You are on page 1of 17

Morfologie en analyse van de stadsplattegrond

onderdeel van de cursus Methoden en technieken van stedenbouwkundig en gebiedsgericht onderzoek


VUB Cosmopolis 2013-2014 | docent en auteur: Paul Blondeel

Deze tekst is leidend t.o.v. de powerpoint: bestudeer de tekst en gebruik de ppt beelden als illustratie erbij, niet omgekeerd. De zelfstudie vragen zijn telkens aangegeven met een open vierkant opsommingsteken. Ze geven weer hoe je de leerstof kunt verwerken en verder toepassen; uit het hoofd leren is geen optie (open boek).

Inhoudsopgave
1. a. b. 2. a. b. c. d. 3. a. b. 4. a. b. wat is een stadsplattegrond? ...................................................................................................... 2 morfologie ............................................................................................................................... 3 de stadsplattegrond: (meerdere) lagen en (drie) bouwstenen ................................................ 5 Op zoek naar oud en nieuw [publiek] domein: de tweede en de derde bouwsteen .................... 7 De interactie tussen aan routines gebonden ruimte en aan ruimte gebonden routines ..... 7 Omgevingsspecificiteit op niveau van bouwblok, straatprofiel en stratennetwerk .................. 9 Vorm en maat van het bouwblok en de daaraan gebonden routines.................................... 10 De lange duur als achteruitkijkspeiegel bij de analyse van de stadsplattegrond .................. 11 De persistentie tussen privaat en publiek.................................................................................. 12 Verstening van erf grenzen ................................................................................................... 12 Anomalie en ad hoc toevoeging ........................................................................................... 13 Machtspolitiek en gebouwde omgeving - de bastides als case .............................................. 15 De case................................................................................................................................. 15 Relaties tussen macht, maatschappij en morfologie ............................................................. 16

slide #2 fragment van de 17deeeuwse stadsuitbreiding van Amsterdam. Bron: Heeling jan, Meyer Han en Westrik John, Het ontwerp van de stadsplattegrond, SUN 2002

1. Wat is een stadsplattegrond?


de term morfologie en morfologisch onderzoek de term stadsplattegrond lagen en bouwstenen (schalen) Op slide #2 zie je een deel van de Amsterdamse stadsplattegrond. Het is de kaft van het boek het ontwerp van de stadsplattegrond waarop een deel van deze tekst gebaseerd is1. De grote kaart is een soort onderlegger, een historische kaart van het grensgebied tussen de 16de eeuwse kern van Amsterdam (onderste helft) en de 17de eeuwse grachtengordel (bovenste helft) , met linksonder nog de elleboog van de Amstel. De oude stad is weergegeven zoals hij gebouwd is, de bestaande toestand: de bouwblokken zijn quasi volledig dichtgebouwd; representatieve gebouwen zijn in 3D getekend. Het bovenstede deel is een plankaart. Ze geeft de tracs aan van de straten en de gevels van de toekomstige woningen en panden. De aanduiding van het binnengebied is indicatief. Tussen de bestaande toestand en het gebied van de plankaart is de oude stadswal getekend (in stippellijn). De bestaande en geplande stadsplattegrond zijn sterk verschillend, hebben een andere morfologie. De oude stad heeft organische en gebogen straten, resulterend in relatief ongelijke bouwblokken, in Nederland vaak aangeduid als (stedenbouwkundige) eilanden. De nieuwe stad heeft zeer geplande structuur, elk bouwblok is aan minstens een zijde ontsloten door een kanaal, een overlangse en een dwarse weg. Hoe verschillend ook, de nieuwe stad sluit goed aan op de oude: de nieuwe radiale wegen sluiten aan op oude aanzetten in de vroegere vestigstad; het tangentile trac van de nieuwe grachten doubleren het traject van de Amstel-elleboog en dat van de oude grachten; een ontwatering die tegelijk de nieuwe wijken hyperbereikbaar maakt voor toelevering en handel over het water. De twee inzetten (rode kader) geven een nog preciezer beeld van hoe deze stadsplattegrond het stedelijk leven organiseert. In de onderste inzet zien we een luchtfoto van een bouwblok tussen Herengracht en Singel. Elke woning van het rechthoekige bouwblok grenst aan n van beide grachten. De bovenste deelkaart geeft de percelen weer in vier bouwblokken van de nieuwe stad, doorsneden door een radiale en twee tangentile grachten. In het bovenste segment van die deelkaart is het grote bouwlok doormidden gesneden met een interne ontsluitingweg. Op die weg komen vooral magazijnen en loodsen uit; de woningen staan met hun typische puien (gevels) aan de grachtzijde van het bouwblok. De toen nog bomenvrije kades vormden samen met de voetpaden en rijwegen telkens een minihaven voor de verschillende grachtenpanden. Het 16de eeuwse Amsterdam wordt in historische teksten beschreven als het grootste magazijn van Europa: in de oude stad en de nieuwe wijken doet vrijwel elk stenen pand dienst als pak- en stapelhuis, ofwel integraal, ofwel gecombineerd met wonen in het voorste of het achterin gelegen gedeelte van de woning. De plattegrond en de twee inzetten geven dat goed weer. Indien we uitzoomen naar de vijf grote grachten die in de 16de en 17de eeuw gebouwd werden, wordt duidelijk welke enorme oppervlakte en groeispurt Amsterdam in die tijd doormaakte (ook zichtbaar op slide #71). De stad wordt een van de eerste kapitalistische

Heeling jan, Meyer Han en Westrik John, Het ontwerp van de stadsplattegrond, SUN 2002

metropolen; aan de Amsterdamse beurs worden de eerste waardepapieren uitgegeven (de voorloper van de actuele aandelen); in navolging van Florence en Veneti verdienen Amsterdammers hun rijkdom door zowel handel te drijven als handel te financieren. In Amsterdam echter zit het geld niet bij enkele prinsen of aristocratische families; in het enorme Hollandse stadsmagazijn kunnen ook gewone burgers snel geld verdienen. De Hollandse republiek en het stedelijk bestuur garanderen juist dat iedereen vrij handel kan drijven; religieuze en andere autoritaire instanties worden niet geduld; het nieuwe geloof helpt in alles mee om de ondernemingsgeest te ondersteunen.

