VOORWOORD
Bedrijven in de mengvoedersector worden geconfronteerd met het gevaar op stofexplosie. Elk bedrijf dient over dit onderwerp op elk moment te voldoen aan de geldende wetgeving. Sinds de inwerkingtreding van de Europese Sociale “ATEX”-richtlijn 137, zijn er nieuwe verplichtingen voor de werkgevers. Om de ondernemingen in staat te stellen deze regelgeving na te leven en om de bedrijven in de sector nog beter te beschermen tegen eventuele stofexplosies is door Nevedi in samenspraak met Bemefa en KVBM de Atex Handleiding 2005 gemaakt. Deze handleiding is in het najaar van 2010 volledig herzien. Nevedi is de volgende personen van haar Commissie Arbeid & Milieu zeer erkentelijk voor hun inzet en collegiaal ingebrachte expertise: - Alix van Erven (Arie Blok); - Allard Knook (CMS Derks Star Busmann); - Martin van de Vendel (Rijnvallei); - Heleen van Weele (Nevedi); - Peter Westerink (De Heus); - Maarten Wouters (Agrifirm). Deze handleiding is opgesplitst in drie documenten. Een eerste deel (A) behandelt theoretisch wat een stofexplosie is. Tevens wordt het wettelijke kader besproken in dit deel. Het tweede gedeelte (B) behandelt de zonering van de fabriek. Nevedi heeft in 2002 een ATEX handleiding ontwikkeld m.b.t. de zonering. Deze handleiding is in dit gedeelte verwerkt. Het derde gedeelte (C) behandelt de risicoanalyse. De verplichting tot het opstellen van een gevarenzone indeling en het opstellen van een explosieveiligheidsdocument is opgenomen in de Nederlandse Praktijk Richtlijn 7910-2, juli 2008. Daar de industrie meer te maken heeft met stofexplosies dan met gas/dampexplosies komt in deze handleiding enkel de stofexplosieproblematiek aan bod. Bij het opstellen van de handleiding is gebruik gemaakt van de Nederlandse Praktijk Richtlijn NPR 7910-2 (Gevarenzone-indeling met betrekking tot stofontploffingsgevaar, juli 2008) van het Nederlands Normalisatie Instituut. Bedrijven die te maken kunnen hebben met gas/dampexplosierisico’s (denk maar aan de opslag van licht ontvlambare vloeistoffen zoals aceton en brandbare gassen zoals acetyleen, of de laadstations voor batterijen waar tijdens het opladen het ontplofbare waterstofgas ontstaat) dienen uiteraard ook daaraan de nodige aandacht te schenken. De informatie in dit rapport wordt te goeder trouw gepubliceerd. Nevedi, Bemefa en KVBM aanvaarden geen verantwoordelijkheid noch aansprakelijkheid voor de eventuele directe of indirecte gevolgen die zouden kunnen voortvloeien uit het gebruik van dit document. Deze uitgave mag niet worden verveelvoudigd, in enige vorm of op enige wijze, of openbaar gemaakt worden zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de uitgever. Het gebruik van deze uitgave is eveneens slechts toegestaan na uitdrukkelijke toestemming van de uitgever.

©Nevedi handleiding 2005 ATEX-richtlijn 137

1

FLOW-SCHEMA: PLAN VAN AANPAK EXPLOSIEVEILIGHEIDSDOCUMENT
Bekend met de Ja theorie en wetgeving?

Ja

Is de fabriek gezoneerd?

Ja

Bent u in het bezit van een explosieveiligheidsdocument?

Nee
Neem deel A door Volg de werkwijze van bijlage I deel B

Nee
Volg de werkwijze bijlage II van deel C

Nee
Volg de werkwijze bijlage III van deel C

H1 theorie

I.1 Beschrijving productieproces I.2 Inventarisatie grondstoffen I.3 Inventarisatie Stofwolk I.4 Inventarisatie Stofafzetting Gegevens voor Stamkaart

II.1 Stamkaart afdeling

H2 wettelijk kader

of

III.1 Neem de checklijst organisatorische maatregelen door

II.2 Stamkaart arbeidsmiddel III.2 Neem de vragenlijst door

I.5 Overige gevarenbron(en) II.3 Plan van aanpak I.6 Maatregelen technische en organisatorisch I.7 Alternatieve maatregelen I.8 Motivatie en Beoordeling

I.9 Gevarenzones

I.10 Plattegronden en technische plannen

©Nevedi handleiding 2005 ATEX-richtlijn 137

2

INHOUDSOPGAVE
Voorwoord ........................................................................................................................................................... 1 Flow-schema: plan van aanpak explosieveiligheidsdocument ......................................................................................... 2 Inhoudsopgave ....................................................................................................................................................... 3 DEEL A .................................................................................................................................................................. 5 1. 1.1 1.2 1.3 1.4 1.5 Theorie: Fundamentele begrippen omtrent stofexplosie ............................................................ 6 WAT IS EEN STOFEXPLOSIE?........................................................................................................ 6 DEFLAGRATIE EN DETONATIE .................................................................................................... 6 PRIMAIRE EN SECUNDAIRE EXPLOSIES ................................................................................... 7 HYBRIDE MENGSELS ....................................................................................................................... 7 EXPLOSIE – EFFECTEN ................................................................................................................... 7

1.6 EXPLOSIEKARAKTERISTIEKEN .................................................................................................. 8 1.6.1 Explosiegrenzen .............................................................................................................................. 8 1.6.2 Karakteristieke temperaturen .......................................................................................................... 8 1.6.3 De maximale explosiedruk en de maximale drukstijgsnelheid ....................................................... 9 1.6.4 De minimale ontstekingsenergie (MOE)....................................................................................... 11 1.6.5 Samenvatting belang van explosiekarakteristieken bij de risicobepaling .................................... 11 1.7 ONTSTEKINGSBRONNEN.............................................................................................................. 12 1.7.1 Mechanische bronnen.................................................................................................................... 12 1.7.2 Thermische bronnen...................................................................................................................... 13 1.7.3 Elektrische bronnen....................................................................................................................... 14 1.7.4 Chemische bronnen ....................................................................................................................... 19 1.7.5 Praktische betekenis van de ontstekingsbronnen bij de uitvoering van......................................... 20 de risicobeoordeling ...................................................................................................................................... 20 1.8 PREVENTIE EN BESTRIJDING VAN STOFEXPLOSIES.......................................................... 21 1.8.1 Voorkoming van stofexplosies...................................................................................................... 21 1.8.2 Voorkoming van schade................................................................................................................ 23 1.8.3 Beperking van de schade............................................................................................................... 24 1.8.4 Keuze van de toe te passen preventie- en beheersmaatregelen. .................................................... 29 2. 2.1 2.2 2.3 3. Wettelijk KAder ..................................................................................................................................... 31 EUROPESE REGELGEVING .......................................................................................................... 31 NEDERLANDSE REGELGEVING.................................................................................................. 31 NEDERLANDS BEVOEGD GEZAG ............................................................................................... 33 Termen en Definties ............................................................................................................................ 34

DEEL B ................................................................................................................................................................ 37 4. De gevarenzone-indeling d.m.v. risicoanalyse .................................................................................... 38 4.1 4.2 INLEIDENDE BEGRIPPEN OMTRENT RISICOANALYSE..................................................... 38 DEFINITIE VAN DE VERSCHILLENDE GEVARENZONES .................................................... 38

4.3 IDENTIFICATIE VAN POTENTIËLE GEVARENBRONNEN................................................... 39 4.3.1 Brandbaar stof - karakteristieken - concentratie............................................................................ 39 4.3.2 Systematisch opsporen van de gevarenbronnen ............................................................................ 40 4.4 TOEKENNING VAN DE GEVARENZONEKLASSE ................................................................... 41 4.4.1 De aard van de gevarenbronnen .................................................................................................... 41 4.4.2 Ventilatie in de omgeving van de gevarenbron ............................................................................. 42 4.4.3 Schoonhuishouden ........................................................................................................................ 43

©Nevedi handleiding 2005 ATEX-richtlijn 137

3

..........................................................2.....4 Zonering van aangrenzende ruimtes omwille van stofverplaatsing. Bepaling van de zoneklasse als gevolg van opgewerveld stof........... ................. Flow-schema: plan van aanpak explosieveiligheidsdocument .......................................................................5......... 49 Stappenplan............................................................................................................ 61 6.......1 De afmetingen van een stofwolk ................................................................................................... 44 4..........................................3 Risicoanalyses van productietoestellen en installaties ..... 73 ©Nevedi handleiding 2005 ATEX-richtlijn 137 4 .......................................................................................................................................5.............................................................. 67 BIJLAGE II: RISICOANALYSE ONTSTEKINGSBRONNEN EN EXPLOSIEGEVAAR .1............................... 8................4..2.. Bepaling van de zoneklasse als gevolg van een stofafzetting....................................................................................................... RISICOANALYSE ONTSTEKINGSBRONNEN EN MOGELIJKE GEVOLGEN ............................4 Flow-schema’s ter bepaling van de zoneklasse..................................................................................................................................... 43 4..........2 De afmeting van een stofafzetting....................2........................................... 61 6............... ....................................................................................................................................... 44 4...... 56 6.................................................................... 68 BIJLAGE III: Extra Informatie .......... 57 6....5................4................... 61 6......................................... 45 5............ 50 DEEL C ................................. 63 7...... 44 4..................................................................................................... 57 6.................................1 ORGANISATORISCHE MAATREGELEN................5..................... EXPLOSIEVEILIGHEIDSDOCUMENT..... 48 Figuur I..................................... 47 Figuur I........................................................................5 AFMETINGEN VAN DE GEVARENZONEKLASSE .1 Ontstekingsbronnen en hun doeltreffendheid...... 46 Bijlage I: zonering ................................3 Samenvattende tabel afmeting stofwolken en stofafzetting ..2...2 Maatregelen bij niet-productietoestellen en installaties ....... 65 Flow-schema: plan van aanpak explosieveiligheidsdocument..................................................................... 44 4...........2 ALGEMENE TECHNISCHE MAATREGELEN ..

DEEL A ©Nevedi handleiding 2005 ATEX-richtlijn 137 5 .

de concentratie van dat stof in het mengsel en de mate van omsluiting van de ruimte waarin de ontploffing plaatsvindt. 1. (BLEVE: Boiling Liquid Expanding Vapour Explosion). de mogelijke gevolgen ervan en de maatregelen die men er tegen kan treffen zijn afhankelijk van de snelheid waarmee de energie vrijkomt. 1. Om de verbranding toe te laten. lucht. De drukgolven planten zich echter veel sneller voort dan het vlamfront. bepaald door de samenstelling van het brandbare stof. De heftigheid van de explosie. Stofexplosies maken deel uit van de chemische explosies en ontstaan door snelle. Het stof moet verspreid zijn in afmetingen van deeltjes die de voortplanting van de vlammen toelaten. Onder fysische explosies verstaat men explosies waaraan geen chemische of nucleaire reacties aan de basis liggen. Het meest gekende voorbeeld van een fysische explosie is het plots begeven van een drukhouder die met een samengeperst gas gevuld is. exotherme chemische reacties tussen het stof en bijvoorbeeld zuurstof in de lucht. Met de ATEX handleiding 2002 is de eerste stap (zonering van de fabriek) gezet voor het maken van een explosieveiligheidsdocument. namelijk fysische en chemische explosies.De concentratie aan zwevend stof moet binnen de limieten van de ontplofbaarheid liggen.a. heftige uitzetting van energie die drukgolven in de omgeving creëert. De sterkte van de drukgolf wordt o. THEORIE: FUNDAMENTELE BEGRIPPEN OMTRENT STOFEXPLOSIE Voor u deze handleiding kunt gaan gebruiken dient u te beschikken over een minimale kennis van het fenomeen stofexplosie. moet het stof zweven in zuurstofrijke lucht. Bij inwendige explosies wordt de drukopbouw mede bepaald door de aanwezigheid van wanden ©Nevedi handleiding 2005 ATEX-richtlijn 137 6 . Bij een deflagratie blijven de snelheden dus subsoon en worden er drukgolven gevormd. . Voordat er een omgeving ontstaat die gunstig is voor een stofexplosie moet aan volgende voorwaarden voldaan zijn: Er moet sprake zijn van een droge. niet vochtige. Dergelijk type van ontploffing waarbij de verbrandingssnelheid kleiner is dan de snelheid van het geluid (340 m/s) wordt deflagratie genoemd.2 DEFLAGRATIE EN DETONATIE In het algemeen bedraagt de verbrandingssnelheid bij stofexplosies enkele tientallen meters per seconde. Naargelang de aard van de vrijgezette energie kan men twee belangrijke explosietypes onderscheiden.Het zwevend stof moet in aanraking komen met een ontstekingsbron die voldoende energie ontwikkelt. Bij zogenaamde vrije explosies waarbij het exploderend volume niet begrensd wordt door wanden zijn de overdrukken meestal tot enkele tienden van een bar beperkt.1 WAT IS EEN STOFEXPLOSIE? Onder een explosie verstaat men in het algemeen een plotselinge. Het poeder moet brandbaar zijn (afhankelijk van de minimale ontstekingsenergie). Deze handleiding is verwerkt in dit gedeelte.1. . Reeds in de ATEX handleiding Nevedi 2002 werd een inleiding gegeven over het fenomeen stofexplosie.

20 bar). Het is in principe niet mogelijk om apparatuur te bouwen die tegen detonatie bestand is. Het reactiefront en de schokgolf vallen ongeveer samen. Deze explosies kunnen echter ook de oorzaak zijn van secundaire explosies. Zelfs wanneer uiterst geringe hoeveelheden van een brandbaar gas in een stofwolk aanwezig zijn is de ontsteking van dergelijke hybride wolk gemakkelijker en de explosie ervan heftiger dan die van de corresponderende stofwolk. Fragmentatie is een belangrijk indirect schademechanisme van een explosie. maar dat ze in bepaalde omstandigheden in een detonatie kunnen omslaan. De directe effecten worden door de schokgolf van de explosie zelf veroorzaakt. ©Nevedi handleiding 2005 ATEX-richtlijn 137 7 . In het algemeen zijn stofexplosies geen detonaties. Deze zeer hoge voortplantingssnelheid van de reactiezone geeft aanleiding tot supersone snelheden en de vorming van schokgolven. De vooruitlopende drukgolf zal neergezette stofdeeltjes doen opstuiven waardoor een nieuwe stofwolk ontstaat. De overdruk veroorzaakt door een detonatie kan zeer sterk oplopen (ca. omdat dit extreme begincondities vergt. een enkele uitzondering daargelaten. Doordat de drukgolf.die het exploderend volume volledig begrenzen en kunnen drukken gegenereerd worden tot 10 maal de begindruk. vooruit loopt op het vlamfront ontstaat er een tijdsinterval tussen het passeren van de drukgolf en de aankomst van het vlamfront. De voortplantingssnelheid bij detonaties bedraagt 1 tot 10 km/s. Secundaire explosies zijn meestal veel verwoestender dan de primaire explosies. in tegenstelling tot een deflagratie. Detonaties moeten dan ook te allen tijde vermeden worden. die het vlamfront bij een deflagratie uitzendt. Typische voorbeelden zijn trommelvliesscheuren en longschade bij de mens en de structuurschade aan woningen en installaties.3 PRIMAIRE EN SECUNDAIRE EXPLOSIES Stofexplosies die veroorzaakt worden door ontstekingsbronnen worden primaire explosies genoemd. Zij zijn weinig gevaarlijk op enige afstand van de bron. Een voorbeeld waarop gelet dient te worden is een hexaan vrij verklaring. Fragmenten die afkomstig zijn van de explosiebron worden primaire fragmenten genoemd. Deze nieuwe stofwolk kan op zijn beurt ontstoken worden door het volgende vlamfront waardoor een secundaire explosie ontstaat. Men kan aannemen dat stofexplosies in het beginstadium steeds van het deflagratie-type zijn. Een detonatie.5 EXPLOSIE – EFFECTEN Over het algemeen wordt een onderscheid gemaakt tussen de directe en de indirecte effecten van een explosie. Daarnaast komen detonaties.4 HYBRIDE MENGSELS Bijzonder gevaarlijk zijn de zogenaamde hybride mengsels die bestaan uit een combinatie van stof en gas. 1. 1. 1. Dit is bijvoorbeeld het geval wanneer één afmeting van de ruimte waarin de explosie zich voordoet veel groter is dan de andere zoals bij leidingen en kanalen met een lengte/diameter verhouding ≥ 50. Wanneer de verbrandingssnelheid groter is dan de snelheid van het geluid spreekt men van een detonatie. alleen voor bij vaste en vloeibare explosieven. kan niet tijdig gedetecteerd worden. omdat de kans om door een dergelijk projectiel getroffen te worden uitermate klein is.

Wanneer deze parameter toch gebruikt zou worden moet rekening gehouden worden met het feit dat de onderste explosiegrens daalt wanneer de temperatuur stijgt.6.i. De temperatuur van de plaat wordt geleidelijk verhoogd totdat een ontvlamming van de stoflaag wordt waargenomen. vormen een veel belangrijkere bron van schade.Secundaire fragmenten. drogers. silo’s en pneumatische transportsystemen. Ofschoon deze concentratie laag schijnt te zijn komt ze voor als een zeer dichte wolk. fragmenten die door de schokgolf gevormd worden zoals glasscherven en vallende dakpannen. 1.6 EXPLOSIEKARAKTERISTIEKEN 1.Personen die zelf door de drukgolven omver.Het uitbreken van brand. De OEL ligt voor heel wat stoffen tussen 10 en 30 g/m³. Dergelijke stofconcentraties komen zelden voor in de werkplaatsen van bedrijven. Zelfs bij de laagste explosiegrenzen hebben stofwolken een hoge optische dichtheid. De Tglim van een stoflaag wordt bepaald door een stoflaag van 5 mm dik op een verwarmde plaat te plaatsen. Het explosiegebied van de meeste poeders bevindt zich tussen 40 g/m3 en 4 kg/m3.Het ontstaan van secundaire explosies.6. Bovendien is de Tglim afhankelijk van de omgevingstemperatuur. De Tglim hangt af van de dikte van de stoflaag. hetgeen niet betekent dat de opwarming van de stoflaag ongevaarlijk zou zijn. zeven. mengers. Bij het smelten kunnen immers brandbare dampen vrijkomen die met de omgevingslucht een explosief mengsel vormen. filters. Beneden deze concentratie is het mengsel te arm aan stof om nog te kunnen ontvlammen.2 Karakteristieke temperaturen De term “karakteristieke temperaturen” heeft betrekking op temperaturen waarbij een stof onder welbepaalde omstandigheden een specifiek brandgedrag begint te vertonen. Een frequent optredend fenomeen is dat een stoflaag bij opwarming niet gaat smeulen. omdat de stoflaag als een isolatiedeken zal optreden. . In de praktijk wordt de parameter OEL weinig gebruikt voor de beoordeling van explosierisico’s. 1. Dit gebied is niet alleen bepaald door de chemische samenstelling van het ontplofbaar stof. Andere belangrijke indirecte effecten zijn: . De glimtemperatuur (Tglim): Dit is de laagste temperatuur van een oppervlak waarbij de daarop gelegen stoflaag spontaan tot ontbranding komt. d.1 Explosiegrenzen Niet alle mengsels van brandbaar stof en lucht zijn ontplofbaar. De laagste stofconcentratie waarbij het mengsel ontvlamt wordt de Lower Explosion Limit (LEL) genoemd. De concentratie in industriële installaties verandert soms drastisch door de niet-homogeniteit van het stof-luchtmengsel.mengsels moet binnen de ontplofbaarheidsgrenzen liggen. Stofexplosies kunnen zich vooral voor doen binnenin de procesuitrusting zoals maalmolens. maar gaat smelten. De concentratie van de stoflucht. hoppers.of weggeworpen worden. De Tglim wordt zelden bereikt in normale gebruiksomstandigheden van toestellen in mengvoederbedrijven. maar ook van onder meer de afmetingen en de fijnheid van de stofdeeltjes. ©Nevedi handleiding 2005 ATEX-richtlijn 137 8 . . Dit betekent dat de stof geen Tglim heeft.

wanneer er een stofwolk onder bepaalde omstandigheden langs geleid wordt. De waarde van de explosiedruk kan gemakkelijk waarden van enkele bar bereiken. Samen met de Tglim is de MOT van poeders mede bepalend voor de keuze van apparatuur en in het bijzonder voor de temperatuurklasse waartoe ze moeten behoren. 23/03/1998) Wanneer het mengsel in het midden van een bolvormig volume ontstoken wordt. De maximale overdruk die tijdens het deflagratieproces bereikt wordt noemt men de explosiedruk Pex. Huys. De zelfontsteking is een gevolg van de zelfopwarming van de laag. G. Fig. Daarna zal de druk geleidelijk afnemen door warmteverliezen naar de omgeving. Tijdsverloop van de inwendige druk in een gesloten volume (Arbeidsveiligheid nr. Merk op dat deze temperatuur niet gelijk is aan de temperatuur die in de stofwolk heerst. 1.3 De maximale explosiedruk en de maximale drukstijgsnelheid Een typisch tijdsverloop van de inwendige druk in een gesloten volume waarin een deflagratie plaatsvindt is weergegeven in figuur 1.De zelfontstekingstemperatuur van stoflagen: Dit is de temperatuur waarbij een stoflaag spontaan ontbrandt wanneer deze omgeven wordt door een warmtebron en lucht. Stoflagen ontsteken bij een lagere temperatuur dan stofwolken. verkrijgt men de maximale druk wanneer het vlamfront de wand bereikt. Een stofwolk kan door de smeulende of brandende stoflaag ontstoken worden. De zelfontstekingstemperatuur van stofwolken (MOT): De zelfontstekingstemperatuur van een stofwolk is de minimale temperatuur van een heet oppervlak dat.Kluwer Editorial. De directe ontsteking van een stofwolk op een warm oppervlak of elektrische apparatuur kan worden vermeden als de temperatuur van het warme oppervlak beperkt blijft tot 2/3 van de MOT van de stofwolk.1. aanleiding geeft tot de ontsteking van de stofwolk. ©Nevedi handleiding 2005 ATEX-richtlijn 137 9 .65 Stofexplosies. Om dit te vermijden moet in de praktijk de oppervlaktetemperatuur van warme oppervlakken en elektrische toestellen 75 ° C beneden de glimte mperatuur van de stoflaag (met laagdikte die in de praktijk te verwachten valt) gehouden worden.6.

