REIS DOOR DE TIJD: WONING EN KLEDIJ

1. De oudste tijd ( … tot 800 V.C ) 1.1 Zwervende mens 1.1.1 Geografisch milieu Zo’n 600.000 jaar geleden veranderde het klimaat op de aarde. De straling van de zon werd minder, de winter werd kouder en ook in de zomer ging de temperatuur omlaag. IJstijden en warmere periodes wisselen elkaar af. We gaan ervan uit dat dat komt doordat de aarde om zijn as draait en tegelijk óók om de zon. De draai die de aarde rond de zon maakt, en waar die een jaar over doet, noemen we de omwenteling van de aarde. Die baan van de aarde rond de zon wordt steeds langer of steeds korter, en dat wisselt ieder 100.000 jaar. Als de baan om de aarde langer wordt, zitten we in een ijstijd. Want als de baan rond de zon langer wordt, staat de aarde verder van de zon en krijgt dus minder warmte. Het geografische milieu van de mens werd dus bepaald door de afwisseling van warme en koude periode. In tropische perioden waren er in West – Europa ook grote dieren zoals leeuwen, tijgers, olifanten, neushoorns, gezellen, nijlpaarden, enz… Er was een rijke plantengroei, visrijke rivieren en allerlei waterwild. In de ijstijden of glaciale perioden kwam de landijskap tot halfweg Nederland. Ten Zuiden hiervan kwam een reusachtig gebied voor met als typische dieren mammoet, rendier, eland, bizon, beer, poolhaas, sneeuwkoe, ree, hert, enz … De laatste ijstijd begon ca. 120.000 jaar geleden en eindigde ca. 11.000 jaar terug.

1

1.1.2 Woningen Door het zwervende bestaan van de mens in deze periode werden er geen permanente nederzettingen ( een bewoonde plaats ) gebouwd. De mens zocht bescherming tegen de weerselementen …

onder overhangende rotsen, in grotten en natuurlijke holen.

achter windschermen: een halve cirkel van takkenbossen bedekt met boomschors.

tenten van dierenhuiden

en eenvoudige constructies gemaakt met de beenderen van grote dieren.

De mens leefde als een zwerver. Bepaalde groepen trokken voortdurend rond en hadden per jaar enkele verschillende verblijfplaatsen die ze misschien wel een aantal jaren na elkaar gebruikten. Andere groepen hadden een basiskamp waar ze een groot deel van het jaar verbleven. In bepaalde perioden van het jaar trok de groep naar tijdelijke winterkampen of jachtplaatsen omwille van harde winters, wegtrekkende dierenkudden of 2

door gebrek aan plantaardig voedsel. Naar het schijnt trokken ze ’s zomers naar het noorden en ’s winters naar het zuiden. Ze volgden de tochten van rendieren en mammoetkudden en legden op hun trektocht duizenden kilometers af. 1.1.3 Kledij De mens kleedde zich om verschillende redenen: - als bescherming tegen het klimaat ( regen, zon, wind, … ) zoals koude en hitte. - godsdienstige motieven: de speciale kledij van tovenaars en dansers. - uiterlijke redenen: de mens wou zich mooi maken door middel van kledij en sierraden van kralen, schelpen en tanden. Alle materiaal voor de kledij was uiteraard afkomstig uit de natuur. Zowel uit de planten – als dierenwereld. Van dierenhuiden werden kleren, dekens en tenten genaaid. Daarvoor gebruikte de vrouwen dierenpezen en naalden van been.

Het was niet zo dat de zwervende mens dierenhuiden zomaar konden aantrekken. Daar ging een bepaalde behandeling aan vooraf. De eerste belangrijke bewerking van een huid was het opspannen in een raamwerk om te voorkomen dat een huid kleiner werd en scheeftrok. Daarna werd de huid van binnen met vuurstenen scharpers behandeld om hem schoon en soepel te maken. Pas daarna konden de 3

huiden als kledij gebruikt worden. Hiernaast zie je hoe grotbewoners een opgespannen berenhuid schoonschrapen. Kledingstukken werden soms versierd met gekleurde kiezelsteentjes. Tanden en slakkenhuizen reeg men aan elkaar tot halssnoeren en armbanden. De mannen droegen ook halssnoeren. Deze droegen ze enerzijds als geluk voor de jacht en anderzijds als jachttrofee.

4

1.2 Eerste boer 1.2.1 Geografisch milieu De laatste ijstijd eindigde ca. 10.000 jaar V.C. De temperatuur steeg. De enorme ijskappen krompen stilaan in tot hun huidige omvang. Het zeepeil steeg met meer dan 100 meter en de huidige kustlijnen ontstonden. Uiteraard werden de fauna en flora beïnvloed door de hogere temperaturen. De flora veranderde: zo verschoof de toendra naar het hoge noorden en kwamen uitgestrekte bossen in de plaats. De plantengroei werd rijker. Ook de fauna veranderde. Bepaalde diersoorten zoals de mammoet verdwenen of trokken naar het noorden. In de talrijke rivieren was dan weer veel vis voorradig en in de bossen leerde allerlei klein wild. 1.2.2 Woning Door de gewijzigde geografische situatie moest de mens zich aanpassen qua bestaansmiddelen. De grote kudden waren verdwenen en de mens moest naar andere middelen van bestaan uitkijken. Vooral het verzamelen van planten en vruchten nam sterk toe. Dit kon omdat de voormalige toendra’s een veel gevarieerder flora verscheen. De mens stond voor een uitdaging! Slechts enkele stammen trokken de kudden naar het noorden achterna. De meeste stammen bleven op hun jachtgronden wonen. Essentieel is dat de mens nu blijvende woningen bouwden in plaats van tijdelijke. Ze kozen voor een vaste woonplaats bij zijn akkers en vee. We onderscheiden enkele verschillende types van woningen. 1) paalwoningen en paaldorpen. Deze dorpen werden gebouwd langs oevers van waterlopen en meren en in moerassige gebieden. De houten hutten van de bewoners stonden op een houten platform dat op boomstammen steunden. Nederzettingen langs het water hadden een prachtige ligging voor de voedselvoorziening. Akkers en weilanden en ook jacht – en visgebieden waren vlakbij. Maar door vochtigheid, insecten en andere ongedierte zal het dagelijkse leven er verre van gezond geweest zijn!

5

2) primitieve hutten met verschillende vormen De vroege landbouwers en veetelers hoefden niet meer te zwerven op zoek naar voedsel. Ze gingen zo dicht mogelijk bij hun akkers en hun weilanden wonen. Slapen in een tent was niet meer nodig. Voortaan bouwde men een stevige woning: een hut. De hutten waren rechthoekig en van leem en modder. De dikke muren hadden weinig openingen. Dat was als bescherming tegen de felle hitte. Het dak was van hout en riet of stro, soms nog bedekt met leem of modder. Er was slechts één groot vertrek. Vuur maakte men buiten, zodat de hut niet in brand kon vliegen.

