De geschiedenis leert ons, dat we nooit iets geleerd hebben van de geschiedenis!!

De beschuldiging door kerkvaders van christenvervolging door Joden, en de bewuste opzet van anti-Judaïsme in het Romeinse Rijk tussen 300-428. De Acta Sanctorum Tweede stukje
Christelijke Jodenvervolging
Tot aan de vierde eeuw bestreden Joden en Christenen elkaar met woorden maar de overwinning van de kerk gaf een nieuwe ontwikkeling aan de strijd. De Christenen werden niet alleen officieel erkend maar verwierven ook de uitvoerende macht in het Romeinse Rijk. In de dagen van haar triomf was de Kerk onverdraagzaam ten opzichte van anderen. Daarbij kwam nog een ander aspect, de oppervlakkige bekering tot christendom van de Romeinse upperclass. Hierdoor werden de gelederen van de kerk versterkt met een groepering die al anti-Joods was., Tijdens de oorlogen in de eerste en tweede eeuw hadden de Joden populariteit verloren bij de Romeinse heersende klasse. Het Romeinse leger was voortdurend op zijn hoede voor Joodse opstandigheid en dat was de rijke voedingsbodem van waaruit de kerkvaders hun vijandigheid konden zaaien. Zoals Parkes duidelijk maakt, wordt de Jood in de vierde eeuw helemaal als „mens‟ gezien, zoals blijkt uit geschriften van de vierde eeuw. Hij wordt daarin beschreven als een „monster‟ een theologische abstractie van bovenmenselijke boosaardigheid en sluwheid en van een meer dan menselijke blindheid. Echter dit geschetste beeld klopt niet. Hij is, zoals we net zagen, zelden beschuldigd van een menselijke misdaad en er is in die tijd weinig bewijs tegen hem gevonden door zijn gedrag of handelingen. Gezien de nauwe banden die bestonden tussen de Joodse en Christelijke gemeenschappen, zoals de Codex Theodosianus en canonieke recht laten zien, is het verbazingwekkend dat de mythe van het Joodse karakter konden

blijven bestaan. Maar bepaalde overwegingen geven ons inzicht, maar zeker niet een excuus, voor het voortbestaan daarvan. De meest belangrijke factor was de in die tijd universele opvatting dat het geschreven woord van de Bijbel onfeilbaar was. Voor de vierde eeuwse student gold dat de hele Bijbel geschreven was onder dwang van goddelijke inspiratie. Dit idee werd bijzonder schadelijk voor de Joden vanaf het moment dat alle beloftes in de Bijbel voortaan enkel nog van toepassing waren op Christenen en alle vervloekingen en dreigementen op de Joden gericht waren. Hieruit is de vervangingstheologie voortgevloeid de desastreuse gevolgen voor de Joden zou hebben. De kerkvaders hadden een verwrongen beeld van het Jodendom en beschouwden Israël als monstrueus. Volgens de kerkvaders was er niet één deugdzame handeling in de geschiedenis van Israël. De Joden stelden God voortdurend teleur ondanks alle wonderbare dingen die Hij voor hen gedaan had. De kerkvaders poogden alle slechte daden te scheiden van de hoofdstroom van de geschiedenis van het Joodse volk. Zo kon het christendom alle deugdzame daden in het Oude Testament opeisen als een soort van voorlopen van de latere kerken. Zo ontstond de mythe van de voortdurende Joodse ongehoorzaamheid. Van meet af aan werd hun verwerping als bijna onvermijdelijk afgeschilderd. Dit beeld van de Jood werd verder ingekleurd en bevestigd door de eschatologie van de kerkvaders. Want als zij al verandering van de idee van Joden als geheel verwachtten zou dat alleen bij de wederkomst van Christus gebeuren. A.L. Williams in zijn werk “Adversus Judeaos” en Bisschop Murawski in zijn boek over de Joden in de Werken van de Kerkvaders hebben het oordeel van een aantal Christelijke auteurs betreffende Joden geciteerd. Het is mijn bedoeling, als ook andere voorgaande schrijvers over dit onderwerp de zienswijze van de meest belangrijke kerkelijke schrijvers in de vierde eeuw te onderzoeken om te laten zien hoe deze zienswijze de wettelijke verordeningen ten opzichte van Joden beïnvloed heeft. Tevens wil ik laten zien dat veel van de hedendaagse kerkgemeenschappen en andere groepen of instellingen ook nog in deze tijd, een identieke gedachtegang hebben aan die van de kerkvaders uit de 4e eeuw en hun beschuldigingen aan het adres van Israël onjuist zijn. De Codex Theodosianus kreeg als het ware een nieuw leven in de vorm van BDS (boycott Divestment Sancties). Die net zo antisemitisch zijn als de anti-Judaïsme wetten van weleer. Deze informatie zal dan de achtergrond van de 4e eeuw zijn waartegen het heftige drama van gedwongen bekering en de vernietiging van synagogen zich afspeelt. Monologen tegen de Joden zijn een literaire tak die als bron voor historische doeleinden moeilijk te hanteren valt. De reden daarvan is dat die van de vierde eeuw gebaseerd zijn op eerdere geschriften. Het is niet in deze dialogen waar het overgrote deel van de anti-Joodse propaganda te vinden is maar eerder in

de brieven, preken, preken en commentaren op de Bijbel die geschreven waren door de vierde en vijfde eeuwse Kerkvaders. Excerpten van deze geschriften schetsen ons het meest heldere beeld van wat ontwikkelde Christenen over de Joden geloofden en wat zij hun volgelingen wilden doen geloven. Zonder enige twijfel waren de desastreuze pogroms van de vierde en vijfde eeuw in hoge mate beïnvloed door de misvattingen die gedurende de vierde eeuw gevoed werden door de patristische literatuur. Een selectie uit de werken van de meer invloedrijke vierde eeuwse Kerkvaders samen met de wettige verordeningen tegen de Joden zullen de gestage druk van antisemitische literatuur gedurende deze jaren aantonen. Evenals de constante inspanning om Christelijke volgelingen het beeld van „Bijbelse monstruositeit‟ en niet de van de „mens‟ voor te houden zolang de Jood beschouwd werd als een bedreiging voor de Kerk. Het succes van deze propaganda plaatste de Jood in 438 buiten de wet. De lezer zal op het punt gekomen zijn zich af te vragen waarom de Kerkvaders een zo grote drang voelden om de Joden aan te vallen terwijl zij zelf, afgaande op het bewijsmateriaal, geen aanleiding waren voor de Christelijke woede die over hen uitgestort werd. Op een dergelijke en open vraag kan geen eensluidend antwoord gegeven worden maar een paar suggesties. De Christelijke woede zou te verklaren kunnen zijn uit de vermeende Joodse verwerping en het doden van Christus. Voor de Kerkvaders was dat de meest afschuwelijke misdaad ter wereld. ( Hierbij moet worden opgemerkt dat Christus onder de volle verantwoordelijkheid van de Romeinse overheid terecht werd gesteld) Bovendien waren de Kerkvaders gedurende de eerste eeuw van Christelijke triomf tot razernij gebracht door het verzet van de Joden en hun vermogen tot het doen van zendingswerk (wat later verboden werd). De Kerkvaders zelf werden zelden gedreven door materiele motieven voor hun anti Joodse propaganda maar hun minder theoretisch aangelegde volgelingen deden hun voordeel met deze buitenkans voor Christenen en veranderden synagogen in kerken en Joodse plaat voor munt. Zelfs een oppervlakkig lezen van Ambrosius, Jerome en Augustinus moest de lezer ervan overtuigen dat deze schrijvers oprecht waren en niet uit materieel oogpunt gemotiveerd. De aanval op de Joden werd geleid door deze Christelijke Kerkvaders terwijl hun luitenants en de Christelijke bevolking gretig hun theoretische argumenten volgden ter wille van materieel gewin. De eerste grote schrijver over de Kerk, Lanctius, heeft helaas geen informatie over de Joden. In zijn Divine Institutes maakt hij wel melding van zijn bedoeling om een bijzonder werk over de Joden dat hij van plan was te schrijven waarin hij hun fouten en misdaden meende aan te kunnen tonen. Voor zover wij weten is zijn verhandeling nooit verschenen. De Christelijke dichter, Commodianus, waarschijnlijk uit diezelfde periode, heeft een naamgedicht nagelaten over Joden en Judaizers. Hij noemde zijn gedicht On the Fanatics who Judaize