Zowel de maximale explosiedruk als de KST-waarde zijn rechtevenredig met de begindruk. begindruk en de turbulentiegraad) bij de explosie: .De explosiedruk is afhankelijk van de brandstofconcentratie. Dit is grafisch weergegeven in figuur 1. In het explosiegebied varieert de explosiedruk en bereikt een maximum bij een bepaalde brandstofconcentratie.max van de betrokken stof. Immers wanneer deze concentratie kleiner is dan de onderste explosiegrens of groter dan de bovenste explosiegrens kan geen explosie optreden en is de explosiedruk gelijk aan nul. zoals weergegeven in tabel 1. De proeven zijn echter zo ontworpen dat in de meeste praktijksituaties de turbulentiegraad niet hoger zal zijn dan in de proeven. Het is deze waarde die men in de literatuur terugvindt als explosiedruk.a.1: Indeling van poeders in explosieklasses volgens de Duitse norm VDI 3673 KST-waarde in bar. Met betrekking tot stofwolken spreekt men van de KST-waarde waarbij ST staat voor het Duitse Staub. Tussen het ogenblik van de ontsteking en het bereiken van de explosiedruk bestaat een punt waar de drukstijgsnelheid het grootst is. Wanneer de drukopbouw groter is dan 0. . Tijdens een explosie zal de druk niet plots oplopen tot de explosiedruk.1.De maximale explosiedruk daalt bij een hogere begintemperatuur. en die eigen is aan het brandbaar mengsel. De maximale drukstijgsnelheid (dP/dt)max wordt gedefinieerd als de maximale drukstijgsnelheid die opgetekend kan worden over het volledige concentratiegebied. . Deze waarde noemt men de maximale explosiedruk Pex.m/s 0 Tussen 0 en 200 Tussen 200 en 300 Groter dan 300 Explosieklasse 0 1 2 3 Explosiesnelheid van de stof niet explosief laag tot matig explosief hoog explosief zeer hoog explosief Hierbij dient opgemerkt te worden dat zowel de maximale explosiedruk als de maximale drukstijgsnelheid afhankelijk zijn van de beginvoorwaarden (o. Dit verband laat toe om de resultaten van kleinschalige proeven naar grotere volumes om te rekenen en vormt de basis van de explosiebeveiliging door drukontlasting en door onderdrukking. Het is een maat voor de heftigheid van een explosie en is in de praktijk meestal veel belangrijker dan de maximale explosiedruk (Pmax). Uit proeven is gebleken dat de maximale drukstijgsnelheid afhankelijk is van de grootte van het volume waarin de explosie plaatsvindt. ©Nevedi handleiding 2005 ATEX-richtlijn 137 10 .De turbulentiegraad heeft een zeer sterke invloed op de KST-waarde.Op basis van de KST-waarde worden brandbare poeders ingedeeld in vier zogenaamde explosieklasse. de KST-waarde kan zowel toenemen als afnemen bij een hogere begintemperatuur. begintemperatuur. Tabel 1. Dit verband wordt gegeven door de formule: ( dP/dt )max = K / V1/3 met : V = volume van de houder uitgedrukt in m³ K = een constante uitgedrukt in bar m/s. Dit is waar de raaklijn aan de drukcurve het steilst is.5 bar wordt het stof gecatalogeerd als explosief.

de/ifa/de/gestis/stoffdb/index. .en gasconcentraties die onder de onderste explosiegrens liggen van het pure stof en gas. Bij de ontploffing van een dergelijk poeder binnen een volume van 1 m³ kan de explosiedruk (b.De maximale explosiedruk. is de hoeveelheid energie waarmee een mengsel over het volledige explosieve gebied net niet meer tot ontsteking kan gebracht worden. MOE. Deze energie kan op velerlei wijzen geleverd worden. Volgende parameters zijn hierbij van belang: . Hoe groter de druk en hoe langer de duurtijd van een stofexplosie des te groter zal de potentiële schade zijn. De mogelijke ernst van een stofexplosie is functie van de mogelijke explosiedruk en de drukopbouw in functie van de tijd. De potentiële ontstekingsbronnen worden verder besproken. Ook wanneer een stof gevoelig is voor zelfopwarming of broei kunnen broeigassen ontstaan die aanleiding kunnen geven tot een hybride mengsel.In het algemeen daalt de MOE bij toenemende temperatuur van de stofwolk.4 De minimale ontstekingsenergie (MOE) De ontstekingsenergie is de energie die men nodig heeft om een explosief mengsel tot ontsteking te brengen. .Ook de deeltjesgrootte en de vochtigheidsgraad van het stof beïnvloeden de KST-waarde.jsp kan men de stofexplosiekarakteristieken van een 1600-tal stoffen uit de agrarische sector opzoeken.De MOE daalt bij een lagere vochtigheidsgraad. waarvan de belangrijkste de korrelgrootte.De glimtemperatuur van de stoflaag. 1.Wat is de kans van een stofexplosie? . 10 bar) bereikt worden in ordegrootte van 100 ms. De minimale ontstekingsenergie. In een volume van 1000 m³ duurt dit slechts 10 keer langer. ten gevolge van extractie) kan een hybride mengsel relatief eenvoudig ontstaan.De minimale ontstekingsenergie.m/s. Door het toevoegen van een brandbaar gas aan een stofwolk kan de MOE sterk gereduceerd worden. De meeste agrarische producten horen tot een lage stofexplosieklasse (KST1. .6. de temperatuur en turbulentiegraad van de stofwolk en de vochtigheidsgraad zijn: .6. Vele organische poeders hebben een KST-waarde van circa 100 bar. ©Nevedi handleiding 2005 ATEX-richtlijn 137 11 .v.Wat is de ernst van een stofexplosie? Bij het bepalen van de kans dat een stof-luchtmengsel tot ontploffing zal komen zijn o. De minimale ontstekingsenergie is van een groot aantal factoren afhankelijk.5 Samenvatting belang van explosiekarakteristieken bij de risicobepaling De uitvoering van de risicobepaling van stofexplosies komt in principe neer op het beantwoorden van de vragen: .In het algemeen daalt de MOE bij dalende turbulentiegraad van de stofwolk.a. laag tot matig explosief. voor een standaard monster met mediaandiameter <63µm). volgende parameters van belang: . 1. Vooral bij oplosmiddelbevattende poeders (b. . .De zelfonstekingstemperatuur van de stoflaag en de stofwolk. Deze hybride mengsels blijken bovendien explosief te zijn bij stof.dguv.Bij korrelgroottes van 300µm en meer zijn poeders in suspensie niet meer tot ontsteking te brengen. Op de website http://www. Voor vele stofwolken situeert de MOE zich tussen 1mJ en 1kJ.v.

©Nevedi handleiding 2005 ATEX-richtlijn 137 12 .Vlammen.7 ONTSTEKINGSBRONNEN Een brandbare stofwolk zal slechts ontstoken kunnen worden door een ontstekingsbron met voldoende sterkte. Vonken bij het slijpen kunnen door waterkoeling vermeden worden. Berghmans (oktober 1990). NVBB. Om te vermijden dat hierbij vonken ontstaan kunnen speciale niet-vonkende metalen tippen gebruikt worden. . De KST-waarde van het poeder. bij voorkeur pneumatisch. De energie in vonken van slijpschijven is hoger dan de ontstekingsenergie van de meeste mengsels. Vreemde voorwerpen kunnen voor een groot deel uit de installatie gehouden worden met magnetische. thermische of chemische aard zijn.of pneumatische afscheiders. . De belangrijkste ontstekingsbronnen bij stofexplosies zijn in dalende orde van belangrijkheid1: .7. Wanneer vreemde voorwerpen in de installatie raken en daar in contact komen met snel bewegende onderdelen zoals de bladen van een ventilator. 1.Lassen en verspanen.Spontane opwarming.Brandend materiaal. Deze deeltjes kunnen voldoende energierijk zijn om ontplofbare stof-luchtmengsels te ontsteken of in afgezet brandbaar stof een smeulproces op gang te brengen dat vervolgens tot een ontsteking kan leiden. die eventueel kunnen worden gecombineerd met metaaldetectoren die de installatie stilleggen indien de aanwezigheid van vreemde voorwerpen wordt vastgesteld. 1 J. In geen geval mag normaal elektrisch handgereedschap met open collector gebruikt worden. . elektrische. Zowel het ontstaan als het vermijden van de ontstekingsbronnen komen aan bod.- De maximum drukstijgingssnelheid. 1.Elektrische vonken.Statische elektriciteit. Hierna volgt een korte bespreking van de voornaamste ontstekingsbronnen. . Bij het losraken van onderdelen in een draaiende machine zoals ventilatorbladen die in aanraking komen met de behuizing. . .1 Mechanische bronnen Mechanische vonken: Mechanische vonken zijn hete deeltjes die vrijkomen tengevolge van het over elkaar schuren of het op elkaar slaan van daarvoor geschikte stoffen. . Bij slijpen liggen de snelheden vele malen hoger dan bij boren waardoor ook veel meer mechanische vonken zullen worden opgewekt. De potentiële ontstekingsbronnen kunnen van mechanische. Belangrijke voorwaarde voor het ontstaan van mechanische vonken is een hoge relatieve snelheid tussen de twee elkaar rakende voorwerpen. Bovendien moet de aandrijving van gereedschap dat gebruikt wordt in een explosiegevaarlijke atmosfeer explosieveilig uitgevoerd zijn.Mechanische vonken. zwaartekracht. Ontstekingsenergie bij stofexplosies – Technisch Dossier 83. .Overige/onbekend. zoals : Bij bewerkingen met mechanisch aangedreven gereedschap zoals boren.Hete oppervlakken. slijpen of schuren. De vonken kunnen ontstaan wanneer een metaal of steen in contact komt met een ander metaal.

2 Thermische bronnen Hete oppervlakken: Naast directe ontsteking van een stof-luchtmengsel door een heet oppervlak kan ook het stof dat in een laag op dat hete oppervlak is uitgezakt aanleiding geven tot vorming van een smeulnest dat vervolgens weer de ontstekingsbron kan zijn van het stof-luchtmengsel.7. Beperking van de oppervlaktetemperatuur kan bijv. pakkingen). . leidingen van thermische olie. transformatoren.d. . elevatorbakken).d.Isolatie van warme oppervlakken. Gekende voorbeelden zijn: . Voor de evaluatie van het gevaar die bepaalde mechanische vonken inhouden moet men niet alleen de explosiekarakteristieken van het stof kennen maar ook de eigenschappen van de stof zelf.v. mengmachines. .Wrijvingskoppelingen. .Bij het storten van materiaal in bunkers e. ©Nevedi handleiding 2005 ATEX-richtlijn 137 13 . onvoldoende gesmeerde bewegende onderdelen van toestellen (lagers. . een proces van lange duur waarbij objecten tegen elkaar wrijven.Oppervlakken van hete apparaten zoals verwarmingen.Foute afstelling van transporteenheden (b.Toestellen die de mechanische energie omzetten in warmte (wrijvingskoppelingen. . stoomleidingen. voorkomen worden door: . remmen e. Hitte wordt hierbij trapsgewijs geaccumuleerd. Het verlagen van de snelheid en voorzien van temperatuurbewaking zijn andere mogelijke preventieve maatregelen. Wrijving: Wrijving is. verwarmingsweerstanden.Mechanische remmen. Voorbeelden van hete oppervlakken die een ontstekingsrisico kunnen inhouden zijn: . De te treffen preventieve maatregelen situeren zich dan ook voornamelijk op het vlak van het plannen en uitvoeren van preventief en curatief onderhoud.of slijpwerkzaamheden.. . lampen. transportbanden. De preventie van ontsteking van stof door hete oppervlakken wordt meestal gerealiseerd door de oppervlaktetemperaturen van objecten te beperken tot ongeveer 75° C beneden de Tglim van stoflagen of tot 2/3 van de MOT van stofwolken waarbij de laagste van deze temperaturen weerhouden wordt. . .Oppervlakken die zijn verhit ten gevolge van las-. slippen van een transportband).Opstellen en toepassen van preventieve onderhoudsschema’s (smering). remmen). schoorstenen en afgasleidingen. in tegenstelling tot impactverschijnselen waarbij mechanische vonken kunnen worden gevormd.Slecht uitgelijnde en gebroken machineonderdelen. maalinstallaties) of carters van machines opgewarmd door geleiding.Temperatuurbewaking gekoppeld aan de sturing van bepaalde toestellen. 1. drogers.Oververhitte elektrische draden of stroomgeleiders door een overbelasting.Lagers.Beperking van de snelheid van draaiende onderdelen. Bij aanlopers (ventilatoren. . .Foute afstelling van aandrijfeenheden. . riemoverbrengingen.Verstopt raken en ontstoppen van materialen. verbrandingsmotoren.Warmgelopen elektromotoren. drijfriemen. soldeer. . draaiende assen door afdichtingen.Onderdelen van machines die mechanisch opwarmen (breekmolens. .

3 Elektrische bronnen Een elektrische vonk ontstaat als een stroomvoerend elektrisch circuit wordt onderbroken of als twee geleiders van verschillende potentiaal zo dicht bij elkaar worden gebracht dat de isolatiewaarde of doorbraakveldsterkte van de lucht tussen de geleiders overschreden wordt. Enkele andere potentiële bronnen van elektrische vonken zijn: Relais. Zeer gevoelig zijn o. Elektrische vonken: 1. Inertisering (inspuiten van een ruimte met inerte gassen zoals CO2 en N2). Open vuur en vlammen kunnen te allen tijde explosies inleiden. In zulke gevallen moeten de maatregelen bescherming bieden tegen zowel gasontploffingsgevaar als stofontploffingsgevaar. Hierdoor kan opgehoopt stof op bijv. waakvlammen. Smeulen: Brandbaar opgehoopt stof kan onder bepaalde omstandigheden aanleiding geven tot inwendige verbranding en hoge temperaturen. solderen.Tevens kunnen uit veel organische stoffen.a. De hitte kan niet snel worden afgevoerd waardoor de temperatuur van het opgehoopte stof vrij snel stijgt. Heel wat materialen zijn gevoelig voor spontane opwarming bij gewone omgevingstemperaturen. bedekken van daken.p. Een temperatuur. Open vuur en vlammen: Onder open vuur en vlammen worden verbrandingsprocessen verstaan die in direct contact met de omgevingslucht plaatsvinden. Materiaal regelmatig te laten circuleren en de warmteafvoer te verbeteren. Door die poreuze structuur heeft zuurstof gemakkelijk toegang tot de oppervlaktedeeltjes van het stof en wordt de geleidbaarheid van de voortgebrachte hittelaag verlaagd.Werkzaamheden als lassen. Komt deze smeulende stofzone in een stofwolk terecht dan kan een stofexplosie ontstaan.of drukbewaking. zaagmeel. Elektrische motoren commutatoren. voorkomen worden door een vergunning brandgevaarlijke werkzaamheden. wanneer opgewarmd. Schuifweerstanden. kachels. In principe geeft iedere bediening van een elektrische schakelaar een elektrische vonk. Materiaal op te slaan bij verlaagde temperatuur. Dit kan bijvoorbeeld het geval zijn bij: . Zo kan zich een explosief gasmengsel boven de stoflaag vormen.Vuurhaarden. of generatoren met koolborstels en sleepringen of ©Nevedi handleiding 2005 ATEX-richtlijn 137 14 . Het vermijden van open vuur en vlammen is dus noodzakelijk. Wanneer nu een smeulende stofzone dit gasmengsel bereikt (bijv. Spontane opwarming kan in zekere mate beperkt worden door: Materiaal op te slaan in verschillende kleine ruimtes i.v. Door een gelimiteerde aanvoer van zuurstof kan een smeulende stofzone koolmonoxide en andere brandbare gassen ontwikkelen.7. Door de gasexplosie kan het dak van de silo beschadigd worden. Dit kan o. De temperatuur en energie in een vlam zijn altijd hoger dan de MOT van een brandbare stof. Dit verschijnsel kan verklaard worden door de poreuze structuur van het stof. een draagbalk verspreid worden en resulteren in een secundaire stofexplosie. kaarsen. reactieve metalen en stof doordrenkt met plantaardige oliën. .a. lucifers. bij het legen van een hopper) kan dit ontstoken worden. snijbranden. afbranden van verf. brandbare gassen ontsnappen die gemengd met de omgevingslucht een ontplofbaar mengsel kunnen vormen. steenkool. een grote ruimte.

Mechanische processen met poeders (malen. verliest een isolator of slechte geleider zijn isolerend vermogen. Voorwerpen kunnen ook worden opgeladen door inductie. Er vindt een ontlading plaats ©Nevedi handleiding 2005 ATEX-richtlijn 137 15 . De bekendste vorm is contactelektrificatie. Door storingen kunnen vonken ontstaan in elektrische apparatuur die tijdens normaal bedrijf geen vonken veroorzaakt zoals: Smeltveiligheden. Elektrostatische ontladingen: Statische elektriciteit kan op verschillende manieren ontstaan. Voorbeelden van industriële activiteiten waarbij elektrostatische opladingen zich kunnen voordoen zijn: Pneumatisch transport van poeders. zeven). Als algemene preventiemaatregel geldt dat elektrische installaties zoveel mogelijk geweerd dienen te worden uit die delen van de installatie waar explosief stof aanwezig kan zijn. Kortsluitingen en aardsluitingen. Scheidingsprocessen onder invloed van de zwaartekracht (b. Ledigen van papieren of plastic zakken zonder goed geaard te zijn. Er kunnen de volgende additionele maatregelen genomen worden om oplading van personen te voorkomen: Dragen van geleidend schoeisel en kledij. Dit verschijnsel bestaat uit ladingsoverdracht indien twee verschillende niet geladen materialen eerst met elkaar in contact worden gebracht en vervolgens weer worden gescheiden. Personen worden alleen opgeladen als zij geïsoleerd opgesteld staan. bijvoorbeeld op niet geleidende schoenzolen of op een niet geleidende vloer. Op de eerste plaats dient men te zorgen voor geleidende vloeren. Lopen over isolerende vloeren.Sleepcontacten en stroomafnemers. uitzakken van suspensies). Als een opgeladen persoon een geaard of geleidend voorwerp nadert kan een vonkontlading ontstaan die voldoende energie (25 à 40 mJ) bevat om een omringend stofmengsel te ontsteken. Hiervoor is het noodzakelijk dat de lading voldoende accumuleert. Alleen veiligheidshandschoenen dragen met een doorgangsweerstand van maximaal 108. Het mechanisme van contactelektrificatie vindt bijvoorbeeld plaats bij transport van poeders door leidingen. Oplading via ladingsoverdracht wanneer een opgeladen voorwerp met een niet opgeladen voorwerp in aanraking komt (stofwolken die een voorwerp treffen of er op neerslaan). Indien een geleidend en geaard voorwerp wordt blootgesteld aan een elektrisch veld (dat aanwezig is rond een elektrisch opgeladen voorwerp) zal een tegenlading worden geïnduceerd op dit voorwerp.v. stofdicht materiaal moeten worden geïnstalleerd. Alleen veiligheidshelmen dragen van niet oplaadbaar materiaal. Deze vorm van opladen heet inductie. Wanneer dit niet mogelijk is zal aangepast. Niet verwisselen van kleding in een zone 20 of 21 (zie hoofdstuk 4 over zonering). Boven een bepaalde waarde van deze veldsterkte. Elektrostatische oplading op zich maakt statische elektriciteit nog niet tot een ontstekingsbron. Ook mensen kunnen op deze wijze opgeladen worden. Accumulatie van lading resulteert in een elektrisch veld met een toenemende veldsterkte. Bewegende transportband over rollen. de zogenaamde doorslagveldsterkte. Slechte contacten en onbedoelde onderbrekingen in stroomkringen.

3. Voor dergelijke ontladingen is in de meeste gevallen een tegenvoorwerp in de vorm van een slechte geleider noodzakelijk. waardoor zich ionisatiekanalen vormen op het oppervlak van de stortkegel.65 Stofexplosies. De nettovonkenergie is daardoor lager dan de opgeslagen energie. Dit kan een stofwolk zijn. De sterkste stortkegelontladingen treden op bij het storten van grofkorrelig materiaal met een deeltjesgrootte van 1 tot 10 mm in aanwezigheid van fijn stof met een lage minimale ontstekingsenergie of in de aanwezigheid van gassen. Grafische voorstelling van een borstelontlading (Arbeidsveiligheid nr. Een vonk ontstaat tussen twee geleidende materialen die een verschillende potentiaal bezitten. ©Nevedi handleiding 2005 ATEX-richtlijn 137 16 .65 Stofexplosies. Als een poeder gestort wordt in een silo ontstaat een kegelvormige hoop die stortkegel genoemd wordt. G. Fig.Kluwer Editorial. Een andere soort ontlading is de borstelontlading. Grafische voorstelling van een elektrostatische vonk (Arbeidsveiligheid nr. Indien dit poeder bestaat uit slecht geleidend en hoog opgeladen materiaal kunnen stortkegelontladingen ontstaan van de geaarde silowand naar de top van de kegel. 23/03/1998) Bij alle andere ontladingen zijn minder goed geleidende materialen betrokken waardoor tijdens de ontlading weerstandsverliezen optreden. Deze ontstaan doordat aan het oppervlak van de stortkegel de doorslagveldsterkte van lucht wordt bereikt. 23/03/1998) Minder bekende vormen van elektrostatische ontladingen zijn de stortkegelontlading en de glij-ontlading. De bekendste is de elektrostatische vonk. Fig. G.welke verschillende vormen en energie-inhouden kan hebben.Kluwer Editorial. Huys. Huys.2.

Fig. Grafische voorstelling van glij-ontlading (Arbeidsveiligheid nr.65 Stofexplosies. Er wordt echter aangenomen dat bliksemachtige ontladingen niet optreden in apparatuur op industriële schaal.Kluwer Editorial.Fig. Glijontladingen zullen alleen ontstaan in processen waar een zeer hoge wrijving optreedt zoals bij het pneumatisch transport van poeders. ©Nevedi handleiding 2005 ATEX-richtlijn 137 17 . Huys. Risicoanalyse aangaande stofexplosie in mengvoederbedrijven en maalderijen.Debeil (mei 1998).65 Stofexplosies. De polarisatie van een folie vindt plaats wanneer tegen of dichtbij een geladen en slecht geleidende folie een geaarde geleider wordt geplaatst. Elektrostatische ontladingen kunnen als ontstekingsbron optreden bij stof-luchtmengsels en hybride mengsels wanneer de bij de ontlading vrijkomende energie groter is dan de MOE van het brandbaar mengsel. In onderstaande tabel2 is een overzicht opgenomen van de verschillende elektrostatische ontladingsvormen en hun potentieel als ontstekingsbron voor stof-luchtmengsels. 23/03/1998) Glijontladingen kunnen optreden tussen een geleidende elektrode en een sterk gepolariseerde kunststoffolie. Een folie is gepolariseerd indien ze aan beide zijden sterk tegengesteld opgeladen is. Grafische voorstelling stortkegelontlading (Arbeidsveiligheid nr. G. Huys. G. 23/03/1998) Ten slotte bestaat ook nog de bliksemontlading. 2 A.4. Als een sterk gepolariseerde folie wordt benaderd door een geaard voorwerp ontstaat er een borstelontlading tussen de folie en het geaarde voorwerp zeer hoge energie-inhoud.5.Kluwer Editorial.

De voorwerpen met geleidende verf bestrijken. Tabel 1. . Men kan dan bijvoorbeeld: . In de meeste gevallen kan dit niet gerealiseerd worden met een metalen aardverbinding. De belangrijkste. opgeladen persoon Corona Zone rond puntige geleiders <1 Weinig waarschijnlijk Borstel Ontlading tussen geleider en <4à5 MOE zal bepalend zijn een niet geleider Stortkegel Slecht geleidend poeder < 25 Minder sterk (weerstand > 1010 Ohm.De omvang van de te nemen maatregelen is sterk afhankelijk van de ontstekingsgevoeligheid van het betreffende stof/lucht mengsel dat ter plaatse kan voorkomen.000 op verschillende potentiaal staan (dus 1 niet of onvoldoende geaard) ( 25 à 40 mJ ) Vb.22 x D3. eenvoudigste en meest gebruikte preventiemaatregel die in de praktijk wordt toegepast is het elektrostatisch aarden en doorverbinden van geleidende delen van de installatie.m) in een geaarde silo (*) Glij Zoals bij pneumatisch transport tot 3000 Sterk van poeder door een geaarde of geleidende leider voorzien van een dunne niet geleidende coating (*) De sterkste stortkegelontladingen treden op bij het storten van grofkorrelig materiaal met een deeltjesgrootte van 1 tot 10 mm in aanwezigheid van fijn stof met een lage MOE. Met onderstaande formule kan de vrijkomende energie bij een stortkegelontlading berekend worden E = 5.2: Overzicht van de elektrostatische ontladingen en hun potentieel als ontstekingsbron Type Beschrijving EnergiePotentiële ontlading inhoud in mJ ontstekingsbron voor stof-luchtmengsel Vonk Sterk Ontlading tussen 2 geleiders die tot 10.Geleidend materiaal inbrengen. . Soms kan het ook voorkomen dat niet-geleidende voorwerpen met de aarde verbonden moeten worden. omdat dan aan de binnenzijde van de leiding gevaarlijke glij-ontladingen kunnen optreden.Geleidende vulstoffen toevoegen. Merk op dat bij poeder transportsystemen het bestrijken met geleidende verf en het omwikkelen met gaas sterk af te raden is.462 ( mJ ) met D = diameter van de silo in m d = mediaan deeltjesgrootte in mm Opmerking : voor kunststofsilo’s moet de diameter verdubbeld worden Bliksem: ©Nevedi handleiding 2005 ATEX-richtlijn 137 18 .36x d1.

