ook niets veranderd, maar er is een nieuwe kerk tegen
aangebouwd. Toen wij in de kerk waren, kwam er een Bisschop met zijn
secretaris binnen. De koster die ze zag komen, haalde gauw een mooie stoel
voor de bisschop en zette ze op een mooie plaats. Maar de Bisschop
bedankte beleefd, en ging doodeenvoudig op zijn knieën bij de schrijn zitten.
...komen die met pastelkleuren geverfd zijn en zo’n mooi effect geven, dat
je er met bewondering naar kijkt. Je ziet ook dikwijls mooie dakbedekking
van pannen. Gordijnen, daar zie je weinig van. In de eerste plaats zijn de
ramen er naar binnen gebouwd. Bijna altijd zijn de sponningen van ijzer
waar het glas in gezet is. De kozijnen zijn klein en veelal met kleine
afdelingen voor glas.
Als het zomer is, zoals bij onze reis in augustus, zijn zo goed als alle ramen
gesloten met luiken om de zon er uiten te houden. We hebben heel dikwijls
opgemerkt, als wij en hotel hadden en onze kamer opzochten, hoe koel het
was, terwijl het buiten warm was. Dat heeft waarschijnlijk zijn reden dat
zo’n huis gebouwd is met spouwmuren en plafonds, vloeren en trappen van
steen en met ramen die binnenwaarts geplaatst zijn. Ook zijn in elke Franse
stad op de dag de ramen voor de zon afgesloten en ziet het er doods en
verlaten uit.
Wanneer we in de stad waren, gingen we de kathedraal bezoeken. Heel
dikwijls was er een gids. Je kon er bijzondere misgewaden en wat daar bij
hoort bewonderen, maar daar hadden wij geen tijd voor. We moesten
afstand maken en gingen dan maar even zo’n kathedraal door. We zagen ook
nog de tombe van Lodewijk XIV in de kerk van Sons. In Parijs zijn we in de
Notre Dame geweest en in de kerk van het .Hart, een kerk van wit marmer
boven op een berg, boven de wolken uit. Het was een bedevaartplaats, voor
welke intentie weet ik niet. Veel mensen brachten hun brood mee en aten
het maar op. Er was een groot plein om de kerk heen en je kon er ook
sommige dingen kopen van religieuze waarde. Met een trap ging je op en
met een tandrad er af.
Je was dan midden in het verblijf van de kunstschilders Montmartre. Er was
niet veel buitengewoons te zien. Nauwe straten en veel winkels. Napoleons
graf zijn we ook nog gaan bezichtigen.
We hebben ook het vroegere paleis van de paus in Avignon bezocht. Van
buiten ziet het er kunstzinnig uit met zijn mooie stoepopgang en
marmerwerk, maar binnen is alles zo groot en je ziet bijna niets dan kale
muren. Soms wel reusachtige doeken die geschilderd zijn maar over het
algemeen is het een ruïne. De gids maakte ons nog opmerkzaam op de
oorspronkelijke Ecce die heel eigenaardig was.
De stad Avignon geeft wel een voorname indruk.
Orange zijn we ook gepasseerd wat aan het koninklijk huis herinnerde. Bij
die poort ontmoetten wij een Hollander, en die verschillende wedstrijden hier
gewonnen had en vroeg of wij hem kenden. Wij hadden graag lang met hem