„Wat! zijt gij half een Jood. Wilt gij dan een half profaan zijn? Voorwaar, gij zult, wanneer dood, niet het oordeel van Christus ontlopen. Gij, die zelf als blind zwerft en dwaas onder de blinden gaat. En aldus leidde de blinde de blinde in de sloot. Gij gaat voort al weet gij dat niet en vandaar onwetend terugtrekt…. Er is geen ongelovig volk als het uwe. O boosaardige lieden, op zoveel plaatsen, en zo vaak terecht gewezen door de wet of hen die luide roepen. En de Verhevene veracht uw Sabbat en verwerpt geheel de volgens uw wet universele maandelijkse feestmalen, dat gij Hem niet de u vereiste offers brengt; wie heeft u geboden een steen te werpen ter uwer verdediging? Indien geen onder u gelooft dat Hij, God, een onrechtvaardige dood gestorven is, en dat zij die geliefd waren gered waren door andere wetten en niet door het leven zwevend aan een boom, dan geloven zij niet in Hem. Dood Zelve is het leven, Hijzelf zweefde voor ons. Maar gij, met uw harde harten beledigt Hem. Een paar jaar later zetten Hilary van Poitiers en Eusebius van Ceasarea dezelfde epitheta voort en beschuldigingen de Joden op dezelfde manier. De spreekwijze „een Jood‟ of „enkele Joden‟ is praktisch onbekend in patristische literatuur. De enkele keer dat Joden in die tijd genoemd worden, betreft het gewoonlijk „de Joden‟ en refereert gewoonlijk aan het verleden. Dit gebruik van vage algemeenheden is een van de manieren die door de Kerkvaders gebruikt werden., Door hun continue preken en geschriften werd de burgerij overtuigd dat hun verwrongen zienswijze van de Jood waar was en dat zij bezoedeld werden zonder dat zij ook maar enig contact met Joden hadden. Het is al genoemd dat Hilary van Poitiers zo puriteins was dat hij weigerde met Joden te eten en zelfs dat hij een groet op straat van een Jood negeerde. Zijn gedrag verbaasde zijn biograaf Venentianus Fortunatus. Dat gedrag valt wel te begrijpen, en niet goed te keuren uiteraard, vanuit het gegeven dat Hilary inderdaad een totaal verwrongen idee over de Joden had. Dat blijkt uit het volgende wat hij over hen geschreven had: “Voordat de Wet gegeven was, waren de Joden bezeten door een onreine duivel die tijdelijk door de Wet uitgedreven was maar meteen na hun verwerping van Christus wederkeerde.” Ín een andere passage, die de eenenvijftigste psalm becommentarieerde, schreef Hilary „dat de sterke man die spot drijft met rechtvaardigen van toepassing is op de Joden die de verdorven mensen zijn die altijd volhardden in hun ongerechtigheid en in slechtheid glorieerden‟. “ Want Israël was machtig toen het in slavernij door God bezocht werd: toen ter wille van hen Egypte bezocht werd door zovele plagen: toen in de drie dagen van duisternis zij het duister niet voelden: toen het Egypte aan zijn lot overliet en het van zijn gouden en zilveren ornamenten beroofde: toen het dag en nacht vergezeld werd door een kolom van rook en vuur… in al deze zaken was het machtig. Maar het was altijd machtig in ondeugd; toen het verlangde

naar de vleespotten van Egypte; toen het uit slechtheid een onheilige slavernij verkoos boven een heilige vrijheid; toen het kalf aanbad; toen het Mozes vervloekte; toen het God haatte; toen het zijn zonen plechtig beloofden als offer aan demonen; toen het de profeten doodde en uiteindelijk toen het de Heer Onze God zelf verraden aan de pretor en Hem kruisigden en die mens werd ter wille van ons. En aldus, gedurende zijn hele bestaan en toen het machtig was gloriërend in onrechtvaardigheid, het was volhardend in onrechtvaardigheid waar het zijn macht toonde. Het is tegen deze verwrongen achtergrond dat de Kerk vele eeuwen lang zou handelen “. Terwijl deze opvatting gevonden wordt in de meeste commentaren en geschriften van de vierde eeuw, de klassieke zienswijze is opgetekend in lijvige volumes van de hand van Eusebius van Ceasaria, de the Praeparatio Evangelica and the Demonstratio Evangelica. Deze twee werken, de eerste van een reeks van vijftien boeken die in zijn geheel bewaard gebleven is en de tweede van een reeks van twintig, waarvan alleen I-X en een fragment van XV over gebleven is, werden voltooid in 311. Zij omvatten het meest complete voorbeeld van Christelijke propaganda ten aanzien van de heidense wereld gedurende dit kritieke tijdperk in kerkelijke geschiedenis. In de Praeparatio Evangelica and the Demonstratio Evangelica. tracht Eursebio het bewijs te leveren van de superioriteit en de grotere anciënniteit van het Christendom ten opzichte van alle andere godsdiensten. In de Demonstratio Evangelica tracht hij de superioriteit van het Christendom over het Judaïsme aan te tonen en het unieke van de persoon Christus. Het grote verschil tussen „Hebreeërs‟ en „Joden‟ is de hypothese van beide boeken. De Hebreeërs zijn het meest antieke volk ter wereld en hun religie is de basis van de Griekse filosofie. Hoewel ze zelf geen „Joden‟ waren zij ook geen niet Joden‟. Zij waren eigenlijk van af het begin „Christenen‟ en leden een Christelijke manier van leven en Abraham leefde als Christen en niet als Jood Moses kwam toen in dit primitieve en „Christelijke leven met zijn speciale wet betreffende de „Joden‟ waar Eusebius geen verklaring voor had Het was nooit de bedoeling dat de wet die hij invoerde enige betekenis had voor niet-Joden en zelfs voor Joden die buiten Palestina leefden was de wet onmogelijk omdat de bepalingen daarin niet zonder tempel ten uitvoer gebracht konden worden. Het is waarschijnlijk dat Eursbio zichzelf hier op deze punten tegenspreekt, maar dat is slechts speculatie. Eusebius is behoedzaam om aan te dringen op én het partijdige karakter van de Joodse wet én op de tijdelijke doelmatigheid, zelfs voor de Joden. Van Mozes tot de Geïncarneerde Hebreeuwse profeten werd voortdurend gewezen op de „nieuwe dag‟ wanneer de oude wet heen zou gaan en een nieuwe dispensatie de plaats zou innemen. Eusebius stelt dat bestudering van Hebreeuwse Schriften alleen waarde heeft waar het profetieën voor het Christelijke tijdperk betreft en vanwege hun historisch concept. Voor Eusebius is de Jood is te verwaarlozen en een