Op deze wijze vormt een zwerfstroom een potentiële ontstekingsbron. Zwerfstromen kunnen voor een deel over een uitgestrekt object lopen. De beschermingsmaatregelen tegen bliksem kunnen onderverdeeld worden in uitwendige en inwendige bliksembeveiliging. Men spreekt van exotherme reacties. Wanneer dergelijke materialen worden opgeslagen in grote hoeveelheden onder enigszins vochtige omstandigheden kunnen micro-organismen een exotherme reactie veroorzaken. zijn in feite beide chemische reacties tussen een brandstof en zuurstof waarbij warmte vrijkomt. Door geleiding kan deze overspanning verplaatst worden tot ver buiten de directe invloedssfeer van de blikseminslag. die reeds besproken werden bij de thermische bronnen. zonlicht.4 Chemische bronnen Open vuur en smeulende stoffen. Zelfverhitting zal in de praktijk optreden bij stoffen die bij lage temperatuur al voldoende warmte produceren en die bovendien die warmte slecht naar de omgeving kunnen afstaan. De stroomsterkte van zwerfstromen kan zeer hoog zijn. laagspanningsinstallaties. Op de plaats waar deze stromen het object weer verlaten kan zware corrosie ontstaan.). enz. laserstraling. zoals wanneer de stof in grote hoeveelheden is opgeslagen en thermisch goed is geïsoleerd. Het aardingssysteem zorgt er tenslotte voor dat de bliksemstroom zich goed in de bodem kan verspreiden Zwerfstromen: Zwerfstromen zijn gelijkstromen die zich onbedoeld door de aarde en door metalen constructies bewegen. Volgende types kunnen onderscheiden worden: Broei: dit is een reactie die kan optreden in vaste stoffen van organische oorsprong. zogenaamde overspanningen. Dergelijke vorm van corrosie die veroorzaakt wordt door een elektrische stroom die door een object loopt wordt elektrochemische corrosie genoemd. Boven deze temperatuur sterven de organismen af maar kan een gewone ©Nevedi handleiding 2005 ATEX-richtlijn 137 19 . in het radiofrequentiegebied (104 Hz tot 3x1012 Hz) en ioniserende straling ontstekingsbronnen vormen. De opvanginrichting zorgt ervoor dat de bliksem opgevangen wordt voordat hij het object raakt.Bliksem is uiteraard een voor de hand liggende ontstekingsbron van explosies. De uitwendige bliksembeveiliging bestaat uit een opvanginrichting. Ten slotte kunnen ook elektromagnetische straling in het optische gebied (3x1011 Hz tot 3x1015 Hz). Een minder bekende exotherme reactie is de zogenaamde zelfverhitting.v. Bovendien kan een blikseminslag zeer grote elektrische spanningen. Bij het onderbreken van de stroomkring waarin de zwerfstroom loopt zal dit leiden tot vonkvorming. Verstoringen van het aardmagnetische veld. Onder zelfverhitting wordt de ontsteking verstaan die optreedt zonder tussenkomst van een vreemde ontstekingsbron zoals een mechanische vonk of heet voorwerp. Door die reactie kan het materiaal lokaal verhit worden tot maximaal 75 ° C. UV-straling. veroorzaken in geleiders. afgaande leidingen en een aardingssysteem. B.7. De afgaande leidingen zorgen ervoor dat de bliksemstroom buiten het object om naar de aarde wordt geleid. 1. Wisselstroombronnen (hoogspanningstrajecten. Daar kan een elektrische overslag in de vorm van een vonk plaats vinden die een explosie of brand kan veroorzaken. De belangrijkste oorzaken van zwerfstromen zijn: Nabijheid van andere kathodische beschermingssystemen. Elektrisch lassen (wanneer de massaklem niet in de onmiddellijke nabijheid van de lasplaats is aangebracht). Een veel toegepaste voorkomingmaatregel is de leidingen en opslagtanks die onderhevig kunnen zijn aan elektrochemische corrosie uit te rusten met een kathodische bescherming.

oxidatie de temperatuur verder doen stijgen tot het materiaal daadwerkelijk gaat smeulen. .én 2/3 van de ontstekingstemperatuur van de stofwolken zijn (MOT). . IJzersulfide en fijn aluminiumpoeder zijn voorbeelden van pyrofore stoffen. Reden daarvoor is het snelle verloop van de chemische reactie bij lage temperaturen. Men moet voor elke ontstekingsbron nagaan in welke mate deze zich kan voordoen en ze op de volgende manier classificeren: Ontstekingsbronnen die continu of vaak kunnen voorkomen bij de normale werking van toestellen. door verspanende bewerkingen zijn doorgaans relevant. hooi en melkpoeder kunnen dit gedrag vertonen. Onder andere steenkool.lager zijn dan circa 75 ° C beneden de glimtempera tuur van de stoflagen. door het losraken van onderdelen. door vreemde voorwerpen.Veroorzaakt door vallende werktuigen zijn enkel relevant bij stof met een zeer lage MOE.Elektrische vonken: zijn doorgaans relevant. slijpvonken en wrijvingsvonken): . door het storten van materiaal in bunkers en silo’s. peroxides en ethyleen. ongeacht hun grootte. Oxidaties: oxidaties treden vooral op bij opgeslagen poeders waarbij smeulnesten gevormd worden die bij omscheppen van de poederhoop een mogelijke ontstekingsbron kunnen vormen voor stof-luchtmengsels die bij dat omscheppen ontstaan. . Pyrofore stoffen zijn stoffen die bij contact met lucht spontaan ontbranden zelfs wanneer er sprake is van een goede warmte afgifte. .v. Een korte beschrijving van de “energie-inhoud” van de belangrijkste ontstekingsbronnen.Veroorzaakt door mechanisch aangedreven gereedschap (boren. met name de minimale ontstekingsenergie (MOE) en de minimale ontstekingstemperatuur (MOT). worden tot de actiefste ontstekingsbronnen gerekend en zijn dus altijd relevant.7.5 Praktische betekenis van de ontstekingsbronnen bij de uitvoering van de risicobeoordeling Het vermogen van een ontstekingsbron om een ontsteking te veroorzaken hangt af van de eigenschappen van de aanwezige substanties.240 ° C in de maalderijen Vlammen en hete gassen: vlammen. Stoffen die bekend staan om hun gevaar van ongecontroleerde ontledingsreacties zijn b.195° C in de mengvoederbedrijven . ©Nevedi handleiding 2005 ATEX-richtlijn 137 20 . Ontstekingsbronnen die in zeldzame omstandigheden kunnen voorkomen ten gevolge van functiestoornissen in toestellen. 1. slippen en andere storingen): Om ontsteking te voorkomen moet de temperatuur van het warme oppervlak: . Hete oppervlakken (veroorzaakt door wrijving. Indien men niet kan evalueren of een ontstekingsbron kan voorkomen is deze volgens de norm NEN-EN 1127-1:2007 NL permanent aanwezig. Ontleding: ontledingsreacties kunnen een ontstekingsbron vormen wanneer bij de ontleding warmte vrijkomt. Ontstekingsbronnen die in zeer zeldzame situaties kunnen voorkomen ten gevolge van zeldzame defecten. Rekening houdend met bovenvermelde veiligheidsparameters betekent dit dat de oppervlaktetemperatuur van elektrische apparaten en de temperatuur van andere warme oppervlakken beperkt moet blijven tot maximaal : .slijpen).Mechanische vonken ( impactvonken.

artikel 3. ©Nevedi handleiding 2005 ATEX-richtlijn 137 21 . Deze preventiemaatregelen kunnen betrekking hebben op: De organisatie van de onderneming met inbegrip van de gebruikte werk. Uiteraard zal de relevantie afhangen van de snelheid “ v “ van bewegende onderdelen: . paragraaf 2a. Het vermijden van de ontsteking van explosieve atmosferen.v < 1 m/s: geen ontstekingsgevaar.v > 10 m/s : ontstekingsgevaar in alle gevallen. hameren.5 m/s bedraagt. wel in aanmerking. Daarin staat vermeld dat het de verplichting is van de werkgever technische en/of organisatorische maatregelen te nemen ter voorkoming van en bescherming tegen explosies volgens volgende grondbeginselen: Het voorkomen van het ontstaan van explosieve atmosferen.en productiemethodes.25 mJ (er is wel gevaar voor gloeikernen in stoflagen). Het beperken van de gevolgen van een explosie. het afzetten of opwervelen van brandbaar stof alsook het regelmatig verwijderen van afgezet stof..5a t/m/ 3.Veroorzaakt met door handkracht gedreven gereedschap (scheppen.1 < v < 10 m/s: ontstekingsgevaar zeer waarschijnlijk. Binnen de apparatuur zullen dergelijke preventieve maatregelen vaak niet uitvoerbaar zijn. maar het hangt af van de veiligheidsparameters van de betrokken stoffen. zagen) zijn alleen relevant als MOE < 0. hakken. De toepassing van een aangepaste veiligheids. De keuze en het gebruik van arbeidsmiddelen en van collectieve en persoonlijke beschermingsmiddelen en van werkkleding. De preventie van stofexplosies zal dan ook bestaan uit ervoor te zorgen dat minstens één van deze elementen ontbreekt. De bekwaamheid.8 PREVENTIE EN BESTRIJDING VAN STOFEXPLOSIES In de Arbeidsomstandighedenbesluit hoofdstuk 3. met inbegrip van aangepaste instructies. De noodprocedures.1 Voorkoming van stofexplosies Om een stofexplosie te kunnen veroorzaken moeten tegelijkertijd op dezelfde plaats aanwezig zijn (ook wel genoemd de branddriehoek): Een brandbare stof in fijn verdeelde vorm. Buiten de apparatuur komen preventieve maatregelen. Een oxidatiemiddel (in het algemeen zuurstof uit de omgevingslucht). In de zogenaamde Debeil studie (Risicoanalyse aangaande stofexplosie in Mengvoederbedrijven en Maalderijen) wordt gesteld dat er geen gevaar is op vonkvorming bij het loskomen van de metalen bekers van een elevator indien de snelheid van de elevator maximaal 2.5f is de sociale ATEX-richtlijn geïmplementeerd. .8. Een ontstekingsbron die de nodige energie kan leveren voor het initiëren van de oxidatiereactie.en gezondheidssignalering. de opleiding en de informatie van alle werknemers. 1. die gericht zijn op het voorkomen van de aanwezigheid. . 1. De inrichting van de arbeidsplaats.

Dit houdt o. Ter voorkoming of beperking van de aanwezigheid van brandbaar stof buiten de apparatuur kunnen de volgende maatregelen getroffen worden: • Alleen gebruik maken van gesloten en stofdichte apparatuur. Een belangrijke factor die good housekeeping sterk bevordert is de doordachte bouw van de gebouwen en installaties. inclusief aanzuigslangen en voorzetstukken. zakkenvulinrichtingen en laad. De onderdruk moet dan wel bewaakt worden (signalering bij wegvallen). Zo is het onder meer aanbevolen om: ©Nevedi handleiding 2005 ATEX-richtlijn 137 22 . doseringen of monsternames via bedrijfsmatig te openen deksels of luiken. • Afgezet stof moet regelmatig worden verwijderd.Een andere preventieve maatregel bestaat er in buiten de explosiegrenzen van het stof te werken. Stofzuiginstallaties moeten beantwoorden aan de EX norm: o De aanzuigventilator moet beschermd zijn tegen inslag van vreemde voorwerpen. moeten uitgerust worden met een afzuiginstallatie zodat het stof zich niet kan verspreiden. Als het wegvallen van de onderdruk direct gevaar kan opleveren moet de installatie uitvallen en/of niet kunnen worden ingeschakeld. Verbindingen die wel moeten kunnen worden losgemaakt worden het best uitgevoerd met bout/moer bevestigingen in stevige lekvrije flenzen.en voedingsnijverheid toegepast. o Alle geleidende onderdelen.v. Zij dienen zo te worden uitgevoerd dat er zo weinig mogelijk plaatsen zijn waar zich stof kan afzetten en gemakkelijk stofvrij gehouden kunnen worden. Het toevoegen van bijvoorbeeld kleine hoeveelheden minerale plantaardige olie of lecithine aan graanpoeder blijkt efficiënt om stofwolken te vermijden. Het risico op een explosie zal significant gereduceerd worden op 2 manieren: . in dat constructies van plaatwerk die niet bedrijfsmatig (voor schoonmaken of onderhoud) losgemaakt moeten worden bij voorkeur gelast worden i. • Plaatsen waar niet te vermijden is dat stof uit de apparatuur ontsnapt.De stofwolken in de procesapparatuur zijn minder gevoelig voor ontsteking en explosie.a.Het toevoegen van vloeistoffen als stofbeheersing wordt wel eens in de graan. .Vermijden van fijn verdeelde brandbare stof: . moeten geaard zijn. Bijkomend voordeel wanneer de druk lager dan 50 mbar gehouden kan worden is dat de maximale explosiedruk niet boven de 1 bar zal kunnen oplopen. ze te bevestigen met schroeven of klinknagels. Hierbij mag geen gebruik gemaakt worden van perslucht. • Door enige onderdruk in de installatie te handhaven kan voorkomen worden dat uit openingen stof naar buiten komt. o De elektrische motoren moeten beschermd zijn tegen indringing van stof. .Het middel bij uitstek om explosieve mengsels te vermijden bestaat er in producten te gebruiken die geen aanleiding kunnen geven tot explosies. Dus geen vrije valtrajecten in transportsystemen en geen toevoegingen. • Indien mogelijk het werken met stoffige producten in de omgevingslucht vermijden.p. o De behuizing moet uit onbrandbaar materiaal bestaan. .Het vrijkomen en de afzetting van fijn stof wordt sterk verminderd.en lospunten. Dit kan onder meer het geval zijn ter hoogte van bandtransporteurs.

Voor iedere stof bestaat er een zuurstofgehalte waaronder geen ontsteekbaar mengsel meer gevormd kan worden. vroegtijdige detectie van een klomp smeulend product). Vermijden van ontstekingsbronnen: Het vermijden van ontstekingsbronnen is een belangrijke preventieve maatregel. capacitieve of resistieve controle op een silowagen). Vonkdetectiesysteem eventueel in combinatie met blussing. waardoor men binnen de explosiegrenzen komt en vrij snel een klap krijgt. Juist op die momenten kan de zuurstofconcentratie plotseling stijgen.v. Daar de meeste poedervormige stoffen een relatief hoge ontstekingsenergie en een relatief lage ontstekingstemperatuur hebben en dat bovendien veel organische producten al smeulen bij een lagere temperatuur dan de ontstekingstemperatuur. maar kan bijna nooit voldoende zekerheid bieden om als enige maatregel te mogen gelden. 1. In de praktijk is deze maatregel echter weinig toepasbaar in de mengvoedersector of bij de maalderijen.8.- Zoveel mogelijk hellende vlakken (onder een hoek van 60° ) toe te passen i.v. rookverbod) als technische maatregelen (bijv.2 Voorkoming van schade Explosie-onderdrukking: ©Nevedi handleiding 2005 ATEX-richtlijn 137 23 . De inwendige muren van dergelijke gebouwen vlak en afwasbaar uit te voeren. De overgang tussen muren en vloeren af te ronden. Leidingen en kabels zo kort mogelijk te houden en zoveel mogelijk in te bouwen. Als stof gemengd wordt met lucht die minder zuurstof bevat zal het mengsel minder gemakkelijk ontstoken kunnen worden en minder heftig ontploffen. maar ook hete oppervlakken en spontane opwarming. Aandachtspunt bij een dergelijke werkwijze dienen storingen te zijn. scheefloopbeveiliging in elevatoren en transportbanden). detecteren van smeulend heet product op een transportband of transportketting). Ionisatie-apparatuur om statische oplading te elimineren. statische elektriciteit (vonk-. Preventieve maatregelen die genomen kunnen worden staan vermeld in hoofdstuk 5 deel B bij de risicoanalyses per toestel. open vuur en vlammen. De minimum ontstekingsenergie en de onderste explosiegrens zullen immers stijgen. terwijl de maximale explosiedruk en de drukstijgsnelheid zullen dalen. Daarnaast kunnen ook nog preventieve maatregelen getroffen worden welke de kans op ontstekingsbronnen verkleinen of deze ontstekingsbronnen detecteren waarna ze onschadelijk kunnen worden gemaakt: Aardingscontrolesystemen (b. Welke ontstekingsbronnen in een bepaalde situatie wel en welke niet meer gevaarlijk zijn hangt af van de stofexplosiekarakteristieken van het betrokken stof. glij.v. Permanente temperatuurscanning op een productstroom met infraroodstraal (bijv. Het verlagen van het zuurstofgehalte is soms mogelijk binnen de apparatuur en gebeurt in het algemeen door bijmenging van inerte gassen stikstof. zijn de belangrijkste ontstekingsbronnen voor stof-luchtmengsels de energierijkere ontstekingsbronnen zoals mechanische en elektrische vonken. koolstofdioxide of zuurstofarme verbrandingsgassen. Het vermijden van ontstekingsbronnen moet zowel met procedurele (bijv. Voor veel stoffen ligt het gehalte in de buurt van 10%.p. horizontale vlakken. Vermijden van zuurstof: Omgevingslucht bevat circa 21% zuurstof. CO-detectie om smeulbranden te detecteren (b.en stortkegelontladingen).

Voor ontwerp en vervaardiging kunnen de voor drukhoudende apparatuur geldende voorschriften worden gebruikt (bijv. Proefondervindelijk werd vastgesteld dat de toepassing van explosieonderdrukking een doelmatige en efficiënte bescherming biedt binnen de volgende algemeen geldende grenzen (ref. Kluwer en Ten Hagen & Stam): . Bij explosies in aaneengesloten vaten treedt drukopbouw op waarbij de druk heel hoog kan oplopen. Daardoor zal de maximaal ontwikkelde explosiedruk een vooraf bepaalde waarde niet kunnen overschrijden en zal bijgevolg geen of slechts beperkte schade aangericht worden. . deze te verwachten druk kunnen weerstaan. Voor drukvaste bouwwijze moet dus alle apparatuur. appendages.: Handboek Explosiebeveiliging. luiken.8. Het principe van explosieonderdrukking bestaat erin dat de ontsteking door detectoren gedetecteerd wordt en een beveiligingssysteem in werking gesteld wordt waardoor ofwel de verbranding stopt ofwel de leiding waarin het vlamfront voortloopt afsluit. Deze moeten open gaan of bezwijken bij een zo lage overdruk dat hierdoor geen schade aan het apparaat of de ©Nevedi handleiding 2005 ATEX-richtlijn 137 24 .m/s. worden drukvast genoemd.5. Aangenomen wordt dat de te verwachten maximale explosiedruk circa 10 bar bedraagt. Men spreekt van explosie-onderdrukking.Volumes tot ongeveer 1000 m³. Voor drukvaste constructies bedraagt de zekerheidsfactor 1. instrumentatie. De hoogte van dergelijke drukken is moeilijk te voorspellen en in ieder geval is het moeilijker om de apparatuur voldoende sterk te bouwen. Belangrijk is hierbij op te merken dat de beschermde toestellen de verlaagde explosiedruk moeten kunnen weerstaan en eventuele verbindingen naar andere toestellen ook beschermd moeten worden. Over het algemeen is het de regel dat grote installaties niet kunnen worden ontworpen of aangepast om weerstand te bieden aan de maximale explosiedruk. Ook voor het ontwerp en vervaardiging van dergelijke constructies kan gebruik gemaakt worden van de voor drukhoudende apparatuur geldende voorschriften waarbij gerekend wordt met een zekerheidsfactor gelijk aan 1.Onder bepaalde omstandigheden kan verhinderd worden dat de ontsteking van een explosief mengsel zich ontwikkelt tot een explosie die schade kan veroorzaken.3 Beperking van de schade Ter beperking van de gevolgen van explosies kunnen zowel procedurele als technische maatregelen getroffen worden. Drukstootvaste constructies: Men spreekt van een drukstootvaste constructie wanneer deze constructie wel in staat is de explosie te weerstaan en te verhinderen dat die zich tot de omringende atmosfeer uitbreidt. BS 5500). Op dergelijke maatregelen is veel minder directe invloed uit te oefenen door het personeel daar het hier gaat om procestechnische en mechanische veiligheden welke installatiegebonden zijn. Compartimenteringmaatregelen zijn dan absoluut noodzakelijk.Voor poeders met KST = 300 bar. Daarom wordt deze beveiligingstechniek slechts toegepast voor relatief kleine en nieuwe installaties. Explosiedrukontlasting: Om de door een explosie in een apparaat of systeem ontwikkelde overdruk te beperken kunnen explosieluiken en -panelen of breekplaten aangebracht worden. maar daarbij wel blijvend vervormd wordt. Drukvaste constructies: Apparatuur en installaties die in staat zijn de hoogste druk die een inwendige explosie kan veroorzaken te doorstaan zonder blijvende vervorming en zonder dat de explosie zich uitbreidt tot de omringende atmosfeer. 1. met inbegrip van aansluitingen.

Het oppervlak van de ontlastvoorziening. Deze groef is zodanig gedimensioneerd dat de plaat openbreekt bij de voorziene openingsdruk. Het principe van drukontlasting berust dus op het creëren van een zwakke plek in de te beveiligen installatie. Het aanbrengen van dergelijke afblaaskanalen heeft wel enkele nadelen: De doorstroming van brandend product is aan weerstand onderhevig. Deuren of zogenaamde scharnierende panelen. vlamverschijnselen en drukontwikkeling. De bezwijkdruk van de installatie. De ontlasting moet daarom zoveel mogelijk in de buitenlucht plaatsvinden en altijd in een ongevaarlijke richting zoals via het dak omhoog. de Duitse norm VDI 3673). Bij explosiedrukontlasting moet rekening gehouden worden met het uittreden van hete verbrandingsgassen en brandbaar stof. Niet verbrand stof-luchtmengsel kan in de schouw tot ontvlamming komen en het ontluchtingsproces verstoren. niet naar bedrijfsruimten of op verkeerswegen. Bij het ontwerp van ontlastopeningen moet daarom aandacht besteed worden aan: De te verwachten snelheid waarmee de druk in de installatie stijgt ten gevolge van een stofexplosie. Voor de berekening van deze factor werden een aantal methodes ontwikkeld (bijv. ©Nevedi handleiding 2005 ATEX-richtlijn 137 25 .installatie aangericht kan worden. een schouw of buis. De belangrijkste ontlastconstructies zijn: Breekplaten bestaande uit een roestvrij stalen voorgegroefde folie. de gereduceerde explosiedruk. De ontlastopening dient voldoende groot te zijn om de snelheid waarmee de druk in de installatie zal stijgen met uitstroming te kunnen compenseren.v. Door turbulentie in de schouw kunnen tegendrukken ontstaan die zelfs hoger kunnen zijn dan explosiedrukken die in gesloten sferische vaten werden vastgesteld. Dit zijn een soort vlammenfilters (quenchbuizen) waarin de oppervlaktetemperatuur van de vlam verlaagd wordt tot beneden de ontstekingstemperatuur van de brandstof waardoor de vlam gedoofd wordt. Een apparaat dat door drukontlasting beschermd wordt moet drukvast of drukstootvast zijn uitgevoerd t. Panelen opgebouwd uit een stijve constructie die in een raamwerk is gevat of veerbelast is.o. Membranen die bestaan uit een raamwerk dat bespannen is met een zeer dunne plastic of metaalfolie. De aanspreekdruk van de ontlastvoorziening. kan gebruik worden gemaakt van zogenaamde vlamdovers. Dergelijke kanalen dienen dan ook zonder bochten en zo kort mogelijk te worden uitgevoerd. Mensen en installaties worden zo bedreigd. Indien de ontlasting niet rechtstreeks in de buitenlucht kan plaatsvinden. Wanneer de explosiedrukontlasting niet naar de vrije atmosfeer of naar een veilige zone kan worden geleid. kan de explosiedruk mogelijk naar een veilige zone worden afgeleid via bijv. Breekplaten zijn veruit het meest toegepaste systeem voor explosiedrukontlasting. de (dp/dt)max -waarde.

