Het reisverslag van de fietstocht

Mina en Herman van Beusekom
in de maanden juli en augustus 1939 maakten naar de Middellandse Zee bewerkt door

Han Terheggen1990 - 1994

Frankrijk op de tandem Data volgens de ansichtkaarten Datum Zonder datum Utrecht Nijmegen Groesbeek di 25 juli 1939 wo 26 do 27 Koblenz vr 28 za 29 Kandel Straatsburg zo 30 ma 31 di 1 augustus wo 2 do 3 Seurre vr 4 za 5 zo 6 ma 7 Orange Aix-en-Province di 8 wo 9 do 10 vr 11 za 12 zo 13 Avignon ma 14 di 15 Nice wo 16 do 17 vr 18 za 19 zo 20 Rouvray en Avallon Sens Fontainebleau ma 21 di 22 wo 23 Parijs Lyon Ars Marseille Cannes Lyon Remagen stempel van LauterbourgRoute in paspoort Kevelaer Düsseldorf Keulen

2

Frankrijk op de tandem

Het vertrek
Mijn broer was, vanaf de opbouw, 35 jaar directeur geweest van een fabriek met de grootste omzet van Nederland. Op zijn zestigste heeft hij bedankt. Tot dan toe ging hij elk jaar zijn veertien dagen vakantie in het buitenland doorbrengen, het liefst per fiets. Maar tijdens zijn betrekking al die jaren, kon hij niet langer dan veertien dagen weg en daar moest hij zijn reisplan op inrichten. Reeds lang waren zijn plannen er op gesteld nu eens een onbeperkte tijd een afstandstocht te maken. Het plan was reeds klaar om naar de Middellandse Zee te gaan en de reis was op de landkaart al uitgestippeld. Hij had zijn zwager uitgekozen als reisgezel, maar deze kon tenslotte zijn bedrijf niet zo lang verlaten en verder had niemand ambitie in een reis, behalve zijn zuster!

Utrecht
Zo gingen we dan vanaf Utrecht per tandem de reis aanvaarden. Even voorbij Utrecht passeerden we het mooie sportterrein. Jammer: regen! De regenjassen maar aan. Wat een aanhoudende regen! Daar was een goede schuilplaats, een portiek. Ja, daar stonden onze wereldreizigers, na een uur al en wat plaste de regen. Maar nu werd het even minder. “Zullen we ‘t er maar op wagen?” zei oom toen het bleef regenen. Het water liep uit onze kleren. Een bierhuis! Daar toch maar even aangaan. Toen het droog was, stapten wij weer op de tandem en ging het voort langs verschillende dorpen. De weg was niet zo prettig, omdat er rails lagen en met uitwijken is dat altijd gevaarlijk. Maar de mooie boomaanleg en de oude bomen die keurig in rechte lijn staan en vakkundig gesnoeid zijn, ziet men nergens zo prachtig als die kant uit. Wat jammer van de oude herenplaatsen die onbewoond zijn en ook de vele moderne herenhuizen die leeg staan. Ook een gevolg van de moderne opvattingen: ieder voor zich en God voor ons allen. Verder gaan we. We komen aan de Waal. We moeten klimmen om op de dijk te komen. Beneden ons in de diepte wonen de mensen. Wij hebben weer honger. ‘t Is drie uur en we maken alles maar op wat er te eten valt. Ook de melkfles is leeg. We zaten daar zo fijn boven aan de dijk, maar moesten toch weer verder, op Nijmegen aan. We kregen een eentonige weg.

Nijmegen
Oom Herman zei al: “Hier kunnen we oefenen in het klimmen en dalen.” Het regende steeds harder en oom besloot maar naar een logement uit te zien. Op de brug van Nijmegen stond al iemand om ons een hotel te wijzen, maar 3

Frankrijk op de tandem

daar wij het er nog niet over eens waren wat wij zouden doen, bedankten we. Weer even verder werden we weer aangehouden door iemand, die ons een hotel wilde wijzen. Omdat er 3000 vreemdelingen die avond in Nijmegen zouden logeren voor de loopmars van de volgende dag, bleek later dat alle particuliere gelegenheden ook bezet waren. Na veel moeite slaagden wij er in iets te vinden: ik in een hotel en oom bij particulieren. Wij gingen ergens een dineetje gebruiken. Daar kwamen we in gesprek met heren die de mars de volgende dag mee zouden maken. We vonden het erg interessant. Ook in het hotel waar wij later naar toe gingen, was aardig gezelschap. Wij waren om zes uur in Nijmegen aangekomen. De volgende dag zouden wij naar Ignard gaan, die in Dekkerswald was. We konden daar niet te vroeg aankomen. ‘s Morgens daarom eerst maar naar de kerk, gezamenlijk ontbijten en daarna naar Dekkerswald.

Dekkerswald in Groesbeek
Wij voelden ons in die mooie omgeving echt of we in het paradijs waren, zo zuiver als de lucht daar was. Dat viel echt op! We werden bij Ignard toegelaten. Hij lag nog te bed, maar zou weer opstaan. Hij had veel behandeling gehad in die vier jaar, maar ging zijn algehele genezing tegemoet. De Haagsche Hopjes van tante Tonie kwamen erg gelegen. Wij hebben met veel belangstelling van beide zijden een uurtje doorgebracht. De zuster kwam ons verrassen met een lekker kopje koffie. We gingen het mooie Dekkerswald weer verlaten. Nu naar de grens en naar Kevelaar. Het was bij twaalven. We waren in Groesbeek al langs een afsluitpaal gereden, maar er stond geen wacht bij. Later werden we gewaar, dat we ons al op Duits grondgebied bevonden! We moesten een post vinden. Niemand wist ons het juiste te vertellen. We gingen ‘t vragen bij een pastorie. Na veel wikken en wegen namen wij een pad door een korenland. De weg had zulke diepe sporen dat we moesten lopen. We zakten tot onze enkels weg in de modderpoel. Die poel was er toevallig, omdat er ‘s morgens vroeg 3000 mensen langs waren gekomen en het nog nat was van de aanhoudende regen van de vorige dag. Aan het eind van de weg zagen we een watergemaal, dat door waterkracht werd aangedreven. Dat was een mooi stuk werk van de natuur! Wat zagen wij eruit! Gelukkig ontdekten wij een stroompje, gevormd door een waterval. Dat was een uitkomst. We gingen in het stroompje staan en zo werden onze schoenen weer schoon. In de plasmolen die daar was, gingen we dineren. We genoten van de mooie inrichting en de vijver waar we op uitkeken. We hadden gehoopt hier de groep van de afstandsmars te zien, maar eindelijk reden we verder op Duits grondgebied.

Kevelaar
De eerste plaats die wij in Duitsland aandeden was Kevelaar, voorheen een geliefde bedevaartsplaats voor Katholieken in Nederland. We waren Kevelaar voorbij gereden en moesten dus weer terug. We vonden Kevelaar verlaten nu de mannen voor het vaderland waren opgeroepen. 4

Frankrijk op de tandem

We gingen naar een hotel van oude bekenden. In het seizoen logeerden er dagelijks honderden mensen en het was welvarend. Maar onder het bewind van Hitler mochten er de laatste tijd geen pelgrims van Nederland komen. Het was er nu verlaten en stil. Alle weerbare mannen waren opgeroepen. In het hotel stonden de bedden leeg en het inkomen was weg. De mensen leden honger en gebrek. Kleren waren niet te koop en de angst om de mannen die weg waren, was groot. Maar zij moesten hun gedachten voor zich houden want een ondoordacht woord kon hun het leven kosten. In de goede tijd, misschien al veertig jaar terug, logeerden we er altijd. De vroegere bewoners waren weer door hun kinderen vervangen. Wij werden heel hartelijk ontvangen, maar de mensen waren erg teleurgesteld, want Utrecht, Amersfoort enz. hadden alles al besteld voor een bezoek, maar om de moeilijkheden bij de grens weer afbesteld. Het was echt hopeloos, als je de gelegenheid zag en besefte hoe ze er in Kevelaar op ingericht zijn, dat zo’n gehele plaats z’n bestaan vindt in het vreemdelingenverkeer. Bijna elk huis is hotel, restaurant of winkel met verschillende devotie-artikelen. De Duitse pelgrims komen ook slecht, omdat de mannen opgeroepen waren voor de “Krieg” en de vrouwen nu het werk moesten doen. Alles was op de bon, maar boter was er voor geen geld te krijgen. Goede kwaliteit stof was er in heel Duitsland niet te krijgen. Ze keken er ook van op, dat wij nog zulke solide schoenen hadden.

De film
Daar zou iets worden vertoond op militair gebied en daar het heel goedkoop was, besloten we ook maar eens te gaan kijken. Kaarten kreeg je niet, maar er was iemand .... Toen wij daar voor het gebouw stonden, kwam er een groep militairen aan. Zij waren keurig gekleed en waren precies op elkaar ingesteld. Als automaten maakten ze dezelfde beweging. Ze maakten een goede indruk. Ze gingen de bioscoop binnen. Bij het loket verdrongen de mensen elkaar om kaartjes. Wie eenmaal aan de beurt was, kocht voor verschillende andere mensen, die in de groep stonden en door een teken te kennen gaven, dat ze een plaatsbewijs wilden. Anderen hadden weinig kans. Een meisje dat ons Kevelaar had zien binnenkomen, maakte kennis met ons en vroeg of zij voor een kaartje zou zorgen. Ze kreeg bij een opkoper kaartjes, wel iets duurder. Toen gingen we naar binnen. Het was een mooie zaal met mooie banken. Het hek was van mahoniehout. Er zaten ongeveer 100 mensen op een rij en er waren 40 banken denk ik en er was nog meer ruimte wanneer ze het gordijn wegschoven. Nog wel voor 100 mensen. Het waren flinke, ruime plaatsen. Eerst werd er reclame gedraaid voor verschillende fabrieken, toen kwam het eigenlijke stuk. Wel erg op politiek gebied. 5

Frankrijk op de tandem

De voorstelling speelde zich af op een opleidingsschip voor matrozen. Eerst zag je hoe ze zich oefenden met zeilboten op zee. Met een 40 zeilboten op een kleine ruimte en om zo te laveren dat ze elkaar niet raken. Dan zie je hoe er een niet oplet en door een wending van het zeil in de zee valt, maar weer op het droge gehaald wordt. Ze laten zien hoe getraind de matrozen reeds zijn. Dan een tafereel: een hooggeplaatst heer komt zijn zoon terughalen, die er tegen zijn zin is. Dochters komen mee. Die komen in een auto, heel deftig. Je ziet hoe de kapitein van de marine die heer ontvangt en die Mijnheer zijn bezwaren voordraagt en het helemaal niet eens is met de kapitein. Dan zie je hoe die Kapitein hem beïnvloedt met drank, steeds maar inschenkt tot hij tenslotte onder invloed van de drank toegeeft. Ondertussen zijn de jongens in de zaal bijeen. Een kok gaat rond, bij de jongens met Berliner bollen die ze gezeten aan kleine tafeltjes opeten. De Kapitein roept de kok bij zich en laat de schaal voor de meisjes neerzetten. De jongens zijn jaloers dat die lui op zullen eten wat voor hen bestemd is. De meisjes begrijpen het en brengen het bij de jongens. De meisjes worden gevraagd voor pianospel en de dans begint. Een van de meisjes heeft met een gewone jongen gedanst en wat beloofd. Later wil ze met iemand dansen die meer van haar stand is, maar ze wordt er in verhinderd en moet haar woord houden om zich bij die ene jongen te houden, anders krijgt ze alle anderen tegen. Ze houden er geen rekening met stand. Ze gaat naar die jongen en vraagt wat hij wenst dat ze geeft om het weer goed te maken zodat ze vrij is. Maar niets! Die hoogstaande Heer met zijn dochters moeten op het schip blijven tot de volgende dag. Dan wordt het schip overvallen door de Bolsjewieken, die allen gevangen nemen. Die Bolsjewieken worden voorgesteld als onopgevoed. Ze nemen alle papieren af van de Leiders van het schip en sluiten ze op. De meisjes worden ook gevangen en opgesloten. Ruw gaat het er aan toe. De grootste wanorde heerst er op het schip, nu de Bolsjewieken er baas zijn. Dan zie je weer ‘s nachts hoe een van de meisjes door het patrijspoort in het water springt en weg zwemt. Ze weet een ander schip te bereiken en hulp te krijgen. Het zijn matrozen die de Bolsjewieken overvallen en overmeesteren. Dan gaat alles weer zijn oude gang. Je ziet zeiljachten die de meisjes weer naar hun huis brengen. Onderhand breekt er brand uit in de machinekamer van een van de jachten. De matroos die de hoogachting van het meisje nog niet heeft kunnen winnen, waagt zijn leven om het leven van de machinist te redden en wordt zelf voor dood boven gebracht, waarna het meisje hem waardeert en hem met goedvinden van haar vader aanvaardt als haar verloofde. Deze heeft ook de Marine hoog leren schatten en zijn zoon mag bij de opleiding blijven. Het geheel was echter een politieke zet om jongens voor de opleiding te winnen. ‘t Was onderhand al veel later dan we dachten en de mensen van het hotel waren erg ongerust geworden. Nu maar gauw naar bed. ‘s Morgens waren we al vroeg op: we wilden graag, al was de tijd kort, toch als echte pelgrims onze gaven aan Maria geven. We volgden de mis, ontvingen de H. Communie en verbleven enige tijd bij haar miraculeuze beeld. We hebben onze morgen aan deze devotie gewijd en onze reis onder haar hoede gesteld. We bekeken alles nog eens goed en om twaalf uur gingen we weer verder. We namen wat van die Kevelaarse broodjes mee en vulden onze fles 6

Frankrijk op de tandem

met melk.