3) bepaalde dorpen werden versterkt door dikke muren en torens als bescherming tegen mogelijke invallers. Meer en meer gingen families in elkaar buurt wonen. Ze hielpen elkaar bij het werk en bij de verdediging van hun bezittingen. Zo ontstonden de vroegste nederzettingen of dropen. Omstreeks 6500 v. Chr. waren daar reeds boeren dorpen met honderden inwoners. De woningen werden groter en hadden verscheidene vertrekken: een woonkamer, een slaapkamer en een voorraadkamer. Het hele gezin overnachtte in dezelfde kamer. Er waren weinig of geen meubels. Men zat

6

en sliep op gevlochten stromatten. Soms was er een verdieping. Daar kon je alleen komen met een ladder. 1.2.3 Kledij De mens kleedde zich in deze periode niet uitsluitend meer met dierenhuiden maar ook met weefsels gemaakt uit wol of vlas. Om deze kledij te maken, moeten ze 3 stappen doorlopen: 1) Het kaarden. Voor het spinnen wordt de wol gekaard. Daarbij worden de vezels gezuiverd en gelijk gestreken ( ontward ). 2) het spinnen. Tijdens het spinnen wordt de wol in elkaar gedraaid. Met een spinrokken dat men in de hand hield, werden de vezels gestrekt en ineengedraaid tot een sterke draad. Hierdoor worden de vezels met elkaar verbonden en wordt de draad sterker. Pas veel later ontstond het spinnenwiel. 3) het weven. Bij het weven worden de draden door elkaar gevlochten tot een stuk stof. De draden werden vertikaal aan een lat opgehangen. De wever lichtte met de hand geduldig draad per draad op om de draden te laten kruisen door de ‘inslagdraad’.

1.3 Egypte 7

1.3 Egypte ( ca. 3500 – ca. 800 V.C. ) 1.3.1 Geografisch Situatie Egypte is gelegen in het Oostelijke deel van de Sahara. Het regent er bijna nooit en daarom is Egypte een woestijn behalve in het Nijldal. De Nijl is met zijn 6825 km de langste rivier in de wereld. De rivier ontspringt aan de grote Afrikaanse meren in de omgeving van de evenaar. In Egypte vormt deze waterloop een rivieroase van ruim 1100 km lang doorheen de woestijn. In het zuiden van Egypte is het dal niet veel breder van een 100-tal meter tot 20 km. In het noorden mondt de Nijl via verschillende armen die een delta vormen uit in de Middellandse zee. De vruchtbare strook grond langsheen de Nijl is te danken aan de jaarlijkse overstroming van de rivier. Elke jaar veroorzaakte de zware regenval ver buiten Egypte, in de Abessijnse hooglanden voor een grote toevloed van water in de Nijl. Stroomafwaarts leidde dat in Egypte tot overstromingen. Daarbij liet de Nijl vruchtbaar slib achter dat aangevoerd werd vanuit de verre brongebieden. De Egyptische kalender is gevormd op basis van de Nijl. De jaarlijkse overstroming bepaalde het leven de van Egyptenaar zo sterk dat ze hun jaar volgens de overstroming van de Nijl indeelden. Het nieuwe jaar begon midden Julie met de overstroming. OPGELET !! De hedendaagse situatie is anders dan in het Oude Egypte. Door het aanleggen van de Aswandam die in 1971 voltooid was, zijn de jaarlijkse overstromingen verdwenen. Het water wordt nu verzameld in een reusachtig stuwmeer van 6000 km². Daardoor is nu het ganse jaar water beschikbaar voor bevloeiing en kan de landbouwgrond uitgebreid worden. Nadelen zijn er echter ook: door het ontbreken van slibafzettingen moet men nu overgaan tot kunstmatige bemesting en dat is zeer duur. 8

1.3.2 Woning Het gewone volk woonde in kleine eenvoudige huisjes zonder verdieping. Ze waren vierhoekig en bestonden uit twee delen: een ontvang – en een woonkamer. Zeer rijke Egyptenaren woonden in een huis omgeven door hoge muren en door mooi aangelegde tuinen. De verblijven van het personeel, de keukens, de werkplaatsen, de voorraadkamers, de graansilo’s en de stallen stonden los van de woning. In die woning waren talrijke vertrekken: een hal, een tempelhuis, een woonruimte, ontvangstruimte, gastenkamers, slaap – en badkamers en toiletten. De belangrijkste meubels waren lage stoelen, banken en bedden. Kleding en huisraad werden opgeborgen in kisten, voedsel en drank in grote kruiken. Met olielampen werd voor verlichting gezorgd. Bouwmateriaal Men gebruikte “tichels” om de huizen te bouwen. Dit zijn in de zon gedroogde kleistenen van Nijlslib. Hout wat te duur voor de gewone Egyptenaren. Ze maakten hun dak uit riet en werd ondersteund door palmbomen balken. De rijke Egyptenaren gebruikten als bouwmateriaal naast bakstenen ook natuursteen en hout. Egypte was arm aan goed bruikbaar hout. Het moest ingevoerd worden. Daarom dat het prijskaartje zo hoog was.

9

10

1.3.3 Kledij Alle Egyptische kleren zijn gemaakt van linnen. Linnen zijn gemaakt van de vlasplant. De Farao droeg fijn geweven linnen, maar gewone mensen gebruikten grof geweven stof Mannenkledij Eeuwenlang bleef de kledij voor de mannen uit het gewone volk dezelfde, namelijk een ruw geweven heupschort of lendedoek ( = een simpele, normale lap om hun middel!)Dit kledingstuk werd ook door de rijken gedragen maar er kwam nog een lang recht kleed boven. Zij droegen lange, fijn geplooide linnen gewaden die versierd konden zijn met kralen. Uit de rijkdom van hun kledij bleek hun maatschappelijke rang.

Vrouwen Zij droegen een lange tunica zonder mouwen die strak om het lichaam spande. Daarboven werd een doorschijnend kleed met een strakke gordel gedragen. Rijke vrouwen droegen graag veel juwelen: halskettingen, amuletten, arm – en beenbanden.

11

Pruiken Zowel mannen als vrouwen droegen pruiken ( van mensenhaar ). Dit had zo zijn ‘voordelen’: - Bescherming tegen de hete zon - Het is frisser en hygiënischer. - Een teken van rijkdom. Het gewone volk droeg geen pruik. Cosmetica Dit was bij de rijken zeer in trek. Als makeup gebruikte men een witte basiscrème gemaakt van loodwit. Ook geel- rode lippenstift bestond. Oogschaduw maakte men met een laagje kool. Hun nagels werden gelakt, enz … Parfums werden gemaakt op basis van wierook en mirre. Op feesten droegen zowel mannen als vrouwen op het hoof een geparfumeerde zalfkegel die langzaam smolt en zo zijn parfum vrijgaf. Globaal gezien werd de kledij zeker een statussymbool. Door hun kledij en make-up onderscheidden vorsten, priesters, ambtenaren zich van het gewone volk.

12

2. De oudheid ( ca. 800 V.C tot 500 N.C. ) 2.1 De Romeinse tijd (ca. 700 V.C tot ca. 500 N.C. ) 2.1.1 Geografische situatie. In de 6de eeuw V.C. sloten enkelen landbouwdorpjes op de heuvels aan de Tiber zich aaneen. Ze vormende samen de kleine stad Rome. Omdat Rome in een erf vruchtbaar gebied lag, waren de Romeinen voornamelijk landbouwers. Toen steeds meer volksgroepen uit de omgeving Rome kwamen plunderen, zagen de Romeinen zich genoodzaakt de wapens te nemen. Als soldaten beperkten ze zich echter niet alleen tot de verdediging, maar voerden ze ook zelf aanvallen uit. Ze begonnen steeds meer gebieden te veroveren. De Romeinse legioenen onderwierpen eerst Italië. Daarna maakten ze na een lange reeks van oorlogen en veroveringen van bijna alle gebieden rond de Middellandse zee één groot rijk. Dat gebeurde van de 4de tot de 1ste eeuw V.C. Zo is Rome van een klein dorpje uitgegroeid tot de grote hoofdstad van een wereldrijk. De hele Middellandse-Zeewereld kwam onder Romeinse invloed!

