VOORWOORD
Bedrijven in de mengvoedersector worden geconfronteerd met het gevaar op stofexplosie. Elk bedrijf dient over dit onderwerp op elk moment te voldoen aan de geldende wetgeving. Sinds de inwerkingtreding van de Europese Sociale “ATEX”-richtlijn 137, zijn er nieuwe verplichtingen voor de werkgevers. Om de ondernemingen in staat te stellen deze regelgeving na te leven en om de bedrijven in de sector nog beter te beschermen tegen eventuele stofexplosies is door Nevedi in samenspraak met Bemefa en KVBM de Atex Handleiding 2005 gemaakt. Deze handleiding is in het najaar van 2010 volledig herzien. Nevedi is de volgende personen van haar Commissie Arbeid & Milieu zeer erkentelijk voor hun inzet en collegiaal ingebrachte expertise: - Alix van Erven (Arie Blok); - Allard Knook (CMS Derks Star Busmann); - Martin van de Vendel (Rijnvallei); - Heleen van Weele (Nevedi); - Peter Westerink (De Heus); - Maarten Wouters (Agrifirm). Deze handleiding is opgesplitst in drie documenten. Een eerste deel (A) behandelt theoretisch wat een stofexplosie is. Tevens wordt het wettelijke kader besproken in dit deel. Het tweede gedeelte (B) behandelt de zonering van de fabriek. Nevedi heeft in 2002 een ATEX handleiding ontwikkeld m.b.t. de zonering. Deze handleiding is in dit gedeelte verwerkt. Het derde gedeelte (C) behandelt de risicoanalyse. De verplichting tot het opstellen van een gevarenzone indeling en het opstellen van een explosieveiligheidsdocument is opgenomen in de Nederlandse Praktijk Richtlijn 7910-2, juli 2008. Daar de industrie meer te maken heeft met stofexplosies dan met gas/dampexplosies komt in deze handleiding enkel de stofexplosieproblematiek aan bod. Bij het opstellen van de handleiding is gebruik gemaakt van de Nederlandse Praktijk Richtlijn NPR 7910-2 (Gevarenzone-indeling met betrekking tot stofontploffingsgevaar, juli 2008) van het Nederlands Normalisatie Instituut. Bedrijven die te maken kunnen hebben met gas/dampexplosierisico’s (denk maar aan de opslag van licht ontvlambare vloeistoffen zoals aceton en brandbare gassen zoals acetyleen, of de laadstations voor batterijen waar tijdens het opladen het ontplofbare waterstofgas ontstaat) dienen uiteraard ook daaraan de nodige aandacht te schenken. De informatie in dit rapport wordt te goeder trouw gepubliceerd. Nevedi, Bemefa en KVBM aanvaarden geen verantwoordelijkheid noch aansprakelijkheid voor de eventuele directe of indirecte gevolgen die zouden kunnen voortvloeien uit het gebruik van dit document. Deze uitgave mag niet worden verveelvoudigd, in enige vorm of op enige wijze, of openbaar gemaakt worden zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de uitgever. Het gebruik van deze uitgave is eveneens slechts toegestaan na uitdrukkelijke toestemming van de uitgever.

©Nevedi handleiding 2005 ATEX-richtlijn 137

1

FLOW-SCHEMA: PLAN VAN AANPAK EXPLOSIEVEILIGHEIDSDOCUMENT
Bekend met de Ja theorie en wetgeving?

Ja

Is de fabriek gezoneerd?

Ja

Bent u in het bezit van een explosieveiligheidsdocument?

Nee
Neem deel A door Volg de werkwijze van bijlage I deel B

Nee
Volg de werkwijze bijlage II van deel C

Nee
Volg de werkwijze bijlage III van deel C

H1 theorie

I.1 Beschrijving productieproces I.2 Inventarisatie grondstoffen I.3 Inventarisatie Stofwolk I.4 Inventarisatie Stofafzetting Gegevens voor Stamkaart

II.1 Stamkaart afdeling

H2 wettelijk kader

of

III.1 Neem de checklijst organisatorische maatregelen door

II.2 Stamkaart arbeidsmiddel III.2 Neem de vragenlijst door

I.5 Overige gevarenbron(en) II.3 Plan van aanpak I.6 Maatregelen technische en organisatorisch I.7 Alternatieve maatregelen I.8 Motivatie en Beoordeling

I.9 Gevarenzones

I.10 Plattegronden en technische plannen

©Nevedi handleiding 2005 ATEX-richtlijn 137

2

INHOUDSOPGAVE
Voorwoord ........................................................................................................................................................... 1 Flow-schema: plan van aanpak explosieveiligheidsdocument ......................................................................................... 2 Inhoudsopgave ....................................................................................................................................................... 3 DEEL A .................................................................................................................................................................. 5 1. 1.1 1.2 1.3 1.4 1.5 Theorie: Fundamentele begrippen omtrent stofexplosie ............................................................ 6 WAT IS EEN STOFEXPLOSIE?........................................................................................................ 6 DEFLAGRATIE EN DETONATIE .................................................................................................... 6 PRIMAIRE EN SECUNDAIRE EXPLOSIES ................................................................................... 7 HYBRIDE MENGSELS ....................................................................................................................... 7 EXPLOSIE – EFFECTEN ................................................................................................................... 7

1.6 EXPLOSIEKARAKTERISTIEKEN .................................................................................................. 8 1.6.1 Explosiegrenzen .............................................................................................................................. 8 1.6.2 Karakteristieke temperaturen .......................................................................................................... 8 1.6.3 De maximale explosiedruk en de maximale drukstijgsnelheid ....................................................... 9 1.6.4 De minimale ontstekingsenergie (MOE)....................................................................................... 11 1.6.5 Samenvatting belang van explosiekarakteristieken bij de risicobepaling .................................... 11 1.7 ONTSTEKINGSBRONNEN.............................................................................................................. 12 1.7.1 Mechanische bronnen.................................................................................................................... 12 1.7.2 Thermische bronnen...................................................................................................................... 13 1.7.3 Elektrische bronnen....................................................................................................................... 14 1.7.4 Chemische bronnen ....................................................................................................................... 19 1.7.5 Praktische betekenis van de ontstekingsbronnen bij de uitvoering van......................................... 20 de risicobeoordeling ...................................................................................................................................... 20 1.8 PREVENTIE EN BESTRIJDING VAN STOFEXPLOSIES.......................................................... 21 1.8.1 Voorkoming van stofexplosies...................................................................................................... 21 1.8.2 Voorkoming van schade................................................................................................................ 23 1.8.3 Beperking van de schade............................................................................................................... 24 1.8.4 Keuze van de toe te passen preventie- en beheersmaatregelen. .................................................... 29 2. 2.1 2.2 2.3 3. Wettelijk KAder ..................................................................................................................................... 31 EUROPESE REGELGEVING .......................................................................................................... 31 NEDERLANDSE REGELGEVING.................................................................................................. 31 NEDERLANDS BEVOEGD GEZAG ............................................................................................... 33 Termen en Definties ............................................................................................................................ 34

DEEL B ................................................................................................................................................................ 37 4. De gevarenzone-indeling d.m.v. risicoanalyse .................................................................................... 38 4.1 4.2 INLEIDENDE BEGRIPPEN OMTRENT RISICOANALYSE..................................................... 38 DEFINITIE VAN DE VERSCHILLENDE GEVARENZONES .................................................... 38

4.3 IDENTIFICATIE VAN POTENTIËLE GEVARENBRONNEN................................................... 39 4.3.1 Brandbaar stof - karakteristieken - concentratie............................................................................ 39 4.3.2 Systematisch opsporen van de gevarenbronnen ............................................................................ 40 4.4 TOEKENNING VAN DE GEVARENZONEKLASSE ................................................................... 41 4.4.1 De aard van de gevarenbronnen .................................................................................................... 41 4.4.2 Ventilatie in de omgeving van de gevarenbron ............................................................................. 42 4.4.3 Schoonhuishouden ........................................................................................................................ 43

©Nevedi handleiding 2005 ATEX-richtlijn 137

3

...............................4 Zonering van aangrenzende ruimtes omwille van stofverplaatsing.......................... 61 6... 61 6..............................................................................................................3 Risicoanalyses van productietoestellen en installaties ........... 50 DEEL C ........... Bepaling van de zoneklasse als gevolg van een stofafzetting.....4.2.4 Flow-schema’s ter bepaling van de zoneklasse.................................................................. 61 6............2................................ EXPLOSIEVEILIGHEIDSDOCUMENT........................................................................................................ 43 4.............................................................. 49 Stappenplan..................4..................................................... 57 6.............................. 57 6..1 De afmetingen van een stofwolk ................... 56 6.............................................. Bepaling van de zoneklasse als gevolg van opgewerveld stof................................................................................................................1 Ontstekingsbronnen en hun doeltreffendheid.............2 ALGEMENE TECHNISCHE MAATREGELEN .........................................1............................................................................................3 Samenvattende tabel afmeting stofwolken en stofafzetting .....5...................... 67 BIJLAGE II: RISICOANALYSE ONTSTEKINGSBRONNEN EN EXPLOSIEGEVAAR ................... RISICOANALYSE ONTSTEKINGSBRONNEN EN MOGELIJKE GEVOLGEN ..... 63 7................................... 44 4............................................................................................................................................... ........................ 68 BIJLAGE III: Extra Informatie ............................... 44 4.....................................2.............................5............ 8..............2 De afmeting van een stofafzetting................................5.................................................5....................................................... 44 4.................2 Maatregelen bij niet-productietoestellen en installaties . 47 Figuur I......... 48 Figuur I................................................................................5 AFMETINGEN VAN DE GEVARENZONEKLASSE ............ Flow-schema: plan van aanpak explosieveiligheidsdocument ............................................................. 44 4.............1 ORGANISATORISCHE MAATREGELEN..... ...................2.................. 45 5............................................ 73 ©Nevedi handleiding 2005 ATEX-richtlijn 137 4 .................................................... 46 Bijlage I: zonering ................................ 65 Flow-schema: plan van aanpak explosieveiligheidsdocument..........................

DEEL A ©Nevedi handleiding 2005 ATEX-richtlijn 137 5 .

1. exotherme chemische reacties tussen het stof en bijvoorbeeld zuurstof in de lucht. . Dergelijk type van ontploffing waarbij de verbrandingssnelheid kleiner is dan de snelheid van het geluid (340 m/s) wordt deflagratie genoemd. Het stof moet verspreid zijn in afmetingen van deeltjes die de voortplanting van de vlammen toelaten. namelijk fysische en chemische explosies. De sterkte van de drukgolf wordt o. Om de verbranding toe te laten. Bij inwendige explosies wordt de drukopbouw mede bepaald door de aanwezigheid van wanden ©Nevedi handleiding 2005 ATEX-richtlijn 137 6 . . Onder fysische explosies verstaat men explosies waaraan geen chemische of nucleaire reacties aan de basis liggen. Reeds in de ATEX handleiding Nevedi 2002 werd een inleiding gegeven over het fenomeen stofexplosie. De heftigheid van de explosie.Het zwevend stof moet in aanraking komen met een ontstekingsbron die voldoende energie ontwikkelt. Het poeder moet brandbaar zijn (afhankelijk van de minimale ontstekingsenergie).1 WAT IS EEN STOFEXPLOSIE? Onder een explosie verstaat men in het algemeen een plotselinge. Deze handleiding is verwerkt in dit gedeelte. niet vochtige. Naargelang de aard van de vrijgezette energie kan men twee belangrijke explosietypes onderscheiden. 1. De drukgolven planten zich echter veel sneller voort dan het vlamfront. bepaald door de samenstelling van het brandbare stof. moet het stof zweven in zuurstofrijke lucht. lucht. Met de ATEX handleiding 2002 is de eerste stap (zonering van de fabriek) gezet voor het maken van een explosieveiligheidsdocument. 1.De concentratie aan zwevend stof moet binnen de limieten van de ontplofbaarheid liggen.a. (BLEVE: Boiling Liquid Expanding Vapour Explosion). de concentratie van dat stof in het mengsel en de mate van omsluiting van de ruimte waarin de ontploffing plaatsvindt.2 DEFLAGRATIE EN DETONATIE In het algemeen bedraagt de verbrandingssnelheid bij stofexplosies enkele tientallen meters per seconde. heftige uitzetting van energie die drukgolven in de omgeving creëert. THEORIE: FUNDAMENTELE BEGRIPPEN OMTRENT STOFEXPLOSIE Voor u deze handleiding kunt gaan gebruiken dient u te beschikken over een minimale kennis van het fenomeen stofexplosie. Bij een deflagratie blijven de snelheden dus subsoon en worden er drukgolven gevormd. Het meest gekende voorbeeld van een fysische explosie is het plots begeven van een drukhouder die met een samengeperst gas gevuld is. Voordat er een omgeving ontstaat die gunstig is voor een stofexplosie moet aan volgende voorwaarden voldaan zijn: Er moet sprake zijn van een droge. Stofexplosies maken deel uit van de chemische explosies en ontstaan door snelle. de mogelijke gevolgen ervan en de maatregelen die men er tegen kan treffen zijn afhankelijk van de snelheid waarmee de energie vrijkomt. Bij zogenaamde vrije explosies waarbij het exploderend volume niet begrensd wordt door wanden zijn de overdrukken meestal tot enkele tienden van een bar beperkt.

1. In het algemeen zijn stofexplosies geen detonaties. 20 bar).die het exploderend volume volledig begrenzen en kunnen drukken gegenereerd worden tot 10 maal de begindruk. Fragmenten die afkomstig zijn van de explosiebron worden primaire fragmenten genoemd. ©Nevedi handleiding 2005 ATEX-richtlijn 137 7 . Zelfs wanneer uiterst geringe hoeveelheden van een brandbaar gas in een stofwolk aanwezig zijn is de ontsteking van dergelijke hybride wolk gemakkelijker en de explosie ervan heftiger dan die van de corresponderende stofwolk. alleen voor bij vaste en vloeibare explosieven. vooruit loopt op het vlamfront ontstaat er een tijdsinterval tussen het passeren van de drukgolf en de aankomst van het vlamfront. Wanneer de verbrandingssnelheid groter is dan de snelheid van het geluid spreekt men van een detonatie. Doordat de drukgolf.5 EXPLOSIE – EFFECTEN Over het algemeen wordt een onderscheid gemaakt tussen de directe en de indirecte effecten van een explosie. Secundaire explosies zijn meestal veel verwoestender dan de primaire explosies. omdat dit extreme begincondities vergt. Zij zijn weinig gevaarlijk op enige afstand van de bron. Deze zeer hoge voortplantingssnelheid van de reactiezone geeft aanleiding tot supersone snelheden en de vorming van schokgolven. De voortplantingssnelheid bij detonaties bedraagt 1 tot 10 km/s. 1. een enkele uitzondering daargelaten. Dit is bijvoorbeeld het geval wanneer één afmeting van de ruimte waarin de explosie zich voordoet veel groter is dan de andere zoals bij leidingen en kanalen met een lengte/diameter verhouding ≥ 50. De directe effecten worden door de schokgolf van de explosie zelf veroorzaakt. Het is in principe niet mogelijk om apparatuur te bouwen die tegen detonatie bestand is. in tegenstelling tot een deflagratie. Het reactiefront en de schokgolf vallen ongeveer samen. die het vlamfront bij een deflagratie uitzendt. omdat de kans om door een dergelijk projectiel getroffen te worden uitermate klein is. Detonaties moeten dan ook te allen tijde vermeden worden. Fragmentatie is een belangrijk indirect schademechanisme van een explosie. Deze nieuwe stofwolk kan op zijn beurt ontstoken worden door het volgende vlamfront waardoor een secundaire explosie ontstaat. Daarnaast komen detonaties. De vooruitlopende drukgolf zal neergezette stofdeeltjes doen opstuiven waardoor een nieuwe stofwolk ontstaat. kan niet tijdig gedetecteerd worden.4 HYBRIDE MENGSELS Bijzonder gevaarlijk zijn de zogenaamde hybride mengsels die bestaan uit een combinatie van stof en gas. Een detonatie. Typische voorbeelden zijn trommelvliesscheuren en longschade bij de mens en de structuurschade aan woningen en installaties. De overdruk veroorzaakt door een detonatie kan zeer sterk oplopen (ca. Men kan aannemen dat stofexplosies in het beginstadium steeds van het deflagratie-type zijn. Deze explosies kunnen echter ook de oorzaak zijn van secundaire explosies. maar dat ze in bepaalde omstandigheden in een detonatie kunnen omslaan.3 PRIMAIRE EN SECUNDAIRE EXPLOSIES Stofexplosies die veroorzaakt worden door ontstekingsbronnen worden primaire explosies genoemd. 1. Een voorbeeld waarop gelet dient te worden is een hexaan vrij verklaring.

Zelfs bij de laagste explosiegrenzen hebben stofwolken een hoge optische dichtheid. Andere belangrijke indirecte effecten zijn: .of weggeworpen worden.mengsels moet binnen de ontplofbaarheidsgrenzen liggen. De Tglim wordt zelden bereikt in normale gebruiksomstandigheden van toestellen in mengvoederbedrijven.6. Beneden deze concentratie is het mengsel te arm aan stof om nog te kunnen ontvlammen.Secundaire fragmenten. vormen een veel belangrijkere bron van schade. silo’s en pneumatische transportsystemen. d.Personen die zelf door de drukgolven omver. fragmenten die door de schokgolf gevormd worden zoals glasscherven en vallende dakpannen.Het ontstaan van secundaire explosies. Wanneer deze parameter toch gebruikt zou worden moet rekening gehouden worden met het feit dat de onderste explosiegrens daalt wanneer de temperatuur stijgt. Het explosiegebied van de meeste poeders bevindt zich tussen 40 g/m3 en 4 kg/m3.1 Explosiegrenzen Niet alle mengsels van brandbaar stof en lucht zijn ontplofbaar. De temperatuur van de plaat wordt geleidelijk verhoogd totdat een ontvlamming van de stoflaag wordt waargenomen. ©Nevedi handleiding 2005 ATEX-richtlijn 137 8 . omdat de stoflaag als een isolatiedeken zal optreden. 1. 1.6. In de praktijk wordt de parameter OEL weinig gebruikt voor de beoordeling van explosierisico’s. . De concentratie in industriële installaties verandert soms drastisch door de niet-homogeniteit van het stof-luchtmengsel.6 EXPLOSIEKARAKTERISTIEKEN 1. De laagste stofconcentratie waarbij het mengsel ontvlamt wordt de Lower Explosion Limit (LEL) genoemd. Dit gebied is niet alleen bepaald door de chemische samenstelling van het ontplofbaar stof. drogers. Bij het smelten kunnen immers brandbare dampen vrijkomen die met de omgevingslucht een explosief mengsel vormen. De Tglim van een stoflaag wordt bepaald door een stoflaag van 5 mm dik op een verwarmde plaat te plaatsen. maar gaat smelten. . hetgeen niet betekent dat de opwarming van de stoflaag ongevaarlijk zou zijn. De OEL ligt voor heel wat stoffen tussen 10 en 30 g/m³. Stofexplosies kunnen zich vooral voor doen binnenin de procesuitrusting zoals maalmolens. mengers. De Tglim hangt af van de dikte van de stoflaag.2 Karakteristieke temperaturen De term “karakteristieke temperaturen” heeft betrekking op temperaturen waarbij een stof onder welbepaalde omstandigheden een specifiek brandgedrag begint te vertonen. Een frequent optredend fenomeen is dat een stoflaag bij opwarming niet gaat smeulen. Dit betekent dat de stof geen Tglim heeft.Het uitbreken van brand. De concentratie van de stoflucht.i. De glimtemperatuur (Tglim): Dit is de laagste temperatuur van een oppervlak waarbij de daarop gelegen stoflaag spontaan tot ontbranding komt. zeven. filters. Dergelijke stofconcentraties komen zelden voor in de werkplaatsen van bedrijven. Bovendien is de Tglim afhankelijk van de omgevingstemperatuur. hoppers. Ofschoon deze concentratie laag schijnt te zijn komt ze voor als een zeer dichte wolk. maar ook van onder meer de afmetingen en de fijnheid van de stofdeeltjes.

De zelfontsteking is een gevolg van de zelfopwarming van de laag. Een stofwolk kan door de smeulende of brandende stoflaag ontstoken worden.3 De maximale explosiedruk en de maximale drukstijgsnelheid Een typisch tijdsverloop van de inwendige druk in een gesloten volume waarin een deflagratie plaatsvindt is weergegeven in figuur 1.65 Stofexplosies. Fig. aanleiding geeft tot de ontsteking van de stofwolk. verkrijgt men de maximale druk wanneer het vlamfront de wand bereikt. De directe ontsteking van een stofwolk op een warm oppervlak of elektrische apparatuur kan worden vermeden als de temperatuur van het warme oppervlak beperkt blijft tot 2/3 van de MOT van de stofwolk. 23/03/1998) Wanneer het mengsel in het midden van een bolvormig volume ontstoken wordt. Om dit te vermijden moet in de praktijk de oppervlaktetemperatuur van warme oppervlakken en elektrische toestellen 75 ° C beneden de glimte mperatuur van de stoflaag (met laagdikte die in de praktijk te verwachten valt) gehouden worden. De waarde van de explosiedruk kan gemakkelijk waarden van enkele bar bereiken.Kluwer Editorial. wanneer er een stofwolk onder bepaalde omstandigheden langs geleid wordt. Samen met de Tglim is de MOT van poeders mede bepalend voor de keuze van apparatuur en in het bijzonder voor de temperatuurklasse waartoe ze moeten behoren.De zelfontstekingstemperatuur van stoflagen: Dit is de temperatuur waarbij een stoflaag spontaan ontbrandt wanneer deze omgeven wordt door een warmtebron en lucht.6. Stoflagen ontsteken bij een lagere temperatuur dan stofwolken. De maximale overdruk die tijdens het deflagratieproces bereikt wordt noemt men de explosiedruk Pex. 1. Daarna zal de druk geleidelijk afnemen door warmteverliezen naar de omgeving. Merk op dat deze temperatuur niet gelijk is aan de temperatuur die in de stofwolk heerst.1. De zelfontstekingstemperatuur van stofwolken (MOT): De zelfontstekingstemperatuur van een stofwolk is de minimale temperatuur van een heet oppervlak dat. G. ©Nevedi handleiding 2005 ATEX-richtlijn 137 9 . Tijdsverloop van de inwendige druk in een gesloten volume (Arbeidsveiligheid nr. Huys.

