VOORWOORD
Bedrijven in de mengvoedersector worden geconfronteerd met het gevaar op stofexplosie. Elk bedrijf dient over dit onderwerp op elk moment te voldoen aan de geldende wetgeving. Sinds de inwerkingtreding van de Europese Sociale “ATEX”-richtlijn 137, zijn er nieuwe verplichtingen voor de werkgevers. Om de ondernemingen in staat te stellen deze regelgeving na te leven en om de bedrijven in de sector nog beter te beschermen tegen eventuele stofexplosies is door Nevedi in samenspraak met Bemefa en KVBM de Atex Handleiding 2005 gemaakt. Deze handleiding is in het najaar van 2010 volledig herzien. Nevedi is de volgende personen van haar Commissie Arbeid & Milieu zeer erkentelijk voor hun inzet en collegiaal ingebrachte expertise: - Alix van Erven (Arie Blok); - Allard Knook (CMS Derks Star Busmann); - Martin van de Vendel (Rijnvallei); - Heleen van Weele (Nevedi); - Peter Westerink (De Heus); - Maarten Wouters (Agrifirm). Deze handleiding is opgesplitst in drie documenten. Een eerste deel (A) behandelt theoretisch wat een stofexplosie is. Tevens wordt het wettelijke kader besproken in dit deel. Het tweede gedeelte (B) behandelt de zonering van de fabriek. Nevedi heeft in 2002 een ATEX handleiding ontwikkeld m.b.t. de zonering. Deze handleiding is in dit gedeelte verwerkt. Het derde gedeelte (C) behandelt de risicoanalyse. De verplichting tot het opstellen van een gevarenzone indeling en het opstellen van een explosieveiligheidsdocument is opgenomen in de Nederlandse Praktijk Richtlijn 7910-2, juli 2008. Daar de industrie meer te maken heeft met stofexplosies dan met gas/dampexplosies komt in deze handleiding enkel de stofexplosieproblematiek aan bod. Bij het opstellen van de handleiding is gebruik gemaakt van de Nederlandse Praktijk Richtlijn NPR 7910-2 (Gevarenzone-indeling met betrekking tot stofontploffingsgevaar, juli 2008) van het Nederlands Normalisatie Instituut. Bedrijven die te maken kunnen hebben met gas/dampexplosierisico’s (denk maar aan de opslag van licht ontvlambare vloeistoffen zoals aceton en brandbare gassen zoals acetyleen, of de laadstations voor batterijen waar tijdens het opladen het ontplofbare waterstofgas ontstaat) dienen uiteraard ook daaraan de nodige aandacht te schenken. De informatie in dit rapport wordt te goeder trouw gepubliceerd. Nevedi, Bemefa en KVBM aanvaarden geen verantwoordelijkheid noch aansprakelijkheid voor de eventuele directe of indirecte gevolgen die zouden kunnen voortvloeien uit het gebruik van dit document. Deze uitgave mag niet worden verveelvoudigd, in enige vorm of op enige wijze, of openbaar gemaakt worden zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de uitgever. Het gebruik van deze uitgave is eveneens slechts toegestaan na uitdrukkelijke toestemming van de uitgever.

©Nevedi handleiding 2005 ATEX-richtlijn 137

1

FLOW-SCHEMA: PLAN VAN AANPAK EXPLOSIEVEILIGHEIDSDOCUMENT
Bekend met de Ja theorie en wetgeving?

Ja

Is de fabriek gezoneerd?

Ja

Bent u in het bezit van een explosieveiligheidsdocument?

Nee
Neem deel A door Volg de werkwijze van bijlage I deel B

Nee
Volg de werkwijze bijlage II van deel C

Nee
Volg de werkwijze bijlage III van deel C

H1 theorie

I.1 Beschrijving productieproces I.2 Inventarisatie grondstoffen I.3 Inventarisatie Stofwolk I.4 Inventarisatie Stofafzetting Gegevens voor Stamkaart

II.1 Stamkaart afdeling

H2 wettelijk kader

of

III.1 Neem de checklijst organisatorische maatregelen door

II.2 Stamkaart arbeidsmiddel III.2 Neem de vragenlijst door

I.5 Overige gevarenbron(en) II.3 Plan van aanpak I.6 Maatregelen technische en organisatorisch I.7 Alternatieve maatregelen I.8 Motivatie en Beoordeling

I.9 Gevarenzones

I.10 Plattegronden en technische plannen

©Nevedi handleiding 2005 ATEX-richtlijn 137

2

INHOUDSOPGAVE
Voorwoord ........................................................................................................................................................... 1 Flow-schema: plan van aanpak explosieveiligheidsdocument ......................................................................................... 2 Inhoudsopgave ....................................................................................................................................................... 3 DEEL A .................................................................................................................................................................. 5 1. 1.1 1.2 1.3 1.4 1.5 Theorie: Fundamentele begrippen omtrent stofexplosie ............................................................ 6 WAT IS EEN STOFEXPLOSIE?........................................................................................................ 6 DEFLAGRATIE EN DETONATIE .................................................................................................... 6 PRIMAIRE EN SECUNDAIRE EXPLOSIES ................................................................................... 7 HYBRIDE MENGSELS ....................................................................................................................... 7 EXPLOSIE – EFFECTEN ................................................................................................................... 7

1.6 EXPLOSIEKARAKTERISTIEKEN .................................................................................................. 8 1.6.1 Explosiegrenzen .............................................................................................................................. 8 1.6.2 Karakteristieke temperaturen .......................................................................................................... 8 1.6.3 De maximale explosiedruk en de maximale drukstijgsnelheid ....................................................... 9 1.6.4 De minimale ontstekingsenergie (MOE)....................................................................................... 11 1.6.5 Samenvatting belang van explosiekarakteristieken bij de risicobepaling .................................... 11 1.7 ONTSTEKINGSBRONNEN.............................................................................................................. 12 1.7.1 Mechanische bronnen.................................................................................................................... 12 1.7.2 Thermische bronnen...................................................................................................................... 13 1.7.3 Elektrische bronnen....................................................................................................................... 14 1.7.4 Chemische bronnen ....................................................................................................................... 19 1.7.5 Praktische betekenis van de ontstekingsbronnen bij de uitvoering van......................................... 20 de risicobeoordeling ...................................................................................................................................... 20 1.8 PREVENTIE EN BESTRIJDING VAN STOFEXPLOSIES.......................................................... 21 1.8.1 Voorkoming van stofexplosies...................................................................................................... 21 1.8.2 Voorkoming van schade................................................................................................................ 23 1.8.3 Beperking van de schade............................................................................................................... 24 1.8.4 Keuze van de toe te passen preventie- en beheersmaatregelen. .................................................... 29 2. 2.1 2.2 2.3 3. Wettelijk KAder ..................................................................................................................................... 31 EUROPESE REGELGEVING .......................................................................................................... 31 NEDERLANDSE REGELGEVING.................................................................................................. 31 NEDERLANDS BEVOEGD GEZAG ............................................................................................... 33 Termen en Definties ............................................................................................................................ 34

DEEL B ................................................................................................................................................................ 37 4. De gevarenzone-indeling d.m.v. risicoanalyse .................................................................................... 38 4.1 4.2 INLEIDENDE BEGRIPPEN OMTRENT RISICOANALYSE..................................................... 38 DEFINITIE VAN DE VERSCHILLENDE GEVARENZONES .................................................... 38

4.3 IDENTIFICATIE VAN POTENTIËLE GEVARENBRONNEN................................................... 39 4.3.1 Brandbaar stof - karakteristieken - concentratie............................................................................ 39 4.3.2 Systematisch opsporen van de gevarenbronnen ............................................................................ 40 4.4 TOEKENNING VAN DE GEVARENZONEKLASSE ................................................................... 41 4.4.1 De aard van de gevarenbronnen .................................................................................................... 41 4.4.2 Ventilatie in de omgeving van de gevarenbron ............................................................................. 42 4.4.3 Schoonhuishouden ........................................................................................................................ 43

©Nevedi handleiding 2005 ATEX-richtlijn 137

3

.................................................................................................... 44 4................................. 65 Flow-schema: plan van aanpak explosieveiligheidsdocument......2......................................................3 Samenvattende tabel afmeting stofwolken en stofafzetting .... 57 6..................5..........5..................2............................................... 44 4.............................. 44 4.... 45 5..........................................................................................................................................................................5......................................1 Ontstekingsbronnen en hun doeltreffendheid. 63 7...................5................................................................... 73 ©Nevedi handleiding 2005 ATEX-richtlijn 137 4 .............................. 57 6........2................ EXPLOSIEVEILIGHEIDSDOCUMENT.............2 De afmeting van een stofafzetting................2......................... 68 BIJLAGE III: Extra Informatie ....................1 De afmetingen van een stofwolk ............4 Zonering van aangrenzende ruimtes omwille van stofverplaatsing........................................................................................................ 61 6................................4............................................. Bepaling van de zoneklasse als gevolg van opgewerveld stof.................................................. 48 Figuur I................................................................................... Bepaling van de zoneklasse als gevolg van een stofafzetting............................................................................................... .......2 Maatregelen bij niet-productietoestellen en installaties ......2 ALGEMENE TECHNISCHE MAATREGELEN ........... 47 Figuur I.......................................5 AFMETINGEN VAN DE GEVARENZONEKLASSE ....... 61 6............................................... 67 BIJLAGE II: RISICOANALYSE ONTSTEKINGSBRONNEN EN EXPLOSIEGEVAAR ............... 49 Stappenplan................................1............................................................1 ORGANISATORISCHE MAATREGELEN........................4 Flow-schema’s ter bepaling van de zoneklasse................................... ........................................................... 50 DEEL C ............................ RISICOANALYSE ONTSTEKINGSBRONNEN EN MOGELIJKE GEVOLGEN ..................................... 61 6.....3 Risicoanalyses van productietoestellen en installaties ............................................................................................ 56 6......................4........................ 44 4......... Flow-schema: plan van aanpak explosieveiligheidsdocument .................................. 46 Bijlage I: zonering .... 43 4................. 8....................

DEEL A ©Nevedi handleiding 2005 ATEX-richtlijn 137 5 .

De sterkte van de drukgolf wordt o. Om de verbranding toe te laten. Deze handleiding is verwerkt in dit gedeelte. Dergelijk type van ontploffing waarbij de verbrandingssnelheid kleiner is dan de snelheid van het geluid (340 m/s) wordt deflagratie genoemd. de mogelijke gevolgen ervan en de maatregelen die men er tegen kan treffen zijn afhankelijk van de snelheid waarmee de energie vrijkomt. 1. (BLEVE: Boiling Liquid Expanding Vapour Explosion). moet het stof zweven in zuurstofrijke lucht. de concentratie van dat stof in het mengsel en de mate van omsluiting van de ruimte waarin de ontploffing plaatsvindt. Bij een deflagratie blijven de snelheden dus subsoon en worden er drukgolven gevormd. lucht. Voordat er een omgeving ontstaat die gunstig is voor een stofexplosie moet aan volgende voorwaarden voldaan zijn: Er moet sprake zijn van een droge. heftige uitzetting van energie die drukgolven in de omgeving creëert. namelijk fysische en chemische explosies. Bij inwendige explosies wordt de drukopbouw mede bepaald door de aanwezigheid van wanden ©Nevedi handleiding 2005 ATEX-richtlijn 137 6 . 1.2 DEFLAGRATIE EN DETONATIE In het algemeen bedraagt de verbrandingssnelheid bij stofexplosies enkele tientallen meters per seconde.1 WAT IS EEN STOFEXPLOSIE? Onder een explosie verstaat men in het algemeen een plotselinge.1. Met de ATEX handleiding 2002 is de eerste stap (zonering van de fabriek) gezet voor het maken van een explosieveiligheidsdocument. Het poeder moet brandbaar zijn (afhankelijk van de minimale ontstekingsenergie).De concentratie aan zwevend stof moet binnen de limieten van de ontplofbaarheid liggen. exotherme chemische reacties tussen het stof en bijvoorbeeld zuurstof in de lucht. bepaald door de samenstelling van het brandbare stof. . THEORIE: FUNDAMENTELE BEGRIPPEN OMTRENT STOFEXPLOSIE Voor u deze handleiding kunt gaan gebruiken dient u te beschikken over een minimale kennis van het fenomeen stofexplosie.a. Het meest gekende voorbeeld van een fysische explosie is het plots begeven van een drukhouder die met een samengeperst gas gevuld is. Stofexplosies maken deel uit van de chemische explosies en ontstaan door snelle. De heftigheid van de explosie. Bij zogenaamde vrije explosies waarbij het exploderend volume niet begrensd wordt door wanden zijn de overdrukken meestal tot enkele tienden van een bar beperkt. Het stof moet verspreid zijn in afmetingen van deeltjes die de voortplanting van de vlammen toelaten. Reeds in de ATEX handleiding Nevedi 2002 werd een inleiding gegeven over het fenomeen stofexplosie. .Het zwevend stof moet in aanraking komen met een ontstekingsbron die voldoende energie ontwikkelt. De drukgolven planten zich echter veel sneller voort dan het vlamfront. niet vochtige. Onder fysische explosies verstaat men explosies waaraan geen chemische of nucleaire reacties aan de basis liggen. Naargelang de aard van de vrijgezette energie kan men twee belangrijke explosietypes onderscheiden.

Het is in principe niet mogelijk om apparatuur te bouwen die tegen detonatie bestand is. Wanneer de verbrandingssnelheid groter is dan de snelheid van het geluid spreekt men van een detonatie. Detonaties moeten dan ook te allen tijde vermeden worden. Deze explosies kunnen echter ook de oorzaak zijn van secundaire explosies. Typische voorbeelden zijn trommelvliesscheuren en longschade bij de mens en de structuurschade aan woningen en installaties.3 PRIMAIRE EN SECUNDAIRE EXPLOSIES Stofexplosies die veroorzaakt worden door ontstekingsbronnen worden primaire explosies genoemd. Men kan aannemen dat stofexplosies in het beginstadium steeds van het deflagratie-type zijn. De voortplantingssnelheid bij detonaties bedraagt 1 tot 10 km/s.5 EXPLOSIE – EFFECTEN Over het algemeen wordt een onderscheid gemaakt tussen de directe en de indirecte effecten van een explosie. maar dat ze in bepaalde omstandigheden in een detonatie kunnen omslaan. Een voorbeeld waarop gelet dient te worden is een hexaan vrij verklaring. In het algemeen zijn stofexplosies geen detonaties.4 HYBRIDE MENGSELS Bijzonder gevaarlijk zijn de zogenaamde hybride mengsels die bestaan uit een combinatie van stof en gas. 1. in tegenstelling tot een deflagratie. omdat dit extreme begincondities vergt. 1. vooruit loopt op het vlamfront ontstaat er een tijdsinterval tussen het passeren van de drukgolf en de aankomst van het vlamfront. Deze nieuwe stofwolk kan op zijn beurt ontstoken worden door het volgende vlamfront waardoor een secundaire explosie ontstaat.die het exploderend volume volledig begrenzen en kunnen drukken gegenereerd worden tot 10 maal de begindruk. Secundaire explosies zijn meestal veel verwoestender dan de primaire explosies. omdat de kans om door een dergelijk projectiel getroffen te worden uitermate klein is. alleen voor bij vaste en vloeibare explosieven. Fragmenten die afkomstig zijn van de explosiebron worden primaire fragmenten genoemd. Deze zeer hoge voortplantingssnelheid van de reactiezone geeft aanleiding tot supersone snelheden en de vorming van schokgolven. De directe effecten worden door de schokgolf van de explosie zelf veroorzaakt. De overdruk veroorzaakt door een detonatie kan zeer sterk oplopen (ca. Doordat de drukgolf. kan niet tijdig gedetecteerd worden. 20 bar). die het vlamfront bij een deflagratie uitzendt. Een detonatie. een enkele uitzondering daargelaten. Het reactiefront en de schokgolf vallen ongeveer samen. Daarnaast komen detonaties. ©Nevedi handleiding 2005 ATEX-richtlijn 137 7 . De vooruitlopende drukgolf zal neergezette stofdeeltjes doen opstuiven waardoor een nieuwe stofwolk ontstaat. Fragmentatie is een belangrijk indirect schademechanisme van een explosie. Zelfs wanneer uiterst geringe hoeveelheden van een brandbaar gas in een stofwolk aanwezig zijn is de ontsteking van dergelijke hybride wolk gemakkelijker en de explosie ervan heftiger dan die van de corresponderende stofwolk. Dit is bijvoorbeeld het geval wanneer één afmeting van de ruimte waarin de explosie zich voordoet veel groter is dan de andere zoals bij leidingen en kanalen met een lengte/diameter verhouding ≥ 50. 1. Zij zijn weinig gevaarlijk op enige afstand van de bron.

©Nevedi handleiding 2005 ATEX-richtlijn 137 8 . De concentratie in industriële installaties verandert soms drastisch door de niet-homogeniteit van het stof-luchtmengsel. . d. omdat de stoflaag als een isolatiedeken zal optreden. De Tglim van een stoflaag wordt bepaald door een stoflaag van 5 mm dik op een verwarmde plaat te plaatsen. maar gaat smelten. zeven. Het explosiegebied van de meeste poeders bevindt zich tussen 40 g/m3 en 4 kg/m3. De laagste stofconcentratie waarbij het mengsel ontvlamt wordt de Lower Explosion Limit (LEL) genoemd. Stofexplosies kunnen zich vooral voor doen binnenin de procesuitrusting zoals maalmolens. De Tglim wordt zelden bereikt in normale gebruiksomstandigheden van toestellen in mengvoederbedrijven. Dit gebied is niet alleen bepaald door de chemische samenstelling van het ontplofbaar stof. Ofschoon deze concentratie laag schijnt te zijn komt ze voor als een zeer dichte wolk. hetgeen niet betekent dat de opwarming van de stoflaag ongevaarlijk zou zijn. Dit betekent dat de stof geen Tglim heeft. mengers.Het uitbreken van brand. Dergelijke stofconcentraties komen zelden voor in de werkplaatsen van bedrijven.2 Karakteristieke temperaturen De term “karakteristieke temperaturen” heeft betrekking op temperaturen waarbij een stof onder welbepaalde omstandigheden een specifiek brandgedrag begint te vertonen.Het ontstaan van secundaire explosies. 1.6. Beneden deze concentratie is het mengsel te arm aan stof om nog te kunnen ontvlammen. drogers.6.mengsels moet binnen de ontplofbaarheidsgrenzen liggen. In de praktijk wordt de parameter OEL weinig gebruikt voor de beoordeling van explosierisico’s. De Tglim hangt af van de dikte van de stoflaag. fragmenten die door de schokgolf gevormd worden zoals glasscherven en vallende dakpannen. Een frequent optredend fenomeen is dat een stoflaag bij opwarming niet gaat smeulen. . De concentratie van de stoflucht. Wanneer deze parameter toch gebruikt zou worden moet rekening gehouden worden met het feit dat de onderste explosiegrens daalt wanneer de temperatuur stijgt. filters. maar ook van onder meer de afmetingen en de fijnheid van de stofdeeltjes. Bovendien is de Tglim afhankelijk van de omgevingstemperatuur. vormen een veel belangrijkere bron van schade.of weggeworpen worden. Bij het smelten kunnen immers brandbare dampen vrijkomen die met de omgevingslucht een explosief mengsel vormen. De OEL ligt voor heel wat stoffen tussen 10 en 30 g/m³.Secundaire fragmenten.6 EXPLOSIEKARAKTERISTIEKEN 1.1 Explosiegrenzen Niet alle mengsels van brandbaar stof en lucht zijn ontplofbaar. De glimtemperatuur (Tglim): Dit is de laagste temperatuur van een oppervlak waarbij de daarop gelegen stoflaag spontaan tot ontbranding komt.i. De temperatuur van de plaat wordt geleidelijk verhoogd totdat een ontvlamming van de stoflaag wordt waargenomen. Andere belangrijke indirecte effecten zijn: . silo’s en pneumatische transportsystemen. 1. Zelfs bij de laagste explosiegrenzen hebben stofwolken een hoge optische dichtheid.Personen die zelf door de drukgolven omver. hoppers.

De zelfontsteking is een gevolg van de zelfopwarming van de laag. De maximale overdruk die tijdens het deflagratieproces bereikt wordt noemt men de explosiedruk Pex. 1.3 De maximale explosiedruk en de maximale drukstijgsnelheid Een typisch tijdsverloop van de inwendige druk in een gesloten volume waarin een deflagratie plaatsvindt is weergegeven in figuur 1. ©Nevedi handleiding 2005 ATEX-richtlijn 137 9 .1. De zelfontstekingstemperatuur van stofwolken (MOT): De zelfontstekingstemperatuur van een stofwolk is de minimale temperatuur van een heet oppervlak dat. Huys. Om dit te vermijden moet in de praktijk de oppervlaktetemperatuur van warme oppervlakken en elektrische toestellen 75 ° C beneden de glimte mperatuur van de stoflaag (met laagdikte die in de praktijk te verwachten valt) gehouden worden. De directe ontsteking van een stofwolk op een warm oppervlak of elektrische apparatuur kan worden vermeden als de temperatuur van het warme oppervlak beperkt blijft tot 2/3 van de MOT van de stofwolk.6. Merk op dat deze temperatuur niet gelijk is aan de temperatuur die in de stofwolk heerst. Tijdsverloop van de inwendige druk in een gesloten volume (Arbeidsveiligheid nr.Kluwer Editorial.De zelfontstekingstemperatuur van stoflagen: Dit is de temperatuur waarbij een stoflaag spontaan ontbrandt wanneer deze omgeven wordt door een warmtebron en lucht.65 Stofexplosies. 23/03/1998) Wanneer het mengsel in het midden van een bolvormig volume ontstoken wordt. Samen met de Tglim is de MOT van poeders mede bepalend voor de keuze van apparatuur en in het bijzonder voor de temperatuurklasse waartoe ze moeten behoren. Stoflagen ontsteken bij een lagere temperatuur dan stofwolken. Een stofwolk kan door de smeulende of brandende stoflaag ontstoken worden. wanneer er een stofwolk onder bepaalde omstandigheden langs geleid wordt. Daarna zal de druk geleidelijk afnemen door warmteverliezen naar de omgeving. verkrijgt men de maximale druk wanneer het vlamfront de wand bereikt. Fig. G. De waarde van de explosiedruk kan gemakkelijk waarden van enkele bar bereiken. aanleiding geeft tot de ontsteking van de stofwolk.