onbelangrijke metgezel van de oudere „Hebreeër‟ die de komst van het christendom voorspelde en tegemoet zag. Hij presenteerde samen met Hilary aan de heidense wereld een complete karikatuur van de Joodse geschiedenis. Door de schaarste aan bronnen kan niet met zekerheid gezegd worden dat de vierde eeuwse vijandigheid ten opzichte van de Joden algemeen was bij de hele bevolking. Uit sommige wetten, in het bijzonder de Canons, schijnt te blijken dat het tegendeel het geval was maar wel dat er al gauw problemen ontstonden wanneer er politieke of godsdienstige tegenstand bijkwam. Latere overlevering beschrijft incidenten waar Joden bij betrokken waren ten tijde van het bewind van Constantijn. Er wordt verondersteld dat er een concilie gehouden werd door Constantijn en Helena tussen de Christelijke bisschoppen, Joodse Schriftgeleerden en Farizeeërs uit Palestina wat uitmondde in een nederlaag en bekering van de laatste groep door Paus Sylvester. Deze vrome fabel werd door een andere geëvenaard, waarin vermeld werd hoe Constantijn zelf de Joden uit het Romeinse Rijk verjoeg als voorbereiding tot de bouw van Constantinopel. De eerste anti-Joodse rellen dateren in werkelijkheid vanaf midden vierde eeuw. Daarbij wordt de Joodse deelname aan de ongeregeldheden in Alexandrië tijdens het bewind van Constantijn tegen Athanasius en zijn opvolger niet meegerekend. Het waren politieke conflicten waar de rol van religie niet meer dan incidenteel was. Als patriarch was Athanasius feitelijk soevereine vorst en bovendien Egyptisch nationalist. In Alexandrië was de Egyptische partij in de oppositie tegen de Joden en Grieken, die om deze reden partij kozen voor de Ariërs. De Joodse bijdrage in de Christenvervolging in Perzië onder Sapor II was ook politiek. De pogrom in Edessa en de Joodse opstand van Dioceasarea waren als plaatselijke incidenten eerder het gevolg van onderdrukking door de Romeinse gouverneur dan een duidelijke religieuze vervolging. De Canons van de kerk concilies van de vierde eeuw brachten de hypothetische aanvallen op de Joden dichter bij de waarheid. Het vroegste nog bestaande concilie betreffende de Joden werd tien jaar voor de publicatie van het antisemitische werk van Eusebius gehouden. Dit was een plaatselijke bijeenkomst in Elvira (Eliberitanum) in Spanje. In 300 was de rechtsbevoegdheid beperkt tot Spanje want oecumenische raden waren pas later mogelijk nadat het christendom gelegaliseerd was en afgevaardigden van de Kerk elkaar konden ontmoeten voor kerkelijke zaken en zonder vrees konden reizen. De belangrijkste taak van de vroegste wetgevers was de introductie van uniformiteit en discipline bij de vele wijd verspreide en gevarieerde Christelijke gemeentes. Dat bleek uit de canons van de kerk. Omdat de kerkenraden in het begin niet specifiek geïnteresseerd waren in de Joden werd ook geen actie ondernomen om daadwerkelijke beperkingen en reglementen op te stellen

voor het leven binnen de Joodse samenleving. Er is echter bewijs dat er grote belangstelling was voor Joods-christelijke verhoudingen en het toont aan hoe nauw het contact was in het begin van de vierde eeuw. Het pre-Constantijnse concilie van Elvira vond rond 300 in Spanje plaats. De canons waren de vroegste vierde decreten die betrekking hadden op de Joden en werden vijftien of twintig jaar uitgevaardigd, voor een soortgelijk edict van Constantijn tijdens een periode van grote onbekendheid met Joodse zaken. Vier van de Elvira canons betroffen de omgang met Joden. De eerste betrof gemengde huwelijken tussen Joden en christen meisjes: ”Aangezien ketters geweigerd hebben toe te treden tot de Katholieke Kerk, dan zullen Katholieke meisjes niet in een huwelijk aan hen gegeven worden: bovendien is het bepaald dat Katholieke meisjes niet aan Joden of ketters gegeven zullen worden; dit is omdat er geen gemeenschap kan zijn tussen een gelovige en een ongelovige. Indien Christelijke ouders tegen dit gebod ingegaan zijn dan moet hen gedurende vijf jaar communie onthouden worden.” Canon 78 gaat samen met Canon 16 omdat daarmee enige vorm van seksuele relatie tussen Joden en Christenen uitgesloten wordt. Op deze manier wordt waarschijnlijk referentie gemaakt aan het hebben van concubines, iets dat in de vierde eeuw heel gebruikelijk was. Wordt de overtreding door een tweede partij vastgesteld dan wordt het de overtreder toegestaan deel te nemen aan de communie op de Dag des Heren nadat hij de wettelijke boetedoening van vijf jaar gedaan heeft. Enige jaren later in de vierde eeuw (ca 380) zou Ambrosius van Milaan in zijn brieven schrijven over de noodzaak voor niet-gemengde Christelijke huwelijken en het belang er van voor de bruid, de bruidegom en de kerk. Ambrosius schrijft: “Onderricht de mensen daarom dat een huwelijk niet gezocht moet worden bij vreemdelingen maar bij christelijke huizen …. Want er is niets ernstiger voor hen dan met een ander ras te trouwen, wanneer de drijfveer van lust en onenigheid en de misdaad van goddeloosheid samenkomen. Wanneer het passend is voor de echtgenoot zelf door de priestersluier en de heilige zegening geheiligd te worden, hoe is het hem dan mogelijk echtgenoot genoemd te worden aangezien er geen eensgezindheid van geloof is? ” De twee andere canons van Elvira betreffende de Joden, benadrukken nog eens de nauwe banden tussen de Joodse en Christelijke maatschappij in Spanje in het begin van de vierde eeuw en willen daar beperkingen in aanbrengen. De eerste van de twee wetten bepaalt dat noch geestelijke noch leek Joodse gastvrijheid mag accepteren.