Wat leert ons het bovenstaande schets en wat is de relatie ervan met de stadsplattegrond? De kaart toont weinig paleizen en kastelen; ook wanneer we uitzoomen zoals op slide #17. In het 17de eeuwse Amsterdam en in de Hollandse republiek zijn er erg veel ondernemende burgers en hoewel er in de republiek ook armoede heerst, is de ongelijkheid beduidend geringer dan elders in Europa2. De sociale en politieke rechten die Amsterdammers genieten zijn niet te vergelijken met die van vandaag maar tegelijk zijn ze groter dan die van andere stedelingen in die tijd. Wie handel drijft, hard werkt en deugdzaam is, wordt geen stro breed in de weg gelegd. Maar zien we dat op de kaart? Natuurlijk niet, al deze informatie is achtergrond, context maar die context is wel leesbaar in de allerlei stollende en reeds gestolde vormen, in de specifieke maat en vorm van gebouwen, van bouwblokken en hun begrenzing en ontsluiting, in infrastructuren voor toevoer en doorvoor, in verbindingen, ontsluitingen, doorbraken en begrenzingen. De gebouwde omgeving leest als een tekst de plattegrond als een partituur - maar de betekenis van die tekst is niet helder. Hij vergt analyse. Op deze kaart zien we de massieve herhaling van grote en zeer goed ontsloten herenhuizen; een voor die dagen gigantische infrastructuur die specifiek voor handel en kapitaalsaccumulatie is aangelegd; een gemeenschap die kennelijk de energie, de middelen en de eensgezinde doelgerichtheid heeft en gedurende bijna drie eeuwen dit model aanhoudt. Begin twintigste eeuw zijn nog altijd delen van de grachtenstad in gebruik, ook economisch. De plattegrond vertelt niet zelf dat economisch, politieke en culturele verhaal; de kaart is de neerslag, het sediment van dat politiek cultureel economisch complex. Als gestolde vorm van wat eerdere generaties gedaan en genvesteerd hebben (of nalieten te doen) toont de kaart continuteit en lange duur (zie ook #61#65). Maar zoals gezegd is de leesbaarheid van de kaart altijd partieel: de geleding van de kaart, wat ze toont en verbergt is nooit helemaal transparant. De betekenis van de kaart is opaak. Opaak wil zeggen: deels ondoorzichtig zoals bij mat glas. Er zijn contouren van iets onderliggends, iets achter de wand. De opaciteit van de stadsplattegrond bemoeilijkt de waarneming en de lectuur van wat we op de kaart zien. Hoe accuraat de legende ook is, we weten nooit meteen en nooit helemaal wat de kaart ons toont. Vandaar de noodzaak de plattegrond te analyseren. 3

a. morfologie
In de biologie verwijst morfologie naar de studie (logos) van de ruimtelijke verschijningsvorm van dieren en planten (morfo): de unieke morfologische structuur van een hertengewei naargelang het individuele hert, de ouderdom van dier en van het gewei in kwestie; de morfologie van berg eiken tegenover die van laagland eiken; . Op basis van

Mak Geert, De engel van Amsterdam, Olympus, 2012

die vorm kunnen soms maar niet altijd (!) kenmerken en eigenschappen worden afgeleid. De relatie tussen vorm en betekenis is nooit n op n. In ons vakgebied duidt stedelijke morfologie op de (te analyseren) ruimtelijke structuur en eigenheid van menselijke nederzettingen (dorpen, steden, gebieden), het proces waarmee ze tot stand komen en veranderen. Uit welke delen zijn steden opgebouwd? Volgens welke patronen? Hoe ontwikkelen ze zich, volgens welke morfologische logicas? Morfologische analyse gebeurt op verschillende schalen (van het individuele perceel (woningtypologie) tot de stadsregio en ruimer) en in diverse deeldisciplines. De ruimtelijke vorm wordt benvloed door erg veel factoren en processen - vandaar evenveel mogelijke subdisciplines en aandachtsgebieden: de morfologie in relatie tot de eigendomsstructuur; in relatie tot het grondgebruik; de bodemgesteldheid; de verstedelijking; de grondinname; de economische structuren; de politieke structuur; een stadsplattegrond van een wijk aangelegd in een dictatoriaal regime kan morfologisch specifieke kenmerken bevatten. Kun je er een aantal noemen? Zal je de eigendomstructuur ook kunnen zien in de plattegrond? Kan je de politieke en sociale structuren zien of vergt dat meer detailinformatie? Zoek zelf een plattegrond van zon stad en kijk of je deze vragen kunt beantwoorden of verder kunt documenteren. Zoek een stadsplattegrond van een dorp in bijv. de Pyreneen. Bedenk analoge vragen als hierboven en probeer ze te beantwoorden. Morfologische analyse is het droge verhaal, los van alle context die we in het Amsterdamse voorbeeld er net wel hebben bijgezet. De morfologie gaat pas spreken door die context maar ze heeft ook haar eigen techniciteit en vocabulaire. Het figuur grond plan (slide #5; rechterhelft op slide #12) is een van de basisinstrumenten om stedelijke morfologie in kaart te brengen. De opeenvolging van historische kaarten (al dan niet herwerkt tot vergelijkbare transcripties) geeft inzicht in de ontwikkelingsgang en de historisch-morfologische dynamiek (zie eerdere slides over bijv. de Gentse case Rabot, slides #43-#47). Andere basiskaarten en technieken zijn bijv. allerlei maten voor densiteit (vloer/terreinoppervlaktes (#32); bouwlagen; grondinname per perceel; private buitenruimte; ); Nollikaarten (slide#6) en hun hedendaagse varianten. Naast de technische basiskaarten zijn er allerlei analytische kaarten, bijvoorbeeld ontledend (samenstellende lagen worden uit elkaar gelegd) of juist samenstellend (afzonderlijke lagen samen gezet). Soms wordt in een analyse teruggegaan naar een vermoedelijk structurerende basisfiguur (reductie analyse - kaart Amsterdamse mond slide #48 ). De analyse kan er ook in bestaan dat de stedenbouwkundige zelf structurerende elementen aanduidt: een afwijkende lijn in het patroon (in Manhattan, slide #12); belangrijke assen in het weefsel (slide #10 voor Edinburgh). De klassieke functiekaart met ingekleurde percelen noemen strikt gezien geen morfologische kaart. Waarom is dat zo? Hoe zou je een perceelsfunctie kaart zo kunnen bewerken dat ze morfologisch toch informatief wordt? Zoek zon kaart op en kijk wat er nodig is aan extra informatie of lagen

b. de stadsplattegrond: (meerdere) lagen en (drie) bouwstenen


In de diareeks #7 tot en met #12 zie je een meer operationele opvatting van de stadsplattegrond, zoals aangehouden door Heeling, Meyer en Westrik in het aangehaalde werk (zie hoger, voetnoot 1): :: De vijf lagen in slide 7 spreken voor zich, maar zijn zeker niet de enige denkbare of relevante. :: Dezelfde auteurs noemen behalve deze analytische lagen ook een drietal bouwstenen voor de stadsplattegrond, telkens op een ander schaalniveau: de kavels (of percelen); het eiland (of het bouwblok), het netwerk (of de morfologie van de straten).

