Faculteit Rechtsgeleerdheid – KU Leuven

LEERGANG PENSIOENRECHT
NIEUWSBRIEF Nr.

5

academiejaar 2012 - 2013
Prof. dr. Yves Stevens en Evy Van Genechten

Interesse in de pensioenmaterie? Tijd voor specialisatie? Schrijf nu in voor de bijzondere

Leergang Pensioenrecht 2013-2014
Alle info en inschrijving www.law.kuleuven.be/leergangpensioenrecht/ Het aantal inschrijvingen is beperkt tot 35

INHOUDSTAFEL
1. Hof van Justitie: Heffingsbevoegdheid voor taks op verzekeringspremie ................................................... 2 2. Grondwettelijk Hof ................................................................................................................................... 3 2.1. Financiering pensioenen lokale besturen ........................................................................................... 3 2.2. Jaar ingang pensioen wordt niet in aanmerking genomen voor de berekening ................................... 4 2.3. Pensioenregeling magistraten ........................................................................................................... 5 2.4. Verhoging pensioenleeftijd in de overheidssector .............................................................................. 5 3. Hof van Cassatie: betaling overlevings- en wezenpensioen en schade in de zin van artikel 1382 BW .......... 6 4. Fiscale circulaire ....................................................................................................................................... 6 5. Belgische rechtsleer ................................................................................................................................. 6 5.1. Overheidspensioenen – Afwijkende toewijzingsregel is niet discriminerend ........................................ 6 5.2. Pensioen werknemers – Welk effect hebben periodes van non-activiteit op mijn pensioen? ................ 7 5.3. Fiscale behandeling van een buitenlands aanvullend pensioen........................................................... 7 5.4. Afzonderlijke aanslag op interne pensioenvoorzieningen: hoe boeken? .............................................. 7 5.5. Verhoogde tarieven pensioenkapitalen: doorwerking inzake bedrijfsvoorheffing ................................. 7 5.6. Cour de justice de l’Union européenne du 21 février 2013 ................................................................ 7 5.7. Règle des 80%: plafonds pour 2012 ................................................................................................. 7 6. Nieuwe life and benefits ........................................................................................................................... 8 7. Buitenlandse rechtsleer ............................................................................................................................ 8 7.1. Anhebung der Regelaltersgrenze und betriebliche Versorgungszusagen im Scheidungsfall.................. 8 7.2. Mise à la retraite précipitée et déloyauté contractuelle ...................................................................... 8 7.3. 40 Jahre Betriebsrentengesetz – Versorgungsordnungen im Unternehmen auf aktuellem Stand ......... 8 8. International update................................................................................................................................. 8 8.1. Ireland ............................................................................................................................................ 8 8.2. Sweden ........................................................................................................................................... 9 9. Gelezen in het Belgisch Staatsblad ............................................................................................................ 9 9.1. Bedrijfsvoorheffing op kapitaal aanvullend pensioen ......................................................................... 9

- 1/13 Leergang Pensioenrecht 2012-2013

Faculteit Rechtsgeleerdheid – KU Leuven

LEERGANG PENSIOENRECHT
NIEUWSBRIEF Nr.

5

academiejaar 2012 - 2013
Prof. dr. Yves Stevens en Evy Van Genechten
9.2. Sectorpensioenen .......................................................................................................................... 10 Handvest sociaal verzekerde – Vertrekpunt berekening intresten ................................................................. 12 Pensioenopnies: De beste stuurlui staan aan wal .......................................................................... 13

1. HOF VAN JUSTITIE: HEFFINGSBEVOEGDHEID VOOR
TAKS OP VERZEKERINGSPREMIE
RVS is een Nederlandse verzekeringsonderneming die in België geen vestiging heeft. RVS heeft levensverzekeringen afgesloten met een aantal personen die op dat moment in Nederland woonden, maar nadien naar België verhuisd zijn. België heeft de ook jaarlijkse opgelegd taks aan van RVS 1,10% voor (op deze verzekeringsverrichtingen van natuurlijke personen), levensverzekeringscontracten. RVS is echter van mening dat deze belasting niet verschuldigd is omdat de verzekeringsnemer op het ogenblik van het sluiten van de overeenkomst zijn woonplaats in Nederland had. RVS is bijgevolg van mening dat Nederland heffingsbevoegd is. De rechtbank van eerste aanleg van Brussel heeft hierop volgende prejudiciële vraag gesteld aan het Hof van Justitie: “Verzet artikel 50 van richtlijn 2002/83 zich tegen een regeling waarbij verzekeringsverrichtingen onderworpen worden aan een jaarlijkse taks als het risico in België gelegen is, zonder rekening te houden met de verblijfplaats van de verzekeringsnemer op het moment van het aangaan van de overeenkomst?”. Artikel 50 van de richtlijn bepaalt dat elke

Het Hof stelt dat de gewone verblijfplaats van nature uit een criterium is dat kan veranderen, meer bepaald tijdens een langlopend contract zoals een levensverzekeringscontract. De dynamische uitlegging van het begrip, namelijk dat de lidstaat van verbintenis wordt bepaald op de datum van betaling van de verzekeringspremie, vindt steun in de verwoording van artikel 50. Het belastbare feit is niet de sluiting van de verzekeringsovereenkomst, maar wel de betaling van de verzekeringspremies. Hieruit volgt dat de heffingsbevoegde lidstaat de lidstaat moet zijn waarmee de verzekeringnemer op de datum van de betaling van deze premies een band heeft in de vorm van zijn gewone verblijfplaats. Het Hof stelt daarenboven dat deze uitlegging geschikter is om de doelstellingen van voorkoming van dubbele belasting en concurrentiedistorsies te verwezenlijken en tegelijk verenigbaar is met de algemene doelstelling van deze richtlijn, namelijk het voltooien van de interne markt in de sector van het directe levensverzekeringsbedrijf. Artikel 50 van richtlijn 2002/83 verzet zich bijgevolg niet tegen een nationale regeling die een indirecte taks heft op levensverzekeringspremies, betaald door verzekeringsnemers die hun gewone zijn de verblijfplaats hebben in deze lidstaat, wanneer de betrokken afgesloten in verzekeringsovereenkomsten een andere lidstaat, waar

verzekeringsovereenkomst uitsluitend onderworpen is aan de indirecte belastingen en parafiscale heffingen op verzekeringspremies die bestaan in de lidstaat van de verbintenis. De lidstaat van de verbintenis is, volgens artikel 1, lid 1, sub g van deze richtlijn, omschreven als de lidstaat waar de verzekeringsnemer zijn gewone verblijfplaats heeft.

verzekeringsnemer ten tijde van de afsluiting van de overeenkomst zijn gewone verblijfplaats had. HvJ 21 februari 2013, C-243/11,

RVS

Levensverzekeringen nv v. Belgische Staat.