Zowel de maximale explosiedruk als de KST-waarde zijn rechtevenredig met de begindruk. Tabel 1. Het is deze waarde die men in de literatuur terugvindt als explosiedruk.De explosiedruk is afhankelijk van de brandstofconcentratie. Deze waarde noemt men de maximale explosiedruk Pex. Immers wanneer deze concentratie kleiner is dan de onderste explosiegrens of groter dan de bovenste explosiegrens kan geen explosie optreden en is de explosiedruk gelijk aan nul. Uit proeven is gebleken dat de maximale drukstijgsnelheid afhankelijk is van de grootte van het volume waarin de explosie plaatsvindt. en die eigen is aan het brandbaar mengsel.1: Indeling van poeders in explosieklasses volgens de Duitse norm VDI 3673 KST-waarde in bar. . Dit verband laat toe om de resultaten van kleinschalige proeven naar grotere volumes om te rekenen en vormt de basis van de explosiebeveiliging door drukontlasting en door onderdrukking.Op basis van de KST-waarde worden brandbare poeders ingedeeld in vier zogenaamde explosieklasse. begintemperatuur. Met betrekking tot stofwolken spreekt men van de KST-waarde waarbij ST staat voor het Duitse Staub. . begindruk en de turbulentiegraad) bij de explosie: .m/s 0 Tussen 0 en 200 Tussen 200 en 300 Groter dan 300 Explosieklasse 0 1 2 3 Explosiesnelheid van de stof niet explosief laag tot matig explosief hoog explosief zeer hoog explosief Hierbij dient opgemerkt te worden dat zowel de maximale explosiedruk als de maximale drukstijgsnelheid afhankelijk zijn van de beginvoorwaarden (o. Dit is grafisch weergegeven in figuur 1.De turbulentiegraad heeft een zeer sterke invloed op de KST-waarde. ©Nevedi handleiding 2005 ATEX-richtlijn 137 10 . Wanneer de drukopbouw groter is dan 0.1.5 bar wordt het stof gecatalogeerd als explosief. De proeven zijn echter zo ontworpen dat in de meeste praktijksituaties de turbulentiegraad niet hoger zal zijn dan in de proeven.De maximale explosiedruk daalt bij een hogere begintemperatuur. Tijdens een explosie zal de druk niet plots oplopen tot de explosiedruk. Dit is waar de raaklijn aan de drukcurve het steilst is. De maximale drukstijgsnelheid (dP/dt)max wordt gedefinieerd als de maximale drukstijgsnelheid die opgetekend kan worden over het volledige concentratiegebied. Dit verband wordt gegeven door de formule: ( dP/dt )max = K / V1/3 met : V = volume van de houder uitgedrukt in m³ K = een constante uitgedrukt in bar m/s. Het is een maat voor de heftigheid van een explosie en is in de praktijk meestal veel belangrijker dan de maximale explosiedruk (Pmax). zoals weergegeven in tabel 1.a. Tussen het ogenblik van de ontsteking en het bereiken van de explosiedruk bestaat een punt waar de drukstijgsnelheid het grootst is. de KST-waarde kan zowel toenemen als afnemen bij een hogere begintemperatuur.max van de betrokken stof. In het explosiegebied varieert de explosiedruk en bereikt een maximum bij een bepaalde brandstofconcentratie.

5 Samenvatting belang van explosiekarakteristieken bij de risicobepaling De uitvoering van de risicobepaling van stofexplosies komt in principe neer op het beantwoorden van de vragen: .De MOE daalt bij een lagere vochtigheidsgraad.Bij korrelgroottes van 300µm en meer zijn poeders in suspensie niet meer tot ontsteking te brengen. Ook wanneer een stof gevoelig is voor zelfopwarming of broei kunnen broeigassen ontstaan die aanleiding kunnen geven tot een hybride mengsel. Op de website http://www.v.Ook de deeltjesgrootte en de vochtigheidsgraad van het stof beïnvloeden de KST-waarde.a. .Wat is de kans van een stofexplosie? . Vele organische poeders hebben een KST-waarde van circa 100 bar. Deze hybride mengsels blijken bovendien explosief te zijn bij stof.v. . In een volume van 1000 m³ duurt dit slechts 10 keer langer. De potentiële ontstekingsbronnen worden verder besproken. voor een standaard monster met mediaandiameter <63µm). Bij de ontploffing van een dergelijk poeder binnen een volume van 1 m³ kan de explosiedruk (b.de/ifa/de/gestis/stoffdb/index. ©Nevedi handleiding 2005 ATEX-richtlijn 137 11 . Voor vele stofwolken situeert de MOE zich tussen 1mJ en 1kJ.m/s.De maximale explosiedruk.dguv. 1. de temperatuur en turbulentiegraad van de stofwolk en de vochtigheidsgraad zijn: . ten gevolge van extractie) kan een hybride mengsel relatief eenvoudig ontstaan. Volgende parameters zijn hierbij van belang: . 10 bar) bereikt worden in ordegrootte van 100 ms. Door het toevoegen van een brandbaar gas aan een stofwolk kan de MOE sterk gereduceerd worden. De minimale ontstekingsenergie is van een groot aantal factoren afhankelijk. is de hoeveelheid energie waarmee een mengsel over het volledige explosieve gebied net niet meer tot ontsteking kan gebracht worden.6. De meeste agrarische producten horen tot een lage stofexplosieklasse (KST1. Hoe groter de druk en hoe langer de duurtijd van een stofexplosie des te groter zal de potentiële schade zijn. 1. Vooral bij oplosmiddelbevattende poeders (b.jsp kan men de stofexplosiekarakteristieken van een 1600-tal stoffen uit de agrarische sector opzoeken.Wat is de ernst van een stofexplosie? Bij het bepalen van de kans dat een stof-luchtmengsel tot ontploffing zal komen zijn o. De mogelijke ernst van een stofexplosie is functie van de mogelijke explosiedruk en de drukopbouw in functie van de tijd.De glimtemperatuur van de stoflaag. .en gasconcentraties die onder de onderste explosiegrens liggen van het pure stof en gas. waarvan de belangrijkste de korrelgrootte.In het algemeen daalt de MOE bij toenemende temperatuur van de stofwolk.In het algemeen daalt de MOE bij dalende turbulentiegraad van de stofwolk.6.De zelfonstekingstemperatuur van de stoflaag en de stofwolk. De minimale ontstekingsenergie. MOE.De minimale ontstekingsenergie. laag tot matig explosief.4 De minimale ontstekingsenergie (MOE) De ontstekingsenergie is de energie die men nodig heeft om een explosief mengsel tot ontsteking te brengen. volgende parameters van belang: . . Deze energie kan op velerlei wijzen geleverd worden. .

7 ONTSTEKINGSBRONNEN Een brandbare stofwolk zal slechts ontstoken kunnen worden door een ontstekingsbron met voldoende sterkte.Elektrische vonken. . De energie in vonken van slijpschijven is hoger dan de ontstekingsenergie van de meeste mengsels. NVBB. 1 J.of pneumatische afscheiders. In geen geval mag normaal elektrisch handgereedschap met open collector gebruikt worden. Belangrijke voorwaarde voor het ontstaan van mechanische vonken is een hoge relatieve snelheid tussen de twee elkaar rakende voorwerpen.Spontane opwarming. 1. . Deze deeltjes kunnen voldoende energierijk zijn om ontplofbare stof-luchtmengsels te ontsteken of in afgezet brandbaar stof een smeulproces op gang te brengen dat vervolgens tot een ontsteking kan leiden. zwaartekracht. De belangrijkste ontstekingsbronnen bij stofexplosies zijn in dalende orde van belangrijkheid1: . bij voorkeur pneumatisch. Zowel het ontstaan als het vermijden van de ontstekingsbronnen komen aan bod.Lassen en verspanen. . . Ontstekingsenergie bij stofexplosies – Technisch Dossier 83.Statische elektriciteit.7. Om te vermijden dat hierbij vonken ontstaan kunnen speciale niet-vonkende metalen tippen gebruikt worden. zoals : Bij bewerkingen met mechanisch aangedreven gereedschap zoals boren. die eventueel kunnen worden gecombineerd met metaaldetectoren die de installatie stilleggen indien de aanwezigheid van vreemde voorwerpen wordt vastgesteld. . Bij het losraken van onderdelen in een draaiende machine zoals ventilatorbladen die in aanraking komen met de behuizing.1 Mechanische bronnen Mechanische vonken: Mechanische vonken zijn hete deeltjes die vrijkomen tengevolge van het over elkaar schuren of het op elkaar slaan van daarvoor geschikte stoffen.Overige/onbekend. Wanneer vreemde voorwerpen in de installatie raken en daar in contact komen met snel bewegende onderdelen zoals de bladen van een ventilator. . 1.Mechanische vonken. De potentiële ontstekingsbronnen kunnen van mechanische.Brandend materiaal. Bovendien moet de aandrijving van gereedschap dat gebruikt wordt in een explosiegevaarlijke atmosfeer explosieveilig uitgevoerd zijn. elektrische. De vonken kunnen ontstaan wanneer een metaal of steen in contact komt met een ander metaal. .Hete oppervlakken.- De maximum drukstijgingssnelheid. Berghmans (oktober 1990). . De KST-waarde van het poeder. Vreemde voorwerpen kunnen voor een groot deel uit de installatie gehouden worden met magnetische.Vlammen. Hierna volgt een korte bespreking van de voornaamste ontstekingsbronnen. Vonken bij het slijpen kunnen door waterkoeling vermeden worden. ©Nevedi handleiding 2005 ATEX-richtlijn 137 12 . thermische of chemische aard zijn. Bij slijpen liggen de snelheden vele malen hoger dan bij boren waardoor ook veel meer mechanische vonken zullen worden opgewekt. slijpen of schuren.

Warmgelopen elektromotoren. mengmachines.Oppervlakken die zijn verhit ten gevolge van las-.Slecht uitgelijnde en gebroken machineonderdelen. Beperking van de oppervlaktetemperatuur kan bijv. Voor de evaluatie van het gevaar die bepaalde mechanische vonken inhouden moet men niet alleen de explosiekarakteristieken van het stof kennen maar ook de eigenschappen van de stof zelf. Het verlagen van de snelheid en voorzien van temperatuurbewaking zijn andere mogelijke preventieve maatregelen.Foute afstelling van transporteenheden (b.v.Verstopt raken en ontstoppen van materialen. verwarmingsweerstanden.7. schoorstenen en afgasleidingen. De preventie van ontsteking van stof door hete oppervlakken wordt meestal gerealiseerd door de oppervlaktetemperaturen van objecten te beperken tot ongeveer 75° C beneden de Tglim van stoflagen of tot 2/3 van de MOT van stofwolken waarbij de laagste van deze temperaturen weerhouden wordt. ©Nevedi handleiding 2005 ATEX-richtlijn 137 13 . remmen e. De te treffen preventieve maatregelen situeren zich dan ook voornamelijk op het vlak van het plannen en uitvoeren van preventief en curatief onderhoud.Opstellen en toepassen van preventieve onderhoudsschema’s (smering). .Foute afstelling van aandrijfeenheden. lampen. . maalinstallaties) of carters van machines opgewarmd door geleiding. onvoldoende gesmeerde bewegende onderdelen van toestellen (lagers. .Oververhitte elektrische draden of stroomgeleiders door een overbelasting. . Hitte wordt hierbij trapsgewijs geaccumuleerd. stoomleidingen. verbrandingsmotoren.d. soldeer. in tegenstelling tot impactverschijnselen waarbij mechanische vonken kunnen worden gevormd.Wrijvingskoppelingen. . drogers. Voorbeelden van hete oppervlakken die een ontstekingsrisico kunnen inhouden zijn: . transformatoren. remmen). een proces van lange duur waarbij objecten tegen elkaar wrijven. . draaiende assen door afdichtingen. . .Bij het storten van materiaal in bunkers e. voorkomen worden door: . .2 Thermische bronnen Hete oppervlakken: Naast directe ontsteking van een stof-luchtmengsel door een heet oppervlak kan ook het stof dat in een laag op dat hete oppervlak is uitgezakt aanleiding geven tot vorming van een smeulnest dat vervolgens weer de ontstekingsbron kan zijn van het stof-luchtmengsel.Lagers.. Wrijving: Wrijving is. . riemoverbrengingen. . slippen van een transportband).Toestellen die de mechanische energie omzetten in warmte (wrijvingskoppelingen.Onderdelen van machines die mechanisch opwarmen (breekmolens. . elevatorbakken).d.Mechanische remmen.Temperatuurbewaking gekoppeld aan de sturing van bepaalde toestellen.Oppervlakken van hete apparaten zoals verwarmingen. transportbanden. drijfriemen. leidingen van thermische olie. .Beperking van de snelheid van draaiende onderdelen.of slijpwerkzaamheden. 1.Isolatie van warme oppervlakken. pakkingen). Bij aanlopers (ventilatoren. Gekende voorbeelden zijn: . .

a. Schuifweerstanden. Dit kan o. Door de gasexplosie kan het dak van de silo beschadigd worden. solderen. wanneer opgewarmd. Wanneer nu een smeulende stofzone dit gasmengsel bereikt (bijv. De hitte kan niet snel worden afgevoerd waardoor de temperatuur van het opgehoopte stof vrij snel stijgt. Zo kan zich een explosief gasmengsel boven de stoflaag vormen. bij het legen van een hopper) kan dit ontstoken worden. een grote ruimte. Inertisering (inspuiten van een ruimte met inerte gassen zoals CO2 en N2). Open vuur en vlammen kunnen te allen tijde explosies inleiden. De temperatuur en energie in een vlam zijn altijd hoger dan de MOT van een brandbare stof. Elektrische vonken: 1.Vuurhaarden. waakvlammen. kaarsen. Open vuur en vlammen: Onder open vuur en vlammen worden verbrandingsprocessen verstaan die in direct contact met de omgevingslucht plaatsvinden. Spontane opwarming kan in zekere mate beperkt worden door: Materiaal op te slaan in verschillende kleine ruimtes i. brandbare gassen ontsnappen die gemengd met de omgevingslucht een ontplofbaar mengsel kunnen vormen.7. voorkomen worden door een vergunning brandgevaarlijke werkzaamheden. In zulke gevallen moeten de maatregelen bescherming bieden tegen zowel gasontploffingsgevaar als stofontploffingsgevaar.3 Elektrische bronnen Een elektrische vonk ontstaat als een stroomvoerend elektrisch circuit wordt onderbroken of als twee geleiders van verschillende potentiaal zo dicht bij elkaar worden gebracht dat de isolatiewaarde of doorbraakveldsterkte van de lucht tussen de geleiders overschreden wordt. Zeer gevoelig zijn o.Tevens kunnen uit veel organische stoffen. Materiaal regelmatig te laten circuleren en de warmteafvoer te verbeteren. lucifers. Dit verschijnsel kan verklaard worden door de poreuze structuur van het stof.of drukbewaking. Door die poreuze structuur heeft zuurstof gemakkelijk toegang tot de oppervlaktedeeltjes van het stof en wordt de geleidbaarheid van de voortgebrachte hittelaag verlaagd. Door een gelimiteerde aanvoer van zuurstof kan een smeulende stofzone koolmonoxide en andere brandbare gassen ontwikkelen. Smeulen: Brandbaar opgehoopt stof kan onder bepaalde omstandigheden aanleiding geven tot inwendige verbranding en hoge temperaturen. Elektrische motoren commutatoren. reactieve metalen en stof doordrenkt met plantaardige oliën. . zaagmeel. bedekken van daken. Hierdoor kan opgehoopt stof op bijv. Dit kan bijvoorbeeld het geval zijn bij: . In principe geeft iedere bediening van een elektrische schakelaar een elektrische vonk. of generatoren met koolborstels en sleepringen of ©Nevedi handleiding 2005 ATEX-richtlijn 137 14 . snijbranden. Enkele andere potentiële bronnen van elektrische vonken zijn: Relais. afbranden van verf. Materiaal op te slaan bij verlaagde temperatuur. steenkool. Komt deze smeulende stofzone in een stofwolk terecht dan kan een stofexplosie ontstaan. kachels. Het vermijden van open vuur en vlammen is dus noodzakelijk. een draagbalk verspreid worden en resulteren in een secundaire stofexplosie. Heel wat materialen zijn gevoelig voor spontane opwarming bij gewone omgevingstemperaturen.p.Werkzaamheden als lassen.a.v. Een temperatuur.

Bewegende transportband over rollen. Lopen over isolerende vloeren. Niet verwisselen van kleding in een zone 20 of 21 (zie hoofdstuk 4 over zonering). Het mechanisme van contactelektrificatie vindt bijvoorbeeld plaats bij transport van poeders door leidingen. Op de eerste plaats dient men te zorgen voor geleidende vloeren. Er vindt een ontlading plaats ©Nevedi handleiding 2005 ATEX-richtlijn 137 15 . verliest een isolator of slechte geleider zijn isolerend vermogen. Boven een bepaalde waarde van deze veldsterkte. Deze vorm van opladen heet inductie. Voorwerpen kunnen ook worden opgeladen door inductie. Dit verschijnsel bestaat uit ladingsoverdracht indien twee verschillende niet geladen materialen eerst met elkaar in contact worden gebracht en vervolgens weer worden gescheiden. Indien een geleidend en geaard voorwerp wordt blootgesteld aan een elektrisch veld (dat aanwezig is rond een elektrisch opgeladen voorwerp) zal een tegenlading worden geïnduceerd op dit voorwerp. Accumulatie van lading resulteert in een elektrisch veld met een toenemende veldsterkte. Elektrostatische ontladingen: Statische elektriciteit kan op verschillende manieren ontstaan. De bekendste vorm is contactelektrificatie. Er kunnen de volgende additionele maatregelen genomen worden om oplading van personen te voorkomen: Dragen van geleidend schoeisel en kledij. uitzakken van suspensies). de zogenaamde doorslagveldsterkte. Oplading via ladingsoverdracht wanneer een opgeladen voorwerp met een niet opgeladen voorwerp in aanraking komt (stofwolken die een voorwerp treffen of er op neerslaan). Mechanische processen met poeders (malen. Elektrostatische oplading op zich maakt statische elektriciteit nog niet tot een ontstekingsbron. Personen worden alleen opgeladen als zij geïsoleerd opgesteld staan. Alleen veiligheidshandschoenen dragen met een doorgangsweerstand van maximaal 108. stofdicht materiaal moeten worden geïnstalleerd. Ook mensen kunnen op deze wijze opgeladen worden. Kortsluitingen en aardsluitingen. zeven).v. Als een opgeladen persoon een geaard of geleidend voorwerp nadert kan een vonkontlading ontstaan die voldoende energie (25 à 40 mJ) bevat om een omringend stofmengsel te ontsteken. Wanneer dit niet mogelijk is zal aangepast. Scheidingsprocessen onder invloed van de zwaartekracht (b. Slechte contacten en onbedoelde onderbrekingen in stroomkringen. Voorbeelden van industriële activiteiten waarbij elektrostatische opladingen zich kunnen voordoen zijn: Pneumatisch transport van poeders. Ledigen van papieren of plastic zakken zonder goed geaard te zijn. Als algemene preventiemaatregel geldt dat elektrische installaties zoveel mogelijk geweerd dienen te worden uit die delen van de installatie waar explosief stof aanwezig kan zijn.Sleepcontacten en stroomafnemers. Alleen veiligheidshelmen dragen van niet oplaadbaar materiaal. Door storingen kunnen vonken ontstaan in elektrische apparatuur die tijdens normaal bedrijf geen vonken veroorzaakt zoals: Smeltveiligheden. Hiervoor is het noodzakelijk dat de lading voldoende accumuleert. bijvoorbeeld op niet geleidende schoenzolen of op een niet geleidende vloer.

Een vonk ontstaat tussen twee geleidende materialen die een verschillende potentiaal bezitten. 23/03/1998) Bij alle andere ontladingen zijn minder goed geleidende materialen betrokken waardoor tijdens de ontlading weerstandsverliezen optreden. Deze ontstaan doordat aan het oppervlak van de stortkegel de doorslagveldsterkte van lucht wordt bereikt.Kluwer Editorial. G. Voor dergelijke ontladingen is in de meeste gevallen een tegenvoorwerp in de vorm van een slechte geleider noodzakelijk. De bekendste is de elektrostatische vonk. 23/03/1998) Minder bekende vormen van elektrostatische ontladingen zijn de stortkegelontlading en de glij-ontlading. De nettovonkenergie is daardoor lager dan de opgeslagen energie. Fig. Als een poeder gestort wordt in een silo ontstaat een kegelvormige hoop die stortkegel genoemd wordt.welke verschillende vormen en energie-inhouden kan hebben.3. ©Nevedi handleiding 2005 ATEX-richtlijn 137 16 .Kluwer Editorial. Huys. Indien dit poeder bestaat uit slecht geleidend en hoog opgeladen materiaal kunnen stortkegelontladingen ontstaan van de geaarde silowand naar de top van de kegel. Grafische voorstelling van een elektrostatische vonk (Arbeidsveiligheid nr. waardoor zich ionisatiekanalen vormen op het oppervlak van de stortkegel. De sterkste stortkegelontladingen treden op bij het storten van grofkorrelig materiaal met een deeltjesgrootte van 1 tot 10 mm in aanwezigheid van fijn stof met een lage minimale ontstekingsenergie of in de aanwezigheid van gassen. Grafische voorstelling van een borstelontlading (Arbeidsveiligheid nr.65 Stofexplosies. Fig. Dit kan een stofwolk zijn.65 Stofexplosies. Huys.2. Een andere soort ontlading is de borstelontlading. G.

5. 23/03/1998) Glijontladingen kunnen optreden tussen een geleidende elektrode en een sterk gepolariseerde kunststoffolie.Debeil (mei 1998). 23/03/1998) Ten slotte bestaat ook nog de bliksemontlading.Kluwer Editorial. G. De polarisatie van een folie vindt plaats wanneer tegen of dichtbij een geladen en slecht geleidende folie een geaarde geleider wordt geplaatst. Huys.65 Stofexplosies.65 Stofexplosies. Risicoanalyse aangaande stofexplosie in mengvoederbedrijven en maalderijen. Elektrostatische ontladingen kunnen als ontstekingsbron optreden bij stof-luchtmengsels en hybride mengsels wanneer de bij de ontlading vrijkomende energie groter is dan de MOE van het brandbaar mengsel. Grafische voorstelling van glij-ontlading (Arbeidsveiligheid nr. 2 A.Fig.Kluwer Editorial. Een folie is gepolariseerd indien ze aan beide zijden sterk tegengesteld opgeladen is.4. Glijontladingen zullen alleen ontstaan in processen waar een zeer hoge wrijving optreedt zoals bij het pneumatisch transport van poeders. Er wordt echter aangenomen dat bliksemachtige ontladingen niet optreden in apparatuur op industriële schaal. G. ©Nevedi handleiding 2005 ATEX-richtlijn 137 17 . Fig. Grafische voorstelling stortkegelontlading (Arbeidsveiligheid nr. Als een sterk gepolariseerde folie wordt benaderd door een geaard voorwerp ontstaat er een borstelontlading tussen de folie en het geaarde voorwerp zeer hoge energie-inhoud. In onderstaande tabel2 is een overzicht opgenomen van de verschillende elektrostatische ontladingsvormen en hun potentieel als ontstekingsbron voor stof-luchtmengsels. Huys.

Geleidende vulstoffen toevoegen.36x d1. Met onderstaande formule kan de vrijkomende energie bij een stortkegelontlading berekend worden E = 5. opgeladen persoon Corona Zone rond puntige geleiders <1 Weinig waarschijnlijk Borstel Ontlading tussen geleider en <4à5 MOE zal bepalend zijn een niet geleider Stortkegel Slecht geleidend poeder < 25 Minder sterk (weerstand > 1010 Ohm.De voorwerpen met geleidende verf bestrijken. . De belangrijkste.462 ( mJ ) met D = diameter van de silo in m d = mediaan deeltjesgrootte in mm Opmerking : voor kunststofsilo’s moet de diameter verdubbeld worden Bliksem: ©Nevedi handleiding 2005 ATEX-richtlijn 137 18 . omdat dan aan de binnenzijde van de leiding gevaarlijke glij-ontladingen kunnen optreden. Soms kan het ook voorkomen dat niet-geleidende voorwerpen met de aarde verbonden moeten worden. Merk op dat bij poeder transportsystemen het bestrijken met geleidende verf en het omwikkelen met gaas sterk af te raden is.000 op verschillende potentiaal staan (dus 1 niet of onvoldoende geaard) ( 25 à 40 mJ ) Vb. In de meeste gevallen kan dit niet gerealiseerd worden met een metalen aardverbinding.m) in een geaarde silo (*) Glij Zoals bij pneumatisch transport tot 3000 Sterk van poeder door een geaarde of geleidende leider voorzien van een dunne niet geleidende coating (*) De sterkste stortkegelontladingen treden op bij het storten van grofkorrelig materiaal met een deeltjesgrootte van 1 tot 10 mm in aanwezigheid van fijn stof met een lage MOE. Men kan dan bijvoorbeeld: .22 x D3. .2: Overzicht van de elektrostatische ontladingen en hun potentieel als ontstekingsbron Type Beschrijving EnergiePotentiële ontlading inhoud in mJ ontstekingsbron voor stof-luchtmengsel Vonk Sterk Ontlading tussen 2 geleiders die tot 10. Tabel 1.Geleidend materiaal inbrengen. eenvoudigste en meest gebruikte preventiemaatregel die in de praktijk wordt toegepast is het elektrostatisch aarden en doorverbinden van geleidende delen van de installatie.De omvang van de te nemen maatregelen is sterk afhankelijk van de ontstekingsgevoeligheid van het betreffende stof/lucht mengsel dat ter plaatse kan voorkomen.