Voor de meeste technieken geldt dat de minimale lengte van de verbindingsleiding 6 meter moet zijn. Indien de stofexplosie van twee kanten kan komen zijn verbindingsleidingen van minstens 12m noodzakelijk.Actieve mechanische systemen. .Passieve mechanische systemen. .6. Stofexplosies kunnen zich verplaatsen van een procesonderdeel naar een ander via de verbindingsleidingen tussen de twee procesonderdelen. Dit zal zeker van toepassing zijn wanneer het niet mogelijk is met voldoende zekerheid te waarborgen dat geen ontploffing optreedt en de apparatuur ook niet zo kan worden uitgevoerd dat de ontploffing te beheersen is. De compartimentering kan gerealiseerd worden met behulp van: .Actieve chemische systemen. Kan de explosie zich verder ontwikkelen en is er voldoende brandstof en lucht aanwezig dan zal de deflagratie steeds in snelheid toenemen. 23/03/1998) Scheiding en compartimentering: Installatiedelen waarin explosies kunnen optreden dienen op ruime afstand geplaatst te worden van gebouwen. Kortere buizen geven eenvoudigweg te weinig tijd om de noodzakelijke maatregelen te treffen. het sluiten van een klep of het injecteren van een blusmiddel. installaties of andere plaatsen waar zich veel mensen kunnen bevinden. In bepaalde omstandigheden kan de deflagratie overgaan in een detonatie. Bovendien moet de installatie worden omgeven door voldoende stevige muren of wallen die verhinderen dat weggeslingerde delen schade aanrichten. In principe mogen alleen personen aanwezig zijn als er geen ontploffingsgevaar bestaat.7). Wegens de enorme drukstoten die hierbij ontstaan moet dit te allen tijde vermeden worden. als de installatie buiten bedrijf is. De passieve mechanische systemen leiden de vlam af naar een veilige zone (fig.8) of koelen de vlam af zodanig dat de ontstekingstemperatuur van het onverbrande medium niet meer wordt bereikt (fig. Huys. Compartimentering houdt in dat de explosie in de verbindingsleiding tijdig wordt gestopt door bijv.Fig.Kluwer Editorial. ©Nevedi handleiding 2005 ATEX-richtlijn 137 26 . Doorsnede van een vlamdover (Arbeidsveiligheid nr.65 Stofexplosies. De toegang tot dergelijk geïsoleerd opgestelde installatieonderdelen behoort streng te worden geregeld en tot het strikt noodzakelijke te worden beperkt. G. bijv.

Fig.7. Fig.7. Rooster voor het afkoelen van de vlam

Fig.8.

Fig.8. Afleiden van de vlam via een explosieslot (Arbeidsveiligheid nr.65 Stofexplosies, G. Huys,Kluwer Editorial, 23/03/1998) Men kan ook gebruik maken van de procesonderdelen, zoals doseerschroeven en draaisluizen, als isolators tegen explosiedoorslag. De massa poeder in een doseerschroef kan bij een juist ontwerp van de schroef voldoende tegendruk leveren om de explosiedruk te weerstaan. Daarvoor wordt het blad van de schroef onderbroken zodat er een soort permanente poederprop aanwezig is. Bij trogvormige schroefbehuizingen moeten in de bovenkant van de trog van plaatselijk baffles voorzien worden om vlamoverslag over de schroef te voorkomen.

Fig.9. Voorbeeld van een doseerschroef die ook dienst doet als barriére (Arbeidsveiligheid nr.65 Stofexplosies, G. Huys,Kluwer Editorial, 23/03/1998)

©Nevedi handleiding 2005 ATEX-richtlijn 137

27

De draaisluizen fungeren als een soort vlamdover waarbij het vlamfront van de stofexplosie wordt gesmoord in de nauwe spleten tussen de rotor en het huis van de draaisluis.

Fig.10. Schematische voorstelling van een draaisluis (Arbeidsveiligheid nr.65 Stofexplosies, G. Huys,Kluwer Editorial, 23/03/1998) Hoewel draaisluizen een zeer goede barrière vormen tegen stofexplosies hebben ze als groot nadeel dat alleen poeder kan worden doorgesluisd. Wanneer de verbindingsleiding tussen twee apparaten ook lucht moet transporteren kan een draaisluis niet worden toegepast. Een andere mogelijkheid bestaat er in een installatieonderdeel te isoleren door zowel aan de ingang als de uitgang een klep te installeren en de sturing zo te voorzien dat steeds minstens 1 klep gesloten is. De actieve mechanische systemen zullen na detectie in de beginfase de explosie mechanisch isoleren m.b.v. een snelafsluiter zodat de voortplanting van de vlam verhinderd wordt. Gekende voorbeelden zijn o.a. het Ventexventiel, de Iris-klep en bol- en vlinderkleppen.

Fig.11. Voorbeeld van een actief mechanisch systeem (Arbeidsveiligheid nr.65 Stofexplosies, G. Huys,Kluwer Editorial, 23/03/1998)

©Nevedi handleiding 2005 ATEX-richtlijn 137

28

De actieve chemische isolatiesystemen bestaan uit een detector, een controle-eenheid en een drukvat gevuld met een blusmiddel. Door de snelle injectie van het blusmiddel in de verbindingsleiding wordt verhinderd dat de vlam zich voortplant. Dergelijke systemen worden soms toegepast bij o.m.: De breker- en maalinstallaties; De ingangsdetectie op smeulend product.

Fig.12. Schematische voorstelling van een blusmiddelbarriére (Arbeidsveiligheid nr.65 Stofexplosies, G. Huys,Kluwer Editorial, 23/03/1998) Alle systemen moeten worden voorzien van de nodige controle- en alarmeringsapparatuur om bij storingen een automatische noodstop van de installatie te kunnen realiseren.

Brandbestrijding: Vaak ontstaat brand ten gevolge van een explosie. De schade veroorzaakt door brand kan beperkt worden door De bedrijfsgebouwen oordeelkundig in te delen in brandbestendige compartimenten; Te voorzien in aangepaste en voldoende brandbestrijdingsmiddelen. Uiteraard moet ook voorzien worden in voldoende opleiding van de werknemers voor de bediening van deze brandbestrijdingsmiddelen; Te voorzien in een intern noodplan.

1.8.4 Keuze van de toe te passen preventie- en beheersmaatregelen. Welke maatregelen toepasbaar zijn, zal in de eerste plaats afhangen van de resultaten van de risicoanalyse en dus ook van de zone-indeling. Hierbij zal uiteraard rekening moeten gehouden worden met de algemene preventieprincipes. Maar ook economische criteria zullen meespelen in de keuze van maatregelen. In ieder geval zullen zowel bestaande als nieuwe bedrijven niet alleen de wettelijk opgelegde maatregelen moeten treffen, maar ook alle mogelijke organisatorische maatregelen al dan niet expliciet vermeld in de wetgeving. Niet expliciet in de wetgeving vermelde maatregelen van technische of constructieve aard, maar bijv. opgenomen in normen of andere codes van goede praktijk zoals sectorstudies, kunnen relatief eenvoudig toegepast worden bij het ontwerp van nieuwe installaties. Dit is echter niet zo voor bestaande installaties, waar rekening zal moeten gehouden worden met technische en economische belemmeringen. Twee factoren die telkens terugkomen zijn de kostprijs en de effectiviteit van de voorgestelde maatregel. Afsluitend wordt in onderstaande tabel (tabel 1.3.) op dit gebied een vergelijking

©Nevedi handleiding 2005 ATEX-richtlijn 137

29

gemaakt tussen enkele van de belangrijkste veiligheidsmaatregelen van technische aard die bestaan op het vlak van de stofexplosieveiligheid. Deze tabel geeft enkel een idee van de gemiddelde waarde van de betrouwbaarheid en de kostprijs van de beveiligingssystemen tegen stofexplosies.

Tabel 1.3: Overzicht mogelijke technische veiligheidsmaatregelen ( 1 = meest gunstig / 5 = minst gunstig.) Systeem Isolatie Opsluiting (druk(stoot)vast ) Drukontlasting Onderdrukking Inertisering Betrouwbaarheid 1 2 Installatiekost nieuw 1 4 Installatiekos t bestaand 5 4 rendement 2 1

3 4 5

2 5 3

1 3 2

3 4 5

©Nevedi handleiding 2005 ATEX-richtlijn 137

30

c. die van invloed zijn op het ontwerp en de bouw van materieel. Deze richtlijn wordt wel de ”sociale richtlijn” genoemd. ©Nevedi handleiding 2005 ATEX-richtlijn 137 31 . Richtlijn 1999/92/EG van het Europese Parlement en de Raad van 16 december 1999 betreffende minimumvoorschriften voor de verbetering van de gezondheidsbescherming en van de veiligheid van werknemers. Ook wordt wel gesproken van ”Atex 137”. was echter reeds geïmplementeerd in het Nederlandse recht (bv. Belangrijkste bepalingen van de richtlijn zijn: a. door de invoering van CEmarkering). naar het artikelnummer van het EG-Verdrag. De richtlijn diende uiterlijk op 30 juni 2003 in nationale wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen te zijn geïmplementeerd. b. waarop zij berusten. 2. bedoeld voor gebruik op plaatsen waar ontploffingsgevaar kan heersen. 2.2. Richtlijn 94/9/EG van het Europese Parlement en de Raad van 23 maart 1994 inzake de onderlinge aanpassing van de wetgevingen van de Lid-Staten betreffende apparaten en beveiligingssystemen. daar hij vrijwel geheel bestaat uit voorschriften van elektrische en niet-elektrische aard. daar hij betrekking heeft op de gezondheid en veiligheid van werknemers. Deze richtlijn wordt wel de ”economische richtlijn” genoemd. die door atmosferen gevaar kunnen lopen.1 WETTELIJK KADER EUROPESE REGELGEVING De regelgeving voor de beperking van stofexplosiegevaar vindt zijn oorsprong in een tweetal Europese Richtlijnen: 1. dat kan worden gebruikt op plaatsen waar ontploffingsgevaar kan heersen. Arbeidsomstandighedenwet 2007 (Arbowet) Reeds vóór het geven van ATEX-richtlijn 1999/92/EG diende aandacht aan explosieveiligheid te worden gegeven.2 NEDERLANDSE REGELGEVING De implementatie in het Nederlandse recht heeft plaatsgevonden door middel van de volgende regelgeving: 1. de verplichting van de werkgever voor de opstelling en het bijhouden van een explosieveiligheidsdocument. De Arbowet 1998 bepaalt in artikel 5 dat in een (explosie)risico-inventarisatie en –evaluatie (RIE) de arbeidsrisico’s voor werknemers schriftelijk dienen te worden vastgelegd. het nemen van organisatorische en veiligheidsmaatregelen ter verbetering van de gezondheidsbescherming en veiligheid van werknemers. de indeling van plaatsen in zones waar explosieve atmosferen kunnen voorkomen. Ten aanzien van dit aspect is de wet niet naar aanleiding van de ATEX-richtlijn aangepast. 2. Ook wordt gesproken van ”Atex 95”. Deze richtlijn wordt volledigheidshalve vermeld.

c. waarvan het eerste (NPR 79101)handelt over gasontploffingsgevaar en het tweede over stofontploffingsgevaar (NPR 7910-2). werd in opdracht van het ministerie van Sociale en Economische Zaken opgesteld door de normcommissie NEC 31 ”Elektrisch materieel in verband met ontploffingsgevaar”. De bewijslast ligt dan wel bij de gebruiker. als men op een andere manier minimaal hetzelfde beschermingsniveau kan bereiken dan mag dat ook. Zone 22: Gebied met voortdurend of gedurende lange perioden ontplofbaar stof-luchtmengsel (te denken aan > 10% van de bedrijfsuren). Deze Praktijkrichtlijn behandelt specifiek de gevarenzone-indeling met betrekking tot explosiegevaar en bestaat uit twee delen.1% … 1010). 3. werd een geheel nieuwe paragraaf over explosieve atmosferen (§ 2a) aan Afdeling 1 van Hoofdstuk 3 over de inrichting van arbeidsplaatsen toegevoegd. Gebied met grote kans op aanwezigheid van een ontplofbaar stof-luchtmengsel (te denken aan > 0. een uitwerking van de Arbowet. Deze gevaren explosieveiligheidsdocument. Bij Besluit van 19 juni 2003. Het tweede deel van juli 2001 is een nadere uitwerking van NENEN-IEC 61241-10:2004 en betreft voornamelijk de gevaren binnen gebouwen en in het inwendige van apparatuur. onder meer. d. b. Nemen van maatregelen voor gevarenzones. De zone-indeling luidt als volgt: a. de volgende bepalingen opgenomen: a. de indeling van plaatsen in zones waar explosieve atmosferen kunnen voorkomen. dienen te worden vastgelegd in een b. NGG: Gebied waarbinnen geen ontplofbare atmosfeer geacht wordt voor te komen in zodanige mate dat speciale voorzieningen ten aanzien van ontstekingsbronnen nodig zijn. Echter. In deze paragraaf werd. Gebied met geringe kans op aanwezigheid van een ontplofbaar stof-luchtmengsel (te denken aan < 0. Dat betekent dat er een status aan is gegeven: Als de NPR wordt gebruikt voor de gevarenzone-indeling voldoet men aan de minimumvoorschriften van de wetgeving.4-5 Arbeidsomstandighedenwetgeving. Zone 20: c.2. Het berust op ATEX-richtlijn 94/9/EG betreffende apparaten en beveiligingssystemen en derhalve niet op de sociale ATEX-richtlijn 1999/92/EG. Arbeidsomstandighedenbesluit (Arbo-besluit) Aangepast werd wel het Arbobesluit van 15 januari 1997. Omdat elektrische installaties en elektrisch materieel een ontstekingsbron kan vormen is tevens van belang het: 4. Zone 21: d.1% …). Voorkoming van een explosieve atmosfeer dan wel de ontsteking daarvan dan wel beperking van de gevolgen van een explosie. Warenwetbesluit Explosieveilig Materieel Dit besluit van 1 augustus 1995 is een uitwerking van de Wet op de Gevaarlijke Werktuigen. in werking getreden op 30 juni 2003. Praktijkrichtlijn NPR 7910 Deze richtlijn van het Nederlands Normalisatie Instituut. ©Nevedi handleiding 2005 ATEX-richtlijn 137 32 . De risico-inventarisatie en –evaluatie van gevaren in verband met explosieve atmosferen. Deze praktijkrichtlijn is opgenomen in de beleidsregels 4.

lid 3. Mandaat. ©Nevedi handleiding 2005 ATEX-richtlijn 137 33 . sub a). van de Arbowet wijst het minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid toezichthoudende ambtenaren aan uit onder hem ressorterende ambtenaren. Deze aangewezen ambtenaren zijn verbonden aan de Arbeidsinspectie. lid 1.en Volmachtbesluit Arbeidsinspectie 2003 heeft het minister van Sociale Zaken het toezicht op de naleving van wet en regelgeving geregeld (artikel 17. die op de Arbowet is gebaseerd. zoals het Arbo-besluit en de NPRrichtlijn 7910-2.2. Deze toezichtregeling geldt uiteraard ook voor de regelgeving.3 NEDERLANDS BEVOEGD GEZAG Blijkens artikel 24. Bij Organisatie-.

Secundaire gevarenbron: plaats waarvan het niet te verwachten is dat er tijdens normaal bedrijf brandbaar stof. kan het hybride mengsel in de meeste gevallen worden beschouwd als zijnde alleen een stof. kan vrijkomen (0.1% tot 10%). ©Nevedi handleiding 2005 ATEX-richtlijn 137 34 . een ontplofbaar mengsel kan vormen.1%). Gevaarlijk gebied: gebied waarbinnen een ontplofbaar stof-luchtmengsel aanwezig is of kan zijn. en indien dit vrijkomen wel gebeurt dan is dat niet frequent en gedurende korte perioden (< 0. Geleidend stof: stof met een soortelijke weerstand kleiner dan of gelijk aan 103Ωm. . met lucht vermengd. Directe ontsteking: ontsteking van een ontplofbaar stof-luchtmengsel door een actieve ontstekingsbron.luchtmengsel.Primaire gevarenbron: plaats waarvan te verwachten is dat er regelmatig of incidenteel tijdens normaal bedrijf brandbaar stof. zodat een ontplofbaar stof-luchtmengsel kan ontstaan.Continue gevarenbron: plaats waar brandbaar stof. met lucht vermengd. Gebied: driedimensionale ruimte. voortdurend of gedurende lange perioden kan vrijkomen (> 10%). ● ● ● ● ● ● ● ● ● ● ● ● ● ● ● Atmosferische omstandigheden: condities van de omgeving waar de druk kan variëren tussen 80 kPa en 110 kPa en de temperatuur tussen -20 °C en +40 °C en waar het zuurstofgehalte (21±1)% (volumeprocenten) bedraagt. BIA: een Duits instituut (samenwerkend beroepsverband) voor arbeidsveiligheid.3. Glimtemperatuur: De laagste temperatuur van een oppervlakte waarbij de daarop gelegen stoflaag spontaan tot ontbranding komt. Hun website bevat een database met stoffen en hun eigenschappen: http://www. Brandbaar stof: Fijn verdeelde brandbare vaste stof die door opwerveling in lucht onder atmosferische omstandigheden. OPMERKING: Bij een lagere concentratie brandbaar gas dan 20% van de LEL van dit gas.jsp (zie ook voorbeelden in bijlage 4) Bovenste explosiegrens (UEL): concentratie van fijn verdeeld brandbaar stof in lucht waarboven geen ontplofbaar atmosfeer wordt gevormd. kan vrijkomen. afhankelijk van de waarschijnlijkheid van het aanwezig zijn van een ontplofbare atmosfeer. Hybride mengsel: mengsel van fijn verdeeld brandbaar stof en brandbaar gas met lucht. Een materiaal wordt als isolerend beschouwd als de soortelijke weerstand 108Ωm of de oppervlakteweerstand meer dan 108Ω bedraagt. Continue stofafzetting: plaats waar brandbaar stof voortdurend wordt afgezet ofwel een laag afgezet stof gedurende langere perioden aanwezig is (in totaal meer dan 1000 uur per jaar). Beheersbare dikte: stofafzetting die door schoon huishouden tot zodanige dikte wordt beperkt dat geen stofontploffingsgevaar in de ruimte kan ontstaan. met lucht vermengd.de/ifa/de/gestis/stoffdb/index. Gevarenzone-indeling: indeling van gevaarlijke gebieden in zones. hogere ontploffingsdruk en grotere drukstijgsnelheid dan bij een enkelvoudig mengsel. OPMERKING: Op een stof met een geringe geleidbaarheid (isolerend materiaal) kan lading accumuleren (statische oplading). Geleidbaarheid: in verband met statische lading. TERMEN EN DEFINTIES Hieronder worden de termen en definities weergegeven die in dit rapport worden gebruikt. Gevarenbron: plaats waar brandbaar stof kan vrijkomen (als opgewerveld stof of een stofwolk) of waar afgezet brandbaar stof (stofafzetting) kan worden opgewerveld. mate waarin een stof elektrisch stroom kan geleiden. Boven deze concentratie beheert rekening te worden gehouden met mogelijk lagere minimum ontstekingstemperatuur. waardoor speciale voorzieningen ten aanzien van ontstekingsbronnen nodig zijn. .dguv. .

5 mm) in de atmosfeer die daaruit door hun eigen gewicht neerslaan. OPMERKING: > 1000 uur per jaar. OPMERKING: gedurende in totaal 0.● ● ● ● ● ● ● ● ● ● ● ● ● ● ● ● ● ● Indirecte ontsteking: wijze van ontsteken waarbij een stofwolk niet direct wordt ontstoken. stof. Ontplofbare atmosfeer: mengsel van brandbare stoffen. Primaire stofafzetting: plaats waar afgezet brandbaar stof door regelmatig verwijderen niet langdurig aanwezig is (0.1% tot 10%. Minimum ontstekingsenergie van een brandbaar mengsel (MOE): kleinste energiehoeveelheid van een capacitieve elektrische ontlading. zoals de luchtverversing in een apparaatomkasting of een puntafzuiging. Kunstmatige plaatselijke ventilatie is zo uitgevoerd dat voldoende luchtsnelheid wordt gegenereerd om ter plaatse vrijkomend stof mee te voeren. zodat geen stofontploffingsgevaar in de ruimte kan ontstaan.Continue: plaats waar brandbare stof voortdurend wordt afgezet ofwel een laag af afgezet stof gedurende lange periode aanwezig is. Smeultemperatuur: laagste temperatuur van een horizontaal oppervlak waarbij een op dat oppervlak afgezette laag stof van 5mm dikte gaat smeulen. Ventilatie . Niet-gevaarlijk gebied (NGG): gebied waarbinnen geen ontplofbare atmosfeer wordt geacht voor te komen in zodanige mate dat speciale voorzieningen ten aanzien van ontstekingsbronnen nodig zijn. Onderste explosiegrens (LEL of OEG): concentratie van fijn verdeeld brandbaar stof in lucht waaronder geen ontplofbare atmosfeer wordt gevormd. waarin na ontsteking de verbranding zich verspreidt door het gehele onverbrande mengsel.1% tot 10%). Normaal bedrijf: situatie waarin het materieel binnen zijn ontwerpparameters werkt. Hierbij wordt onder andere rekening gehouden met de impuls van het vrijkomende stof. smeulen of brand) Kst-waarde van brandbaar stof: maximale drukstijgsnelheid van de meest ontplofbare stof-lucht mengsel in een bolvormige volume van 1m3. Minimum ontstekingstemperatuur (MOT): de laagste temperatuur van een verhit verticaal oppervlak dat het daarmee in contact komende mengsel van stof en lucht met een optimale concentratie nog juist ontsteekt. Maximum explosiedruk van brandbare stof (pmax): hoogste druk die ontstaat bij een ontploffing in een afgesloten ruimte die geheel met het mengsel met de optimale concentratie van de desbetreffende stof en lucht is gevuld.Goed uitgevoerde en absoluut gewaarborgde ventilatie: wanneer ontplofbare mengsels aanwezig kunnen zijn. met lucht.en specifiek voor een bepaalde gevarenbron.Kunstmatige plaatselijke ventilatie: luchtverversing ter plaatse van. die in staat is om een mengsel met een optimale concentratie van stof met lucht te ontsteken. maar waarbij de ontsteking en meestal het ontstaan van een stofwolk wordt veroorzaakt door een daaraan voorafgaand proces (bijvoorbeeld broeien. geacht wordt niet meer te bestaan. Stof: kleine vaste deeltjes (<0. de deeltjesgrootte. stof en gruis zoals gedefinieerd in ISO 4225). in de vorm van poeder. de deeltjesgrootte-verdeling en de soortelijke massa van dat stof.Primaire: plaats waar afzet brandbare stof door regelmatig verwijderen niet langdurig aanwezig is. Stofwolk: opgewerveld stof. . gerelateerd aan de desbetreffende zone. onder atmosferische omstandigheden. Migrerend stof: stofdeeltjes die zo klein zijn en bestaan uit materiaal met een zo lage dichtheid. Schoon huishouden: het regelmatig controleren en verwijderen van stofafzettingen. gruis of vezels. moet een geheel van het openbare net ©Nevedi handleiding 2005 ATEX-richtlijn 137 35 . . maar eerst enige tijd in de lucht kunnen blijven zweven (inclusief vezels. de vorm. Omvang van de zone: afstand in elke richting van de rand van de gevarenbron tot het punt waar het gevaar. dat dit stof zich over de gehele ruimte verspreidt. Stofafzetting: .

tevens geeft deze situatie aanleiding tot een alarm. Eén installatie behoort steeds in bedrijf te zijn. tengevolge van vrijkomen uit een gevarenbron en/of opwerveling van gedurende langere perioden aanwezig afgezet stof (gedurende in totaal 10 tot 1000 uur aanwezig brandbaar stof-luchtmengsel per jaar of stofafzettingen die in totaal meer dan 1000 uur per jaar aanwezig zijn. . zoals omschreven onder extra waarborgen. Zone 22: gebied waarbinnen tijdens normaal bedrijf de kans op aanwezigheid van een ontplofbaar stof-luchtmengsel gering is en waar dergelijke mengsels slechts kortstondig kunnen bestaan ten gevolge van vrijkomen uit een gevarenbron en/of opwerveling van gedurende langere perioden aanwezig afgezet stof (gedurende in totaal minder dan 10 uur aanwezig brandbaar stof-luchtmengsel per jaar of stofafzettingen die in totaal minder dan 1000 uur per jaar aanwezig zijn). te allen tijde voorhanden is. Zones: ingedeelde gebieden. De ventilatie-installatie behoort dubbel te zijn uitgevoerd. Zone 21: gebied waarbinnen tijdens normaal bedrijf de kans op aanwezigheid van een ontplofbaar stof-luchtmengsel groot is. De aanwezigheid van de luchtstroom wordt rechtstreeks bewaakt. alsmede van eventuele andere ontstekingsbronnen in de betrokken ruimten. niet indirect via grootheden als stroomopname of toerental van de ventilatormotor. ©Nevedi handleiding 2005 ATEX-richtlijn 137 36 . volgt afschakeling van alle niet-explosieveilige elektrische apparatuur. waarop bij storing van het openbare net automatisch wordt omgeschakeld. Uitval van de in werking zijnde ventilator start automatisch de reserve. gebaseerd op frequentie en duur van de potentiële aanwezigheid van ontplofbare atmosfeer (stofafzettingen worden ook in de beschouwing meegenomen). Zone 20: gebied waarbinnen tijdens normaal bedrijf een ontplofbaar stof-luchtmengsel voortdurend of gedurende lange perioden aanwezig is (> 10%).Goed uitgevoerde ventilatie met extra waarborgen: de continuïteit van de ventilatie is gewaarborgd door het dubbel uitvoeren van de ventilatie-installatie. waarbij de energie van twee verschillende verdeelinrichtingen wordt betrokken. de tweede in reserve.● ● ● ● onafhankelijke energievoorziening. Indien ook de reserveinstallatie weigert. waarna de eerste installatie direct wordt hersteld.

