·

·
·
·
Christendom
en
Joodse Mystiek
Sjef Laenen



·
·
·
·
Drs. J.H. (Sjef ) Laenen studeerde Spaanse taal- en
leterkunde in Utrecht alsmede Semitische talen
en culturen (hoofdvak: Hebreeuws-Aramees) te
Leiden. Na zijn studie specialiseerde hij zich in
de joodse mystiek. Hij is de auteur van diverse
boeken op dit gebied, waaronder:
Joodse mystiek. Een inleiding () − een over-
zicht over denkbeelden en stromingen in de ge-
schiedenis van de joodse mystiek;
Frederik Weinreb en de joodse mystiek () − een
kritische analyse van de ideeën van deze moder-
ne joodse mysticus;
Kabbala voor beginners () − een toeganke-
lijke inleiding in de Kabbala voor de geïnteres-
seerde leek;
Chassidisme () − een helder overzicht van
deze bekende mystieke stroming in het heden-
daagse jodendom.
Jodendom en christendom zijn twee godsdiensten
die nauw met elkaar verbonden zijn, maar die el-
kaar, ondanks alle goede bedoelingen, vaak moei-
lijk kunnen vinden. De soms problematische ver-
houding komt niet alleen voort uit misvatingen
over de religieuze opvatingen van de ander, maar
ook uit een onbegrip over het wezen van de eigen
traditie.
In het enorme complex van de joodse traditione-
le en mystieke literatuur komt een weten omtrent
de zin van het leven naar voren. Weinreb gebruikt
hiervoor de term ‘het oude weten’ . Het gaat hier
om het feit dat aan Tora en traditie een logische,
systematische en allesomvatende structuur ten
grondslag ligt, die de eerlijke, naar waarheid zoe-
kende moderne mens kan aanspreken en tevens
voldoet aan het gerechtvaardigde verlangen van
intellectuele aanvaardbaarheid.
Uitgaande van het mystieke werk van Frederik
Weinreb is de belangrijkste vraag die we ons stel-
len: Hoe verhouden zich jodendom en christen-
dom? Wat is het wezen van de opkomst van het
christendom, bezien vanuit het zogenaamde ‘oude
weten’?
We zullen zien dat jodendom en christendom
niet alleen elkaar aanvullen, maar zelfs in zekere
zin een eenheid vormen. Aan de hand van diverse
onderwerpen als de doop, verloving, Betlehem, de
opstanding en Jozua–Jozef–Jezus ontdekken we
dat beide godsdiensten uit één en dezelfde bron
puten, die een leidraad kan zijn bij het ontdekken
van een grenzeloze diepte in zowel het Oude als
het Nieuwe Testament.


cLvis+r×Do: r× )ooDsr :vs+irk
c|·:stc·óom
en
]ooósc ¸yst:c|

Sjef Laenen
1weede, gecorrigeerde druk
_
Qii×+rssr×+i.
Deze tweede, gecorrigeerde druk van Christendom en Joodse mystiek is
als pdt op internet gepubliceerd op ¸ juli ao·,. De tekst is vrijwel iden-
tiek met de eerste druk van aoo¸.
N.B.
Alle auteursrechten blijven onverkort geldig. Publicatie op internet
houdt niet in dat op dit boek geen rechten meer van toepassing zijn!
C aoo¸ Stichting Quintessentia, ’s-Gravenhage
1weede, gecorrigeerde druk ao·,
isv× ¸;s-¸o-;¸¡¡¸-oa-e
Layout, typografie 8 omslagontwerp: Nartin I.J. Baasten
1ekst gezet in Adobe

Brioso

Pro van Robert Slimbach
Alle rechten voorbehouden. Niets uit deze uitgave mag worden verveel-
voudigd, opgeslagen in een geautomatiseerd gegevensbestand, of openbaar
gemaakt, in enige vorm of op enige wijze, hetzij elektronisch, mechanisch,
door fotokopieën, opnamen, of op enige andere manier, zonder voorafgaande
schrielijke toestemming van de uitgever.
All rights reserved. No part of this publication may be reproduced, stored in
a retrieval system, or transmied, in any form or by any means, electronic,
mechanical, photocopying, recording, or otherwise, without the prior wrien
permission of the publisher.
INHOUDSOPGAVL
vrv.×+voovDi×o ;

i×iriDi×o
Gemeenschappelijke Wortels van
Jodendom en Christendom ·,

Symboliek van de Doop ,,

Verloving ,,

Betlehem e,

De Opstanding ;;

Jozua – Jezus ¸;

..×L.×osri
Frederik Weinreb: Leven 8 Werk ··,

×o+r× x ..×+rkr×i×or× ·a·

+.vri
Het Hebreeuwse Alfabet ·,·
'c·a·t:oo·ó:·g

r:r vi×Dri bevat de tekst van enkele cursussen
over joodse mystiek die ik maandelijks, van sep-
tember aoos tot april aoo¸, heb gegeven voor de
Stichting Leeocht voor Onderweg in het conterentiecen-
trum Nennorode te Llspeet en daarna op de Internatio-
nale School voor Vijsbegeerte te Leusden. In deze cur-
sussen gaan we dieper in op de vraag wat de joodse mys-
tieke traditie de moderne mens te zeggen heen. De lezer
zal kunnen constateren dat de Bijbel, zoals uitgelegd door
joodse mystici, een verrassende en uiterst actuele bood-
schap heen te brengen, juist voor mensen van vandaag.
De cursussen zijn grotendeels gebaseerd op het denken
van Irederik Veinreb (·¸·o–·¸ss). Achterin deze bundel
vindt de lezer een beknopte biografische beschrijving van
deze joodse mysticus. Decennia geleden kwam ik reeds in
aanraking met het denken van Irederik Veinreb over de
joodse mystiek. 1ijdens mijn studie Semitische 1alen en
Culturen aan de Universiteit Leiden werd mij duidelijk
dat er nogal een kloot bestond tussen de zuiver weten-
schappelijke benadering van de joodse mystiek enerzijds
en anderzijds het bestuderen van de joodse mystiek vanuit
de persoonlijke beleving. Steeds is het mijn overtuiging ge-
weest dat beide kanten, die van de wetenschap en van de
beleving, nuuig en waardevol zijn.
D
10 CHRISTENDOM EN JOODSE MYSTIEK
De wetenschappelijke benadering van de joodse mys-
tiek heb ik uitgebreid verkend bij het schrijven van diverse
boeken over dit onderwerp: de geschiedenis van de joodse
mystiek, een inleiding in de Kabbala voor beginners, een
boekje over het chassidisme, alsook een kritische analyse
van het mystieke werk van Irederik Veinreb. In mijn cur-
sussen heb ik daarentegen geprobeerd, zonder de weten-
schappelijke benadering van de joodse mystiek te kort te
doen, ruim baan te geven aan het denken van de joodse
middeleeuwse mystici zoals zijzelt dit beleetden. Het leven
kent immers twee kanten: de concrete, zichtbare werke-
lijkheid en een spirituele, niet zichtbare werkelijkheid, die
een onverbrekelijke eenheid vormen. Uit de praktijk van
het dagelijks leven weten we dat eenzijdigheid slechts tot
misvauingen en verdraaiingen leidt. Nensen die alleen
maar over mystiek spreken zonder open te staan voor de
kritische geluiden van de wetenschap, neigen tot raaskal-
len, terwijl mensen die slechts de wetenschappelijke be-
nadering accepteren zonder acht te slaan op de spirituele
kant van het menselijk leven, al gauw vervallen tot on-
betrokken en rationeel gepraat, zonder het wezen van de
dingen te raken.
Vat mij in het werk van Veinreb tren, is dat hij kans
ziet op heldere wijze de taal van de oude joodse middel-
eeuwse mystici om te zeuen in begrippen die de moderne
mens kan bevauen. De joodse mystici schreven en spraken
in een taal die sterk mythisch en symbolisch van karakter
was en ten behoeve van het bewustzijn van de moderne
mens moeten hun ideeën als het ware vertaald, getranstor-
11 VERANTWOORDING
meerd en gesystematiseerd worden. Dit nu is wat Vein-
reb in zijn eigen mystieke werk op bewonderenswaardige
wijze weet te doen.
Het zal geen verbazing wekken dat Veinrebs werk, hoe
helder en systematisch ook opgezet, zich uitstekend leent
tot verdere uitleg en verklaring. Veel lezers, zo is mij in
de loop van de tijd gebleken, bleven met vragen ziuen ot
stuiuen op passages die hun bij nadere beschouwing toch
niet duidelijk waren. 1oen ik enkele jaren geleden van
Andries Hoitsma namens de Stichting Leeocht voor On-
derweg het verzoek kreeg om algemeen toegankelijke cur-
sussen over joodse mystiek te verzorgen, in het bijzonder
over het werk van Veinreb, heb ik dit aanbod dan ook met
plezier aangenomen.
Op deze plaats zij eenmaal opgemerkt, dat de belang-
stelling voor het mystieke werk van Veinreb niet moet
leiden tot verheerlijking van de persoon ot tot verabsolu-
tering van zijn denken. 2oals iedere mens heen ook deze
joodse denker zijn beperkingen. Op mijn cursussen – en
dus in deze bundel – wordt Veinrebs werk bij ieder thema
aandachtig besproken, toegelicht en soms bekritiseerd.
Steeds is het met nadruk de bedoeling dat eenieder de aan-
geboden stot kritisch overdenkt, opdat hij ot zij op eigen
wijze met het materiaal kan omgaan.
Op mijn boek over Veinreb, Frederik Weinreb en de
joodse mystiek (Baarn aoo,), waarin de lezer zelt kennis
kan nemen van de sterke en zwakke punten van Veinrebs
werk, is van precies twee verschillende kanten kritiek ge-
komen. Lnerzijds kreeg ik van Veinreb-aanhangers het
12 CHRISTENDOM EN JOODSE MYSTIEK
verwijt dat ik de ‘Neester’ te hard had aangepakt; waar
ik kritiek op Veinreb had, zou ik Veinreb niet begrepen
hebben. Anderzijds is mij van de kant van de wetenschap
verweten dat ik Veinreb veel te welwillend heb bejegend;
ik zou zelts neigen naar een onkritische houding ten op-
zichte van deze man. Uit het teit dat dit soort kritiek van
twee uitersten atkomstig is, hoop ik te mogen concluderen
dat ik met mijn eigen benadering van het werk van Vein-
reb ongeveer in het midden zit.

1en behoeve van deze bundel is gekozen voor een speciaal
thema: joodse mystiek en christendom. In alle opstellen
betren het de ontmoeting van de joodse mystieke traditie
en elementen uit het christendom ot het Nieuwe 1esta-
ment. De reikwijdte van dit thema, dat ook Veinreb na
aan het hart lag, wordt uitgebreid toegelicht in de inleiding
op dit boek.
1eneinde de leesbaarheid te vergroten is geen gebruik
gemaakt van voetnoten. Daar waar enige toelichting toch
wenselijk bleek, is achterin deze bundel, onder ‘Noten 8
Aantekeningen’ , per bladzijde een commentaar opgeno-
men. Bij elk hootdstuk wordt de belangrijkste literatuur
waarop het gebaseerd is, apart vermeld.
2oals reeds gezegd, is deze bundel grotendeels geba-
seerd op het werk van Veinreb: het wordt naverteld, uit-
gelegd en aangevuld. Natuurlijk is het incidenteel mogelijk
dat er van een bepaald detail ot een bepaalde zinswending
13 VERANTWOORDING
toch een bronverwijzing ontbreekt. De lezer zij hierbij ge-
waarschuwd dat bij de bronvermelding geen encyclope-
dische precisie is betracht; mijn schatplichtigheid aan het
mystieke werk van Veinreb zij hierbij atdoende uitgespro-
ken en erkend.
Sjet Laenen
’s-Gravenhage, zomer 
Bij de tweede druk uit 
Deze tweede druk is, op enkele correcties na, identiek aan
de eerste druk uit aoo¸.
çcmcc·s.|a¡pc!:¡|c
1o·tc!s va· ]oóc·óom c·
(|·:stc·óom
i×iriDi×o

oDr×Do: r× cLvis+r×Do: zijn twee godsdien-
sten die nauw met elkaar verbonden zijn, maar die
elkaar, ondanks alle goede bedoelingen, vaak moeilijk
kunnen vinden. De problematische verhouding komt niet
alleen voort uit misvauingen over de religieuze opvauingen
van de ander, maar ook wel uit een onbegrip over het we-
zen van de eigen traditie.
Het heen weinig zin om in te gaan op de veelheid van
misverstanden die tussen deze beide godsdiensten leven ot
op de onderlinge verwijten die van beide kanten gemaakt
worden. Veel zinvoller is het om eens aandachtig te kijken
naar de wortels die jodendom en christendom met elkaar
gemeen hebben. De insteek die we hiervoor kiezen, is de
rijke traditie rondom de heilige geschrinen die in het jo-
dendom bekend is als de Nondelinge Leer en dan vooral
zoals die zijn beslag heen gekregen in diverse vormen van
joodse mystiek.
Ve zullen zien dat jodendom en christendom niet al-
leen elkaar aanvullen, maar zelts in zekere zin een eenheid
vormen. Alle discussies, de vraag wie er ‘gelijk’ heen, welke
groep de alleenzaligmakende waarheid in pacht heen, het
leed, het verdriet en de begane wandaden die eruit zijn
voortgevloeid, blijken te verdwijnen als we proberen van-
uit het wezenlijke te doorschouwen wat christendom en
jodendom vertegenwoordigen.
J
18 CHRISTENDOM EN JOODSE MYSTIEK
2oals uitgelegd in de verantwoording, grijpen we hier
in grote lijnen terug op het werk van Irederik Veinreb.
2ijn werk wordt bij ieder thema kritisch tegen het licht ge-
houden, aangevuld ot, waar nodig, op onderdelen gecorri-
geerd. Het onderwerp jodendom–christendom is beladen
en stuit zowel bij joden als christenen niet zelden op tegen-
stand en vijandigheid. Door deze situatie, die te betreuren
is, heen Veinreb zelt zich vaak in een niet benijdenswaar-
dige positie bevonden.

Het is niet bepaald bijzonder ot controversieel te beweren
dat het Nieuwe 1estament en het latere christendom hun
wortels hebben in het hart van het jodendom. De eerste
christenen – als we deze benaming hier al zo mogen ge-
bruiken – waren joden. 2uiver historisch weten we niets
van deze periode, aangezien we geen bronnen hebben uit
de tijd van Jezus zelt. Vat deze groep joden precies ge-
dacht, ervaren en beleetd heen, is ons dus onbekend.
De belangrijkste vraag die we ons zullen stellen is: Hoe
verhoudt zich het christendom tot het jodendom: Vat
betekent de opkomst van het christendom, bezien van-
uit het zogenaamde ‘oude weten’: In het enorme complex
van de joodse traditionele en mystieke literatuur komt een
weten omtrent de zin van het leven naar voren. Hiervoor
gebruikt Veinreb de term ‘het oude weten’ . Het gaat hier
om het teit dat aan 1ora en traditie een logische, systema-
tische en allesomvauende structuur ten grondslag ligt, die
19 JODENDOM EN CHRISTENDOM
de eerlijke, naar waarheid zoekende moderne mens kan
aanspreken en die tegelijkertijd voldoet aan, zoals Vein-
reb het tormuleert, ‘het gerechtvaardigde verlangen van
intellectuele aanvaardbaarheid’ .
Veinreb benadrukt dat het spreken over dit oude we-
ten in de joodse traditie beslist niet inhoudt dat alleen jo-
den deze kennis onder hun beheer hadden. Veeleer betren
het een weten dat ook in de oudheid bekend was, een soort
algemeen ot universeel begrip van de kern ot de zin van
het leven, in harmonie met het goddelijke 2ijn. Ln dat was
niet alleen bekend aan de joden. Het is een weten dat veel
ouder is dan het latere jodendom en dat daarna deel is ge-
worden van het Oude 1estament en de daaromheen be-
staande mondelinge traditie. Deze is gegeven aan de mens,
en niet alleen aan de drie monotheïstische godsdiensten
jodendom, christendom en islam. Het gaat om een mede-
deling van God aan alle mensen.
Vel is het zo dat deze oeroude, mondeling doorgege-
ven traditie door de joden is geërtd en vervolgens zorg-
vuldig bewaard en gekoesterd. Op die manier is niet al-
leen voor het jodendom, maar voor de gehele wereld, een
ongelooflijke spirituele schat beschikbaar gebleven. Nits
goed begrepen, kan deze kennis de moderne mens vaste
maatstaven verschaffen, die hem behalve zekerheden ook
inzicht in de zin van de wereld en het menselijke bestaan
geven. Hieraan is grote behoene, aangezien de moderne
mens onder invloed van het allesoverheersende vooruit-
gangsdenken het beset van de zin van het leven verloren
lijkt te hebben.
20 CHRISTENDOM EN JOODSE MYSTIEK
Ve zullen hier proberen, zoals Veinreb in zijn werk
steeds heen gedaan en wat in teite de middeleeuwse mys-
tici ook al deden, ons van alles in de wereld om ons heen
at te vragen wat het in wezen is. Vat is een koe: Vat is de
zon: Vat is een edelsteen: Vaarom ziuen we bij een maal-
tijd aan tatel: Als we al deze dingen bestuderen vanuit het
oude weten, komen we tot een zeker inzicht in de eenheid
van de gehele schepping. Ve begrijpen hoe stenen, plan-
ten, dieren, gebeurtenissen, het handelen van de mens, hoe
alles zijn plaats heen binnen een allesomvauende eenheid.

