You are on page 1of 12

1

Uitbreiding Speciale Relativiteitstheorie


cursus 2005-2006

Gerard Nienhuis, Huygens Laboratorium, Universiteit Leiden

Deze tekst is bedoeld als toevoeging aan hoofdstuk 37 (Relativity) in Univer-


sity Physics van Young and Freedman. Deze tekst en hoofdstuk 37 vormen
samen de beschrijving van de stof van het college en het tentamen Speciale
Relativiteitstheorie.

1 Tijd-ruimte-diagrammen
Een inertiaalstelsel S ′ beweegt met snelheid u in de x−richting ten opzichte
van een stelsel S, waarbij de kloktijden in de oorsprongen O en O′ op nul zijn
gezet op het moment dat die elkaar passeren. Een gebeurtenis (event) wordt
aangegeven door een plaats en een tijd, die we aangeven in het stelsel S als
de plaatsvector ~r = (x, y, z) en het tijdstip t, en in het stelsel S ′ als ~r′ =
(x′ , y ′ , z ′ ) en t′ . De Lorentztransformatie, die het verband aangeeft tussen
beide stelsels, kan op vele manieren worden afgeleid, door alleen gebruik
te maken van de twee postulaten van de speciale relativiteitstheorie. De
transformatie voor x en t luidt
u
x′ = γ(x − ut) , t′ = γ(t − x) , (1)
c2
q
met γ = 1/ 1 − u2 /c2 . De ruimtelijke coördinaten loodrecht op de beweg-
ingsrichting veranderen niet, en de transformatie kan worden uitgebreid met

y′ = y , z′ = z . (2)

Een symmetrische vorm van de Lorentztransformatie vinden we door in te


voeren de geschaalde tijd τ = ct, zodat τ de dimensie van lengte heeft. Als we
verder de snelheid u uitdrukken in de dimensieloze parameter β = u/c, dan
kunnen we de transformatie (1) ook schrijven in de symmetrische gedaante

x′ = γ(x − βτ ) , τ ′ = γ(τ − βx) . (3)


Uitbreiding SRT 2

In de limiet dat de snelheid u veel kleiner is dan de lichtsnelheid c gaat de


Lorentztransformatie (1) over in de Galileitransformatie
x′ = (x − ut) , t′ = t. (4)
De Lorentztransformatie kan worden geı̈llustreerd met een tx-diagram,
waarin de x-as en de t-as voor S loodrecht op elkaar zijn getekend. Dit
diagram geeft dus zowel de plaats als de tijd weer, en elke gebeurtenis kan
worden voorgesteld door een punt in het vlak. Het ondeelbare geheel van
ruimte en tijd wordt in de relativiteitstheorie aangeduid als ruimtetijd. We
kiezen de eenheden zodanig dat de lichtsnelheid c gelijk is aan 1. Dat betekent
dat gelijke stukken langs de t-as en de x-as een tijdsverschil ∆t en een afstand
∆x aangeven waarbij ∆x = c∆t. Als we voor de eenheid van tijd een jaar
kiezen, dan is de eenheid van lengte een lichtjaar, en als we de meter als
lengte-eenheid kiezen, dan wordt de eenheid van tijd gelijk aan de tijdsduur
die licht nodig heeft om één meter af te leggen. Dat komt erop neer dat we de
tijd t weergeven als de afstand τ = ct. De tijdsas zullen we dan ook de τ -as
noemen. Deze as bestaat uit de punten met x = 0. Evenzo kunnen we de
lijn van punten met x′ = 0 beschouwen als de τ ′ -as. Deze as is ook de baan
van de oorsprong O′ van S ′ , en wordt gegeven door de lijn x = ut. Uit de
Lorentztransformatie (1) zien we dat inderdaad de lijn x′ = 0 hetzelfde is als
lijn x = ut. Omdat de snelheid u kleiner is dan c, moet de hoek tussen de τ -
en de τ ′ -as kleiner zijn dan 45◦ . De tangens van deze hoek is dus gelijk aan β.
Omgekeerd is de x-as de lijn τ = 0, de verzameling van punten met tijd nul
in S. De x′ -as is de lijn waar in S ′ de tijd nul is. Uit de tweede vergelijking
(3) zien we dat τ ′ = 0 als τ = βx. Het bijzondere van de relativiteitstheorie
is nu dat de x′ -as niet samenvalt met de x-as, maar daarmee eenzelfde hoek
maakt als die tussen de τ - en de τ ′ -as.
Een gebeurtenis P wordt gegeven door zijn plaats xP en tijd tP in het
stelsel S. Samen bepalen xP en tP een punt in het τ x-vlak. In het stelsel S ′
worden de plaats en tijd van dezelfde gebeurtenis bepaald door een andere
plaats x′P en tijd t′P . De waarden daarvan kunnen worden afgelezen uit
het diagram. Een lijn van gebeurtenissen die in S ′ op hetzelfde tijdstip
plaatsvinden, dus een lijn waarop τ ′ een vaste waarde heeft, is een lijn die
evenwijdig loopt aan de x′ -as. Dit wordt geı̈llustreerd in de Fig.1.
Het is duidelijk dat de gebeurtenissen op die lijn niet alle dezelfde τ -
waarde hebben, dus dat ze gezien vanuit S niet gelijktijdig zijn. Zowel tijds-
dilatatie als Lorentzcontractie is direct af te lezen uit de figuur. Een klok in
Uitbreiding SRT 3

