VOORWOORD
Bedrijven in de mengvoedersector worden geconfronteerd met het gevaar op stofexplosie. Elk bedrijf dient over dit onderwerp op elk moment te voldoen aan de geldende wetgeving. Sinds de inwerkingtreding van de Europese Sociale “ATEX”-richtlijn 137, zijn er nieuwe verplichtingen voor de werkgevers. Om de ondernemingen in staat te stellen deze regelgeving na te leven en om de bedrijven in de sector nog beter te beschermen tegen eventuele stofexplosies is door Nevedi in samenspraak met Bemefa en KVBM de Atex Handleiding 2005 gemaakt. Deze handleiding is in het najaar van 2010 volledig herzien. Nevedi is de volgende personen van haar Commissie Arbeid & Milieu zeer erkentelijk voor hun inzet en collegiaal ingebrachte expertise: - Alix van Erven (Arie Blok); - Allard Knook (CMS Derks Star Busmann); - Martin van de Vendel (Rijnvallei); - Heleen van Weele (Nevedi); - Peter Westerink (De Heus); - Maarten Wouters (Agrifirm). Deze handleiding is opgesplitst in drie documenten. Een eerste deel (A) behandelt theoretisch wat een stofexplosie is. Tevens wordt het wettelijke kader besproken in dit deel. Het tweede gedeelte (B) behandelt de zonering van de fabriek. Nevedi heeft in 2002 een ATEX handleiding ontwikkeld m.b.t. de zonering. Deze handleiding is in dit gedeelte verwerkt. Het derde gedeelte (C) behandelt de risicoanalyse. De verplichting tot het opstellen van een gevarenzone indeling en het opstellen van een explosieveiligheidsdocument is opgenomen in de Nederlandse Praktijk Richtlijn 7910-2, juli 2008. Daar de industrie meer te maken heeft met stofexplosies dan met gas/dampexplosies komt in deze handleiding enkel de stofexplosieproblematiek aan bod. Bij het opstellen van de handleiding is gebruik gemaakt van de Nederlandse Praktijk Richtlijn NPR 7910-2 (Gevarenzone-indeling met betrekking tot stofontploffingsgevaar, juli 2008) van het Nederlands Normalisatie Instituut. Bedrijven die te maken kunnen hebben met gas/dampexplosierisico’s (denk maar aan de opslag van licht ontvlambare vloeistoffen zoals aceton en brandbare gassen zoals acetyleen, of de laadstations voor batterijen waar tijdens het opladen het ontplofbare waterstofgas ontstaat) dienen uiteraard ook daaraan de nodige aandacht te schenken. De informatie in dit rapport wordt te goeder trouw gepubliceerd. Nevedi, Bemefa en KVBM aanvaarden geen verantwoordelijkheid noch aansprakelijkheid voor de eventuele directe of indirecte gevolgen die zouden kunnen voortvloeien uit het gebruik van dit document. Deze uitgave mag niet worden verveelvoudigd, in enige vorm of op enige wijze, of openbaar gemaakt worden zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de uitgever. Het gebruik van deze uitgave is eveneens slechts toegestaan na uitdrukkelijke toestemming van de uitgever.

©Nevedi handleiding 2005 ATEX-richtlijn 137

1

FLOW-SCHEMA: PLAN VAN AANPAK EXPLOSIEVEILIGHEIDSDOCUMENT
Bekend met de Ja theorie en wetgeving?

Ja

Is de fabriek gezoneerd?

Ja

Bent u in het bezit van een explosieveiligheidsdocument?

Nee
Neem deel A door Volg de werkwijze van bijlage I deel B

Nee
Volg de werkwijze bijlage II van deel C

Nee
Volg de werkwijze bijlage III van deel C

H1 theorie

I.1 Beschrijving productieproces I.2 Inventarisatie grondstoffen I.3 Inventarisatie Stofwolk I.4 Inventarisatie Stofafzetting Gegevens voor Stamkaart

II.1 Stamkaart afdeling

H2 wettelijk kader

of

III.1 Neem de checklijst organisatorische maatregelen door

II.2 Stamkaart arbeidsmiddel III.2 Neem de vragenlijst door

I.5 Overige gevarenbron(en) II.3 Plan van aanpak I.6 Maatregelen technische en organisatorisch I.7 Alternatieve maatregelen I.8 Motivatie en Beoordeling

I.9 Gevarenzones

I.10 Plattegronden en technische plannen

©Nevedi handleiding 2005 ATEX-richtlijn 137

2

INHOUDSOPGAVE
Voorwoord ........................................................................................................................................................... 1 Flow-schema: plan van aanpak explosieveiligheidsdocument ......................................................................................... 2 Inhoudsopgave ....................................................................................................................................................... 3 DEEL A .................................................................................................................................................................. 5 1. 1.1 1.2 1.3 1.4 1.5 Theorie: Fundamentele begrippen omtrent stofexplosie ............................................................ 6 WAT IS EEN STOFEXPLOSIE?........................................................................................................ 6 DEFLAGRATIE EN DETONATIE .................................................................................................... 6 PRIMAIRE EN SECUNDAIRE EXPLOSIES ................................................................................... 7 HYBRIDE MENGSELS ....................................................................................................................... 7 EXPLOSIE – EFFECTEN ................................................................................................................... 7

1.6 EXPLOSIEKARAKTERISTIEKEN .................................................................................................. 8 1.6.1 Explosiegrenzen .............................................................................................................................. 8 1.6.2 Karakteristieke temperaturen .......................................................................................................... 8 1.6.3 De maximale explosiedruk en de maximale drukstijgsnelheid ....................................................... 9 1.6.4 De minimale ontstekingsenergie (MOE)....................................................................................... 11 1.6.5 Samenvatting belang van explosiekarakteristieken bij de risicobepaling .................................... 11 1.7 ONTSTEKINGSBRONNEN.............................................................................................................. 12 1.7.1 Mechanische bronnen.................................................................................................................... 12 1.7.2 Thermische bronnen...................................................................................................................... 13 1.7.3 Elektrische bronnen....................................................................................................................... 14 1.7.4 Chemische bronnen ....................................................................................................................... 19 1.7.5 Praktische betekenis van de ontstekingsbronnen bij de uitvoering van......................................... 20 de risicobeoordeling ...................................................................................................................................... 20 1.8 PREVENTIE EN BESTRIJDING VAN STOFEXPLOSIES.......................................................... 21 1.8.1 Voorkoming van stofexplosies...................................................................................................... 21 1.8.2 Voorkoming van schade................................................................................................................ 23 1.8.3 Beperking van de schade............................................................................................................... 24 1.8.4 Keuze van de toe te passen preventie- en beheersmaatregelen. .................................................... 29 2. 2.1 2.2 2.3 3. Wettelijk KAder ..................................................................................................................................... 31 EUROPESE REGELGEVING .......................................................................................................... 31 NEDERLANDSE REGELGEVING.................................................................................................. 31 NEDERLANDS BEVOEGD GEZAG ............................................................................................... 33 Termen en Definties ............................................................................................................................ 34

DEEL B ................................................................................................................................................................ 37 4. De gevarenzone-indeling d.m.v. risicoanalyse .................................................................................... 38 4.1 4.2 INLEIDENDE BEGRIPPEN OMTRENT RISICOANALYSE..................................................... 38 DEFINITIE VAN DE VERSCHILLENDE GEVARENZONES .................................................... 38

4.3 IDENTIFICATIE VAN POTENTIËLE GEVARENBRONNEN................................................... 39 4.3.1 Brandbaar stof - karakteristieken - concentratie............................................................................ 39 4.3.2 Systematisch opsporen van de gevarenbronnen ............................................................................ 40 4.4 TOEKENNING VAN DE GEVARENZONEKLASSE ................................................................... 41 4.4.1 De aard van de gevarenbronnen .................................................................................................... 41 4.4.2 Ventilatie in de omgeving van de gevarenbron ............................................................................. 42 4.4.3 Schoonhuishouden ........................................................................................................................ 43

©Nevedi handleiding 2005 ATEX-richtlijn 137

3

....................... Bepaling van de zoneklasse als gevolg van een stofafzetting.......................................... 65 Flow-schema: plan van aanpak explosieveiligheidsdocument....................... 63 7................................................................................................................. 47 Figuur I................... 68 BIJLAGE III: Extra Informatie .......................5......... 8.........................................................................................................................................................4.....................2.....................................5 AFMETINGEN VAN DE GEVARENZONEKLASSE ..................................................... Flow-schema: plan van aanpak explosieveiligheidsdocument .......................................................................................................... EXPLOSIEVEILIGHEIDSDOCUMENT..2...............................4 Zonering van aangrenzende ruimtes omwille van stofverplaatsing...4............5.................................................................................. 61 6..................... 57 6.2 De afmeting van een stofafzetting..... 43 4.............................3 Risicoanalyses van productietoestellen en installaties ..5...5...................................... 50 DEEL C ............ 44 4.............................2.............................. 56 6.....3 Samenvattende tabel afmeting stofwolken en stofafzetting .................................................... 73 ©Nevedi handleiding 2005 ATEX-richtlijn 137 4 ........ 46 Bijlage I: zonering .....................................2.........................................................1 Ontstekingsbronnen en hun doeltreffendheid. 45 5...................................................................................................4 Flow-schema’s ter bepaling van de zoneklasse... .................................1..2 Maatregelen bij niet-productietoestellen en installaties ....................................1 De afmetingen van een stofwolk ....... 44 4.................................................................. Bepaling van de zoneklasse als gevolg van opgewerveld stof....... 49 Stappenplan.......................... 67 BIJLAGE II: RISICOANALYSE ONTSTEKINGSBRONNEN EN EXPLOSIEGEVAAR ............................................................................................................ 57 6....................................................1 ORGANISATORISCHE MAATREGELEN............................ 44 4......................................................................... RISICOANALYSE ONTSTEKINGSBRONNEN EN MOGELIJKE GEVOLGEN ........................................2 ALGEMENE TECHNISCHE MAATREGELEN .................................... 61 6..................................... 48 Figuur I................. 61 6......... 44 4....... ..................................

DEEL A ©Nevedi handleiding 2005 ATEX-richtlijn 137 5 .

Om de verbranding toe te laten. De drukgolven planten zich echter veel sneller voort dan het vlamfront. lucht. moet het stof zweven in zuurstofrijke lucht. Het meest gekende voorbeeld van een fysische explosie is het plots begeven van een drukhouder die met een samengeperst gas gevuld is. . 1. de concentratie van dat stof in het mengsel en de mate van omsluiting van de ruimte waarin de ontploffing plaatsvindt. Bij inwendige explosies wordt de drukopbouw mede bepaald door de aanwezigheid van wanden ©Nevedi handleiding 2005 ATEX-richtlijn 137 6 .1. Dergelijk type van ontploffing waarbij de verbrandingssnelheid kleiner is dan de snelheid van het geluid (340 m/s) wordt deflagratie genoemd. Deze handleiding is verwerkt in dit gedeelte. heftige uitzetting van energie die drukgolven in de omgeving creëert.1 WAT IS EEN STOFEXPLOSIE? Onder een explosie verstaat men in het algemeen een plotselinge. De sterkte van de drukgolf wordt o. niet vochtige.De concentratie aan zwevend stof moet binnen de limieten van de ontplofbaarheid liggen. Naargelang de aard van de vrijgezette energie kan men twee belangrijke explosietypes onderscheiden. namelijk fysische en chemische explosies. De heftigheid van de explosie. Het stof moet verspreid zijn in afmetingen van deeltjes die de voortplanting van de vlammen toelaten. Met de ATEX handleiding 2002 is de eerste stap (zonering van de fabriek) gezet voor het maken van een explosieveiligheidsdocument. Bij een deflagratie blijven de snelheden dus subsoon en worden er drukgolven gevormd. THEORIE: FUNDAMENTELE BEGRIPPEN OMTRENT STOFEXPLOSIE Voor u deze handleiding kunt gaan gebruiken dient u te beschikken over een minimale kennis van het fenomeen stofexplosie. Voordat er een omgeving ontstaat die gunstig is voor een stofexplosie moet aan volgende voorwaarden voldaan zijn: Er moet sprake zijn van een droge. Onder fysische explosies verstaat men explosies waaraan geen chemische of nucleaire reacties aan de basis liggen.2 DEFLAGRATIE EN DETONATIE In het algemeen bedraagt de verbrandingssnelheid bij stofexplosies enkele tientallen meters per seconde. .a. exotherme chemische reacties tussen het stof en bijvoorbeeld zuurstof in de lucht. Stofexplosies maken deel uit van de chemische explosies en ontstaan door snelle. bepaald door de samenstelling van het brandbare stof. Het poeder moet brandbaar zijn (afhankelijk van de minimale ontstekingsenergie).Het zwevend stof moet in aanraking komen met een ontstekingsbron die voldoende energie ontwikkelt. (BLEVE: Boiling Liquid Expanding Vapour Explosion). de mogelijke gevolgen ervan en de maatregelen die men er tegen kan treffen zijn afhankelijk van de snelheid waarmee de energie vrijkomt. Reeds in de ATEX handleiding Nevedi 2002 werd een inleiding gegeven over het fenomeen stofexplosie. 1. Bij zogenaamde vrije explosies waarbij het exploderend volume niet begrensd wordt door wanden zijn de overdrukken meestal tot enkele tienden van een bar beperkt.

In het algemeen zijn stofexplosies geen detonaties. een enkele uitzondering daargelaten. Men kan aannemen dat stofexplosies in het beginstadium steeds van het deflagratie-type zijn. Daarnaast komen detonaties. De directe effecten worden door de schokgolf van de explosie zelf veroorzaakt. Fragmenten die afkomstig zijn van de explosiebron worden primaire fragmenten genoemd. Het is in principe niet mogelijk om apparatuur te bouwen die tegen detonatie bestand is. 1. 1. De overdruk veroorzaakt door een detonatie kan zeer sterk oplopen (ca. omdat dit extreme begincondities vergt. alleen voor bij vaste en vloeibare explosieven. De vooruitlopende drukgolf zal neergezette stofdeeltjes doen opstuiven waardoor een nieuwe stofwolk ontstaat.die het exploderend volume volledig begrenzen en kunnen drukken gegenereerd worden tot 10 maal de begindruk. die het vlamfront bij een deflagratie uitzendt. Typische voorbeelden zijn trommelvliesscheuren en longschade bij de mens en de structuurschade aan woningen en installaties.4 HYBRIDE MENGSELS Bijzonder gevaarlijk zijn de zogenaamde hybride mengsels die bestaan uit een combinatie van stof en gas. 20 bar). Deze explosies kunnen echter ook de oorzaak zijn van secundaire explosies. De voortplantingssnelheid bij detonaties bedraagt 1 tot 10 km/s. Doordat de drukgolf. vooruit loopt op het vlamfront ontstaat er een tijdsinterval tussen het passeren van de drukgolf en de aankomst van het vlamfront. maar dat ze in bepaalde omstandigheden in een detonatie kunnen omslaan. omdat de kans om door een dergelijk projectiel getroffen te worden uitermate klein is. Een voorbeeld waarop gelet dient te worden is een hexaan vrij verklaring. in tegenstelling tot een deflagratie. Deze zeer hoge voortplantingssnelheid van de reactiezone geeft aanleiding tot supersone snelheden en de vorming van schokgolven. Deze nieuwe stofwolk kan op zijn beurt ontstoken worden door het volgende vlamfront waardoor een secundaire explosie ontstaat. Fragmentatie is een belangrijk indirect schademechanisme van een explosie. Zelfs wanneer uiterst geringe hoeveelheden van een brandbaar gas in een stofwolk aanwezig zijn is de ontsteking van dergelijke hybride wolk gemakkelijker en de explosie ervan heftiger dan die van de corresponderende stofwolk. Dit is bijvoorbeeld het geval wanneer één afmeting van de ruimte waarin de explosie zich voordoet veel groter is dan de andere zoals bij leidingen en kanalen met een lengte/diameter verhouding ≥ 50. Wanneer de verbrandingssnelheid groter is dan de snelheid van het geluid spreekt men van een detonatie. Secundaire explosies zijn meestal veel verwoestender dan de primaire explosies.3 PRIMAIRE EN SECUNDAIRE EXPLOSIES Stofexplosies die veroorzaakt worden door ontstekingsbronnen worden primaire explosies genoemd. Een detonatie. Detonaties moeten dan ook te allen tijde vermeden worden. 1. Het reactiefront en de schokgolf vallen ongeveer samen. ©Nevedi handleiding 2005 ATEX-richtlijn 137 7 . Zij zijn weinig gevaarlijk op enige afstand van de bron.5 EXPLOSIE – EFFECTEN Over het algemeen wordt een onderscheid gemaakt tussen de directe en de indirecte effecten van een explosie. kan niet tijdig gedetecteerd worden.

Wanneer deze parameter toch gebruikt zou worden moet rekening gehouden worden met het feit dat de onderste explosiegrens daalt wanneer de temperatuur stijgt. In de praktijk wordt de parameter OEL weinig gebruikt voor de beoordeling van explosierisico’s. zeven.Personen die zelf door de drukgolven omver. . hoppers. fragmenten die door de schokgolf gevormd worden zoals glasscherven en vallende dakpannen. De glimtemperatuur (Tglim): Dit is de laagste temperatuur van een oppervlak waarbij de daarop gelegen stoflaag spontaan tot ontbranding komt. drogers. Andere belangrijke indirecte effecten zijn: .6. d. .Het uitbreken van brand. Het explosiegebied van de meeste poeders bevindt zich tussen 40 g/m3 en 4 kg/m3. 1. De Tglim wordt zelden bereikt in normale gebruiksomstandigheden van toestellen in mengvoederbedrijven. Zelfs bij de laagste explosiegrenzen hebben stofwolken een hoge optische dichtheid. mengers. Ofschoon deze concentratie laag schijnt te zijn komt ze voor als een zeer dichte wolk. Dit betekent dat de stof geen Tglim heeft. De concentratie van de stoflucht. vormen een veel belangrijkere bron van schade.1 Explosiegrenzen Niet alle mengsels van brandbaar stof en lucht zijn ontplofbaar. Stofexplosies kunnen zich vooral voor doen binnenin de procesuitrusting zoals maalmolens. Bij het smelten kunnen immers brandbare dampen vrijkomen die met de omgevingslucht een explosief mengsel vormen. De concentratie in industriële installaties verandert soms drastisch door de niet-homogeniteit van het stof-luchtmengsel. maar gaat smelten.of weggeworpen worden. De temperatuur van de plaat wordt geleidelijk verhoogd totdat een ontvlamming van de stoflaag wordt waargenomen. De laagste stofconcentratie waarbij het mengsel ontvlamt wordt de Lower Explosion Limit (LEL) genoemd. silo’s en pneumatische transportsystemen. maar ook van onder meer de afmetingen en de fijnheid van de stofdeeltjes.mengsels moet binnen de ontplofbaarheidsgrenzen liggen.6 EXPLOSIEKARAKTERISTIEKEN 1. Dit gebied is niet alleen bepaald door de chemische samenstelling van het ontplofbaar stof. Bovendien is de Tglim afhankelijk van de omgevingstemperatuur. Beneden deze concentratie is het mengsel te arm aan stof om nog te kunnen ontvlammen. Dergelijke stofconcentraties komen zelden voor in de werkplaatsen van bedrijven. hetgeen niet betekent dat de opwarming van de stoflaag ongevaarlijk zou zijn. De OEL ligt voor heel wat stoffen tussen 10 en 30 g/m³. Een frequent optredend fenomeen is dat een stoflaag bij opwarming niet gaat smeulen.Secundaire fragmenten. filters.2 Karakteristieke temperaturen De term “karakteristieke temperaturen” heeft betrekking op temperaturen waarbij een stof onder welbepaalde omstandigheden een specifiek brandgedrag begint te vertonen. omdat de stoflaag als een isolatiedeken zal optreden. De Tglim hangt af van de dikte van de stoflaag.Het ontstaan van secundaire explosies. De Tglim van een stoflaag wordt bepaald door een stoflaag van 5 mm dik op een verwarmde plaat te plaatsen. 1.i.6. ©Nevedi handleiding 2005 ATEX-richtlijn 137 8 .

verkrijgt men de maximale druk wanneer het vlamfront de wand bereikt. Daarna zal de druk geleidelijk afnemen door warmteverliezen naar de omgeving. De zelfontsteking is een gevolg van de zelfopwarming van de laag. De maximale overdruk die tijdens het deflagratieproces bereikt wordt noemt men de explosiedruk Pex.65 Stofexplosies. De zelfontstekingstemperatuur van stofwolken (MOT): De zelfontstekingstemperatuur van een stofwolk is de minimale temperatuur van een heet oppervlak dat. Om dit te vermijden moet in de praktijk de oppervlaktetemperatuur van warme oppervlakken en elektrische toestellen 75 ° C beneden de glimte mperatuur van de stoflaag (met laagdikte die in de praktijk te verwachten valt) gehouden worden. 23/03/1998) Wanneer het mengsel in het midden van een bolvormig volume ontstoken wordt. ©Nevedi handleiding 2005 ATEX-richtlijn 137 9 . wanneer er een stofwolk onder bepaalde omstandigheden langs geleid wordt. G. De waarde van de explosiedruk kan gemakkelijk waarden van enkele bar bereiken. Tijdsverloop van de inwendige druk in een gesloten volume (Arbeidsveiligheid nr. Merk op dat deze temperatuur niet gelijk is aan de temperatuur die in de stofwolk heerst.6. Stoflagen ontsteken bij een lagere temperatuur dan stofwolken. Fig.De zelfontstekingstemperatuur van stoflagen: Dit is de temperatuur waarbij een stoflaag spontaan ontbrandt wanneer deze omgeven wordt door een warmtebron en lucht. Samen met de Tglim is de MOT van poeders mede bepalend voor de keuze van apparatuur en in het bijzonder voor de temperatuurklasse waartoe ze moeten behoren. Huys. aanleiding geeft tot de ontsteking van de stofwolk. De directe ontsteking van een stofwolk op een warm oppervlak of elektrische apparatuur kan worden vermeden als de temperatuur van het warme oppervlak beperkt blijft tot 2/3 van de MOT van de stofwolk. 1.3 De maximale explosiedruk en de maximale drukstijgsnelheid Een typisch tijdsverloop van de inwendige druk in een gesloten volume waarin een deflagratie plaatsvindt is weergegeven in figuur 1.1.Kluwer Editorial. Een stofwolk kan door de smeulende of brandende stoflaag ontstoken worden.