Door die reactie kan het materiaal lokaal verhit worden tot maximaal 75 ° C. Bovendien kan een blikseminslag zeer grote elektrische spanningen. Wanneer dergelijke materialen worden opgeslagen in grote hoeveelheden onder enigszins vochtige omstandigheden kunnen micro-organismen een exotherme reactie veroorzaken.v. zoals wanneer de stof in grote hoeveelheden is opgeslagen en thermisch goed is geïsoleerd. Dergelijke vorm van corrosie die veroorzaakt wordt door een elektrische stroom die door een object loopt wordt elektrochemische corrosie genoemd. Ten slotte kunnen ook elektromagnetische straling in het optische gebied (3x1011 Hz tot 3x1015 Hz). Een veel toegepaste voorkomingmaatregel is de leidingen en opslagtanks die onderhevig kunnen zijn aan elektrochemische corrosie uit te rusten met een kathodische bescherming. De opvanginrichting zorgt ervoor dat de bliksem opgevangen wordt voordat hij het object raakt. De beschermingsmaatregelen tegen bliksem kunnen onderverdeeld worden in uitwendige en inwendige bliksembeveiliging. Boven deze temperatuur sterven de organismen af maar kan een gewone ©Nevedi handleiding 2005 ATEX-richtlijn 137 19 .). Zwerfstromen kunnen voor een deel over een uitgestrekt object lopen. in het radiofrequentiegebied (104 Hz tot 3x1012 Hz) en ioniserende straling ontstekingsbronnen vormen. afgaande leidingen en een aardingssysteem. UV-straling. die reeds besproken werden bij de thermische bronnen. Zelfverhitting zal in de praktijk optreden bij stoffen die bij lage temperatuur al voldoende warmte produceren en die bovendien die warmte slecht naar de omgeving kunnen afstaan. Het aardingssysteem zorgt er tenslotte voor dat de bliksemstroom zich goed in de bodem kan verspreiden Zwerfstromen: Zwerfstromen zijn gelijkstromen die zich onbedoeld door de aarde en door metalen constructies bewegen. Onder zelfverhitting wordt de ontsteking verstaan die optreedt zonder tussenkomst van een vreemde ontstekingsbron zoals een mechanische vonk of heet voorwerp. B. Daar kan een elektrische overslag in de vorm van een vonk plaats vinden die een explosie of brand kan veroorzaken. veroorzaken in geleiders. Op deze wijze vormt een zwerfstroom een potentiële ontstekingsbron. zogenaamde overspanningen. De stroomsterkte van zwerfstromen kan zeer hoog zijn. Door geleiding kan deze overspanning verplaatst worden tot ver buiten de directe invloedssfeer van de blikseminslag. zonlicht. Verstoringen van het aardmagnetische veld. enz. zijn in feite beide chemische reacties tussen een brandstof en zuurstof waarbij warmte vrijkomt. De afgaande leidingen zorgen ervoor dat de bliksemstroom buiten het object om naar de aarde wordt geleid. Wisselstroombronnen (hoogspanningstrajecten.4 Chemische bronnen Open vuur en smeulende stoffen.Bliksem is uiteraard een voor de hand liggende ontstekingsbron van explosies.7. laserstraling. 1. Men spreekt van exotherme reacties. Een minder bekende exotherme reactie is de zogenaamde zelfverhitting. Elektrisch lassen (wanneer de massaklem niet in de onmiddellijke nabijheid van de lasplaats is aangebracht). Volgende types kunnen onderscheiden worden: Broei: dit is een reactie die kan optreden in vaste stoffen van organische oorsprong. Op de plaats waar deze stromen het object weer verlaten kan zware corrosie ontstaan. De belangrijkste oorzaken van zwerfstromen zijn: Nabijheid van andere kathodische beschermingssystemen. Bij het onderbreken van de stroomkring waarin de zwerfstroom loopt zal dit leiden tot vonkvorming. De uitwendige bliksembeveiliging bestaat uit een opvanginrichting. laagspanningsinstallaties.

Rekening houdend met bovenvermelde veiligheidsparameters betekent dit dat de oppervlaktetemperatuur van elektrische apparaten en de temperatuur van andere warme oppervlakken beperkt moet blijven tot maximaal : . . Onder andere steenkool. door het storten van materiaal in bunkers en silo’s. . Ontstekingsbronnen die in zeer zeldzame situaties kunnen voorkomen ten gevolge van zeldzame defecten. Reden daarvoor is het snelle verloop van de chemische reactie bij lage temperaturen. worden tot de actiefste ontstekingsbronnen gerekend en zijn dus altijd relevant. Ontleding: ontledingsreacties kunnen een ontstekingsbron vormen wanneer bij de ontleding warmte vrijkomt. IJzersulfide en fijn aluminiumpoeder zijn voorbeelden van pyrofore stoffen.Elektrische vonken: zijn doorgaans relevant. met name de minimale ontstekingsenergie (MOE) en de minimale ontstekingstemperatuur (MOT). ©Nevedi handleiding 2005 ATEX-richtlijn 137 20 . Stoffen die bekend staan om hun gevaar van ongecontroleerde ontledingsreacties zijn b. door vreemde voorwerpen. Pyrofore stoffen zijn stoffen die bij contact met lucht spontaan ontbranden zelfs wanneer er sprake is van een goede warmte afgifte.v.195° C in de mengvoederbedrijven . . . Oxidaties: oxidaties treden vooral op bij opgeslagen poeders waarbij smeulnesten gevormd worden die bij omscheppen van de poederhoop een mogelijke ontstekingsbron kunnen vormen voor stof-luchtmengsels die bij dat omscheppen ontstaan.lager zijn dan circa 75 ° C beneden de glimtempera tuur van de stoflagen.slijpen). Ontstekingsbronnen die in zeldzame omstandigheden kunnen voorkomen ten gevolge van functiestoornissen in toestellen.240 ° C in de maalderijen Vlammen en hete gassen: vlammen. Hete oppervlakken (veroorzaakt door wrijving.én 2/3 van de ontstekingstemperatuur van de stofwolken zijn (MOT).Veroorzaakt door mechanisch aangedreven gereedschap (boren. peroxides en ethyleen. door het losraken van onderdelen.Veroorzaakt door vallende werktuigen zijn enkel relevant bij stof met een zeer lage MOE.Mechanische vonken ( impactvonken. Men moet voor elke ontstekingsbron nagaan in welke mate deze zich kan voordoen en ze op de volgende manier classificeren: Ontstekingsbronnen die continu of vaak kunnen voorkomen bij de normale werking van toestellen. hooi en melkpoeder kunnen dit gedrag vertonen. Een korte beschrijving van de “energie-inhoud” van de belangrijkste ontstekingsbronnen.5 Praktische betekenis van de ontstekingsbronnen bij de uitvoering van de risicobeoordeling Het vermogen van een ontstekingsbron om een ontsteking te veroorzaken hangt af van de eigenschappen van de aanwezige substanties.oxidatie de temperatuur verder doen stijgen tot het materiaal daadwerkelijk gaat smeulen. slippen en andere storingen): Om ontsteking te voorkomen moet de temperatuur van het warme oppervlak: . 1.7. ongeacht hun grootte. slijpvonken en wrijvingsvonken): . door verspanende bewerkingen zijn doorgaans relevant. Indien men niet kan evalueren of een ontstekingsbron kan voorkomen is deze volgens de norm NEN-EN 1127-1:2007 NL permanent aanwezig.

paragraaf 2a. wel in aanmerking. In de zogenaamde Debeil studie (Risicoanalyse aangaande stofexplosie in Mengvoederbedrijven en Maalderijen) wordt gesteld dat er geen gevaar is op vonkvorming bij het loskomen van de metalen bekers van een elevator indien de snelheid van de elevator maximaal 2.25 mJ (er is wel gevaar voor gloeikernen in stoflagen).5a t/m/ 3. De noodprocedures.1 Voorkoming van stofexplosies Om een stofexplosie te kunnen veroorzaken moeten tegelijkertijd op dezelfde plaats aanwezig zijn (ook wel genoemd de branddriehoek): Een brandbare stof in fijn verdeelde vorm. 1. Een oxidatiemiddel (in het algemeen zuurstof uit de omgevingslucht).v < 1 m/s: geen ontstekingsgevaar..5 m/s bedraagt. hameren.5f is de sociale ATEX-richtlijn geïmplementeerd. De keuze en het gebruik van arbeidsmiddelen en van collectieve en persoonlijke beschermingsmiddelen en van werkkleding. Deze preventiemaatregelen kunnen betrekking hebben op: De organisatie van de onderneming met inbegrip van de gebruikte werk. Uiteraard zal de relevantie afhangen van de snelheid “ v “ van bewegende onderdelen: .Veroorzaakt met door handkracht gedreven gereedschap (scheppen. het afzetten of opwervelen van brandbaar stof alsook het regelmatig verwijderen van afgezet stof. ©Nevedi handleiding 2005 ATEX-richtlijn 137 21 . Een ontstekingsbron die de nodige energie kan leveren voor het initiëren van de oxidatiereactie.8. zagen) zijn alleen relevant als MOE < 0. . De inrichting van de arbeidsplaats. Daarin staat vermeld dat het de verplichting is van de werkgever technische en/of organisatorische maatregelen te nemen ter voorkoming van en bescherming tegen explosies volgens volgende grondbeginselen: Het voorkomen van het ontstaan van explosieve atmosferen. De toepassing van een aangepaste veiligheids. hakken. De bekwaamheid. die gericht zijn op het voorkomen van de aanwezigheid. de opleiding en de informatie van alle werknemers. Binnen de apparatuur zullen dergelijke preventieve maatregelen vaak niet uitvoerbaar zijn. De preventie van stofexplosies zal dan ook bestaan uit ervoor te zorgen dat minstens één van deze elementen ontbreekt. met inbegrip van aangepaste instructies. Buiten de apparatuur komen preventieve maatregelen.v > 10 m/s : ontstekingsgevaar in alle gevallen. .8 PREVENTIE EN BESTRIJDING VAN STOFEXPLOSIES In de Arbeidsomstandighedenbesluit hoofdstuk 3.en gezondheidssignalering. maar het hangt af van de veiligheidsparameters van de betrokken stoffen. 1. Het beperken van de gevolgen van een explosie.1 < v < 10 m/s: ontstekingsgevaar zeer waarschijnlijk. artikel 3.en productiemethodes. Het vermijden van de ontsteking van explosieve atmosferen.

De onderdruk moet dan wel bewaakt worden (signalering bij wegvallen). Zo is het onder meer aanbevolen om: ©Nevedi handleiding 2005 ATEX-richtlijn 137 22 .v. . Als het wegvallen van de onderdruk direct gevaar kan opleveren moet de installatie uitvallen en/of niet kunnen worden ingeschakeld.a. . .Het middel bij uitstek om explosieve mengsels te vermijden bestaat er in producten te gebruiken die geen aanleiding kunnen geven tot explosies. • Plaatsen waar niet te vermijden is dat stof uit de apparatuur ontsnapt.en lospunten. Het toevoegen van bijvoorbeeld kleine hoeveelheden minerale plantaardige olie of lecithine aan graanpoeder blijkt efficiënt om stofwolken te vermijden. Hierbij mag geen gebruik gemaakt worden van perslucht. Dit kan onder meer het geval zijn ter hoogte van bandtransporteurs.Een andere preventieve maatregel bestaat er in buiten de explosiegrenzen van het stof te werken. inclusief aanzuigslangen en voorzetstukken. Zij dienen zo te worden uitgevoerd dat er zo weinig mogelijk plaatsen zijn waar zich stof kan afzetten en gemakkelijk stofvrij gehouden kunnen worden. moeten uitgerust worden met een afzuiginstallatie zodat het stof zich niet kan verspreiden. Dus geen vrije valtrajecten in transportsystemen en geen toevoegingen. Een belangrijke factor die good housekeeping sterk bevordert is de doordachte bouw van de gebouwen en installaties. zakkenvulinrichtingen en laad. Stofzuiginstallaties moeten beantwoorden aan de EX norm: o De aanzuigventilator moet beschermd zijn tegen inslag van vreemde voorwerpen. in dat constructies van plaatwerk die niet bedrijfsmatig (voor schoonmaken of onderhoud) losgemaakt moeten worden bij voorkeur gelast worden i.Het toevoegen van vloeistoffen als stofbeheersing wordt wel eens in de graan. • Indien mogelijk het werken met stoffige producten in de omgevingslucht vermijden. o De behuizing moet uit onbrandbaar materiaal bestaan. • Door enige onderdruk in de installatie te handhaven kan voorkomen worden dat uit openingen stof naar buiten komt. • Afgezet stof moet regelmatig worden verwijderd.De stofwolken in de procesapparatuur zijn minder gevoelig voor ontsteking en explosie.p. doseringen of monsternames via bedrijfsmatig te openen deksels of luiken.en voedingsnijverheid toegepast. moeten geaard zijn. Dit houdt o. Bijkomend voordeel wanneer de druk lager dan 50 mbar gehouden kan worden is dat de maximale explosiedruk niet boven de 1 bar zal kunnen oplopen. ze te bevestigen met schroeven of klinknagels.Vermijden van fijn verdeelde brandbare stof: . o Alle geleidende onderdelen. Ter voorkoming of beperking van de aanwezigheid van brandbaar stof buiten de apparatuur kunnen de volgende maatregelen getroffen worden: • Alleen gebruik maken van gesloten en stofdichte apparatuur. Het risico op een explosie zal significant gereduceerd worden op 2 manieren: . o De elektrische motoren moeten beschermd zijn tegen indringing van stof. Verbindingen die wel moeten kunnen worden losgemaakt worden het best uitgevoerd met bout/moer bevestigingen in stevige lekvrije flenzen.Het vrijkomen en de afzetting van fijn stof wordt sterk verminderd.

Preventieve maatregelen die genomen kunnen worden staan vermeld in hoofdstuk 5 deel B bij de risicoanalyses per toestel. 1. Welke ontstekingsbronnen in een bepaalde situatie wel en welke niet meer gevaarlijk zijn hangt af van de stofexplosiekarakteristieken van het betrokken stof.en stortkegelontladingen). Vermijden van zuurstof: Omgevingslucht bevat circa 21% zuurstof. Vonkdetectiesysteem eventueel in combinatie met blussing. Daar de meeste poedervormige stoffen een relatief hoge ontstekingsenergie en een relatief lage ontstekingstemperatuur hebben en dat bovendien veel organische producten al smeulen bij een lagere temperatuur dan de ontstekingstemperatuur. glij. Daarnaast kunnen ook nog preventieve maatregelen getroffen worden welke de kans op ontstekingsbronnen verkleinen of deze ontstekingsbronnen detecteren waarna ze onschadelijk kunnen worden gemaakt: Aardingscontrolesystemen (b.2 Voorkoming van schade Explosie-onderdrukking: ©Nevedi handleiding 2005 ATEX-richtlijn 137 23 .v. vroegtijdige detectie van een klomp smeulend product). Permanente temperatuurscanning op een productstroom met infraroodstraal (bijv. Voor iedere stof bestaat er een zuurstofgehalte waaronder geen ontsteekbaar mengsel meer gevormd kan worden. statische elektriciteit (vonk-. rookverbod) als technische maatregelen (bijv. open vuur en vlammen. Voor veel stoffen ligt het gehalte in de buurt van 10%. Ionisatie-apparatuur om statische oplading te elimineren. Vermijden van ontstekingsbronnen: Het vermijden van ontstekingsbronnen is een belangrijke preventieve maatregel. detecteren van smeulend heet product op een transportband of transportketting). Als stof gemengd wordt met lucht die minder zuurstof bevat zal het mengsel minder gemakkelijk ontstoken kunnen worden en minder heftig ontploffen. terwijl de maximale explosiedruk en de drukstijgsnelheid zullen dalen.- Zoveel mogelijk hellende vlakken (onder een hoek van 60° ) toe te passen i.v. maar ook hete oppervlakken en spontane opwarming.v. Leidingen en kabels zo kort mogelijk te houden en zoveel mogelijk in te bouwen. De minimum ontstekingsenergie en de onderste explosiegrens zullen immers stijgen. Het vermijden van ontstekingsbronnen moet zowel met procedurele (bijv. De inwendige muren van dergelijke gebouwen vlak en afwasbaar uit te voeren. De overgang tussen muren en vloeren af te ronden. Aandachtspunt bij een dergelijke werkwijze dienen storingen te zijn. horizontale vlakken. maar kan bijna nooit voldoende zekerheid bieden om als enige maatregel te mogen gelden. Juist op die momenten kan de zuurstofconcentratie plotseling stijgen. Het verlagen van het zuurstofgehalte is soms mogelijk binnen de apparatuur en gebeurt in het algemeen door bijmenging van inerte gassen stikstof.p. koolstofdioxide of zuurstofarme verbrandingsgassen. CO-detectie om smeulbranden te detecteren (b. scheefloopbeveiliging in elevatoren en transportbanden).8. In de praktijk is deze maatregel echter weinig toepasbaar in de mengvoedersector of bij de maalderijen. capacitieve of resistieve controle op een silowagen). waardoor men binnen de explosiegrenzen komt en vrij snel een klap krijgt. zijn de belangrijkste ontstekingsbronnen voor stof-luchtmengsels de energierijkere ontstekingsbronnen zoals mechanische en elektrische vonken.

5. Aangenomen wordt dat de te verwachten maximale explosiedruk circa 10 bar bedraagt.8. met inbegrip van aansluitingen. Kluwer en Ten Hagen & Stam): . luiken. Drukvaste constructies: Apparatuur en installaties die in staat zijn de hoogste druk die een inwendige explosie kan veroorzaken te doorstaan zonder blijvende vervorming en zonder dat de explosie zich uitbreidt tot de omringende atmosfeer. Voor ontwerp en vervaardiging kunnen de voor drukhoudende apparatuur geldende voorschriften worden gebruikt (bijv. .3 Beperking van de schade Ter beperking van de gevolgen van explosies kunnen zowel procedurele als technische maatregelen getroffen worden. Voor drukvaste bouwwijze moet dus alle apparatuur.Voor poeders met KST = 300 bar. appendages. Men spreekt van explosie-onderdrukking.m/s. Over het algemeen is het de regel dat grote installaties niet kunnen worden ontworpen of aangepast om weerstand te bieden aan de maximale explosiedruk. BS 5500). Daardoor zal de maximaal ontwikkelde explosiedruk een vooraf bepaalde waarde niet kunnen overschrijden en zal bijgevolg geen of slechts beperkte schade aangericht worden. Explosiedrukontlasting: Om de door een explosie in een apparaat of systeem ontwikkelde overdruk te beperken kunnen explosieluiken en -panelen of breekplaten aangebracht worden. maar daarbij wel blijvend vervormd wordt. deze te verwachten druk kunnen weerstaan. Drukstootvaste constructies: Men spreekt van een drukstootvaste constructie wanneer deze constructie wel in staat is de explosie te weerstaan en te verhinderen dat die zich tot de omringende atmosfeer uitbreidt.Volumes tot ongeveer 1000 m³. Daarom wordt deze beveiligingstechniek slechts toegepast voor relatief kleine en nieuwe installaties. 1. Deze moeten open gaan of bezwijken bij een zo lage overdruk dat hierdoor geen schade aan het apparaat of de ©Nevedi handleiding 2005 ATEX-richtlijn 137 24 . Het principe van explosieonderdrukking bestaat erin dat de ontsteking door detectoren gedetecteerd wordt en een beveiligingssysteem in werking gesteld wordt waardoor ofwel de verbranding stopt ofwel de leiding waarin het vlamfront voortloopt afsluit. Proefondervindelijk werd vastgesteld dat de toepassing van explosieonderdrukking een doelmatige en efficiënte bescherming biedt binnen de volgende algemeen geldende grenzen (ref. instrumentatie.Onder bepaalde omstandigheden kan verhinderd worden dat de ontsteking van een explosief mengsel zich ontwikkelt tot een explosie die schade kan veroorzaken. Voor drukvaste constructies bedraagt de zekerheidsfactor 1. Belangrijk is hierbij op te merken dat de beschermde toestellen de verlaagde explosiedruk moeten kunnen weerstaan en eventuele verbindingen naar andere toestellen ook beschermd moeten worden. Bij explosies in aaneengesloten vaten treedt drukopbouw op waarbij de druk heel hoog kan oplopen. Compartimenteringmaatregelen zijn dan absoluut noodzakelijk. worden drukvast genoemd. Op dergelijke maatregelen is veel minder directe invloed uit te oefenen door het personeel daar het hier gaat om procestechnische en mechanische veiligheden welke installatiegebonden zijn.: Handboek Explosiebeveiliging. Ook voor het ontwerp en vervaardiging van dergelijke constructies kan gebruik gemaakt worden van de voor drukhoudende apparatuur geldende voorschriften waarbij gerekend wordt met een zekerheidsfactor gelijk aan 1. De hoogte van dergelijke drukken is moeilijk te voorspellen en in ieder geval is het moeilijker om de apparatuur voldoende sterk te bouwen.

Indien de ontlasting niet rechtstreeks in de buitenlucht kan plaatsvinden. Het principe van drukontlasting berust dus op het creëren van een zwakke plek in de te beveiligen installatie. niet naar bedrijfsruimten of op verkeerswegen. de (dp/dt)max -waarde. Dit zijn een soort vlammenfilters (quenchbuizen) waarin de oppervlaktetemperatuur van de vlam verlaagd wordt tot beneden de ontstekingstemperatuur van de brandstof waardoor de vlam gedoofd wordt.v. Voor de berekening van deze factor werden een aantal methodes ontwikkeld (bijv. Membranen die bestaan uit een raamwerk dat bespannen is met een zeer dunne plastic of metaalfolie. de gereduceerde explosiedruk. De ontlastopening dient voldoende groot te zijn om de snelheid waarmee de druk in de installatie zal stijgen met uitstroming te kunnen compenseren. Niet verbrand stof-luchtmengsel kan in de schouw tot ontvlamming komen en het ontluchtingsproces verstoren. De bezwijkdruk van de installatie.installatie aangericht kan worden. Deuren of zogenaamde scharnierende panelen. kan gebruik worden gemaakt van zogenaamde vlamdovers. Een apparaat dat door drukontlasting beschermd wordt moet drukvast of drukstootvast zijn uitgevoerd t. De belangrijkste ontlastconstructies zijn: Breekplaten bestaande uit een roestvrij stalen voorgegroefde folie. vlamverschijnselen en drukontwikkeling. Dergelijke kanalen dienen dan ook zonder bochten en zo kort mogelijk te worden uitgevoerd. Wanneer de explosiedrukontlasting niet naar de vrije atmosfeer of naar een veilige zone kan worden geleid. Panelen opgebouwd uit een stijve constructie die in een raamwerk is gevat of veerbelast is. De ontlasting moet daarom zoveel mogelijk in de buitenlucht plaatsvinden en altijd in een ongevaarlijke richting zoals via het dak omhoog. Mensen en installaties worden zo bedreigd. een schouw of buis. Bij explosiedrukontlasting moet rekening gehouden worden met het uittreden van hete verbrandingsgassen en brandbaar stof. Breekplaten zijn veruit het meest toegepaste systeem voor explosiedrukontlasting. Door turbulentie in de schouw kunnen tegendrukken ontstaan die zelfs hoger kunnen zijn dan explosiedrukken die in gesloten sferische vaten werden vastgesteld. Bij het ontwerp van ontlastopeningen moet daarom aandacht besteed worden aan: De te verwachten snelheid waarmee de druk in de installatie stijgt ten gevolge van een stofexplosie. Het oppervlak van de ontlastvoorziening. Het aanbrengen van dergelijke afblaaskanalen heeft wel enkele nadelen: De doorstroming van brandend product is aan weerstand onderhevig. de Duitse norm VDI 3673). De aanspreekdruk van de ontlastvoorziening. Deze groef is zodanig gedimensioneerd dat de plaat openbreekt bij de voorziene openingsdruk. ©Nevedi handleiding 2005 ATEX-richtlijn 137 25 . kan de explosiedruk mogelijk naar een veilige zone worden afgeleid via bijv.o.