De Nederzetting was gunstig gelegen. Namelijk aan de verkeersweg Etrurië 13

( Groot – Griekenland ). Bovendien was de Tiber daar ook bevaarbaar. Zo ontstond er al vlug een markt waar producten uit de verschillende streken van Italië geruild werden. De ligging op heuvels zorgde dan weer voor de veiligheid van de bewoners.

2.1.2 Woning. Wonen in de stad huurkazernes In de stad woonden de meeste mensen in huurwoningen. Door de grote vraag waren de huurprijzen erg hoog. Comfort was er nochtans niet in de huurkazernes. In de 3 tot 5 verdiepingen hoge gebouwen woonden vaak meer dan 200 mensen. Het lawaai van de straat of van de vele andere bewoners drong makkelijk door de dunnen houtwerkmuren in de eigen woonruimte binnen. De verschillende plaatsen in het huis hadden gaan vaste bestemming. De meeste Romeinen leefden er in een paar kamertjes zonder een keuken of toilet. De inrichting was erg bescheiden: bed, kast, opbergkist, tafel en stoelen. Ze woonden, sliepen en kookten er. Draagbare houtskoolbekkens dienden als verwarming en kookstel. Dit was uiteraard gevaarlijk! Zo ontstonden dan ook dikwijls grote stadsbranden. Stromend water was er niet. Dit moesten ze gaan halen aan een Romeinse openbare bron. Toiletten waren er evenmin. Men moest dan maar gebruik maken van de openbare toiletten.

14

De huurblokken waren uit weinig stevig materiaal opgetrokken zodat er meer dan eens instortingsgevaar was.

herenhuizen De rijke Romeinen woonden in grote luxueuze herenhuizen in de stad. Naar de buitenwereld toe waren ze bijna geheel afgesloten: lange buitenmuren, geen ramen op de benedenverdieping ( Veiligheid! ).

Via het voorportaal kwam men in een gang die naar het atrium ( een soort binnenplaats ) leidde. Deze ruimte was in het midden open en eronder was een regenbekken. In het atrium ontving de 15

heer zijn gasten en beschermelingen. De kamers rond het atrium waren nog woon – of slaapruimten. Later werd aan het atrium een zuilenhal met binnentuintje aangebouwd. De slaapkamers die hierop uitkwamen waren altijd koel en rustig. Onder de zuilengalerij konden de kinderen spelen. In de verste hoek stond het altaar voor de huisgoden. Rond deze open binnenplaats bevonden zich ook de keuken en een ruime gezelschapskamer of eetkamer. De eetbanken boden plaats aan 3 personen. Slaven dienden het eten op. Zij sneden ook het vlees zodat men met één hand kon eten. Ze lagen dan ook neer waardoor ze op één arm moesten steunen. De Romeinen aten inderdaad met de handen of met een lepel. Naast de eetkamer bevond zich een kleine keuken. Daar stond een verhoogde haard van steen of baksteen. Potten en pannen werden er verwarmd boven een houtskoolvuur. Sommige grote huizen hadden zelfs een badkamer. Maar de meeste Romeinen gingen liever naar de openbare badhuizen. Dat was een sociaal gebeuren. Deze elitehuizen waren prachtig versierd en luxueus ingericht. Wonen op het platteland Eenvoudige woningen … De kleine boeren woonden in armzalige boerderijtjes, opgetrokken uit materiaal dat ze in hun onmiddellijke buur vonden zoals leem, riet, stro en hout. Maar van deze woning is vrijwel niets overgebleven. Villa’s De grootgrondbezitters hadden op het platteland uitgestrekte landgoederen. De villa was vaak in een mooie en gezonde omgeving gelegen en was in feite een groot buitenverblijf waar alle mogelijke voorzieningen voorhanden waren: bibliotheek, rust – en studeerkamers, ruimte om te baden, eet-, slaap- en voorraadkamers …

16

De woning werd verwarmd door middel van ‘centrale verwarming’. Vanuit de ondergrondse stookplaats werd warme lucht via kanalen onder de vloer doorgevoerd.

De villa bevond zich meestal midden in een park met aangelegde tuinen met vijvers, fonteinen en standbeelden.

17

2.1.3 Kledij. Mannenkledij De Romeinse mannen droegen een tuniek die tot de knieën reikte en verschillende soorten mantels (o.a. de toga). Onder de tuniek droegen ze een lendendoek of een soort broek. Welgestelde Romeinse mannen werden vaak togati (togadragers) genoemd. De toga was een onpraktisch kledingstuk dat slechts diende als statussymbool. Van hen werd verwacht dat ze , als ze uitgingen, een toga over hun tuniek droegen. Dit was een grote lap van fijne witte wol met een rechten ellipsvormige zijde die om het lichaam werd gedrapeerd. Het omslaan van dit kleed was erg ingewikkeld, zodat hulp van slaven en dienaren nodig was. De toga’s werden in de loop van de tijd steeds groter en verfijnder. de tunica De tunica is een wollen kleed dat uit twee aan elkaar genaaide stukken stof bestond. Om het middel werd de tunica met een gordel samengehouden. de toga De toga is gemaakt uit één stuk zware, witte, wollen stof. Deze doek werd op een ingewikkelde manier om het lichaam gedrapeerd. Voor dit karwei hadden vele rijken zelfs een aparte slaaf! Het was de officiële kledij van de vooraanstaande Romeinse burger. De toga werd het symbool van gezag. In het dagelijkse leven was dit kledingsstuk niet zo van belang, omdat je er niet gemakkelijk in kon bewegen, want dan vielen de plooien verkeerd.

18

Rijke jongens tot en met 16 jaar droegen een toga met een purperen rand. Ook senatoren, de regering van het Romeinse rijk, droegen de toga met purperen rand. Op hun 16e verjaardag leverden de jongens hem in voor een onversierde, kale toga. Deze plechtigheid betekende dat de jongen nu volwassen was. De enige die een geheel purperen toga mocht dragen was de keizer van het Romeinse rijk. Welgestelde Romeinse mannen werden vaak togati (togadragers) genoemd.

19

Vrouwenkledij De Romeinse vrouwen droegen een tuniek van wol of linnen en soms een mantel. De rijken droegen geïmporteerde weefsels als Chinese zijde of Indiase katoen. De tuniek die de vrouwen droegen werd ook wel stola genoemd. Welgestelde vrouwen droegen over hun tuniek een palla, een omslagmantel, die lang genoeg was om over de schouders en/of om het hoofd geslagen te worden en tegelijkertijd de knieën te bedekken. De Palla was zoals de toga ook van wol. De meeste vrouwen kozen felle kleuren uit voor hun stola en palla. Vrouwen droegen een onderkleed. de tunica Ook de vrouwen droegen een ( lange ) tunica op het blote lichaam. Onder of boven dit hemd werd een beha gedragen. de stola De stola werd boven de tunica gedragen en was een lang gewaad dat met een ceintuur samengehouden werd. Palla/mantel De palla was een omslagmantel die lang genoeg was om over de schouders en/of het hoof geslagen te worden en om de knieën te bedekken.

