You are on page 1of 3

Zwemmen in het Amsterdam - Rijnkanaal In 2002 bestond het Amsterdam - Rijnkanaal vijftig jaar.

Het kanaal verbindt de Rijn met Amsterdam. Omdat het kanaal over een flinke lengte langs de stad Utrecht loopt, besteedde het Utrechts Nieuwsblad er veel aandacht aan. Het tracé is ontworpen door een hoofdingenieur-directeur bij de Provinciale Waterstaat in Utrecht. Ene Anton Mussert, later meer bekent als oprichter en leider van de Nationaal Socialistische Beweging (NSB). Door zijn politieke sympathieën werd hij in 1934 door de provincie Utrecht ontslagen. (Bij de opening van het kanaal werd zijn naam als grondlegger doodgezwegen) Het Amsterdam – Rijnkanaal is tussen 1935 en 1952 grotendeels met de hand gegraven. Door Utrecht werd in de crisisjaren de kanaalaanleg gebruikt voor de werkverschaffing. Handenarbeid, graven, scheppen en kruien in de klei (goed voor het moreel!) door tienduizenden werklozen, terwijl de machines ongebruikt in de buurt stonden. In de oorlog lag de aanleg stil en pas in 1948 werd verdergegaan. In een oud Polygoon journaal zag ik beelden van de graafwerkzaamheden tussen Utrecht en Wijk bij Duurstede richting Tiel en de verbreding van het Merwedekanaal. En na voltooiing, de officiële opening in 1952 nabij de sluizen bij Wijk bij Duurstede door koningin Juliana. In juni 2003 was het kanaal weer in het nieuws vanwege de opening, door prinses Máxima, van de Prins Clausbrug. Een brug die de wijk Kanaleneiland verbindt met Papendorp. Een voormalige polder van de groeigemeente Nieuwegein die volgebouwd wordt met bedrijven. Ik ben geboren in 1948 en heb een herinnering dat ik als kind achter op de fiets zit bij mijn vader. Aan de rand van de wijk Oog in Al, langs de Leidsche Rijn, ligt het, inmiddels al meer dan twintig jaar geleden gesloopte, Chalet den Hommel aan de Leidsche weg. Een horeca – uitspanning voor Utrechters. Vanaf daar op een weg door de polder, waar nu de woonwijk Kanaleneiland ligt, fietst vader de stad uit. Die weg kruist de plek waar nu het kanaal ligt en leidt verder (via de Galecopperdijk) de weilanden in richting Jutphaas, Vreeswijk en Vianen. Ik dacht dat deze herinnering niet klopte, omdat ik er altijd van uit ben gegaan, dat het kanaal er al veel langer moet liggen. Maar gezien voornoemde historie begin ik toch te twijfelen.... Het kanaal heeft lange tijd een belangrijke rol in mijn leven gespeeld. Ik heb in het kanaal leren zwemmen! Tot halverwege de zestiger jaren was het kanaal, langs de rand van de stad, zwemgelegenheid voor half Utrecht. Het kanaal was toen een echt recreatiegebied. In het grasveld langs het water stonden ‘schaapskooien’. Kleedruimten bestaande uit rieten schotten, waartussen je in één gezamenlijke ruimte je zwempak aan of uit kon trekken. Aan de ene kant konden de dames terecht, aan de andere zijde de heren. Vanwege de hoge beschoeiing, hingen aan de kanaalkant trapjes in het water. Samen met mijn vader kuierden we op zondagen vaak langs het water om naar schepen en mensen te staren. Naar ondermeer de drijvende winkel de parlevinker, een klein bootje die handig manoeuvrerend langs varende schepen aanlegt om de schippersfamilie van boodschappen te voorzien. De Utrechtse langeafstandszwemmer Herman Willemse trok er zijn baantjes om te oefenen voor zijn oversteek van Het Kanaal vanuit Calais naar Dover. Op Koninginnedag werd er ‘s avonds nabij de wijk Oog In Al aan de overkant van het water vuurwerk afgestoken. Ook gingen we in mei wel eens kijken naar de jaarlijkse roeiwedstrijd “De Varsity”, nabij Jutphaas, georganiseerd door de Utrechtse roeivereniging Triton. Een evenement wat al dateert uit 1878. Met studenten die na het passeren van de finish door de winnaar, massaal en stomdronken het water insprongen. Maar vooral ging ik vaak met hem zwemmen in het kanaal. Direct bij de kant was het meteen al zo’n twee meter diep. Omdat ik nog niet kon zwemmen, had mijn vader een plek gevonden bij een inham in de oever waar ik kon staan. Die inham lag voorbij de Meernbrug, daar waar nu de Rooseveltlaan loopt. De wijk Kanaleneiland was rond 1960 nog in opbouw. In het achterland lagen nog voornamelijk grote opgespoten zandhopen. De inham was niet zo groot, ongeveer drie bij vier meter. Er kwam een afvoerpijp op uit, voor overloop van water van achter de kanaaldijk. Elk uur ging er een gemaal aan, waardoor zo’n 5 á 10 minuten, water uit de afvoer begon te stromen. Het was zaak om op tijd weg te zijn, voordat je het kanaal in gespoeld werd.