x’=0 x=1 x’=1


τ τ’
P τ ’=1

A
τ =1

τ ’=0
x’

B C x

Figure 1: Diagram van de Lorentztransformatie bij β = 3/11. In het ruimtetijd-


diagram van stelsel S zijn aangegeven de lijnen waar τ ′ = 0 (de x′ -as), x′ = 0 (de
τ ′ -as), en tevens de lijnen τ ′ = 1 en x′ = 1. Ook de lijnen τ = 1 en x = 1 zijn
getekend. Een gebeurtenis P is aangegeven als een punt in het τ x-vlak. Plaats
en tijd in S kunnen worden afgelezen door lijnen te trekken vanuit P evenwijdig
aan de τ -as en evenwijdig aan de x-as, en de afgesneden lijnstukken van de assen
te vergelijken met de eenheid. Plaats en tijd in S ′ kunnen worden afgelezen door
lijnen te trekken vanuit P evenwijdig aan de τ ′ -as en evenwijdig aan de x′ -as, en
de afgesneden stukken te vergelijken met de eenheid langs die assen.

de oorsprong van S ′ volgt een baan die samenvalt met de τ ′ -as, en de klok
geeft de tijd τ ′ aan. De gebeurtenis dat deze klok de tijd τ = 1 aangeeft is
het snijpunt van de τ ′ -as met de lijn τ ′ = 1, aangegeven door het punt A.
Direct is te zien dan de tijd τ van deze gebeurtenis groter is dan 1, zodat
de tijd in S inderdaad later is dan de tijd in S ′ , zoals aangegeven door de
bewegende klok.
Bekijk nu een met S ′ meebewegende meetlat met lengte 1, die zich bevindt
tussen de punten x′ = 0 en x′ = 1. De banen van de uiteinden van de lat
zijn dus de τ ′ -as en de getekende lijn x′ = 1 die daaraan evenwijdig is. Op
één tijdstip in S, bijvoorbeeld op het tijdstip τ = 0, zijn de posities van de
Uitbreiding SRT 4

uiteinden gegeven door de snijpunten B en C van deze lijnen met de x-as.


Uit de figuur is te zien dat de afstand tussen deze gebeurtenissen minder is
dan 1, zodat de meetlat gemeten in S korter is.

2 Verleden en toekomst
De Lorentztransformatie geldt niet alleen voor de plaats en de tijd van een
enkele gebeurtenis, maar ook voor de afstand ∆x = x2 − x1 , en het tijdsver-
schil ∆t = t2 − t1 tussen twee gebeurtenissen 1 en 2. Immers, als x′1 en x′2 de
posities, en t′1 en t′2 de tijdstippen zijn van deze gebeurtenissen in het stelsel
S ′ , dan kunnen we de Lorentztransformaties (1) voor beide gebeurtenissen
van elkaar aftrekken, met als resultaat
u
∆x′ = γ(∆x − u∆t) , ∆t′ = γ(∆t − ∆x) . (5)
c2
We stellen ons nu de vraag: als ∆x en ∆t gegeven zijn, is er dan een stelsel
S te vinden waarin de twee gebeurtenissen op dezelfde plaats gebeuren?