Op grond van historische teiten weten we dat het christen-
dom uit het jodendom is ontstaan, hetgeen in de geschie-
denis ingrijpende gevolgen heen gehad. Uitgaande van de
gedachten die in het vooratgaande zijn getormuleerd, wil-
len we nu proberen om eens vanuit dit oude weten zoals
dat binnen het jodendom is bewaard gebleven, te bekijken
wat het christendom in de kern is. Vat wil het ons zeggen
dat er zoiets is ontstaan als het christendom en dat het zich
in de loop van de geschiedenis zo wijd verspreid heen:
Vanneer we die vraag stellen op grond van het oude
weten, proberen we juist een beetje los te komen van de
uiterst subjectieve polemieken tussen de verschillende
godsdiensten en ook ons ver te houden van persoonlijke
overtuigingen op dit punt. Alle groepen hebben zo hun
eigen voorspelbare visies. Het is bekend dat er over dit
thema veel oppervlakkige onzin wordt beweerd. Ln het is
21 JODENDOM EN CHRISTENDOM
voorspelbaar dat de één zal zeggen: ‘1oen het christendom
kwam, heen God eindelijk 2ijn ware gezicht aan de wereld
laten zien’ , terwijl een ander beweert: ‘De komst van het
christendom markeert het begin van een eindeloze reeks
ellende als genocide, moordende kruistochten enzovoort’ .
Aan dit soort subjectieve meningen hebben we niets; daar-
van komen we alleen maar dieper in de polemiek terecht.
Nogmaals: ons doel is nu vanuit dit oude weten te bezien
wat christendom en jodendom in hun wezen vertegen-
woordigen en wat de opkomst van het christendom ons
wil zeggen.
Concreet komen we pas iets van het ontluikende chris-
tendom te weten als de eerste geschrinen daarover ver-
schijnen, zo omstreeks ;o na Chr. Ve kunnen dan con-
stateren dat er in de tijd een behoorlijk gat ligt tussen de
periode waarin het verhaal van de Lvangeliën zou spelen
en de eerste geschrinen erover. Vooral over de wordingsge-
schiedenis van de Lvangeliën bestaat, bij gebrek aan bron-
nen, veel onzekerheid. Duidelijk is wel dat pas in het mid-
den van de tweede eeuw na Chr. de eerste aanduidingen
komen van een nieuwe Heilige Schrin. Naast de bekende
boeken van het ‘Oude Verbond’ ot het Oude 1estament
kwam nu een even gezaghebbend geheel van boeken van
het ‘Nieuwe Verbond’ , het Nieuwe 1estament, naar voren.
Het is begrijpelijk dat er over deze ontstaansgeschiede-
nis een enorme hoeveelheid wetenschappelijke literatuur
verschenen is, die op alle mogelijke en onmogelijke manie-
ren heen getracht de vinger te krijgen achter de historische
teiten van de Lvangeliën en de periode die zij beschrijven.
22 CHRISTENDOM EN JOODSE MYSTIEK
Ve weten dat het jodendom zeer bepaalde antwoorden
geen op wezenlijke levensvragen, bijvoorbeeld met betrek-
king tot de Nessias, de verlossing, de verhouding tussen
goed en kwaad, het gebeuren in het Paradijs en vooral de
vraag hoe de jood moet leven door zich aan de e·, dage-
lijkse geboden en verboden te houden, het complex dat
bekend is als de halacha. Het christendom heen op al die
vragen een geheel eigen en ander antwoord gegeven en
daarmee maakte het christendom zich los uit de wereld
waarin het wortelde.
Nen is het eens over het teit dat het jonge christendom
en de eerste christenen een groep vormden, die een wereld
gecreëerd hadden die niet meer wilde zijn zoals het joden-
dom geweest was. 2e verlangden naar iets geheel nieuws en
ze wilden een geheel eigen weg gaan. Die weg zijn ze dan
ook gegaan, zoals we uit de geschiedenis weten. Het geheel
van geschrinen die men het Nieuwe 1estament is gaan
noemen, werd dan ook geschreven in een wereld die zich
reeds snel van haar wortels – het jodendom – losmaakte,
waaruit ze zelt ontsproten was. Het christendom heen
zich inderdaad verder ontwikkeld, dat wil zeggen zich ver-
der van haar oorsprong weg ontwikkeld, en is een geheel
eigen plaats gaan innemen. Dit is beslist niet als verwijt
bedoeld, maar veeleer als objectieve constatering. Het is
niet de bedoeling over deze ontwikkeling een waardeoor-
deel uit te spreken, alsot dat goed ot tout zou zijn geweest.
In het geheel niet. Naar het is een teit dat het christendom
een eigen weg is gegaan, weg van haar oorsprong.
23 JODENDOM EN CHRISTENDOM
Veinreb heen zich wel zeer ingespannen om mensen
bewust te maken van de gemeenschappelijke wortels van
jodendom en christendom. 1ragisch genoeg is hij in zijn
pogingen de eenheid tussen christendom en jodendom te
laten zien door veel mensen niet begrepen. 2odra som-
mige joden Veinreb over het Nieuwe 1estament hoorden
spreken, haalden zij hun neus op en zeiden: ‘Die Veinreb
is geen jood, maar een christen’ . Aan de andere kant zijn
er christenen geweest die het verhaal van Veinreb graag
aanhoorden, maar hem eigenlijk het lietst tot de bekente-
nis wilden brengen dat het christendom toch wel de ware
godsdienst was. Lrger kan haast niet: waar Veinreb de
eenheid van jodendom en christendom zocht, probeerden
vele van zijn toehoorders het verhaal uitsluitend voor de
eigen club te gebruiken.
Lr kan geen twijtel over bestaan dat de allereerste chris-
tenen zelt joden waren. In het prille begin waren het joden
die overgingen tot iets wat zich later het christendom zou
noemen. Het ging om joden die nieuwe inzichten toevoeg-
den aan hun traditionele gelootsbeleving. Het was een pe-
riode waarin niemand gezegd zou hebben dat het hier niet
meer om joden ging. Nen ging gewoon, zoals altijd, naar
de synagoge en iedereen hield zich aan de halacha, de da-
gelijkse joodse voorschrinen. Op dit punt was er dus nog
geen sprake van een breuk in de traditie.
Ve weten ook dat het ontluikende christendom uit-
eindelijk tot grote ontwikkeling kwam in gebieden die
niet oorspronkelijk joods waren. Het christendom maakte
bekeerlingen in gebieden waar men geen idee had dat er
24 CHRISTENDOM EN JOODSE MYSTIEK
zoiets bestond als een joodse traditie. Deze bekeerlingen
hadden daarmee dan ook geen enkele binding. Ln zo kwa-
men er vele christenen die geen weet meer hadden van de
inhoudelijke aspecten van de joodse traditie en de daarin
vervaue inzichten in de zin van het menselijke leven. Op
die manier ging voor deze mensen de binding met het oude
weten verloren.
Hoe dit proces van verwijdering tussen jodendom en
christendom in zijn werk is gegaan, heb ik persoonlijk pas
goed begrepen bij een college over het vroege christendom
aan de Leidse Universiteit, dat uitgebreid inging op de pro-
blemen die toendertijd ontstonden met betrekking tot de
vele nieuwe christenen. Het ging speciaal over een passage
in het Nieuwe 1estament, Handelingen ·,:·-a·, die veel
mensen wel zullen kennen. Het betren een discussie tus-
sen de apostelen over de vraag ot nieuwe bekeerlingen tot
het christendom besneden moeten worden. Het antwoord
van Paulus en anderen was uiteindelijk: dat hoen niet. Vat
veel mensen tegenwoordig echter niet beseffen, is dat het
hier niet alleen gaat om dat kleine stukje voorhuid (‘wel ot
niet besnijden’), maar dat het een veel dieper liggend en
ingrijpender probleem betren.
De achterliggende kwestie was de volgende: Lr waren
inmiddels ook bekeerlingen tot het christendom die he-
lemaal niet oorspronkelijk joods waren. Het kwam steeds
vaker voor dat zich mensen bekeerden die oorspronkelijk
zogezegd ‘heiden’ waren geweest. Dus die mensen kenden
niet de joodse opvoeding en achtergrond die de allereer-
ste christenen natuurlijk wel gewoon van huis uit hadden
23 JODENDOM EN CHRISTENDOM
meegekregen. Nu komt dan in Handelingen ·, de vraag:
hoe moet het eigenlijk met die mensen: Vat is de bedoe-
ling: Noeten deze mensen eerst helemaal jood worden:
Dat is wat bedoeld wordt met het wel ot niet besnijden.
Dus: moet men eerst helemaal in de joodse traditie wor-
den opgevoed, met de halacha, de gedragsleer en alles wat
daarbij komt, en pas van daaruit overgaan tot de christe-
lijke overtuiging: Ot hoen dat helemaal niet en kan men
ook ‘ineens’ christen worden:
Het ‘neen’ van Paulus en zijn overtuiging dat iedere
mens behouden kan worden door het geloot, leidde ertoe
dat vanat dit moment jodendom en christendom uit el-
kaar groeiden. Net dit antwoord zweert het christendom
in teite het naleven van de joodse wet at. 1ot het christen-
dom treedt men niet toe, zoals Paulus zegt, ‘door de wer-
ken der wet’ – dat wil zeggen: via het verrichten van de
geboden, zoals de joden dat doen – maar door het geloot.
Het geloot in Christus bepaalt ot men christen is ot niet.
Sindsdien spreken we dan ook over de christelijke gods-
dienst als over ‘het christelijk geloot ’ , een term die bij het
jodendom niet zo past.
De christenen gingen daarmee een geheel eigen weg en
achuen zich niet meer gebonden aan de joodse traditie. Het
gevolg is geweest dat de gehele oorsprong en de universele
diepte van het weten van de traditie en het leven waaruit
het Nieuwe 1estament ontstaan was, in het vergeetboek
is geraakt. Lr ontstond een geheel nieuwe wereld en het
waren geheel andere mensen, zonder verbondenheid met
het oorspronkelijke verleden. Daarom is het sindsdien ge-
26 CHRISTENDOM EN JOODSE MYSTIEK
bruikelijk geworden om te zeggen dat christenen geloven
en dat joden doen. Het is echter belangrijk te beseffen dat
geloven en doen oorspronkelijk een eenheid vormden.
Overigens hebben we historisch ook kunnen consta-
teren dat de scheiding tussen jodendom en christendom,
ondanks de vroege breuk, een geleidelijk proces is geweest
dat enige tijd heen geduurd. Grote kerkvaders als Augus-
tinus en Hiëronymus klagen er tot in de vierde en vijtde
eeuw over dat zoveel christenen, soms onbedoeld en on-
bewust, nog de synagoge bezoeken en dat dit voor christe-
nen absoluut verboden was. Naar als kerkvaders daarover
klagen en het nodig vinden deze gewoonte te verbieden,
betekent dit dat in de praktijk nog heel wat christenen niet
precies het verschil wisten tussen jodendom en christen-
dom. Kortom, deze ‘breuk’ heen zich in de praktijk heel
geleidelijk voorgedaan.
Het christendom richue zich volkomen op de expan-
sie van het christelijke geloot naar buiten en heen zich
dus verbreid in gebieden waarin de kennis van de joodse
traditie helemaal niet aanwezig was. Dat jodendom had
een kerncomplex van weten uit de antieke wereld – het
‘oude weten’ – zonder onderbreking bewaard en met zich
meegedragen, waarvan de weerslag is terug te vinden in de
Hebreeuwse Bijbel (het ‘Oude 1estament’) en de verdere
joodse traditieliteratuur. Nen had elkaar altijd verteld wat
elk woord betekende, wat een zin in de Bijbel betekende
en wat de begrippen te zeggen hadden. Nu begonnen zich,
ongeveer tijdens de opkomst van het christendom, binnen
het jodendom verschillende uitleggingen voor te doen en
27 JODENDOM EN CHRISTENDOM
er kwamen geschillen naar voren over de uitleg van de be-
grippen. 2o ontstond dus het gevaar, evenals bij het chris-
tendom, van willekeurige interpretatie van de Schrin ook
onder de joden.
Ook onder joden kwam het in de loop van de geschie-
denis steeds weer voor dat men op eigen gezag, vanuit ei-
gen standpunten en inzichten, dus zonder de basis van het
richtinggevende oude weten, de Bijbel ging interpreteren.
2o zijn er steeds meer richtingen en secten ontstaan, die
de Bijbel uit politieke overwegingen voor hun eigen doel-
einden wilden gebruiken. Naar zonder die oude, richting-
bepalende inzichten kan men met de Bijbel in de hand al-
les bewijzen. 2odra we de allesomvauende kijk op 1ora
en traditie verliezen, kunnen we de teksten zonder moeite
voor ons laten ‘buikspreken’ . Bijbel en traditie hebben iets
dat dit toelaat. Het geheim dat in elk woord, elke leuer, elk
getal besloten ligt, verbergt zich voor eenieder die ernaar
neigt om deze zaken te protaneren en naar het aardse ni-
veau te trekken.
Kortom: bij de joden die oorspronkelijk beset hadden
van de allesomvauende eenheid in de traditie, begon dit
inzicht geleidelijk, in een langdurig proces, verloren te
gaan. De christenen hadden daarentegen reeds vanat het
Nieuwe 1estament atscheid genomen van de inhoud van
de joodse overleveringen; ook zij hadden dus geen beset
meer van het oude weten over de allesomvauende zin van
het leven en het menselijk bestaan. Over de gehele linie
ging daarmee de oude kennis van de eenheid van de schep-
ping verloren.
28 CHRISTENDOM EN JOODSE MYSTIEK
Bij de christenen was er aldus sprake van een breuk,
die tot gevolg had een snel vergeten van een traditie. In
de vroegste literatuur over de Lvangeliën en het christen-
dom zien we dat men de Lvangeliën niet meer als mythi-
sche verhalen zag, maar als een waar gebeurd historisch
verhaal. Bij de joden verliep dit proces geleidelijker. Het
opschrijven van de joodse mondelinge overlevering werd
omstreeks ,oo–eoo na het begin van de jaartelling atgeslo-
ten met het omvangrijke werk van de 1almoed. Ongeveer
de heln van deze literatuur gaat over het juridische aspect
van het leven, dat wil zeggen de halacha, de e·, geboden en
verboden die elke jood in het dagelijks leven dient te ver-
richten. De andere heln bestaat uit mythische verhalen,
sprookjes, legenden, sagen, anekdotes, wat we aanduiden
met de verzamelnaam aggada ‘vertelling’ .
In de loop der tijd zullen christelijke geleerden onge-
twijteld persoonlijke contacen en ontmoetingen hebben
gehad met joodse geleerden. Daarbij hebben zij natuurlijk
gezien wat een enorme literatuur de joden als onderdeel
van hun traditie met zich meedroegen. Het is niet moeilijk
ons voor te stellen wat daarop de reactie zal zijn geweest
van deze christelijke geleerden: men was onbekend met
dat enorme corpus aan boeken en handschrinen, wist niet
wat men ermee aan moest, zowel qua hoeveelheid, qua in-
houd, alsook wat betren de taal waarin deze literatuur was
geschreven.
De christelijke geleerde zou erop wijzen dat er in het
christendom inmiddels toch een eigen literaire traditie was
ontstaan, los van het jodendom, en dat men langzamer-
29 JODENDOM EN CHRISTENDOM
hand zelt een eigen leer had opgebouwd. Vat zou men nu
nog ineens de joodse literatuur gaan bestuderen: Het leek
beter, en praktischer, zich bij de eigen leest te houden. 2o
was die nu eenmaal ontwikkeld en zo zou die dus ook weer
doorgegeven worden. Lvenmin is het moeilijk ons voor te
stellen dat deze situatie aanleiding gat tot geprikkeldheid;
de aanwezigheid van joden, die een oude traditie en een
oude leer met zich meedroegen, atwijkend van die van het
christendom, heen vooral in de Niddeleeuwen veel agres-
sie opgeroepen.
2owel in het jodendom als in het christendom zien we
dus het verdwijnen van het gevoel voor het mythische, dat
wortelt in een spirituele werkelijkheid, de wereld van de
één. Onder invloed van de veranderende tijd werden my-
then als leugens ot verzinsels beschouwd, waarmee in teite
atstand werd genomen van het mysterie van het leven. De
1almoedstudie richue zich geleidelijk aan uitsluitend op
het juridische aspect, dus op de talloze praktische details
van het dagelijks leven. Lr ontstonden uiterst spitsvondige
en scherpzinnige discussies tussen rabbijnen, die veel weg
hadden van haarkloverijen (pilpul). Len ontmoeting tus-
sen twee rabbijnen die over een halachische kwestie dis-
cussieerden, had vaak het karakter van een theatervoor-
stelling, waarbij één van de twee als overwinnaar uit de
‘strijd’ kwam.
Veinreb vertelt hierover de anekdote dat als het hala-
chische gedeelte in de 1almoed overgaat in het mythische
deel, men dan met een toegeeflijk lachje zegt: ‘Nu ja, we
nemen het er maar bij, want dadelijk gaat de tekst gewoon
30 CHRISTENDOM EN JOODSE MYSTIEK
verder’ . Ot men zegt dat het juridische deel, het nadenken,
zoveel energie vreet, dat we nu ‘ter ontspanning’ zo’n my-
thisch verhaaltje krijgen, om even uit te rusten voordat we
weer aan de volgende juridische passage beginnen. Na het
bijkomen van de vermoeienis gaat alles gelukkig weer ge-
woon verder.
De veronachtzaming van de mythische kant van onze
werkelijkheid wordt mooi geïllustreerd in een artikel in het
dagblad Trouw, dat ik onlangs vond. Lr stond in dat chris-
tenen grote moeite hebben om te accepteren dat sommige
gedeelten in de Bijbel als mythische verhalen moeten wor-
den opgevat, omdat naar hun mening mythen niet echt
gebeurd zijn en daarmee gelijk staan aan leugens: als het
niet historisch gebeurd is, hebben de verhalen verder geen
enkele waarde. De gedachte echter dat de boodschap van
een verhaal wel waar is, maar het verhaal zelt niet noodza-
kelijk waar gebeurd, is de meeste modern denkende men-
sen geheel vreemd: sprookjes zijn niet waar gebeurd, en
dus hebben ze geen waarde.

Veinreb benadrukt vaak dat hij het christendom serieus
neemt, zonder daarmee iets at te doen aan zijn eigen jood-
zijn. Het Nieuwe 1estament beschouwt hij, evenals het
Oude, als een tekst die gebaseerd is op goddelijke open-
baring. Nieuwe en Oude 1estament vormen in zijn werk
een onverbrekelijke eenheid; beide teksten komen voort
uit dezeltde traditie van het oude weten. De Bijbel is voor
31 JODENDOM EN CHRISTENDOM
hem één geheel, waarin alle taceuen van mens en wereld
zijn vervat. Deze idee van eenheid is tundamenteel in zijn
gehele werk en bepalend voor zijn algehele visie op het
christendom.
Daarmee is Veinreb ervan overtuigd dat deze twee
godsdiensten een gemeenschappelijke wortel hebben en hij
verwerpt de idee dat het Oude 1estament alleen voor de
joden is en het Nieuwe alleen voor de christenen, zonder
dat beide geschrinen iets met elkaar gemeen zouden heb-
ben. Lr is een Verbond en een vernieuwing van het Ver-
bond; het Nieuwe 1estament is gegrondvest op het Oude.
Daarmee bedoelt hij uiteraard niet dat de tegenwoordige
joden in bezit zouden zijn van iets wat de christenen niet
hebben. Hij doelt hier, zoals reeds gezegd, op het oude
weten, dat in het jodendom in de oudheid aanwezig was.
Veinreb benadert het christendom dan ook vanuit de idee
van eenheid en spreekt derhalve van een joodse visie op
het Nieuwe 1estament.
In Veinrebs opvauing is het niet goed mogelijk het
christendom te beleven zonder het jodendom. Het chris-
tendom en het Nieuwe 1estament zijn ontstaan in het hart
van het jodendom, vanuit het oude weten van de joodse
traditie. Daarna vond echter spoedig een scheiding der
wegen plaats, waarbij het christendom zich van zijn jood-
se wortels heen losgesneden en zijn eigen weg is gegaan.
Hoewel Veinreb de verwantschap tussen jodendom en
christendom herkent, is hij zich tegelijkertijd bewust van
de enorme kloot die beide religies momenteel scheidt. Hij
stelt zich dan ook ten doel deze kloot te overbruggen door
32 CHRISTENDOM EN JOODSE MYSTIEK
te zoeken naar de gemeenschappelijke wortels, zonder dat
het de bedoeling is dat beide godsdiensten aan elkaar gelijk
worden ot zelts maar op elkaar gaan lijken. Het christen-
dom staat iets anders voor dan het jodendom; beide heb-
ben een eigen betekenis. Het is beslist niet de bedoeling dat
het christendom joods wordt ot het jodendom christelijk.
Vel moeten jodendom en christendom, zoals de organen
in het menselijk lichaam, harmonisch samenwerken en
met elkaar in verbinding staan.
De vraag welke van de twee godsdiensten nu eigenlijk
gelijk heen, ot welke aanspraak kan maken op de enige en
ware Nessias, is Veinreb een gruwel. Llke behoene aan
polemiek ontbreekt in zijn werk. Geen enkele godsdienst
kan zich ‘hoger’ ot ‘goddelijker’ achten dan een andere.
Hetzeltde geldt voor volken ot individuen. Uitgaande van
het principe dat de mens is geschapen naar Gods beeld en
gelijkenis, ziet hij in alle mensen onze naasten. Alle men-
selijke touten en tekorten zijn overal tamelijk gelijk ver-
deeld, evenals menselijke uitverkorenheid en menselijke
grootheid.
Net als elders in zijn werk maakt Veinreb bij zijn be-
nadering van het Nieuwe 1estament gebruik van de He-
breeuwse taal. Om misverstanden te voorkomen legt hij
uit dat het gebruik van het Hebreeuws niet voortkomt uit
een nationaal-religieus motiet, protserige verwaandheid
ot omdat Hebreeuws ook de taal was van de joden in de
tijd van Jezus, maar uit de overtuiging dat het Hebreeuws
de taal ‘van gene zijde’ is. Het woord ‘Hebreeuws’ , תירִ בְ עִ

ivrit, heen als wortel de leuers רבע

ayin-bet-resh, hetgeen
33 JODENDOM EN CHRISTENDOM
vertaald kan worden met ‘van de andere kant, van de over-
zijde’ . Het Hebreeuws is voor Veinreb immers een taal van
goddelijke oorsprong, geworteld in een andere realiteit die
aan de onze ten grondslag ligt. Ook de moderne mens kan,
ongeacht zijn persoonlijke religieuze voorkeur, die taal ge-
bruiken als hij zich atvraagt wat het wezen is van de din-
gen in onze verschijnende wereld.
·ymoo!:c| va· óc Ooop

r× v.× Dr cr×+v.ir vi+irir× in het christen-
dom is de doop. Gelovige christelijke ouders laten
hun kinderen dopen, die daarmee tot de gelootsge-
meenschap toetreden. Ve kunnen ons nu atvragen: op
welke tradities gaat dit dopen terug en wat is de symboliek
ervan, bezien vanuit de joodse mystiek:
De doop zoals het christendom die kent, is niet een
joods gebruik en het Griekse woord dat er in het Nieuwe
1estament voor wordt gebruikt, βαπτίζειν baptizein, heen
dan ook niets met Hebreeuws te maken. In het jodendom
kent men echter het ritueel van het onderdompelen in
water in een bassin, een zogeheten הוֶקְ מִ miqwe ¡o-·oo-
e-,. Dit woord komen we reeds tegen in het scheppings-
verhaal, op de derde scheppingsdag (Gen. ·:¸–·o), waar-
op de wateren zich op één plek verzamelen en het droge
verschijnt. In vers ·o lezen we dan: Het droge noemde Hij
‘aarde’ en het waterbassin noemde Hij ‘zee’. Het woord dat we
hier vertalen met ‘bassin’ is ditzeltde miqwe.
In de symboliek van deze mythe wil dit dus zeggen dat
het levende niet meer bedekt wordt, dat het levende niet
meer onzichtbaar is, maar integendeel, dat het levende
weer getoond wordt. Ve zouden dan kunnen zeggen, dat
het levende er eerst was, daarna onder water verdween, om
vervolgens weer uit het water op te duiken. Het inzamelen

E
38 CHRISTENDOM EN JOODSE MYSTIEK
en vergaren van het water wordt aldus miqwe genoemd in
het Hebreeuws.
Dit woord miqwe heen dezeltde stam als het begrip voor
‘hoop’ , הוָקְ תִּ tiqwa ¡oo-·oo-e-,. Het vergaren en inzame-
len van het water is gelijk aan het vergaren en inzamelen
van de tijd. Als de mens ergens op hoopt, is het wel dat de
tijd ingezameld wordt. Hiernaar verwijst toch het Lvan-
gelie van Narcus ·:·; Ik zal u maken tot vissers van mensen.
Het ‘inzamelen’ van de tijd, wat dus eigenlijk het einde van
de tijd symboliseert, gaat voorat aan het onthuld worden
van het geheim en de zin van ons menselijke leven. De ge-
hele zevende dag was dit geheim bedekt door het water
ot de tijd, maar nu is er weer de hoop dat de diepere zin
van het leven ons wordt geopenbaard en het grote geheel
zichtbaar wordt.
Het ritueel van de doop in onze moderne wereld is al-
dus verbonden met het weten en het beset dat er van de
mens verwacht wordt dat hij de tijd inzamelt opdat voor
hem ot haar de zin van het leven zichtbaar wordt, iets wat
eerst door de tijd, door het water, bedekt was. Ve zouden
dus de doop niet slechts als een verplicht ritueel moeten
zien, ot als een al dan niet gewaardeerde gewoonte, maar
ons moeten atvragen wat het wezen van de doop nu pre-
cies inhoudt.
Dopen wil in teite zeggen dat de gedoopte de hoop koes-
tert dat hem ot haar eens zichtbaar wordt wat door de tijd
bedekt wordt. God wil dat de mens de tijd inzamelt, ver-
gadert, om dan weer uit de tijd op te rijzen, te voorschijn te
39 SYMBOLIEK VAN DE DOOP
komen ot, zo men wil, weer op te staan uit de tijd ot nieuw
geboren te worden.
Kortom: de mens heen zijn oorsprong in de goddelijke
wereld. De neshama, de godsvonk, daalt at uit die wereld
bij de Vader naar onze ‘waterwereld’ van tijd en ruimte.
Dit houdt in dat de mens in deze zevende dag in balling-
schap gaat, een lichaam krijgt, en aldaar als een vis in het
water leen. Ln toch heen de mens de hoop dat de tijd, het
water, zal wijken en dat hij weer uit het water tevoorschijn
komt en dan als een vis op het droge is.
Het moge duidelijk zijn dat de oervorm van het dopen
niet is wat wij er in onze omgeving onder verstaan: de do-
peling krijgt van de dominee ot de priester een paar drup-
pels water over zijn hootd gegoten en er worden vrome
woorden gesproken: Gezegend zus en zo, en nu hoor je
erbij. Nee: de oervorm van het dopen is dat de dopeling
geheel in het water ondergedompeld wordt en vervolgens
weer als herboren uit het water opstijgt.
Het is daarom niet zomaar een verhaal dat aan het be-
gin van het Lvangelie van Narcus verteld wordt, waarin
sprake is van Johannes de Doper, die klaar staat om de
mensen te dopen:
1
Begin van het Lvangelie van Jezus Christus.
2
2oals ge-
schreven staat bij de proteet Jesaja: Zie, Ik zend mijn bode
voor uw aangezicht uit, die uw weg bereiden zal;
3
de stem van
een, die roept in de woestijn: Bereidt de weg des Heren, maakt
recht zijn paden,
4
geschiedde het, dat Johannes doopte in de
woestijn en de doop der bekering tot vergeving van zonden
predikte.
3
Ln het gehele Joodse land liep tot hem uit en alle
40 CHRISTENDOM EN JOODSE MYSTIEK
inwoners van Jeruzalem, en zij lieten zich door hem dopen
in de rivier de Jordaan onder belijdenis van hun zonden.
6
Ln Johannes was gekleed met kameelhaar en met een lede-
ren gordel om zijn lendenen, en hij at sprinkhanen en wilde
honing.
7
Ln hij predikte en zei: ‘Na mij komt, die sterker is
dan ik, wiens schoenriem ik niet waardig ben, nederbuk-
kende, los te maken.
8
Ik heb u gedoopt met water, maar Hij
zal u dopen met de Heilige Geest.’