DEEL B ©Nevedi handleiding 2005 ATEX-richtlijn 137 37 .

De uitvoering van een risicoanalyse op het vlak van stofexplosies zal niet fundamenteel verschillen van de algemene aanpak zoals hierboven beschreven. Het indelen van een bedrijf in verschillende zones is een wettelijke verplichting betreffende het welzijn van werknemers die door explosieve atmosferen gevaar kunnen lopen. Bij het vastleggen van preventiemaatregelen dient de prioriteit gegeven te worden aan. De aanwezigheid van één of meerdere relevante ontstekingsbronnen kan beschouwd worden als risicofactor (strikt genomen zou het zuurstofgehalte ook beschouwd kunnen worden als risicofactor.V.2 DEFINITIE VAN DE VERSCHILLENDE GEVARENZONES Een gevaarlijk gebied is een gebied waarbinnen een ontplofbaar stof-luchtmengsel aanwezig is of kan zijn. De evaluatie maakt het mogelijk gefundeerde prioriteiten vast te leggen voor het treffen van preventiemaatregelen. Voor het uitvoeren van de gevarenzone-indeling werd geopteerd gebruik te maken van de Nederlandse praktijkrichtlijn NPR 7910-2 (juni 2008): “Gevarenzone-indeling met betrekking tot stofontploffingsgevaar. ©Nevedi handleiding 2005 ATEX-richtlijn 137 38 . 21.M.” 4. RISICOANALYSE 4. Om de aard van die maatregelen te bepalen wordt het gevaarlijke gebied ingedeeld in zones. Ook hier zullen de identificatie van de gevaren en de risicofactoren de eerste stappen zijn. Met betrekking tot stofexplosies kan het gevaar gedefinieerd worden als “de mogelijke aanwezigheid of vorming van een ontplofbaar stof-luchtmengsel”. waarbij 4 klassen te onderscheiden zijn: zone 20.Het evalueren van de risico’s.Preventiemaatregelen die tot doel hebben risico’s te voorkomen (risico-uitsluiting). . DE GEVARENZONE-INDELING D. 22 en NGG.Preventiemaatregelen die tot doel hebben de schade te beperken (ernstverlagend).4. Een risicoanalyse is: . .Het vaststellen en nader bepalen van de risico’s. . De risico-evaluatie bestaat uit het beoordelen van de vastgestelde risico’s naar frequentie en ernst met als doel een waardecijfer (grootte-orde) toe te kennen aan de risico’s. waardoor speciale voorzieningen ten aanzien van ontstekingsbronnen nodig zijn.1 INLEIDENDE BEGRIPPEN OMTRENT RISICOANALYSE Dit hoofdstuk is een handleiding waarmee de fabrikant zijn bedrijf in gevarenzones kan indelen.Preventiemaatregelen die tot doel hebben schade te voorkomen (frequentieverlagend). maar met deze factor wordt reeds rekening gehouden in de term ontplofbaar stof-luchtmengsel).Het identificeren van de gevaren voor het welzijn van de werknemers bij de uitvoering van hun werk. Onder normaal bedrijf wordt verstaan niet alleen de installaties in het bedrijf. in volgorde van belang: . maar ook onderhoud en mogelijke storingen. .

Gebied waarbinnen geen ontplofbare atmosfeer geacht wordt voor te komen in zodanige mate dat speciale voorzieningen ten aanzien van ontstekingsbronnen nodig zijn. (ref.5 mm).Brandbaar stof: fijn verdeelde brandbare (= reagerend met zuurstof onder warmteafgifte) vaste stof die door opwerveling in de lucht onder atmosferische omstandigheden een ontplofbaar mengsel kan vormen. wordt het gevaar beduidend groter.1mm.1 bar me t zuurstofgehalte 21 ± 1 volumeprocent.001 mm en 0.1 Brandbaar stof . .Zone 20: is een gebied waarbinnen. Zone 21: is een gebied waarbinnen tijdens normaal bedrijf de kans op aanwezigheid van een ontplofbaar stof-luchtmengsel groot is. Om tot de indeling te komen zullen in de risicoanalyse ter opstelling van een zoneringsdossier de volgende vragen moeten worden beantwoord: . (daarbij is te denken aan ontplofbare stof-luchtmengsels die in totaal minder dan 10 uur per jaar of aan stofafzettingen die in totaal minder dan 1000 uur per jaar aanwezig zijn).8bar tot 1. 4. 3 Normaal bedrijf: een situatie waarin installaties binnen de ontwerpparameters worden gebruikt ©Nevedi handleiding 2005 ATEX-richtlijn 137 39 . (daarbij is te denken aan > 10% per jaar). Veelal zal de korrelgrootte zich situeren tussen 0.Atmosferische omstandigheden: verstaat men volgens ATEX 95 de temperaturen van –20° C tot 60° C en drukken van 0. De gevarenzone-indeling is gebaseerd op de waarschijnlijkheid (frequentie en duur) van voorkomen van een ontplofbaar stof-luchtmengsel. ten gevolge van vrijkomen uit een gevarenbron en/of opwerveling van gedurende lange perioden aanwezig afgezet stof. NGG: Niet-Gevaarlijk Gebied.3.Stof: kleine vaste deeltjes (<0. (daarbij is te denken aan ontplofbare stof-luchtmengsels gedurende 10 tot 1000 uur per jaar. Kluwer en Ten Hagen & Stam). . Zone 22: is een gebied waarbinnen tijdens normaal bedrijf de kans op aanwezigheid van een ontplofbaar stof-luchtmengsel gering is en waar dergelijke mengsels slechts kortstondig kunnen ontstaan ten gevolge van vrijkomen uit een gevarenbron en/of opwerveling van zelden aanwezig afgezet stof. een ontplofbaar stofluchtmengsel voortdurend of gedurende lange perioden aanwezig is.Welke eigenschappen en afmetingen hebben de gevarenzones. tijdens normaal bedrijf3.1 mm. Zakt de deeltjesgrootte onder de 0. Definities: .Welke gevarenbronnen zijn aanwezig en wat is hun aard (frequentie. tijdsduur en omstandigheden van voorkomen). en aan stofafzettingen die in totaal meer dan 1000 uur per jaar aanwezig zijn ).karakteristieken . .3 IDENTIFICATIE VAN POTENTIËLE GEVARENBRONNEN 4.: Handboek Explosiebeveiliging.concentratie Een gevarenbron is een plaats waar brandbaar stof kan vrijkomen (als stofwolk) of waar afgezet brandbaar stof (stofafzetting) kan worden opgewerveld zodat een ontplofbaar stofluchtmengsel kan ontstaan.

jsp gevonden worden.Elke stofsoort heeft welbepaalde eigenschappen zoals korrelgrootte. etc.2 Systematisch opsporen van de gevarenbronnen Deze aanwezigheid van stof. De Europese Norm (EN 1127-1) stelt dat bij aanwezigheid van neergeslagen stof steeds rekening moet worden gehouden met de mogelijke vorming van een explosieve atmosfeer door opwerveling van de stofafzetting. Hierdoor kunnen literatuurgegevens vaak niet zomaar gebruikt worden. De explosiekarakteristieken worden beïnvloed door de druk.de/ifa/de/gestis/stoffdb/index. zoals in het BIA-rapport 13/97 “Combustion and explosion characteristics of dusts waarin de explosiekarakteristieken van 4300 brandbare stoffen zijn weergegeven. In de Nederlandse Praktijk Richtlijn (NPR 7910-2. hoofdstuk 3). intern transport. (Voor uitleg over deze begrippen zie deel A. opstart.Ongeplande. Dit moet gebeuren voor iedere gebruiksfase van de apparatuur en installatie. ©Nevedi handleiding 2005 ATEX-richtlijn 137 40 . Men kan in daartoe uitgeruste laboratoria een monster laten onderzoeken. vochtigheid en deeltjesgrootte.Toevallige en niet-routinematige werkzaamheden zoals het uitvoeren van onderhoud en herstellingen. . als stofwolk of als afzetting. glimtemperatuur.a.dguv. is de volgende logische stap het inschatten van de concentratie. 4.Voorzienbaar misbruik en/of verkeerd gebruik. . temperatuur. zoals werkonderbrekingen (o. minimale ontstekingstemperatuur (MOT). . opgesteld door de fabrikant van een product) of in de literatuur. Wanneer brandbaar stof aanwezig is. intern transport en afvoer) te analyseren. 2008) staat als praktische hulpmiddel dat een ontplofbare stofwolk herkend kan worden wanneer het zicht minder dan 1 meter bedraagt. Deze parameters zijn terug te vinden in de VIB’s (Veiligheids Informatie Bladen) of MSDS’en (Material Safety Data Sheets). minimale ontstekingsenergie (MOE).Normaal gebruik. behandeling en verwerking grondstoffen. Als systematiek om de potentiële gevarenbronnen op te sporen dient men de volledige installatie per eenheidsbewerking (inname grondstoffen. Volgende algemene gebruiksfasen kunnen beschouwd worden: . maar te verwachten gebeurtenissen. noodstop). Per gebruiksfase dient ook nagegaan te worden welke werkzaamheden de operators moeten uitoefenen. Stofwolken en afzettingen zijn in de praktijk echter zeer heterogeen waardoor het inschatten van de juiste concentratie moeilijk wordt. Een explosie is immers slechts mogelijk bij een bepaalde concentratie.3. Deze kunnen ook op de website: http://www. defecten en storingen. kan zowel binnen als buiten de apparatuur voorkomen.

koppelingen (en dan voornamelijk dichtingen met rubberen ringen). Buiten de apparatuur: STOFWOLKEN in de omgeving van stortputten. flexibele verbindingen. niet-stofdichte delen (plaatwerk.en afvoerpunt) op een open transportband. blowerinstallatie). transportsystemen (schroeven.en bulkbeladingsinstallaties. de omgeving van mangaten of andere openingen in silo’s. trappen.en verzamelinstallaties (cyclonen. beschadigde behuizingen). redlers. de tijdsduur en de omstandigheden waarin de gevarenbronnen voorkomen. persen. 4. 4. machines. 22 of NGG) zal afhankelijk zijn van: . op kabels en kabelgoten. I-profielen). de zuigerinstallatie. monsternameen inspectiepunten. hoppers en behandelingstoestellen (graantarwereiniger.4. . 21. Binnenkant van wacht. ontsnappingskanalen. kleppen. kruimelaars).1 De aard van de gevarenbronnen De aard van de potentiële gevarenbronnen is bepaald door de frequentie.Tabel 4. snijder/zifter/schudder. STOFAFZETTINGEN op constructie-elementen (bv. met lucht vermengd. Voor stofwolken worden volgende gevarenbronnen geïdentificeerd: . vensterbanken. ©Nevedi handleiding 2005 ATEX-richtlijn 137 41 . koppelingen. Binnenkant van bulkbeladings.1: Mogelijke gevarenbronnen Binnen de apparatuur: Binnenkant van stortputten. vloeren. voedings.en stuurkasten. kan vrijkomen. afzak. . Daarbij is te denken aan in totaal 10 tot 1000 uur per jaar. elevatoren). stoffilters.De mate van schoonhuishouden in de omgeving van stofafzettingen. mengers. voortdurend of gedurende langere perioden kan vrijkomen. Binnenkant van de stofafzuig. afblaas.Primaire stofwolk: plaats waar te verwachten is dat er regelmatig of incidenteel tijdens normaal bedrijf brandbaar stof.en weegbunkers. explosieluiken. . met lucht vermengd. op horizontale vlakken van apparatuur.en afzakinstallaties.en afzuigpunten. zeven. bijstortpunten.De aard van de gevarenbronnen. Daarbij is te denken aan in totaal meer dan 1000 uur per jaar. ontlastingsopeningen in gesloten transport-systemen. opgeslagen volle zakken.4 TOEKENNING VAN DE GEVARENZONEKLASSE De klasse van de zone (20. filters). molens.De plaatselijke ventilatieomstandigheden in de omgeving van de gevarenbronnen. luchtuitlaten. overgangen (aanvoer. Binnenkant van pneumatische transportsystemen (bv. leidingen. silo’s.Continue stofwolk: plaats waar brandbaar stof. koelers.

Een continue stofafzetting: dit is een plaats waar brandbaar stof voortdurend wordt afgezet ofwel een laag afgezet stof gedurende langere perioden aanwezig is. Met kunstmatige plaatselijke ventilatie wordt luchtverversing op de plaats van de gevarenbron bedoeld. Een andere factor die van belang is voor de bepaling van de zoneklasse is de ventilatie in de omgeving van de gevarenbronnen. Goed uitgevoerde ventilatie: ( = gericht op de gevarenbron) . Dit is echter wel het geval voor plaatsen waar een stofwolk kan ontstaan die rechtstreeks in verbinding staat met de binnenkant van apparatuur.Een primaire stofafzetting: dit is een plaats waar afgezet brandbaar stof regelmatig doch slechts gedurende korte perioden aanwezig is. 4. Met open gebouwen worden constructies bedoeld waar dezelfde ventilatieomstandigheden heersen als in de buitenlucht. Wanneer een dergelijke wolk wordt ontstoken kan de vlam immers terugslaan in de apparatuur. een zone-indeling overbodig. regen en andere weerscondities is in het algemeen in de buitenlucht. Voor stofafzettingen : . elk met een aparte voeding. Dit is niet het geval voor kunstmatige ruimtelijke ventilatie.a. Daarbij is te denken aan in totaal minder dan 10 uur per jaar. m.2 Ventilatie in de omgeving van de gevarenbron Vanwege het effect van wind. het stof wordt ter plaatse verwijderd door een stofafzuiginstallatie. Volgens de NPR 7910-2 dienen open gebouwen echter voor wat de ventilatiecondities betreft te worden behandeld als een gesloten gebouw. Voorbeelden van dergelijke plaatsen zijn de uitlaat van een drukontlastingssysteem en de ontluchting van een stoffilter. Dit is echter niet het geval als de afzuiging uitvalt. voor een gevarenbron buiten de apparatuur. Daarbij is te denken aan in totaal minder dan 1000 uur per jaar. De zone-indeling zal dan ook mede bepaald worden door de bedrijfszekerheid van de afzuiging. Daarbij is te denken aan in totaal meer dan 1000 uur per jaar (een stoflaagdikte van 0.4. Goed uitgevoerde ventilatie met extra waarborgen: . Indien dit vrijkomen wel gebeurt. Voor gevarenbronnen buiten de apparatuur geplaatst in een gesloten gebouw is het belangrijk na te gaan of er kunstmatige plaatselijke ventilatie aanwezig is en wat de bedrijfszekerheid is van die ventilatie.- Secundaire stofwolk: plaats waarvan het niet te verwachten is dat er tijdens normaal bedrijf brandbaar stof. ©Nevedi handleiding 2005 ATEX-richtlijn 137 42 . Dergelijke ventilatie kan immers bij de opstart stofafzettingen doen opwervelen en een ontplofbare stofwolk veroorzaken! Wanneer de afzuiging in werking is zal de gevarenzone zeer klein zijn. of een eventueel uitvallen van de ventilatie wordt onmiddellijk automatisch gesignaleerd en alle niet-explosieveilige elektrische apparatuur en eventuele andere ontstekingsbronnen in de betrokken ruimte worden automatisch uitgeschakeld.Gewaarborgde continuïteit door een dubbele afzuiging (1 effectieve en 1 reserve) te voorzien.1 mm kan reeds voldoende zijn om een ontplofbaar stof-luchtmengsel te creëren door opwerveling. Hierdoor kan de klasse of afmeting van de gevarenzone gereduceerd worden. Bij uitval van de in werking zijnde afzuiging b. met lucht vermengd. Indien er een goede ventilatie is wordt de aanwezigheid van stofafzettingen of stofwolken minder waarschijnlijk. dan niet frequent en gedurende korte perioden. . Volgende onderscheid wordt gemaakt in het type van ventilatie (definitie zoals opgenomen in de NPR 7910-2): a. Een praktische richtlijn is dat gevaar aanwezig is als men zijn voetstappen op de vloer kan zien).w. kan vrijkomen.Gewaarborgde continuïteit doordat een eventueel uitvallen automatisch wordt gesignaleerd en hersteld.

c. Gelijkwaardig alternatief Dit dient duidelijk beargumenteerd te worden. Uiteraard mogen ook op hoger gelegen horizontale oppervlakken geen (overmatige) stofafzettingen voorkomen. Een praktische richtlijn is daarom dat gevaar aanwezig is als men zijn/haar voetstappen op de vloer kan zien. De praktijk van schoonhuishouden dient in interne procedures vastgelegd te worden. Bij de formulering van de zoneklasse en de zone-afmetingen kan met de praktijk van schoonhuishouden rekening gehouden worden door er bij te vermelden “dit vervalt als de praktijk van schoonhuishouden wordt toegepast”. en is in ieder geval alleen maar toegestaan als alle potentiële ontstekingsbronnen uitgeschakeld of voldoende beheerst zijn. Immers door het toepassen van de praktijk van schoonhuishouden kunnen een aantal stofafzettingszones beperkt worden in omvang en/of zoneklasse. Deze vorm van “voorwaardelijke zonering” kan ook toegepast worden voor andere maatregelen die de stofhuishouding verbeteren: plaatsen van stofafzuigingen of de bedrijfszekerheid van stofafzuigingen verhogen. start automatisch de reserve op. omkasten van apparatuur. die beantwoordt aan de bepalingen zoals hierboven aangegeven. zoveel mogelijk horizontale oppervlakken vermijden (geen horizontale I-profielen.3 Schoonhuishouden De werkgever heeft er alle belang bij dat de stofafzettingen tot een minimum beperkt blijven. Onder schoonhuishouden wordt verstaan een zodanig reinigingsprogramma dat geen stofafzettingen voorkomen die bij opwerveling kunnen leiden tot een ontplofbaar stofluchtmengsel.4 Flow-schema’s ter bepaling van de zoneklasse Op basis van de verzamelde informatie betreffende de aard van de gevarenbronnen.4.4. waarop automatisch overgeschakeld wordt bij storing van het openbare net. Een verklaring terzake kan aan het zoneringsdossier toegevoegd worden. Goed uitgevoerde en absoluut gewaarborgde ventilatie: Dit houdt in dat er naast een voeding via het openbare net nog een volledig onafhankelijke voeding voorzien is. Hiervoor kan gebruik gemaakt worden van de GMP+-documenten. Deze Flow-schema’s vindt men terug in de bijlage I over zonering. Het bedrijf dient zich strikt te houden tot het toepassen van de praktijk van schoonhuishouden. zodat het traceerbaar en gewaarborgd is. 4. aanpassen van arbeidsplaatsen zoals dichtmaken van openingen in muren en wanden. Het is aangewezen een logboek met de reinigingsacties bij te houden. In de meeste gevallen is een stoflaagdikte van 1 mm reeds voldoende om een ontplofbaar stof-luchtmengsel te creëren. d. én indien ook deze niet opstart of uitvalt volgt automatische afschakeling van alle niet-explosieveilige elektrische apparatuur en eventuele andere ontstekingsbronnen in de betrokken ruimte. Bovendien moet een dubbele afzuiging zijn uitgevoerd. kabelbanen verticaal geïnstalleerd) installeren van een drager op een deur. Het reinigen met perslucht dient zo niet verboden dan toch zo veel mogelijk beperkt te blijven. 4. voorbeeld is de bakken van TL verlichting. de ventilatiecondities en de mate van schoonhuishouden kunnen de zoneklasses bepaald worden aan de hand van de Flow-schema’s zoals opgenomen in de NPR 7910-2: 2008. warme luchtblazers en ruimtelijke ventilatie zo aanpassen dat geen gevaar bestaat voor opwerveling van stof. Bij voorkeur wordt gebruik gemaakt van stofzuiginstallaties of wordt er nat gereinigd. ©Nevedi handleiding 2005 ATEX-richtlijn 137 43 .

Daarom is het aan te raden de vorm en afmetingen van een stofwolk te bepalen door eigen observaties (=praktijkinspectie).2 De afmeting van een stofafzetting Wanneer niet aan de eisen van schoonhuishouden wordt voldaan moet de volledige ruimte tot een hoogte van 2 meter worden gezoneerd. Een overzichtstabel. Door luchtverplaatsingen in de omgeving van de gevarenbron wordt het stof ook zijwaarts verplaatst. Ook de ventilatieomstandigheden beïnvloeden de vorm van een stofwolk.5. Bij stuivend stof zal er ook verspreiding optreden rondom het emissiepunt. De zone strekt zich dan uit van de onderliggende stofdichte vloer tot 2 meter boven de stofafzetting. is hierna bijgevoegd.5 AFMETINGEN VAN DE GEVARENZONEKLASSE 4. gebaseerd op de NPR 7910-2.5.3 Samenvattende tabel afmeting stofwolken en stofafzetting ©Nevedi handleiding 2005 ATEX-richtlijn 137 44 . Opnieuw is het aan te raden via praktijkinspectie de werkelijk vorm en afmetingen van een stofafzetting na te gaan.4. 4. Een stofwolk kan echter ook vrijkomen met een puls. Bij installaties waar veel gevarenbronnen aanwezig zijn wordt aanbevolen de gehele installatie met haar omhulling als een gevarenbron te beschouwen. Indien wel aan de eisen van schoonhuishouden wordt voldaan kunnen de afmetingen van de gevarenzone beperkt blijven tot een geprojecteerd vlak van 3 meter rondom de afzettingsplaatsen.1 De afmetingen van een stofwolk Een stofwolk valt ten gevolge van de zwaartekracht naar beneden.5. 4.