- 2/13 Leergang Pensioenrecht 2012-2013

2. GRONDWETTELIJK HOF
2.1. Financiering pensioenen lokale besturen In een arrest van 22 mei 2013, heeft het Grondwettelijk Hof zich uitgesproken over een beroep tot vernietiging van de wet van 24 oktober 2011. Deze wet brengt een hervorming van de financiering plaatselijke Hervorming 2, 17). De provinciale en lokale besturen dragen integraal de pensioenlasten van hun benoemde personeelsleden, zonder tegemoetkoming van de federale staat. Voor de inwerkingtreding van deze wet vielen ze onder verschillende financieringssystemen. De vijf pools die bestonden, werden samengevoegd in één enkel Fonds, het gesolidariseerd pensioenfonds van de RSZPPO. Hierin worden de uitgaven en de ontvangsten solidair verdeeld tussen alle deelnemers. Er wordt gewerkt besturen. naar Daarnaast één is er identiek een De niet basispensioenbijdragepercentage voor alle lokale responsabiliseringsbijdrage tegenstelling gefinancieerd. De aangevoerde middelen kunnen in zeven groepen worden ingedeeld. Schending bevoegdheidsverdelende regels Door lokale de besturen invoering verplicht van worden de statutaire tot de lokale ingevoerd. politiezones, van de pensioenen tot stand. lokale van (zie het “8.3. vastbenoemd personeel van de provinciale en besturen

pensioenen van de vastbenoemde personeelsleden van de lokale besturen. De uitoefening van deze bevoegdheid kan een weerslag hebben op de financiën van de betrokken werkgevers en gevolgen hebben voor hun beleidskeuzes m.b.t. personeel. Het blijkt, volgens het Hof, echter niet dat deze weerslag strijdig is met het evenredigheidsbeginsel of afbreuk doet aan de bevoegdheid van de gewesten. Ambtshalve aansluiting voormalige pools 1 en 2 bij het gesolidariseerd pensioenfonds De lokale besturen van pools 1 en 2 zijn ambtshalve aangesloten bij het nieuwe Fonds, zonder dat ze zich hiertegen konden verzetten. De lokale besturen die hun pensioenen zelf of via een voorzorgsinstelling beheerden (pool 3 en 4), werden ook ambtshalve bij het nieuwe Fonds aangesloten, maar zij konden zich hier wel tegen verzetten. Het Hof stelt dat dit geen onevenredige gevolgen heeft voor de lokale besturen van pools 1 en 2. Om rekening te houden met de verschillende financiële situaties heeft de wetgever immers voorzien in een geleidelijke en verschillende stijging de van de basispensioenbijdragen, waardoor lokale

financiering

besturen”,

Nieuwsbrief Leergang Pensioenrecht 2011-2012, nr.

besturen zich aan de nieuwe situatie aanpassen. Daarnaast blijven de reserves uit pool 1 uitsluitend bestemd voor de voormalige leden van deze pool. Het verschil in mogelijkheid om zich te verzetten, vindt zijn oorzaak in een persoonlijke keuze van de lokale besturen. De lokale besturen van pools 1 en 2 zijn bewust toegetreden tot een gesolidariseerd fonds en wisten dat ze er niet konden uittreden als de solidariteit niet meer in hun voordeel was. Pools 3 en 4 zijn hier nooit tot toegetreden. Het verschil in behandeling – wel of geen mogelijkheid tot verzet berust dus op een objectief en pertinent criterium en is gerechtvaardigd. De responsabiliseringsbijdrage De invoering van de responsabiliseringsbijdrage is, volgens het Hof, wettig en toelaatbaar. De wetgever wil zo de negatieve gevolgen voor de financiering, voortvloeiend uit de vermindering van de loonmassa van de statutair benoemde personeelsleden,

pensioenen van de federale politie worden, in aangesloten bij het nieuwe Fonds, maar apart

responsabiliseringsbijdrage zouden de betrokken personeelsleden aan te nemen, wat afbreuk zou doen aan de bevoegdheid van de gewest- en gemeenschapswetgevers m.b.t. de rechtspositie van de personeelsleden van de lokale besturen. Het Hof stelt dat de federale wetgever exclusief bevoegd is gebleven met betrekking tot de
- 3/13 Leergang Pensioenrecht 2012-2013

corrigeren. Het is immers op basis van die

loonmassa dat de basispensioenbijdrage berekend wordt. Het Hof stelt dat het niet onredelijk is dat de wetgever lokale besturen, die de moeilijkheden inzake de financiering mee verergeren, tracht te responsabiliseren door hen een gedeelte van de financiële gevolgen van hun keuzes te laten dragen. Ten opzichte van dit doel is er geen reden om lokale besturen die kunnen kiezen tussen contractanten en vastbenoemden en lokale besturen waar benoeming de regel is, verschillend te behandelen. De regularisatiebijdrage De van regularisatiebijdrage een personeelslid is dat ingevoerd reeds om de

opgebouwd vóór 1 januari 2012. Daarenboven heeft de overdracht enkel betrekking op de reserves die door de werkgevers gefinancieerd worden en is de bestreden bepaling enkel van toepassing als er een regularisatiebijdrage betaald moet worden. De politiezones De politiezones halen aan dat de wetgever zonder redelijke verantwoording de lokale politiezone(s) waaraan een tegemoetkoming vanwege de federale staat in de pensioenkosten was gegarandeerd, op eenzelfde manier behandeld als andere lokale besturen. Het Hof stelt dat de toelage ten laste van de Staatskas nog steeds uitgekeerd wordt, maar dan aan de RSZPPO, voor rekening van de politiezones. De RSZPPO brengt die toelage in mindering op het totaal aan socialezekerheidsbijdragen verschuldigd door elke politiezone. Het middel gaat bijgevolg uit van een verkeerde lezing van de bepaling. De specifieke situatie van de ziekenhuizen Het Hof stelt dat de ambtshalve aansluiting van openbare ziekenhuizen, die reeds onherroepelijk waren aangesloten bij een systeem van solidaire pensioenfinanciering, beantwoordt aan de legitieme doelstelling een duurzame pensioenfinanciering te waarborgen door te de creëren. grootst Er gecreërd mogelijke geen de omdat solidariteitsbasis onevenredige worden