In het explosiegebied varieert de explosiedruk en bereikt een maximum bij een bepaalde brandstofconcentratie. Uit proeven is gebleken dat de maximale drukstijgsnelheid afhankelijk is van de grootte van het volume waarin de explosie plaatsvindt. begintemperatuur. Dit verband wordt gegeven door de formule: ( dP/dt )max = K / V1/3 met : V = volume van de houder uitgedrukt in m³ K = een constante uitgedrukt in bar m/s.5 bar wordt het stof gecatalogeerd als explosief. begindruk en de turbulentiegraad) bij de explosie: .De maximale explosiedruk daalt bij een hogere begintemperatuur.m/s 0 Tussen 0 en 200 Tussen 200 en 300 Groter dan 300 Explosieklasse 0 1 2 3 Explosiesnelheid van de stof niet explosief laag tot matig explosief hoog explosief zeer hoog explosief Hierbij dient opgemerkt te worden dat zowel de maximale explosiedruk als de maximale drukstijgsnelheid afhankelijk zijn van de beginvoorwaarden (o.a. Tijdens een explosie zal de druk niet plots oplopen tot de explosiedruk.1. Dit verband laat toe om de resultaten van kleinschalige proeven naar grotere volumes om te rekenen en vormt de basis van de explosiebeveiliging door drukontlasting en door onderdrukking. ©Nevedi handleiding 2005 ATEX-richtlijn 137 10 .max van de betrokken stof. Het is deze waarde die men in de literatuur terugvindt als explosiedruk. Dit is grafisch weergegeven in figuur 1. Deze waarde noemt men de maximale explosiedruk Pex.1: Indeling van poeders in explosieklasses volgens de Duitse norm VDI 3673 KST-waarde in bar. De maximale drukstijgsnelheid (dP/dt)max wordt gedefinieerd als de maximale drukstijgsnelheid die opgetekend kan worden over het volledige concentratiegebied.De turbulentiegraad heeft een zeer sterke invloed op de KST-waarde. Het is een maat voor de heftigheid van een explosie en is in de praktijk meestal veel belangrijker dan de maximale explosiedruk (Pmax). zoals weergegeven in tabel 1. . De proeven zijn echter zo ontworpen dat in de meeste praktijksituaties de turbulentiegraad niet hoger zal zijn dan in de proeven. de KST-waarde kan zowel toenemen als afnemen bij een hogere begintemperatuur. Dit is waar de raaklijn aan de drukcurve het steilst is. Immers wanneer deze concentratie kleiner is dan de onderste explosiegrens of groter dan de bovenste explosiegrens kan geen explosie optreden en is de explosiedruk gelijk aan nul.De explosiedruk is afhankelijk van de brandstofconcentratie. Wanneer de drukopbouw groter is dan 0. Met betrekking tot stofwolken spreekt men van de KST-waarde waarbij ST staat voor het Duitse Staub. . Tabel 1.Zowel de maximale explosiedruk als de KST-waarde zijn rechtevenredig met de begindruk. Tussen het ogenblik van de ontsteking en het bereiken van de explosiedruk bestaat een punt waar de drukstijgsnelheid het grootst is. en die eigen is aan het brandbaar mengsel.Op basis van de KST-waarde worden brandbare poeders ingedeeld in vier zogenaamde explosieklasse.

Deze hybride mengsels blijken bovendien explosief te zijn bij stof. . Op de website http://www. is de hoeveelheid energie waarmee een mengsel over het volledige explosieve gebied net niet meer tot ontsteking kan gebracht worden.dguv.6. waarvan de belangrijkste de korrelgrootte. De minimale ontstekingsenergie is van een groot aantal factoren afhankelijk. Voor vele stofwolken situeert de MOE zich tussen 1mJ en 1kJ.De minimale ontstekingsenergie. Bij de ontploffing van een dergelijk poeder binnen een volume van 1 m³ kan de explosiedruk (b. 10 bar) bereikt worden in ordegrootte van 100 ms.Wat is de ernst van een stofexplosie? Bij het bepalen van de kans dat een stof-luchtmengsel tot ontploffing zal komen zijn o.De MOE daalt bij een lagere vochtigheidsgraad. laag tot matig explosief. ©Nevedi handleiding 2005 ATEX-richtlijn 137 11 .Wat is de kans van een stofexplosie? . volgende parameters van belang: . 1. Vele organische poeders hebben een KST-waarde van circa 100 bar. de temperatuur en turbulentiegraad van de stofwolk en de vochtigheidsgraad zijn: .De glimtemperatuur van de stoflaag.In het algemeen daalt de MOE bij toenemende temperatuur van de stofwolk.In het algemeen daalt de MOE bij dalende turbulentiegraad van de stofwolk. . MOE. Door het toevoegen van een brandbaar gas aan een stofwolk kan de MOE sterk gereduceerd worden.Ook de deeltjesgrootte en de vochtigheidsgraad van het stof beïnvloeden de KST-waarde.4 De minimale ontstekingsenergie (MOE) De ontstekingsenergie is de energie die men nodig heeft om een explosief mengsel tot ontsteking te brengen.5 Samenvatting belang van explosiekarakteristieken bij de risicobepaling De uitvoering van de risicobepaling van stofexplosies komt in principe neer op het beantwoorden van de vragen: . . Volgende parameters zijn hierbij van belang: . De minimale ontstekingsenergie.de/ifa/de/gestis/stoffdb/index.v. De mogelijke ernst van een stofexplosie is functie van de mogelijke explosiedruk en de drukopbouw in functie van de tijd.jsp kan men de stofexplosiekarakteristieken van een 1600-tal stoffen uit de agrarische sector opzoeken.v. De potentiële ontstekingsbronnen worden verder besproken. De meeste agrarische producten horen tot een lage stofexplosieklasse (KST1. 1.De zelfonstekingstemperatuur van de stoflaag en de stofwolk.m/s.De maximale explosiedruk.6. Hoe groter de druk en hoe langer de duurtijd van een stofexplosie des te groter zal de potentiële schade zijn.en gasconcentraties die onder de onderste explosiegrens liggen van het pure stof en gas. . Vooral bij oplosmiddelbevattende poeders (b. ten gevolge van extractie) kan een hybride mengsel relatief eenvoudig ontstaan.Bij korrelgroottes van 300µm en meer zijn poeders in suspensie niet meer tot ontsteking te brengen. Ook wanneer een stof gevoelig is voor zelfopwarming of broei kunnen broeigassen ontstaan die aanleiding kunnen geven tot een hybride mengsel. In een volume van 1000 m³ duurt dit slechts 10 keer langer. .a. Deze energie kan op velerlei wijzen geleverd worden. voor een standaard monster met mediaandiameter <63µm).

Elektrische vonken. elektrische. Vreemde voorwerpen kunnen voor een groot deel uit de installatie gehouden worden met magnetische. In geen geval mag normaal elektrisch handgereedschap met open collector gebruikt worden. . .- De maximum drukstijgingssnelheid. 1. .Lassen en verspanen.Spontane opwarming. . De vonken kunnen ontstaan wanneer een metaal of steen in contact komt met een ander metaal.1 Mechanische bronnen Mechanische vonken: Mechanische vonken zijn hete deeltjes die vrijkomen tengevolge van het over elkaar schuren of het op elkaar slaan van daarvoor geschikte stoffen.Brandend materiaal. die eventueel kunnen worden gecombineerd met metaaldetectoren die de installatie stilleggen indien de aanwezigheid van vreemde voorwerpen wordt vastgesteld. thermische of chemische aard zijn. zoals : Bij bewerkingen met mechanisch aangedreven gereedschap zoals boren.Overige/onbekend. De potentiële ontstekingsbronnen kunnen van mechanische. ©Nevedi handleiding 2005 ATEX-richtlijn 137 12 . slijpen of schuren.Hete oppervlakken. De KST-waarde van het poeder. Vonken bij het slijpen kunnen door waterkoeling vermeden worden. Belangrijke voorwaarde voor het ontstaan van mechanische vonken is een hoge relatieve snelheid tussen de twee elkaar rakende voorwerpen. Deze deeltjes kunnen voldoende energierijk zijn om ontplofbare stof-luchtmengsels te ontsteken of in afgezet brandbaar stof een smeulproces op gang te brengen dat vervolgens tot een ontsteking kan leiden.of pneumatische afscheiders. . Zowel het ontstaan als het vermijden van de ontstekingsbronnen komen aan bod. De belangrijkste ontstekingsbronnen bij stofexplosies zijn in dalende orde van belangrijkheid1: .Statische elektriciteit. 1. Wanneer vreemde voorwerpen in de installatie raken en daar in contact komen met snel bewegende onderdelen zoals de bladen van een ventilator. Bij slijpen liggen de snelheden vele malen hoger dan bij boren waardoor ook veel meer mechanische vonken zullen worden opgewekt. Berghmans (oktober 1990). .Vlammen.7 ONTSTEKINGSBRONNEN Een brandbare stofwolk zal slechts ontstoken kunnen worden door een ontstekingsbron met voldoende sterkte. bij voorkeur pneumatisch. De energie in vonken van slijpschijven is hoger dan de ontstekingsenergie van de meeste mengsels.7. Hierna volgt een korte bespreking van de voornaamste ontstekingsbronnen. . NVBB. Bovendien moet de aandrijving van gereedschap dat gebruikt wordt in een explosiegevaarlijke atmosfeer explosieveilig uitgevoerd zijn. Ontstekingsenergie bij stofexplosies – Technisch Dossier 83. 1 J. zwaartekracht. Bij het losraken van onderdelen in een draaiende machine zoals ventilatorbladen die in aanraking komen met de behuizing. Om te vermijden dat hierbij vonken ontstaan kunnen speciale niet-vonkende metalen tippen gebruikt worden.Mechanische vonken. .

Hitte wordt hierbij trapsgewijs geaccumuleerd. schoorstenen en afgasleidingen. . transportbanden. soldeer. draaiende assen door afdichtingen. verbrandingsmotoren. Beperking van de oppervlaktetemperatuur kan bijv. .Oppervlakken die zijn verhit ten gevolge van las-. .Beperking van de snelheid van draaiende onderdelen.Oppervlakken van hete apparaten zoals verwarmingen.Warmgelopen elektromotoren. drogers. leidingen van thermische olie. drijfriemen. De te treffen preventieve maatregelen situeren zich dan ook voornamelijk op het vlak van het plannen en uitvoeren van preventief en curatief onderhoud. 1. . onvoldoende gesmeerde bewegende onderdelen van toestellen (lagers. Gekende voorbeelden zijn: .Lagers. De preventie van ontsteking van stof door hete oppervlakken wordt meestal gerealiseerd door de oppervlaktetemperaturen van objecten te beperken tot ongeveer 75° C beneden de Tglim van stoflagen of tot 2/3 van de MOT van stofwolken waarbij de laagste van deze temperaturen weerhouden wordt.Isolatie van warme oppervlakken.Toestellen die de mechanische energie omzetten in warmte (wrijvingskoppelingen. . lampen.7. Voorbeelden van hete oppervlakken die een ontstekingsrisico kunnen inhouden zijn: .Mechanische remmen. een proces van lange duur waarbij objecten tegen elkaar wrijven. Wrijving: Wrijving is. .d.Bij het storten van materiaal in bunkers e. ©Nevedi handleiding 2005 ATEX-richtlijn 137 13 . Bij aanlopers (ventilatoren. remmen e. voorkomen worden door: .2 Thermische bronnen Hete oppervlakken: Naast directe ontsteking van een stof-luchtmengsel door een heet oppervlak kan ook het stof dat in een laag op dat hete oppervlak is uitgezakt aanleiding geven tot vorming van een smeulnest dat vervolgens weer de ontstekingsbron kan zijn van het stof-luchtmengsel. in tegenstelling tot impactverschijnselen waarbij mechanische vonken kunnen worden gevormd.v. verwarmingsweerstanden.Temperatuurbewaking gekoppeld aan de sturing van bepaalde toestellen.Onderdelen van machines die mechanisch opwarmen (breekmolens. remmen).Verstopt raken en ontstoppen van materialen. .Slecht uitgelijnde en gebroken machineonderdelen.Opstellen en toepassen van preventieve onderhoudsschema’s (smering).Foute afstelling van transporteenheden (b.Oververhitte elektrische draden of stroomgeleiders door een overbelasting. maalinstallaties) of carters van machines opgewarmd door geleiding.Wrijvingskoppelingen. . stoomleidingen. elevatorbakken). . . riemoverbrengingen. mengmachines. transformatoren. . slippen van een transportband). Voor de evaluatie van het gevaar die bepaalde mechanische vonken inhouden moet men niet alleen de explosiekarakteristieken van het stof kennen maar ook de eigenschappen van de stof zelf.Foute afstelling van aandrijfeenheden. pakkingen). Het verlagen van de snelheid en voorzien van temperatuurbewaking zijn andere mogelijke preventieve maatregelen.of slijpwerkzaamheden. . .. .d.

7. De hitte kan niet snel worden afgevoerd waardoor de temperatuur van het opgehoopte stof vrij snel stijgt. Het vermijden van open vuur en vlammen is dus noodzakelijk.3 Elektrische bronnen Een elektrische vonk ontstaat als een stroomvoerend elektrisch circuit wordt onderbroken of als twee geleiders van verschillende potentiaal zo dicht bij elkaar worden gebracht dat de isolatiewaarde of doorbraakveldsterkte van de lucht tussen de geleiders overschreden wordt. een grote ruimte. De temperatuur en energie in een vlam zijn altijd hoger dan de MOT van een brandbare stof. In zulke gevallen moeten de maatregelen bescherming bieden tegen zowel gasontploffingsgevaar als stofontploffingsgevaar. kachels.v. Door de gasexplosie kan het dak van de silo beschadigd worden. Dit kan bijvoorbeeld het geval zijn bij: . Materiaal regelmatig te laten circuleren en de warmteafvoer te verbeteren. Heel wat materialen zijn gevoelig voor spontane opwarming bij gewone omgevingstemperaturen. reactieve metalen en stof doordrenkt met plantaardige oliën. Enkele andere potentiële bronnen van elektrische vonken zijn: Relais. Door een gelimiteerde aanvoer van zuurstof kan een smeulende stofzone koolmonoxide en andere brandbare gassen ontwikkelen. kaarsen. een draagbalk verspreid worden en resulteren in een secundaire stofexplosie. afbranden van verf. solderen.p. bedekken van daken. zaagmeel. brandbare gassen ontsnappen die gemengd met de omgevingslucht een ontplofbaar mengsel kunnen vormen. Open vuur en vlammen kunnen te allen tijde explosies inleiden. Wanneer nu een smeulende stofzone dit gasmengsel bereikt (bijv. Schuifweerstanden.Werkzaamheden als lassen. Komt deze smeulende stofzone in een stofwolk terecht dan kan een stofexplosie ontstaan. Dit verschijnsel kan verklaard worden door de poreuze structuur van het stof. Open vuur en vlammen: Onder open vuur en vlammen worden verbrandingsprocessen verstaan die in direct contact met de omgevingslucht plaatsvinden. Materiaal op te slaan bij verlaagde temperatuur.a. wanneer opgewarmd.a. Zo kan zich een explosief gasmengsel boven de stoflaag vormen. Zeer gevoelig zijn o. Smeulen: Brandbaar opgehoopt stof kan onder bepaalde omstandigheden aanleiding geven tot inwendige verbranding en hoge temperaturen. Een temperatuur. . voorkomen worden door een vergunning brandgevaarlijke werkzaamheden. Elektrische vonken: 1. lucifers. of generatoren met koolborstels en sleepringen of ©Nevedi handleiding 2005 ATEX-richtlijn 137 14 . waakvlammen. In principe geeft iedere bediening van een elektrische schakelaar een elektrische vonk. Door die poreuze structuur heeft zuurstof gemakkelijk toegang tot de oppervlaktedeeltjes van het stof en wordt de geleidbaarheid van de voortgebrachte hittelaag verlaagd. Inertisering (inspuiten van een ruimte met inerte gassen zoals CO2 en N2).Vuurhaarden. Dit kan o. Hierdoor kan opgehoopt stof op bijv. Spontane opwarming kan in zekere mate beperkt worden door: Materiaal op te slaan in verschillende kleine ruimtes i.Tevens kunnen uit veel organische stoffen.of drukbewaking. Elektrische motoren commutatoren. bij het legen van een hopper) kan dit ontstoken worden. steenkool. snijbranden.

Er vindt een ontlading plaats ©Nevedi handleiding 2005 ATEX-richtlijn 137 15 . De bekendste vorm is contactelektrificatie. de zogenaamde doorslagveldsterkte. Alleen veiligheidshandschoenen dragen met een doorgangsweerstand van maximaal 108. Indien een geleidend en geaard voorwerp wordt blootgesteld aan een elektrisch veld (dat aanwezig is rond een elektrisch opgeladen voorwerp) zal een tegenlading worden geïnduceerd op dit voorwerp. Ook mensen kunnen op deze wijze opgeladen worden. Als een opgeladen persoon een geaard of geleidend voorwerp nadert kan een vonkontlading ontstaan die voldoende energie (25 à 40 mJ) bevat om een omringend stofmengsel te ontsteken. verliest een isolator of slechte geleider zijn isolerend vermogen. Elektrostatische ontladingen: Statische elektriciteit kan op verschillende manieren ontstaan. Dit verschijnsel bestaat uit ladingsoverdracht indien twee verschillende niet geladen materialen eerst met elkaar in contact worden gebracht en vervolgens weer worden gescheiden. Niet verwisselen van kleding in een zone 20 of 21 (zie hoofdstuk 4 over zonering). Voorbeelden van industriële activiteiten waarbij elektrostatische opladingen zich kunnen voordoen zijn: Pneumatisch transport van poeders. Elektrostatische oplading op zich maakt statische elektriciteit nog niet tot een ontstekingsbron. Het mechanisme van contactelektrificatie vindt bijvoorbeeld plaats bij transport van poeders door leidingen.v. Personen worden alleen opgeladen als zij geïsoleerd opgesteld staan. Ledigen van papieren of plastic zakken zonder goed geaard te zijn. Scheidingsprocessen onder invloed van de zwaartekracht (b. Bewegende transportband over rollen. bijvoorbeeld op niet geleidende schoenzolen of op een niet geleidende vloer. Accumulatie van lading resulteert in een elektrisch veld met een toenemende veldsterkte. Door storingen kunnen vonken ontstaan in elektrische apparatuur die tijdens normaal bedrijf geen vonken veroorzaakt zoals: Smeltveiligheden.Sleepcontacten en stroomafnemers. Boven een bepaalde waarde van deze veldsterkte. Op de eerste plaats dient men te zorgen voor geleidende vloeren. uitzakken van suspensies). Mechanische processen met poeders (malen. Slechte contacten en onbedoelde onderbrekingen in stroomkringen. stofdicht materiaal moeten worden geïnstalleerd. Wanneer dit niet mogelijk is zal aangepast. Alleen veiligheidshelmen dragen van niet oplaadbaar materiaal. Kortsluitingen en aardsluitingen. Oplading via ladingsoverdracht wanneer een opgeladen voorwerp met een niet opgeladen voorwerp in aanraking komt (stofwolken die een voorwerp treffen of er op neerslaan). Voorwerpen kunnen ook worden opgeladen door inductie. Hiervoor is het noodzakelijk dat de lading voldoende accumuleert. Lopen over isolerende vloeren. Er kunnen de volgende additionele maatregelen genomen worden om oplading van personen te voorkomen: Dragen van geleidend schoeisel en kledij. zeven). Deze vorm van opladen heet inductie. Als algemene preventiemaatregel geldt dat elektrische installaties zoveel mogelijk geweerd dienen te worden uit die delen van de installatie waar explosief stof aanwezig kan zijn.

Indien dit poeder bestaat uit slecht geleidend en hoog opgeladen materiaal kunnen stortkegelontladingen ontstaan van de geaarde silowand naar de top van de kegel. Een andere soort ontlading is de borstelontlading. G.Kluwer Editorial. Huys. Fig.2.65 Stofexplosies. De bekendste is de elektrostatische vonk. Als een poeder gestort wordt in een silo ontstaat een kegelvormige hoop die stortkegel genoemd wordt.Kluwer Editorial. Huys. Grafische voorstelling van een elektrostatische vonk (Arbeidsveiligheid nr. 23/03/1998) Bij alle andere ontladingen zijn minder goed geleidende materialen betrokken waardoor tijdens de ontlading weerstandsverliezen optreden. Een vonk ontstaat tussen twee geleidende materialen die een verschillende potentiaal bezitten.65 Stofexplosies.welke verschillende vormen en energie-inhouden kan hebben. 23/03/1998) Minder bekende vormen van elektrostatische ontladingen zijn de stortkegelontlading en de glij-ontlading. De nettovonkenergie is daardoor lager dan de opgeslagen energie. waardoor zich ionisatiekanalen vormen op het oppervlak van de stortkegel. Grafische voorstelling van een borstelontlading (Arbeidsveiligheid nr. Voor dergelijke ontladingen is in de meeste gevallen een tegenvoorwerp in de vorm van een slechte geleider noodzakelijk.3. Deze ontstaan doordat aan het oppervlak van de stortkegel de doorslagveldsterkte van lucht wordt bereikt. Dit kan een stofwolk zijn. ©Nevedi handleiding 2005 ATEX-richtlijn 137 16 . Fig. De sterkste stortkegelontladingen treden op bij het storten van grofkorrelig materiaal met een deeltjesgrootte van 1 tot 10 mm in aanwezigheid van fijn stof met een lage minimale ontstekingsenergie of in de aanwezigheid van gassen. G.

Een folie is gepolariseerd indien ze aan beide zijden sterk tegengesteld opgeladen is.65 Stofexplosies. Grafische voorstelling stortkegelontlading (Arbeidsveiligheid nr.Debeil (mei 1998). Risicoanalyse aangaande stofexplosie in mengvoederbedrijven en maalderijen. Grafische voorstelling van glij-ontlading (Arbeidsveiligheid nr. G. Huys.4. In onderstaande tabel2 is een overzicht opgenomen van de verschillende elektrostatische ontladingsvormen en hun potentieel als ontstekingsbron voor stof-luchtmengsels. Fig.5. Als een sterk gepolariseerde folie wordt benaderd door een geaard voorwerp ontstaat er een borstelontlading tussen de folie en het geaarde voorwerp zeer hoge energie-inhoud.Kluwer Editorial.Kluwer Editorial. G. 23/03/1998) Glijontladingen kunnen optreden tussen een geleidende elektrode en een sterk gepolariseerde kunststoffolie. ©Nevedi handleiding 2005 ATEX-richtlijn 137 17 .65 Stofexplosies.Fig. Er wordt echter aangenomen dat bliksemachtige ontladingen niet optreden in apparatuur op industriële schaal. De polarisatie van een folie vindt plaats wanneer tegen of dichtbij een geladen en slecht geleidende folie een geaarde geleider wordt geplaatst. Elektrostatische ontladingen kunnen als ontstekingsbron optreden bij stof-luchtmengsels en hybride mengsels wanneer de bij de ontlading vrijkomende energie groter is dan de MOE van het brandbaar mengsel. 23/03/1998) Ten slotte bestaat ook nog de bliksemontlading. Huys. Glijontladingen zullen alleen ontstaan in processen waar een zeer hoge wrijving optreedt zoals bij het pneumatisch transport van poeders. 2 A.

De voorwerpen met geleidende verf bestrijken. In de meeste gevallen kan dit niet gerealiseerd worden met een metalen aardverbinding.000 op verschillende potentiaal staan (dus 1 niet of onvoldoende geaard) ( 25 à 40 mJ ) Vb. eenvoudigste en meest gebruikte preventiemaatregel die in de praktijk wordt toegepast is het elektrostatisch aarden en doorverbinden van geleidende delen van de installatie. Tabel 1.m) in een geaarde silo (*) Glij Zoals bij pneumatisch transport tot 3000 Sterk van poeder door een geaarde of geleidende leider voorzien van een dunne niet geleidende coating (*) De sterkste stortkegelontladingen treden op bij het storten van grofkorrelig materiaal met een deeltjesgrootte van 1 tot 10 mm in aanwezigheid van fijn stof met een lage MOE.Geleidend materiaal inbrengen. Men kan dan bijvoorbeeld: .2: Overzicht van de elektrostatische ontladingen en hun potentieel als ontstekingsbron Type Beschrijving EnergiePotentiële ontlading inhoud in mJ ontstekingsbron voor stof-luchtmengsel Vonk Sterk Ontlading tussen 2 geleiders die tot 10.462 ( mJ ) met D = diameter van de silo in m d = mediaan deeltjesgrootte in mm Opmerking : voor kunststofsilo’s moet de diameter verdubbeld worden Bliksem: ©Nevedi handleiding 2005 ATEX-richtlijn 137 18 . Met onderstaande formule kan de vrijkomende energie bij een stortkegelontlading berekend worden E = 5. . . opgeladen persoon Corona Zone rond puntige geleiders <1 Weinig waarschijnlijk Borstel Ontlading tussen geleider en <4à5 MOE zal bepalend zijn een niet geleider Stortkegel Slecht geleidend poeder < 25 Minder sterk (weerstand > 1010 Ohm.De omvang van de te nemen maatregelen is sterk afhankelijk van de ontstekingsgevoeligheid van het betreffende stof/lucht mengsel dat ter plaatse kan voorkomen. Merk op dat bij poeder transportsystemen het bestrijken met geleidende verf en het omwikkelen met gaas sterk af te raden is. De belangrijkste. omdat dan aan de binnenzijde van de leiding gevaarlijke glij-ontladingen kunnen optreden.36x d1.22 x D3. Soms kan het ook voorkomen dat niet-geleidende voorwerpen met de aarde verbonden moeten worden.Geleidende vulstoffen toevoegen.