Open gebouw Behandelen zoals in gesloten gebouw Gesloten gebouw én geen ventilatie 3m rondom de afmetingen van de stofwolk Gesloten gebouw én ruimtelijke 3m rondom de afmetingen van de stofwolk (kunstmatige) ventilatie of goed uitgevoerde (= gericht op de gevarenbron ) kunstmatige plaatselijke ventilatie al dan niet met extra waarborgen én vergrendeld met de installatie Gesloten gebouw én goed uitgevoerde Directe invloedsfeer van de ventilatie kunstmatige plaatselijke ventilatie met absolute waarborg Aangrenzende ruimten Aanwezigheid stofdichte afscheidingen na te gaan STOFAFZETTINGEN Open gebouw Behandelen zoals in gesloten gebouw Gesloten gebouw én geen praktijk van De gehele ruimte tot een hoogte van 2m boven de schoonhuishouden 5 afzettingsplaatsen Gesloten gebouw én praktijk van 3m rondom afzettingsplaatsen en daaronder tot een schoonhuishouden hoogte van 2m boven de stofafzetting Aangrenzende ruimten Aanwezigheid stofdichte afscheidingen na te gaan Voor meer informatie zie NPR 7910-2 paragraaf 5. kleppen enz. waarin zich op dat moment een ontplofbaar stof-luchtmengsel kan bevinden.) kunnen deze structuren worden gebruikt als de rand van het gezoneerd gebied. luiken en kleppen enz. De deuren enz.6. die normaal stofdicht en gesloten zijn en die weinig frequent worden geopend. luiken.d.Tabel 4. Deze zonesluizen worden als gevarenbron voor het naastliggende gebied geschouwd.v. De sluisruimte wordt ingedeeld in de klasse van de zwaarste geklasseerde aangrenzende zone.5. behoren te zijn voorzien van opschriften die de bijzondere functie van de sluisruimte en de verplichting te sluiten vermelden. de ventilatieverdeling e. moeilijk te kwantificeren zijn. 5 De mogelijke aanwezigheid van een ruimtelijke (kunstmatige) ventilatie wordt niet in beschouwing genomen daar het effect van de mate van ventilatie. De toegepaste deuren.2: Overzichtstabel afmetingen stofwolken en stofafzettingen STOFWOLKEN (opgewerveld stof )4 Plaats Zone-afmetingen (indicatief) Buiten 1m rondom de afmetingen van de stofwolk. Indien de stofwolk rechtstreeks in verbinding staat met de binnenkant van apparatuur. daken en zonesluizen kunnen als stofdichte afscheiding tussen een gezoneerd gebied en NGG worden beschouwd.Dubbel uitgevoerde stofdichte muren. e. Hiermee kunnen de afmetingen van het gezoneerde gebied worden beperkt. 4 In deze tabel wordt er vanuit gegaan dat het stof weinig of niet verstuivend is.Deuren. 4. behoren zelfsluitend te zijn en mogen niet in open stand kunnen worden geblokkeerd. Bij de afbakening van een gezoneerd gebied door stofdichte mechanische structuren (muren enz.4 Zonering van aangrenzende ruimtes omwille van stofverplaatsing Stofdichte muren. . Deze sluis hoeft niet als gevarenbron voor het naastliggende gebied te worden beschouwd. Als zone sluis kunnen worden gebruikt: . Heeft men toch te maken met stuivend stof dan dient de gehele ruimte beschouwd te worden als gevarenzone.. luiken kleppen enz. ©Nevedi handleiding 2005 ATEX-richtlijn 137 45 .

5 Overige gevarenbron(en) I.8 Motivatie en Beoordeling II.6 Maatregelen technische en organisatorisch I.5. FLOW-SCHEMA: PLAN VAN AANPAK EXPLOSIEVEILIGHEIDSDOCUMENT Ja Ja Ja Bekend met de theorie en wetgeving? Is de fabriek gezoneerd? Bent u in het bezit van een explosieveiligheidsdocument? Nee Neem deel A door Volg de werkwijze van bijlage I deel B Nee Volg de werkwijze bijlage II van deel C Nee Volg de werkwijze bijlage III van deel C H1 theorie I.1 Stamkaart afdeling H2 wet of III.7 Alternatieve maatregelen I.9 Gevarenzones Gegevens voor Stamkaart Afdeling I.1 Beschrijving productieproces I.1 Neem de checklijst organisatorische maatregelen door II.2 Stamkaart arbeidsmiddel III.3 Inventarisatie Stofwolk I.2 Neem de vragenlijst door I.2 Inventarisatie grondstoffen I.3 Plan van aanpak I.4 Inventarisatie Stofafzetting Gegevens voor Stamkaart Arbeidsmiddel II.10 Plattegronden en technische plannen ©Nevedi handleiding 2005 ATEX-richtlijn 137 46 .

BIJLAGE I: ZONERING ©Nevedi handleiding 2005 ATEX-richtlijn 137 47 .

(Ref.1.Figuur I.: NPR 7910-2) Is de stofwolk langer dan 1000 uur/jaar aanwezig ? nee ja Langer dan 10 uur/jaar ? nee ja Continue stofwolk Primaire stofwolk Secundaire stofwolk Goed uitgevoerde kunstmatige plaatselijke ventilatie ? ja Goed uitgevoerde kunstmatige plaatselijke ventilatie ? nee Met extra waarborgen? ja Goed uitgevoerde kunstmatige plaatselijke ventilatie ? ja ja Absolute waarborg ? ja nee nee Met extra waarborgen? nee nee ja nee Zone 20 Zone 21 Zone 22 NGG * NGG = niet gevaarlijk gebied ©Nevedi handleiding 2005 ATEX-richtlijn 137 48 . Bepaling van de zoneklasse als gevolg van opgewerveld stof.

2.: NPR 7910-2) Kan de stofafzetting een stofwolk vormen ? nee ja Stofafzetting langer dan 1000 uur/jaar aanwezig nee ja Continue stoflaag Primaire stoflaag Schoonhuishouden ? ja nee nee Schoonhuishouden? ja Zone 21 Zone 22 NGG ©Nevedi handleiding 2005 ATEX-richtlijn 137 49 . Bepaling van de zoneklasse als gevolg van een stofafzetting. (Ref.Figuur I.

De uitwerking van het stappenplan zal per rij zijn. bijproducten.de website: http://www.21. tussenproducten.2 ingevuld te worden. 1. Het stappenplan bestaat uit negen stappen. De bovenstaande tabel is op twee manieren in te vullen.1. Noteer tevens in tabel I.1 dient als basis voor de risicoanalyse. Dezelfde nummering zal bij de risicoanalyse worden gebruikt. Noteer de verschillende procesonderdelen (de verdeling van de fabriek) in de tweede kolom van tabel I. ©Nevedi handleiding 2005 ATEX-richtlijn 137 50 . de milieuvergunningsaanvraag zelf of het GMP-dossier. Of andere documenten waarin het proces beschreven is.de veiligheidsinformatiebladen van de betrokken producten.de/e/bia/fac/expl/index. eindproducten en afvalstoffen.hvbg.(deel C).STAPPENPLAN Tabel I. Hiervoor kan mogelijks ook verwezen worden naar de reeds eerder uitgevoerde stofexplosiestudie in het kader van de milieuvergunning.1 de stofklasse. . De ingevulde tabel I. De eerste mogelijkheid is per kolom en de andere mogelijkheid is per rij.primaire of secundaire Afzuiging: Ja / Nee Afmeting Stofwolk 4 Stofafzetting: uren/ jaar Schoon Huishouden Ja/ Nee Aard Stofafzetting: continu/primaire of secundaire Afmeting Stofafzetting 5 Overige gevarenbron(en) 6 Organisatorische maatregelen: Ja / Nee 7 Alternatieve maatregelen 8 Motivatie & Beoordeling 9 Gevarenzone: 20. Raadpleeg hiervoor: . Stel een beschrijving op van het productieproces. Stel een inventaris op van de betrokken grondstoffen. Nummer de verschillende onderdelen van het proces.1 Opbouw Zonering 111 1 Beschrijving procesonderdeel 2 Grondstof soort Stofklasse grondstof 3 Stofwolk : uren/ jaar Aard Stofwolk: Continu. dient de tabel I. Bij gebruik van een grondstof die niet stofklasse 1 is.22 en NGG Nr Nr. 2.html.

2 Open of gesloten gebouw: Géén ventilatie: Klasse van de gevarenzone is dezelfde als deze van de gevarenbron.of vrijkomingsfrequentie ervan na te gaan.1 Buiten: Klasse van de gevarenzone is dezelfde als deze van de gevarenbron. 3.5 deel B. De gegevens dienen ingevuld te worden in tabel I.1 kolom 3. Over de afmetingen van de gevarenzone kunt u informatie lezen in paragraaf 4.4 van deel B. Over de afmetingen van de gevarenzone kunt u informatie lezen in paragraaf 4. de afmeting en de ventilatieomstandigheden in de omgeving van de gevarenbron.5 deel B. Voor een gelijkwaardig alternatief dient argumentatie te worden toegevoegd.2 Fysische eigenschappen Minimale ontstekingsenergie (MJ) Bovenste explosiegrens (g/m³) Onderste explosiegrens (g/m³) Minimale ontstekingstemperatuur (° C) Geleidbaarheid (Ohm) Glimtemperatuur (° C) Granulometrische samenstelling (mm) Maximale drukstijgsnelheid (bar/s) Bron vermelding Maximale ontploffingsdruk ( bar ) Productgroep omschrijving Kst waarde Stofklasse Product (en bij welke eenheids bewerking) 3. ©Nevedi handleiding 2005 ATEX-richtlijn 137 51 . Over ventilatie kunt u informatie lezen in paragraaf 4. De aard van de gevarenbronnen wordt bepaald door de optredings. 3. mits de stofwolk in verband staat met appartuur. de aard.Tabel I.4 deel B. Voor definities zie paragraaf 4. Bepaal voor de gevarenbronnen STOFWOLKEN buiten de apparatuur de aantal uren/ jaar aanwezigheid.

Over de afmetingen van de gevarenzone kunt u informatie lezen in paragraaf 4.5 deel B. procedures. inventariseer de aard van de gevarenbronnen per afdeling (tabel I.Ga na of de werking van de installatie vergrendeld is met de afzuiging. molens. Verzamel voor de organisatorische maatregelen de beschikbare schriftelijke instructies.3) als leidraad. silo. . Ga na of en welke maatregelen (technisch/organisatorisch) getroffen zijn om de vorming van een gevaarlijke explosieve atmosfeer afdoende te voorkomen.5 deel B. De aard van de gevarenbronnen wordt bepaald door de optredings. zowel binnen als buiten de apparatuur. Voor definities zie paragraaf 4. .1 kolom 4 5. Daarbij dient rekening te worden gehouden met binnen en buiten de apparatuur. overdruk. Gebruik hierbij de checklist (tabel I.1. Verzamel voor de technische maatregelen de beschikbare technische documentatie en attesten.Ga na of de afzuiging zich in de directe nabijheid bevindt van de plaats waar de brandbare stof vrijkomt. De gegevens dienen ingevuld te worden in tabel I. .4 van deel B.Ga na wat de bedrijfszekerheid van de afzuiging is. etc. Identificeer. Daarbij moet gedacht worden aan vrijkomende stofwolken. Over de afmetingen van de gevarenzone kunt u informatie lezen in paragraaf 4.Kunstmatige plaatselijke ventilatie: . o ‘goed uitgevoerde ventilatie’ o ‘goed uitgevoerde ventilatie met extra waarborgen’ o ‘goed uitgevoerde ventilatie met absolute waarborg’ . pneumatisch transport. zakvulinstallaties. 4. ©Nevedi handleiding 2005 ATEX-richtlijn 137 52 .1 kolom 5). interne stofafzuiginstallatie. stortbunker.Gelijkwaardig alternatief De klasse van de gevarenzone kan afgeleid worden uit figuur I. 6.Ga na of de afzuiging een voldoende capaciteit heeft. Bepaal voor de gevarenbronnen “Stofafzettingen” de klasse en afmetingen van de gevarenzones door na te gaan of er al dan niet een praktijk van schoonhuishouden is.of vrijkomingsfrequentie ervan na te gaan.

3 Nr Checkpunt J N Nvt Getroffen maatregelen / opmerkingen Afdeling 1. BINNEN DE APPARATUUR 1. steenmeel Na-hydrogeencarbonaat): De vorming van een explosief mengsel is onder alle bedrijfsomstandigheden met zekerheid verhinderd.1. Is er rekening mee gehouden dat na bijmenging van toereikende hoeveelheden zuurstof of lucht (bijv. ©Nevedi handleiding 2005 ATEX-richtlijn 137 53 .Bij alle storingen (ook diegene die zelden voorkomen). (Er is dus rekening gehouden met door een bedrijf en storingen veroorzaakte plaatselijke en tijdelijke schommelingen.1). De veiligheidsmarge tussen de experimenteel bepaalde zuurstofgrensconcentratie en de maximaal toelaatbare zuurstofconcentratie is bepaald.Bij alle storingen (ook diegene die zelden voorkomen).In alle bedrijfsomstandigheden (bv ook bij opstart en stilleggen). Inwerken op de brandbare stof: Vervanging van de brandbare stof? Vergroten van de korrelgrootte? Verhogen van de vochtigheid? In alle bedrijfsomstandigheden en ook bij (zeldzame) storingen verzekerd? Toevoegen van pasteuze producten? Geen gevaar voor ontmenging in alle bedrijfsomstandigheden en ook niet bij (zeldzame) storingen? 1.In alle bedrijfsomstandigheden (bijv. CO2. Inertisering (met gasvormige inerte stoffen zoals N2. en is te allen tijde verzekerd. NH3PO4. .waterdamp. bij uitstoot in de buitenlucht) een inert mengsel niet opnieuw explosief wordt? . Hou met deze informatie rekening bij de bepaling van de gevarenzones zoals beschreven in de volgende stappen. . ook bij opstart en stilleggen). Noteer (summier) de belangrijkste informatie over deze maatregelen bij de beschrijving van de activiteiten van de onderneming (tabel I. Tabel I.2. of met stofvormige inerte stoffen zoals CaSO4.registratieformulieren en dergelijke. edelgassen. en de tijdsvertraging voor de inwerkingtreding van geactiveerde voorzorgsmaatregelen?) Is bij de inertisering met waterdamp rekening gehouden met de invloed van condensatie? .

BUITEN DE APPARATUUR 2. 2. ook bij opstart en stilleggen). openingen in de afzuigleidingen). welke? ( bijv.Bij alle storingen (ook diegene die zelden voorkomen). 4. inspectieluiken en dergelijke voorzien van veiligheidscontacten): . controleren en handhaven van beschermingsmaatregelen ) Wordt ter voorkoming van het ontstaan van een gevaarlijke explosieve atmosfeer gebruik gemaakt van MRT? Zo ja. ORGANISATORISCHE MAATREGELEN ©Nevedi handleiding 2005 ATEX-richtlijn 137 54 .3.3. zuurstof) Heeft de MRT – inrichting een voldoende grote betrouwbaarheid? .Nr Checkpunt J N Nvt Getroffen maatregelen / opmerkingen Afdeling 1. MEET – & REGELTECHNIEK (MRT. Maatregelen voor het verwijderen van stofafzettingen (voornamelijk voorkomen van secundaire stofexplosies) Natte reiniging of centrale ( verdient de voorkeur) of mobiele stofzuiger. Gesloten en dichte apparaten en installaties : Zijn de apparaten / installaties gesloten en dicht? (bijv.Bij alle storingen ( ook diegene die zelden voorkomen). in werking stellen. 2. bewaking vochtigheid.In alle bedrijfsomstandigheden (bijv. Reinigingsprogramma opgesteld (met registratie) Stofafzuigingen na einde van de werkzaamheden nog tijdje laten werken 2.Bij alle storingen (ook diegene die zelden voorkomen). omkaste filtermouwen. concentratie inerte stof.In alle bedrijfsomstandigheden (bijv ook bij opstart en stilleggen).2 Ventilatie en afzuiging : Wordt gebruikgemaakt van ventilatie – of afzuigingsmaatregelen met voldoende capaciteit en bedrijfszekerheid? . Voorkomen van stofafzettingen in de apparatuur : Apparatuur constructief zo aanpassen dat stofafzettingen gemakkelijk en veilig kunnen gereinigd worden (bijv. .In alle bedrijfsomstandigheden (bijv ook bij opstart en stilleggen). . .1. Registratie van de reiniging? 3.

©Nevedi handleiding 2005 ATEX-richtlijn 137 55 . 8. Beschrijf zo nauwkeurig mogelijk de vastgelegde gevarenzones.1 kolom 9.Nr Checkpunt Worden organisatorische maatregelen getroffen om de doeltreffendheid van de technische maatregelen te waarborgen? Zo ja welke? .1. De gegevens dienen ingevuld te worden in tabel I.Wordt gebruik gemaakt van gekwalificeerde medewerkers? Zo ja. specificeer. Hoe wordt verzekerd dat de organisatorische maatregelen ook uitgevoerd worden? J N Nvt Getroffen maatregelen / opmerkingen Afdeling 7. Duidt de vastgelegde gevarenzones 20/21/22/NGG aan op de grondplannen en technische plannen (bovenaanzicht en/of zijaanzicht en/of dwarsdoorsnede). Motiveer en beoordeel wat is ingevuld in de tabel I. 9. Opmerking: De gevarenzone-indeling dient goedgekeurd te worden door de werkgever. Bij gebruik van gelijkwaardige alternatieven kolom 7 invullen. specificeer.Worden de werknemers geschoold? Zo ja.Periodiek en preventief onderhoud? Zo ja. specificeer. specificeer.Bedrijfsinstructies? Zo ja. 10. om tot de gevast gestelde zone-indeling te komen. . . .

DEEL C ©Nevedi handleiding 2005 ATEX-richtlijn 137 56 .

Aangepaste elektrische apparatuur.Het toepassen van een nieuwe technologie (grondstoffen.v. 3. . metalen bakken in een elevator.Interne interventieploeg en intern noodplan. .1 ORGANISATORISCHE MAATREGELEN De doeltreffendheid van getroffen (of te treffen) technische maatregelen kan vaak slechts gewaarborgd worden indien een aantal belangrijke en noodzakelijke organisatorische maatregelen voorafgaand is toegepast.Het veranderen of in dienst nemen van nieuwe arbeidsmiddelen. In volgorde van belangrijkheid moeten de volgende maatregelen getroffen worden: 1. Hierbij moet uitgelegd worden wat de getroffen en de voorzorgsmaatregelen (organisatorisch en technisch) zijn en wat gedaan moet worden bij noodsituaties. In dit hoofdstuk zullen eerst organisatorische maatregelen besproken worden. arbeidsmiddelen) Tijdens de opleiding dienen ten minste aan bod te komen waar.Het gebruik van kunststofbakken i. . ©Nevedi handleiding 2005 ATEX-richtlijn 137 57 .Explosiedrukontlastingsystemen. Vermijden / beperken van ontstekingsbronnen in gevarenzones zoals: .Het gebruik van pneumatisch gereedschap i.Het in dienst treden (voor aanvang werkzaamheden).Preventief onderhoud van de installaties. RISICOANALYSE ONTSTEKINGSBRONNEN EN MOGELIJKE GEVOLGEN In de zonering is bekeken hoe brandbaar stof weggenomen en beheerst kan worden.v. Bij het formuleren van beheersmaatregelen moet rekening gehouden worden met een zogenaamde preventiehiërarchie. .Het gebruik van vonkvrij gereedschap. 6.6. kan nagegaan worden welke ontstekingsbronnen wanneer (tijdens welke gebruiksfase van de installatie en bij welke werkzaamheden) in welke gevarenzone (kunnen) aanwezig zijn.Het veranderen van functie of afdeling. Opstellen van een procedure voor de opleiding van de eigen werknemers bij: .p. .Rookverbod en een procedure voor het uitschrijven van vuurvergunningen. . Deze organisatorische beheersmaatregelen moeten eerst uitgevoerd worden om daarna met enige efficiëntie meer toestelspecifieke maatregelen uit te voeren. .en beheersmaatregelen getroffen te worden. én wat hun doeltreffendheid of relevantie is.p. . . hoe en wanneer er explosiegevaar is of kan zijn.Explosieonderdrukkingssystemen. . 2. Vermijden dat de ontstekingsbronnen ook daadwerkelijk actief en effectief kunnen worden zoals: . Voorkomen of beperken van schade zoals: .Aarden van geleidende delen voor de afvoer van statische elektriciteit. Nu de gevarenzones gekend zijn. Daarmee rekening houdend dienen een aantal preventie. elektrische apparatuur.Het (ver)plaatsen van elektrische apparatuur buiten de gevarenzones. De organisatorische maatregelen die steeds gelden en getroffen moeten worden vooraleer de toestelspecifieke maatregelen genomen worden zijn: a. .

