You are on page 1of 12

Afdeling 3: Aangaande de kennis van God Hoofdstuk 1 Van de Goddelijke natuur

V: Wat verstaat u onder de term God? A: De hoogste Heer van alle dingen. V: En wie duidt u aan als hoogste? A: Hem die in zijn eigen recht heerscha ij hee!t over alle dingen" en van geen en#el ander wezen a!han#elij# is waar het de uitoe!ening van zijn $estuur $etre!t. V: Wat houdt deze heerscha ij in?

A: Een rechtvaardig en allerhoogst gezag om te $eschi##en wat Hij oo# maar ver#iest %en Hij #an niet ver#iezen wat in zichzel! #waad en onrechtvaardig is&" ten aanzien van ons en van alle andere dingen" en oo# ten aanzien van die za#en die geen en#el ander gezag #an $erei#en' zoals onze gedachten" hoewel die versto t zijn in de die st ver$orgen laatsen van ons hart' ( waarvoor Hij naar welgevallen wetten #an uitvaardigen" en $eloningen en $estra!!ingen #an vaststellen. V: Ver#laar mij waarin de #ennis van God $estaat? A: )n $e#endheid met *ijn +A,--. en W)/. V: Wel#e za#en $etre!!ende *ijn +A,--. moeten worden ge#end? A: Die zijn twee0rlei: de ene soort omvat die dingen die $eslist moeten worden ge#end voor het $ehoud' en de andere soort die waarvan de #ennis uitermate dienstig is tot ons $ehoud. V: Wat zijn de dingen $etre!!ende de natuur van God" waarvan de #ennis noodza#elij# is voor het $ehoud? A: Die zijn de volgende: ten eerste" dat God $estaat' ten tweede" dat Hij slechts 11n is' ten derde" dat Hij eeuwig is' en ten vierde" dat Hij volmaa#t rechtvaardig" wijs" en machtig is. V: Wat $ete#ent het om te weten dat G2D 3E4,AA,?

A: Dat $ete#ent: te weten" en er vast van overtuigd te zijn" dat er wer#elij# een Wezen $estaat dat de o erste heerscha ij hee!t over alle dingen. V: Wat $ete#ent het om te weten dat God slechts 66+ is? A: Dat #unt u gema##elij# inzien 7 aangezien er niet meer wezens #unnen zijn dan Een die de o erste heerscha ij hee!t over alle dingen. V: 8aar onderwijzen de 4chri!ten niet dat er 9vele goden: zijn? A: Hoewel zij dit inderdaad verze#eren" toch is het niet in de zin waarin zij roclameren en ver#laren dat er slechts 11n God is 7 namelij#" Hij die de o erste heerscha ij hee!t" van geen en#el ander wezen is a!geleid" en dientengevolge niet is onderwor en aan enige $e er#ingen. 8aar met goden $edoelen zij aan te duiden hen die de goddelij#heid waarover zij $eschi#ten van die ene God hadden ontvangen" en van wie" als hun Hoo!d" zij a!han#elij# waren' aldus in de volgende assages: ;salm <5:1 en =: 9God staat in de vergadering der goden" Hij houdt gericht te midden der goden:. 9Wel he$ )# gezegd: Gij zijt goden" ja" allen zonen des Allerhoogsten:. >ohannes 1?:@A(@B 9)s er niet geschreven in uw wet: )# he$ gezegd: - $ent goden? Als de wet h1n goden noemde tot wie het woord van God #wam" etc.: Want niets ver$iedt dat de ene God iets meedeelt" en iets #an he$$en meegedeeld van *ijn heerscha ij en gezag aan anderen" ondan#s dat de 4chri!ten verze#eren dat Hij de 9zalige en alleen machtige Heere: is %1 ,imotheCs =:1B&. V: 8aar waarom s re#en de 4chri!ten aldus? A: 2mdat alleen Hij heerscha ij hee!t uit zichzel!" en het Hoo!d is van alle dingen' terwijl alle andere wezens van Hem a!han#elij# zijn" en hun a!geleide heerscha ij slechts uitoe!enen door *ijn goedgunstigheid' om wel#e reden er oo# gezegd wordt dat Hij de 9alleen wijze GodD is" 9die alleen onster!elij#heid hee!t:" en dat 9er niemand goed is $ehalve Hij: %.omeinen 1=:5E" >udas:5B" 1 ,imotheCs =:1=" 8attheCs 1F:1E&. V: Wat $ete#ent het om te weten dat God eeuwig is? A: Dat Hij is zonder $egin o! einde' dat Hij er altijd is geweest" en er altijd zal zijn' in die zin dat Hij niet anders #an dan zijn en voor altijd $estaan. Vandaar dat Hij in de 4chri!ten wordt aangeduid als 2+VE.DE.GE/)>H en 2+4,E.GE/)>H. V: Wat $ete#ent het om te weten dat God volmaa#t rechtvaardig is? A: Dat Hij in al *ijn maatregelen rechtheid najaagt' dat Hij het verstmogelij# verwijderd is van el#e slechtheid" en daarom van iedere vorm van onrechtvaardigheid. Waarheid en trouw zijn oo# eigenscha en van *ijn rechtvaardigheid.