financiële gevolgen van een laattijdige benoeming, gedurende minstens 5 jaar bij het lokale bestuur werkt, voor het gesolidariseerd pensioenfonds te verlichten. Het Hof oordeelt dat dit een rechtmatig doel is. De wetgever neemt zo een maatregel die lokale besturen aanspoort handelswijzen te vermijden die het tekort van het pensioenstelsel vergroten. De maatregel is daarenboven pertinent om dit doel te bereiken. De wetgever waarborgt ten dat het wordt financieringstekort gedeeltelijk laste

genomen door het lokaal bestuur dat dit tekort heeft veroorzaakt. Aangezien de regularisatie enkel slaat op de periode na de eerste vijf dienstjaren, ontstaan er geen onevenredige gevolgen. De overdracht van de reserves opgebouwd in het kader van de aanvullende pensioenstelsels Enkel betalen reserves van een die betrekking hebben op

gevolgen

financiële problemen van de ziekenhuizen geen verband houden met de pensioenlast die zij op zich nemen en de federale overheden zich ertoe hebben verbonden die moeilijkheden met andere budgettaire middelen te helpen verlichten. Alle middelen worden ongegrond verklaard en het vernietigingsberoep wordt verworpen. GwH 22 mei 2013, nr. 71/2013. 2.2. Jaar ingang pensioen wordt niet in aanmerking genomen voor de berekening Bij de pensioenberekening voor werknemers wordt geen rekening gehouden met het loopbaanjaar waarin het pensioen ingaat. Dit is anders bij ambtenaren, waar er wel met dit jaar rekening
- 4/13 Leergang Pensioenrecht 2012-2013

contractuele diensten die aanleiding geven tot het regularisatiebijdrage, worden overgedragen. Deze bepaling is ingevoerd om het probleem van het “dubbel voordeel” op te lossen. Als een contractueel personeelslid vast benoemd werd, had hij vaak een aanvullend pensioen opgebouwd tijdens zijn jaren als contractant. Na de vaste benoeming zou hij bijgevolg een ambtenarenpensioen genieten voor alle diensten bij het lokale bestuur, ook voor de contractuele diensten, en daarnaast een aanvullend pensioen. Het Hof stelt dat de wetgever een legitiem doel nastreeft en hiervoor een pertinente maatregel heeft genomen. Er zijn geen onevenredige gevolgen. De bepaling raakt immers niet aan reserves

gehouden

wordt.

Een

pensioengerechtigde

Dit zou volgens eisers een schending inhouden van artikelen 10 en 11 van de Grondwet, gelezen in samenhang met artikelen 151 tot 155 van de Grondwet en het rechtzekerheidsbeginsel. Door de

werknemer meent dat dit verschil in behandeling een discriminatie inhoudt. Het Grondwettelijk Hof volgt zijn eerdere

wijzigingen zouden de magistraten zonder redelijke verantwoording identiek behandeld worden als het overheidspersoneel, terwijl zij zich in onderscheiden situaties bevinden steunend op het door het grondwettelijk verankerd statuut van magistraten. De leeftijdsgrens van 55 jaar, om te bepalen of de oude regeling nog toegepast kan worden, zou eveneens niet verantwoord kunnen worden. Het Grondwettelijk Hof stelt dat de beginselen van onafhankelijkheid van de rechterlijke macht en de scheiding der machten niet met zich meebrengen dat de loon- en pensioenvoorwaarden van de magistraten niet door de bevoegde wetgever zouden mogen worden afgestemd op de regeling voor het overheidspersoneel. Het Hof stelt verder

rechtspraak wat betreft het verschil tussen de pensioenregeling van werknemers en ambtenaren en houdt het kort. Het Hof stelt dat het rustpensioen voor werknemers bestemd is om een inkomen te verzekeren na beëindiging van zijn functie en gefinancieerd wordt door werkgevers- en werknemersbijdragen, terwijl voor ambtenaren het rustpensioen een uitgestelde wedde is, niet gefinancierd door inhoudingen op de wedde. Het Hof verwijst naar eerdere arresten waarin het heeft vastgesteld dat de pensioenstelsels van werknemers en statutair benoemde ambtenaren verschillen naar doelstelling, financieringswijze en toekenningsvoorwaarden. Het Hof besluit met de met gekende de libellering:

dat de nieuwe berekening (tantième 1/48ste) nog steeds gunstiger is dan de berekening voor het overheidspersoneel, aan tantième 1/60ste. Het feit dat een zeer beperkt aantal categoriën personen gunstigere tantièmes dan 1/48ste genieten, betekent niet dat het op de magistraten toepasselijke tantième zonder redelijke verantwoording is. Daarenboven heeft de verstrenging enkel uitwerking voor diensten gepresteerd na 31 december 2011. Het door de wetgever gemaakte onderscheid (oude of nieuwe regeling) is gebaseerd op een objectief criterium, namelijk de leeftijd van de magistraat op 1 januari 2012. Daarenboven is het onderscheid pertinent en in redelijkheid te verantwoorden. Bijgevolg verwerpt het Hof het beroep. GwH 16 mei 2013, nr. 67/2013. 2.4. Verhoging pensioenleeftijd in de overheidssector Bij het Grondwettelijk Hof was een beroep tot vernietiging van artikelen 85 en 88 van de wet van 28 december 2011 houdende diverse bepalingen ingediend (zie “10.7. Pensioenen overheidssector”,

“Rekening

houdend

fundamentele

verschillen die beantwoorden aan de logica van elk van de systemen, waarbij het privaat recht de rechtssituatie van de werknemers beheerst terwijl de rechtssituatie van de statutaire personeelsleden door het publiek recht wordt beheerst, kunnen die twee categoriën van personen niet worden vergeleken.” Bijgevolg is er geen schending van artikelen 10 en 11 van de Grondwet. GwH 13 juni 2013, nr. 88/2013. 2.3. Pensioenregeling magistraten De wet van 28 december 2011 houdende diverse bepalingen inzake justitie, heeft de pensioenregeling voor magistraten gewijzigd (zie “10.6. Pensioenen Magistraten”, Nieuwsbrief Leergang Pensioenrecht 2011-2012, nr. 3, 16). Het emeritaatspensioen is afgeschaft voor magistraten die op 1 januari 2012 de leeftijd van 55 jaar nog niet hadden bereikt. De voordelige tantièmes (1/30
ste

en
ste

1/35 )

ste

zijn

vervangen door tantième 1/48 zekere mate) een voor

voor diensten met de

vanaf 1 januari 2012. Hierdoor werd hierdoor (in harmonisatie het pensioenregeling doorgevoerd. overheidspersoneel