3. Beide stappen zijn wel verplicht voor de aanvullende eisen opgenomen in de bestelbon of voor aspecten die niet gedekt worden door dit keurmerk of door die controle. o Eventueel andere (risicovolle) onderhouds.en veiligheidsinstructies. slijpen) of de zogenaamde vuurvergunning. wordt schriftelijk ondersteund (o.De opleiding wordt op regelmatige tijdstippen herhaald. Betreffende het gebruik van arbeidsmiddelen wordt de werkgever verplicht de zogenaamde bestelprocedure bij aankoop en ingebruikname van nieuwe arbeidsmiddelen toe te passen. het ontstoppen van leidingen).m. o Werkzaamheden in besloten ruimtes (silo’s. rookverbod) d. De CE keuring geeft aan dat voldaan is aan de huidige wetgeving. c. Vóór de ingebruikname dient de interne preventieadviseur een verslag op te maken waaruit de naleving blijkt van de vigerende wetten en reglementen inzake veiligheid en hygiëne en de bijkomende voorwaarden opgenomen in de bestelbon. De werknemers dienen steeds te kunnen beschikken over de bedienings. Het doel van deze procedure is te voorkomen dat door de aankoop van arbeidsmiddelen nieuwe en ongekende risico’s in het bedrijf worden binnengebracht. Opstellen van een procedure voor de bestelling en het in gebruik nemen van (nieuwe) arbeidsmiddelen (inclusief draagbare en mobiele arbeidsmiddelen) en de collectieve en persoonlijke beschermingsmiddelen. schriftelijke procedures en instructies) en wordt geregistreerd. Opstellen van een procedure en instructies voor de inname van nieuwe grondstoffen: De procedure moet voorzien in een controle van de relevante veiligheidsparameters van de grondstoffen. Op die manier wordt voorkomen dat grondstoffen zouden worden verwerkt die ontstekingsgevoeliger zijn zonder dat men daarvan op de hoogte is (bv. Ook voor de collectieve en persoonlijke beschermingsmiddelen bestaan analoge wettelijke verplichtingen. o De te treffen maatregelen (zoals de plaats van de vrachtwagen.of herstelwerkzaamheden (bv. 2. De procedure bestaat uit drie stappen: 1. De bestelbon bij de bestelling dient de eis tot naleving van de vigerende wetten en reglementen inzake veiligheid en hygiëne (en eventueel bijkomende voorwaarden) te bevatten. Opstellen van een procedure voor het uitschrijven van werkvergunningen door een bevoegd persoon: Deze procedure dient voor: o Werkzaamheden met open vlam (lassen. bunkers). stilleggen motor. De 2 laatste stappen zijn niet van toepassing voor zaken die een merk van goedkeuring dragen (bv machines met CE-markering). ©Nevedi handleiding 2005 ATEX-richtlijn 137 58 . De werkgever organiseert het toezicht op de naleving van de instructies. b. én alle overige relevante informatie. aansluiten op aardingsklem. Bij de levering dient een attest meegeleverd te worden waarin de leverancier verklaart dat voldaan is aan de eisen opgenomen in de bestelbon. concentratie hexaan in schroot of stofklasse 3 grondstoffen) De instructies voor de inname van de grondstoffen maken melding van: o De gevaren en risico’s bij inname.

o Een smeringsprogramma. o Apparatuur en middelen die nodig zijn voor collectieve en persoonlijke bescherming. f. Opstellen van een procedure voor periodiek & preventief onderhoud van arbeidsplaatsen. o Controle van (het blijven bestaan van) de veiligheid van de installatie. h. Er dient voorzien te worden in de schriftelijke registratie van de uitgevoerde werkzaamheden.: o Een periodieke visuele controle en een periodieke uitlijning van bewegende delen. ©Nevedi handleiding 2005 ATEX-richtlijn 137 59 . installaties en beveiligingssystemen: Preventieve onderhoudsschema’s moeten storingen voorkomen en de goede werking garanderen. Er zijn schriftelijke instructies opgesteld en toegelicht voor het uitvoeren van onderhouds. Opstellen van procedures en instructies voor het gebruik van draagbare en mobiele arbeidsmiddelen. Een passende markering van de arbeidsmiddelen en beschermingsmiddelen moeten verkeerd gebruik uitsluiten. kunnen gebundeld worden. Daarbij kan gebruik worden gemaakt van de informatie van de fabrikant en bevatten o.en herstelwerkzaamheden (bijv. o De gevaren. Procedures voor e. o Het in beslag nemen en weer in gebruik nemen van installaties.a. o De noodzakelijke voorzorgsmaatregelen (waarbij de verantwoordelijke persoon de voorzorgsmaatregelen aftekent om te laten zien dat deze maatregelen zijn genomen). arbeidsmiddelen en arbeidsplaatsen. g. e. arbeidsmiddelen. Opstellen van procedures en instructies voor onderhoudswerkzaamheden: Volgende procedures dienen voorzien te worden: o Melding en opvolging van defecten en gevaarlijke situaties. het ontstoppen van leidingen). o Aanvaarding en bevestiging van de afspraak. o Alle betrokkenen op de hoogte stellen van het einde van de werkzaamheden. werkkleding en persoonlijke beschermingsmiddelen in de gevarenzones: Op die manier wordt verzekerd dat de draagbare en mobiele arbeidsmiddelen en de persoonlijke beschermingsmiddelen aangepast zijn aan de zoneklasse (beschermingsgraad en beveiligingscategorie) waarin ze gebruikt worden.In de werkvergunning staan minimaal de volgende gegevens: o De locatie en aard van de werkzaamheden. en f.indeling). Opstellen van een procedure voor de reiniging van arbeidsplaatsen en -middelen: Dit komt neer op het toepassen van de praktijk van schoonhuishouden (zie ook de gevarenzone. o Een periodieke controle (of meting) van de elektrische conductiviteit van de verschillende mechanische elementen ten einde accumulatie van statische elektriciteit te vermijden. De reparaties en revisies van elektrische en niet-elektrische apparatuur en beveiligingssystemen (uit de gevarenzones) gebeuren door een bevoegd persoon of firma. o Wanneer de werkzaamheden beginnen en wanneer ze naar verwachting eindigen.

persluchtvaten en hefwerktuigen moeten periodiek gecontroleerd worden. brandbestrijdingsmiddelen. er passend gevolg gegeven wordt aan de vastgestelde afwijkingen. de verwarmingsinstallaties. stoomtoestellen. uitvoering en opvolging van de periodieke controles: Elektrische installaties. Als geheugensteun staan de bovenvermelde organisatorische maatregelen opgesomd in bijlage III deel C tabel III. j. de noodverlichting e.i. l.1 “Extra informatie”. en (schriftelijk vastgelegde) afspraken m. m. Opstellen van een procedure voor de planning. én dat de eigen werknemers niet blootgesteld worden aan nieuwe (ongekende) risico’s te wijten aan de uitvoering van die werkzaamheden. uitvoering en opvolging van de periodieke controles: Elektrische installaties. Indien de werkzaamheden plaats vinden in (of in de buurt van) gevarenzones zal aandacht moeten worden besteed aan: o De bijzondere voorwaarden voor de uitvoering van de werkzaamheden. k. Dit noodplan moet toegelicht worden aan de betrokken werknemers en regelmatig worden geoefend. explosie). Het hoofddoel van deze procedure is er voor te zorgen dat de werknemers van een bedrijf van buitenaf die werkzaamheden komen uitvoeren een gelijkwaardige bescherming hebben als de eigen werknemers. Opstellen van een procedures in het geval van nood: De werkgever is verplicht een zogenaamd intern noodplan op te stellen waarin duidelijk vermeld wordt wie wat en hoe moet doen in het geval van nood (brand.t. o De specifieke maatregelen ter bescherming tegen het explosiegevaar. o De te treffen maatregelen in geval van nood of storingen. ©Nevedi handleiding 2005 ATEX-richtlijn 137 60 .b. de waarschuwingsen alarmeringsmiddelen. o De explosiegevaarlijke plaatsen. De procedure moet verzekeren dat de controles tijdig uitgevoerd worden en er passend gevolg gegeven wordt aan de vastgestelde afwijkingen. te treffen preventiemaatregelen. In de procedure zal dan ook een wederzijdse uitwisseling van informatie moeten zijn voorzien.d. Een schriftelijke registratie van de controles en de gevolgen die er aan gegeven worden zijn noodzakelijk. Opstellen van een procedure voor het “Werken met derden“: Hiermee worden werkzaamheden bedoeld waarbij werknemers betrokken zijn van vreemde werkgevers. De procedure moet verzekeren dat de controles tijdig uitgevoerd worden. Daarnaast dient ook de bhv geregeld te zijn. Hierop kunnen de genomen maatregelen aangevinkt worden. moeten periodiek gecontroleerd worden door een bevoegd persoon. Opstellen van een procedure voor de planning. Rookverbod: Overal.

Zie stap 2 van de zonering. 10. 5. Elektrische installaties en .2 Maatregelen bij niet-productietoestellen en installaties Daar het Nederlands en Europees recht oplegt dat: Er in de gevarenzones enkel aangepaste elektrische installaties en toestellen mogen worden gebruikt. 4. zonder afwijkingen) en actueel controleverslag betreft. De veiligheidsparameters van de betrokken brandbare stof. kunnen en mogen we er vanuit gaan dat de elektrische ontstekingsbronnen.a. Indien het een blanco (d. Elektromagnetische straling in het radiofrequentiegebied (104 Hz tot 3x1012 Hz). Exotherme chemische reacties. 11.2. zoals de minimale ontstekingsenergie van stofwolken. Zwerfstromen en kathodische bescherming.1 Ontstekingsbronnen en hun doeltreffendheid Als de organisatorische maatregelen genomen zijn zal het ook noodzakelijk zijn algemene technische maatregelen te nemen ter voorkoming en beheersing van de ontstekingsbronnen en de explosie-risico’s. De eerste 7 categorieën zijn de belangrijkste en de meest voorkomende ontstekingsbronnen. Een belangrijk criterium dat de aard en de omvang van de te treffen technische maatregelen bepaalt is de doeltreffendheid of relevantie van de ontstekingsbronnen.materieel. Hete oppervlakken.2 ALGEMENE TECHNISCHE MAATREGELEN 6. te wijten aan de vast opgestelde elektrische installaties en apparatuur. Overeenkomstig NEN-EN 1127-1:2007 NL worden 13 soorten ontstekingsbronnen onderscheiden: 1. Statische elektriciteit. veroorzaakt door de vast opgestelde elektrische apparatuur en installaties. 2. 13. Mechanische vonken en lasvonken. eerst moeten worden geïnventariseerd. 9. Bliksem. Elektromagnetische straling in het optische gebied (3x1011 Hz tot 3x1015 Hz).6. De aard en omvang van die technische maatregelen zal in de eerste plaats bepaald worden door de aard van de (potentiële) ontstekingsbronnen. 8. 6. 7. De potentiële ontstekingsbronnen zullen m.w. voldoende beheerst zijn. ©Nevedi handleiding 2005 ATEX-richtlijn 137 61 . Maatregelen voor vast opgestelde elektrische apparatuur en installaties Voor de elektrische ontstekingsbronnen. 12. kunnen we ons omwille van het bovenstaande beperken tot het opvragen van het controleverslag van de elektrische installaties en toestellen in de gevarenzones.z.w. 6. Ioniserende straling. Schokgolven en stromende gassen. Ultrasoon geluid.2. En dat de conformiteit van de elektrische installaties en toestellen in de gevarenzones moet worden nagegaan. A. Voor nadere uitleg over de betekenis van deze begrippen wordt verwezen naar hoofdstuk 2 van Deel A van deze handleiding. Vlammen (open vuur ) en hete gassen. 3. de glimtemperatuur van stofafzettingen en de zelfontstekingstemperatuur van stofwolken. De doeltreffendheid van een ontstekingsbron is afhankelijk van: De energie-inhoud van de ontstekingsbron.

Aftak.Schakelende toestellen.De technische informatie van de apparatuur te verzamelen. ©Nevedi handleiding 2005 ATEX-richtlijn 137 62 . . . Indien geen blanco controleverslag (d. 30 van deel A van deze handleiding). p. .3 Deel C. .Verlichtingstoestellen. toestellen en beveiligingsystemen: Een geschikte IP-graad hebben (afhankelijk van de zoneklasse waarin ze gebruikt worden).Looplampen. o De Economische ATEX-richtlijn indien ze voor het eerst in gebruik genomen werden na 30/06/03 (zie ook Hoofdstuk 3 van deel A van deze handleiding).z.en aansluitdozen. Daarnaast dienen voor de elektrische apparaten en installaties in de gevarenzones die pas na 30/06/03 in gebruik genomen werden de nodige EG-verklaringen van overeenstemming met de ATEX 95-richtlijn kunnen worden overgelegd.w.De toestellen en hun identificatiegegevens te inventariseren.Elektrisch aangedreven handgereedschap. hefwerktuigen zoals een takel. Afwijkingen die niet op korte termijn kunnen weggewerkt worden dienen samen met de te treffen maatregelen opgenomen te worden in een plan van aanpak zie tabel II. Met de verplaatsbare elektrische apparatuur worden o. Om voldoende zekerheid te hebben over de actualiteit en volledigheid van het controleverslag. Een geschikte maximale oppervlaktetemperatuur (afhankelijk van de glimtemperatuur en de ontstekingstemperatuur van het stof). .Mobiele afzuiging. én om te kunnen voldoen aan de aantoningsplicht is het absoluut noodzakelijk dat in het controleverslag duidelijk en ondubbelzinnig omschreven is over welke apparatuur het gaat. .Verlengkabels. .Meet. . .m. beveiligingssystemen. . De risicoanalyse zelf houdt in dat moet worden nagegaan of de arbeidsmiddelen. .Silolift.4. Maatregelen voor de verplaatsbare elektrische apparatuur die gebruikt worden in de gevarenzones Daar dergelijke toestellen bijna uitsluitend aanleiding kunnen geven tot elektrische ontstekingsbronnen (vonken en warm oppervlak) volstaat het: .en communicatieapparatuur.en regelapparatuur. .Elektrische heftruck of transpalet.Elektrisch aangedreven stofzuiger.Onder de vast opgestelde elektrische installaties en toestellen wordt verstaan: .Motoren. . .Verwarmingstoestellen. . B.Na te gaan of ze beantwoorden aan: o De voorschriften opgenomen in de artikels 111-113 van het Nederlands en Europees recht (zie ook rubriek 3.Meet. er zijn afwijkingen) kan worden overgelegd dienen de vastgestelde afwijkingen (zo snel mogelijk) weggewerkt te worden en dient een nieuwe controle van de elektrische apparatuur en installaties in de gevarenzones uitgevoerd te worden.Radio. bedoeld: .

Maatregelen voor overige arbeidsmiddelen. http://www. Daar het hier kan gaan om zeer uiteenlopende arbeidsmiddelen. C. toestellen en beveiligingsystemen die in de gevarenzones (kunnen) worden gebruikt én niet behoren tot de eigenlijke productie-installaties én nog andere dan elektrische ontstekingsbronnen kunnen veroorzaken.safetynet. niet-aangedreven handgereedschap e. Een inschatting van de frequentie van optreden van de ontstekingsbron. De gevarenzones gemarkeerd zijn. 2. Hierbij is bijvoorbeeld te denken aan heftrucks of andere transportvoertuigen die rijden op diesel of LPG. Vastgestelde afwijkingen dienen samen met de te treffen maatregelen opgenomen te worden in een plan van aanpak zie tabel II. - 6.2. nutsvoorzieningen. De mogelijke oorzaken van optreden. toestellen en beveiligingssystemen en verschillende types ontstekingsbronnen is het bijna onmogelijk om hiervoor een aantal algemeen geldende en eenvoudige voorschriften op te stellen. toestellen en beveiligingssystemen die pas na 30/06/03 voor het eerst gebruikt werden. toestellen of beveiligingssystemen Bovenstaande werkwijze kan ook worden gevolgd voor vaste en verplaatsbare arbeidsmiddelen.d. toestellen en beveiligingssystemen zal dus een inventaris opgesteld moeten worden. toestellen en beveiligingssystemen die pas na 30/06/03 voor het eerst gebruikt werden (afhankelijk van de zoneklasse waarin ze gebruikt worden). Voorzien zijn van de voorgeschreven markeringen en vergezeld gaan van de voorgeschreven EG verklaring van overeenstemming voor die arbeidsmiddelen. Ook voor die arbeidsmiddelen.3 deel C.html) 6 ©Nevedi handleiding 2005 ATEX-richtlijn 137 63 .3 Risicoanalyses van productietoestellen en installaties 1.Een geschikte beveiligingscategorie voor die arbeidsmiddelen.1: Frequentie ontstekingsbronnen Waarschijnlijkheid Veelvuldig (V) Waarschijnlijk (W) Toevallig (T) Weinig waarschijnlijk (WW) Onwaarschijnlijk (O) Specifieke kenmerken Komt frequent voor Komt regelmatig voor gedurende levensduur Komt wel eens voor gedurende levensduur Onwaarschijnlijk maar mogelijk gedurende levensduur Hoogst onwaarschijnlijk gedurende levensduur Overgenomen van het Europese RASE – project (Risk Assessment of Unit Operations and Equipment. Hiervoor werd het volgend classificatiesysteem6 gebruikt: Tabel 6.de/EC-Projects/Rase.

000 à 1.De veiligheidsparameters van de betrokken stoffen (de maximale explosiedruk en de explosieklasse).000.000 of meer Eén dode 100. Vervolgens werd voor ieder toestel of installatie vastgelegd welke frequentieverlagende maatregelen er moeten worden genomen.De plaats van de installaties (bijv.000 à 100. .000 € Merk op dat het in deze fase van de studie de bedoeling is dat de ernst van een explosie wordt bepaald voor de “onbeveiligde toestand”. De doeltreffendheid of relevantie van de ontstekingsbron.De eigenschappen van de toestellen en installaties (bijv.2: Ernst van een explosie Ernst Catastrofaal Zeer ernstig Kritisch Marginaal Incidentenomschrijving Naar personen Naar installaties Talrjjke doden 1. volume van een silo).000 € Beperkte letsels < 10. buiten of midden in de fabriek). In ieder geval heeft de werkgever de wettelijke verplichting schade ten gevolge van een explosie zo veel mogelijk te voorkomen. . Tabel 6. Maar zelfs dan hebben we geen absolute. Het is de verantwoordelijkheid van de werkgever om te beslissen of en welke (bijkomende) ernstverlagende maatregelen zullen worden genomen.3.3 deel C.De toestellen en installaties die verbonden zijn met het beschouwde toestel.De aanwezigheid van personen en hun aantal. statistische zekerheid dat er nooit een stofexplosie zal optreden.3 deel C. . De ernst van een mogelijke explosie zal onder meer worden bepaald worden door: . Vastgestelde afwijkingen dienen samen met de te treffen maatregelen opgenomen te worden in een plan van aanpak. Bij voorkeur wordt in de studie ook geargumenteerd waarom een bepaalde maatregel wordt getroffen.000. ©Nevedi handleiding 2005 ATEX-richtlijn 137 64 . De mogelijke ernst van de gevolgen van een stofexplosie zal bepalend zijn of (nog bijkomende) ernstverlagende maatregelen dienen te worden genomen. Door alle bovenvermelde preventiemaatregelen te nemen en toe te passen zal de kans op een stofexplosie aanzienlijk verkleind worden. . Indien de werkgever beslist om één of meerdere ernstverlagende maatregelen in te voeren dient hij deze op te nemen in het actiepan voor regularisatie zie tabel II.000 € Zware letsels 10. en indien dat niet mogelijk is de schade te beperken. Zie tabel II. Per toestel wordt een aantal mogelijke ernstverlagende maatregelen opgesomd.

Technische maatregelen TER BESCHERMING TEGEN HET ©Nevedi handleiding 2005 ATEX-richtlijn 137 65 . Dit zijn de Stappen 3 t/m 9 van deel B en Stap 10 de grondplattegronden en de technische plannen. 3.2.1.) en ook één of meerdere grondplannen en breng ze onder de rubriek “Administratieve gegevens”. Wettelijk kader en betrokken personen Verzamel de voornaamste algemene administratieve gegevens van de onderneming (naam. Ook de gevarenzone – indeling vormt een onderdeel van het document.2. Inhoud explosieveiligheidsdocument: 1. Beschrijvend gedeelte van de procédés en/of activiteiten 1.. intern preventieadviseur.3.3. Tabel veiligheidsparameters van de betrokken stoffen Breng de opgestelde beschrijving van het productieproces (Stap 1 en Stap 2 van het stappenplan deel B) onder in de rubriek “Beschrijving opslagplaatsen en het productieproces”. Hieronder is de korte inhoudstabel van het explosieveiligheidsdocument weergegeven met een praktische beschrijving over hoe men dit document samenstelt. Stroomschema 1. 4. Gebouw – en ruimteaanduiding 1. .1 deel C).Lijst verplaatsbare en vastopgestelde elektrische apparatuur per afdeling. EXPLOSIEVEILIGHEIDSDOCUMENT De werkgever heeft de verplichting om een explosieveiligheidsdocument op te stellen. Referentiedocumenten en definities 3. aantal werknemers.1..Het meest recente controleverslag van de elektrische installaties in de gevarenzones. . 2.1. Inventarisatie van de potentiële gevarenbronnen 3. RISICOANALYSE / INVENTARISATIE EN ONTSTEKINGSBRONNEN EN EXPLOSIERISICO’S EVALUATIE VAN DE Breng de hieronder vermelde documenten onder in de rubriek “Risicoanalyse / inventarisatie en evaluatie van de ontstekingsbronnen en explosierisico’s” : . Gevarenzone – indeling ( zone en afmetingen ) Breng de opgestelde gevarenzone-indeling onder in de rubriek “Risicoanalyse / Gevarenbronnen en zonering”. GETROFFEN MAATREGELEN EXPLOSIEGEVAAR 5. RISICOANALYSE / GEVARENBRONNEN EN ZONERING 3. bedrijfsleider.7.adres. . BESCHRIJVING OPSLAGPLAATSEN EN HET PRODUCTIEPROCES 1.De ingevulde stamkaart (tabel II.2.3.1. ADMINISTRATIEVE GEGEVENS 1.2. 5. Organisatorische maatregelen 5.Organisatorische maatregelen per afdeling. Algemeen 1. Uit het document moet ondermeer blijken dat de explosierisico’s geïdentificeerd en beoordeeld zijn en dat afdoende maatregelen genomen zullen worden.

2 deel C). HANDTEKENING EINDVERANTWOORDELIJKE(N) 9.Een overzicht van de getroffen technische maatregelen die genomen zijn per afdeling en per arbeidsmiddel (tabel II.3 ‘Plan van aanpak’ onder in de rubriek “Actieplan met te nemen maatregelen”. registratieformulieren en verslagen opgesteld in het kader van de getroffen organisatorische maatregelen. BIJLAGEN Bijlage 1 : Plannen (plattegrond. Bij het vastleggen van de deadlines dient rekening gehouden te worden met de volgende bepaling “vanaf 30/06/03 mogen installaties. . . ACTIEPLAN MET TE NEMEN MAATREGELEN Breng de ingevulde tabel II.1 of II. 7. Stel daarom een beheerder aan en voer een periodieke evaluatie van het document in. BEHEER VAN HET EXPLOSIEVEILIGHEIDSDOCUMENT Uiteraard is het de bedoeling dat het explosieveiligheids-document actueel gehouden wordt. 6.Breng de hieronder vermelde documenten onder in de rubriek “Getroffen maatregelen ter bescherming tegen het explosiegevaar” : .De schriftelijke procedures. evacuatiewegen nooduitgangen) Bijlage 2 : Stroomschema van het procédé met vaste brandbare stoffen Bijlage 3 : Veiligheidsinformatiebladen van de betrokken stoffen Bijlage 4 : Zoneringstekeningen – stofontploffingsgevaar Bijlage 5 : Organisatorische maatregelen – stofontploffingsgevaar Bijlage 6 : Technische maatregelen – stofontploffingsgevaar & ©Nevedi handleiding 2005 ATEX-richtlijn 137 66 . apparaten. instructies. opstellingsschema. 8.Alle beschikbare attesten en EG – verklaringen van overeenstemming van de apparaten en beveiligingssystemen die (kunnen) gebruikt worden in de gevarenzones. beveiligingssystemen en alle erbij horende verbindingsstukken die worden gebruikt of ter beschikking gesteld van de werknemers slechts in bedrijf worden genomen of gehouden wanneer uit het explosieveiligheidsdocument blijkt dat aan het gebruik ervan geen explosiegevaar verbonden is”.

FLOW-SCHEMA: PLAN VAN AANPAK EXPLOSIEVEILIGHEIDSDOCUMENT Bekend met de Neem deel A door Ja Nee Is de fabriek Ja Nee Bent u in het bezit van een Nee Ja Volg de werkwijze van bijlage I deel B Volg de werkwijze bijlage II van deel C Volg de werkwijze bijlage III van deel C H1 theorie I.3 Plan van aanpak stofwolke I.5 Ventilatie omstandigheden - II.1 Stamkaart afdeling H2 wet of III.8.7 Openingen in gevarenzone I.1 Neem de checklijst organisatorische maatregelen door II.1 Beschrijving productieproces I.2 Neem de vragenlijst door I.2 Stamkaart arbeidsmiddel III.4 maatregelen (technisch/ organisatorisch ) I.8 Gevarenzones Gegevens voor Stamkaart Afdeling I.3 Gevarenbronnen Gegevens voor Stamkaart Arbeidsmiddel II.2 Inventarisatie grondstoffen I.9 Plattegronden en technische plannen ©Nevedi handleiding 2005 ATEX-richtlijn 137 67 .6 Klasse en afmeting stofafzetting I.

BIJLAGE II: RISICOANALYSE ONTSTEKINGSBRONNEN EN EXPLOSIEGEVAAR ©Nevedi handleiding 2005 ATEX-richtlijn 137 68 .

Nr.1a: Stamkaart Afdeling Stamkaart Explosieveiligheidsdocument Arbeidsmiddel: Afdeling: Productielocatie: Nr.1: Stamkaart Afdeling Stamkaart Explosieveiligheidsdocument Afdeling: Algemene gegevens Zone + argumentatie Organisatorische maatregelen + argumentatie Productielocatie: Nr. Arbeidsmiddel Identificatie Uren/Jaar Product: gemengd Stofklasse Extra borging Afzuiging nummer of grondstof Tabel II. Algemene gegevens Functie arbeidsmiddel Datum in dienst Technische documentatie J / N Aanwezigheid handleiding J / N Aanwezigheid instructiekaart J / N Zone machine Zone omgeving IP-graad motor Risico identificatie potentiële ontstekingsbronnen Bronvermelding Beschermingswijze Mogelijke ontstekingsbronnen Relevant Oorzaak Frequentie Toegepaste bescherming Omschrijving Organisatorische maatregelen Technische maatregelen Opmerking ©Nevedi handleiding 2005 ATEX-richtlijn 137 69 .Tabel II.

