You are on page 1of 6

Strategisch kader bedrijventerreinen; analyse en perspectief voor de bedrijventerreinen van Leiden

Leiden, 1 december 2007 1. Inleiding Waarom is er nu aandacht nodig voor bedrijventerreinen en waarom zou het bestuur van Leiden moeten besluiten over de bestaande binnenstedelijke bedrijventerreinen? In deze notitie gaan we daar nader op in. De belangstelling voor bedrijventerreinen is niet ineens opgekomen. Vandaar dat we eerst zullen nagaan wat de aanleiding is geweest om bedrijventerreinen op de agenda te zetten. Meer specifiek staan we stil bij de vragen die opkomen en de problematiek die zich aandient op de Leidse bedrijventerreinen. Om daar meer zicht op te krijgen wordt eerst de huidige betekenis van deze bedrijventerreinen in beeld gebracht, hoe ze functioneren en hoe dat zich verhoudt als men de regio in beschouwing neemt. Inmiddels zijn we dan toe aan het formuleren van een ambitie voor de Leidse binnenstedelijke bedrijventerreinen. De uit die ambitie af te leiden aanpak kan gestalte krijgen door het formuleren van een aantal beleidsuitgangspunten En daaruit leiden we dan een plan van aanpak af voor wat er zou moeten gebeuren. 2. Waarom aandacht voor bedrijventerreinen? Bedrijventerreinen zijn als stedelijk gebied ontstaan, toen gevaarlijke bedrijvigheid uit de woonomgeving werd geweerd. Het zijn min of meer monofunctionele gebieden, meestal aan de rand van de stad. Door de uitbreiding van de stad, nam echter ook de woonbebouwing aan de randen van de stad toe. Gevolg was dat de meeste bedrijventerreinen in Leiden door woonbebouwing omgeven zijn geraakt, of althans daar vlak tegenaan liggen. Omdat de gemeente na de uitbreidingslocaties Merenwijk en Stevenshof niet direct nieuwe grote uitleglocaties kon bouwen, viel het oog van het toenmalige bestuur op de verouderde bedrijventerreinen. Zo zijn het Waardeiland en het NEM-terrein getransformeerd naar woningbouw en wordt momenteel Nieuw Leyden op het EWR-Slachthuis gerealiseerd. Er staan nog meer te transformeren bedrijventerreinen op stapel: het Haagwegterrein (het oude Van Gend en Loos terrein) en het Groenoordhallen terrein. Beide terreinen hadden hun oorspronkelijke functies grotendeels verloren en omdat ze in bezit zijn van een eigenaar, bleek herontwikkeling naar woningbouw uiteindelijk een reële optie. Naast de aanleg van nieuwe bedrijventerreinen (Merenwijk, Stevenshof en Roomburg) werden de verouderde terreinen dus vooral gezien als potentiële woningbouwlocaties. Aan die “vanzelfsprekendheid” lijkt nu een einde te komen. Het aanleggen van een nieuw bedrijventerrein (Oostvlietpolder) blijkt niet eenvoudig. De gemeente Leiden en de Provincie Zuid Holland zijn er al meer dan 10 jaar mee bezig. Het directe gevolg is, dat er al even zo lang geen regulier bedrijventerrein meer is uitgegeven in Leiden (en directe omgeving). Er is dus geen nieuwe ruimte waar bedrijvigheid gevestigd kan worden. Dat heeft geleid tot intensief gebruik van de huidige terreinen, maar de stedenbouwkundige kwaliteit ervan is laag. Ook is het de vraag of deze terreinen hun economische vitaliteit op langere termijn kunnen behouden als ze aan hun lot worden overgelaten. Niet alleen lokaal was er aanleiding om naar de bedrijventerreinen te kijken. Ook op landelijk en provinciaal niveau werden de panelen verschoven. Van het telkens nieuwe bedrijventerreinen uitgeven en het transformeren van verouderde terreinen naar woningbouw, begon men het accent te verleggen naar behoud van bestaande bedrijventerreinen. Herstructurering wordt daarbij gezien als een belangrijk middel om dat doel te bereiken. Het Ministerie van Economische Zaken heeft daartoe het Actieplan Bedrijventerreinen opgesteld en op basis daarvan de TOPPER-regeling in het leven geroepen (Leiden valt daar - ondanks pogingen daartoe – niet onder). Ook de provincie scherpt haar bedrijventerreinen beleid in het nieuwe Uitvoeringsprogramma van de Economische Visie aan: nog meer nadruk op herstructurering van bestaande terreinen. Ook de VROM Raad heeft vorig jaar een rapport het licht laten zien, dat een andere kijk op bedrijventerreinen schetst (Werklandschappen). Momenteel overleggen de ministeries EZ, VROM het IPO en de VNG over een nieuwe bedrijventerrein agenda van het rijk.