Nieuwsbrief Leergang Pensioenrecht 2011-2012, nr.
3, 17). De verzoekende partijen stelden dat er sprake is van een schending van artikelen 10 en 11 van de Grondwet, al dan niet in samenhang gelezen met artikelen 177 en 184 van de Grondwet en
- 5/13 -

Leergang Pensioenrecht 2012-2013

artikel 1, 1e Aanvullend Protocol bij het EVRM, doordat bepaalde categorieën van ambtenaren op een vroegere leeftijd met vervroegd pensioen kunnen gaan dan andere categorieën die een vergelijkbare functie uitoefenen. Het Hof stelt dat het beroep tot vernietiging gericht is tegen bepalingen die als dusdanig nooit in werking zijn getreden. Zij zijn gewijzigd door de artikelen 2, 3, 6 en 23 van de wet van 13 december 2012 houdende diverse wijzigingsbepalingen betreffende de pensioenen van de overheidssector Bijgevolg is het beroep zonder voorwerp. Het Hof stelt dat er nog wel een beroep tot vernietiging kan worden ingesteld, tot uiterlijk 21 juni 2013, tegen de artikelen 2 en 3, 1° van de wet van 13 december 2012. Gebeurt dit niet, of wordt dit beroep door het Hof verworpen, dan wordt het huidige beroep tot vernietiging geschrapt van de rol. GwH 6 juni 2013, nr. 81/2013.

als

tegenprestatie

voor

het

ontbreken

van

arbeidsprestaties. Cass. 24 januari 2013, C.12.0308.F, zie ook JLMB 2013, nr. 20, 1062.

4. FISCALE CIRCULAIRE
Op 23 april 2013 heeft de algemene administratie van de Fiscaliteit een circulaire uitgebracht met een schematisch overzicht van het belastingstelsel dat van toepassing is op aanvullende pensioenen van werknemers, bedrijfsleiders en zelfstandigen. Het gaat om een bijwerking naar aanleiding van de wijzigingen die de Programmawet van 22 juni 2012 heeft aangebracht. De schema’s geven een bondig overzicht van het belastingstelsel dat na de inwerkingtreding van de door de Programmawet aangebrachte wijzigingen van toepassing is op de bijdragen aanvullende of premies pensioenen en uitkeringen van van werknemers,

bedrijfsleiders en zelfstandigen. Circulaire nr. Ci.RH.332/621.312, van 23 april 2013.

3. HOF VAN CASSATIE: BETALING OVERLEVINGS- EN WEZENPENSIOEN
EN SCHADE IN DE ZIN VAN ARTIKEL

5. BELGISCHE RECHTSLEER
5.1. Overheidspensioenen – Afwijkende toewijzingsregel is niet discriminerend De auteur bespreekt Hof: het arrest van het

1382 BW
Bij het overlijden van een ambtenaar van de Europese Unie, betaalt deze laatste een wezen- of overlevingspensioen uit aan de kinderen of overlevende echtgenoot van de ambtenaar. Het Hof stelt dat deze uitkeringen geen

Grondwettelijk Hof van 7 maart 2013 ( zie ook “2. Grondwettelijk Instemmingswet Nederland-België niet dubbelbelastingsverdrag

ongrondwettelijk”, Nieuwsbrief Leergang Pensioenrecht 2012-2013, nr. 3, 5). In dit arrest stelt het Grondwettelijk Hof dat het niet discriminerend is dat het Nederlands- Belgisch dubbelbelastingsverdrag voor de toewijzing van de heffingsbevoegdheid over overheidspensioenen afwijkt van het woonstaatbeginsel, zoals dat geldt voor particuliere pensioenen. Volgens het Hof volstaan de regels van internationale hoffelijkheid als rechtvaardigingsgrond hiervoor. A. COOLS, “Overheidspensioenen – Afwijkende toewijzingsregel is niet discriminerend”, Fiscoloog (I.) 2013, afl. 533, 6.

tegenprestatie zijn voor arbeid die zou verricht zijn als het ongeval niet plaatsgevonden had. Hieruit volgt dat de betaling van deze uitkeringen geen herstelbare schade in de zin van artikelen 1382 en 1383 BW is. Bijgevolg heeft het Hof van Beroep van Luik zijn beslissing, dat de Europese Unie niet beschikt over een rechtstreekse vordering op basis van artikel 1382 BW, wettig gemotiveerd. Het Hof van Beroep had immers gesteld dat de betaling van het overlevingsof wezenpensioen geen tegenprestatie is voor arbeidsprestaties die door het ongeval niet verricht worden voor de Europese Unie, maar dat het eerder uitgaat van het tegengestelde. Het overlevings- of wezenpensioen wordt uitbetaald

- 6/13 Leergang Pensioenrecht 2012-2013

5.2. Pensioen werknemers – Welk effect hebben periodes van non-activiteit op mijn pensioen? Voor pensioenen die ingaan vanaf 1 januari 2013 verandert er heel wat aan de aan zogenaamde werd de de nieuwe gelijkgestelde periodes. Enerzijds

bepaalde voorwaarden opteren om deze aanslag te spreiden over drie belastbare tijdperken. Het tarief bedraagt dan 0,60% voor elk tijdperk. Dit heeft tot gevolg dat de belastingplichtige uiteindelijk 1,80% betaald. De Commissie voor Boekhoudkundige Normen heeft over de boekhoudkundige verwerking van deze aanslag een kort advies uitgebracht. De auteur bespreekt dit advies. S. VAN CROMBRUGGE, “Afzonderlijke aanslag op interne pensioenvoorzieningen: hoe boeken?”, Fiscoloog 2013, nr. 1343, 6. 5.5. Verhoogde tarieven pensioenkapitalen: doorwerking inzake bedrijfsvoorheffing De richtlijnen voor de berekening op enkele van de