De Rijn
Nu kwamen we gauw bij de Rijn. De Rijn is zo rijk aan schoonheid, je raakt niet uitgekeken! Wat is het mooist? Zijn wijngaarden, zijn oude bruggen of zijn stromend water? Je weet het niet, maar nooit raak je uitgekeken!

Keulen
Zo maar steeds verder naar Keulen. Ja, daar zijn we al in een voorstad en na nog een poosje zijn we in het belangrijke Keulen. Nu uitkijken naar een hotel. Wij staan bij het drukste punt: overal om je heen hotels. Ja, een kamer! De bediende komt uit Holland, maar woont al vele jaren daar. Of er geen twee kamers zijn? “Nee, maar ik weet nog een hotel waar U slaagt!” En de jongen ging mee. En ja hoor, het lukte! Het is acht uur. Nu nog eten. Ik geloof, dat we heel wat kilometers afgelegd hebben, want we zijn blij dat we ons kunnen opfrissen en wat eten. Daarna zitten we nog even en gaan dan naar bed. Het slaapt fijn als je zo getrapt hebt. ‘s Morgens eerst een kerk opgezocht. Het ontbijt bestaat in de regel uit brood in de vorm van een dikke gordijnroe. De koffie smaakt goed. Ze geven er apart suikerklontjes en een kannetje kokende melk bij. Er hoort geen boter bij, maar dat vinden wij niet af en vragen ook jam. Dan gaat onze correspondentie beginnen. We hebben ansichten gekocht en op het postkantoor postzegels. Dat was wel altijd een heel gedoe, ook als er gewisseld moest worden, omdat je altijd moest vragen en zoeken. Dan weer op weg. O ja, we kochten ook vaak perziken of pruimen of een meloen voor onderweg. Pruimen waren erg goedkoop en meloenen kostten 15 cent en perziken 5 cent. Als het tien uur was, vond Oom Herman dat het tijd was om naar een restaurant uit te kijken, waar we naar Hollands gebruik een kopje koffie konden drinken. Daarvoor moest je in een flink dorp zijn en meermalen moest je alles aflopen om zoiets te vinden. Toch kwam het voor elkaar. Dan waren we met onze gedachten in Holland. Nu werd ook bepaald in welke stad we iets zouden eten. Dat was dan nog verscheidene kilometers fietsen. Dan ging het verder. Maar als we dan twee uur gereden hadden, begonnen we weer aan onze pruimpjes te denken en als we een geschikte plaats gevonden hadden, spreidden we het zeil en wat smaakte dat dan fijn! Ook de fles ging er dan aan. Het was langs de Rijn wel fijn, omdat het zo makkelijk fietste, niet klimmen of dalen zoals later.

Het eten
Om twee uur nuttigden we een koude maaltijd. Je kreeg eerst een schaal 7

Frankrijk op de tandem

met verschillende porties haring, rodekoolsla, vier schijven worst, twee schijven ham, tomaten in saus, sla en zo, maar alles koud. Van vlees en brood kreeg je zoveel als je bliefde. We namen er bier bij. Ook was er altijd kaas: een schaal met Zwitserse, Duitse en Franse. De Zwitserse kaas is scherp. De Franse is zacht maar heel fijn van smaak. Ze lijkt veel op pudding wat vastheid aangaat. Soms is ze fijn verpakt in zilverpapier, maar soms lijkt het wel of ze in stro bewaard wordt. Het zit er soms nog buiten op! Nergens zit korst aan de kaas en Hollandse kaas hebben we noch in Duitsland, noch in Frankrijk aangetroffen. Overal zie je kaas zonder harde korst. De korst is zacht, maar de smaak is van de verschillende soorten veel beter dan in Holland. Ze worden in ijskasten bewaard. Al kom je in nog zo’n klein hotel, overal hebben ze een ijskast zo groot als een fornuis en dat staat bij het buffet. Zo komt het ook, dat die kaas niet uitloopt of smelt.

Hoe men woont
Ook zijn de woningen anders gebouwd. Ze zijn er op ingericht dat het altijd fris is binnen: op de dag zijn overal de luiken gesloten met ijzeren of houten jaloezieën en de ramen zijn wel 4O cm naar binnen aangebracht en niet te groot in omvang. Ook zijn de muren van andere stenen dan hier en al is het nog zo warm buiten, binnen is het fris. De bouw van de huizen is ook anders dan hier, meer Zwitsers. Het zijn vierkant opgetrokken huizen. De onderste verdieping wordt als garage gebruikt en op de tweede verdieping wonen ze. Ze gaan buiten met een trap naar boven. Er loopt in de regel een omgang om de bovenste verdieping heen. Zo’n huis bestaat dan uit een garage met daar nog twee verdiepingen op. Alles is van steen gemaakt. Het plafond wordt gemaakt door eerst ijzeren biels als stut te gebruiken en daarop stenen te leggen die hol zijn en een grote afmeting hebben. Maar omdat ze hol zijn, zijn ze licht en praktisch. Je bereikt er hetzelfde mee als met een spouwmuur, maar eenvoudig en goedkoop. Alle trappen zijn van dezelfde stenen, maar aangesmeerd. Hout wordt niet gebruikt. De daken zijn heel eenvoudig bewerkt. De pannen zijn mooi. Met de manier waarop je ze sorteert wordt nog wel iets bereikt, prachtige soorten pannen vind je er. De huizen zijn dus allemaal aangesmeerd, maar ze besteden wel veel werk aan het schilderen van hun huizen. Je staat versteld van wat ze bereiken! De aankleding van die huizen is eenvoudig, maar goed gekozen en bestaat niet uit gordijnen of veel glas, zoals hier (wat ik nooit op prijs stel) maar uit een mooie sortering van dezelfde soort pannen, de bovenste omgang met trap, maar vooral uit de fijne beschildering van het huis. De fijne kleuren en de kleurschakering is onnavolgbaar. Ook die kleine ramen vind ik zo praktisch: hier zit je door al die ramen ‘s winters koud en ‘s zomers veel te warm. De garage onder het huis vind ik ook praktisch, dan hoef je nooit je huis uit.

Düsseldorf
Onderhand zijn we weer vertrokken naar Düsseldorf waar wij logeerden. Het is alweer gauw afstappen, want het middagdutje moet toch vervangen worden door een half uur rust. En ja hoor: meloen! Wij kunnen hem toch niet helemaal op, maar eer we aankomen, moet hij er toch aan, want anders 8

Frankrijk op de tandem

bederft hij. We komen in Remagen. Er is net een processie. Er is een Heilige voor vallende ziekte. Op de berg is de kerk en het miraculeuze beeld, maar we mogen niet te lang blijven. We gaan iets gebruiken en zien ook de stoet van pelgrims. Net als bij ons: een Priester met zijn schaapjes. Goed geklede mensen van alle standen, zo’n beetje. We zouden graag Haagsche Hopjes hebben, maar ofschoon er een grote zaak was, vonden we niet de toffees zoals in Holland. Wij hadden van Tante een doos Haagsche Hopjes en eerst bliefde oom Herman ze niet, maar later was het wat fijn. Je had wat in je mond en soms wel een uur lang! Je kreeg geen dorst, of andersom gezegd, wat smaakte later het bier! Het bier was heel goedkoop en je werd er net zo min onprettig van als hier van thee. Wij gingen maar weer eens verder na eerst aan onze Hollandse vrienden gedacht te hebben en onze zieken even aan de wonderbare heilige aanbevolen te hebben.

Het ongeluk
Er was maar een fietspad en dat was zo smal dat je elkaar niet kon passeren, maar de straat was daar, in tegenstelling tot wat we tot dan toe gehad hadden, hobbelig. Daarom staken we over op het fietspad. Daar zagen we een vrouwtje heengaan met een mand aan haar arm. Ze leek zo armoedig, maar zoals we later hoorden, was het de moeder van de stationschef en ze had haar zoon warm eten gebracht. Dat ze er zo armoedig uitzag, komt door het algemene verval van Duitsland. De mensen zijn er zo armoedig, ze kunnen geen behoorlijke stof krijgen in heel Duitsland. We fietsten verder. Het vrouwtje liep links van het pad, maar we konden er best door en oom Herman belde maar steeds. Op het laatste moment stak ze over en gebeurde het: ze viel en de fiets viel en oom viel en ik viel. Alles stond op dat ogenblik voor mijn geest, hoe zou dat vrouwtje terechtgekomen zijn? Duitse politie en onze verloren reis. Maar het eerste was, of er niemand iets gebroken had, onze eerste zorg was voor het vrouwtje. Ik beurde haar op. Ze zag er zorgwekkend uit, maar ze kon nog staan en alleen haar arm was pijnlijk.

9

Voor ons was het gelukkig en dat was ook de schuld van het ongeval dat de trein passeerde op het ogenblik dat het vrouwtje overstak. Daardoor hoorde ze niet, dat er een fiets in aantocht was en kon ze het bellen niet horen, want de trein passeerde op twee meter tussenruimte. Op de trein stond iemand die haar kende en ook de situatie aan haar zoon vertelde. Hij was op het station, honderd meter verder. Haar zoon, een heel interessante verschijning, kwam direct. We dachten dat het de dokter was en hij nam het ons niet kwalijk. Hij zei direct dat wij geen schuld hadden, maar de dokter moest toch komen. Dat vonden we beter. Ondertussen zou ook de politie gewaarschuwd worden. Toch is het anders dan hier. Niemand kwam er bij die er niet bij nodig was. De dokter was er al gauw. De arm was niet gebroken, alleen wat bezeerd. Het was toch zo’n lief vrouwtje. Er kwam een auto waarin zij naar huis zou worden gebracht. We moesten haar adres hebben om later te schrijven vanuit Lyon. Zij zouden ook schrijven hoe het gebeterd was. Daar zaten wij op een stronk boom. Oom Herman had zijn pols verstuikt en de knieën door alle twee zijn pantalons. Hij had zich ook nog aardig bezeerd. Gelukkig had ik naaigerei bij me en heb ik de bovenste pantalon maar wat gestopt. De politie kwam en ofschoon wij geen schuld hadden.. ja, het was Duitsland. Je was niet op je gemak, hoor, maar eindelijk, ja, het verlossende woord: wij konden gaan, na nog eens afscheid genomen te hebben van het lieve vrouwtje en haar interessante zoon. Toen eerst ging mijn hele aandacht uit naar oom Herman, die ook heel erg geschrokken was. Maar het fietsen in de vrije natuur is de beste heelmeester geweest. Wat waren we blij dat alles zo goed was afgelopen. Maria Kevelaar’s zorg!

Düsseldorf
...... wij ‘s avonds in Düsseldorf aan. Wij logeerden in een hotel, dat wel een paleis leek wat de inrichting aanging. Verschillende kamers voor alle doeleinden: een ontbijtkamer, een gezelschapskamer, weer een gelegenheid om te dineren, kamers en schrijfbureaus voor de gasten enz. maar de gasten ontbraken, het onweer was ook hier voelbaar. De volgende dag weer verder. Steeds langs bergen waar we de stenen uithaalden en waar verschillende mensen bezig waren met het werk en waar soms de berg al half weggewerkt was. Ze gebruiken die stenen zo in ruwe stukken om hun huizen te bouwen en wij zagen ook sommige gebouwen van die stukken steen gebouwd en die zagen er toch heel goed uit. Oom vertelde dat juist die bergen in Duitsland ons behoud was en het daarom mogelijk was dat Nederland, dat zo laag gelegen is, niet overstroomt. Maar als de bergen in Duitsland zouden verdwijnen, zou dat Nederlands ondergang zou zijn op natuurwetenschappelijk gebied. Er zijn ook veel bergen die bebouwd zijn met druiven en dan kom je het veel tegen, dat ze het gewas bespuiten. Het gaat dan met een handspuit. Die hebben ze op hun rug en zo lopen ze de voren langs. Wij hebben het ook gezien, dat ze het doen met een motorspuit, maar daar kunnen ze niet ver genoeg mee komen, omdat ze op de weg moeten blijven staan. Meisjes en vrouwen krenten de druiven en houden ze op hoogte. Tussen de

Frankrijk op de tandem

druiven zie je al meer en meer kleine schuurtjes gebouwd. De grond op de bergen schijnt niet vruchtbaar. Enkele keren ziet men, dat ze het met groente proberen, maar je kunt zien dat de grond daar wat mist. Ook vruchtbomen staan er niet zo welig bij. Droog lijkt het en nog eens droog en de zon brandt er te veel, dunkt mij. Hier zien we een waterval, schitterend. Ook is er een visser aan het vissen met grote netten die machinaal worden uitgezet en opgehaald. Daar is maar een man mee bezig. Graag zouden wij er even bij gestaan hebben, maar wij gaan weer verder. ‘t Enige dat hier aan toebereidselen voor de oorlog herinnert, is het voortdurend voorbijsnorren van vrachtauto’s waar in de cabine drie militairen zitten. Verder is niets te zien. Het zijn auto’s die je in Holland niet ziet, zo groot! Geheel met zeildoek bedekt, ook over de cabine heen. Verder is er nergens een opening, zoals je bij ons wel eens vrachtauto’s ziet waar een sluiting opwaait of zo. Je denkt onwillekeurig aan de grote inhoud. Daar kunnen wel honderd militairen in staan en dan hangen er nog soms twee aanhangwagens achter. Als ze voorbijgaan, is het of ze je meezuigen. Hoeveel zouden er op een dag in de richting van Frankrijk gegaan zijn? Honderd zeker! Nooit zag je een militair anders reizen dan in de cabine van die vrachtwagens. We hebben misschien tien dagen door Duitsland gereisd, maar zagen nog niet een Hollandse auto. We kwamen, als de bergen en de Rijn afweken van onze weg, door velden. Soms bebouwd met rogge, soms met tarwe, soms met maïs en soms met hop. Iemand, bij wie wij informeerden naar de manier van bebouwen zei, dat hij zelf ook een terrein had, waar hij hop verbouwde. Het was wel winstgevend als het een vrije handel was, maar als het klaar was, moest je het aan de regering verkopen. Die betaalde een zekere prijs en dat beviel niet zo erg. Je ziet ook stukken land waar koeien en paarden weiden en het lijkt wel Hollands vee. Maar toch kom je dat maar zelden tegen. Het bouwland is ook niet afgeschermd. Je kunt overal zo op lopen van de weg af. We gingen nog wel eens kijken wat het voor soort was. Ook lijnzaadbouw zagen we een keer. Heel zeldzaam zag je snijbonenbouw en aardappelbouw kom je heel niet tegen. De stukken bebouwd land zijn soms zo groot als de Eemnesserpolder in zijn geheel. Hier zie je geen gebouwen uren ver in de omtrek. Fietsen zag je bijna nooit. Wel auto’s en die zie je ook zo oud van het jaar nul, omdat de afstanden die onbewoond zijn zo groot zijn dat zelfs de armste mensen wel een auto moeten hebben. Je kwam ook nooit een mens lopend tegen. Bloemen zie je ook heel weinig verbouwd worden. Telkens kwamen we weer bij de Rijn terecht en daar is alles dicht bebouwd. Wij zoeken naar de muizentoren en ja hoor, daar is hij en de loterij ??? ja en ja, daar heb je een grote fabriek vertelt oom, welke door de kracht van het 11