De explosiedruk is afhankelijk van de brandstofconcentratie. Dit is grafisch weergegeven in figuur 1. Tijdens een explosie zal de druk niet plots oplopen tot de explosiedruk. Deze waarde noemt men de maximale explosiedruk Pex.a. Tussen het ogenblik van de ontsteking en het bereiken van de explosiedruk bestaat een punt waar de drukstijgsnelheid het grootst is. Met betrekking tot stofwolken spreekt men van de KST-waarde waarbij ST staat voor het Duitse Staub.m/s 0 Tussen 0 en 200 Tussen 200 en 300 Groter dan 300 Explosieklasse 0 1 2 3 Explosiesnelheid van de stof niet explosief laag tot matig explosief hoog explosief zeer hoog explosief Hierbij dient opgemerkt te worden dat zowel de maximale explosiedruk als de maximale drukstijgsnelheid afhankelijk zijn van de beginvoorwaarden (o. de KST-waarde kan zowel toenemen als afnemen bij een hogere begintemperatuur. en die eigen is aan het brandbaar mengsel. Uit proeven is gebleken dat de maximale drukstijgsnelheid afhankelijk is van de grootte van het volume waarin de explosie plaatsvindt. Dit is waar de raaklijn aan de drukcurve het steilst is.De maximale explosiedruk daalt bij een hogere begintemperatuur.1: Indeling van poeders in explosieklasses volgens de Duitse norm VDI 3673 KST-waarde in bar. . De maximale drukstijgsnelheid (dP/dt)max wordt gedefinieerd als de maximale drukstijgsnelheid die opgetekend kan worden over het volledige concentratiegebied. Het is een maat voor de heftigheid van een explosie en is in de praktijk meestal veel belangrijker dan de maximale explosiedruk (Pmax). begindruk en de turbulentiegraad) bij de explosie: .De turbulentiegraad heeft een zeer sterke invloed op de KST-waarde. Immers wanneer deze concentratie kleiner is dan de onderste explosiegrens of groter dan de bovenste explosiegrens kan geen explosie optreden en is de explosiedruk gelijk aan nul. Het is deze waarde die men in de literatuur terugvindt als explosiedruk.1.Op basis van de KST-waarde worden brandbare poeders ingedeeld in vier zogenaamde explosieklasse. ©Nevedi handleiding 2005 ATEX-richtlijn 137 10 . Dit verband laat toe om de resultaten van kleinschalige proeven naar grotere volumes om te rekenen en vormt de basis van de explosiebeveiliging door drukontlasting en door onderdrukking. Wanneer de drukopbouw groter is dan 0. In het explosiegebied varieert de explosiedruk en bereikt een maximum bij een bepaalde brandstofconcentratie.5 bar wordt het stof gecatalogeerd als explosief. . zoals weergegeven in tabel 1. Dit verband wordt gegeven door de formule: ( dP/dt )max = K / V1/3 met : V = volume van de houder uitgedrukt in m³ K = een constante uitgedrukt in bar m/s. Tabel 1. begintemperatuur.Zowel de maximale explosiedruk als de KST-waarde zijn rechtevenredig met de begindruk.max van de betrokken stof. De proeven zijn echter zo ontworpen dat in de meeste praktijksituaties de turbulentiegraad niet hoger zal zijn dan in de proeven.

De maximale explosiedruk.dguv. .jsp kan men de stofexplosiekarakteristieken van een 1600-tal stoffen uit de agrarische sector opzoeken. .6. laag tot matig explosief.v. ©Nevedi handleiding 2005 ATEX-richtlijn 137 11 .4 De minimale ontstekingsenergie (MOE) De ontstekingsenergie is de energie die men nodig heeft om een explosief mengsel tot ontsteking te brengen. Door het toevoegen van een brandbaar gas aan een stofwolk kan de MOE sterk gereduceerd worden. De minimale ontstekingsenergie is van een groot aantal factoren afhankelijk.6.De minimale ontstekingsenergie.a. 1. Vooral bij oplosmiddelbevattende poeders (b. Vele organische poeders hebben een KST-waarde van circa 100 bar.In het algemeen daalt de MOE bij dalende turbulentiegraad van de stofwolk. De potentiële ontstekingsbronnen worden verder besproken. ten gevolge van extractie) kan een hybride mengsel relatief eenvoudig ontstaan.5 Samenvatting belang van explosiekarakteristieken bij de risicobepaling De uitvoering van de risicobepaling van stofexplosies komt in principe neer op het beantwoorden van de vragen: . .v. waarvan de belangrijkste de korrelgrootte.De zelfonstekingstemperatuur van de stoflaag en de stofwolk. .In het algemeen daalt de MOE bij toenemende temperatuur van de stofwolk. .de/ifa/de/gestis/stoffdb/index. Voor vele stofwolken situeert de MOE zich tussen 1mJ en 1kJ. De meeste agrarische producten horen tot een lage stofexplosieklasse (KST1.Ook de deeltjesgrootte en de vochtigheidsgraad van het stof beïnvloeden de KST-waarde. Bij de ontploffing van een dergelijk poeder binnen een volume van 1 m³ kan de explosiedruk (b. Volgende parameters zijn hierbij van belang: . Deze hybride mengsels blijken bovendien explosief te zijn bij stof. In een volume van 1000 m³ duurt dit slechts 10 keer langer. 1. Deze energie kan op velerlei wijzen geleverd worden. volgende parameters van belang: . 10 bar) bereikt worden in ordegrootte van 100 ms. voor een standaard monster met mediaandiameter <63µm).Wat is de ernst van een stofexplosie? Bij het bepalen van de kans dat een stof-luchtmengsel tot ontploffing zal komen zijn o. de temperatuur en turbulentiegraad van de stofwolk en de vochtigheidsgraad zijn: .Wat is de kans van een stofexplosie? . De minimale ontstekingsenergie. De mogelijke ernst van een stofexplosie is functie van de mogelijke explosiedruk en de drukopbouw in functie van de tijd.De glimtemperatuur van de stoflaag.De MOE daalt bij een lagere vochtigheidsgraad. Ook wanneer een stof gevoelig is voor zelfopwarming of broei kunnen broeigassen ontstaan die aanleiding kunnen geven tot een hybride mengsel. is de hoeveelheid energie waarmee een mengsel over het volledige explosieve gebied net niet meer tot ontsteking kan gebracht worden. MOE.en gasconcentraties die onder de onderste explosiegrens liggen van het pure stof en gas.Bij korrelgroottes van 300µm en meer zijn poeders in suspensie niet meer tot ontsteking te brengen. Op de website http://www.m/s. Hoe groter de druk en hoe langer de duurtijd van een stofexplosie des te groter zal de potentiële schade zijn.

of pneumatische afscheiders. De vonken kunnen ontstaan wanneer een metaal of steen in contact komt met een ander metaal.7. Vonken bij het slijpen kunnen door waterkoeling vermeden worden. Hierna volgt een korte bespreking van de voornaamste ontstekingsbronnen. NVBB. . Vreemde voorwerpen kunnen voor een groot deel uit de installatie gehouden worden met magnetische. .Overige/onbekend. De potentiële ontstekingsbronnen kunnen van mechanische. De belangrijkste ontstekingsbronnen bij stofexplosies zijn in dalende orde van belangrijkheid1: . Zowel het ontstaan als het vermijden van de ontstekingsbronnen komen aan bod. 1 J.Vlammen.1 Mechanische bronnen Mechanische vonken: Mechanische vonken zijn hete deeltjes die vrijkomen tengevolge van het over elkaar schuren of het op elkaar slaan van daarvoor geschikte stoffen. . Bovendien moet de aandrijving van gereedschap dat gebruikt wordt in een explosiegevaarlijke atmosfeer explosieveilig uitgevoerd zijn. In geen geval mag normaal elektrisch handgereedschap met open collector gebruikt worden. zwaartekracht.Elektrische vonken.Spontane opwarming.Hete oppervlakken.Mechanische vonken.- De maximum drukstijgingssnelheid. bij voorkeur pneumatisch. Om te vermijden dat hierbij vonken ontstaan kunnen speciale niet-vonkende metalen tippen gebruikt worden. Deze deeltjes kunnen voldoende energierijk zijn om ontplofbare stof-luchtmengsels te ontsteken of in afgezet brandbaar stof een smeulproces op gang te brengen dat vervolgens tot een ontsteking kan leiden.Lassen en verspanen. Wanneer vreemde voorwerpen in de installatie raken en daar in contact komen met snel bewegende onderdelen zoals de bladen van een ventilator. die eventueel kunnen worden gecombineerd met metaaldetectoren die de installatie stilleggen indien de aanwezigheid van vreemde voorwerpen wordt vastgesteld.Brandend materiaal. slijpen of schuren. De energie in vonken van slijpschijven is hoger dan de ontstekingsenergie van de meeste mengsels. . Ontstekingsenergie bij stofexplosies – Technisch Dossier 83. De KST-waarde van het poeder. 1. 1.Statische elektriciteit. thermische of chemische aard zijn. Bij het losraken van onderdelen in een draaiende machine zoals ventilatorbladen die in aanraking komen met de behuizing. Berghmans (oktober 1990).7 ONTSTEKINGSBRONNEN Een brandbare stofwolk zal slechts ontstoken kunnen worden door een ontstekingsbron met voldoende sterkte. elektrische. . Belangrijke voorwaarde voor het ontstaan van mechanische vonken is een hoge relatieve snelheid tussen de twee elkaar rakende voorwerpen. . zoals : Bij bewerkingen met mechanisch aangedreven gereedschap zoals boren. . ©Nevedi handleiding 2005 ATEX-richtlijn 137 12 . . Bij slijpen liggen de snelheden vele malen hoger dan bij boren waardoor ook veel meer mechanische vonken zullen worden opgewekt.

d.Opstellen en toepassen van preventieve onderhoudsschema’s (smering). schoorstenen en afgasleidingen.Mechanische remmen. Voor de evaluatie van het gevaar die bepaalde mechanische vonken inhouden moet men niet alleen de explosiekarakteristieken van het stof kennen maar ook de eigenschappen van de stof zelf.2 Thermische bronnen Hete oppervlakken: Naast directe ontsteking van een stof-luchtmengsel door een heet oppervlak kan ook het stof dat in een laag op dat hete oppervlak is uitgezakt aanleiding geven tot vorming van een smeulnest dat vervolgens weer de ontstekingsbron kan zijn van het stof-luchtmengsel. stoomleidingen. Het verlagen van de snelheid en voorzien van temperatuurbewaking zijn andere mogelijke preventieve maatregelen. voorkomen worden door: .Oppervlakken die zijn verhit ten gevolge van las-. transportbanden. een proces van lange duur waarbij objecten tegen elkaar wrijven. remmen e. .Oppervlakken van hete apparaten zoals verwarmingen.Foute afstelling van transporteenheden (b.Lagers. ©Nevedi handleiding 2005 ATEX-richtlijn 137 13 . slippen van een transportband). .Wrijvingskoppelingen.Temperatuurbewaking gekoppeld aan de sturing van bepaalde toestellen.Isolatie van warme oppervlakken. riemoverbrengingen. Voorbeelden van hete oppervlakken die een ontstekingsrisico kunnen inhouden zijn: . soldeer. verbrandingsmotoren. 1. drogers.v. lampen. De preventie van ontsteking van stof door hete oppervlakken wordt meestal gerealiseerd door de oppervlaktetemperaturen van objecten te beperken tot ongeveer 75° C beneden de Tglim van stoflagen of tot 2/3 van de MOT van stofwolken waarbij de laagste van deze temperaturen weerhouden wordt. transformatoren.Slecht uitgelijnde en gebroken machineonderdelen. Beperking van de oppervlaktetemperatuur kan bijv. mengmachines. De te treffen preventieve maatregelen situeren zich dan ook voornamelijk op het vlak van het plannen en uitvoeren van preventief en curatief onderhoud. in tegenstelling tot impactverschijnselen waarbij mechanische vonken kunnen worden gevormd. . draaiende assen door afdichtingen. .. . Hitte wordt hierbij trapsgewijs geaccumuleerd.Bij het storten van materiaal in bunkers e. elevatorbakken). pakkingen). Bij aanlopers (ventilatoren.Onderdelen van machines die mechanisch opwarmen (breekmolens. onvoldoende gesmeerde bewegende onderdelen van toestellen (lagers. Gekende voorbeelden zijn: . remmen). .Toestellen die de mechanische energie omzetten in warmte (wrijvingskoppelingen.Warmgelopen elektromotoren.d.Verstopt raken en ontstoppen van materialen.7. . maalinstallaties) of carters van machines opgewarmd door geleiding. Wrijving: Wrijving is. . . .Foute afstelling van aandrijfeenheden. .Beperking van de snelheid van draaiende onderdelen. . leidingen van thermische olie. drijfriemen.of slijpwerkzaamheden. . . verwarmingsweerstanden.Oververhitte elektrische draden of stroomgeleiders door een overbelasting.

Het vermijden van open vuur en vlammen is dus noodzakelijk. kachels. De temperatuur en energie in een vlam zijn altijd hoger dan de MOT van een brandbare stof. De hitte kan niet snel worden afgevoerd waardoor de temperatuur van het opgehoopte stof vrij snel stijgt. Schuifweerstanden. Inertisering (inspuiten van een ruimte met inerte gassen zoals CO2 en N2).Vuurhaarden. een grote ruimte. Materiaal op te slaan bij verlaagde temperatuur.Tevens kunnen uit veel organische stoffen. een draagbalk verspreid worden en resulteren in een secundaire stofexplosie. Dit kan bijvoorbeeld het geval zijn bij: . Open vuur en vlammen kunnen te allen tijde explosies inleiden. . Elektrische vonken: 1. Door een gelimiteerde aanvoer van zuurstof kan een smeulende stofzone koolmonoxide en andere brandbare gassen ontwikkelen. Door die poreuze structuur heeft zuurstof gemakkelijk toegang tot de oppervlaktedeeltjes van het stof en wordt de geleidbaarheid van de voortgebrachte hittelaag verlaagd.of drukbewaking. Smeulen: Brandbaar opgehoopt stof kan onder bepaalde omstandigheden aanleiding geven tot inwendige verbranding en hoge temperaturen. Dit kan o. brandbare gassen ontsnappen die gemengd met de omgevingslucht een ontplofbaar mengsel kunnen vormen.7. of generatoren met koolborstels en sleepringen of ©Nevedi handleiding 2005 ATEX-richtlijn 137 14 . Door de gasexplosie kan het dak van de silo beschadigd worden. bij het legen van een hopper) kan dit ontstoken worden. waakvlammen. Komt deze smeulende stofzone in een stofwolk terecht dan kan een stofexplosie ontstaan. Zo kan zich een explosief gasmengsel boven de stoflaag vormen. Elektrische motoren commutatoren. In principe geeft iedere bediening van een elektrische schakelaar een elektrische vonk. reactieve metalen en stof doordrenkt met plantaardige oliën. Materiaal regelmatig te laten circuleren en de warmteafvoer te verbeteren. Dit verschijnsel kan verklaard worden door de poreuze structuur van het stof.a. In zulke gevallen moeten de maatregelen bescherming bieden tegen zowel gasontploffingsgevaar als stofontploffingsgevaar. snijbranden. afbranden van verf.v. lucifers. Heel wat materialen zijn gevoelig voor spontane opwarming bij gewone omgevingstemperaturen. zaagmeel.a. Een temperatuur. Open vuur en vlammen: Onder open vuur en vlammen worden verbrandingsprocessen verstaan die in direct contact met de omgevingslucht plaatsvinden.3 Elektrische bronnen Een elektrische vonk ontstaat als een stroomvoerend elektrisch circuit wordt onderbroken of als twee geleiders van verschillende potentiaal zo dicht bij elkaar worden gebracht dat de isolatiewaarde of doorbraakveldsterkte van de lucht tussen de geleiders overschreden wordt.p. steenkool. Enkele andere potentiële bronnen van elektrische vonken zijn: Relais. Wanneer nu een smeulende stofzone dit gasmengsel bereikt (bijv. wanneer opgewarmd. Zeer gevoelig zijn o. bedekken van daken. kaarsen. solderen. Spontane opwarming kan in zekere mate beperkt worden door: Materiaal op te slaan in verschillende kleine ruimtes i.Werkzaamheden als lassen. voorkomen worden door een vergunning brandgevaarlijke werkzaamheden. Hierdoor kan opgehoopt stof op bijv.

Voorbeelden van industriële activiteiten waarbij elektrostatische opladingen zich kunnen voordoen zijn: Pneumatisch transport van poeders. Door storingen kunnen vonken ontstaan in elektrische apparatuur die tijdens normaal bedrijf geen vonken veroorzaakt zoals: Smeltveiligheden.Sleepcontacten en stroomafnemers. Kortsluitingen en aardsluitingen. Accumulatie van lading resulteert in een elektrisch veld met een toenemende veldsterkte. Personen worden alleen opgeladen als zij geïsoleerd opgesteld staan. Elektrostatische ontladingen: Statische elektriciteit kan op verschillende manieren ontstaan. Alleen veiligheidshelmen dragen van niet oplaadbaar materiaal. verliest een isolator of slechte geleider zijn isolerend vermogen. Als een opgeladen persoon een geaard of geleidend voorwerp nadert kan een vonkontlading ontstaan die voldoende energie (25 à 40 mJ) bevat om een omringend stofmengsel te ontsteken. Op de eerste plaats dient men te zorgen voor geleidende vloeren. Indien een geleidend en geaard voorwerp wordt blootgesteld aan een elektrisch veld (dat aanwezig is rond een elektrisch opgeladen voorwerp) zal een tegenlading worden geïnduceerd op dit voorwerp. Boven een bepaalde waarde van deze veldsterkte. Oplading via ladingsoverdracht wanneer een opgeladen voorwerp met een niet opgeladen voorwerp in aanraking komt (stofwolken die een voorwerp treffen of er op neerslaan). De bekendste vorm is contactelektrificatie. Het mechanisme van contactelektrificatie vindt bijvoorbeeld plaats bij transport van poeders door leidingen. Niet verwisselen van kleding in een zone 20 of 21 (zie hoofdstuk 4 over zonering). Wanneer dit niet mogelijk is zal aangepast. de zogenaamde doorslagveldsterkte. Ledigen van papieren of plastic zakken zonder goed geaard te zijn. uitzakken van suspensies). zeven). Deze vorm van opladen heet inductie. Elektrostatische oplading op zich maakt statische elektriciteit nog niet tot een ontstekingsbron. Slechte contacten en onbedoelde onderbrekingen in stroomkringen. Scheidingsprocessen onder invloed van de zwaartekracht (b. Dit verschijnsel bestaat uit ladingsoverdracht indien twee verschillende niet geladen materialen eerst met elkaar in contact worden gebracht en vervolgens weer worden gescheiden. Hiervoor is het noodzakelijk dat de lading voldoende accumuleert. Er vindt een ontlading plaats ©Nevedi handleiding 2005 ATEX-richtlijn 137 15 . Voorwerpen kunnen ook worden opgeladen door inductie. bijvoorbeeld op niet geleidende schoenzolen of op een niet geleidende vloer. Er kunnen de volgende additionele maatregelen genomen worden om oplading van personen te voorkomen: Dragen van geleidend schoeisel en kledij.v. Mechanische processen met poeders (malen. Als algemene preventiemaatregel geldt dat elektrische installaties zoveel mogelijk geweerd dienen te worden uit die delen van de installatie waar explosief stof aanwezig kan zijn. stofdicht materiaal moeten worden geïnstalleerd. Ook mensen kunnen op deze wijze opgeladen worden. Bewegende transportband over rollen. Alleen veiligheidshandschoenen dragen met een doorgangsweerstand van maximaal 108. Lopen over isolerende vloeren.

Een vonk ontstaat tussen twee geleidende materialen die een verschillende potentiaal bezitten. G. De bekendste is de elektrostatische vonk.65 Stofexplosies.2. waardoor zich ionisatiekanalen vormen op het oppervlak van de stortkegel. Fig. Huys. Deze ontstaan doordat aan het oppervlak van de stortkegel de doorslagveldsterkte van lucht wordt bereikt. ©Nevedi handleiding 2005 ATEX-richtlijn 137 16 .65 Stofexplosies.3. De nettovonkenergie is daardoor lager dan de opgeslagen energie. Huys. Indien dit poeder bestaat uit slecht geleidend en hoog opgeladen materiaal kunnen stortkegelontladingen ontstaan van de geaarde silowand naar de top van de kegel. 23/03/1998) Bij alle andere ontladingen zijn minder goed geleidende materialen betrokken waardoor tijdens de ontlading weerstandsverliezen optreden. Dit kan een stofwolk zijn. De sterkste stortkegelontladingen treden op bij het storten van grofkorrelig materiaal met een deeltjesgrootte van 1 tot 10 mm in aanwezigheid van fijn stof met een lage minimale ontstekingsenergie of in de aanwezigheid van gassen. Grafische voorstelling van een elektrostatische vonk (Arbeidsveiligheid nr.welke verschillende vormen en energie-inhouden kan hebben. Fig.Kluwer Editorial. 23/03/1998) Minder bekende vormen van elektrostatische ontladingen zijn de stortkegelontlading en de glij-ontlading. Een andere soort ontlading is de borstelontlading. Voor dergelijke ontladingen is in de meeste gevallen een tegenvoorwerp in de vorm van een slechte geleider noodzakelijk. Grafische voorstelling van een borstelontlading (Arbeidsveiligheid nr.Kluwer Editorial. Als een poeder gestort wordt in een silo ontstaat een kegelvormige hoop die stortkegel genoemd wordt. G.

2 A.Fig.Kluwer Editorial. Glijontladingen zullen alleen ontstaan in processen waar een zeer hoge wrijving optreedt zoals bij het pneumatisch transport van poeders. In onderstaande tabel2 is een overzicht opgenomen van de verschillende elektrostatische ontladingsvormen en hun potentieel als ontstekingsbron voor stof-luchtmengsels. Elektrostatische ontladingen kunnen als ontstekingsbron optreden bij stof-luchtmengsels en hybride mengsels wanneer de bij de ontlading vrijkomende energie groter is dan de MOE van het brandbaar mengsel. G. Er wordt echter aangenomen dat bliksemachtige ontladingen niet optreden in apparatuur op industriële schaal. De polarisatie van een folie vindt plaats wanneer tegen of dichtbij een geladen en slecht geleidende folie een geaarde geleider wordt geplaatst.Kluwer Editorial. Huys. Grafische voorstelling stortkegelontlading (Arbeidsveiligheid nr. Een folie is gepolariseerd indien ze aan beide zijden sterk tegengesteld opgeladen is. 23/03/1998) Glijontladingen kunnen optreden tussen een geleidende elektrode en een sterk gepolariseerde kunststoffolie. ©Nevedi handleiding 2005 ATEX-richtlijn 137 17 . Huys. Grafische voorstelling van glij-ontlading (Arbeidsveiligheid nr.5.65 Stofexplosies. 23/03/1998) Ten slotte bestaat ook nog de bliksemontlading. Als een sterk gepolariseerde folie wordt benaderd door een geaard voorwerp ontstaat er een borstelontlading tussen de folie en het geaarde voorwerp zeer hoge energie-inhoud. G. Risicoanalyse aangaande stofexplosie in mengvoederbedrijven en maalderijen.Debeil (mei 1998).4. Fig.65 Stofexplosies.

eenvoudigste en meest gebruikte preventiemaatregel die in de praktijk wordt toegepast is het elektrostatisch aarden en doorverbinden van geleidende delen van de installatie.Geleidend materiaal inbrengen. In de meeste gevallen kan dit niet gerealiseerd worden met een metalen aardverbinding. Merk op dat bij poeder transportsystemen het bestrijken met geleidende verf en het omwikkelen met gaas sterk af te raden is. Soms kan het ook voorkomen dat niet-geleidende voorwerpen met de aarde verbonden moeten worden. omdat dan aan de binnenzijde van de leiding gevaarlijke glij-ontladingen kunnen optreden. De belangrijkste. Tabel 1.De voorwerpen met geleidende verf bestrijken.De omvang van de te nemen maatregelen is sterk afhankelijk van de ontstekingsgevoeligheid van het betreffende stof/lucht mengsel dat ter plaatse kan voorkomen. . Met onderstaande formule kan de vrijkomende energie bij een stortkegelontlading berekend worden E = 5.22 x D3. opgeladen persoon Corona Zone rond puntige geleiders <1 Weinig waarschijnlijk Borstel Ontlading tussen geleider en <4à5 MOE zal bepalend zijn een niet geleider Stortkegel Slecht geleidend poeder < 25 Minder sterk (weerstand > 1010 Ohm.462 ( mJ ) met D = diameter van de silo in m d = mediaan deeltjesgrootte in mm Opmerking : voor kunststofsilo’s moet de diameter verdubbeld worden Bliksem: ©Nevedi handleiding 2005 ATEX-richtlijn 137 18 .36x d1. Men kan dan bijvoorbeeld: .m) in een geaarde silo (*) Glij Zoals bij pneumatisch transport tot 3000 Sterk van poeder door een geaarde of geleidende leider voorzien van een dunne niet geleidende coating (*) De sterkste stortkegelontladingen treden op bij het storten van grofkorrelig materiaal met een deeltjesgrootte van 1 tot 10 mm in aanwezigheid van fijn stof met een lage MOE.Geleidende vulstoffen toevoegen.2: Overzicht van de elektrostatische ontladingen en hun potentieel als ontstekingsbron Type Beschrijving EnergiePotentiële ontlading inhoud in mJ ontstekingsbron voor stof-luchtmengsel Vonk Sterk Ontlading tussen 2 geleiders die tot 10. .000 op verschillende potentiaal staan (dus 1 niet of onvoldoende geaard) ( 25 à 40 mJ ) Vb.

