Googelen moet je leren

‘Kinderen moeten kritisch leren omgaan met internet’
Een werkstuk maken voor school, dat heb tegenwoordig zo bij elkaar gegoogeld. Maar hoe kun je kinderen leren om kritisch met internet als bron om te gaan?
Door Maaike Severijnen
l

ANP

Amsterdam, 3 juli. Even googelen, wat tekst en plaatjes knippen en plakken en klaar is je werkstuk. Sinds de komst

Archief:

overzicht - Meer medianieuws van internet is er veel veranderd op scholen. Veel leerkrachten

op basisscholen worstelen met deze ontwikkeling. Want leerlingen blijken technisch heel handig met computers; in de meeste gevallen handiger dan de leerkracht zelf. Maar ze zijn niet altijd zomaar in staat goed te zoeken, te lezen en vooral: de informatie op betrouwbaarheid te beoordelen. Dus wat leren ze uiteindelijk van een bij elkaar gegoogeld werkstuk? Sociaal pedagoog Els Kuiper, werkzaam bij de afdeling Onderwijspedagogiek en Opvoedingsfilosofie van de Vrije Universiteit Amsterdam, deed promotieonderzoek naar de vraag hoe je leerlingen in het basisonderwijs kunt leren kritisch met internet om te gaan. Kuiper richtte zich in haar onderzoek op tien- en elfjarigen, leerlingen van groep 7. Ze deed eerst literatuuronderzoek naar wat kinderen wel en niet kunnen in relatie tot internet. Kuiper: „Daaruit bleek dat vooral het beoordelen van internetinformatie moeilijk voor hen is. Als een site er netjes uitziet, denken ze al snel: het zal wel goed zijn. Leerlingen werken wel graag met internet. Het is toegankelijk, visueel, actueel en je kunt eindeloos doorklikken.” Maar dat zijn ook juist aspecten die internet moeilijker maken dan boeken, aldus de onderzoekster. „Je moet immers goed weten wat je zoekt en weten dat er ook een hoop onzin op internet staat. Internet is niet gemaakt voor kinderen of voor gebruik in een onderwijssituatie. Dat betekent scholen na moeten denken hoe je leerlingen het beste kunt begeleiden bij hun internetgebruik.” Voor haar onderzoek ontwikkelde Kuiper vervolgens twee programma’s die gericht waren op het leren zoeken, lezen en beoordelen van internetinformatie. Dat gebeurde in een praktisch project rond het thema ‘voeding’. Volgens Kuiper heeft het immers geen zin om kinderen losse internetlessen te geven. Ze maakte twee verschillende programma’s omdat scholen niet allemaal op hetzelfde niveau zitten. Kuiper: „Er zijn scholen die al heel ver zijn in het werken in projecten en het leerlingen zelf onderzoek laten doen. Maar er zijn ook scholen die meer klassikaal werken. Voor beide typen onderwijs wilde ik iets maken.” De onderzoekster ontwikkelde voor de laatste groep een lessenreeks met een werkboekje voor leerlingen, waarin zij stapsgewijs internet gebruiken om informatie over voeding te krijgen. „Bij het onderdeel lezen stuurde ik ze dan naar de site van het Voedingscentrum, waar ze gericht, aan de hand van opdrachten, konden zien hoe je daar informatie vindt.”

De andere groep kreeg als opdracht om een folder over gezond eten te maken. Leerlingen werkten met eigen onderzoeksvragen. „De leerkracht bekeek dan bijvoorbeeld een site samen met de klas en besprak met hen of de site betrouwbaar was en hoe je dat kon zien.” Kuiper voerde haar onderzoek uit op twee groepen van elk vier scholen. Van beide programma’s bleken leerlingen te leren, maar er was wel een opmerkelijk verschil. Kuiper: „De leerlingen die aan de hand van eigen onderzoek de vaardigheden aanleerden, zagen ook direct wat ze er aan hadden. Ze begrepen dat als je een mooie folder wilt maken voor andere leerlingen en ouders, je er geen onzin in moet zetten. Goed zoeken, lezen en beoordelen is dan erg belangrijk.” In haar conclusie schrijft Kuiper dat één project niet voldoende is om van leerlingen kritische internetgebruikers te maken. „Ze weten nu wel beter waar ze op moeten letten, maar dat toepassen in de praktijk is iets anders. Daarvoor zijn nog andere kwaliteiten belangrijk, zoals geduld en nadenken over wat je eigenlijk op internet doet. Dat zijn dingen die kinderen niet vanzelf leren, ze hebben daar leerkrachten voor nodig. Ook omdat ze zelf eigenlijk verwachten dat Google hen een kant-en-klaar antwoord ‘geeft’. Op school gaat het er juist om dat je leert om zelf informatie om te zetten in kennis, vindt Kuiper. „Scholen zouden daarom leerlingen echt van jongs af aan een doorlopende leerlijn omgaan met internet moeten aanbieden. Ook zou er veel meer aandacht voor internet moeten zijn in het onderwijs in begrijpend lezen. Dat gaat er nog steeds van uit dat kinderen informatie halen van papier, maar dat is niet meer zo. Wij krijgen nu nog studenten op de VU die klakkeloos informatie van internet overnemen. Ze hebben er dus levenslang plezier van als ze dit goed aanleren.” Meest gemaakte zoek- en vindfouten

• • • • • • •

Veel kinderen gebruiken nog verkeerde zoektermen. Ze typen bijvoorbeeld een letterlijke vraag in en krijgen tot hun verbazing geen antwoord van de zoekmachine. Ze kijken alleen naar de bovenste tien hits in Google, omdat de rest niet relevant zou zijn. Veel leerlingen zoeken alleen met Google, in plaats van concurrerende zoekmachines of speciale kinderzoekmachines als Davindi. De zoektermen worden verkeerd gespeld, waardoor kinderen niets vinden. Google geeft overigens meestal wel spellingvarianten weer. Leerlingen doen aan plagiaat, en kopiëren tekst soms inclusief de hyperlinks (‘klik hier’) of ze laten per ongeluk de naam van de auteur staan in hun eigen werkstuk. De leerlingen gebruiken onbetrouwbare bronnen. In die gevallen bevat de tekst grote onzin, maar wordt ’ie toch klakkeloos overgenomen. Teaching Web literacy in primary education is de titel van het proefschrift van Els Kuiper. Kuiper ontwikkelt ook een praktische brochure over webwijsheid op school.

Informatie over de twee gratis programma’s krijg je via EJ.Kuiper@psy.vu.nl.

3 juli 2007