9
Ln het geschiedde in die dagen, dat Jezus Nazaret in Ga-
lilea verliet en 2ich door Johannes in de Jordaan liet dopen.
10
Ln terstond, toen Hij uit het water opsteeg, zag Hij de
hemelen scheuren en de Geest als een duit op 2ich neder-
dalen.
11
Ln een stem kwam uit de hemelen: ‘Gij zijt mijn
2oon, de gelietde; in U heb Ik mijn welbehagen.’
12
Lnter-
stond dreet de Geest Hem uit naar de woestijn.
13
Ln Hij
werd in de woestijn veertig dagen verzocht door de satan
en Hij was bij de wilde dieren, en de engelen dienden Hem.
(Marcus ·:·–·,)
In het Lucas-Lvangelie wordt verteld dat de aankondiging
van de geboorte van Johannes zes maanden vóór de aan-
kondiging van Jezus plaatsvindt. Het valt direct op, dat
beide geboorten niet biologisch zijn, maar juist tegen de
wetmatigheid ingaan. Om te beginnen worden beide ge-
boorten aangekondigd door de engel Gabriël. Dat is op zich
al bijzonder en dat gebeurt niet bij iedereen. Llisabeth, de
moeder van Johannes, is al veel te oud om nog kinderen te
krijgen en Naria heen geen omgang met een man gehad;
ze is nog maagd. Daarmee wordt duidelijk gemaakt dat het
hier niet een ‘gewoon’ gebeuren in onze concrete wereld
is, maar dat het een doorbreken betren vanuit een andere
werkelijkheid.
41 SYMBOLIEK VAN DE DOOP
Johannes de Doper werkt met water, dat wil zeggen:
het leven in de tijd. Ln er wordt verteld dat hij degene
is die vooratgaat. Nen kan ook zeggen dat hij iemand is
die de weg bereidt en dat hij plaats maakt voor alles wat
daarna komen gaat. Net als bijvoorbeeld ons eigen voor-
geslacht: het is er eerder dan wij er zijn en maakt het mo-
gelijk dat wij er komen. Lr wordt ook verteld dat Johan-
nes de Doper identiek is aan de proteet Llia. Beide figuren
verkondigen de aanstaande verlossing. Naar de verlossing
zelt is een kwestie van degene die daarna komt: de figuur
van de Nessias.
Deze analogie tussen Johannes de Doper en Llia is niet
toevallig. Narcus ·:a begint met de woorden Ik zend mijn
bode voor uw aangezicht uit, die uw weg zal bereiden. ‘Nijn
bode’ ot ‘mijn engel’ is in het Hebreeuws יכִ אלְ מַ mal

achi
¡o-,o-·-ao-·o en hierin herkennen wij de naam van de
proteet Naleachi, het Bijbelboek waarmee het Oude 1es-
tament eindigt om over te gaan in het Nieuwe 1estament.
Ligenlijk staat er dus Ik zend Maleachi voor uw aangezicht
uit, die uw weg zal bereiden. Die laatste lezing komt dan heel
mooi overeen met het voorlaatste vers van het boek Na-
leachi, dus precies daar waar het Oude 1estament in het
Nieuwe overgaat. Daar wordt namelijk al de proteet Llia
aangekondigd:
23
2ie, Ik zend u de proteet Llia, voordat de grote en geduch-
te dag des Hrvr× komt.
24
Hij zal het hart der vaderen te-
rugvoeren tot de kinderen en het hart der kinderen tot hun
vaderen, opdat Ik niet kome en het land treffe met den ban.
(Maleachi ,:a,–a¡)
42 CHRISTENDOM EN JOODSE MYSTIEK
Volgens de joodse traditie is het zo dat in tijden waarin
gesproken wordt over de op handen zijnde verlossing, de
proteet Llia verschijnt. Hij is het die de verlossing ot het
blijde nieuws aankondigt. In Narcus e:·, wordt Johannes
de Doper gelijkgesteld met deze Llia. Kortom: ot we nu
spreken van Johannes de Doper ot van Llia, in deze tek-
sten wordt de verlossing aangekondigd; zij gaan voorat aan
die verlossing en bereiden daarvoor de weg. Ve kunnen
daarom zeggen dat het verlangen van de mens naar de ver-
lossing, dat hij diep in zich draagt, wordt gesymboliseerd
door deze aankondiging.
Ve hebben zojuist gezien dat de mens van elders at-
komstig is, uit een ‘niet-waterwereld’ . De neshama, de god-
delijke vonk die de mens naar het evenbeeld van God doet
zijn, daalt in de waterwereld van onze zevende dag at om
bij de overgang van de zevende naar de achtste dag weer
uit het water te voorschijn te komen. De neshama heen al-
les al in zich: de gehele 1ora, het weten van de ballingschap
en van de verlossing. De diepere zin van de doop is dus
dat wij uit het water opstaan. Het leven in de waterwereld
wordt vaak vergeleken met het in de dood zijn, het onder
de wet leven ot in het begrensde verkeren. Paulus spreekt
in de Briet aan de Romeinen e:¡ zelts over ‘begraven zijn’ .
Ook Jezus wordt gedoopt door Johannes de Doper en
gaat onder in het water van de Jordaan. Als Hij weer uit
het water komt, openen de hemelen zich voor Hem en
daalt de Geest op Hem neer in de gedaante van een duit.
De duit symboliseert de verlossing; de duit heen de eigen-
schap ot de drang in zich om terug te keren. De doop van
43 SYMBOLIEK VAN DE DOOP
Jezus staat natuurlijk symbool voor de doop van iedere
mens.
In het Hebreeuws heet de rivier de Jordaan niet toe-
vallig ןדֵּ רְ יַ Yarden ·o-aoo-¡-,o, wat zoiets als ‘de Atdaler’
betekent, gezien de verwantschap met het werkwoord דרַ יָ
yarad ·o-aoo-¡ ‘atdalen’ . Dit atdalen komen we ook tegen
in het verhaal van de uiuocht uit Lgypte, in het Bijbelboek
Lxodus. In het Nederlands wordt meestal vertaald dat Is-
raël naar Lgypte trekt, maar dat is misleidend. Len reiziger
vanuit Israël daalt af naar Lgypte. Nen daalt af vanuit het
Heilige Land. Dat heen niet alleen betrekking op concrete
geografische omstandigheden; het wil veel meer zeggen.
Het begrip ‘atdaling’ betekent dat er sprake is van een
overgang naar een ander, lager niveau. Nen daalt at naar
een vorm van ballingschap, een begrip dat overeenkomt
met onze huidige wereld waarin wij leven.
In het Hebreeuwse woord voor Jordaan zit ook vervat
het woord ןדָּ Dan ¡-,o, één van de stammen van Israël,
die zijn woonplaats in het uiterste noorden heen. Het
noorden wordt altijd geassocieerd met het materiële, het
lichamelijke. Jeremia ·:·¡ spreekt over onheil dat vanuit
het noorden over de bewoners van het land komt. Het is
Jezus die in de Jordaan atdaalt, maar het woord ‘Jordaan’
zelt, yarden, kan eventueel vertaald worden als ‘Hij die at-
daalt vanuit Dan’ ot ‘Hij die atdaalt vanuit het noorden’ .
Het is niet onbelangrijk te beseffen dat de Jordaan in het
concrete geografische ook daadwerkelijk vanuit het noor-
den naar het zuiden stroomt. Ln het zuiden, daar waar de
rivier naar toe stroomt, wordt geassocieerd met precies
44 CHRISTENDOM EN JOODSE MYSTIEK
het tegenovergestelde van het materiële noorden; het zui-
den staat voor het spirituele ot het gebied van de geest. De
symboliek spreekt voor zichzelt: de doop in de Jordaan
symboliseert een overgangsproces waarbij het materiële
overgaat in en zich verbindt met het spirituele.
Vanneer Jezus bij Johannes de Doper ondergaat in
het water ot de tijd, symboliseert dit dus eigenlijk de ver-
schijning van Jezus in de tijd in de vorm van een mens.
De Jordaan is de grens van de tijd. Jezus daalt at in de tijd,
in de vorm van een mens, en stroomt vervolgens naar het
zuiden.
Uit deze symboliek wordt duidelijk dat dit leven ‘in het
water’ , dit leven van de zevende dag, uitermate belangrijk
is. Het atdalen in de wereld van de tijd is een tundamen-
teel deel van het goddelijke scheppingsplan. Nu weten we
dat het atdalen op verschillende manieren verbeeld kan
worden: we kennen het atdalen en ondergaan in het water
van de Jordaan, maar we weten ook van het atdalen naar
Lgypte, dat wil zeggen een atdaling naar het diepste van
het materiële. Ook in het geboorteverhaal in het Nieuwe
1estament vlucht Jezus met zijn ouders naar Lgypte. Deze
gang, deze atdaling naar Lgypte, staat symbool voor de
atdaling in de materiële wereld zoals wij die kennen; het
beschrijn het proces van het mens-worden.
Het is bij deze mythische verhalen uitdrukkelijk niet de
bedoeling ze op te vauen als een verslag van historische
teiten. Dat zou een zinloze verarming van de diepgang
zijn. Dan komen we terecht in de discussie wat er wel en
wat er niet ‘echt gebeurd’ is, en aangezien we geen zoge-
43 SYMBOLIEK VAN DE DOOP
zegd onathankelijke bronnen over deze periode en over
deze verhalen hebben, loopt daar de discussie direct vast.
Veel zinvoller is het de verhalen tot ons te laten spreken als
symbolen uit die andere wereld.
Ve hebben vaak gesproken over de traditie waarin ver-
teld wordt dat de Nessias de mens uitbeeldt zoals God die
oorspronkelijk in gedachten had. Daarmee laten we dan de
gedachte aan één bepaalde historische figuur los. De vraag
ot deze figuur dan wel ot nu juist nog niet is gekomen, ver-
liest dan zijn betekenis. Het gaat ons om het beeld van de
Nessias. Ln deze Nessias, opgevat als mythische figuur, is
reeds vóór de schepping gezeten aan de rechterzijde van
God. De mens in deze wereld is op weg om te voldoen aan
ot te groeien naar de mens zoals God die in gedachten had.
Lenieder van ons is dus bezig tot deze Nessias te worden.
In Veinrebs belangrijke boek Ik die verborgen ben, over het
Bijbelboek Lsther, wordt verteld dat als de laatste neshama,
de godsvonk die de mens naar de gelijkenis van God doet
zijn, deze zevende dag verlaat, de rij dan wordt atgesloten
door de neshama van de Nessias. Bezien vanuit deze sym-
bolische beelden is er dus weinig reden om de figuur van
de Christus, wat in teite dezeltde figuur is als de Nessias, te
historiseren en aldus te localiseren in een bepaalde tijd en
plaats in de geschiedenis.
Aan het thema van de doop is onverbrekelijk het geloot
verbonden. Het is een geloven in God tegen beter weten
in. Lr wordt van de mens verlangd dat hij in God geloon,
Hem lietheen, en niet alleen omdat dit voordeel zou op-
leveren. Ve zien vaak genoeg dat dit geloot, dit vertrou-
46 CHRISTENDOM EN JOODSE MYSTIEK
wen, dit vasthouden aan de innerlijke belone, juist een last
kan zijn, die ons leven in het concrete ook zwaarder kan
maken. Het is het geloot en het vertrouwen – in het He-
breeuws hetzeltde woord, הנָ ומאֱ

emuna ·-¡o-e-,o-, – dat
ons standvastig doet zijn wanneer we weer eens ervaren dat
het slechte mensen goed gaat en goede mensen slecht. Het
teit dat God altijd zwijgt en nooit direct tot ons spreekt ot
voor ons verschijnt, de overtuiging dat de menselijke ziel
uit het ‘Vaderhuis’ atkomstig is, uit een niet-waterwereld
en daar eigenlijk thuis is, het weten dat de mens eens uit
onze huidige waterwereld zal opstaan – al deze dingen zijn
een kwestie van geloot, een diep geworteld geloot en ver-
trouwen dat de dingen daadwerkelijk zo zijn.
De diepere zin van de doop is het beset: wij zijn hier in
deze concrete waterwereld en we geloven. Ve geloven dat
we weer uit het water opstaan, dat we een wederopstan-
ding zullen meemaken. Ve geloven dat na de aankondi-
ging van de wegbereiders de verlossing ook daadwerkelijk
komt.
De doop draagt een diep geheim in zich mee en dient
niet beschouwd te worden als een ritueel dat ons lid maakt
van een bepaalde club. Uit de symboliek van de doop
spreekt een grote hoop; het behelst de verkondiging van
een blijde boodschap.

In veel christelijke tradities is de doop verbonden met een
nogal beladen begrip, de zogenaamde ‘ertzonde’ . In het jo-
47 SYMBOLIEK VAN DE DOOP
dendom ot in de islam is dit begrip onbekend en het komt
in de Bijbel zelt dan ook nergens voor. In het kort houdt
dit begrip in dat door middel van de doop de zondigheid
wordt weggewassen die aan de mens kleen sinds de zoge-
naamde ‘zondeval’ , hoewel ook na de doop de mens nog
met een zekere neiging tot ‘zondigheid’ blijn ziuen. 2owel
‘ertzonde’ als ‘zondeval’ zijn termen die ons op een volko-
men verkeerd spoor zeuen.
In eerste instantie moeten we denken aan het gebeuren
in het Paradijs. De mens verbreekt zijn wortels met God;
er ontstaat een breuk die door alle werelden loopt en de
mens zet zichzelt in het middelpunt. Uit Veinrebs werk
kunnen we leren dat we dit verhaal niet moeten lezen als
een stukje geschiedenis dat toen-en-toen Adam en Lva is
overkomen. Ln al evenmin is het nuuig om die twee men-
sen deze zogenaamde ‘zondeval’ kwalijk te nemen, in de
zin van ‘Als zij toen geen misstap begaan hadden, zouden
wij nu niet in de ellende ziuen!’
Ve moeten begrijpen dat dit een verhaal is over de
mens. In eenieder van ons speelt dit Bijbelverhaal zich at.
De Bijbel is bovendien niet een boek waarin staat hoe het
moet, maar in eerste instantie een verhaal waarin wordt be-
schreven hoe het leven is. In de joodse traditie lezen we dat
de 1ora, waarin dit verhaal te vinden is, al vóór de schep-
ping bestond; met andere woorden zegt men ook wel dat
de 1ora pre-existent was. 2ij bevat als het ware de blauw-
druk voor de schepping. Daarmee zat het gehele schep-
pingsverhaal, inclusiet deze ‘zondeval’ , al vanat het begin in
de schepping besloten.
48 CHRISTENDOM EN JOODSE MYSTIEK
Net het verhaal van het eten van de Boom der Kennis
wordt op symbolische wijze uitgedrukt dat de moderne
mens niet bereid is een instantie boven zich te erkennen;
ons zeltgevoel stijgt voortdurend, ten koste van die instan-
tie boven ons. Ve erkennen deze goddelijke macht niet als
iets wat boven ons staat en wensen dan ook niets van de
goddelijke maatstaven en wijsheid te ontvangen ot aan te
nemen.
Het zijn daarmee niet Adam en Lva die dit alles doen,
maar wijzelt. Wij weten zogenaamd precies wat goed ot
kwaad is. Het eten van de Boom der Kennis van Goed en
Kwaad is in de loop der tijd model gaan staan voor het be-
grip ‘zonde’ . Het heen geen zin om in te gaan op de tal-
loze misverstanden en bijbehorende schuldgevoelens die
dit begrip bij vele mensen oproept, veelal ingegeven door
verwrongen dogmatische mensenmaaksels opgelegd door
diverse religieuze instituties. Veel zinvoller is het ons eens
serieus at te vragen wat het begrip ‘zonde’ in zijn diepste
wezen nu eigenlijk is.
De kern van de zonde is het breken van alles wat in de
schepping oorspronkelijk een eenheid vormt. 2o zijn ziel
en lichaam, binnen en buiten, vorm en wezen oorspronke-
lijk in een onverbrekelijke eenheid verbonden. Als de mens
iets van die goddelijke eenheid breekt, is dat een vorm van
ontucht. Ln met het begrip ontucht bedoel ik dan met
nadruk niet zozeer vermeend ongeoorlootde vormen van
seksualiteit. Het ligt veel breder: ontucht is in teite elke
vorm van het scheiden van de binnen- en de buitenkant
en het zich eenzijdig richten op die buitenkant. Iemand
49 SYMBOLIEK VAN DE DOOP
die bijvoorbeeld de Bijbel leest om het leuerlijke en uiter-
lijke verhaal zonder zich te bekommeren om de innerlijke
inhoud die achter de uiterlijke begrippen schuilgaat, be-
gaat ontucht. Kunst zonder inspiratie, zuiver om de vorm-
geving, is ontucht bedrijven en zo zijn er werkelijk talloze
vormen te bedenken van ontucht in het wezenlijke.
Door het eten van de verboden vrucht van de Boom
der Kennis van Goed en Kwaad meent de mens dat hij kan
oordelen over de dingen, dat hij weet wat goed en kwaad
is. In plaats van op goddelijk gezag aan te nemen wat bij
ons past en te mijden wat voor ons niet geschikt is, wil de
mens eerst zelt weten dat iets goed is ot juist kwaad, en dan
pas geloven; we willen weten en overtuigd zijn voor we iets
doen. Bij daadwerkelijk geloven draait het om iets heel an-
ders. Deze houding van willen-weten leidt tot de verdrij-
ving uit het Paradijs en het betreden van de zevende dag,
onze waterwereld.
In diverse commentaren op deze verdrijving uit het Pa-
radijs kunnen we lezen dat de mens na dit gebeuren in de
wereld van de tijd gezet wordt om boete te doen. Bij dit
woord ‘boete’ moeten we eens nader stilstaan. Dit woord
wordt over het algemeen geïnterpreteerd als goddelijke
strat: iets naars dat ons overkomt als vergelding voor de
begane misstap. Van bepaalde religieuze zijde wordt op
mensen ingepraat als dat zij intens zondige wezens zijn,
waarbij het begrip ‘ertzonde’ dan weer een grote rol speelt.
2o kan het niet anders ot er komt iets zwaarmoedigs over
de mens te hangen. Nen heen een beeld van God als een
sadistische heerser, geen liethebbende Vader, die zonda-
30 CHRISTENDOM EN JOODSE MYSTIEK
ren zoekt om ze de vreselijkste straffen op te leggen. Len
God die de mensen een spel laat spelen zonder duidelijk
de spelregels uit te leggen, maar dan wel zwaar vertoornd
raakt als de mensen het spel verkeerd spelen. Vele religi-
euze mensen lopen met de atschuwelijkste angsten over de
straffen die hen te wachten staan.
Vanneer we het Hebreeuwse woord voor ‘boete’ bekij-
ken, wordt ons duidelijk wat dit begrip wezenlijk inhoudt.
Het woord voor ‘boete’ luidt שׁנֶע ֹ

onesh ;o-,o-,oo. De
totale waarde van de leuers van dit woord is ¡ao. Hier-
in herkennen we onmiddellijk het bij Veinreb uitvoerig
behandelde begrip ¡a, één van de godsnamen bovendien.
Het begrip ¡a verbeeldt het einde van de tijd, het moment
waarop de verlossing zich aankondigt. Ve tellen ¡a hal-
teplaatsen van het volk Israël in de woestijn op weg naar
het Belootde Land. Ln in de stamboom van Jezus in het
Lvangelie van Nauheus is er eveneens sprake van precies
¡a geslachten (Nauh. ·:·;). Het getal ¡a is eigenlijk het
getal van de verlossing.
Daarmee komt het begrip boete in een heel ander licht
te staan. Het gaat bij

onesh ‘boete’ dus helemaal niet om
een strat, maar om een gelegenheid tot herstel, tot een al-
gehele harmonie, van waaruit een verlossing ot een terug-
keer mogelijk is. 1erugkeren naar wat: Dat ligt voor de
hand. Het gaat hier om een terugkeren naar de oorsprong
in plaats van het kiezen voor een zich verder ontwikke-
len, weg van het goddelijke. Het is een terugkeren naar de
maatstaven van de spirituele wereld waarin wij wortelen,
teneinde ons door die maatstaven te laten leiden in plaats
31 SYMBOLIEK VAN DE DOOP
van door onze zeltbedachte theorieën en oplossingen die
ons persoonlijk beter passen ot uitkomen.
Dit begrip ‘herstel’ is van enorm belang. In teite ligt
hierin het geheim van de gehele schepping. 2oals we bij
Veinreb kunnen lezen, is het doel van de schepping als ge-
heel het ondergaan van de onuitsprekelijke vreugde van de
hereniging met God. Volgens de joodse traditie greep God
in op de zesde dag, om deze eerder te beëindigen zodat
de terugkeer niet onmogelijk zou worden. Dat was eigen-
lijk een daad van lietde jegens de mens. Ook het verhaal
van het eten van de Boom der Kennis en de uitdrijving uit
het Paradijs gelden als lietdesdaad van God; alles is erop
gericht dat de mens de vreugde van de uiteindelijke her-
eniging met God moge ervaren. Het doel van de schep-
ping is aldus herstel, om de hereniging mogelijk te maken.
Ln daarmee komt het begrip ‘boete’ in een geheel ander
daglicht te staan: het betren hier geen nare strat voor tou-
ten, maar een door God aan de mens gegeven gelegenheid
tot herstel. Boete kan in de mens een intens gevoel van
vreugde geven, omdat het inzicht in vele zaken er is geko-
men. Ln niet om het teit dat we iets tout gedaan hebben en
gestran zullen worden.
Niet toevallig wordt er in de leer van de Kabbala, in
het bijzonder zoals die door Isaac Luria is ontwikkeld, het
grootste belang gehecht aan het herstel van de breuk die na
het gebeuren in het Paradijs door alle werelden is komen
te lopen. In het Hebreeuws spreekt men van םלָ וע ןוקּתִּ tiq-
qun

olam ¡oo-·oo-e-,o ;o-e-,o-¡o ‘het herstel van de we-
32 CHRISTENDOM EN JOODSE MYSTIEK
reld’ , wat dan ook tot een sleutelwoord in de leer van de
Kabbala is geworden.
Nu we in het wezen hebben gezien wat ‘boete’ in teite
is, begrijpen we ook ten diepste wat het eigenlijke verband
is tussen doop en boete. Het is van belang te begrijpen dat
het kosmische herstel waarvan hier sprake is, alleen in
onze huidige wereld van de zevende dag gedaan kan wor-
den. Daarom legt de mystieke traditie zo’n nadruk op het
belang van het leven in deze waterwereld. Juist het onder-
gaan in de tijd, het leven in de ballingschap, het niet over-
zien van het geheel, stelt de mens in staat om dit herstel te
bewerkstelligen. Hier in deze wereld hebben we de keuze
ons te richten op God, terug te keren, ot juist te kiezen
voor de verdere ontwikkeling van God at. Na dit leven,
in de dood, bestaat er geen gelegenheid meer tot tiqqun,
herstel. In de 1almoed staat beschreven dat het verrichten
van de geboden iets is wat aan de levenden is voorbehou-
den; de doden kunnen dat niet meer.
Nu we hebben gezien dat ‘boete’ in eerste instantie op te
vauen is als een gelegenheid tot herstel, valt het ons ineens
op dat kennelijk ook in het Nederlands nog een zweem
van de Heilige 1aal, van een oeroud weten, terug te vin-
den is. Als we in vissersplaatsen door de haven lopen, zien
(ot liever: zagen) we vaak vrouwen bezig met het boeten
van de neuen. Ln wat is boeten hier anders dan dat zij die
neuen herstelen:
Het herstelproces waar de mens mee te maken heen,
duurt zolang als deze zevende dag duurt. Het voltooide
herstelproces markeert tevens de overgang van de zevende
33 SYMBOLIEK VAN DE DOOP
naar de achtste dag: de Verlossing uit onze waterwereld,
de Komende Vereld ot het Koninkrijk Gods.
Het moge duidelijk zijn dat de mens juist in de tijd
moet leven om het onderscheid tussen goed en kwaad te
leren zien. Na het eten van de Boom der Kennis denkt de
mens dit heel goed te weten en hij oordeelt dienovereen-
komstig. Dat blijkt in de praktijk van ons dagelijks leven
in het geheel niet het geval te zijn. Ve kunnen hier in dit
leven eigenlijk nooit weten ot we het goed ot tout hebben
gedaan; het is altijd doen-om-niet. Ve nemen onze beslui-
ten naar eer en geweten en naar het niveau waarop we ons
op dat moment in ons leven bevinden. Het grote overzicht
over de dingen hebben wij hier niet; we zien alleen maar
de heln, omdat die andere wereld, waarin wij wortelen,
voor ons verborgen is. Ln dus zijn we in deze wereld aan-
gewezen op het geloot, de hoop en de lietde.
Vaar blijven we dan met de doodsangsten en straffen
Gods om de zogenaamd verkeerde keuzes die we gemaakt
zouden hebben: Hoe vreselijk veel onnodig menselijk
zieleleed wordt er veroorzaakt door dit soort doctrinaire
mensenmaaksels! Natuurlijk komen we er later in ons
leven achter dat we het vaak niet goed gedaan hebben.
Dat heen dan vooral te maken met een voortschrijdend
inzicht. Laten wij blij zijn dat we zoiets achterat kunnen
constateren, dat we kunnen inzien dat we dingen nu an-
ders zouden doen ot dingen kunnen herstellen. Lr is, naast
de weg van het 2ijn, toch ook de weg van het Vorden. Vele
mensen zouden gelukkiger zijn als zij besenen dat God ons
ook ruimhartig de gelegenheid geen het tout te doen.
34 CHRISTENDOM EN JOODSE MYSTIEK
Lr is een prachtig chassidisch verhaaltje dat dit belang-
rijke principe treffend uitdrukt:
Lr kwam eens een leerling bij Rabbi Samuël langs, om bij
hem te leren. Rabbi Samuël zei: ‘Als het uw wens is om een
goede jood te zijn, dan bent u voor niets gekomen. Naar als
het uw wens is om een goede jood te worden, dan is het goed
dat u gekomen bent.’
Ve hebben de gehele zevende dag om te worden als de
Nessias, als de mens zoals God die in gedachten had. Len
mens mag ook onderweg zijn. Ln er bestaat toch geen
mooiere opdracht dan deze:
'c·!o·:·g