Volgende types kunnen onderscheiden worden: Broei: dit is een reactie die kan optreden in vaste stoffen van organische oorsprong. veroorzaken in geleiders.). Bij het onderbreken van de stroomkring waarin de zwerfstroom loopt zal dit leiden tot vonkvorming. die reeds besproken werden bij de thermische bronnen. Dergelijke vorm van corrosie die veroorzaakt wordt door een elektrische stroom die door een object loopt wordt elektrochemische corrosie genoemd. De afgaande leidingen zorgen ervoor dat de bliksemstroom buiten het object om naar de aarde wordt geleid. afgaande leidingen en een aardingssysteem. zonlicht.7.4 Chemische bronnen Open vuur en smeulende stoffen. 1. Elektrisch lassen (wanneer de massaklem niet in de onmiddellijke nabijheid van de lasplaats is aangebracht). Ten slotte kunnen ook elektromagnetische straling in het optische gebied (3x1011 Hz tot 3x1015 Hz). laserstraling. De opvanginrichting zorgt ervoor dat de bliksem opgevangen wordt voordat hij het object raakt. Op deze wijze vormt een zwerfstroom een potentiële ontstekingsbron. Boven deze temperatuur sterven de organismen af maar kan een gewone ©Nevedi handleiding 2005 ATEX-richtlijn 137 19 . Op de plaats waar deze stromen het object weer verlaten kan zware corrosie ontstaan.Bliksem is uiteraard een voor de hand liggende ontstekingsbron van explosies. B. Een minder bekende exotherme reactie is de zogenaamde zelfverhitting. De belangrijkste oorzaken van zwerfstromen zijn: Nabijheid van andere kathodische beschermingssystemen. Wanneer dergelijke materialen worden opgeslagen in grote hoeveelheden onder enigszins vochtige omstandigheden kunnen micro-organismen een exotherme reactie veroorzaken. Daar kan een elektrische overslag in de vorm van een vonk plaats vinden die een explosie of brand kan veroorzaken.v. Het aardingssysteem zorgt er tenslotte voor dat de bliksemstroom zich goed in de bodem kan verspreiden Zwerfstromen: Zwerfstromen zijn gelijkstromen die zich onbedoeld door de aarde en door metalen constructies bewegen. enz. Zelfverhitting zal in de praktijk optreden bij stoffen die bij lage temperatuur al voldoende warmte produceren en die bovendien die warmte slecht naar de omgeving kunnen afstaan. Bovendien kan een blikseminslag zeer grote elektrische spanningen. De beschermingsmaatregelen tegen bliksem kunnen onderverdeeld worden in uitwendige en inwendige bliksembeveiliging. Onder zelfverhitting wordt de ontsteking verstaan die optreedt zonder tussenkomst van een vreemde ontstekingsbron zoals een mechanische vonk of heet voorwerp. Door geleiding kan deze overspanning verplaatst worden tot ver buiten de directe invloedssfeer van de blikseminslag. in het radiofrequentiegebied (104 Hz tot 3x1012 Hz) en ioniserende straling ontstekingsbronnen vormen. zoals wanneer de stof in grote hoeveelheden is opgeslagen en thermisch goed is geïsoleerd. zijn in feite beide chemische reacties tussen een brandstof en zuurstof waarbij warmte vrijkomt. Zwerfstromen kunnen voor een deel over een uitgestrekt object lopen. De stroomsterkte van zwerfstromen kan zeer hoog zijn. laagspanningsinstallaties. Een veel toegepaste voorkomingmaatregel is de leidingen en opslagtanks die onderhevig kunnen zijn aan elektrochemische corrosie uit te rusten met een kathodische bescherming. Verstoringen van het aardmagnetische veld. zogenaamde overspanningen. Wisselstroombronnen (hoogspanningstrajecten. Men spreekt van exotherme reacties. UV-straling. Door die reactie kan het materiaal lokaal verhit worden tot maximaal 75 ° C. De uitwendige bliksembeveiliging bestaat uit een opvanginrichting.

240 ° C in de maalderijen Vlammen en hete gassen: vlammen. door verspanende bewerkingen zijn doorgaans relevant.lager zijn dan circa 75 ° C beneden de glimtempera tuur van de stoflagen. Oxidaties: oxidaties treden vooral op bij opgeslagen poeders waarbij smeulnesten gevormd worden die bij omscheppen van de poederhoop een mogelijke ontstekingsbron kunnen vormen voor stof-luchtmengsels die bij dat omscheppen ontstaan. Onder andere steenkool. Men moet voor elke ontstekingsbron nagaan in welke mate deze zich kan voordoen en ze op de volgende manier classificeren: Ontstekingsbronnen die continu of vaak kunnen voorkomen bij de normale werking van toestellen. Ontleding: ontledingsreacties kunnen een ontstekingsbron vormen wanneer bij de ontleding warmte vrijkomt. Stoffen die bekend staan om hun gevaar van ongecontroleerde ontledingsreacties zijn b.v. Ontstekingsbronnen die in zeldzame omstandigheden kunnen voorkomen ten gevolge van functiestoornissen in toestellen. door het storten van materiaal in bunkers en silo’s.oxidatie de temperatuur verder doen stijgen tot het materiaal daadwerkelijk gaat smeulen.Veroorzaakt door mechanisch aangedreven gereedschap (boren. door vreemde voorwerpen. Indien men niet kan evalueren of een ontstekingsbron kan voorkomen is deze volgens de norm NEN-EN 1127-1:2007 NL permanent aanwezig. ongeacht hun grootte.5 Praktische betekenis van de ontstekingsbronnen bij de uitvoering van de risicobeoordeling Het vermogen van een ontstekingsbron om een ontsteking te veroorzaken hangt af van de eigenschappen van de aanwezige substanties. .én 2/3 van de ontstekingstemperatuur van de stofwolken zijn (MOT). slijpvonken en wrijvingsvonken): . .195° C in de mengvoederbedrijven .Elektrische vonken: zijn doorgaans relevant. met name de minimale ontstekingsenergie (MOE) en de minimale ontstekingstemperatuur (MOT). Een korte beschrijving van de “energie-inhoud” van de belangrijkste ontstekingsbronnen. Pyrofore stoffen zijn stoffen die bij contact met lucht spontaan ontbranden zelfs wanneer er sprake is van een goede warmte afgifte.Mechanische vonken ( impactvonken. slippen en andere storingen): Om ontsteking te voorkomen moet de temperatuur van het warme oppervlak: . worden tot de actiefste ontstekingsbronnen gerekend en zijn dus altijd relevant. hooi en melkpoeder kunnen dit gedrag vertonen. .slijpen). IJzersulfide en fijn aluminiumpoeder zijn voorbeelden van pyrofore stoffen. Ontstekingsbronnen die in zeer zeldzame situaties kunnen voorkomen ten gevolge van zeldzame defecten. Rekening houdend met bovenvermelde veiligheidsparameters betekent dit dat de oppervlaktetemperatuur van elektrische apparaten en de temperatuur van andere warme oppervlakken beperkt moet blijven tot maximaal : .7. 1. peroxides en ethyleen. door het losraken van onderdelen. ©Nevedi handleiding 2005 ATEX-richtlijn 137 20 . .Veroorzaakt door vallende werktuigen zijn enkel relevant bij stof met een zeer lage MOE. Reden daarvoor is het snelle verloop van de chemische reactie bij lage temperaturen. Hete oppervlakken (veroorzaakt door wrijving.

hakken. De noodprocedures.8. Het vermijden van de ontsteking van explosieve atmosferen.5 m/s bedraagt.5f is de sociale ATEX-richtlijn geïmplementeerd.Veroorzaakt met door handkracht gedreven gereedschap (scheppen. 1. het afzetten of opwervelen van brandbaar stof alsook het regelmatig verwijderen van afgezet stof.v < 1 m/s: geen ontstekingsgevaar. De keuze en het gebruik van arbeidsmiddelen en van collectieve en persoonlijke beschermingsmiddelen en van werkkleding. . Deze preventiemaatregelen kunnen betrekking hebben op: De organisatie van de onderneming met inbegrip van de gebruikte werk. In de zogenaamde Debeil studie (Risicoanalyse aangaande stofexplosie in Mengvoederbedrijven en Maalderijen) wordt gesteld dat er geen gevaar is op vonkvorming bij het loskomen van de metalen bekers van een elevator indien de snelheid van de elevator maximaal 2.1 < v < 10 m/s: ontstekingsgevaar zeer waarschijnlijk. hameren. Binnen de apparatuur zullen dergelijke preventieve maatregelen vaak niet uitvoerbaar zijn.25 mJ (er is wel gevaar voor gloeikernen in stoflagen). Uiteraard zal de relevantie afhangen van de snelheid “ v “ van bewegende onderdelen: .v > 10 m/s : ontstekingsgevaar in alle gevallen. Het beperken van de gevolgen van een explosie.8 PREVENTIE EN BESTRIJDING VAN STOFEXPLOSIES In de Arbeidsomstandighedenbesluit hoofdstuk 3. zagen) zijn alleen relevant als MOE < 0. ©Nevedi handleiding 2005 ATEX-richtlijn 137 21 . die gericht zijn op het voorkomen van de aanwezigheid. 1. de opleiding en de informatie van alle werknemers. . De inrichting van de arbeidsplaats.en productiemethodes. De bekwaamheid.en gezondheidssignalering. De preventie van stofexplosies zal dan ook bestaan uit ervoor te zorgen dat minstens één van deze elementen ontbreekt. De toepassing van een aangepaste veiligheids. Een ontstekingsbron die de nodige energie kan leveren voor het initiëren van de oxidatiereactie. maar het hangt af van de veiligheidsparameters van de betrokken stoffen.. paragraaf 2a. Een oxidatiemiddel (in het algemeen zuurstof uit de omgevingslucht). wel in aanmerking.1 Voorkoming van stofexplosies Om een stofexplosie te kunnen veroorzaken moeten tegelijkertijd op dezelfde plaats aanwezig zijn (ook wel genoemd de branddriehoek): Een brandbare stof in fijn verdeelde vorm. Daarin staat vermeld dat het de verplichting is van de werkgever technische en/of organisatorische maatregelen te nemen ter voorkoming van en bescherming tegen explosies volgens volgende grondbeginselen: Het voorkomen van het ontstaan van explosieve atmosferen. met inbegrip van aangepaste instructies. Buiten de apparatuur komen preventieve maatregelen.5a t/m/ 3. artikel 3.

Dit houdt o.v. Het toevoegen van bijvoorbeeld kleine hoeveelheden minerale plantaardige olie of lecithine aan graanpoeder blijkt efficiënt om stofwolken te vermijden.a.en lospunten.Een andere preventieve maatregel bestaat er in buiten de explosiegrenzen van het stof te werken. Zij dienen zo te worden uitgevoerd dat er zo weinig mogelijk plaatsen zijn waar zich stof kan afzetten en gemakkelijk stofvrij gehouden kunnen worden.Het toevoegen van vloeistoffen als stofbeheersing wordt wel eens in de graan. ze te bevestigen met schroeven of klinknagels. Dit kan onder meer het geval zijn ter hoogte van bandtransporteurs.p. moeten geaard zijn. moeten uitgerust worden met een afzuiginstallatie zodat het stof zich niet kan verspreiden. Hierbij mag geen gebruik gemaakt worden van perslucht. o De elektrische motoren moeten beschermd zijn tegen indringing van stof. Stofzuiginstallaties moeten beantwoorden aan de EX norm: o De aanzuigventilator moet beschermd zijn tegen inslag van vreemde voorwerpen. • Plaatsen waar niet te vermijden is dat stof uit de apparatuur ontsnapt.De stofwolken in de procesapparatuur zijn minder gevoelig voor ontsteking en explosie.en voedingsnijverheid toegepast. Het risico op een explosie zal significant gereduceerd worden op 2 manieren: . doseringen of monsternames via bedrijfsmatig te openen deksels of luiken. o De behuizing moet uit onbrandbaar materiaal bestaan. .Het vrijkomen en de afzetting van fijn stof wordt sterk verminderd.Vermijden van fijn verdeelde brandbare stof: . inclusief aanzuigslangen en voorzetstukken. zakkenvulinrichtingen en laad. Als het wegvallen van de onderdruk direct gevaar kan opleveren moet de installatie uitvallen en/of niet kunnen worden ingeschakeld. .Het middel bij uitstek om explosieve mengsels te vermijden bestaat er in producten te gebruiken die geen aanleiding kunnen geven tot explosies. Ter voorkoming of beperking van de aanwezigheid van brandbaar stof buiten de apparatuur kunnen de volgende maatregelen getroffen worden: • Alleen gebruik maken van gesloten en stofdichte apparatuur. De onderdruk moet dan wel bewaakt worden (signalering bij wegvallen). Verbindingen die wel moeten kunnen worden losgemaakt worden het best uitgevoerd met bout/moer bevestigingen in stevige lekvrije flenzen. in dat constructies van plaatwerk die niet bedrijfsmatig (voor schoonmaken of onderhoud) losgemaakt moeten worden bij voorkeur gelast worden i. . Zo is het onder meer aanbevolen om: ©Nevedi handleiding 2005 ATEX-richtlijn 137 22 . o Alle geleidende onderdelen. • Afgezet stof moet regelmatig worden verwijderd. Dus geen vrije valtrajecten in transportsystemen en geen toevoegingen. Een belangrijke factor die good housekeeping sterk bevordert is de doordachte bouw van de gebouwen en installaties. • Door enige onderdruk in de installatie te handhaven kan voorkomen worden dat uit openingen stof naar buiten komt. Bijkomend voordeel wanneer de druk lager dan 50 mbar gehouden kan worden is dat de maximale explosiedruk niet boven de 1 bar zal kunnen oplopen. • Indien mogelijk het werken met stoffige producten in de omgevingslucht vermijden.

koolstofdioxide of zuurstofarme verbrandingsgassen. glij. vroegtijdige detectie van een klomp smeulend product). Daar de meeste poedervormige stoffen een relatief hoge ontstekingsenergie en een relatief lage ontstekingstemperatuur hebben en dat bovendien veel organische producten al smeulen bij een lagere temperatuur dan de ontstekingstemperatuur. rookverbod) als technische maatregelen (bijv. Juist op die momenten kan de zuurstofconcentratie plotseling stijgen. De inwendige muren van dergelijke gebouwen vlak en afwasbaar uit te voeren. CO-detectie om smeulbranden te detecteren (b. Permanente temperatuurscanning op een productstroom met infraroodstraal (bijv. Aandachtspunt bij een dergelijke werkwijze dienen storingen te zijn.v.p. Daarnaast kunnen ook nog preventieve maatregelen getroffen worden welke de kans op ontstekingsbronnen verkleinen of deze ontstekingsbronnen detecteren waarna ze onschadelijk kunnen worden gemaakt: Aardingscontrolesystemen (b. Welke ontstekingsbronnen in een bepaalde situatie wel en welke niet meer gevaarlijk zijn hangt af van de stofexplosiekarakteristieken van het betrokken stof. open vuur en vlammen. Vermijden van ontstekingsbronnen: Het vermijden van ontstekingsbronnen is een belangrijke preventieve maatregel. Als stof gemengd wordt met lucht die minder zuurstof bevat zal het mengsel minder gemakkelijk ontstoken kunnen worden en minder heftig ontploffen.v. 1. scheefloopbeveiliging in elevatoren en transportbanden). Ionisatie-apparatuur om statische oplading te elimineren. terwijl de maximale explosiedruk en de drukstijgsnelheid zullen dalen. Het vermijden van ontstekingsbronnen moet zowel met procedurele (bijv. capacitieve of resistieve controle op een silowagen). detecteren van smeulend heet product op een transportband of transportketting). Het verlagen van het zuurstofgehalte is soms mogelijk binnen de apparatuur en gebeurt in het algemeen door bijmenging van inerte gassen stikstof.v. De overgang tussen muren en vloeren af te ronden. Vermijden van zuurstof: Omgevingslucht bevat circa 21% zuurstof. Voor veel stoffen ligt het gehalte in de buurt van 10%. horizontale vlakken. waardoor men binnen de explosiegrenzen komt en vrij snel een klap krijgt. De minimum ontstekingsenergie en de onderste explosiegrens zullen immers stijgen. Preventieve maatregelen die genomen kunnen worden staan vermeld in hoofdstuk 5 deel B bij de risicoanalyses per toestel. statische elektriciteit (vonk-. Vonkdetectiesysteem eventueel in combinatie met blussing. zijn de belangrijkste ontstekingsbronnen voor stof-luchtmengsels de energierijkere ontstekingsbronnen zoals mechanische en elektrische vonken.8. maar ook hete oppervlakken en spontane opwarming. In de praktijk is deze maatregel echter weinig toepasbaar in de mengvoedersector of bij de maalderijen.- Zoveel mogelijk hellende vlakken (onder een hoek van 60° ) toe te passen i. Voor iedere stof bestaat er een zuurstofgehalte waaronder geen ontsteekbaar mengsel meer gevormd kan worden. Leidingen en kabels zo kort mogelijk te houden en zoveel mogelijk in te bouwen.en stortkegelontladingen).2 Voorkoming van schade Explosie-onderdrukking: ©Nevedi handleiding 2005 ATEX-richtlijn 137 23 . maar kan bijna nooit voldoende zekerheid bieden om als enige maatregel te mogen gelden.

Drukstootvaste constructies: Men spreekt van een drukstootvaste constructie wanneer deze constructie wel in staat is de explosie te weerstaan en te verhinderen dat die zich tot de omringende atmosfeer uitbreidt. Over het algemeen is het de regel dat grote installaties niet kunnen worden ontworpen of aangepast om weerstand te bieden aan de maximale explosiedruk. Kluwer en Ten Hagen & Stam): . Het principe van explosieonderdrukking bestaat erin dat de ontsteking door detectoren gedetecteerd wordt en een beveiligingssysteem in werking gesteld wordt waardoor ofwel de verbranding stopt ofwel de leiding waarin het vlamfront voortloopt afsluit.m/s.5. Op dergelijke maatregelen is veel minder directe invloed uit te oefenen door het personeel daar het hier gaat om procestechnische en mechanische veiligheden welke installatiegebonden zijn. Drukvaste constructies: Apparatuur en installaties die in staat zijn de hoogste druk die een inwendige explosie kan veroorzaken te doorstaan zonder blijvende vervorming en zonder dat de explosie zich uitbreidt tot de omringende atmosfeer. De hoogte van dergelijke drukken is moeilijk te voorspellen en in ieder geval is het moeilijker om de apparatuur voldoende sterk te bouwen. Belangrijk is hierbij op te merken dat de beschermde toestellen de verlaagde explosiedruk moeten kunnen weerstaan en eventuele verbindingen naar andere toestellen ook beschermd moeten worden. Deze moeten open gaan of bezwijken bij een zo lage overdruk dat hierdoor geen schade aan het apparaat of de ©Nevedi handleiding 2005 ATEX-richtlijn 137 24 . Ook voor het ontwerp en vervaardiging van dergelijke constructies kan gebruik gemaakt worden van de voor drukhoudende apparatuur geldende voorschriften waarbij gerekend wordt met een zekerheidsfactor gelijk aan 1. . 1. Compartimenteringmaatregelen zijn dan absoluut noodzakelijk. Voor drukvaste bouwwijze moet dus alle apparatuur. maar daarbij wel blijvend vervormd wordt.8. Bij explosies in aaneengesloten vaten treedt drukopbouw op waarbij de druk heel hoog kan oplopen. worden drukvast genoemd. deze te verwachten druk kunnen weerstaan. Voor ontwerp en vervaardiging kunnen de voor drukhoudende apparatuur geldende voorschriften worden gebruikt (bijv.Voor poeders met KST = 300 bar. BS 5500). Explosiedrukontlasting: Om de door een explosie in een apparaat of systeem ontwikkelde overdruk te beperken kunnen explosieluiken en -panelen of breekplaten aangebracht worden. appendages. Men spreekt van explosie-onderdrukking. Aangenomen wordt dat de te verwachten maximale explosiedruk circa 10 bar bedraagt. Daarom wordt deze beveiligingstechniek slechts toegepast voor relatief kleine en nieuwe installaties. luiken.: Handboek Explosiebeveiliging. Voor drukvaste constructies bedraagt de zekerheidsfactor 1. instrumentatie. Daardoor zal de maximaal ontwikkelde explosiedruk een vooraf bepaalde waarde niet kunnen overschrijden en zal bijgevolg geen of slechts beperkte schade aangericht worden.Volumes tot ongeveer 1000 m³. met inbegrip van aansluitingen.Onder bepaalde omstandigheden kan verhinderd worden dat de ontsteking van een explosief mengsel zich ontwikkelt tot een explosie die schade kan veroorzaken. Proefondervindelijk werd vastgesteld dat de toepassing van explosieonderdrukking een doelmatige en efficiënte bescherming biedt binnen de volgende algemeen geldende grenzen (ref.3 Beperking van de schade Ter beperking van de gevolgen van explosies kunnen zowel procedurele als technische maatregelen getroffen worden.

Breekplaten zijn veruit het meest toegepaste systeem voor explosiedrukontlasting. Wanneer de explosiedrukontlasting niet naar de vrije atmosfeer of naar een veilige zone kan worden geleid.o. de (dp/dt)max -waarde. Bij het ontwerp van ontlastopeningen moet daarom aandacht besteed worden aan: De te verwachten snelheid waarmee de druk in de installatie stijgt ten gevolge van een stofexplosie. niet naar bedrijfsruimten of op verkeerswegen. de Duitse norm VDI 3673). Het principe van drukontlasting berust dus op het creëren van een zwakke plek in de te beveiligen installatie. Deze groef is zodanig gedimensioneerd dat de plaat openbreekt bij de voorziene openingsdruk. Door turbulentie in de schouw kunnen tegendrukken ontstaan die zelfs hoger kunnen zijn dan explosiedrukken die in gesloten sferische vaten werden vastgesteld. Mensen en installaties worden zo bedreigd. Voor de berekening van deze factor werden een aantal methodes ontwikkeld (bijv. Niet verbrand stof-luchtmengsel kan in de schouw tot ontvlamming komen en het ontluchtingsproces verstoren.installatie aangericht kan worden.v. Indien de ontlasting niet rechtstreeks in de buitenlucht kan plaatsvinden. De ontlastopening dient voldoende groot te zijn om de snelheid waarmee de druk in de installatie zal stijgen met uitstroming te kunnen compenseren. Membranen die bestaan uit een raamwerk dat bespannen is met een zeer dunne plastic of metaalfolie. Het oppervlak van de ontlastvoorziening. een schouw of buis. Een apparaat dat door drukontlasting beschermd wordt moet drukvast of drukstootvast zijn uitgevoerd t. ©Nevedi handleiding 2005 ATEX-richtlijn 137 25 . Bij explosiedrukontlasting moet rekening gehouden worden met het uittreden van hete verbrandingsgassen en brandbaar stof. Dit zijn een soort vlammenfilters (quenchbuizen) waarin de oppervlaktetemperatuur van de vlam verlaagd wordt tot beneden de ontstekingstemperatuur van de brandstof waardoor de vlam gedoofd wordt. Deuren of zogenaamde scharnierende panelen. kan de explosiedruk mogelijk naar een veilige zone worden afgeleid via bijv. De bezwijkdruk van de installatie. De ontlasting moet daarom zoveel mogelijk in de buitenlucht plaatsvinden en altijd in een ongevaarlijke richting zoals via het dak omhoog. De aanspreekdruk van de ontlastvoorziening. de gereduceerde explosiedruk. Dergelijke kanalen dienen dan ook zonder bochten en zo kort mogelijk te worden uitgevoerd. De belangrijkste ontlastconstructies zijn: Breekplaten bestaande uit een roestvrij stalen voorgegroefde folie. Het aanbrengen van dergelijke afblaaskanalen heeft wel enkele nadelen: De doorstroming van brandend product is aan weerstand onderhevig. kan gebruik worden gemaakt van zogenaamde vlamdovers. Panelen opgebouwd uit een stijve constructie die in een raamwerk is gevat of veerbelast is. vlamverschijnselen en drukontwikkeling.