De opvanginrichting zorgt ervoor dat de bliksem opgevangen wordt voordat hij het object raakt. De belangrijkste oorzaken van zwerfstromen zijn: Nabijheid van andere kathodische beschermingssystemen. laserstraling. in het radiofrequentiegebied (104 Hz tot 3x1012 Hz) en ioniserende straling ontstekingsbronnen vormen. Boven deze temperatuur sterven de organismen af maar kan een gewone ©Nevedi handleiding 2005 ATEX-richtlijn 137 19 . Door die reactie kan het materiaal lokaal verhit worden tot maximaal 75 ° C. Bovendien kan een blikseminslag zeer grote elektrische spanningen. Wanneer dergelijke materialen worden opgeslagen in grote hoeveelheden onder enigszins vochtige omstandigheden kunnen micro-organismen een exotherme reactie veroorzaken. zonlicht. De afgaande leidingen zorgen ervoor dat de bliksemstroom buiten het object om naar de aarde wordt geleid. laagspanningsinstallaties. 1. Door geleiding kan deze overspanning verplaatst worden tot ver buiten de directe invloedssfeer van de blikseminslag. zoals wanneer de stof in grote hoeveelheden is opgeslagen en thermisch goed is geïsoleerd. Een veel toegepaste voorkomingmaatregel is de leidingen en opslagtanks die onderhevig kunnen zijn aan elektrochemische corrosie uit te rusten met een kathodische bescherming. Daar kan een elektrische overslag in de vorm van een vonk plaats vinden die een explosie of brand kan veroorzaken. B. Het aardingssysteem zorgt er tenslotte voor dat de bliksemstroom zich goed in de bodem kan verspreiden Zwerfstromen: Zwerfstromen zijn gelijkstromen die zich onbedoeld door de aarde en door metalen constructies bewegen. zogenaamde overspanningen. De uitwendige bliksembeveiliging bestaat uit een opvanginrichting. De beschermingsmaatregelen tegen bliksem kunnen onderverdeeld worden in uitwendige en inwendige bliksembeveiliging. veroorzaken in geleiders. Verstoringen van het aardmagnetische veld.4 Chemische bronnen Open vuur en smeulende stoffen. De stroomsterkte van zwerfstromen kan zeer hoog zijn. UV-straling. die reeds besproken werden bij de thermische bronnen. Bij het onderbreken van de stroomkring waarin de zwerfstroom loopt zal dit leiden tot vonkvorming.). Dergelijke vorm van corrosie die veroorzaakt wordt door een elektrische stroom die door een object loopt wordt elektrochemische corrosie genoemd.7. Op de plaats waar deze stromen het object weer verlaten kan zware corrosie ontstaan.Bliksem is uiteraard een voor de hand liggende ontstekingsbron van explosies. Men spreekt van exotherme reacties. Volgende types kunnen onderscheiden worden: Broei: dit is een reactie die kan optreden in vaste stoffen van organische oorsprong. Wisselstroombronnen (hoogspanningstrajecten.v. Ten slotte kunnen ook elektromagnetische straling in het optische gebied (3x1011 Hz tot 3x1015 Hz). enz. Zelfverhitting zal in de praktijk optreden bij stoffen die bij lage temperatuur al voldoende warmte produceren en die bovendien die warmte slecht naar de omgeving kunnen afstaan. Een minder bekende exotherme reactie is de zogenaamde zelfverhitting. Onder zelfverhitting wordt de ontsteking verstaan die optreedt zonder tussenkomst van een vreemde ontstekingsbron zoals een mechanische vonk of heet voorwerp. zijn in feite beide chemische reacties tussen een brandstof en zuurstof waarbij warmte vrijkomt. Elektrisch lassen (wanneer de massaklem niet in de onmiddellijke nabijheid van de lasplaats is aangebracht). Op deze wijze vormt een zwerfstroom een potentiële ontstekingsbron. afgaande leidingen en een aardingssysteem. Zwerfstromen kunnen voor een deel over een uitgestrekt object lopen.

door vreemde voorwerpen. Oxidaties: oxidaties treden vooral op bij opgeslagen poeders waarbij smeulnesten gevormd worden die bij omscheppen van de poederhoop een mogelijke ontstekingsbron kunnen vormen voor stof-luchtmengsels die bij dat omscheppen ontstaan. Reden daarvoor is het snelle verloop van de chemische reactie bij lage temperaturen. . 1. . door het losraken van onderdelen.lager zijn dan circa 75 ° C beneden de glimtempera tuur van de stoflagen. slijpvonken en wrijvingsvonken): .slijpen). door verspanende bewerkingen zijn doorgaans relevant.Veroorzaakt door mechanisch aangedreven gereedschap (boren. Ontleding: ontledingsreacties kunnen een ontstekingsbron vormen wanneer bij de ontleding warmte vrijkomt. Ontstekingsbronnen die in zeer zeldzame situaties kunnen voorkomen ten gevolge van zeldzame defecten. Onder andere steenkool. .v. met name de minimale ontstekingsenergie (MOE) en de minimale ontstekingstemperatuur (MOT). ©Nevedi handleiding 2005 ATEX-richtlijn 137 20 . slippen en andere storingen): Om ontsteking te voorkomen moet de temperatuur van het warme oppervlak: . peroxides en ethyleen. worden tot de actiefste ontstekingsbronnen gerekend en zijn dus altijd relevant. Rekening houdend met bovenvermelde veiligheidsparameters betekent dit dat de oppervlaktetemperatuur van elektrische apparaten en de temperatuur van andere warme oppervlakken beperkt moet blijven tot maximaal : . door het storten van materiaal in bunkers en silo’s. Indien men niet kan evalueren of een ontstekingsbron kan voorkomen is deze volgens de norm NEN-EN 1127-1:2007 NL permanent aanwezig. Ontstekingsbronnen die in zeldzame omstandigheden kunnen voorkomen ten gevolge van functiestoornissen in toestellen.7.én 2/3 van de ontstekingstemperatuur van de stofwolken zijn (MOT).Elektrische vonken: zijn doorgaans relevant.240 ° C in de maalderijen Vlammen en hete gassen: vlammen.Veroorzaakt door vallende werktuigen zijn enkel relevant bij stof met een zeer lage MOE. IJzersulfide en fijn aluminiumpoeder zijn voorbeelden van pyrofore stoffen. Pyrofore stoffen zijn stoffen die bij contact met lucht spontaan ontbranden zelfs wanneer er sprake is van een goede warmte afgifte. Stoffen die bekend staan om hun gevaar van ongecontroleerde ontledingsreacties zijn b. .oxidatie de temperatuur verder doen stijgen tot het materiaal daadwerkelijk gaat smeulen. Een korte beschrijving van de “energie-inhoud” van de belangrijkste ontstekingsbronnen. hooi en melkpoeder kunnen dit gedrag vertonen.195° C in de mengvoederbedrijven . Men moet voor elke ontstekingsbron nagaan in welke mate deze zich kan voordoen en ze op de volgende manier classificeren: Ontstekingsbronnen die continu of vaak kunnen voorkomen bij de normale werking van toestellen.Mechanische vonken ( impactvonken.5 Praktische betekenis van de ontstekingsbronnen bij de uitvoering van de risicobeoordeling Het vermogen van een ontstekingsbron om een ontsteking te veroorzaken hangt af van de eigenschappen van de aanwezige substanties. ongeacht hun grootte. Hete oppervlakken (veroorzaakt door wrijving.

wel in aanmerking.8 PREVENTIE EN BESTRIJDING VAN STOFEXPLOSIES In de Arbeidsomstandighedenbesluit hoofdstuk 3. In de zogenaamde Debeil studie (Risicoanalyse aangaande stofexplosie in Mengvoederbedrijven en Maalderijen) wordt gesteld dat er geen gevaar is op vonkvorming bij het loskomen van de metalen bekers van een elevator indien de snelheid van de elevator maximaal 2. Uiteraard zal de relevantie afhangen van de snelheid “ v “ van bewegende onderdelen: . Deze preventiemaatregelen kunnen betrekking hebben op: De organisatie van de onderneming met inbegrip van de gebruikte werk. . Het vermijden van de ontsteking van explosieve atmosferen. Een oxidatiemiddel (in het algemeen zuurstof uit de omgevingslucht). het afzetten of opwervelen van brandbaar stof alsook het regelmatig verwijderen van afgezet stof. 1. Een ontstekingsbron die de nodige energie kan leveren voor het initiëren van de oxidatiereactie. paragraaf 2a.1 Voorkoming van stofexplosies Om een stofexplosie te kunnen veroorzaken moeten tegelijkertijd op dezelfde plaats aanwezig zijn (ook wel genoemd de branddriehoek): Een brandbare stof in fijn verdeelde vorm. artikel 3. de opleiding en de informatie van alle werknemers.1 < v < 10 m/s: ontstekingsgevaar zeer waarschijnlijk. . Het beperken van de gevolgen van een explosie. De keuze en het gebruik van arbeidsmiddelen en van collectieve en persoonlijke beschermingsmiddelen en van werkkleding.5a t/m/ 3. maar het hangt af van de veiligheidsparameters van de betrokken stoffen.8. zagen) zijn alleen relevant als MOE < 0.5f is de sociale ATEX-richtlijn geïmplementeerd. Buiten de apparatuur komen preventieve maatregelen. 1. ©Nevedi handleiding 2005 ATEX-richtlijn 137 21 . De preventie van stofexplosies zal dan ook bestaan uit ervoor te zorgen dat minstens één van deze elementen ontbreekt. hakken.en gezondheidssignalering. De inrichting van de arbeidsplaats. die gericht zijn op het voorkomen van de aanwezigheid.v < 1 m/s: geen ontstekingsgevaar.Veroorzaakt met door handkracht gedreven gereedschap (scheppen. De noodprocedures. Binnen de apparatuur zullen dergelijke preventieve maatregelen vaak niet uitvoerbaar zijn. met inbegrip van aangepaste instructies. De bekwaamheid. Daarin staat vermeld dat het de verplichting is van de werkgever technische en/of organisatorische maatregelen te nemen ter voorkoming van en bescherming tegen explosies volgens volgende grondbeginselen: Het voorkomen van het ontstaan van explosieve atmosferen..en productiemethodes. hameren.25 mJ (er is wel gevaar voor gloeikernen in stoflagen).v > 10 m/s : ontstekingsgevaar in alle gevallen. De toepassing van een aangepaste veiligheids.5 m/s bedraagt.

• Plaatsen waar niet te vermijden is dat stof uit de apparatuur ontsnapt. Bijkomend voordeel wanneer de druk lager dan 50 mbar gehouden kan worden is dat de maximale explosiedruk niet boven de 1 bar zal kunnen oplopen. .en lospunten.Het toevoegen van vloeistoffen als stofbeheersing wordt wel eens in de graan. Dit houdt o.Het middel bij uitstek om explosieve mengsels te vermijden bestaat er in producten te gebruiken die geen aanleiding kunnen geven tot explosies.De stofwolken in de procesapparatuur zijn minder gevoelig voor ontsteking en explosie. Dus geen vrije valtrajecten in transportsystemen en geen toevoegingen. Een belangrijke factor die good housekeeping sterk bevordert is de doordachte bouw van de gebouwen en installaties.Vermijden van fijn verdeelde brandbare stof: . zakkenvulinrichtingen en laad.v. Hierbij mag geen gebruik gemaakt worden van perslucht. moeten uitgerust worden met een afzuiginstallatie zodat het stof zich niet kan verspreiden. ze te bevestigen met schroeven of klinknagels.a. . De onderdruk moet dan wel bewaakt worden (signalering bij wegvallen). moeten geaard zijn. • Door enige onderdruk in de installatie te handhaven kan voorkomen worden dat uit openingen stof naar buiten komt.Een andere preventieve maatregel bestaat er in buiten de explosiegrenzen van het stof te werken. Het risico op een explosie zal significant gereduceerd worden op 2 manieren: . Zij dienen zo te worden uitgevoerd dat er zo weinig mogelijk plaatsen zijn waar zich stof kan afzetten en gemakkelijk stofvrij gehouden kunnen worden.en voedingsnijverheid toegepast. in dat constructies van plaatwerk die niet bedrijfsmatig (voor schoonmaken of onderhoud) losgemaakt moeten worden bij voorkeur gelast worden i. Zo is het onder meer aanbevolen om: ©Nevedi handleiding 2005 ATEX-richtlijn 137 22 . doseringen of monsternames via bedrijfsmatig te openen deksels of luiken. . Het toevoegen van bijvoorbeeld kleine hoeveelheden minerale plantaardige olie of lecithine aan graanpoeder blijkt efficiënt om stofwolken te vermijden.p. Ter voorkoming of beperking van de aanwezigheid van brandbaar stof buiten de apparatuur kunnen de volgende maatregelen getroffen worden: • Alleen gebruik maken van gesloten en stofdichte apparatuur.Het vrijkomen en de afzetting van fijn stof wordt sterk verminderd. Stofzuiginstallaties moeten beantwoorden aan de EX norm: o De aanzuigventilator moet beschermd zijn tegen inslag van vreemde voorwerpen. Dit kan onder meer het geval zijn ter hoogte van bandtransporteurs. • Afgezet stof moet regelmatig worden verwijderd. Verbindingen die wel moeten kunnen worden losgemaakt worden het best uitgevoerd met bout/moer bevestigingen in stevige lekvrije flenzen. • Indien mogelijk het werken met stoffige producten in de omgevingslucht vermijden. o De behuizing moet uit onbrandbaar materiaal bestaan. o De elektrische motoren moeten beschermd zijn tegen indringing van stof. o Alle geleidende onderdelen. inclusief aanzuigslangen en voorzetstukken. Als het wegvallen van de onderdruk direct gevaar kan opleveren moet de installatie uitvallen en/of niet kunnen worden ingeschakeld.

p. terwijl de maximale explosiedruk en de drukstijgsnelheid zullen dalen. CO-detectie om smeulbranden te detecteren (b. rookverbod) als technische maatregelen (bijv. De overgang tussen muren en vloeren af te ronden. Juist op die momenten kan de zuurstofconcentratie plotseling stijgen. capacitieve of resistieve controle op een silowagen). Vermijden van ontstekingsbronnen: Het vermijden van ontstekingsbronnen is een belangrijke preventieve maatregel. Ionisatie-apparatuur om statische oplading te elimineren. De minimum ontstekingsenergie en de onderste explosiegrens zullen immers stijgen. waardoor men binnen de explosiegrenzen komt en vrij snel een klap krijgt. detecteren van smeulend heet product op een transportband of transportketting). Voor iedere stof bestaat er een zuurstofgehalte waaronder geen ontsteekbaar mengsel meer gevormd kan worden. koolstofdioxide of zuurstofarme verbrandingsgassen.en stortkegelontladingen).8. Het verlagen van het zuurstofgehalte is soms mogelijk binnen de apparatuur en gebeurt in het algemeen door bijmenging van inerte gassen stikstof. Preventieve maatregelen die genomen kunnen worden staan vermeld in hoofdstuk 5 deel B bij de risicoanalyses per toestel. In de praktijk is deze maatregel echter weinig toepasbaar in de mengvoedersector of bij de maalderijen.2 Voorkoming van schade Explosie-onderdrukking: ©Nevedi handleiding 2005 ATEX-richtlijn 137 23 . Welke ontstekingsbronnen in een bepaalde situatie wel en welke niet meer gevaarlijk zijn hangt af van de stofexplosiekarakteristieken van het betrokken stof. zijn de belangrijkste ontstekingsbronnen voor stof-luchtmengsels de energierijkere ontstekingsbronnen zoals mechanische en elektrische vonken. Aandachtspunt bij een dergelijke werkwijze dienen storingen te zijn.- Zoveel mogelijk hellende vlakken (onder een hoek van 60° ) toe te passen i. Het vermijden van ontstekingsbronnen moet zowel met procedurele (bijv. statische elektriciteit (vonk-. Daarnaast kunnen ook nog preventieve maatregelen getroffen worden welke de kans op ontstekingsbronnen verkleinen of deze ontstekingsbronnen detecteren waarna ze onschadelijk kunnen worden gemaakt: Aardingscontrolesystemen (b. De inwendige muren van dergelijke gebouwen vlak en afwasbaar uit te voeren.v. 1. vroegtijdige detectie van een klomp smeulend product).v.v. open vuur en vlammen. horizontale vlakken. Leidingen en kabels zo kort mogelijk te houden en zoveel mogelijk in te bouwen. Vonkdetectiesysteem eventueel in combinatie met blussing. maar kan bijna nooit voldoende zekerheid bieden om als enige maatregel te mogen gelden. Vermijden van zuurstof: Omgevingslucht bevat circa 21% zuurstof. scheefloopbeveiliging in elevatoren en transportbanden). Als stof gemengd wordt met lucht die minder zuurstof bevat zal het mengsel minder gemakkelijk ontstoken kunnen worden en minder heftig ontploffen. Daar de meeste poedervormige stoffen een relatief hoge ontstekingsenergie en een relatief lage ontstekingstemperatuur hebben en dat bovendien veel organische producten al smeulen bij een lagere temperatuur dan de ontstekingstemperatuur. Voor veel stoffen ligt het gehalte in de buurt van 10%. Permanente temperatuurscanning op een productstroom met infraroodstraal (bijv. maar ook hete oppervlakken en spontane opwarming. glij.

Men spreekt van explosie-onderdrukking. Compartimenteringmaatregelen zijn dan absoluut noodzakelijk.m/s. Het principe van explosieonderdrukking bestaat erin dat de ontsteking door detectoren gedetecteerd wordt en een beveiligingssysteem in werking gesteld wordt waardoor ofwel de verbranding stopt ofwel de leiding waarin het vlamfront voortloopt afsluit. Bij explosies in aaneengesloten vaten treedt drukopbouw op waarbij de druk heel hoog kan oplopen. Daardoor zal de maximaal ontwikkelde explosiedruk een vooraf bepaalde waarde niet kunnen overschrijden en zal bijgevolg geen of slechts beperkte schade aangericht worden.Volumes tot ongeveer 1000 m³.5. Ook voor het ontwerp en vervaardiging van dergelijke constructies kan gebruik gemaakt worden van de voor drukhoudende apparatuur geldende voorschriften waarbij gerekend wordt met een zekerheidsfactor gelijk aan 1. luiken. Over het algemeen is het de regel dat grote installaties niet kunnen worden ontworpen of aangepast om weerstand te bieden aan de maximale explosiedruk. Proefondervindelijk werd vastgesteld dat de toepassing van explosieonderdrukking een doelmatige en efficiënte bescherming biedt binnen de volgende algemeen geldende grenzen (ref.: Handboek Explosiebeveiliging. Aangenomen wordt dat de te verwachten maximale explosiedruk circa 10 bar bedraagt. De hoogte van dergelijke drukken is moeilijk te voorspellen en in ieder geval is het moeilijker om de apparatuur voldoende sterk te bouwen. 1. Drukvaste constructies: Apparatuur en installaties die in staat zijn de hoogste druk die een inwendige explosie kan veroorzaken te doorstaan zonder blijvende vervorming en zonder dat de explosie zich uitbreidt tot de omringende atmosfeer. maar daarbij wel blijvend vervormd wordt. appendages. met inbegrip van aansluitingen. Drukstootvaste constructies: Men spreekt van een drukstootvaste constructie wanneer deze constructie wel in staat is de explosie te weerstaan en te verhinderen dat die zich tot de omringende atmosfeer uitbreidt. Voor drukvaste constructies bedraagt de zekerheidsfactor 1.3 Beperking van de schade Ter beperking van de gevolgen van explosies kunnen zowel procedurele als technische maatregelen getroffen worden.8. worden drukvast genoemd. Kluwer en Ten Hagen & Stam): . Voor ontwerp en vervaardiging kunnen de voor drukhoudende apparatuur geldende voorschriften worden gebruikt (bijv. . Belangrijk is hierbij op te merken dat de beschermde toestellen de verlaagde explosiedruk moeten kunnen weerstaan en eventuele verbindingen naar andere toestellen ook beschermd moeten worden. Op dergelijke maatregelen is veel minder directe invloed uit te oefenen door het personeel daar het hier gaat om procestechnische en mechanische veiligheden welke installatiegebonden zijn. Explosiedrukontlasting: Om de door een explosie in een apparaat of systeem ontwikkelde overdruk te beperken kunnen explosieluiken en -panelen of breekplaten aangebracht worden.Onder bepaalde omstandigheden kan verhinderd worden dat de ontsteking van een explosief mengsel zich ontwikkelt tot een explosie die schade kan veroorzaken. Voor drukvaste bouwwijze moet dus alle apparatuur. BS 5500). Daarom wordt deze beveiligingstechniek slechts toegepast voor relatief kleine en nieuwe installaties. deze te verwachten druk kunnen weerstaan.Voor poeders met KST = 300 bar. Deze moeten open gaan of bezwijken bij een zo lage overdruk dat hierdoor geen schade aan het apparaat of de ©Nevedi handleiding 2005 ATEX-richtlijn 137 24 . instrumentatie.

De ontlasting moet daarom zoveel mogelijk in de buitenlucht plaatsvinden en altijd in een ongevaarlijke richting zoals via het dak omhoog. Indien de ontlasting niet rechtstreeks in de buitenlucht kan plaatsvinden. Niet verbrand stof-luchtmengsel kan in de schouw tot ontvlamming komen en het ontluchtingsproces verstoren. Deze groef is zodanig gedimensioneerd dat de plaat openbreekt bij de voorziene openingsdruk.o. Het oppervlak van de ontlastvoorziening. kan gebruik worden gemaakt van zogenaamde vlamdovers. Het aanbrengen van dergelijke afblaaskanalen heeft wel enkele nadelen: De doorstroming van brandend product is aan weerstand onderhevig. Een apparaat dat door drukontlasting beschermd wordt moet drukvast of drukstootvast zijn uitgevoerd t. Panelen opgebouwd uit een stijve constructie die in een raamwerk is gevat of veerbelast is. Voor de berekening van deze factor werden een aantal methodes ontwikkeld (bijv. Bij explosiedrukontlasting moet rekening gehouden worden met het uittreden van hete verbrandingsgassen en brandbaar stof. Deuren of zogenaamde scharnierende panelen. de (dp/dt)max -waarde.installatie aangericht kan worden. de Duitse norm VDI 3673). Wanneer de explosiedrukontlasting niet naar de vrije atmosfeer of naar een veilige zone kan worden geleid. kan de explosiedruk mogelijk naar een veilige zone worden afgeleid via bijv. De belangrijkste ontlastconstructies zijn: Breekplaten bestaande uit een roestvrij stalen voorgegroefde folie.v. De ontlastopening dient voldoende groot te zijn om de snelheid waarmee de druk in de installatie zal stijgen met uitstroming te kunnen compenseren. Bij het ontwerp van ontlastopeningen moet daarom aandacht besteed worden aan: De te verwachten snelheid waarmee de druk in de installatie stijgt ten gevolge van een stofexplosie. De aanspreekdruk van de ontlastvoorziening. De bezwijkdruk van de installatie. Het principe van drukontlasting berust dus op het creëren van een zwakke plek in de te beveiligen installatie. de gereduceerde explosiedruk. ©Nevedi handleiding 2005 ATEX-richtlijn 137 25 . Dit zijn een soort vlammenfilters (quenchbuizen) waarin de oppervlaktetemperatuur van de vlam verlaagd wordt tot beneden de ontstekingstemperatuur van de brandstof waardoor de vlam gedoofd wordt. Membranen die bestaan uit een raamwerk dat bespannen is met een zeer dunne plastic of metaalfolie. Breekplaten zijn veruit het meest toegepaste systeem voor explosiedrukontlasting. Door turbulentie in de schouw kunnen tegendrukken ontstaan die zelfs hoger kunnen zijn dan explosiedrukken die in gesloten sferische vaten werden vastgesteld. vlamverschijnselen en drukontwikkeling. Dergelijke kanalen dienen dan ook zonder bochten en zo kort mogelijk te worden uitgevoerd. een schouw of buis. niet naar bedrijfsruimten of op verkeerswegen. Mensen en installaties worden zo bedreigd.