“ Bovendien is het decreet dat indien een geestelijke of leek met een Jood heeft gegeten hij dan niet de heilige communie mag ontvangen teneinde hem te dwingen zijn leven te beteren. “ In de andere canon is het verboden voor Christenen om hun akkers door Joden te laten zegenen. De straf van excommunicatie geldt voor deze ongehoorzaamheid. Deze canon is van bijzonder belang omdat die aantoont dat landbouw een van de hoofd beroepen was. De vreemde reden die voor onderstaand edict gegeven wordt is dat door een dergelijke ontheiliging de zegening van de akker door een priester nutteloos gemaakt zou worden: “ Het is bepaald dat gezinshoofden gewaarschuwd moeten worden dat zij hun oogsten, die hen door God geschonken zijn, niet mogen laten zegenen door de Joden uit vrees dat zij onze zegening vruchteloos en zwak maken. Een ieder die verondersteld wordt een dergelijke handeling gedaan heeft na dit verbod zal volledig geëxcommuniceerd worden. “ Zouden Christenen de Joden verzoeken deze plechtigheid uit te voeren, dan zou het hen duidelijk zijn geworden dat de Joden een soort ceremonie hielden in hun eigen akkers en daarna een goede oogst hadden. Natuurlijk was een zelfde resultaat gewenst. Wat de Christenen misschien aanzagen voor een soort mystieke rite had in werkelijkheid te maken met de bescherming van de wijngaard tegen mogelijke vervuiling, want een Joodse wijngaard zou onrein worden als druppels wijn daarvan gebruikt zouden worden voor heidense offers. Het verhaal dat door Venantius Fortunatus in zijn „Life of Hilary of Poitiers‟ verteld werd, laat zien dat Hilary helemaal instemde met deze wetten van Elvira. Het is veelbetekenend dat de Spaanse decreten en de Gallische asceet al zo vroeg zulke overeenkomstige ideeën hebben over de Joden, want zoals we al gezien hebben is het maar een paar jaar na het Concilie van Elvira dat Hilary floreerde. Venentianus vertelde ons dat Hilary zo voorzichtig was dat hij “nooit voedsel accepteerde van een ketter of Jood”. Deze meest heilige man verafschuwde de vijanden van de Katholieke Kerk zozeer dat hij niet alleen weigerde om samen met hen te eten, ook weigerde hun begroeting in de straat te beantwoorden. De auteur vervolgt dat “Deze ontzegging van Joodse gastvrijheid tot dan toe blijkbaar moeilijk leek onder voor de sterfelijke mens”. Hier zien we volledige overeenstemming tussen kerk canons en de kerkvaders. Van de kant van de westerse kerken is geen verdere conciliaire wetgeving betreffende de Joden gedurende de vierde eeuw, maar de grote gemeenten van Afrika en de oostelijke helft van het Romeinse Rijk maakten deze stilte goed. De oostelijke concilies suggereren dat daar zelfs nog nauwere banden tussen Joden en Christenen waren dan in het Westen. De canons tonen aan dat vele mensen die in werkelijkheid geen ketter waren maar dat zij verdacht werden van ”Judicerende” neigingen.

Tijdens het bewind van Constantinus maakte het Concilie van Nicea in 325 formeel een scheiding tussen het Joodse paasfeest en het Christelijke Pasen Hoewel de overgeleverde canons die de Joden behandelden tot de eerste behoorden en later vervalst werden, toch komen zij zeer sterk overeen met de geest van de canons van Elvira en waren mogelijk gebaseerd op authentieke wetten Omdat zij in overeenstemming zijn met andere vierde eeuwse kerkelijke wetgeving betreffende de Joden, is het misschien gerechtvaardigd om ze hier samen te voegen met de bovenstaande waarschuwing wat betreft hun authenticiteit, en lijken te zijn gericht op de Joden omdat het de besnijdenis betreft. Bedienden die tegen hun wil door hun meesters gecastreerd of besneden zijn, zullen toegelaten worden tot klerikale rang indien zij waardig zijn. Indien meesters een van hun slaven besnijden of castreren en zo misbruik maken van hun macht over hen en omdat deze meesters ongelovigen zijn die om deze reden hun getrouwe Christelijke bedienden met wrede boosaardigheid vervolgen, op een dusdanige wijze dat hun bedienden onder dwang zijn van, en onderdrukt worden door het geweld van hun meesters, dan kan de bediende in kwestie, ongeacht zijn castratie of besnijdenis en indien hij een man is van goede moraal en verdienste en vervolgens waardig bevonden wordt voor de pij van een geestelijke, toegelaten worden tot de geestelijkheid nadat hij bevrijd en geauditeerd van zijn onderworpen positie. Het concilie van Nicaea decreteerde ook dat huwelijken tussen Christenen en niet-Christenen niet gesloten mochten worden. In deze wetten worden Joden specifiek ingedeeld bij “ongelovigen”: “Betreffende het vermijden van een huwelijk tussen leden van verschillende cultus, laat Christenen uit iedere natie hun vrouw nemen onder de voorwaarde dat de vrouwen het geloof omarmen~maar Christenen moeten hun dochters niet aan een ongelovige uithuwelijken, opdat zij niet besmeurd worden door de perversie van hun mannen en tot Jodin of heiden gemaakt worden door hun zonde en kwade neigingen: en iedereen die dit gebod niet gehoorzaam geweest is zal geëxcommuniceerd worden door de synode.” Deze canon is gelijk aan het zestiende van het Concilie van Elvira en latere edicten in de Codex Theodosianus. Deze wordt later herhaald in de conciliaire wetgeving van de vijfde eeuw. De derde van de vervalste Canons of Nicaea aangaande de Joden betreft de samenwerking van de geestelijkheid en het Jodendom. Volgens dit edict, dat ons weer aan Hilary doet denken, is het geestelijken verboden te eten of zakelijke relaties te hebben met de Joden: “ Betreffende het verbod op woeker en base winst door de geestelijkheid, en betreffende het verbod op gesprek voeren en samen eten met de Joden.”