26
Frankrijk op de tandem

gepraat, maar we waren niet erg in de stemming. Ons geld was op en wij
konden niet wisselen. Het was 14 augustus na twaalven en alle banken
waren verlaten wegens de Mariadag op 15 augustus. Wij vertelden onze
moeilijkheden en hij verwees ons naar de politie, die ons weer naar de
Nederlandse Consul verwees. De consul en zijn vrouw gingen met ons mee
naar een hotel en de eigenaar was zo welwillend ons uit de geldnood te
redden. Jammer, ik had graag wat gepraat met de vrouw van de consul maar
ik was de taal niet machtig.
We hebben ook een keer meegemaakt, dat wij in een stad aankwamen en
niet slaagden met logies. Alle hotels waren vol. Toen zijn we naar de pastoor
van de parochie gegaan. We konden een verklaring van de pastoor van onze
eigen parochie tonen, in het Latijn, over onze identiteit. Daardoor was de
pastoor zo welwillend ons een dak boven ons hoofd te geven. Hij bood ons
ook wijn en brood aan, maar wij hadden al gedineerd. De pastoor zorgde zelf
voor ons, maar we hadden de volgende dag geen gelegenheid de pastoor te
bedanken om de doodeenvoudige reden, dat hij drie parochies te bedienen
had. Behalve catechismus voor al de kinderen, dat kwam er ook nog bij.
Wij kwamen zaterdagavond laat aan, maar toen was hij nog niet thuis van
het biechthoren. Het doet je zo goed dat er overal goede mensen zijn.
De reden dat wij geen logies konden krijgen, was dat wij wat laat waren. Om
half acht kom je altijd wel klaar.
Ze hadden ons naar particulieren gestuurd, maar het was zaterdagavond. De
meeste mensen hadden logies, ook al omdat het augustus was, dus
vakantietijd. Toen zijn we naar de pastorie gegaan.
De huishoudster deed open. Ik moest bij het rijwiel blijven. Mijn broer was
afgescheept en hij zei dat hij de indruk had, dat ze een ka was. Toen dacht
ik opeens aan ons identiteitsbewijs dat onze pastoor had gegeven voor in
tijden van nood waar het stempel van de parochie en de handtekening van
de pastoor op stond. Mijn broer had niet veel zin, maar tenslotte belde hij
maar weer aan en liet het bewijs zien van onze pastoor. Toen vertelde zij dat
de pastoor er niet was, maar over een uur konden wij terug komen. Niet
later, want dan lagen zij op bed. Wij erheen, maar de huishoudster zei, dat
de pastoor te moe was en wij niet ontvangen werden. Maar de pastoor kwam
naar de deur, nam de brief aan en ging hem binnen lezen. Toen hij
terugkwam, was hij heel voorkomend en zei dat hij ons onderdak zou geven.
De huishoudster vond dat het niet ging, de pastoor bood echter wijn en
brood aan, maar wij bedankten en toen zorgde hij zelf dat wij konden
slapen.
De pastoor die ons nachtlogies gaf, was die morgen erg bezet en er was
bijna geen gelegenheid om hem te bedanken. We hebben toen maar enkele
uren gewacht tot hij klaar was met de hoogmis in zijn eigen parochie. Toen
kreeg mijn broer even gelegenheid en ik geloof dat het toen twaalf uur was.
Ik bleef zo lang bij de fiets. Wij wilden de pastoor nog iets in geld geven,
maar hij bedankte. Hij vertelde dat hij Hollander van geboorte was.
ergens in Frankrijk zagen we ook nog, dat er warme stoom uit de grond
kwam. Het leek wel op mist, maar het waren warme dampen, die uit de
grond opstegen.

27
Frankrijk op de tandem
Mooie doeken waren er in de kerk. Het is vooral in Frankrijk in de kerken de
versiering in zo goed als alle kerken. Frankrijk heeft zeker veel talenten
opgeleverd in de loop der jaren.
Als wij in Parijs gingen mishoren en je kwam zo’n kathedraal in, scheen er
niemand in te zijn. Toch werd er ergens mis gelezen. Soms achter het
hoofdaltaar waar de parochianen bijeen waren. Meestal gingen we ‘s
morgens naar de mis, om half acht ongeveer. Maar het is wel geweest, dat
wij met twee mensen de parochie vertegenwoordigden.
Het viel ons op, dat onderweg in plaats van deuren gordijnen van kralen
snoeren zijn. Men gaat er door en meteen sluiten ze weer af. Ik vond het
zeer gemakkelijk. Men hoeft niet te kloppen en de deur open en dicht te
doen en insekten kunnen er niet door en het is ook een aardig gezicht met
die kralen van verschillende kleuren.
Het was op onze reis door Frankrijk dat wij dat tegen kwamen.

Er was in die tijd ook nog een wedstrijd. Het was op zondag en alle mensen
stonden langs de weg te wachten om de fietsers te zien en toe te juichen.
Op een gegeven ogenblik kregen ze de tandem uit Holland in de gaten en
toen ging er een gejuich op en klonk er een hoera voor ons. En dat was
overal waar wij langs kwamen!
Ze reden in de richting waar de Tour de France vandaan moest komen. Om
twaalf uur stonden de mensen al aan de weg en om twee uur kwamen de
renners pas door. We reden dus twee uur langs de wachtenden heen en
overal waar mensen stonden, werden wij toegejuicht als Nederlandse
toeristen. Nou, dat was ons nog nooit overkomen en we hadden er echt
schik in.
Eindelijk kwamen we ze tegen, de Tour de France. Eigenlijk een armoedig
groepje van vier deelnemers en een auto die meereed voor de controle. Ze
zagen er doodmoe uit en namen nergens notitie van.
Toen we dicht bij de Middellandse Zee waren, ontdekten we voor het eerst
een echte palmboom en dat was fantastisch mooi. Ook erg mooi zijn de
bergen zo langs de zee, met de buigingen van de wegen die zich om de
bergen heen slingeren. De steden die langs de Middellandse Zee liggen,
getuigen van en grote pracht en weelde.
De hotels met hun grote entree van tuinen en verzorgd met planten en
bloemen. De muren, die om het geheel gebouwd zijn en die versierd zijn
met vazen. De mooie hekken, alles even kunstzinnig. Het geheel geeft iets
moois te zien.
In Frankrijk zagen wij op onze weg geen voetgangers en ook geen fietsers.
Het vervoermiddel is daar de auto. Ook de oudste auto’s rijden er.
Toen we dicht bij Cannes waren in een voorstad, was het tijd om een hotel
te zoeken. We kwamen ergens, maar daar was iets wat ons niet bevredigde.
Wij wisten wel dat als wij twee uur fietsten, we weinig kans hadden om een
hotel te krijgen in Cannes. Maar wij wilden daar niet graag logeren.
Er was een rechte weg langs de Middellandse Zee. Aan de ene kant van de
weg de zee, aan de andere kant de bergen. Het was een mooie tocht. De
weg was helder verlicht en verder zag je de stad al naderen. Cannes is een
zeer mooie stad en daar komen er veel uit Engeland over om er hun
vakantie door te brengen. Maanden tevoren zijn er al logies besproken en
28
Frankrijk op de tandem

zijn er maar weinig kamers meer vrij.