V: Wat $ete#ent het om te weten dat God volmaa#t wijs is? A: Dat Hij niet alleen in algemene zin alle dingen weet" maar oo# die vertrouwd is met el#e detail" zel!s het meest geheime' dat Hij eveneens $egrij t hoe Hij zijn raads$esluiten" rocedures en wer#en o de meest geschi#te manier moet ordenen" en moet toe assen om *ijn voornemen te $erei#en. V: Wat $ete#ent het om te weten dat God almachtig is? A: Dat Hij in staat is om te vol$rengen wat Hij #an wensen. V: )s God dan alleen maar in staat om te vol$rengen wat Hij wenst? A: )# zeg niet wat Hij wenst" maar wat Hij HA+ wensen" dat is" wat Hij #an willen. Want de macht van God stre#t zich uit tot wat dan oo#" o! dat niet inhoudt wat een tegens raa# wordt genoemd. V: Waarom is de #ennis van dit alles noodza#elij# voor het $ehoud? A: 2mdat wij zonder ermee $e#end te zijn niet in staat zijn om de weg van het $ehoud te gaan" o! daarin te volharden tot het einde. Vooral aan de hand van deze overweging #an de noodza#elij#heid van deze #ennis worden $eoordeeld. V: ,oon mij hoe dit $lij#t met $etre##ing tot el# van hen a!zonderlij#? A: 8et $etre##ing tot de eerste: Wie ziet niet in dat het noodza#elij# is om in het $estaan van God te geloven om te #unnen worden $ehouden? Want tenzij wij dit doen" #unnen we niet geloven dat er een weg van $ehoud o! een godsdienst $estaat. Vandaar dat de schrijver van de $rie! aan de He$ree0n o mer#t %hoo!dstu# 11:=&" dat 9wie tot God #omt" moet geloven dat Hij is:. V: Hoe $ewijst u dat de tweede $ijzonderheid" dat God 11n is" noodza#elij# is voor het $ehoud? A: ,enzij we geloven dat God 11n is" zullen we ertoe worden ge$racht om meerdere goden te vereren. Wat" zoals i# hierna zal aantonen" ingaat tegen de weg van het $ehoud. Want indien God niet E1n is" #unnen wij Hem niet lie!he$$en met 9HEE/ ons hart" en ziel" en met A/ onze #racht:. 2m die reden renten de 4chri!ten ons di#wijls deze waarheid in" dat God 11n is. *o roclameert 8ozes %Deuteronomium =:A&: 9Hoor )sra0l" de HE.E is onze God" de HE.E is 11nI: 7 een roclamatie die door onze Heer wordt herhaald %8ar#us 15:5F&. En o nieuw %Deuteronomium A:@B&: 9De HE.E is de enige God" er is geen ander $ehalve HijI:. En Deuteronomium @5:@F: 9*iet nu dat )#" )# het $en" daar is geen God $ehalve 8ij:. Aan deze getuigenissen #an het volgende worden toegevoegd: 1 Horinthe <:A(