Actieve chemische systemen. Dit zal zeker van toepassing zijn wanneer het niet mogelijk is met voldoende zekerheid te waarborgen dat geen ontploffing optreedt en de apparatuur ook niet zo kan worden uitgevoerd dat de ontploffing te beheersen is. Kortere buizen geven eenvoudigweg te weinig tijd om de noodzakelijke maatregelen te treffen. Huys. Wegens de enorme drukstoten die hierbij ontstaan moet dit te allen tijde vermeden worden.Actieve mechanische systemen. De passieve mechanische systemen leiden de vlam af naar een veilige zone (fig. De toegang tot dergelijk geïsoleerd opgestelde installatieonderdelen behoort streng te worden geregeld en tot het strikt noodzakelijke te worden beperkt. Compartimentering houdt in dat de explosie in de verbindingsleiding tijdig wordt gestopt door bijv. bijv. Kan de explosie zich verder ontwikkelen en is er voldoende brandstof en lucht aanwezig dan zal de deflagratie steeds in snelheid toenemen. De compartimentering kan gerealiseerd worden met behulp van: . Indien de stofexplosie van twee kanten kan komen zijn verbindingsleidingen van minstens 12m noodzakelijk. .Passieve mechanische systemen. G. Voor de meeste technieken geldt dat de minimale lengte van de verbindingsleiding 6 meter moet zijn. Doorsnede van een vlamdover (Arbeidsveiligheid nr.65 Stofexplosies. . als de installatie buiten bedrijf is.Kluwer Editorial. In principe mogen alleen personen aanwezig zijn als er geen ontploffingsgevaar bestaat.6. In bepaalde omstandigheden kan de deflagratie overgaan in een detonatie.8) of koelen de vlam af zodanig dat de ontstekingstemperatuur van het onverbrande medium niet meer wordt bereikt (fig. ©Nevedi handleiding 2005 ATEX-richtlijn 137 26 . installaties of andere plaatsen waar zich veel mensen kunnen bevinden. Stofexplosies kunnen zich verplaatsen van een procesonderdeel naar een ander via de verbindingsleidingen tussen de twee procesonderdelen. het sluiten van een klep of het injecteren van een blusmiddel.7). Bovendien moet de installatie worden omgeven door voldoende stevige muren of wallen die verhinderen dat weggeslingerde delen schade aanrichten.Fig. 23/03/1998) Scheiding en compartimentering: Installatiedelen waarin explosies kunnen optreden dienen op ruime afstand geplaatst te worden van gebouwen.

Fig.7. Fig.7. Rooster voor het afkoelen van de vlam

Fig.8.

Fig.8. Afleiden van de vlam via een explosieslot (Arbeidsveiligheid nr.65 Stofexplosies, G. Huys,Kluwer Editorial, 23/03/1998) Men kan ook gebruik maken van de procesonderdelen, zoals doseerschroeven en draaisluizen, als isolators tegen explosiedoorslag. De massa poeder in een doseerschroef kan bij een juist ontwerp van de schroef voldoende tegendruk leveren om de explosiedruk te weerstaan. Daarvoor wordt het blad van de schroef onderbroken zodat er een soort permanente poederprop aanwezig is. Bij trogvormige schroefbehuizingen moeten in de bovenkant van de trog van plaatselijk baffles voorzien worden om vlamoverslag over de schroef te voorkomen.

Fig.9. Voorbeeld van een doseerschroef die ook dienst doet als barriére (Arbeidsveiligheid nr.65 Stofexplosies, G. Huys,Kluwer Editorial, 23/03/1998)

©Nevedi handleiding 2005 ATEX-richtlijn 137

27

De draaisluizen fungeren als een soort vlamdover waarbij het vlamfront van de stofexplosie wordt gesmoord in de nauwe spleten tussen de rotor en het huis van de draaisluis.

Fig.10. Schematische voorstelling van een draaisluis (Arbeidsveiligheid nr.65 Stofexplosies, G. Huys,Kluwer Editorial, 23/03/1998) Hoewel draaisluizen een zeer goede barrière vormen tegen stofexplosies hebben ze als groot nadeel dat alleen poeder kan worden doorgesluisd. Wanneer de verbindingsleiding tussen twee apparaten ook lucht moet transporteren kan een draaisluis niet worden toegepast. Een andere mogelijkheid bestaat er in een installatieonderdeel te isoleren door zowel aan de ingang als de uitgang een klep te installeren en de sturing zo te voorzien dat steeds minstens 1 klep gesloten is. De actieve mechanische systemen zullen na detectie in de beginfase de explosie mechanisch isoleren m.b.v. een snelafsluiter zodat de voortplanting van de vlam verhinderd wordt. Gekende voorbeelden zijn o.a. het Ventexventiel, de Iris-klep en bol- en vlinderkleppen.

Fig.11. Voorbeeld van een actief mechanisch systeem (Arbeidsveiligheid nr.65 Stofexplosies, G. Huys,Kluwer Editorial, 23/03/1998)

©Nevedi handleiding 2005 ATEX-richtlijn 137

28

De actieve chemische isolatiesystemen bestaan uit een detector, een controle-eenheid en een drukvat gevuld met een blusmiddel. Door de snelle injectie van het blusmiddel in de verbindingsleiding wordt verhinderd dat de vlam zich voortplant. Dergelijke systemen worden soms toegepast bij o.m.: De breker- en maalinstallaties; De ingangsdetectie op smeulend product.

Fig.12. Schematische voorstelling van een blusmiddelbarriére (Arbeidsveiligheid nr.65 Stofexplosies, G. Huys,Kluwer Editorial, 23/03/1998) Alle systemen moeten worden voorzien van de nodige controle- en alarmeringsapparatuur om bij storingen een automatische noodstop van de installatie te kunnen realiseren.

Brandbestrijding: Vaak ontstaat brand ten gevolge van een explosie. De schade veroorzaakt door brand kan beperkt worden door De bedrijfsgebouwen oordeelkundig in te delen in brandbestendige compartimenten; Te voorzien in aangepaste en voldoende brandbestrijdingsmiddelen. Uiteraard moet ook voorzien worden in voldoende opleiding van de werknemers voor de bediening van deze brandbestrijdingsmiddelen; Te voorzien in een intern noodplan.

1.8.4 Keuze van de toe te passen preventie- en beheersmaatregelen. Welke maatregelen toepasbaar zijn, zal in de eerste plaats afhangen van de resultaten van de risicoanalyse en dus ook van de zone-indeling. Hierbij zal uiteraard rekening moeten gehouden worden met de algemene preventieprincipes. Maar ook economische criteria zullen meespelen in de keuze van maatregelen. In ieder geval zullen zowel bestaande als nieuwe bedrijven niet alleen de wettelijk opgelegde maatregelen moeten treffen, maar ook alle mogelijke organisatorische maatregelen al dan niet expliciet vermeld in de wetgeving. Niet expliciet in de wetgeving vermelde maatregelen van technische of constructieve aard, maar bijv. opgenomen in normen of andere codes van goede praktijk zoals sectorstudies, kunnen relatief eenvoudig toegepast worden bij het ontwerp van nieuwe installaties. Dit is echter niet zo voor bestaande installaties, waar rekening zal moeten gehouden worden met technische en economische belemmeringen. Twee factoren die telkens terugkomen zijn de kostprijs en de effectiviteit van de voorgestelde maatregel. Afsluitend wordt in onderstaande tabel (tabel 1.3.) op dit gebied een vergelijking

©Nevedi handleiding 2005 ATEX-richtlijn 137

29

gemaakt tussen enkele van de belangrijkste veiligheidsmaatregelen van technische aard die bestaan op het vlak van de stofexplosieveiligheid. Deze tabel geeft enkel een idee van de gemiddelde waarde van de betrouwbaarheid en de kostprijs van de beveiligingssystemen tegen stofexplosies.

Tabel 1.3: Overzicht mogelijke technische veiligheidsmaatregelen ( 1 = meest gunstig / 5 = minst gunstig.) Systeem Isolatie Opsluiting (druk(stoot)vast ) Drukontlasting Onderdrukking Inertisering Betrouwbaarheid 1 2 Installatiekost nieuw 1 4 Installatiekos t bestaand 5 4 rendement 2 1

3 4 5

2 5 3

1 3 2

3 4 5

©Nevedi handleiding 2005 ATEX-richtlijn 137

30

2. dat kan worden gebruikt op plaatsen waar ontploffingsgevaar kan heersen. die door atmosferen gevaar kunnen lopen. Arbeidsomstandighedenwet 2007 (Arbowet) Reeds vóór het geven van ATEX-richtlijn 1999/92/EG diende aandacht aan explosieveiligheid te worden gegeven. Belangrijkste bepalingen van de richtlijn zijn: a. waarop zij berusten. door de invoering van CEmarkering). die van invloed zijn op het ontwerp en de bouw van materieel. Ten aanzien van dit aspect is de wet niet naar aanleiding van de ATEX-richtlijn aangepast. daar hij betrekking heeft op de gezondheid en veiligheid van werknemers. Ook wordt gesproken van ”Atex 95”. Richtlijn 94/9/EG van het Europese Parlement en de Raad van 23 maart 1994 inzake de onderlinge aanpassing van de wetgevingen van de Lid-Staten betreffende apparaten en beveiligingssystemen. Deze richtlijn wordt volledigheidshalve vermeld. De richtlijn diende uiterlijk op 30 juni 2003 in nationale wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen te zijn geïmplementeerd. de indeling van plaatsen in zones waar explosieve atmosferen kunnen voorkomen. Deze richtlijn wordt wel de ”economische richtlijn” genoemd. was echter reeds geïmplementeerd in het Nederlandse recht (bv.2. b. 2. 2. De Arbowet 1998 bepaalt in artikel 5 dat in een (explosie)risico-inventarisatie en –evaluatie (RIE) de arbeidsrisico’s voor werknemers schriftelijk dienen te worden vastgelegd. c.1 WETTELIJK KADER EUROPESE REGELGEVING De regelgeving voor de beperking van stofexplosiegevaar vindt zijn oorsprong in een tweetal Europese Richtlijnen: 1. daar hij vrijwel geheel bestaat uit voorschriften van elektrische en niet-elektrische aard. Richtlijn 1999/92/EG van het Europese Parlement en de Raad van 16 december 1999 betreffende minimumvoorschriften voor de verbetering van de gezondheidsbescherming en van de veiligheid van werknemers. de verplichting van de werkgever voor de opstelling en het bijhouden van een explosieveiligheidsdocument. het nemen van organisatorische en veiligheidsmaatregelen ter verbetering van de gezondheidsbescherming en veiligheid van werknemers.2 NEDERLANDSE REGELGEVING De implementatie in het Nederlandse recht heeft plaatsgevonden door middel van de volgende regelgeving: 1. bedoeld voor gebruik op plaatsen waar ontploffingsgevaar kan heersen. Ook wordt wel gesproken van ”Atex 137”. Deze richtlijn wordt wel de ”sociale richtlijn” genoemd. ©Nevedi handleiding 2005 ATEX-richtlijn 137 31 . naar het artikelnummer van het EG-Verdrag.

Dat betekent dat er een status aan is gegeven: Als de NPR wordt gebruikt voor de gevarenzone-indeling voldoet men aan de minimumvoorschriften van de wetgeving. Deze praktijkrichtlijn is opgenomen in de beleidsregels 4. Zone 22: Gebied met voortdurend of gedurende lange perioden ontplofbaar stof-luchtmengsel (te denken aan > 10% van de bedrijfsuren). 3. Warenwetbesluit Explosieveilig Materieel Dit besluit van 1 augustus 1995 is een uitwerking van de Wet op de Gevaarlijke Werktuigen. de indeling van plaatsen in zones waar explosieve atmosferen kunnen voorkomen. Gebied met grote kans op aanwezigheid van een ontplofbaar stof-luchtmengsel (te denken aan > 0. Het tweede deel van juli 2001 is een nadere uitwerking van NENEN-IEC 61241-10:2004 en betreft voornamelijk de gevaren binnen gebouwen en in het inwendige van apparatuur. werd een geheel nieuwe paragraaf over explosieve atmosferen (§ 2a) aan Afdeling 1 van Hoofdstuk 3 over de inrichting van arbeidsplaatsen toegevoegd. Deze gevaren explosieveiligheidsdocument. Echter.2. onder meer. In deze paragraaf werd. De risico-inventarisatie en –evaluatie van gevaren in verband met explosieve atmosferen. waarvan het eerste (NPR 79101)handelt over gasontploffingsgevaar en het tweede over stofontploffingsgevaar (NPR 7910-2). als men op een andere manier minimaal hetzelfde beschermingsniveau kan bereiken dan mag dat ook.1% … 1010). Zone 21: d. dienen te worden vastgelegd in een b. in werking getreden op 30 juni 2003. Zone 20: c. werd in opdracht van het ministerie van Sociale en Economische Zaken opgesteld door de normcommissie NEC 31 ”Elektrisch materieel in verband met ontploffingsgevaar”. Gebied met geringe kans op aanwezigheid van een ontplofbaar stof-luchtmengsel (te denken aan < 0. c. Bij Besluit van 19 juni 2003. Omdat elektrische installaties en elektrisch materieel een ontstekingsbron kan vormen is tevens van belang het: 4. Nemen van maatregelen voor gevarenzones. De zone-indeling luidt als volgt: a. de volgende bepalingen opgenomen: a. ©Nevedi handleiding 2005 ATEX-richtlijn 137 32 .4-5 Arbeidsomstandighedenwetgeving.1% …). Voorkoming van een explosieve atmosfeer dan wel de ontsteking daarvan dan wel beperking van de gevolgen van een explosie. b. d. Praktijkrichtlijn NPR 7910 Deze richtlijn van het Nederlands Normalisatie Instituut. NGG: Gebied waarbinnen geen ontplofbare atmosfeer geacht wordt voor te komen in zodanige mate dat speciale voorzieningen ten aanzien van ontstekingsbronnen nodig zijn. Deze Praktijkrichtlijn behandelt specifiek de gevarenzone-indeling met betrekking tot explosiegevaar en bestaat uit twee delen. De bewijslast ligt dan wel bij de gebruiker. Het berust op ATEX-richtlijn 94/9/EG betreffende apparaten en beveiligingssystemen en derhalve niet op de sociale ATEX-richtlijn 1999/92/EG. Arbeidsomstandighedenbesluit (Arbo-besluit) Aangepast werd wel het Arbobesluit van 15 januari 1997. een uitwerking van de Arbowet.

en Volmachtbesluit Arbeidsinspectie 2003 heeft het minister van Sociale Zaken het toezicht op de naleving van wet en regelgeving geregeld (artikel 17. van de Arbowet wijst het minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid toezichthoudende ambtenaren aan uit onder hem ressorterende ambtenaren. sub a). Bij Organisatie-. Deze toezichtregeling geldt uiteraard ook voor de regelgeving.2. ©Nevedi handleiding 2005 ATEX-richtlijn 137 33 . die op de Arbowet is gebaseerd. Mandaat. Deze aangewezen ambtenaren zijn verbonden aan de Arbeidsinspectie. zoals het Arbo-besluit en de NPRrichtlijn 7910-2. lid 1.3 NEDERLANDS BEVOEGD GEZAG Blijkens artikel 24. lid 3.

3.dguv. ©Nevedi handleiding 2005 ATEX-richtlijn 137 34 . Een materiaal wordt als isolerend beschouwd als de soortelijke weerstand 108Ωm of de oppervlakteweerstand meer dan 108Ω bedraagt. Hun website bevat een database met stoffen en hun eigenschappen: http://www. kan vrijkomen. en indien dit vrijkomen wel gebeurt dan is dat niet frequent en gedurende korte perioden (< 0.luchtmengsel. Gevarenbron: plaats waar brandbaar stof kan vrijkomen (als opgewerveld stof of een stofwolk) of waar afgezet brandbaar stof (stofafzetting) kan worden opgewerveld. . Directe ontsteking: ontsteking van een ontplofbaar stof-luchtmengsel door een actieve ontstekingsbron. Gevarenzone-indeling: indeling van gevaarlijke gebieden in zones. afhankelijk van de waarschijnlijkheid van het aanwezig zijn van een ontplofbare atmosfeer. Geleidend stof: stof met een soortelijke weerstand kleiner dan of gelijk aan 103Ωm.de/ifa/de/gestis/stoffdb/index. kan vrijkomen (0. voortdurend of gedurende lange perioden kan vrijkomen (> 10%).Secundaire gevarenbron: plaats waarvan het niet te verwachten is dat er tijdens normaal bedrijf brandbaar stof. Geleidbaarheid: in verband met statische lading. met lucht vermengd. Gebied: driedimensionale ruimte. met lucht vermengd. waardoor speciale voorzieningen ten aanzien van ontstekingsbronnen nodig zijn. hogere ontploffingsdruk en grotere drukstijgsnelheid dan bij een enkelvoudig mengsel.1% tot 10%). BIA: een Duits instituut (samenwerkend beroepsverband) voor arbeidsveiligheid.jsp (zie ook voorbeelden in bijlage 4) Bovenste explosiegrens (UEL): concentratie van fijn verdeeld brandbaar stof in lucht waarboven geen ontplofbaar atmosfeer wordt gevormd. OPMERKING: Bij een lagere concentratie brandbaar gas dan 20% van de LEL van dit gas.Continue gevarenbron: plaats waar brandbaar stof. TERMEN EN DEFINTIES Hieronder worden de termen en definities weergegeven die in dit rapport worden gebruikt.Primaire gevarenbron: plaats waarvan te verwachten is dat er regelmatig of incidenteel tijdens normaal bedrijf brandbaar stof.1%). Gevaarlijk gebied: gebied waarbinnen een ontplofbaar stof-luchtmengsel aanwezig is of kan zijn. Brandbaar stof: Fijn verdeelde brandbare vaste stof die door opwerveling in lucht onder atmosferische omstandigheden. kan het hybride mengsel in de meeste gevallen worden beschouwd als zijnde alleen een stof. Hybride mengsel: mengsel van fijn verdeeld brandbaar stof en brandbaar gas met lucht. Glimtemperatuur: De laagste temperatuur van een oppervlakte waarbij de daarop gelegen stoflaag spontaan tot ontbranding komt. ● ● ● ● ● ● ● ● ● ● ● ● ● ● ● Atmosferische omstandigheden: condities van de omgeving waar de druk kan variëren tussen 80 kPa en 110 kPa en de temperatuur tussen -20 °C en +40 °C en waar het zuurstofgehalte (21±1)% (volumeprocenten) bedraagt. Boven deze concentratie beheert rekening te worden gehouden met mogelijk lagere minimum ontstekingstemperatuur. OPMERKING: Op een stof met een geringe geleidbaarheid (isolerend materiaal) kan lading accumuleren (statische oplading). Beheersbare dikte: stofafzetting die door schoon huishouden tot zodanige dikte wordt beperkt dat geen stofontploffingsgevaar in de ruimte kan ontstaan. een ontplofbaar mengsel kan vormen. met lucht vermengd. Continue stofafzetting: plaats waar brandbaar stof voortdurend wordt afgezet ofwel een laag afgezet stof gedurende langere perioden aanwezig is (in totaal meer dan 1000 uur per jaar). . mate waarin een stof elektrisch stroom kan geleiden. zodat een ontplofbaar stof-luchtmengsel kan ontstaan. .

Primaire: plaats waar afzet brandbare stof door regelmatig verwijderen niet langdurig aanwezig is. Maximum explosiedruk van brandbare stof (pmax): hoogste druk die ontstaat bij een ontploffing in een afgesloten ruimte die geheel met het mengsel met de optimale concentratie van de desbetreffende stof en lucht is gevuld.5 mm) in de atmosfeer die daaruit door hun eigen gewicht neerslaan. Omvang van de zone: afstand in elke richting van de rand van de gevarenbron tot het punt waar het gevaar. Minimum ontstekingstemperatuur (MOT): de laagste temperatuur van een verhit verticaal oppervlak dat het daarmee in contact komende mengsel van stof en lucht met een optimale concentratie nog juist ontsteekt.1% tot 10%). Kunstmatige plaatselijke ventilatie is zo uitgevoerd dat voldoende luchtsnelheid wordt gegenereerd om ter plaatse vrijkomend stof mee te voeren. OPMERKING: > 1000 uur per jaar. gerelateerd aan de desbetreffende zone. . Stofafzetting: . in de vorm van poeder. waarin na ontsteking de verbranding zich verspreidt door het gehele onverbrande mengsel.Continue: plaats waar brandbare stof voortdurend wordt afgezet ofwel een laag af afgezet stof gedurende lange periode aanwezig is. Stofwolk: opgewerveld stof. Ontplofbare atmosfeer: mengsel van brandbare stoffen. die in staat is om een mengsel met een optimale concentratie van stof met lucht te ontsteken. Primaire stofafzetting: plaats waar afgezet brandbaar stof door regelmatig verwijderen niet langdurig aanwezig is (0. moet een geheel van het openbare net ©Nevedi handleiding 2005 ATEX-richtlijn 137 35 . Stof: kleine vaste deeltjes (<0. zoals de luchtverversing in een apparaatomkasting of een puntafzuiging. stof en gruis zoals gedefinieerd in ISO 4225).● ● ● ● ● ● ● ● ● ● ● ● ● ● ● ● ● ● Indirecte ontsteking: wijze van ontsteken waarbij een stofwolk niet direct wordt ontstoken. Ventilatie . smeulen of brand) Kst-waarde van brandbaar stof: maximale drukstijgsnelheid van de meest ontplofbare stof-lucht mengsel in een bolvormige volume van 1m3.en specifiek voor een bepaalde gevarenbron. onder atmosferische omstandigheden. de deeltjesgrootte. OPMERKING: gedurende in totaal 0.Kunstmatige plaatselijke ventilatie: luchtverversing ter plaatse van. de deeltjesgrootte-verdeling en de soortelijke massa van dat stof. zodat geen stofontploffingsgevaar in de ruimte kan ontstaan. Hierbij wordt onder andere rekening gehouden met de impuls van het vrijkomende stof. Minimum ontstekingsenergie van een brandbaar mengsel (MOE): kleinste energiehoeveelheid van een capacitieve elektrische ontlading. Normaal bedrijf: situatie waarin het materieel binnen zijn ontwerpparameters werkt. Migrerend stof: stofdeeltjes die zo klein zijn en bestaan uit materiaal met een zo lage dichtheid. Schoon huishouden: het regelmatig controleren en verwijderen van stofafzettingen. Niet-gevaarlijk gebied (NGG): gebied waarbinnen geen ontplofbare atmosfeer wordt geacht voor te komen in zodanige mate dat speciale voorzieningen ten aanzien van ontstekingsbronnen nodig zijn. dat dit stof zich over de gehele ruimte verspreidt. Smeultemperatuur: laagste temperatuur van een horizontaal oppervlak waarbij een op dat oppervlak afgezette laag stof van 5mm dikte gaat smeulen. maar waarbij de ontsteking en meestal het ontstaan van een stofwolk wordt veroorzaakt door een daaraan voorafgaand proces (bijvoorbeeld broeien. geacht wordt niet meer te bestaan. gruis of vezels. stof. maar eerst enige tijd in de lucht kunnen blijven zweven (inclusief vezels. .Goed uitgevoerde en absoluut gewaarborgde ventilatie: wanneer ontplofbare mengsels aanwezig kunnen zijn. met lucht.1% tot 10%. de vorm. Onderste explosiegrens (LEL of OEG): concentratie van fijn verdeeld brandbaar stof in lucht waaronder geen ontplofbare atmosfeer wordt gevormd.