Ofwel, is er een stelsel waarin ∆x′ = 0? Volgens de eerste vergelijking (5)


kan dat alleen als we de snelheid u zo kunnen kiezen dat ∆x − u∆t = 0, dus
als ∆x/∆t = u < c. Als aan deze voorwaarde voldaan is, dan kan een waarne-
mer die meereist met S ′ beide gebeurtenissen meemaken, door ten opzichte
van S te reizen met een snelheid u kleiner dan de lichtsnelheid. De tijd t′ in
S ′ is dan eigentijd van de reiziger. Op grond van de tijdsdilatatie weten we
dat ∆t0 = ∆t′ = ∆t/γ. (Dat volgt ook uit de tweede vergelijking (5), als we
de waarde van u invullen.) Als we deze relatie tussen ∆t en ∆t′ kwadrateren,
en gebruiken dat ∆x = u∆t, dan vinden we c2 (∆t0 )2 = c2 (∆t)2 − (∆x)2 . Het
verloop van de eigentijd q van de reiziger die beide gebeurtenissen meemaakt
is dus gelijk aan ∆t0 = (∆t)2 − (∆x)2 /c2 . Deze waarde moet dus in alle
stelsels dezelfde zijn, ofwel c2 (∆t)2 − (∆x)2 is invariant voor Lorentztrans-
formaties. Dat kan ook rechtstreeks nagegaan worden door de Lorentztrans-
formatie (5) te gebruiken, en te controleren dat

c2 (∆t)2 − (∆x)2 = c2 (∆t′ )2 − (∆x′ )2 . (6)

Als c2 (∆t)2 < (∆x)2 , dan geldt deze invariantie dus ook. Maar in dat
geval is er geen stelsel waarin de twee gebeurtenissen dezelfde plaats hebben.
Maar dan is er wel een stelsel waar beide gebeurtenissen op hetzelfde tijdstip
Uitbreiding SRT 5

plaatsvinden. Volgens (5) is dat het geval in het stelsel dat ten opzichte van
S beweegt met de snelheid u = c2 ∆t/∆x, wat inderdaad kleiner is dan c.
Twee gebeurtenissen waarvoor c2 (∆t)2 < (∆x)2 worden in het τ x-diagram
weergegeven door twee punten waarvan de verbindingslijn een hellingshoek
heeft die kleiner is dan 45◦ . Er is dan een stelsel S ′ waarvan de τ ′ -as
evenwijdig is aan deze verbindingslijn. Dit is het stelsel waarin de beide
gebeurtenissen gelijktijdig zijn. Op grond van de invariantie voldoet hun afs-
tand ∆x′ = ∆x0 in dit stelsel S ′ aan de gelijkheid c2 (∆t)2 −(∆x)2 = −(∆x0 )2 .
In geen ander stelsel is de afstand kleiner dan ∆x0 , en de positie van beide
gebeurtenissen is verschillend in elk stelsel.
Twee gebeurtenisen waarvoor c2 (∆t)2 > (∆x)2 worden in het τ x-diagram
weergegeven door twee punten waarvan de verbindingslijn een hellingshoek
heeft die groter is dan 45◦ . Er is dan een stelsel S ′ waarvan de x′ -as evenwijdig
is aan deze verbindingslijn. Dit is het stelsel waarin de beide gebeurtenis-
sen op dezelfde plaats gebeuren. Op grond van de invariantie voldoet hun
tijdsverschil ∆t′ = ∆t0 in dit stelsel S ′ aan de gelijkheid c2 (∆t)2 − (∆x)2 =
c2 (∆t′ )2 . Er is geen stelsel waarin de beide gebeurtenissen gelijktijdig zijn.
Bovendien is de volgorde van beide gebeurtenissen in elk stelsel dezelfde. Als
t2 > t1 , dan geldt t′2 > t′1 in elk stelsel.
Als we door het punt 1 twee lijnen tekenen met hellingshoeken ±45◦ ,
dan wordt de ruimtetijd daarmee verdeeld in gebieden die ten opzichte van
gebeurtenis 1 vallen in de toekomst, in het verleden, of in andere plaatsen
(het ’elders’). In Fig. 2 wordt deze verdeling geschetst. Deze gebieden
worden bij een Lorentztransformatie in zichzelf afgebeeld: een punt 2 dat in
de toekomst van 1 ligt voor stelsel S, ligt voor alle stelsels in de toekomst. Het
begrip toekomst is dus niet relatief, maar absoluut, en hetzelfde geldt voor
de begrippen verleden en elders. Kenmerkend voor de relativiteitstheorie is
dat de drie gebieden elkaar niet overlappen. Twee gebeurtenissen die ten
opzichte van elkaar in elders liggen, kun je niet zeggen welke eerder en welke
later plaats vindt. Dat hangt van het stelsel af, en in één stelsel zijn ze
gelijktijdig. En als 2 ligt in de toekomst van 1, en dus 1 in het verleden van
2, dan is er één stelsel waarin ze dezelfde plaats hebben.
In één ruimtelijke dimensie bestaat het elders uit twee gescheiden ge-
bieden. Maar bij twee ruimtelijke dimensies (x en y) wordt het ruimtetijd-
diagram driedimensionaal, en de scheiding tussen de gebieden heeft de vorm
van een kegel die onstaat door rotatie om een vertikale lijn door het punt
1. Toekomst en verleden bevinden zich dus in de binnengebieden van het
Uitbreiding SRT 6