Compartimentering houdt in dat de explosie in de verbindingsleiding tijdig wordt gestopt door bijv. . Stofexplosies kunnen zich verplaatsen van een procesonderdeel naar een ander via de verbindingsleidingen tussen de twee procesonderdelen. . Kan de explosie zich verder ontwikkelen en is er voldoende brandstof en lucht aanwezig dan zal de deflagratie steeds in snelheid toenemen.65 Stofexplosies. In bepaalde omstandigheden kan de deflagratie overgaan in een detonatie. bijv. G.6.Kluwer Editorial. 23/03/1998) Scheiding en compartimentering: Installatiedelen waarin explosies kunnen optreden dienen op ruime afstand geplaatst te worden van gebouwen.7).8) of koelen de vlam af zodanig dat de ontstekingstemperatuur van het onverbrande medium niet meer wordt bereikt (fig.Actieve chemische systemen. Kortere buizen geven eenvoudigweg te weinig tijd om de noodzakelijke maatregelen te treffen.Passieve mechanische systemen. Doorsnede van een vlamdover (Arbeidsveiligheid nr. De passieve mechanische systemen leiden de vlam af naar een veilige zone (fig. Indien de stofexplosie van twee kanten kan komen zijn verbindingsleidingen van minstens 12m noodzakelijk. Wegens de enorme drukstoten die hierbij ontstaan moet dit te allen tijde vermeden worden. installaties of andere plaatsen waar zich veel mensen kunnen bevinden. Bovendien moet de installatie worden omgeven door voldoende stevige muren of wallen die verhinderen dat weggeslingerde delen schade aanrichten. Dit zal zeker van toepassing zijn wanneer het niet mogelijk is met voldoende zekerheid te waarborgen dat geen ontploffing optreedt en de apparatuur ook niet zo kan worden uitgevoerd dat de ontploffing te beheersen is. Huys. In principe mogen alleen personen aanwezig zijn als er geen ontploffingsgevaar bestaat. De toegang tot dergelijk geïsoleerd opgestelde installatieonderdelen behoort streng te worden geregeld en tot het strikt noodzakelijke te worden beperkt. ©Nevedi handleiding 2005 ATEX-richtlijn 137 26 .Actieve mechanische systemen.Fig. als de installatie buiten bedrijf is. Voor de meeste technieken geldt dat de minimale lengte van de verbindingsleiding 6 meter moet zijn. het sluiten van een klep of het injecteren van een blusmiddel. De compartimentering kan gerealiseerd worden met behulp van: .

Fig.7. Fig.7. Rooster voor het afkoelen van de vlam

Fig.8.

Fig.8. Afleiden van de vlam via een explosieslot (Arbeidsveiligheid nr.65 Stofexplosies, G. Huys,Kluwer Editorial, 23/03/1998) Men kan ook gebruik maken van de procesonderdelen, zoals doseerschroeven en draaisluizen, als isolators tegen explosiedoorslag. De massa poeder in een doseerschroef kan bij een juist ontwerp van de schroef voldoende tegendruk leveren om de explosiedruk te weerstaan. Daarvoor wordt het blad van de schroef onderbroken zodat er een soort permanente poederprop aanwezig is. Bij trogvormige schroefbehuizingen moeten in de bovenkant van de trog van plaatselijk baffles voorzien worden om vlamoverslag over de schroef te voorkomen.

Fig.9. Voorbeeld van een doseerschroef die ook dienst doet als barriére (Arbeidsveiligheid nr.65 Stofexplosies, G. Huys,Kluwer Editorial, 23/03/1998)

©Nevedi handleiding 2005 ATEX-richtlijn 137

27

De draaisluizen fungeren als een soort vlamdover waarbij het vlamfront van de stofexplosie wordt gesmoord in de nauwe spleten tussen de rotor en het huis van de draaisluis.

Fig.10. Schematische voorstelling van een draaisluis (Arbeidsveiligheid nr.65 Stofexplosies, G. Huys,Kluwer Editorial, 23/03/1998) Hoewel draaisluizen een zeer goede barrière vormen tegen stofexplosies hebben ze als groot nadeel dat alleen poeder kan worden doorgesluisd. Wanneer de verbindingsleiding tussen twee apparaten ook lucht moet transporteren kan een draaisluis niet worden toegepast. Een andere mogelijkheid bestaat er in een installatieonderdeel te isoleren door zowel aan de ingang als de uitgang een klep te installeren en de sturing zo te voorzien dat steeds minstens 1 klep gesloten is. De actieve mechanische systemen zullen na detectie in de beginfase de explosie mechanisch isoleren m.b.v. een snelafsluiter zodat de voortplanting van de vlam verhinderd wordt. Gekende voorbeelden zijn o.a. het Ventexventiel, de Iris-klep en bol- en vlinderkleppen.

Fig.11. Voorbeeld van een actief mechanisch systeem (Arbeidsveiligheid nr.65 Stofexplosies, G. Huys,Kluwer Editorial, 23/03/1998)

©Nevedi handleiding 2005 ATEX-richtlijn 137

28

De actieve chemische isolatiesystemen bestaan uit een detector, een controle-eenheid en een drukvat gevuld met een blusmiddel. Door de snelle injectie van het blusmiddel in de verbindingsleiding wordt verhinderd dat de vlam zich voortplant. Dergelijke systemen worden soms toegepast bij o.m.: De breker- en maalinstallaties; De ingangsdetectie op smeulend product.

Fig.12. Schematische voorstelling van een blusmiddelbarriére (Arbeidsveiligheid nr.65 Stofexplosies, G. Huys,Kluwer Editorial, 23/03/1998) Alle systemen moeten worden voorzien van de nodige controle- en alarmeringsapparatuur om bij storingen een automatische noodstop van de installatie te kunnen realiseren.

Brandbestrijding: Vaak ontstaat brand ten gevolge van een explosie. De schade veroorzaakt door brand kan beperkt worden door De bedrijfsgebouwen oordeelkundig in te delen in brandbestendige compartimenten; Te voorzien in aangepaste en voldoende brandbestrijdingsmiddelen. Uiteraard moet ook voorzien worden in voldoende opleiding van de werknemers voor de bediening van deze brandbestrijdingsmiddelen; Te voorzien in een intern noodplan.

1.8.4 Keuze van de toe te passen preventie- en beheersmaatregelen. Welke maatregelen toepasbaar zijn, zal in de eerste plaats afhangen van de resultaten van de risicoanalyse en dus ook van de zone-indeling. Hierbij zal uiteraard rekening moeten gehouden worden met de algemene preventieprincipes. Maar ook economische criteria zullen meespelen in de keuze van maatregelen. In ieder geval zullen zowel bestaande als nieuwe bedrijven niet alleen de wettelijk opgelegde maatregelen moeten treffen, maar ook alle mogelijke organisatorische maatregelen al dan niet expliciet vermeld in de wetgeving. Niet expliciet in de wetgeving vermelde maatregelen van technische of constructieve aard, maar bijv. opgenomen in normen of andere codes van goede praktijk zoals sectorstudies, kunnen relatief eenvoudig toegepast worden bij het ontwerp van nieuwe installaties. Dit is echter niet zo voor bestaande installaties, waar rekening zal moeten gehouden worden met technische en economische belemmeringen. Twee factoren die telkens terugkomen zijn de kostprijs en de effectiviteit van de voorgestelde maatregel. Afsluitend wordt in onderstaande tabel (tabel 1.3.) op dit gebied een vergelijking

©Nevedi handleiding 2005 ATEX-richtlijn 137

29

gemaakt tussen enkele van de belangrijkste veiligheidsmaatregelen van technische aard die bestaan op het vlak van de stofexplosieveiligheid. Deze tabel geeft enkel een idee van de gemiddelde waarde van de betrouwbaarheid en de kostprijs van de beveiligingssystemen tegen stofexplosies.

Tabel 1.3: Overzicht mogelijke technische veiligheidsmaatregelen ( 1 = meest gunstig / 5 = minst gunstig.) Systeem Isolatie Opsluiting (druk(stoot)vast ) Drukontlasting Onderdrukking Inertisering Betrouwbaarheid 1 2 Installatiekost nieuw 1 4 Installatiekos t bestaand 5 4 rendement 2 1

3 4 5

2 5 3

1 3 2

3 4 5

©Nevedi handleiding 2005 ATEX-richtlijn 137

30

Belangrijkste bepalingen van de richtlijn zijn: a. Ook wordt gesproken van ”Atex 95”. 2. 2. Deze richtlijn wordt volledigheidshalve vermeld. b.2. Ten aanzien van dit aspect is de wet niet naar aanleiding van de ATEX-richtlijn aangepast. door de invoering van CEmarkering). ©Nevedi handleiding 2005 ATEX-richtlijn 137 31 . De richtlijn diende uiterlijk op 30 juni 2003 in nationale wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen te zijn geïmplementeerd.1 WETTELIJK KADER EUROPESE REGELGEVING De regelgeving voor de beperking van stofexplosiegevaar vindt zijn oorsprong in een tweetal Europese Richtlijnen: 1. die door atmosferen gevaar kunnen lopen. de verplichting van de werkgever voor de opstelling en het bijhouden van een explosieveiligheidsdocument. Arbeidsomstandighedenwet 2007 (Arbowet) Reeds vóór het geven van ATEX-richtlijn 1999/92/EG diende aandacht aan explosieveiligheid te worden gegeven. was echter reeds geïmplementeerd in het Nederlandse recht (bv. waarop zij berusten. daar hij vrijwel geheel bestaat uit voorschriften van elektrische en niet-elektrische aard. bedoeld voor gebruik op plaatsen waar ontploffingsgevaar kan heersen. 2. Ook wordt wel gesproken van ”Atex 137”. Richtlijn 1999/92/EG van het Europese Parlement en de Raad van 16 december 1999 betreffende minimumvoorschriften voor de verbetering van de gezondheidsbescherming en van de veiligheid van werknemers. dat kan worden gebruikt op plaatsen waar ontploffingsgevaar kan heersen. die van invloed zijn op het ontwerp en de bouw van materieel.2 NEDERLANDSE REGELGEVING De implementatie in het Nederlandse recht heeft plaatsgevonden door middel van de volgende regelgeving: 1. Richtlijn 94/9/EG van het Europese Parlement en de Raad van 23 maart 1994 inzake de onderlinge aanpassing van de wetgevingen van de Lid-Staten betreffende apparaten en beveiligingssystemen. Deze richtlijn wordt wel de ”economische richtlijn” genoemd. de indeling van plaatsen in zones waar explosieve atmosferen kunnen voorkomen. Deze richtlijn wordt wel de ”sociale richtlijn” genoemd. daar hij betrekking heeft op de gezondheid en veiligheid van werknemers. c. De Arbowet 1998 bepaalt in artikel 5 dat in een (explosie)risico-inventarisatie en –evaluatie (RIE) de arbeidsrisico’s voor werknemers schriftelijk dienen te worden vastgelegd. het nemen van organisatorische en veiligheidsmaatregelen ter verbetering van de gezondheidsbescherming en veiligheid van werknemers. naar het artikelnummer van het EG-Verdrag.

Omdat elektrische installaties en elektrisch materieel een ontstekingsbron kan vormen is tevens van belang het: 4. onder meer. werd een geheel nieuwe paragraaf over explosieve atmosferen (§ 2a) aan Afdeling 1 van Hoofdstuk 3 over de inrichting van arbeidsplaatsen toegevoegd. Deze praktijkrichtlijn is opgenomen in de beleidsregels 4.4-5 Arbeidsomstandighedenwetgeving. de volgende bepalingen opgenomen: a. Voorkoming van een explosieve atmosfeer dan wel de ontsteking daarvan dan wel beperking van de gevolgen van een explosie. Deze gevaren explosieveiligheidsdocument. Gebied met geringe kans op aanwezigheid van een ontplofbaar stof-luchtmengsel (te denken aan < 0. waarvan het eerste (NPR 79101)handelt over gasontploffingsgevaar en het tweede over stofontploffingsgevaar (NPR 7910-2). Praktijkrichtlijn NPR 7910 Deze richtlijn van het Nederlands Normalisatie Instituut. dienen te worden vastgelegd in een b. De zone-indeling luidt als volgt: a. Bij Besluit van 19 juni 2003. d. b. in werking getreden op 30 juni 2003. Echter. De risico-inventarisatie en –evaluatie van gevaren in verband met explosieve atmosferen. Het tweede deel van juli 2001 is een nadere uitwerking van NENEN-IEC 61241-10:2004 en betreft voornamelijk de gevaren binnen gebouwen en in het inwendige van apparatuur. NGG: Gebied waarbinnen geen ontplofbare atmosfeer geacht wordt voor te komen in zodanige mate dat speciale voorzieningen ten aanzien van ontstekingsbronnen nodig zijn. werd in opdracht van het ministerie van Sociale en Economische Zaken opgesteld door de normcommissie NEC 31 ”Elektrisch materieel in verband met ontploffingsgevaar”.1% …). Dat betekent dat er een status aan is gegeven: Als de NPR wordt gebruikt voor de gevarenzone-indeling voldoet men aan de minimumvoorschriften van de wetgeving.1% … 1010). Het berust op ATEX-richtlijn 94/9/EG betreffende apparaten en beveiligingssystemen en derhalve niet op de sociale ATEX-richtlijn 1999/92/EG. Gebied met grote kans op aanwezigheid van een ontplofbaar stof-luchtmengsel (te denken aan > 0. c. de indeling van plaatsen in zones waar explosieve atmosferen kunnen voorkomen. In deze paragraaf werd. Zone 22: Gebied met voortdurend of gedurende lange perioden ontplofbaar stof-luchtmengsel (te denken aan > 10% van de bedrijfsuren). De bewijslast ligt dan wel bij de gebruiker. Warenwetbesluit Explosieveilig Materieel Dit besluit van 1 augustus 1995 is een uitwerking van de Wet op de Gevaarlijke Werktuigen. Zone 21: d. 3. als men op een andere manier minimaal hetzelfde beschermingsniveau kan bereiken dan mag dat ook. Zone 20: c. ©Nevedi handleiding 2005 ATEX-richtlijn 137 32 . Deze Praktijkrichtlijn behandelt specifiek de gevarenzone-indeling met betrekking tot explosiegevaar en bestaat uit twee delen. een uitwerking van de Arbowet. Nemen van maatregelen voor gevarenzones. Arbeidsomstandighedenbesluit (Arbo-besluit) Aangepast werd wel het Arbobesluit van 15 januari 1997.2.

Deze aangewezen ambtenaren zijn verbonden aan de Arbeidsinspectie. zoals het Arbo-besluit en de NPRrichtlijn 7910-2. die op de Arbowet is gebaseerd. Bij Organisatie-. lid 1. sub a). Deze toezichtregeling geldt uiteraard ook voor de regelgeving. Mandaat.2.en Volmachtbesluit Arbeidsinspectie 2003 heeft het minister van Sociale Zaken het toezicht op de naleving van wet en regelgeving geregeld (artikel 17. van de Arbowet wijst het minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid toezichthoudende ambtenaren aan uit onder hem ressorterende ambtenaren. lid 3.3 NEDERLANDS BEVOEGD GEZAG Blijkens artikel 24. ©Nevedi handleiding 2005 ATEX-richtlijn 137 33 .

Geleidbaarheid: in verband met statische lading. ● ● ● ● ● ● ● ● ● ● ● ● ● ● ● Atmosferische omstandigheden: condities van de omgeving waar de druk kan variëren tussen 80 kPa en 110 kPa en de temperatuur tussen -20 °C en +40 °C en waar het zuurstofgehalte (21±1)% (volumeprocenten) bedraagt. met lucht vermengd. kan vrijkomen. . . Beheersbare dikte: stofafzetting die door schoon huishouden tot zodanige dikte wordt beperkt dat geen stofontploffingsgevaar in de ruimte kan ontstaan.jsp (zie ook voorbeelden in bijlage 4) Bovenste explosiegrens (UEL): concentratie van fijn verdeeld brandbaar stof in lucht waarboven geen ontplofbaar atmosfeer wordt gevormd. Glimtemperatuur: De laagste temperatuur van een oppervlakte waarbij de daarop gelegen stoflaag spontaan tot ontbranding komt. Directe ontsteking: ontsteking van een ontplofbaar stof-luchtmengsel door een actieve ontstekingsbron. Gevarenzone-indeling: indeling van gevaarlijke gebieden in zones.1%). hogere ontploffingsdruk en grotere drukstijgsnelheid dan bij een enkelvoudig mengsel.dguv.de/ifa/de/gestis/stoffdb/index. Hybride mengsel: mengsel van fijn verdeeld brandbaar stof en brandbaar gas met lucht. met lucht vermengd.3. BIA: een Duits instituut (samenwerkend beroepsverband) voor arbeidsveiligheid. Een materiaal wordt als isolerend beschouwd als de soortelijke weerstand 108Ωm of de oppervlakteweerstand meer dan 108Ω bedraagt.1% tot 10%). een ontplofbaar mengsel kan vormen. mate waarin een stof elektrisch stroom kan geleiden.Primaire gevarenbron: plaats waarvan te verwachten is dat er regelmatig of incidenteel tijdens normaal bedrijf brandbaar stof. OPMERKING: Op een stof met een geringe geleidbaarheid (isolerend materiaal) kan lading accumuleren (statische oplading). voortdurend of gedurende lange perioden kan vrijkomen (> 10%). Gevarenbron: plaats waar brandbaar stof kan vrijkomen (als opgewerveld stof of een stofwolk) of waar afgezet brandbaar stof (stofafzetting) kan worden opgewerveld.luchtmengsel.Continue gevarenbron: plaats waar brandbaar stof. kan vrijkomen (0. OPMERKING: Bij een lagere concentratie brandbaar gas dan 20% van de LEL van dit gas. Gevaarlijk gebied: gebied waarbinnen een ontplofbaar stof-luchtmengsel aanwezig is of kan zijn. met lucht vermengd. Geleidend stof: stof met een soortelijke weerstand kleiner dan of gelijk aan 103Ωm. TERMEN EN DEFINTIES Hieronder worden de termen en definities weergegeven die in dit rapport worden gebruikt. en indien dit vrijkomen wel gebeurt dan is dat niet frequent en gedurende korte perioden (< 0. zodat een ontplofbaar stof-luchtmengsel kan ontstaan. afhankelijk van de waarschijnlijkheid van het aanwezig zijn van een ontplofbare atmosfeer.Secundaire gevarenbron: plaats waarvan het niet te verwachten is dat er tijdens normaal bedrijf brandbaar stof. Gebied: driedimensionale ruimte. ©Nevedi handleiding 2005 ATEX-richtlijn 137 34 . . Boven deze concentratie beheert rekening te worden gehouden met mogelijk lagere minimum ontstekingstemperatuur. Continue stofafzetting: plaats waar brandbaar stof voortdurend wordt afgezet ofwel een laag afgezet stof gedurende langere perioden aanwezig is (in totaal meer dan 1000 uur per jaar). Brandbaar stof: Fijn verdeelde brandbare vaste stof die door opwerveling in lucht onder atmosferische omstandigheden. kan het hybride mengsel in de meeste gevallen worden beschouwd als zijnde alleen een stof. Hun website bevat een database met stoffen en hun eigenschappen: http://www. waardoor speciale voorzieningen ten aanzien van ontstekingsbronnen nodig zijn.

Maximum explosiedruk van brandbare stof (pmax): hoogste druk die ontstaat bij een ontploffing in een afgesloten ruimte die geheel met het mengsel met de optimale concentratie van de desbetreffende stof en lucht is gevuld.● ● ● ● ● ● ● ● ● ● ● ● ● ● ● ● ● ● Indirecte ontsteking: wijze van ontsteken waarbij een stofwolk niet direct wordt ontstoken. Stofafzetting: .1% tot 10%). maar waarbij de ontsteking en meestal het ontstaan van een stofwolk wordt veroorzaakt door een daaraan voorafgaand proces (bijvoorbeeld broeien. stof en gruis zoals gedefinieerd in ISO 4225). Migrerend stof: stofdeeltjes die zo klein zijn en bestaan uit materiaal met een zo lage dichtheid. dat dit stof zich over de gehele ruimte verspreidt. OPMERKING: > 1000 uur per jaar.Primaire: plaats waar afzet brandbare stof door regelmatig verwijderen niet langdurig aanwezig is. smeulen of brand) Kst-waarde van brandbaar stof: maximale drukstijgsnelheid van de meest ontplofbare stof-lucht mengsel in een bolvormige volume van 1m3. Omvang van de zone: afstand in elke richting van de rand van de gevarenbron tot het punt waar het gevaar. gruis of vezels. maar eerst enige tijd in de lucht kunnen blijven zweven (inclusief vezels. Hierbij wordt onder andere rekening gehouden met de impuls van het vrijkomende stof. Onderste explosiegrens (LEL of OEG): concentratie van fijn verdeeld brandbaar stof in lucht waaronder geen ontplofbare atmosfeer wordt gevormd. stof. Ventilatie . zoals de luchtverversing in een apparaatomkasting of een puntafzuiging. Minimum ontstekingstemperatuur (MOT): de laagste temperatuur van een verhit verticaal oppervlak dat het daarmee in contact komende mengsel van stof en lucht met een optimale concentratie nog juist ontsteekt. Schoon huishouden: het regelmatig controleren en verwijderen van stofafzettingen.Continue: plaats waar brandbare stof voortdurend wordt afgezet ofwel een laag af afgezet stof gedurende lange periode aanwezig is.5 mm) in de atmosfeer die daaruit door hun eigen gewicht neerslaan. Ontplofbare atmosfeer: mengsel van brandbare stoffen. gerelateerd aan de desbetreffende zone.en specifiek voor een bepaalde gevarenbron. waarin na ontsteking de verbranding zich verspreidt door het gehele onverbrande mengsel. Minimum ontstekingsenergie van een brandbaar mengsel (MOE): kleinste energiehoeveelheid van een capacitieve elektrische ontlading. in de vorm van poeder. Kunstmatige plaatselijke ventilatie is zo uitgevoerd dat voldoende luchtsnelheid wordt gegenereerd om ter plaatse vrijkomend stof mee te voeren.Goed uitgevoerde en absoluut gewaarborgde ventilatie: wanneer ontplofbare mengsels aanwezig kunnen zijn. Niet-gevaarlijk gebied (NGG): gebied waarbinnen geen ontplofbare atmosfeer wordt geacht voor te komen in zodanige mate dat speciale voorzieningen ten aanzien van ontstekingsbronnen nodig zijn. Stof: kleine vaste deeltjes (<0. de deeltjesgrootte-verdeling en de soortelijke massa van dat stof. Normaal bedrijf: situatie waarin het materieel binnen zijn ontwerpparameters werkt. die in staat is om een mengsel met een optimale concentratie van stof met lucht te ontsteken. . zodat geen stofontploffingsgevaar in de ruimte kan ontstaan.1% tot 10%. Stofwolk: opgewerveld stof. de vorm. de deeltjesgrootte. OPMERKING: gedurende in totaal 0. Primaire stofafzetting: plaats waar afgezet brandbaar stof door regelmatig verwijderen niet langdurig aanwezig is (0. geacht wordt niet meer te bestaan. moet een geheel van het openbare net ©Nevedi handleiding 2005 ATEX-richtlijn 137 35 . met lucht.Kunstmatige plaatselijke ventilatie: luchtverversing ter plaatse van. onder atmosferische omstandigheden. Smeultemperatuur: laagste temperatuur van een horizontaal oppervlak waarbij een op dat oppervlak afgezette laag stof van 5mm dikte gaat smeulen. .