pensioenwetgeving

aangepast

regeling van werkloosheid met bedrijfstoeslag, loopbaanonderbreking, tijdskrediet en thematische verloven. Anderzijds wordt het pensioen van een aantal gelijkgestelde periodes voortaan berekend op een lager inkomen, namelijk het minimumjaarrecht. De auteur bespreekt de wijzigingen. M. BRUYNINCKX, “Pensioen werknemers – Welk effect hebben periodes van non-activiteit op mijn pensioen?”, Soc.Weg. 2013, nr. 10, 4. 5.3. Fiscale behandeling van een buitenlands aanvullend pensioen Er werd al heel wat geschreven over de Belgische fiscale behandeling van een aanvullend pensioen dat vanuit een buitenlands pensioenplan aan een Belgisch fiscaal verblijfhouder wordt betaald. Vaak gaat het standpunt van de Belgische versus belastingadministratie lijnrecht in tegen dat van de belastingplichtige (belastbaarheid belastingvrijstelling). De trend in de rechtspraak wijst erop dat het standpunt van de Belgische belastingadministratie veelal wordt verworpen. De auteur probeert een antwoord te formuleren op de vraag welke conclusies hieruit getrokken kunnen worden voor de toekomst. G. SIMOENS, “Fiscale behandeling van een buitenlands aanvullend pensioen”, Expat News 2013, nr. 5, 17. 5.4. Afzonderlijke aanslag op interne pensioenvoorzieningen: hoe boeken? De Programmawet van 22 juni 2012 onderwerpt interne pensioenvoorzieningen aan een eenmalige belasting door middel van een afzonderlijke aanslag. Het gaat om voorzieningen die gevormd zijn ter uitvoering van aanvullende individuele pensioentoezeggingen die bestaan op het einde van het laatste boekjaar met afsluiting vóór 1 januari 2012. De belasting bedraagt 1,75% van deze voorzieningen. De belastingplichtige kan onder

bedrijfsvoorheffing

werden

punten

gewijzigd. De wijzigingen hebben, onder meer, tot doel rekening te houden met de verhoging van de belastingtarieven op bepaalde extralegale pensioenkapitalen, die begin juli 2013 in werking treedt. De auteur bespreekt de wijzigingen die het KB van 23 mei 2013 (BS 30 mei 2013) invoerd. CB, “Verhoogde tarieven pensioenkapitalen: doorwerking inzake bedrijfsvoorheffing”, Fiscoloog 2013, nr. 1343, 4. 5.6. Cour de justice de l’Union européenne du 21 février 2013 L’auteur discute l’arrêt de la Cour de justice de l’Union européenne du 21 février 2013. (zie ook punt 1. in deze nieuwsbrief) Il rappelle que les règles de compétence dans la matière étant inchangées dans la directive ‘Solvabilité II’ et que l’arrêt doit rendre les assureurs attentifs au changement de régime d’imposition indirecte et parafiscale des primes qui peut découler d’un transfert de résidence du preneur en cours de contrat, ainsi qu’au respect dû, le cas écheant, aux mesures adoptées par l’Etat membre compétent pour assurer la perception effectieve des impôts indirects et des taxes parafiscales sur son territoire. J.-M. BINON, "Cour de justice de l’Union européenne du 21 février 2013", RDC 2013, nr. 5, 470. 5.7. Règle des 80%: plafonds pour 2012 De auteur bespreekt een fiscale circulaire waarin de grensbedragen voor het jaar 2012 verduidelijkt
- 7/13 Leergang Pensioenrecht 2012-2013

worden

voor

de

80%-grens.

Hij

bekijkt

de

originale un cas d’exécution déloyale du contrat de travail par un employeur. La déloyauté dont il fait preuve s’incarne d’une part dans la violation des stipulations applicables de la convention collective mais aussi dans la volonté qui est la sienne de se soustraire à une loi nouvelle qui impose un régime plus contraignant pour ce mode de rupture du contrat de travail. La mise à la retrait est donc requalifiée en licenciement, discriminatoire pour être fondé sur l’âge du salarié et donc nul. B. GAURIAU, “Mise à la retraite précipitée et déloyauté contractuelle”, Droit Social 2013, nr. 5, 398. 7.3. 40 Jahre Betriebsrentengesetz – Versorgungsordnungen im Unternehmen auf aktuellem Stand Zwar ist das Betriebsrentengesetz erst vor knapp 39 Jahren am 22 December 1974 in Kraft getreten, doch zeichneten sich seine konkreten Formen schon im Referententwurf vom 4 April 1973 ab, der bereits die wesentlichen Elemente des qpäteren Gesetzes enthielt – Anlass genug Viele für eine kleine Bestangsaufnahme. Versorgungsordnungen

vaststelling van het wettelijk pensioen en de indexering van de lopende renten. X., “Règle des 80%: plafonds pour 2012”, Act.Fisc. 2013, nr. 19, 7.

6. NIEUWE LIFE AND BENEFITS
In Life&Benefits nr. 2013/5 lezen we: Levensverzekeringen levensverzekering Aanvullende aangifte (door L. VEREYCKEN) voorzorg de zelfstandigen airbag van – een Invaliditeitsverzekering: – te Buitenlandse melden in voortaan

voorzorgsplan (door P. VAN EESBEECK) Levensverzekeringen – Notificatie bij overlijden viseert ook sommige levensverzekeringen (door P. VAN EESBEECK)

7. BUITENLANDSE RECHTSLEER
7.1. Anhebung der Regelaltersgrenze und betriebliche Versorgungszusagen im Scheidungsfall Nach der Rechtsprechungdes BAG (Urteil vom 15/5/2012) ist eine vor der Einführung der Anhebung der Regelaltersgrenze in der gesetzlichen Rentenversicherung im Versorgungsordnung Jahr 2008 geschaffene auszulegen, dahin gehend

stammen noch aus den Kindertagen des BetrAVG oder sind doch zumindest mehrere Jahre bis Jahrzehnte alt. Für den Arbeitgeber ergibt sich daraus ein ständiger Prüfungsund Anpassungsbedarf, um den aktuellen rechtlichen Anforderungen gerecht zu werden. Dieser Beitrag soll einen Auszug möglicher „Baustellen“ älterer Versorgungsordnungen aufzeigen, die in der Unternehmenspraxis verbreitet sind. T. FRANK, “40 Jahre Betriebsrentengesetz – Versorgungsordnungen im Unternehmen auf aktuellem Stand”, Der Betrieb 2013, nr. 22, 1234.

dass eine Altersgrenze, die auf die Vollendung des 65 Lebensjahres abstellt, im Regelfall dynamisch auszulegen ist. Damit ist nunmehr die individuelle Regelaltersgrenze des betroffenen Mitarbeiters in der gezetzlichen Rentenversicherung maẞgeblich. Das Urtail hat zahlreiche Auswirkungen auf die betriebliche Altersversorgung. Der nachfolgende Beitrag befasst sich beim ausschlieẞlich mit den im Auswirkungen Scheidungsfall. M. WALDDÖRFER, “Anhebung der Regelaltersgrenze und betriebliche Versorgungszusagen im Scheidungsfall”, Der Betrieb 2013, nr. 19, 1053. 7.2. Mise à la retraite précipitée et déloyauté contractuelle Sur le fond de mise à la retraite décidée avec précipitation, la Cour de cassation illustre de façon
- 8/13 -