1

In Leiden zelf staan in het kader van de ontwikkeling van de Nieuwe Kaart van Leiden en binnenkort bij de ontwikkeling van de Leidse Structuurvisie enkele bedrijventerreinen ter discussie (De Waard en Lammenschans). Tenslotte is het nodig helderheid te verschaffen aan de regio - in het kader van de Regionale Structuurvisie - welke toekomstvisie Leiden heeft ten aanzien van de eigen bedrijventerreinen. Tegen deze achtergrond heeft het vorige college opdracht gegeven een onderzoek te laten uitvoeren naar het functioneren van de Leidse bedrijventerreinen en wat het toekomst perspectief voor deze terreinen zou kunnen zijn. 3. Wat ging er vooraf? Er is dus een zekere “gewoonte” ontstaan verouderde bedrijventerreinen te transformeren naar woningbouw. Ook het college, dat de opdracht verstrekte om naar de toekomstvastheid van de bedrijventerreinen te kijken, had een voorkeur door te gaan op die transformatie aanpak. Er is toen een brede ambtelijke werkgroep aan de slag gegaan om een analyse te maken van de huidige bedrijventerreinen. Het resultaat van die aanpak is terug te vinden in het rapport van BRO “Bedrijventerreinen in Leiden, analyse en perspectief” (Vught, 2006). Een van de resultaten uit dat onderzoek was, dat de bedrijventerreinen intensief werden gebruikt en dat transformatie van die terreinen een zeer kostbare aangelegenheid zou worden. Bovendien was er nog steeds geen ruimte beschikbaar voor mogelijke verplaatsing van bedrijven Noch Oostvlietpolder noch Groenendijk zouden op korte termijn beschikbaar komen). Op basis van het rapport is een beleidskader ontwikkeld, dat verderop in deze notitie aan de orde zal komen. Voor de volledigheid moet ook vermeld worden, dat de bedrijventerreinen aangemeld zijn in het kader van het Grotestedenbeleid. Daarin is een ambitie opgenomen om de terreinen schoon, heel en veilig te maken dan wel te houden. Dat is een aanpak die op korte termijn vruchten kan afwerpen, maar die niet noodzakelijk een perspectief voor een terrein voor de langere termijn zal opleveren. Er moest dus toekomst perspectief voor de binnenstedelijke bedrijventerreinen gemaakt worden. Dat leverde de hieronder geformuleerde vraagstelling op. 4. Vraagstelling Wat moet de gemeente ondernemen om een duurzaam toekomstperspectief te bieden voor de bedrijventerreinen, de daarop gevestigde bedrijven en de werkgelegenheid op die terreinen? Met andere woorden hoe valt fysieke en economische veroudering tegen te gaan teneinde voldoende areaal bedrijventerrein beschikbaar te hebben of houden van voldoende kwaliteit, aansluitend op de behoeften van de stad? En hoe bereiken we dat de diversiteit van ondernemingen en met name ook werkgelegenheid blijft bestaan? 5. De beschouwde bedrijventerreinen Bij het verstrekken van de opdracht waren – behalve de Leeuwenhoek, want dat terrein kent een heel eigen dynamiek – in principe alle terreinen onderwerp van aandacht. De vraagstelling zou een selectie van terreinen moeten opleveren, die inderdaad die aandacht en aanpak nodig hebben. Op grond van een marktanalyse en een financiële analyse van BRO, bleek dat het bedrijventerrein Roomburg voldoende perspectief had. Van alle andere terreinen bleek dat niet op de voorhand, maar wel in tweede instantie. Alle bedrijventerreinen in Leiden hebben toekomstperspectief, omdat de schaarste aan bedrijventerreinen in Leiden en in de regio groot is. Ook nadat de Oostvlietpolder is uitgegeven, zal schaarste een dominantie factor blijven. De volgende terreinen zijn onderwerp van studie geweest.