Zone 21: gebied waarbinnen tijdens normaal bedrijf de kans op aanwezigheid van een ontplofbaar stof-luchtmengsel groot is. alsmede van eventuele andere ontstekingsbronnen in de betrokken ruimten. Zones: ingedeelde gebieden. Zone 20: gebied waarbinnen tijdens normaal bedrijf een ontplofbaar stof-luchtmengsel voortdurend of gedurende lange perioden aanwezig is (> 10%). waarop bij storing van het openbare net automatisch wordt omgeschakeld. . zoals omschreven onder extra waarborgen. Indien ook de reserveinstallatie weigert. tevens geeft deze situatie aanleiding tot een alarm. te allen tijde voorhanden is. tengevolge van vrijkomen uit een gevarenbron en/of opwerveling van gedurende langere perioden aanwezig afgezet stof (gedurende in totaal 10 tot 1000 uur aanwezig brandbaar stof-luchtmengsel per jaar of stofafzettingen die in totaal meer dan 1000 uur per jaar aanwezig zijn. Zone 22: gebied waarbinnen tijdens normaal bedrijf de kans op aanwezigheid van een ontplofbaar stof-luchtmengsel gering is en waar dergelijke mengsels slechts kortstondig kunnen bestaan ten gevolge van vrijkomen uit een gevarenbron en/of opwerveling van gedurende langere perioden aanwezig afgezet stof (gedurende in totaal minder dan 10 uur aanwezig brandbaar stof-luchtmengsel per jaar of stofafzettingen die in totaal minder dan 1000 uur per jaar aanwezig zijn). de tweede in reserve. De aanwezigheid van de luchtstroom wordt rechtstreeks bewaakt. De ventilatie-installatie behoort dubbel te zijn uitgevoerd. niet indirect via grootheden als stroomopname of toerental van de ventilatormotor. ©Nevedi handleiding 2005 ATEX-richtlijn 137 36 . Eén installatie behoort steeds in bedrijf te zijn. waarna de eerste installatie direct wordt hersteld. volgt afschakeling van alle niet-explosieveilige elektrische apparatuur. gebaseerd op frequentie en duur van de potentiële aanwezigheid van ontplofbare atmosfeer (stofafzettingen worden ook in de beschouwing meegenomen).● ● ● ● onafhankelijke energievoorziening. Uitval van de in werking zijnde ventilator start automatisch de reserve.Goed uitgevoerde ventilatie met extra waarborgen: de continuïteit van de ventilatie is gewaarborgd door het dubbel uitvoeren van de ventilatie-installatie. waarbij de energie van twee verschillende verdeelinrichtingen wordt betrokken.

DEEL B ©Nevedi handleiding 2005 ATEX-richtlijn 137 37 .

Preventiemaatregelen die tot doel hebben risico’s te voorkomen (risico-uitsluiting). maar ook onderhoud en mogelijke storingen.M. waarbij 4 klassen te onderscheiden zijn: zone 20. .1 INLEIDENDE BEGRIPPEN OMTRENT RISICOANALYSE Dit hoofdstuk is een handleiding waarmee de fabrikant zijn bedrijf in gevarenzones kan indelen. Een risicoanalyse is: .Preventiemaatregelen die tot doel hebben de schade te beperken (ernstverlagend). De evaluatie maakt het mogelijk gefundeerde prioriteiten vast te leggen voor het treffen van preventiemaatregelen. maar met deze factor wordt reeds rekening gehouden in de term ontplofbaar stof-luchtmengsel). Om de aard van die maatregelen te bepalen wordt het gevaarlijke gebied ingedeeld in zones. . RISICOANALYSE 4. 22 en NGG. 21. DE GEVARENZONE-INDELING D. De risico-evaluatie bestaat uit het beoordelen van de vastgestelde risico’s naar frequentie en ernst met als doel een waardecijfer (grootte-orde) toe te kennen aan de risico’s.V.2 DEFINITIE VAN DE VERSCHILLENDE GEVARENZONES Een gevaarlijk gebied is een gebied waarbinnen een ontplofbaar stof-luchtmengsel aanwezig is of kan zijn. in volgorde van belang: . . waardoor speciale voorzieningen ten aanzien van ontstekingsbronnen nodig zijn. Met betrekking tot stofexplosies kan het gevaar gedefinieerd worden als “de mogelijke aanwezigheid of vorming van een ontplofbaar stof-luchtmengsel”. De aanwezigheid van één of meerdere relevante ontstekingsbronnen kan beschouwd worden als risicofactor (strikt genomen zou het zuurstofgehalte ook beschouwd kunnen worden als risicofactor. De uitvoering van een risicoanalyse op het vlak van stofexplosies zal niet fundamenteel verschillen van de algemene aanpak zoals hierboven beschreven.Preventiemaatregelen die tot doel hebben schade te voorkomen (frequentieverlagend). Ook hier zullen de identificatie van de gevaren en de risicofactoren de eerste stappen zijn.4. Het indelen van een bedrijf in verschillende zones is een wettelijke verplichting betreffende het welzijn van werknemers die door explosieve atmosferen gevaar kunnen lopen. Onder normaal bedrijf wordt verstaan niet alleen de installaties in het bedrijf.Het identificeren van de gevaren voor het welzijn van de werknemers bij de uitvoering van hun werk. . Bij het vastleggen van preventiemaatregelen dient de prioriteit gegeven te worden aan. Voor het uitvoeren van de gevarenzone-indeling werd geopteerd gebruik te maken van de Nederlandse praktijkrichtlijn NPR 7910-2 (juni 2008): “Gevarenzone-indeling met betrekking tot stofontploffingsgevaar.” 4.Het vaststellen en nader bepalen van de risico’s.Het evalueren van de risico’s. ©Nevedi handleiding 2005 ATEX-richtlijn 137 38 .

Welke gevarenbronnen zijn aanwezig en wat is hun aard (frequentie. en aan stofafzettingen die in totaal meer dan 1000 uur per jaar aanwezig zijn ). 3 Normaal bedrijf: een situatie waarin installaties binnen de ontwerpparameters worden gebruikt ©Nevedi handleiding 2005 ATEX-richtlijn 137 39 . (daarbij is te denken aan > 10% per jaar).karakteristieken . Definities: .8bar tot 1.5 mm). ten gevolge van vrijkomen uit een gevarenbron en/of opwerveling van gedurende lange perioden aanwezig afgezet stof. 4. wordt het gevaar beduidend groter.001 mm en 0. (daarbij is te denken aan ontplofbare stof-luchtmengsels gedurende 10 tot 1000 uur per jaar. Om tot de indeling te komen zullen in de risicoanalyse ter opstelling van een zoneringsdossier de volgende vragen moeten worden beantwoord: . . (ref. Veelal zal de korrelgrootte zich situeren tussen 0. een ontplofbaar stofluchtmengsel voortdurend of gedurende lange perioden aanwezig is. De gevarenzone-indeling is gebaseerd op de waarschijnlijkheid (frequentie en duur) van voorkomen van een ontplofbaar stof-luchtmengsel. .Atmosferische omstandigheden: verstaat men volgens ATEX 95 de temperaturen van –20° C tot 60° C en drukken van 0. Zone 22: is een gebied waarbinnen tijdens normaal bedrijf de kans op aanwezigheid van een ontplofbaar stof-luchtmengsel gering is en waar dergelijke mengsels slechts kortstondig kunnen ontstaan ten gevolge van vrijkomen uit een gevarenbron en/of opwerveling van zelden aanwezig afgezet stof. tijdens normaal bedrijf3.Welke eigenschappen en afmetingen hebben de gevarenzones.Zone 20: is een gebied waarbinnen. tijdsduur en omstandigheden van voorkomen). NGG: Niet-Gevaarlijk Gebied.3 IDENTIFICATIE VAN POTENTIËLE GEVARENBRONNEN 4.1 mm.Brandbaar stof: fijn verdeelde brandbare (= reagerend met zuurstof onder warmteafgifte) vaste stof die door opwerveling in de lucht onder atmosferische omstandigheden een ontplofbaar mengsel kan vormen. Zone 21: is een gebied waarbinnen tijdens normaal bedrijf de kans op aanwezigheid van een ontplofbaar stof-luchtmengsel groot is.: Handboek Explosiebeveiliging.3.concentratie Een gevarenbron is een plaats waar brandbaar stof kan vrijkomen (als stofwolk) of waar afgezet brandbaar stof (stofafzetting) kan worden opgewerveld zodat een ontplofbaar stofluchtmengsel kan ontstaan. Gebied waarbinnen geen ontplofbare atmosfeer geacht wordt voor te komen in zodanige mate dat speciale voorzieningen ten aanzien van ontstekingsbronnen nodig zijn. Zakt de deeltjesgrootte onder de 0. (daarbij is te denken aan ontplofbare stof-luchtmengsels die in totaal minder dan 10 uur per jaar of aan stofafzettingen die in totaal minder dan 1000 uur per jaar aanwezig zijn).Stof: kleine vaste deeltjes (<0.1mm.1 Brandbaar stof . .1 bar me t zuurstofgehalte 21 ± 1 volumeprocent. Kluwer en Ten Hagen & Stam).

temperatuur.3. ©Nevedi handleiding 2005 ATEX-richtlijn 137 40 . maar te verwachten gebeurtenissen. In de Nederlandse Praktijk Richtlijn (NPR 7910-2. etc.jsp gevonden worden. kan zowel binnen als buiten de apparatuur voorkomen. zoals werkonderbrekingen (o. opgesteld door de fabrikant van een product) of in de literatuur. . Men kan in daartoe uitgeruste laboratoria een monster laten onderzoeken. intern transport en afvoer) te analyseren.Voorzienbaar misbruik en/of verkeerd gebruik. Een explosie is immers slechts mogelijk bij een bepaalde concentratie. is de volgende logische stap het inschatten van de concentratie. minimale ontstekingstemperatuur (MOT). Deze parameters zijn terug te vinden in de VIB’s (Veiligheids Informatie Bladen) of MSDS’en (Material Safety Data Sheets). . vochtigheid en deeltjesgrootte. Stofwolken en afzettingen zijn in de praktijk echter zeer heterogeen waardoor het inschatten van de juiste concentratie moeilijk wordt. (Voor uitleg over deze begrippen zie deel A. noodstop). Deze kunnen ook op de website: http://www.Elke stofsoort heeft welbepaalde eigenschappen zoals korrelgrootte.Toevallige en niet-routinematige werkzaamheden zoals het uitvoeren van onderhoud en herstellingen. behandeling en verwerking grondstoffen. defecten en storingen.Normaal gebruik. intern transport. Per gebruiksfase dient ook nagegaan te worden welke werkzaamheden de operators moeten uitoefenen.a. 2008) staat als praktische hulpmiddel dat een ontplofbare stofwolk herkend kan worden wanneer het zicht minder dan 1 meter bedraagt. De Europese Norm (EN 1127-1) stelt dat bij aanwezigheid van neergeslagen stof steeds rekening moet worden gehouden met de mogelijke vorming van een explosieve atmosfeer door opwerveling van de stofafzetting. zoals in het BIA-rapport 13/97 “Combustion and explosion characteristics of dusts waarin de explosiekarakteristieken van 4300 brandbare stoffen zijn weergegeven. Dit moet gebeuren voor iedere gebruiksfase van de apparatuur en installatie. minimale ontstekingsenergie (MOE). glimtemperatuur. als stofwolk of als afzetting. Als systematiek om de potentiële gevarenbronnen op te sporen dient men de volledige installatie per eenheidsbewerking (inname grondstoffen.de/ifa/de/gestis/stoffdb/index.2 Systematisch opsporen van de gevarenbronnen Deze aanwezigheid van stof. Wanneer brandbaar stof aanwezig is. 4.dguv. opstart. hoofdstuk 3).Ongeplande. . Volgende algemene gebruiksfasen kunnen beschouwd worden: . Hierdoor kunnen literatuurgegevens vaak niet zomaar gebruikt worden. De explosiekarakteristieken worden beïnvloed door de druk.

koppelingen. silo’s. niet-stofdichte delen (plaatwerk. opgeslagen volle zakken. op horizontale vlakken van apparatuur.De aard van de gevarenbronnen. explosieluiken. flexibele verbindingen. . persen. .4. 4. de zuigerinstallatie. afzak.Primaire stofwolk: plaats waar te verwachten is dat er regelmatig of incidenteel tijdens normaal bedrijf brandbaar stof.en afvoerpunt) op een open transportband. kleppen. Buiten de apparatuur: STOFWOLKEN in de omgeving van stortputten. ontlastingsopeningen in gesloten transport-systemen.Tabel 4. overgangen (aanvoer. Binnenkant van de stofafzuig. de tijdsduur en de omstandigheden waarin de gevarenbronnen voorkomen. hoppers en behandelingstoestellen (graantarwereiniger. kan vrijkomen. molens. redlers. beschadigde behuizingen). met lucht vermengd. I-profielen). ontsnappingskanalen. Binnenkant van pneumatische transportsystemen (bv.en verzamelinstallaties (cyclonen. Binnenkant van bulkbeladings. voedings. transportsystemen (schroeven. snijder/zifter/schudder. bijstortpunten. trappen.4 TOEKENNING VAN DE GEVARENZONEKLASSE De klasse van de zone (20. mengers. Voor stofwolken worden volgende gevarenbronnen geïdentificeerd: .en afzuigpunten. elevatoren). op kabels en kabelgoten. leidingen.1: Mogelijke gevarenbronnen Binnen de apparatuur: Binnenkant van stortputten. Binnenkant van wacht. voortdurend of gedurende langere perioden kan vrijkomen. zeven.en weegbunkers. Daarbij is te denken aan in totaal meer dan 1000 uur per jaar. koelers.1 De aard van de gevarenbronnen De aard van de potentiële gevarenbronnen is bepaald door de frequentie. STOFAFZETTINGEN op constructie-elementen (bv.De mate van schoonhuishouden in de omgeving van stofafzettingen. monsternameen inspectiepunten.Continue stofwolk: plaats waar brandbaar stof. met lucht vermengd. afblaas. kruimelaars). ©Nevedi handleiding 2005 ATEX-richtlijn 137 41 . 22 of NGG) zal afhankelijk zijn van: . vensterbanken. machines.De plaatselijke ventilatieomstandigheden in de omgeving van de gevarenbronnen.en stuurkasten. 21.en bulkbeladingsinstallaties. blowerinstallatie). 4. Daarbij is te denken aan in totaal 10 tot 1000 uur per jaar. filters).en afzakinstallaties. stoffilters. vloeren. koppelingen (en dan voornamelijk dichtingen met rubberen ringen). . luchtuitlaten. de omgeving van mangaten of andere openingen in silo’s.

Gewaarborgde continuïteit door een dubbele afzuiging (1 effectieve en 1 reserve) te voorzien. Dit is echter niet het geval als de afzuiging uitvalt. een zone-indeling overbodig.1 mm kan reeds voldoende zijn om een ontplofbaar stof-luchtmengsel te creëren door opwerveling.w.4. of een eventueel uitvallen van de ventilatie wordt onmiddellijk automatisch gesignaleerd en alle niet-explosieveilige elektrische apparatuur en eventuele andere ontstekingsbronnen in de betrokken ruimte worden automatisch uitgeschakeld. Volgens de NPR 7910-2 dienen open gebouwen echter voor wat de ventilatiecondities betreft te worden behandeld als een gesloten gebouw. Daarbij is te denken aan in totaal minder dan 10 uur per jaar. ©Nevedi handleiding 2005 ATEX-richtlijn 137 42 . Dit is niet het geval voor kunstmatige ruimtelijke ventilatie.2 Ventilatie in de omgeving van de gevarenbron Vanwege het effect van wind. kan vrijkomen. Wanneer een dergelijke wolk wordt ontstoken kan de vlam immers terugslaan in de apparatuur. Indien dit vrijkomen wel gebeurt. Goed uitgevoerde ventilatie met extra waarborgen: .- Secundaire stofwolk: plaats waarvan het niet te verwachten is dat er tijdens normaal bedrijf brandbaar stof. De zone-indeling zal dan ook mede bepaald worden door de bedrijfszekerheid van de afzuiging. Volgende onderscheid wordt gemaakt in het type van ventilatie (definitie zoals opgenomen in de NPR 7910-2): a. Dit is echter wel het geval voor plaatsen waar een stofwolk kan ontstaan die rechtstreeks in verbinding staat met de binnenkant van apparatuur. 4. Dergelijke ventilatie kan immers bij de opstart stofafzettingen doen opwervelen en een ontplofbare stofwolk veroorzaken! Wanneer de afzuiging in werking is zal de gevarenzone zeer klein zijn.Gewaarborgde continuïteit doordat een eventueel uitvallen automatisch wordt gesignaleerd en hersteld. met lucht vermengd.Een continue stofafzetting: dit is een plaats waar brandbaar stof voortdurend wordt afgezet ofwel een laag afgezet stof gedurende langere perioden aanwezig is. m. dan niet frequent en gedurende korte perioden.Een primaire stofafzetting: dit is een plaats waar afgezet brandbaar stof regelmatig doch slechts gedurende korte perioden aanwezig is. voor een gevarenbron buiten de apparatuur. het stof wordt ter plaatse verwijderd door een stofafzuiginstallatie. elk met een aparte voeding. Met kunstmatige plaatselijke ventilatie wordt luchtverversing op de plaats van de gevarenbron bedoeld. Goed uitgevoerde ventilatie: ( = gericht op de gevarenbron) . Daarbij is te denken aan in totaal minder dan 1000 uur per jaar. Hierdoor kan de klasse of afmeting van de gevarenzone gereduceerd worden.a. Bij uitval van de in werking zijnde afzuiging b. regen en andere weerscondities is in het algemeen in de buitenlucht. Voor gevarenbronnen buiten de apparatuur geplaatst in een gesloten gebouw is het belangrijk na te gaan of er kunstmatige plaatselijke ventilatie aanwezig is en wat de bedrijfszekerheid is van die ventilatie. Voor stofafzettingen : . . Een andere factor die van belang is voor de bepaling van de zoneklasse is de ventilatie in de omgeving van de gevarenbronnen. Indien er een goede ventilatie is wordt de aanwezigheid van stofafzettingen of stofwolken minder waarschijnlijk. Een praktische richtlijn is dat gevaar aanwezig is als men zijn voetstappen op de vloer kan zien). Met open gebouwen worden constructies bedoeld waar dezelfde ventilatieomstandigheden heersen als in de buitenlucht. Daarbij is te denken aan in totaal meer dan 1000 uur per jaar (een stoflaagdikte van 0. Voorbeelden van dergelijke plaatsen zijn de uitlaat van een drukontlastingssysteem en de ontluchting van een stoffilter.

De praktijk van schoonhuishouden dient in interne procedures vastgelegd te worden. Deze Flow-schema’s vindt men terug in de bijlage I over zonering.4. Hiervoor kan gebruik gemaakt worden van de GMP+-documenten. Bovendien moet een dubbele afzuiging zijn uitgevoerd. waarop automatisch overgeschakeld wordt bij storing van het openbare net. d. 4. Deze vorm van “voorwaardelijke zonering” kan ook toegepast worden voor andere maatregelen die de stofhuishouding verbeteren: plaatsen van stofafzuigingen of de bedrijfszekerheid van stofafzuigingen verhogen. omkasten van apparatuur. start automatisch de reserve op. ©Nevedi handleiding 2005 ATEX-richtlijn 137 43 . de ventilatiecondities en de mate van schoonhuishouden kunnen de zoneklasses bepaald worden aan de hand van de Flow-schema’s zoals opgenomen in de NPR 7910-2: 2008. Immers door het toepassen van de praktijk van schoonhuishouden kunnen een aantal stofafzettingszones beperkt worden in omvang en/of zoneklasse. Het bedrijf dient zich strikt te houden tot het toepassen van de praktijk van schoonhuishouden.4. zoveel mogelijk horizontale oppervlakken vermijden (geen horizontale I-profielen. Een verklaring terzake kan aan het zoneringsdossier toegevoegd worden. Gelijkwaardig alternatief Dit dient duidelijk beargumenteerd te worden. Uiteraard mogen ook op hoger gelegen horizontale oppervlakken geen (overmatige) stofafzettingen voorkomen. Bij de formulering van de zoneklasse en de zone-afmetingen kan met de praktijk van schoonhuishouden rekening gehouden worden door er bij te vermelden “dit vervalt als de praktijk van schoonhuishouden wordt toegepast”.4 Flow-schema’s ter bepaling van de zoneklasse Op basis van de verzamelde informatie betreffende de aard van de gevarenbronnen. Een praktische richtlijn is daarom dat gevaar aanwezig is als men zijn/haar voetstappen op de vloer kan zien. 4. die beantwoordt aan de bepalingen zoals hierboven aangegeven. aanpassen van arbeidsplaatsen zoals dichtmaken van openingen in muren en wanden. Bij voorkeur wordt gebruik gemaakt van stofzuiginstallaties of wordt er nat gereinigd. Onder schoonhuishouden wordt verstaan een zodanig reinigingsprogramma dat geen stofafzettingen voorkomen die bij opwerveling kunnen leiden tot een ontplofbaar stofluchtmengsel. Goed uitgevoerde en absoluut gewaarborgde ventilatie: Dit houdt in dat er naast een voeding via het openbare net nog een volledig onafhankelijke voeding voorzien is. warme luchtblazers en ruimtelijke ventilatie zo aanpassen dat geen gevaar bestaat voor opwerveling van stof. en is in ieder geval alleen maar toegestaan als alle potentiële ontstekingsbronnen uitgeschakeld of voldoende beheerst zijn. voorbeeld is de bakken van TL verlichting. In de meeste gevallen is een stoflaagdikte van 1 mm reeds voldoende om een ontplofbaar stof-luchtmengsel te creëren.c. kabelbanen verticaal geïnstalleerd) installeren van een drager op een deur. én indien ook deze niet opstart of uitvalt volgt automatische afschakeling van alle niet-explosieveilige elektrische apparatuur en eventuele andere ontstekingsbronnen in de betrokken ruimte. Het is aangewezen een logboek met de reinigingsacties bij te houden. zodat het traceerbaar en gewaarborgd is. Het reinigen met perslucht dient zo niet verboden dan toch zo veel mogelijk beperkt te blijven.3 Schoonhuishouden De werkgever heeft er alle belang bij dat de stofafzettingen tot een minimum beperkt blijven.

4. Een stofwolk kan echter ook vrijkomen met een puls. Een overzichtstabel. gebaseerd op de NPR 7910-2. 4. Opnieuw is het aan te raden via praktijkinspectie de werkelijk vorm en afmetingen van een stofafzetting na te gaan. Door luchtverplaatsingen in de omgeving van de gevarenbron wordt het stof ook zijwaarts verplaatst.5.5 AFMETINGEN VAN DE GEVARENZONEKLASSE 4.3 Samenvattende tabel afmeting stofwolken en stofafzetting ©Nevedi handleiding 2005 ATEX-richtlijn 137 44 . Ook de ventilatieomstandigheden beïnvloeden de vorm van een stofwolk.5. De zone strekt zich dan uit van de onderliggende stofdichte vloer tot 2 meter boven de stofafzetting.4. Bij stuivend stof zal er ook verspreiding optreden rondom het emissiepunt. is hierna bijgevoegd.5. Bij installaties waar veel gevarenbronnen aanwezig zijn wordt aanbevolen de gehele installatie met haar omhulling als een gevarenbron te beschouwen. Daarom is het aan te raden de vorm en afmetingen van een stofwolk te bepalen door eigen observaties (=praktijkinspectie). Indien wel aan de eisen van schoonhuishouden wordt voldaan kunnen de afmetingen van de gevarenzone beperkt blijven tot een geprojecteerd vlak van 3 meter rondom de afzettingsplaatsen.1 De afmetingen van een stofwolk Een stofwolk valt ten gevolge van de zwaartekracht naar beneden.2 De afmeting van een stofafzetting Wanneer niet aan de eisen van schoonhuishouden wordt voldaan moet de volledige ruimte tot een hoogte van 2 meter worden gezoneerd.