Kan de explosie zich verder ontwikkelen en is er voldoende brandstof en lucht aanwezig dan zal de deflagratie steeds in snelheid toenemen. Stofexplosies kunnen zich verplaatsen van een procesonderdeel naar een ander via de verbindingsleidingen tussen de twee procesonderdelen. Doorsnede van een vlamdover (Arbeidsveiligheid nr. De compartimentering kan gerealiseerd worden met behulp van: .7). bijv. installaties of andere plaatsen waar zich veel mensen kunnen bevinden. G. 23/03/1998) Scheiding en compartimentering: Installatiedelen waarin explosies kunnen optreden dienen op ruime afstand geplaatst te worden van gebouwen.8) of koelen de vlam af zodanig dat de ontstekingstemperatuur van het onverbrande medium niet meer wordt bereikt (fig. De passieve mechanische systemen leiden de vlam af naar een veilige zone (fig.6. ©Nevedi handleiding 2005 ATEX-richtlijn 137 26 .Fig. Voor de meeste technieken geldt dat de minimale lengte van de verbindingsleiding 6 meter moet zijn. In bepaalde omstandigheden kan de deflagratie overgaan in een detonatie.Kluwer Editorial. Huys. In principe mogen alleen personen aanwezig zijn als er geen ontploffingsgevaar bestaat. . Dit zal zeker van toepassing zijn wanneer het niet mogelijk is met voldoende zekerheid te waarborgen dat geen ontploffing optreedt en de apparatuur ook niet zo kan worden uitgevoerd dat de ontploffing te beheersen is. als de installatie buiten bedrijf is. Compartimentering houdt in dat de explosie in de verbindingsleiding tijdig wordt gestopt door bijv.Actieve chemische systemen. Bovendien moet de installatie worden omgeven door voldoende stevige muren of wallen die verhinderen dat weggeslingerde delen schade aanrichten. .Passieve mechanische systemen. Wegens de enorme drukstoten die hierbij ontstaan moet dit te allen tijde vermeden worden. Indien de stofexplosie van twee kanten kan komen zijn verbindingsleidingen van minstens 12m noodzakelijk. De toegang tot dergelijk geïsoleerd opgestelde installatieonderdelen behoort streng te worden geregeld en tot het strikt noodzakelijke te worden beperkt.Actieve mechanische systemen. het sluiten van een klep of het injecteren van een blusmiddel.65 Stofexplosies. Kortere buizen geven eenvoudigweg te weinig tijd om de noodzakelijke maatregelen te treffen.

Fig.7. Fig.7. Rooster voor het afkoelen van de vlam

Fig.8.

Fig.8. Afleiden van de vlam via een explosieslot (Arbeidsveiligheid nr.65 Stofexplosies, G. Huys,Kluwer Editorial, 23/03/1998) Men kan ook gebruik maken van de procesonderdelen, zoals doseerschroeven en draaisluizen, als isolators tegen explosiedoorslag. De massa poeder in een doseerschroef kan bij een juist ontwerp van de schroef voldoende tegendruk leveren om de explosiedruk te weerstaan. Daarvoor wordt het blad van de schroef onderbroken zodat er een soort permanente poederprop aanwezig is. Bij trogvormige schroefbehuizingen moeten in de bovenkant van de trog van plaatselijk baffles voorzien worden om vlamoverslag over de schroef te voorkomen.

Fig.9. Voorbeeld van een doseerschroef die ook dienst doet als barriére (Arbeidsveiligheid nr.65 Stofexplosies, G. Huys,Kluwer Editorial, 23/03/1998)

©Nevedi handleiding 2005 ATEX-richtlijn 137

27

De draaisluizen fungeren als een soort vlamdover waarbij het vlamfront van de stofexplosie wordt gesmoord in de nauwe spleten tussen de rotor en het huis van de draaisluis.

Fig.10. Schematische voorstelling van een draaisluis (Arbeidsveiligheid nr.65 Stofexplosies, G. Huys,Kluwer Editorial, 23/03/1998) Hoewel draaisluizen een zeer goede barrière vormen tegen stofexplosies hebben ze als groot nadeel dat alleen poeder kan worden doorgesluisd. Wanneer de verbindingsleiding tussen twee apparaten ook lucht moet transporteren kan een draaisluis niet worden toegepast. Een andere mogelijkheid bestaat er in een installatieonderdeel te isoleren door zowel aan de ingang als de uitgang een klep te installeren en de sturing zo te voorzien dat steeds minstens 1 klep gesloten is. De actieve mechanische systemen zullen na detectie in de beginfase de explosie mechanisch isoleren m.b.v. een snelafsluiter zodat de voortplanting van de vlam verhinderd wordt. Gekende voorbeelden zijn o.a. het Ventexventiel, de Iris-klep en bol- en vlinderkleppen.

Fig.11. Voorbeeld van een actief mechanisch systeem (Arbeidsveiligheid nr.65 Stofexplosies, G. Huys,Kluwer Editorial, 23/03/1998)

©Nevedi handleiding 2005 ATEX-richtlijn 137

28

De actieve chemische isolatiesystemen bestaan uit een detector, een controle-eenheid en een drukvat gevuld met een blusmiddel. Door de snelle injectie van het blusmiddel in de verbindingsleiding wordt verhinderd dat de vlam zich voortplant. Dergelijke systemen worden soms toegepast bij o.m.: De breker- en maalinstallaties; De ingangsdetectie op smeulend product.

Fig.12. Schematische voorstelling van een blusmiddelbarriére (Arbeidsveiligheid nr.65 Stofexplosies, G. Huys,Kluwer Editorial, 23/03/1998) Alle systemen moeten worden voorzien van de nodige controle- en alarmeringsapparatuur om bij storingen een automatische noodstop van de installatie te kunnen realiseren.

Brandbestrijding: Vaak ontstaat brand ten gevolge van een explosie. De schade veroorzaakt door brand kan beperkt worden door De bedrijfsgebouwen oordeelkundig in te delen in brandbestendige compartimenten; Te voorzien in aangepaste en voldoende brandbestrijdingsmiddelen. Uiteraard moet ook voorzien worden in voldoende opleiding van de werknemers voor de bediening van deze brandbestrijdingsmiddelen; Te voorzien in een intern noodplan.

1.8.4 Keuze van de toe te passen preventie- en beheersmaatregelen. Welke maatregelen toepasbaar zijn, zal in de eerste plaats afhangen van de resultaten van de risicoanalyse en dus ook van de zone-indeling. Hierbij zal uiteraard rekening moeten gehouden worden met de algemene preventieprincipes. Maar ook economische criteria zullen meespelen in de keuze van maatregelen. In ieder geval zullen zowel bestaande als nieuwe bedrijven niet alleen de wettelijk opgelegde maatregelen moeten treffen, maar ook alle mogelijke organisatorische maatregelen al dan niet expliciet vermeld in de wetgeving. Niet expliciet in de wetgeving vermelde maatregelen van technische of constructieve aard, maar bijv. opgenomen in normen of andere codes van goede praktijk zoals sectorstudies, kunnen relatief eenvoudig toegepast worden bij het ontwerp van nieuwe installaties. Dit is echter niet zo voor bestaande installaties, waar rekening zal moeten gehouden worden met technische en economische belemmeringen. Twee factoren die telkens terugkomen zijn de kostprijs en de effectiviteit van de voorgestelde maatregel. Afsluitend wordt in onderstaande tabel (tabel 1.3.) op dit gebied een vergelijking

©Nevedi handleiding 2005 ATEX-richtlijn 137

29

gemaakt tussen enkele van de belangrijkste veiligheidsmaatregelen van technische aard die bestaan op het vlak van de stofexplosieveiligheid. Deze tabel geeft enkel een idee van de gemiddelde waarde van de betrouwbaarheid en de kostprijs van de beveiligingssystemen tegen stofexplosies.

Tabel 1.3: Overzicht mogelijke technische veiligheidsmaatregelen ( 1 = meest gunstig / 5 = minst gunstig.) Systeem Isolatie Opsluiting (druk(stoot)vast ) Drukontlasting Onderdrukking Inertisering Betrouwbaarheid 1 2 Installatiekost nieuw 1 4 Installatiekos t bestaand 5 4 rendement 2 1

3 4 5

2 5 3

1 3 2

3 4 5

©Nevedi handleiding 2005 ATEX-richtlijn 137

30

bedoeld voor gebruik op plaatsen waar ontploffingsgevaar kan heersen. Deze richtlijn wordt volledigheidshalve vermeld. die van invloed zijn op het ontwerp en de bouw van materieel. Ook wordt gesproken van ”Atex 95”. naar het artikelnummer van het EG-Verdrag. waarop zij berusten. c. was echter reeds geïmplementeerd in het Nederlandse recht (bv. Richtlijn 94/9/EG van het Europese Parlement en de Raad van 23 maart 1994 inzake de onderlinge aanpassing van de wetgevingen van de Lid-Staten betreffende apparaten en beveiligingssystemen. de indeling van plaatsen in zones waar explosieve atmosferen kunnen voorkomen. de verplichting van de werkgever voor de opstelling en het bijhouden van een explosieveiligheidsdocument. Belangrijkste bepalingen van de richtlijn zijn: a. Ten aanzien van dit aspect is de wet niet naar aanleiding van de ATEX-richtlijn aangepast. 2. die door atmosferen gevaar kunnen lopen. De richtlijn diende uiterlijk op 30 juni 2003 in nationale wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen te zijn geïmplementeerd. Deze richtlijn wordt wel de ”economische richtlijn” genoemd. Richtlijn 1999/92/EG van het Europese Parlement en de Raad van 16 december 1999 betreffende minimumvoorschriften voor de verbetering van de gezondheidsbescherming en van de veiligheid van werknemers. De Arbowet 1998 bepaalt in artikel 5 dat in een (explosie)risico-inventarisatie en –evaluatie (RIE) de arbeidsrisico’s voor werknemers schriftelijk dienen te worden vastgelegd. 2. dat kan worden gebruikt op plaatsen waar ontploffingsgevaar kan heersen. het nemen van organisatorische en veiligheidsmaatregelen ter verbetering van de gezondheidsbescherming en veiligheid van werknemers.2 NEDERLANDSE REGELGEVING De implementatie in het Nederlandse recht heeft plaatsgevonden door middel van de volgende regelgeving: 1. daar hij vrijwel geheel bestaat uit voorschriften van elektrische en niet-elektrische aard. Ook wordt wel gesproken van ”Atex 137”.1 WETTELIJK KADER EUROPESE REGELGEVING De regelgeving voor de beperking van stofexplosiegevaar vindt zijn oorsprong in een tweetal Europese Richtlijnen: 1. Deze richtlijn wordt wel de ”sociale richtlijn” genoemd.2. Arbeidsomstandighedenwet 2007 (Arbowet) Reeds vóór het geven van ATEX-richtlijn 1999/92/EG diende aandacht aan explosieveiligheid te worden gegeven. 2. door de invoering van CEmarkering). b. ©Nevedi handleiding 2005 ATEX-richtlijn 137 31 . daar hij betrekking heeft op de gezondheid en veiligheid van werknemers.

Praktijkrichtlijn NPR 7910 Deze richtlijn van het Nederlands Normalisatie Instituut. als men op een andere manier minimaal hetzelfde beschermingsniveau kan bereiken dan mag dat ook. Gebied met geringe kans op aanwezigheid van een ontplofbaar stof-luchtmengsel (te denken aan < 0. Echter. een uitwerking van de Arbowet.1% … 1010). c. Het berust op ATEX-richtlijn 94/9/EG betreffende apparaten en beveiligingssystemen en derhalve niet op de sociale ATEX-richtlijn 1999/92/EG. Omdat elektrische installaties en elektrisch materieel een ontstekingsbron kan vormen is tevens van belang het: 4. Gebied met grote kans op aanwezigheid van een ontplofbaar stof-luchtmengsel (te denken aan > 0. waarvan het eerste (NPR 79101)handelt over gasontploffingsgevaar en het tweede over stofontploffingsgevaar (NPR 7910-2). dienen te worden vastgelegd in een b. Zone 21: d. Zone 20: c. Deze gevaren explosieveiligheidsdocument. Nemen van maatregelen voor gevarenzones. in werking getreden op 30 juni 2003. 3. Zone 22: Gebied met voortdurend of gedurende lange perioden ontplofbaar stof-luchtmengsel (te denken aan > 10% van de bedrijfsuren). Arbeidsomstandighedenbesluit (Arbo-besluit) Aangepast werd wel het Arbobesluit van 15 januari 1997. onder meer. De bewijslast ligt dan wel bij de gebruiker. Deze praktijkrichtlijn is opgenomen in de beleidsregels 4. b. Dat betekent dat er een status aan is gegeven: Als de NPR wordt gebruikt voor de gevarenzone-indeling voldoet men aan de minimumvoorschriften van de wetgeving. de indeling van plaatsen in zones waar explosieve atmosferen kunnen voorkomen. Voorkoming van een explosieve atmosfeer dan wel de ontsteking daarvan dan wel beperking van de gevolgen van een explosie. In deze paragraaf werd.4-5 Arbeidsomstandighedenwetgeving.1% …). werd in opdracht van het ministerie van Sociale en Economische Zaken opgesteld door de normcommissie NEC 31 ”Elektrisch materieel in verband met ontploffingsgevaar”. De zone-indeling luidt als volgt: a. Deze Praktijkrichtlijn behandelt specifiek de gevarenzone-indeling met betrekking tot explosiegevaar en bestaat uit twee delen. NGG: Gebied waarbinnen geen ontplofbare atmosfeer geacht wordt voor te komen in zodanige mate dat speciale voorzieningen ten aanzien van ontstekingsbronnen nodig zijn. d. Warenwetbesluit Explosieveilig Materieel Dit besluit van 1 augustus 1995 is een uitwerking van de Wet op de Gevaarlijke Werktuigen. ©Nevedi handleiding 2005 ATEX-richtlijn 137 32 . de volgende bepalingen opgenomen: a. Bij Besluit van 19 juni 2003. De risico-inventarisatie en –evaluatie van gevaren in verband met explosieve atmosferen. Het tweede deel van juli 2001 is een nadere uitwerking van NENEN-IEC 61241-10:2004 en betreft voornamelijk de gevaren binnen gebouwen en in het inwendige van apparatuur. werd een geheel nieuwe paragraaf over explosieve atmosferen (§ 2a) aan Afdeling 1 van Hoofdstuk 3 over de inrichting van arbeidsplaatsen toegevoegd.2.

sub a). van de Arbowet wijst het minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid toezichthoudende ambtenaren aan uit onder hem ressorterende ambtenaren. ©Nevedi handleiding 2005 ATEX-richtlijn 137 33 . Deze aangewezen ambtenaren zijn verbonden aan de Arbeidsinspectie. die op de Arbowet is gebaseerd. lid 3.en Volmachtbesluit Arbeidsinspectie 2003 heeft het minister van Sociale Zaken het toezicht op de naleving van wet en regelgeving geregeld (artikel 17. Bij Organisatie-. lid 1. Mandaat. zoals het Arbo-besluit en de NPRrichtlijn 7910-2. Deze toezichtregeling geldt uiteraard ook voor de regelgeving.3 NEDERLANDS BEVOEGD GEZAG Blijkens artikel 24.2.

Beheersbare dikte: stofafzetting die door schoon huishouden tot zodanige dikte wordt beperkt dat geen stofontploffingsgevaar in de ruimte kan ontstaan.Secundaire gevarenbron: plaats waarvan het niet te verwachten is dat er tijdens normaal bedrijf brandbaar stof. . waardoor speciale voorzieningen ten aanzien van ontstekingsbronnen nodig zijn. Gebied: driedimensionale ruimte. en indien dit vrijkomen wel gebeurt dan is dat niet frequent en gedurende korte perioden (< 0. kan vrijkomen (0. Glimtemperatuur: De laagste temperatuur van een oppervlakte waarbij de daarop gelegen stoflaag spontaan tot ontbranding komt. voortdurend of gedurende lange perioden kan vrijkomen (> 10%). OPMERKING: Bij een lagere concentratie brandbaar gas dan 20% van de LEL van dit gas. mate waarin een stof elektrisch stroom kan geleiden. ● ● ● ● ● ● ● ● ● ● ● ● ● ● ● Atmosferische omstandigheden: condities van de omgeving waar de druk kan variëren tussen 80 kPa en 110 kPa en de temperatuur tussen -20 °C en +40 °C en waar het zuurstofgehalte (21±1)% (volumeprocenten) bedraagt. . TERMEN EN DEFINTIES Hieronder worden de termen en definities weergegeven die in dit rapport worden gebruikt.jsp (zie ook voorbeelden in bijlage 4) Bovenste explosiegrens (UEL): concentratie van fijn verdeeld brandbaar stof in lucht waarboven geen ontplofbaar atmosfeer wordt gevormd. hogere ontploffingsdruk en grotere drukstijgsnelheid dan bij een enkelvoudig mengsel. Continue stofafzetting: plaats waar brandbaar stof voortdurend wordt afgezet ofwel een laag afgezet stof gedurende langere perioden aanwezig is (in totaal meer dan 1000 uur per jaar). Een materiaal wordt als isolerend beschouwd als de soortelijke weerstand 108Ωm of de oppervlakteweerstand meer dan 108Ω bedraagt. Boven deze concentratie beheert rekening te worden gehouden met mogelijk lagere minimum ontstekingstemperatuur. Geleidend stof: stof met een soortelijke weerstand kleiner dan of gelijk aan 103Ωm. afhankelijk van de waarschijnlijkheid van het aanwezig zijn van een ontplofbare atmosfeer. Directe ontsteking: ontsteking van een ontplofbaar stof-luchtmengsel door een actieve ontstekingsbron. met lucht vermengd. Brandbaar stof: Fijn verdeelde brandbare vaste stof die door opwerveling in lucht onder atmosferische omstandigheden. Hybride mengsel: mengsel van fijn verdeeld brandbaar stof en brandbaar gas met lucht.Continue gevarenbron: plaats waar brandbaar stof. Geleidbaarheid: in verband met statische lading. met lucht vermengd.3. Gevarenbron: plaats waar brandbaar stof kan vrijkomen (als opgewerveld stof of een stofwolk) of waar afgezet brandbaar stof (stofafzetting) kan worden opgewerveld. een ontplofbaar mengsel kan vormen.1% tot 10%).1%).de/ifa/de/gestis/stoffdb/index. met lucht vermengd. Gevarenzone-indeling: indeling van gevaarlijke gebieden in zones. OPMERKING: Op een stof met een geringe geleidbaarheid (isolerend materiaal) kan lading accumuleren (statische oplading).luchtmengsel. kan het hybride mengsel in de meeste gevallen worden beschouwd als zijnde alleen een stof. kan vrijkomen. Hun website bevat een database met stoffen en hun eigenschappen: http://www. Gevaarlijk gebied: gebied waarbinnen een ontplofbaar stof-luchtmengsel aanwezig is of kan zijn. . zodat een ontplofbaar stof-luchtmengsel kan ontstaan. ©Nevedi handleiding 2005 ATEX-richtlijn 137 34 . BIA: een Duits instituut (samenwerkend beroepsverband) voor arbeidsveiligheid.dguv.Primaire gevarenbron: plaats waarvan te verwachten is dat er regelmatig of incidenteel tijdens normaal bedrijf brandbaar stof.

stof en gruis zoals gedefinieerd in ISO 4225). de deeltjesgrootte-verdeling en de soortelijke massa van dat stof. waarin na ontsteking de verbranding zich verspreidt door het gehele onverbrande mengsel. Migrerend stof: stofdeeltjes die zo klein zijn en bestaan uit materiaal met een zo lage dichtheid. geacht wordt niet meer te bestaan.Primaire: plaats waar afzet brandbare stof door regelmatig verwijderen niet langdurig aanwezig is. zodat geen stofontploffingsgevaar in de ruimte kan ontstaan. Ontplofbare atmosfeer: mengsel van brandbare stoffen. Hierbij wordt onder andere rekening gehouden met de impuls van het vrijkomende stof. Smeultemperatuur: laagste temperatuur van een horizontaal oppervlak waarbij een op dat oppervlak afgezette laag stof van 5mm dikte gaat smeulen. Normaal bedrijf: situatie waarin het materieel binnen zijn ontwerpparameters werkt.Goed uitgevoerde en absoluut gewaarborgde ventilatie: wanneer ontplofbare mengsels aanwezig kunnen zijn. in de vorm van poeder. Stofafzetting: . maar eerst enige tijd in de lucht kunnen blijven zweven (inclusief vezels. Kunstmatige plaatselijke ventilatie is zo uitgevoerd dat voldoende luchtsnelheid wordt gegenereerd om ter plaatse vrijkomend stof mee te voeren.Kunstmatige plaatselijke ventilatie: luchtverversing ter plaatse van. de deeltjesgrootte. maar waarbij de ontsteking en meestal het ontstaan van een stofwolk wordt veroorzaakt door een daaraan voorafgaand proces (bijvoorbeeld broeien. die in staat is om een mengsel met een optimale concentratie van stof met lucht te ontsteken. Primaire stofafzetting: plaats waar afgezet brandbaar stof door regelmatig verwijderen niet langdurig aanwezig is (0. .● ● ● ● ● ● ● ● ● ● ● ● ● ● ● ● ● ● Indirecte ontsteking: wijze van ontsteken waarbij een stofwolk niet direct wordt ontstoken. moet een geheel van het openbare net ©Nevedi handleiding 2005 ATEX-richtlijn 137 35 . Minimum ontstekingsenergie van een brandbaar mengsel (MOE): kleinste energiehoeveelheid van een capacitieve elektrische ontlading. Schoon huishouden: het regelmatig controleren en verwijderen van stofafzettingen. Omvang van de zone: afstand in elke richting van de rand van de gevarenbron tot het punt waar het gevaar. dat dit stof zich over de gehele ruimte verspreidt.5 mm) in de atmosfeer die daaruit door hun eigen gewicht neerslaan. zoals de luchtverversing in een apparaatomkasting of een puntafzuiging. Stofwolk: opgewerveld stof.1% tot 10%).en specifiek voor een bepaalde gevarenbron. stof. OPMERKING: gedurende in totaal 0. Minimum ontstekingstemperatuur (MOT): de laagste temperatuur van een verhit verticaal oppervlak dat het daarmee in contact komende mengsel van stof en lucht met een optimale concentratie nog juist ontsteekt.1% tot 10%. met lucht. Niet-gevaarlijk gebied (NGG): gebied waarbinnen geen ontplofbare atmosfeer wordt geacht voor te komen in zodanige mate dat speciale voorzieningen ten aanzien van ontstekingsbronnen nodig zijn. Onderste explosiegrens (LEL of OEG): concentratie van fijn verdeeld brandbaar stof in lucht waaronder geen ontplofbare atmosfeer wordt gevormd.Continue: plaats waar brandbare stof voortdurend wordt afgezet ofwel een laag af afgezet stof gedurende lange periode aanwezig is. gerelateerd aan de desbetreffende zone. OPMERKING: > 1000 uur per jaar. de vorm. onder atmosferische omstandigheden. smeulen of brand) Kst-waarde van brandbaar stof: maximale drukstijgsnelheid van de meest ontplofbare stof-lucht mengsel in een bolvormige volume van 1m3. Ventilatie . gruis of vezels. . Maximum explosiedruk van brandbare stof (pmax): hoogste druk die ontstaat bij een ontploffing in een afgesloten ruimte die geheel met het mengsel met de optimale concentratie van de desbetreffende stof en lucht is gevuld. Stof: kleine vaste deeltjes (<0.

tevens geeft deze situatie aanleiding tot een alarm.● ● ● ● onafhankelijke energievoorziening. Indien ook de reserveinstallatie weigert. Uitval van de in werking zijnde ventilator start automatisch de reserve. alsmede van eventuele andere ontstekingsbronnen in de betrokken ruimten. De aanwezigheid van de luchtstroom wordt rechtstreeks bewaakt. volgt afschakeling van alle niet-explosieveilige elektrische apparatuur. Zones: ingedeelde gebieden. zoals omschreven onder extra waarborgen. gebaseerd op frequentie en duur van de potentiële aanwezigheid van ontplofbare atmosfeer (stofafzettingen worden ook in de beschouwing meegenomen). niet indirect via grootheden als stroomopname of toerental van de ventilatormotor. te allen tijde voorhanden is. waarop bij storing van het openbare net automatisch wordt omgeschakeld. Eén installatie behoort steeds in bedrijf te zijn. waarna de eerste installatie direct wordt hersteld.Goed uitgevoerde ventilatie met extra waarborgen: de continuïteit van de ventilatie is gewaarborgd door het dubbel uitvoeren van de ventilatie-installatie. Zone 20: gebied waarbinnen tijdens normaal bedrijf een ontplofbaar stof-luchtmengsel voortdurend of gedurende lange perioden aanwezig is (> 10%). de tweede in reserve. waarbij de energie van twee verschillende verdeelinrichtingen wordt betrokken. . tengevolge van vrijkomen uit een gevarenbron en/of opwerveling van gedurende langere perioden aanwezig afgezet stof (gedurende in totaal 10 tot 1000 uur aanwezig brandbaar stof-luchtmengsel per jaar of stofafzettingen die in totaal meer dan 1000 uur per jaar aanwezig zijn. Zone 21: gebied waarbinnen tijdens normaal bedrijf de kans op aanwezigheid van een ontplofbaar stof-luchtmengsel groot is. Zone 22: gebied waarbinnen tijdens normaal bedrijf de kans op aanwezigheid van een ontplofbaar stof-luchtmengsel gering is en waar dergelijke mengsels slechts kortstondig kunnen bestaan ten gevolge van vrijkomen uit een gevarenbron en/of opwerveling van gedurende langere perioden aanwezig afgezet stof (gedurende in totaal minder dan 10 uur aanwezig brandbaar stof-luchtmengsel per jaar of stofafzettingen die in totaal minder dan 1000 uur per jaar aanwezig zijn). De ventilatie-installatie behoort dubbel te zijn uitgevoerd. ©Nevedi handleiding 2005 ATEX-richtlijn 137 36 .