Zo kon het gebeuren, dat toen wij er laat aankwamen er geen kamer meer
vrij was. Wij werden eerst nog naar particuliere huizen gestuurd maar toen
zei mijn broer opeens: “Wij zullen eerst ons rijwiel opbergen. Dan gaan we
eten en dan gaan wij maar weer verder zoeken.”
Waar wij gingen eten troffen we de eigenaar van de zaak die
nogal belang stelde in onze toestand. Die zei: “Zoeken jullie maar niet meer,
want er is bijna geen kans van slagen. Jullie mogen hier blijven als jullie er
iets voor voelen. We blijven de hele nacht open. Het is nu nog stil en jullie
kunnen een goede plaats uitzoeken en wanneer je af en toe maar wat
gebruikt, kan er niemand wat van zeggen en het is mij goed.”
Wij gingen erop in. Het zag er deftig uit en we hadden een makkelijke
zitgelegenheid. We bestelden eerst een diner. Het was onderhand al laat eer
wij er mee klaar waren en dan later nog koffie enz.
Er was daar de hele nacht door een goede bediening tot dineren toe.
Je kon niet begrijpen dat het toen al nacht was in die zaak, want geregeld
gingen en kwamen er weer mensen binnen, die wat gebruikten en weer
gingen.
Negers waren er ook veel bij en kleurlingen van verschillende
nationaliteiten. Het was in de zomer en de mensen zagen er uit als
badgasten.
‘s Morgens om vijf uur werd het minder. Het bleek later, dat wij in een
hoekje zaten waar anderen altijd hun vaste plaats hadden, maar de eigenaar
werd geroepen en die zei dat iedereen recht had op die plaats en daarmee
was het af en konden ze een andere plaats nemen. Het bleek dat het een
gezelschap was van vier en dat ze een soort spel speelden waarvoor de tafel
die wij hadden erg geschikt was.
We zijn ook nog aan het strand geweest. De zee ziet er blauw uit en is op de
bodem met grind bedekt in plaats van het zand. Het is zeer mooi dat water
met zijn blauwe weerschijn en het is er fijn om te zwemmen. Er was een
zitje langs het strand. Ofschoon het warm was in de natuur, was het daar
fris. Dat was in Cannes. Toen wij ‘s morgens om vijf uur gingen rijden,
gingen de mensen die uitgeweest waren pas naar huis en zag men een
stroom van auto’s passeren.
Alles was om 5 uur in de morgen nog in avondstemming: alle lichten in de
stad brandden en de mensen waren nog in actie. Het viel niet mee, toen wij
aan het fietsen gingen, om de weg zonder vragen te vinden want de mensen
reden in auto’s.
We zagen onderhand nog een ongeluk. Mensen die in een hotel logeerden
waren op weg naar hun hotel. Het hek bleef altijd open tot de gasten thuis
waren. Nu was het gesloten geweest en waren ze er tegen gereden. Twee
doden. Er stonden enige mensen omheen gegroepeerd waaraan wij verder
de weg vroegen naar Nice.
Het was een moeilijkheid om onze kleren gewassen te krijgen daar ze het in
de hotels ‘s avonds niet deden. We hebben toen als echte kampeerders
29
Frankrijk op de tandem
gedaan. Radion was in Frankrijk te koop ofschoon het een Hollands produkt
was en toen al in het buitenland een veelgevraagde zeep was. In het hotel
mocht ik zelf ‘s avonds wat ik had in de wasbak waar ook warm water was
wassen, omdat er geen andere oplossing was.
Wat we nog als bagage hadden, zat in twee zakken aan weerszijden van de
fiets. Maar twee regenjassen, overhemden, oorden, japonnen, linnengoed en
een zeil. Dat was noodzakelijk, maar al wat wij er nog bij kochten, zou de
ballast vermeerderen. Daarom was er geen andere oplossing.
Het was zo, dat het in Frankrijk warmer is dan hier. Dus dan vindt men het
heerlijk om je ‘s avonds bij aankomst te verkleden. Het werd dan goed droog
uitgewrongen, in een waterdicht papier gepakt en op de tandem gebonden.
Wanneer het de volgende dag tegen twaalven was en het tijd was om te
rusten, deden we dat ergens waar wat houtgewas langs de weg stond en
daar hing de was dan een paar uur en was droog.
Nooit kwam er iemand langs lopen en wanneer er auto’s passeerden, lachten
ze zo’n beetje om ons gedoe en zwaaiden ons goedendag, want aan het
systeem fiets zagen ze wel waar wij vandaan kwamen. De meeste mensen
waarmee wij onderweg in aanraking kwamen, hadden nog nooit zo’n zware
kar gezien, want hun tandem beur je met een hand op, zo licht!
De volgende dag in een ander hotel mocht ik dan wel strijken. Ik maakte
daar enkel maar gebruik van als het een japon of overhemd was. Wij konden
niets........
Het is in Frankrijk gewenst om een stad zien te bereiken om te logeren,
want de dorpen lenen zich er niet toe.
We logeerden dus steeds in een stad, maar telkens kwamen wij er van onder
de indruk hoe verwaarloosd de kerken in Frankrijk er uit zien. In de regel is
de pastorie er tegenover, maar bijna altijd ziet die er van buiten zeer
armoedig uit. De pastoor heeft dikwijls geen koster en soms ook geen
misdienaars. Soms antwoordt een vrouw uit de parochie de priester. Dat is
dus de enige hulp. De pastoor trekt zelf aan de bel, wanneer hij op weg is
naar het altaar. Soms waren er ‘s morgens in de mis religieuze zusters en
dan was alles anders. Dan zagen wij ook kinderen in de kerk en was alles
weer zoals het hoort, maar dat kwam je heel zelden tegen. Mannen zagen
wij nooit ‘s morgens door de week in de kerk.
We zijn in Duitsland zondags in de kerk geweest en daar was de mis speciaal
voor de kinderen tot 18 jaar, die dan ook de kerk geheel innamen en waar
een geestelijke de leiding had.
In Parijs zelf lijkt het godsdienstige leven te bloeien. Daar zie je ook door de
week wel mannen en jongens in de mis. Van communie uitreiken wordt in
Frankrijk wel veel werk gemaakt en worden de ceremonieën in acht
genomen.
Wij ontmoetten in Duitsland en ook in Frankrijk mensen die daar vroeger in
betrekking gegaan waren of daar een bedrijf uitoefenden.
Toen we door Duitsland gingen, zagen wij nooit een auto uit Nederland
passeren. Pas later wisten wij waarom het was.
Wij zijn ook naar Marseille geweest. Die naam werd veel genoemd naar
aanleiding van de vertrekkenden naar de missie en wij hebben ook de boot
zien vertrekken naar Algiers. Wij vonden dat interessant.