20

21

22

2.2 De Grieken ( ca. 700V.C – tot ca. 500 N.C.) 2.2.1 Geografische situatie Griekenland is een bergachtig land met tal van kleine, omsloten vlakten. In die vlakten ontstonden steden, die zich ontwikkelden aan de voet van de hooggelegen burcht. Zo’n burcht, die meestal op een rotspunt hoog boven de vlakte lag, was vrij gemakkelijk te verdedigen. De mensen konden zich erin terugtrekken als ze de vijand niet aan de grens van hun stad hadden kunnen tegenhouden. Door de gunstige ligging kenden de steden een grote bloei. Er werden steeds meer huizen gebouwd. Er was een tempel en een marktplaats, de bazaar. De steden beheersten het omliggende platteland en groeide uit tot kleine rijken Deze kleine rijken kregen de naam stadstaten. Een stadstaat is een staat bestaande uit een stad met een eigen onafhankelijke rechtspraak, belastingen en verdediging. Gewoonlijk liggen er nog wat dorpjes of gehuchten ( Een soort van dorp maar het is te klein om een dorp te noemen. ) omheen. Vaak woonde de meerderheid van de bevolking in deze dorpen, maar het bestuur was altijd in de stad geconcentreerd. Een belangrijke stadstaat was Athene. In de 5de eeuw V.C. woonden er in de stad en in de dorpen daarrond zo’n 300.000 mensen. Slechts 40.000 daarvan waren burgers: vrije mannen vanaf 18 jaar. Alleen die burgers hadden medezeggenschap in het bestuur van de stadstaat. Enkele duizenden waren erg rijk. Dat waren vooral de kooplieden of grootgrondbezitters. De rest van de bevolking bestond uit winkeliers, ambachtslieden, boeren, vissers en slaven. Veel van die mensen waren zeer arm. De Griekse wereld strekt zich uit rondom de Egeïsche Zee. Veel vruchtbare landbouwoppervlakte was er niet, maar de nabijheid van water maakte natuurlijk de grote bloei van de zeevaart mogelijk.

23

De Grieken waren dan ook in de eerste plaats zeehandelaars die overal op de kusten van de Middellandse Zee en van de Zwarte Zee kolonies ( gebied dat aan een ander land toebehoort, en waar volksplantingen plaatsvinden ) stichten. Vooral streken met goede landbouwgrond waren voor hen heel aantrekkelijk. De Belangrijkste kolonie was Groot-Griekenland, gelegen in Zuid-Italië en Sicilië. Behalve kolonies stichtten ze ook handelsplaatsen die later uitgroeiden tot grote steden, zoals Malaga in Spanje en Marseille in Frankrijk. 2.2.2 Woning Gewone huizen. De meeste huizen zijn eenvoudig beschilderde lemen muren op stenen fundamenten, met platte daken waar de mensen in de koele avond zitten. De huizen zijn vrijwel brandvrij door gebruik te maken van lemen muren. In dit klimaat hebben de huizen ook geen centrale verwarming nodig. De bewoners hebben draagbare houtskoolkomforen ( komfoor = verwarmingsstel ) tegen de winterkou. De rook ontsnapte door een gat in het dak. s’ Avonds geven toortsen en olielampen licht, maar de Atheners werken weinig met kunstlicht. De hele familie sliep in één vertrek en daar waren ze al heel blij mee. Het huis dienende enkel als beschutting tegen de brandende zon overdag en de koelte ’s nachts.

Huizen van rijke burgers. De huizen van de welgestelde burgers waren van gedroogde klei. Natuursteen werd alleen voor de fundamenten ( het onderste gedeelte van het huis ) gebruikt. Houten balken vormde het geraamte. Op het dak lagen pannen.

24

Het huis bestond uit twee verdiepingen. Op de benedenverdieping waren de ontvangstkamer, de keuken, de badkamer en het toilet. In de keuken werd op houtskool het eten bereid. De ontvangstkamer was het mooiste vertrek. De houten of bronzen meubels waren soms ingelegd met kostbare metalen en ivoor. Op lange banken lagen de mannen er te eten. Vrouwen mochten daar niet komen. Zij hadden eigen vertrekken op de bovenverdieping of aan de achterkant van het huis. Op de bovenverdieping waren ook de zit- en slaapkamers. Slapen deed men op houten ligbanken met dekens en kussens. De kleren werden in manden en kisten opgeborgen. ’s Nachts werd verlicht met olielampen. De meeste woningen hadden een open binnenplein (aule), dat met zuilen was omringd. Aan de zijkanten hiervan waren de kamers voor het eten en slapen, opslagkamers en cellen voor de slaven, die uitgaven op het binnenplein. Maar de slaven leefden soms op de bovenverdieping. Bij het binnenkomen van het huis, stond er in het binnenplein een huisaltaar dat meestal was gewijd aan de God Apollon of god van de straten. Er was ook een houten trap naar boven. De ramen zijn vrij klein en slechts een paar ramen van de bovenverdieping zie uit op de straat. Dit als beveiliging tegen inbrekers en om de koelte te bewaren. .

25

2.2.3 Kledij In het oude Griekenland was de vrouw verantwoordelijk voor het spinnen, weven en vervaardigen van de kledingsstukken voor het hele gezin. Dit waren de eigenschappen die, volgens de toenmalige opvattingen, haar tot een optimale huisvrouw maakten. Rijke vrouwen lieten zich uiteraard bijstaan door hun slavinnen. Met ander woorden, er was sprake van textielproductie binnenshuis.

Mannenkledij De man droeg een tuniek ( de chiton ) en een mantel ( de himation ). De chiton hangt over zijn gordel heen. Jongere mannen droegen soms alleen een himation, over één schouder geslagen en rond de heupen gewikkeld. De chiton ( een tuniek ) De chiton is een kledingstuk dat oorspronkelijk voor mannen bestemd was, maar later ook door vrouwen werd gedragen. Er bestond zowel een lange als een korte variant. De chiton werd gevormd uit een grote rechthoekige lap. Als materiaal werd geen wol gebruikt, maar linnen. Dit maakte dat het kledingstuk lichter en soepel. Het kledingstuk kon met een ceintuur afgewerkt worden.

26

De chiton kon zeer wijd zijn. Soms wel breder dan de spanwijdte van de armen. Dit zorgde ervoor dat de chiton in duizenden prachtige plooitjes rond het lichaam viel. De chiton van de man was meestal minder wijd. Mannen gaven in het dagelijks leven de voorkeur aan de kortere variant van de chiton, omdat die meer bewegingsvrijheid gaf. Bij speciale gelegenheden en door oudere mannen werd de lange chiton gedragen. De himation( de mantel ) Over de chiton heen, kon door mannen en vrouwen een mantel worden gedragen. Ook dit was een rechte lap, die op zeer veel verschillende manieren om het lichaam gedrapeerd kon worden, al dan niet vastgespeld op de schouder. Soms kon ook het hoofd met de himation worden bedekt. Vrouwenkledij De chiton ( tuniek )was gemaakt van één rechthoekig stuk stof Dit stuk stof werd in tweeën gesneden en van de nek tot de ellebogen op verschillende plaatsen samengeknoopt om een mooi effect met losse mouwen te krijgen. In de taille werd hij met een gordel bijeen gehouden. tuniek De tuniek was een lang en mouwloos kledingstuk van linnen of katoen dat rond het middel met gordel was vastgesnoerd Sierraden Ringen, armbanden en halssnoeren werden veel gedragen. De meeste sieraden waren gemaakt van goedkoop brons en soms van glas. Veel vrouwen lieten gaatjes in de oren maken voor oorringen. Versierde doekspelden hielden de kleding bijeen.