De stadsplattegrond zelf zoomt verder uit en integreert de drie vorige bouwstenen/schalen. In slide #8 en #9 wordt voor de drie bouwstenen van de stapsplattegrond telkens bepaald of de bouwsteen eerder gelijkvormige morfologie heeft dan wel divers is. In vier typesteden levert dat telkens een ander stadsplattegrond op. Net als in het Amsterdamse voorbeeld zien we hoe de stadsplattegrond ons als het ware tot achter de voordeur laat kijken. Hoewel het een stedenbouwkundige kaart betreft die vooral aangeeft hoe de publieke ruimte gestructureerd is, geeft een gedetailleerde en goed opgebouwde stadsplattegrond altijd ook aan hoe het stedelijk leven zich kan afspelen in een specifieke stad of wijk. In slide #10 en #12 is dat uitgewerkt voor de collectieve ruimtes in de stad Edinburgh en New York. Bij de slide over Den Haag (#49) hebben we in de les aangegeven dat de typische brede grondplan van de Haagse woning teruggaat op de zandruggen van het oude duinenlandschap: een woning met een erg brede gevel aan de straatzijde, relatief ondiep is en erg veel licht binnenlatend. De noord zuid georinteerde zandruggen lagen relatief dicht bij elkaar en werden structurerend voor het verdere wegennetwerk (de derde bouwsteen bij Heeling). Die wegenstructuur werkte kennelijk door in de bouwblokformatie en de perceelsformatie. Een zeer persistent patroon dat echter niet n op n teruggaat op de duinenstructuur en de zandruggen. Het grondplan van de typisch Parijse woning (geen slide opgenomen) is helemaal anders dan die van de Amsterdamse grachtenwoning of het Haagse burgerhuis; private tuinen en private buitenruimtes in Chicago zien er anders uit dan tuinen en private buitenruimte in de Amsterdamse wijk Oud Zuid (plan Berlage)(slide #9). Hoewel de grens tussen het private en het publieke een zeer persistente grens is (#19), benvloedt de vorm van het bouwblok en het stratenpatroon de manier waarop mensen wonen en leven, zowel in de private sfeer als daarbuiten. Lichtinval (#52), visuele assen en monumentaliteit (#51) bepalen de dagelijkse ervaring van de stedelijke omgeving. De lengte en maaswijdte van straten en tracs bepalen hoe mensen moeten lopen van A naar B (#53) en hoe hun stedelijke routines opgebouwd zijn. Indien we iets meer zouden uitzoomen dan in de afgedrukte slides, zouden we merken dat mensen erg makkelijk van sommige plekken naar andere plekken kunnen, andere locaties of domeinen liggen meer afgelegen (bijv. perifeer) of zijn op basis van de stadsplattegrond zelf achtertin gelegen. Gecombineerd met andere gegevens (sociale, demografische, woontypologische) kan dat duiden op meer systematisch geleding die bijv. ook socio-economisch is (slide #65 rechter kaart). Kun je op basis van de stadsplattegrond van New York (#8 en #12) iets zeggen over het soort stedelijk leven dat er zich afspeelt of dat door de plattegrond gefaciliteerd wordt? Of valt daar op basis van de kaarten alleen helemaal niets over te zeggen en heb je extra informatie nodig? Het is een open vraag, met meer dan n juist antwoord . Wat kun je afkleiden uit de vergelijking tussen de plattegronden van Parijs en New York in slide #8? Ook hier dezelfde vraag (zonder eenduidig antwoord): welke indicaties voor

het leven op straat of zijn die indicaties op basis van de kaarten alleen helemaal niet te maken? In de slides zijn een aantal fotoreeksen opgenomen uit binnengebieden van voornamelijk 19deeeuwse wijken in Antwerpen (slides: #21#23; #69). De zeer diverse beelden geven aan welke dagelijkse woonervaring mensen hier hebben wanneer ze uit het raam kijken. Uit de fotos kun je ook iets afleiden over (a) de woonkwaliteit, (b) specifieke activiteiten in het bouwblok en (c) het dagelijks leven dat zich er telkens afspeelt? Bedenk voor de drie aspecten enkele voorbeelden op basis van de fotos.

| Woningen aan de Ruysdaelstraat (Kuregem): weefsel en uitzondering

2. Op zoek naar oud en nieuw [publiek] domein: de tweede en de derde bouwsteen


Heeling noemt drie bouwstenen in de stadsplattegrond: het perceel, het bouwblok en het stratennetwerk. Het bouwblok zelf is al een belangrijke schakel tussen het private en het meer publieke. Het stratennetwerk brengt nog langere tijdsperiodes in en dus meer geschiedenis; meer lange duur.

a. De omgevingsspecifieke interactie tussen aan routines gebonden ruimte en aan ruimte gebonden routines
De band tussen het private wonen en het publieke leven wordt door veel factoren bepaald, varirend in tijd en varirend in sociale en fysieke ruimte. In het 17deeeuwse Amsterdam is het stedelijk leven anders dan in de stad van aankomst die New York was in het begin van de 20ste eeuw. Vandaag is het stedelijk leven in de Marollen anders voor mensen met een klein inkomen dan voor gegoede loft bewoners. Toch zijn er in de fysieke (woon)omgeving constanten aan te duiden waardoor specifieke ervaringen en aan die ervaring gebonden routines, eerder wel mogelijk zijn en andere ervaringen en routines eerder onmogelijk of onwaarschijnlijk zijn. We zetten de aanduiding omgevingsspecifieke constanten tussen aanhalingstekens: het gaat niet om vaste grootheden of factoren maar om plaats- en omgevingsspecifieke relaties tussen de ruimtelijke en gebouwde situatie enerzijds en het gedrag dat mensen er ontplooien, doorgaans voorbewust. Twee, drie mensen gaan in een volle lift vanzelf anders posities innemen dan in een verder lege lift; een zgn. olifantenpaadje in een volledig onbebouwd bouwblok een ander trac dan wanneer enkel percelen alsnog bebouwd en bewoond zijn. Een overdekte markt leidt tot andere routines dan een niet overdekte, ook buiten de uren dat er markt is (cf. schouwburgplein Antwerpen). Merk op dat we hier vooral kijken naar ruimtes buiten het strikt particuliere domein: collectieve, parochiale en publieke ruimtes en daarnaast ook ruimtes die behoren tot het zgn. nieuwe publieke domein bijv. parken of pleinen tijdens evenementen, locaties in de sfeer van ontspanning of in gebieden die slechts tijdelijk intens gebruikt worden3. De omgevingsspecifieke constante is datgene in de gebouwde omgeving dat het specifieke reeks van gedragingen, routines of interacties mogelijk maakt of ondersteunt. Die constante is dus zelf een relatie waarvan we doorgaans slechts n verschijningsvorm in de gaten hebben. Het gaat over telkens over een continu fenomeen waarvan we meestal slechts n van de uiteindes opmerken. We zien het olifantenpad diagonaal door het braakliggend bouwblok maar we zien niet de instanties en actoren die beslist hebben om dat bouwblok bijv. al drie decennia lang onbebouwd te laten, de ad hoc processen die ertoe geleid hebben dat na sloop er niets nieuws kwam. De gebiedsspecifieke constante is niet het braak laten liggen op zich en ook niet het olifantenpad maar de gelijktijdigheid van beide. Wanneer we op die plek (of in de omgeving ervan) gelijkaardige constanten ontwaren, kunnen we spreken van een gebiedsspecifiek patroon.