Onze tandem.
30
Frankrijk op de tandem

De banden werden slecht toen wij op de terugweg waren. Telkens vroegen


wij of er nieuwe banden te koop waren. In Frankrijk misschien, maar de
werkelijkheid was dat die grote maat van banden die ook maar enigszins om
de wielen van de tandem pasten, nergens te krijgen was.
Steeds weer werden de banden gerepareerd. De laatste keer waren wij nog
een eind van Parijs af, maar die mijnheer beweerde dat wij zo ver nog wel
kwamen en dat kwam net zo uit. Maar in Parijs was niemand, die de banden
nog kon repareren. In de verste verte niet! Wij moesten dus het rijwiel
meenemen en verder met de trein gaan.
We zijn nog vier dagen in Parijs geweest. We hadden een goed hotel en
gingen van daar uit met de ondergrondse Parijs bekijken. De Eifeltoren was
verlaten. Er was niets geen leven in. Alle vermakelijkheden waren gesloten.
Geen schouwburg of iets dergelijks. ‘s Avonds om zes uur werden de zaken
gesloten. Ook bij de hotels werd alles om zes uur al binnengehaald.
We moesten met de nachttrein vertrekken omdat we het rijwiel gelijk mee
wilden nemen, omdat het gehuurd was. Twee uur hebben we moeten
wachten op een bewijs voor onze tandem, want de mensen stroomden
steeds maar binnen, alles moest naar huis.
De trein vertrok over tijd en was overvol. We zaten als haringen in een ton!
Tot overmaat van ramp ging mijn broer op een tussenstation kijken of ons
rijwiel goed verzorgd was, maar het was door de consternatie die er heerste
in Parijs in een afgehaakte trein blijven staan.
Op het station in Parijs was het triestig met de blauwe lichten en ook in de
trein die voor een bedevaart in Lourdes was en overhaast had moeten
vertrekken. Wij kwamen in Utrecht aan om half elf. Zo goed als gaar. We
hebben daar lekker gegeten en zijn verder naar huis gegaan.
Mina