2

Naam Groenoord Lammenschans Merenwijk Rijn en Rail Rooseveltstraat Trekvliet Veilingterrein De Waard Westwal Totaal

Oppervlakte in ha Bruto Netto 6,0 5,1 7,0 5,0 6,0 4,7 7,0 6,5 21,0 19,5 5,0 4,4 6,0 4,2 20,0 14,5 5,0 3,4 83,0 67,3

6. De betekenis van de bedrijventerreinen voor Leiden In totaal beschikt Leiden over 130 hectare bruto bedrijventerrein. Dat is ongeveer 6% van de totale oppervlakte van Leiden. In totaal bevindt 27% van de werkgelegenheid in Leiden zich op de bedrijventerreinen. Dat is bijna 15.000 banen. Afhankelijk van het bedrijventerrein is daar gemiddeld veel werkgelegenheid voor hoogopgeleid personeel te vinden (Leeuwenhoek) of meer middelbaar of lager opgeleid personeel (De Waard). Het is echter nooit zo dat er alleen maar hoog op laag opgeleid personeel werkzaam is. In totaal is 14% van alle bedrijven en instellingen (570) in Leiden gevestigd op een bedrijventerrein. De Leeuwenhoek neemt in veel opzichten een aparte positie in. Daarom is dat terrein geen onderwerp van deze notitie. Ook Roomburg is dat niet, omdat dat terrein nog redelijk recent is uitgegeven en het terrein niet door woningbouw is omsloten. Als we de Leeuwenhoek en Roomburg in de statistieken buiten beschouwing laten, dan zijn er nog altijd bijna 7.800 banen op de overige bedrijventerreinen in 465 bedrijven en instellingen. De toekomstvastheid van deze werkgelegenheid is het onderwerp van deze notitie. Uit een onderzoek dat de afdelingen BOA en EZ hebben uitgevoerd blijkt dat de binding van Leidse werknemers aan de bedrijventerreinen groter is dan de binding van Leidse werknemers aan de andere werklocaties, zoals de kantorenclusters of de winkelcentra. De bedrijventerreinen huisvesten gemiddeld grotere bedrijven. Naast bedrijven die business to business producten en diensten leveren, is er een trend waarneembaar dat de bedrijventerreinen steeds meer bedrijven huisvesten, die consumentendiensten leveren. Er is een voortdurende dynamiek gaande, die leidt tot een zekere uitsortering van bedrijven op de bedrijventerreinen. Nog steeds is er een grote diversiteit aan soorten werkgelegenheid, maar de genoemde dynamiek leidt tot een grotere uniformiteit. Zo is de traditionele industrie bijna geheel uit Leiden vertrokken. Het areaal aan bedrijventerreinen neemt in de loop van de jaren licht af. Sinds 1990 is er ongeveer 23 hectare bedrijventerrein getransformeerd naar woningbouw, terwijl er in die tijd ongeveer 22 hectare is uitgegeven. In vergelijking met andere grote steden blijkt dat Leiden het laagste areaal aan bedrijventerreinen heeft(Ecorys 2005 en CBS). Ook als dat gegeven per hoofd van de bevolking wordt berekend, dan scoort Leiden in de laagste regionen. De uitgifte van het bedrijvenpark in de Oostvlietpolder laat nog altijd op zich wachten door lange procedures bij provincie en Raad van State. 7. Hoe functioneren de binnenstedelijke terreinen? De beste vestigingslocatie voor een bedrijf is over het algemeen de plek waar het bedrijf nu gehuisvest is. Dat lijkt een overbodige constatering, maar dat is het niet. Bedrijven worden nogal eens “weggedacht” op de plek waar ze zitten om redenen van herontwikkeling van de locatie. Vaak is er geen plek waar het bedrijf naar toe kan verhuizen. In zo een geval wordt gesproken van “uitplaatsing”. Deze notitie gaat uit van het gegeven dat een bedrijf alleen verplaatst kan worden en als er dus geen reëel alternatief is, blijft het bedrijf op de plek waar het nu gevestigd is. Maar zelfs als er wel een alternatief is, kan een bedrijf er om allerlei redenen voor kiezen om op de huidige plek te blijven zitten, omdat de plek alles bij elkaar genomen een goede plek is voor het bedrijf. Uit een presentatie van Ecorys van de Benchmark Gemeentelijk Ondernemersklimaat blijkt dat bedrijven vaak tevreden zijn over hun huisvesting. Er is overigens altijd een percentage bedrijven dat wil verhuizen. Landelijk verhuist 4% van alle bedrijven, waarmee 3% van de werkgelegenheid is gemoeid (Ruimtelijk Planbureau, dec. 2007).