kegeloppervlak. Bij drie ruimtelijke dimensies wordt de ruimtetijd natuurlijk


vierdimensionaal.

toekomst

elders 1 elders

verleden

Figure 2: Schets van toekomst, verleden en elders in het ruimtetijddiagram. De


gebieden worden gescheiden door lijnen die de banen van licht in de positieve of
de negatieve richting aangeven. Een gebeurtenis 2 die in het gebied toekomst valt
heeft in elk stelsel een tijd t2 die groter is dan de tijd t1 van gebeurtenis 1. Er is dan
precies één stelsel waarin 1 en 2 dezelfde plaats hebben. Als een gebeurtenis 2 die
in het gebied elders valt, dan is er precies één stelsel waarin beide gebeurtenissen
dezelfde tijd hebben. Er zijn stelsels waarin t1 > t2 , en stelsels waarin t1 < t2 .

3 Optellen van snelheden


We nemen weer aan dat stelsel S ′ een snelheid u in de x-richting heeft ten
opzichte van het stelsel S. We bekijken nu een deeltje dat in het stelsel S ′
een snelheid ~v ′ heeft, met componenten vx′ , vy′ en vz′ . Dat betekent dus dat
vx′ = dx′ /dt′ , enzovoort. Volgens de Lorentz-transformatie (5) geldt dan
γ(∆x − u∆t) vx − u
vx′ = u = , (7)
γ(∆t − c2 ∆x) 1 − cu2 vx
Uitbreiding SRT 7

∆y vy
vy′ = u = , (8)
γ(∆t − c2 ∆x) γ(1 − cu2 vx )
∆z vz
vz′ = u = . (9)
γ(∆t − c2 ∆x) γ(1 − cu2 vx )

Volgens de Galileitransformatie zou uiteraard gelden dat vx′ = vx −u, vy′ = vy ,


en vz′ = vz . In de limiet dat ~v en u veel kleiner zijn dan c, zijn de relativistische
uitdrukkingen (7)-(9) hiervan niet te onderscheiden. Het is opmerkelijk dat
de factor γ niet voorkomt in de uitdrukking voor vx′ , maar wel in die voor vy′
en vz′ .
Omdat het stelsel S ten opzichte van S ′ beweegt met de snelheid −u,
vinden we de omgekeerde transformatie (van S ′ naar S) uit (7)-(9) door de
substituties vx′ ←→ vx , vy′ ←→ vy en vz′ ←→ vz en u ←→ −u. Het resultaat
luidt
vx′ + u vy′ vz′
vx = , v y = , v z = . (10)
1 + cu2 vx′ γ(1 + cu2 vx′ ) γ(1 + cu2 vx′ )
In plaats van de snelheid van een deeltje kunnen we natuurlijk ook spreken
van de snelheid van een derde stelsel ten opzichte van S en S ′ . We beschouwen
nu alleen bewegingen in de x-richting. Als een derde stelsel S ′′ een snelheid
v ′ heeft ten opzichte van S ′ , dan vinden we de snelheid v van S ′′ ten opzichte
van S door de eerste transformatie (10) te gebruiken, met vx′ vervangen door
v ′ . Het resultaat is dan
v′ + u
v= ′ . (11)
1 + vc2u
Dit is de optelregel van snelheden in dezelfde richting. Het is gemakkelijk
te controleren dat v niet groter kan zijn dan c. Immers, omdat u en v ′ niet
groter kunnen zijn dan c is (1 − u/c)(1 − v ′ /c) nooit negatief. Dat betekent
dat 1 + v ′ u/c2 ≥ v ′ /c + u/c. Als v ′ = c, dus als het deeltje ten opzichte van
S ′ beweegt met de lichtsnelheid, dan is ook v = c.