De aanduiding van gebiedsspecifieke constanten in een gegeven gebied of omgeving, vergt een eigene expertise. We reiken hier alleen de basiselementen aan. Het gaat in eerste instantie om een leesstrategie: hoe kan de stedenbouwkundige als onderzoeker de werking van een specifieke omgeving analyseren vanuit de routines die hij er ziet doorgaan; naar welke specifieke routines kijkt hij om die mogelijke werking te detecteren en hoe verbindt

Hajer M. en Reijndorp A., Op zoek naar nieuw publiek domein, NAi, 2001, pp. 21-72

hij die met specifieke elementen uit de omgeving, de topografie en de morfologie van die omgeving? Het gaat dus in de twee richtingen: wat vertellen de routines over de (structuur, geleding en werking) van de omgeving; welke elementen in de omgeving ondersteunt welke routines? Omdat stedelijke routines en woonhandelingen erg impliciet zijn, moet de onderzoeker alert zijn voor al die dingen die voorafgaan aan het expliciete; al die categorien die invloed hebben op de gegeven stedelijke situatie en nooit definitief te categoriseren zijn. In onderstaande voorbeelden attenderen we op dat impliciete: In een bouwblok van zes bouwlagen is er nog visueel en auditief contact mogelijk tussen de ouders (binnen) en de kinderen (buiten, beneden); in bouwblokken met meer etages is dergelijk contact vanaf de 7de bouwlaag steeds moeilijker. Sociale huisvestingsmaatschappijen in Amsterdam Zuid mochten gedurende een bepaald periode geen wooncomplexen met liften bouwen om zodoende het bestand van huurders te vergroenen. Om de stadskernen van middeleeuwse steden zijn de straten zo smal en de private buitenruimte zo schaars, dat bewoners de was aan de straatzijde drogen. In de vroeg twintigste-eeuwse wijken van Rotterdam zijn de bouwblokken zo lang dat er lange woonstraten waar de sociale controle veel hoger is dan in wijken met een kleinere maaswijdte tussen de straten. In dicht bebouwde volkwijken van Gent zoeken (allochtone) vrouwen dikwijls de rand van de wijk op; ze maken opwegen om niet door die smalle straatjes te moeten wandelen. Duidt in deze voorbeelden telkens het gedragsuiteinde aan en het omgevingsuiteinde. Probeer ook aan te geven waar die uiteinden niet goed waarneembaar zijn of schijnbaar in elkaar overlopen. 8 De tweevoudige analyse van gebieds- of omgevingsspecifieke constanten bestaat niet uit puur wiskundige of objectieve stapjes: er is altijd een keuzemoment waarbij de observator/analist specifieke routines of activiteiten naar de voorgrond haalt en waarbij ook zijn eigen visie op stedelijkheid meespeelt. In het geval van het Antwerps schouwburgplein kan de onderzoeker bijvoorbeeld focussen op de skatende jongeren onder de luifel (tijdens en buiten de markturen); ofwel op de promotiefeestjes van de stad Antwerpen (buiten de markturen) of nog op de bedrijfsfeestjes onder de luifel (tijdens en buiten de markturen in het verlengde van de schouwburghoreca). Hij moet de drie activiteiten (en uiteraard nog vele andere) meenemen in zijn analyse en zijn private voorkeuren juist achterwege laten.

De onderzoeker kijkt dus niet empathisch (die jongeren moeten toch kunnen skaten of al goed dat die schouwburghoreca door die bedrijfsfeestjes wat extra inkomsten heeft) maar empirisch. Zijn morfologische analyse helpt hem daarbij. Wanneer hij een vermoedelijke constante in het vizier heeft, gaat hij actief op zoek naar fysiekruimtelijke en morfologische kenmerken die zijn vermoeden ondersteunen of het juist doorkruisen. Bij deze analysestap zal hij zowel naar de plek zelf kijken als naar de inbedding ervan in het weefsel (het netwerk, de derde bouwsteen bij Heeling): wat op het schouwburgplein maakt het voor skaters aantrekkelijk om juist hier te komen: aspecten in de gebouwde ruimte van de plek zelf (niveauverschillen, hellende vlakken, scherpe en harde randen, ) en in het netwerk van bouwblokken (goede bereikbaarheid; dichtbij maar niet in het hoogtoeristische centrum (althans tijdens de week). wat maakt het voor de stad Antwerpen interessant om juist hier promotiefeestjes te organiseren:

b. Omgevingsspecificiteit op niveau van bouwblok, straatprofiel en stratennetwerk


Het feitelijke gebruik van de stad wordt in grote mate bepaald door het samenspel tussen bouwblok en stratennetwerk, in Heelings vocabulaire de relatie tussen de twee en de derde bouwsteen (#8 -#10). Bouwblok en stratennetwerk samen bepalen erg veel condities voor wat er in een stedelijke omgeving kan gebeuren, welke voorzieningen er waarschijnlijk kunnen gedijen zonder erg grote maatregelen of sloop. Het gaat om aan het bouwblok en het stratennetwerk gebonden stadservaring en stedelijke routines en de morfologische condities waarin deze ervaringen en routines tot stand komen en gedijen. wanneer die relatie duurzame vormen heeft, spreken we van gebiedsspecifieke constanten. Een deel van die constanten kunnen we terugvoeren op puur morfologische grootheden van het bouwblok en/of het straatprofiel en de invloed daarvan op het routineuze wonen. Een deel van die grootheden laat zich kwantitatief en enkelvoudig uitdrukken: densiteit van het bouwblok door densiteit van de panden (#19; #32) open of gesloten bouwblokken ander bezonning maar ook andere voorkant- en achterkantrelaties (#20; #24 en #25; zie ook fotos #21- #23) verhouding straatvloer straatwanden aan de straatzijde (#67-#68) aan een plein: verhouding pleinvloer pleinwand: vergelijk Romeins plein met drie grote fonteinen (#39) met relatief klein maar perfecte Toscaanse plein in (# 40):

Op het kleine Toscaanse plein zal een ander toerisme gedijen dan op het drukke Romeinse plein met de drie fonteinen. De maten van densiteit en de feitelijke verhoudingen zijn makkelijk te bepalen; niet te bepalen is wat er waar precies werkt en hoe het werkt. Een aantal condities behelst het bouwblok zelf en met name de relatie schil en binnengebied (zie ook desbetreffende paragraaf in de syllabus): is er collectieve binnenruimte in het bouwblok die gedeeld kan worden? zijn er toegangen tot het binnengebied die ontsloten kunnen worden of is dat juist geen vraag en moeten bestaande toegangen eerder afgesloten worden? wie beheert de ruimte die als collectief wordt aangeduid? Wie zou ze willen gebruiken? Wie gebruikt ze nu al? welk soort routineus gebruik zit er nu op welke locatie; bakent dat gebruik specifieke domeinen af en wordt die geleding ondersteund door andere gebruikers en door de architectuur? hoe verhouden toevallige gebruikers en passanten zich tot diegene die quasi permanent de ruimte ervaren als hun woonomgeving?