× Lr+ Nirivr 1rs+.:r×+, in het Lvangelie vol-
gens Nauheus ·:·s, wordt verteld dat Naria en Jozet
verlootd waren. Nen zou ook kunnen zeggen: in on-
dertrouw. Strikt genomen wil dit zeggen, dat toen Naria
zwanger werd van de Heilige Geest, zij niet getrouwd was.
Als er één tekst is die tot misverstanden en spot aanleiding
heen gegeven, is het deze wel. 1ot zelts in de Koran wordt
dit ongehuwd zijn besproken.
Ve zullen ons hier niet in alle verdachtmakingen ver-
diepen die in de loop der eeuwen hierover naar voren zijn
gekomen. Lr wordt in deze tekst uiteraard iets heel an-
ders verteld dan zaken van wel ot niet getrouwd zijn, in
opspraak raken ot van vormen van maatschappelijke on-
betamelijkheid. Dergelijke ideeën ontstaan als de mens de
tekst niet meer als Heilig, komende van de andere wereld,
neemt en niet meer in staat is de mythische aspecten er-
van te ervaren.
1radities met betrekking tot het begrip ‘verloving’ vin-
den we reeds in het Oude 1estament en in de joodse tra-
ditie die zich daarop baseert. Het ondertrouwd ot verlootd
zijn heen te maken met de begrippen vertrouwen en beloe.
1egenwoordig betekent verlootd zijn eigenlijk niets meer;
het is een belone die we zonder bezwaar weer kunnen ver-
breken. Nen heen zich gewoon bedacht en men hoen niet
te gaan scheiden; er is geen advocaat nodig. Het begrip
I
38 CHRISTENDOM EN JOODSE MYSTIEK
‘verloving’ lijkt zich bij veel mensen ontwikkeld te hebben
tot een soort proetperiode vóór het huwelijk. In onze mo-
derne tijd horen we niet zoveel meer van eerst verloven en
dan trouwen. De verloving heen geen aparte status meer;
de gewoonte is veeleer eerst te gaan samenwonen en daar-
na kan men, om welke reden dan ook, besluiten te gaan
trouwen.
Vroeger stond de verloving op zich. In films die vóór de
1weede Vereldoorlog spelen, zien we nog dat als de ver-
loving onverhoopt toch verbroken werd, alle geschonken
cadeaus moesten worden teruggestuurd. 1egenwoordig
staan we niet meer zo vaak stil bij de ware betekenis die
de door ons gebruikte woorden eigenlijk hebben. 2e zijn
leger geworden, lichter in het gebruik, en we beseffen lang
niet altijd meer wat we zeggen bij het uitspreken van de
woorden.
Naar in het wezenlijke is dit verlootd zijn een belang-
rijk begrip. In de traditie wordt verteld dat deze wereld van
de zevende dag, de wereld waarin wij leven, met God ‘ver-
lootd’ is. God heen deze wereld de belone van de verlossing
gegeven, de bevrijding uit ons leven van ballingschap. Die
verlossing is identiek aan het betreden van de achtste dag,
de Komende Vereld ot het Koninkrijk Gods en daarom
wordt het huwelijk geassocieerd met deze achtste dag.
In de Hebreeuwse woorden voor ‘bruid’ en ‘bruidegom’
zit dit begrip ‘acht’ reeds ingeweven. ‘Bruidegom’ is ןתָּ חַ
chatan s-¡oo-,o; dit woord bevat het element תח chet
s-¡oo, en dat is de benaming voor de achtste leuer van het
altabet. Het Hebreeuwse woord voor ‘bruid’ is הלָּ כַּ kala
39 VERLOVING
ao-,o-,. In dat woord zien we de leuercombinatie kaf-
lamed, ao-,o, in totaal ,o, en dit staat weer voor het begrip
לכֹּ kol ‘alles’ .
Het begrip vijnig is nauw verbonden met het begrip
acht. Vant de ; is het voorstadium van de s, en zodra die
; geheel vervuld is, dat wil zeggen: met zichzelt in vervul-
ling gebracht, ; × ;, zijn we aan het voorstadium van de ,o,
de Komende Vereld, want ; × ; = ¡¸. Bruid en bruidegom
dragen alle twee in hun naam het principe van de acht.
Het huwelijk, de eenwording, de versmelting, de geheel-
de breuk, is een zaak van de achtste dag, want op die dag
wordt de eenheid van de schepping die in tweeën, in veel-
heid brak, weer tot eenheid gesmeed. Alles wat gebroken
is, wordt weer één.
Om die reden wordt er in het Lvangelie van Nauheus
gezegd dat Jozet en Naria niet gehuwd zijn, maar verlootd.
Het teit dat het Nieuwe 1estament vertelt dat zij verlootd
waren, betekent dat zij in de zevende dag leven. In deze
zevende dag verschijnt reeds de figuur Jezus voor de acht-
ste dag. Het begrip ‘verloven’ is dus van zeer groot belang,
want het wil zeggen dat de mens in deze zevende dag de
belone heen voor de achtste dag.
Het behoen geen betoog dat de zevende en de achtste
dag onverbrekelijk met elkaar verbonden zijn. Het gebeu-
ren van de achtste dag grijpt steeds terug op dat van de
zevende. Ik zeg dit min ot meer nadrukkelijk, want het
komt nogal eens voor dat mensen de neiging hebben deze
zevende dag te denigreren en deze als minder te beschou-
wen dan de achtste dag.
60 CHRISTENDOM EN JOODSE MYSTIEK
Het is echter zelts zo dat niet alleen de zevende en de
achtste dag met elkaar verbonden zijn, maar ook de zesde
dag hier onverbrekelijk aan vast zit: e-;-s is een eenheid.
Uit de Bijbel weten we, dat er op de zevende dag niet ge-
werkt mag worden. Op die dag eten we van de oogst van de
zesde dag. Naar op de zevende dag mag evenmin worden
gezaaid, zodat we zelts in de achtste dag nog eten van de
oogst van de zesde. Pas op de achtste dag wordt weer op-
nieuw gezaaid. 2o is het gebeuren op de zesde dag direct
verbonden met het leven in de zevende, maar ook met het
leven in de achtste dag, de Komende Vereld.
In dit kader kunnen we ook denken aan de getalssym-
boliek van het mannelijke, het vrouwelijke en het kind-
principe van Pythagoras, zoals Veinreb het uitlegt in zijn
boek De Bijbel als Schepping. Als het mannelijke principe,
uitgedrukt door het getal ,, met zichzelt in vervulling
gebracht, gecombineerd wordt met het principe van het
vrouwelijke, uitgedrukt door het getal ¡, eveneens met
zichzelt in vervulling gebracht, mondt dit uit in het prin-
cipe van het kind, de vrucht, uitgedrukt door het getal ,,
ook hier met zichzelt in vervulling gebracht. De reken-
kundige weergave van dit principe is een voorbeeld van
de stelling van Pythagoras: , × , ÷ ¡ × ¡ = , × , onewel
¸ ÷ ·e = a,. De vijt is het getal van de werkelijkheid voor-
bij deze concrete werkelijkheid, de Komende Vereld ot de
achtste dag. Jezus, het kind, is de vrucht, het beloofde, het
toegezegde voor de Komende Vereld.
Lr is nog een aspect dat dit thema van de verloving zo
interessant maakt. Het is Naria, de maagd, die aangezegd
61 VERLOVING
krijgt een zoon te krijgen. Dat is een zaak die onmogelijk
op natuurwetenschappelijke wijze te verklaren is; integen-
deel, het is een wonder, een doorbraak vanuit de andere
wereld. Het is dus een zaak ot wij geloven in de belone
door God aan ons gedaan, ot wij vertrouwen erin hebben
dat de vrucht van de zevende dag nu eindelijk zal komen,
de vrucht van het Koninkrijk Gods. Aldus hebben we hier
opnieuw het principe van de verloving: belone en vertrou-
wen. In dit mythische verhaal wordt ons eigenlijk iets heel
moois belootd: een nieuwe wereld, een nieuwe hemel en
aarde, een verlossing van de dwang en ketenen van de ze-
vende dag, de ballingschap. Geloven wij hierin: Hebben
wij vertrouwen in deze belone ot toezegging van God:
Jozet heen dat vertrouwen niet helemaal. Hoewel de
Bijbel hem een rechtschapen man noemt, vertrouwt hij
het wonder niet. Als hij hoort van het kind, wil hij Na-
ria niet in opspraak brengen en in stilte van haar schei-
den. Het komt echter niet zover, omdat hij door een engel
teruggefloten wordt (Nau. ·:·¸–a,). Dat is weer zo’n ver-
haal dat zich uitstekend leent voor mensen die slechts in
onze werkelijkheid geloven als de enige. 2ij zouden zich
onmiddellijk met de maatstaven van deze tijd over deze
mededeling buigen. Is Jozet wel zo rechtschapen: Is het
niet vreselijk wat hij van plan is: Naria laten ziuen, nadat
zij zwanger is geworden van een hem onbekende: Naar in
boeken die door de andere wereld geïnspireerd zijn, is het
verhaal de omhulling van een innerlijke waarheid.
Lr wordt verteld dat de twijtel die Jozet heen, een twij-
tel is die in iedere mens leen. Ve hebben immers beide
62 CHRISTENDOM EN JOODSE MYSTIEK
kanten in ons: vertrouwen en ongeloot. Lr is altijd die stem
in ons die deze zevende dag eigenlijk helemaal niet wil ver-
laten, ja zelts terug zou willen naar de zesde dag. Denk aan
het volk Israël, dat tijdens de uiuocht, met alle gevaren van
dien, terugverlangt naar de vleespouen van Lgypte. Deze
innerlijke stem staat tegenover de stem die in ons spreekt
over de geboorte van Jezus, de belone en toezegging van de
komst van de Nessias en de Komende Vereld, de komst
van de Nessias die ons de achtste dag binnenleidt.
Stel dat dit verhaal nu eens van een gewone biologische
geboorte had verteld, een geboorte volgens de wetmatig-
heid van de natuur. Binnen zo’n verhaal is er dan geen
plaats voor het vertrouwen, het geloot in het ingrijpen van
de andere kant, de overtuiging dat de goddelijke wereld
zich vanuit die overkant plotseling in onze wereld mani-
testeert, als het ware in ons leven inbreekt. Dan is er alleen
een verhaal van ‘wij hebben dit-en-dat gedaan, wij heb-
ben zus-en-zo gepresteerd, en nu gebeurt, geheel volgens
ons menselijke plan, dat wat wijzelt hebben bewerkstel-
ligd’ . Dan ziet men alleen ontwikkeling, een proces dat de
mens zelt beheerst. De vrucht die dan eventueel ontstaat,
is eenvoudigweg het resultaat van eigen inspanning, van
het doen in zijn leven, zijn daden, zijn theologieën, zijn
kerken, zijn godsdiensten, zijn groepen, kortom van alles
wat hij presteert. In dat geval menen wij dat wijzelf de ver-
lossing tot stand brengen.
Naar de werkelijkheid hier is dat elke verlossing door
de Heilige Geest gegeven zal worden. De verlossing wordt
niet door de mens bewerkstelligd. Het is uiteindelijk God
63 VERLOVING
die deze verlossing bewerkstelligt en niet de mens. Uiter-
aard heen de mens met zijn handelen ook een rol in het
hele proces, maar het uiteindelijke verlossen is een kwestie
die aan God is. Het grote voorbeeld is uiteraard dat van de
uiuocht uit Lgypte en de symboliek van het binnenska-
mers gaan bij het Pascha (Lx. ·a:·–·,). Nen verblijn bin-
nen, terwijl God van buitenat de verlossing bewerkstelligt.
Analoog zal dit ook zijn in ieders individuele leven. Ve
kunnen nog zo ons best doen, maar verlossing is een kwes-
tie van genade en vooral van doen-om-niet.
Daarom wordt er ook verteld dat de mens niet een
Verlosser krijgt zoals hij die zich voorstelt. De mens neigt
er altijd naar om de heilige zaken te beschouwen vanuit
deze wereld en ze binnen het bewustzijn en de menselijke
maatstaven van onze werkelijkheid te trekken. Len col-
lectiet voorbeeld hiervan zagen we in het Duitsland van
de Nationaal-Socialisten. Hier was beslist sprake van een
theorie over de zogeheten ‘heilstaat’ , de Nieuwe Nens in
het Duizendjarige Rijk. Ln de Nationaal-Socialisten zagen
zichzelt daarbij als de belichaming van die Nieuwe Nens
en de bewerkstelliger van die heilstaat. Dan gaat het echter
om een ‘verlossing’ die wij zelt, vanuit onze eigen wereld,
wel eens zullen bewerkstelligen. Dan is er geen plaats meer
voor het heilige, voor de andere kant, die vanuit het god-
delijke in onze wereld ingrijpt.
2onder die andere kant erbij te betrekken hebben we
te maken met een protanering van de idee van de verlos-
sing. Hetzeltde kan gezegd worden van allerlei religieuze,
zonder meer vroom bedoelde, voorstellingen van de ver-
64 CHRISTENDOM EN JOODSE MYSTIEK
lossing. Vij maken ons een voorstelling van het Konink-
rijk Gods, van de Verlosser, in overeenstemming met onze
eigen verwachtingen, met onze eigen wensen en vooral
met onze eigen leerstellingen. 2o past de verlossing zich
aan onze tijdgebonden ideeën aan, in plaats van dat wij de
werkelijkheid vanuit het Leuwige tot ons toelaten.
Het is dan ook een vergissing te denken dat de Verlosser,
de Nessias, als een persoon hier in deze concrete wereld
verschijnt en dat hij dan ook vanuit ons tijdsdenken hier
begrepen zal kunnen worden. Dat heen allemaal te maken
met een poging het onvatbare, het onuitsprekelijke won-
der van de verlossing te ‘vertalen’ naar onze tijd en onze
ruimte, alsot het gaat om een opklaring na een regenbui,
waarna de zon weer schijnt.
2oals de geboorte van Jezus plaatstvindt in het diepst
van de nacht, in een stal met dieren, terwijl niemand hier-
van weet heen, zo breekt ook de verlossing diep in de mens
vanuit het verborgene door. Iedere dag kan die verlossing
in ons geboren worden ot in ons doorbreken. Iedere keer
opnieuw, en zeker niet alleen op die ene dag van Kerstmis,
waarop die geboorte omcieel gevierd wordt.
Dit is ook wat wordt uitgedrukt met de maagdelijke
geboorte: de oorsprong van wat geboren wordt, ligt niet
in onze wereld. 2o krijgt de verloving van Naria en Jozet
toch wel een heel andere wezenlijke betekenis dan een za-
kelijke mededeling over de teitelijke burgelijke staat van
dit jonge paar.
lct!c|cm

r )ooDsr :vs+irk kent het gebruik dat een be-
grip wordt onderzocht aan de hand van de naam
die het draagt in de Heilige 1aal, het Hebreeuws.
Len begrip dat we zowel in Oude als Nieuwe 1estament
tegenkomen, is ‘Betlehem’ . Hier willen we eens nader on-
derzoeken ot we ook bij dit begrip een diepere, gemeen-
schappelijke wortel van jodendom en christendom kun-
nen blootleggen
Volgens een protetie in het Oude 1estament zal de Ge-
zaltde – althans zo wordt de tekst geïnterpreteerd – gebo-
ren worden in Betlehem:
Ln gij, Betlehem Ltrata, al zijt gij klein onder de geslachten
van Juda, uit u zal Nij iemand voortkomen die een heerser
zal zijn over Israël en wiens oorsprong is van ouds, van de
dagen der eeuwigheid. (Micha ,:·)
Deze gedachte wordt opgepakt in het Nieuwe 1estament.
In het Lvangelie van Nauheus a:,-s wordt verteld dat
toen Herodes ging zoeken waar de Koning der joden gebo-
ren zou zijn, de schringeleerden dit vers uit Nicha citeer-
den. Ditzeltde vinden we ook in het Lvangelie van Johan-
nes ;:¡a, waar we lezen: Zegt de Schri niet, dat de Christus
komt uit het geslacht van David en van het dorp Betlehem
waar David was:
Laten we dit begrip ‘Betlehem’ eens nader onderzoe-
ken. De stad Betlehem wordt in verband gebracht met
D
68 CHRISTENDOM EN JOODSE MYSTIEK
koning David. Deze koning is in de generatietelling het
zevende geslacht na de ae geslachten die er zijn tot aan de
Openbaring op de Sinaï. Vanat de Openbaring is hij dus de
zevende. Daarmee is hij tevens de vader van het achtste
geslacht, Salomo. Hier komen we weer de symboliek van ;
en s tegen. De dag waarin wij leven, onze aardse wereld, is
de wereld van de zevende dag, terwijl de achtste dag sym-
bool staat voor het moment van de Verlossing, de hereni-
ging met God. Het achtste geslacht is daarmee het geslacht
dat de Verlossing belichaamt.
Koning Salomo – zijn naam betekent ‘heelheid, volle-
digheid’ – staat symbool voor de hereniging, de herwon-
nen harmonie die op de achtste dag een teit is. De kosmi-
sche breuk ontstaat op de zesde dag, het gebeuren in het
Paradijs. In de zevende dag dienen wij te trachten deze
breuk te herstellen, een herstel dat op de achtste dag een
teit is. Salomo is dan natuurlijk ook de Mashiach ben David,
de Gezaltde, zoon van David. Niet toevallig is hij dan ook
degene die het vaste Huis van God op aarde mag bouwen,
de 1empel te Jeruzalem (zie a Sam. ;). In de zevende dag is
er nog geen plaats voor het vaste huis. Pas in de achtste dag
komt het; het is de zoon die dit bouwt.
David komt dus in de Bijbel, in het boek Samuël, voort
uit Betlehem. Leuerlijk betekent םחֶ לֶ ־תיבֵּ bet lechem ‘het
Huis van het Brood’ , in getallen a-·o-¡oo ,o-s-¡o, in to-
taal ¡¸o. Vaarvan is ‘brood’ nu precies een symbool: Het
brood is het eindprodukt van de tarwe. Het proces om
van tarwe tot brood te komen, is lang en moeizaam. Na
het groeien en rijpen van het graan moet er eerst gemaaid
69 BETLEHEM
worden, daarna gedorst om de kern vrij te maken van de
omhulling, gemalen, gemengd met water, gekneed, gebak-
ken. 1ensloue komt daar, als eindprodukt, het brood. Het
is een lange en harde weg tot het eindprodukt, een weg vol
strijd, waar vuur en water aan te pas komen.
Deze strijd om tot het brood te komen is analoog aan
de strijd die wij in ons leven moeten voeren. Ook ons le-
ven, in deze zevende dag, is een voortdurend gevecht met
tegenstanders en tegenslagen, ziekte en onrecht. Het is
een wonder van de Hebreeuwse taal dat het woord voor
‘brood’ , םחֶ לֶ lechem ,o-s-¡o, dezeltde wortel heen als het
woord voor ‘oorlog, strijd’ , המָ חָ לְ מִ milchama ¡o-,o-s-¡o-,.
Het begrip ‘Betlehem’ symboliseert in teite de voltooi-
ing van het moeizame proces van de zevende dag. Van-
neer we, naar joodse mystieke traditie, de leuers van deze
naam optellen, zoals we zojuist deden, zien we iets heel
bijzonders: het is het begrip ¡¸o. Ln dit begrip brengt, in
het vlak van de tientallen, het getal ¡¸ tot uitdrukking,
onewel ; × ;. Ve spraken zojuist over het begrip ‘de ze-
vende dag’ . Nu zou men zich kunnen atvragen: wanneer is
die zevende dag dan eens atgelopen: Concreet kunnen we
dat nooit weten, natuurlijk. Naar in de joodse mystiek is
het gebruikelijk de uiterste voltooiing van iets symbolisch
uit te drukken door het betreffende getal met zichzelt te
vermenigvuldigen, als uiterste mogelijkheid van dit begrip.
Het begrip ¡¸ staat dus voor de uiterste voltooiing van het
principe van de ;. Kortom: Betlehem staat voor het eind-
punt van de zevende dag, het moment waarop de achtste
dag aanbreekt.
70 CHRISTENDOM EN JOODSE MYSTIEK
Nog één stap verder en we zijn bij de ,o. Dit getal ,o
symboliseert in de joodse mystiek de wereld voorbij onze
werkelijkheid, de Komende Vereld, die na de verlossing
aanbreekt, onewel de achtste dag. Ook in die zin is ¡¸ dus
echt een eindpunt, een omslagpunt. Aldus is het begrijpe-
lijk waarom in de joodse traditie gezegd wordt dat de Nes-
sias uit Betlehem komt. Betlehem staat immers voor het
omslagpunt van het einde van de zevende dag, onze we-
reld, naar het begin van de Komende Vereld, de achtste
dag. Precies op dat punt wordt de Nessias geboren.
Len vergelijkbaar omslagpunt vinden we elders in de
traditie, namelijk bij de uiuocht uit Lgypte. Vlak voordat
het volk Israël het Belootde Land daadwerkelijk betreedt,
op het moment dat – in symbolische taal uitgedrukt – die
verlossing aanbreekt, bevindt het volk zich in het land
Noab. In het Hebreeuws wordt ‘Noab’ geschreven als
באומ mo