DEEL B ©Nevedi handleiding 2005 ATEX-richtlijn 137 37 .

Preventiemaatregelen die tot doel hebben risico’s te voorkomen (risico-uitsluiting).1 INLEIDENDE BEGRIPPEN OMTRENT RISICOANALYSE Dit hoofdstuk is een handleiding waarmee de fabrikant zijn bedrijf in gevarenzones kan indelen. 22 en NGG.V. ©Nevedi handleiding 2005 ATEX-richtlijn 137 38 . Om de aard van die maatregelen te bepalen wordt het gevaarlijke gebied ingedeeld in zones. Ook hier zullen de identificatie van de gevaren en de risicofactoren de eerste stappen zijn. De risico-evaluatie bestaat uit het beoordelen van de vastgestelde risico’s naar frequentie en ernst met als doel een waardecijfer (grootte-orde) toe te kennen aan de risico’s. Bij het vastleggen van preventiemaatregelen dient de prioriteit gegeven te worden aan.Het evalueren van de risico’s. . De evaluatie maakt het mogelijk gefundeerde prioriteiten vast te leggen voor het treffen van preventiemaatregelen.M. waarbij 4 klassen te onderscheiden zijn: zone 20. Een risicoanalyse is: . Met betrekking tot stofexplosies kan het gevaar gedefinieerd worden als “de mogelijke aanwezigheid of vorming van een ontplofbaar stof-luchtmengsel”.Preventiemaatregelen die tot doel hebben de schade te beperken (ernstverlagend). De uitvoering van een risicoanalyse op het vlak van stofexplosies zal niet fundamenteel verschillen van de algemene aanpak zoals hierboven beschreven. . waardoor speciale voorzieningen ten aanzien van ontstekingsbronnen nodig zijn. maar ook onderhoud en mogelijke storingen. 21. Het indelen van een bedrijf in verschillende zones is een wettelijke verplichting betreffende het welzijn van werknemers die door explosieve atmosferen gevaar kunnen lopen. RISICOANALYSE 4. Onder normaal bedrijf wordt verstaan niet alleen de installaties in het bedrijf.Het vaststellen en nader bepalen van de risico’s. DE GEVARENZONE-INDELING D. . De aanwezigheid van één of meerdere relevante ontstekingsbronnen kan beschouwd worden als risicofactor (strikt genomen zou het zuurstofgehalte ook beschouwd kunnen worden als risicofactor. Voor het uitvoeren van de gevarenzone-indeling werd geopteerd gebruik te maken van de Nederlandse praktijkrichtlijn NPR 7910-2 (juni 2008): “Gevarenzone-indeling met betrekking tot stofontploffingsgevaar.Het identificeren van de gevaren voor het welzijn van de werknemers bij de uitvoering van hun werk.” 4. .4.Preventiemaatregelen die tot doel hebben schade te voorkomen (frequentieverlagend).2 DEFINITIE VAN DE VERSCHILLENDE GEVARENZONES Een gevaarlijk gebied is een gebied waarbinnen een ontplofbaar stof-luchtmengsel aanwezig is of kan zijn. in volgorde van belang: . maar met deze factor wordt reeds rekening gehouden in de term ontplofbaar stof-luchtmengsel).

concentratie Een gevarenbron is een plaats waar brandbaar stof kan vrijkomen (als stofwolk) of waar afgezet brandbaar stof (stofafzetting) kan worden opgewerveld zodat een ontplofbaar stofluchtmengsel kan ontstaan. ten gevolge van vrijkomen uit een gevarenbron en/of opwerveling van gedurende lange perioden aanwezig afgezet stof. NGG: Niet-Gevaarlijk Gebied.5 mm).8bar tot 1. Zone 22: is een gebied waarbinnen tijdens normaal bedrijf de kans op aanwezigheid van een ontplofbaar stof-luchtmengsel gering is en waar dergelijke mengsels slechts kortstondig kunnen ontstaan ten gevolge van vrijkomen uit een gevarenbron en/of opwerveling van zelden aanwezig afgezet stof.Zone 20: is een gebied waarbinnen.Brandbaar stof: fijn verdeelde brandbare (= reagerend met zuurstof onder warmteafgifte) vaste stof die door opwerveling in de lucht onder atmosferische omstandigheden een ontplofbaar mengsel kan vormen.Stof: kleine vaste deeltjes (<0. (daarbij is te denken aan ontplofbare stof-luchtmengsels die in totaal minder dan 10 uur per jaar of aan stofafzettingen die in totaal minder dan 1000 uur per jaar aanwezig zijn). 4. De gevarenzone-indeling is gebaseerd op de waarschijnlijkheid (frequentie en duur) van voorkomen van een ontplofbaar stof-luchtmengsel. Zone 21: is een gebied waarbinnen tijdens normaal bedrijf de kans op aanwezigheid van een ontplofbaar stof-luchtmengsel groot is. Gebied waarbinnen geen ontplofbare atmosfeer geacht wordt voor te komen in zodanige mate dat speciale voorzieningen ten aanzien van ontstekingsbronnen nodig zijn.1 Brandbaar stof . 3 Normaal bedrijf: een situatie waarin installaties binnen de ontwerpparameters worden gebruikt ©Nevedi handleiding 2005 ATEX-richtlijn 137 39 .1mm. .Atmosferische omstandigheden: verstaat men volgens ATEX 95 de temperaturen van –20° C tot 60° C en drukken van 0. en aan stofafzettingen die in totaal meer dan 1000 uur per jaar aanwezig zijn ).Welke gevarenbronnen zijn aanwezig en wat is hun aard (frequentie.1 mm. .: Handboek Explosiebeveiliging.Welke eigenschappen en afmetingen hebben de gevarenzones. Veelal zal de korrelgrootte zich situeren tussen 0. (ref. tijdsduur en omstandigheden van voorkomen). Definities: .3 IDENTIFICATIE VAN POTENTIËLE GEVARENBRONNEN 4. Zakt de deeltjesgrootte onder de 0.karakteristieken . Kluwer en Ten Hagen & Stam). (daarbij is te denken aan ontplofbare stof-luchtmengsels gedurende 10 tot 1000 uur per jaar. Om tot de indeling te komen zullen in de risicoanalyse ter opstelling van een zoneringsdossier de volgende vragen moeten worden beantwoord: .1 bar me t zuurstofgehalte 21 ± 1 volumeprocent.001 mm en 0. een ontplofbaar stofluchtmengsel voortdurend of gedurende lange perioden aanwezig is. wordt het gevaar beduidend groter. (daarbij is te denken aan > 10% per jaar). .3. tijdens normaal bedrijf3.

minimale ontstekingstemperatuur (MOT). glimtemperatuur. opgesteld door de fabrikant van een product) of in de literatuur. Per gebruiksfase dient ook nagegaan te worden welke werkzaamheden de operators moeten uitoefenen. De Europese Norm (EN 1127-1) stelt dat bij aanwezigheid van neergeslagen stof steeds rekening moet worden gehouden met de mogelijke vorming van een explosieve atmosfeer door opwerveling van de stofafzetting. opstart.jsp gevonden worden. vochtigheid en deeltjesgrootte. intern transport. Stofwolken en afzettingen zijn in de praktijk echter zeer heterogeen waardoor het inschatten van de juiste concentratie moeilijk wordt. .dguv.de/ifa/de/gestis/stoffdb/index. etc.3. ©Nevedi handleiding 2005 ATEX-richtlijn 137 40 . kan zowel binnen als buiten de apparatuur voorkomen. intern transport en afvoer) te analyseren.2 Systematisch opsporen van de gevarenbronnen Deze aanwezigheid van stof.Voorzienbaar misbruik en/of verkeerd gebruik. Hierdoor kunnen literatuurgegevens vaak niet zomaar gebruikt worden. Een explosie is immers slechts mogelijk bij een bepaalde concentratie. Deze kunnen ook op de website: http://www. (Voor uitleg over deze begrippen zie deel A. Wanneer brandbaar stof aanwezig is. defecten en storingen. De explosiekarakteristieken worden beïnvloed door de druk. Volgende algemene gebruiksfasen kunnen beschouwd worden: .Normaal gebruik. zoals werkonderbrekingen (o. Dit moet gebeuren voor iedere gebruiksfase van de apparatuur en installatie. zoals in het BIA-rapport 13/97 “Combustion and explosion characteristics of dusts waarin de explosiekarakteristieken van 4300 brandbare stoffen zijn weergegeven. Als systematiek om de potentiële gevarenbronnen op te sporen dient men de volledige installatie per eenheidsbewerking (inname grondstoffen. Men kan in daartoe uitgeruste laboratoria een monster laten onderzoeken. temperatuur.a. Deze parameters zijn terug te vinden in de VIB’s (Veiligheids Informatie Bladen) of MSDS’en (Material Safety Data Sheets). maar te verwachten gebeurtenissen. als stofwolk of als afzetting. 2008) staat als praktische hulpmiddel dat een ontplofbare stofwolk herkend kan worden wanneer het zicht minder dan 1 meter bedraagt. . .Toevallige en niet-routinematige werkzaamheden zoals het uitvoeren van onderhoud en herstellingen. 4. hoofdstuk 3).Ongeplande. noodstop). behandeling en verwerking grondstoffen.Elke stofsoort heeft welbepaalde eigenschappen zoals korrelgrootte. minimale ontstekingsenergie (MOE). is de volgende logische stap het inschatten van de concentratie. In de Nederlandse Praktijk Richtlijn (NPR 7910-2.

voedings. 4. leidingen. koppelingen (en dan voornamelijk dichtingen met rubberen ringen). Binnenkant van wacht.en weegbunkers. Binnenkant van pneumatische transportsystemen (bv.Primaire stofwolk: plaats waar te verwachten is dat er regelmatig of incidenteel tijdens normaal bedrijf brandbaar stof.De mate van schoonhuishouden in de omgeving van stofafzettingen. Voor stofwolken worden volgende gevarenbronnen geïdentificeerd: .en afzuigpunten. Buiten de apparatuur: STOFWOLKEN in de omgeving van stortputten. opgeslagen volle zakken. kruimelaars). zeven. 21. ontsnappingskanalen. elevatoren). . trappen.4 TOEKENNING VAN DE GEVARENZONEKLASSE De klasse van de zone (20. voortdurend of gedurende langere perioden kan vrijkomen. met lucht vermengd. de tijdsduur en de omstandigheden waarin de gevarenbronnen voorkomen.Tabel 4. Daarbij is te denken aan in totaal 10 tot 1000 uur per jaar.De plaatselijke ventilatieomstandigheden in de omgeving van de gevarenbronnen. blowerinstallatie). op kabels en kabelgoten.Continue stofwolk: plaats waar brandbaar stof.1 De aard van de gevarenbronnen De aard van de potentiële gevarenbronnen is bepaald door de frequentie.en verzamelinstallaties (cyclonen. . monsternameen inspectiepunten. Binnenkant van bulkbeladings. machines. ontlastingsopeningen in gesloten transport-systemen. niet-stofdichte delen (plaatwerk. molens.4. ©Nevedi handleiding 2005 ATEX-richtlijn 137 41 . Daarbij is te denken aan in totaal meer dan 1000 uur per jaar.en afzakinstallaties. snijder/zifter/schudder. filters).De aard van de gevarenbronnen.1: Mogelijke gevarenbronnen Binnen de apparatuur: Binnenkant van stortputten. . silo’s. op horizontale vlakken van apparatuur. explosieluiken.en bulkbeladingsinstallaties. stoffilters. vensterbanken. beschadigde behuizingen). 22 of NGG) zal afhankelijk zijn van: . koelers.en afvoerpunt) op een open transportband.en stuurkasten. de omgeving van mangaten of andere openingen in silo’s. kleppen. transportsystemen (schroeven. afzak. koppelingen. bijstortpunten. afblaas. vloeren. luchtuitlaten. persen. hoppers en behandelingstoestellen (graantarwereiniger. redlers. I-profielen). overgangen (aanvoer. mengers. flexibele verbindingen. de zuigerinstallatie. met lucht vermengd. Binnenkant van de stofafzuig. STOFAFZETTINGEN op constructie-elementen (bv. 4. kan vrijkomen.

Een praktische richtlijn is dat gevaar aanwezig is als men zijn voetstappen op de vloer kan zien). Wanneer een dergelijke wolk wordt ontstoken kan de vlam immers terugslaan in de apparatuur.Gewaarborgde continuïteit doordat een eventueel uitvallen automatisch wordt gesignaleerd en hersteld. Volgens de NPR 7910-2 dienen open gebouwen echter voor wat de ventilatiecondities betreft te worden behandeld als een gesloten gebouw. Bij uitval van de in werking zijnde afzuiging b. Goed uitgevoerde ventilatie: ( = gericht op de gevarenbron) . of een eventueel uitvallen van de ventilatie wordt onmiddellijk automatisch gesignaleerd en alle niet-explosieveilige elektrische apparatuur en eventuele andere ontstekingsbronnen in de betrokken ruimte worden automatisch uitgeschakeld. Met open gebouwen worden constructies bedoeld waar dezelfde ventilatieomstandigheden heersen als in de buitenlucht. De zone-indeling zal dan ook mede bepaald worden door de bedrijfszekerheid van de afzuiging. Daarbij is te denken aan in totaal minder dan 10 uur per jaar. Indien er een goede ventilatie is wordt de aanwezigheid van stofafzettingen of stofwolken minder waarschijnlijk. Voor stofafzettingen : . 4.w. ©Nevedi handleiding 2005 ATEX-richtlijn 137 42 . Dit is echter niet het geval als de afzuiging uitvalt.2 Ventilatie in de omgeving van de gevarenbron Vanwege het effect van wind. Dit is echter wel het geval voor plaatsen waar een stofwolk kan ontstaan die rechtstreeks in verbinding staat met de binnenkant van apparatuur. Volgende onderscheid wordt gemaakt in het type van ventilatie (definitie zoals opgenomen in de NPR 7910-2): a. dan niet frequent en gedurende korte perioden.Gewaarborgde continuïteit door een dubbele afzuiging (1 effectieve en 1 reserve) te voorzien.Een primaire stofafzetting: dit is een plaats waar afgezet brandbaar stof regelmatig doch slechts gedurende korte perioden aanwezig is. Dit is niet het geval voor kunstmatige ruimtelijke ventilatie. . Daarbij is te denken aan in totaal meer dan 1000 uur per jaar (een stoflaagdikte van 0. Een andere factor die van belang is voor de bepaling van de zoneklasse is de ventilatie in de omgeving van de gevarenbronnen. Voorbeelden van dergelijke plaatsen zijn de uitlaat van een drukontlastingssysteem en de ontluchting van een stoffilter. Hierdoor kan de klasse of afmeting van de gevarenzone gereduceerd worden.Een continue stofafzetting: dit is een plaats waar brandbaar stof voortdurend wordt afgezet ofwel een laag afgezet stof gedurende langere perioden aanwezig is. Goed uitgevoerde ventilatie met extra waarborgen: . regen en andere weerscondities is in het algemeen in de buitenlucht. met lucht vermengd. een zone-indeling overbodig.- Secundaire stofwolk: plaats waarvan het niet te verwachten is dat er tijdens normaal bedrijf brandbaar stof. Indien dit vrijkomen wel gebeurt.4.a. Daarbij is te denken aan in totaal minder dan 1000 uur per jaar. Voor gevarenbronnen buiten de apparatuur geplaatst in een gesloten gebouw is het belangrijk na te gaan of er kunstmatige plaatselijke ventilatie aanwezig is en wat de bedrijfszekerheid is van die ventilatie. m.1 mm kan reeds voldoende zijn om een ontplofbaar stof-luchtmengsel te creëren door opwerveling. Met kunstmatige plaatselijke ventilatie wordt luchtverversing op de plaats van de gevarenbron bedoeld. elk met een aparte voeding. kan vrijkomen. voor een gevarenbron buiten de apparatuur. Dergelijke ventilatie kan immers bij de opstart stofafzettingen doen opwervelen en een ontplofbare stofwolk veroorzaken! Wanneer de afzuiging in werking is zal de gevarenzone zeer klein zijn. het stof wordt ter plaatse verwijderd door een stofafzuiginstallatie.

Goed uitgevoerde en absoluut gewaarborgde ventilatie: Dit houdt in dat er naast een voeding via het openbare net nog een volledig onafhankelijke voeding voorzien is.4 Flow-schema’s ter bepaling van de zoneklasse Op basis van de verzamelde informatie betreffende de aard van de gevarenbronnen. De praktijk van schoonhuishouden dient in interne procedures vastgelegd te worden. Immers door het toepassen van de praktijk van schoonhuishouden kunnen een aantal stofafzettingszones beperkt worden in omvang en/of zoneklasse. Deze vorm van “voorwaardelijke zonering” kan ook toegepast worden voor andere maatregelen die de stofhuishouding verbeteren: plaatsen van stofafzuigingen of de bedrijfszekerheid van stofafzuigingen verhogen.c. Bij de formulering van de zoneklasse en de zone-afmetingen kan met de praktijk van schoonhuishouden rekening gehouden worden door er bij te vermelden “dit vervalt als de praktijk van schoonhuishouden wordt toegepast”. In de meeste gevallen is een stoflaagdikte van 1 mm reeds voldoende om een ontplofbaar stof-luchtmengsel te creëren. Gelijkwaardig alternatief Dit dient duidelijk beargumenteerd te worden. voorbeeld is de bakken van TL verlichting. Uiteraard mogen ook op hoger gelegen horizontale oppervlakken geen (overmatige) stofafzettingen voorkomen. Onder schoonhuishouden wordt verstaan een zodanig reinigingsprogramma dat geen stofafzettingen voorkomen die bij opwerveling kunnen leiden tot een ontplofbaar stofluchtmengsel. en is in ieder geval alleen maar toegestaan als alle potentiële ontstekingsbronnen uitgeschakeld of voldoende beheerst zijn. d. Bij voorkeur wordt gebruik gemaakt van stofzuiginstallaties of wordt er nat gereinigd. aanpassen van arbeidsplaatsen zoals dichtmaken van openingen in muren en wanden. 4. zodat het traceerbaar en gewaarborgd is. Een verklaring terzake kan aan het zoneringsdossier toegevoegd worden. zoveel mogelijk horizontale oppervlakken vermijden (geen horizontale I-profielen.4. die beantwoordt aan de bepalingen zoals hierboven aangegeven. én indien ook deze niet opstart of uitvalt volgt automatische afschakeling van alle niet-explosieveilige elektrische apparatuur en eventuele andere ontstekingsbronnen in de betrokken ruimte. Hiervoor kan gebruik gemaakt worden van de GMP+-documenten. Bovendien moet een dubbele afzuiging zijn uitgevoerd.4. Het is aangewezen een logboek met de reinigingsacties bij te houden. start automatisch de reserve op.3 Schoonhuishouden De werkgever heeft er alle belang bij dat de stofafzettingen tot een minimum beperkt blijven. Deze Flow-schema’s vindt men terug in de bijlage I over zonering. omkasten van apparatuur. waarop automatisch overgeschakeld wordt bij storing van het openbare net. warme luchtblazers en ruimtelijke ventilatie zo aanpassen dat geen gevaar bestaat voor opwerveling van stof. Het reinigen met perslucht dient zo niet verboden dan toch zo veel mogelijk beperkt te blijven. Het bedrijf dient zich strikt te houden tot het toepassen van de praktijk van schoonhuishouden. ©Nevedi handleiding 2005 ATEX-richtlijn 137 43 . kabelbanen verticaal geïnstalleerd) installeren van een drager op een deur. 4. Een praktische richtlijn is daarom dat gevaar aanwezig is als men zijn/haar voetstappen op de vloer kan zien. de ventilatiecondities en de mate van schoonhuishouden kunnen de zoneklasses bepaald worden aan de hand van de Flow-schema’s zoals opgenomen in de NPR 7910-2: 2008.

gebaseerd op de NPR 7910-2.4. 4.5.2 De afmeting van een stofafzetting Wanneer niet aan de eisen van schoonhuishouden wordt voldaan moet de volledige ruimte tot een hoogte van 2 meter worden gezoneerd.5.3 Samenvattende tabel afmeting stofwolken en stofafzetting ©Nevedi handleiding 2005 ATEX-richtlijn 137 44 .5. Bij stuivend stof zal er ook verspreiding optreden rondom het emissiepunt. Een overzichtstabel. Bij installaties waar veel gevarenbronnen aanwezig zijn wordt aanbevolen de gehele installatie met haar omhulling als een gevarenbron te beschouwen. is hierna bijgevoegd. De zone strekt zich dan uit van de onderliggende stofdichte vloer tot 2 meter boven de stofafzetting. Ook de ventilatieomstandigheden beïnvloeden de vorm van een stofwolk. Een stofwolk kan echter ook vrijkomen met een puls. Daarom is het aan te raden de vorm en afmetingen van een stofwolk te bepalen door eigen observaties (=praktijkinspectie). Door luchtverplaatsingen in de omgeving van de gevarenbron wordt het stof ook zijwaarts verplaatst.5 AFMETINGEN VAN DE GEVARENZONEKLASSE 4.1 De afmetingen van een stofwolk Een stofwolk valt ten gevolge van de zwaartekracht naar beneden. 4. Opnieuw is het aan te raden via praktijkinspectie de werkelijk vorm en afmetingen van een stofafzetting na te gaan. Indien wel aan de eisen van schoonhuishouden wordt voldaan kunnen de afmetingen van de gevarenzone beperkt blijven tot een geprojecteerd vlak van 3 meter rondom de afzettingsplaatsen.