Ook het feitelijke gebruik van de ruimte telkens een grote rol, zowel door bewoners(direct omwonenden), mensen die er frequent passeren, tijdelijke en neutrale gebruikers of gebruikers die de ruimte slechts sporadisch claimen (bijv. de stamgasten op het voetpad bij aanvang van het weekend). De cartografie van het feitelijke gebruik is een nog onderbelichte kant in stedenbouwkundig onderzoek en theorievorming. In de Ruysdaelstraat in Kuregem passeerden we tijdens de oefendag aan een soort woonerf met woningen uit het interbellum (foto op pagina 6). Bouwblok en stratennetwerk hebben hier aan afwijkend maat en geleding. Schets grafisch en beschrijf met woorden hoe dit woonerf een uitzondering is in het weefsel. Bedenk voorbeelden van woonroutines (en ervaringen) die in door deze structuur gefaciliteerd of ondersteund worden. Maak een appreciatie van dit wonen op deze plek:

kwaliteitsvol; voorbijgestreefd; innoverend; Motiveer uw kwalificatie met de analyse die je net gemaakt hebt.

c. Vorm en maat van het bouwblok en de daaraan gebonden routines


Men kan zich voorstellen dat er in de Chicago wijken van slide (#9) een ander publiek leven installeert dan in de Parijse wijken uit de slide ervoor (#8). Uiteraard en opnieuw gaat het niet om een n op n relatie: de ruimte maakt specifieke ervaringen mogelijk of waarschijnlijk maar behalve de gebouwde en aangelegde ruimte zelf, spelen erg veel andere condities een rol. Behalve de gebouwde omgeving (vaak aangeduid als hardware) en het feitelijke gebruik (software), speelt ook de lokale cultuur mee, de densiteit en kwaliteit aan voorzieningen, de welvaart, lokale wetten en gebruiken, de tijdelijke conjunctuur in een gebied. Tijdens de zgn. Arabische Lente speelde het avond- en nachtleven in Cairo zich af volgens andere ritmes en ten dele op andere plaatsen dan voorheen. In de beroemde film una giornata particolare van Ettore Scola zien we twee mensen die niet naar de fascistische massabijeenkomst gaan in het Rome van net voor WOII. De twee personages zijn elk op hun manier erg eenzaam, ze wonen in een groot complex met gemeenschappelijk binnenterrein. trappenzalen en dakterras. De aan deze ruimte gebonden ervaringen en routines vormen een hoofdlijn in bijna heel de film. bij de twee hoofdfiguren maar ook bij de andere personages. De film is integraal te zien op Youtube. Behalve de legendarische scne op het dakterras, zijn er nog andere aan de ruimte gebonden routines en ervaringen. Beschrijf en benoem ze. Kun je ook aangeven hoe de politieke cultuur van die periode het bouwblok binnendingt? Morfologisch gesproken zijn we genteresseerd in juist die fysiekruimtelijke condities die wel degelijk doorwerken op een van die vele aspecten die het stedelijk leven (kunnen) bepalen. Een langwerpig en smal bouwblok genereert andere private buitenruimte dan een ruime en vierkante vorm; de woonkwaliteit kan er negatief door benvloed worden (voor Amsterdam: #31; #75-#76) hoewel de Amsterdamse wijk De Pijp met die erg smalle bouwblokken in de jaren 90 een van de meest geliefde wijken werd voor o.a. jonge starters. De interne draagkracht van een bouwblok kan eerder groot of klein zijn. Sommige bouwbloktypologien hebben een gedurende eeuwen hun eigen maat en vorm opgebouwd, bijv. de eertijds agrarische bouwblokmaat in de poldergemeentes van Nederland, later in opeenvolgende periodes verstedelijkt, gehalveerd en verkleind maar nog steeds met een zeer specifieke geleding en maatvoering (mondelinge toelichting in de lessen) (slides #29); dat geldt vandaag nog steeds voor een aantal bastide stadjes in Frankrijk (voor de tekst over de bastides zie verder). 10

Er is een hele literatuur over de ideale bouwblokmaat, ondermeer geprezen door De Sola Morales in zijn medewerking aan stad aan de stroom en verwijzend naar Cerdas uitbreidingsplan voor Barcelona (#55). In de slides worden een aantal ideaaltypische stadsplattegronden (o.a. van Stevin, # 28) verbonden met specifieke bouwblokmaten in de Nederlandse steden (#50). Heel erg vereenvoudigend zijn er twee onderscheiden benaderingen om te bepalen wat ideaal is: Het bouwblok en meer algemeen de gebouwde massa moet gedacht en georganiseerd worden vanuit de publieke ruimte en haar verschijningsvorm (de Catalaanse benadering in de jaren 80 en 90 van vorige eeuw) . Het bouwblok moet gedacht worden vanuit het private woondomein en zo het publiek domein vormgeven. Men kan Berlages tweede uitbreidingsplan voor Amsterdam Zuid op die manier interpreteren (#26 en #59 bovenaan); zijn eerste plan (#53) sloot nog nauwer aan bij die gedachte net als de Engelse tuinwijk beweging waar het expliciet naar verwees (#54).

In de modernistische stedenbouw, bij onze noorderburen vertrouwder en veel beter uitgewerkt dan bij ons, vervalt de strakke prioriteitstelling tussen gebouwde massa en publieke ruimte althans in de betere voorbeelden ervan. In het veelgeprezen ontwerp van Lotte Stam Beeze voor de Rotterdamse wijk Pendrecht is de publieke ruimte continu, ze loopt schijnbaar door onder de vaak verhoogde laagbouw. De woningen in open bouwblok structureren de publieke ruimte in wijken en deelbuurten; de wanden van de appartementsstroken bakenen geen gesloten pleinen meer af maar publieke zones waarbij goed gekeken is naar toe-eigening en leesbaarheid door gebruik (slide #25, door de studenten verder te documenteren). Zie ook slides #72 #74. Zoek informatie op over het AUP van Van Eesteren (via Google afbeeldingen bijv.). Analyseer het AUP eerst algemeen (de oranje en rode woonuitbreidingen bevinden zich over heel het stadsgebied); analyseer vervolgens de westelijke uitbreiding. Welke kwaliteiten zie je in dat plan? Hoe verhoudt de uitbreiding zich tot de bestaande stad? Welke lijnstructuur verbindt beide stadsgehelen? Herneem dezelfde vragen bij de documentatie die je vindt over de Rotterdamse Pendrecht. De laatste deelvraag (over de begrenzende lijnstructuur) valt weg. Herlees de passages in de syllabus over POROSITEIT (p. 10; pp. 37-38) en vergelijk ze met bovenstaande informatie en opdrachten.