av ¡o-e-·-a, tesamen dus weer: ¡¸. Net als bij het
begrip Betlehem wordt in Noab het gebied van de zeven-
de dag verlaten, om vervolgens de Komende Vereld, de
achtste dag, te betreden.
In het Nieuwe 1estament komen we inderdaad de tra-
ditie tegen dat de Nessias uit Betlehem komt: het verhaal
vertelt dat hij daar wordt geboren, alhoewel het gezin uit
Galilea, in het noorden, komt. Volgens de mythe klopt het
verhaal daarmee volledig. Het heen weinig zin te willen
beweren dat dit verhaal historisch is. Veeleer is dit een ui-
ting van de vaststaande traditie, zoals we die in Nicha ,:·
hebben gelezen, dat de Nessias nu eenmaal uit Betlehem
zal komen. Ln zodra je de figuur van Jezus van Nazaret als
71 BETLEHEM
de Verlosser aanziet, kan het niet anders ot hij moet ook
daar geboren worden. Om deze reden is het kader van de
volkstelling gebruikt; dat geen een gelegenheid, een ‘re-
den’ waarom Jezus inderdaad in Betlehem geboren wordt.
Volgens Lucas a:a is er een volkstelling gehouden op last
van de stadhouder van Syrië, een zekere Quirinius. Ln ten
behoeve van die telling moest iedereen terug naar de stad
van zijn oorsprong. Jozet is uit de stam van David en dus
moest hij terug naar Betlehem. 2o kwam het dat Jezus uit-
eindelijk in Betlehem geboren is.
2uiver historisch gesproken is aan dit verhaal eigenlijk
alles mis. 2o is ons uit Romeinse bronnen niets bekend
over een volkstelling in deze tijd, dat wil zeggen rond het
‘jaar’ o. Velen betwijtelen daarom dat er in die tijd uber-
haupt een volkstelling zou zijn gehouden. Bovendien is er
in die tijd in Palestina helemaal geen Quirinius als stad-
houder van Syrië, maar ene Varus. De figuur van Quiri-
nius komt in de bronnen wel voor, zelts in verband met
een volkstelling, doch deze telling heen in het jaar e ot ; na
Christus plaatsgevonden. De bronnen vertellen ons dat we
in het jaar o de regering van koning Herodes Antipas (¡ v.
Chr. – ,¸ n. Chr.) hebben.
2o zijn er, wanneer we precies naar de geschiedenis
gaan kijken, allerlei problemen die we niet zonder meer
kunnen oplossen. Historiseren brengt ons in een moeras
waar we niet meer uitkomen. Veel eenvoudiger – en in ze-
kere zin ook bevrijdend – is aan te nemen dat dit verhaal er
staat vanwege de mythe: de Nessias moet gewoon in Betle-
hem geboren worden. Dát is de boodschap van de tekst.
72 CHRISTENDOM EN JOODSE MYSTIEK
De bekende mythe uit Nicha ,:· krijgt zo in het Nieuwe
1estament als het ware een nieuw jasje. Het is een nieuwe
uitdrukking van een oud en bekend idee. Ln dan doet het
er niet meer zoveel toe ot er echt een volkstelling was. Ve
zoeken immers ook niet naar het grat van Roodkapje.
Het Nieuwe 1estament is, evenals het Oude, onder god-
delijke inspiratie geschreven; vanuit die inspiratie hebben
de schrijvers het verhaal in deze vorm gegoten, niet om het
als historische teiten te presenteren, maar om een beeld
te geven, om de kern van de boodschap over te brengen.
Hetzeltde geldt voor vele andere verhalen uit de Bijbel:
de uiuocht, het lopen over het water, de wonderbaarlijke
broodvermenigvuldiging, de zee die open gaat. Het heen
geen zin te zoeken naar de historische achtergrond ervan.
Veel zinvoller is het om ons te richten op wat het verhaal
in de grond wil zeggen.
Lr zijn mensen die willen aantonen dat het verhaal
van de ster van Betlehem op een historische gebeurtenis
teruggaat; het zou te maken hebben met een samenstel-
ling – in de astronomie heet zoiets een ‘conjunctie’ – van
drie planeten, die er gedrieën dan min ot meer uitzagen
als een uitzonderlijk heldere ster. Astronomisch is het te-
genwoordig geen enkel probleem uit te rekenen wanneer
zo’n planetenstand zich heen voorgedaan. Len dergelijke
conjunctie heen zich kennelijk daadwerkelijk voorgedaan,
rond het jaar e vóór Christus.
2o zien we dat het historiseren soms verraderlijk aan-
trekkelijk is, maar als we beter kijken, lijkt het meer op
het spelen met een vergiet: zodra we erin slagen sommige
73 BETLEHEM
gaatjes dicht te houden, loopt het water uit andere gaatjes
naar buiten. Vie denkt iets bereikt te hebben met de his-
torische waarheid achter de ster van Betlehem heen per
ongeluk het hele verhaal achter de volkstelling weer op los-
se schroeven gezet, want dat was twaalt jaar later. Ln wie
uitgaat van de volkstelling, heen een historisch probleem
met de ster van Betlehem. Vat de meeste geleerden hierbij
vergeten, is dat zij bij het zoeken naar de historische waar-
heid en passant het wonder uit het verhaal wegsnijden. Als
die ster van Betlehem een toevallige conjunctie van drie
planeten was, hebben we hier dus niet te maken met een
goddelijk teken, iets wonderlijks, maar gewoon met iets
wat wel vaker voorkomt. Ln dan zou er in het Lvangelie
dus eigenlijk niets bijzonders staan.
Ve zien dat alle pogingen de verhalen, ot elementen
daaruit, te historiseren eindeloze verwarring met zich
meebrengen. Als we ons richten op de boodschap van het
verhaal, bestaat dit probleem natuurlijk niet meer. Ve
lezen dat de Nessias in Betlehem geboren wordt en dat
er dan een bijzondere ster aan de hemel staat. Vervolgens
vragen we ons at wat dit mythische verhaal ons wil zeg-
gen. Ve weten dan innerlijk dat vragen naar de histori-
sche teiten achter deze mythe zinloos is. Om duidelijk te
maken hoe belachelijk dat eigenlijk is, nemen we het voor-
beeld van het sprookje van Roodkapje en de wolt. Ook dat
is in de grond natuurlijk een mythe, een verhaal dat ons
een wezenlijke waarheid wil overbrengen. Nu zouden we
ons bij dit verhaal kunnen atvragen: Vat voor wolt was
dat dan, die kon praten: Ve kunnen stellen dat wolven
74 CHRISTENDOM EN JOODSE MYSTIEK
niet kunnen praten, maar zouden wel kunnen zoeken naar
wolvensoorten die toch iets meer geluiden maken dan an-
dere. Ln zo voort. Veg ermee: in sprookjes kunnen wolven
praten, en daarmee uit. De enige vraag moet zijn: wat wil
ons dat zeggen:
2o is Jezus in het Nieuwe 1estament de zoon van Jozet
en de zoon van David. Naar tegelijkertijd is er sprake van
een maagdelijke geboorte. Het heen zin ons at te vragen
wat deze constatering in symbolische zin wil uitdrukken.
Ln alleen dat heen zin, want zodra we ons atvragen hoe
het historisch zat, zijn we weer bezig met het vergiet: als
er sprake is van een maagdelijke geboorte, dan is Jezus dus
geen zoon van David en Jozet, dus klopt het verhaal niet.
Naar als Jezus wel een zoon van Jozet was, dan is er dus
geen sprake geweest van een maagdelijke geboorte. Het
klopt dus nooit.
Verkelijk overal in de Bijbel schreeuwt het verhaal ons
als het ware toe: Let op de boodschap! Vant in alle ver-
halen, werkelijk in alle, stoten we op aspecten die voor de
ratio, voor de geschiedschrijving onmogelijk zijn. 2o lezen
we in Genesis dat Adam en Lva twee zonen krijgen: Kaïn
en Abel. Uit hen komt de rest van de mensheid voort.
Naar hoe kan dat, een nageslacht uit twee mannen: Nen
zou kunnen zeggen: er waren wel vrouwen, maar daarover
wordt in de Bijbel niets gezegd. Dat kan zo zijn, maar mij
valt op dat strenge gelovigen zich vaak juist verzeuen te-
gen het aannemen van iets wat er niet leuerlijk staat. Lr
kan geen twijtel over bestaan dat het verhaal van Adam en
73 BETLEHEM
Lva, van Kaïn en Abel als voorvaderen van het mensenge-
slacht, symbolisch moet worden opgevat.
Len ander voorbeeld: in het verhaal van de ark van No-
ach lezen we dat er van alle reine dieren zeven paar in de
boot meereisden, en van alle onreine dieren één paar. Ve
zouden ons de vraag kunnen stellen: wat hebben die die-
ren onderweg gegeten: Dieren eten toch elkaar: Dus dan
moeten er veel meer dieren meegegaan zijn, om als voedsel
voor die andere dieren te dienen. Nu kan men zeggen: ge-
schrokken van de zondvloed zullen ze wel niet zo’n honger
gehad hebben. Naar dat lijkt niet waarschijnlijk. Boven-
dien, hoe zit het met de vissen: hoe konden die in de ark
overleven: In aparte aquaria: Nen kan zeggen: Nee, die
vissen bleven natuurlijk gewoon in de oceaan. Ja, maar er
staat toch in Genesis ;:a dat Noach ale dieren moest mee-
nemen: Historisch komen we er in ieder geval niet uit.
Op deze manier redenerend moeten we dan inderdaad
concluderen dat Jezus wist waar de paaltjes stonden toen
hij over het water liep, en dat het vanwege het perspec-
tiet, ot de mist, ot de val van het zonlicht leek ot hij over
het water liep. In de poging om de wereld van de mythe te
protaneren en binnen de kaders van onze werkelijkheid en
onze menselijke maatstaven te trekken, vermoorden we
het verhaal.
Dat laatste gebeurt ook bij diverse verklaringen die we
wel horen over de zogenaamde wonderbaarlijke brood-
vermenigvuldiging. Het verhaal zoals we het lezen, vertelt
van een wonder. Vie echter zogenaamd ‘recht in de leer’
is, wil laten zien dat het verhaal niet zomaar verzonnen
76 CHRISTENDOM EN JOODSE MYSTIEK
is, dat er historisch toch wel iets in zit. Dan komt men tot
de volgende ‘verklaring’: Vaarschijnlijk is het zo, dat toen
Jezus zijn brood begon te delen, al die mensen daaraan
een voorbeeld namen en allemaal het brood begonnen te
delen dat zij zelt van huis hadden meegenomen. Ln aan
het einde bleek er dan nog ruim genoeg over te zijn. Het
lijkt mooi, zo’n verklaring, maar in teite is hier de diepe
mythische waarheid vermoord. Vant als je het zo uitlegt,
is er dus in teite niets bijzonders gebeurd, het mysterie is
weg. 2o opgevat is de moraal van het verhaal: als je gaat
picknicken, neem voldoende brood mee, want dan kan je
eerlijk delen. Naar een verhaal met die boodschap is niet
langer een mededeling van God.
Vat de historische werkelijkheid is geweest, is niet zo
belangrijk. Ve nemen ze zoals ze hier in de mythe zijn be-
schreven. Op dezeltde manier moet men de tradities van
Betlehem opvauen, zoals hier verteld.
Jc (psta·ó:·¡

iDr r× Nirivr 1rs+.:r×+ zijn onverbreke-
lijk met elkaar verbonden. Dat is één van de be-
langrijke aspecten van het denken van Veinreb.
Hij legt uit dat ook het Nieuwe 1estament goddelijk ge-
inspireerd is, en ten diepste begrepen kan worden als we
deze tekst lezen in het licht van oude wijsheid, die haar
beslag heen gekregen in de joodse traditie.
Len sprekend voorbeeld hiervan is een centraal begrip
in het Nieuwe, alsook in het Oude 1estament – de opstan-
ding. In het Lvangelie van Narcus, hootdstuk ·e:·-s, vin-
den we het verhaal van de opstanding van Christus. Het
is de moeite waard om die tekst eens heel nauwkeurig te
lezen, met aandacht voor alle, schijnbaar onbelangrijke
details. Dan zullen we zien dat de tekst een diepte bevat
die velen er niet in vermoed zullen hebben. Het eerste vers
van deze passage luidt als volgt:
Ln toen de sabbat voorbij was, kochten Naria Nagdalena,
Naria de moeder van Jacobus en Salome specerijen om
Hem te gaan zalven. (Marcus ·e:·)
Het verhaal begint direct met een opmerking waarvan de
meesten geneigd zullen zijn er overheen te lezen, als een
soort marginale mededeling, eerder bedoeld als een lite-
rair stijlmiddel, misschien om het verhaal een beetje mooi
te beginnen. Bijna terloops staat er Toen de sabbat voorbij
was. 1och is die mededeling wat minder gewoon dan het
O
80 CHRISTENDOM EN JOODSE MYSTIEK
lijkt. Jezus werd gekruisigd en ook begraven op vrijdag, de
zesde dag van de week. Daarna volgt de sabbat. Nu speelt
het verhaal in Narcus kennelijk op de dag na de sabbat,
dat is daarmee dus zogezegd op de ‘achtste’ dag. De drie
genoemde vrouwen gaan op die achtste dag naar het grat
om het lichaam te zalven.
Het teit dat het hier om de achtste dag gaat, is wel van
tundamenteel belang. In Veinrebs uiteenzeuing van het
scheppingsverhaal wordt duidelijk dat er zes scheppings-
dagen zijn, zes dagen waarop het geheel van de kosmos tot
stand komt. Van al die zes dagen wordt gezegd Het werd
avond en het werd morgen, zodat in het Bijbelverhaal al deze
dagen expliciet worden atgesloten. Van de dag die daarna
komt, de zevende dag, wordt dit in de Bijbeltekst niet ge-
zegd. Deze zevende dag wordt daarmee als het ware niet
atgesloten. In zekere zin kunnen we zeggen dat deze dag
dus voortduurt tot op heden. Ons leven in deze wereld
vindt als het ware plaats in de zevende dag. Vanneer we
denken over ot verlangen naar de verlossing, naar de Ko-
mende Vereld ot het Koninkrijk Gods, dan spreken we
aldus van een periode die na de zevende dag aanbreekt.
Dat is dus in teite de achtste dag, de dag waarop de daad-
werkelijke verlossing plaatsvindt. Op deze manier opgevat
is het moment van de overgang van de zevende naar de
achtste dag dus een heel speciaal moment; het is het aan-
breken van de nieuwe hemel en de nieuwe aarde, zoals Jesaja
zegt (Jes. ee:aa).
Als in Narcus ·e:· dus schijnbaar terloops wordt ver-
meld dat het nu komende verhaal plaatsvindt op de dag
81 DE OPSTANDING
na de sabbat, wordt daarmee iets heel wezenlijks verteld:
het verhaal zoals we dat gaan lezen, vertelt iets over het
karakter van de achtste dag, de Komende Vereld, zoals de
joden het noemen, ot het Koninkrijk Gods.
Nu we begrijpen op welke manier we de tekst van het
Nieuwe 1estament aandachtig kunnen lezen, valt ons nog
meer op. In ditzeltde eerste vers wordt namelijk gezegd
dat de vrouwen specerijen kochten om Christus te gaan
zalven. Ook dit begrip ‘zalven’ is niet willekeurig. Het gaat
hier niet slechts om een gebruik, iets wat we met doden nu
eenmaal doen. Ln het verhaal wil ons helemaal niet vertel-
len dat de vrouwen zich, zoals het hoorde, keurig aan dit
gebruik hielden. Nee, het gaat zeker veel verder en dieper.
Het zalven geschiedt door middel van olie, in het He-
breeuws ןמֶ שֶׁ shemen ,oo-¡o-,o. De totale getalswaarde
van het begrip ‘olie’ is dus ,¸o. Ook dat is niet zomaar een
getal, want via de getalswaarde blijkt het begrip ‘olie’ direct
verband te houden met het begrip ‘hemel’ , םיִ מַ שָׁ shamayim
,oo-¡o-·o-¡o, dat eveneens een totale getalswaarde van
,¸o heen.
Het verband tussen ‘olie’ en ‘hemel’ , dat zich nu vanuit
de getalswaarden aan ons opdringt, blijkt ook nog uit iets
anders. De tunctie van het zalven, zoals we dat uit het Oude
1estament kennen, is dat er een intieme relatie ontstaat
tussen God en degene die gezaltd wordt. 2o worden bij-
voorbeeld de Bijbelse koningen gezaltd, en daarmee wordt
hun aparte positie gemarkeerd; zij staan in een directe re-
latie tot God. Door de zalving wordt de koning onschend-
baar en raakt hij beginigd ‘met de Geest des Heren’ , zoals
82 CHRISTENDOM EN JOODSE MYSTIEK
het bijvoorbeeld beschreven staat in ·Sam. ·e:·,, waar de
proteet Samuël de zalving toebrengt aan David. In onze
dagen kennen wij nog steeds de uitdrukking ‘koning(in)
bij de gratie Gods’. Ook daarmee wordt in teite uitgedrukt
dat de vorst in een bijzondere relatie tot God staat.
Omdat in het Oude 1estament een koning van Israël
gezaltd werd, is daarmee de figuur van de Verlosser, die
eigenlijk ook koning van Israël is, eveneens een gezaltde.
Het woord voor ‘zalven’ is in het Hebreeuws חשַׁ מָ mashach
¡o-,oo-s. Van dit werkwoord is weer het begrip ‘gezaltde’
atgeleid, חַ ישִׁ מָ mashiach ¡o-,oo-·o-s. Dit van oorsprong
Hebreeuwse woord is via het Aramese אחָ ישִׁ מְ meshicha
in het Grieks als Μεσσίας Messias terechtgekomen. Ln in
het Nieuwe 1estament, dat in het Grieks geschreven is,
komen we dan ook de figuur van de Nessias tegen als de
Verlosser, de Gezaltde. Omdat het Griekse woord Messias
aan het Aramees is ontleend, betekent het in het Grieks
niet direct iets; het is immers geen Grieks woord. Daarom
heen men al spoedig de behoene gevoeld om het begrip
Messias ook met een echt Grieks woord te vertalen. ‘Ge-
zaltd’ vertaald in het Grieks is χριστός christos. Ln daarvan
komt dan weer het begrip ὁ Χριστός ho Christos, ‘de Gezalt-
de’ , de naam die de Verlosser draagt, omdat Hij als koning
van Israël gezaltd is. Vervolgens hebben we in het Neder-
lands dit Griekse woord weer overgenomen als ‘Christus’
ot ‘de Christus’ .
In het eerste vers van Narcus ·e lazen we dus dat de
vrouwen op de dag na de sabbat, op de achtste dag, spece-
rijen kopen om Christus te gaan zalven. Ve zagen al dat
83 DE OPSTANDING
het begrip ‘olie’ direct verband houdt met het begrip ‘he-
mel’ , zoals de komst van de Gezaltde het Koninkrijk van
de Hemel aankondigt. Dat moge al verbluffend zijn. Vie
had gedacht dat in zo’n eenvoudig zinnetje al zoveel aan
diepzinnigs is te vinden, als we maar weten hoe we moe-
ten lezen: Ln toch is dit nog niet alles. Ook hier wijst de
Hebreeuwse taal ons weer de weg. Het begrip ‘olie’ , in het
Hebreeuws shemen, blijkt – tot onze stomme verbazing –
opgebouwd te zijn uit precies dezeltde medeklinkers als
het Hebreeuwse telwoord ‘acht’ , הנֶ מֹ שְׁ shemone ,oo-¡o-
,o-,. 2o blijkt alles in het Hebreeuws met een onvoorstel-
bare precisie samen te hangen: het ‘zalven’ gebeurt met
‘olie’ en ‘olie’ hangt samen met ‘acht’ . Bij het aanbreken van
de ‘achtste’ dag begint de verlossing met de komst van de
‘Gezaltde’ , die het ‘Koninkrijk van de Hemel’ inluidt. Ln
‘hemel’ hangt weer direct samen met ‘olie’ .
Het is dus dit hele complex dat ons wordt medegedeeld
in dat schijnbaar eenvoudige eerste zinnetje van het ·ee
hootdstuk van Narcus.
Ln toch bevat ditzeltde vers nog meer aan diepte. Lr
wordt verteld dat de vrouwen ten behoeve van het ver-
vaardigen van de zalt diverse specerijen gaan kopen. Ook
dit is niet zomaar een terloopse opmerking, maar een zin-
volle mededeling uit het oude weten. In het Hebreeuws
worden ‘specerijen’ aangeduid met het woord םימִ שָׂ בְּ be-
samim a-,oo-¡o-·o-¡o en dat zijn precies dezeltde leuers
ot bouwstenen als van het woord םיִ מַ שָּׁ בַּ ba-shamayim ‘in
de hemel’ . Specerijen verwijzen dus naar de hemel. Het be-
grip ‘geur’ is חַ ירֵ reach aoo-·o-s, een woord dat in het He-
84 CHRISTENDOM EN JOODSE MYSTIEK
breeuws duidelijk verwant is aan חַ ור ruach aoo-e-s ‘wind,
adem, geest’ . Geur is onzichtbaar, niet tastbaar ot voelbaar,
maar je kunt het wel ervaren. Ook daarmee zijn de spece-
rijen dus weer een directe verwijzing naar de achtste dag,
de dag van de uit de tweeheid verloste mens en wereld.
Nen kan de geur van die achtste dag als het ware al rui-
ken, alhoewel we weten dat die dag in het concrete, in het
materiële, nog niet is aangebroken. Ruiken ook in de zin
dat het reeds in je innerlijk, in je geest leen; het is een in-
nerlijke zekerheid dat het komt.
Het jodendom kent nog het gebruik om op het einde
van de sabbat iets aangenaams te ruiken. Nen steekt een
gevlochten kaars aan, dan ruikt men aan de specerijen en
wordt er een zegen over de wijn uitgesproken. Lr is een
mooi chassidisch verhaal waarin het verband tussen de
verlossing en het begrip ‘geur’ duidelijk wordt gelegd.
Lr was nog niet zo lang geleden een joodse wijze, die de Ge-
zaltde iedere dag verwachue. Deze verwachting leetde zo
sterk in hem, dat hij zelts in een hoek van zijn kamer een
stok had staan, die hij dadelijk kon grijpen, als het bericht
hem zou bereiken dat de 2oon van David verschenen was
om de wereld te verlossen. Dan wilde hij zich onmiddellijk
naar 2ion begeven, want daar leidt de weg toch heen, als de
Noshiach in deze wereld verschijnt.
Op een dag weergalmde de kreet in het stadje: ‘De
Nessias is gekomen, de Nessias is er!’ Groot tumult en
geschreeuw. Nen haast zich ook naar de wijze om hem te
vertellen dat Hij verschenen is. De wijze kijkt verheugd op,
gaat naar het raam, doet het open en ademt de lucht diep
in. Vervolgens keert hij naar zijn kamer terug met een ge-
zicht dat even vriendelijk is als altijd en zegt: ‘Het is niets,
83 DE OPSTANDING
kinderen; de lucht is nog net eender. Lr is niets veranderd in
de wereld.’ Hij doet het raam dicht en gaat weer achter zijn
tolianten ziuen. Ln hij wacht tot de grote ommekeer zich
werkelijk in de wereld zal voltrekken, waarbij ook de lucht
die wij inademen heel anders zal worden.
(Veinreb, Ontmoetingen i, ·s)
Ve zien dat de specerijen die de vrouwen op de dag na de
sabbat, op de ‘achtste’ dag, gaan kopen om de zaltolie te
bereiden, beslist niet zonder reden worden genoemd. Het
is een verdere verwijzing naar de verlossing die bij het aan-
breken van de achtste dag plaatsvindt.
Ln zeer vroeg op de eerste dag van de week gingen zij naar
het grat, toen de zon opging. Ln zij zeiden tot elkaar: ‘Vie
zal ons de steen atwentelen van de ingang van het grat :’ Ln
toen zij opzagen, aanschouwden zij dat de steen atgewen-
teld was; want hij was zeer groot. (Marcus ·e:a–¡)
Bij aankomst bij het grat zien de vrouwen tot hun niet ge-
ringe verbazing dat de steen die de ingang naar het grat
bedekte, was weggerold.
Niemand heen die steen weggehaald; hij is ineens weg.
Lr is dus een nieuwe situatie: waar men een schier onover-
komelijk obstakel verwachue, blijkt nu ineens geen belet-
sel te zijn. Ineens ziet men een nieuwe wereld. Het nieuwe
is er, omdat de steen weg is. Bij een zware steen denken we
als vanzelt aan de planeet Saturnus. In de astrologie wordt
deze planeet geassocieerd met alle beletselen, moeilijkhe-
den die op onze weg liggen: het gaat niet, er is geen door-
gang, we kunnen niet verder. Saturnus wordt dan ook vaak
‘de wachter op de drempel’ genoemd. In de systematiek
van de planeten is Saturnus de laatste van de zogenaamde
86 CHRISTENDOM EN JOODSE MYSTIEK
‘stotplaneten’ , de planeten die over het gewone, materiële
heersen. Daarvoorbij ligt het gebied van het mysterie ot
het verborgene. In analogie kunnen we zeggen, dat als deze
wereld van de zevende dag voorbij is en tegenstellingen als
mannelijk–vrouwelijk ot wezen–vorm weer tot een een-
heid zijn gekomen, de steen als vanzelt voor het grat weg-
rolt en wij een nieuwe wereld kunnen betreden. Dit geldt
voor iedere mens, waar ook ter wereld en op elk denkbaar
moment.
Het verhaal van het wegrollen van de steen voor het grat
lijkt misschien vanzeltsprekend, maar dat is het niet zon-
der meer. In vers s van ons hootdstuk uit Narcus wordt
verteld dat de vrouwen sidderen van angst. Doordat ze het
eigenlijk niet kunnen geloven, zijn ze bevreesd: Dat kán
toch niet! Het is belangrijk te beseffen waar het wegrollen
van de steen voor staat. Dit is een metatoor voor de ver-
lossing, het opheffen van alle tegenstellingen, het verdwij-
nen van alle beletselen en vervolgens het betreden van de
Nieuwe Vereld. Voor wie echter niet verlost is, voor wie
die eenheid niet ziet, ligt de steen er nog steeds. Dan is de
toegang nog altijd gesloten. Het is zo makkelijk gezegd: ‘Ik
ben verlost’ , maar het moet geleetd worden.
Vaaruit bestaat nu eigenlijk het voorbehoud dat hier
wordt gemaakt: Lnerzijds is voor mensen die leven in
onze concrete werkelijkheid, de wereld van tijd en ruimte,
het grat een definitiet eindpunt, bekeken vanuit onze kant
van de werkelijkheid: die arme man ot vrouw ligt nu in het
grat, hij ot zij slaapt de eeuwige slaap, men ruste in vrede.
Volgens deze denkwijze zien we causaal het ene ding na
87 DE OPSTANDING
het andere verschijnen en iets anders is voor de rationeel
en logisch denkende mens niet voor te stellen. Iemand is ót
dood ót levend; tegelijk kan niet, en de dood is een einde.
Iedere gedachte aan opstanding is ons vreemd, omdat wij
min ot meer gevangen leven in de wetmatigheid.
Naar voorbij de concrete wereld van de wetmatigheid
kan er sprake zijn van èn – èn, in plaats van ót – ót. De
tegendelen sluiten elkaar niet langer uit. Dit is duidelijk te
maken aan de hand van het beeld van de 1ora-rol. Voor
ons bewustzijn spelen gebeurtenissen zich in de tijd na el-
kaar at: eerst komt dit, dan dat. Ln als het latere komt, is
het eerdere al weer voorbij, en het toekomstige is er nog
helemaal niet. Bezien vanuit die andere wereld, hoen dit
niet zo te zijn. Vanneer we een 1ora-rol lezen, kunnen we
enerzijds zeggen dat de plaats waar die open ligt, overeen-
komt met het heden. Aan de ene kant zit het gedeelte op-
gerold dat we al gelezen hebben: het verleden. Aan de an-
dere kant ligt, nog opgerold, het gedeelte dat nog moet ko-
men: de toekomst. Vanuit een andere kant bekeken echter
vormt de 1ora-rol als geheel natuurlijk het hele verhaal in
één, waarin verleden, heden en toekomst alle tegelijkertijd
aanwezig zijn en bestaan. Ve kunnen de rol dus beschou-
wen vanuit de optiek van het 2ijn: de rol is er als geheel en
bevat alle zijnstoestanden in één, tegelijkertijd. Anderzijds
kunnen we de rol lezen vanuit de optiek van het Vorden:
als proces, kolom voor kolom, wikkelen we het verhaal at,
waarbij het ene zich aan ons voordoet ná het andere, zoals
ons eigen leven zich ontrolt in de tijd.
88 CHRISTENDOM EN JOODSE MYSTIEK
Hetzeltde begrip van de tijdloze eenheid, waarin de te-
genstellingen zijn opgeheven, wordt op een andere manier
uitgedrukt in het begrip ‘steen’ , zoals we dat bij Narcus al
tegenkwamen. In het Hebreeuws is het woord voor ‘steen’
ןבֶ אֶ