=: 9Er is geen andere God dan 11n" want al zijn er oo# die goden genoemd worden" hetzij in de hemel" hetzij o de aarde %zoals er vele goden en vele heren zijn&" toch is er voor ons maar 11n God: de Vader:. 1 ,imotheCs 5:B: 9Want er is 11n God" en 11n 8iddelaar tussen God en mensen" de mens Jhristus >ezus:. E!eze A:=: 9Er isK E1n God en Vader van allen:. Galaten @:5? 9God is 11n:. V: Hoe is de #ennis van de eeuwigheid van God noodza#elij# voor het $ehoud? A: ,enzij wij geloven dat God zonder $egin is geweest" zullen we ertoe geleid worden om te concluderen dat Hij door enig ander wezen is voortge$racht" en ertoe worden ge$racht om dat andere wezen als de allerhoogste God te vereren. En indien wij niet geloven dat Hij altijd zal $lijven $estaan" hoe #unnen wij ho en van Hem eeuwig leven te ontvangen" waartoe wij geleid worden via de weg van het $ehoud? V: Waaruit $lij#t dat #ennis van de rechtvaardigheid van God noodza#elij# is voor het $ehoud? A: Dat geloven dat God volmaa#t rechtvaardig is nodig is voor het $ehoud" is volstre#t duidelij# uit het volgende: ten eerste" om ons ervan te overtuigen dat Hij $eslist tot stand zal $rengen wat Hij $eloo!d hee!t" hoezeer wij oo# *ijn goedheid onwaardig mogen zijn' en" ten tweede" o dat wij mogen worden aangemoedigd om" met een rustig gemoed" de verzoe#ingen te verdragen die wij wel mLeten tegen#omen nadat wij de weg tot $ehoud he$$en ingeslagen" met alle overige tegenslagen en teleurstellingen' en ervan overtuigd mogen zijn dat deze dingen in geen en#el o zicht onrechtvaardig #unnen zijn aangezien zij door God worden toegelaten. V: Hoe $ewijst u hetzel!de met $etre##ing tot de volmaa#te wijsheid van God? A: ,e geloven dat God volmaa#t wijs is" is om de volgende reden noodza#elij# voor het $ehoud 7 o dat wij geen twij!el mogen #oesteren dat zel!s onze harten" die van alle dingen het moeilij#st na te vorsen zijn" en aan de hand waarvan de #waliteit van onze gehoorzaamheid hoo!dza#elij# zal worden vastgesteld" door Hem te allen tijde volmaa#t worden gezien en ge#end' en o dat wij ervan overtuigd mogen zijn dat Hij een helder inzicht hee!t in de middelen die in ons $ehoud voorzien en dit verze#eren' en oo# de reden #ent van alle moeilij#heden die wij o onze weg ontmoeten" hoewel die in onze eigen waarneming di#wijls zinloos lij#en. V: Hoe $ewijst u dat #ennis van de almacht van God noodza#elij# is voor het $ehoud? A: Dit lijdt geen twij!el 7 want wie zou o eeuwig leven van God" die er de oors ron#elij#e Auteur van is" #unnen ho en" tenzij hij ervan overtuigd was dat *ijn macht niet wordt $e er#t door enige limieten o! grenzen? 2! wie zou het lijden

#unnen verdragen dat allen $edreigt en over#omt die God volgens de christelij#e godsdienst vereren" tenzij hij er grondig van verze#erd was dat alle dingen in de handen van God zijn' ( dat deze voorvallen niet ge$euren zonder *ijn wil' en dat er niets is" hetzij o aarde o! in de hemel" dat *ijn goddelij#e macht zL #an dwars$omen dat Hem verhinderd wordt om de dingen die Hij hee!t $eloo!d en die wij van Hem verwachten tot stand te $rengen? V: )# $es eur nu vol#omen dat de #ennis van deze dingen noodza#elij# is voor het $ehoud ( 8aar is het daarnaast niet nodig om te weten dat God een on$e er#te wilsvrijheid hee!t' dat Hij alomtegenwoordig is" oneindig goed" en oneindig gelu##ig? A: Het is inderdaad noodza#elij# om deze dingen aangaande God te weten: ( en#ele ervan zijn echter al voldoende uitgelegd in de za#en die al werden $es ro#en" terwijl de overigen zullen worden in$egre en in de uitleg van de wil van God. V: ,oon dit aan voor el# van hen a!zonderlij#' en allereerst van de volmaa#te vrijheid van de Goddelij#e wil? A: Die was duidelij# in$egre en in de o erste heerscha ij waarvan i# al he$ gezegd dat die is vLLrondersteld in de term God' aangezien er geen $eheersing #an $estaan zonder wilsvrijheid" noch o erste $eheersing zonder dat die vrijheid volmaa#t is. Vandaar dat i# toen i# die heerscha ij onlangs $eschree!" wil en #euze a!zonderlij# he$ genoemd. V: ,oon hetzel!de aan $etre!!ende de alomtegenwoordigheid van God? A: Alomtegenwoordigheid" in de zin waarin de 4chri!ten die aan God toeschrijven" $ete#ent de o erste volmaa#theid van *ijn heerscha ij" macht en wijsheid" en oo# van *ijn voorzienigheid" die zich tot alle ge$eurtenissen en alle laatsen uitstre#t. Voor zover die #an worden $etro##en o de Goddelij#e heerscha ij" macht en wijsheid" die zoals i# he$ gezegd allen volmaa#t zijn" is ze al in overweging genomen' ( maar voor zover ze ver$and houdt met de voorzienigheid van God" zal ze worden in$egre en in de o mer#ingen $etre!!ende de wil van God. V: Waaro hee!t de goedheid van God volgens u $etre##ing? A: )ndien daaronder *ijn heiligheid wordt verstaan" was *ijn goedheid al in$egre en $ij *ijn rechtvaardigheid' maar indien er *ijn genade en goedertierenheid onder worden verstaan" zoals in de 4chri!ten di#wijls het geval is" moet ze $etre##ing he$$en o de Goddelij#e wil. V: Wat zegt u aangaande *ijn gelu#zaligheid?