Versorgungsausgleich

8. INTERNATIONAL UPDATE
8.1. Ireland The OECD has released “Review of the Irish Pension System”, a report commissioned by Ireland's Ministry of Social Protection that covers all aspects of Irish pension provision. The review provides a comprehensive analysis and a range of options for reforming and updating Ireland's pension systems. Its recommendations address four objectives:

Leergang Pensioenrecht 2012-2013

-

system sustainability, given population aging and financial-market risk; adequacy of future retirement incomes; enhanced capacity of pensions to provide for labor market flexibility and extend working lives;

accounts intended to restore financial sustainability. Workers and employers account," contribute which to a all "hypothetical contains

contributions made during an individual's working life and is credited with an annual notional interest rate equal to the growth of average earnings. A retirement benefit is based on the worker's life expectancy at retirement. The reform also changed the retirement age from 65 to a flexible age, ranging from 61 to 67. Those workers who retire at younger ages receive a lower benefit. Second-pillar mandatory individual retirement accounts supplement the NDC benefit. The third pillar consists of quasi-mandatory, occupational pension plans that are based on collective agreements covering 90 percent of employees and voluntary private pension plans. The report introduces a new concept, the

-

fairer treatment across demographic groups within pension systems.

The review describes the Irish public pension system as an "outlier" among OECD countries, as the country generally has a basic pension system, without an earnings-related pillar or any mandatory occupational or personal pension. To ensure greater retirement income adequacy, the report suggests adding either a universal basic pension or a single means-tested pension to the State pension and supplementing those benefits with a compulsory private pension. In addition, the report proposes other measures to increase the adequacy of retirement income, including linking the retirement age to life expectancy. The report urges additional steps to increase individual savings to reduce future reliance on the State pension. The report savings recommends and a government subsidy or matching contribution to an individual's retirement changing pension-related incentives in the tax code. The report urges stronger laws to protect plan members should trustees decide to close a plan and to allow greater risk sharing.

"recommended retirement age," which would be adjusted annually to life expectancy and would form the basis for any changes to the retirement age for the various types of programs. The report also recommends a number of changes that: adapt the working environment for people with a reduced work capacity; combat age discrimination, and; allow older workers opportunities for professional development. In addition, the report suggests ways to educate

Bron: SSA, International Update, May 2013. 8.2. Sweden On April 9, the Government Commission for Longer Working Life and Retirement Age released its report “Measures for a Longer Working Life”, which discusses ways to encourage older workers to remain in the labor force. The report urges the government to adopt measures that extend working life in order to reduce the fiscal burden on the pension system, improve the level of benefits, and put the system on the path to sustainability. These new measures are in addition to Sweden's major reform in 1999 that introduced first-pillar, pay-as-you-go notional defined contribution (NDC)
- 9/13 -

older workers about the financial benefits of postponing retirement and remaining in the labor force. Finally, the report urges the government to closely monitor and evaluate the effectiveness of these measures. Bron: SSA, International Update, May 2013.

9. GELEZEN IN HET BELGISCH STAATSBLAD
9.1. Bedrijfsvoorheffing op kapitaal aanvullend pensioen De aanslagvoeten voor de uitkering van het kapitaal van een aanvullend pensioen zijn, voor kapitalen

Leergang Pensioenrecht 2012-2013

betaald of uitbetaald vanaf 1 juli 2013, gewijzigd door de Programmawet van 22 juni 2012. (Zie “10.9. Fiscaliteit inzake aanvullende pensioenen en levensverzekeringen”,

Nieuwsbrief

Leergang

buurtwerken of -diensten leveren, betreffende de pensioenpremie voor de uitzendkrachten in de sector voor de elektriciens : installatie en distributie (1), BS 30 mei 2013. KB van 20 februari 2013 waarbij algemeen verbindend wordt verklaard de collectieve arbeidsovereenkomst van 7 november 2011, gesloten in het Paritair Comité voor de bedienden uit de voedingsnijverheid, betreffende de instelling van het "Fonds voor de tweede pijler voor bedienden van de voedingsnijverheid" (1), BS 31 mei 2013. KB van 20 februari 2013 waarbij algemeen verbindend wordt verklaard de collectieve arbeidsovereenkomst van 29 september 2011, gesloten in het Paritair Subcomité voor de metaalhandel, betreffende de wijziging en coördinatie van het sociaal sectoraal pensioenstelsel (1), BS 31 mei 2013. KB van 3 april 2013 waarbij algemeen verbindend wordt verklaard de collectieve arbeidsovereenkomst van 16 april 2012, gesloten in het Paritair Comité voor de bedienden uit de voedingsnijverheid, betreffende de invoering van het sociaal sectoraal pensioenstelsel (1), BS 7 juni 2013. KB van 20 februari 2013 waarbij algemeen verbindend wordt verklaard de collectieve arbeidsovereenkomst van 1 december 2011, gesloten in het Paritair Comité voor de ondernemingen van technische land- en tuinbouwwerken, tot wijziging van de collectieve arbeidsovereenkomst van 5 februari 2008 tot invoering van een sociaal sectoraal pensioenplan voor de arbeiders tewerkgesteld in de ondernemingen van de technische land- en tuinbouwwerken (1), BS 11 juni 2013. KB van 1 maart 2013 waarbij algemeen verbindend wordt verklaard de collectieve arbeidsovereenkomst van 6 februari 2012, gesloten in het Paritair Subcomité voor de opvoedingsen huisvestingsinrichtingen en -diensten van de Vlaamse Gemeenschap, betreffende de sectorale pensioentoezegging voor de periode 2006-2010 (1), BS 12 juni 2013. KB van 1 maart 2013 waarbij algemeen verbindend wordt verklaard de collectieve arbeidsovereenkomst van 31 januari 2012, gesloten in het Paritair Comité voor het tabaksbedrijf, tot wijziging van de collectieve arbeidsovereenkomst van 30 mei 2011 betreffende de invoering van een tweede pensioenpijler (1), BS 12 juni 2013. KB van 1 maart 2013 waarbij algemeen verbindend wordt verklaard de collectieve arbeidsovereenkomst van 10 januari 2012, gesloten in het Paritair Comité