Geen priester zal geld uitlenen tegen rente of oneerlijke winst nemen of vriendschappelijk omgang hebben met Joden: ook mag iemand niet eten of drinken met de Joden; want dit was verordend door de heilige apostelen, en de gelovige is verplicht hun gebod te gehoorzamen; en de synode zal een ieder in de ban doen die zich niet onderwerpt aan dit bevel. Naast de kerkelijke canons die begonnen met het verkeer tussen Jood en Christen te beperken, werden tijdens het bewind van Constantijn keizerlijke decreten uitgevaardigd aangaande de Joden. Het punt waarop deze officiële wetgeving, bindend voor alle Romeinse burgers, de Joden trof was in verband met hun aandeel in het dragen van de lasten van de decurionate van curie klasse van de gemeentelijke magistraten. De vroegere immuniteit van de Joden voor de decurionate rustte op het feit dat het voor hen onmogelijk maakte een functie te bekleden die offers aan de goden inhielden. Dit was niet langer een excuus in een Christelijk rijk en nieuwe bronnen voor keizerlijke inkomsten waren noodzakelijk. De last van het innen van belastingen waren taken van de curies, de meest onfortuinlijke klasse in het rijk in de tijd van Constantijn. Als gemeentelijke ambtenaren die verantwoordelijk waren voor het innen van belasting in hun gemeenschap werden zij gedwongen enig tekort aan te vullen uit hun eigen fortuin. De belasting ontduiking van de rijken en de groeiende armoede in de Romeinse wereld zorgen ervoor dat deze last steeds zwaarder werd en zeer hoge boetes werden geheven om poging tot ontwijken te bestraffen. Het was geen enkel lid van de decurioraat toegestaan de stad te verlaten of zijn bezittingen te verkopen zonder de meeste stringente bescherming van de keizerlijke schatkist. De klasse was erfelijk en niemand die in de orde geboren was kon hem verlaten. Velen verkozen horige of monnik te worden boven het behoud van deze denkbeeldige eer. De wetgeving die over het onderwerp van curie ging werd gedurende de hele vierde eeuw herhaald want de Joden waren zeker niet de enige groep die de wet probeerden te ontwijken. Het was gebruikelijk om degenen die godsdienstige posities bekleedden vrij te stellen van deze last en aangezien de Christelijke geestelijkheid deze vrijstelling had werd in de eerste wet van Constantijn over dit onderwerp in iedere Joodse gemeenschap aan twee of drie in hetzelfde geval uitstel gegeven: "According to the general law we grant that the Jews be called to the curial office along with all the other classes. But in order to leave something to them as a consolation for their ancient practice, we permit two or three [in each community] as a privilege held in perpetuity not to be named for any offices." Negen jaar later werd deze wet aangevuld, met meer expliciete religieuze functies: “ Zij die zich met volledige toewijding wijden aan de synagogen van de Joden tot de taak van patriarch of ouderling en, als lid van bovengenoemde sekte, deze wet voorzitten, zullen verschoond blijven van alle persoonlijke en civiele

plichten, net als zij die nu misschien decurion zijn; onder geen enkele omstandigheid zullen zij bestemd zijn voor andere taken, omdat deze categorie mannen voor geen enkele reden gedwongen moet worden om de positie die zij nu innemen te verlaten. Bovendien zullen zij die geen curialen zijn tot in de eeuwigheid vrijgesteld zijn van het decurionaat.” Deze wet toont aan dat er tijdens deze periode geen moeite gedaan werd om strenger voor de Joden te zijn dan voor de overige bevolking. De Christelijke ambtenaren in de dagen van Constantijn stonden de Joden niet alleen vrijheden toe aan Joodse functionarissen zoals de nasi dan deze wet, maar herbevestigde hem ook door een speciale oorkonde gericht aan deze personen zelf: “ Wij verordenen dat alle priesters en architectuur van de synagoge en de patres synagogarum (hoofd van de synagoge) en andere die de synagogen dienen zijn vrij van alle persoonlijke diensten ”. De wetten van Constantijn markeren ook het begon van een lange strijd om te verhinderen dat de Joden Christelijke of niet-Joodse slaven besnijden of in dienst namen. “ Indien een Jood een Christelijke slaaf of een slaaf van enig andere sectie dan zijn eigen, dan zal hij de besneden slaaf in dienst houden, maar de man die dit schandaal verduurt heeft, zal het recht op vrijheid hebben. En zo voort “ Deze wet lijkt aan te tonen dat Constantijn De Joden niet onvoorwaardelijk verbood zulke slaven te kopen want als hij dat gedaan had, dan zou het verbod op besnijdenis overbodig lijken. Bovendien zullen latere wetten, over hetzelfde onderwerp wat we bestuderen, laten zien dat Joden vele Christelijke slaven bezaten: de eerste hiervan is de Constitutio Sirmondianis, No. 4, die CTh., 16, 9 aanvult en die ook de datum oktober, 335 heeft. Lange tijd de meest heilzame bekrachtiging van onze verordening, waarvan wij de kracht verdubbeld hebben door de heiligheid van een aanhoudend edict, is openbaar gepubliceerd; “ en wij verlangen dat, indien een Jood het gewaagd heeft een Christelijke slaaf te kopen of te besnijden of een slaaf van enige andere sekte, dat de besneden slaaf, in overeenstemming met de termen van die wet hem zijn vrijheid gegeven zal worden en dat hij alle daarbij behorende privileges zal genieten en het zal niet wettig zijn voor de Jood de voorgenoemde slaaf die hij besneden heeft in slavernij te houden. Bovendien verordenen wij ook dezelfde strafrechtelijke clausule dat, indien een Jood voor zichzelf de deur naar het eeuwige leven heeft open gezet en een dienaar is geworden van de heilige religie en gekozen heeft Christen te worden, dan zal hij niet gemolesteerd worden of geweld verduren van de Joden. Maar als een Jood het durft een tot

Christen bekeerde Jood kwellen of te verwonden, dan Felix, mijn beste verwant, dan wensen wij dat de dader van deze belediging gestraft zal worden volgens de ernst van zijn misdaad. Daarom schenken wij met grote genegenheid ons vertrouwen aan hen die onze trouwe bedienden zijn in de ganse Romeinse wereld aangezien zij eerbied behouden voor het Koninklijk gezag; “en wij verlangen uw excellentie de rechters in uw brieven, die u in het u toevertrouwde bisdom rondstuurt, te helpen herinneren dat zij nadrukkelijk respect voor de Koninklijke macht bewaren.” De opzet van deze wet was de Joden te dwingen slaven te verbeuren die óf Christelijk waren of tot een andere niet-Joodse religie behoorden. Deze slaven verkregen hun vrijheid maar hun Joodse eigenaren werden niet extra bestraft en het was hen blijkbaar niet verboden in de toekomst dergelijke slaven te bezitten onder voorwaarde dat zij ze niet lieten besnijden. In zijn Life of Constantine spreekt Eusebius over deze Joodse wet van Constantijn en voegt als sanctie een boete toe aan haar verordening; de Theodosian Code op deze manier biedt interessant bewijs voor de authenticiteit van de bron van Eusebius voor dit edict: “ Hij (Constantijn) passeerde ook een wet met als resultaat dat geen Christen in dienst mocht blijven van een Joodse meester, op grond dat het niet juist kon zijn dat zij die de Verlosser had vrijgekocht onderworpen zouden zijn aan het juk van slavernij door een volk dat de profeten en de Heer Zelve gedood had. Indien enig iemand in deze omstandigheden aangetroffen werd dan moest de slaaf vrij gelaten worden en de meester gestraft met een boete.” Constantijn kondigde ook een edict af met daarin het verbod dat Joodse bekeerlingen tot het Christendom gemolesteerd werden. Zijn wet is vaag en ontoereikend. Constantijn moest hem aanvullen met verdere wetgeving om hem effectief te maken. “ Het is de Joden niet toegestaan degene die, eens een Jood een Christen geworden is, lastig te vallen of hem enig letsel toe te brengen; beledigingen zullen gestraft worden al naar gelang de ernst van de aanval, enz., enz. (86) Constantijn volgde zijn vader in 337 op als heerser van het Romeinse Rijk. Er wordt soms gesteld dat hij als Ariër wetgeving voorstond die soms hardvochtiger was dan die van het voorgaande bewind. In het jaar na zijn opvolging verscherpte hij de beperkingen van Joodse eigenaren van slaven. Als een Jood een slaaf van een andere sekte of nationaliteit dan zijn eigen in dienst neemt, zal de slaaf onmiddellijk door de publieke fiscus in beslag worden genomen. Wanneer hij de slaaf besneden heeft, nadat hij hem gekocht, dan zal niet alleen zijn slaaf in beslag worden genomen, hij zal ook een lijfstraf ondergaan. En als een Jood slaven gekocht heeft waarvan hij weet