even ·-a-,o. Heel opmerkelijk is dat dit woord be-
schouwd kan worden als opgebouwd uit twee elementen:
vader en zoon. ‘Vader’ in het Hebreeuws is בא

av ·-a en
‘zoon’ luidt ןבֵּ ben a-,o. Vader en zoon zijn twee figuren die
samen een ontwikkeling in de tijd aangeven: eerst komt lo-
gischerwijs de vader, daarna de zoon. Andersom kan niet,
er is een vaste ontwikkeling. De vader geldt als uitgangs-
punt, en in het proces van het worden is de tase van de
zoon nog helemaal niet gekomen. Nen zou kunnen zeg-
gen: de vader bouwt zich in de zoon. Ln daarop wijst het
Hebreeuws weer, doordat het woord voor ‘zoon’ dezeltde
elementen bevat als het begrip ‘bouwen’: הנָ בָּ bana a-,o-,.
2o bezien zijn vader en zoon gescheiden, zij verschijnen
na elkaar in de tijd. Naar daar waar de eenheid van de te-
gendelen wordt gezien, daar waar sprake is van een tijd-
loos één-zijn, vormen vader en zoon een eenheid; 2ijn en
Vorden zijn hier samengevallen. Ln dat wordt dus sym-
bolisch uitgedrukt in het Hebreeuwse begrip voor ‘steen’ .
Vie aldus niet de eenheid waarneemt tussen 2ijn en
Vorden, tussen ‘vader’ en ‘zoon’ , heen geen toegang tot het
grat, die Nieuwe Vereld waarin sprake is van een opstan-
ding; dan blijn de steen in de weg liggen. Het is de eenheid
van vorm en wezen, van deze wereld en de wereld waarin
we wortelen. De 1ora is één, maar in de tijd ontrolt zij zich
als proces.
89 DE OPSTANDING
Ln toen zij in het grat gegaan waren, zagen zij een jonge-
ling ziuen aan de rechterzijde, bekleed met een wit gewaad,
en ontsteltenis beving hen. Hij zei tot hen: ‘Veest niet ont-
steld. Jezus zoekt gij, de Nazarener, de gekruisigde. Hij is
opgewekt, Hij is hier niet; zie de plaats waar zij Hem gelegd
hadden. Naar gaat heen, zegt zijn discipelen en Petrus, dat
Hij u voorgaat naar Galilea; daar zult ge Hem zien, zoals Hij
u gezegd heen.’ (Marcus ·e:,–;)
In het grat is een jongeling in een wit gewaad. ‘Jongeling’ is
in het Hebreeuws רעַ נַ na

ar ,o-;o-aoo, waarin we dezeltde
leuers herkennen als in het werkwoord רוענֵ ne

or ,o-;o-
e-aoo ‘gewekt worden, ontwaken’ . Len jongeling is in teite
dus iemand die gewekt is, wakker is. In het Sanskrit en het
Pali, heilige talen uit India, heet dit een buddha. Nu wordt
duidelijk dat met het begrip ‘jongeling’ niet iets wordt be-
doeld met leenijd, maar dat het hier een persoon betren
die wakker is, opgewekt. Dat wil zeggen: uit de tijd opge-
wekt tot eeuwigheid. Hij beleen al het tijdelijke en geniet
ervan als komende uit de eeuwigheid. Hij besen dat wat
hij hier meemaakt, hem uit een andere wereld toekomt, en
daarmee ervaart hij beide werkelijkheden als een éénheid.
De jongeling ontwaart in alles wat in de tijd verschijnt, het
verborgene. In het Oude 1estament wordt de figuur van
Jozua – een naam die overeenkomt met Jezus – de na

ar
van Nozes genoemd, de op-gewekte van Nozes genoemd:
door Nozes is het woord voortgekomen en Jozua is door
het woord gewekt. Ve moeten beseffen dat eenieder van
ons juist in deze wereld opgewekt kan worden.
Van de jongeling wordt in deze tekst bij Narcus nog
meer gezegd. Hij zit ‘aan de rechterzijde’ en is ‘bekleed met
90 CHRISTENDOM EN JOODSE MYSTIEK
een wit gewaad’ . Opnieuw geldt dat dit geen willekeurige
literaire details zijn, om het verhaal wat aan te kleden. Ook
hier gaat het weer om veel diepere mededelingen. In de
symboliek van de oudheid wordt de rechterzijde in ver-
band gebracht met het wezen en de kern van de dingen,
terwijl de linkerkant staat voor de omhulling ervan. Ve
kennen bijvoorbeeld ook de uitdrukking ‘ziel en lichaam’ ,
waarbij de ziel in de systematiek rechts wordt geplaatst en
het lichaam aan de linkerkant hoort. In het Hebreeuws
weerspiegelt zich iets van deze indeling in de uitdrukking
voor ‘kleed, omhulling’ , הלָ מְ שִׂ simla ,oo-¡o-,o-,, dat van
dezeltde wortel is als het woord voor ‘links’ , לאמֺ שְׂ semol
,oo-¡o-·-,o.
De mededeling over het wiue gewaad is al even duide-
lijk als die over de rechterkant. Het begrip ‘wit’ staat voor
de eenheid en harmonie van alle kleuren; het is het wit
van het ongebroken licht zoals we dat zien in het prisma.
Lnerzijds hebben we het ongebroken, wiue ot kleurloze
licht, dat door het prisma uiteenvalt in een veelvoud van
kleuren. Het spectrum aan kleuren dat samenkomt in
het allesomvauende wit, staat dus symbool voor de veel-
heid in deze wereld, die één moet worden. In het symbool
van de veelheid aan kleuren die in het ongebroken wiue
licht weer een eenheid vormen, zien we de mens die de
allesomvauende, goddelijke eenheid van onze werkelijk-
heid ervaart.
Dan zegt de jongeling tegen de vrouwen: ‘Jullie zoeken
Jezus, maar hij is hier niet’ ot, zoals het in het Lvangelie van
Lucas staat: ‘Vaarom zoekt gij de levende bij de doden:’
91 DE OPSTANDING
(Lucas a¡:,). In teite zegt die jongeling: denken jullie dat
als een mens eenmaal dood is, er daarna niets meer is en
dat dit niet-meer-zijn eindeloos verder gaat: Denken jullie
soms: eenmaal dood is voor altijd dood, zoals het er vanuit
onze concrete wereld misschien uitziet: Ln verder wil hij
hiermee zeggen: vertel dan van het wonder, verkondig dat
hij niet in het grat is en jullie voorgaat naar Galilea.
Dit begrip ‘Galilea’ is een centraal begrip in het gehele
Nieuwe 1estament. De figuur van Jezus is atkomstig uit
Nazaret, dat in het noorden, in de provincie Galilea ligt.
Naar wij zouden ons vergissen als we deze mededelin-
gen weer zouden opvauen als een stuk geografische in-
tormatie. Alweer geldt, dat het om iets veel diepers gaat.
Het Hebreeuwse woord voor ‘Galilea’ , לילִ גָּ galil ,-,o-·o-,o,
heen als wortel לגַּ gal ,-,o, wat ‘golt ’ betekent. Het is de
golt van water, die door de tijd gaat. ‘Galilea’ is daarmee
symbool voor de wereld van het ‘water’ , voor de wereld die
hier verschijnt: onze concrete wereld, waarin de mens in
teite in ballingschap is. Niet toevallig is het Hebreeuwse
woord voor ‘ballingschap’ הלָ גֹּ gola ,-,o-,. In dit woord
herkennen we weer deze kern van לג ,-,o. In het Nieuwe
1estament lezen we dat de Verlosser verschijnt in Galilea,
in de ballingschap, en dat daarmee de verlossing begint.
Deze hele idee wordt op verbluffende wijze uitgedrukt in
het Hebreeuws: als wij het woord ‘ballingschap’ הלָ גֹּ gola
,-,o-, nemen en wij plaatsen daar de leuer א

alef in, welke
symbool staat voor het goddelijke, voor de Lén, dan krij-
gen we in het Hebreeuws het woord הלָּ אֻ גְּ ge

ula ,-·-,o-,
‘verlossing’ . Net het verhaal dat Christus verschijnt in Ga-
92 CHRISTENDOM EN JOODSE MYSTIEK
lilea wordt dus, als we dieper kijken, iets heel wezenlijks
meegedeeld: zodra het goddelijke zich in de ballingschap
manitesteert, begint de verlossing. Hetzeltde principe kun-
nen we ook duidelijk maken op een andere manier. Als we
nu de kern van het woord ‘Galilea’ nemen, לג ,-,o, en we
zeuen daar de א

alef in het midden, krijgen we het woord
לאֵ גֹּ go

el ,-·-,o. Ln dat betekent ‘Verlosser’ .
De kern van ‘Galilea’ is dus לג ,-,o, wat opgeteld ,, is.
Nu zien we plotseling dat hier de symboliek nog niet op-
houdt. Vant duidelijk wordt in het Lvangelie verteld dat
Christus ,o jaar is als Hij begint te preken en dat Hij dit
drie jaar doet voordat Hij gekruisigd wordt. Op het mo-
ment van de opstanding is Christus dus precies ,, jaar, wat
weer overeenkomt met dit begrip van ‘Galilea’ , het ver-
schijnen van de Verlosser in de ballingschap.
De jongeling roept de vrouwen bij het grat op om aan
de discipelen te verkondigen dat de Verlosser weer zal ver-
schijnen in Galilea. Ook hier is opnieuw sprake van een heel
compacte mededeling. De vrouwen staan in dit mythische
verhaal voor het vrouwelijke, alles wat concreet verschijnt
in deze wereld, dat meedeelt dat in Galilea – alweer: in
onze concrete wereld – de Verlosser zich zal tonen.
Galilea ligt in het noorden van Palestina. ‘Noorden’ is
in het Hebreeuws ןופצָ tsafon ¸o-so-e-,o. In de taal van de
symboliek staat het noorden voor het tijdelijke, het mate-
riële, dat wat weer verdwijnt, het komen-en-gaan in onze
wereld van de zevende dag. Aanvankelijk ziet de mens
slechts het concrete om zich heen, maar nu breekt er iets
geheel nieuws door. Nu, op het einde van de zevende dag,
93 DE OPSTANDING
manitesteert zich voor deze mens, die slechts het concrete
waarneemt, ook het verborgene, het geheim, dat daarvoor
verborgen was gebleven onder het water van de tijd. Pas
nu kan het zo zijn dat dit verborgene in de wereld kan ver-
schijnen; eerder ging dat niet.
Dit alles wordt verbeeld door Christus die is opgestaan
en zich in het noorden zal tonen. Ve zagen al dat dit na-
tuurlijk niet in geografische zin moet worden opgevat,
maar in de zin van dat nu het wezenlijke zich in de tijd
laat zien. Nen neemt in deze wereld dus de eerste teke-
nen van de verlossing waar. Het zien, het ontwaren, druk-
ken we uit in het Hebreeuws met het woord הפָ צָ tsafa
¸o-so-,. Nen ziet (tsafa) dat het eeuwige verschijnt in het
tijdelijke (tsafon).
Het zal duidelijk geworden zijn, dat het verhaal dat hier
in het Nieuwe 1estament verteld wordt, in diepste zin
een mededeling is voor alle mensen, waar ook ter wereld,
en dat het niet een speciale belone is voor een specifieke
groep van christenen, aan wie dit boek zou toebehoren.
Hier wordt het universele verhaal van de Verlossing ver-
teld, los van de historische context waarin het verhaal nu
eenmaal zijn vorm heen gekregen. De verlossing is voor
iedereen; iedere mens is gelijkwaardig en iedereen beleen
deze verlossing op de manier die hem ot haar eigen is, zoals
we ook allemaal een eigen vingeratdruk ot een eigen ho-
roscoop hebben. De doorbraak is er voor iedereen.
Het wonder van de verlossing is dat twee werelden, die
tevoren gescheiden waren, nu één worden. De ons omrin-
gende, concrete wereld wordt één met die andere, godde-
94 CHRISTENDOM EN JOODSE MYSTIEK
lijke wereld, waarin wij wortelen. In de stromende tijd, in
de concrete wereld, zien wij nu het eeuwige. Het is als het
beeld van de boom die aan de oever van de rivier staat.
Nu zien we de atspiegeling, de schaduw van de boom op
het water. De boom staat daarbij voor de 1ora en het vlie-
dende water voor onze vergankelijke wereld. Ln we beset-
ten dat beide één zijn. Heen het Hebreeuws niet voor het
woord םלָ וע

olam ;o-e-,o-¡o twee betekenissen: ‘wereld’
en ‘eeuwigheid’:

Het verhaal van de verlossing, zoals we dat hier besproken
hebben, speelt zich kosmisch gesproken at aan het begin
van de achtste dag. Dat is een toestand waarnaar wij op
weg zijn, het Belootde Land. Het betren hier een heel blij-
de boodschap die de mens krijgt aangekondigd.
Net ons bewustzijn dat wij in de zevende dag hebben,
kunnen wij ons absoluut geen voorstellingen maken hoe
die verlossing er concreet uit zal zien. Het gaat immers om
een ‘nieuwe hemel’ en een ‘nieuwe aarde’ . Aldus iets wat
wij nog helemaal niet kennen. Over het beeld van de jon-
geling die op-gewekt was, kunnen wij ons evenmin concrete
voorstellingen maken. Het verhaal moet dan ook helemaal
niet binnen onze wereld gehaald worden. Deze jongeling
is niet in deze wereld te zoeken, net zo min als we Rood-
kapje en de met haar sprekende wolt in deze wereld kun-
nen vinden. Ve zoeken toch ook niet naar het grat van
Sneeuwwitje: Vat voor de sprookjes geldt, geldt ook voor
93 DE OPSTANDING
de mythische mededelingen van de Bijbel: we moeten ze
niet historiseren en ons atvragen wat de historische wer-
kelijkheid erachter zou zijn. 2involler is het om het ver-
haal in al zijn kracht tot ons te laten spreken.
Vat voor het beeld van de jongeling geldt, moeten we
ook toepassen op de figuur van de Nessias. Ook deze figuur
moeten we ons niet concreet en materialistisch voorstel-
len in de zin van ‘wanneer komt Hij:’ ot ‘wanneer is Hij
gekomen:’ Ve spraken over de opstanding, maar hoe deze
vorm krijgt, kan niemand weten. Ve zagen een patroon,
in symbolen en structuren uitgedrukt, van de komende
wereld en de komende mens, maar we moeten vermijden
hiervan concrete beelden te maken naar de ons bekende,
natuurwetenschappelijke maatstaven van de zevende dag.
2odra we deze beelden te concreet maken, bestaat het ge-
vaar dat we die uiterlijke beelden belangrijk gaan vinden.
Ln we weten dat het verboden is beelden te aanbidden.
Laten we ons geen beelden maken over de opstanding der
doden; we moeten ons niets voorstellen in de zin van het
weer levend worden van lijken. Beelden maken heen geen
enkele zin.
De opstanding, de verlossing: het zijn allemaal univer-
sele thema’s die veel verder reiken dan we in eerste instan-
tie geneigd zijn te denken. Iedereen weet dat de mens in-
nerlijk en uiterlijk verandert in de verschillende tasen die
hij in de loop van zijn leven doormaakt. Veinreb vraagt
zich vaak at waar al die tasen blijven. Vaar bleet de tase
van het kind, de tase van de middelbare leenijd, de tase
van de jeugd: Hoe zag je eruit toen je vijnig jaar was: In
96 CHRISTENDOM EN JOODSE MYSTIEK
het eeuwige zijn al die tasen. Na de dood staat alles, alle
tasen, alle gedachten, alle gevoelens, alle verlangens die de
mens heen gehad, weer op. Alles wat we aan handelingen
hebben gedaan ot nagelaten: het ‘staat op’ en niets gaat ver-
loren als wij na de dood weer de goddelijke wereld van de
Lén betreden.
Alle tasen van het worden van de mens staan op; hij
wordt de mens van de achtste dag, die in twee werelden
tegelijk leen. Het is dus deze structuur die in het Nieu-
we 1estament wordt beschreven: als een toestand van de
achtste dag, de Komende Vereld. Dan vallen eeuwigheid
en tijdelijkheid samen. Dat wat wij nu nog na de dood er-
varen, wordt dan werkelijkheid.
Het antwoord op de vraag hoe dat alles eruit zal zien en
hoe dat alles zal gebeuren, is voor ons vooralsnog verbor-
gen. Ve kunnen ons daarover geen voorstellingen maken.
Naar het is reeds aangekondigd aan iedere mens, waar ook
ter wereld. Len blijde boodschap.
]ozua – ]czus

.××rrv vr i× Dr Lv.×oriiI× ir:r× over
de figuur van de ‘Gezaltde’ , denken we aan het-
zeltde begrip in het Hebreeuws: חַישִׁמָ mashiach
¡o-,oo-·o-s. In het Grieks, de taal waarin het Nieuwe 1es-
tament tot ons gekomen is, drukt men het begrip ‘gezaltd’
uit door middel van het woord χριστός christos. Vanneer
wij dus spreken over ‘Christus’ , bedoelen we ‘degene die ge-
zaltd is’ .
Laten we eens kijken wat dit begrip ‘gezaltd’ eigenlijk
inhoudt vanuit het Oude 1estament. Het Oude 1esta-
ment kent het gebruik van het zalven met olie van dingen
ot personen voor dagelijkse ot heilige doeleinden. De term
‘gezaltde’ wordt onder meer gebruikt voor de regerende ko-
ning van Israël ot Juda, ot voor een koning in het algemeen
wiens koningschap een aanvang neemt nadat deze het zal-
vingsritueel heen ondergaan. Door de zalving ontstaat er
een intieme relatie tussen God en koning; de koning wordt
onschendbaar en raakt beginigd met de Geest des Heren.
Ve zouden kunnen zeggen dat degene die gezaltd
wordt, door deze zalving ‘door de hemel omhuld’ wordt.
Hierop wijst het Hebreeuwse woord voor ‘zaltolie’ , ןמֶ שֶׁ
shemen ,oo-¡o-,o, dat namelijk een wonderlijk verband
blijkt te hebben met het Hebreeuwse begrip voor ‘hemel’ ,
םיִ מַ שָׁ shamayim ,oo-¡o-·o-¡o. Beide begrippen hebben
een totale getalswaarde van ,¸o. Ln in de joodse taalmys-
W
100 CHRISTENDOM EN JOODSE MYSTIEK
tiek duidt zoiets altijd op een dieper verband tussen beide
begrippen. De ‘gezaltde’ staat dus in direct verband met de
‘hemel’ , dat wil zeggen met God.
De figuur van de Gezaltde zoals wij die in het Nieu-
we 1estament tegenkomen, draagt de naam Ιησοῦς ‘Jezus’ .
Deze naam is een Griekse verbastering van de Hebreeuw-
se naam עַ ושׁיֵ Yeshua

ot עַ שֻׂ והיְ Yehoshua

uit het Oude 1es-
tament, die in onze vertalingen ‘Jozua’ wordt genoemd.
De Hebreeuwse naam Jehoshua heen als wortel het werk-
woord עשׁי ‘helpen, redden’ en zo wordt deze naam ver-
taald als: De Hrrv redt. Hij is de redding; Hij is het heil.
Ve zien de naam Jehoshua voor de eerste keer in het
Oude 1estament naar voren komen als de tocht door de
woestijn op weg naar het Belootde Land ten einde loopt.
Nozes, de leider van de tocht door de woestijn, geen om
zo te zeggen precies op het moment dat de tase van de
woestijntocht overgaat in het betreden van het Belootde
Land, het stokje over aan Jehoshua. Het is dus niet Nozes
die met de Israëlieten het Land betreedt, maar Jehoshua.
Net de naam van Jehoshua is nog iets merkwaardigs.
De Bijbel geen zeer nauwkeurig aan dat Jehoshua de zoon
van Nun is. Vaarom zou dat zijn: Ook dit is niet zomaar
een naam; het gaat hier immers om de Bijbel, het boek
dat haar wortels in de andere wereld heen. ‘Nun’ is de
naam die ook gedragen wordt door de leuer nun in het
Hebreeuwse altabet. Deze leuer heen de getalswaarde
,o. Het teit dat de Bijbel zo nadrukkelijk deze naam Nun
noemt, wil dus zeggen dat er met Jehosua iets speciaals is.