3

Het is niet moeilijk om te zien dat het vastgoed op de beschouwde bedrijventerreinen vaak verouderd is. Dat wil niet zeggen, dat het daarmee laaggeprijsd is. De schaarste maakt dat er toch regelmatig in geïnvesteerd wordt door de huidige gebruiker of eigenaar. Daarvoor is het nodig dat er een helder ruimtelijk kader aanwezig is. Onzekerheid over de vraag of een bedrijventerrein wel een bedrijventerrein blijft in de toekomst, maakt ondernemers huiverig te investeren. Als het vastgoed te al te vaak is aangepast aan de huidige gebruiker en deze verlaat op enig moment de locatie, dan is het vastgoed vaak niet meer bruikbaar voor een volgende gebruiker. De nieuwe gebruiker zal grote investeringen moeten doen om het vastgoed te herprofileren of zelfs te herontwikkelen. Die operatie kan alleen gefinancierd worden uit toekomstige opbrengsten die een hogere grondproductiviteit hebben. Voor een goed beschrijving van dit mechanisme wordt verwezen naar de al eerder aangehaalde studie van BRO over de Leidse bedrijventerreinen. Ondanks de schaarste vindt er dus dynamiek in koop en huur plaats op de bedrijventerreinen. Deze hebben tot gevolg dat de grond en het vastgoed steeds intensiever worden gebruikt met de daarbij behorende waardestijging van de grond. Daardoor kunnen traditionele functies als grootschalige opslag en industrie zich niet meer vestigen in Leiden. Maar door de schaarste aan regulier terrein, kunnen ook de bedrijven met een hogere grondproductiviteit zich niet of met zeer grote moeite vestigen in Leiden. Door dit proces van uitstoot van die grootschalige functies, verdwijnen ook de daarbij behorende banen. Deze dynamiek leidt tot steeds meer zakelijke, publieke en consumentendiensten op bedrijventerreinen. Dat heeft onmiskenbaar vele positieve kanten, maar er schuilt ook het gevaar, dat Leiden niet voldoende banen binnen haar stadsgrenzen heeft om ook laagopgeleide beroepsgroepen aan een passend werk te helpen of houden. In de literatuur spreekt men over de verliezers van de kenniseconomie. Deze groep moet intensief begeleid worden naar een baan. Maar daar moet dan wel de gelegenheid (lees de geëigende bedrijven) voor zijn. Een ander aspect van het steeds meer ingesloten raken van de bedrijventerreinen in de woonbebouwing is, dat de bereikbaarheid en het parkeren onder druk komen te staan. Voor elk bedrijventerrein zal deze problematiek bestudeerd moeten worden en er oplossingen voor worden bedacht. Een ander belangrijk gevolg van dat ingesloten raken, is dat op steeds meer bedrijventerreinen de zogenaamde milieuzonering wordt toegepast. Dat betekent, dat bedrijven die dicht bij woningen liggen een lagere milieucategorie mogen hebben, dan de bedrijven die er verder van af liggen. Daar zitten ook weer twee kanten aan: het maakt wonen bij bedrijventerreinen gemakkelijker aan de andere kant zorgt het weer voor verdringing van de hogere milieucategorieën bedrijven. De VROM Raad adviseert dan ook om werklandschappen te creëren op deze terreinen (functiemenging). Het logische gevolg is dat nieuw uit te leggen bedrijventerreinen (Oostvlietpolder) gereserveerd zouden moeten worden voor de bedrijven die niet gemakkelijk met woonbebouwing zijn te verenigen. De voorlopige conclusie kan zijn dat de Leidse bedrijventerreinen – ondanks de schaarste en de hoge ruimtedruk – redelijk vitaal zijn, maar dat verouderend vastgoed en infrastructuur, toenemende druk vanuit de woonomgeving, verouderende openbare ruimte vragen om een toekomstvisie per terrein. 8. De Leidse bedrijventerreinen in regionale context Zoals uit de tabel in de bijlage te zien is, is er in de directe omgeving van Leiden al jarenlang geen regulier bedrijventerrein meer uitgegeven. Voor een stad als Leiden wordt de uitgifte van ongeveer 3 hectare per jaar als minimaal noodzakelijk berekend. De enige uitgifte, die in de buurt van Leiden heeft plaatsgevonden, was in Zoeterwoude en dat betrof openbaar gebied dat aan de aanliggende bedrijven is verkocht. De conclusie is dus dat uitplaatsing van bedrijven naar de regio op de voorhand geen optie lijkt te zijn. Omgekeerd doen regiogemeenten juist een beroep op Leiden voor het geval het bedrijvenpark Oostvliet uitgegeven gaat worden. In de discussie over de Regionale Structuurvisie van Holland Rijnland, wordt de bedrijventerrein situatie aangekaart door de het portefeuillehouders overleg economische zaken opgestelde Economische Agenda. Daarin wordt op basis van behoefte ramingen en beschikbaar aanbod in de regio een tekort geconstateerd. In dat tekort zou grotendeels voorzien kunnen worden - zo is het voorstel - door Oostvliet, Valkenburg en Groenendijk(Rijnwoude, buiten Holland Rijnland) te ontwikkelen als bedrijventerrein tussen nu en 2020. Deze terreinen liggen in de zuidelijke schil van de regio. Het voorgestelde regionale beleid is om de nieuwe bedrijventerreinen daar te concentreren en daarmee de Duin- Bollenstreek te ontzien. Vooralsnog wordt niet door elk gemeentebestuur de consequentie uit