Frankrijk op de tandem

water van een waterval gedreven wordt. Gaarne had ik eens een kijkje gaan nemen, maar oom zei, dat je er in de fabriek niets van gewaar werd. Ook molens maakten veel gebruik van een grote of kleine waterval. Wij zagen ook grind en zand machinaal uit de bodem halen. Eerst uit de grond ophalen, zuiveren en zo machinaal naar de vrachtauto’s vervoeren. Het gaat allemaal zo eenvoudig, bijna zonder menselijke krachten. Dat is in Duitsland toch wel mooi, dat de bodem zoveel bevat: zand, stenen, grind enz. Ook hun koren om brood te bakken, bloem voor gebak, haver en gort en gerst voor .... en bier, druiven voor wijn. Wij gaan verder. Weer zijn we van de Rijn afgedwaald. Aan de ene kant is een bos. Hoewel, het is geen bos meer want het inwendige is omgehakt en door de dunne houtlaag ziet men de tenten van de militairen of de houten keten. Het is een groot terrein. Veertig bunder schat ik in het vierkant. Daar staat nog een groot kruis in het bos. Tussen de bomen ziet men het, maar het corpus is er afgehaald. Alleen het bordje met INRI verraadt, dat er vroeger meer geweest is. We zien de grote bedrijvigheid van de militairen en ik word een beetje angstig en ben blij dat dit kamp weg..... .....Verder maar steeds. Oom Herman zoekt weer een restaurant, maar het dorpje, dat wij passeren heeft geen gelegenheid. Ja toch, ‘melk’ staat er op een bordje. Het ziet er wel een beetje armoedig uit. Even afstappen. Ja, melk! De koffie is nog niet klaar. Daar komen ze aan met een kan en een paar glazen. Oom zat nog eens echt landelijk met die oude man te praten over van alles en nog wat. Maar ik hoorde dan later wel waar het over ging. Wij hadden nog zulke solide stoffen in Holland en in Duitsland was de kwaliteit zeer slecht. Al maar verder. Dan weer langs de Rijn en dan weer door de velden. Wanneer het ‘s avond half acht was en de zon onder ging, was het ineens te donker om te fietsen en met licht op fietsen in een vreemde plaats is zo angstig, dus zochten we dan een hotel. Je had het niet altijd in de hand, want soms was er in de plaats waar je dacht te overnachten geen hotel en moest je nog een twintig kilometer verder gaan. Dan was het soms wel laat eer je aankwam, maar in Duitsland vonden wij altijd wel wat we zochten. Het was dan meestal een hotel met uitzicht op de Rijn en als je dan ‘s morgens opstond, kon je niet verzadigd worden van het aanzicht. We vroegen ‘s avonds alvast of er een R.K.-kerk was en hoe laat de H. Mis was. Het eerste wisten ze wel, ofschoon ze altijd schenen te schrikken als ze hoorden dat je Katholiek was. In een plaats die er nogal welvarend uitzag en wel een kleine stad leek, was het antwoord heel eigenaardig. Er was een Katholieke kerk, die zondags bediend werd door vier geestelijken. Maar daar het nu oogsttijd was, kwam er niemand in de kerk en was er door de week geen mis. Ik kon het niet geloven en ging er in mijn eentje op uit. De kerk stond op een berg maar dichtbij. Toch raakte ik verdwaald en durfde toen niet verder. Ik wist enkel maar Rijnhotel te vragen aan de mensen en was blij dat ik weer terug was. Ik kocht wat perziken voor onderweg en na onze ansichten verzorgd te hebben, gingen we weer op weg. Wel tijdrovend is de verzorging van de correspondentie, omdat je postzegels van het postkantoor moet halen, enz. 12

Frankrijk op de tandem

Nu maar weer verder. Als je ‘s morgens weer op de buitenwegen was, dan genoot je van alles zo echt. Ik heb het idee van Oom Herman om om half elf koffie te gaan drinken altijd fijn gevonden. We hebben in Duitsland wel eens op een zondag ergens gelogeerd en hebben daar zondags de mis bijgewoond. Daar heb ik bijzonder genoten van de leiding die daar was. Het was een kerk met gewitte muren en zonder pilaren. De priesterkleding was van rood fluwelen stof, een model met schouderpellerien, maar de stof scheen heel dun. Wij gingen naar de mis van negen uur. Enkel de tien achterste banken waren vrij. Ik denk dat er plaats was voor 1OOO mensen. Toen we kwamen, was de kerk nog leeg. Daar kwamen ze: alle kinderen tot 18 jaar toe. Eerst was het erg rumoerig. Daar kwam de priester, een jonge geestelijke. Direct werd alles stil. Toen werd een vers gezongen. Daarna kwam de geestelijke voor de kinderen een preek houden, het evangelie lezen enz. Daarna begon de mis. Er werd in de landstaal gezongen en gebeden. Voor de mis had de geestelijke even met een groot meisje gesproken, zeker over wat er gezongen of gebeden moest worden. Toen ging de H.Mis beginnen. Een van de kinderen bad voor. Een keer was het een heel klein meisje van 5 jaar, denk ik, dat voorbad onder de mis. Alle kinderen zonder uitzondering gingen ter communie. Toen de mis uitwas, gingen alle kinderen buiten de bank staan, knielden tegelijk en marcheerden af! De misdienaars ook. Degenen die niet dienen, zitten op een bank op het priesterkoor. Ze hebben veel krukken die met een band overbonden zijn. De vrouwen gaan zonder hoed naar de kerk, maar dat is plaatselijk gebruik. Wij liepen, voordat we naar de kerk gingen, nog eens rond en keken op het aanplakbord van het gemeentehuis. Daar vonden we een aanplakbiljet, waarop stond: WIE BIJ JODEN KOOPT IS EEN VOLKSVERRADER. Ook zagen we ergens in Duitsland in een hotel waar we logeerden: VERBODEN VOOR JODEN. We hebben ook een keer gehad, dat we werden nagezeten door een vliegmachine. In Duitsland waar we zo langskwamen schijnen de mensen ook vergeten te hebben, dat het misoffer het mooiste bezit is van ons Katholieken. Je krijgt de indruk, dat ze opzettelijk het uitwendige van het kerkgebouw laten verwaarlozen om niet op te vallen bij andersgezinden. Kom je binnen, dan valt het nog wel mee, maar de belangstelling van de mensen is erg gering. Nooit zie je door de week een man in de kerk, ook geen kinderen. Er is ook maar een Mis. We zijn in plaatsen geweest waar een koster als misdienaar fungeerde, maar we hebben ook meegemaakt dat jongens in hun gewone goed bedienden of waar van dat alles niets was en een vrouw in de kerk de priester antwoordde en verder de priester de rest deed. Wanneer de priester de kerk inkwam, trok hij meteen maar aan de bel. Waar wij ‘s nachts logeerden waren nog de voornaamste plaatsen en steden. We zijn in een kerk geweest, waar een mis was voor een overledene. Daar waren wij met die mensen de enigen. Wanneer je in je hotel vroeg naar de R.K.-kerk, dan schrokken de mensen zichtbaar. In sommige kerken vergezelt 13

Frankrijk op de tandem

een misdienaar met brandende kaars de priester bij het uitreiken der communie. Algemeen is het koperen schaaltje, waardoor het communiekleed overbodig wordt. Wij naderen de grens steeds meer. Daar zien we opeens een goed onderhouden kruisbeeld. Wat doet je dat goed als katholiek, na al die verwaarloosde kruisbeelden die wij zo hier en daar tegenkwamen en waaruit dikwijls moedwil sprak. Wij naderen de grens. Moeten er vandaag nog over, maar het is al half acht en we zijn moe. We hebben al heel wat kilometers afgelegd. We hebben geen Duits geld meer voor logies. Eerst maar dineren en dan uitgerust weer verder. Het is tevens zo, dat wij hier kunnen logeren, maar de moeilijkheid van het geld wordt opgelost. Er zijn zoons op een wisselkantoor en die helpen de moeilijkheid oplossen. Het is zaterdagavond. Wat wordt hier een bier gedronken! Dat bier is goed en zeer koud. Het bier staat in het ijs, heel praktisch. Bij dit hotel hoort ook een boerderij. Ze voeren hier maïsplanten, halfwas. Er staat een voer klaar. Zondags eerst naar de kerk. Ontbijt en nog wat correspondentie en daar gaan we!

14

Frankrijk op de tandem

Frankrijk
Daar is de grens. Er staat een militair die wij moeten passeren. Opeens strekt hij zijn arm: Heil Hitler! Ik schrok geweldig en was blij dat ik weg was. Toen op naar het douanekantoor. Oom Herman had heel wat te verantwoorden en toen het adres van de Duitse stationschef voor de dag kwam, moest alles uitgelegd worden. Ook de adressen en rekeningen van de hotels werden vernietigd, tot oom vroeg of hij ze mocht houden, die er dan nog over waren. Ja, wat streng was het daar! Alles moest oom uit zijn zakken pakken. Klaar ja! Nu gelukkig naar de Franse douane. Nou, die was nogal gemoedelijk. Je moest zeggen hoelang je in Frankrijk dacht te blijven. De sigaren, acht in getal, waren nog teveel. Maar ja, ze zeiden er niets van. Oom had groot geld en dat ging de beambte heel gemoedelijk wisselen. En verder maar weer eens! Het was twee uur. We gingen wat eten. Even verder zagen wij hoe een groep muzikanten die Duitsland in wilde, teruggestuurd werd. Wij betaalden in het restaurant en er was een vals geldstuk bij. Terug naar het grenskantoor en ja, we kregen het weer ingewisseld. Ze moesten het bij de mensen waar ze het gewisseld hadden zien terug te krijgen. Met verlicht hart gingen we weer verder, nu in Frankrijk. Ik geloof dat we de volgende dag in Straatsburg waren. We hadden malheur aan de fiets en daar hebben we na veel zoeken een gelegenheid gevonden. Straatsburg is een oude stad met een mooie kathedraal. Om drie uur gingen wij weer verder, na nog eens gedineerd te hebben in een restaurant tegenover de kathedraal. Wij kwamen op een punt over een rivier, waar het uitzicht zo mooi was, dat we even een biertje gingen drinken om te genieten van een zeldzaam natuurschoon. Hier, even over de grens, vertelden ze ons, hebben de katholieke priesters het goed. Ze krijgen een toeslag van het rijk en ook de Katholieken zelf hebben het beter. We zag hier veel monumenten voor slachtoffers van de oorlog ‘14 en in de Katholieke kerken vind je de namen van de slachtoffers in goud gegrift in een wit marmeren plaat die in een vak van de muur hangt. De kerken in Frankrijk bezitten prachtige schilderijen, schilderstukken op doek, van bijzonder grote afmetingen. Je kunt er haast niet op uitgekeken raken.

De kathedralen
De kathedralen in Frankrijk, die men in de grote steden aantreft, vind ik over het algemeen meer musea, waar vreemdelingen stof vinden om hun nieuwsgierigheid te bevredigen, vooral kunstkenners. Je vindt er prachtige raamschilderingen, maar de ramen zijn zo hoog, eigenlijk te hoog om goed te beoordelen. 15

Frankrijk op de tandem

In veel kathedralen kun je ook de mooie aankleding van de altaren bewonderen: mooi kant- en borduurwerk. We zijn ook in een Katholieke kathedraal geweest. Wij kwamen er op zaterdagmiddag. Het was een groots gebouw, maar het was gesloten. Maar om twee uur zouden er een paar trouwen. We hebben maar een uurtje gewacht. Toen het bruidspaar arriveerde, gingen we gelijk mee naar binnen. Twaalf meisjes in het wit gekleed stonden boven aan de trap, met palmen meen ik. Onder een boog van groen ging het bruidspaar door. Toen ze de kathedraal binnengingen, speelde het orgel en werd er gezongen. Ze gingen het altaar op, waar de priester was die hen bij de ingang ingehaald had. De familie schaarde zich ook op het altaar. Het koor zweeg. De priester sprak een rede. Er werd weer gezongen, onderhand waren ze getrouwd. De priester feliciteerde bruid en bruidegom en de familie. Ik meen dat de priester meeging naar de uitgang, waar de erewacht ze weer uitluidde en toen was het afgelopen. Wij zagen ‘s zaterdags verschillende bruidsstoeten. Het is daar de gewoonte om op zaterdag te trouwen. Wij gingen nog even rondlopen. Er was ook een prachtig wit beeld van Jeanne d’Arc, maar ik kan die kerken niet interessant vinden. Het altaar is veel te ver weg. We hebben ook wel kathedralen gezien, waar alle stoelen opgestapeld aan de kant stonden, ook zo’n ongezellig gezicht! We hebben ook een kathedraal gezien, waar zeer veel te zien was en waar onder andere Maria in stof gekleed was en het altaar rijk was versierd met echte kant en kostbaar lijnwaad. Buiten de kathedraal die wij bezochten stond een rij doodskisten van heel vroeger, honderden jaren geleden. Ze hadden de gewone vorm en waren van zandsteen. Er waren ook daar veel oude stukken te zien uit steen gehouwen.