31
Frankrijk op de tandem

HET GESLACHT VAN BEUSEKOM, DE FAMILIE VAN DEGENKAMP,


HET BISSCHOPSGRAF.
Een eerste proeve van geschiedschrijving in 3 pagina’s, met het verzoek
aanvullingen en correcties te sturen aan Steenhuis, Huusbroeklaan 74,
Hoogezand.
(De opmerkingen tussen haakjes zijn aanvullingen en verbeteringen door
Ben van Beusekom, zoon van Kees van Beusekom)
Elke anstandige familie heeft wel een geschreven geschiedenis, dan wel een
stamboek. De familie Van Beusekom met als zijtak de Degenkamptak,
tenslotte een der vooraanstaande katholieke families in Midden-Nederland
(volgens “Het Centrum” 1962) heeft bij mijn weten niets. Dit wordt een
eerste poging tot zoiets.
De stamvader van het geslacht is Johannes van Beusekom, in familiekringen
beter bekend als ‘Groffie’. Een boeiend figuur, onze stamvader: immers
enerzijds een boer, die van zijn geboorteplaats hield, anderzijds maakte hij
reizen tot aan Amerika toe. Zijn levenswijze was vooral de laatste jaren
sober, maar hij bouwde ook het barokke ‘Moorse huis’. Ook is hij beroemd
geworden door ‘het papieren huisje’.
Het verhaal is als volgt. Groffie zat in een herberg te Vreeland en beweerde
tegenover de aanwezigen in 24 uur alleen een huis te kunnen bouwen.
Algemene hilariteit. Dat geloofde niemand en er ontstond een weddenschap.
‘Groffie’ wist het karwei te klaren met asfaltpapier, een ongebruikelijk
materiaal in die dagen, en won zo de weddenschap. Eerder maakte hij een
bordje met erop ‘PAPIERE HUISJE’. Een voorbijganger maakte hem erop
attent, dat het ‘PAPIEREN HUISJE’ moest zijn. Geen nood, de letter N werd
er tussen geverfd. Inmiddels is het asfalten huisje door een stenen huisje
vervangen.
Op de boerderij was een meesterknecht, die het werk organiseerde.
Groffie’ was getrouwd met ene Van Zijl (Kersten) en kreeg daar 9 kinderen
bij.
De oudste was oom Herman. Hij bleef lang vrijgezel en trouwde op latere
leeftijd met tante Tonia. Hij was een fietsenthousiast en koos als gezelschap
op die tochten meestal (Herman en één keer Mina) zijn zus Mina of enkele
nichten uit. Er zijn nog kiekjes uit die tijd. De heren in lange pakken, de
dames in gebloemde jurken met grote hoeden op: de wereldtentoonstelling
in Antwerpen, de jamboree in Oegstgeest (in 1900-> Herman en Mina) met
Ben (Jan) van Beusekom als verkenner, de Drachenfels langs de Rijn.
De beroemdste tocht die hij heeft gemaakt was met zijn zus Mina naar
Lourdes op de tandem. Beiden waren rond de 50. Toch wel een hele
prestatie, ook al zijn ze door een defect aan de tandem niet verder gekomen
dan Noord-Frankrijk. Bovendien brak de wereldoorlog uit, waardoor ze snel
met de trein terug moesten. Grappig is dat ze een briefje bij zich hadden in
het Latijn, waarin de pastoor vermeldde, dat ze goede katholieken waren en
in geval van nood onderdak moesten hebben. Dat kwam in de kleine Franse
dorpjes wel van pas. Zo hebben ze eens in een kerkje geslapen, gewikkeld in
tapijten.

32
Frankrijk op de tandem

Oom Toon kwam in de directie van de SOL in Utrecht. In de Stichtse Olie


Lijnkoekenfabriek had ‘Groffie’ aandelen. Een probleem werd wel, dat oom
Toon niet mee wilde groeien met een gemoderniseerd bedrijf. Hij woonde in
het Moorse huis. Wie wel eens, net als ik vroeger in dit huis is geweest,
kwam onder de bekoring van de halfdonkere kamers met de levensgrote
heiligenbeelden, fraaie antieke kasten en tafels en de zeldzame tuin,
waarover oom Giel de scepter zwaaide.
De groenten en stekjes uit de tuin waren een gevraagd artikel in de familie.
Oom Giel was iets kleiner en ook iets gezelliger dan de eerste ooms, naar
mijn mening.
Oom Kees trouwde met tante Truus en woonde aan de Lange-Nieuwstraat in
Utrecht. Daar was hij makelaar. Tante Truus stond bekend om de gezellige
sfeer die ze in huis had. Hij kreeg vrij veel kinderen, ik meen 7 (10) en reed
tot op hoge leeftijd nog in een fraai antiek automobiel rond. Zijn kinderen
gingen overwegend in de bouw- en wiskunderichting, hoewel er ook een
boswachter bij is.
Niet voor niets vermeld ik dit, de Van Beusekoms blijven een stabiele
familie, die zo nu en dan toch een neiging naar articiteit en exclusiviteit
vertoont.
Oom Jan ging op zijn 12de jaar naar het seminarie, op studie zoals dat
vroeger heette. Daar kon hij zich niet erg goed aanpassen, zodat hij toch
weer naar huis kwam. Een dergelijke stap terug was vooral vroeger erg
moeilijk. De mensen bekeken je als een ‘afvallige’, vooral op een dorp waar
iedereen elkaar kende, zoals Vreeland toen nog was. Hij had er wel het
voordeel aan overgehouden, dat hij ingewijd was in de beginselen der
studie, waardoor hij des te gemakkelijker vakliteratuur over de boerderij kon
verwerken. Hij nam dan ook de boerderij over, waar hij trouwde en kinderen
kreeg. Hij had weinig contact met de rest van de familie, misschien de reden
dat ik weinig van hem kan vertellen.
De volgende anekdote typeert hem wellicht, de bestudeerde boer: eens was
hij verwikkeld in een rechtszaak, wat overigens bij de Van Beusekoms wel
meer voorkomt. Het zal wel over een pad of zoiets gegaan zijn. In ieder
geval, toen Jan aan de beurt was, hield hij een redevoering in het Latijn,
waarop de rechtbank hem verzocht zich in begrijpelijke taal uit te drukken.
Tante Marie huwde met Willem Schoonderwoerd, een bankdirecteur in een
tijd dat er nog geen grote banken waren. Deze banken waren uiterst
kwetsbaar en gingen nogal eens over de kop. Tante Marie was bekend om
haar netheid, die ze wel wat te ver dreef soms. Op jonge leeftijd overleed ze
aan de T.B.C.
Oom Goof was een der eerste ingenieurs bij Philips. (in plm 1926) Er moet
zelfs een laboratorium naar hem genoemd zijn. In deze hoedanigheid reisde
hij de hele wereld af om Philipsvestigingen te begeleiden dan wel op te
richten.
Zijn zoon Ben (Frits) is ook (geen) ingenieur bij Philips.
Cil was kloosterzuster in Winterswijk. Zij onderhield contact met de familie
in brieven en later kwamen alle familieleden een dag naar Rotterdam
33
Frankrijk op de tandem
(Utrecht in klooster Kanaalstraat) toen ze daar naar toe was overgeplaatst.
Aan Mina zullen we een aparte aflevering wijden.
We zijn ons bewust van het feit, dat er kleine fouten in dit opstel kunnen
zitten en hopen van uw kant correcties en aanvullingen te krijgen. Enkele
postzegels om de portokosten te bestrijden stellen we wel op prijs, maar dat
is geheel vrijwillig.
Steenhuis, Hoogezand 28-1-78