dat zij het heilige geloof aanhangen dan zullen meteen al zijn bezittingen in beslag genomen worden en er zal geen uitstel zijn in het in beslag nemen van die mannelijke slaven die Christen zijn. Parkes zegt dat het aandringen op de rechten van Christelijke slaven tijdens het begin van de macht van de Kerk om wetten te kunnen maken waarschijnlijk twee oorzaken heeft. Voor een Jood was de besnijdenis van zijn slaaf een natuurlijke handeling die bedoeld was voor het welzijn van de slaaf, op deze wijze werd hij een soort lid van de familie van de eigenaar en deelde in zijn religieuze gebruiken. De Kerk kon dit echter gemakkelijk opvatten als een vijandige actie als die slaaf voordien Christen was. De tweede reden was de mate waarin het Christendom was doorgedrongen in de lagere standen van de bevolking. Als de Joden, zoals verondersteld werd, in die tijd belangrijke slavenhandelaren zouden zijn, dan konden zij de Kerk grote schade toebrengen als het hen toegestaan was hun slaven tot het Jodendom te bekeren. Een andere wet van Constantijn uit 339 was duidelijker en specifieker dan de eerdere, namelijk de korte Constantijnse wet die de reconversie van verchristelijkte Joden verbood. “ Wij wensen aan de Joodse oudsten en patriarchen duidelijk te maken dat eenieder die door steniging of een andere soort waanzin (waarvan wij weten dat op dit moment gedaan wordt) tracht een persoon die het ellendige Jodendom verlaten heeft en toegetreden is tot de cultus van God weer terug te bekeren, dat hij en zijn medeplichtigen terstond aan de vlammen gegeven en verbrand zullen worden. Bovendien zal degene die toegetreden is tot hun duivelse sekte en hun ontmoetingsplaatsen regelmatig bezochten zijn verdiende straf samen met hen ondergaan.” Deze wet suggereert dat vele Joden de synagoge hadden verlaten na de legalisatie van het Christendom in het hele Romeinse Rijk. Gerelateerd waren aan diegenen die christen bekeerlingen vanuit de synagoge aanvielen en molesteerden. Dit was meer gerechtvaardigd dan het tweede gedeelte van de wet die verordende dat het een misdaad was Joods te worden. Het anti-Joodse bewustzijn komt nadrukkelijk tot uiting in de tweede verordening, want synagogen werden voor het eerst conciliabula (clandestiene ontmoetingen) genoemd. Dit woord werd nooit voor een godsdienstig gebouw gebruikt want in het Romeinse jargon van die tijd betekende het bordeel. De haat van de christelijke schrijvers die nu de keizer in zijn officiële entourage vergezelden beïnvloedde nu ook de manier van uitdrukken van de wetten. Een jaar of veertien later bekrachtigde Constantius een andere wet die trachtte het verbod op Christelijke terugkeer tot Jodendom te herbevestigen: Volgens een al bestaande wet, als een voormalig Christen Jood geworden was en zich aangesloten had bij profane groeperingen, werd verordend dat al

zijn goederen geconfisqueerd ziuden worden door de keizerlijke fiscus nadat bewezen beschuldiging. Dat terugval niet ongebruikelijk was en een probleem was voor het Christendom in deze tijd, blijkt uit het opnieuw uitgeven van deze wet. Constantius kondigde ook de eerste van vele keizerlijke edicten af die huwelijken tussen Joden en Christenen verboden. Dit toont de keizerlijke erkenning aan van de eerdere canonieke wetten van Elvira en Nicaea en de geschriften van kerkvaders als Hilary en Eusebius van Ceasarea. De wet bepaalde dat elke Jood, die getrouwd was met een christelijke vrouw die in de keizerlijke weverijen werkte, ter dood gebracht zou worden en de vrouw terug moest keren naar de weverij: “ Betreffende de vrouwen, eerder in dienst waren van onze weverijen, die de Jood tot vrouw genomen heeft in hun ontuchtig huwelijk, is het verordend dat zij geretourneerd worden aan de weverij en dat in de toekomst zorg gedragen zal worden dat Joden geen christelijke vrouwen aan hun wangedrag zullen verbinden; doen zij dit dan zullen zij lijfstraffen ondergaan “ Er is geen bestaande wetgeving van Julianus of Jovianus wat de Joden betreft maar Juliaanse brieven aan de Joodse patriarch in Palestina (Epistelen 25) impliceert dat hij enkele van hun belastingen had geschrapt, hoewel dit niet gespecificeerd is. Parkes denkt dat de Wet van Gratianus, die deze lasten van het kantoor van de curie weer ingesteld had suggereert dat Julianus de Joden had vrijgesteld van deze zware verantwoordelijkheid. Er is geen onbetwistbaar bewijs dat Julianus ooit de "Fiscus Judaicus," afgeschaft heeft maar het is mogelijk dat Codex Theodosianus 12, 1, 99, uit 383 hier naar verwijst. In deze wet herroept keizer Gratianus het edict die de Joden beschermt van de curie verantwoordelijkheid Dus als de Joden deze ontheffingen van Julianus gekregen hadden, dan was dat een periode van twintig jaar van rust en voorspoed voor hen voordat de storm zou opsteken. De opvolger van Julianus, Jovianus die maar een paar maanden regeerde, was geen fanaticus en zijn beleid van tolerantie ten opzichte van de Joden en heidenen werd gevolgd door Valens en Valentinus. De enige wetgeving tijdens hun bewind die Joden betrof was die van Valentinus en dat was een protest tegen de schending van Joodse synagogen: “ Beveelt hen die synagogen van de Joden te verwoesten onder het mom van wettig inkwartieren te vertrekken: want het is hen geoorloofd particuliere woningen in te nemen maar niet plaatsen van religieuze verering. “ Valentianus schijnt wel vriendelijk en tolerant tegenover de Joden te zijn geweest. Deze wetgeving was karakteristiek voor zijn bewind en de enige positieve gebeurtenis tegenover de Joden. Zijn latere kroniekschrijvers hebben één ding kennelijk goed onthouden wat blijkt uit het volgende citaat: “hij ( Valentianus) de heidenen tuinen gaf voor hun offers en hetzelfde aan de Joden van Antiochië voor hun erediensten.”