Sens
In Sens zijn wij in een kathedraal geweest met de graven van vroegere koningen. Soms met groepen uit het leven uit steen gehouwen. Het mooiste in die kathedraal was een reliekschrijn. Daarin bevond zich het lichaam van een jong meisje dat in de tijd van de kerkvervolging haar leven voor haar geloof had moeten geven. Zij was in de catacombe begraven geweest, maar door Paus Innocentius aan die kathedraal geschonken. Het lichaam was op Romeinse manier gekleed met beenwindsels en met goud bestikte kleren. Zij lag als de H. Cecilia met opgetrokken knieën, haar handen naast elkaar. Haar gezicht had nog een aantrekkelijke aanblik, ofschoon toch ook iets van de dood. Je zag ook haar handen. Sommige waren zwart maar haar handen en benen waren normaal. Verklaren kan ik het niet. Het was een voorrecht dat wij helemaal bij haar kist mochten, anders moet je voor een hek op een afstand blijven. Dat is wel een van de mooiste verrassingen geweest. Er was in die kathedralen heel wat te zien van oude mis benodigdheden, maar wij waren trekvogels en ons doel was nog ver. In Frankrijk was het toch veel ............stand, want in Duitsland hebben wij bijna geen mannen gezien. Die waren al onder dienst geroepen. Je kwam er ook geen hond tegen en ook zag je nergens een kat. Je hoorde ook geen vogels. Maar in Frankrijk hadden ze overal een of twee katten waar wij logeerden en je zag ook weer honden, soms vogels in een kooi.

16

Frankrijk op de tandem

Orange
Toen wij in Orange waren, dacht oom geld te wisselen. Het was de 14e augustus, daags voor O.L.V. Mariadag. Hij kwam om twaalf uur, maar het kantoor was gesloten. Ze verwezen naar het politiebureau en die naar het Nederlandse consulaat. Die meneer ging zelf mee naar een hotel en daar kon oom wisselen. Oom kon zoveel krijgen als hij wilde. Jammer dat ik niet even met de vrouw van de Consul kon spreken, want die liep naast me. Toen we daar zo stonden, kwam er nog een wielrenner langs, die in Nederland ook meegereden had. Hij heeft even met oom staan praten. Wij gingen verder na eerst de poort bekeken te hebben. Hier moet de wieg van de voorouders van onze koningin gestaan hebben.

Avignon
We zijn ook in Avignon geweest waar wij het huis van de vroegere Paus gezien hebben. Veel mooie doeken schilderkunst zijn er te zien. Daarnaast was een kerk. Daar zag ik een afbeelding van de H. Nicolaas, waar hij de kinderen weer tot leven opwekt. Ook zag ik er een “Ecce Homo”-beeld geheel met stof bekleed met een rode mantel en een rietstok. Hier waren ook mooie schilderstukken. Daar in die omgeving waren een soort insekten die in het houtgewas huisden en niets als schreeuwen deden. Dikwijls zijn we van de fiets afgestapt, maar nooit konden wij ze vinden. We dachten naar Ars te gaan, maar waren onderhand al te ver. Toen we pas kort in Duitsland waren, was de fietsband al lek. Oom heeft hem zelf gerepareerd en dat was maar goed ook, want nog steeds hield het. We zijn onderhand ook poste-restante geweest. Ik geloof dat wij in Keulen de correspondentie van oom Toon hadden en in Straatsburg de brief van Hendrik. Tegelijk met die brief van Toon met nieuws van Abstede kregen we een brief van Breukelen met nieuws van mij thuis. Nooit met meer interesse een brief gelezen!

Lyon
Wij waren Lyon al gepasseerd en waren al een plaats verder, toen het ons inviel dat wij voor poste-restante Lyon opgegeven hadden. We hadden de berg op gemoeten, dus het was een hele teleurstelling dat we terug moesten. Het is wel veel zoeken, vooral in zo’n plaats als Lyon, om het hoofdpostkantoor te vinden. Dit gebouw is in de laatste jaren gebouwd en het is wel 50 meter breed met marmeren trappen van 20 treden. Het is geheel in het wit opgetrokken en prachtig van lijn met een groot plein ervoor met boombeplanting. Het inwendige is ook rijk beschilderd met kleurrijke taferelen, maar de voorstelling is onbenullig, banaal en laag bij de gronds. In Lyon hebben we de kathedraal bezichtigd die geheel van wit marmer was. 17

Frankrijk op de tandem

Wij gingen erheen en terug met de tandradwagen, want het was boven op een berg. Naast de kathedraal was ook een groot plein. Daar je boven de wolken stond, was het een interessant gezicht als je de wolken daar onder je zag hangen. Er was daar tegelijk een wonderbaar beeld aanwezig, zodoende waren er ook pelgrims. Ze brachten hun brood mee en daar op dat plein was een overdekte plaats waar ze het opaten. Ook ansichtkaarten waren er in verscheidenheid te krijgen. In die kerk was ook een groot beeld van de Pastoor van Ars. Wij hadden daar een groot hotel. Met de lift ging je op en neer, maar je bediende jezelf. Als de deur niet goed gesloten was, werkte het mechanisme niet.

Naar Nice
Nu gaan wij verder op Nice aan. Even voor Lyon merkte oom dat de rem van de fiets gebroken was. Dat was een teleurstelling, want op de rem moest je kunnen bouwen. Gelukkig was er een station, waar je benzine kon krijgen. Die mijnheer was zo aardig om het euvel te verhelpen, ofschoon er geregeld bediening nodig was en die mijnheer was maar alleen. We zijn nog binnen geweest en hebben een poosje gepraat. We konden op de kaart daar zien hoe bergachtig onze toekomst was. Dat was geen erge troost. We durfden weer op de fiets te vertrouwen. Het was wel moeilijk, want soms kwam je met een daling in een drukke straat en dan hield je je hart vast. Maar Oom was secuur en het ging altijd goed. De berg op ging wel, als er eerst een helling geweest was waardoor je een flinke gang had, dan kwam je er soms bijna geheel. Maar het was dan weer trappen. En je liep tussenbeide ook wel graag even. Hoe dichter we bij Nice kwamen, hoe bergachtiger het werd. Wel was het verrukkelijk schoon. Een stuk natuurleven, zo mooi! Ook dat draaien en draaien om zo’n berg en eindelijk was je er doorheen. Dat gaf iets eigenaardigs. Wanneer de weg rechtuit ging en er geen huizen stonden, genoten wij er wel van dat ons wiel zoveel kilometers maakte in korte tijd. De natuur was er schitterend en als wij in het vrije veld waren, hadden wij altijd een fris windje. Alleen wanneer je zo om twaalf uur in de straten van een stad was, brandde de zon en hoe meer we op Nice aankwamen, hoe warmer was de zon. Dan, eindelijk, zagen wij de Middellandse Zee. Je staat wel te kijken van het zuivere water en van de blauwe kleur. We gingen in zo’n hotel dat zo aan zee gebouwd was wat gebruiken. Je zag onderhand al de palmen, die zo groot zijn als bomen. Bijvoorbeeld hotels gebruiken de palmen veel. Er is dan een omheining van cement en dan is er telkens ook van cement een bak, waar de planten in gaan. Ik heb daar dikwijls verwonderd gestaan van het schitterende effect dat zo’n afscheiding daar geeft. En toch is het eenvoudig van steen. Ook brengen ze op afscheidingen versieringen aan met vazen van grote afmetingen met het model van een kruik. Die staan dan met gelijke tussenruimte op een plaats die daar voor aangebracht is. 18

Frankrijk op de tandem

Je ziet daar ook gordijnen van kralen in plaats van een deur. In sommige hotels zie je ze met prachtige patronen. Het zijn houten kralen of ook wel koperen kettingen.

Cannes
Toen wij op Cannes aan gingen, dachten we in een voorstad te logeren, maar alles was vol. Wij kwamen in Cannes en dat vind ik een van de interessantste plaatsen. Wij reden al van ‘s morgens vroeg langs de zee, omdat wij niet konden logeren waar wij dachten en zo kilometers verder moesten. Het werd al donker. Dan reden wij weer om een berg, dan weer langs de zee, vol hoop dat we in Cannes zouden slagen met een hotel. We hebben lang gezocht, maar toen het elf uur werd, brachten we ons rijwiel maar in de garage en gingen dineren. Het was ondertussen al twaalf uur en het was nogal een deftige zaak waar we gegeten hadden. En toen we nog eens een kop koffie en weer een potje bier gebruikt hadden, begon het al licht te worden. Naast ons zaten ze te kaarten en geregeld kwamen ze in en uit en zag je wat anders. Rasechte negers en geverfde vrouwen. Maar opvallend zo beschaafd als de zwartjes eruit zagen. We gingen vroeg op stap om ons rijwiel te halen. Er was iemand in de garage. Op ons bellen werd een ijzeren gordijn opgetrokken en wij stonden in de garage. Het was net na vijf uur en alles was in Cannes nog als ‘s avonds, toen wij er aankwamen. We stonden nog even te kijken op het stationsplein, maar toen pas, tegen vijf uur, gingen de mensen naar huis, zag je de auto’s voorrijden en de mensen vertrekken. Ook waren de straten nog volop verlicht toen we Cannes uit trokken. Cannes lijkt mij voor vakanties een mooie gelegenheid. Toen wij weer op de straat waren, een hoofdstraat, zagen we nog een diep treurig ongeluk. Een auto was over de weg gesmakt. Overal bloed. Ze waren net thuisgekomen bij hun hotel, maar hadden niet gezien dat het hek gesloten was. Met volle vaart erop ingereden! Twee mensen dood. De overlevende stond het net te vertellen.

Nice
Maar weer verder naar Nice. We hebben daar eens echt op ons gemak aan het strand gezeten. Beneden was een speelgelegenheid. Het was een rijke stad, Nice. Je zag er meer mooie winkels en mooie kerken. Er stond aangeplakt, dat er in september een wereldcongres zou zijn. De meisjes zijn er niet veel meer dan modepoppen. Die formeel geverfde gezichten en gebleekte haren! Net reclamepoppen.

19

Marseille

Frankrijk op de tandem

Wij hadden veel tijd verloren en we waren beu van het zoeken naar hotels en daarom gingen we met de trein naar Marseille. Daar slaagden we weer, ofschoon er wel veel mensen waren die de volgende dag met de boot naar Algiers moesten. Wij vonden het interessant om de boot te zien vertrekken, omdat je er zoveel van hoort als onze geestelijken naar de missie vertrekken. Maar het was al half twee voordat we Marseille uitgingen.

De pastoor van Ars
Nu de terugreis aanvaard. We moesten naar Ars. Dat was over Lyon. Wat hebben we veel moeten vragen, maar tenslotte zagen we een katholieke priester die op de straat de krant liep te lezen. Gauw! Ja hoor, we kregen alle inlichtingen. Dank U wel en weer verder naar Ars. De indruk die je krijgt als je eindelijk de weg vindt of liever het weggetje dat naar Ars gaat. Dan waan je je voor 40 jaar terug op de Nieuwenweg: een zandweg met aan weerskanten land, diepe sporen. Dan sta je nog meer verwonderd als je de herberg ziet. Precies een plein met een boom, een pomp, een oud huis met een deur met een ijzeren raam. En toch logeerden hier verschillende Priesters en is het ‘t voornaamste hotel. Waar wij onze fiets neerzetten, was de klei niet van je schoenen te krijgen. Het diner was voortreffelijk. We kregen appelmoes van goudrenetten toe. ‘s Morgens kreeg je een pot met koffie en kommen zo groot, van die ronde en een paplepel om op te lepelen. Toen we gedineerd hadden, ging we Ars in. Er waren twee zandwegen. Een ging naar het dorp, langs het kerkhof. Wij dachten hier iets te vinden wat onze Pastoor aanging. Maar toen wij een heel gewoon kerkhof vonden, gingen we weer verder. We zagen helemaal geen nieuwbouw. Alle oude huizen herenhuizen die voor hotel dienden. Eindelijk zagen we in de verte een dorpsstraat, ook het idee van vroeger. Het waren lage huizen met een klein formaat ramen. Voor het glas waren beelden en beeldjes van de Pastoor van Ars en andere kleinigheden. Kwam je binnen, dan zag je een vertrek met een tafel in het midden waar alles op uitgestald was en ook langs de muur in vakjes. Maar alles doodouderwets. Dan was er nog een straatje maar hier was de kerk met een trap van 15 treden. Het was een oude kerk met een portaal en dan stond je in de kerk, nog zoals het in die tijd in gebruik was: klein, met houten banken, zowat 15. Tegen die oude kerk is zo een nieuw gedeelte in de vorm van een koepel aangebouwd door de ene muur weg te breken. Het lijkt een kathedraal in het klein. Er was een gezelschap in de kerk en een priester stond op de preekstoel. Toen de plechtigheid afgelopen was, gingen we even naar voren. Daar zagen we de pastoor van Ars op zijn doodsbed. Hoe groot of onze verrassing en ons geluk was, kan ik niet beschrijven. Wij wisten alleen dat die Pastoor daar geleefd had. Nu lag daar werkelijk zijn eigen lichaam in een reliekschrijn, zo dichtbij je! Het was een grote beloning voor al onze moeite. We hebben daar in het bijzonder gedacht aan Ignard, die als jong priester al zoveel jaren ligt en zijn belang aanbevolen. Nu werd de kerk gesloten, maar 20