34
Frankrijk op de tandem

Materiaal verzameld door de huidige bewoner van


Weerestein.
Over het statige HUYS WEERESTEYN
Ene huyzinghe aan de Zegepralende Vecht, op de rechter oever, dat nog steeds het voorkomen
en de deftigheid van de betere tijden der Vechtbuitens bewaart.

DE ZEGEPRALENDE VECHT..............waarover Lucas Rotgans, Heer van Cromwyck, omstreeks


1690 dichtte:
O Koningin der Stichtse Stromen,
Die met Uw kristallynen vloedt
Zoo menig adelyk slot begroet,
Bevolkt met schaduwryke boomen.

“Weere” betekent landscheiding, hetgeen vroeger gold voor Utrecht en


Holland.
Het torentje van Goudesteyn, in de stijl van Hendrick de Keyser
opgetrokken, was verwant aan dat van Nijenrode. Wij moeten er een,
waarschijnlijk op den duur niet meer begrepen rudiment van de torens der
middeleeuwse kastelen in zien.
Gewoonlijk hing er een luidklok in om de bewoners van het huis de
maaltijden aan te kondigen. Dezelfde combinatie van het type hofstede met
een torentje en enkele andere details werden destijds aangetroffen bij het
oude Weeresteyn. Een en ander was ontleend aan de architectuur van
Amsterdam.
Van Weeresteyn komt in “De Zegepralende Vecht” (een plaatwerk) geen
aparte gravure voor. Alleen steekt het torentje op de afbeeldingen van
Vechtvliet en Vijverhof even boven de bomen uit. Het oude huis kennen wij
uit een tekening in O.I.-inkt van L.P. Serrurier uit 1730. (Rijksarchief
Utrecht, topografisch atlas 1962) en een daaraan vrijwel identieke ets van
de hand van J. Leupenius van circa 1680. Hierop is een laag, door bomen en
struiken omgeven dwarshuis afgebeeld. Het huis heeft ramen met
kruiskozijnen en onderluiken, aan de bovenzijde voorzien van
ontlastingsboogjes. Het heeft een zadeldak met op de hoek een schoorsteen,
versierd door ijzeren ornamentwerk en een windvaantje. In het midden
sprong een trapgevel naar voren, verlevendigd door ornamentwerk, evenals
de toren in de stijl van Hendrick de Keyser. Voor deze stijl was de decoratie
sober. Aan de achterzijde stak een lager dienstgedeelte uit. De hofstede
Weeresteyn was gebouwd kort na 1625 op de plaats van een ouder huis,
bekend uit een afbeelding van R. Roghman (tekening in de verzameling van
Jhr. W. Six te ‘s Graveland).
Overziet men de hofsteden aan de Vecht in hun geheel, dan blijkt dat deze
vorm van buitenhuis niet zeer talrijk vertegenwoordigd was.

35
Frankrijk op de tandem

Een min of meer chronologische geschiedenis van Weeresteyn.


866
Op Weeresteyn overlijdt de bewoner, bisschop Hunger, naar Weeresteyn
gevlucht voor de Noormannen. (??? Zie ook 1760.)
1625
Kort na dit jaar krijgt Weeresteyn zijn hedendaagse vorm.