101 JOZUA–JEZUS
2oals we in Veinrebs De Bijbel als Schepping kunnen le-
zen, kunnen we onze wereld kenmerken als de wereld van
de zevende dag. Lens zal deze wereld voltooid zijn en komt
er een einde aan. Dit begrip van voltooiing drukken we in
de taalmystiek uit als een kwadraat. Vanneer de zevende
dag voltooid is, geven we dit aan door de ; met zichzelt
te vermenigvuldigen, als uiterste mogelijkheid van dit be-
grip ;. Het uiterste moment van deze zevende dag is dus
; × ; = ¡¸. Doordat Jehoshua vanwege zijn naam het stem-
pel van de ,o heen meegekregen, is hij degene die het volk
Israël begeleidt bij deze overgang van het einde van de ze-
vende dag naar het begin van de achtste, een geheel nieuwe
wereld.
Hiermee hangt nog een ander verbluffend teit direct
samen. Ln tevens blijkt daar wel uit dat deze namen en
getallen beslist niet willekeurig zijn. De laatste plaats waar
het volk Israël doorheentrekt voordat het daadwerkelijk
het Belootde Land betreedt, is het gebied dat in de Bijbel
‘Noab’ genoemd wordt. In het Nederlands, ot in welke
andere taal ook maar, zegt deze naam eigenlijk niets; een
landstreek moet nu eenmaal een naam hebben, zeggen we
dan. Naar als we eens aandachtig naar deze naam in het
Hebreeuws kijken, valt ons toch iets wonderbaarlijks op.
‘Noab’ wordt in Hebreeuwse leuers geschreven als באומ
mo

av ¡o-e-·-a, wat tesamen exact ¡¸ oplevert. Ln dat
getal is, niet toevallig, het laatste stadium vóór de ,o, het
moment dat onze wereld overgaat in het zogeheten Ko-
ninkrijk Gods ot de Komende Vereld. Vaar in het Bij-
belverhaal het land Noab dus het laatste stadium vóór
102 CHRISTENDOM EN JOODSE MYSTIEK
het Belootde Land is, drukt de naam Noab als ¡¸ in het
Hebreeuws precies hetzeltde uit: het is het laatste stadium
voordat met het getal ,o de verlossing uit deze wereld uit-
eindelijk aanbreekt.
Hoewel uit het voorgaande al duidelijk blijkt dat in de
Hebreeuwse namen een zeer exact verband wordt gelegd,
een hootdstructuur wordt aangegeven, is er nog meer
waarover wij ons kunnen verbazen. In het Hebreeuws
betekent ‘Nun’ ook ‘vis’ . Als Jozua dus ‘de zoon van Nun’
wordt genoemd, wil dit zeggen, dat hij ook de ‘zoon van de
vis’ is, dat hij gestempeld is met de eigenschap van de vis.
Ln juist dit beeld van ‘vis’ is in deze context ook allerminst
toevallig. Het is niet willekeurig dat Jezus vaak verzinne-
beeld wordt als een vis, in het Grieks ἰχθύς ichtys. Ook de
apostelen van Jezus worden in het Lvangelieverhaal als
vissers neergezet. Vat wil dat allemaal zeggen: Vaarom
dit beeld van vissen en vissers: In de joodse mystiek wordt
onze wereld gekarakteriseerd als een ‘waterwereld’ . Het
water, evenals de tijd, stroomt steeds verder en komt nooit
meer op dezeltde plaats terug. Het staat voor het voorbij-
gaande en vergankelijke karakter van onze eigen, concrete
wereld. Vij mensen, die in deze stromende waterwereld,
in de tijd leven, zijn daarmee te vergelijken met vissen. Vat
doet een visser: Die trekt als het ware de vis (de mens)
omhoog, uit de waterwereld, waarin hij gewend is te leven,
naar een andere wereld, onewel de Komende Vereld.
Nu begrijpen we ook beter waarom dit beeld van de vis-
sen net zo goed op Jozua in het Oude 1estament als op
Jezus in het Nieuwe 1estament van toepassing is. Vaar Jo-
103 JOZUA–JEZUS
zua het volk Israël overbrengt van deze naar de Komende
Vereld, zo wijst Jezus de mens de weg van deze wereld
naar het Koninkrijk Gods. Beide bijbelse figuren dragen
het begrip van de verlossing in zich.
Hiermee houden de structurele overeenkomsten tus-
sen de figuur van Jozua en Jezus nog niet op. In het Bijbel-
verhaal wordt verteld dat het volk Israël op zijn weg naar
het Belootde Land ¡a halteplaatsen kent. Jozua neemt de
leiding van Nozes over aan de oever van de Jordaan. Hij
is het die het volk over de rivier naar het Belootde Land
brengt. Bondiger getormuleerd: na ¡a halteplaatsen ver-
schijnt Jozua.
Dit getal ¡a speelt ook in het Nieuwe 1estament een
belangrijke rol met betrekking tot de figuur van Jezus. Di-
rect aan het begin van het Nieuwe 1estament, in het eer-
ste hootdstuk van het Lvangelie van Nauheus, wordt na-
drukkelijk uitgelegd dat Christus, geteld vanat Abraham,
precies het ¡ae geslacht is (Nau. ·:·;). 2oals Jozua na ¡a
tasen de verlossing inleidt, zo blijken er in het Nieuwe 1es-
tament ook eerst ¡a tasen te zijn alvorens Jezus de verlos-
sing inleidt. Op grond van het oude weten kan zo’n dui-
delijke structurele overeenkomst niet toevallig zijn. Net
Jozua begint de verlossing op hetzeltde punt als met het
optreden van Jezus.
Dit is één van de markantste voorbeelden van hoe het
oude weten zich op dezeltde wijze zowel in het Oude als
in het Nieuwe 1estament manitesteert. Het lijdt al met al
geen enkele twijtel, dat het Nieuwe 1estament overduide-
104 CHRISTENDOM EN JOODSE MYSTIEK
lijk zijn wortels in het Oude heen. Beide tradities zijn on-
verbrekelijk verbonden.

In het hootdstuk ‘Betlehem’ , eerder in dit boek, hebben we
gesproken over Jezus als de zoon van David en Jezus als
de zoon van Jozet. In het Nieuwe 1estament vinden we
in het Lvangelie van Nauheus ·:·–·; het geslachtsregister
van Jezus. In dit register is sprake van een zekere nadruk
op koning David uit het Oude 1estament. Daarmee wordt
aangegeven dat Jezus een zoon van David is. Dit begrip
‘zoon van David’ moeten we eens van dichterbij bekijken.
Aan het begin van het hootdstuk ‘Betlehem’ zijn we
ingegaan op de protetie dat de Nessias uit Betlehem, uit
het Huis van Juda, zal voortkomen. Het ‘Huis van Juda’
is een verwijzing naar de Davidische koningsdynastie. In
Nauheus ·:·; lezen we dat de lijn van Abraham tot David
veertien geslachten telt, van David tot aan de Babyloni-
sche ballingschap eveneens veertien geslachten en van de
Babylonische ballingschap tot aan Jezus het er nog eens
veertien zijn. Het gehele geslachtsregister telt dus totaal ¡a
generaties en de opsomming van deze geslachten gebeurt
in drie reeksen van veertien.
De naam ‘David’ wordt in het Hebreeuws gespeld als
דוִ דָּ ¡-e-¡, wat een totaalwaarde van ·¡ geen. Hiermee
lijkt wonderlijk genoeg precies overeen te komen, dat in
het genoemde geslachtsregister David het veertiende ge-
slacht is. Vat wil nu zeggen, dat de Nessias ‘de zoon van
103 JOZUA–JEZUS
David’ is: Vat betekent het begrip ‘zoon’ in dit verband:
Het Nieuwe 1estament spreekt van Jezus ook als ‘de zoon
van God’ en als ‘de zoon des Nensen’ . Het Hebreeuwse be-
grip ‘zoon’ drukt niet alleen een biologische zoon uit, maar
wordt ook gebruikt om een algemene relatie aan te geven.
‘2oon van…’ betekent dus eigenlijk: ‘iemand met de eigen-
schap …, met het stempel van …’ .
In zijn bespreking van het begrip ‘zoon’ denkt Veinreb
daarom niet aan een biologisch verwekte zoon, een mens
die naar de weuen van de natuur is ontvangen. Vat het
begrip ‘zoon’ in teite betekent, laat het Hebreeuws dui-
delijk zien als we het woord voor ‘zoon’ bekijken: ןבֵּ ben,
gespeld met de leuers bet-nun, a-,o. De structuur van dit
woord laat zien dat het getal a, dat voor de tweeheid ot du-
aliteit van onze schepping staat, verbonden is met het ge-
tal ,o, dat staat voor de Komende Vereld, een wereld die
voorbij onze huidige werkelijkheid ligt. Het Hebreeuwse
woord ‘zoon’ symboliseert dus een overgang van onze wer-
kelijkheid naar een Komende Vereld, een verloste wereld
die buiten onze werkelijkheid van tijd en ruimte ligt. Het
begrip ‘zoon’ bevat de belone van de verlossing.
Verder wijst Veinreb nog op de verwantschap van het
begrip ‘zoon’ met het Hebreeuwse werkwoord voor ‘bou-
wen’ , הנָ בָּ bana a-,o-,. Beide woorden hebben de structuur
a-,o gemeen. Het begrip ‘bouwen’ duidt aan, dat de wereld
van de schepping door God, de Vader, wordt gebracht van
de tweeheid naar de nieuwe, Komende Vereld, de wereld
van de ,o ot de achtste dag.

106 CHRISTENDOM EN JOODSE MYSTIEK
Het Hebreeuwse woord voor ‘vader’ is בא

av ·-a. Aan
deze getalsstructuur ·-a is at te lezen dat God als schep-
pende Vader (·) de schepping in het teken van tweeheid
(a) schept; daartoe behoort ook het scheppen van de zoon.
De zoon is datgene wat zich bouwt en ons uit de tweeheid
(a) naar de Komende Vereld (,o) leidt. De weg door de
woestijn, de weg door deze wereld, is vervat in het begrip
‘zoon’ . Uiteraard vindt Veinreb dat met dit bouwen geen
tysieke bouwactiviteit wordt bedoeld. Het is het ‘bouwen’
ten gevolge waarvan deze en de Komende Vereld een een-
heid zullen worden. De zoon is het gebouw, het is de wereld
van de schepping, die pas is voltooid als het zichtbaar is op
deze aarde, d.w.z. als de achtste dag aanbreekt, de wereld
van de ,o. Aan de hand van het begrip ‘zoon van David’
constateren we eens te meer hoe er een samenhangende
systematiek aan de Bijbel ten grondslag blijkt te liggen.
Vat wordt er in de Bijbel uitgedrukt met het begrip ‘Da-
vid’: In het verhaal van koning David speelt het principe
; een belangrijke rol. Deze koning is het zevende geslacht
na de Openbaring op de Sinaï, hij is de zevende zoon van
zijn vader Isaï en gehuwd met Bathseba, wat leuerlijk ‘de
dochter van zeven’ betekent. Salomo, de zoon van David,
is dan de achtste generatie. Hij draagt het zegel van de 8,
zoals uitgedrukt in de achtste dag ot de Komende Vereld.
Net ‘de zoon van David’ wordt dus bedoeld de Gezaltde,
die de Komende Vereld van de achtste dag inluidt. Vanuit
onze huidige wereld behoort ‘de zoon van David’ ot ‘de Ge-
zaltde’ tot de nieuwe wereld die volgt op het herstel (tiq-

107 JOZUA–JEZUS
qun) van de gevolgen van Adams val in onze realiteit van
de zevende dag.
In het Bijbelverhaal lezen we dat niet David de 1empel
mocht bouwen, maar zijn zoon Salomo (a Sam. ;:·–·;).
David staat voor het karakter van de zevende dag, terwijl
Salomo een overeenkomst vertoont met de achtste dag, de
Komende Vereld. Dit is de reden dat pas onder Salomo
voor God een vast huis in de wereld kan worden gebouwd.
In onze wereld van de zevende dag is dat nog onmogelijk,
omdat de mens in onze wereld slechts in ballingschap is en
nog op doortocht naar de Komende Vereld.
Deze zeltde structuur van de overgang van ; naar s zien
we ook in het verhaal van de tocht door de woestijn en
de intocht in Kanaan. De woestijntijd staat voor onze we-
reld, de zevende dag waarin de mens slechts op doortocht
is en waarin God nog geen vast huis op aarde heen; de ark
wordt immers door de woestijn meegedragen (zie Num.
·o). De overtocht over de Jordaan en de intocht in Kanaan
is analoog aan het begin van de achtste dag. 2oals David
tot de wereld van de ; behoort, zo behoort ook Nozes, die
Israël door de woestijn leidt, tot de wereld van de ;. 2oals
David niet de 1empel van de achtste dag mocht bouwen,
zo mocht Nozes het Belootde Land van de achtste dag
niet betreden. Het verband tussen beiden blijkt volgens de
traditie ook uit het teit dat zij op dezeltde dag van dezeltde
maand stierven.
Samenvauend blijkt dat volgens Veinreb het Oude en
het Nieuwe 1estament een eenheid vormen. Achter be-
grippen als ‘de zoon van God’ ot ‘de zoon van David’ gaat
108 CHRISTENDOM EN JOODSE MYSTIEK
één en hetzeltde traditiecomplex schuil; zij kunnen alleen
goed begrepen worden door te wijzen op de onderliggende
systematiek. Als in het Nieuwe 1estament wordt gezegd
dat Jezus de zoon van David is, dan is dat een expliciete
verbinding met het Oude 1estament. Het gaat hier na-
tuurlijk niet om een mededeling van genealogisch belang;
met het begrip ‘zoon van David’ wordt veeleer iets wezen-
lijks uitgedrukt.
Als we een uitdrukking ‘zoon van David’ willen begrij-
pen, moeten we ons atvragen, zoals we zojuist hebben ge-
daan, waar de begrippen ‘zoon’ en ‘David’ voor staan. Dat
alles moeten we erbij betrekken als hier, in het begin van
het Lvangelie van Nauheus, zo duidelijk wordt uitgelegd
dat Jezus de zoon van David is.
In dezeltde genealogische tabel bij Nauheus wordt na-
tuurlijk ook gesteld dat Jezus tegelijkertijd de ‘zoon van Jo-
zet ’ is. Ook dit begrip moeten we dus op dezeltde manier
analyseren. De naam Jozet komt in beide 1estamenten
voor. In het Oude 1estament kennen we het verhaal van
Jozet, zoon van de aartsvader Jacob, die door zijn broers,
in het bijzonder door de aanstoker Juda, verkocht wordt
naar Lgypte. Daar brengt hij het tot de op één na hoogste
positie van het land en vanuit die positie kan hij zijn ta-
milie, vader en broers van de hongersnood redden. In het
Nieuwe 1estament is Jezus de zoon van Jozet, de verlootde
van Naria. Net andere woorden: de Nessias is de ‘zoon
van Jozet ’ . Behalve dat de figuur van Jezus, zoals we heb-
ben gezien, als kenmerk heen de zoon van David te zijn,
heen deze figuur als tweede belangrijke kenmerk dat hij
109 JOZUA–JEZUS
de zoon van Jozet is. De figuur van de Nessias worden dus
twee eigenschappen toegekend: zoon van David en zoon
van Jozet.
Heel opvallend is dat er in de joodse traditie expliciet
sprake is van twee verschillende aanduidingen: er is een
Messias ben David en een Messias ben Jozef. Hoe moeten
deze twee begrippen nu gezien worden:
Om deze vraag te beantwoorden moeten we weer kij-
ken naar wat er in het Oude 1estament over Jozet gezegd
wordt. In het Bijbelboek Lzechiël ,;:·s–a, worden de twee
figuren Jozet en David – deze laatste aangeduid met de
term ‘Juda’ – tegenover elkaar gezet. De Bijbel vertelt hoe
na de dood van koning Salomo het verenigde rijk Israël in
twee stukken scheurde: het zuidelijke gedeelte bestond uit
het gebied van de stammen Juda, waarin Jeruzalem lag,
en Benjamin. Dit zuidelijke rijk werd ‘Juda’ genoemd. Het
noordelijke rijk, dat van de tien overige stammen, met als
hootdstad Samaria, werd het rijk ‘Israël’ genoemd. Dit rijk
nu wordt door Lzechiël in verband gebracht met Jozet. 2o
komen het Huis van Juda/David en het Huis van Israël/
Jozet tegenover elkaar te staan:
13
Het woord des Hrvr× kwam tot mij:
16
Gij mensenkind,
neem een stuk hout en schrijt daarop: voor Juda en de Isra-
elieten die daarbij behoren; neem dan een ander stuk hout
en schrijt daarop: voor Jozet – het stuk hout van Ltraïm –
en het gehele huis Israëls dat daarbij behoort;
17
voeg ze dan
aan elkander tot één stuk hout, zodat zij in uw hand tot één
worden. (Ezechiël ,;:·,–·;)
110 CHRISTENDOM EN JOODSE MYSTIEK
Ve zien hier het beeld van de éénwording na de split-
sing, in teite de structuur ·-a-· in het beeld van het volk Is-
raël. In de verzen ·–·¡ spreekt de proteet Lzechiël al over
het herstel ot de restauratie van het oorspronkelijke volk
Israël. 2oals we eerder zagen, en zoals Veinreb vaak ver-
telt, staat het volk Israël eigenlijk voor de mens als geheel.
In de joodse mystiek maakt men overigens nog een verde-
ling tussen Jozet en Juda. Jozet vertegenwoordigt de con-
crete lichaamskant, terwijl Juda voor de innerlijke zijde, de
kern ot de zielskant staat. Het herstel van het volk Israël
symboliseert dat deze concrete wereld van tijd en ruim-
te weer één wordt met de spirituele ot innerlijke wereld
waarin wij wortelen. Vorm en wezen worden weer één.
Het gaat dus over de mens waar ook ter wereld; de we-
reldbevolking als geheel wordt bij Veinreb vaak vergele-
ken met het lichaam van een mens. Alle volkeren vormen
een eenheid, zoals het lichaam met al zijn tuncties ook een
eenheid vormt. Lr wordt dus eigenlijk iets heel groots in
het vooruitzicht gesteld: de mens zoals die oorspronkelijk
door God bedoeld was, breekt door en dat betekent de
verlossing uit deze zevende dag en het betreden van een
Nieuwe Vereld.
Nu we hebben gesproken over de twee verschillende
beelden van de Nessias in de joodse mystiek, de Nessias
ben Jozet en de Nessias ben David, moeten we benadruk-
ken dat het hier niet gaat om twee verschillende personen.
Heel duidelijk betren het hier verschillende aspecten van
één Nessias-figuur, de Nessias die er al is vóór de schep-
ping en die wordt voorgesteld als ziuend aan de rechter-
111 JOZUA–JEZUS
hand van God. Ln, zoals eerder gezegd, ook hier dienen we
niet te denken aan een concrete, historische persoon. De
Nessias, opgevat als mythisch beeld, is de uitbeelding van
de mens zoals God die in gedachten heen en zoals de mens
de taak heen te worden.
2odra we dit goed begrijpen, zien we tevens in waarom
de Nessias in het Nieuwe 1estament ook ‘de Nensenzoon’
wordt genoemd. Hiermee wordt niet bedoeld dat hij ge-
boren is uit een mens en dus menselijke eigenschappen
heen. 2eker niet; de uitdrukking ‘Nensenzoon’ moeten
we in eerste instantie weer vanuit het Hebreeuws begrij-
pen. In het Hebreeuws luidt dit begrip םדָא־ןבֶּ ben

adam
a-,o ·-¡-¡o. Ln zoals hierboven is uitgelegd, betekent het
begrip ‘zoon’ in eerste instantie ‘iemand met de eigenschap
van …, met het stempel van …’ . De uitdrukking ben

adam
betekent dus gewoon: een mens, iemand die mens is. Ot, in
het geval van de Nessias: De Nens. Het gaat, zoals gezegd,
niet om één concrete historische persoon; de Nessias staat
voor De Nens in het algemeen; Hij is de Nens zoals God
hem bedoeld heen.
Nu we dieper zijn ingegaan op de begrippen ‘Jozua’ en
‘Jezus’ , in samenhang met de begrippen ‘Jozet ’ en ‘David’ ,
blijkt ook hier, eens te meer, dat er diepgaande verbanden
zijn te vinden tussen Oude en Nieuwe 1estament. Beide
boeken maken onomstotelijk deel uit van één en dezeltde
traditie.
j·cóc·:| 1c:··co.
lc·c· & 1c·|

..×L.×osri
vrDrvik Vri×vrv werd in ·¸·o geboren in Lem-
berg, dat destijds tot de Oostenrijks-Hongaarse mo-
narchie behoorde en nu als Lvov in de Oekraïne ligt.
Gedwongen door de Russische bezeuing van Lemberg bij
het uitbreken van de Lerste Vereldoorlog week het gezin
Veinreb in ·¸·¡ uit naar Venen. In ·¸·e trokken Veinreb,
zijn ouders en jongere broer naar Nederland, waar zij zich
blijvend in Scheveningen vestigden.
Hier bezocht Veinreb de lagere school en de toenmali-
ge Lvs. Vervolgens schreet hij zich in aan de Lconomische
Hogeschool te Rouerdam, om uiteindelijk econometrist
te worden.
Vanwege zijn omstreden rol tijdens de bezeuingsjaren
en zijn detentie na de oorlog, was het voor Veinreb onmo-
gelijk een aanstelling aan de Lconomische Hogeschool ot
het Nederlands Lconomisch Instituut te krijgen. Van zijn
oorspronkelijke plan om te promoveren zou niets meer ko-
men. Op voorspraak van prot. J. 1inbergen werd Veinreb
benoemd tot hoogleraar economie en economische statis-
tiek in Indonesië. Later werd hij hoogleraar in Calcuua en
Ankara. Daarna werkte hij bij het Internationaal Arbeids-
bureau voor Arbeidsvoorzieningen bij de Verenigde Na-
ties in Genève.
In ·¸es verliet Veinreb Nederland. Vervolgens woonde
hij enige tijd in Israël, om zich tensloue definitiet in 2wit-
F
116 CHRISTENDOM EN JOODSE MYSTIEK
serland te vestigen, waar hij uiteindelijk in ·¸ss te 2urich
overleed.