27

3. De middeleeuwen ( ca. 500 tot 1500 ) 3.1 De eerste middeleeuwen ( ca. 500 – ca. 1000 ) 3.1.1 Geografische situatie. Ben je als eens in de Ardennen geweest? Dan weet je dat je er uren in de bossen kunt rondwandelen zonder bijna een mens te ontmoeten. Zo ongeveer moet je heel België voorstellen in de Middeleeuwen. Men schat dat de helft van de grond natuurlandschap was. Dat is grond die niet door de mensen bewerkt is: bossen, heide, moerassen, schorsen, …

28

Hier en daar leefden in dat natuurlandschap groepjes van mensen. Ze waren landbouwers en deden ook aan veeteelt. Wat ze produceerden, was voor hun eigen gemeenschap. Wegen die de verschillende gemeenschappen verbonden, was er nauwelijks. Dat wou dus zeggen dat wanneer de oogst mislukte, het hele dorp zonder voedsel zat. In de 7de eeuw was West-Europa dus eigenlijk één groot woud. Het was een natuurlijke voorraadschuur. Het Zoniënwoud in ons land is daar nog een overblijfsel van.

Tot in de 12de eeuw was het grootste deel van Europa bedekt met bos. De dorpen met hun akkers waren eilandjes in een zee van bos, heide en veen. Van elke 100 ha werden er maar 1 a 2 bewerkt door boeren. Het bos was zeer belangrijk voor de mensen. Het was hun natuurlijke voorraadschuur. Hij haalde er hout voor zijn woningen, werktuigen, gebruiksvoorwerpen of brandstof. Dieren, bijvoorbeeld varkens, zochten er voedsel. Mensen plukten er kruiden en vruchten van wilde fruitbomen. Via jacht kwam men aan vlees, bont en kruiden. Wanneer er nieuwe landbouwgrond nodig was, ontgon men een stuk bos: met bijlen, zagen, schoppen en houwelen maakte men in het bos een lapje grond vrij.

29

In vergelijking met nu woonden er in Europa maar weinig mensen. Volgens een ruwe schatting was de bevolking sinds de 2de eeuw gedaald. Die daling werd nog versneld door een epidemie van builenpest ca. 550. Na 600 groeide de bevolking langzaam aan: van ca. 18 miljoen tot ca. 38,5miljoen in 1000.

3.1.2 Woning 1) hutten Het gewone volk woonden in hutten. Die bestonden uit een houten geraamte dat met leem of klak werd bestreken. In het dak van stro of riet was een opening voor de afvoer van rook. De haard lag dikwijls centraal. Het was een verhoogde ronde of vierkante stenen plaat waarop houtblokken brandden. Meestal was er slechts één enkele plaats waar mens en dier samenwoonden. Er waren slechts kleine raampjes zonder glas. De vloer bestond uit gestampte aarde.

2) De Frankische villa

30

De heren woonden in een versterkte woonplaats, namelijk een Frankische Villa. Ook hier was het bouwmateriaal van hout. De daken konden bedekt zijn met pannen, overblijfsels van de Romeinse villa’s. Het gebouwencomplex was omringd door een houten palissade. Op de voorgrond was er een plein met een zuilengalerij. Daar kwamen de kamers van vooraanstaande dienaren op uit. De toren was de woonplaats van de heer en was de voorloper van de donjon in een burcht. Bovenaan was er een uitkijktoren met open galerij. Veder waren er ook voorraadschuren, werkplaatsen, stallen, verblijfruimtes voor de lijfeigenen en gastenkamers. 3) De burcht: van houten versterking tot stenen burcht De heren woonden in versterkte hoeven die geleidelijk aan evolueerden tot stenen burchten. Vooral typisch was de mote- burcht. Op een ( kunstmatige ) heuvel werd een houten toren of donjon gebouwd. Dat was de woonplaats van de burchtheer. Daar bevonden zich ook de ridderzaal, de keuken, de voorraadplaatsen, de verblijven voor het dienstvolk en de wapenknechten , de schatkamer, de kerker, … Van de 10de – 11de eeuw werd de burcht uit steen opgetrokken, eerst alleen de donjon, later ook de overige gebouwen. Voor een goede verdediging was de ligging van een burcht erg belangrijk. In een heuvel- of bergachtige streek werd ze bijna altijd op een moeilijk bereikbare hoogte gebouwd. Zo’n burcht noem je hoogteburchten. In een vlakke streek werd de burcht omringd met een brede, diepe gracht. Zo’n burcht noem je een waterburcht. Bijna altijd was de toegang tot de burcht beschermd door een ophaalbrug, met nog een valhek daarachter. De enorme dikke muren en de talrijke verdedigingstorens hadden schietgaten en bovenaan kantelen om de verdedigers te beschermen.

31

Door werpgaten kon men de aanvallers verassen met stenen of met kokende olie. De slottoren of de donjon was nog eens extra versterkt. In dat gedeelte van de burcht woonden de heer en zijn familie.

32

4) De abdij Tijdens de Middeleeuwen was er de kerstening van onze gewesten. Kerstening wel zeggen, bekeren tot het geloof. Bij ons is dat het christelijke geloof. Het monnikenwezen ontstond in Egypte. Kluizenaars trokken zich in de eenzaamheid van de woestijn terug om te bidden en strenge boete te doen. Ze werden monniken genoemd. Soms zochten een aantal kluizenaars steun bij elkaar en gingen samen in een gemeenschappelijk gebouw wonen. Het klooster of de abdij. Dit samenleven verliep volgens een aantal regels. Een abdij of klooster was een wereld op zichzelf. Een versterkte wereld, want de tijden waren onveilig! De kloostergebouwen werden rondom een vierhoekige ruimte aan elkaar gebouwd. Meestal waren ze beschermd door een hoge stenen muur. In het midden bevond zich de abdijkerk met haar zware toren. Op de foto hieronder zie je een voorbeeld van een abdij.

33

Het meest opvallende gebouw is uiteraard de kerk met twee ronde torens en een vierkante toren op de kruisligging van middenbeuk en dwarsbeuk. Vlakbij de kerk bevindt zich het scriptorium. In het scriptorium hielden de monniken zich bezig met het kopiëren van boeken en teksten. Ze schreven niet alleen teksten over, maar versierden ze met miniaturen: zeer fijne tekeningetjes of schilderijtjes. Het kopiëren van handschriften gebeurde met een ganzenveer op perkamentbladen. Het was een moeizame bezigheid. Rechts van de kerk zien we het klooster met de slaap- en wasruimte, de toiletten, de refter, het voorraadhuis en de keuken. Verder was er ook een ziekenzaal, enz… De leerruimte van de monniken was afgesloten van de rest van de gebouwen. We merken buiten de kerk en het monnikenverblijf ook nog andere gebouwen op. Deze gebouwen wijzen duidelijk naar tuin- en landbouw. Er was een moestuin met hoveniershuis en een pluimveehof ( achteraan op de tekening). Op de voorgrond zien we de boerderij van het klooster. Schapen, runderen, varkens, paarden, enz … Aan de linkerkant van de kerk zie je schuren, stallen en werkplaatsen van de handwerklieden. Er konden allerlei ateliers zijn: schoenmakers, zadelmakers, wapensmeden, schildmakers, beeldsnijders, leerlooiers, goud- en ijzersmeden, lakenwevers … Er was ook een brouwerij, ovens, molens en een keuken. Aan de voorkant ( links ) van de kerk bevond zich het wereldlijk gedeelt met het gastenkwartier en zijn keuken, de school en het verblijf van de abt. Kerk en kloostergebouwen werden uit steen gemaakt, de overige gebouwen waren uit hout gemaakt.