1704-1711
Verschijning van de “Nieuwe Kaert van Loenen” van C.C. Bloemswaert te
Amsterdam bij J. Covens en C. Mortier. Deze “kaert” beeldt het gebied af
van Weeresteyn tot Westerklip. De kaart geeft van alle percelen de naam
van de eigenaar.
1720
Omstreeks dit jaar overlijdt de toenmalige bewoner, Jan Cramer.

1754
Weeresteyn wordt gekocht door Mr. Joan Graafland van Schotervlieland. Hij
was ontvanger-generaal der Admiraliteit van Amsterdam. Hij overleed in
1799.
1760
In 1760 wordt achter het huis een zeer zware stenen doodkist gevonden,
waarin zich behalve gebeente ook resten van een mijter en een staf
bevinden. Stoffelijk overschot en relikwieën gingen naar de Begijnhofkerk te
Amsterdam.
Een citaat uit “Kastelenboek Provincie Utrecht” door Ir J.D.M. Bardet,
5de druk blz 316.

Weerestein
Op de rechter Vechtoever in de gemeente Loenen, juist op de plaats van de
oude grens of weere tussen Holland en het Sticht, staat het statige
zeventiende eeuwse huis Weerestein, dat helaas in slechte staat van
onderhoud verkeerde doch steeds het voorkomen en de deftigheid van de
betere tijden der Vechtbuitens bewaart.
Het is hier de plek, waar het oude slot Weerestein heeft gestaan waarvan
de plaats in de tuinen en vijvers wel met nauwkeurigheid is aan te wijzen.
In het land achter de buitenplaats is in 1760 bij graafwerk een zeer oude
stenen lijkkist gevonden welke bij opening de stoffelijke resten van een
bisschop bleek te bevatten, althans zou dit kunnen worden afgeleid uit de
gevonden resten van een kromstaf. Verder werd in de kist een loden plaatje
gevonden waarin stond gekrast; “Walterus, burger van Wiltenburg, helper
van de bisschop, die met de strop is omgebracht, ligt in deze grafheuvel.
Ieder goed mens vereert ten hoogste dit gewijde martelaarschap.”
Nu is bekend dat een van de helpers van bisschop Bonifacius, die bij
Dokkum is vermoord, de naam Walterus droeg en dat het stoffelijk
overschot van deze martelaar per schip van Friesland over de Vecht naar
Utrecht is gebracht. Er tegen pleit echter de vondst van de kromstaf wat op
een bisschop zou wijzen, terwijl deze Walterus nooit bisschop is geweest.
Een andere onderstelling is dat wij hier te maken hebben met het lijk van
36
Frankrijk op de tandem

bisschop Hunger, die aan het bewind is geweest van 854 tot 866, en die in
de onrustige Noormannentijd zijn zetel in Utrecht heeft moeten verlaten.
Ook is de mogelijkheid geopperd van een wijbisschop uit de twaalfde eeuw.
De kist is overgebracht naar een schuur achter het gemeentehuis van
Loenen en daar enige tijd te kijk gesteld voor nieuwsgierigen die er
relikwieën van hebben meegenomen. Daarna is de kist blijkbaar
stukgeslagen en alles is verdwenen, zodat het niet meer mogelijk is met
onze meer moderne onderzoekmethoden dit raadsel tot een oplossing te
brengen.
Mevrouw de weduwe Degenkamp-van Beusekom, heeft in januari 1966 de
“gewijde” grond, waarin destijds de lijkkist is gevonden, gelegateerd aan
Paus Paulus VI. Deze heeft dit legaat niet aanvaard. Men vond het blijkbaar
alles toch wat vaag.
Brief van Mina Degenkamp-van Beusekom aan haar zus Ancilla die
kloosterzuster is:
Breukelen zondag 2 nov. ‘65
Lieve Zus Zuster Ancilla,
Ik voel het aan, dat wil God niet straffen, deze brief naar jou moet
schrijven, omdat je ten goede trouw, mij verkeert beoordeeld, en geen
vertrouwen in mij hebt, het gaat er om, om de Heilig verklaring van
Hungerius, wat de opvolger was, van de eerste bisschop, van Utrecht, wat
vandaag geviert wort, ik heb een geheimen boodschap, van voor drie
honderd jaar geleden, die ik mij verplicht voel, aan de paus persoonlijk te
zeggen, de paus moet mij zien, en vertrouwen ik kan het niet schrijven, en
ik ben nog bij mijn verstand, maar als hier een eind aan komt, dan komt
deze nooit meer, dan blijft het als het nu is, een zekerheid maar een
sprookje, God wil dat ik het doe, en daarom moet ik niet rusten voor het is
overgebracht, en het is niet goed dat ik in bijzonderheden treed, over die
zaak, ik ben maar een boodschapper, iemand die de eerste spa in de grond
steekt, ik heb het nooit een iemand gezecht maar ik ben de eerste gewonen
vrouw, die in het slot van een kloster ben geweest, wil je dan aan de
Waarde Moeder zeggen, dat ik zoo graag had, dat ze mij kon helpen met
deze zaak, aan haar mijn hartelijke groeten en aan jou, je toegenegen
Zuster

Mina
1790
Het plaatwerk “De Zegepralende Vecht” wordt opnieuw uitgegeven. Het zijn
prenten van Daniel Stoopendaal te Amsterdam. Verwondering mag het
wekken dat in deze uitgave van 1790 het toch “so staetighe Weeresteyn”
niet voorkomt. Op twee prenten steekt slechts het torentje even boven de
bomen uit. Misschien omdat de bewoners van andere Vechtbuitens absoluut
plaats wilden reserveren voor hun huizen?
1836
De heer L. van Lennep was toen de eigenaar.