In tegenstelling tot het chassidische voorgeslacht waren de
ouders van Veinreb verlichte joden. Hun leven en den-
ken was in de eerste plaats beïnvloed door de ideeën van
de joodse Verlichting (de Haskala), die een scherpe breuk
had teweeggebracht in de continuïteit van het traditionele
leven.
Naar eigen zeggen was Veinreb al op jonge leenijd ge-
interesseerd in levensbeschouwelijke vraagstukken. In de
vaste overtuiging dat de mens meer is dan louter een ma-
teriële verschijning, zocht hij antwoorden op de vraag naar
de zin van het menselijk leven en het hoe en waarom van
deze wereld. Als jongeman nam hij het besluit als een vro-
me jood te gaan leven door zich nauwgezet aan de geboden
te houden. Gedurende zijn hele verdere leven heen hij als
orthodoxe, praktiserende jood geleetd. Ook zijn latere ge-
zinsleven was geheel naar de traditionele joodse gebruiken
ingericht.
De strikt individuele houding waarmee hij de grondsla-
gen van het leven trachue te ontdekken, zou één van de
tundamentele kenmerken blijven in zijn verdere leven en
werk. De ideeën die in Veinrebs werk naar voren komen,
kunnen niet geïdentificeerd worden met één specifieke
joodse religieuze groepering, stroming ot persoon – ook
al vinden we veel daarvan terug in zijn werk. Altijd is er
117 WEINREB: LEVEN & WERK
sprake van een uitgesproken individuele houding alsook
een eigen standpunt.
Veinreb komt in zijn autobiografische werk naar voren
als een eenzame persoon, die zich vaak als een vreemde
voelde tegenover de mensen, joden en niet-joden, met
wie hij te maken kreeg. Deze soms openlijk geuite ot in
het werk impliciete eenzaamheid is één van de constan-
te kenmerken van zijn hele latere werk. 1evens komt hij
naar voren als een jood die zich bij het leven van zijn niet-
joodse medemens sterk betrokken voelde. Veinreb verge-
leek de gehele mensheid vaak met het menselijk lichaam.
2oals ieder orgaan een eigen tunctie heen, die het alleen
kan vervullen doordat het met alle andere organen in ver-
binding staat, zo zijn mensen, volkeren en religies als at-
zonderlijke entiteiten opgenomen in een grote kosmische
en organische eenheid. Isolering ot negering van één er-
van kan tot grote problemen leiden. Veinreb zag zichzelt
dan ook als een jood die vanuit zijn joodse wortels leetde,
maar die tegelijkertijd ook bewust met al het niet-joodse
in deze wereld in contact stond. Het is dan ook begrijpelijk
dat Veinreb een niet onbelangrijk deel van zijn werk heen
gewijd aan de spirituele aspecten van de vier Lvangeliën.
Het Oude en het Nieuwe 1estament vormden voor hem
een eenheid.

De cursussen die Veinreb na de oorlog aanvankelijk voor
een klein aantal geïnteresseerden gat, groeiden vanat het
118 CHRISTENDOM EN JOODSE MYSTIEK
eind van de jaren vijnig uit tot voordrachten, lezingen en
geregelde cursussen voor grotere groepen mensen. In ·¸e,
verscheen Veinrebs eerste boek De Bijbel als Schepping,
waarin hij een uiteenzeuing gat van de basisideeën en de
systematiek die volgens hem aan de schrinelijke en mon-
delinge 1ora ten grondslag liggen. In ·¸e; verscheen zijn
tweede boek, Ik die verborgen ben, een verdere uitwerking
van zijn ideeën aan de hand van het Bijbelboek Lsther. De
vraag naar cursussen, boeken en intormatie was inmiddels
zo groot geworden, dat op initiatiet van lezers en toehoor-
ders besloten werd tot de oprichting van de Academie
voor de Hebreeuwse Bijbel en de Hebreeuwse 1aal en de
Prot. I. Veinreb-Stichting.
Het ging hier niet om organisaties met een ideologi-
sche achtergrond, een gesloten genootschap met leden,
ot het belijden van een leer. Veinreb liet iedereen vrij te
geloven en te vinden wat men wilde. 2owel de Academie
als de Stichting hadden geen ander doel dan Veinreb in
praktisch opzicht bij te staan in het uitdragen van zijn per-
soonlijke ervaring en opvauing van jodendom en joodse
mystiek. Boeken, lezingen en cursussen moesten bekend
gemaakt worden, literatuur aan belangstellenden worden
toegestuurd en de verschuldigde kosten betaald. Al dit
werk werd door vrijwilligers gedaan.
Vaaruit bestaat nu voornamelijk het werk van Vein-
reb: Allereerst uit boeken en cursussen die hij zelt geschre-
ven heen, maar daarnaast ook uit talrijke geluidsbanden
en casseues met cursussen, voordrachten en lezingen over
de meest uiteenlopende onderwerpen. Vanat het vroege
119 WEINREB: LEVEN & WERK
begin in de jaren zestig hebben vrijwilligers met een zekere
regelmaat het gesproken woord van de banden en casseues
atgeschreven en deze vervolgens in stencilvorm ot anders-
zins vermenigvuldigd. Vaak werd later het atgeschreven
materiaal bewerkt en vervolgens in boekvorm uitgegeven.
Doordat Veinreb na zijn vertrek uit Nederland voor-
namelijk in het Duits ging schrijven en spreken, kreeg hij
ook in het Duitse taalgebied bekendheid. In 2witserland
werden naar Nederlands voorbeeld de Friedrich Weinreb
Stiung en de Schweizer Akademie für Grundlagenstudien
opgericht. Behalve in 2witserland werden ook in Duits-
land en Oostenrijk regelmatig cursussen, lezingen en con-
terenties georganiseerd. In de loop der jaren is daarvan het
gesproken woord vastgelegd op honderden casseues.
Ook het Duitse gesproken woord werd regelmatig van
casseues atgeschreven en direct bewerkt voor publicatie.
Speciaal voor Veinrebs werk werd een uitgeverij opge-
zet, die op den duur de door Veinreb zelt in het Duits
geschreven boeken en de van de casseues atgeschreven
werken ging publiceren. Daarnaast werd er een tijdschrin
Die Wolke uitgegeven, dat twee maal per jaar verscheen en
waarin voornamelijk korte artikelen van Veinreb werden
opgenomen. Veel van het in het Duits geschreven werk is
weer in het Nederlands vertaald en andersom. Na Vein-
rebs dood in ·¸ss is het atschrijven van de op casseues
vastgelegde voordrachten en het vertalen van gepubliceerd
werk voortgezet. Jaarlijks verschijnen nog nieuwe boeken
en uitgewerkte lezingen.
¸otc· & ¸a·tc|c·:·gc·

 JODLNDON LN CHRIS1LNDON
Geraadpleegde literatuur: I. Vri×vrv, De Bijbel als Schepping (Kat-
wijk aan 2ee ·¸e,) [atgekort als BaS|; ID., De Joodse wortels van het
Matheüs-evangelie (Sint-Baats-Vijve ·¸s,); ID., Mythen, sprookjes,
sagen en legenden (Den Haag ·¸ss); ID., Het leven van Jezus. Een
joodse visie op het Nieuwe Testament (Utrecht ·¸¸;); ID., Mijn ont-
moeting met het Nieuwe Testament (z.p. [1ilburg| ·¸¸¸); ID., “De
Hebreeën” (·¸ee) (Gramsberg aoos).
Pag. : Veinrebs visie op de verhouding tussen jodendom en
christendom is in meer detail uiteengezet in J.H. L.r×r×, Frederik
Weinreb en de joodse mystiek (Baarn aoo,), htst. ¸, pp. ·ea–·s, .
Pag. : Het citaat is atkomstig uit BaS, vii-xix, aldaar x. De idee
van het ‘oude weten’ wordt toegelicht in L.r×r×, Frederik Wein-
reb, ·a–·e. Len enkel voorbeeld van dit ‘oude weten’ is de systema-
tiek rond de begrippen ‘rechts’ en ‘links’ , die geassocieerd worden
met respectievelijk mannelijk, kern en goud tegenover vrouwelijk,
omhulling en zilver.
Pag. : Over de plaats van de mondelinge traditie in het joden-
dom, zie J.H. L.r×r×, Joodse mystiek. Een inleiding (tweede herz.
ed.; Kampen aoos) ;–·¡. De rabbijnen leerden dat God aan No-
zes op de Sinaï behalve de schrinelijke 1ora ook een mondelinge
1ora had medegedeeld. Deze mondelinge 1ora bevat een uitleg
van de schrinelijke.
Pag. : Dat de 1ora aan alle mensen is gegeven en niet alleen
bedoeld is voor joden, zet Veinreb uiteen in onder meer Leven van
Jezus, ;o, s,. ‘Israël’ ot ‘jood’ staat namelijk voor het verborgene in
iedere mens. 2ie ook: “Hebreeën”.
124 CHRISTENDOM EN JOODSE MYSTIEK
Pag. : Hoe de verhalen in het Oude en in het Nieuwe 1es-
tament vooral als mythisch kunnen worden opgevat en niet als
historische verhalen, wordt beschreven in L.r×r×, Joodse mystiek,
,,–,; en ;s–s·.
Pag. : De veronachtzaming van het mythische aspect van de
Bijbel en de eenzijdige gerichtheid op het ‘historische’ aspect ervan
in het hedendaagse christendom wordt zeer helder uitgelegd door
R. 2iiv:o×D, Verleden tijd? Een speurtocht naar de ‘historische Je-
zus’ (Baarn ·¸¸¡). De hootdlijnen van dit boek had 2iiv:o×D
al beknopt samengevat in zijn inaugurele rede Op zoek naar de his-
torische Jezus (Amsterdam ·¸¸,).
Pag. –: Len uitgebreide beschrijving van het Hebreeuws als
Heilige 1aal is te vinden in L.r×r×, Joodse mystiek, a,,–aee en in
L.r×r×, Frederik Weinreb, hootdstuk e, pp. ;o–·o·.
 SYNBOLILK VAN DL DOOP
Geraadpleegde literatuur: I. Vri×vrv, Ik die verborgen ben (Den
Haag ·¸e;) (oude uitgave); ID., “Kerstmis” (·¸sa) (Bussum [z.j.|);
ID., De Joodse wortels van het Matheüs-evangelie (Sint-Baats-Vijve
·¸s,); ID., Het leven van Jezus. Een joodse visie op het Nieuwe Testa-
ment (Utrecht ·¸¸;); ID., Ik die verborgen ben (1ilburg ·¸¸;) (nieu-
we uitgave); ID., Das Markus-Evangelium. Der Erlöser als Gestalt des
religiösen Weges (a dln.; Veiler im Allgau ·¸¸¸).
Pag. : De joodse traditie kent het gebruik van gematria, de ge-
talswaarden van de aa leuers van het Hebreeuwse altabet. Achterin
deze bundel staat een overzicht van de Hebreeuwse leuers en hun
getalswaarde. Dit gebruik is niet specifiek joods en de oorsprong
hiervan verliest zich in het verre verleden. In deze bundel worden
vele voorbeelden gegeven van de toepassing van dit systeem. 2ie:
J.H. L.r×r×, Joodse mystiek. Een inleiding (tweede herz. ed.; Kam-
pen aoos) a,,–aee.
123 NOTEN & AANTEKENINGEN
Pag. : Len belangrijke rol in de joodse mystiek spelen de
scheppingsdagen, vooral de samenhang tussen de zesde, zevende
en achtste dag. Op de zesde dag wordt de mens geschapen; in het
Paradijsverhaal tekent zich een breuk at van kosmische omvang.
De allesomvauende harmonie van de schepping – gesymboliseerd
door het getal · – breekt in tweeën. In de daarop volgende zevende
dag, die onze huidige concrete wereld symboliseert die nog steeds
voortduurt – verbeeld door het getal a –, moet deze breuk wor-
den hersteld. Dit herstel van de allesomvauende harmonie van de
schepping (de één) wordt gerealiseerd in de overgang van de ze-
vende naar de achtste dag. Deze laatste is nog toekomst en wordt
aangeduid als de Komende Vereld ot het Koninkrijk Gods.
Pag. : De zevende dag, onze concrete wereld, wordt vaak een
‘waterwereld’ genoemd. De begrippen ‘water’ en ‘tijd’ zijn in de
symboliek identieke begrippen. Net als het water vloeit de tijd, is
altijd in beweging en komt nooit meer op dezeltde plaats terug.
Vater wordt geassocieerd met het vergankelijke van ons aardse
leven.
Pag. : Bij elke geboorte van een mens wordt er een neshama
(godsvonk) aangewezen, die vanuit de goddelijke wereld atdaalt
naar de aarde om het inmiddels klaarliggende tysieke lichaam te
bezielen. Deze indaling wordt als het begin van een ballingschap
gezien in de waterwereld. 2ie Vri×vrv, Ik die verborgen ben, pp.
s–·¡ (oude uitgave) ot pp. ·¡–ao (nieuwe uitgave).
Pag. : Over de relatie tussen de Nessias en de neshama, zie
hierboven onder de aantekening bij p. ¡a.
Pag. : Na de breuk in het Paradijs zwijgt God en is niet meer
zichtbaar en hoorbaar voor de mens. God is nadien een zaak van
het geloot. In de traditie wordt verteld dat de paradijselijke oer-
mens zowel de concrete als de spirituele wereld kon schouwen. 2ie
ook hierboven, onder de aantekening bij p. ,;, over de scheppings-
dagen.
Pag. : Het gegeven dat de Bijbel niet vertelt hoe het moet,
maar hoe het leven is, heen te maken met het teit dat de Bijbel
126 CHRISTENDOM EN JOODSE MYSTIEK
wordt beschouwd als een model ot een blauwdruk van de gehele
schepping. De structuur van de kosmos is volgens de joodse tradi-
tie dezeltde als die van de Hebreeuwse Bijbel (zie onder meer Ge-
nesis Rabba ·.·). Vandaar ook de titel van Vri×vrvs hootdwerk:
De Bijbel als Schepping.
Pag. : 2ie over de symboliek van het begrip ¡a hieronder,
in het hootdstuk ‘Jozua–Jezus’ . Over de zogenaamde ¡a-leuerige
godsnaam, zie: G. ScLoir:, ‘Der Name Goues und die Sprach-
theorie der Kabbala’ in: ID., Judaica iii, Studien zur jüdischen Mystik
(2urich ·¸;o) ;–;o, aldaar ¡s.
Pag. : 2ie de aantekening bij p. ,; over de breuk in het Para-
dijs. Sindsdien ziet de mens slechts de hem omringende concrete
wereld; hij ziet slechts de heln van de totale werkelijkheid: de con-
crete werkelijkheid die een eenheid vormt met de spirituele wer-
kelijkheid. Len mens die slechts de heln waarneemt, kan onmoge-
lijk oordelen over mens en wereld.
 VLRLOVING
Geraadpleegde literatuur: I. Vri×vrv, De Bijbel als Schepping (Kat-
wijk aan 2ee ·¸e,) [atgekort als BaS|; ID., De Joodse wortels van het
Matheüs-evangelie (Sint-Baats-Vijve ·¸s,); ID., Het leven van Jezus.
Een joodse visie op het Nieuwe Testament (Utrecht ·¸¸;).
Pag. : Het probleem van het ‘lichter’ worden van de taal en
de ‘lege’ betekenis van woorden is uitgebreid aan de orde gesteld
door George S+ri×rv, Het verval van het woord (tweede dr.; Am-
sterdam ·¸¸o).
Pag. : Voor het thema van de verlossing, zie ook de aanteke-
ningen bij p. ,;.
Pag. : Over de betekenis van de kwadratering van getallen, zie
ook hieronder, op p. e¸, in het hootdstuk ‘Betlehem’ .
Pag. : De symboliek van het man-vrouw-kindprincipe vol-
gens Pythagoras wordt uitgelegd in BaS, aa.
127 NOTEN & AANTEKENINGEN
Pag. : Het verband tussen de figuur van Jezus en de symbo-
liek van de achtste dag komt nader aan de orde in het hootdstuk
‘Jozua–Jezus’ elders in dit boek.
Pag. : De gedachte dat het de mens zelt is die de verlossing
en het betreden van de Komende Vereld ot het Koninkrijk Gods
kan bewerkstelligen, vinden we terug bij rationalistische joodse
filosoten. Naimonides (··,,/s–·ao¡) bijvoorbeeld stelt dat we
de Nessias kunnen herkennen doordat hij na zijn komst in deze
wereld alle oorlogen wint. 2ulke overtuigingen zijn gebaseerd op
de maatstaven van deze concrete wereld en houden geen rekening
met de allesbepalende tactor van de doorbraak vanuit de godde-
lijke wereld.
 BL1LLHLN
Geraadpleegde literatuur: I. Vri×vrv, De Bijbel als Schepping (Kat-
wijk aan 2ee ·¸e,) [atgekort als BaS|; ID., De Joodse wortels van het
Matheüs-evangelie (Sint-Baats-Vijve ·¸s,); ID., Het leven van Jezus.
Een joodse visie op het Nieuwe Testament (Utrecht ·¸¸;).
Pag. : Over de bouw van de 1empel door koning Salomo, zie
BaS, ·,·.
Pag. : Over de betekenis van de kwadratering van getallen, zie
ook hieronder, op p. ,¸, in het hootdstuk ‘Verloving’ .
Pag. –: Voor achtergrond van de begrippen ‘mythisch’ en
‘historisch’ , zie de aantekeningen bij p. ,o.
Pag. : De betekenis van Jezus als de zoon van Jozet en de zoon
van David, alsmede van het begrip ‘bouwen’ komt uitgebreid aan
de orde in het hootdstuk ‘Jozua–Jezus’ verderop in dit boek, pp.
·os–·o¸.
 DL OPS1ANDING
Geraadpleegde literatuur: I. Vri×vrv, De Bijbel als Schepping (Kat-
wijk aan 2ee ·¸e,) [atgekort als BaS|; ID., Gedachten over dood en
128 CHRISTENDOM EN JOODSE MYSTIEK
leven (Sint-Baats-Vijve ·¸sa); ID., Het leven van Jezus. Een joodse visie
op het Nieuwe Testament (Utrecht ·¸¸;); ID., Das Markus-Evange-
lium. Der Erlöser als Gestalt des religiösen Weges (a dln.; Veiler im
Allgau ·¸¸¸); ID., Het boek Jona. De zin van het boek volgens de oude
joodse overlevering (1ilburg aoo,).
Pag. : Over het begrip ‘vader’ en ‘zoon’ zie verderop in dit
boek, in het hootdstuk ‘Jozua–Jezus’ . Voor het verband met het
begrip ‘steen’ , zoals Veinreb dat in zijn werk uitlegt, zie ook J.H.
L.r×r×, Frederik Weinreb en de joodse mystiek (Baarn aoo,) _¸.¡.
Pag. : De samenhang tussen de namen ‘Jozua’ en ‘Jezus’ komt
in detail aan de orde in het volgende hootdstuk.
 JO2UA

JL2US
Geraadpleegde literatuur: I. Vri×vrv, De Bijbel als Schepping (Kat-
wijk aan 2ee ·¸e,) [atgekort als BaS|; ID., De Joodse wortels van het
Matheüs-evangelie (Sint-Baats-Vijve ·¸s,); ID., “Jozet ” (Academie,
·¸;,) (Schagen ·¸s¡); ID., Het leven van Jezus. Een joodse visie op het
Nieuwe Testament (Utrecht ·¸¸;).
Pag. : Het verband tussen de namen ‘Christus’ en ‘Nessias’ is
uitgebreid behandeld in het hootdstuk hiervoor, ‘De Opstanding’ ,
pp. s·–s,.
Pag. : Op de betekenis van het kwadraat in de joodse taal-
mystiek wordt hierboven dieper ingegaan, in het hootdstuk ‘Betle-
hem’ , pp. e¸–;o.
Pag. : In de Christelijke symboliek worden de leuers van het
Griekse woord ἰχθύς ichtys, ‘vis’ , geduid als een acroniem: elke leuer
staat voor een heel woord: ΙΧθυς = Ἰησοῦς Ièsous (‘Jezus’); Χριστός
(Christos) ‘Christus’; Θεοῦ (eou) ‘Gods’; Υἱός (hyios) ‘zoon’; Σω-
τήρ (Sootèr) ‘Verlosser’ .
Pag. vv: Over de uitleg van het begrip ‘zoon van David’ is
meer te vinden in J.H. L.r×r×, Frederik Weinreb en de joodse mys-
tiek (Baarn aoo,) ·e¸–·;a.
129 NOTEN & AANTEKENINGEN
Pag. : Over het Hebreeuwse ןבֵּ ben ‘zoon’ in de betekenis van
‘iemand met de eigenschap …’ , zie J.P. Lr+i×o., Grammatica van
het Bijbels Hebreeuws (eltde gecorr. ed. door 1. Niv.ok. m.m.v.
V.1. v.× Privsr×; Leiden aooo), _ ;¡t-g.
Pag. : 2ie voor enkele verwijzingen in de joodse traditie met
betrekking tot de begrippen ‘vader’ en ‘zoon’ N.L. Ni×k, e Wis-
dom in the Hebrew Alphabet. e Sacred Leters as a Guide to Jewish
Deed and ought (ArtScroll Nesorah Series; New York ·¸s,) e,.
Pag. vv: Over de rol van het principe ; in verband met Da-
vid, zie BaS, ·,·. 2ie bijvoorbeeld ook Leviticus Rabba a,.,. De naam
‘Bathseba’ is ook te vertalen als ‘zij die het stempel van de ; draagt’ ,
zie het commentaar bij p. ·o, hierboven.
Pag. : De traditionele legenden over de dood van David ver-
tonen opvallend veel overeenkomsten met die over de dood van
Nozes. 2ie L. Gi×:vrvo, Legends of the Jews (New York ·¸es) iii,
,·;, ¡,¸–¡¡a; iv, ··,–··¡. Vgl. bijvoorbeeld b Shabbat ,oa-b; Yalqut
Shim

oni (Jeruzalem ·¸eo) op Deut. ,¡:,. 2ie ook BaS, ·,o.
Pag. : Juda en Jozet worden ook in 2acharia ·o:e in één
adem genoemd: Zo zal Ik het huis van Juda sterken en het huis van
Jozef verlossen; ja, Ik zal hen terugbrengen, omdat Ik Mij over hen ont-
ferm, en zij zulen worden alsof Ik hen niet verworpen had.
Pag. : Bij het herstel van ‘Israël’ moeten we niet denken aan
de staat Israël en niet aan de joden. Joden zijn historisch gesproken
nakomelingen van de stam van Juda. Aldus zijn zij een onderdeel
van het gehele volk Israël, als één van de twaalt stammen ervan.
Neer over deze problematiek, die alles te maken heen met zio-
nisme en anti-zionisme, is te lezen in J.H. L.r×r×, Chassidisme
(Kampen aoos), hootdstuk ,.
 IRLDLRIK VLINRLB: LLVLN 8 VLRK
Pag. : Len uitgebreide versie van deze biografische schets van
Irederik Vri×vrv staat in J.H. L.r×r×, Frederik Weinreb en de
joodse mystiek (Baarn aoo,), hootstuk ·, pp. ·–·o. In hetzeltde boek
130 CHRISTENDOM EN JOODSE MYSTIEK
staat ook een overzicht van de meeste van Vri×vrvs boeken en
lezingen. Len nadere beschrijving van het leven en het werk van
Vri×vrv is te vinden op de website van de Stichting Quintes-
sentia: htp: //www.quintessentia.org. Aldaar tren men ook enkele
links aan naar andere organisaties rondom Vri×vrv, waar ook
zijn boeken te koop zijn. (1evens is daar een lijst te vinden met alle
boeken en artikelen van de hand van J.H. L.r×r×.)
}ct }co·ccu:sc ¸!jaoct
+.vri
Het Hebreeuwse Alfabet
Leuer Naam Getalswaarde
א

alef ·
ב bet a
ג gimel ,
ד dalet ¡
ה he ,
ו waw e
ז zayin ;
ח chet s
ט tet ¸
י yod ·o
כ , ך kaf, sluit-kaf ao
ל lamed ,o
מ , ם mem, sluit-mem ¡o
נ , ן nun, sluit-nun ,o
ס samech eo
ע

ayin ;o
פ , ף pe, sluit-pe so
צ , ץ tsade, sluit-tsade ¸o
ק qof ·oo
ר resh aoo
שׂ sin
]
,oo
שׁ shin
ת taw ¡oo

Sign up to vote on this title
UsefulNot useful