34

35

3.1.3 Kledij Gewone volk Het gewone volk droeg meestal een korte wollen tuniek en een linnen broek, bevestigd om het been met wollen beenwindsel. In de winter droegen ze een lange wollen kapmantel die vastgemaakt werd met een speld. Vrouwen droegen korte of lange tunieken. De grove geweven stoffen werden gemaakt door lokale wervers. De kledij van het gewone volk onderging weinig of geen veranderingen en ging over van generatie op generatie tot ze volledig versleten waren. Mannen Een korte wollen tuniek en een linnen broek, bevestigd om het been met wollen beenwindsel. In de winter droegen ze een lange wollen kapmantel die vastgemaakt werd met een speld Vrouwen korte of lange tunieken gemaakt met linnen en wol.

36

Rijke volk De vooraanstaanden droegen lange tunieken uit zijde of linnen en versierd met parels, edelstenen of borduursel. Zijde werd uit het Oosten ingevoerd en was dan ook eer duur. Ridders De riddertijd had uiteraard ook invloed op de kledij. Ridders droegen bij de jacht, tornooien en in het krijgsleven en maliënkolder: een lederen hemd met daarover een kleed van ringetjes. IJzeren platen beschermen borst, armen en benen. De wapenuitrusting bestond uit een harnas, een helm met vizier, een zwaard en een schild. Monniken De monniken trokken een dik wollen kleed, de pij, over een lange tuniek en daarover een schoudermantel met kap. De kleur was meestal bruin of grijs. Net zoals het gewone volksmens maakte de monniken zelf hun kleren. Wol en linnen werd op de domeinen gesponnen en geweven door de vrouwen.

37

3.2 De tweede middeleeuwen (ca. 1000 – ca. 1500 ) 3.2.1 Geografische situatie.

Ontstaan van de steden Hoe? Tussen 1000 en 1300 nam de bevolking toe. Ook door de vernieuwing op gebied van landbouw ( nieuwe werktuigen, vb ploeg ) waren niet alle handen meer nodig in de landbouw. Veel arbeidskrachten moesten nu werk zoeken buiten de landbouw en dit

38

werden dan de nieuwe handwerkers en handelaars in de opkomende steden. Waar? Aan de hand van het kaartje hierboven leren we waar de middeleeuwse steden ontstonden. De kooplui zochten plaatsen uit die aan twee essentiële voorwaarden moest voldoen.

1) De plaatsen moesten voor de handel gunstig gelegen zijn. De kooplui zochten plaatsen waar ze gemakkelijk hun koopwaar konden overladen of tijdelijk stapelen. Geschikte plaatsen waren: • de samenloop van twee rivieren vb. Gent • Een handelsweg te land die een waterweg kruiste. Bijvoorbeeld Brussel, Leuven, Maastricht, enz. • De kust of een brede riviermonding. Bijvoorbeeld Antwerpen, Brugge, Londen, … 2) De plaatsen moesten veilig zijn. Eeuwenlang was veiligheid een groot probleem. Het is dan ook logisch dat de kooplieden dit aspect zeer belangrijk vonden. Ze zochten goed beveiligde woonplaatsen. Daarvoor kwam in aanmerking: • Oude Romeinse steden • Grafelijke of hertogelijke burchten.

39

3.2.2 Woning Wonen in de stad 1) houten huizen voor het gewone volk. De huizen hadden een houten geraamte. Het geraamte werd opgevuld met klei en stenen. Als dak gebruikte men stro. Het is zo duidelijk dat deze materialen een groot gevaar zijn voor brand. Men had nochtans strenge brandvoorschriften: bij brand moest er alarm geslagen worden. Alle inwoners moesten een aantal leren emmers bezitten en sommigen een ladder. De woningen waren zeer smal. Minder dan 5 meter breed. Elke verdieping sprong een beetje naar voren uit zodat er meer ruimte was. Dit waren overkragingen. Zo werden de al smalle straatjes als het ware overdekt en nog duisterder. In belangrijke straten op pleinen stonden de huizen aaneengesloten en min of meer gelijnd. De puntgeveltjes van vele houten huisje waren goed zichtbaar. Huisnummers bestond nog niet. Wel waren er uithangborden aan de gevels.

Meestal bestond een huis uit twee verdiepingen. Een 40

beneden- en een bovenverdieping. De benedenverdieping had vooraan een winkel of een werkplaats die open was naar de straat. De vensterluiken konden half naar boven en half naar beneden openklappen. Zo werd een luifel en een werk- of toonbank gemaakt. Achteraan bevond zich de keuken die tevens als woonkamer diende. De belangrijkste kamer zag er zo uit: een planken vloer, een haard, rieten vuurscherm, een muurkast, wat schabben aan de muur, een paar kisten, een opklapbare tafel of een schraagtafel, een viertal stoelen ( driepikkels), een werktafel, … Tot de verdere inboedel konden ook behoren: kandelaars, manden, kussens, een patroonheilige in hout of aardewerk. De bovenverdieping was doorgaans een grote ruimte, een soort zolder, die als slaapruimte dienst deed. 2) De woning van arme dagloner ( bedelaar ) De woning van een dagloner was een éénkamerwoning met een rieten dak. Het rookgat in het dak liet de rook van het open vuur buiten, maar ook de regen binnen. De vloer was van aangestampte aarde met zand of stro en afval erop. Metalen voorwerpen waren er niet. De huisraad ( potten, pannen, … ) was uit aardewerk of hout. De inboedel bestond verder uit manden, lompen, touw en één mes. Ratten, muizen, luizen, vliegen, kakkerlakken … woonden er ook.

41

3) De woning van de rijke patriciërs De rijken konden zich stenen huizen veroorloven. Het waren de enige woningen in steen op het stedelijke grondgebied. Als meteen aan de gevel kon je hun rijkdom zien: duur ( weten ) bouwmateriaal, gevelversiering, de ligging van de woonst … Binnenin was alle comfort en luxe van die tijd aanwezig: wandtapijten, kostbare meubelen, rijke huisraad. Op de gelijkvloerse verdieping bevond zich een werkplaats, winkel of kantoor. Daarachter bevond zich de keuken. De eigenlijke woning bevond zich op de eerste verdieping. Een gemeenschappelijke woonzaal met vaak de enige schouw van het huis. Op eventueel een andere verdieping bevonden zich de slaapkamers en vaak ook opslagruimtes. De inricht was luxueus: een rijke woonkamer met stenen vloer waar gevlochten rieten matten lagen, muren met hout beschotten en wandtapijten, allerlei meubilair ( kasten; kisten, …) aardewerk maar ook tin, glas en zilver, lusters, olielampen en kaarsen voor de verlichting, …

42

3.2.3 Kledij Lange tijd was er weinig verschil tussen mannen- en vrouwenkleding. Dat ontstond ca. 1400. In de middeleeuwen vond men kleding heel belangrijk. De rijken kleedden zich heel netjes en mooi omdat men aan iedereen wilde laten zien hoe rijk en mooi ze waren. In die tijd had men geen kledingwinkels waar je kant en klaar je kleren kon kopen zoals wij dat nu hebben. Als je kleren wilde kopen dan moest je naar kleermakers gaan. Daar kon je de stof uitzoeken en dan werden je maten opgenomen. Na een patroon te hebben ontworpen, werden de stukken stof in elkaar gezet. De gewone mensen hadden geen geld om zich zo netjes te kleden. Zij droegen eenvoudige kleren: hemden, wollen leggings, mantels, strooien hoeden en petten. Rijke patriciërs De rijke patriciërs uit de steden kleden zich zo weelderig mogelijk. Ze droegen dure weefsels van damast, brokaat en fluweel. Om zich te onderscheiden van de kooplui brachten de hertog, de graaf en de adel een wapenschild aan op de borst.