Zone 22: gebied waarbinnen tijdens normaal bedrijf de kans op aanwezigheid van een ontplofbaar stof-luchtmengsel gering is en waar dergelijke mengsels slechts kortstondig kunnen bestaan ten gevolge van vrijkomen uit een gevarenbron en/of opwerveling van gedurende langere perioden aanwezig afgezet stof (gedurende in totaal minder dan 10 uur aanwezig brandbaar stof-luchtmengsel per jaar of stofafzettingen die in totaal minder dan 1000 uur per jaar aanwezig zijn). Zone 20: gebied waarbinnen tijdens normaal bedrijf een ontplofbaar stof-luchtmengsel voortdurend of gedurende lange perioden aanwezig is (> 10%). te allen tijde voorhanden is. Indien ook de reserveinstallatie weigert. waarna de eerste installatie direct wordt hersteld. Eén installatie behoort steeds in bedrijf te zijn. Zone 21: gebied waarbinnen tijdens normaal bedrijf de kans op aanwezigheid van een ontplofbaar stof-luchtmengsel groot is. tengevolge van vrijkomen uit een gevarenbron en/of opwerveling van gedurende langere perioden aanwezig afgezet stof (gedurende in totaal 10 tot 1000 uur aanwezig brandbaar stof-luchtmengsel per jaar of stofafzettingen die in totaal meer dan 1000 uur per jaar aanwezig zijn. De aanwezigheid van de luchtstroom wordt rechtstreeks bewaakt.Goed uitgevoerde ventilatie met extra waarborgen: de continuïteit van de ventilatie is gewaarborgd door het dubbel uitvoeren van de ventilatie-installatie. tevens geeft deze situatie aanleiding tot een alarm. zoals omschreven onder extra waarborgen. ©Nevedi handleiding 2005 ATEX-richtlijn 137 36 . Uitval van de in werking zijnde ventilator start automatisch de reserve.● ● ● ● onafhankelijke energievoorziening. gebaseerd op frequentie en duur van de potentiële aanwezigheid van ontplofbare atmosfeer (stofafzettingen worden ook in de beschouwing meegenomen). de tweede in reserve. waarop bij storing van het openbare net automatisch wordt omgeschakeld. niet indirect via grootheden als stroomopname of toerental van de ventilatormotor. Zones: ingedeelde gebieden. alsmede van eventuele andere ontstekingsbronnen in de betrokken ruimten. waarbij de energie van twee verschillende verdeelinrichtingen wordt betrokken. volgt afschakeling van alle niet-explosieveilige elektrische apparatuur. De ventilatie-installatie behoort dubbel te zijn uitgevoerd. .

DEEL B ©Nevedi handleiding 2005 ATEX-richtlijn 137 37 .

Het identificeren van de gevaren voor het welzijn van de werknemers bij de uitvoering van hun werk.Preventiemaatregelen die tot doel hebben schade te voorkomen (frequentieverlagend). . maar ook onderhoud en mogelijke storingen. Voor het uitvoeren van de gevarenzone-indeling werd geopteerd gebruik te maken van de Nederlandse praktijkrichtlijn NPR 7910-2 (juni 2008): “Gevarenzone-indeling met betrekking tot stofontploffingsgevaar.M. De evaluatie maakt het mogelijk gefundeerde prioriteiten vast te leggen voor het treffen van preventiemaatregelen.” 4. De risico-evaluatie bestaat uit het beoordelen van de vastgestelde risico’s naar frequentie en ernst met als doel een waardecijfer (grootte-orde) toe te kennen aan de risico’s.V. Om de aard van die maatregelen te bepalen wordt het gevaarlijke gebied ingedeeld in zones. Met betrekking tot stofexplosies kan het gevaar gedefinieerd worden als “de mogelijke aanwezigheid of vorming van een ontplofbaar stof-luchtmengsel”. De uitvoering van een risicoanalyse op het vlak van stofexplosies zal niet fundamenteel verschillen van de algemene aanpak zoals hierboven beschreven. 22 en NGG. DE GEVARENZONE-INDELING D. Bij het vastleggen van preventiemaatregelen dient de prioriteit gegeven te worden aan. Ook hier zullen de identificatie van de gevaren en de risicofactoren de eerste stappen zijn. .Het evalueren van de risico’s. Het indelen van een bedrijf in verschillende zones is een wettelijke verplichting betreffende het welzijn van werknemers die door explosieve atmosferen gevaar kunnen lopen. maar met deze factor wordt reeds rekening gehouden in de term ontplofbaar stof-luchtmengsel).Preventiemaatregelen die tot doel hebben risico’s te voorkomen (risico-uitsluiting).2 DEFINITIE VAN DE VERSCHILLENDE GEVARENZONES Een gevaarlijk gebied is een gebied waarbinnen een ontplofbaar stof-luchtmengsel aanwezig is of kan zijn. in volgorde van belang: . RISICOANALYSE 4. waarbij 4 klassen te onderscheiden zijn: zone 20. ©Nevedi handleiding 2005 ATEX-richtlijn 137 38 . .Het vaststellen en nader bepalen van de risico’s.4.Preventiemaatregelen die tot doel hebben de schade te beperken (ernstverlagend). De aanwezigheid van één of meerdere relevante ontstekingsbronnen kan beschouwd worden als risicofactor (strikt genomen zou het zuurstofgehalte ook beschouwd kunnen worden als risicofactor. 21. Een risicoanalyse is: . . Onder normaal bedrijf wordt verstaan niet alleen de installaties in het bedrijf.1 INLEIDENDE BEGRIPPEN OMTRENT RISICOANALYSE Dit hoofdstuk is een handleiding waarmee de fabrikant zijn bedrijf in gevarenzones kan indelen. waardoor speciale voorzieningen ten aanzien van ontstekingsbronnen nodig zijn.

tijdens normaal bedrijf3.Zone 20: is een gebied waarbinnen.3. De gevarenzone-indeling is gebaseerd op de waarschijnlijkheid (frequentie en duur) van voorkomen van een ontplofbaar stof-luchtmengsel.Atmosferische omstandigheden: verstaat men volgens ATEX 95 de temperaturen van –20° C tot 60° C en drukken van 0. wordt het gevaar beduidend groter.Welke eigenschappen en afmetingen hebben de gevarenzones. . 4.001 mm en 0. en aan stofafzettingen die in totaal meer dan 1000 uur per jaar aanwezig zijn ).1 bar me t zuurstofgehalte 21 ± 1 volumeprocent. 3 Normaal bedrijf: een situatie waarin installaties binnen de ontwerpparameters worden gebruikt ©Nevedi handleiding 2005 ATEX-richtlijn 137 39 .: Handboek Explosiebeveiliging. (ref.Stof: kleine vaste deeltjes (<0.8bar tot 1. ten gevolge van vrijkomen uit een gevarenbron en/of opwerveling van gedurende lange perioden aanwezig afgezet stof. een ontplofbaar stofluchtmengsel voortdurend of gedurende lange perioden aanwezig is. (daarbij is te denken aan > 10% per jaar).3 IDENTIFICATIE VAN POTENTIËLE GEVARENBRONNEN 4.Brandbaar stof: fijn verdeelde brandbare (= reagerend met zuurstof onder warmteafgifte) vaste stof die door opwerveling in de lucht onder atmosferische omstandigheden een ontplofbaar mengsel kan vormen. Definities: . Gebied waarbinnen geen ontplofbare atmosfeer geacht wordt voor te komen in zodanige mate dat speciale voorzieningen ten aanzien van ontstekingsbronnen nodig zijn. NGG: Niet-Gevaarlijk Gebied. Zone 21: is een gebied waarbinnen tijdens normaal bedrijf de kans op aanwezigheid van een ontplofbaar stof-luchtmengsel groot is. Zakt de deeltjesgrootte onder de 0.1 Brandbaar stof . Kluwer en Ten Hagen & Stam). .1mm.Welke gevarenbronnen zijn aanwezig en wat is hun aard (frequentie.karakteristieken .1 mm. Veelal zal de korrelgrootte zich situeren tussen 0.5 mm). tijdsduur en omstandigheden van voorkomen). (daarbij is te denken aan ontplofbare stof-luchtmengsels gedurende 10 tot 1000 uur per jaar.concentratie Een gevarenbron is een plaats waar brandbaar stof kan vrijkomen (als stofwolk) of waar afgezet brandbaar stof (stofafzetting) kan worden opgewerveld zodat een ontplofbaar stofluchtmengsel kan ontstaan. Om tot de indeling te komen zullen in de risicoanalyse ter opstelling van een zoneringsdossier de volgende vragen moeten worden beantwoord: . . (daarbij is te denken aan ontplofbare stof-luchtmengsels die in totaal minder dan 10 uur per jaar of aan stofafzettingen die in totaal minder dan 1000 uur per jaar aanwezig zijn). Zone 22: is een gebied waarbinnen tijdens normaal bedrijf de kans op aanwezigheid van een ontplofbaar stof-luchtmengsel gering is en waar dergelijke mengsels slechts kortstondig kunnen ontstaan ten gevolge van vrijkomen uit een gevarenbron en/of opwerveling van zelden aanwezig afgezet stof.

2 Systematisch opsporen van de gevarenbronnen Deze aanwezigheid van stof. . . zoals werkonderbrekingen (o. Deze kunnen ook op de website: http://www. Als systematiek om de potentiële gevarenbronnen op te sporen dient men de volledige installatie per eenheidsbewerking (inname grondstoffen. Per gebruiksfase dient ook nagegaan te worden welke werkzaamheden de operators moeten uitoefenen. (Voor uitleg over deze begrippen zie deel A.Normaal gebruik. defecten en storingen.dguv. etc.a. In de Nederlandse Praktijk Richtlijn (NPR 7910-2. Hierdoor kunnen literatuurgegevens vaak niet zomaar gebruikt worden.de/ifa/de/gestis/stoffdb/index. vochtigheid en deeltjesgrootte. zoals in het BIA-rapport 13/97 “Combustion and explosion characteristics of dusts waarin de explosiekarakteristieken van 4300 brandbare stoffen zijn weergegeven. noodstop). temperatuur. kan zowel binnen als buiten de apparatuur voorkomen. Volgende algemene gebruiksfasen kunnen beschouwd worden: . glimtemperatuur. opstart.3. Dit moet gebeuren voor iedere gebruiksfase van de apparatuur en installatie. intern transport en afvoer) te analyseren.Ongeplande.jsp gevonden worden. intern transport. Deze parameters zijn terug te vinden in de VIB’s (Veiligheids Informatie Bladen) of MSDS’en (Material Safety Data Sheets). Stofwolken en afzettingen zijn in de praktijk echter zeer heterogeen waardoor het inschatten van de juiste concentratie moeilijk wordt. De explosiekarakteristieken worden beïnvloed door de druk. is de volgende logische stap het inschatten van de concentratie. als stofwolk of als afzetting. De Europese Norm (EN 1127-1) stelt dat bij aanwezigheid van neergeslagen stof steeds rekening moet worden gehouden met de mogelijke vorming van een explosieve atmosfeer door opwerveling van de stofafzetting. 4. hoofdstuk 3).Voorzienbaar misbruik en/of verkeerd gebruik. minimale ontstekingstemperatuur (MOT). behandeling en verwerking grondstoffen. . Een explosie is immers slechts mogelijk bij een bepaalde concentratie. Men kan in daartoe uitgeruste laboratoria een monster laten onderzoeken. minimale ontstekingsenergie (MOE).Toevallige en niet-routinematige werkzaamheden zoals het uitvoeren van onderhoud en herstellingen. maar te verwachten gebeurtenissen. opgesteld door de fabrikant van een product) of in de literatuur. ©Nevedi handleiding 2005 ATEX-richtlijn 137 40 . 2008) staat als praktische hulpmiddel dat een ontplofbare stofwolk herkend kan worden wanneer het zicht minder dan 1 meter bedraagt. Wanneer brandbaar stof aanwezig is.Elke stofsoort heeft welbepaalde eigenschappen zoals korrelgrootte.

. leidingen.4. Voor stofwolken worden volgende gevarenbronnen geïdentificeerd: . opgeslagen volle zakken. koelers.De plaatselijke ventilatieomstandigheden in de omgeving van de gevarenbronnen. machines. overgangen (aanvoer. blowerinstallatie). elevatoren). met lucht vermengd. de omgeving van mangaten of andere openingen in silo’s.en bulkbeladingsinstallaties. Daarbij is te denken aan in totaal 10 tot 1000 uur per jaar.Primaire stofwolk: plaats waar te verwachten is dat er regelmatig of incidenteel tijdens normaal bedrijf brandbaar stof. .1: Mogelijke gevarenbronnen Binnen de apparatuur: Binnenkant van stortputten. filters). kan vrijkomen. de tijdsduur en de omstandigheden waarin de gevarenbronnen voorkomen. I-profielen). koppelingen. 22 of NGG) zal afhankelijk zijn van: .Tabel 4. Binnenkant van pneumatische transportsystemen (bv. Daarbij is te denken aan in totaal meer dan 1000 uur per jaar. snijder/zifter/schudder. hoppers en behandelingstoestellen (graantarwereiniger. voortdurend of gedurende langere perioden kan vrijkomen.4 TOEKENNING VAN DE GEVARENZONEKLASSE De klasse van de zone (20. persen. bijstortpunten.en afvoerpunt) op een open transportband. afblaas. 4. afzak.Continue stofwolk: plaats waar brandbaar stof. 4. vloeren. 21. flexibele verbindingen. Binnenkant van wacht. . Binnenkant van de stofafzuig. op horizontale vlakken van apparatuur.1 De aard van de gevarenbronnen De aard van de potentiële gevarenbronnen is bepaald door de frequentie.en weegbunkers. ©Nevedi handleiding 2005 ATEX-richtlijn 137 41 . mengers.De aard van de gevarenbronnen. luchtuitlaten. de zuigerinstallatie. vensterbanken. Binnenkant van bulkbeladings. kruimelaars).De mate van schoonhuishouden in de omgeving van stofafzettingen. ontsnappingskanalen. beschadigde behuizingen). STOFAFZETTINGEN op constructie-elementen (bv. ontlastingsopeningen in gesloten transport-systemen. zeven. silo’s. transportsystemen (schroeven. explosieluiken.en verzamelinstallaties (cyclonen. voedings. kleppen. trappen.en stuurkasten. op kabels en kabelgoten. monsternameen inspectiepunten. Buiten de apparatuur: STOFWOLKEN in de omgeving van stortputten.en afzakinstallaties. koppelingen (en dan voornamelijk dichtingen met rubberen ringen). redlers. molens.en afzuigpunten. niet-stofdichte delen (plaatwerk. stoffilters. met lucht vermengd.

Een primaire stofafzetting: dit is een plaats waar afgezet brandbaar stof regelmatig doch slechts gedurende korte perioden aanwezig is. De zone-indeling zal dan ook mede bepaald worden door de bedrijfszekerheid van de afzuiging. m.- Secundaire stofwolk: plaats waarvan het niet te verwachten is dat er tijdens normaal bedrijf brandbaar stof. Voor gevarenbronnen buiten de apparatuur geplaatst in een gesloten gebouw is het belangrijk na te gaan of er kunstmatige plaatselijke ventilatie aanwezig is en wat de bedrijfszekerheid is van die ventilatie. Goed uitgevoerde ventilatie met extra waarborgen: .1 mm kan reeds voldoende zijn om een ontplofbaar stof-luchtmengsel te creëren door opwerveling. . Met open gebouwen worden constructies bedoeld waar dezelfde ventilatieomstandigheden heersen als in de buitenlucht. Wanneer een dergelijke wolk wordt ontstoken kan de vlam immers terugslaan in de apparatuur. Goed uitgevoerde ventilatie: ( = gericht op de gevarenbron) . of een eventueel uitvallen van de ventilatie wordt onmiddellijk automatisch gesignaleerd en alle niet-explosieveilige elektrische apparatuur en eventuele andere ontstekingsbronnen in de betrokken ruimte worden automatisch uitgeschakeld. Daarbij is te denken aan in totaal meer dan 1000 uur per jaar (een stoflaagdikte van 0.w. ©Nevedi handleiding 2005 ATEX-richtlijn 137 42 . Een praktische richtlijn is dat gevaar aanwezig is als men zijn voetstappen op de vloer kan zien). Daarbij is te denken aan in totaal minder dan 10 uur per jaar. Daarbij is te denken aan in totaal minder dan 1000 uur per jaar.a. dan niet frequent en gedurende korte perioden. met lucht vermengd. voor een gevarenbron buiten de apparatuur. Voor stofafzettingen : . 4. Indien er een goede ventilatie is wordt de aanwezigheid van stofafzettingen of stofwolken minder waarschijnlijk. Dit is echter wel het geval voor plaatsen waar een stofwolk kan ontstaan die rechtstreeks in verbinding staat met de binnenkant van apparatuur.Een continue stofafzetting: dit is een plaats waar brandbaar stof voortdurend wordt afgezet ofwel een laag afgezet stof gedurende langere perioden aanwezig is. regen en andere weerscondities is in het algemeen in de buitenlucht. Dit is niet het geval voor kunstmatige ruimtelijke ventilatie. Volgende onderscheid wordt gemaakt in het type van ventilatie (definitie zoals opgenomen in de NPR 7910-2): a. elk met een aparte voeding.2 Ventilatie in de omgeving van de gevarenbron Vanwege het effect van wind. Voorbeelden van dergelijke plaatsen zijn de uitlaat van een drukontlastingssysteem en de ontluchting van een stoffilter. een zone-indeling overbodig.Gewaarborgde continuïteit doordat een eventueel uitvallen automatisch wordt gesignaleerd en hersteld. Met kunstmatige plaatselijke ventilatie wordt luchtverversing op de plaats van de gevarenbron bedoeld. kan vrijkomen. Dit is echter niet het geval als de afzuiging uitvalt.Gewaarborgde continuïteit door een dubbele afzuiging (1 effectieve en 1 reserve) te voorzien. Hierdoor kan de klasse of afmeting van de gevarenzone gereduceerd worden. Indien dit vrijkomen wel gebeurt. Een andere factor die van belang is voor de bepaling van de zoneklasse is de ventilatie in de omgeving van de gevarenbronnen.4. Volgens de NPR 7910-2 dienen open gebouwen echter voor wat de ventilatiecondities betreft te worden behandeld als een gesloten gebouw. Bij uitval van de in werking zijnde afzuiging b. Dergelijke ventilatie kan immers bij de opstart stofafzettingen doen opwervelen en een ontplofbare stofwolk veroorzaken! Wanneer de afzuiging in werking is zal de gevarenzone zeer klein zijn. het stof wordt ter plaatse verwijderd door een stofafzuiginstallatie.

voorbeeld is de bakken van TL verlichting. De praktijk van schoonhuishouden dient in interne procedures vastgelegd te worden. ©Nevedi handleiding 2005 ATEX-richtlijn 137 43 .4. die beantwoordt aan de bepalingen zoals hierboven aangegeven. 4. Het is aangewezen een logboek met de reinigingsacties bij te houden. Deze Flow-schema’s vindt men terug in de bijlage I over zonering. zoveel mogelijk horizontale oppervlakken vermijden (geen horizontale I-profielen.c. waarop automatisch overgeschakeld wordt bij storing van het openbare net. Een verklaring terzake kan aan het zoneringsdossier toegevoegd worden. en is in ieder geval alleen maar toegestaan als alle potentiële ontstekingsbronnen uitgeschakeld of voldoende beheerst zijn. 4.4. zodat het traceerbaar en gewaarborgd is. de ventilatiecondities en de mate van schoonhuishouden kunnen de zoneklasses bepaald worden aan de hand van de Flow-schema’s zoals opgenomen in de NPR 7910-2: 2008. omkasten van apparatuur. kabelbanen verticaal geïnstalleerd) installeren van een drager op een deur. Bij voorkeur wordt gebruik gemaakt van stofzuiginstallaties of wordt er nat gereinigd. Uiteraard mogen ook op hoger gelegen horizontale oppervlakken geen (overmatige) stofafzettingen voorkomen. Een praktische richtlijn is daarom dat gevaar aanwezig is als men zijn/haar voetstappen op de vloer kan zien.3 Schoonhuishouden De werkgever heeft er alle belang bij dat de stofafzettingen tot een minimum beperkt blijven. In de meeste gevallen is een stoflaagdikte van 1 mm reeds voldoende om een ontplofbaar stof-luchtmengsel te creëren. Hiervoor kan gebruik gemaakt worden van de GMP+-documenten. Immers door het toepassen van de praktijk van schoonhuishouden kunnen een aantal stofafzettingszones beperkt worden in omvang en/of zoneklasse. Bovendien moet een dubbele afzuiging zijn uitgevoerd.4 Flow-schema’s ter bepaling van de zoneklasse Op basis van de verzamelde informatie betreffende de aard van de gevarenbronnen. warme luchtblazers en ruimtelijke ventilatie zo aanpassen dat geen gevaar bestaat voor opwerveling van stof. Deze vorm van “voorwaardelijke zonering” kan ook toegepast worden voor andere maatregelen die de stofhuishouding verbeteren: plaatsen van stofafzuigingen of de bedrijfszekerheid van stofafzuigingen verhogen. Gelijkwaardig alternatief Dit dient duidelijk beargumenteerd te worden. start automatisch de reserve op. én indien ook deze niet opstart of uitvalt volgt automatische afschakeling van alle niet-explosieveilige elektrische apparatuur en eventuele andere ontstekingsbronnen in de betrokken ruimte. aanpassen van arbeidsplaatsen zoals dichtmaken van openingen in muren en wanden. Onder schoonhuishouden wordt verstaan een zodanig reinigingsprogramma dat geen stofafzettingen voorkomen die bij opwerveling kunnen leiden tot een ontplofbaar stofluchtmengsel. Bij de formulering van de zoneklasse en de zone-afmetingen kan met de praktijk van schoonhuishouden rekening gehouden worden door er bij te vermelden “dit vervalt als de praktijk van schoonhuishouden wordt toegepast”. Het bedrijf dient zich strikt te houden tot het toepassen van de praktijk van schoonhuishouden. Het reinigen met perslucht dient zo niet verboden dan toch zo veel mogelijk beperkt te blijven. Goed uitgevoerde en absoluut gewaarborgde ventilatie: Dit houdt in dat er naast een voeding via het openbare net nog een volledig onafhankelijke voeding voorzien is. d.

4.4.5 AFMETINGEN VAN DE GEVARENZONEKLASSE 4. Ook de ventilatieomstandigheden beïnvloeden de vorm van een stofwolk.5. Indien wel aan de eisen van schoonhuishouden wordt voldaan kunnen de afmetingen van de gevarenzone beperkt blijven tot een geprojecteerd vlak van 3 meter rondom de afzettingsplaatsen.2 De afmeting van een stofafzetting Wanneer niet aan de eisen van schoonhuishouden wordt voldaan moet de volledige ruimte tot een hoogte van 2 meter worden gezoneerd.1 De afmetingen van een stofwolk Een stofwolk valt ten gevolge van de zwaartekracht naar beneden. Bij installaties waar veel gevarenbronnen aanwezig zijn wordt aanbevolen de gehele installatie met haar omhulling als een gevarenbron te beschouwen. De zone strekt zich dan uit van de onderliggende stofdichte vloer tot 2 meter boven de stofafzetting. 4. is hierna bijgevoegd.5. gebaseerd op de NPR 7910-2. Door luchtverplaatsingen in de omgeving van de gevarenbron wordt het stof ook zijwaarts verplaatst. Daarom is het aan te raden de vorm en afmetingen van een stofwolk te bepalen door eigen observaties (=praktijkinspectie).5. Bij stuivend stof zal er ook verspreiding optreden rondom het emissiepunt. Opnieuw is het aan te raden via praktijkinspectie de werkelijk vorm en afmetingen van een stofafzetting na te gaan. Een stofwolk kan echter ook vrijkomen met een puls. Een overzichtstabel.3 Samenvattende tabel afmeting stofwolken en stofafzetting ©Nevedi handleiding 2005 ATEX-richtlijn 137 44 .