4 Impuls en energie
In de mechanica zijn impuls en energie belangrijke begrippen, vooral omdat
ze behouden zijn. Maar de waarde van energie en impuls van een systeem
zal bij transformatie naar een ander inertiaalstelsel veranderen, net zoals dat
in de klassieke mechanica het geval is. Het ligt voor de hand te verwachten
Uitbreiding SRT 8

dat de Lorentztransformatie ook gebruikt kan worden om impuls en energie


tussen verschillende stelsels te transformeren. Een eerste vraag die opkomt
is wat de uitdrukking is voor de energie en de impuls van een systeem. Het
eenvoudigste systeem dat we kunnen bedenken is een puntvormig deeltje met
massa m dat met een gegeven snelheid ~v beweegt. De klassieke definitie van
de impuls is p~ = m~v , waarbij de snelheid gelijk is aan de afgeleide ~v = d~r/dt.
In de relativiteitstheorie is de tijd niet invariant, maar afhankelijk van de
beweging. Om een grootheid te vinden die zich gedraagt als een vector bij
Lorentztransformaties ligt het nu voor de hand om de afgeleide te nemen,
niet naar de stelseltijd t, maar naar de eigentijd van het deeltje t0 . Zoals we
weten uit het effect van de tijdsvertraging verloopt de eigentijd volgens de
differentiaal dt0 = dt/γ(v), waarbij γ(v) gegeven is door
1
γ(v) = q .
v2
1− c2

Bij verandering van de snelheid verandert de factor γ dus mee. Dat suggereert
de definitie van de impuls als p~ = md~r/ds, of, in één ruimtelijke dimensie, als
p = mdx/dt0 . Omdat de eigentijd stelselonafhankelijk is, en dus invariant,
zal deze grootheid, samen met de vierde component mdt/dt0 , een viervector
vormen, waarvoor dus de Lorentz-transformatie geldt. We definiëren nu de
driedimensionale impuls van het deeltje als p~ = md~r/dt0 . De impulsvector is
dus gegeven door
p~ = mγ(v)~v . (12)
De bijbehorende vierde component moet dan zijn mdt/dt0 = mγ(v), en het
ligt voor de hand te verwachten dat die component de energie van het deeltje
bepaalt. Als dit de energie is in een stelsel van eenheden waarin c = 1, dan
vinden we de uitdrukking in gewone eenheden door die te vermenigvuldigen
met een macht van c zodanig dat die de dimensie van energie krijgt. Daarom
schrijven we
E = mγ(v)c2 . (13)
Voor de eenvoud kiezen we de x-as in de richting van de impuls, en beperken
we ons tot beweging in één ruimtelijke dimensie. De Lorentztransformatie
voor impuls en energie vinden we dan uit vergelijking (3), door px = p te
schrijven in plaats van x, en in plaats van τ = ct de grootheid E/c. Immers,
deze grootheid is de energie in eenheden waarin c = 1, en in gewone eenheden
Uitbreiding SRT 9

heeft E/c de dimensie van impuls. Als het stelsel S ′ beweegt met snelheid u
in de x-richting, dan vinden we de transformatie
E E′ E
p′ = γ(p − β ), = γ( − βp) , (14)
c c c
waarbij we γ = γ(u) moeten nemen. Door te gebruiken dat β = u/c kunnen
we dit herschrijven als
u
p′ = γ(u)(p − E) , E ′ = γ(u)(E − up) . (15)
c 2