Frankrijk op de tandem

de volgende dag mochten wij hier weer een uurtje doorbrengen. We hebben nog een poosje in onze landelijke herberg doorgebracht en gingen toen naar bed. ‘s Morgens eerst naar de kerk en ter communie. En toen hebben we de pastorie van Pastoor van Ars gezien: zijn slaapkamer, het ledikant met gordijnen, dekens en matrassen, de schilderijen en een bidstoel. In een tweede kamer lagen in vitrines al zijn miskleding, lijfgoed, beddengoed, schoenen, een stuk of vier paar pantoffels. Verder al zijn goed en zijn gebruik, ook een medaille van Napoleon. Wij waren echt voldaan dat wij alles gezien hadden van ons eenvoudige pastoortje. Het was alles van hout: het huis en nog net als voor 40 jaren geleden. Er waren op dat moment ook veel priesters. Sommigen ook op de fiets. Er was ook een bisschop die in alle eenvoud ergens in de kerk ging zitten, maar iemand kwam al gauw met een beklede stoel aandragen en zette de bisschop vlak naast het reliekschrijn. Of hij het leuk vond? Hij had misschien liever eens heel gewoon willen zijn. Er was ook een secretaris bij, die zat bij ons. Wij moesten voor onze schoonzoons als aandenken een pastoor van Ars meebrengen, dus die gingen we kopen. Eer we goed en wel weg waren, was het twaalf uur. Nu maar weer verder. Een nieuwe weg. Bergen en een rivier. Onze ansichten hadden ook tijd in beslag genomen. Toen kregen we een lekke band. Gelukkig was er een fietsenmaker dichtbij.

Mina

21

Frankrijk op de tandem

Hier volgt een latere versie van hetzelfde verhaal. We konden geen cadeaus kopen vanwege de ballast die het gaf als wij door Duitsland reisden. Mijn broer ging wisselen en ik bleef bij de fiets. Er kwamen al gauw veel mensen die alles wilden weten over Holland: of wij nog eten konden open zonder bon, of de schoenen die ik aan had nog te koop waren, of ik de stof van mijn japon nog had kunnen kopen, enz. Toen ons Prinsesje in die dagen geboren werd, leefden ze in Duitsland ook erg mee en feliciteerden ons ermee. In Duitsland hing overal in de huizen waar iets te koop was een grote foto van Hitler, maar verder waren alle schilderijen van de muur verwijderd. Onze reis langs de gehele linie van de Rijn was wondermooi. We kwamen nog langs een plaats, waar men een heilige vereerde, die tegen vallende ziekte beschermde. Er was juist een bedevaart binnengekomen. Het onaangename van de Duitse reis was wel, dat in dezelfde richting de hele dag door militaire wagens met zeildoek overspannen, soms drie achtereen, je voorbij snorden en je wist niet wat er vervoerd werd. In de cabines zaten steeds drie militairen, maar wat er achterin zat was een raadsel. ....woord kon hun het leven kosten. De volgende dag voormiddag hebben wij eer gebracht aan Maria en aan het sacrament des Altaars. Wij hebben de zegen gevraagd en onze reis onder de bescherming van Maria gesteld. Wij trokken de Duitse Rijn langs. De indruk die wij van het begin af dat wij Duitsland binnen trokken kregen, was drukkend. Je voelde dat de atmosfeer tot berstens toe geladen was. De mensen leefden onder de druk van het regime. Ons tweede hotel was aan de Rijn gelegen. Zo schitterend was het uitzicht vanuit mijn kamer, dat je je er bijna niet van los kon maken. Ons diner toen wij er ‘s avonds aankwamen, was buitengewoon solide. Wij konden een keuze maken. Zij mochten aan de buitenlandse gasten niet laten blijken hoe groot het gebrek aan levensmiddelen was. Het was opvallend hoe ze schrokken toen wij naar een katholieke kerk vroegen. Het duurde lang eer zij ons uitsluitsel gaven. Er was een kerk waar zondags zes geestelijken bedienden, maar in de week was er geen mis en was de kerk gesloten omdat de mensen moesten werken. Ze moesten de bouw binnen halen. We werden door Duitsland heen geholpen als het nodig was. We waren nog 200 km voor de Franse grens. We kwamen in een stad aan. Tot onze teleurstelling vertelden de mensen dat de militairen in die stad ingekwartierd waren en de bedden van de hotels onder andere innamen. Toen we bij het eerste hotel aankwamen, was het vol, maar we kregen de belofte terug te mogen komen als wij verder ook niet slaagden. Zo stonden wij dan later weer bij ons eerste hotel. De eigenaar van het hotel liet onze tandem opbergen en enige militairen boden mij hun kamer aan. Mijn broer kreeg in de badkamer een ledikant. De meisjes zag je slepen en sjouwen op de late avond om het in orde te brengen en het was of wij thuis in ons eigen bed lagen. Er was daar wel een muggenplaag zoals ik nog nooit meegemaakt heb, 22

Frankrijk op de tandem

behalve op onze reis in een bos, waar ze je gewoon aanvielen en je bont en blauw beten. Toen we de volgende dag weer aan een logies toe waren, waren wij nog maar enkele uren van de grens verwijderd. Het was zondagavond en er was geen gelegenheid geweest om de marken in te wisselen tegen Frans geld, maar de zoons van de eigenaar van het hotel waren werkzaam op een bank en zo werd dat probleem opgelost. We wilden de volgende dag de voormiddag benutten om naar de kerk te gaan en zo en in de namiddag vertrokken we. Duitsland had iets drukkends. Er was niets dat een beetje sfeer bracht en we verlangden naar Frankrijk. Na enige tijd rijden liep de band van de fiets leeg, wij waren in een vallei ver van de bewoonde wereld. Gelukkig had mijn broer gereedschap bij zich om de band te repareren. Dat was dus een uitkomst. Maar toen mijn broer in een stroompje het lek van de band trachtte te ontdekken, bleek dat onmogelijk. Omdat ik niets kon vinden om water in te doen, lukte het niet. Ik moest op zoek naar zoiets zei mijn broer. Tenslotte bleef ik bij de fiets. Het duurde erg lang eer Herman terug kwam en ik ben nog nooit zo blij geweest. Hij had een pan in zijn hand. Zijn relaas was, dat hij na veel zoeken een verlaten steenkoolmijn had ontdekt. Hij was er in gegaan met de gedachte dat daar weleens een pan kon zijn achtergelaten. Maar het was er stikdonker. Met een lucifer moest hij zijn weg zoeken, maar hij vond er wat hij zocht. Hij had nu het nodige materiaal bij elkaar en al gauw was de band keurig geplakt. Verder maar weer. Wij kwamen aan een post van soldaten dicht bij de grens. Zij hadden niet veel te zeggen, maar zij verwachtten instemming met de groet van Hitler. Het overviel ons. Eerst wisten wij niet wat wij doen moesten, maar toen maakten wij maar gauw dat we wegkwamen. Eindelijk de laatste post eer wij het land zouden verlaten. Mijn post was bij onze boel: onze fiets en bagage. Het duurde lang, zeer lang eer Herman te voorschijn kwam en ik verwachtte een teleurgesteld gezicht maar we konden verder. Een paar passen en Duitsland was aan het einde. Onmiddellijk daarop de Franse grens waar wij heel welwillend werden doorgelaten. Toen we verder reden, hoorde ik hoe het bij de grensbeambte van Duitsland was gegaan. Herman moest alles wat hij bij zich had laten zien, onder andere ook zijn portefeuille. Van beleefdheid was geen sprake. Alle rekeningen van de hotels waar we gelogeerd hadden, werden verscheurd. Tot grote schrik werd er een adres gevonden van een stationschef welke wij toevallig ontmoetten in verband met een aanrijding die voor ons noodlottig had kunnen worden als er niet iets was geweest dat onze soliditeit had bevestigd. Het laatste dat uit de portefeuille werd gehaald, was een adres als Directeur van de SOL en toen was alles weer goed en hadden wij het vertrouwen dat we geen spionnen waren. Die aanrijding had wat te maken met die stationschef, omdat die stationschef op een trein stond die ons passeerde op het ogenblik van de aanrijding. Het was een dame op leeftijd die aan de verkeerde kant van de weg liep en doof was. Op het ogenblik dat wij passeerden stak ze over, ofschoon wij maar steeds belden. Toen er later mensen kwamen, gingen ze de dokter en politie 23

Frankrijk op de tandem

halen. Maar toevallig kwam er een heer, die zich voorstelde als de zoon van het slachtoffer. Het was de stationschef die alles zag gebeuren daar hij op een trein stond die op het ogenblik van de aanrijding voorbij kwam en die zei dat wij hoegenaamd geen schuld hadden. En wij konden daardoor weer verder. Gelukkig maar, want je staat gek te kijken. In een vreemd land neemt niemand het voor je op. Wij hadden in het land dat wij verlaten hadden nooit honden en katten gezien. We zagen nooit vogels. Maar in Frankrijk kwamen wij in het eerste het beste hotel twee grote witte katten en een grote jachthond tegen. Het eten was in het buitenland steeds wel goed. Bij het ontbijt wordt niet veel omhaal gemaakt. Brood zo dik als en pols en in de vorm van een stok. De boter zit er ingebakken en het is bros gebakken. Je eet het zonder meer op. Geen beleg of boter en koffie wordt er heel dikwijls bij gegeven in een pot. Dan wordt het in een grote kom gegoten en met een lepel naar binnen gewerkt. ‘s Middags een koud diner dat heel uitgebreid is bij het ontbijt vergeleken. Eerst een schaal waarin verschillende vakjes zijn, met voor twee personen bestemde consumpties. Je ziet dan rode kool en sla. Verschillende soorten groenten die hier gekookt worden, worden daar rauw toebereid. Verder ham, haring en verschillende worstplakjes. Verder komt er een stuk mager vlees met gekookte maar koude groente, en altijd brood. Verder een schaal met verschillende soorten kaas en nog fruit. Dat is ‘s middags om twee uur. Om half acht ‘s avonds is er gelegenheid om te dineren. Er is dan steeds soep vooraf en altijd een groot stuk vlees, steeds brood, groente, nooit aardappels. Maar het is best ruim voldoende. In het eerst misten wij de aardappels. Je kon ze wel bestellen, maar het was een grote moeite. Je kreeg ook weleens omelet. Herman leek het niet aanlokkelijk, maar toen hij het eens geproefd had, vond hij het lekker. Wij waren zeer hongerig na zo’n dag van fietsen en wij aten alles op, tot ergernis van mijn broer, die vond dat de etiquette vergde nog wat over te laten. Maar ik vond dat ik het beter op kon eten, dan dat het in de kiepelton ging. Als wij ‘s avonds ons hotel hadden gevonden, waren wij wel moe, maar het was zo fijn. Je ging je eens lekker wassen en je trok een andere japon aan en dan was de eetzaal een paradijs. Zo’n zaal was dan bezet met veel mensen. Het scheen de gewoonte te zijn buitenshuis te dineren. En je genoot, net zo goed als van de buitenlucht. Maar als je de hele dag op de fiets gezeten had, ging je ‘s avonds maar liever niet meer uit. Het was bedoeld als een afstandsmars, dus wij hielden ons nergens lang op. Om half negen begon de rit. Die werd afgebroken na elke twee uur rijden en dan gingen wij weer eens langs de weg wat gebruiken van het fruit dat wij bij ons hadden: meloen, pruim, perzik of ook wel eens iets anders. Het zeil was een uitkomst. Je kon er op zitten. In Frankrijk vind je buiten de grote rivieren bijna geen sloot langs de weg. Om half elf dachten wij aan de koffie met melk die maar zeldzaam is in dat land en waarvoor je soms heel wat moeite moet doen. Maar lukken deed het altijd. Het weer was steeds goed en de Rijn mooi. In Sons in Frankrijk hebben wij een kerk bezocht waar in een glazen kist het stoffelijk overschot werd 24