Deuren. kleppen enz.Dubbel uitgevoerde stofdichte muren. ©Nevedi handleiding 2005 ATEX-richtlijn 137 45 . . luiken en kleppen enz. Hiermee kunnen de afmetingen van het gezoneerde gebied worden beperkt. de ventilatieverdeling e.4 Zonering van aangrenzende ruimtes omwille van stofverplaatsing Stofdichte muren. waarin zich op dat moment een ontplofbaar stof-luchtmengsel kan bevinden. De deuren enz.6. behoren te zijn voorzien van opschriften die de bijzondere functie van de sluisruimte en de verplichting te sluiten vermelden. De sluisruimte wordt ingedeeld in de klasse van de zwaarste geklasseerde aangrenzende zone. Als zone sluis kunnen worden gebruikt: . 4 In deze tabel wordt er vanuit gegaan dat het stof weinig of niet verstuivend is.d. daken en zonesluizen kunnen als stofdichte afscheiding tussen een gezoneerd gebied en NGG worden beschouwd. e. Deze zonesluizen worden als gevarenbron voor het naastliggende gebied geschouwd. luiken.5. 5 De mogelijke aanwezigheid van een ruimtelijke (kunstmatige) ventilatie wordt niet in beschouwing genomen daar het effect van de mate van ventilatie. die normaal stofdicht en gesloten zijn en die weinig frequent worden geopend..) kunnen deze structuren worden gebruikt als de rand van het gezoneerd gebied.v. 4. Open gebouw Behandelen zoals in gesloten gebouw Gesloten gebouw én geen ventilatie 3m rondom de afmetingen van de stofwolk Gesloten gebouw én ruimtelijke 3m rondom de afmetingen van de stofwolk (kunstmatige) ventilatie of goed uitgevoerde (= gericht op de gevarenbron ) kunstmatige plaatselijke ventilatie al dan niet met extra waarborgen én vergrendeld met de installatie Gesloten gebouw én goed uitgevoerde Directe invloedsfeer van de ventilatie kunstmatige plaatselijke ventilatie met absolute waarborg Aangrenzende ruimten Aanwezigheid stofdichte afscheidingen na te gaan STOFAFZETTINGEN Open gebouw Behandelen zoals in gesloten gebouw Gesloten gebouw én geen praktijk van De gehele ruimte tot een hoogte van 2m boven de schoonhuishouden 5 afzettingsplaatsen Gesloten gebouw én praktijk van 3m rondom afzettingsplaatsen en daaronder tot een schoonhuishouden hoogte van 2m boven de stofafzetting Aangrenzende ruimten Aanwezigheid stofdichte afscheidingen na te gaan Voor meer informatie zie NPR 7910-2 paragraaf 5.Tabel 4. Heeft men toch te maken met stuivend stof dan dient de gehele ruimte beschouwd te worden als gevarenzone. Deze sluis hoeft niet als gevarenbron voor het naastliggende gebied te worden beschouwd.2: Overzichtstabel afmetingen stofwolken en stofafzettingen STOFWOLKEN (opgewerveld stof )4 Plaats Zone-afmetingen (indicatief) Buiten 1m rondom de afmetingen van de stofwolk. Bij de afbakening van een gezoneerd gebied door stofdichte mechanische structuren (muren enz. luiken kleppen enz. Indien de stofwolk rechtstreeks in verbinding staat met de binnenkant van apparatuur. De toegepaste deuren. moeilijk te kwantificeren zijn. behoren zelfsluitend te zijn en mogen niet in open stand kunnen worden geblokkeerd.

8 Motivatie en Beoordeling II.10 Plattegronden en technische plannen ©Nevedi handleiding 2005 ATEX-richtlijn 137 46 .4 Inventarisatie Stofafzetting Gegevens voor Stamkaart Arbeidsmiddel II.5.1 Beschrijving productieproces I.2 Stamkaart arbeidsmiddel III.2 Neem de vragenlijst door I.6 Maatregelen technische en organisatorisch I.7 Alternatieve maatregelen I.5 Overige gevarenbron(en) I.9 Gevarenzones Gegevens voor Stamkaart Afdeling I.3 Plan van aanpak I.1 Stamkaart afdeling H2 wet of III.2 Inventarisatie grondstoffen I.1 Neem de checklijst organisatorische maatregelen door II. FLOW-SCHEMA: PLAN VAN AANPAK EXPLOSIEVEILIGHEIDSDOCUMENT Ja Ja Ja Bekend met de theorie en wetgeving? Is de fabriek gezoneerd? Bent u in het bezit van een explosieveiligheidsdocument? Nee Neem deel A door Volg de werkwijze van bijlage I deel B Nee Volg de werkwijze bijlage II van deel C Nee Volg de werkwijze bijlage III van deel C H1 theorie I.3 Inventarisatie Stofwolk I.

BIJLAGE I: ZONERING ©Nevedi handleiding 2005 ATEX-richtlijn 137 47 .

: NPR 7910-2) Is de stofwolk langer dan 1000 uur/jaar aanwezig ? nee ja Langer dan 10 uur/jaar ? nee ja Continue stofwolk Primaire stofwolk Secundaire stofwolk Goed uitgevoerde kunstmatige plaatselijke ventilatie ? ja Goed uitgevoerde kunstmatige plaatselijke ventilatie ? nee Met extra waarborgen? ja Goed uitgevoerde kunstmatige plaatselijke ventilatie ? ja ja Absolute waarborg ? ja nee nee Met extra waarborgen? nee nee ja nee Zone 20 Zone 21 Zone 22 NGG * NGG = niet gevaarlijk gebied ©Nevedi handleiding 2005 ATEX-richtlijn 137 48 . (Ref. Bepaling van de zoneklasse als gevolg van opgewerveld stof.1.Figuur I.

Bepaling van de zoneklasse als gevolg van een stofafzetting.: NPR 7910-2) Kan de stofafzetting een stofwolk vormen ? nee ja Stofafzetting langer dan 1000 uur/jaar aanwezig nee ja Continue stoflaag Primaire stoflaag Schoonhuishouden ? ja nee nee Schoonhuishouden? ja Zone 21 Zone 22 NGG ©Nevedi handleiding 2005 ATEX-richtlijn 137 49 .2.Figuur I. (Ref.

(deel C). Hiervoor kan mogelijks ook verwezen worden naar de reeds eerder uitgevoerde stofexplosiestudie in het kader van de milieuvergunning.1 de stofklasse.de website: http://www.22 en NGG Nr Nr. Het stappenplan bestaat uit negen stappen.1 Opbouw Zonering 111 1 Beschrijving procesonderdeel 2 Grondstof soort Stofklasse grondstof 3 Stofwolk : uren/ jaar Aard Stofwolk: Continu. de milieuvergunningsaanvraag zelf of het GMP-dossier. Bij gebruik van een grondstof die niet stofklasse 1 is.de veiligheidsinformatiebladen van de betrokken producten. Dezelfde nummering zal bij de risicoanalyse worden gebruikt. Stel een beschrijving op van het productieproces. 2. Raadpleeg hiervoor: . De ingevulde tabel I. Noteer de verschillende procesonderdelen (de verdeling van de fabriek) in de tweede kolom van tabel I. dient de tabel I. Noteer tevens in tabel I. Of andere documenten waarin het proces beschreven is. tussenproducten.1 dient als basis voor de risicoanalyse.primaire of secundaire Afzuiging: Ja / Nee Afmeting Stofwolk 4 Stofafzetting: uren/ jaar Schoon Huishouden Ja/ Nee Aard Stofafzetting: continu/primaire of secundaire Afmeting Stofafzetting 5 Overige gevarenbron(en) 6 Organisatorische maatregelen: Ja / Nee 7 Alternatieve maatregelen 8 Motivatie & Beoordeling 9 Gevarenzone: 20.hvbg. Stel een inventaris op van de betrokken grondstoffen. De bovenstaande tabel is op twee manieren in te vullen. ©Nevedi handleiding 2005 ATEX-richtlijn 137 50 . . eindproducten en afvalstoffen. 1.1.21. bijproducten.2 ingevuld te worden. De eerste mogelijkheid is per kolom en de andere mogelijkheid is per rij.de/e/bia/fac/expl/index. Nummer de verschillende onderdelen van het proces.html. De uitwerking van het stappenplan zal per rij zijn.STAPPENPLAN Tabel I.

de aard. Voor een gelijkwaardig alternatief dient argumentatie te worden toegevoegd.5 deel B. 3. Voor definities zie paragraaf 4. Over ventilatie kunt u informatie lezen in paragraaf 4.of vrijkomingsfrequentie ervan na te gaan. Over de afmetingen van de gevarenzone kunt u informatie lezen in paragraaf 4. Bepaal voor de gevarenbronnen STOFWOLKEN buiten de apparatuur de aantal uren/ jaar aanwezigheid.Tabel I.2 Open of gesloten gebouw: Géén ventilatie: Klasse van de gevarenzone is dezelfde als deze van de gevarenbron. De gegevens dienen ingevuld te worden in tabel I. ©Nevedi handleiding 2005 ATEX-richtlijn 137 51 . mits de stofwolk in verband staat met appartuur. de afmeting en de ventilatieomstandigheden in de omgeving van de gevarenbron. 3.1 kolom 3.5 deel B.4 deel B.1 Buiten: Klasse van de gevarenzone is dezelfde als deze van de gevarenbron.2 Fysische eigenschappen Minimale ontstekingsenergie (MJ) Bovenste explosiegrens (g/m³) Onderste explosiegrens (g/m³) Minimale ontstekingstemperatuur (° C) Geleidbaarheid (Ohm) Glimtemperatuur (° C) Granulometrische samenstelling (mm) Maximale drukstijgsnelheid (bar/s) Bron vermelding Maximale ontploffingsdruk ( bar ) Productgroep omschrijving Kst waarde Stofklasse Product (en bij welke eenheids bewerking) 3. De aard van de gevarenbronnen wordt bepaald door de optredings.4 van deel B. Over de afmetingen van de gevarenzone kunt u informatie lezen in paragraaf 4.

Ga na wat de bedrijfszekerheid van de afzuiging is. Verzamel voor de technische maatregelen de beschikbare technische documentatie en attesten.1 kolom 4 5. molens.Kunstmatige plaatselijke ventilatie: . o ‘goed uitgevoerde ventilatie’ o ‘goed uitgevoerde ventilatie met extra waarborgen’ o ‘goed uitgevoerde ventilatie met absolute waarborg’ .1 kolom 5). silo. De gegevens dienen ingevuld te worden in tabel I.5 deel B. 6. procedures.5 deel B. overdruk. Verzamel voor de organisatorische maatregelen de beschikbare schriftelijke instructies.Gelijkwaardig alternatief De klasse van de gevarenzone kan afgeleid worden uit figuur I. interne stofafzuiginstallatie. 4.3) als leidraad. Over de afmetingen van de gevarenzone kunt u informatie lezen in paragraaf 4. Daarbij dient rekening te worden gehouden met binnen en buiten de apparatuur. . Ga na of en welke maatregelen (technisch/organisatorisch) getroffen zijn om de vorming van een gevaarlijke explosieve atmosfeer afdoende te voorkomen. . inventariseer de aard van de gevarenbronnen per afdeling (tabel I. etc.4 van deel B.Ga na of de afzuiging een voldoende capaciteit heeft. ©Nevedi handleiding 2005 ATEX-richtlijn 137 52 . stortbunker.1.Ga na of de afzuiging zich in de directe nabijheid bevindt van de plaats waar de brandbare stof vrijkomt. Daarbij moet gedacht worden aan vrijkomende stofwolken. . De aard van de gevarenbronnen wordt bepaald door de optredings.of vrijkomingsfrequentie ervan na te gaan.Ga na of de werking van de installatie vergrendeld is met de afzuiging. Voor definities zie paragraaf 4. zakvulinstallaties. Bepaal voor de gevarenbronnen “Stofafzettingen” de klasse en afmetingen van de gevarenzones door na te gaan of er al dan niet een praktijk van schoonhuishouden is. Gebruik hierbij de checklist (tabel I. zowel binnen als buiten de apparatuur. Identificeer. pneumatisch transport. Over de afmetingen van de gevarenzone kunt u informatie lezen in paragraaf 4.

3 Nr Checkpunt J N Nvt Getroffen maatregelen / opmerkingen Afdeling 1. of met stofvormige inerte stoffen zoals CaSO4.1). Tabel I. . De veiligheidsmarge tussen de experimenteel bepaalde zuurstofgrensconcentratie en de maximaal toelaatbare zuurstofconcentratie is bepaald. en de tijdsvertraging voor de inwerkingtreding van geactiveerde voorzorgsmaatregelen?) Is bij de inertisering met waterdamp rekening gehouden met de invloed van condensatie? . BINNEN DE APPARATUUR 1. Is er rekening mee gehouden dat na bijmenging van toereikende hoeveelheden zuurstof of lucht (bijv. edelgassen. Inwerken op de brandbare stof: Vervanging van de brandbare stof? Vergroten van de korrelgrootte? Verhogen van de vochtigheid? In alle bedrijfsomstandigheden en ook bij (zeldzame) storingen verzekerd? Toevoegen van pasteuze producten? Geen gevaar voor ontmenging in alle bedrijfsomstandigheden en ook niet bij (zeldzame) storingen? 1.Bij alle storingen (ook diegene die zelden voorkomen). NH3PO4.waterdamp.2. ©Nevedi handleiding 2005 ATEX-richtlijn 137 53 . bij uitstoot in de buitenlucht) een inert mengsel niet opnieuw explosief wordt? . steenmeel Na-hydrogeencarbonaat): De vorming van een explosief mengsel is onder alle bedrijfsomstandigheden met zekerheid verhinderd.registratieformulieren en dergelijke. Noteer (summier) de belangrijkste informatie over deze maatregelen bij de beschrijving van de activiteiten van de onderneming (tabel I. ook bij opstart en stilleggen).1. Inertisering (met gasvormige inerte stoffen zoals N2. Hou met deze informatie rekening bij de bepaling van de gevarenzones zoals beschreven in de volgende stappen. .In alle bedrijfsomstandigheden (bv ook bij opstart en stilleggen). en is te allen tijde verzekerd. (Er is dus rekening gehouden met door een bedrijf en storingen veroorzaakte plaatselijke en tijdelijke schommelingen. CO2.Bij alle storingen (ook diegene die zelden voorkomen).In alle bedrijfsomstandigheden (bijv.

1. BUITEN DE APPARATUUR 2.3.In alle bedrijfsomstandigheden (bijv ook bij opstart en stilleggen). ORGANISATORISCHE MAATREGELEN ©Nevedi handleiding 2005 ATEX-richtlijn 137 54 . . zuurstof) Heeft de MRT – inrichting een voldoende grote betrouwbaarheid? . Registratie van de reiniging? 3. Gesloten en dichte apparaten en installaties : Zijn de apparaten / installaties gesloten en dicht? (bijv.Bij alle storingen ( ook diegene die zelden voorkomen). concentratie inerte stof.In alle bedrijfsomstandigheden (bijv ook bij opstart en stilleggen). in werking stellen. Voorkomen van stofafzettingen in de apparatuur : Apparatuur constructief zo aanpassen dat stofafzettingen gemakkelijk en veilig kunnen gereinigd worden (bijv. . Maatregelen voor het verwijderen van stofafzettingen (voornamelijk voorkomen van secundaire stofexplosies) Natte reiniging of centrale ( verdient de voorkeur) of mobiele stofzuiger. Reinigingsprogramma opgesteld (met registratie) Stofafzuigingen na einde van de werkzaamheden nog tijdje laten werken 2. inspectieluiken en dergelijke voorzien van veiligheidscontacten): . bewaking vochtigheid. welke? ( bijv.2 Ventilatie en afzuiging : Wordt gebruikgemaakt van ventilatie – of afzuigingsmaatregelen met voldoende capaciteit en bedrijfszekerheid? .Nr Checkpunt J N Nvt Getroffen maatregelen / opmerkingen Afdeling 1. 2. MEET – & REGELTECHNIEK (MRT.Bij alle storingen (ook diegene die zelden voorkomen). 4.Bij alle storingen (ook diegene die zelden voorkomen). 2. controleren en handhaven van beschermingsmaatregelen ) Wordt ter voorkoming van het ontstaan van een gevaarlijke explosieve atmosfeer gebruik gemaakt van MRT? Zo ja. openingen in de afzuigleidingen).In alle bedrijfsomstandigheden (bijv. . omkaste filtermouwen. ook bij opstart en stilleggen).3.

Opmerking: De gevarenzone-indeling dient goedgekeurd te worden door de werkgever. om tot de gevast gestelde zone-indeling te komen. Bij gebruik van gelijkwaardige alternatieven kolom 7 invullen. Motiveer en beoordeel wat is ingevuld in de tabel I. specificeer.Periodiek en preventief onderhoud? Zo ja. . specificeer. 10. 9.1 kolom 9.Worden de werknemers geschoold? Zo ja. Beschrijf zo nauwkeurig mogelijk de vastgelegde gevarenzones. 8. . Hoe wordt verzekerd dat de organisatorische maatregelen ook uitgevoerd worden? J N Nvt Getroffen maatregelen / opmerkingen Afdeling 7. Duidt de vastgelegde gevarenzones 20/21/22/NGG aan op de grondplannen en technische plannen (bovenaanzicht en/of zijaanzicht en/of dwarsdoorsnede). ©Nevedi handleiding 2005 ATEX-richtlijn 137 55 .1. specificeer. .Nr Checkpunt Worden organisatorische maatregelen getroffen om de doeltreffendheid van de technische maatregelen te waarborgen? Zo ja welke? .Bedrijfsinstructies? Zo ja. De gegevens dienen ingevuld te worden in tabel I.Wordt gebruik gemaakt van gekwalificeerde medewerkers? Zo ja. specificeer.

DEEL C ©Nevedi handleiding 2005 ATEX-richtlijn 137 56 .

Rookverbod en een procedure voor het uitschrijven van vuurvergunningen. Hierbij moet uitgelegd worden wat de getroffen en de voorzorgsmaatregelen (organisatorisch en technisch) zijn en wat gedaan moet worden bij noodsituaties.Het toepassen van een nieuwe technologie (grondstoffen.Preventief onderhoud van de installaties. Voorkomen of beperken van schade zoals: .1 ORGANISATORISCHE MAATREGELEN De doeltreffendheid van getroffen (of te treffen) technische maatregelen kan vaak slechts gewaarborgd worden indien een aantal belangrijke en noodzakelijke organisatorische maatregelen voorafgaand is toegepast.Het (ver)plaatsen van elektrische apparatuur buiten de gevarenzones.Het gebruik van pneumatisch gereedschap i. .Het veranderen van functie of afdeling. kan nagegaan worden welke ontstekingsbronnen wanneer (tijdens welke gebruiksfase van de installatie en bij welke werkzaamheden) in welke gevarenzone (kunnen) aanwezig zijn. . Daarmee rekening houdend dienen een aantal preventie. én wat hun doeltreffendheid of relevantie is.Het veranderen of in dienst nemen van nieuwe arbeidsmiddelen. .Explosiedrukontlastingsystemen.p.en beheersmaatregelen getroffen te worden. Bij het formuleren van beheersmaatregelen moet rekening gehouden worden met een zogenaamde preventiehiërarchie.6. . Deze organisatorische beheersmaatregelen moeten eerst uitgevoerd worden om daarna met enige efficiëntie meer toestelspecifieke maatregelen uit te voeren. ©Nevedi handleiding 2005 ATEX-richtlijn 137 57 . . Vermijden dat de ontstekingsbronnen ook daadwerkelijk actief en effectief kunnen worden zoals: .p. . . metalen bakken in een elevator.v. arbeidsmiddelen) Tijdens de opleiding dienen ten minste aan bod te komen waar. .Aangepaste elektrische apparatuur. De organisatorische maatregelen die steeds gelden en getroffen moeten worden vooraleer de toestelspecifieke maatregelen genomen worden zijn: a.Aarden van geleidende delen voor de afvoer van statische elektriciteit. 6. elektrische apparatuur. In dit hoofdstuk zullen eerst organisatorische maatregelen besproken worden. Nu de gevarenzones gekend zijn. .Het gebruik van kunststofbakken i. Opstellen van een procedure voor de opleiding van de eigen werknemers bij: .Het gebruik van vonkvrij gereedschap. .v.Het in dienst treden (voor aanvang werkzaamheden).Explosieonderdrukkingssystemen. . 3. RISICOANALYSE ONTSTEKINGSBRONNEN EN MOGELIJKE GEVOLGEN In de zonering is bekeken hoe brandbaar stof weggenomen en beheerst kan worden. In volgorde van belangrijkheid moeten de volgende maatregelen getroffen worden: 1. 2.Interne interventieploeg en intern noodplan. hoe en wanneer er explosiegevaar is of kan zijn. Vermijden / beperken van ontstekingsbronnen in gevarenzones zoals: .