Deze zonesluizen worden als gevarenbron voor het naastliggende gebied geschouwd. behoren zelfsluitend te zijn en mogen niet in open stand kunnen worden geblokkeerd. Open gebouw Behandelen zoals in gesloten gebouw Gesloten gebouw én geen ventilatie 3m rondom de afmetingen van de stofwolk Gesloten gebouw én ruimtelijke 3m rondom de afmetingen van de stofwolk (kunstmatige) ventilatie of goed uitgevoerde (= gericht op de gevarenbron ) kunstmatige plaatselijke ventilatie al dan niet met extra waarborgen én vergrendeld met de installatie Gesloten gebouw én goed uitgevoerde Directe invloedsfeer van de ventilatie kunstmatige plaatselijke ventilatie met absolute waarborg Aangrenzende ruimten Aanwezigheid stofdichte afscheidingen na te gaan STOFAFZETTINGEN Open gebouw Behandelen zoals in gesloten gebouw Gesloten gebouw én geen praktijk van De gehele ruimte tot een hoogte van 2m boven de schoonhuishouden 5 afzettingsplaatsen Gesloten gebouw én praktijk van 3m rondom afzettingsplaatsen en daaronder tot een schoonhuishouden hoogte van 2m boven de stofafzetting Aangrenzende ruimten Aanwezigheid stofdichte afscheidingen na te gaan Voor meer informatie zie NPR 7910-2 paragraaf 5.Tabel 4. luiken en kleppen enz.6.Deuren.d. daken en zonesluizen kunnen als stofdichte afscheiding tussen een gezoneerd gebied en NGG worden beschouwd. 5 De mogelijke aanwezigheid van een ruimtelijke (kunstmatige) ventilatie wordt niet in beschouwing genomen daar het effect van de mate van ventilatie. behoren te zijn voorzien van opschriften die de bijzondere functie van de sluisruimte en de verplichting te sluiten vermelden.v.. De sluisruimte wordt ingedeeld in de klasse van de zwaarste geklasseerde aangrenzende zone. De deuren enz.4 Zonering van aangrenzende ruimtes omwille van stofverplaatsing Stofdichte muren. die normaal stofdicht en gesloten zijn en die weinig frequent worden geopend. ©Nevedi handleiding 2005 ATEX-richtlijn 137 45 . luiken. 4 In deze tabel wordt er vanuit gegaan dat het stof weinig of niet verstuivend is. . de ventilatieverdeling e. Indien de stofwolk rechtstreeks in verbinding staat met de binnenkant van apparatuur. Hiermee kunnen de afmetingen van het gezoneerde gebied worden beperkt.5.Dubbel uitgevoerde stofdichte muren.2: Overzichtstabel afmetingen stofwolken en stofafzettingen STOFWOLKEN (opgewerveld stof )4 Plaats Zone-afmetingen (indicatief) Buiten 1m rondom de afmetingen van de stofwolk. kleppen enz. Bij de afbakening van een gezoneerd gebied door stofdichte mechanische structuren (muren enz. De toegepaste deuren. waarin zich op dat moment een ontplofbaar stof-luchtmengsel kan bevinden. moeilijk te kwantificeren zijn. Deze sluis hoeft niet als gevarenbron voor het naastliggende gebied te worden beschouwd. Heeft men toch te maken met stuivend stof dan dient de gehele ruimte beschouwd te worden als gevarenzone. Als zone sluis kunnen worden gebruikt: . e. 4. luiken kleppen enz.) kunnen deze structuren worden gebruikt als de rand van het gezoneerd gebied.

2 Stamkaart arbeidsmiddel III.3 Inventarisatie Stofwolk I.8 Motivatie en Beoordeling II.1 Neem de checklijst organisatorische maatregelen door II.5.6 Maatregelen technische en organisatorisch I. FLOW-SCHEMA: PLAN VAN AANPAK EXPLOSIEVEILIGHEIDSDOCUMENT Ja Ja Ja Bekend met de theorie en wetgeving? Is de fabriek gezoneerd? Bent u in het bezit van een explosieveiligheidsdocument? Nee Neem deel A door Volg de werkwijze van bijlage I deel B Nee Volg de werkwijze bijlage II van deel C Nee Volg de werkwijze bijlage III van deel C H1 theorie I.1 Beschrijving productieproces I.2 Neem de vragenlijst door I.7 Alternatieve maatregelen I.1 Stamkaart afdeling H2 wet of III.4 Inventarisatie Stofafzetting Gegevens voor Stamkaart Arbeidsmiddel II.5 Overige gevarenbron(en) I.10 Plattegronden en technische plannen ©Nevedi handleiding 2005 ATEX-richtlijn 137 46 .3 Plan van aanpak I.9 Gevarenzones Gegevens voor Stamkaart Afdeling I.2 Inventarisatie grondstoffen I.

BIJLAGE I: ZONERING ©Nevedi handleiding 2005 ATEX-richtlijn 137 47 .

(Ref.1. Bepaling van de zoneklasse als gevolg van opgewerveld stof.: NPR 7910-2) Is de stofwolk langer dan 1000 uur/jaar aanwezig ? nee ja Langer dan 10 uur/jaar ? nee ja Continue stofwolk Primaire stofwolk Secundaire stofwolk Goed uitgevoerde kunstmatige plaatselijke ventilatie ? ja Goed uitgevoerde kunstmatige plaatselijke ventilatie ? nee Met extra waarborgen? ja Goed uitgevoerde kunstmatige plaatselijke ventilatie ? ja ja Absolute waarborg ? ja nee nee Met extra waarborgen? nee nee ja nee Zone 20 Zone 21 Zone 22 NGG * NGG = niet gevaarlijk gebied ©Nevedi handleiding 2005 ATEX-richtlijn 137 48 .Figuur I.

Bepaling van de zoneklasse als gevolg van een stofafzetting.: NPR 7910-2) Kan de stofafzetting een stofwolk vormen ? nee ja Stofafzetting langer dan 1000 uur/jaar aanwezig nee ja Continue stoflaag Primaire stoflaag Schoonhuishouden ? ja nee nee Schoonhuishouden? ja Zone 21 Zone 22 NGG ©Nevedi handleiding 2005 ATEX-richtlijn 137 49 . (Ref.Figuur I.2.

Raadpleeg hiervoor: . bijproducten.1. Of andere documenten waarin het proces beschreven is.STAPPENPLAN Tabel I.de website: http://www.hvbg. Stel een beschrijving op van het productieproces. Bij gebruik van een grondstof die niet stofklasse 1 is. De uitwerking van het stappenplan zal per rij zijn.1 de stofklasse.(deel C). de milieuvergunningsaanvraag zelf of het GMP-dossier. ©Nevedi handleiding 2005 ATEX-richtlijn 137 50 . 1. dient de tabel I.22 en NGG Nr Nr.de veiligheidsinformatiebladen van de betrokken producten. De ingevulde tabel I. 2. De eerste mogelijkheid is per kolom en de andere mogelijkheid is per rij. Het stappenplan bestaat uit negen stappen. Dezelfde nummering zal bij de risicoanalyse worden gebruikt.2 ingevuld te worden.21. Noteer tevens in tabel I.primaire of secundaire Afzuiging: Ja / Nee Afmeting Stofwolk 4 Stofafzetting: uren/ jaar Schoon Huishouden Ja/ Nee Aard Stofafzetting: continu/primaire of secundaire Afmeting Stofafzetting 5 Overige gevarenbron(en) 6 Organisatorische maatregelen: Ja / Nee 7 Alternatieve maatregelen 8 Motivatie & Beoordeling 9 Gevarenzone: 20. tussenproducten. De bovenstaande tabel is op twee manieren in te vullen.de/e/bia/fac/expl/index.html. Stel een inventaris op van de betrokken grondstoffen.1 dient als basis voor de risicoanalyse. Nummer de verschillende onderdelen van het proces. . Noteer de verschillende procesonderdelen (de verdeling van de fabriek) in de tweede kolom van tabel I. eindproducten en afvalstoffen.1 Opbouw Zonering 111 1 Beschrijving procesonderdeel 2 Grondstof soort Stofklasse grondstof 3 Stofwolk : uren/ jaar Aard Stofwolk: Continu. Hiervoor kan mogelijks ook verwezen worden naar de reeds eerder uitgevoerde stofexplosiestudie in het kader van de milieuvergunning.

mits de stofwolk in verband staat met appartuur.1 kolom 3. Voor definities zie paragraaf 4. Bepaal voor de gevarenbronnen STOFWOLKEN buiten de apparatuur de aantal uren/ jaar aanwezigheid. de afmeting en de ventilatieomstandigheden in de omgeving van de gevarenbron. Over de afmetingen van de gevarenzone kunt u informatie lezen in paragraaf 4. De gegevens dienen ingevuld te worden in tabel I.Tabel I. 3. Over de afmetingen van de gevarenzone kunt u informatie lezen in paragraaf 4. Over ventilatie kunt u informatie lezen in paragraaf 4.1 Buiten: Klasse van de gevarenzone is dezelfde als deze van de gevarenbron.5 deel B. Voor een gelijkwaardig alternatief dient argumentatie te worden toegevoegd. De aard van de gevarenbronnen wordt bepaald door de optredings. ©Nevedi handleiding 2005 ATEX-richtlijn 137 51 . 3.4 van deel B.of vrijkomingsfrequentie ervan na te gaan.4 deel B.2 Fysische eigenschappen Minimale ontstekingsenergie (MJ) Bovenste explosiegrens (g/m³) Onderste explosiegrens (g/m³) Minimale ontstekingstemperatuur (° C) Geleidbaarheid (Ohm) Glimtemperatuur (° C) Granulometrische samenstelling (mm) Maximale drukstijgsnelheid (bar/s) Bron vermelding Maximale ontploffingsdruk ( bar ) Productgroep omschrijving Kst waarde Stofklasse Product (en bij welke eenheids bewerking) 3.5 deel B.2 Open of gesloten gebouw: Géén ventilatie: Klasse van de gevarenzone is dezelfde als deze van de gevarenbron. de aard.

Bepaal voor de gevarenbronnen “Stofafzettingen” de klasse en afmetingen van de gevarenzones door na te gaan of er al dan niet een praktijk van schoonhuishouden is. 4.1. ©Nevedi handleiding 2005 ATEX-richtlijn 137 52 . molens. De aard van de gevarenbronnen wordt bepaald door de optredings.5 deel B. 6. . inventariseer de aard van de gevarenbronnen per afdeling (tabel I. overdruk. stortbunker.Ga na of de afzuiging een voldoende capaciteit heeft.Gelijkwaardig alternatief De klasse van de gevarenzone kan afgeleid worden uit figuur I. Daarbij dient rekening te worden gehouden met binnen en buiten de apparatuur. .5 deel B.Ga na of de werking van de installatie vergrendeld is met de afzuiging.3) als leidraad. Over de afmetingen van de gevarenzone kunt u informatie lezen in paragraaf 4. Ga na of en welke maatregelen (technisch/organisatorisch) getroffen zijn om de vorming van een gevaarlijke explosieve atmosfeer afdoende te voorkomen.Kunstmatige plaatselijke ventilatie: . interne stofafzuiginstallatie.4 van deel B. procedures.Ga na wat de bedrijfszekerheid van de afzuiging is. De gegevens dienen ingevuld te worden in tabel I. Identificeer. silo.1 kolom 5). o ‘goed uitgevoerde ventilatie’ o ‘goed uitgevoerde ventilatie met extra waarborgen’ o ‘goed uitgevoerde ventilatie met absolute waarborg’ .Ga na of de afzuiging zich in de directe nabijheid bevindt van de plaats waar de brandbare stof vrijkomt. .of vrijkomingsfrequentie ervan na te gaan. Over de afmetingen van de gevarenzone kunt u informatie lezen in paragraaf 4. zakvulinstallaties. pneumatisch transport. zowel binnen als buiten de apparatuur. Verzamel voor de technische maatregelen de beschikbare technische documentatie en attesten.1 kolom 4 5. Gebruik hierbij de checklist (tabel I. Daarbij moet gedacht worden aan vrijkomende stofwolken. Verzamel voor de organisatorische maatregelen de beschikbare schriftelijke instructies. etc. Voor definities zie paragraaf 4.

BINNEN DE APPARATUUR 1. Inwerken op de brandbare stof: Vervanging van de brandbare stof? Vergroten van de korrelgrootte? Verhogen van de vochtigheid? In alle bedrijfsomstandigheden en ook bij (zeldzame) storingen verzekerd? Toevoegen van pasteuze producten? Geen gevaar voor ontmenging in alle bedrijfsomstandigheden en ook niet bij (zeldzame) storingen? 1. Inertisering (met gasvormige inerte stoffen zoals N2. NH3PO4. . Tabel I.Bij alle storingen (ook diegene die zelden voorkomen). bij uitstoot in de buitenlucht) een inert mengsel niet opnieuw explosief wordt? . CO2.2. ©Nevedi handleiding 2005 ATEX-richtlijn 137 53 . edelgassen.1. en de tijdsvertraging voor de inwerkingtreding van geactiveerde voorzorgsmaatregelen?) Is bij de inertisering met waterdamp rekening gehouden met de invloed van condensatie? .In alle bedrijfsomstandigheden (bijv. ook bij opstart en stilleggen). en is te allen tijde verzekerd.Bij alle storingen (ook diegene die zelden voorkomen).registratieformulieren en dergelijke.1). steenmeel Na-hydrogeencarbonaat): De vorming van een explosief mengsel is onder alle bedrijfsomstandigheden met zekerheid verhinderd.waterdamp. De veiligheidsmarge tussen de experimenteel bepaalde zuurstofgrensconcentratie en de maximaal toelaatbare zuurstofconcentratie is bepaald.3 Nr Checkpunt J N Nvt Getroffen maatregelen / opmerkingen Afdeling 1.In alle bedrijfsomstandigheden (bv ook bij opstart en stilleggen). Noteer (summier) de belangrijkste informatie over deze maatregelen bij de beschrijving van de activiteiten van de onderneming (tabel I. (Er is dus rekening gehouden met door een bedrijf en storingen veroorzaakte plaatselijke en tijdelijke schommelingen. . Is er rekening mee gehouden dat na bijmenging van toereikende hoeveelheden zuurstof of lucht (bijv. Hou met deze informatie rekening bij de bepaling van de gevarenzones zoals beschreven in de volgende stappen. of met stofvormige inerte stoffen zoals CaSO4.

In alle bedrijfsomstandigheden (bijv ook bij opstart en stilleggen).In alle bedrijfsomstandigheden (bijv.2 Ventilatie en afzuiging : Wordt gebruikgemaakt van ventilatie – of afzuigingsmaatregelen met voldoende capaciteit en bedrijfszekerheid? . controleren en handhaven van beschermingsmaatregelen ) Wordt ter voorkoming van het ontstaan van een gevaarlijke explosieve atmosfeer gebruik gemaakt van MRT? Zo ja.3. inspectieluiken en dergelijke voorzien van veiligheidscontacten): .Nr Checkpunt J N Nvt Getroffen maatregelen / opmerkingen Afdeling 1.Bij alle storingen (ook diegene die zelden voorkomen). 4. ORGANISATORISCHE MAATREGELEN ©Nevedi handleiding 2005 ATEX-richtlijn 137 54 . Gesloten en dichte apparaten en installaties : Zijn de apparaten / installaties gesloten en dicht? (bijv. 2.3. openingen in de afzuigleidingen).In alle bedrijfsomstandigheden (bijv ook bij opstart en stilleggen). Reinigingsprogramma opgesteld (met registratie) Stofafzuigingen na einde van de werkzaamheden nog tijdje laten werken 2. . Maatregelen voor het verwijderen van stofafzettingen (voornamelijk voorkomen van secundaire stofexplosies) Natte reiniging of centrale ( verdient de voorkeur) of mobiele stofzuiger. Registratie van de reiniging? 3.1. in werking stellen. . ook bij opstart en stilleggen).Bij alle storingen (ook diegene die zelden voorkomen). omkaste filtermouwen. MEET – & REGELTECHNIEK (MRT. . zuurstof) Heeft de MRT – inrichting een voldoende grote betrouwbaarheid? . BUITEN DE APPARATUUR 2.Bij alle storingen ( ook diegene die zelden voorkomen). Voorkomen van stofafzettingen in de apparatuur : Apparatuur constructief zo aanpassen dat stofafzettingen gemakkelijk en veilig kunnen gereinigd worden (bijv. 2. welke? ( bijv. concentratie inerte stof. bewaking vochtigheid.

.Worden de werknemers geschoold? Zo ja.Nr Checkpunt Worden organisatorische maatregelen getroffen om de doeltreffendheid van de technische maatregelen te waarborgen? Zo ja welke? . om tot de gevast gestelde zone-indeling te komen. Bij gebruik van gelijkwaardige alternatieven kolom 7 invullen. specificeer. Motiveer en beoordeel wat is ingevuld in de tabel I. ©Nevedi handleiding 2005 ATEX-richtlijn 137 55 . Duidt de vastgelegde gevarenzones 20/21/22/NGG aan op de grondplannen en technische plannen (bovenaanzicht en/of zijaanzicht en/of dwarsdoorsnede). 9. Hoe wordt verzekerd dat de organisatorische maatregelen ook uitgevoerd worden? J N Nvt Getroffen maatregelen / opmerkingen Afdeling 7.Periodiek en preventief onderhoud? Zo ja. . specificeer.Wordt gebruik gemaakt van gekwalificeerde medewerkers? Zo ja. De gegevens dienen ingevuld te worden in tabel I. Beschrijf zo nauwkeurig mogelijk de vastgelegde gevarenzones.1 kolom 9.Bedrijfsinstructies? Zo ja. specificeer. 10.1. 8. Opmerking: De gevarenzone-indeling dient goedgekeurd te worden door de werkgever. . specificeer.

DEEL C ©Nevedi handleiding 2005 ATEX-richtlijn 137 56 .

In dit hoofdstuk zullen eerst organisatorische maatregelen besproken worden. . 6. In volgorde van belangrijkheid moeten de volgende maatregelen getroffen worden: 1. .Het in dienst treden (voor aanvang werkzaamheden).Het veranderen of in dienst nemen van nieuwe arbeidsmiddelen.6. elektrische apparatuur.Rookverbod en een procedure voor het uitschrijven van vuurvergunningen. ©Nevedi handleiding 2005 ATEX-richtlijn 137 57 . Hierbij moet uitgelegd worden wat de getroffen en de voorzorgsmaatregelen (organisatorisch en technisch) zijn en wat gedaan moet worden bij noodsituaties. . . .Aarden van geleidende delen voor de afvoer van statische elektriciteit. 3. Vermijden / beperken van ontstekingsbronnen in gevarenzones zoals: . Daarmee rekening houdend dienen een aantal preventie. Vermijden dat de ontstekingsbronnen ook daadwerkelijk actief en effectief kunnen worden zoals: . 2. . RISICOANALYSE ONTSTEKINGSBRONNEN EN MOGELIJKE GEVOLGEN In de zonering is bekeken hoe brandbaar stof weggenomen en beheerst kan worden.Het gebruik van vonkvrij gereedschap. Opstellen van een procedure voor de opleiding van de eigen werknemers bij: . .Preventief onderhoud van de installaties.Het gebruik van kunststofbakken i. én wat hun doeltreffendheid of relevantie is. arbeidsmiddelen) Tijdens de opleiding dienen ten minste aan bod te komen waar.Interne interventieploeg en intern noodplan. Deze organisatorische beheersmaatregelen moeten eerst uitgevoerd worden om daarna met enige efficiëntie meer toestelspecifieke maatregelen uit te voeren. . Bij het formuleren van beheersmaatregelen moet rekening gehouden worden met een zogenaamde preventiehiërarchie.1 ORGANISATORISCHE MAATREGELEN De doeltreffendheid van getroffen (of te treffen) technische maatregelen kan vaak slechts gewaarborgd worden indien een aantal belangrijke en noodzakelijke organisatorische maatregelen voorafgaand is toegepast. kan nagegaan worden welke ontstekingsbronnen wanneer (tijdens welke gebruiksfase van de installatie en bij welke werkzaamheden) in welke gevarenzone (kunnen) aanwezig zijn.p.Het veranderen van functie of afdeling. hoe en wanneer er explosiegevaar is of kan zijn. .Het toepassen van een nieuwe technologie (grondstoffen.Aangepaste elektrische apparatuur.v. Nu de gevarenzones gekend zijn.Explosieonderdrukkingssystemen.Het (ver)plaatsen van elektrische apparatuur buiten de gevarenzones. De organisatorische maatregelen die steeds gelden en getroffen moeten worden vooraleer de toestelspecifieke maatregelen genomen worden zijn: a.Explosiedrukontlastingsystemen. . Voorkomen of beperken van schade zoals: .Het gebruik van pneumatisch gereedschap i.p.v. metalen bakken in een elevator.en beheersmaatregelen getroffen te worden. .