2: Stamkaart Arbeidsmiddel Stamkaart Explosieveiligheidsdocument Arbeidsmiddel: Afdeling: Locatie: Nr.m/s) Minimum ontstekingsenergie (mJ) Minimum ontstekingstemperatuur (ºC) Maximale oppervlaktetemperatuur 2/3 van de minimum ontstekingstemperatuur (ºC) Explosiegrenzen LEL Productie uren op jaarbasis Risico identificatie Potentiële Relevant Frequentie Ernst ontstekingsbronnen Ja/nee Spontane reactie Hete oppervlakte Vlammen. Algemene gegevens Functie arbeidsmiddel Datum in dienst Technische documentatie J / N Aanwezigheid handleiding J / N Aanwezigheid instructiekaart J / N Omschrijving product(en) Deeltjes grootte (mm) Vochtgehalte (%) Kst Waarde (bar.Tabel II. hete gassen incl. hete deeltjes Mechanische vonken Slijp en lasvonken Elektrische energie Statische elektriciteit Bliksem Zwerfstromen Elektrische magnetische straling Hybride mengsel Stofklasse Brandklasse CE Oorzaak Risicobepaling Opmerkingen Zone machine Zone omgeving Verantwoordelijk voor zone indeling: Naam: Afdeling: Toegepaste bescherming Motoren Explosiebeveiliging Afzuiging Reiniging Aanduiding ontploffingsgevaar Onderhoudsprogramma Vergunningssysteem Omschrijving IP Opmerking ©Nevedi handleiding 2005 ATEX-richtlijn 137 70 .

Per arbeidsmiddel/ groep dient een aparte kaart ingevuld te worden.3 “Plan van aanpak”. instructies en registratieformulieren.1a deel C het arbeidsmiddel. 5) Vul de algemene gegevens is.1 Checklist “Organisatorische Maatregelen” (Bijlage III. toestellen en beveiligingssystemen die opgesteld staan of (kunnen) worden gebruikt in de gevarenzones en die niet behoren tot de eigenlijke productie-installatie. deel C).1 (bijlage II. deel C). Ook de ernstverlagende maatregelen die zullen worden getroffen dienen te worden opgenomen in de tabel II. de aanwezigheid van gemengd product of grondstof. Arbeidsmiddelen zijn vast opgestelde en verplaatsbare elektrische apparatuur en installaties in de gevarenzones.1 en tabel II. 7) Neem eventuele afwijkingen samen met de te treffen maatregelen op in de tabel II. Noteer per arbeidsmiddel de volgende kenmerken. Daarnaast vaste en verplaatsbare overige arbeidsmiddelen.1a) bouwt verder op de zonering van deel B.1 en tabel II.1a vermeld hoe men te werk dient te gaan. In deze handleiding zijn twee methodes aangeboden om de risicoanalyse te maken.1 (bijlage I. Verzamel de beschikbare documenten zoals procedures. Deze lijst dient gebruikt te worden als geheugensteun voor mogelijk te nemen maatregelen. Daarnaast is deze methode geschikt voor fabrieken die duidelijke afscheidingen hebben tussen de verschillende procesonderdelen.2 geschikt om te gebruiken.Praktische werkwijze Met behulp van de informatie uit deel C van de handleiding en met behulp van de formulieren uit deze bijlage ‘Bijlage Risicoanalyse ontstekingsbronnen en explosiegevaar’: is een risicoanalyse uit te voeren. 2) Doorloop de tabel III. Bij deze tabel wordt meteen op arbeidsmiddenniveau ingezoomd. het identificatienummer. afdeling. of verzamel de verwijzingen naar die documenten. Maak gebruik van de informatie uit bijlage I deel B. Dit dient overeen te komen met de gegevens in tabel II.3 deel C. Hieronder staan de stappen voor tabel II. 3) Noteer per afdeling de aanwezige arbeidsmiddelen.3 (bijlage II. aanwezigheid van een explosieve atmosfeer in een aantal uren/jaar. De eerste methode (tabel II. deel C) invullen met de gegevens uit tabel I. stofklasse en de aanwezigheid van een extra borging. Voor fabrieken die geen duidelijk scheiding hebben tussen de procesonderdelen is tabel II. productielocatie en nummer van het arbeidsmiddel. deel B).1 deel C. ©Nevedi handleiding 2005 ATEX-richtlijn 137 71 .2 deel C. 4) Noteer in tabel II. 1) De eerste stap is per afdeling tabel II. 6) Vul de rest van de stamkaart in aan de hand van paragraaf 1. Eventuele vastgestelde afwijkingen dienen samen met de adviserende maatregelen opgenomen te worden in het “Plan van aanpak” zie tabel II.

uitvoering ©Nevedi handleiding 2005 ATEX-richtlijn 137 72 .3: Plan van aanpak Nr Afdeling Punt van aandacht Verantwoordelijke Uitvoerings termijn Budget / Middelen Verantw.Tabel II.

BIJLAGE III: EXTRA INFORMATIE ©Nevedi handleiding 2005 ATEX-richtlijn 137 73 .

De getroffen en te treffen voorzorgsmaatregelen (organisatorisch en technisch). . c Procedure en instructies voor de inname van (nieuwe) grondstoffen: Procedure voorziet in een controle / analyse van de relevante eigenschappen van de grondstoffen (bijv.Waar.Wordt geregistreerd (hulpmiddel is een opleidingsmatrix) Tijdens de opleiding komen ten minste aan bod : . procedures en veiligheidsinstructies). d Procedure voor het uitschrijven van werkvergunningen door een bevoegd persoon : Nr Opmerkingen ©Nevedi handleiding 2005 ATEX-richtlijn 137 74 .).Het in dienst treden. Er bestaan instructies voor de inname van grondstoffen met vermelding van : .Het toepassen van een nieuwe technologie. Er wordt passend gevolg gegeven aan de eventuele vastgestelde afwijkingen. aansluiten op aardingsklem. . toegangsverbod . Verslag voor indienststelling wordt opgesteld door de intern preventieadviseur.Wordt op regelmatige tijdstippen herhaald. rookverbod. . . stilleggen motor.Het veranderen of in dienst nemen van nieuwe arbeidsmiddelen.Het veranderen van werkpost of functie.. Er is toezicht op de naleving van de instructies. veiligheidsparameters).Wat te doen bij noodsituaties.m. .De te treffen maatregelen (standplaats van vrachtwagen.De gevaren en risico’s.Wordt schriftelijk ondersteund (o. . . hoe en wanneer er explosiegevaar is of kan zijn.Tabel III. .1: Checklist Organisatorische Maatregelen Checklist Organisatorische Maatregelen Maatregel Beoordeling (ja/neen/nvt) a Procedure voor de opleiding van de werknemers 0pleiding voorzien bij : .. concentratie hexaan in schroot. b Procedure voor de bestelling en in dienst name van (nieuwe) arbeidsmiddelen en van de collectieve en persoonlijke beschermingsmiddelen: Bestelbon wordt opgesteld en getekend door de intern preventieadviseur. De werknemers kunnen te allen tijde de bedienings – en veiligheidsinstructies en alle overige relevante informatie raadplegen. De opleiding : .

Er is schriftelijke registratie van de uitgevoerde onderhoudswerkzaamheden. Jaarlijkse controle (of meting) van de elektrische conductiviteit van de verschillende mechanische elementen ten einde statische elektriciteit te vermijden. bunkers). e Procedure voor periodiek en preventief onderhoud van arbeidsplaatsen. ontstoppen van leidingen).Eventueel andere onderhouds – of herstelwerkzaamheden (bijv. . arbeidsmiddelen.Nr Checklist Organisatorische Maatregelen Maatregel Beoordeling (ja/neen/nvt) Er bestaat een procedure voor het uitschrijven van werkvergunningen voor : . De mobiele en draagbare arbeidsmiddelen en collectieve beschermingsmiddelen.. arbeidsmiddelen en arbeidsplaatsen. die gekend zijn bij de werknemers. g Procedure voor het gebruik van mobiele en draagbare arbeidsmiddelen. Er is toezicht op de correcte naleving van de bepalingen opgenomen in de werkvergunning.Werkzaamheden met open vlam (lassen. Er zijn instructies opgesteld en toegelicht voor het uitvoeren van onderhouds – en herstelwerkzaamheden (bijv. De conformiteit van nieuwe of herstelde of gereviseerde arbeidsmiddelen en (installatie)onderdelen met de wettelijke bepalingen en de gevarenzone-indeling wordt nagegaan vóór in dienst name. slijpen. h Procedure voor de reiniging van arbeidsplaatsen en – middelen: Opmerkingen ©Nevedi handleiding 2005 ATEX-richtlijn 137 75 . de werkkledij en pbm’s zijn passend gemerkt zodat verkeerd gebruik uitgesloten is . f Procedure voor onderhoudswerkzaamheden: Er is een procedure voor de melding en opvolging van defecten en gevaarlijke situaties. werkkledij en persoonlijke beschermingsmiddelen in de gevarenzones: Er bestaan schriftelijke instructies ter zake. installaties en beveiligingssystemen: Er bestaan preventieve onderhoudsschema’s opgesteld op basis van de aanbevelingen van de fabrikant.Werkzaamheden in besloten ruimten (silo’s. het ontstoppen van leidingen). De herstellingen en revisies van elektrische en niet – elektrische apparatuur en beveiligingssystemen (uit de gevarenzones) gebeuren door een bevoegd persoon of firma. In de werkvergunning staan minimaal de gegevens zoals vermeld in de handleiding. Er bestaat een procedure voor de in beslagname en terug in gebruikstelling van installaties. ..).

zodat voldaan is aan de praktijk van schoonhuishouden. uitschakelen ontstekingsbronnen. Er wordt passend gevolg gegeven aan de vastgestelde afwijkingen.1. de verwarmingsinstallaties. uitvoering en opvolging van de periodieke nazichten van installaties en arbeidsmiddelen: De elektrische installaties. Het intern noodplan werd toegelicht aan de betrokken werknemers en wordt regelmatig geoefend. de brandbestrijdingsmiddelen. m Rookverbod: In de gevarenzones (en bij voorkeur algemeen) geldt een strikt rookverbod. Er zijn instructies opgesteld en toegelicht voor het uitvoeren van de reinigingen (bijv. van de handleiding te lezen. Opmerkingen Noot : Bij het overlopen van de checklist is het aan te raden de toelichting onder 6. … worden regelmatig nagezien door een bevoegd persoon. l Noodprocedures: Er is een intern noodplan opgesteld dat ten minste de noodsituaties brand en explosie behandeld. j Procedure voor de planning. k Procedure Werken met derden: De wettelijk voorgeschreven procedure is voorzien (mét schriftelijk contract).de noodverlichting. Er is schriftelijke registratie van de nazichten. Er is voorzien in de schriftelijke registratie van uitgevoerde reinigingen. persluchtvaten en hefwerktuigen worden periodiek (volgens de wettelijke frequentie ) gecontroleerd door een Externe Dienst voor Technische Controles op de Werkplaats. de waarschuwings – en alarmeringsmiddelen. stoomtoestellen.Nr Checklist Organisatorische Maatregelen Maatregel Beoordeling (ja/neen/nvt) Er bestaan schriftelijke reinigingsprogramma’s. dragen persoonlijke beschermingsmiddelen). Er is een interne interventieploeg opgericht en opgeleid. ©Nevedi handleiding 2005 ATEX-richtlijn 137 76 . uitvoering en opvolging van de periodieke controles van installaties en arbeidsmiddelen: De elektrische installaties. Er wordt passend gevolg gegeven aan de vastgestelde afwijkingen. verbod gebruik perslucht. Rookverbod is op afdoende wijze gemarkeerd en wordt gerespecteerd. i Procedure voor de planning.

Vragen Algemeen 1 Is er een instructie waaruit Norm ja nee onbekend toelichting 2 3 4 blijkt dat roken verboden is binnen de gebieden die vallen onder de ATEX zonering? Is er markering aanwezig welke wijst op explosierisico? Is er markering aanwezig welke wijst op rookverbod? Voldoen de elektrische installaties aan de zone-eisen? Bij alle ingangen van de fabriek Bij alle ingangen fabriek + losen laadpunten Zone 20: IP6X.0 mg/m3 is mag in werkruimten worden geblazen. binnen 2. Stofuitstoot buiten het Zijn de transporten van grondstoffen en eindproducten systeem (machines.5 m/s ©Nevedi handleiding 2005 ATEX-richtlijn 137 77 .5. transport etc.en lospunten indien stofgehalte in de lucht in deze ruimten tijdens lossen meer is dan 3.) blijven binnen de installaties Na openen luiken dient de installatie stil te vallen. in inwendige van productie installaties Zone 21: IP6X. dan transport voorzien zoveel mogelijk wordt voorkomen? van adequate afzuiging om stof buiten het systeem te voorkomen Vuistregel: afzuiging Noodzakelijk bij . 1.transport van meer dan 100 m3/uur . stofconcentraties in omgevingslucht tijdens storten mag niet boven 3 mg/m3 zijn. In andere gevallen moet lucht naar buiten worden geblazen Voldoen de stofconcentraties Stofconcentratienorm: in de omgevingslucht buiten de Maximum 3 mg/m3 installaties aan de normen? Zijn alle handbijstorten Alle handbijstorten dienen een voorzien van lokale afzuiging? lokale afzuiging te hebben. geen lekpunten zichtbaar 5 6 7 Zijn alle installaties die binnen de fabrieksgebouwen aanwezig zijn stofdicht? (denk ook aan transportbanden/ automatisch reinigende magneten etc!) Zijn alle machineluiken voorzien van veiligheidsschakelaars? Luchtverplaatsingen binnen de installaties (bv ten gevolge vullen/legen silo's.Tabel III.5 m van alle laad. andere ruimten: Zone 22+NGG: IP5X Alle systemen/voorzieningen gesloten. 2. dusdanig ontworpen en installaties en/of silo's) is niet mogelijk.snelheid van meer dan 2. Indien 1 niet vormgegeven dat stofuitstoot mogelijk.2: Vragenlijst Nr.0 mg/m3. 8 9 10 Alleen gefilterde lucht waarbij stofconcentratie max 3.

vloeren. beschikbaar op elke relevante plaats en goede werking! Indien mobiele stofzuigers in gebruik dan dient elektrische installatie geschikt te zijn voor de zone die ie geldt in de ruimte waar de stofzuiger gebruikt wordt. stofvan perslucht bij reiniging en/of verspreiding en persoonlijke stofverwijdering bij in bedrijf veiligheid zijnde machines/ installaties Zijn de vloeropeningen naar Opening is op een hoger niveau silo's en transporten zodanig aangebracht of voorzien van uitgevoerd dat wordt veegranden van min 5 cm hoog voorkomen dat vreemde voorwerpen vanaf de vloer makkelijk via de opening in de installatie komen? Zijn alle installaties en metalen Maximale weerstand naar het onderdelen voorzien van oppervlak < 10 Ohm. hoppers. ter aarding? (incl. etc. 2. silo's. potentiaalverschillen en vonken muren.v.11 Zijn alle vloeren voldoende glad en reinigbaar of uitgevoerd als roostervloer? Zijn alle gladde vloeren voorzien van veegranden? Is er bij nieuwe installaties rekening gehouden met het voorkomen/minimaliseren van stofafzetting? 12 13 14 15 Kunnen de nieuwe installaties eenvoudig 1.) Zijn alle lospunten voorzien Maximale weerstand van van aarding voor vrachtauto's? aardlip vd auto naar de aarde (stortputten en pneumatisch max. doorverbonden en geaard? Alle verbindingen tussen autotransport en fabriek dienen buiten het gebouw gemaakt te zijn ©Nevedi handleiding 2005 ATEX-richtlijn 137 78 .geïnspecteerd. helling van 60 graden . 10 x6 Ohm lossen) Worden de juiste bigbags gebruikt? Zijn alle lospunten voor Maximale weerstand van bigbag bigbags met typen C voorzien naar het grondoppervlak < 10 x8 van aarding voor de bigbag? Ohm Zijn alle onderdelen van de Eisen pneumatische transporten Koppelingen bestaan uit metaal/koper > 100 mm2 elektrisch geleidend.kabelgoten verticaal geplaatst .m. stalen voorkoming van constructies. Minimale hoogte veegrand = 5 cm Voorbeelden: .raamopeningen met min.staalconstructies zodanig dat weinig/geen stofafzetting plaatsvindt Visuele beoordeling op deze aspecten.onderhouden en 3. 16 17 18 19 20 21 22 Criteria: eenvoudig te gebruiken.schoongemaakt worden? Is er een stofzuiger/systeem beschikbaar om stofophoping te verwijderen? Vloeren vrij van naden. scheuren en gaten waarin zich stof kan ophopen en daardoor moeilijk te reinigen zijn. ( meestal dus zone 22) Is er een verbod op het gebruik VERBODEN i.

elektrostatische oplading/ c. Oppervlakken die heter dan 125 ºC kunnen worden dienen geïsoleerd te zijn.b.t.en verwijderingapparatuur? De maximale oppervlaktetemperaturen in de fabriek zijn nooit hoger dan 125 graden < 24 Volt / IP 6X / zone 20 Denk aan gereedschap vervaardigd van brons Werkkleding hoort van antistatisch materiaal te zijn gemaakt (uitgevoerd in katoen) Denk ook aan doorwerkkleding Bij v Stenenvanger Bij temperaturen vanaf 125 ºC bestaat het gevaar van ontbranding van stof.q brandveiligheid ? Zijn de ontvangsten van grondstoffen voorzien van reinigings.23 24 25 26 27 Voldoen alle handlampen aan de criteria? Wordt alleen vonkvrije gereedschap gebruikt bij reiniging van de silo's etc. 28 29 Vallen de transporten stil bij verstoppingen of andere storingen? Voldoet de wijze van verwarming van vloeistoffen in tanks aan de eisen? Vloeistoffen in tanks mogen niet direct met elektrische elementen verwarmd worden Organisatorische en procedurele vereisten 30 Is er een brandbon/vuur 31 32 33 34 35 36 37 vergunning protocol in gebruik ? Is er een schoonmaakprogramma en housekeeping programma actief ? Is er een preventief onderhoudsprogramma aanwezig? Is er een periodiek RI&E programma wat eveneens explosierisico's inventariseert en evalueert ? Worden alle medewerkers geïnformeerd over de risico's van optreden van stofexplosies ? Worden derden die in gebouwen komen met een ATEX zone geïnformeerd over de risico's van stofexplosies ? Zijn de explosie risico's en de te volgen maatregelen en procedures opgenomen in de bedrijfstrainingen ? Heeft het bedrijf een procedure van toezicht dat nieuwe machines en installaties bij aanschaf voldoen aan de CE/ATEX normen? Dit programma moet in lijn zijn met het programma als aanwezig in de bijlage Specifieke BHV trainingen en algemene noodsituaties trainingen en oefeningen ©Nevedi handleiding 2005 ATEX-richtlijn 137 79 . Voldoet de werkkleding aan de veiligheidseisen m.

(LEL > 25 gr/m3.38 39 40 41 42 43 44 45 46 47 48 49 50 51 52 53 Worden bij het inkoop / gebruik De leverancier behoort van nieuwe grondstoffen de grondstoffen (m. MIE>15mJ. daadwerkelijk met de fabrieksaarde verbonden ? Worden in de praktijk de bigbags van het type C ook daadwerkelijk geaard tijdens de lossing ? Is de losinstallatie voor bigbags ook geaard ? Is er een goede procedure voor de inkoop van machines en apparatuur ? Zijn de deuren van alle Uitzondering bij actieve schakelkasten van elektrische werkzaamheden aan de installaties altijd gesloten? betreffende elektrische installaties Grondstofinname 54 Zijn er elektromagneten geïnstalleerd voor de reiniging ? ©Nevedi handleiding 2005 ATEX-richtlijn 137 80 .n. MIT>250graden mits voorzieningen zijn getroffen) Worden aanwezige controle en inspectie programma's in praktijk daadwerkelijk uitgevoerd voor: * periodieke inspectie van fabriek en apparatuur op lekkages * periodieke inspectie op effectiviteit van schoonmaakprogramma's * periodieke inspectie van fabriek en apparatuur op effectieve werking en voldoende onderhoud * controle op gebruik brandbon/veiligheidsvergunnin gen * controle en meting op aangeven aardweerstanden effectieve aarding …… * controle en inspectie op afzuigfaciliteiten * controle op gebruik aarding bij lossen van grondstofwagen * controle op het gebruik van aarding bij het lossen van bigbags Is er een silo-afdaal en tank betredingsprocedure? Worden in praktijk bij alle Uitzondering vormt het lossen pneumatische innamen de van niet gevaarlijke grondstoffen transportmiddelen zoals mineralen. niet explosie risico's geëvalueerd ? agrarische) met MSDS data te voorzien.

voor zover ze binnen geplaatst zijn.Bij afvoer in onderbunker: ontlasting onderbunker naar buiten. bij afvoer op elevator: ontlasting E naar buiten. 3.55 56 57 Zijn er zeven aanwezig voor verwijderen van vreemde delen.0 mg/m3 ©Nevedi handleiding 2005 ATEX-richtlijn 137 81 . elevatoren 58 Zijn alle elevatoren voorzien 59 60 van snelheidscontrole ? (toerenwachter) Hebben alle elevatoren tussen de inname en hoofdmenger scheefloopdetectie ? zijn alle elevatoren in de inname. 2. hout? Worden stenen afgevangen op de roosters van de stortput? Zijn alle stortputten voorzien Alle stortputten dienen voorzien van lokale afzuiging? te zijn van afzuiging.) 61 Zijn deze transporten volledig 62 omkast met staal ? Worden deze transporten automatisch gestopt wanneer het materiaal zich ophoopt of is het zo ontworpen dat het niet kan ophopen ? Wanneer een transport een overloop heeft is er geen beveiliging nodig. Bijvoorbeeld middels U-buis. Hamermolen 63 Hebben alle hamermolen 64 65 lagers temperatuurbewaking ? Hebben de maalkamers temperatuurbewaking ? Staan de hamermolens in een afgezonderde ruimte en is explosie ontlasting voorzien? 1. schroeven e. om te kunnen vaststellen of filters verstopt raken Aspiratie systemen 66 zij installaties gebouwd na 67 1/7/2003 voorzien van een lokale afzuiging? Is er monitoring van de drukopbouw in filters ? Zijn alle ventilatoren geplaatst in het schone lucht gedeelte van filter ? Werkt het luchtfilter in de afzuiging effectief Zijn filterdoeken anti-statisch ? 68 69 70 Max stof concentratie in uitblaaslucht = 3. Een beveiliging bestaat meestal uit een eindschakelaar aan een luik wat wordt open geduwd. aspiratie: druksensor met explosie schuif of ontlasting naar buiten of aspiratie opstelling buiten Lokale afzuiging heeft algemeen de voorkeur boven centrale afzuiging. stofconcentraties in omgevingslucht van de put tijdens storten mag niet hoger dan 3 mg/m3 zijn. voorzien van explosie ontlasting? Bij vertraging onder 80% alarm en afschakelen elevator en aanvoer (lijnvergrendeling) Transporten (ketting. bijv.d.

71 Zijn centrale filter kasten en Is eis bij verwerking van centrale afzuiging voorzien van materialen met een MIE tussen explosie ontlasting (naar 1 en 15 MJ buiten)? Persen 72 Zijn alle persen voorzien van een volloopdetectie ter voorkoming van vuur in de matrijs? Koelen Zijn de koelers uitgerust met een rookdetectie systeem ? Heftrucks en dergelijke Zijn alle heftrucks en dieselunits op het bedrijf voorzien van vonkenvangers? ©Nevedi handleiding 2005 ATEX-richtlijn 137 82 .

Sign up to vote on this title
UsefulNot useful