A: Dat God gelu##ig is" #an geen mens die er#ent dat Hij eeuwig" volmaa#t wijs" en rechtvaardig" en machtig is" en tevens $e#leed met de o erste heerscha ij" niet geloven. Want *ijn leven moet van alle overige levens wel het meest volmaa#t en gelu##ig zijn. Hij is niet alleen maar gelu#zalig" maar oo# in de hoogste mate gezegend. V: - he$t aan mij uitgelegd wel#e za#en $etre!!ende de eigenscha en van God noodza#elij# zijn om te weten ten einde te worden gered" ver#laar nu vervolgens wat u uitermate dienstig acht tot hetzel!de doel? A: Het voornaamste is om ervoor te wa#en dat men niet in de gang$are dwaling valt waarin met tast$are tegens raa# wordt $eweerd dat er in God slechts 11n wezen is maar dat Hij drie ersonen hee!t. V: ,oon voor mij aan dat er in het ene wezen van God slechts 11n ;ersoon is. A: Dit #an worden ingezien uit het !eit dat het wezen van God 11n is 7 niet in aard maar in aantal. Waardoor het niet" o wel#e wijze dan oo#" een veelheid van ersonen #an omvatten" aangezien een ersoon niets anders is dan een individueel" intelligent wezen. Waar er dan een aantal van drie ersonen $estaat" moeten er noodza#elij#erwijs" o dezel!de manier" oo# drie individuele wezens worden geteld" want in dezel!de zin waarin wordt $evestigd dat er 1n wezen is moet er oo# worden volgehouden dat er 11n ersoon is. MK*ie het getuigenis van onze Heer in >ohannes 1E:@. Jhristenen $ehoren zich voortdurend a! te vragen o! zij zich niet aan de misdaad van olNtheOsme" en dus aan a!godendienst" schuldig ma#en 7 door te $eweren dat er in de allerhoogste God een veelheid aan ersonen $estaat. Aangaande dit unt #unnen de o mer#ingen van Jrellius worden geraad leegd" wanneer hij dit onderwer $es ree#t in zijn Ethica ChristianaP V: Wie is deze Ene" Goddelij#e ;ersoon? A: De Vader van onze Heer >ezus Jhristus. V: Hoe toont u dit aan? A: -it $ijzonder $eslissende getuigenissen der 4chri!t 7 zo zegt >ezus %>ohannes 1E:@&: 9En dit is het eeuwige leven" dat zij - #ennen Mde VaderP" DE E+)GE WAA.AJH,)GE G2D:. De a ostel ;aulus schrij!t aan de Horinthi0rs %1 Horinthe <:=&: 9V22. 2+4 )4 E. 8AA. 66+ G2D: DE VADE." uit Wie alle dingen zijn: 7 en o nieuw" wanneer hij zich richt tot de E!ezi0rs %A:=& zegt hij: 9MEr isPK 66+ G2D E+ VADE. VA+ A//E+" die $oven allen en door allen en in u allen is:. V: Hoe #omt het dan dat christenen gewoonlij# $eweren dat naast de Vader de *22+ en de HE)/)GE GEE4, ersonen in 11n en dezel!de Godheid zijn?