. . Heeft men toch te maken met stuivend stof dan dient de gehele ruimte beschouwd te worden als gevarenzone. 4 In deze tabel wordt er vanuit gegaan dat het stof weinig of niet verstuivend is. Bij de afbakening van een gezoneerd gebied door stofdichte mechanische structuren (muren enz. Open gebouw Behandelen zoals in gesloten gebouw Gesloten gebouw én geen ventilatie 3m rondom de afmetingen van de stofwolk Gesloten gebouw én ruimtelijke 3m rondom de afmetingen van de stofwolk (kunstmatige) ventilatie of goed uitgevoerde (= gericht op de gevarenbron ) kunstmatige plaatselijke ventilatie al dan niet met extra waarborgen én vergrendeld met de installatie Gesloten gebouw én goed uitgevoerde Directe invloedsfeer van de ventilatie kunstmatige plaatselijke ventilatie met absolute waarborg Aangrenzende ruimten Aanwezigheid stofdichte afscheidingen na te gaan STOFAFZETTINGEN Open gebouw Behandelen zoals in gesloten gebouw Gesloten gebouw én geen praktijk van De gehele ruimte tot een hoogte van 2m boven de schoonhuishouden 5 afzettingsplaatsen Gesloten gebouw én praktijk van 3m rondom afzettingsplaatsen en daaronder tot een schoonhuishouden hoogte van 2m boven de stofafzetting Aangrenzende ruimten Aanwezigheid stofdichte afscheidingen na te gaan Voor meer informatie zie NPR 7910-2 paragraaf 5. Indien de stofwolk rechtstreeks in verbinding staat met de binnenkant van apparatuur. luiken.Deuren. de ventilatieverdeling e. De toegepaste deuren. kleppen enz. luiken kleppen enz. De deuren enz. De sluisruimte wordt ingedeeld in de klasse van de zwaarste geklasseerde aangrenzende zone. behoren zelfsluitend te zijn en mogen niet in open stand kunnen worden geblokkeerd.Dubbel uitgevoerde stofdichte muren. Als zone sluis kunnen worden gebruikt: . behoren te zijn voorzien van opschriften die de bijzondere functie van de sluisruimte en de verplichting te sluiten vermelden. Deze sluis hoeft niet als gevarenbron voor het naastliggende gebied te worden beschouwd.Tabel 4. die normaal stofdicht en gesloten zijn en die weinig frequent worden geopend.6. daken en zonesluizen kunnen als stofdichte afscheiding tussen een gezoneerd gebied en NGG worden beschouwd.) kunnen deze structuren worden gebruikt als de rand van het gezoneerd gebied.d. 5 De mogelijke aanwezigheid van een ruimtelijke (kunstmatige) ventilatie wordt niet in beschouwing genomen daar het effect van de mate van ventilatie. moeilijk te kwantificeren zijn. waarin zich op dat moment een ontplofbaar stof-luchtmengsel kan bevinden.v. Deze zonesluizen worden als gevarenbron voor het naastliggende gebied geschouwd.5. 4.4 Zonering van aangrenzende ruimtes omwille van stofverplaatsing Stofdichte muren. luiken en kleppen enz. Hiermee kunnen de afmetingen van het gezoneerde gebied worden beperkt. e. ©Nevedi handleiding 2005 ATEX-richtlijn 137 45 .2: Overzichtstabel afmetingen stofwolken en stofafzettingen STOFWOLKEN (opgewerveld stof )4 Plaats Zone-afmetingen (indicatief) Buiten 1m rondom de afmetingen van de stofwolk.

5.3 Inventarisatie Stofwolk I. FLOW-SCHEMA: PLAN VAN AANPAK EXPLOSIEVEILIGHEIDSDOCUMENT Ja Ja Ja Bekend met de theorie en wetgeving? Is de fabriek gezoneerd? Bent u in het bezit van een explosieveiligheidsdocument? Nee Neem deel A door Volg de werkwijze van bijlage I deel B Nee Volg de werkwijze bijlage II van deel C Nee Volg de werkwijze bijlage III van deel C H1 theorie I.1 Beschrijving productieproces I.7 Alternatieve maatregelen I.9 Gevarenzones Gegevens voor Stamkaart Afdeling I.2 Neem de vragenlijst door I.6 Maatregelen technische en organisatorisch I.8 Motivatie en Beoordeling II.10 Plattegronden en technische plannen ©Nevedi handleiding 2005 ATEX-richtlijn 137 46 .5 Overige gevarenbron(en) I.3 Plan van aanpak I.1 Stamkaart afdeling H2 wet of III.2 Stamkaart arbeidsmiddel III.4 Inventarisatie Stofafzetting Gegevens voor Stamkaart Arbeidsmiddel II.1 Neem de checklijst organisatorische maatregelen door II.2 Inventarisatie grondstoffen I.

BIJLAGE I: ZONERING ©Nevedi handleiding 2005 ATEX-richtlijn 137 47 .

1. Bepaling van de zoneklasse als gevolg van opgewerveld stof.Figuur I.: NPR 7910-2) Is de stofwolk langer dan 1000 uur/jaar aanwezig ? nee ja Langer dan 10 uur/jaar ? nee ja Continue stofwolk Primaire stofwolk Secundaire stofwolk Goed uitgevoerde kunstmatige plaatselijke ventilatie ? ja Goed uitgevoerde kunstmatige plaatselijke ventilatie ? nee Met extra waarborgen? ja Goed uitgevoerde kunstmatige plaatselijke ventilatie ? ja ja Absolute waarborg ? ja nee nee Met extra waarborgen? nee nee ja nee Zone 20 Zone 21 Zone 22 NGG * NGG = niet gevaarlijk gebied ©Nevedi handleiding 2005 ATEX-richtlijn 137 48 . (Ref.

Bepaling van de zoneklasse als gevolg van een stofafzetting. (Ref.: NPR 7910-2) Kan de stofafzetting een stofwolk vormen ? nee ja Stofafzetting langer dan 1000 uur/jaar aanwezig nee ja Continue stoflaag Primaire stoflaag Schoonhuishouden ? ja nee nee Schoonhuishouden? ja Zone 21 Zone 22 NGG ©Nevedi handleiding 2005 ATEX-richtlijn 137 49 .Figuur I.2.

de milieuvergunningsaanvraag zelf of het GMP-dossier.22 en NGG Nr Nr.2 ingevuld te worden. ©Nevedi handleiding 2005 ATEX-richtlijn 137 50 .21.html.de website: http://www. De ingevulde tabel I. . dient de tabel I.de veiligheidsinformatiebladen van de betrokken producten.hvbg. Dezelfde nummering zal bij de risicoanalyse worden gebruikt. Stel een inventaris op van de betrokken grondstoffen.STAPPENPLAN Tabel I. Het stappenplan bestaat uit negen stappen. bijproducten. De bovenstaande tabel is op twee manieren in te vullen.primaire of secundaire Afzuiging: Ja / Nee Afmeting Stofwolk 4 Stofafzetting: uren/ jaar Schoon Huishouden Ja/ Nee Aard Stofafzetting: continu/primaire of secundaire Afmeting Stofafzetting 5 Overige gevarenbron(en) 6 Organisatorische maatregelen: Ja / Nee 7 Alternatieve maatregelen 8 Motivatie & Beoordeling 9 Gevarenzone: 20. De uitwerking van het stappenplan zal per rij zijn. Bij gebruik van een grondstof die niet stofklasse 1 is.1 dient als basis voor de risicoanalyse. Stel een beschrijving op van het productieproces.de/e/bia/fac/expl/index. Noteer de verschillende procesonderdelen (de verdeling van de fabriek) in de tweede kolom van tabel I. De eerste mogelijkheid is per kolom en de andere mogelijkheid is per rij.1. Nummer de verschillende onderdelen van het proces.1 Opbouw Zonering 111 1 Beschrijving procesonderdeel 2 Grondstof soort Stofklasse grondstof 3 Stofwolk : uren/ jaar Aard Stofwolk: Continu. eindproducten en afvalstoffen.1 de stofklasse. Noteer tevens in tabel I. tussenproducten. 2. Of andere documenten waarin het proces beschreven is.(deel C). 1. Raadpleeg hiervoor: . Hiervoor kan mogelijks ook verwezen worden naar de reeds eerder uitgevoerde stofexplosiestudie in het kader van de milieuvergunning.

de aard.5 deel B. mits de stofwolk in verband staat met appartuur.4 van deel B. 3. Voor een gelijkwaardig alternatief dient argumentatie te worden toegevoegd. De aard van de gevarenbronnen wordt bepaald door de optredings. Over ventilatie kunt u informatie lezen in paragraaf 4.1 Buiten: Klasse van de gevarenzone is dezelfde als deze van de gevarenbron.Tabel I. Over de afmetingen van de gevarenzone kunt u informatie lezen in paragraaf 4.of vrijkomingsfrequentie ervan na te gaan.4 deel B. Voor definities zie paragraaf 4. ©Nevedi handleiding 2005 ATEX-richtlijn 137 51 .5 deel B. Bepaal voor de gevarenbronnen STOFWOLKEN buiten de apparatuur de aantal uren/ jaar aanwezigheid. de afmeting en de ventilatieomstandigheden in de omgeving van de gevarenbron. 3.2 Open of gesloten gebouw: Géén ventilatie: Klasse van de gevarenzone is dezelfde als deze van de gevarenbron.1 kolom 3.2 Fysische eigenschappen Minimale ontstekingsenergie (MJ) Bovenste explosiegrens (g/m³) Onderste explosiegrens (g/m³) Minimale ontstekingstemperatuur (° C) Geleidbaarheid (Ohm) Glimtemperatuur (° C) Granulometrische samenstelling (mm) Maximale drukstijgsnelheid (bar/s) Bron vermelding Maximale ontploffingsdruk ( bar ) Productgroep omschrijving Kst waarde Stofklasse Product (en bij welke eenheids bewerking) 3. Over de afmetingen van de gevarenzone kunt u informatie lezen in paragraaf 4. De gegevens dienen ingevuld te worden in tabel I.

of vrijkomingsfrequentie ervan na te gaan.Ga na of de afzuiging zich in de directe nabijheid bevindt van de plaats waar de brandbare stof vrijkomt. overdruk. Voor definities zie paragraaf 4. 6.Kunstmatige plaatselijke ventilatie: . Daarbij moet gedacht worden aan vrijkomende stofwolken. stortbunker.4 van deel B. . o ‘goed uitgevoerde ventilatie’ o ‘goed uitgevoerde ventilatie met extra waarborgen’ o ‘goed uitgevoerde ventilatie met absolute waarborg’ . Identificeer. procedures.Ga na of de afzuiging een voldoende capaciteit heeft. Verzamel voor de organisatorische maatregelen de beschikbare schriftelijke instructies.Ga na of de werking van de installatie vergrendeld is met de afzuiging. . . molens. 4.1 kolom 4 5.5 deel B.3) als leidraad. De aard van de gevarenbronnen wordt bepaald door de optredings. zakvulinstallaties. inventariseer de aard van de gevarenbronnen per afdeling (tabel I. interne stofafzuiginstallatie. Daarbij dient rekening te worden gehouden met binnen en buiten de apparatuur.Gelijkwaardig alternatief De klasse van de gevarenzone kan afgeleid worden uit figuur I.5 deel B.1 kolom 5). zowel binnen als buiten de apparatuur.1. Ga na of en welke maatregelen (technisch/organisatorisch) getroffen zijn om de vorming van een gevaarlijke explosieve atmosfeer afdoende te voorkomen. De gegevens dienen ingevuld te worden in tabel I. etc.Ga na wat de bedrijfszekerheid van de afzuiging is. Over de afmetingen van de gevarenzone kunt u informatie lezen in paragraaf 4. Bepaal voor de gevarenbronnen “Stofafzettingen” de klasse en afmetingen van de gevarenzones door na te gaan of er al dan niet een praktijk van schoonhuishouden is. Over de afmetingen van de gevarenzone kunt u informatie lezen in paragraaf 4. silo. pneumatisch transport. ©Nevedi handleiding 2005 ATEX-richtlijn 137 52 . Verzamel voor de technische maatregelen de beschikbare technische documentatie en attesten. Gebruik hierbij de checklist (tabel I.

1. ook bij opstart en stilleggen). en is te allen tijde verzekerd. of met stofvormige inerte stoffen zoals CaSO4. Noteer (summier) de belangrijkste informatie over deze maatregelen bij de beschrijving van de activiteiten van de onderneming (tabel I. . Inertisering (met gasvormige inerte stoffen zoals N2.waterdamp. en de tijdsvertraging voor de inwerkingtreding van geactiveerde voorzorgsmaatregelen?) Is bij de inertisering met waterdamp rekening gehouden met de invloed van condensatie? . Hou met deze informatie rekening bij de bepaling van de gevarenzones zoals beschreven in de volgende stappen. bij uitstoot in de buitenlucht) een inert mengsel niet opnieuw explosief wordt? .Bij alle storingen (ook diegene die zelden voorkomen).1).In alle bedrijfsomstandigheden (bv ook bij opstart en stilleggen).3 Nr Checkpunt J N Nvt Getroffen maatregelen / opmerkingen Afdeling 1. .registratieformulieren en dergelijke. Inwerken op de brandbare stof: Vervanging van de brandbare stof? Vergroten van de korrelgrootte? Verhogen van de vochtigheid? In alle bedrijfsomstandigheden en ook bij (zeldzame) storingen verzekerd? Toevoegen van pasteuze producten? Geen gevaar voor ontmenging in alle bedrijfsomstandigheden en ook niet bij (zeldzame) storingen? 1. De veiligheidsmarge tussen de experimenteel bepaalde zuurstofgrensconcentratie en de maximaal toelaatbare zuurstofconcentratie is bepaald.Bij alle storingen (ook diegene die zelden voorkomen). (Er is dus rekening gehouden met door een bedrijf en storingen veroorzaakte plaatselijke en tijdelijke schommelingen. ©Nevedi handleiding 2005 ATEX-richtlijn 137 53 .2.In alle bedrijfsomstandigheden (bijv. CO2. NH3PO4. Tabel I. BINNEN DE APPARATUUR 1. steenmeel Na-hydrogeencarbonaat): De vorming van een explosief mengsel is onder alle bedrijfsomstandigheden met zekerheid verhinderd. edelgassen. Is er rekening mee gehouden dat na bijmenging van toereikende hoeveelheden zuurstof of lucht (bijv.

inspectieluiken en dergelijke voorzien van veiligheidscontacten): .Bij alle storingen ( ook diegene die zelden voorkomen). bewaking vochtigheid. 4.In alle bedrijfsomstandigheden (bijv ook bij opstart en stilleggen).In alle bedrijfsomstandigheden (bijv.In alle bedrijfsomstandigheden (bijv ook bij opstart en stilleggen). openingen in de afzuigleidingen).Bij alle storingen (ook diegene die zelden voorkomen). ORGANISATORISCHE MAATREGELEN ©Nevedi handleiding 2005 ATEX-richtlijn 137 54 . Gesloten en dichte apparaten en installaties : Zijn de apparaten / installaties gesloten en dicht? (bijv. in werking stellen.Nr Checkpunt J N Nvt Getroffen maatregelen / opmerkingen Afdeling 1. 2.Bij alle storingen (ook diegene die zelden voorkomen). zuurstof) Heeft de MRT – inrichting een voldoende grote betrouwbaarheid? .2 Ventilatie en afzuiging : Wordt gebruikgemaakt van ventilatie – of afzuigingsmaatregelen met voldoende capaciteit en bedrijfszekerheid? . controleren en handhaven van beschermingsmaatregelen ) Wordt ter voorkoming van het ontstaan van een gevaarlijke explosieve atmosfeer gebruik gemaakt van MRT? Zo ja. concentratie inerte stof. welke? ( bijv. ook bij opstart en stilleggen). . 2. MEET – & REGELTECHNIEK (MRT. Maatregelen voor het verwijderen van stofafzettingen (voornamelijk voorkomen van secundaire stofexplosies) Natte reiniging of centrale ( verdient de voorkeur) of mobiele stofzuiger. .3.1. . Registratie van de reiniging? 3. BUITEN DE APPARATUUR 2. omkaste filtermouwen. Voorkomen van stofafzettingen in de apparatuur : Apparatuur constructief zo aanpassen dat stofafzettingen gemakkelijk en veilig kunnen gereinigd worden (bijv. Reinigingsprogramma opgesteld (met registratie) Stofafzuigingen na einde van de werkzaamheden nog tijdje laten werken 2.3.

1 kolom 9. om tot de gevast gestelde zone-indeling te komen.Periodiek en preventief onderhoud? Zo ja. specificeer. . De gegevens dienen ingevuld te worden in tabel I. 8. . Hoe wordt verzekerd dat de organisatorische maatregelen ook uitgevoerd worden? J N Nvt Getroffen maatregelen / opmerkingen Afdeling 7. ©Nevedi handleiding 2005 ATEX-richtlijn 137 55 .Bedrijfsinstructies? Zo ja.Nr Checkpunt Worden organisatorische maatregelen getroffen om de doeltreffendheid van de technische maatregelen te waarborgen? Zo ja welke? . . specificeer. 10. Motiveer en beoordeel wat is ingevuld in de tabel I. specificeer.Wordt gebruik gemaakt van gekwalificeerde medewerkers? Zo ja. Duidt de vastgelegde gevarenzones 20/21/22/NGG aan op de grondplannen en technische plannen (bovenaanzicht en/of zijaanzicht en/of dwarsdoorsnede). specificeer. Beschrijf zo nauwkeurig mogelijk de vastgelegde gevarenzones. Bij gebruik van gelijkwaardige alternatieven kolom 7 invullen.Worden de werknemers geschoold? Zo ja. Opmerking: De gevarenzone-indeling dient goedgekeurd te worden door de werkgever. 9.1.

DEEL C ©Nevedi handleiding 2005 ATEX-richtlijn 137 56 .

Het in dienst treden (voor aanvang werkzaamheden). Daarmee rekening houdend dienen een aantal preventie. .6. 3. . .Explosieonderdrukkingssystemen.v.p. .Het (ver)plaatsen van elektrische apparatuur buiten de gevarenzones.Interne interventieploeg en intern noodplan.Aarden van geleidende delen voor de afvoer van statische elektriciteit. ©Nevedi handleiding 2005 ATEX-richtlijn 137 57 . In dit hoofdstuk zullen eerst organisatorische maatregelen besproken worden. Hierbij moet uitgelegd worden wat de getroffen en de voorzorgsmaatregelen (organisatorisch en technisch) zijn en wat gedaan moet worden bij noodsituaties. RISICOANALYSE ONTSTEKINGSBRONNEN EN MOGELIJKE GEVOLGEN In de zonering is bekeken hoe brandbaar stof weggenomen en beheerst kan worden. hoe en wanneer er explosiegevaar is of kan zijn. . én wat hun doeltreffendheid of relevantie is. elektrische apparatuur. 6.Rookverbod en een procedure voor het uitschrijven van vuurvergunningen.v. Bij het formuleren van beheersmaatregelen moet rekening gehouden worden met een zogenaamde preventiehiërarchie. Nu de gevarenzones gekend zijn.1 ORGANISATORISCHE MAATREGELEN De doeltreffendheid van getroffen (of te treffen) technische maatregelen kan vaak slechts gewaarborgd worden indien een aantal belangrijke en noodzakelijke organisatorische maatregelen voorafgaand is toegepast. . De organisatorische maatregelen die steeds gelden en getroffen moeten worden vooraleer de toestelspecifieke maatregelen genomen worden zijn: a. Vermijden / beperken van ontstekingsbronnen in gevarenzones zoals: .Het veranderen van functie of afdeling. Voorkomen of beperken van schade zoals: .Explosiedrukontlastingsystemen. metalen bakken in een elevator.Preventief onderhoud van de installaties. In volgorde van belangrijkheid moeten de volgende maatregelen getroffen worden: 1. Opstellen van een procedure voor de opleiding van de eigen werknemers bij: . .Het toepassen van een nieuwe technologie (grondstoffen.en beheersmaatregelen getroffen te worden.Het gebruik van pneumatisch gereedschap i. 2.p.Het veranderen of in dienst nemen van nieuwe arbeidsmiddelen. kan nagegaan worden welke ontstekingsbronnen wanneer (tijdens welke gebruiksfase van de installatie en bij welke werkzaamheden) in welke gevarenzone (kunnen) aanwezig zijn. Vermijden dat de ontstekingsbronnen ook daadwerkelijk actief en effectief kunnen worden zoals: . arbeidsmiddelen) Tijdens de opleiding dienen ten minste aan bod te komen waar.Het gebruik van kunststofbakken i. . Deze organisatorische beheersmaatregelen moeten eerst uitgevoerd worden om daarna met enige efficiëntie meer toestelspecifieke maatregelen uit te voeren.Het gebruik van vonkvrij gereedschap. .Aangepaste elektrische apparatuur. . .