Het is een nuttige oefening te controleren dat deze relatie inderdaad geldt
voor de impuls en energie van een enkel deeltje met massa m. Daartoe moeten
we de uitdrukkingen (12) en (13) nemen voor impuls en energie, waarbij het
verband tussen de snelheid van het deeltje in S en S ′ door de relatie (11)
wordt gegeven.
Omdat het verband tussen impuls en energie in verschillende stelsels
gegeven is door de Lorentztransformatie, is er naar analogie van de invariante
grootheid c2 (∆t)2 − (∆x)2 ook een invariante grootheid die met impuls en
energie samenhangt. Dat moet dus de grootheid E 2 /c2 − p2 zijn. In het geval
van een enkel deeltje kunnen we meteen controleren dat deze uitdrukking in
alle stelsels dezelfde waarde heeft, door de uitdrukkingen (12) en (13) in te
vullen. We vinden
E2
− p2 = m2 (γ(v))2 (c2 − v 2 ) = m2 c2 , (16)
c2
onafhankelijk van het stelsel. De invariante grootheid bepaalt dus de massa
van het deeltje. De energie heeft de kleinste waarde E0 = mc2 in het stelsel
waarin de impuls nul is. Dat is het stelsel dat met het deeltje meebeweegt.
Door toepassing van de Lorentztransformatie (14) bij de snelheid u = v van
het deeltje, vinden we inderdaad dat p′ = 0, terwijl de energie gegeven is door
E ′ = E0 = mc2 . Deze energie in het ruststelsel van het deeltje wordt ook
de rustenergie genoemd. Het verschil tussen de energie E en zijn rustenergie
E0 kunnen we beschouwen als de kinetische energie. De relatie (16) kunnen
we ook beschouwen als een uitdrukking voor het verband tussen energie en
impuls. We kunnen de energie hieruit ook oplossen, in de gedaante
q
E= m2 c4 + c2 p2 . (17)
Uitbreiding SRT 10

Deze relatie is ook toepasbaar voor een deeltje met massa m = 0, waarbij
we vinden dat E = c|p|. Deze relatie geldt bijvoorbeeld voor een lichtflits
met een enkele voortplantingsrichting, of voor een lichtquantum (foton). Al-
gemeen zal een deeltje met niet-verdwijnende massa in elk stelsel lopen met
de lichtsnelheid. Zo’n massaloos deeltje heeft dus wel een impuls en een en-
ergie die evenredig met elkaar zijn. In feite volgt al uit de Maxwelltheorie
van het elektromagnetisme dat een hoeveelheid licht met energie E en een
welbepaalde voortplantingsrichting ook een impuls ter grootte p = E/c heeft.

5 Samengestelde systemen
Voor een samengesteld systeem, bestaande uit niet-wisselwerkende deeltjes,
zijn de impuls en de energie eenvoudig de som van de impuls en de energie
van de afzonderlijke deeltjes. Als mi de massa van het ide deeltje geeft, en
~vi zijn snelheid, dan zijn de totale impuls en energie

P~ =
X X
mi γ(vi )~vi , E = mi γ(vi )c2 . (18)
i i

Impuls en energie zijn dus additief. Voor een systeem bestaande uit deeltjes
met massa, en een aantal lichtflitsen kunnen we even gemakkelijk de totale
uitdrukking opschrijven. Bovendien zijn energie en impuls van een gesloten
systeem behouden: ze veranderen niet met de tijd, ook als er processen
plaats vinden waarbij de samenstelling van het systeem verandert. Daarbij
kunnen deeltjes verdwijnen, waarbij lichtquanta ontstaan, of omgekeerd kan
lichtenergie overgaan in deeltjes met massa.
In het algemeen zijn fysische systemen samengesteld: ze zijn opgebouwd
uit grote aantallen bouwstenen. Vaak is het niet zonder meer duidelijk of
een systeem samengesteld is of niet. Vroeger werden atomen als ondeelbaar
beschouwd, terwijl we ze nu zien als opgebouwd uit elektronen en een kern.
Op zijn beurt is de kern samengesteld uit protonen en neutronen, die zelf ook
weer een inwendige structuur hebben, waarbij quarks een rol spelen. Het is
dus van belang om te kunnen spreken over het ruststelsel van een systeem,
ook als het systeem samengesteld is.
We bekijken nu een willekeurig systeem, dat in een zeker inertiaalstelsel
S een totale impuls P~ en energie E heeft. Voor het gemak kiezen we de x-as
van S in de richting van P~ , zodat Py en Pz allebei nul zijn, en Px = P gelijk
Uitbreiding SRT 11