A: )n dit o zicht dwalen zij o $etreurenswaardige wijze en ontlenen hun argumenten aan 4chri!t laatsen die worden misverstaan. V: Wat zijn de argumenten die zij aanvoeren om hun o vatting te staven? A: De voornaamste zijn deze: ten eerste verze#eren zij dat in de 4chri!ten niet alleen de Vader maar oo# de *oon en de Heilige Geest veelvuldig worden aangeduid en vertoond als God' en omdat diezel!de 4chri!ten ver#laren dat God 11n is" leiden ze hieruit a! dat deze drie de 1ne God vormen. V: Hoe #an dit argument weerlegd worden? A: )# zal deze vraag $eantwoorden" eerst met $etre##ing tot de *oon" en naderhand ten aanzien van de Heilige Geest. V: Wel# antwoord gee!t u met $etre##ing tot de *oon? A: De term God wordt in de 4chri!ten in twee hoo!d$ete#enissen ge$rui#t. De eerste van deze is wanneer dit Hem aanduidt die zL regeert en $eschi#t over alle dingen in de hemel en o aarde" dat Hij geen en#ele su erieur er#ent" en die in zodanig o zicht de Auteur en het Hoo!d van alle dingen is" dat Hij van geen en#el ander wezen a!han#elij# is" en een macht $ezit die volstre#t oneindig is: en in deze zin verze#eren de 4chri!ten dat God E1n is. De tweede $ete#enis is wanneer het een wezen aanduidt dat van die 1ne God een vorm van su erieur gezag hee!t ontvangen" hetzij in de hemel o! o aarde onder de mensen" en zo in ze#ere zin deelgenoot is gemaa#t van de goddelij#heid van de 1ne God. Vandaar dat de 1ne God in de 4chri!ten wordt getN eerd als de 9God der goden: %;salm 1@=:5&" en het is in deze laatste zin dat de *oon van God in sommige 4chri!t laatsen God wordt genoemd. V: Waaruit #unt u aantonen dat de *oon van God in deze laatste $ete#enis God wordt genoemd in de 4chri!ten? A: -it de woorden van de *oon van God zel! %>ohannes 1?:@B(@=&: 9Als hij Md.i. DavidP h1n goden noemde tot wie het woord van God #wam Mdit staat in ;salm <5:=" 9u $ent goden:P en de 4chri!t niet ge$ro#en #an worden" zegt u dan van Hem die de Vader geheiligd en in de wereld gezonden hee!t: - lastert God" omdat )# gezegd he$: )# $en Gods *oon?:. Jhristus leidt uit deze woorden a! dat de titel God in de 4chri!ten wordt toege ast o hen die verre de minderen zijn van de Ene" dat is" o de $estuurders en rechters van het vol#" en Hij veronderstelt dat Hijzel! om die reden de *oon van God was" in het $ijzonder daar Hij niet de mindere was van wie dan oo# van de ersonen die God had vereerd met de titel van goden maar veeleer verreweg de meerdere van hen allen' en God juist vanwege het !eit dat 9de Vader Hem had geheiligd en in de wereld gezonden: 7 wel#e reden" en het geheel

van het $etoog van Jhristus" aansluit $ij de laatste en niet $ij de eerste $ete#enis van de term God. V: Wat voor antwoord gee!t u ten aanzien van de Heilige Geest? A: De Heilige Geest wordt in de 4chri!ten nergens uitdru##elij# God genoemd. +och mogen we concluderen dat deze zel! God is" o! een ersoon van de Godheid" omdat er o sommige laatsen za#en aan worden toegeschreven die God toe$ehoren' maar dit #omt voort uit een heel andere oorzaa#" zoals u o de rechte laats zult horen. V: Wat is het tweede argument waarmee men tracht aan te tonen dat deze drie ersonen verenigd zijn in 11n Godheid? A: Dat argument wordt ontleend aan de assages in de 4chri!t waar Vader" *oon en Heilige Geest om enige reden $ij el#aar zijn gevoegd. V: Wel#e zijn deze assages? A: De eerste is de o dracht van >ezus %8attheCs 5<:1F& om te do en 9in de naam van de Vader" de *oon en de Heilige Geest:. De tweede is ingesloten in de manier waaro ;aulus de Horinthi0rs toes ree#t %1 Horinthe 15:A(=&: 9Er is verscheidenheid van genadegaven" maar het is dezel!de Geest. Er is verscheidenheid van $edieningen" en het is dezel!de Heere. Er is verscheidenheid van wer#ingen" maar het is dezel!de God" Die alles in allen wer#t:. De derde is te vinden in de eerste $rie! van >ohannes" hoo!dstu# B:E: 9Drie zijn er die getuigen in de hemel" de Vader" het Woord en de Heilige Geest' en deze drie zijn 11n:. V: Wat moeten we van deze $ewijzen den#en? A: )# antwoord met $etre##ing tot hen gewoon" dat zij alleen het $estaan van Vader" *oon en Heilige Geest aantonen" en dat Deze in ver$and met Goddelij#e za#en worden ver$onden 7 wat i# niet alleen toegee!" maar oo# voortdurend ver#laar" aangezien i# stel dat een ersoon die dit niet weet o! niet geloo!t geen christen #an zijn. Het is niettemin duidelij# dat deze $ewijzen de zaa# die ter discussie staat niet aantonen' namelij#" dat Vader" *oon en Heilige Geest drie ersonen zijn in het ene wezen van God. V: Het schijnt echter also! uit het soort van eenheid dat van deze drie wordt $evestigd in de aangehaalde 4chri!t laatsen #an worden a!geleid dat zij drie ersonen zijn in 11n Goddelij# wezen. A: Geenszins. Want" waar het de eerste" het doo $evel" $etre!t: hoewel de Vader" *oon en Heilige Geest hier zozeer worden ver$onden dat wij worden gedoo t in hun gezamenlij#e namen" #an daaruit toch niet worden aangetoond dat zij