4

deze keuze getrokken. Uit landelijk onderzoek blijkt dat slechts 12% van de bedrijfsverhuizingen gemeentegrens overschrijdend is. Het voorgaande leidt tot de conclusie dat Leiden ook in de toekomst waarschijnlijk voor een groot deel in zijn eigen ruimtebehoefte voor bedrijven zal moeten voorzien. Dat gegeven gekoppeld aan de eventuele uitgifte van de Oostvlietpolder, leidt tot de conclusie dat dit bedrijventerrein met grote omzichtigheid uitgegeven zal moeten worden. Daarnaast leiden de bovenstaande ontwikkelingen tot de noodzaak tot bindende afspraken in regionaal verband. Uitgaande van het feit dat de werkgelegenheid in de regio behouden zal moeten blijven, en daarmee de noodzaak van voldoende areaal aan bedrijventerrein van voldoende kwaliteit, zijn afspraken nodig m.b.t. de beschikbaarheid van bedrijventerreinen op Oostvliet, Groenendijk en Valkenburg. 9. Ambitie ten aanzien van de bedrijventerreinen Door de vele ontwikkelingen, die de Leidse bedrijventerreinen raken, is een aanpak ervan geboden. Onze ambitie is dan ook, dat de binnenstedelijke bedrijventerreinen van Leiden plaats bieden aan het gewenste voorzieningen niveau van de stad en dat ze tegelijkertijd een deel van de groei van de werkgelegenheid accommoderen, die wordt voorgestaan in de ontwikkelingsvisie “Leiden stad van Ontdekkingen”. Daarbij kan ontwikkeling van de kenniseconomie niet zonder een voldoende aanbod van werk, ook voor lager- en middelbaar geschoolden. De randvoorwaarden zijn dat er sprake zal zijn van duurzaam intensief ruimtegebruik op de Leidse bedrijventerreinen en dat de beeldkwaliteit niet per se van topniveau hoeft te zijn, maar wel van voldoende kwaliteit; zeker nabij woonbebouwing. 10. Beleidsuitgangspunten