1850

37
Frankrijk op de tandem
Omstreeks 1850 kwam de heer J.L. Terwen “in het aanzienlijke dorp
Breukelen” en reisde “langs eene aaneenschakeling van buitenplaatsen op
beide overs, waaronder Rupelmonde, Over-Holland, Sterreschans, Hofwerk
en Weeresteyn uitmunten.”
Begin 18e eeuw wordt de hofstede Weeresteyn vervangen door een
“modern” gebouw, type stadhuis-buiten. De stedelingen waren in wezen
stadsmensen, zij wensten op het platteland hun levensgewoonten niet al te
zeer te wijzigen. Het type “buiten” in de vorm van een “huis als in de stad”
bewaarde voor hen de band met de stad.
Een citaat uit “De Buitenplaatsen van de Vecht” van Dr. R. van
Luttervelt:
Verschillende van de beste voorbeelden van het type “hofstede” zijn aan
modernisering in de 18e eeuw ten offer gevallen. In de eerste plaats het
oude Weeresteyn. Een tekening in O.I.-inkt van de hand van L.P. Serrurier
uit 1730 (Rijksarchief Utrecht, topografische atlas no 1963) doet ons het
nieuwe huis kennen. Het werd voltooid in de eerste jaren der 18e eeuw; op
de “Nieuwe kaart van Loenen” van Covens en Mortier komt het reeds in zijn
nieuwe gedaante voor. Stoopendaal gebruikte dus verouderde afbeeldingen
toen hij in 1719 in “De Zegepralende Vecht” het torentje van Weeresteyn
weergaf. De afbeelding van het nieuwe huis laat een middenpartij zien,
versierd op sobere wijze met pilasters en ornamentwerk in natuursteen. Een
ornamentale fronton bekroonde het middenrisaliet; vier consoles
verlevendigden de daklijst. De vensters, tweemaal twee aan elke kant,
waren voorzien van Engelse schuiframen, de hoeken van het huis werden
geaccentueerd door geblokte lisenen in baksteen.
Vrijwel onveranderd is Weeresteyn bewaard gebleven. Het verlies van het
elegante fronton gaf het huis alleen een soberder aanzien. De ramen werden
in de 19de eeuw voorzien van Nieuwe traceringen, het bovenlicht boven de
voordeur werd in het begin van die eeuw in een half-cirkelvormig vernieuwd.
De schoorsteenkappen in de vorm van gedrukte koepeldaken werden
vervangen door gezwenkte piramides.

Lente 1909
Weeresteyn wordt voor f. 24.000,- onbezwaard gekocht door de heer Carel
Bennink. Een van de dochters, de latere mevrouw J.C. Bijkerk, beschrijft in
haar boek “Vaarwel, tot betere tijden!” haar heerlijke en onbezorgde
jeugd, twaalf jaar lang op Weeresteyn.
“Het was een van die prachtige oude buitens, een glorieus verblijf, aan de
Vecht met acht hectaren grond en aan de overkant van de rivier nog twee
hectaren. Wij waren zeker een goede drie kwartier onderweg om onze
gasten het terrein rond te leiden. Ruste straalde van die schitterende
omgeving uit.”
Verder vertelt mevrouw Bijkerk dat haar vader in de tuin 1100 vruchtbomen
liet planten. Later gingen de aardappelen, peren, appelen en bessen met
karladingen naar de veiling in Utrecht. Er werd vee gehouden, ook zwanen
en zilver- en goudfazanten. Ook hield de bewoner renpaarden.
1920
Op 5 augustus vindt op Weeresteyn het huwelijk van deze dochter plaats.
1921
Johan Carel Bennink verkoopt het huis voor / 70.000,- aan de familie
38
Frankrijk op de tandem

Hibbeling uit Amsterdam als buitenhuis.


1936
Dr. Hoogland, dierenarts te Breukelen, de heren Albers en Piet Bouman
kopen Weeresteyn als object.
1938
De familie Degenkamp verwerft Weeresteyn voor / 38.000,-

7 oktober 1966
De firma Gebr. Strijland, aannemers te Uithoorn, koopt bij openbare veiling
het huis dat onder Monumentenzorg staat voor / 185.000,-. De laatste
eigenares, mevrouw de weduwe Degenkamp-van Beusekom was in januari
1966 overleden. De gebroeders Strijland hebben Weeresteyn zeer fraai laten
restaureren onder auspiciën van Monumentenzorg.
Een aantal jaren later werd Weeresteyn te koop aangeboden voor / 750.000,-

39