<

ersonen zijn in 11n Goddelij# wezen. Want het is helemaal niet onge$rui#elij# in de 4chri!ten" evengoed in andere gevallen als $ij de inzetting van de doo " om in godsdienstige za#en zowel ersonen als dingen met God te ver$inden die in geen en#el o zicht ver$and houden met het Goddelij# wezen. Van ;E.42+E+ vindt u een voor$eeld in het eerste $oe# van 4amuel %hoo!dstu# 15:1<&" waar gezegd wordt dat 9heel het vol# zeer $evreesd werd voor de HEE.E E+ V22. 4A8-Q/:. *o oo# in ERodus 1A:@1: 9En het vol# vreesde de HEE.E en geloo!de in de HEE.E E+ )+ 82*E4" *)>+ D)E+AA.:. Van D)+GE+ he$$en we een voor$eeld in Handelingen 5?:@5" waar ;aulus" zich richtend tot de E!ezi0rs" zegt: 9)# draag u o aan God E+ AA+ HE, W22.D VA+ *)>+ GE+ADE:. Dingen worden oo# ver$onden met Jhristus %E!eze =:1?&: 9Wordt gester#t in de Heere" E+ )+ DE 4,E.H,E VA+ *)>+ 8AJH,:. En in het $oe# 2 en$aring %hoo!dstu# @:15& worden dingen zowel met God als met Jhristus ver$onden: 9)# zal de naam van mijn God o hem schrijven" E+ DE +AA8 VA+ DE 4,AD VA+ 8)>+ G2D" HE, +)E-WE >E.-*A/E8" dat neerdaalt uit de hemel" $ij mijn God vandaan" en mijn nieuwe naam:. V: 8aar" zo $eweert men" hem in wiens naam wij gedoo t worden moet noodza#elij#erwijs God zijn. A: Wie deze mening zijn toegedaan dwalen wel zeer" want we lezen %1 Horinthe 1?:5& dat de )sra0lieten 9allen werden gedoo t ,2, 82*E4 in de wol# en in de zee:" Handelingen 1F:@ dat en#elen waren gedoo t 9,2, DE D22; VA+ >2HA++E4:" en .omeinen =:@ dat christenen zijn 9gedoo t )+ DE D22D VA+ JH.)4,-4: 7 hoewel 8ozes niet God was" en hoewel noch de doo van >ohannes noch de dood van Jhristus zel!s maar een ersoon waren" laat staan God. V: 8aar gedoo t worden in iemands +AA8 schijnt toch iets heel anders te zijn dan gedoo t worden in een ersoon o! een ding? A: Helemaal niet" want in overeenstemming met de stre##ing van het He$reeuwse idioom is het algemeen $e#end dat $eide uitdru##ingen dezel!de $ete#enis he$$en" zoals juist in dit geval #an worden ingezien. Want wat er in Handelingen 5:@< wordt gezegd: dat $e#eerlingen 9gedoo t worden in de naam van >ezus Jhristus:" wordt o andere laatsen %.om.=:@" Gal.@:5E& $e#no ter uitgedru#t als 9gedoo t worden in >ezus Jhristus:. V: 8aar waarom s ree#t Jhristus o deze manier over de Heilige Geest" indien het geen ersoon is? A: 2mdat Hij de Heilige Geest ver$indt met de Vader en met zichzel!" als een soort hemelse leraar en meester" door wiens ins iratie en #racht *ijn leer zou worden ver#ondigd in de wereld.