De bovenstaande overwegingen hebben tot de hieronder voorgestelde beleidsuitgangspunten geleid waar het gaat om het behoud en de aanpak van de Leidse binnenstedelijke bedrijventerreinen.
a. Wij gaan uit van gemengde bedrijventerreinen in Leiden met uitzondering van het Biosciencepark. Het thematiseren van bedrijventerreinen heeft aantrekkelijke kanten met het oog op de marketing van zo een terrein. Het nadeel is echter dat thematisering tijd, geld en ruimte kost. Daar deze elementen schaars zijn, is het geen duurzame strategie om veel terreinen te thematiseren. Dat wil niet zeggen, dat de marktwerking wel selectie zou kunnen opleveren, maar die kost dan noch tijd, noch geld, noch ruimte. b. Het behoud van diversiteit van werkgelegenheid maakt dat verschillende beroepsgroepen in Leiden ook in de toekomst een werkplek zullen kunnen vinden. Met name de lageropgeleide beroepsgroepen vertonen een lage mobiliteit als het gaat om het hebben van een baan buiten de stad. De keus is dan vaak een baan in de stad of werkloos. c. Wij kiezen ervoor de bedrijven op bestaande locaties – hetzij op een bedrijventerrein, hetzij in of nabij een woonwijk – vraaggericht te faciliteren. Dat betekent dat wij er niet voor kiezen bedrijven actief te verplaatsen. Deze aanpak is geheel in lijn met de zogenaamde SER-ladder. De ladder is geïntroduceerd in de Vijfde Nota Ruimtelijke Ordening en deze adviseert voor duurzaam ruimtegebruik de volgende procedure: ! gebruik de ruimte die reeds beschikbaar is gesteld voor een bepaalde functie en/of door herstructurering beschikbaar kan komen, ! maak optimaal gebruik van de mogelijkheden om door meervoudig ruimtegebruik de ruimteproductiviteit te verhogen, ! indien het voorgaande onvoldoende soelaas biedt, is de optie van uitbreiding van het ruimtegebruik aan de orde. Niet onvermeld mag blijven, dat deze aanpak aanzienlijk minder kosten met zich meebrengt dan een beleid waar actief verplaatsingsbeleid van bedrijven de regel is.

5

d. De gemeente faciliteert de zelfrealisatie van bedrijven bij herontwikkeling van locaties op bedrijventerreinen. Dat betekent dat de gemeente wel verantwoordelijk blijft voor de openbare ruimte. e. Bij herontwikkeling van locaties wordt eerst bezien in hoeverre (alternatieve) economische functies kunnen worden gerealiseerd. Daarbij zullen solitaire kantoren niet worden toegestaan (zoals afgesproken met de regio). In hoeverre detailhandel en leisure toegestaan zullen worden, hangt af van het bedrijventerrein. En zal nader uitgewerkt worden f. Wij zetten in op het maken van bindende afspraken met de regio over het toekomstig aanbod van nieuwe bedrijventerreinen. Het gaat daarbij met name om bedrijventerreinen op de locaties: Oostvlietpolder, Groenendijk (in Rijnwoude) en Valkenburg.