d. De lange duur als achteruitkijkspeiegel bij de analyse van de stadsplattegrond


Mondelinge toelichting over Fernand Braudel; zie ook de betreffende passages in de syllabus over Rabot (Gent), Antwerpen 2060 (Antwerpen Noord) en Deurne Noord. 11

| Luchtfoto van de Rotterdamse wijk Pendrecht, slides #72 - #74 |

3. De persistentie tussen privaat en publiek


verstening van perceels- en bouwblokgrenzen doorheen de geschiedenis enkele historische figuren in de ontwikkeling van het stedelijk bouwblok cultuurhistorische waarde van bepaalde figuren en woonomgevingen persistente morfologische relicten en anomalien

De grens tussen privaat en publiek is een van de meest persistente grenzen in de (westerse) stedenbouw. Ook al speelde in de middeleeuwen een deel van het familiale leven zich af in de publieke ruimte (#16), ook al werden particulieren gebouwen gebruikt als publieke ruimtes (de Nolli kaart en analyses er op (# 6 resp. #18)), de grenzen tussen het private en het publieke domein kregen vanouds een gebouwde articulatie. Bekeken vanuuit de publieke ruimte is de perceelsgrens een eerste begrenzing en de woning een tweede afgrenzing. In het semiagrarisch landschap is de bouwblokgrens nog vaak die van het bewerkte stuk land deels samenvallend met de grens van het erf (#19) vaak een nog zachte grensaanduiding die met de verstedelijking helemaal versteent. Na de middeleeuwen en vooral met de komst van het vroege handelskapitalisme, ontstaan er meer complexe vormen van planning en organisatie van de beschikbare ruimte (zie Amsterdams voorbeeld in het begin van deze tekst). We zouden terugkijkend in de geschiedenis kunnen spreken van de eerste technocratische vormen van stadsplanning. In de 18de eeuw worden de laatste stadskaarten met 3D aanduiding vervangen door tweedimensionale weergaves; een indicatie dat plannen een meer instrumenteel en minder picturaal karakter krijgen. In ons gebied is de Ferraris-kaart (1777) een van de laatste weergaves die zoveel landschappelijk materiaal meeneemt. Later worden land- en stadskaarten technischer, met een meer abstracte weergave van lijnen, gebouwen en functies (bijv. de Vandermaelen kaarten reeks). 12

a. Verstening van erf grenzen


Militaire model- en garnizoen steden maken de buitengrenzen van de stad nog steviger maar verharden ook de binnengrenzen: die van de bouwblokken en van de percelen (#28). De eerste vormen van afvalbeheer en afvalwaterbeheer gaan gepaard met de verhuis van landbouw naar de buitenrand van de stad (#61 bovenaan). Als routineuze activiteit dicht bij het private wonen moet tuinieren en eigen voedselvoorziening wijken voor het wonen zonder extensieve (groenten)tuin. In de 17de en 18de eeuw verdicht de stad en is er voor tuinderijen en scharrelend kleinvee steeds minder ruimte4. Om diverse etappes in die verstedelijking goed te kunnen lezen, is het belangrijk enkele ground figure patronen te herkennen in bestaande weefsels die je analyseert. In de les hebben we de volgende patronen kort besproken: De middeleeuwse stad voor de 19deeeuwse uitbreidingen (#29 links; onderste deel #2);

Vanaf de 18 eeuw gaat daar een specialisering van het particuliere wonen mee gepaard, onder meer door Richard Sennett en Arnold Reijndorp beschreven: Reijndorp Arnold, De domesticatie van het stedelijk wonen. Het Hollands bouwblok opengelegd. In: Komossa Suzanne e.a., Atlas van het Hollands bouwblok, Thoth Bussum, 2002, pp. 259-265. Sennett Richard, The Fall of public men, Pinguin Books 1976

de

De renaissancistische (Italiaanse) en de barokke monumentale stad (#38 resp. #51 rechts) met de inzet van specifieke architecturale middelen om de (waargenomen) stadsruimte te structureren. De stedenbouwkundige patronen van de laatmiddeleeuwse kleine steden in bijv. Noord Itali (#40; #37): de gebouwde massa lijkt organisch en homogeen tot stand gekomen, als in n beweging. de Bastides: versterkte modelstadjes in het Zuidoosten van Frankrijk (#33 #36) De inname van het glacis of het onbebouwde schootsveld van grote 19deeeuwse steden (Wenen #29, Antwerpen #61 - #65 en Breda #66) De 19deeeuwse stadsuitbreiding waar eerder geen schootsveld was: bijv. Plan Kalf voor Amsterdam (#30); de niet uitgevoerde plannen voor het nieuwe westen in Rotterdam (#60). De modernistische figuren vanaf de 20ste eeuw (o.a. Nijmegen #57); Algemeen Uitbreidingsplan voor Amsterdam (zgn. Nieuw West) van Van Eesteren.

In al die stedenbouwkundige figuren neemt de stadsplattegrond specifieke vormen aan, herkenbaar in eigen figuren en maten. De kaart in slide #27 geeft een goed overzicht, althans voldoende voor deze introductiecursus. Bij de voortschrijdende en steeds wijzigende organisatievorm van het stedelijk bouwblok zouden we ook grondplannen van de bijhorende individuele woning kunnen bekijken5. Daarin zou duidelijk kunnen worden hoe de woning zich steeds verder specialiseert en opdeelt (afzonderlijke keukens in de 20ste eeuw) en hoe volgens sommige auteurs de eerder opgetreden disciplinering van het publieke leven (18de en 19de eeuw) zich in de 20ste eeuw doorzet in de private woonruimte (slide #58). De typische stedenbouwkundige en aan hun tijd gebonden figuren kunnen we dus ook lezen als tijdsgebonden getuigen en stollingen die op zich een cultuurhistorische waarde hebben. Ook al vind je persoonlijk bepaalde modernistische wijken misschien minder mooi, ze hebben een getuigeniskarakter en een herinneringswaarde die altijd ook ten dele monumentaal geworden is6. Rond deze tijd (najaar 2013) wordt gevierd dat de wijken waarvoor van Van Eesteren het uitbreidingsplan tekende, 60 jaar bestaan. Mensen die vanouds in de woningen leven (reeds drie, vier generaties lang, delen hun verhalen met recente bewoners en nieuwkomers). dergelijke projecten worden ook ingezet om reputaties en kwaliteiten van specifieke woonomgevingen in het daglicht te zetten (zie bijv. wervend programma Luchtbal Antwerpen).