V: Wel# antwoord gee!t u o het tweede aangevoerde 4chri!t$ewijs" waarin de a ostel ;aulus Goddelij#e wer#ingen schijnt toe te schrijven aan de Heilige Geest" evenzeer als aan de Vader en de *oon? A: Hoewel hier Goddelij#e wer#ingen worden toegeschreven aan God" aan de Heer Md.i. JhristusP en oo# aan de Heilige Geest" #an daaruit niet worden aangetoond dat deze drie de ene God vormen. >uist het tegendeel #an uit deze 4chri!t laats worden a!geleid" aangezien de Heer Md.i. JhristusP en de Heilige Geest door de a ostel duidelij# worden onderscheiden van de ene God. De Heer Mo! JhristusP en de Heilige Geest worden om de volgende reden samen vermeld met God: omdat de eerste de ;ersoon is door wiens tussen#omst God al de wer#ingen waarnaar hier wordt verwezen tot stand $rengt" en de laatste de #racht o! energie van God is" door het meedelen waarvan al deze wer#ingen worden vol$racht. V: Hoe antwoordt u o het derde $ewijs dat werd ontleend aan de eerste $rie! van >ohannes" $etre!!ende de drie hemelse getuigen? A: )# stel allereerst vast" dat aangezien $e#end is dat deze woorden ont$re#en in de meeste oudere Grie#se handschri!ten" en oo# in de 4Nrische" Ara$ische" Ethio ische en de oudere /atijnse versies" zoals zel!s de hoo!d ersonen onder onze tegenstanders he$$en laten zien" er niets met ze#erheid uit #an worden a!geleid. Er zijn $ovendien en#ele ersonen die de echtheid van de assage als twij!elachtig $estem elen: te weten Erasmus" 3eza" Granc" /ucas en de /euvense godgeleerden. Vanwege dit alles waagde /uther het niet om deze woorden als echt te er#ennen" en zijn collega 3ugenhagius" in zijn commentaar o >ohannes" waarschuwde alle $oe#dru##ers tegen het invoegen ervan in de te#st. Voorts is het zo" dat de voornaamste #er#vaders onder de voorstanders van de leer van de drie0enheid" wiens namen #unnen worden gezien in de edities van /euven" van 3eza" 4erarius" en ;elargus" hen niet als echt er#ennen. *e zijn niet in overeenstemming met het voora!gaande te#stver$and. En Grotius $eweert dat ze totaal ont$re#en in een zeer oud manuscri t dat door de atriarch JNrillus werd gezonden aan de #oning van Groot 3rittanni0. )# mer# vervolgens o " dat zel!s indien de assage werd gevonden in de authentie#e 4chri!ten" daaruit niet #on worden aangetoond dat er drie ersonen zijn in de ene God. Want men moet niet uit de woorden a!leiden dat deze allen ;E.42+E+ zijn" alleen maar omdat van hen gezegd wordt dat zij getuigen" want in het volgende vers wordt recies hetzel!de gezegd van de Geest" het water en het $loed. Wanneer er dan gezegd wordt dat die 11n zijn" o!" zoals sommige handschri!ten luiden" in 11n" dan moet daaronder geen andere eenheid worden verstaan dan die er leegt te $estaan tussen getuigen die in hun getuigenissen overeenstemmen. Dit $lij#t niet alleen uit de omstandigheid dat de schrijver hier s ree#t van getuigen" maar oo# omdat hij in het volgende vers een vergelij#$are uits raa# doet $etre!!ende de geest" het water en het $loed 7 dat deze drie 11n zijn"

1?

o! overeenstemmen )+ 66+ D)+G 7 o! zoals de /atijnse versie de woorden correct overzet" 11n zijn 7 Unum sunt. V: )# $egrij nu" uit wat u he$t gezegd" dat God slechts 11n ;ersoon is' i# wil verder vernemen hoe de #ennis van deze waarheid uitnemend leidt tot $ehoud? A: Dit zult u gema##elij# verstaan indien u slechts in aanmer#ing neemt hoe schadelij# de zienswijze van de tegen artij is. Want" ten eerste" deze zienswijze #an het geloo! in 11n God gema##elij# verzwa##en en ondermijnen" door aan de ene #ant te verze#eren dat er slechts 11n God is maar anderzijds te ver#laren dat er drie ersonen $estaan die el# God zijn. En in !eite vernietigt zij dat geloo!" aangezien zij ont#ent dat de ersoon van die God die zij 11n noemt oo# 11n is. ,en tweede tast zij de heerlij#heid aan van de ene God" die all11n de Vader van Jhristus is" door deze over te $rengen o een ander" die niet de Vader is. ,en derde omvat deze zienswijze en#ele za#en die de ene allerhoogste God onwaardig zijn 7 $ij voor$eeld door te verze#eren dat de ene allerhoogste God de *oon o! Geest is van een Ander 7 en dat een mens de ene allerhoogste God was 7 en andere za#en van soortgelij#e aard. ,en vierde maa#t zij van God" de *oon van God en de Heilige Geest totaal verschillende mentale voorstellingen en voorwer en van geloo! dan zij wer#elij# zijn' te meer en met name aangezien zij van de *oon van God" een naam die Hij wer#elij# verdient" %i# huiver om het te zeggen& een valse God maa#t" een a!god" goddelij#e verering onwaardig" en juist d1ze titel niet verdienend. ,en vij!de is zij er o dezel!de wijze o gericht om in ons $evattingsvermogen het juiste den#$eeld van $ehoud te ondermijnen" door het onderscheid tussen de eerste en tweede oorzaa# o te he!!en' en te voor#Lmen dat we terecht zouden $ese!!en wie de rimaire Auteur van ons $ehoud is" en o wel#e manier het tot stand wordt ge$racht door God via Jhristus en de Heilige Geest. ,en slotte vormt deze zienswijze een !ormida$el strui#el$lo# voor ongelovigen om het evangelie aan te nemen" door dingen te onderwijzen die in strijd zijn met deze Goddelij#e getuigenissen" waar sommigen wel naar willen luisteren" en oo# in strijd met het gezond verstand. 3ovenal" indien Jhristus wordt $eschouwd als de ene God" dan wordt de #racht van de o dracht om Hem na te volgen totaal te niet gedaan en de gehoorzaamheid die Hij tegenover God aan de dag legde een volslagen !utiliteit. 7 +u worden al deze conseSuenties vermeden in het leerstelsel dat verdedigt dat de ;ersoon van de ware God slechts 11n is. V: Han deze zienswijze $etre!!ende drie ersonen in 11n God" die zovele moeilij#heden met zich mee$rengt" het $ehoud van sommige mensen $eletten? A: Hoewel deze zienswijze niet mag worden $eschouwd als een grond voor veroordeling van iemand die haar huldigt zonder te vermoeden dat hij dwaalt" en die niet in omstandigheden hee!t ver#eerd die hem in staat stelden om tot #ennis der waarheid te #omen 7 onder voorwaarde dat hij geloo!t dat >ezus Jhristus waarlij# een mens was" dat Hij wer#elij# stier! voor onze zonden" en o stond voor onze rechtvaardiging' dat Hij na zijn o standing door God tot Heer en Jhristus