Frankrijk op de tandem

bewaard dat voorheen in de catacomben was bewaard geweest en dat uit de tijd van de kerkvervolging stamde. Het was een jong meisje, gekleed in Romeinse dracht in harnas. Het opvallende was dat zij met opgetrokken knieën op haar zij lag. Het leek een jong meisje. Haar mond was iets open en daardoor waren haar handen te zien die zwart waren. Ze was een gewelddadige dood gestorven en de wond van het mes waarmee ze gestoken was, was te zien. Het geheel was aan de kathedraal geschonken voor paus Innocentius die waarschijnlijk resideerde in Avignon. Door een toeval dat de gids die een gezelschap rondleidde vergeten had het hek te sluiten, zijn wij helemaal tot de kist geweest en hebben alles goed opgenomen. De kist stond alleen in een afgesloten ruimte langs de buitenmuur van de kerk waar meestal altaren zijn waar de mis gelezen wordt. De bodem was van hout, de rest van glas. We hadden grote belangstelling voor de pastoor van Ars en we stonden erop om dat plaatsje te gaan bezoeken. In het heengaan waren wij er al lang voorbij, eer wij het wisten. Maar in het teruggaan hebben wij lang gevraagd en gezocht, maar eindelijk waren wij er. We zijn nooit meer verwonderd geweest dan over dat plaatsje. Om er te komen moest je een zandweg volgen, zo smal dat er geen auto er kon rijden. Toen waren we er. Het voornaamste huis was daar het hotel. Waterleiding was er niet. Een grote pomp voor het huis was de enige watervoorziening. Alles leek veertig jaar geslapen te hebben. De zaal voor de mensen, niks geen luxe. Alles ouderwets en toch kwamen er maar steeds door mensen. Er was een bisschop en vele priesters die daar heen getrokken waren om de Heilige pastoor van Ars te zien. Er kwam ook nog een pastoor aan per fiets die dagen gefietst had wegens de afstand. We waren moe en hebben ons eerst wat verfrist in het hotel en gegeten en toen waren wij weer fit. Op zoek naar het relikwie van de Heilige. We gingen de enige verkeersweg op. Er was maar een weg, dus dat kon niet missen. Eerst kwamen wij een man tegen die erg dronken was. We waren bij het kerkhof en wij dachten daar het graf te vinden van de pastoor van Ars. Er waren nogal wat mensen die daar liepen maar wij vonden niets wat daarmee in betrekking kon staan. Wel een kerkhof dat getuigde van de grote verering die die mensen voor hun doden hadden. Wat mij daarvan is bijgebleven is de zeldzaam mooie kransen van kralen gemaakt, maar onnoemlijk mooi. Op elk graf bijna een foto van degene die er begraven ligt en je krijgt het idee dat geen moeite of kosten gespaard zijn. Er waren heel wat dingen gemaakt van die kralen in de mooiste kleurschakeringen. Vocht noch zon had invloed op die werkstukken. En er was niets bij dat al geleden had. Alles was nog als nieuw. In Frankrijk maken ze heel wat werk van de graven waar hun doden rusten. Daar is geen geld te duur voor. In Parijs zijn we op een kerkhof geweest. Daar zag je dikwijls boven een graf een kapel gebouwd die wel meer gekost kon hebben dan de kapel op het R.K. Kerkhof in Utrecht. En toch zijn het maar particuliere instellingen. Er kan een mis gelezen worden en er is ruimte voor de hele familie en op die altaren is het in de regel ook een bloemenpracht! Je ziet ze zo in hele slierten, die kapellen en kapelletjes, maar ook graven die gesloten zijn met 25

Frankrijk op de tandem

prachtig marmer. De pastorie, waar de pastoor van Ars geleefd heeft, is nog in dezelfde toestand als toen de pastoor er woonde. In de pastorie is alleen het nodige. Zijn ledikant is met gordijnen omhangen. Eronder staan zijn schoenen en zijn leren. Alles is er tentoongesteld. Ook een geschenk van Napoleon aan de pastoor van Ars. Zijn misgewaden en verdere benodigdheden voor een priester zijn er te zien. Er is geen vloerbedekking maar een planken vloer. Aan de kerk is ook niets veranderd, maar er is een nieuwe kerk tegen aangebouwd. Toen wij in de kerk waren, kwam er een Bisschop met zijn secretaris binnen. De koster die ze zag komen, haalde gauw een mooie stoel voor de bisschop en zette ze op een mooie plaats. Maar de Bisschop bedankte beleefd, en ging doodeenvoudig op zijn knieën bij de schrijn zitten. ...komen die met pastelkleuren geverfd zijn en zo’n mooi effect geven, dat je er met bewondering naar kijkt. Je ziet ook dikwijls mooie dakbedekking van pannen. Gordijnen, daar zie je weinig van. In de eerste plaats zijn de ramen er naar binnen gebouwd. Bijna altijd zijn de sponningen van ijzer waar het glas in gezet is. De kozijnen zijn klein en veelal met kleine afdelingen voor glas. Als het zomer is, zoals bij onze reis in augustus, zijn zo goed als alle ramen gesloten met luiken om de zon er uiten te houden. We hebben heel dikwijls opgemerkt, als wij en hotel hadden en onze kamer opzochten, hoe koel het was, terwijl het buiten warm was. Dat heeft waarschijnlijk zijn reden dat zo’n huis gebouwd is met spouwmuren en plafonds, vloeren en trappen van steen en met ramen die binnenwaarts geplaatst zijn. Ook zijn in elke Franse stad op de dag de ramen voor de zon afgesloten en ziet het er doods en verlaten uit. Wanneer we in de stad waren, gingen we de kathedraal bezoeken. Heel dikwijls was er een gids. Je kon er bijzondere misgewaden en wat daar bij hoort bewonderen, maar daar hadden wij geen tijd voor. We moesten afstand maken en gingen dan maar even zo’n kathedraal door. We zagen ook nog de tombe van Lodewijk XIV in de kerk van Sons. In Parijs zijn we in de Notre Dame geweest en in de kerk van het .Hart, een kerk van wit marmer boven op een berg, boven de wolken uit. Het was een bedevaartplaats, voor welke intentie weet ik niet. Veel mensen brachten hun brood mee en aten het maar op. Er was een groot plein om de kerk heen en je kon er ook sommige dingen kopen van religieuze waarde. Met een trap ging je op en met een tandrad er af. Je was dan midden in het verblijf van de kunstschilders Montmartre. Er was niet veel buitengewoons te zien. Nauwe straten en veel winkels. Napoleons graf zijn we ook nog gaan bezichtigen. We hebben ook het vroegere paleis van de paus in Avignon bezocht. Van buiten ziet het er kunstzinnig uit met zijn mooie stoepopgang en marmerwerk, maar binnen is alles zo groot en je ziet bijna niets dan kale muren. Soms wel reusachtige doeken die geschilderd zijn maar over het algemeen is het een ruïne. De gids maakte ons nog opmerkzaam op de oorspronkelijke Ecce die heel eigenaardig was. De stad Avignon geeft wel een voorname indruk. Orange zijn we ook gepasseerd wat aan het koninklijk huis herinnerde. Bij die poort ontmoetten wij een Hollander, en die verschillende wedstrijden hier gewonnen had en vroeg of wij hem kenden. Wij hadden graag lang met hem 26

Frankrijk op de tandem

gepraat, maar we waren niet erg in de stemming. Ons geld was op en wij konden niet wisselen. Het was 14 augustus na twaalven en alle banken waren verlaten wegens de Mariadag op 15 augustus. Wij vertelden onze moeilijkheden en hij verwees ons naar de politie, die ons weer naar de Nederlandse Consul verwees. De consul en zijn vrouw gingen met ons mee naar een hotel en de eigenaar was zo welwillend ons uit de geldnood te redden. Jammer, ik had graag wat gepraat met de vrouw van de consul maar ik was de taal niet machtig. We hebben ook een keer meegemaakt, dat wij in een stad aankwamen en niet slaagden met logies. Alle hotels waren vol. Toen zijn we naar de pastoor van de parochie gegaan. We konden een verklaring van de pastoor van onze eigen parochie tonen, in het Latijn, over onze identiteit. Daardoor was de pastoor zo welwillend ons een dak boven ons hoofd te geven. Hij bood ons ook wijn en brood aan, maar wij hadden al gedineerd. De pastoor zorgde zelf voor ons, maar we hadden de volgende dag geen gelegenheid de pastoor te bedanken om de doodeenvoudige reden, dat hij drie parochies te bedienen had. Behalve catechismus voor al de kinderen, dat kwam er ook nog bij. Wij kwamen zaterdagavond laat aan, maar toen was hij nog niet thuis van het biechthoren. Het doet je zo goed dat er overal goede mensen zijn. De reden dat wij geen logies konden krijgen, was dat wij wat laat waren. Om half acht kom je altijd wel klaar. Ze hadden ons naar particulieren gestuurd, maar het was zaterdagavond. De meeste mensen hadden logies, ook al omdat het augustus was, dus vakantietijd. Toen zijn we naar de pastorie gegaan. De huishoudster deed open. Ik moest bij het rijwiel blijven. Mijn broer was afgescheept en hij zei dat hij de indruk had, dat ze een ka was. Toen dacht ik opeens aan ons identiteitsbewijs dat onze pastoor had gegeven voor in tijden van nood waar het stempel van de parochie en de handtekening van de pastoor op stond. Mijn broer had niet veel zin, maar tenslotte belde hij maar weer aan en liet het bewijs zien van onze pastoor. Toen vertelde zij dat de pastoor er niet was, maar over een uur konden wij terug komen. Niet later, want dan lagen zij op bed. Wij erheen, maar de huishoudster zei, dat de pastoor te moe was en wij niet ontvangen werden. Maar de pastoor kwam naar de deur, nam de brief aan en ging hem binnen lezen. Toen hij terugkwam, was hij heel voorkomend en zei dat hij ons onderdak zou geven. De huishoudster vond dat het niet ging, de pastoor bood echter wijn en brood aan, maar wij bedankten en toen zorgde hij zelf dat wij konden slapen. De pastoor die ons nachtlogies gaf, was die morgen erg bezet en er was bijna geen gelegenheid om hem te bedanken. We hebben toen maar enkele uren gewacht tot hij klaar was met de hoogmis in zijn eigen parochie. Toen kreeg mijn broer even gelegenheid en ik geloof dat het toen twaalf uur was. Ik bleef zo lang bij de fiets. Wij wilden de pastoor nog iets in geld geven, maar hij bedankte. Hij vertelde dat hij Hollander van geboorte was. ergens in Frankrijk zagen we ook nog, dat er warme stoom uit de grond kwam. Het leek wel op mist, maar het waren warme dampen, die uit de grond opstegen. 27

Frankrijk op de tandem

Mooie doeken waren er in de kerk. Het is vooral in Frankrijk in de kerken de versiering in zo goed als alle kerken. Frankrijk heeft zeker veel talenten opgeleverd in de loop der jaren. Als wij in Parijs gingen mishoren en je kwam zo’n kathedraal in, scheen er niemand in te zijn. Toch werd er ergens mis gelezen. Soms achter het hoofdaltaar waar de parochianen bijeen waren. Meestal gingen we ‘s morgens naar de mis, om half acht ongeveer. Maar het is wel geweest, dat wij met twee mensen de parochie vertegenwoordigden. Het viel ons op, dat onderweg in plaats van deuren gordijnen van kralen snoeren zijn. Men gaat er door en meteen sluiten ze weer af. Ik vond het zeer gemakkelijk. Men hoeft niet te kloppen en de deur open en dicht te doen en insekten kunnen er niet door en het is ook een aardig gezicht met die kralen van verschillende kleuren. Het was op onze reis door Frankrijk dat wij dat tegen kwamen. Er was in die tijd ook nog een wedstrijd. Het was op zondag en alle mensen stonden langs de weg te wachten om de fietsers te zien en toe te juichen. Op een gegeven ogenblik kregen ze de tandem uit Holland in de gaten en toen ging er een gejuich op en klonk er een hoera voor ons. En dat was overal waar wij langs kwamen! Ze reden in de richting waar de Tour de France vandaan moest komen. Om twaalf uur stonden de mensen al aan de weg en om twee uur kwamen de renners pas door. We reden dus twee uur langs de wachtenden heen en overal waar mensen stonden, werden wij toegejuicht als Nederlandse toeristen. Nou, dat was ons nog nooit overkomen en we hadden er echt schik in. Eindelijk kwamen we ze tegen, de Tour de France. Eigenlijk een armoedig groepje van vier deelnemers en een auto die meereed voor de controle. Ze zagen er doodmoe uit en namen nergens notitie van. Toen we dicht bij de Middellandse Zee waren, ontdekten we voor het eerst een echte palmboom en dat was fantastisch mooi. Ook erg mooi zijn de bergen zo langs de zee, met de buigingen van de wegen die zich om de bergen heen slingeren. De steden die langs de Middellandse Zee liggen, getuigen van en grote pracht en weelde. De hotels met hun grote entree van tuinen en verzorgd met planten en bloemen. De muren, die om het geheel gebouwd zijn en die versierd zijn met vazen. De mooie hekken, alles even kunstzinnig. Het geheel geeft iets moois te zien. In Frankrijk zagen wij op onze weg geen voetgangers en ook geen fietsers. Het vervoermiddel is daar de auto. Ook de oudste auto’s rijden er. Toen we dicht bij Cannes waren in een voorstad, was het tijd om een hotel te zoeken. We kwamen ergens, maar daar was iets wat ons niet bevredigde. Wij wisten wel dat als wij twee uur fietsten, we weinig kans hadden om een hotel te krijgen in Cannes. Maar wij wilden daar niet graag logeren. Er was een rechte weg langs de Middellandse Zee. Aan de ene kant van de weg de zee, aan de andere kant de bergen. Het was een mooie tocht. De weg was helder verlicht en verder zag je de stad al naderen. Cannes is een zeer mooie stad en daar komen er veel uit Engeland over om er hun vakantie door te brengen. Maanden tevoren zijn er al logies besproken en 28