Beide stappen zijn wel verplicht voor de aanvullende eisen opgenomen in de bestelbon of voor aspecten die niet gedekt worden door dit keurmerk of door die controle. Het doel van deze procedure is te voorkomen dat door de aankoop van arbeidsmiddelen nieuwe en ongekende risico’s in het bedrijf worden binnengebracht. ©Nevedi handleiding 2005 ATEX-richtlijn 137 58 . slijpen) of de zogenaamde vuurvergunning. Opstellen van een procedure voor het uitschrijven van werkvergunningen door een bevoegd persoon: Deze procedure dient voor: o Werkzaamheden met open vlam (lassen. De bestelbon bij de bestelling dient de eis tot naleving van de vigerende wetten en reglementen inzake veiligheid en hygiëne (en eventueel bijkomende voorwaarden) te bevatten. wordt schriftelijk ondersteund (o.De opleiding wordt op regelmatige tijdstippen herhaald. De werknemers dienen steeds te kunnen beschikken over de bedienings. c. stilleggen motor. aansluiten op aardingsklem. o Werkzaamheden in besloten ruimtes (silo’s. De werkgever organiseert het toezicht op de naleving van de instructies. De 2 laatste stappen zijn niet van toepassing voor zaken die een merk van goedkeuring dragen (bv machines met CE-markering). Op die manier wordt voorkomen dat grondstoffen zouden worden verwerkt die ontstekingsgevoeliger zijn zonder dat men daarvan op de hoogte is (bv. De CE keuring geeft aan dat voldaan is aan de huidige wetgeving. én alle overige relevante informatie. Ook voor de collectieve en persoonlijke beschermingsmiddelen bestaan analoge wettelijke verplichtingen. 3. concentratie hexaan in schroot of stofklasse 3 grondstoffen) De instructies voor de inname van de grondstoffen maken melding van: o De gevaren en risico’s bij inname. 2. het ontstoppen van leidingen). Betreffende het gebruik van arbeidsmiddelen wordt de werkgever verplicht de zogenaamde bestelprocedure bij aankoop en ingebruikname van nieuwe arbeidsmiddelen toe te passen. rookverbod) d. b.m. Bij de levering dient een attest meegeleverd te worden waarin de leverancier verklaart dat voldaan is aan de eisen opgenomen in de bestelbon. bunkers). Opstellen van een procedure en instructies voor de inname van nieuwe grondstoffen: De procedure moet voorzien in een controle van de relevante veiligheidsparameters van de grondstoffen. Opstellen van een procedure voor de bestelling en het in gebruik nemen van (nieuwe) arbeidsmiddelen (inclusief draagbare en mobiele arbeidsmiddelen) en de collectieve en persoonlijke beschermingsmiddelen.of herstelwerkzaamheden (bv. o De te treffen maatregelen (zoals de plaats van de vrachtwagen. De procedure bestaat uit drie stappen: 1. Vóór de ingebruikname dient de interne preventieadviseur een verslag op te maken waaruit de naleving blijkt van de vigerende wetten en reglementen inzake veiligheid en hygiëne en de bijkomende voorwaarden opgenomen in de bestelbon. o Eventueel andere (risicovolle) onderhouds.en veiligheidsinstructies. schriftelijke procedures en instructies) en wordt geregistreerd.

kunnen gebundeld worden. o Een smeringsprogramma. o Apparatuur en middelen die nodig zijn voor collectieve en persoonlijke bescherming. e. h. installaties en beveiligingssystemen: Preventieve onderhoudsschema’s moeten storingen voorkomen en de goede werking garanderen. arbeidsmiddelen en arbeidsplaatsen. en f.indeling). o Aanvaarding en bevestiging van de afspraak. het ontstoppen van leidingen).In de werkvergunning staan minimaal de volgende gegevens: o De locatie en aard van de werkzaamheden. o De noodzakelijke voorzorgsmaatregelen (waarbij de verantwoordelijke persoon de voorzorgsmaatregelen aftekent om te laten zien dat deze maatregelen zijn genomen).en herstelwerkzaamheden (bijv. De reparaties en revisies van elektrische en niet-elektrische apparatuur en beveiligingssystemen (uit de gevarenzones) gebeuren door een bevoegd persoon of firma. Er zijn schriftelijke instructies opgesteld en toegelicht voor het uitvoeren van onderhouds. ©Nevedi handleiding 2005 ATEX-richtlijn 137 59 . Een passende markering van de arbeidsmiddelen en beschermingsmiddelen moeten verkeerd gebruik uitsluiten. g. o Het in beslag nemen en weer in gebruik nemen van installaties. o Controle van (het blijven bestaan van) de veiligheid van de installatie. werkkleding en persoonlijke beschermingsmiddelen in de gevarenzones: Op die manier wordt verzekerd dat de draagbare en mobiele arbeidsmiddelen en de persoonlijke beschermingsmiddelen aangepast zijn aan de zoneklasse (beschermingsgraad en beveiligingscategorie) waarin ze gebruikt worden. o Wanneer de werkzaamheden beginnen en wanneer ze naar verwachting eindigen. Opstellen van procedures en instructies voor onderhoudswerkzaamheden: Volgende procedures dienen voorzien te worden: o Melding en opvolging van defecten en gevaarlijke situaties.a. Opstellen van procedures en instructies voor het gebruik van draagbare en mobiele arbeidsmiddelen. o De gevaren. Daarbij kan gebruik worden gemaakt van de informatie van de fabrikant en bevatten o. o Alle betrokkenen op de hoogte stellen van het einde van de werkzaamheden. o Een periodieke controle (of meting) van de elektrische conductiviteit van de verschillende mechanische elementen ten einde accumulatie van statische elektriciteit te vermijden. f. Opstellen van een procedure voor de reiniging van arbeidsplaatsen en -middelen: Dit komt neer op het toepassen van de praktijk van schoonhuishouden (zie ook de gevarenzone.: o Een periodieke visuele controle en een periodieke uitlijning van bewegende delen. Er dient voorzien te worden in de schriftelijke registratie van de uitgevoerde werkzaamheden. Opstellen van een procedure voor periodiek & preventief onderhoud van arbeidsplaatsen. arbeidsmiddelen. Procedures voor e.

Hierop kunnen de genomen maatregelen aangevinkt worden. Een schriftelijke registratie van de controles en de gevolgen die er aan gegeven worden zijn noodzakelijk. Opstellen van een procedure voor de planning. én dat de eigen werknemers niet blootgesteld worden aan nieuwe (ongekende) risico’s te wijten aan de uitvoering van die werkzaamheden. Opstellen van een procedure voor het “Werken met derden“: Hiermee worden werkzaamheden bedoeld waarbij werknemers betrokken zijn van vreemde werkgevers. De procedure moet verzekeren dat de controles tijdig uitgevoerd worden.i. uitvoering en opvolging van de periodieke controles: Elektrische installaties. de verwarmingsinstallaties. Dit noodplan moet toegelicht worden aan de betrokken werknemers en regelmatig worden geoefend. en (schriftelijk vastgelegde) afspraken m. uitvoering en opvolging van de periodieke controles: Elektrische installaties. explosie). de noodverlichting e. stoomtoestellen. De procedure moet verzekeren dat de controles tijdig uitgevoerd worden en er passend gevolg gegeven wordt aan de vastgestelde afwijkingen. persluchtvaten en hefwerktuigen moeten periodiek gecontroleerd worden. o De te treffen maatregelen in geval van nood of storingen. er passend gevolg gegeven wordt aan de vastgestelde afwijkingen. Indien de werkzaamheden plaats vinden in (of in de buurt van) gevarenzones zal aandacht moeten worden besteed aan: o De bijzondere voorwaarden voor de uitvoering van de werkzaamheden. de waarschuwingsen alarmeringsmiddelen. Opstellen van een procedures in het geval van nood: De werkgever is verplicht een zogenaamd intern noodplan op te stellen waarin duidelijk vermeld wordt wie wat en hoe moet doen in het geval van nood (brand. Rookverbod: Overal. Het hoofddoel van deze procedure is er voor te zorgen dat de werknemers van een bedrijf van buitenaf die werkzaamheden komen uitvoeren een gelijkwaardige bescherming hebben als de eigen werknemers. m. Daarnaast dient ook de bhv geregeld te zijn. brandbestrijdingsmiddelen. ©Nevedi handleiding 2005 ATEX-richtlijn 137 60 . te treffen preventiemaatregelen. o De specifieke maatregelen ter bescherming tegen het explosiegevaar. j.b. k. moeten periodiek gecontroleerd worden door een bevoegd persoon. o De explosiegevaarlijke plaatsen. l. In de procedure zal dan ook een wederzijdse uitwisseling van informatie moeten zijn voorzien.d.t. Als geheugensteun staan de bovenvermelde organisatorische maatregelen opgesomd in bijlage III deel C tabel III.1 “Extra informatie”. Opstellen van een procedure voor de planning.

w.z. eerst moeten worden geïnventariseerd. Bliksem. 10. 3. 8. zoals de minimale ontstekingsenergie van stofwolken. kunnen we ons omwille van het bovenstaande beperken tot het opvragen van het controleverslag van de elektrische installaties en toestellen in de gevarenzones. Elektrische installaties en .2 ALGEMENE TECHNISCHE MAATREGELEN 6. Vlammen (open vuur ) en hete gassen. veroorzaakt door de vast opgestelde elektrische apparatuur en installaties. 6.materieel. Voor nadere uitleg over de betekenis van deze begrippen wordt verwezen naar hoofdstuk 2 van Deel A van deze handleiding.a. De doeltreffendheid van een ontstekingsbron is afhankelijk van: De energie-inhoud van de ontstekingsbron.w. de glimtemperatuur van stofafzettingen en de zelfontstekingstemperatuur van stofwolken. Indien het een blanco (d. 6.2 Maatregelen bij niet-productietoestellen en installaties Daar het Nederlands en Europees recht oplegt dat: Er in de gevarenzones enkel aangepaste elektrische installaties en toestellen mogen worden gebruikt. De potentiële ontstekingsbronnen zullen m. Maatregelen voor vast opgestelde elektrische apparatuur en installaties Voor de elektrische ontstekingsbronnen. 5. A. 11. Een belangrijk criterium dat de aard en de omvang van de te treffen technische maatregelen bepaalt is de doeltreffendheid of relevantie van de ontstekingsbronnen. Ioniserende straling. Overeenkomstig NEN-EN 1127-1:2007 NL worden 13 soorten ontstekingsbronnen onderscheiden: 1. 7. Exotherme chemische reacties. De aard en omvang van die technische maatregelen zal in de eerste plaats bepaald worden door de aard van de (potentiële) ontstekingsbronnen. 9. te wijten aan de vast opgestelde elektrische installaties en apparatuur. Statische elektriciteit.2. ©Nevedi handleiding 2005 ATEX-richtlijn 137 61 . 4. Mechanische vonken en lasvonken. De veiligheidsparameters van de betrokken brandbare stof. voldoende beheerst zijn. 12. Hete oppervlakken.2. Elektromagnetische straling in het optische gebied (3x1011 Hz tot 3x1015 Hz). En dat de conformiteit van de elektrische installaties en toestellen in de gevarenzones moet worden nagegaan. Ultrasoon geluid.1 Ontstekingsbronnen en hun doeltreffendheid Als de organisatorische maatregelen genomen zijn zal het ook noodzakelijk zijn algemene technische maatregelen te nemen ter voorkoming en beheersing van de ontstekingsbronnen en de explosie-risico’s. De eerste 7 categorieën zijn de belangrijkste en de meest voorkomende ontstekingsbronnen. 13. Elektromagnetische straling in het radiofrequentiegebied (104 Hz tot 3x1012 Hz). Zwerfstromen en kathodische bescherming. Zie stap 2 van de zonering.6. zonder afwijkingen) en actueel controleverslag betreft. kunnen en mogen we er vanuit gaan dat de elektrische ontstekingsbronnen. 2. Schokgolven en stromende gassen.

Aftak. . én om te kunnen voldoen aan de aantoningsplicht is het absoluut noodzakelijk dat in het controleverslag duidelijk en ondubbelzinnig omschreven is over welke apparatuur het gaat. Maatregelen voor de verplaatsbare elektrische apparatuur die gebruikt worden in de gevarenzones Daar dergelijke toestellen bijna uitsluitend aanleiding kunnen geven tot elektrische ontstekingsbronnen (vonken en warm oppervlak) volstaat het: . .Looplampen.Mobiele afzuiging. Om voldoende zekerheid te hebben over de actualiteit en volledigheid van het controleverslag. Indien geen blanco controleverslag (d. p.m.Elektrische heftruck of transpalet.en communicatieapparatuur.4.en regelapparatuur. hefwerktuigen zoals een takel. .Radio.Verwarmingstoestellen. . toestellen en beveiligingsystemen: Een geschikte IP-graad hebben (afhankelijk van de zoneklasse waarin ze gebruikt worden). 30 van deel A van deze handleiding). .z. Met de verplaatsbare elektrische apparatuur worden o. . er zijn afwijkingen) kan worden overgelegd dienen de vastgestelde afwijkingen (zo snel mogelijk) weggewerkt te worden en dient een nieuwe controle van de elektrische apparatuur en installaties in de gevarenzones uitgevoerd te worden.Silolift.Verlengkabels.3 Deel C.De toestellen en hun identificatiegegevens te inventariseren.Elektrisch aangedreven stofzuiger.Motoren.Meet. beveiligingssystemen. .Schakelende toestellen.w. . B. . o De Economische ATEX-richtlijn indien ze voor het eerst in gebruik genomen werden na 30/06/03 (zie ook Hoofdstuk 3 van deel A van deze handleiding). Daarnaast dienen voor de elektrische apparaten en installaties in de gevarenzones die pas na 30/06/03 in gebruik genomen werden de nodige EG-verklaringen van overeenstemming met de ATEX 95-richtlijn kunnen worden overgelegd. bedoeld: . . . ©Nevedi handleiding 2005 ATEX-richtlijn 137 62 . .Verlichtingstoestellen.en aansluitdozen. .De technische informatie van de apparatuur te verzamelen.Elektrisch aangedreven handgereedschap. . Een geschikte maximale oppervlaktetemperatuur (afhankelijk van de glimtemperatuur en de ontstekingstemperatuur van het stof).Meet.Onder de vast opgestelde elektrische installaties en toestellen wordt verstaan: . De risicoanalyse zelf houdt in dat moet worden nagegaan of de arbeidsmiddelen.Na te gaan of ze beantwoorden aan: o De voorschriften opgenomen in de artikels 111-113 van het Nederlands en Europees recht (zie ook rubriek 3. Afwijkingen die niet op korte termijn kunnen weggewerkt worden dienen samen met de te treffen maatregelen opgenomen te worden in een plan van aanpak zie tabel II. .

Daar het hier kan gaan om zeer uiteenlopende arbeidsmiddelen. toestellen of beveiligingssystemen Bovenstaande werkwijze kan ook worden gevolgd voor vaste en verplaatsbare arbeidsmiddelen.3 Risicoanalyses van productietoestellen en installaties 1. Voorzien zijn van de voorgeschreven markeringen en vergezeld gaan van de voorgeschreven EG verklaring van overeenstemming voor die arbeidsmiddelen.de/EC-Projects/Rase. Ook voor die arbeidsmiddelen.Een geschikte beveiligingscategorie voor die arbeidsmiddelen. Maatregelen voor overige arbeidsmiddelen. niet-aangedreven handgereedschap e. toestellen en beveiligingsystemen die in de gevarenzones (kunnen) worden gebruikt én niet behoren tot de eigenlijke productie-installaties én nog andere dan elektrische ontstekingsbronnen kunnen veroorzaken. - 6. C. Hierbij is bijvoorbeeld te denken aan heftrucks of andere transportvoertuigen die rijden op diesel of LPG.1: Frequentie ontstekingsbronnen Waarschijnlijkheid Veelvuldig (V) Waarschijnlijk (W) Toevallig (T) Weinig waarschijnlijk (WW) Onwaarschijnlijk (O) Specifieke kenmerken Komt frequent voor Komt regelmatig voor gedurende levensduur Komt wel eens voor gedurende levensduur Onwaarschijnlijk maar mogelijk gedurende levensduur Hoogst onwaarschijnlijk gedurende levensduur Overgenomen van het Europese RASE – project (Risk Assessment of Unit Operations and Equipment.safetynet. toestellen en beveiligingssystemen zal dus een inventaris opgesteld moeten worden. nutsvoorzieningen. toestellen en beveiligingssystemen die pas na 30/06/03 voor het eerst gebruikt werden (afhankelijk van de zoneklasse waarin ze gebruikt worden). Vastgestelde afwijkingen dienen samen met de te treffen maatregelen opgenomen te worden in een plan van aanpak zie tabel II.html) 6 ©Nevedi handleiding 2005 ATEX-richtlijn 137 63 . toestellen en beveiligingssystemen en verschillende types ontstekingsbronnen is het bijna onmogelijk om hiervoor een aantal algemeen geldende en eenvoudige voorschriften op te stellen.2. De gevarenzones gemarkeerd zijn.3 deel C. http://www. Hiervoor werd het volgend classificatiesysteem6 gebruikt: Tabel 6.d. De mogelijke oorzaken van optreden. toestellen en beveiligingssystemen die pas na 30/06/03 voor het eerst gebruikt werden. 2. Een inschatting van de frequentie van optreden van de ontstekingsbron.

000 of meer Eén dode 100.De aanwezigheid van personen en hun aantal. ©Nevedi handleiding 2005 ATEX-richtlijn 137 64 . Tabel 6. .000 € Beperkte letsels < 10. Bij voorkeur wordt in de studie ook geargumenteerd waarom een bepaalde maatregel wordt getroffen. .000 à 100. Per toestel wordt een aantal mogelijke ernstverlagende maatregelen opgesomd.000 € Zware letsels 10.3.De eigenschappen van de toestellen en installaties (bijv. Vastgestelde afwijkingen dienen samen met de te treffen maatregelen opgenomen te worden in een plan van aanpak.De toestellen en installaties die verbonden zijn met het beschouwde toestel. In ieder geval heeft de werkgever de wettelijke verplichting schade ten gevolge van een explosie zo veel mogelijk te voorkomen. Door alle bovenvermelde preventiemaatregelen te nemen en toe te passen zal de kans op een stofexplosie aanzienlijk verkleind worden. Zie tabel II. De mogelijke ernst van de gevolgen van een stofexplosie zal bepalend zijn of (nog bijkomende) ernstverlagende maatregelen dienen te worden genomen.000.3 deel C. De doeltreffendheid of relevantie van de ontstekingsbron.000. Het is de verantwoordelijkheid van de werkgever om te beslissen of en welke (bijkomende) ernstverlagende maatregelen zullen worden genomen. buiten of midden in de fabriek). Maar zelfs dan hebben we geen absolute.3 deel C.000 € Merk op dat het in deze fase van de studie de bedoeling is dat de ernst van een explosie wordt bepaald voor de “onbeveiligde toestand”. en indien dat niet mogelijk is de schade te beperken. Indien de werkgever beslist om één of meerdere ernstverlagende maatregelen in te voeren dient hij deze op te nemen in het actiepan voor regularisatie zie tabel II. volume van een silo). statistische zekerheid dat er nooit een stofexplosie zal optreden. . De ernst van een mogelijke explosie zal onder meer worden bepaald worden door: .2: Ernst van een explosie Ernst Catastrofaal Zeer ernstig Kritisch Marginaal Incidentenomschrijving Naar personen Naar installaties Talrjjke doden 1. Vervolgens werd voor ieder toestel of installatie vastgelegd welke frequentieverlagende maatregelen er moeten worden genomen.000 à 1.De plaats van de installaties (bijv.De veiligheidsparameters van de betrokken stoffen (de maximale explosiedruk en de explosieklasse). .

. Ook de gevarenzone – indeling vormt een onderdeel van het document. Uit het document moet ondermeer blijken dat de explosierisico’s geïdentificeerd en beoordeeld zijn en dat afdoende maatregelen genomen zullen worden.2. Stroomschema 1.3. 3.Organisatorische maatregelen per afdeling.3.1. Inhoud explosieveiligheidsdocument: 1. .1. .2.. RISICOANALYSE / GEVARENBRONNEN EN ZONERING 3.1. bedrijfsleider. RISICOANALYSE / INVENTARISATIE EN ONTSTEKINGSBRONNEN EN EXPLOSIERISICO’S EVALUATIE VAN DE Breng de hieronder vermelde documenten onder in de rubriek “Risicoanalyse / inventarisatie en evaluatie van de ontstekingsbronnen en explosierisico’s” : . Inventarisatie van de potentiële gevarenbronnen 3.adres.7. Algemeen 1.3. Dit zijn de Stappen 3 t/m 9 van deel B en Stap 10 de grondplattegronden en de technische plannen. EXPLOSIEVEILIGHEIDSDOCUMENT De werkgever heeft de verplichting om een explosieveiligheidsdocument op te stellen. 5. Wettelijk kader en betrokken personen Verzamel de voornaamste algemene administratieve gegevens van de onderneming (naam.2. GETROFFEN MAATREGELEN EXPLOSIEGEVAAR 5. Gebouw – en ruimteaanduiding 1. Technische maatregelen TER BESCHERMING TEGEN HET ©Nevedi handleiding 2005 ATEX-richtlijn 137 65 . Beschrijvend gedeelte van de procédés en/of activiteiten 1.Het meest recente controleverslag van de elektrische installaties in de gevarenzones. Gevarenzone – indeling ( zone en afmetingen ) Breng de opgestelde gevarenzone-indeling onder in de rubriek “Risicoanalyse / Gevarenbronnen en zonering”. aantal werknemers. 2. Referentiedocumenten en definities 3.1. Tabel veiligheidsparameters van de betrokken stoffen Breng de opgestelde beschrijving van het productieproces (Stap 1 en Stap 2 van het stappenplan deel B) onder in de rubriek “Beschrijving opslagplaatsen en het productieproces”. intern preventieadviseur. Organisatorische maatregelen 5. BESCHRIJVING OPSLAGPLAATSEN EN HET PRODUCTIEPROCES 1.De ingevulde stamkaart (tabel II.2.) en ook één of meerdere grondplannen en breng ze onder de rubriek “Administratieve gegevens”.1 deel C). 4. ADMINISTRATIEVE GEGEVENS 1.Lijst verplaatsbare en vastopgestelde elektrische apparatuur per afdeling. . Hieronder is de korte inhoudstabel van het explosieveiligheidsdocument weergegeven met een praktische beschrijving over hoe men dit document samenstelt.

Bij het vastleggen van de deadlines dient rekening gehouden te worden met de volgende bepaling “vanaf 30/06/03 mogen installaties.2 deel C). 6. HANDTEKENING EINDVERANTWOORDELIJKE(N) 9. apparaten. Stel daarom een beheerder aan en voer een periodieke evaluatie van het document in.1 of II. 7.3 ‘Plan van aanpak’ onder in de rubriek “Actieplan met te nemen maatregelen”. 8. . BEHEER VAN HET EXPLOSIEVEILIGHEIDSDOCUMENT Uiteraard is het de bedoeling dat het explosieveiligheids-document actueel gehouden wordt. evacuatiewegen nooduitgangen) Bijlage 2 : Stroomschema van het procédé met vaste brandbare stoffen Bijlage 3 : Veiligheidsinformatiebladen van de betrokken stoffen Bijlage 4 : Zoneringstekeningen – stofontploffingsgevaar Bijlage 5 : Organisatorische maatregelen – stofontploffingsgevaar Bijlage 6 : Technische maatregelen – stofontploffingsgevaar & ©Nevedi handleiding 2005 ATEX-richtlijn 137 66 . instructies.Een overzicht van de getroffen technische maatregelen die genomen zijn per afdeling en per arbeidsmiddel (tabel II. beveiligingssystemen en alle erbij horende verbindingsstukken die worden gebruikt of ter beschikking gesteld van de werknemers slechts in bedrijf worden genomen of gehouden wanneer uit het explosieveiligheidsdocument blijkt dat aan het gebruik ervan geen explosiegevaar verbonden is”. opstellingsschema.Alle beschikbare attesten en EG – verklaringen van overeenstemming van de apparaten en beveiligingssystemen die (kunnen) gebruikt worden in de gevarenzones. registratieformulieren en verslagen opgesteld in het kader van de getroffen organisatorische maatregelen. BIJLAGEN Bijlage 1 : Plannen (plattegrond. ACTIEPLAN MET TE NEMEN MAATREGELEN Breng de ingevulde tabel II. .De schriftelijke procedures.Breng de hieronder vermelde documenten onder in de rubriek “Getroffen maatregelen ter bescherming tegen het explosiegevaar” : .

9 Plattegronden en technische plannen ©Nevedi handleiding 2005 ATEX-richtlijn 137 67 .6 Klasse en afmeting stofafzetting I.2 Stamkaart arbeidsmiddel III.1 Neem de checklijst organisatorische maatregelen door II.4 maatregelen (technisch/ organisatorisch ) I.1 Beschrijving productieproces I.8 Gevarenzones Gegevens voor Stamkaart Afdeling I. FLOW-SCHEMA: PLAN VAN AANPAK EXPLOSIEVEILIGHEIDSDOCUMENT Bekend met de Neem deel A door Ja Nee Is de fabriek Ja Nee Bent u in het bezit van een Nee Ja Volg de werkwijze van bijlage I deel B Volg de werkwijze bijlage II van deel C Volg de werkwijze bijlage III van deel C H1 theorie I.8.3 Plan van aanpak stofwolke I.3 Gevarenbronnen Gegevens voor Stamkaart Arbeidsmiddel II.2 Neem de vragenlijst door I.5 Ventilatie omstandigheden - II.2 Inventarisatie grondstoffen I.1 Stamkaart afdeling H2 wet of III.7 Openingen in gevarenzone I.

BIJLAGE II: RISICOANALYSE ONTSTEKINGSBRONNEN EN EXPLOSIEGEVAAR ©Nevedi handleiding 2005 ATEX-richtlijn 137 68 .