De CE keuring geeft aan dat voldaan is aan de huidige wetgeving. c. Ook voor de collectieve en persoonlijke beschermingsmiddelen bestaan analoge wettelijke verplichtingen. Het doel van deze procedure is te voorkomen dat door de aankoop van arbeidsmiddelen nieuwe en ongekende risico’s in het bedrijf worden binnengebracht. ©Nevedi handleiding 2005 ATEX-richtlijn 137 58 .De opleiding wordt op regelmatige tijdstippen herhaald. concentratie hexaan in schroot of stofklasse 3 grondstoffen) De instructies voor de inname van de grondstoffen maken melding van: o De gevaren en risico’s bij inname. o Eventueel andere (risicovolle) onderhouds. stilleggen motor. De bestelbon bij de bestelling dient de eis tot naleving van de vigerende wetten en reglementen inzake veiligheid en hygiëne (en eventueel bijkomende voorwaarden) te bevatten. én alle overige relevante informatie. slijpen) of de zogenaamde vuurvergunning. Beide stappen zijn wel verplicht voor de aanvullende eisen opgenomen in de bestelbon of voor aspecten die niet gedekt worden door dit keurmerk of door die controle. Opstellen van een procedure voor het uitschrijven van werkvergunningen door een bevoegd persoon: Deze procedure dient voor: o Werkzaamheden met open vlam (lassen. Op die manier wordt voorkomen dat grondstoffen zouden worden verwerkt die ontstekingsgevoeliger zijn zonder dat men daarvan op de hoogte is (bv. 3. wordt schriftelijk ondersteund (o. rookverbod) d. Opstellen van een procedure voor de bestelling en het in gebruik nemen van (nieuwe) arbeidsmiddelen (inclusief draagbare en mobiele arbeidsmiddelen) en de collectieve en persoonlijke beschermingsmiddelen.m. Bij de levering dient een attest meegeleverd te worden waarin de leverancier verklaart dat voldaan is aan de eisen opgenomen in de bestelbon. o Werkzaamheden in besloten ruimtes (silo’s. schriftelijke procedures en instructies) en wordt geregistreerd. Opstellen van een procedure en instructies voor de inname van nieuwe grondstoffen: De procedure moet voorzien in een controle van de relevante veiligheidsparameters van de grondstoffen. De procedure bestaat uit drie stappen: 1. De 2 laatste stappen zijn niet van toepassing voor zaken die een merk van goedkeuring dragen (bv machines met CE-markering). De werknemers dienen steeds te kunnen beschikken over de bedienings. b. o De te treffen maatregelen (zoals de plaats van de vrachtwagen. bunkers). aansluiten op aardingsklem. het ontstoppen van leidingen). De werkgever organiseert het toezicht op de naleving van de instructies. 2. Betreffende het gebruik van arbeidsmiddelen wordt de werkgever verplicht de zogenaamde bestelprocedure bij aankoop en ingebruikname van nieuwe arbeidsmiddelen toe te passen.of herstelwerkzaamheden (bv. Vóór de ingebruikname dient de interne preventieadviseur een verslag op te maken waaruit de naleving blijkt van de vigerende wetten en reglementen inzake veiligheid en hygiëne en de bijkomende voorwaarden opgenomen in de bestelbon.en veiligheidsinstructies.

en herstelwerkzaamheden (bijv. Procedures voor e. werkkleding en persoonlijke beschermingsmiddelen in de gevarenzones: Op die manier wordt verzekerd dat de draagbare en mobiele arbeidsmiddelen en de persoonlijke beschermingsmiddelen aangepast zijn aan de zoneklasse (beschermingsgraad en beveiligingscategorie) waarin ze gebruikt worden. o Alle betrokkenen op de hoogte stellen van het einde van de werkzaamheden. o Wanneer de werkzaamheden beginnen en wanneer ze naar verwachting eindigen. arbeidsmiddelen. o Controle van (het blijven bestaan van) de veiligheid van de installatie. Daarbij kan gebruik worden gemaakt van de informatie van de fabrikant en bevatten o. e. o Een smeringsprogramma.: o Een periodieke visuele controle en een periodieke uitlijning van bewegende delen. kunnen gebundeld worden. Er dient voorzien te worden in de schriftelijke registratie van de uitgevoerde werkzaamheden. het ontstoppen van leidingen). o De gevaren. Opstellen van een procedure voor de reiniging van arbeidsplaatsen en -middelen: Dit komt neer op het toepassen van de praktijk van schoonhuishouden (zie ook de gevarenzone. o Het in beslag nemen en weer in gebruik nemen van installaties. Een passende markering van de arbeidsmiddelen en beschermingsmiddelen moeten verkeerd gebruik uitsluiten. g. installaties en beveiligingssystemen: Preventieve onderhoudsschema’s moeten storingen voorkomen en de goede werking garanderen. o De noodzakelijke voorzorgsmaatregelen (waarbij de verantwoordelijke persoon de voorzorgsmaatregelen aftekent om te laten zien dat deze maatregelen zijn genomen). Er zijn schriftelijke instructies opgesteld en toegelicht voor het uitvoeren van onderhouds. o Aanvaarding en bevestiging van de afspraak.In de werkvergunning staan minimaal de volgende gegevens: o De locatie en aard van de werkzaamheden. ©Nevedi handleiding 2005 ATEX-richtlijn 137 59 . o Een periodieke controle (of meting) van de elektrische conductiviteit van de verschillende mechanische elementen ten einde accumulatie van statische elektriciteit te vermijden. o Apparatuur en middelen die nodig zijn voor collectieve en persoonlijke bescherming.indeling).a. en f. Opstellen van procedures en instructies voor het gebruik van draagbare en mobiele arbeidsmiddelen. f. De reparaties en revisies van elektrische en niet-elektrische apparatuur en beveiligingssystemen (uit de gevarenzones) gebeuren door een bevoegd persoon of firma. arbeidsmiddelen en arbeidsplaatsen. Opstellen van een procedure voor periodiek & preventief onderhoud van arbeidsplaatsen. h. Opstellen van procedures en instructies voor onderhoudswerkzaamheden: Volgende procedures dienen voorzien te worden: o Melding en opvolging van defecten en gevaarlijke situaties.

brandbestrijdingsmiddelen. stoomtoestellen. Opstellen van een procedures in het geval van nood: De werkgever is verplicht een zogenaamd intern noodplan op te stellen waarin duidelijk vermeld wordt wie wat en hoe moet doen in het geval van nood (brand.t. Opstellen van een procedure voor het “Werken met derden“: Hiermee worden werkzaamheden bedoeld waarbij werknemers betrokken zijn van vreemde werkgevers. Rookverbod: Overal. De procedure moet verzekeren dat de controles tijdig uitgevoerd worden. In de procedure zal dan ook een wederzijdse uitwisseling van informatie moeten zijn voorzien.d.i. Als geheugensteun staan de bovenvermelde organisatorische maatregelen opgesomd in bijlage III deel C tabel III. De procedure moet verzekeren dat de controles tijdig uitgevoerd worden en er passend gevolg gegeven wordt aan de vastgestelde afwijkingen. Een schriftelijke registratie van de controles en de gevolgen die er aan gegeven worden zijn noodzakelijk. j. Dit noodplan moet toegelicht worden aan de betrokken werknemers en regelmatig worden geoefend. Opstellen van een procedure voor de planning. o De explosiegevaarlijke plaatsen. Hierop kunnen de genomen maatregelen aangevinkt worden. Het hoofddoel van deze procedure is er voor te zorgen dat de werknemers van een bedrijf van buitenaf die werkzaamheden komen uitvoeren een gelijkwaardige bescherming hebben als de eigen werknemers. explosie). en (schriftelijk vastgelegde) afspraken m. o De te treffen maatregelen in geval van nood of storingen. Opstellen van een procedure voor de planning. én dat de eigen werknemers niet blootgesteld worden aan nieuwe (ongekende) risico’s te wijten aan de uitvoering van die werkzaamheden. de waarschuwingsen alarmeringsmiddelen. k. ©Nevedi handleiding 2005 ATEX-richtlijn 137 60 .b. Indien de werkzaamheden plaats vinden in (of in de buurt van) gevarenzones zal aandacht moeten worden besteed aan: o De bijzondere voorwaarden voor de uitvoering van de werkzaamheden. de noodverlichting e. Daarnaast dient ook de bhv geregeld te zijn. m. uitvoering en opvolging van de periodieke controles: Elektrische installaties. moeten periodiek gecontroleerd worden door een bevoegd persoon. uitvoering en opvolging van de periodieke controles: Elektrische installaties. te treffen preventiemaatregelen. persluchtvaten en hefwerktuigen moeten periodiek gecontroleerd worden. er passend gevolg gegeven wordt aan de vastgestelde afwijkingen. o De specifieke maatregelen ter bescherming tegen het explosiegevaar.1 “Extra informatie”. l. de verwarmingsinstallaties.

6. ©Nevedi handleiding 2005 ATEX-richtlijn 137 61 .1 Ontstekingsbronnen en hun doeltreffendheid Als de organisatorische maatregelen genomen zijn zal het ook noodzakelijk zijn algemene technische maatregelen te nemen ter voorkoming en beheersing van de ontstekingsbronnen en de explosie-risico’s. Bliksem. Indien het een blanco (d.a.materieel. 8. De eerste 7 categorieën zijn de belangrijkste en de meest voorkomende ontstekingsbronnen. Een belangrijk criterium dat de aard en de omvang van de te treffen technische maatregelen bepaalt is de doeltreffendheid of relevantie van de ontstekingsbronnen. zoals de minimale ontstekingsenergie van stofwolken. Voor nadere uitleg over de betekenis van deze begrippen wordt verwezen naar hoofdstuk 2 van Deel A van deze handleiding. kunnen en mogen we er vanuit gaan dat de elektrische ontstekingsbronnen. 2.2. Elektromagnetische straling in het optische gebied (3x1011 Hz tot 3x1015 Hz). 5. te wijten aan de vast opgestelde elektrische installaties en apparatuur. Elektromagnetische straling in het radiofrequentiegebied (104 Hz tot 3x1012 Hz).2 Maatregelen bij niet-productietoestellen en installaties Daar het Nederlands en Europees recht oplegt dat: Er in de gevarenzones enkel aangepaste elektrische installaties en toestellen mogen worden gebruikt. Ultrasoon geluid. eerst moeten worden geïnventariseerd. Zie stap 2 van de zonering. Maatregelen voor vast opgestelde elektrische apparatuur en installaties Voor de elektrische ontstekingsbronnen. De veiligheidsparameters van de betrokken brandbare stof. 4. De potentiële ontstekingsbronnen zullen m. kunnen we ons omwille van het bovenstaande beperken tot het opvragen van het controleverslag van de elektrische installaties en toestellen in de gevarenzones. 13. zonder afwijkingen) en actueel controleverslag betreft. Zwerfstromen en kathodische bescherming.w.2. veroorzaakt door de vast opgestelde elektrische apparatuur en installaties. voldoende beheerst zijn. 12. Vlammen (open vuur ) en hete gassen. 9. Statische elektriciteit. 11. Schokgolven en stromende gassen. 6. 6. De aard en omvang van die technische maatregelen zal in de eerste plaats bepaald worden door de aard van de (potentiële) ontstekingsbronnen. Overeenkomstig NEN-EN 1127-1:2007 NL worden 13 soorten ontstekingsbronnen onderscheiden: 1. Elektrische installaties en . 7. A.z. De doeltreffendheid van een ontstekingsbron is afhankelijk van: De energie-inhoud van de ontstekingsbron.w. Hete oppervlakken. de glimtemperatuur van stofafzettingen en de zelfontstekingstemperatuur van stofwolken. 10. Ioniserende straling. Mechanische vonken en lasvonken. Exotherme chemische reacties.2 ALGEMENE TECHNISCHE MAATREGELEN 6. 3. En dat de conformiteit van de elektrische installaties en toestellen in de gevarenzones moet worden nagegaan.

Daarnaast dienen voor de elektrische apparaten en installaties in de gevarenzones die pas na 30/06/03 in gebruik genomen werden de nodige EG-verklaringen van overeenstemming met de ATEX 95-richtlijn kunnen worden overgelegd. . . . 30 van deel A van deze handleiding).w. .en communicatieapparatuur.Elektrisch aangedreven handgereedschap. Maatregelen voor de verplaatsbare elektrische apparatuur die gebruikt worden in de gevarenzones Daar dergelijke toestellen bijna uitsluitend aanleiding kunnen geven tot elektrische ontstekingsbronnen (vonken en warm oppervlak) volstaat het: .m. .De toestellen en hun identificatiegegevens te inventariseren. én om te kunnen voldoen aan de aantoningsplicht is het absoluut noodzakelijk dat in het controleverslag duidelijk en ondubbelzinnig omschreven is over welke apparatuur het gaat.Na te gaan of ze beantwoorden aan: o De voorschriften opgenomen in de artikels 111-113 van het Nederlands en Europees recht (zie ook rubriek 3.Mobiele afzuiging. .Onder de vast opgestelde elektrische installaties en toestellen wordt verstaan: . Om voldoende zekerheid te hebben over de actualiteit en volledigheid van het controleverslag. . . B. hefwerktuigen zoals een takel.Silolift. Een geschikte maximale oppervlaktetemperatuur (afhankelijk van de glimtemperatuur en de ontstekingstemperatuur van het stof).z. . . De risicoanalyse zelf houdt in dat moet worden nagegaan of de arbeidsmiddelen. .De technische informatie van de apparatuur te verzamelen. p. .Schakelende toestellen. Indien geen blanco controleverslag (d.en aansluitdozen. er zijn afwijkingen) kan worden overgelegd dienen de vastgestelde afwijkingen (zo snel mogelijk) weggewerkt te worden en dient een nieuwe controle van de elektrische apparatuur en installaties in de gevarenzones uitgevoerd te worden.Elektrische heftruck of transpalet. o De Economische ATEX-richtlijn indien ze voor het eerst in gebruik genomen werden na 30/06/03 (zie ook Hoofdstuk 3 van deel A van deze handleiding).Radio. . Met de verplaatsbare elektrische apparatuur worden o. beveiligingssystemen. .4.Aftak. ©Nevedi handleiding 2005 ATEX-richtlijn 137 62 .Verlengkabels. bedoeld: .Meet.Verwarmingstoestellen.Meet.en regelapparatuur.Verlichtingstoestellen. Afwijkingen die niet op korte termijn kunnen weggewerkt worden dienen samen met de te treffen maatregelen opgenomen te worden in een plan van aanpak zie tabel II.Looplampen. toestellen en beveiligingsystemen: Een geschikte IP-graad hebben (afhankelijk van de zoneklasse waarin ze gebruikt worden).Motoren.3 Deel C.Elektrisch aangedreven stofzuiger. .

Ook voor die arbeidsmiddelen. nutsvoorzieningen. Vastgestelde afwijkingen dienen samen met de te treffen maatregelen opgenomen te worden in een plan van aanpak zie tabel II.1: Frequentie ontstekingsbronnen Waarschijnlijkheid Veelvuldig (V) Waarschijnlijk (W) Toevallig (T) Weinig waarschijnlijk (WW) Onwaarschijnlijk (O) Specifieke kenmerken Komt frequent voor Komt regelmatig voor gedurende levensduur Komt wel eens voor gedurende levensduur Onwaarschijnlijk maar mogelijk gedurende levensduur Hoogst onwaarschijnlijk gedurende levensduur Overgenomen van het Europese RASE – project (Risk Assessment of Unit Operations and Equipment.2. Hiervoor werd het volgend classificatiesysteem6 gebruikt: Tabel 6. De mogelijke oorzaken van optreden. - 6. De gevarenzones gemarkeerd zijn. toestellen en beveiligingssystemen die pas na 30/06/03 voor het eerst gebruikt werden. http://www. niet-aangedreven handgereedschap e. toestellen en beveiligingssystemen zal dus een inventaris opgesteld moeten worden. 2. Hierbij is bijvoorbeeld te denken aan heftrucks of andere transportvoertuigen die rijden op diesel of LPG. toestellen of beveiligingssystemen Bovenstaande werkwijze kan ook worden gevolgd voor vaste en verplaatsbare arbeidsmiddelen.de/EC-Projects/Rase.html) 6 ©Nevedi handleiding 2005 ATEX-richtlijn 137 63 . toestellen en beveiligingssystemen en verschillende types ontstekingsbronnen is het bijna onmogelijk om hiervoor een aantal algemeen geldende en eenvoudige voorschriften op te stellen. toestellen en beveiligingssystemen die pas na 30/06/03 voor het eerst gebruikt werden (afhankelijk van de zoneklasse waarin ze gebruikt worden).safetynet. Daar het hier kan gaan om zeer uiteenlopende arbeidsmiddelen. Maatregelen voor overige arbeidsmiddelen.3 deel C. Een inschatting van de frequentie van optreden van de ontstekingsbron.3 Risicoanalyses van productietoestellen en installaties 1. toestellen en beveiligingsystemen die in de gevarenzones (kunnen) worden gebruikt én niet behoren tot de eigenlijke productie-installaties én nog andere dan elektrische ontstekingsbronnen kunnen veroorzaken. C.Een geschikte beveiligingscategorie voor die arbeidsmiddelen.d. Voorzien zijn van de voorgeschreven markeringen en vergezeld gaan van de voorgeschreven EG verklaring van overeenstemming voor die arbeidsmiddelen.

Vervolgens werd voor ieder toestel of installatie vastgelegd welke frequentieverlagende maatregelen er moeten worden genomen. Door alle bovenvermelde preventiemaatregelen te nemen en toe te passen zal de kans op een stofexplosie aanzienlijk verkleind worden. Bij voorkeur wordt in de studie ook geargumenteerd waarom een bepaalde maatregel wordt getroffen.000 € Merk op dat het in deze fase van de studie de bedoeling is dat de ernst van een explosie wordt bepaald voor de “onbeveiligde toestand”.2: Ernst van een explosie Ernst Catastrofaal Zeer ernstig Kritisch Marginaal Incidentenomschrijving Naar personen Naar installaties Talrjjke doden 1. en indien dat niet mogelijk is de schade te beperken. .000 à 100.3. volume van een silo). De ernst van een mogelijke explosie zal onder meer worden bepaald worden door: .De eigenschappen van de toestellen en installaties (bijv. .000 € Beperkte letsels < 10.000 à 1. Indien de werkgever beslist om één of meerdere ernstverlagende maatregelen in te voeren dient hij deze op te nemen in het actiepan voor regularisatie zie tabel II. Tabel 6. .De toestellen en installaties die verbonden zijn met het beschouwde toestel.000. Per toestel wordt een aantal mogelijke ernstverlagende maatregelen opgesomd.3 deel C. buiten of midden in de fabriek).000 € Zware letsels 10.De plaats van de installaties (bijv. ©Nevedi handleiding 2005 ATEX-richtlijn 137 64 . Zie tabel II. Maar zelfs dan hebben we geen absolute. De mogelijke ernst van de gevolgen van een stofexplosie zal bepalend zijn of (nog bijkomende) ernstverlagende maatregelen dienen te worden genomen.3 deel C. Het is de verantwoordelijkheid van de werkgever om te beslissen of en welke (bijkomende) ernstverlagende maatregelen zullen worden genomen.De veiligheidsparameters van de betrokken stoffen (de maximale explosiedruk en de explosieklasse).000. In ieder geval heeft de werkgever de wettelijke verplichting schade ten gevolge van een explosie zo veel mogelijk te voorkomen. statistische zekerheid dat er nooit een stofexplosie zal optreden. . Vastgestelde afwijkingen dienen samen met de te treffen maatregelen opgenomen te worden in een plan van aanpak.000 of meer Eén dode 100. De doeltreffendheid of relevantie van de ontstekingsbron.De aanwezigheid van personen en hun aantal.

Gebouw – en ruimteaanduiding 1. Referentiedocumenten en definities 3.1 deel C).Organisatorische maatregelen per afdeling. ADMINISTRATIEVE GEGEVENS 1..1.Het meest recente controleverslag van de elektrische installaties in de gevarenzones. RISICOANALYSE / INVENTARISATIE EN ONTSTEKINGSBRONNEN EN EXPLOSIERISICO’S EVALUATIE VAN DE Breng de hieronder vermelde documenten onder in de rubriek “Risicoanalyse / inventarisatie en evaluatie van de ontstekingsbronnen en explosierisico’s” : .) en ook één of meerdere grondplannen en breng ze onder de rubriek “Administratieve gegevens”. . . RISICOANALYSE / GEVARENBRONNEN EN ZONERING 3. Beschrijvend gedeelte van de procédés en/of activiteiten 1. Stroomschema 1. Gevarenzone – indeling ( zone en afmetingen ) Breng de opgestelde gevarenzone-indeling onder in de rubriek “Risicoanalyse / Gevarenbronnen en zonering”.3.2.2.3.1. Tabel veiligheidsparameters van de betrokken stoffen Breng de opgestelde beschrijving van het productieproces (Stap 1 en Stap 2 van het stappenplan deel B) onder in de rubriek “Beschrijving opslagplaatsen en het productieproces”.Lijst verplaatsbare en vastopgestelde elektrische apparatuur per afdeling.1.1.adres. intern preventieadviseur. GETROFFEN MAATREGELEN EXPLOSIEGEVAAR 5. 5. . BESCHRIJVING OPSLAGPLAATSEN EN HET PRODUCTIEPROCES 1. Hieronder is de korte inhoudstabel van het explosieveiligheidsdocument weergegeven met een praktische beschrijving over hoe men dit document samenstelt. Inhoud explosieveiligheidsdocument: 1. Technische maatregelen TER BESCHERMING TEGEN HET ©Nevedi handleiding 2005 ATEX-richtlijn 137 65 .7.2. Inventarisatie van de potentiële gevarenbronnen 3. 3. aantal werknemers.2. 2. EXPLOSIEVEILIGHEIDSDOCUMENT De werkgever heeft de verplichting om een explosieveiligheidsdocument op te stellen.De ingevulde stamkaart (tabel II. Wettelijk kader en betrokken personen Verzamel de voornaamste algemene administratieve gegevens van de onderneming (naam. 4. Algemeen 1. bedrijfsleider. Uit het document moet ondermeer blijken dat de explosierisico’s geïdentificeerd en beoordeeld zijn en dat afdoende maatregelen genomen zullen worden. Organisatorische maatregelen 5.. Ook de gevarenzone – indeling vormt een onderdeel van het document.3. Dit zijn de Stappen 3 t/m 9 van deel B en Stap 10 de grondplattegronden en de technische plannen.

apparaten. Bij het vastleggen van de deadlines dient rekening gehouden te worden met de volgende bepaling “vanaf 30/06/03 mogen installaties. BIJLAGEN Bijlage 1 : Plannen (plattegrond. opstellingsschema. ACTIEPLAN MET TE NEMEN MAATREGELEN Breng de ingevulde tabel II. 8.Alle beschikbare attesten en EG – verklaringen van overeenstemming van de apparaten en beveiligingssystemen die (kunnen) gebruikt worden in de gevarenzones.Een overzicht van de getroffen technische maatregelen die genomen zijn per afdeling en per arbeidsmiddel (tabel II. instructies. BEHEER VAN HET EXPLOSIEVEILIGHEIDSDOCUMENT Uiteraard is het de bedoeling dat het explosieveiligheids-document actueel gehouden wordt. beveiligingssystemen en alle erbij horende verbindingsstukken die worden gebruikt of ter beschikking gesteld van de werknemers slechts in bedrijf worden genomen of gehouden wanneer uit het explosieveiligheidsdocument blijkt dat aan het gebruik ervan geen explosiegevaar verbonden is”. HANDTEKENING EINDVERANTWOORDELIJKE(N) 9. 6. .3 ‘Plan van aanpak’ onder in de rubriek “Actieplan met te nemen maatregelen”.1 of II. . registratieformulieren en verslagen opgesteld in het kader van de getroffen organisatorische maatregelen. Stel daarom een beheerder aan en voer een periodieke evaluatie van het document in.De schriftelijke procedures.Breng de hieronder vermelde documenten onder in de rubriek “Getroffen maatregelen ter bescherming tegen het explosiegevaar” : .2 deel C). 7. evacuatiewegen nooduitgangen) Bijlage 2 : Stroomschema van het procédé met vaste brandbare stoffen Bijlage 3 : Veiligheidsinformatiebladen van de betrokken stoffen Bijlage 4 : Zoneringstekeningen – stofontploffingsgevaar Bijlage 5 : Organisatorische maatregelen – stofontploffingsgevaar Bijlage 6 : Technische maatregelen – stofontploffingsgevaar & ©Nevedi handleiding 2005 ATEX-richtlijn 137 66 .

9 Plattegronden en technische plannen ©Nevedi handleiding 2005 ATEX-richtlijn 137 67 .2 Neem de vragenlijst door I.8.2 Inventarisatie grondstoffen I.3 Gevarenbronnen Gegevens voor Stamkaart Arbeidsmiddel II.8 Gevarenzones Gegevens voor Stamkaart Afdeling I.1 Beschrijving productieproces I.7 Openingen in gevarenzone I.1 Stamkaart afdeling H2 wet of III.2 Stamkaart arbeidsmiddel III.4 maatregelen (technisch/ organisatorisch ) I.1 Neem de checklijst organisatorische maatregelen door II.5 Ventilatie omstandigheden - II. FLOW-SCHEMA: PLAN VAN AANPAK EXPLOSIEVEILIGHEIDSDOCUMENT Bekend met de Neem deel A door Ja Nee Is de fabriek Ja Nee Bent u in het bezit van een Nee Ja Volg de werkwijze van bijlage I deel B Volg de werkwijze bijlage II van deel C Volg de werkwijze bijlage III van deel C H1 theorie I.3 Plan van aanpak stofwolke I.6 Klasse en afmeting stofafzetting I.

BIJLAGE II: RISICOANALYSE ONTSTEKINGSBRONNEN EN EXPLOSIEGEVAAR ©Nevedi handleiding 2005 ATEX-richtlijn 137 68 .