43

Koopmansvrouwen De koopmansvrouwen droegen een nauw aansluitend kleed. Daarboven werd een bovenkleed uit kostbaar damast of goudlaken gedragen. Het lang haar werd gevlochten en bij de gehuwde vrouw met een sluier bedekt of samengehouden in een haarnet. Een soepele mantel en handschoenen voltooiden de kledij. Mannen De mannen droegen een wambuis over hun kousenbroek ( hozen ). De schoenen waren halve laarzen met randjes. Sommigen droegen een korte tuniek met daarboven een kaproen Volksvrouwen De volksvrouwen droegen een onder- en bovenkleed. Met een veter werd het keurslijfje dichtgeregen. Om de kleren netjes te houden, werd een witte schort aangetrokken.

Gewone man De gewone man droeg hozen en een kort bovenlijfje met een lederen gordel om de lenden. Zowel mannen als vrouwen droegen schoenen tot boven de enkels.

44

4. De nieuwe tijd ( ca. 1500 tot 1800 ) 4.1 Van de middeleeuwen naar de nieuwe tijd. 4.1.1 Woning Kastelen De adel en de rijke kooplieden bootsten de vorsten maar al te graag na. Door de komst van vuurwapens verloren de meesten burchten hun militaire betekenis verloren. Voeger stonden ze in voor de bescherming van het volk. Door vuurwapens is kans op bescherming kleiner geworden. Ze werden dus verbouwd tot luxueuze kastelen, omgeven door uitgestrekte parken en tuinen.

Herenhuizen. In de steden werden prachtige herenhuizen gebouwd met talrijke kamers: een hal, een salon, een eetkamer, een boudoir, een bureau, een bibliotheek, een kapel, een keuken, slaapkamers en talrijke andere vertrekken voor het personeel. De muren waren versierd met wandtapijten, beschilderde stof of tekeningen op papier. Het meubilair was van eikenhout: horlogekasten, commodes, schrijftafels, speeltafels en uitstalkasten met daarin ontelbaar veel porseleinen beeldjes. Einde 18de eeuw werden de waskaarsen in de kristallen lusters vervangen door olielampen. Ook de verwarming werd gemoderniseerd. Naast de open haarden kwamen nu ook smeedijzeren kachels en tegelovens in gebruik. 45

Wonen in de steden Voor de ambachtslieden in de steden was wonen heel wat anders. Naast hun werkplaats die meestal ook hun winkel was, hadden ze slecht één of twee kamers waar ze met hun gezin woonden. De gewone arbeiders hadden het nog slechter. Die woonden met verscheidene gezinnen samen in één huurwoning, meestal een krot met één stookplaats. Het meubilair was erg bescheiden: een tafel, een bak, een paar stoelen, een bed en wat keukengerei Water haalde men uit een put in de straat of op het plein. Hoewel de meeste straten kasseistraten waren, bleven die toch erg vuil. Voor de huizen lagen mesthopen en nachtemmers werden gewoon door de ramen leeg gekiept. Slagers goten het bloed van geslachte dieren voor hun deur weg en geregeld liepen nog varkens rond. Het is dus logisch dat er tal van epidemieën waren die ontelbaar veel slachtoffers maakten. Vooral in de arme buurten. Wonen op het platteland Op het platteland waren de woontoestanden voor de arbeiders al niet veel beter. Knechten en meiden, die bij herenboeren of pachtboeren inwoonden, sliepen in een schuur of op een zolder.

46

De dagloners woonden in hutten, zoals enkele eeuwen daarvoor ( de oudheid ). Daarin leefden ze vaak nog samen met het weinige vee dat ze bezaten. Net zoals de huizen in de steden was het meubilair erg bescheiden: een tafel, een bak, een paar stoelen, een bed en wat keukengerei

4.1.2 Kledij De kunst van de 17de eeuw hebben een sterke invloed gehad op de klederdracht van de rijke bevolking. Het wambuis werd een passende jas met kanten manchetten en kraag. De pofbroek kwam tot aan de knie en werd met een knieband vastgemaakt. Een breedgerande hoed met een grote witte pluim, handschoenen, rijlaarzen en een kleurige schoudermantel maakte de kledij van de mannen af. En omgekrulde snor en een puntbaard waren erg in de mode. De vrouwen droegen verscheidene rokken boven elkaar. Het nauw geregen bovenkleed had een kanten waaierkraag of molensteenkraag. Het kapsel was lang en werd bedekt met een wit kapje of met een brede hoed. De handelaars De handelaren leidden een rijk leven en volgende de Spaanse hofstijl van nabij. De kleding van de mannen bestond uit een nauwe wambuis, een stijve pofbroek en lange kousen. Om de hals vormde de kanten hemdrand een stijfgeplooide kraag. De schoenen hadden de vorm van de voet. Als hoofddeksel droegen ze een baret. De vrouwen droegen een kleed met een strak ingeregen bovenlijf en een wijde hoepelrok. Op hun hoof droegen ze een strak wit kapje of een brede hoed.

47

Arbeiders en boeren. De kleding van arbeiders en boeren was armoedig. Ze droegen een linnen wambuis, een nauwsluitende broek en soms een hoed. De vrouwen hadden ook een hoepelrok maar uit linnen. De afwerking was armzalig. Ook deze vrouwen droegen een witte kap.

Rijke handelaars.

48

5. De nieuwste tijd ( ca. 1800 tot 1945 ) 5.1 Een nieuwe wereld 5.1.1 Geografische situatie In de nieuwste tijd speelde zich de industriële revolutie af. Het zoeken naar een verklaring voor deze industriële revolutie hangt van een aantal factoren af: • de bevolkingsexplosie zorgde voor goedkope arbeidskrachten. • Door nieuwe werktuigen om gebied van landbouw werd het mogelijk om meer mensen te voeden. • Er zijn tal van nieuwe uitvindingen op de markt gekomen. Vooral veel nieuwe energiebronnen. • Nieuwe politieke stromingen. De bevolkingstoename was voor de economie van groot belang. Er ontstond een grote vraag naar voedingsmiddelen, textielproducten, gebruiksvoorwerpen…. Al die mensen moesten gevoed, gekleed worden en er moest een woning voor gezocht worden. Dit was een zeer grote uitdaging voor de economie. Door de industriële revolutie zou aan deze grote vraag voldaan worden; Door de toename van de bevolking waren er ook meer werkkrachten beschikbaar. Meer en meer mensen ging dus in fabrieken werken en minder op het platte land. De mensen die vroeger in hun huiskamer hadden zitten werken, kregen nu een nieuwe werkplaats: de fabriek.