11

werd gesteld" tot Hoo!d van de gemeente werd gemaa#t" en werd aangewezen als .echter van levenden en doden' en zo een geloo! in Jhristus omhelst dat door lie!de wer#t" en een nieuw sche sel wordt' en die daarom de #walij#heid van zijn onjuiste zienswijze niet $es eurt" daaraan meer vasthoudt volgens de #lan# van de woorden dan volgens hun ware zin en $ete#enis" en geneigd is om de waarheid te omhelzen zodra iemand hem overtuigt van zijn dwaling ( Hoewel" zo zeg i#" deze zienswijze niet mag worden $eschouwd als een grond tot veroordeling van iemand met dit #ara#ter" niettemin is het $ehoud van die mens zonder twij!el in groot gevaar" indien hij" wanneer de gelegenheid zich voordoet" de waarheid van de leer van de eenheid van Gods ;ersoon niet onderzoe#t" o! zich daar !el tegen verzet" o! niet $ereid is om die te er#ennen" o!" indien hij die er#ent" het niet aandur!t om die o enlij# te $elijden" en die niet $evordert voor zover zijn situatie hem daartoe in staat stelt' en vooral indien hij" zonder enige duidelij#e oorzaa#" o! om een slecht $egre en reden" o! tegen zijn eigen geweten in" hen die deze leer aanhangen veroordeelt" hun de christelij#e gemeenscha o! de naam christen onwaardig acht' en $ovenal indien hij hen verdru#t en vervolgt' o!" tenslotte" indien hij onder invloed van zijn onjuiste zienswijze a!wij#t van dingen zonder wel#e geen mens de zaligheid #an verwerven. V: )s er iets anders $etre!!ende de Goddelij#e natuur" waarvan u de #ennis $eschouwt als leidend tot $ehoud? A: >a 7 dat *ijn wezen geestelij# is" en onzicht$aar. V: Hoe toont u dit aan? A: Dat het wezen van God geestelij# is $lij#t uit de woorden van Jhristus die zijn vastgelegd in >ohannes A:5A" waar Hij ver#laart dat 9God MeenP Geest is:. Dat God onzicht$aar is #an oo# worden a!geleid uit deze assage" en wordt daarnaast verze#erd in vele andere 3ij$elte#sten. *o wordt Jhristus in Holossenzen 1:1B 9het $eeld van de 2+*)JH,3A.E G2D: genoemd. )n 1 ,imotheCs 1:1E wordt God aangeduid als 9de Honing der eeuwen" de onvergan#elij#e" DE 2+*)JH,3A.E:. )n het zesde hoo!dstu# en zestiende vers wordt gezegd dat 9geen mens Hem gezien hee!t o! zien #an:. En >ohannes %hoo!dstu# 1:1<& ge$rui#t een vergelij#$are uitdru##ing: 9+iemand hee!t ooit God gezien:. V: Wel# nut hee!t deze #ennis van Gods eigenscha en?

A: ,en eerste wijst Jhristus o hun nut wanneer Hij uit het !eit dat God een Geest is a!leidt dat Hij moet worden aan$eden in geest en waarheid. ,en tweede is het nuttig om ons in te renten dat die assages in de 4chri!t waarin lichamelij#e eigenscha en aan God worden toegeschreven" !iguurlij# moeten worden o gevat' en dat wij" als gevolg daarvan" ervan worden weerhouden om de majesteit van God aan te tasten" also! Hij gelij# zou zijn aan een ster!elij# mens" en om ons ten $ehoeve van onze verering enige zicht$are voorstelling van Hem te ma#en.

15