Algemene gegevens Functie arbeidsmiddel Datum in dienst Technische documentatie J / N Aanwezigheid handleiding J / N Aanwezigheid instructiekaart J / N Zone machine Zone omgeving IP-graad motor Risico identificatie potentiële ontstekingsbronnen Bronvermelding Beschermingswijze Mogelijke ontstekingsbronnen Relevant Oorzaak Frequentie Toegepaste bescherming Omschrijving Organisatorische maatregelen Technische maatregelen Opmerking ©Nevedi handleiding 2005 ATEX-richtlijn 137 69 .1: Stamkaart Afdeling Stamkaart Explosieveiligheidsdocument Afdeling: Algemene gegevens Zone + argumentatie Organisatorische maatregelen + argumentatie Productielocatie: Nr. Arbeidsmiddel Identificatie Uren/Jaar Product: gemengd Stofklasse Extra borging Afzuiging nummer of grondstof Tabel II.1a: Stamkaart Afdeling Stamkaart Explosieveiligheidsdocument Arbeidsmiddel: Afdeling: Productielocatie: Nr.Tabel II. Nr.

hete deeltjes Mechanische vonken Slijp en lasvonken Elektrische energie Statische elektriciteit Bliksem Zwerfstromen Elektrische magnetische straling Hybride mengsel Stofklasse Brandklasse CE Oorzaak Risicobepaling Opmerkingen Zone machine Zone omgeving Verantwoordelijk voor zone indeling: Naam: Afdeling: Toegepaste bescherming Motoren Explosiebeveiliging Afzuiging Reiniging Aanduiding ontploffingsgevaar Onderhoudsprogramma Vergunningssysteem Omschrijving IP Opmerking ©Nevedi handleiding 2005 ATEX-richtlijn 137 70 . hete gassen incl.m/s) Minimum ontstekingsenergie (mJ) Minimum ontstekingstemperatuur (ºC) Maximale oppervlaktetemperatuur 2/3 van de minimum ontstekingstemperatuur (ºC) Explosiegrenzen LEL Productie uren op jaarbasis Risico identificatie Potentiële Relevant Frequentie Ernst ontstekingsbronnen Ja/nee Spontane reactie Hete oppervlakte Vlammen.Tabel II.2: Stamkaart Arbeidsmiddel Stamkaart Explosieveiligheidsdocument Arbeidsmiddel: Afdeling: Locatie: Nr. Algemene gegevens Functie arbeidsmiddel Datum in dienst Technische documentatie J / N Aanwezigheid handleiding J / N Aanwezigheid instructiekaart J / N Omschrijving product(en) Deeltjes grootte (mm) Vochtgehalte (%) Kst Waarde (bar.

©Nevedi handleiding 2005 ATEX-richtlijn 137 71 . het identificatienummer. productielocatie en nummer van het arbeidsmiddel.1a deel C het arbeidsmiddel. 1) De eerste stap is per afdeling tabel II.1 en tabel II.Praktische werkwijze Met behulp van de informatie uit deel C van de handleiding en met behulp van de formulieren uit deze bijlage ‘Bijlage Risicoanalyse ontstekingsbronnen en explosiegevaar’: is een risicoanalyse uit te voeren.3 (bijlage II. stofklasse en de aanwezigheid van een extra borging. deel B). 3) Noteer per afdeling de aanwezige arbeidsmiddelen. Eventuele vastgestelde afwijkingen dienen samen met de adviserende maatregelen opgenomen te worden in het “Plan van aanpak” zie tabel II. Daarnaast vaste en verplaatsbare overige arbeidsmiddelen. In deze handleiding zijn twee methodes aangeboden om de risicoanalyse te maken. afdeling.3 “Plan van aanpak”. deel C) invullen met de gegevens uit tabel I. 6) Vul de rest van de stamkaart in aan de hand van paragraaf 1.1 Checklist “Organisatorische Maatregelen” (Bijlage III. 4) Noteer in tabel II. Verzamel de beschikbare documenten zoals procedures. instructies en registratieformulieren. deel C). 5) Vul de algemene gegevens is. de aanwezigheid van gemengd product of grondstof.1 en tabel II.1 (bijlage II. Daarnaast is deze methode geschikt voor fabrieken die duidelijke afscheidingen hebben tussen de verschillende procesonderdelen.3 deel C. Per arbeidsmiddel/ groep dient een aparte kaart ingevuld te worden. deel C). Bij deze tabel wordt meteen op arbeidsmiddenniveau ingezoomd.1a) bouwt verder op de zonering van deel B. aanwezigheid van een explosieve atmosfeer in een aantal uren/jaar.2 deel C.1 deel C.1a vermeld hoe men te werk dient te gaan. of verzamel de verwijzingen naar die documenten. 7) Neem eventuele afwijkingen samen met de te treffen maatregelen op in de tabel II. Noteer per arbeidsmiddel de volgende kenmerken. Arbeidsmiddelen zijn vast opgestelde en verplaatsbare elektrische apparatuur en installaties in de gevarenzones. Deze lijst dient gebruikt te worden als geheugensteun voor mogelijk te nemen maatregelen. Voor fabrieken die geen duidelijk scheiding hebben tussen de procesonderdelen is tabel II. 2) Doorloop de tabel III.1 (bijlage I.2 geschikt om te gebruiken. Dit dient overeen te komen met de gegevens in tabel II. toestellen en beveiligingssystemen die opgesteld staan of (kunnen) worden gebruikt in de gevarenzones en die niet behoren tot de eigenlijke productie-installatie. Ook de ernstverlagende maatregelen die zullen worden getroffen dienen te worden opgenomen in de tabel II. Hieronder staan de stappen voor tabel II. Maak gebruik van de informatie uit bijlage I deel B. De eerste methode (tabel II.

uitvoering ©Nevedi handleiding 2005 ATEX-richtlijn 137 72 .3: Plan van aanpak Nr Afdeling Punt van aandacht Verantwoordelijke Uitvoerings termijn Budget / Middelen Verantw.Tabel II.

BIJLAGE III: EXTRA INFORMATIE ©Nevedi handleiding 2005 ATEX-richtlijn 137 73 .

d Procedure voor het uitschrijven van werkvergunningen door een bevoegd persoon : Nr Opmerkingen ©Nevedi handleiding 2005 ATEX-richtlijn 137 74 .1: Checklist Organisatorische Maatregelen Checklist Organisatorische Maatregelen Maatregel Beoordeling (ja/neen/nvt) a Procedure voor de opleiding van de werknemers 0pleiding voorzien bij : . concentratie hexaan in schroot. . b Procedure voor de bestelling en in dienst name van (nieuwe) arbeidsmiddelen en van de collectieve en persoonlijke beschermingsmiddelen: Bestelbon wordt opgesteld en getekend door de intern preventieadviseur.Het veranderen of in dienst nemen van nieuwe arbeidsmiddelen.Tabel III.Wat te doen bij noodsituaties.Het in dienst treden.Het veranderen van werkpost of functie. Verslag voor indienststelling wordt opgesteld door de intern preventieadviseur. De opleiding : . . hoe en wanneer er explosiegevaar is of kan zijn.Wordt op regelmatige tijdstippen herhaald. toegangsverbod .De getroffen en te treffen voorzorgsmaatregelen (organisatorisch en technisch). stilleggen motor.Het toepassen van een nieuwe technologie. De werknemers kunnen te allen tijde de bedienings – en veiligheidsinstructies en alle overige relevante informatie raadplegen.Waar.De gevaren en risico’s. veiligheidsparameters).m. . .De te treffen maatregelen (standplaats van vrachtwagen. . aansluiten op aardingsklem. Er wordt passend gevolg gegeven aan de eventuele vastgestelde afwijkingen. . . Er bestaan instructies voor de inname van grondstoffen met vermelding van : . rookverbod.Wordt geregistreerd (hulpmiddel is een opleidingsmatrix) Tijdens de opleiding komen ten minste aan bod : .). .. Er is toezicht op de naleving van de instructies. procedures en veiligheidsinstructies).Wordt schriftelijk ondersteund (o. c Procedure en instructies voor de inname van (nieuwe) grondstoffen: Procedure voorziet in een controle / analyse van de relevante eigenschappen van de grondstoffen (bijv..

arbeidsmiddelen. In de werkvergunning staan minimaal de gegevens zoals vermeld in de handleiding. Er bestaat een procedure voor de in beslagname en terug in gebruikstelling van installaties. installaties en beveiligingssystemen: Er bestaan preventieve onderhoudsschema’s opgesteld op basis van de aanbevelingen van de fabrikant. g Procedure voor het gebruik van mobiele en draagbare arbeidsmiddelen. Er is schriftelijke registratie van de uitgevoerde onderhoudswerkzaamheden. bunkers).). . . f Procedure voor onderhoudswerkzaamheden: Er is een procedure voor de melding en opvolging van defecten en gevaarlijke situaties. De herstellingen en revisies van elektrische en niet – elektrische apparatuur en beveiligingssystemen (uit de gevarenzones) gebeuren door een bevoegd persoon of firma... De conformiteit van nieuwe of herstelde of gereviseerde arbeidsmiddelen en (installatie)onderdelen met de wettelijke bepalingen en de gevarenzone-indeling wordt nagegaan vóór in dienst name. Er is toezicht op de correcte naleving van de bepalingen opgenomen in de werkvergunning. Jaarlijkse controle (of meting) van de elektrische conductiviteit van de verschillende mechanische elementen ten einde statische elektriciteit te vermijden. werkkledij en persoonlijke beschermingsmiddelen in de gevarenzones: Er bestaan schriftelijke instructies ter zake.Nr Checklist Organisatorische Maatregelen Maatregel Beoordeling (ja/neen/nvt) Er bestaat een procedure voor het uitschrijven van werkvergunningen voor : . die gekend zijn bij de werknemers.Werkzaamheden met open vlam (lassen. arbeidsmiddelen en arbeidsplaatsen. ontstoppen van leidingen). slijpen.Eventueel andere onderhouds – of herstelwerkzaamheden (bijv.Werkzaamheden in besloten ruimten (silo’s. e Procedure voor periodiek en preventief onderhoud van arbeidsplaatsen. Er zijn instructies opgesteld en toegelicht voor het uitvoeren van onderhouds – en herstelwerkzaamheden (bijv. de werkkledij en pbm’s zijn passend gemerkt zodat verkeerd gebruik uitgesloten is . h Procedure voor de reiniging van arbeidsplaatsen en – middelen: Opmerkingen ©Nevedi handleiding 2005 ATEX-richtlijn 137 75 . het ontstoppen van leidingen). De mobiele en draagbare arbeidsmiddelen en collectieve beschermingsmiddelen.

i Procedure voor de planning. Het intern noodplan werd toegelicht aan de betrokken werknemers en wordt regelmatig geoefend. m Rookverbod: In de gevarenzones (en bij voorkeur algemeen) geldt een strikt rookverbod.Nr Checklist Organisatorische Maatregelen Maatregel Beoordeling (ja/neen/nvt) Er bestaan schriftelijke reinigingsprogramma’s. Opmerkingen Noot : Bij het overlopen van de checklist is het aan te raden de toelichting onder 6.1. uitvoering en opvolging van de periodieke nazichten van installaties en arbeidsmiddelen: De elektrische installaties. zodat voldaan is aan de praktijk van schoonhuishouden. de waarschuwings – en alarmeringsmiddelen. verbod gebruik perslucht. … worden regelmatig nagezien door een bevoegd persoon. Rookverbod is op afdoende wijze gemarkeerd en wordt gerespecteerd. Er zijn instructies opgesteld en toegelicht voor het uitvoeren van de reinigingen (bijv. Er wordt passend gevolg gegeven aan de vastgestelde afwijkingen. de verwarmingsinstallaties. l Noodprocedures: Er is een intern noodplan opgesteld dat ten minste de noodsituaties brand en explosie behandeld. de brandbestrijdingsmiddelen.de noodverlichting. persluchtvaten en hefwerktuigen worden periodiek (volgens de wettelijke frequentie ) gecontroleerd door een Externe Dienst voor Technische Controles op de Werkplaats. Er is schriftelijke registratie van de nazichten. Er wordt passend gevolg gegeven aan de vastgestelde afwijkingen. j Procedure voor de planning. van de handleiding te lezen. Er is voorzien in de schriftelijke registratie van uitgevoerde reinigingen. uitschakelen ontstekingsbronnen. k Procedure Werken met derden: De wettelijk voorgeschreven procedure is voorzien (mét schriftelijk contract). uitvoering en opvolging van de periodieke controles van installaties en arbeidsmiddelen: De elektrische installaties. dragen persoonlijke beschermingsmiddelen). stoomtoestellen. Er is een interne interventieploeg opgericht en opgeleid. ©Nevedi handleiding 2005 ATEX-richtlijn 137 76 .

0 mg/m3. Vragen Algemeen 1 Is er een instructie waaruit Norm ja nee onbekend toelichting 2 3 4 blijkt dat roken verboden is binnen de gebieden die vallen onder de ATEX zonering? Is er markering aanwezig welke wijst op explosierisico? Is er markering aanwezig welke wijst op rookverbod? Voldoen de elektrische installaties aan de zone-eisen? Bij alle ingangen van de fabriek Bij alle ingangen fabriek + losen laadpunten Zone 20: IP6X. dan transport voorzien zoveel mogelijk wordt voorkomen? van adequate afzuiging om stof buiten het systeem te voorkomen Vuistregel: afzuiging Noodzakelijk bij .0 mg/m3 is mag in werkruimten worden geblazen. binnen 2.) blijven binnen de installaties Na openen luiken dient de installatie stil te vallen. Indien 1 niet vormgegeven dat stofuitstoot mogelijk. andere ruimten: Zone 22+NGG: IP5X Alle systemen/voorzieningen gesloten.Tabel III.en lospunten indien stofgehalte in de lucht in deze ruimten tijdens lossen meer is dan 3. stofconcentraties in omgevingslucht tijdens storten mag niet boven 3 mg/m3 zijn. 8 9 10 Alleen gefilterde lucht waarbij stofconcentratie max 3. Stofuitstoot buiten het Zijn de transporten van grondstoffen en eindproducten systeem (machines.transport van meer dan 100 m3/uur . in inwendige van productie installaties Zone 21: IP6X. In andere gevallen moet lucht naar buiten worden geblazen Voldoen de stofconcentraties Stofconcentratienorm: in de omgevingslucht buiten de Maximum 3 mg/m3 installaties aan de normen? Zijn alle handbijstorten Alle handbijstorten dienen een voorzien van lokale afzuiging? lokale afzuiging te hebben. dusdanig ontworpen en installaties en/of silo's) is niet mogelijk.5 m van alle laad.snelheid van meer dan 2.5. 1.2: Vragenlijst Nr. geen lekpunten zichtbaar 5 6 7 Zijn alle installaties die binnen de fabrieksgebouwen aanwezig zijn stofdicht? (denk ook aan transportbanden/ automatisch reinigende magneten etc!) Zijn alle machineluiken voorzien van veiligheidsschakelaars? Luchtverplaatsingen binnen de installaties (bv ten gevolge vullen/legen silo's.5 m/s ©Nevedi handleiding 2005 ATEX-richtlijn 137 77 . transport etc. 2.

hoppers. vloeren. beschikbaar op elke relevante plaats en goede werking! Indien mobiele stofzuigers in gebruik dan dient elektrische installatie geschikt te zijn voor de zone die ie geldt in de ruimte waar de stofzuiger gebruikt wordt. ( meestal dus zone 22) Is er een verbod op het gebruik VERBODEN i.staalconstructies zodanig dat weinig/geen stofafzetting plaatsvindt Visuele beoordeling op deze aspecten. stofvan perslucht bij reiniging en/of verspreiding en persoonlijke stofverwijdering bij in bedrijf veiligheid zijnde machines/ installaties Zijn de vloeropeningen naar Opening is op een hoger niveau silo's en transporten zodanig aangebracht of voorzien van uitgevoerd dat wordt veegranden van min 5 cm hoog voorkomen dat vreemde voorwerpen vanaf de vloer makkelijk via de opening in de installatie komen? Zijn alle installaties en metalen Maximale weerstand naar het onderdelen voorzien van oppervlak < 10 Ohm.v.) Zijn alle lospunten voorzien Maximale weerstand van van aarding voor vrachtauto's? aardlip vd auto naar de aarde (stortputten en pneumatisch max. 16 17 18 19 20 21 22 Criteria: eenvoudig te gebruiken. scheuren en gaten waarin zich stof kan ophopen en daardoor moeilijk te reinigen zijn.geïnspecteerd.m. helling van 60 graden . 2.raamopeningen met min.11 Zijn alle vloeren voldoende glad en reinigbaar of uitgevoerd als roostervloer? Zijn alle gladde vloeren voorzien van veegranden? Is er bij nieuwe installaties rekening gehouden met het voorkomen/minimaliseren van stofafzetting? 12 13 14 15 Kunnen de nieuwe installaties eenvoudig 1. etc. Minimale hoogte veegrand = 5 cm Voorbeelden: .onderhouden en 3. 10 x6 Ohm lossen) Worden de juiste bigbags gebruikt? Zijn alle lospunten voor Maximale weerstand van bigbag bigbags met typen C voorzien naar het grondoppervlak < 10 x8 van aarding voor de bigbag? Ohm Zijn alle onderdelen van de Eisen pneumatische transporten Koppelingen bestaan uit metaal/koper > 100 mm2 elektrisch geleidend. stalen voorkoming van constructies.kabelgoten verticaal geplaatst . potentiaalverschillen en vonken muren. silo's. ter aarding? (incl.schoongemaakt worden? Is er een stofzuiger/systeem beschikbaar om stofophoping te verwijderen? Vloeren vrij van naden. doorverbonden en geaard? Alle verbindingen tussen autotransport en fabriek dienen buiten het gebouw gemaakt te zijn ©Nevedi handleiding 2005 ATEX-richtlijn 137 78 .

28 29 Vallen de transporten stil bij verstoppingen of andere storingen? Voldoet de wijze van verwarming van vloeistoffen in tanks aan de eisen? Vloeistoffen in tanks mogen niet direct met elektrische elementen verwarmd worden Organisatorische en procedurele vereisten 30 Is er een brandbon/vuur 31 32 33 34 35 36 37 vergunning protocol in gebruik ? Is er een schoonmaakprogramma en housekeeping programma actief ? Is er een preventief onderhoudsprogramma aanwezig? Is er een periodiek RI&E programma wat eveneens explosierisico's inventariseert en evalueert ? Worden alle medewerkers geïnformeerd over de risico's van optreden van stofexplosies ? Worden derden die in gebouwen komen met een ATEX zone geïnformeerd over de risico's van stofexplosies ? Zijn de explosie risico's en de te volgen maatregelen en procedures opgenomen in de bedrijfstrainingen ? Heeft het bedrijf een procedure van toezicht dat nieuwe machines en installaties bij aanschaf voldoen aan de CE/ATEX normen? Dit programma moet in lijn zijn met het programma als aanwezig in de bijlage Specifieke BHV trainingen en algemene noodsituaties trainingen en oefeningen ©Nevedi handleiding 2005 ATEX-richtlijn 137 79 .t.b.en verwijderingapparatuur? De maximale oppervlaktetemperaturen in de fabriek zijn nooit hoger dan 125 graden < 24 Volt / IP 6X / zone 20 Denk aan gereedschap vervaardigd van brons Werkkleding hoort van antistatisch materiaal te zijn gemaakt (uitgevoerd in katoen) Denk ook aan doorwerkkleding Bij v Stenenvanger Bij temperaturen vanaf 125 ºC bestaat het gevaar van ontbranding van stof.q brandveiligheid ? Zijn de ontvangsten van grondstoffen voorzien van reinigings. elektrostatische oplading/ c. Oppervlakken die heter dan 125 ºC kunnen worden dienen geïsoleerd te zijn. Voldoet de werkkleding aan de veiligheidseisen m.23 24 25 26 27 Voldoen alle handlampen aan de criteria? Wordt alleen vonkvrije gereedschap gebruikt bij reiniging van de silo's etc.

38 39 40 41 42 43 44 45 46 47 48 49 50 51 52 53 Worden bij het inkoop / gebruik De leverancier behoort van nieuwe grondstoffen de grondstoffen (m. MIT>250graden mits voorzieningen zijn getroffen) Worden aanwezige controle en inspectie programma's in praktijk daadwerkelijk uitgevoerd voor: * periodieke inspectie van fabriek en apparatuur op lekkages * periodieke inspectie op effectiviteit van schoonmaakprogramma's * periodieke inspectie van fabriek en apparatuur op effectieve werking en voldoende onderhoud * controle op gebruik brandbon/veiligheidsvergunnin gen * controle en meting op aangeven aardweerstanden effectieve aarding …… * controle en inspectie op afzuigfaciliteiten * controle op gebruik aarding bij lossen van grondstofwagen * controle op het gebruik van aarding bij het lossen van bigbags Is er een silo-afdaal en tank betredingsprocedure? Worden in praktijk bij alle Uitzondering vormt het lossen pneumatische innamen de van niet gevaarlijke grondstoffen transportmiddelen zoals mineralen. daadwerkelijk met de fabrieksaarde verbonden ? Worden in de praktijk de bigbags van het type C ook daadwerkelijk geaard tijdens de lossing ? Is de losinstallatie voor bigbags ook geaard ? Is er een goede procedure voor de inkoop van machines en apparatuur ? Zijn de deuren van alle Uitzondering bij actieve schakelkasten van elektrische werkzaamheden aan de installaties altijd gesloten? betreffende elektrische installaties Grondstofinname 54 Zijn er elektromagneten geïnstalleerd voor de reiniging ? ©Nevedi handleiding 2005 ATEX-richtlijn 137 80 . niet explosie risico's geëvalueerd ? agrarische) met MSDS data te voorzien. (LEL > 25 gr/m3.n. MIE>15mJ.

0 mg/m3 ©Nevedi handleiding 2005 ATEX-richtlijn 137 81 .55 56 57 Zijn er zeven aanwezig voor verwijderen van vreemde delen. schroeven e.Bij afvoer in onderbunker: ontlasting onderbunker naar buiten. hout? Worden stenen afgevangen op de roosters van de stortput? Zijn alle stortputten voorzien Alle stortputten dienen voorzien van lokale afzuiging? te zijn van afzuiging. bijv. om te kunnen vaststellen of filters verstopt raken Aspiratie systemen 66 zij installaties gebouwd na 67 1/7/2003 voorzien van een lokale afzuiging? Is er monitoring van de drukopbouw in filters ? Zijn alle ventilatoren geplaatst in het schone lucht gedeelte van filter ? Werkt het luchtfilter in de afzuiging effectief Zijn filterdoeken anti-statisch ? 68 69 70 Max stof concentratie in uitblaaslucht = 3. 3. Een beveiliging bestaat meestal uit een eindschakelaar aan een luik wat wordt open geduwd. 2. stofconcentraties in omgevingslucht van de put tijdens storten mag niet hoger dan 3 mg/m3 zijn. voor zover ze binnen geplaatst zijn. bij afvoer op elevator: ontlasting E naar buiten. aspiratie: druksensor met explosie schuif of ontlasting naar buiten of aspiratie opstelling buiten Lokale afzuiging heeft algemeen de voorkeur boven centrale afzuiging. Bijvoorbeeld middels U-buis.d. voorzien van explosie ontlasting? Bij vertraging onder 80% alarm en afschakelen elevator en aanvoer (lijnvergrendeling) Transporten (ketting. Hamermolen 63 Hebben alle hamermolen 64 65 lagers temperatuurbewaking ? Hebben de maalkamers temperatuurbewaking ? Staan de hamermolens in een afgezonderde ruimte en is explosie ontlasting voorzien? 1. elevatoren 58 Zijn alle elevatoren voorzien 59 60 van snelheidscontrole ? (toerenwachter) Hebben alle elevatoren tussen de inname en hoofdmenger scheefloopdetectie ? zijn alle elevatoren in de inname.) 61 Zijn deze transporten volledig 62 omkast met staal ? Worden deze transporten automatisch gestopt wanneer het materiaal zich ophoopt of is het zo ontworpen dat het niet kan ophopen ? Wanneer een transport een overloop heeft is er geen beveiliging nodig.

71 Zijn centrale filter kasten en Is eis bij verwerking van centrale afzuiging voorzien van materialen met een MIE tussen explosie ontlasting (naar 1 en 15 MJ buiten)? Persen 72 Zijn alle persen voorzien van een volloopdetectie ter voorkoming van vuur in de matrijs? Koelen Zijn de koelers uitgerust met een rookdetectie systeem ? Heftrucks en dergelijke Zijn alle heftrucks en dieselunits op het bedrijf voorzien van vonkenvangers? ©Nevedi handleiding 2005 ATEX-richtlijn 137 82 .