1

Ik had een grote binnenband, waarmee ik mij het kanaal in liet drijven. Ik heb lang met die band in het kanaal gedobberd. Op een dag gleed ik er uit en bleek meteen te kunnen zwemmen! Later kreeg ik op de voortgezette lagere school zwemles en haalde in het binnenbad O.Z.B.I. op de hoek van de Biltstraat en de Wittevrouwen Singel in 1961 op twaalfjarige leeftijd mijn zwemproef. Een ander overdekt bad waar ik wel eens kwam op vrije woensdagmiddagen, was het Noorderbad in Zuilen. Het lag langs de Vecht tegenover het Zandpad. Als opgeschoten knaap ging ik liever met buurtjongens naar het kanaal. Meestal zwommen we dan langs de Johan Wagenaarkade, naast de wijk Oog In Al. Zwemmen naar en van de overkant was een uitdaging. Het kanaal was flink breed en vanaf de kant leek de overzijde niet zo ver. Je moest rekening houden met de voorbijkomende schepen. Soms werd je daarbij gehinderd door de golven die de passerende (snellere) boten veroorzaakten. Door stroming kon je ineens in kouder water terechtkomen en kramp krijgen.
Roep om zwemverbod Tijdens het tweedaagse congres van de Koninklijke Schippersvereniging Schuttevaer te Rotterdam klonk een luide roep om een zwemverbod voor het Utrechtse deel van het Amsterdam - Rijnkanaal. De Schippers beklaagden zich erover dat in de zomermaanden honderden Utrechters het kanaal als zwemwater gebruikten en daarbij lang niet altijd de voorgeschreven vijf meter afstand tot varende schepen in acht hielden. Ook was er veel overlast van zwemmers die op aangemeerde schepen klommen. Schuttevaer-voorzitter J.C.W. van Dam wist de hoog oplopende gemoederen te kalmeren met de mededeling dat de gemeente Utrecht volop bezig was met de aanleg van het grote buitenbad Den Hommel. Wanneer dat eenmaal open zou gaan, kon er serieus overlegd worden over het gewenste zwemverbod Utrechts Nieuwsblad, juli 1965

De scheepvaart bestond merendeels uit rijnaken die door sleepboten werden getrokken. Ze gingen niet zo snel, als de huidige duwvaart in het kanaal. Deze vaak zwaar beladen binnenvaartschepen lagen diep in het water. Het was een sport om, samen met een paar kameraden, je vast te grijpen aan zo’n passerende rijnaak, op de rand te klimmen en je een eind mee te laten nemen. Als je geluk had kwam er een sleep in tegenovergestelde richting. Als het niet lukte op een boot terug te komen, liep je gevaar in Vreeswijk (of Maarssen) te belanden. Je dook er dus min of meer tijdig af en zwom naar de kant, vanwaar het nog een heel eind lopen was tot naar de plek, waar je kleren lagen. De meeste schippers vonden het veelal best en tolereerden de “lift’. Als je pech had joeg hij je er af. Er waren overigens

2

risico’s aan verbonden. Sommige boten hadden in het midden – aan weerskanten – een soort buitenboordmotor, die je beter kon vermijden. Als je de bootrand vastpakte, moest je oppassen dat de dan optredende onderstroom niet de zwembroek van je kont stroopte. Soms was de boot pas geteerd en probeerde je ter plekke de teer er af te boenen met een kluit aarde of je mocht thuis met groene zeep proberen om die rotzooi alsnog van je lijf te krijgen.

Ook deed ik er mijn eerste ervaringen op met de meisjes. Brutaal ging ik zitten bij een meisje die langs de kant lag te zonnen. Om vervolgens genegeerd en weggekeken te worden (..). We hadden nogal eens onze stek op de punt aan het eind van de Kanaalweg, waar het Merwedekanaal uitkomt in het Amsterdam - Rijnkanaal tegenover de Vleutense brug. Het kanaal was daar breder. Waaghalzen durfden het aan om van deze boogbrug af te springen, of zelfs te duiken, wat niet zonder gevaar was vanwege het voorbijkomende scheepvaartverkeer. Ook was er eens een man aan het vissen die een naturistenblad aan ons liet zien. Met foto’s van blote mannen en vrouwen in de vrije natuur. Op één van de foto’s had een man een enorme stijve lul. Zo iets hadden we nog nooit gezien! In 1967 kwam er een eind aan het zwemmen in het kanaal. Het kanaal werd verbreed voor de toegenomen vrachtvaart. We konden blijven zwemmen in het natuurbad “De Liesbosch”, dat lag aan het eind van de Jutphase weg naast het Merwedekanaal. Het had een metershoge springplank en was omzoomd met houten vlonders met daarnaast rijen kleedhokjes. Maar dit zwembad had geen goede naam. Volgens zeggen werden er wel eens ratten gesignaleerd. Het was er dan ook nooit druk. Het werd midden jaren zestig gesloten. Op de weg naar Rhijnauwen, langs de Krommerijn vlak bij de Kromhoutkazerne, was er inmiddels een nieuw zwembad bijgekomen, het ‘Krommerijn Openluchtbad”. De gemeente had ook naast de wijk Oog in Al, vlakbij het kanaal, een groot zwembad ‘Den Hommel’ laten bouwen en breidde dat uit met een groot buitenbad met kristalhelder water. Vanaf dan werden we verplicht om tegen betaling daar ons zwemvertier te zoeken. Ook in mijn verdere leven was het kanaal er. De middelbare technische school ‘Scutos’ op het Kanaleneiland staat dicht bij het kanaal en we flaneerden vaak in de pauzes langs het water. Om een vakantiebaantje te bereiken in de Lage Weide bij een houtzagerij van Jongeneel, ging ik twee keer per dag met een fietspont over vanaf de Keulse Kade. En in de negen jaar dat we in Nieuwegein woonden fietste ik dagelijks over de Jutphase brug naar mijn werk in Utrecht. Nico Jan

3