g. Per bedrijventerrein wordt een uitvoeringsprogramma ontworpen. Voor de Waard zal dat programma rekening moeten houden met de loop van een mogelijk tracé van de Ringweg Oost over het bedrijventerrein. Wij zijn ons bewust van gevoerde discussies over het al dan niet handhaven van de Waard als bedrijventerrein. Gezien bovengenoemd uitgangspunt van de SERladder van duurzaam ruimtegebruik, het mogelijke tracé van de Ringweg Oost, het gebrek aan schuifruimte op een beschikbaar bedrijventerrein en gezien de hoge kosten die met transformatie zijn gemoeid, is het handhaven van de Waard als bedrijventerrein vooralsnog een reële optie. 11. Plan van Aanpak Als het strategisch kader bedrijventerreinen is vastgesteld, houdt dat in dat er per bedrijventerrein een uitvoeringsprogramma zal worden opgesteld. Per jaar wordt in 1 of 2 van dergelijke programma’s voorzien, afhankelijk van de prioriteiten van het bestuur en de ambtelijke capaciteit. Zo een uitvoeringsprogramma beschrijft de toegestane economische functies en vormt daarmee de input voor de bestemmingsplannen en de Leidse structuurvisie. Ook bevat het een outline van een beeldkwaliteitplan en een communicatieplan met ondernemers, ondernemersverenigingen en mogelijk belanghebbende bewoners. Optioneel bevat een uitvoeringsprogramma een financieringsplan voor de openbare ruimte; kan het leiden tot een projectbesluit over een (deel van het) bedrijventerrein; of wordt vastgesteld dat er noodzaak is tot het planologisch faciliteren van een bedrijfsverplaatsing. Het strategisch kader bedrijventerreinen en het uit te werken uitvoeringsprogramma vormen bouwstenen voor bestemmingsplannen, de Werkenvisie, de Structuurvisie van Leiden en de Structuurvisie van Holland Rijnland. Bijlage: Uitgifte bedrijventerreinen in Holland Rijnland 1997 – 2006 Gemeente Alkemade Hillegom Lisse Noordwijk Noordwijkerhout Totaal Noord Teylingen Katwijk Leiden Leiderdorp Oegstgeest Voorschoten Zoeterwoude Totaal Zuid Totaal HR 97 98 0,5 0,8 2,1 5,3 0,0 0,0 1,0 3,9 2,7 3,7 6,3 13,7 5,9 3,0 1,5 3,9 2,0 1,5 0,5 0,0 0,0 0,0 0,0 0,0 0,0 0,0 4,0 5,4 16,2 22,1 99 0,4 2,0 0,0 2,6 0,0 5,0 0,6 0,0 0,0 0,0 0,0 0,0 0,0 0,0 5,6 00 0,0 2,7 0,6 0,0 2,4 5,7 1,8 3,0 1,9 0,0 0,0 0,0 0,0 4,9 12,4 01 7,9 1,9 0,0 5,5 2,3 17,6 0,6 0,0 1,0 0,0 0,0 0,0 0,0 1,0 19,2 02 3,5 0,7 0,0 0,0 1,0 5,2 0,8 0,9 0,4 0,0 0,0 0,9 0,0 2,2 8,2 03 0,0 0,0 0,0 0,0 0,0 0,0 0,8 2,0 0,0 0,0 0,0 0,0 0,0 2,0 2,8 04 1,7 0,0 2,5 0,7 0,0 4,9 1,8 1,3 0,5 0,0 0,0 0,0 1,1 2,9 9,6 05 1,6 0,0 1,0 1,1 0,0 3,7 0,0 4,4 0,3 0,0 0,0 0,0 4,4 9,1 12,8 06 0,0 1,2 0,0 3,8 0,0 5,0 0,4 1,3 0,6 0,0 0,0 0,4 0,0 2,3 7,7 Tot /jaar 16,4 1,6 15,9 1,6 4,1 0,4 18,6 1,9 12,1 1,2 67,1 6,7 15,7 1,6 18,3 1,8 8,2 0,8 0,5 0,1 0,0 0,0 1,3 0,1 5,5 0,6 33,8 3,4 116,6 11,7

6