Pensioenrecht 2011-2012, nr. 5, 22.) Een KB van 23
mei 2013 heeft voor deze pensioenkapitalen nu ook de regels met betrekking tot de bedrijfsvoorheffing gewijzigd. De nieuwe regels zijn enkel van toepassing op kapitalen die door werkgeversbijdragen zijn gevormd en uitgekeerd worden bij leven. Er worden enkel wijzigingen aangebracht bij uitkering op 60 of 61 jaar, de andere percentages blijven ongewijzigd (namelijk 16,66%). Bij uitkering van het kapitaal aan de werknemer op de leeftijd van 61 jaar, is een bedrijfsvoorheffing van 18,17% verschuldigd. Wordt het kapitaal uitgekeerd aan de werknemer op de leeftijd van 60 jaar of naar aanleiding van pensionering van die werknemer voor het bereiken van de leeftijd van 61 jaar, is een bedrijfsvoorheffing van 20,19% verschuldigd. KB van 23 mei 2013 tot wijziging van het KB/WIB 92, op het stuk van de bedrijfsvoorheffing, BS 30 mei 2013. 9.2. Sectorpensioenen KB van 20 februari 2013 waarbij algemeen verbindend wordt verklaard de collectieve arbeidsovereenkomst van 25 oktober 2011, gesloten in het Paritair Comité voor het beheer van gebouwen, de vastgoedmakelaars en de dienstboden, betreffende de vaststelling van de bijdrage ter financiering van het sectorale pensioenplan georganiseerd door het "Fonds tweede pijler PC 323" (1), BS 29 mei 2013. KB van 20 februari 2013 waarbij algemeen verbindend wordt verklaard de collectieve arbeidsovereenkomst van 10 januari 2012, gesloten in het Paritair Comité voor de uitzendarbeid en de erkende ondernemingen die buurtwerken of diensten leveren, betreffende de pensioenpremie voor de uitzendkrachten in de sector voor de sigaren en sigarillo's (1), BS 30 mei 2013. KB van 20 februari 2013 waarbij algemeen verbindend wordt verklaard de collectieve arbeidsovereenkomst van 13 december 2011, gesloten in het Paritair Comité voor de uitzendarbeid en de erkende ondernemingen die
- 10/13 -

Leergang Pensioenrecht 2012-2013

voor de uitzendarbeid en de erkende ondernemingen die buurtwerken of -diensten leveren, betreffende de pensioenpremie voor de

uitzendkrachten in de sector voor het beheer van gebouwen, de vastgoedmakelaars en de dienstboden (1), BS 13 juni 2013.

Nummer 5 afgesloten op 17 juni 2013
www.law.kuleuven.be/leergangpensioenrecht
Deze niet periodieke nieuwsbrief is verbonden aan de leergang pensioenrecht en wordt in functie van recente ontwikkelingen opgesteld. Het doel is de studenten te informeren over de allerlaatste ontwikkelingen in het pensioenrecht in zijn meest ruime benadering. De nieuwsbrief is verwijzend en moet de studenten op pad zetten naar nieuwe bronnen. De redactie berust integraal bij Yves Stevens en Evy Van Genechten. Zowel studenten als docenten in de leergang pensioenrecht zijn vrij om suggesties te geven naar de inhoud. Reacties zijn welkom yves.stevens@law.kuleuven.be of leergangpensioenrecht@law.kuleuven.be. De nieuwsbrief “Leergang pensioenrecht” is erkend als juridisch tijdschrift in de zin van art. 280,5° van het wetboek der registratie, hypotheek en griffierechten – erkenningsnummer E.L. 911/1021/135.

- 11/13 Leergang Pensioenrecht 2012-2013

OMBUDSMAN PENSIOENEN
HANDVEST SOCIAAL VERZEKERDE – VERTREKPUNT BEREKENING INTRESTEN
Verzoekster geniet sedert 1 januari 2003 een pensioen als ambtenaar van 4.732,04 euro per jaar. In 2008 wordt met terugwerkende kracht vanaf 1 januari 2003 haar pensioen verhoogd tot 6.583,80 euro, daar de pensioendienst ten onrechte geen rekening gehouden heeft met haar onderwijsprestaties tussen 1984 en 1989. Op 29 juli 2008 wordt een som van 13.849,07 euro achterstallige pensioenbedragen betaald. Betrokkene vraagt aan de pensioendienst telefonisch of er intresten verschuldigd zijn. Zonder duidelijke reden wordt haar vraag negatief beantwoord. In 2010 hoort betrokkene de Ombudsman Pensioenen bij Inspecteur Decaluwé op Radio 2 vertellen dat er op vraag onder bepaalde voorwaarden intresten kunnen betaald worden bij een te late betaling van het pensioen. Betrokkene komt ten rade bij de Ombudsman. De wet van 11 april 1995 tot invoering van het "handvest" van de sociaal verzekerde voorziet in artikel 10 dat de instelling van sociale zekerheid binnen vier maanden na de ontvangst van het verzoek een beslissing moet nemen. Artikel 12 stelt dat de prestaties worden uitgekeerd uiterlijk binnen vier maanden na de kennisgeving van de beslissing tot toekenning. Artikel 20 van het Handvest bepaalt dat de prestaties van rechtswege interest opbrengen vanaf hun opeisbaarheid en ten vroegste vanaf de datum voortvloeiend uit artikel 12. Doch indien de beslissing tot toekenning genomen werd met een vertraging die te wijten is aan een instelling van sociale zekerheid (b.v. een pensioendienst) is de interest evenwel verschuldigd vanaf het verstrijken van de termijn van 4 maanden na ontvangst van het verzoek (zoals bepaald in artikel 10 van het Handvest) en ten vroegste vanaf de datum waarop de prestatie ingaat. Na bemiddeling door de Ombudsman kent de pensioendienst in eerste instantie 2.563,05 euro intresten toe. De Ombudsman stelt vast dat de pensioendienst de intresten slechts laat lopen vanaf 14 oktober 2003, zijnde na een termijn van 8 maanden vanaf de datum van de aanvraag (14 februari 2003) (= na afloop van de termijn voorzien in artikel 12 van het Handvest). De Ombudsman betwist dit en argumenteert dat de berekening van de intresten moet aanvangen na 4 maanden (dus reeds vanaf 13 juni 2003) en niet na 8 maanden. Artikel 1M3.1 van de Ministeriële omzendbrief van 17 september 1998 met betrekking tot de toepassing van het "handvest" van de sociaal verzekerde, die vermeldt: “Indien de beslissingstermijn van 4 maanden wordt overschreden, kan de instelling sancties ontlopen door de uitbetalingstermijn vrijwillig in te korten. Interne compensatie van termijnen is dus mogelijk.”, kan in dit dossier niet toegepast worden. Immers de betaling van het pensioen gebeurde niet binnen de 8 maanden na de datum van de aanvraag. Hieruit volgt dat de pensioendienst geen compensatie van termijnen mag toepassen. Tevens ligt de oorzaak van de vertraging bij een instelling van sociale zekerheid (pensioendienst) zodat de intresten lopen vanaf 4 maanden na de ontvangst van de aanvraag (en niet pas na 8 maanden zoals wanneer de oorzaak van de vertraging niet ligt bij een instelling van sociale zekerheid). Tevens is er geen enkele reden tot schorsing van de termijnen (b.v. oorzaak van de vertraging bij betrokkene of een buitenlandse instelling). De pensioendienst volgt de argumentatie van de Ombudsman en betaalt naast de 2.563,78 euro intresten nog een bijkomend bedrag van 35,82 euro voor de periode van 1 juni 2003 tot 14 oktober 2003. De werkwijze wordt voortaan ook toegepast voor alle gelijkaardige vragen tot betaling van intresten.