is aan de grootte van de impulsvector. Dan transformeren P en E volgens


de Lorentztransformatie
u
P ′ = γ(u)(P − E) , E ′ = γ(u)(E − uP ) . (19)
c 2

Het ligt voor de hand om het ruststelsel S0 van het systeem te definiëren
door de eis dat in dat stelsel de impuls nul is. Het is dan voldoende om de
snelheid u te vinden van S0 ten opzichte van S. Door te eisen dat P ′ = 0
in de eerste vergelijking (19) vinden we de snelheid u waarmee het stelsel
S ′ = S0 in de x-richting beweegt ten opzichte van S, met als resultaat

c2 P
u= . (20)
E
Een ruststelsel bestaat alleen als cP < E, hetgeen voor systemen met massa
altijd het geval is. De energie E0 = E ′ in dit stelsel is gelijk aan de rustenergie
van het systeem. Op grond van de invariantie van E 2 − c2 P 2 moet gelden
dat √
E0 = E 2 − c2 P 2 . (21)
Men kan rechtstreeks controleren dat dit ook volgt uit de tweede vergelijking
(19), als we de uitdrukking (20) voor de snelheid u gebruiken. Vergelijking
(21) geeft dus de rustenergie van een systeem met impuls P en energie E.
Andere informatie dan deze twee grootheden is niet nodig om de rustenergie
te bepalen. Net zoals bij een puntdeeltje kunnen we aan het samengestelde
systeem een massa M = E0 /c2 toekennen. Het zal onmiddellijk duidelijk zijn
dat dan de massa niet additief is: de massa M van een systeem van deeltjes
is niet hetzelfde als de som mi van de massa’s van de afzonderlijke deeltjes,
P

ook niet als er geen wisselwerking is. De snelheid ~u van het ruststelsel van
een systeem van (niet wisselwerkende) deeltjes vinden we direct uit (20), met
als resultaat
c2 P~ mi γ(vi )~vi
P
~u = = Pi . (22)
E i mi γ(vi )

We zien dat de snelheid van het ruststelsel hetzelfde is als de snelheid volgens
de klassieke (niet-relativistische) mechanica van het zwaartepunt van een
systeem van deeltjes met snelheden ~vi , en massa’s γ(vi )mi .
Voor een stralingsveld met een enkele voortplantingsrichting geldt cP =
E, zodat er geen ruststelsel bestaat. Immers, de snelheid u van dat stelsel zou
Uitbreiding SRT 12

volgens (20) gelijk worden aan c. Wanneer een stralingsveld een superpositie
is van verschillende velden met een verschillende voortplantingsrichting, dan
is de impuls van dat veld kleiner dan E/c. In dat geval is er wel een ruststelsel
van het systeem, met een snelheid u die kleiner is dan c. Ook zien we dan
uit (21) dat de rustenergie positief is. Als voorbeeld nemen we een systeem
bestaande uit twee lichtquanta met dezelfde energie, die in tegengestelde
richting lopen. In het stelsel S noteren we de waarde van de energie van beide
flitsen als e0 . De waarden van de impuls zijn dan p1 = e0 /c en p2 = −e0 /c.
De totale impuls is dan uiteraard P = 0, zodat S het ruststelsel van het
systeem is. De rustenergie is dus E0 = 2e0 . We moeten aan dit systeem dus
ook een massa M = 2e0 /c2 toekennen, terwijl de samenstellende delen (de
afzonderlijke flitsen) massaloos zijn.
Het is ook mogelijk dat de massa van een samengesteld systeem kleiner
is dan de som van de afzonderlijke massa’s. Dat is bijvoorbeeld het geval
bij een gebonden systeem. In een waterstofatoom zijn het elektron en het
proton aan elkaar gebonden, en de energie is lager dan wanneer de deeltjes
ver van elkaar zijn. Omdat de rustenergie van het gebonden systeem lager is
dan van de deeltjes op grote afstand, is ook de massa kleiner dan de som van
de massa’s van een vrij elektron en een vrij proton. Hetzelfde is het geval bij
lichte atoomkernen, die kunnen fuseren tot kernen met een massa die minder
is dan de som van de massa’s van de samenstellende delen. Bij dit proces
van kernfusie komt dus een hoeveelheid energie vrij die gelijk is aan c2 maal
de verdwenen massa.