De Kerkregels met betrekking tot de Joden, uitgebracht midden 4e eeuw, benadrukten de relatief milde toon welke het Keizerlijk Bestuur innam. In 341 versterkte de Raad van Antiochië de wetgeving die op het Concilie van Nicea goedgekeurd was. De nieuwe wet verbood Christenen te feesten tijdens het Pesach met de Joden. Dit lijkt erop te wijzen dat de oude data voor Pasen nog werden aangehouden in sommige plaatsen. Het is mogelijk dat deze wet niet alleen verwijst naar het gezamenlijk gebruik door Christenen en Joden van dezelfde datum voor Pesach en Pasen, maar ook naar werkelijke Christelijke deelneming aan het oude Joodse feest: "De Kerkregels van het Concilie van Nicea moeten in acht worden genomen, in het bijzonder Pasen, wat niet samen gevierd mag worden met de Joden" Deze "Judicerende" praktijk is zeker, geïmplementeerd in de preken van Chrysostomus tegen de Joden, slechts een paar jaar later dan de Raad geleverd, en de daadwerkelijke deelname aan het Pesach door Christenen werd opnieuw voorgesteld door de Kerkregels van de Raad van Laodicea uitgegeven in 360 zoals we in voorgaande stukken al hebben vermeld.

Regel 29 van de Raad van Laodicaea benadrukt het verschil tussen de Shabbat en de dag des Heren. Het verplicht Christenen niet te „Verjoodsen‟ (imiteren van de Joden), maar eerder om te werken op de Shabbat en te rusten op zondag: “Het is niet goed dat Christenen zouden „Verjoodsen‟ en nietsdoen op zaterdag; in plaats daarvan moeten ze bezig zijn op die dag. Bovendien heeft het veel meer de voorkeur dat Christenen die willen uitrusten, dit op de dag des Heren ter eren van Hem te doen . Maar als Christenen gevonden zijn die 'Verjoodsen‟ laat ze dan worden vervloekt door Christus”. Kerkregels 37 en 38 doen denken aan Hilary en de Kerkregels van de vroegere Raden, omdat zij probeerden hecht contact tussen Christenen en Joden te verbieden. Kerkregel 37 vereist dat Christenen geen giften accepteren van de feesten van de Joden en ketters en ontzegt Christenen het recht om mee te feesten met deze personen: "Het is niet gepast dat Christenen schenkingen accepteren verzonden door Joden of ketters, noch hen feesten mee vieren”. Kerkregel 38 verklaart dat Christenen geen ongezuurde broden mogen accepteren van de Joden noch deelnemen aan hun feesten. “Het is niet gepast voor Christenen om ongezuurde broden te accepteren van Joden en deel te nemen in hun goddeloosheid".

Deze verordeningen tezamen laten zeker de sterke indruk achter dat zelfs in de 4e eeuw niet alleen Joodse praktijken in de Aziatische Kerk waren, maar dat er eigenlijk ook een religieuze vriendschap met de Joodse inwoners was. De Apostolische Kerkregels, welke een Syrische compilatie van midden 4e eeuw zijn, versterkt deze indruk. Ze handelden nog steeds met de nauwer wordende religieuze vriendschap tussen de geestelijkheid en de Joden in juist die plaats waar het geweld van de monniken het felste was tegen de Joden, Alexandrië. Kerkregel 69 herhaalt het verbod op feesten of vasten met de Joden: Als een Bisschop of andere geestelijken vast met de Joden of feestelijke dagen met hen viert of geschenken van hun feesten aanvaard, zoals ongezuurde broden of iets gelijkwaardigs, zal hij uit de geestelijkheid worden uitgesloten en als een leek deze dingen doet, zal hij worden gescheiden van de kudde. Bovendien is het Christenen verboden om een Synagoge binnen te gaan onder dreiging van dezelfde straf. Als een geestelijke een synagoge van de Joden binnentreedt of ketters om te bidden, zal hij van de geestelijkheid verwijderd worden en gescheiden van de kudde. Een andere Kerkregel verbiedt Christenen om de lampen van Heidense Tempels of van Joodse Synagogen op de feestdagen te verzorgen. Als een Christen olie in een tempel van de Heidenen of in een synagoge van de Joden brengt of hun lampen op het ogenblik van hun feesten verlicht, moet hij worden gescheiden van de kudde. Dit is duidelijk een verwijzing naar de Christelijke bedienden of slaven die taken uitvoerden op de Shabbat die verboden waren voor Orthodoxe Joden. De Kerkelijke wetgeving is in dit geval aansluitend en aanvullend op die van de Romeinse Keizers, te beginnen met Constantijn, die een dergelijke inspanning maakte om Joden te verbieden Christelijke slaven en dienaren te bezitten. Een laatste Apostolische Kerkregel, No 62, lijkt voor een deel te dateren uit de collectie in de tijd van Julian, want het beveelt Christenen hun heilige geloof niet te ontkennen uit angst voor de Joden en ketters; schijnbaar de enige periode waarop dit verbod zou zijn toegepast in de 4e eeuw tijdens het korte bewind van de afvalligen: "Als een Geestelijke op basis van natuurlijke menselijke angst voor Joodse Heidenen of Ketters ontkend of als hij de naam van Christus ontkend, word hij uit de Kerk gezet. Als hij zijn eigen rang ontkend, wordt hij uit zijn ambt gezet . Als hij boete doet, zal hij terug worden ontvangen ( in de Kerk) als Leek”. De dood van Valentinianus betekende het einde van een tijdperk voor de Joden in het Romeinse Rijk. Het 50 jarige tijdperk van milde repressie was ten einde, het tijdperk van de afbraak van het Jodendom was op handen. De hevige verbittering tegen de Joden kwam tot uiting doordat de Christelijke Vaders, in de jaren voorafgaand aan Gratianus‟s bewind, een donkere periode vooruit voorspelde voor het volk van Israël. In hartstochtelijke haat tegen de Joden overtrof, Ephraem Syrus (ob. 373) alle Kerkvaders vóór of na hem. In

veel van zijn bestaande werken raasde hij van woede tegen de Joden. Zijn wrok is merkwaardig, want het is twijfelachtig dat hij er veel kende. Zijn woede was gewekt door Jodendom‟ s krachten van weerstand, want hij werd gedwongen te getuigen naar zijn vermogen bekeerlingen te verwerven, zelfs in deze tijd van ernstige onderdrukking. We leren van Ephraem als van Justin en Origenes dat het oude geloof in deze periode talrijke aanmeldingen vanuit het Heidendom ontving. Ephraem verklaart dat de heidenen zijn misleid door de Joodse missionarissen. Ephraem noemt de Joden de ' besneden vagebonden ‟ en het Jodendom een waardeloze wijngaard die geen fruit kan verdragen Hij verwijst vaak naar de ellendige toestand van de Joden, die hij als een straf zag gezonden door God. Omdat zij Jezus krenkten, verbande de Heer hen uit hun land, en waren zij gedoemd over de hele aarde rond te zwerven. Na Julian 's dood stelde Ephraem vier hymnen samen: de eerste tegen Julian, de tweede tegen ketterijen, de derde tegen afvalligheid, en de vierde tegen de Joden. Uit enkele van deze citaten wordt de strekking van Ephraem's gewelddadige anti-Joodse gevoel geuit: “Het Joodse volk brak uit in gekmakend geluid, de besnedenen bliezen op hun trompetten en verheugden dat Julian een duivelskunstenaar en een aanbidder van afgoden was. Ze zagen wederom het beeld van het beest op zijn goudstukken; ze bekeken wederom de stier van schaamte en danste eromheen met trompetten en trommels, opdat zij in dit beest hun oude gouden kalf zagen. De Heidense stier, bedrukt op hun hart, op munten die hij gestempeld had voor het genot van de Joden, die verliefd op hem werden. De besnedenen bliezen op hun trompetten en gedroegen zich als gekken. Jeruzalem maakte de vervloekte kruisigers te schande die durfden aan te kondigen dat zij de ruïnes, alwaar hun zonden waren volbracht, zouden herbouwen. Er brak brand uit en vernietigde de geleerden die in Daniël hadden gelezen dat de verwoesting altijd zou standhouden. Kijk, Christenen leven in vrede, vrij van het bezit, vrij van contact met de dienaren van de duivel.” In de geschriften van de pseudo-Ephraem, samengesteld op Nisibis misschien wel veertig jaar na de dood van de echte Ephraem's, zijn er meer tirades tegen de Joden. In De Magis wordt gezegd: "Hij die eet met de magiërs zal het lichaam van onze Heer niet eten, en hij die drinkt met de tovenaars zal het bloed van de Messias niet drinken, en hij die eet met de Joden zal het eeuwige leven niet erven. Iedereen die gegeten, gedronken en zich vermengd heeft met de Joden gaat verder mee in de beschuldiging dat hij de kameraad van de kruisigers is geworden".