13

b. Anomalie en ad hoc toevoeging


Behalve de meteen aanwijsbare figuren en gehelen, zitten er in vrijwel elk stedelijk gebied relicten en anomalien die niet meteen hekenbaar zijn en de opaciteit van het gebied in stand houden. Kaarten van opeenvolgende periodes kunnen verheldering brengen (#44#47); net als reductieve analyse op basis van de morfologische opbouw zelf (#48, te lezen van rechts naar links)). Indien onduidelijk is welke grondstructuur aan de oorspring ligt van

Meer technische documentatie over de relatie tussen woonomgeving en het stedelijk wonen zelf, telkens beperkt tot Rotterdam en Amsterdam): Komossa Suzanne e.a., Atlas van het Hollands bouwblok, Thoth Bussum, 2002, vooral pp. 251-258 en de projectbesprekingen (pp. 16 244). Komossa Suzanne, Hollands bouwblok en publiek domein. Model, ideaal, regel. Vanthilt 2010 (uitgegeven doctoraatsscriptie). 6 Van Herck K. en Avermaete T., Wonen in welvaart. Woningbouw en wooncultuur in Vlaanderen, 1948-1973. Centrum Vlaamse architectuurarchieven, 2006.

een zgn. anomalie, kan men grasduinen in volgende kandidaten: kerkhof of begraafplaats; oude fabrieksperceel; (ondergrondse) waterloop of moeras; De term anomalie is trouwens problematisch: hij doet vermoeden dat de begraafplaats een uitzondering is en het omliggende weefsel de regel;. Terwijl niet bouwen op de begraafplaats even zinvol is als wonen en bouwen naast het kerkhof. Beide zijn zinvolle sedimenten van dezelfde logica. Dezelfde opmerking geldt voor ad hoc toevoegingen en veranderingen (#41): onder druk van het feitelijke wonen of nieuwe omstandigheden (bijv. woningnood of geringe economische middelen) gaan bewoners het oorspronkelijke plan aanpassen, bijbouwen of zelfs grondig vernaderen (#41). Dat dit de uitzondering zou zijn op een zuivere en door de architect of opdrachtgever bedachte architectuur, is in veel hedendaagse contexten niet houdbaar: zowel formele architectuur als zelfbouw kunnen specifieke kwaliteiten hebben, net zoals beide ook grote fouten en gebreken kunnen vertonen. Bovendien is de aanpassing lang niet altijd informeel of ad hoc. De new urbanism beweging wil expliciet suburbane woningen aanbieden en schrikt er niet voor terug om vrijstaande woonstroken om te vormen tot gesloten bouwblokken met eengezinswoningen die geen last meer hebben van collectieve zones (#42).

14

4. Machtspolitiek en gebouwde omgeving - de bastides als case


slides #33 #36

De manier waarop politieke en economische macht neerslaat in de gebouwde omgeving varieert naargelang de historische periode, de geleding van de machtsuitoefening zelf (bijv. de mate van decentralisatie); de conglomeraten waarin de macht wordt uitgeoefend bijv. wat betreft de competenties en wat betreft schaalniveaus. De lijst is zeker niet volledig. Het aanduiden van de algemene mechanismes die mediren tussen macht en de morfologie worden ondermeer bestudeerd in de sociale geografie, met name in de economische en politieke subafdelingen ervan. In deze slotparagraaf beperken we ons tot slechts n historische case waarin enkele aspecten van die meer algemene relaties aan de orde zijn: de zgn. bastide. we bespreken eerst de case zelf. daarna noemen we enkele algemene kenmerken tussen macht en morfologie die in het voorbeeld aan de orde zijn. De case behandelen we als voorbeeld; het is dus geen doorwrochte historische analyse maart een illustratie.

a. De case
De bastide is een versterkte kleine stad die in het zuidoosten van Frankrijk tot stand kwam vanaf de vroege 13de eeuw. De Aquitaine streek met de huidige departementen Lot en Dordogne, is op dat moment bezit van de Engelse kroon, samen met nog andere gebieden in Frankrijk (bijv. Anjou en Normandi). In feite is heel de westelijke helft van Frankrijk eigendom van de Engelse kroon of gelieerd aan fracties en dynastien van dat hof (zoals de aanspraken van de Plantagenets op Bretagne). In het laatfeodale tijdperk betekent de eigendomstitel inkomsten voor de adel (tienden, belastingen, ) mits de garantie van rechtspraak en bescherming in tijdens van oorlog en crisis. Dat systeem komt in het verafgelegen zuidoosten onder druk te staan. De bastide is het morfologische antwoord op die crisis, een ideaaltypische stad die erg bepalend zal zin voor de verdere evolutie van de streek. Morfologisch bestaat de bastide steeds uit een centraal plein omgeven door arcades en er op uitgevende herbergen en handelshuizen; een overdekte markthal; een kerk, georganiseerd in een geheel van orthogonale bouwblokken. De hele stad is omgeven door een vestingmuur die ter hoogte van de hoofdstraten ontsloten is. Het grondplan van Monpazier wordt aangeduid als de best bewaarde bastide waar dit ideaaltype nog quasi intact is (slides #33 en verder; luchtfoto op p. 16). Behalve dit militaire karakter, is de bastide gericht op ambachten en handel (de zeer goed ontsloten markt en het arcadesysteem) en op landbouw. De grote bouwblokken bestaan uit brede en relatief diepe percelen ( 87m. bij 24 of 28 m.) waar behalve een woongedeelte ook klein vee gehouden wordt. De boeren bewerken hun verderaf gelegen pachtgronden maar ze wonen definitief in de bastide (dat is althans het formele opzet, vaak opgenomen in de stichtingsakte van de stad). Nieuwe bewoners moeten binnen het jaar hun woning bouwen, anders verliezen ze hun grondeigendom in

15

de bastide. Boerderijen te lande raken steeds meer in verval; er blijven wel seizoensgebonden huisjes bestaan (bijv. overnachtingplaatsen tijdens de oogstmaanden) die zich later verdichten tot zeer kleine gehuchten (lokaal aangeduid als mas). De bastide heeft duidelijk politieke, economische en zelfs religieuze antecedenten. In het dunbevolkte gebied tussen Bordeaux en Toulouse kan de Engelse kroon haar bestuurlijke aanspraken moeilijk hard maken; ook voor de Franse kroon is de machtsuitoefening vaak problematisch. Het reeds bestaande systeem van gedetacheerde ambtenaren (snchaux en later consuls) wordt geformaliseerd maar daardoor vergroot de bestuurlijke complexiteit. Er wordt een dubbele loyaliteit genstalleerd: de lokale machtuitoefening moet balanceren tussen de zeer specifieke noden en vragen van de lokale burgers en tegelijk is er de steeds problematischer wordende claim dat Parijs of Londen belastingen kan innen. Er zijn berichten over opstanden tegen de lokale ambtenaren die na de 100 jarige oorlog (1337-1453) sterk toenemen. De Frans Engelse tegenstelling is niet de belangrijkste drijfveer tot de bouw van bastides (pas na 1290 ontstaan er tussen de twee huizen spanningen die zich ook lokaal laten voelen). De eerste bastides ontstaan in de 12de eeuw en onder het gezag van de graaf van Toulouse die sympathiseert met de Kathaarse bevolking en die wil beschermen tegen de razzias van de katholieke kerk, later uitmondend in een genocide door Rome (de zgn. kruistocht van Albi). De bastides kunnen de katharen niet redden; het model wordt evenwel overgenomen door de nieuwe katholieke heersers, met instemming van Parijs. De nieuwe vazallen in Toulouse leggen de westelijke buren niets in de weg. Er worden wel bastides gebouwd maar er is geen spanning met de Engelse koning hertog die heel Gascogne en Aquitani bezit.