Frankrijk op de tandem

zijn er maar weinig kamers meer vrij. Zo kon het gebeuren, dat toen wij er laat aankwamen er geen kamer meer vrij was. Wij werden eerst nog naar particuliere huizen gestuurd maar toen zei mijn broer opeens: “Wij zullen eerst ons rijwiel opbergen. Dan gaan we eten en dan gaan wij maar weer verder zoeken.” Waar wij gingen eten troffen we de eigenaar van de zaak die nogal belang stelde in onze toestand. Die zei: “Zoeken jullie maar niet meer, want er is bijna geen kans van slagen. Jullie mogen hier blijven als jullie er iets voor voelen. We blijven de hele nacht open. Het is nu nog stil en jullie kunnen een goede plaats uitzoeken en wanneer je af en toe maar wat gebruikt, kan er niemand wat van zeggen en het is mij goed.” Wij gingen erop in. Het zag er deftig uit en we hadden een makkelijke zitgelegenheid. We bestelden eerst een diner. Het was onderhand al laat eer wij er mee klaar waren en dan later nog koffie enz. Er was daar de hele nacht door een goede bediening tot dineren toe. Je kon niet begrijpen dat het toen al nacht was in die zaak, want geregeld gingen en kwamen er weer mensen binnen, die wat gebruikten en weer gingen. Negers waren er ook veel bij en kleurlingen van verschillende nationaliteiten. Het was in de zomer en de mensen zagen er uit als badgasten. ‘s Morgens om vijf uur werd het minder. Het bleek later, dat wij in een hoekje zaten waar anderen altijd hun vaste plaats hadden, maar de eigenaar werd geroepen en die zei dat iedereen recht had op die plaats en daarmee was het af en konden ze een andere plaats nemen. Het bleek dat het een gezelschap was van vier en dat ze een soort spel speelden waarvoor de tafel die wij hadden erg geschikt was. We zijn ook nog aan het strand geweest. De zee ziet er blauw uit en is op de bodem met grind bedekt in plaats van het zand. Het is zeer mooi dat water met zijn blauwe weerschijn en het is er fijn om te zwemmen. Er was een zitje langs het strand. Ofschoon het warm was in de natuur, was het daar fris. Dat was in Cannes. Toen wij ‘s morgens om vijf uur gingen rijden, gingen de mensen die uitgeweest waren pas naar huis en zag men een stroom van auto’s passeren. Alles was om 5 uur in de morgen nog in avondstemming: alle lichten in de stad brandden en de mensen waren nog in actie. Het viel niet mee, toen wij aan het fietsen gingen, om de weg zonder vragen te vinden want de mensen reden in auto’s. We zagen onderhand nog een ongeluk. Mensen die in een hotel logeerden waren op weg naar hun hotel. Het hek bleef altijd open tot de gasten thuis waren. Nu was het gesloten geweest en waren ze er tegen gereden. Twee doden. Er stonden enige mensen omheen gegroepeerd waaraan wij verder de weg vroegen naar Nice. Het was een moeilijkheid om onze kleren gewassen te krijgen daar ze het in de hotels ‘s avonds niet deden. We hebben toen als echte kampeerders 29

Frankrijk op de tandem

gedaan. Radion was in Frankrijk te koop ofschoon het een Hollands produkt was en toen al in het buitenland een veelgevraagde zeep was. In het hotel mocht ik zelf ‘s avonds wat ik had in de wasbak waar ook warm water was wassen, omdat er geen andere oplossing was. Wat we nog als bagage hadden, zat in twee zakken aan weerszijden van de fiets. Maar twee regenjassen, overhemden, oorden, japonnen, linnengoed en een zeil. Dat was noodzakelijk, maar al wat wij er nog bij kochten, zou de ballast vermeerderen. Daarom was er geen andere oplossing. Het was zo, dat het in Frankrijk warmer is dan hier. Dus dan vindt men het heerlijk om je ‘s avonds bij aankomst te verkleden. Het werd dan goed droog uitgewrongen, in een waterdicht papier gepakt en op de tandem gebonden. Wanneer het de volgende dag tegen twaalven was en het tijd was om te rusten, deden we dat ergens waar wat houtgewas langs de weg stond en daar hing de was dan een paar uur en was droog. Nooit kwam er iemand langs lopen en wanneer er auto’s passeerden, lachten ze zo’n beetje om ons gedoe en zwaaiden ons goedendag, want aan het systeem fiets zagen ze wel waar wij vandaan kwamen. De meeste mensen waarmee wij onderweg in aanraking kwamen, hadden nog nooit zo’n zware kar gezien, want hun tandem beur je met een hand op, zo licht! De volgende dag in een ander hotel mocht ik dan wel strijken. Ik maakte daar enkel maar gebruik van als het een japon of overhemd was. Wij konden niets........ Het is in Frankrijk gewenst om een stad zien te bereiken om te logeren, want de dorpen lenen zich er niet toe. We logeerden dus steeds in een stad, maar telkens kwamen wij er van onder de indruk hoe verwaarloosd de kerken in Frankrijk er uit zien. In de regel is de pastorie er tegenover, maar bijna altijd ziet die er van buiten zeer armoedig uit. De pastoor heeft dikwijls geen koster en soms ook geen misdienaars. Soms antwoordt een vrouw uit de parochie de priester. Dat is dus de enige hulp. De pastoor trekt zelf aan de bel, wanneer hij op weg is naar het altaar. Soms waren er ‘s morgens in de mis religieuze zusters en dan was alles anders. Dan zagen wij ook kinderen in de kerk en was alles weer zoals het hoort, maar dat kwam je heel zelden tegen. Mannen zagen wij nooit ‘s morgens door de week in de kerk. We zijn in Duitsland zondags in de kerk geweest en daar was de mis speciaal voor de kinderen tot 18 jaar, die dan ook de kerk geheel innamen en waar een geestelijke de leiding had. In Parijs zelf lijkt het godsdienstige leven te bloeien. Daar zie je ook door de week wel mannen en jongens in de mis. Van communie uitreiken wordt in Frankrijk wel veel werk gemaakt en worden de ceremonieën in acht genomen. Wij ontmoetten in Duitsland en ook in Frankrijk mensen die daar vroeger in betrekking gegaan waren of daar een bedrijf uitoefenden. Toen we door Duitsland gingen, zagen wij nooit een auto uit Nederland passeren. Pas later wisten wij waarom het was. Wij zijn ook naar Marseille geweest. Die naam werd veel genoemd naar aanleiding van de vertrekkenden naar de missie en wij hebben ook de boot zien vertrekken naar Algiers. Wij vonden dat interessant.

Onze tandem.
30

Frankrijk op de tandem

De banden werden slecht toen wij op de terugweg waren. Telkens vroegen wij of er nieuwe banden te koop waren. In Frankrijk misschien, maar de werkelijkheid was dat die grote maat van banden die ook maar enigszins om de wielen van de tandem pasten, nergens te krijgen was. Steeds weer werden de banden gerepareerd. De laatste keer waren wij nog een eind van Parijs af, maar die mijnheer beweerde dat wij zo ver nog wel kwamen en dat kwam net zo uit. Maar in Parijs was niemand, die de banden nog kon repareren. In de verste verte niet! Wij moesten dus het rijwiel meenemen en verder met de trein gaan. We zijn nog vier dagen in Parijs geweest. We hadden een goed hotel en gingen van daar uit met de ondergrondse Parijs bekijken. De Eifeltoren was verlaten. Er was niets geen leven in. Alle vermakelijkheden waren gesloten. Geen schouwburg of iets dergelijks. ‘s Avonds om zes uur werden de zaken gesloten. Ook bij de hotels werd alles om zes uur al binnengehaald. We moesten met de nachttrein vertrekken omdat we het rijwiel gelijk mee wilden nemen, omdat het gehuurd was. Twee uur hebben we moeten wachten op een bewijs voor onze tandem, want de mensen stroomden steeds maar binnen, alles moest naar huis. De trein vertrok over tijd en was overvol. We zaten als haringen in een ton! Tot overmaat van ramp ging mijn broer op een tussenstation kijken of ons rijwiel goed verzorgd was, maar het was door de consternatie die er heerste in Parijs in een afgehaakte trein blijven staan. Op het station in Parijs was het triestig met de blauwe lichten en ook in de trein die voor een bedevaart in Lourdes was en overhaast had moeten vertrekken. Wij kwamen in Utrecht aan om half elf. Zo goed als gaar. We hebben daar lekker gegeten en zijn verder naar huis gegaan. Mina

31

Frankrijk op de tandem

HET GESLACHT VAN BEUSEKOM, DE FAMILIE VAN DEGENKAMP, HET BISSCHOPSGRAF.
Een eerste proeve van geschiedschrijving in 3 pagina’s, met het verzoek aanvullingen en correcties te sturen aan Steenhuis, Huusbroeklaan 74, Hoogezand. (De opmerkingen tussen haakjes zijn aanvullingen en verbeteringen door Ben van Beusekom, zoon van Kees van Beusekom) Elke anstandige familie heeft wel een geschreven geschiedenis, dan wel een stamboek. De familie Van Beusekom met als zijtak de Degenkamptak, tenslotte een der vooraanstaande katholieke families in Midden-Nederland (volgens “Het Centrum” 1962) heeft bij mijn weten niets. Dit wordt een eerste poging tot zoiets. De stamvader van het geslacht is Johannes van Beusekom, in familiekringen beter bekend als ‘Groffie’. Een boeiend figuur, onze stamvader: immers enerzijds een boer, die van zijn geboorteplaats hield, anderzijds maakte hij reizen tot aan Amerika toe. Zijn levenswijze was vooral de laatste jaren sober, maar hij bouwde ook het barokke ‘Moorse huis’. Ook is hij beroemd geworden door ‘het papieren huisje’. Het verhaal is als volgt. Groffie zat in een herberg te Vreeland en beweerde tegenover de aanwezigen in 24 uur alleen een huis te kunnen bouwen. Algemene hilariteit. Dat geloofde niemand en er ontstond een weddenschap. ‘Groffie’ wist het karwei te klaren met asfaltpapier, een ongebruikelijk materiaal in die dagen, en won zo de weddenschap. Eerder maakte hij een bordje met erop ‘PAPIERE HUISJE’. Een voorbijganger maakte hem erop attent, dat het ‘PAPIEREN HUISJE’ moest zijn. Geen nood, de letter N werd er tussen geverfd. Inmiddels is het asfalten huisje door een stenen huisje vervangen. Op de boerderij was een meesterknecht, die het werk organiseerde. Groffie’ was getrouwd met ene Van Zijl (Kersten) en kreeg daar 9 kinderen bij. De oudste was oom Herman. Hij bleef lang vrijgezel en trouwde op latere leeftijd met tante Tonia. Hij was een fietsenthousiast en koos als gezelschap op die tochten meestal (Herman en één keer Mina) zijn zus Mina of enkele nichten uit. Er zijn nog kiekjes uit die tijd. De heren in lange pakken, de dames in gebloemde jurken met grote hoeden op: de wereldtentoonstelling in Antwerpen, de jamboree in Oegstgeest (in 1900-> Herman en Mina) met Ben (Jan) van Beusekom als verkenner, de Drachenfels langs de Rijn. De beroemdste tocht die hij heeft gemaakt was met zijn zus Mina naar Lourdes op de tandem. Beiden waren rond de 50. Toch wel een hele prestatie, ook al zijn ze door een defect aan de tandem niet verder gekomen dan Noord-Frankrijk. Bovendien brak de wereldoorlog uit, waardoor ze snel met de trein terug moesten. Grappig is dat ze een briefje bij zich hadden in het Latijn, waarin de pastoor vermeldde, dat ze goede katholieken waren en in geval van nood onderdak moesten hebben. Dat kwam in de kleine Franse dorpjes wel van pas. Zo hebben ze eens in een kerkje geslapen, gewikkeld in tapijten. 32

Frankrijk op de tandem

Oom Toon kwam in de directie van de SOL in Utrecht. In de Stichtse Olie Lijnkoekenfabriek had ‘Groffie’ aandelen. Een probleem werd wel, dat oom Toon niet mee wilde groeien met een gemoderniseerd bedrijf. Hij woonde in het Moorse huis. Wie wel eens, net als ik vroeger in dit huis is geweest, kwam onder de bekoring van de halfdonkere kamers met de levensgrote heiligenbeelden, fraaie antieke kasten en tafels en de zeldzame tuin, waarover oom Giel de scepter zwaaide. De groenten en stekjes uit de tuin waren een gevraagd artikel in de familie. Oom Giel was iets kleiner en ook iets gezelliger dan de eerste ooms, naar mijn mening. Oom Kees trouwde met tante Truus en woonde aan de Lange-Nieuwstraat in Utrecht. Daar was hij makelaar. Tante Truus stond bekend om de gezellige sfeer die ze in huis had. Hij kreeg vrij veel kinderen, ik meen 7 (10) en reed tot op hoge leeftijd nog in een fraai antiek automobiel rond. Zijn kinderen gingen overwegend in de bouw- en wiskunderichting, hoewel er ook een boswachter bij is. Niet voor niets vermeld ik dit, de Van Beusekoms blijven een stabiele familie, die zo nu en dan toch een neiging naar articiteit en exclusiviteit vertoont. Oom Jan ging op zijn 12de jaar naar het seminarie, op studie zoals dat vroeger heette. Daar kon hij zich niet erg goed aanpassen, zodat hij toch weer naar huis kwam. Een dergelijke stap terug was vooral vroeger erg moeilijk. De mensen bekeken je als een ‘afvallige’, vooral op een dorp waar iedereen elkaar kende, zoals Vreeland toen nog was. Hij had er wel het voordeel aan overgehouden, dat hij ingewijd was in de beginselen der studie, waardoor hij des te gemakkelijker vakliteratuur over de boerderij kon verwerken. Hij nam dan ook de boerderij over, waar hij trouwde en kinderen kreeg. Hij had weinig contact met de rest van de familie, misschien de reden dat ik weinig van hem kan vertellen. De volgende anekdote typeert hem wellicht, de bestudeerde boer: eens was hij verwikkeld in een rechtszaak, wat overigens bij de Van Beusekoms wel meer voorkomt. Het zal wel over een pad of zoiets gegaan zijn. In ieder geval, toen Jan aan de beurt was, hield hij een redevoering in het Latijn, waarop de rechtbank hem verzocht zich in begrijpelijke taal uit te drukken. Tante Marie huwde met Willem Schoonderwoerd, een bankdirecteur in een tijd dat er nog geen grote banken waren. Deze banken waren uiterst kwetsbaar en gingen nogal eens over de kop. Tante Marie was bekend om haar netheid, die ze wel wat te ver dreef soms. Op jonge leeftijd overleed ze aan de T.B.C. Oom Goof was een der eerste ingenieurs bij Philips. (in plm 1926) Er moet zelfs een laboratorium naar hem genoemd zijn. In deze hoedanigheid reisde hij de hele wereld af om Philipsvestigingen te begeleiden dan wel op te richten. Zijn zoon Ben (Frits) is ook (geen) ingenieur bij Philips. Cil was kloosterzuster in Winterswijk. Zij onderhield contact met de familie in brieven en later kwamen alle familieleden een dag naar Rotterdam 33

Frankrijk op de tandem

(Utrecht in klooster

Kanaalstraat) toen ze daar naar toe was overgeplaatst.