Opstellen van een procedure voor de bestelling en het in gebruik nemen van (nieuwe) arbeidsmiddelen (inclusief draagbare en mobiele arbeidsmiddelen) en de collectieve en persoonlijke beschermingsmiddelen. concentratie hexaan in schroot of stofklasse 3 grondstoffen) De instructies voor de inname van de grondstoffen maken melding van: o De gevaren en risico’s bij inname. schriftelijke procedures en instructies) en wordt geregistreerd.De opleiding wordt op regelmatige tijdstippen herhaald. o Eventueel andere (risicovolle) onderhouds. b. het ontstoppen van leidingen). Betreffende het gebruik van arbeidsmiddelen wordt de werkgever verplicht de zogenaamde bestelprocedure bij aankoop en ingebruikname van nieuwe arbeidsmiddelen toe te passen. 2. Vóór de ingebruikname dient de interne preventieadviseur een verslag op te maken waaruit de naleving blijkt van de vigerende wetten en reglementen inzake veiligheid en hygiëne en de bijkomende voorwaarden opgenomen in de bestelbon. Bij de levering dient een attest meegeleverd te worden waarin de leverancier verklaart dat voldaan is aan de eisen opgenomen in de bestelbon. aansluiten op aardingsklem. De werkgever organiseert het toezicht op de naleving van de instructies. wordt schriftelijk ondersteund (o. 3. ©Nevedi handleiding 2005 ATEX-richtlijn 137 58 . o De te treffen maatregelen (zoals de plaats van de vrachtwagen.of herstelwerkzaamheden (bv. Opstellen van een procedure en instructies voor de inname van nieuwe grondstoffen: De procedure moet voorzien in een controle van de relevante veiligheidsparameters van de grondstoffen. én alle overige relevante informatie. bunkers). De CE keuring geeft aan dat voldaan is aan de huidige wetgeving. Het doel van deze procedure is te voorkomen dat door de aankoop van arbeidsmiddelen nieuwe en ongekende risico’s in het bedrijf worden binnengebracht. slijpen) of de zogenaamde vuurvergunning. Opstellen van een procedure voor het uitschrijven van werkvergunningen door een bevoegd persoon: Deze procedure dient voor: o Werkzaamheden met open vlam (lassen. c. De 2 laatste stappen zijn niet van toepassing voor zaken die een merk van goedkeuring dragen (bv machines met CE-markering).en veiligheidsinstructies. De werknemers dienen steeds te kunnen beschikken over de bedienings. Beide stappen zijn wel verplicht voor de aanvullende eisen opgenomen in de bestelbon of voor aspecten die niet gedekt worden door dit keurmerk of door die controle. Ook voor de collectieve en persoonlijke beschermingsmiddelen bestaan analoge wettelijke verplichtingen. De procedure bestaat uit drie stappen: 1. rookverbod) d. stilleggen motor.m. o Werkzaamheden in besloten ruimtes (silo’s. De bestelbon bij de bestelling dient de eis tot naleving van de vigerende wetten en reglementen inzake veiligheid en hygiëne (en eventueel bijkomende voorwaarden) te bevatten. Op die manier wordt voorkomen dat grondstoffen zouden worden verwerkt die ontstekingsgevoeliger zijn zonder dat men daarvan op de hoogte is (bv.

o Aanvaarding en bevestiging van de afspraak. Er zijn schriftelijke instructies opgesteld en toegelicht voor het uitvoeren van onderhouds. o Alle betrokkenen op de hoogte stellen van het einde van de werkzaamheden.en herstelwerkzaamheden (bijv. Opstellen van een procedure voor de reiniging van arbeidsplaatsen en -middelen: Dit komt neer op het toepassen van de praktijk van schoonhuishouden (zie ook de gevarenzone. het ontstoppen van leidingen). arbeidsmiddelen en arbeidsplaatsen. De reparaties en revisies van elektrische en niet-elektrische apparatuur en beveiligingssystemen (uit de gevarenzones) gebeuren door een bevoegd persoon of firma. o De noodzakelijke voorzorgsmaatregelen (waarbij de verantwoordelijke persoon de voorzorgsmaatregelen aftekent om te laten zien dat deze maatregelen zijn genomen). o Apparatuur en middelen die nodig zijn voor collectieve en persoonlijke bescherming. g. h. Opstellen van procedures en instructies voor het gebruik van draagbare en mobiele arbeidsmiddelen. o Het in beslag nemen en weer in gebruik nemen van installaties. Een passende markering van de arbeidsmiddelen en beschermingsmiddelen moeten verkeerd gebruik uitsluiten. ©Nevedi handleiding 2005 ATEX-richtlijn 137 59 .In de werkvergunning staan minimaal de volgende gegevens: o De locatie en aard van de werkzaamheden. e. Procedures voor e. o Controle van (het blijven bestaan van) de veiligheid van de installatie. Opstellen van procedures en instructies voor onderhoudswerkzaamheden: Volgende procedures dienen voorzien te worden: o Melding en opvolging van defecten en gevaarlijke situaties. o Wanneer de werkzaamheden beginnen en wanneer ze naar verwachting eindigen. o Een periodieke controle (of meting) van de elektrische conductiviteit van de verschillende mechanische elementen ten einde accumulatie van statische elektriciteit te vermijden. f. arbeidsmiddelen. werkkleding en persoonlijke beschermingsmiddelen in de gevarenzones: Op die manier wordt verzekerd dat de draagbare en mobiele arbeidsmiddelen en de persoonlijke beschermingsmiddelen aangepast zijn aan de zoneklasse (beschermingsgraad en beveiligingscategorie) waarin ze gebruikt worden. Er dient voorzien te worden in de schriftelijke registratie van de uitgevoerde werkzaamheden. en f.a. o Een smeringsprogramma. kunnen gebundeld worden. installaties en beveiligingssystemen: Preventieve onderhoudsschema’s moeten storingen voorkomen en de goede werking garanderen.indeling). Daarbij kan gebruik worden gemaakt van de informatie van de fabrikant en bevatten o. Opstellen van een procedure voor periodiek & preventief onderhoud van arbeidsplaatsen. o De gevaren.: o Een periodieke visuele controle en een periodieke uitlijning van bewegende delen.

Opstellen van een procedure voor de planning. o De explosiegevaarlijke plaatsen. Een schriftelijke registratie van de controles en de gevolgen die er aan gegeven worden zijn noodzakelijk. persluchtvaten en hefwerktuigen moeten periodiek gecontroleerd worden. Dit noodplan moet toegelicht worden aan de betrokken werknemers en regelmatig worden geoefend. o De te treffen maatregelen in geval van nood of storingen. Opstellen van een procedures in het geval van nood: De werkgever is verplicht een zogenaamd intern noodplan op te stellen waarin duidelijk vermeld wordt wie wat en hoe moet doen in het geval van nood (brand. moeten periodiek gecontroleerd worden door een bevoegd persoon. te treffen preventiemaatregelen. l. Hierop kunnen de genomen maatregelen aangevinkt worden. j. Opstellen van een procedure voor de planning. brandbestrijdingsmiddelen. uitvoering en opvolging van de periodieke controles: Elektrische installaties.t. én dat de eigen werknemers niet blootgesteld worden aan nieuwe (ongekende) risico’s te wijten aan de uitvoering van die werkzaamheden. Het hoofddoel van deze procedure is er voor te zorgen dat de werknemers van een bedrijf van buitenaf die werkzaamheden komen uitvoeren een gelijkwaardige bescherming hebben als de eigen werknemers. en (schriftelijk vastgelegde) afspraken m. explosie).1 “Extra informatie”. k. Opstellen van een procedure voor het “Werken met derden“: Hiermee worden werkzaamheden bedoeld waarbij werknemers betrokken zijn van vreemde werkgevers. er passend gevolg gegeven wordt aan de vastgestelde afwijkingen. stoomtoestellen. o De specifieke maatregelen ter bescherming tegen het explosiegevaar. Daarnaast dient ook de bhv geregeld te zijn. In de procedure zal dan ook een wederzijdse uitwisseling van informatie moeten zijn voorzien. Indien de werkzaamheden plaats vinden in (of in de buurt van) gevarenzones zal aandacht moeten worden besteed aan: o De bijzondere voorwaarden voor de uitvoering van de werkzaamheden.i. Als geheugensteun staan de bovenvermelde organisatorische maatregelen opgesomd in bijlage III deel C tabel III. de noodverlichting e. de verwarmingsinstallaties.b. De procedure moet verzekeren dat de controles tijdig uitgevoerd worden en er passend gevolg gegeven wordt aan de vastgestelde afwijkingen. Rookverbod: Overal.d. ©Nevedi handleiding 2005 ATEX-richtlijn 137 60 . de waarschuwingsen alarmeringsmiddelen. uitvoering en opvolging van de periodieke controles: Elektrische installaties. m. De procedure moet verzekeren dat de controles tijdig uitgevoerd worden.

4.2.a. De doeltreffendheid van een ontstekingsbron is afhankelijk van: De energie-inhoud van de ontstekingsbron. Indien het een blanco (d. Mechanische vonken en lasvonken. Zie stap 2 van de zonering. Vlammen (open vuur ) en hete gassen. Een belangrijk criterium dat de aard en de omvang van de te treffen technische maatregelen bepaalt is de doeltreffendheid of relevantie van de ontstekingsbronnen.materieel. te wijten aan de vast opgestelde elektrische installaties en apparatuur. de glimtemperatuur van stofafzettingen en de zelfontstekingstemperatuur van stofwolken. 5. Statische elektriciteit. 3. voldoende beheerst zijn. kunnen we ons omwille van het bovenstaande beperken tot het opvragen van het controleverslag van de elektrische installaties en toestellen in de gevarenzones. 10. Voor nadere uitleg over de betekenis van deze begrippen wordt verwezen naar hoofdstuk 2 van Deel A van deze handleiding.1 Ontstekingsbronnen en hun doeltreffendheid Als de organisatorische maatregelen genomen zijn zal het ook noodzakelijk zijn algemene technische maatregelen te nemen ter voorkoming en beheersing van de ontstekingsbronnen en de explosie-risico’s. Overeenkomstig NEN-EN 1127-1:2007 NL worden 13 soorten ontstekingsbronnen onderscheiden: 1. zoals de minimale ontstekingsenergie van stofwolken. veroorzaakt door de vast opgestelde elektrische apparatuur en installaties. De eerste 7 categorieën zijn de belangrijkste en de meest voorkomende ontstekingsbronnen. 9. 2. A.2 Maatregelen bij niet-productietoestellen en installaties Daar het Nederlands en Europees recht oplegt dat: Er in de gevarenzones enkel aangepaste elektrische installaties en toestellen mogen worden gebruikt.w. 13. Zwerfstromen en kathodische bescherming. 6.6.w. Hete oppervlakken.z. Exotherme chemische reacties. Bliksem. Schokgolven en stromende gassen. eerst moeten worden geïnventariseerd. ©Nevedi handleiding 2005 ATEX-richtlijn 137 61 . 7. Maatregelen voor vast opgestelde elektrische apparatuur en installaties Voor de elektrische ontstekingsbronnen. De aard en omvang van die technische maatregelen zal in de eerste plaats bepaald worden door de aard van de (potentiële) ontstekingsbronnen. Elektromagnetische straling in het optische gebied (3x1011 Hz tot 3x1015 Hz).2. En dat de conformiteit van de elektrische installaties en toestellen in de gevarenzones moet worden nagegaan.2 ALGEMENE TECHNISCHE MAATREGELEN 6. zonder afwijkingen) en actueel controleverslag betreft. Elektrische installaties en . De potentiële ontstekingsbronnen zullen m. De veiligheidsparameters van de betrokken brandbare stof. 8. 6. 11. Elektromagnetische straling in het radiofrequentiegebied (104 Hz tot 3x1012 Hz). 12. kunnen en mogen we er vanuit gaan dat de elektrische ontstekingsbronnen. Ioniserende straling. Ultrasoon geluid.

Maatregelen voor de verplaatsbare elektrische apparatuur die gebruikt worden in de gevarenzones Daar dergelijke toestellen bijna uitsluitend aanleiding kunnen geven tot elektrische ontstekingsbronnen (vonken en warm oppervlak) volstaat het: . én om te kunnen voldoen aan de aantoningsplicht is het absoluut noodzakelijk dat in het controleverslag duidelijk en ondubbelzinnig omschreven is over welke apparatuur het gaat.en regelapparatuur.w.Meet. .Motoren.Silolift. .Aftak.Na te gaan of ze beantwoorden aan: o De voorschriften opgenomen in de artikels 111-113 van het Nederlands en Europees recht (zie ook rubriek 3.De toestellen en hun identificatiegegevens te inventariseren. Met de verplaatsbare elektrische apparatuur worden o.en aansluitdozen.Elektrische heftruck of transpalet.Mobiele afzuiging. o De Economische ATEX-richtlijn indien ze voor het eerst in gebruik genomen werden na 30/06/03 (zie ook Hoofdstuk 3 van deel A van deze handleiding). . Afwijkingen die niet op korte termijn kunnen weggewerkt worden dienen samen met de te treffen maatregelen opgenomen te worden in een plan van aanpak zie tabel II. . Indien geen blanco controleverslag (d.Looplampen.Radio. .4. toestellen en beveiligingsystemen: Een geschikte IP-graad hebben (afhankelijk van de zoneklasse waarin ze gebruikt worden). . . beveiligingssystemen.Elektrisch aangedreven handgereedschap.Onder de vast opgestelde elektrische installaties en toestellen wordt verstaan: . 30 van deel A van deze handleiding).m. .Elektrisch aangedreven stofzuiger.Schakelende toestellen.Meet. ©Nevedi handleiding 2005 ATEX-richtlijn 137 62 .en communicatieapparatuur.z. . Om voldoende zekerheid te hebben over de actualiteit en volledigheid van het controleverslag.3 Deel C. er zijn afwijkingen) kan worden overgelegd dienen de vastgestelde afwijkingen (zo snel mogelijk) weggewerkt te worden en dient een nieuwe controle van de elektrische apparatuur en installaties in de gevarenzones uitgevoerd te worden. . De risicoanalyse zelf houdt in dat moet worden nagegaan of de arbeidsmiddelen. B. bedoeld: . .Verlengkabels.De technische informatie van de apparatuur te verzamelen.Verlichtingstoestellen. . hefwerktuigen zoals een takel. . .Verwarmingstoestellen. . Daarnaast dienen voor de elektrische apparaten en installaties in de gevarenzones die pas na 30/06/03 in gebruik genomen werden de nodige EG-verklaringen van overeenstemming met de ATEX 95-richtlijn kunnen worden overgelegd. p. Een geschikte maximale oppervlaktetemperatuur (afhankelijk van de glimtemperatuur en de ontstekingstemperatuur van het stof).

Een geschikte beveiligingscategorie voor die arbeidsmiddelen. toestellen of beveiligingssystemen Bovenstaande werkwijze kan ook worden gevolgd voor vaste en verplaatsbare arbeidsmiddelen. Een inschatting van de frequentie van optreden van de ontstekingsbron.3 Risicoanalyses van productietoestellen en installaties 1. toestellen en beveiligingssystemen die pas na 30/06/03 voor het eerst gebruikt werden. C. Ook voor die arbeidsmiddelen. 2. Hiervoor werd het volgend classificatiesysteem6 gebruikt: Tabel 6. toestellen en beveiligingssystemen en verschillende types ontstekingsbronnen is het bijna onmogelijk om hiervoor een aantal algemeen geldende en eenvoudige voorschriften op te stellen. http://www. toestellen en beveiligingsystemen die in de gevarenzones (kunnen) worden gebruikt én niet behoren tot de eigenlijke productie-installaties én nog andere dan elektrische ontstekingsbronnen kunnen veroorzaken.safetynet.2. Daar het hier kan gaan om zeer uiteenlopende arbeidsmiddelen.3 deel C. Maatregelen voor overige arbeidsmiddelen. nutsvoorzieningen. toestellen en beveiligingssystemen zal dus een inventaris opgesteld moeten worden. De gevarenzones gemarkeerd zijn. Voorzien zijn van de voorgeschreven markeringen en vergezeld gaan van de voorgeschreven EG verklaring van overeenstemming voor die arbeidsmiddelen.de/EC-Projects/Rase. toestellen en beveiligingssystemen die pas na 30/06/03 voor het eerst gebruikt werden (afhankelijk van de zoneklasse waarin ze gebruikt worden). niet-aangedreven handgereedschap e. De mogelijke oorzaken van optreden.1: Frequentie ontstekingsbronnen Waarschijnlijkheid Veelvuldig (V) Waarschijnlijk (W) Toevallig (T) Weinig waarschijnlijk (WW) Onwaarschijnlijk (O) Specifieke kenmerken Komt frequent voor Komt regelmatig voor gedurende levensduur Komt wel eens voor gedurende levensduur Onwaarschijnlijk maar mogelijk gedurende levensduur Hoogst onwaarschijnlijk gedurende levensduur Overgenomen van het Europese RASE – project (Risk Assessment of Unit Operations and Equipment.html) 6 ©Nevedi handleiding 2005 ATEX-richtlijn 137 63 .d. - 6. Vastgestelde afwijkingen dienen samen met de te treffen maatregelen opgenomen te worden in een plan van aanpak zie tabel II. Hierbij is bijvoorbeeld te denken aan heftrucks of andere transportvoertuigen die rijden op diesel of LPG.

Vastgestelde afwijkingen dienen samen met de te treffen maatregelen opgenomen te worden in een plan van aanpak. Indien de werkgever beslist om één of meerdere ernstverlagende maatregelen in te voeren dient hij deze op te nemen in het actiepan voor regularisatie zie tabel II.000 of meer Eén dode 100.000 à 100.De eigenschappen van de toestellen en installaties (bijv. In ieder geval heeft de werkgever de wettelijke verplichting schade ten gevolge van een explosie zo veel mogelijk te voorkomen.3 deel C.3.000 à 1. Door alle bovenvermelde preventiemaatregelen te nemen en toe te passen zal de kans op een stofexplosie aanzienlijk verkleind worden. .000 € Beperkte letsels < 10. . Het is de verantwoordelijkheid van de werkgever om te beslissen of en welke (bijkomende) ernstverlagende maatregelen zullen worden genomen.De veiligheidsparameters van de betrokken stoffen (de maximale explosiedruk en de explosieklasse). Per toestel wordt een aantal mogelijke ernstverlagende maatregelen opgesomd. . en indien dat niet mogelijk is de schade te beperken. De doeltreffendheid of relevantie van de ontstekingsbron. De ernst van een mogelijke explosie zal onder meer worden bepaald worden door: . buiten of midden in de fabriek). Zie tabel II.De aanwezigheid van personen en hun aantal.000 € Merk op dat het in deze fase van de studie de bedoeling is dat de ernst van een explosie wordt bepaald voor de “onbeveiligde toestand”. Vervolgens werd voor ieder toestel of installatie vastgelegd welke frequentieverlagende maatregelen er moeten worden genomen.000 € Zware letsels 10. Tabel 6. De mogelijke ernst van de gevolgen van een stofexplosie zal bepalend zijn of (nog bijkomende) ernstverlagende maatregelen dienen te worden genomen.De plaats van de installaties (bijv. statistische zekerheid dat er nooit een stofexplosie zal optreden. .3 deel C.000. ©Nevedi handleiding 2005 ATEX-richtlijn 137 64 . Maar zelfs dan hebben we geen absolute. volume van een silo).2: Ernst van een explosie Ernst Catastrofaal Zeer ernstig Kritisch Marginaal Incidentenomschrijving Naar personen Naar installaties Talrjjke doden 1.000. Bij voorkeur wordt in de studie ook geargumenteerd waarom een bepaalde maatregel wordt getroffen.De toestellen en installaties die verbonden zijn met het beschouwde toestel.

2. Inventarisatie van de potentiële gevarenbronnen 3.1..3. bedrijfsleider. EXPLOSIEVEILIGHEIDSDOCUMENT De werkgever heeft de verplichting om een explosieveiligheidsdocument op te stellen. .Het meest recente controleverslag van de elektrische installaties in de gevarenzones. RISICOANALYSE / GEVARENBRONNEN EN ZONERING 3. Gevarenzone – indeling ( zone en afmetingen ) Breng de opgestelde gevarenzone-indeling onder in de rubriek “Risicoanalyse / Gevarenbronnen en zonering”. 3. Stroomschema 1.adres. Gebouw – en ruimteaanduiding 1. 5. Uit het document moet ondermeer blijken dat de explosierisico’s geïdentificeerd en beoordeeld zijn en dat afdoende maatregelen genomen zullen worden. RISICOANALYSE / INVENTARISATIE EN ONTSTEKINGSBRONNEN EN EXPLOSIERISICO’S EVALUATIE VAN DE Breng de hieronder vermelde documenten onder in de rubriek “Risicoanalyse / inventarisatie en evaluatie van de ontstekingsbronnen en explosierisico’s” : . Tabel veiligheidsparameters van de betrokken stoffen Breng de opgestelde beschrijving van het productieproces (Stap 1 en Stap 2 van het stappenplan deel B) onder in de rubriek “Beschrijving opslagplaatsen en het productieproces”.1 deel C). intern preventieadviseur. Dit zijn de Stappen 3 t/m 9 van deel B en Stap 10 de grondplattegronden en de technische plannen. Ook de gevarenzone – indeling vormt een onderdeel van het document. 2. aantal werknemers. ADMINISTRATIEVE GEGEVENS 1.1. Wettelijk kader en betrokken personen Verzamel de voornaamste algemene administratieve gegevens van de onderneming (naam.2.1. GETROFFEN MAATREGELEN EXPLOSIEGEVAAR 5. . Organisatorische maatregelen 5.2.2.Lijst verplaatsbare en vastopgestelde elektrische apparatuur per afdeling. Beschrijvend gedeelte van de procédés en/of activiteiten 1. Inhoud explosieveiligheidsdocument: 1. BESCHRIJVING OPSLAGPLAATSEN EN HET PRODUCTIEPROCES 1. 4.3. Hieronder is de korte inhoudstabel van het explosieveiligheidsdocument weergegeven met een praktische beschrijving over hoe men dit document samenstelt.1. Referentiedocumenten en definities 3.3. .7. Algemeen 1.) en ook één of meerdere grondplannen en breng ze onder de rubriek “Administratieve gegevens”.De ingevulde stamkaart (tabel II. Technische maatregelen TER BESCHERMING TEGEN HET ©Nevedi handleiding 2005 ATEX-richtlijn 137 65 .Organisatorische maatregelen per afdeling..

8. 7. . BIJLAGEN Bijlage 1 : Plannen (plattegrond.2 deel C). beveiligingssystemen en alle erbij horende verbindingsstukken die worden gebruikt of ter beschikking gesteld van de werknemers slechts in bedrijf worden genomen of gehouden wanneer uit het explosieveiligheidsdocument blijkt dat aan het gebruik ervan geen explosiegevaar verbonden is”. opstellingsschema.3 ‘Plan van aanpak’ onder in de rubriek “Actieplan met te nemen maatregelen”. Stel daarom een beheerder aan en voer een periodieke evaluatie van het document in.Een overzicht van de getroffen technische maatregelen die genomen zijn per afdeling en per arbeidsmiddel (tabel II. registratieformulieren en verslagen opgesteld in het kader van de getroffen organisatorische maatregelen. 6. . HANDTEKENING EINDVERANTWOORDELIJKE(N) 9.Alle beschikbare attesten en EG – verklaringen van overeenstemming van de apparaten en beveiligingssystemen die (kunnen) gebruikt worden in de gevarenzones.Breng de hieronder vermelde documenten onder in de rubriek “Getroffen maatregelen ter bescherming tegen het explosiegevaar” : . BEHEER VAN HET EXPLOSIEVEILIGHEIDSDOCUMENT Uiteraard is het de bedoeling dat het explosieveiligheids-document actueel gehouden wordt.De schriftelijke procedures. evacuatiewegen nooduitgangen) Bijlage 2 : Stroomschema van het procédé met vaste brandbare stoffen Bijlage 3 : Veiligheidsinformatiebladen van de betrokken stoffen Bijlage 4 : Zoneringstekeningen – stofontploffingsgevaar Bijlage 5 : Organisatorische maatregelen – stofontploffingsgevaar Bijlage 6 : Technische maatregelen – stofontploffingsgevaar & ©Nevedi handleiding 2005 ATEX-richtlijn 137 66 .1 of II. Bij het vastleggen van de deadlines dient rekening gehouden te worden met de volgende bepaling “vanaf 30/06/03 mogen installaties. apparaten. ACTIEPLAN MET TE NEMEN MAATREGELEN Breng de ingevulde tabel II. instructies.

4 maatregelen (technisch/ organisatorisch ) I. FLOW-SCHEMA: PLAN VAN AANPAK EXPLOSIEVEILIGHEIDSDOCUMENT Bekend met de Neem deel A door Ja Nee Is de fabriek Ja Nee Bent u in het bezit van een Nee Ja Volg de werkwijze van bijlage I deel B Volg de werkwijze bijlage II van deel C Volg de werkwijze bijlage III van deel C H1 theorie I.3 Plan van aanpak stofwolke I.8 Gevarenzones Gegevens voor Stamkaart Afdeling I.8.9 Plattegronden en technische plannen ©Nevedi handleiding 2005 ATEX-richtlijn 137 67 .6 Klasse en afmeting stofafzetting I.3 Gevarenbronnen Gegevens voor Stamkaart Arbeidsmiddel II.2 Stamkaart arbeidsmiddel III.2 Neem de vragenlijst door I.1 Stamkaart afdeling H2 wet of III.7 Openingen in gevarenzone I.5 Ventilatie omstandigheden - II.2 Inventarisatie grondstoffen I.1 Beschrijving productieproces I.1 Neem de checklijst organisatorische maatregelen door II.

BIJLAGE II: RISICOANALYSE ONTSTEKINGSBRONNEN EN EXPLOSIEGEVAAR ©Nevedi handleiding 2005 ATEX-richtlijn 137 68 .

Nr.Tabel II.1: Stamkaart Afdeling Stamkaart Explosieveiligheidsdocument Afdeling: Algemene gegevens Zone + argumentatie Organisatorische maatregelen + argumentatie Productielocatie: Nr. Arbeidsmiddel Identificatie Uren/Jaar Product: gemengd Stofklasse Extra borging Afzuiging nummer of grondstof Tabel II. Algemene gegevens Functie arbeidsmiddel Datum in dienst Technische documentatie J / N Aanwezigheid handleiding J / N Aanwezigheid instructiekaart J / N Zone machine Zone omgeving IP-graad motor Risico identificatie potentiële ontstekingsbronnen Bronvermelding Beschermingswijze Mogelijke ontstekingsbronnen Relevant Oorzaak Frequentie Toegepaste bescherming Omschrijving Organisatorische maatregelen Technische maatregelen Opmerking ©Nevedi handleiding 2005 ATEX-richtlijn 137 69 .1a: Stamkaart Afdeling Stamkaart Explosieveiligheidsdocument Arbeidsmiddel: Afdeling: Productielocatie: Nr.