In „De Waarschuwing‟ worden de lezers gewaarschuwd voor het deelnemen aan de feesten van de Joden. De door de kerk aangewezen Psalm 50 tegen de Joden geleverd op Palm Zondag zegt dat: " De wijnstok van Israël is gebroken, de Heidenkerk aanbidt, maar de Joden zijn verontwaardigd, opdat zij de Koning hebben verworpen. Zoals de Vader werd ingeruild voor een kalf, zo was de zoon voor een dief en moordenaar “. De Joden zouden de Heilige Geest hebben gekwetst en daarom zijn ze terecht gestraft. De Kerk voldoet aan alle profetieën, hoewel de Joden de betekenis van Jezus ook in de Tenach verzuimen te zien . “Laat hen beschaamd zijn en toegeven dat hij Christus is!" Psalm 44 geeft aan dat de pseudo-Ephraem enige persoonlijke bekendheid met het Jodendom had, maar het werk is niet van belang voor het daadwerkelijk kunnen aantonen van anti-Joodse gevoelens, omdat het zich voornamelijk met theologische abstracties bezig houdt. De Syrische Kerkvader Aphrahat was ook bepaald antisemitisch, maar milder dan Ephraem. In zijn Preek, geschreven omstreeks 345, geeft hij een geordende uiteenzetting van het Christelijk geloof aan een vragensteller. In Preek I vraagt hij iedere lezer zich van het observeren van de uren, Sabbatten, de nieuwe maanden en de jaarlijkse feesten van de Joden te onthouden. In Preek XI (de besnijdenis) zegt hij dat degenen die besneden zijn in kern gezegend zijn en wedergeboren worden in de wateren van de 2e besnijdenis. De volgende, Preek XII (het Paasfeest), heeft betrekking op de naleving van Pasen en het Pascha. Het grote Joodse feest kan alleen in Jeruzalem worden gehouden, zegt Aphrahat, hoewel de Joden nog steeds denken dat ze het via hun groepsverspreiding kunnen houden. Ze hebben het zelfs gedurfd om een ark te maken, hoewel Jeremia zei dat deze nooit meer gemaakt kon worden. Dit zijn typische voorbeelden van Aphrahat 's denken. Over het geheel genomen maakt hij weinig directe verwijzing naar het Jodendom van zijn tijd. Toch wist hij, en had hij lovende woorden over de Joden en hun leerstellingen en onderhield hij nauw contact met hen. Hij lijkt toch te hebben gevreesd dat een aantal van zijn schare zou worden blootgesteld aan het gevaar om te worden afgeleid door Joodse praktijken en argumenten. Athanasius, Orthodoxe Alexandrine Bisschop, heeft een aantal strenge dingen te zeggen over de Joden. In zijn (Oratio de incarnatione verbi) „redevoering over de menswording van het Woord‟, beweert hij dat de Joden het geloof van de Christenen bespotten en met de ware profetieën van de vleeswording spotten. St. Basil had ook weinig nut ? van Joden. In zijn Preek XXIV, zegt hij:

"De Joden strijden met de Heidenen, maar beiden vechten met de Christenen, net zoals de Assyriërs en anderen vijanden waren voor het oude Israël. Wij Christenen moeten dus de godslastering van de Joden die Gods Zoon slachtte voorkomen, uit angst voor besmetting van hen. In Basil 's nabeschouwing op Jesaja zijn verdere anti-Joodse getuigenissen. De Joden scheurde Gods ogen uit wanneer ze de Heiland aan het kruis nagelden. Bovendien is het bloed van de Zoon voor eeuwig op hen en op hun kinderen. De Joden werden uit gevonden door hun hardheid van hart; zij kozen noch voor het pad van het leven door goede daden, noch voor het veranderen van hun valse ideeën en geloof in Christus”. Gregorius van Nyssa en Gregorius Nazianzen zette deze traditie voort. De voormalige stelde een langdurige (Testimonia adversus Judaeos) „Getuigenissen tegen de Joden‟, die Bijbelse teksten presenteert aan de verwarring van de Joden over de volgende onderwerpen: (1) De komst van Jezus Christus in het vlees. (2) De geboorte van Jezus uit een maagd. (3) De wonderen van Christus. (4) Het verraad van Christus. (5) Het Lijden van Christus. (6) Het kruis en de duisternis toen Christus stierf. (7) De opstanding. (8) De Hemelvaart. (9) De Glorie van de kerk. (10) Besnijdenis. (11) Offers. (12) De viering van de shabbat. (13) The Teken van Kaïn. (14) Het Evangelie. (15) Het ongeloof van de Joden. (16) De Joden vóór de wederkomst van Christus. (17) De Naam van Christenen. (18) De angstaanjagende van Herodes en zijn metgezellen. (19) Doop. (20) De Afdaling van de Heer in Egypte. (21) De Heilige Geest. Deze catalogus van de anti-Joodse punten van argumentatie is hier opgenomen omdat het heel typerend is dat materiaal dat wordt gebruikt in andere werken tegen de Joden, samengesteld werd op dit moment (vierde eeuw). Er is geen verhandeling van vergelijkbare grootte tussen de geschriften van Gregorius van Nazianze tegen de Joden, maar verspreid door zijn vijf redevoeringen tegen Julian zijn er giftige opmerkingen over hun activiteiten tijdens zijn bewind. Veel schadelijker voor de Joden dan één van de eerder genoteerde schrijvers was de heilige Johannes Chrysostomos van Antiochië

Wordt vervolgd

Diverse boeken stellen wij u regelmatig gratis ter beschikking. Een vrijwillige bijdrage aan het Digibieb-project, klein of groot, is zeer welkom. Naam en bankrekeningnummer: J.P. Siepman Sneek ING 3607055 onder vermelding van: donatie-boeken

Reacties of aanvullingen:yaakov.siepman@live.nl

Sign up to vote on this title
UsefulNot useful