49

5.1.2 Woning Wonen op het platte land: Rijke herenboeren In goede landbouwgebieden, zoals in Midden-België, woonden rijke herenboeren in een grote stenen boerderij met een pannendak. De vruchtbare leemgronden brachten veel op, vooral graan; De veestapel telde veel dieren. Er waren grote schuren en stallen nodig. Voor de veiligheid waren die samen met de woning aan elkaar gebouwd, dikwijls in een vierkant. Wonen op het platte land: Arme pachters In slechte landbouwgebieden, zoals in de Kempen, woonden arme pachters in een kleine lemen hoeve met een strodak. Alle delen van de boerderij lagen naast elkaar onder één dak. Er was geen verdieping. Zo’n hofstede was wel erg klein voor één gezin. De opbrengst was nauwelijks voldoende voor één gezin. De onvruchtbare zandgrond leverde een magere oogst op. De veestapel was klein. De schuur was dan ook niet groot. 50

De stal lag naast de woonruimte, een lage kamer met een vloer van aangestampte aarde. In die woonkamer was ook een grote open haard. Boven het vuur werd in een grote ketel het wintervoer voor het vee gekookt. De koeketel werd met een draaiboom vanaf het vuur via een leuk naar de stal gedraaid. Er werd hout, maar vooral turf gestookt. Voor de verlichting gebruikte men en oliepitje, een zeer eenvoudige olielamp. Voor 1900 was er op het platteland nog geen elektriciteit. Arme boeren bezaten maar weinig meubels: een bed met een zak gevuld met lang stro, een koffer voor het huishoudlinnen, een kast, een tafel, enkele banken en een voetbankje. Wonen in de stad: huurkazernes Steeds meer arme lui verlieten de dorpen om zich in de steden te vestigen. Daar was de industrie en dat betekende misschien werk. Hoop op een betere toekomst. Vlug was er woningsnood. Huiseigenaars buitten dat uit! De arbeiders betaalden zeer hoge huurprijzen voor een éénkamerwoning van nauwelijks 4 bij 6 meter. De ruimte was slecht verlucht en verlicht. ’s Avonds brandde men een stinkende petroleumlamp of vetkaars. Met een kleine gietijzeren potkachel, gestookt met hout of met kolen, verwarmde men zich. Zulke krotten lagen meestal in een tot huurkazerne omgevormd herenhuis of in een poortgebouw of beluik. Poortgebouwen of beluiken waren niet meer dan nauw, meestal doodlopende straatjes of steegjes. Honderden gezinnen moesten het stellen met slechts een paar waterpompen en enkele gemeenschappelijke toiletten. Het afvalwater werd langs een open greppel, die gewoon door de straten liep, afgevoerd naar een gemeenschappelijk riool waarop ook de toiletten waren aangesloten.

51

Sommige bazen hadden het goed voor met hun arbeiders. In de buurt van de mijn of van de fabriek lieten ze eenvoudige, maar handige arbeidershuizen bouwen in bak of in natuursteen. Zo’n woning had beneden meestal een woonkamer, een keuken en een toilet. Beven waren er twee slaapkamers. Één voor de ouders en één voor de kinderen. Elk huis had bovendien een kelder en een kleine tuin. Natuurlijk hadden de mijn- of fabrieksbazen hier voordeel bij. Zo kregen ze meer macht over hun werknemers. Arbeiders die eisen stelden of de reglementen overtraden, verloren bij ontslag niet enkel hun werk maar ook hun huis. Wonen in de stad: herenhuizen In de steden woonden de rijkelui in aparte wijken met brede straten en lanen. ’s Avonds werden die verlicht met stadgaslantaarns. De grote herenhuizen hadden zeer mooie voorgevels. Naast een gelijkvloers en een kelder waren er ook nog andere verdiepingen. Met zulke woningen wilden de eigenaars hun rijkdom laten tonen. Het gelijkvloers bestond uit een ontvangstruimte en een vestiaire. Meestal was er ook een enorm trappenhuis. De voornaamste kamers waren het salon en de eetkamer. Die bevonden zich op de eerste verdieping. In de kelder waren de keuken, de voorraadkamer en de personeelsverblijven. Deze huizen hadden parketvloeren en hadden zeer prachtige meubels. Meestal een nabootsing van vroegere stijlen. De kamers werden verwarmd met vulkachels, gestookte met kolen. Datzelfde gas diende ook voor de verlichting. Er werden ook nog regelbare olielampen gebruikt. Pas op het einde van de 19de eeuw deed de elektrische verlichting haar intrede, maar dan wel alleen in de huizen van de rijkelui. 52

5.1.2 kledij De kleding werd Fransen en erg opvallend. Mannen De mannen droegen een korte of lange vest, een nauwe jas met brede omslagen en hoge kraag en een broek tot onder de knie. De kin zat verborgen achter een grote strik of das, terwijl de haren los tot op de schouders hingen. Een hoge hoed of een steek, een wandelstok en schoenen met een scherpe punt voltooide de kledij.

Vrouwen De vrouwen hielden het bij losse, lange en diep uitgesneden kleden. Deze kleden waren zeer lucht. Het haar werd met een diadeem opgebonden. Op hun hoofd droegen ze een capeline ( hoed ) met vooraan een grote boord. 53

6. De eigen tijd ( ca. 1945 tot … ) 6.1 Wat nog komen zal 6.1.1 woning Door de technische vooruitgang werden ook woningbouw en woninginrichting het werk van specialisten: architecten en ingenieurs. Voortaan werd er veel beton, staal en glas gebruikt. Voor de verlichting werd elektriciteit gebruikt. Meer en meer werd centrale verwarming toegepast. Het wonen zelf werd, in tegenstelling tot andere perioden, zeer belangrijk. Huizen moesten gerieflijk zijn en aangenaam om in te leven. Vanaf de jaren 60 werden veel nieuwe comfortabele woningen gebouwd met een ingebouwde keuken, toilet, een badkamer, verscheidene slaapkamers en een garage. Aan de rand van de steden groeiden nieuwe woonwijken met vooral eengezinswoningen. In de steden of in de omgeving ervan kwamen talrijke flatgebouwen. Meer dan de helft van de Belgische gezinnen bezit thans een eigen woning. Maar nog lang niet alle huizen in ons land beschikken over het nodige comfort. Sommige huizen ontbreken centrale verwarming of douches.

54

Sinds de tweede wereldoorlog steeg de Belgische bevolking met anderhalf miljoen inwoners. De hoge bevolkingsdichtheid en het voortdurend bijbouwen, leidde tot een bijna volledige bezetting van ons grondgebied. België werd een land van de lintbebouwing en van de wanordelijke verkavelingen. Het platteland geraakte meer en meer verstedelijkt. Natuurgebieden en beschermde recreatiezones werden herleid tot kleine lapjes grond. De stadskern, zoals in Brussel en in Antwerpen, werden een opeenstapeling van hoge kantoorgebouwen en uitgestrekte winkelcentra. Bijna elke woongelegenheid verdween er. De bewoners weken uit naar de randgemeente. Vooral in de jaren zestig en zeventig werden de resterende verkrotte buurten geleidelijk bewoond door gastarbeiders.

Verbeterde bij ons het wooncomfort voortdurend, dan was dat niet overal zo. In de Derdewereldlanden verlieten veel armen het platteland. Ze trokken naar de grote steden. Daar hoopten ze werk te vinden. Voor veel mensen bleef het bij een droom. 55

De grote steden in de Derde Wereld groeien nog steeds snel aan. Meer dan de helft van hun bewoners blijven thans aan de stadsrand in krottenwijken. Tienduizenden huizen zijn mensonwaardige kotten van golfplaten, kratten, stro en andere wegwerpmaterialen. De voedsel- en drinkwatervoorziening is er slecht. Elektriciteit en riolering zijn er niet. Scholen en geneeskundige verzorging ontbreken ook. De bewoners leven er in de meest ellendige omstandigheden, maar hebben nog een dak boven hun hoofd. Ongeveer 100 miljoen stedelingen in de ontwikkelingslanden zijn zelfs volkomen dakloos!

6.1.2 Kledij

56

Sign up to vote on this title
UsefulNot useful