2: Stamkaart Arbeidsmiddel Stamkaart Explosieveiligheidsdocument Arbeidsmiddel: Afdeling: Locatie: Nr. hete deeltjes Mechanische vonken Slijp en lasvonken Elektrische energie Statische elektriciteit Bliksem Zwerfstromen Elektrische magnetische straling Hybride mengsel Stofklasse Brandklasse CE Oorzaak Risicobepaling Opmerkingen Zone machine Zone omgeving Verantwoordelijk voor zone indeling: Naam: Afdeling: Toegepaste bescherming Motoren Explosiebeveiliging Afzuiging Reiniging Aanduiding ontploffingsgevaar Onderhoudsprogramma Vergunningssysteem Omschrijving IP Opmerking ©Nevedi handleiding 2005 ATEX-richtlijn 137 70 . hete gassen incl.m/s) Minimum ontstekingsenergie (mJ) Minimum ontstekingstemperatuur (ºC) Maximale oppervlaktetemperatuur 2/3 van de minimum ontstekingstemperatuur (ºC) Explosiegrenzen LEL Productie uren op jaarbasis Risico identificatie Potentiële Relevant Frequentie Ernst ontstekingsbronnen Ja/nee Spontane reactie Hete oppervlakte Vlammen. Algemene gegevens Functie arbeidsmiddel Datum in dienst Technische documentatie J / N Aanwezigheid handleiding J / N Aanwezigheid instructiekaart J / N Omschrijving product(en) Deeltjes grootte (mm) Vochtgehalte (%) Kst Waarde (bar.Tabel II.

Deze lijst dient gebruikt te worden als geheugensteun voor mogelijk te nemen maatregelen. 4) Noteer in tabel II.Praktische werkwijze Met behulp van de informatie uit deel C van de handleiding en met behulp van de formulieren uit deze bijlage ‘Bijlage Risicoanalyse ontstekingsbronnen en explosiegevaar’: is een risicoanalyse uit te voeren. Daarnaast vaste en verplaatsbare overige arbeidsmiddelen. productielocatie en nummer van het arbeidsmiddel.1a) bouwt verder op de zonering van deel B. Per arbeidsmiddel/ groep dient een aparte kaart ingevuld te worden. 1) De eerste stap is per afdeling tabel II.1 en tabel II.1 Checklist “Organisatorische Maatregelen” (Bijlage III. Hieronder staan de stappen voor tabel II. Ook de ernstverlagende maatregelen die zullen worden getroffen dienen te worden opgenomen in de tabel II. Daarnaast is deze methode geschikt voor fabrieken die duidelijke afscheidingen hebben tussen de verschillende procesonderdelen. In deze handleiding zijn twee methodes aangeboden om de risicoanalyse te maken.1a vermeld hoe men te werk dient te gaan. Eventuele vastgestelde afwijkingen dienen samen met de adviserende maatregelen opgenomen te worden in het “Plan van aanpak” zie tabel II.3 (bijlage II.2 geschikt om te gebruiken. Bij deze tabel wordt meteen op arbeidsmiddenniveau ingezoomd. Arbeidsmiddelen zijn vast opgestelde en verplaatsbare elektrische apparatuur en installaties in de gevarenzones. deel B). 6) Vul de rest van de stamkaart in aan de hand van paragraaf 1. 3) Noteer per afdeling de aanwezige arbeidsmiddelen. deel C). Dit dient overeen te komen met de gegevens in tabel II. Voor fabrieken die geen duidelijk scheiding hebben tussen de procesonderdelen is tabel II. Verzamel de beschikbare documenten zoals procedures. Maak gebruik van de informatie uit bijlage I deel B. De eerste methode (tabel II. ©Nevedi handleiding 2005 ATEX-richtlijn 137 71 . deel C) invullen met de gegevens uit tabel I. deel C).3 “Plan van aanpak”. of verzamel de verwijzingen naar die documenten. stofklasse en de aanwezigheid van een extra borging.1 (bijlage I. 5) Vul de algemene gegevens is. afdeling. instructies en registratieformulieren.1 (bijlage II.1a deel C het arbeidsmiddel. aanwezigheid van een explosieve atmosfeer in een aantal uren/jaar. Noteer per arbeidsmiddel de volgende kenmerken.2 deel C.3 deel C. toestellen en beveiligingssystemen die opgesteld staan of (kunnen) worden gebruikt in de gevarenzones en die niet behoren tot de eigenlijke productie-installatie.1 deel C. 2) Doorloop de tabel III. de aanwezigheid van gemengd product of grondstof. het identificatienummer. 7) Neem eventuele afwijkingen samen met de te treffen maatregelen op in de tabel II.1 en tabel II.

uitvoering ©Nevedi handleiding 2005 ATEX-richtlijn 137 72 .Tabel II.3: Plan van aanpak Nr Afdeling Punt van aandacht Verantwoordelijke Uitvoerings termijn Budget / Middelen Verantw.

BIJLAGE III: EXTRA INFORMATIE ©Nevedi handleiding 2005 ATEX-richtlijn 137 73 .

stilleggen motor.De te treffen maatregelen (standplaats van vrachtwagen. . Er bestaan instructies voor de inname van grondstoffen met vermelding van : . rookverbod. aansluiten op aardingsklem.Het veranderen of in dienst nemen van nieuwe arbeidsmiddelen.m. . d Procedure voor het uitschrijven van werkvergunningen door een bevoegd persoon : Nr Opmerkingen ©Nevedi handleiding 2005 ATEX-richtlijn 137 74 . hoe en wanneer er explosiegevaar is of kan zijn. Er is toezicht op de naleving van de instructies.Het in dienst treden. .Wordt op regelmatige tijdstippen herhaald. veiligheidsparameters). c Procedure en instructies voor de inname van (nieuwe) grondstoffen: Procedure voorziet in een controle / analyse van de relevante eigenschappen van de grondstoffen (bijv. De opleiding : . . Verslag voor indienststelling wordt opgesteld door de intern preventieadviseur. b Procedure voor de bestelling en in dienst name van (nieuwe) arbeidsmiddelen en van de collectieve en persoonlijke beschermingsmiddelen: Bestelbon wordt opgesteld en getekend door de intern preventieadviseur.Het toepassen van een nieuwe technologie. .. concentratie hexaan in schroot. .).Waar.. Er wordt passend gevolg gegeven aan de eventuele vastgestelde afwijkingen. procedures en veiligheidsinstructies). .Wordt schriftelijk ondersteund (o. De werknemers kunnen te allen tijde de bedienings – en veiligheidsinstructies en alle overige relevante informatie raadplegen.Wordt geregistreerd (hulpmiddel is een opleidingsmatrix) Tijdens de opleiding komen ten minste aan bod : . toegangsverbod .1: Checklist Organisatorische Maatregelen Checklist Organisatorische Maatregelen Maatregel Beoordeling (ja/neen/nvt) a Procedure voor de opleiding van de werknemers 0pleiding voorzien bij : .Het veranderen van werkpost of functie.Wat te doen bij noodsituaties. .De gevaren en risico’s.Tabel III.De getroffen en te treffen voorzorgsmaatregelen (organisatorisch en technisch).

arbeidsmiddelen. h Procedure voor de reiniging van arbeidsplaatsen en – middelen: Opmerkingen ©Nevedi handleiding 2005 ATEX-richtlijn 137 75 . slijpen. het ontstoppen van leidingen). ontstoppen van leidingen). g Procedure voor het gebruik van mobiele en draagbare arbeidsmiddelen. bunkers).. Jaarlijkse controle (of meting) van de elektrische conductiviteit van de verschillende mechanische elementen ten einde statische elektriciteit te vermijden. Er is schriftelijke registratie van de uitgevoerde onderhoudswerkzaamheden.Nr Checklist Organisatorische Maatregelen Maatregel Beoordeling (ja/neen/nvt) Er bestaat een procedure voor het uitschrijven van werkvergunningen voor : . arbeidsmiddelen en arbeidsplaatsen. de werkkledij en pbm’s zijn passend gemerkt zodat verkeerd gebruik uitgesloten is . .). werkkledij en persoonlijke beschermingsmiddelen in de gevarenzones: Er bestaan schriftelijke instructies ter zake.Eventueel andere onderhouds – of herstelwerkzaamheden (bijv. die gekend zijn bij de werknemers. De herstellingen en revisies van elektrische en niet – elektrische apparatuur en beveiligingssystemen (uit de gevarenzones) gebeuren door een bevoegd persoon of firma. e Procedure voor periodiek en preventief onderhoud van arbeidsplaatsen.Werkzaamheden in besloten ruimten (silo’s. Er zijn instructies opgesteld en toegelicht voor het uitvoeren van onderhouds – en herstelwerkzaamheden (bijv.. Er is toezicht op de correcte naleving van de bepalingen opgenomen in de werkvergunning. De conformiteit van nieuwe of herstelde of gereviseerde arbeidsmiddelen en (installatie)onderdelen met de wettelijke bepalingen en de gevarenzone-indeling wordt nagegaan vóór in dienst name. Er bestaat een procedure voor de in beslagname en terug in gebruikstelling van installaties. f Procedure voor onderhoudswerkzaamheden: Er is een procedure voor de melding en opvolging van defecten en gevaarlijke situaties. De mobiele en draagbare arbeidsmiddelen en collectieve beschermingsmiddelen. . installaties en beveiligingssystemen: Er bestaan preventieve onderhoudsschema’s opgesteld op basis van de aanbevelingen van de fabrikant. In de werkvergunning staan minimaal de gegevens zoals vermeld in de handleiding.Werkzaamheden met open vlam (lassen.

Het intern noodplan werd toegelicht aan de betrokken werknemers en wordt regelmatig geoefend. uitvoering en opvolging van de periodieke controles van installaties en arbeidsmiddelen: De elektrische installaties. … worden regelmatig nagezien door een bevoegd persoon. l Noodprocedures: Er is een intern noodplan opgesteld dat ten minste de noodsituaties brand en explosie behandeld. uitvoering en opvolging van de periodieke nazichten van installaties en arbeidsmiddelen: De elektrische installaties.de noodverlichting. k Procedure Werken met derden: De wettelijk voorgeschreven procedure is voorzien (mét schriftelijk contract). de brandbestrijdingsmiddelen. de waarschuwings – en alarmeringsmiddelen. Rookverbod is op afdoende wijze gemarkeerd en wordt gerespecteerd. van de handleiding te lezen. zodat voldaan is aan de praktijk van schoonhuishouden. uitschakelen ontstekingsbronnen. verbod gebruik perslucht. j Procedure voor de planning. Opmerkingen Noot : Bij het overlopen van de checklist is het aan te raden de toelichting onder 6. de verwarmingsinstallaties. Er wordt passend gevolg gegeven aan de vastgestelde afwijkingen. Er is een interne interventieploeg opgericht en opgeleid. Er zijn instructies opgesteld en toegelicht voor het uitvoeren van de reinigingen (bijv. stoomtoestellen. ©Nevedi handleiding 2005 ATEX-richtlijn 137 76 . dragen persoonlijke beschermingsmiddelen).Nr Checklist Organisatorische Maatregelen Maatregel Beoordeling (ja/neen/nvt) Er bestaan schriftelijke reinigingsprogramma’s. persluchtvaten en hefwerktuigen worden periodiek (volgens de wettelijke frequentie ) gecontroleerd door een Externe Dienst voor Technische Controles op de Werkplaats.1. i Procedure voor de planning. Er is schriftelijke registratie van de nazichten. Er wordt passend gevolg gegeven aan de vastgestelde afwijkingen. m Rookverbod: In de gevarenzones (en bij voorkeur algemeen) geldt een strikt rookverbod. Er is voorzien in de schriftelijke registratie van uitgevoerde reinigingen.

Vragen Algemeen 1 Is er een instructie waaruit Norm ja nee onbekend toelichting 2 3 4 blijkt dat roken verboden is binnen de gebieden die vallen onder de ATEX zonering? Is er markering aanwezig welke wijst op explosierisico? Is er markering aanwezig welke wijst op rookverbod? Voldoen de elektrische installaties aan de zone-eisen? Bij alle ingangen van de fabriek Bij alle ingangen fabriek + losen laadpunten Zone 20: IP6X. dan transport voorzien zoveel mogelijk wordt voorkomen? van adequate afzuiging om stof buiten het systeem te voorkomen Vuistregel: afzuiging Noodzakelijk bij .Tabel III.) blijven binnen de installaties Na openen luiken dient de installatie stil te vallen. 8 9 10 Alleen gefilterde lucht waarbij stofconcentratie max 3. transport etc. Indien 1 niet vormgegeven dat stofuitstoot mogelijk. geen lekpunten zichtbaar 5 6 7 Zijn alle installaties die binnen de fabrieksgebouwen aanwezig zijn stofdicht? (denk ook aan transportbanden/ automatisch reinigende magneten etc!) Zijn alle machineluiken voorzien van veiligheidsschakelaars? Luchtverplaatsingen binnen de installaties (bv ten gevolge vullen/legen silo's. Stofuitstoot buiten het Zijn de transporten van grondstoffen en eindproducten systeem (machines.en lospunten indien stofgehalte in de lucht in deze ruimten tijdens lossen meer is dan 3.5 m van alle laad. dusdanig ontworpen en installaties en/of silo's) is niet mogelijk.2: Vragenlijst Nr. andere ruimten: Zone 22+NGG: IP5X Alle systemen/voorzieningen gesloten.5.5 m/s ©Nevedi handleiding 2005 ATEX-richtlijn 137 77 . in inwendige van productie installaties Zone 21: IP6X. 2. 1.transport van meer dan 100 m3/uur . stofconcentraties in omgevingslucht tijdens storten mag niet boven 3 mg/m3 zijn. binnen 2.0 mg/m3 is mag in werkruimten worden geblazen.0 mg/m3.snelheid van meer dan 2. In andere gevallen moet lucht naar buiten worden geblazen Voldoen de stofconcentraties Stofconcentratienorm: in de omgevingslucht buiten de Maximum 3 mg/m3 installaties aan de normen? Zijn alle handbijstorten Alle handbijstorten dienen een voorzien van lokale afzuiging? lokale afzuiging te hebben.

staalconstructies zodanig dat weinig/geen stofafzetting plaatsvindt Visuele beoordeling op deze aspecten. Minimale hoogte veegrand = 5 cm Voorbeelden: .raamopeningen met min. stalen voorkoming van constructies.kabelgoten verticaal geplaatst .schoongemaakt worden? Is er een stofzuiger/systeem beschikbaar om stofophoping te verwijderen? Vloeren vrij van naden. potentiaalverschillen en vonken muren. vloeren.m. helling van 60 graden . etc. hoppers. 2. beschikbaar op elke relevante plaats en goede werking! Indien mobiele stofzuigers in gebruik dan dient elektrische installatie geschikt te zijn voor de zone die ie geldt in de ruimte waar de stofzuiger gebruikt wordt. ter aarding? (incl. doorverbonden en geaard? Alle verbindingen tussen autotransport en fabriek dienen buiten het gebouw gemaakt te zijn ©Nevedi handleiding 2005 ATEX-richtlijn 137 78 .v.onderhouden en 3.geïnspecteerd. scheuren en gaten waarin zich stof kan ophopen en daardoor moeilijk te reinigen zijn. stofvan perslucht bij reiniging en/of verspreiding en persoonlijke stofverwijdering bij in bedrijf veiligheid zijnde machines/ installaties Zijn de vloeropeningen naar Opening is op een hoger niveau silo's en transporten zodanig aangebracht of voorzien van uitgevoerd dat wordt veegranden van min 5 cm hoog voorkomen dat vreemde voorwerpen vanaf de vloer makkelijk via de opening in de installatie komen? Zijn alle installaties en metalen Maximale weerstand naar het onderdelen voorzien van oppervlak < 10 Ohm.) Zijn alle lospunten voorzien Maximale weerstand van van aarding voor vrachtauto's? aardlip vd auto naar de aarde (stortputten en pneumatisch max. 16 17 18 19 20 21 22 Criteria: eenvoudig te gebruiken. 10 x6 Ohm lossen) Worden de juiste bigbags gebruikt? Zijn alle lospunten voor Maximale weerstand van bigbag bigbags met typen C voorzien naar het grondoppervlak < 10 x8 van aarding voor de bigbag? Ohm Zijn alle onderdelen van de Eisen pneumatische transporten Koppelingen bestaan uit metaal/koper > 100 mm2 elektrisch geleidend. ( meestal dus zone 22) Is er een verbod op het gebruik VERBODEN i.11 Zijn alle vloeren voldoende glad en reinigbaar of uitgevoerd als roostervloer? Zijn alle gladde vloeren voorzien van veegranden? Is er bij nieuwe installaties rekening gehouden met het voorkomen/minimaliseren van stofafzetting? 12 13 14 15 Kunnen de nieuwe installaties eenvoudig 1. silo's.

b. 28 29 Vallen de transporten stil bij verstoppingen of andere storingen? Voldoet de wijze van verwarming van vloeistoffen in tanks aan de eisen? Vloeistoffen in tanks mogen niet direct met elektrische elementen verwarmd worden Organisatorische en procedurele vereisten 30 Is er een brandbon/vuur 31 32 33 34 35 36 37 vergunning protocol in gebruik ? Is er een schoonmaakprogramma en housekeeping programma actief ? Is er een preventief onderhoudsprogramma aanwezig? Is er een periodiek RI&E programma wat eveneens explosierisico's inventariseert en evalueert ? Worden alle medewerkers geïnformeerd over de risico's van optreden van stofexplosies ? Worden derden die in gebouwen komen met een ATEX zone geïnformeerd over de risico's van stofexplosies ? Zijn de explosie risico's en de te volgen maatregelen en procedures opgenomen in de bedrijfstrainingen ? Heeft het bedrijf een procedure van toezicht dat nieuwe machines en installaties bij aanschaf voldoen aan de CE/ATEX normen? Dit programma moet in lijn zijn met het programma als aanwezig in de bijlage Specifieke BHV trainingen en algemene noodsituaties trainingen en oefeningen ©Nevedi handleiding 2005 ATEX-richtlijn 137 79 . elektrostatische oplading/ c. Voldoet de werkkleding aan de veiligheidseisen m.23 24 25 26 27 Voldoen alle handlampen aan de criteria? Wordt alleen vonkvrije gereedschap gebruikt bij reiniging van de silo's etc.t.q brandveiligheid ? Zijn de ontvangsten van grondstoffen voorzien van reinigings.en verwijderingapparatuur? De maximale oppervlaktetemperaturen in de fabriek zijn nooit hoger dan 125 graden < 24 Volt / IP 6X / zone 20 Denk aan gereedschap vervaardigd van brons Werkkleding hoort van antistatisch materiaal te zijn gemaakt (uitgevoerd in katoen) Denk ook aan doorwerkkleding Bij v Stenenvanger Bij temperaturen vanaf 125 ºC bestaat het gevaar van ontbranding van stof. Oppervlakken die heter dan 125 ºC kunnen worden dienen geïsoleerd te zijn.

n. niet explosie risico's geëvalueerd ? agrarische) met MSDS data te voorzien. daadwerkelijk met de fabrieksaarde verbonden ? Worden in de praktijk de bigbags van het type C ook daadwerkelijk geaard tijdens de lossing ? Is de losinstallatie voor bigbags ook geaard ? Is er een goede procedure voor de inkoop van machines en apparatuur ? Zijn de deuren van alle Uitzondering bij actieve schakelkasten van elektrische werkzaamheden aan de installaties altijd gesloten? betreffende elektrische installaties Grondstofinname 54 Zijn er elektromagneten geïnstalleerd voor de reiniging ? ©Nevedi handleiding 2005 ATEX-richtlijn 137 80 . MIE>15mJ. MIT>250graden mits voorzieningen zijn getroffen) Worden aanwezige controle en inspectie programma's in praktijk daadwerkelijk uitgevoerd voor: * periodieke inspectie van fabriek en apparatuur op lekkages * periodieke inspectie op effectiviteit van schoonmaakprogramma's * periodieke inspectie van fabriek en apparatuur op effectieve werking en voldoende onderhoud * controle op gebruik brandbon/veiligheidsvergunnin gen * controle en meting op aangeven aardweerstanden effectieve aarding …… * controle en inspectie op afzuigfaciliteiten * controle op gebruik aarding bij lossen van grondstofwagen * controle op het gebruik van aarding bij het lossen van bigbags Is er een silo-afdaal en tank betredingsprocedure? Worden in praktijk bij alle Uitzondering vormt het lossen pneumatische innamen de van niet gevaarlijke grondstoffen transportmiddelen zoals mineralen. (LEL > 25 gr/m3.38 39 40 41 42 43 44 45 46 47 48 49 50 51 52 53 Worden bij het inkoop / gebruik De leverancier behoort van nieuwe grondstoffen de grondstoffen (m.

Bij afvoer in onderbunker: ontlasting onderbunker naar buiten. schroeven e.d. stofconcentraties in omgevingslucht van de put tijdens storten mag niet hoger dan 3 mg/m3 zijn. voorzien van explosie ontlasting? Bij vertraging onder 80% alarm en afschakelen elevator en aanvoer (lijnvergrendeling) Transporten (ketting.55 56 57 Zijn er zeven aanwezig voor verwijderen van vreemde delen. om te kunnen vaststellen of filters verstopt raken Aspiratie systemen 66 zij installaties gebouwd na 67 1/7/2003 voorzien van een lokale afzuiging? Is er monitoring van de drukopbouw in filters ? Zijn alle ventilatoren geplaatst in het schone lucht gedeelte van filter ? Werkt het luchtfilter in de afzuiging effectief Zijn filterdoeken anti-statisch ? 68 69 70 Max stof concentratie in uitblaaslucht = 3. Een beveiliging bestaat meestal uit een eindschakelaar aan een luik wat wordt open geduwd. Bijvoorbeeld middels U-buis. hout? Worden stenen afgevangen op de roosters van de stortput? Zijn alle stortputten voorzien Alle stortputten dienen voorzien van lokale afzuiging? te zijn van afzuiging. bij afvoer op elevator: ontlasting E naar buiten. bijv. 2. 3. aspiratie: druksensor met explosie schuif of ontlasting naar buiten of aspiratie opstelling buiten Lokale afzuiging heeft algemeen de voorkeur boven centrale afzuiging. voor zover ze binnen geplaatst zijn.0 mg/m3 ©Nevedi handleiding 2005 ATEX-richtlijn 137 81 . Hamermolen 63 Hebben alle hamermolen 64 65 lagers temperatuurbewaking ? Hebben de maalkamers temperatuurbewaking ? Staan de hamermolens in een afgezonderde ruimte en is explosie ontlasting voorzien? 1.) 61 Zijn deze transporten volledig 62 omkast met staal ? Worden deze transporten automatisch gestopt wanneer het materiaal zich ophoopt of is het zo ontworpen dat het niet kan ophopen ? Wanneer een transport een overloop heeft is er geen beveiliging nodig. elevatoren 58 Zijn alle elevatoren voorzien 59 60 van snelheidscontrole ? (toerenwachter) Hebben alle elevatoren tussen de inname en hoofdmenger scheefloopdetectie ? zijn alle elevatoren in de inname.

71 Zijn centrale filter kasten en Is eis bij verwerking van centrale afzuiging voorzien van materialen met een MIE tussen explosie ontlasting (naar 1 en 15 MJ buiten)? Persen 72 Zijn alle persen voorzien van een volloopdetectie ter voorkoming van vuur in de matrijs? Koelen Zijn de koelers uitgerust met een rookdetectie systeem ? Heftrucks en dergelijke Zijn alle heftrucks en dieselunits op het bedrijf voorzien van vonkenvangers? ©Nevedi handleiding 2005 ATEX-richtlijn 137 82 .