- 12/13 Leergang Pensioenrecht 2012-2013

PENSIOENOPINIES
bedenkingen bij recente evoluties
DE BESTE STUURLUI STAAN AAN WAL
In deze nieuwsbrief kan u het In alle rapporten wordt toegegeven dat

aanbevelingsrapport van de OESO voor Ierland vinden. Het lezen van dit soort van rapporten is waarlijk boeiend. Althans de eerste keer dat u zo een rapport leest. Reeds de tweede keer treedt er namelijk een soort van “déjà vu gevoel” in. Zowel de OESO als de Europese Commissie tappen immers uit hetzelfde economische vaatje met ongeveer dezelfde parametrering. Dit maakt dat alle landenrapporten van de OESO en Europese Commissie een zeer grote gelijk(w)aardigheid hebben. Soms bekruipt me het gevoel dat het volstaat om eenvoudig de naam van een land te veranderen en men krijgt steeds opnieuw dezelfde conclusie. Binnen een quasi ééngemaakte Europese handelszone is dit misschien ook niet zo verwonderlijk. Ik verwoord die conclusie in één zin: De

pensioenhervormingen altijd moeilijk zijn. Veel meer dan die vaststelling gebeurt er eigenlijk niet. Noch door de OESO, noch door de Europese Commissie wordt er ingezet op de vraag naar de invulling van de legitimiteit van mogelijke hervormingen binnen een lidstaat. Dit komt door de gekozen invalshoek: het nationaal doorvoeren van de voorgestelde hervormingen wordt aanzien als een louter economisch logisch gevolg waarbij “de bevolking het moet slikken omdat het economisch de enige weg is”. Volgens mij wordt er te weinig focus gelegd op de vraag hoe politici dit concreet moeten doen en/of verkopen aan de bevolking. Nochthans zal de hervorming van de Europese welvaarstaten maar echt lukken als ze legitiem gebeurt. Legitiem wil zeggen dat er een sociale, fiscale en actuariële rechtvaardigheid is, gebaseerd op een collectieve mix van arbeidsethos en solidariteit. Legitimiteit heeft zo te maken met waarden, ideologie en cultuur. Niet alle landen van de Europese Unie hebben een zelfde legitimiteitsbasis voor hun pensioenstelsels. De fundamentele noties van arbeidsethos en solidariteit worden heel verschillend ingevuld in de verschillende Europese lidstaten. Eigenlijk kan de houding van de OESO en de Europese Commissie niet langer volgehouden worden in de richting van de lidstaten. Het is niet omdat er een economische uniformiteit is dat er binnen de Europese Unie ook een vorm van “one-size-fits-all” legitimiteit te vinden is. Er moet meer nadruk gelegd worden op hoe de legitimiteit van de pensioenstelsels werkt in de verschillende landen. Het proces van mogelijkheden en valkuilen rondom legitimiteit moet veel beter geanalyseerd worden. Zoniet dreigen de hervormingen ofwel onnodig uitgesteld te worden, ofwel zelfs “fout” te worden doorgevoerd. Er bestaat zelfs een risico dat populistische partijen de pensioenhervorming politiek gaan accapareren met alle mogelijke gevolgen. Zowel de Europese Commissie als de OESO moeten dringend worden opgeroepen om meer onderzoek te doen naar de nationale legitimiteit van pensioenhervormingen. Dit moet de lidstaten helpen. Het is één ding te zeggen dat er hervormd moet worden, ze doorvoeren is een gans andere zaak. Anders staan de beste stuurlui nog maar eens aan wal. YS

macro-economische houdbaarheid van het bestaande pensioenstelsel staat onder druk waardoor de adequaatheid van de toekomstige pensioenuitkeringen niet gegarandeerd kan worden bij een ongewijzigd beleid waardoor het vandaag nodig is meer arbeidsmarktflexibiliteit te creëeren, de loopbanen te verlengen en de pensioenleeftijden op te trekken zodat er een rechtvaardigere verdeling van de lasten tussen de generaties plaats kan vinden.
Deze conclusie is als het ware een soort van mantra geworden doorheen de Europese Unie. Het is zeker niet aan mij om de correctheid van de economische analyses en uitgedragen visies van de OESO of de Europese Commissie hier in vraag te stellen. Men kan beide instellingen – of men er nu politiek voor of tegen is – toch moeilijk beschuldigen van amateurisme of knoeierij. Hun studies En zijn wel ik degelijk de wetenschappelijk van beide onderbouwd. toch ben rapporten instellingen over de jaren steeds kritischer gaan lezen. Niet om wat er staat maar om wat er niet staat. Ik mis in de de uitgebreide legitimiteit studies van de rond “pensioenadequaatheid’ hervormingen. instellingen namelijk een wetenschappelijk onderbouwd inzicht over voorgestelde door Pensioenadequaatheid wordt beide

terecht gemeten op twee assen en/of uitgangspunten. Het gaat enerzijds om adequate pensioenen op de as “inkomensvervanging bij pensionering” en anderzijds op de as “armoedebestrijding bij gepensioneerden”.

- 13/13 Leergang Pensioenrecht 2012-2013

Sign up to vote on this title
UsefulNot useful