Nr. Algemene gegevens Functie arbeidsmiddel Datum in dienst Technische documentatie J / N Aanwezigheid handleiding J / N Aanwezigheid instructiekaart J / N Zone machine Zone omgeving IP-graad motor Risico identificatie potentiële ontstekingsbronnen Bronvermelding Beschermingswijze Mogelijke ontstekingsbronnen Relevant Oorzaak Frequentie Toegepaste bescherming Omschrijving Organisatorische maatregelen Technische maatregelen Opmerking ©Nevedi handleiding 2005 ATEX-richtlijn 137 69 .1a: Stamkaart Afdeling Stamkaart Explosieveiligheidsdocument Arbeidsmiddel: Afdeling: Productielocatie: Nr.1: Stamkaart Afdeling Stamkaart Explosieveiligheidsdocument Afdeling: Algemene gegevens Zone + argumentatie Organisatorische maatregelen + argumentatie Productielocatie: Nr.Tabel II. Arbeidsmiddel Identificatie Uren/Jaar Product: gemengd Stofklasse Extra borging Afzuiging nummer of grondstof Tabel II.

hete deeltjes Mechanische vonken Slijp en lasvonken Elektrische energie Statische elektriciteit Bliksem Zwerfstromen Elektrische magnetische straling Hybride mengsel Stofklasse Brandklasse CE Oorzaak Risicobepaling Opmerkingen Zone machine Zone omgeving Verantwoordelijk voor zone indeling: Naam: Afdeling: Toegepaste bescherming Motoren Explosiebeveiliging Afzuiging Reiniging Aanduiding ontploffingsgevaar Onderhoudsprogramma Vergunningssysteem Omschrijving IP Opmerking ©Nevedi handleiding 2005 ATEX-richtlijn 137 70 .2: Stamkaart Arbeidsmiddel Stamkaart Explosieveiligheidsdocument Arbeidsmiddel: Afdeling: Locatie: Nr. Algemene gegevens Functie arbeidsmiddel Datum in dienst Technische documentatie J / N Aanwezigheid handleiding J / N Aanwezigheid instructiekaart J / N Omschrijving product(en) Deeltjes grootte (mm) Vochtgehalte (%) Kst Waarde (bar. hete gassen incl.Tabel II.m/s) Minimum ontstekingsenergie (mJ) Minimum ontstekingstemperatuur (ºC) Maximale oppervlaktetemperatuur 2/3 van de minimum ontstekingstemperatuur (ºC) Explosiegrenzen LEL Productie uren op jaarbasis Risico identificatie Potentiële Relevant Frequentie Ernst ontstekingsbronnen Ja/nee Spontane reactie Hete oppervlakte Vlammen.

Dit dient overeen te komen met de gegevens in tabel II. Daarnaast vaste en verplaatsbare overige arbeidsmiddelen. deel C) invullen met de gegevens uit tabel I. 7) Neem eventuele afwijkingen samen met de te treffen maatregelen op in de tabel II.1a deel C het arbeidsmiddel. In deze handleiding zijn twee methodes aangeboden om de risicoanalyse te maken.1a vermeld hoe men te werk dient te gaan. Bij deze tabel wordt meteen op arbeidsmiddenniveau ingezoomd.3 (bijlage II. het identificatienummer. toestellen en beveiligingssystemen die opgesteld staan of (kunnen) worden gebruikt in de gevarenzones en die niet behoren tot de eigenlijke productie-installatie. Deze lijst dient gebruikt te worden als geheugensteun voor mogelijk te nemen maatregelen. stofklasse en de aanwezigheid van een extra borging. afdeling. 1) De eerste stap is per afdeling tabel II. Voor fabrieken die geen duidelijk scheiding hebben tussen de procesonderdelen is tabel II. De eerste methode (tabel II.3 deel C. 3) Noteer per afdeling de aanwezige arbeidsmiddelen. Daarnaast is deze methode geschikt voor fabrieken die duidelijke afscheidingen hebben tussen de verschillende procesonderdelen.3 “Plan van aanpak”. Per arbeidsmiddel/ groep dient een aparte kaart ingevuld te worden. deel B).1 deel C. Hieronder staan de stappen voor tabel II. productielocatie en nummer van het arbeidsmiddel. Maak gebruik van de informatie uit bijlage I deel B. de aanwezigheid van gemengd product of grondstof. 2) Doorloop de tabel III.1 (bijlage I.1a) bouwt verder op de zonering van deel B. Arbeidsmiddelen zijn vast opgestelde en verplaatsbare elektrische apparatuur en installaties in de gevarenzones.Praktische werkwijze Met behulp van de informatie uit deel C van de handleiding en met behulp van de formulieren uit deze bijlage ‘Bijlage Risicoanalyse ontstekingsbronnen en explosiegevaar’: is een risicoanalyse uit te voeren.1 Checklist “Organisatorische Maatregelen” (Bijlage III. ©Nevedi handleiding 2005 ATEX-richtlijn 137 71 . Eventuele vastgestelde afwijkingen dienen samen met de adviserende maatregelen opgenomen te worden in het “Plan van aanpak” zie tabel II.2 geschikt om te gebruiken.1 en tabel II.1 en tabel II.1 (bijlage II. deel C). aanwezigheid van een explosieve atmosfeer in een aantal uren/jaar. 5) Vul de algemene gegevens is. instructies en registratieformulieren. deel C). 6) Vul de rest van de stamkaart in aan de hand van paragraaf 1. Ook de ernstverlagende maatregelen die zullen worden getroffen dienen te worden opgenomen in de tabel II. of verzamel de verwijzingen naar die documenten.2 deel C. Noteer per arbeidsmiddel de volgende kenmerken. 4) Noteer in tabel II. Verzamel de beschikbare documenten zoals procedures.

uitvoering ©Nevedi handleiding 2005 ATEX-richtlijn 137 72 .3: Plan van aanpak Nr Afdeling Punt van aandacht Verantwoordelijke Uitvoerings termijn Budget / Middelen Verantw.Tabel II.

BIJLAGE III: EXTRA INFORMATIE ©Nevedi handleiding 2005 ATEX-richtlijn 137 73 .

Waar. rookverbod.m.Wordt geregistreerd (hulpmiddel is een opleidingsmatrix) Tijdens de opleiding komen ten minste aan bod : .De te treffen maatregelen (standplaats van vrachtwagen. veiligheidsparameters). ..Het in dienst treden.. .Het toepassen van een nieuwe technologie. Er is toezicht op de naleving van de instructies. c Procedure en instructies voor de inname van (nieuwe) grondstoffen: Procedure voorziet in een controle / analyse van de relevante eigenschappen van de grondstoffen (bijv.Tabel III. De opleiding : . . b Procedure voor de bestelling en in dienst name van (nieuwe) arbeidsmiddelen en van de collectieve en persoonlijke beschermingsmiddelen: Bestelbon wordt opgesteld en getekend door de intern preventieadviseur. toegangsverbod . hoe en wanneer er explosiegevaar is of kan zijn.Het veranderen van werkpost of functie. procedures en veiligheidsinstructies). .). aansluiten op aardingsklem.1: Checklist Organisatorische Maatregelen Checklist Organisatorische Maatregelen Maatregel Beoordeling (ja/neen/nvt) a Procedure voor de opleiding van de werknemers 0pleiding voorzien bij : .Het veranderen of in dienst nemen van nieuwe arbeidsmiddelen. .Wordt op regelmatige tijdstippen herhaald.Wordt schriftelijk ondersteund (o. Er wordt passend gevolg gegeven aan de eventuele vastgestelde afwijkingen. .De gevaren en risico’s. De werknemers kunnen te allen tijde de bedienings – en veiligheidsinstructies en alle overige relevante informatie raadplegen. .Wat te doen bij noodsituaties. stilleggen motor. d Procedure voor het uitschrijven van werkvergunningen door een bevoegd persoon : Nr Opmerkingen ©Nevedi handleiding 2005 ATEX-richtlijn 137 74 . concentratie hexaan in schroot.De getroffen en te treffen voorzorgsmaatregelen (organisatorisch en technisch). Verslag voor indienststelling wordt opgesteld door de intern preventieadviseur. . Er bestaan instructies voor de inname van grondstoffen met vermelding van : .

De conformiteit van nieuwe of herstelde of gereviseerde arbeidsmiddelen en (installatie)onderdelen met de wettelijke bepalingen en de gevarenzone-indeling wordt nagegaan vóór in dienst name. bunkers). In de werkvergunning staan minimaal de gegevens zoals vermeld in de handleiding. h Procedure voor de reiniging van arbeidsplaatsen en – middelen: Opmerkingen ©Nevedi handleiding 2005 ATEX-richtlijn 137 75 . . het ontstoppen van leidingen). Er is toezicht op de correcte naleving van de bepalingen opgenomen in de werkvergunning. installaties en beveiligingssystemen: Er bestaan preventieve onderhoudsschema’s opgesteld op basis van de aanbevelingen van de fabrikant.Eventueel andere onderhouds – of herstelwerkzaamheden (bijv. De mobiele en draagbare arbeidsmiddelen en collectieve beschermingsmiddelen. .. slijpen.Nr Checklist Organisatorische Maatregelen Maatregel Beoordeling (ja/neen/nvt) Er bestaat een procedure voor het uitschrijven van werkvergunningen voor : . ontstoppen van leidingen). arbeidsmiddelen.Werkzaamheden met open vlam (lassen. e Procedure voor periodiek en preventief onderhoud van arbeidsplaatsen. arbeidsmiddelen en arbeidsplaatsen. Er zijn instructies opgesteld en toegelicht voor het uitvoeren van onderhouds – en herstelwerkzaamheden (bijv. f Procedure voor onderhoudswerkzaamheden: Er is een procedure voor de melding en opvolging van defecten en gevaarlijke situaties. g Procedure voor het gebruik van mobiele en draagbare arbeidsmiddelen. Er is schriftelijke registratie van de uitgevoerde onderhoudswerkzaamheden. De herstellingen en revisies van elektrische en niet – elektrische apparatuur en beveiligingssystemen (uit de gevarenzones) gebeuren door een bevoegd persoon of firma. de werkkledij en pbm’s zijn passend gemerkt zodat verkeerd gebruik uitgesloten is . werkkledij en persoonlijke beschermingsmiddelen in de gevarenzones: Er bestaan schriftelijke instructies ter zake. Jaarlijkse controle (of meting) van de elektrische conductiviteit van de verschillende mechanische elementen ten einde statische elektriciteit te vermijden.). Er bestaat een procedure voor de in beslagname en terug in gebruikstelling van installaties..Werkzaamheden in besloten ruimten (silo’s. die gekend zijn bij de werknemers.

stoomtoestellen. Er wordt passend gevolg gegeven aan de vastgestelde afwijkingen. Er zijn instructies opgesteld en toegelicht voor het uitvoeren van de reinigingen (bijv. persluchtvaten en hefwerktuigen worden periodiek (volgens de wettelijke frequentie ) gecontroleerd door een Externe Dienst voor Technische Controles op de Werkplaats.1. ©Nevedi handleiding 2005 ATEX-richtlijn 137 76 .Nr Checklist Organisatorische Maatregelen Maatregel Beoordeling (ja/neen/nvt) Er bestaan schriftelijke reinigingsprogramma’s. de waarschuwings – en alarmeringsmiddelen. Er is voorzien in de schriftelijke registratie van uitgevoerde reinigingen. de brandbestrijdingsmiddelen. zodat voldaan is aan de praktijk van schoonhuishouden. uitschakelen ontstekingsbronnen. Opmerkingen Noot : Bij het overlopen van de checklist is het aan te raden de toelichting onder 6.de noodverlichting. Het intern noodplan werd toegelicht aan de betrokken werknemers en wordt regelmatig geoefend. Er wordt passend gevolg gegeven aan de vastgestelde afwijkingen. uitvoering en opvolging van de periodieke controles van installaties en arbeidsmiddelen: De elektrische installaties. i Procedure voor de planning. Er is schriftelijke registratie van de nazichten. verbod gebruik perslucht. van de handleiding te lezen. dragen persoonlijke beschermingsmiddelen). Rookverbod is op afdoende wijze gemarkeerd en wordt gerespecteerd. … worden regelmatig nagezien door een bevoegd persoon. m Rookverbod: In de gevarenzones (en bij voorkeur algemeen) geldt een strikt rookverbod. uitvoering en opvolging van de periodieke nazichten van installaties en arbeidsmiddelen: De elektrische installaties. Er is een interne interventieploeg opgericht en opgeleid. k Procedure Werken met derden: De wettelijk voorgeschreven procedure is voorzien (mét schriftelijk contract). de verwarmingsinstallaties. j Procedure voor de planning. l Noodprocedures: Er is een intern noodplan opgesteld dat ten minste de noodsituaties brand en explosie behandeld.

5 m van alle laad. binnen 2. geen lekpunten zichtbaar 5 6 7 Zijn alle installaties die binnen de fabrieksgebouwen aanwezig zijn stofdicht? (denk ook aan transportbanden/ automatisch reinigende magneten etc!) Zijn alle machineluiken voorzien van veiligheidsschakelaars? Luchtverplaatsingen binnen de installaties (bv ten gevolge vullen/legen silo's.transport van meer dan 100 m3/uur .2: Vragenlijst Nr. 2. dusdanig ontworpen en installaties en/of silo's) is niet mogelijk.snelheid van meer dan 2.) blijven binnen de installaties Na openen luiken dient de installatie stil te vallen. 1.5. transport etc. Indien 1 niet vormgegeven dat stofuitstoot mogelijk.0 mg/m3. In andere gevallen moet lucht naar buiten worden geblazen Voldoen de stofconcentraties Stofconcentratienorm: in de omgevingslucht buiten de Maximum 3 mg/m3 installaties aan de normen? Zijn alle handbijstorten Alle handbijstorten dienen een voorzien van lokale afzuiging? lokale afzuiging te hebben.0 mg/m3 is mag in werkruimten worden geblazen.en lospunten indien stofgehalte in de lucht in deze ruimten tijdens lossen meer is dan 3. Vragen Algemeen 1 Is er een instructie waaruit Norm ja nee onbekend toelichting 2 3 4 blijkt dat roken verboden is binnen de gebieden die vallen onder de ATEX zonering? Is er markering aanwezig welke wijst op explosierisico? Is er markering aanwezig welke wijst op rookverbod? Voldoen de elektrische installaties aan de zone-eisen? Bij alle ingangen van de fabriek Bij alle ingangen fabriek + losen laadpunten Zone 20: IP6X. stofconcentraties in omgevingslucht tijdens storten mag niet boven 3 mg/m3 zijn. dan transport voorzien zoveel mogelijk wordt voorkomen? van adequate afzuiging om stof buiten het systeem te voorkomen Vuistregel: afzuiging Noodzakelijk bij . andere ruimten: Zone 22+NGG: IP5X Alle systemen/voorzieningen gesloten.Tabel III. Stofuitstoot buiten het Zijn de transporten van grondstoffen en eindproducten systeem (machines. in inwendige van productie installaties Zone 21: IP6X. 8 9 10 Alleen gefilterde lucht waarbij stofconcentratie max 3.5 m/s ©Nevedi handleiding 2005 ATEX-richtlijn 137 77 .

schoongemaakt worden? Is er een stofzuiger/systeem beschikbaar om stofophoping te verwijderen? Vloeren vrij van naden. potentiaalverschillen en vonken muren. 16 17 18 19 20 21 22 Criteria: eenvoudig te gebruiken. doorverbonden en geaard? Alle verbindingen tussen autotransport en fabriek dienen buiten het gebouw gemaakt te zijn ©Nevedi handleiding 2005 ATEX-richtlijn 137 78 . etc.raamopeningen met min. Minimale hoogte veegrand = 5 cm Voorbeelden: .11 Zijn alle vloeren voldoende glad en reinigbaar of uitgevoerd als roostervloer? Zijn alle gladde vloeren voorzien van veegranden? Is er bij nieuwe installaties rekening gehouden met het voorkomen/minimaliseren van stofafzetting? 12 13 14 15 Kunnen de nieuwe installaties eenvoudig 1.onderhouden en 3. stalen voorkoming van constructies. hoppers. beschikbaar op elke relevante plaats en goede werking! Indien mobiele stofzuigers in gebruik dan dient elektrische installatie geschikt te zijn voor de zone die ie geldt in de ruimte waar de stofzuiger gebruikt wordt. 2. ( meestal dus zone 22) Is er een verbod op het gebruik VERBODEN i.staalconstructies zodanig dat weinig/geen stofafzetting plaatsvindt Visuele beoordeling op deze aspecten. scheuren en gaten waarin zich stof kan ophopen en daardoor moeilijk te reinigen zijn. 10 x6 Ohm lossen) Worden de juiste bigbags gebruikt? Zijn alle lospunten voor Maximale weerstand van bigbag bigbags met typen C voorzien naar het grondoppervlak < 10 x8 van aarding voor de bigbag? Ohm Zijn alle onderdelen van de Eisen pneumatische transporten Koppelingen bestaan uit metaal/koper > 100 mm2 elektrisch geleidend.m. silo's. ter aarding? (incl.) Zijn alle lospunten voorzien Maximale weerstand van van aarding voor vrachtauto's? aardlip vd auto naar de aarde (stortputten en pneumatisch max.v. stofvan perslucht bij reiniging en/of verspreiding en persoonlijke stofverwijdering bij in bedrijf veiligheid zijnde machines/ installaties Zijn de vloeropeningen naar Opening is op een hoger niveau silo's en transporten zodanig aangebracht of voorzien van uitgevoerd dat wordt veegranden van min 5 cm hoog voorkomen dat vreemde voorwerpen vanaf de vloer makkelijk via de opening in de installatie komen? Zijn alle installaties en metalen Maximale weerstand naar het onderdelen voorzien van oppervlak < 10 Ohm.geïnspecteerd.kabelgoten verticaal geplaatst . helling van 60 graden . vloeren.

23 24 25 26 27 Voldoen alle handlampen aan de criteria? Wordt alleen vonkvrije gereedschap gebruikt bij reiniging van de silo's etc.en verwijderingapparatuur? De maximale oppervlaktetemperaturen in de fabriek zijn nooit hoger dan 125 graden < 24 Volt / IP 6X / zone 20 Denk aan gereedschap vervaardigd van brons Werkkleding hoort van antistatisch materiaal te zijn gemaakt (uitgevoerd in katoen) Denk ook aan doorwerkkleding Bij v Stenenvanger Bij temperaturen vanaf 125 ºC bestaat het gevaar van ontbranding van stof.b. Voldoet de werkkleding aan de veiligheidseisen m.t. elektrostatische oplading/ c.q brandveiligheid ? Zijn de ontvangsten van grondstoffen voorzien van reinigings. Oppervlakken die heter dan 125 ºC kunnen worden dienen geïsoleerd te zijn. 28 29 Vallen de transporten stil bij verstoppingen of andere storingen? Voldoet de wijze van verwarming van vloeistoffen in tanks aan de eisen? Vloeistoffen in tanks mogen niet direct met elektrische elementen verwarmd worden Organisatorische en procedurele vereisten 30 Is er een brandbon/vuur 31 32 33 34 35 36 37 vergunning protocol in gebruik ? Is er een schoonmaakprogramma en housekeeping programma actief ? Is er een preventief onderhoudsprogramma aanwezig? Is er een periodiek RI&E programma wat eveneens explosierisico's inventariseert en evalueert ? Worden alle medewerkers geïnformeerd over de risico's van optreden van stofexplosies ? Worden derden die in gebouwen komen met een ATEX zone geïnformeerd over de risico's van stofexplosies ? Zijn de explosie risico's en de te volgen maatregelen en procedures opgenomen in de bedrijfstrainingen ? Heeft het bedrijf een procedure van toezicht dat nieuwe machines en installaties bij aanschaf voldoen aan de CE/ATEX normen? Dit programma moet in lijn zijn met het programma als aanwezig in de bijlage Specifieke BHV trainingen en algemene noodsituaties trainingen en oefeningen ©Nevedi handleiding 2005 ATEX-richtlijn 137 79 .

niet explosie risico's geëvalueerd ? agrarische) met MSDS data te voorzien.n. daadwerkelijk met de fabrieksaarde verbonden ? Worden in de praktijk de bigbags van het type C ook daadwerkelijk geaard tijdens de lossing ? Is de losinstallatie voor bigbags ook geaard ? Is er een goede procedure voor de inkoop van machines en apparatuur ? Zijn de deuren van alle Uitzondering bij actieve schakelkasten van elektrische werkzaamheden aan de installaties altijd gesloten? betreffende elektrische installaties Grondstofinname 54 Zijn er elektromagneten geïnstalleerd voor de reiniging ? ©Nevedi handleiding 2005 ATEX-richtlijn 137 80 . (LEL > 25 gr/m3. MIT>250graden mits voorzieningen zijn getroffen) Worden aanwezige controle en inspectie programma's in praktijk daadwerkelijk uitgevoerd voor: * periodieke inspectie van fabriek en apparatuur op lekkages * periodieke inspectie op effectiviteit van schoonmaakprogramma's * periodieke inspectie van fabriek en apparatuur op effectieve werking en voldoende onderhoud * controle op gebruik brandbon/veiligheidsvergunnin gen * controle en meting op aangeven aardweerstanden effectieve aarding …… * controle en inspectie op afzuigfaciliteiten * controle op gebruik aarding bij lossen van grondstofwagen * controle op het gebruik van aarding bij het lossen van bigbags Is er een silo-afdaal en tank betredingsprocedure? Worden in praktijk bij alle Uitzondering vormt het lossen pneumatische innamen de van niet gevaarlijke grondstoffen transportmiddelen zoals mineralen. MIE>15mJ.38 39 40 41 42 43 44 45 46 47 48 49 50 51 52 53 Worden bij het inkoop / gebruik De leverancier behoort van nieuwe grondstoffen de grondstoffen (m.

voorzien van explosie ontlasting? Bij vertraging onder 80% alarm en afschakelen elevator en aanvoer (lijnvergrendeling) Transporten (ketting. bij afvoer op elevator: ontlasting E naar buiten. Een beveiliging bestaat meestal uit een eindschakelaar aan een luik wat wordt open geduwd. bijv. aspiratie: druksensor met explosie schuif of ontlasting naar buiten of aspiratie opstelling buiten Lokale afzuiging heeft algemeen de voorkeur boven centrale afzuiging.55 56 57 Zijn er zeven aanwezig voor verwijderen van vreemde delen. voor zover ze binnen geplaatst zijn.d.) 61 Zijn deze transporten volledig 62 omkast met staal ? Worden deze transporten automatisch gestopt wanneer het materiaal zich ophoopt of is het zo ontworpen dat het niet kan ophopen ? Wanneer een transport een overloop heeft is er geen beveiliging nodig. 2. Bijvoorbeeld middels U-buis. 3. hout? Worden stenen afgevangen op de roosters van de stortput? Zijn alle stortputten voorzien Alle stortputten dienen voorzien van lokale afzuiging? te zijn van afzuiging. stofconcentraties in omgevingslucht van de put tijdens storten mag niet hoger dan 3 mg/m3 zijn. Hamermolen 63 Hebben alle hamermolen 64 65 lagers temperatuurbewaking ? Hebben de maalkamers temperatuurbewaking ? Staan de hamermolens in een afgezonderde ruimte en is explosie ontlasting voorzien? 1.Bij afvoer in onderbunker: ontlasting onderbunker naar buiten. schroeven e. elevatoren 58 Zijn alle elevatoren voorzien 59 60 van snelheidscontrole ? (toerenwachter) Hebben alle elevatoren tussen de inname en hoofdmenger scheefloopdetectie ? zijn alle elevatoren in de inname. om te kunnen vaststellen of filters verstopt raken Aspiratie systemen 66 zij installaties gebouwd na 67 1/7/2003 voorzien van een lokale afzuiging? Is er monitoring van de drukopbouw in filters ? Zijn alle ventilatoren geplaatst in het schone lucht gedeelte van filter ? Werkt het luchtfilter in de afzuiging effectief Zijn filterdoeken anti-statisch ? 68 69 70 Max stof concentratie in uitblaaslucht = 3.0 mg/m3 ©Nevedi handleiding 2005 ATEX-richtlijn 137 81 .

71 Zijn centrale filter kasten en Is eis bij verwerking van centrale afzuiging voorzien van materialen met een MIE tussen explosie ontlasting (naar 1 en 15 MJ buiten)? Persen 72 Zijn alle persen voorzien van een volloopdetectie ter voorkoming van vuur in de matrijs? Koelen Zijn de koelers uitgerust met een rookdetectie systeem ? Heftrucks en dergelijke Zijn alle heftrucks en dieselunits op het bedrijf voorzien van vonkenvangers? ©Nevedi handleiding 2005 ATEX-richtlijn 137 82 .