Aan Mina zullen we een aparte aflevering wijden. We zijn ons bewust van het feit, dat er kleine fouten in dit opstel kunnen zitten en hopen van uw kant correcties en aanvullingen te krijgen. Enkele postzegels om de portokosten te bestrijden stellen we wel op prijs, maar dat is geheel vrijwillig. Steenhuis, Hoogezand 28-1-78

34

Frankrijk op de tandem

Materiaal verzameld door de huidige bewoner van Weerestein. Over het statige HUYS WEERESTEYN
Ene huyzinghe aan de Zegepralende Vecht, op de rechter oever, dat nog steeds het voorkomen en de deftigheid van de betere tijden der Vechtbuitens bewaart. DE ZEGEPRALENDE VECHT..............waarover Lucas Rotgans, Heer van Cromwyck, omstreeks 1690 dichtte: O Koningin der Stichtse Stromen, Die met Uw kristallynen vloedt Zoo menig adelyk slot begroet, Bevolkt met schaduwryke boomen.

“Weere” betekent landscheiding, hetgeen vroeger gold voor Utrecht en Holland. Het torentje van Goudesteyn, in de stijl van Hendrick de Keyser opgetrokken, was verwant aan dat van Nijenrode. Wij moeten er een, waarschijnlijk op den duur niet meer begrepen rudiment van de torens der middeleeuwse kastelen in zien. Gewoonlijk hing er een luidklok in om de bewoners van het huis de maaltijden aan te kondigen. Dezelfde combinatie van het type hofstede met een torentje en enkele andere details werden destijds aangetroffen bij het oude Weeresteyn. Een en ander was ontleend aan de architectuur van Amsterdam. Van Weeresteyn komt in “De Zegepralende Vecht” (een plaatwerk) geen aparte gravure voor. Alleen steekt het torentje op de afbeeldingen van Vechtvliet en Vijverhof even boven de bomen uit. Het oude huis kennen wij uit een tekening in O.I.-inkt van L.P. Serrurier uit 1730. (Rijksarchief Utrecht, topografisch atlas 1962) en een daaraan vrijwel identieke ets van de hand van J. Leupenius van circa 1680. Hierop is een laag, door bomen en struiken omgeven dwarshuis afgebeeld. Het huis heeft ramen met kruiskozijnen en onderluiken, aan de bovenzijde voorzien van ontlastingsboogjes. Het heeft een zadeldak met op de hoek een schoorsteen, versierd door ijzeren ornamentwerk en een windvaantje. In het midden sprong een trapgevel naar voren, verlevendigd door ornamentwerk, evenals de toren in de stijl van Hendrick de Keyser. Voor deze stijl was de decoratie sober. Aan de achterzijde stak een lager dienstgedeelte uit. De hofstede Weeresteyn was gebouwd kort na 1625 op de plaats van een ouder huis, bekend uit een afbeelding van R. Roghman (tekening in de verzameling van Jhr. W. Six te ‘s Graveland). Overziet men de hofsteden aan de Vecht in hun geheel, dan blijkt dat deze vorm van buitenhuis niet zeer talrijk vertegenwoordigd was.

35

Frankrijk op de tandem

Een min of meer chronologische geschiedenis van Weeresteyn. 866 Op Weeresteyn overlijdt de bewoner, bisschop Hunger, naar Weeresteyn gevlucht voor de Noormannen. (??? Zie ook 1760.) 1625 Kort na dit jaar krijgt Weeresteyn zijn hedendaagse vorm. 1704-1711 Verschijning van de “Nieuwe Kaert van Loenen” van C.C. Bloemswaert te Amsterdam bij J. Covens en C. Mortier. Deze “kaert” beeldt het gebied af van Weeresteyn tot Westerklip. De kaart geeft van alle percelen de naam van de eigenaar. 1720 Omstreeks dit jaar overlijdt de toenmalige bewoner, Jan Cramer. 1754 Weeresteyn wordt gekocht door Mr. Joan Graafland van Schotervlieland. Hij was ontvanger-generaal der Admiraliteit van Amsterdam. Hij overleed in 1799. 1760 In 1760 wordt achter het huis een zeer zware stenen doodkist gevonden, waarin zich behalve gebeente ook resten van een mijter en een staf bevinden. Stoffelijk overschot en relikwieën gingen naar de Begijnhofkerk te Amsterdam. Een citaat uit “Kastelenboek Provincie Utrecht” door Ir J.D.M. Bardet, 5de druk blz 316.

Weerestein
Op de rechter Vechtoever in de gemeente Loenen, juist op de plaats van de oude grens of weere tussen Holland en het Sticht, staat het statige zeventiende eeuwse huis Weerestein, dat helaas in slechte staat van onderhoud verkeerde doch steeds het voorkomen en de deftigheid van de betere tijden der Vechtbuitens bewaart. Het is hier de plek, waar het oude slot Weerestein heeft gestaan waarvan de plaats in de tuinen en vijvers wel met nauwkeurigheid is aan te wijzen. In het land achter de buitenplaats is in 1760 bij graafwerk een zeer oude stenen lijkkist gevonden welke bij opening de stoffelijke resten van een bisschop bleek te bevatten, althans zou dit kunnen worden afgeleid uit de gevonden resten van een kromstaf. Verder werd in de kist een loden plaatje gevonden waarin stond gekrast; “Walterus, burger van Wiltenburg, helper van de bisschop, die met de strop is omgebracht, ligt in deze grafheuvel. Ieder goed mens vereert ten hoogste dit gewijde martelaarschap.” Nu is bekend dat een van de helpers van bisschop Bonifacius, die bij Dokkum is vermoord, de naam Walterus droeg en dat het stoffelijk overschot van deze martelaar per schip van Friesland over de Vecht naar Utrecht is gebracht. Er tegen pleit echter de vondst van de kromstaf wat op een bisschop zou wijzen, terwijl deze Walterus nooit bisschop is geweest. Een andere onderstelling is dat wij hier te maken hebben met het lijk van 36

Frankrijk op de tandem

bisschop Hunger, die aan het bewind is geweest van 854 tot 866, en die in de onrustige Noormannentijd zijn zetel in Utrecht heeft moeten verlaten. Ook is de mogelijkheid geopperd van een wijbisschop uit de twaalfde eeuw. De kist is overgebracht naar een schuur achter het gemeentehuis van Loenen en daar enige tijd te kijk gesteld voor nieuwsgierigen die er relikwieën van hebben meegenomen. Daarna is de kist blijkbaar stukgeslagen en alles is verdwenen, zodat het niet meer mogelijk is met onze meer moderne onderzoekmethoden dit raadsel tot een oplossing te brengen. Mevrouw de weduwe Degenkamp-van Beusekom, heeft in januari 1966 de “gewijde” grond, waarin destijds de lijkkist is gevonden, gelegateerd aan Paus Paulus VI. Deze heeft dit legaat niet aanvaard. Men vond het blijkbaar alles toch wat vaag. Brief van Mina Degenkamp-van Beusekom aan haar zus Ancilla die kloosterzuster is: Breukelen zondag 2 nov. ‘65 Lieve Zus Zuster Ancilla, Ik voel het aan, dat wil God niet straffen, deze brief naar jou moet schrijven, omdat je ten goede trouw, mij verkeert beoordeeld, en geen vertrouwen in mij hebt, het gaat er om, om de Heilig verklaring van Hungerius, wat de opvolger was, van de eerste bisschop, van Utrecht, wat vandaag geviert wort, ik heb een geheimen boodschap, van voor drie honderd jaar geleden, die ik mij verplicht voel, aan de paus persoonlijk te zeggen, de paus moet mij zien, en vertrouwen ik kan het niet schrijven, en ik ben nog bij mijn verstand, maar als hier een eind aan komt, dan komt deze nooit meer, dan blijft het als het nu is, een zekerheid maar een sprookje, God wil dat ik het doe, en daarom moet ik niet rusten voor het is overgebracht, en het is niet goed dat ik in bijzonderheden treed, over die zaak, ik ben maar een boodschapper, iemand die de eerste spa in de grond steekt, ik heb het nooit een iemand gezecht maar ik ben de eerste gewonen vrouw, die in het slot van een kloster ben geweest, wil je dan aan de Waarde Moeder zeggen, dat ik zoo graag had, dat ze mij kon helpen met deze zaak, aan haar mijn hartelijke groeten en aan jou, je toegenegen Zuster

Mina
1790 Het plaatwerk “De Zegepralende Vecht” wordt opnieuw uitgegeven. Het zijn prenten van Daniel Stoopendaal te Amsterdam. Verwondering mag het wekken dat in deze uitgave van 1790 het toch “so staetighe Weeresteyn” niet voorkomt. Op twee prenten steekt slechts het torentje even boven de bomen uit. Misschien omdat de bewoners van andere Vechtbuitens absoluut plaats wilden reserveren voor hun huizen? 1836 De heer L. van Lennep was toen de eigenaar. 1850 37

Frankrijk op de tandem

Omstreeks 1850 kwam de heer J.L. Terwen “in het aanzienlijke dorp Breukelen” en reisde “langs eene aaneenschakeling van buitenplaatsen op beide overs, waaronder Rupelmonde, Over-Holland, Sterreschans, Hofwerk en Weeresteyn uitmunten.” Begin 18e eeuw wordt de hofstede Weeresteyn vervangen door een “modern” gebouw, type stadhuis-buiten. De stedelingen waren in wezen stadsmensen, zij wensten op het platteland hun levensgewoonten niet al te zeer te wijzigen. Het type “buiten” in de vorm van een “huis als in de stad” bewaarde voor hen de band met de stad. Een citaat uit “De Buitenplaatsen van de Vecht” van Dr. R. van Luttervelt: Verschillende van de beste voorbeelden van het type “hofstede” zijn aan modernisering in de 18e eeuw ten offer gevallen. In de eerste plaats het oude Weeresteyn. Een tekening in O.I.-inkt van de hand van L.P. Serrurier uit 1730 (Rijksarchief Utrecht, topografische atlas no 1963) doet ons het nieuwe huis kennen. Het werd voltooid in de eerste jaren der 18e eeuw; op de “Nieuwe kaart van Loenen” van Covens en Mortier komt het reeds in zijn nieuwe gedaante voor. Stoopendaal gebruikte dus verouderde afbeeldingen toen hij in 1719 in “De Zegepralende Vecht” het torentje van Weeresteyn weergaf. De afbeelding van het nieuwe huis laat een middenpartij zien, versierd op sobere wijze met pilasters en ornamentwerk in natuursteen. Een ornamentale fronton bekroonde het middenrisaliet; vier consoles verlevendigden de daklijst. De vensters, tweemaal twee aan elke kant, waren voorzien van Engelse schuiframen, de hoeken van het huis werden geaccentueerd door geblokte lisenen in baksteen. Vrijwel onveranderd is Weeresteyn bewaard gebleven. Het verlies van het elegante fronton gaf het huis alleen een soberder aanzien. De ramen werden in de 19de eeuw voorzien van Nieuwe traceringen, het bovenlicht boven de voordeur werd in het begin van die eeuw in een half-cirkelvormig vernieuwd. De schoorsteenkappen in de vorm van gedrukte koepeldaken werden vervangen door gezwenkte piramides.

Lente 1909
Weeresteyn wordt voor f. 24.000,- onbezwaard gekocht door de heer Carel Bennink. Een van de dochters, de latere mevrouw J.C. Bijkerk, beschrijft in haar boek “Vaarwel, tot betere tijden!” haar heerlijke en onbezorgde jeugd, twaalf jaar lang op Weeresteyn. “Het was een van die prachtige oude buitens, een glorieus verblijf, aan de Vecht met acht hectaren grond en aan de overkant van de rivier nog twee hectaren. Wij waren zeker een goede drie kwartier onderweg om onze gasten het terrein rond te leiden. Ruste straalde van die schitterende omgeving uit.” Verder vertelt mevrouw Bijkerk dat haar vader in de tuin 1100 vruchtbomen liet planten. Later gingen de aardappelen, peren, appelen en bessen met karladingen naar de veiling in Utrecht. Er werd vee gehouden, ook zwanen en zilver- en goudfazanten. Ook hield de bewoner renpaarden. 1920 Op 5 augustus vindt op Weeresteyn het huwelijk van deze dochter plaats. 1921 Johan Carel Bennink verkoopt het huis voor / 70.000,- aan de familie 38

Frankrijk op de tandem

Hibbeling uit Amsterdam als buitenhuis. 1936 Dr. Hoogland, dierenarts te Breukelen, de heren Albers en Piet Bouman kopen Weeresteyn als object. 1938 De familie Degenkamp verwerft Weeresteyn voor / 38.000,7 oktober 1966 De firma Gebr. Strijland, aannemers te Uithoorn, koopt bij openbare veiling het huis dat onder Monumentenzorg staat voor / 185.000,-. De laatste eigenares, mevrouw de weduwe Degenkamp-van Beusekom was in januari 1966 overleden. De gebroeders Strijland hebben Weeresteyn zeer fraai laten restaureren onder auspiciën van Monumentenzorg.
Een aantal jaren later werd Weeresteyn te koop aangeboden voor / 750.000,-

39