16

Als niet de militaire redenen de drijfveer zijn, waarom is dit stadsmodel dan zo succesvol geweest? En wat heeft het voor de streek betekend in de latere eeuwen?

b. Relaties tussen macht, maatschappij en morfologie


De bouw van naar schatting 500 bastides in het zuidoosten van Frankrijk kan gezien worden als een ruimtelijke antwoord op een situatie die in meerdere opzichten instabiel was zeker vanuit het standpunt van de macht. De verspreid wonende landbouwers worden verplicht herhuisvest in de versterkte stadjes waardoor de machtsuitoefening en belastingsinning veel efficinter verloopt. De woningen zijn comfortabel; de handel is gecontroleerd en er is bescherming tegen de dreiging van de andere partij. Hoewel er nog bastides gebouwd worden aan het begin van de 16de eeuw, is hun politiek en economisch belang tegen die tijd achterhaald. De claims van de koningen spelen amper een rol in de deals die er lokaal gesloten moeten worden. Reeds in de beginperiode van de bastides trekt de handel zich weinig aan van de dynastieke territoria: wie voor de waren betaalt is een klant; voor wie geld kan verdienen is het onbelangrijk of de koper belastingen betaalt aan de Franse dan wel aan de Engelse kroon. Hoewel de bastides in hun grondplan en voorzieningen dus erg hun tijd vooruit zijn, blijken ze veel minder geschikt voor de nieuwe handelstijd die aanbreekt. Anders dan in de Noord Italiaanse steden is er geen ruimte voor kapitaalsaccumulatie in de stad zelf. De handelsaristocratie zal dus erg vroeg de bastide verlaten en haar eigen typologie bouwen: het kasteeldomein, al dan niet met bijhorende wijnvelden. Op datzelfde platteland komt er geen structuur van kleine nederzettingen en dorpen, behalve de veel oudere steden zoals Cahors, Agen en Toulouse zelf. Die persistente nederzettingstructuur zorgt ervoor, samen met de dominantie van de wijnbouw, dat zowel politiek als cultureel de streek relatief behoudsgezind blijft. Door de afwezigheid van grote steden zal het gebied weinig

industrialiseren en ontstaat er geen sterke syndicale beweging. Electoraal gezien wordt de Sud-ouest een blauw gewest, machtsbasis voor rechtervleugel in het Franse politieke landschap. In bovenstaande analyse hebben we zeer grove en snelle lijnen getrokken tussen de bastide en de verdere evolutie van de regio, zowel landschappelijk, economisch, cultuurhistorisch en politiek. Hoewel de bastide in die relaties een rol van betekenis heeft gespeeld, hebben we de relaties zo net te zwart wit getekend en dus te zwaar aangezet. Vanuit die overdrijving kunnen we nu enkele correcties maken en de meer algemene mechanismes aanduiden tussen macht en morfologie: De orthogonale stadsplattegrond van de ideaaltypische bastide is niet bedacht geweest door de machthebbers zelf. Hoogstwaarschijnlijk is het een stedelijke vorm die in de Kathaarse periode is ontstaan, in lokale gemeenschappen met erg egalitaire idealen. Het model is vanaf 1220 gebruikt en toegeigend geworden voor andere en quasi tegengestelde doeleinden: een belastingssysteem in stand houden, een seminomadische landbouwersbevolking gedwongen sedentariseren, lokale en bovenlokale handel garanderen of minstens de controle erop. De bastide is demografisch en politieke belangrijk geweest maar kan in haar eentje niet aangeduid worden als d oorzaak voor de verdere evolutie van het landschap (het quasi ontbreken van grotere dorpen) of voor de structuur van grootgrondbezit en bijhorende politieke inkleuring (geen stedelijk proletariaat; zwakke vakbonden). Er spelen veel meer gebeurtenissen en factoren zowel ruimtelijke als andere. de opkomst van een eigen Franse bourgeoisie na de 100 jarige oorlog, is in bovenstaande schets volledig weggelaten, hoewel een belangrijke factor in de verdere evolutie van de Sud-ouest 17

De twee correcties illustreren de opaciteit tussen de pure morfologie (de vorm) en betekenis die we aan die vorm kunnen toekennen. Een sterke illustratie van die opaciteit is de vaststelling dat de Engelstalige geschiedschrijving een ander verhaal vertelt over de Franse bastides en andere zaken naar de voorgrond brengt dan de Franse historiografie. In beide lezingen blijft echter zeer merkwaardig dat deze zeer geplande stadsvorm vrijwel zeker niet door een afzonderlijke, plannende instantie werd bedacht maar gegroeid is als het ontwerp van een gemeenschap. Dat ideaaltype werd vervolgens oneigenlijk gebruikt, voor (machts)doelstellingen haaks op het initile model. Dat lijkt zich te herhalen voor alle ideaaltypes. Zo is ook het modernistisch bouwblok in zijn initile vorm bedacht geweest als strategie voor meer sociale gelijkheid; de toepassing van het model is gebeurd in een maatschappij die in haar geheel niet met zon strategie bezig was. Daardoor werden potentile kwaliteiten van de strategie krachteloos. Terwijl dat deficit teruggaat op de context (een samenleving die niet (meer) bezig is met gelijkheid), wordt het falen in de publieke opinie aan het ideaaltype zelf toegeschreven: vrijstaande (hoog)bouwblokken zouden dan bij voorbaat en in zichzelf fout zijn. Belangrijk voor de analyse is dat ideaaltypes op een juiste manier gelezen en geapprecieerd moeten worden. Daarbij speelt altijd ook de economische, culturele en politieke context een rol. De bastide is vanaf de 14de eeuw een obstakel geworden voor de regionale ontwikkeling niet omdat ze als morfologisch vorm tekortschoot maar waarschijnlijk omdat ze, uitgerekend in deze streek met deze specifieke sociaaleconomische structuur, een oninteressante plaats was geworden voor grote kapitaalbezitters.

Paul Blondeel 29 november 2013