You are on page 1of 582

Milieueffectrapportage CCS Maasvlakte (ROAD-

project)
Deelrapport Transport


20 juni 2011
Definitief
9V7319.20






















Documenttitel Milieueffectrapportage CCS Maasvlakte
(ROAD-project)
Deelrapport Transport
Verkorte documenttitel Deelrapport Transport MER ROAD
Status Definitief
Datum 20 juni 2011
Projectnaam ROAD (Maasvlakte CCS-project CV)
Projectnummer 9V7319.20
Opdrachtgever ROAD
Referentie 9V7319.20/R0010_rev8/MVZ/ILAN/Rott


Barbarossastraat 35
Postbus 151
6500 AD Nijmegen
+31 (0)24 328 42 84 Telefoon
+31 (0)24 323 93 46 Fax
info@nijmegen.royalhaskoning.com E-mail
www.royalhaskoning.com Internet
Arnhem 09122561 KvK

Auteur(s) Jorik Creemers, Joost Lansen
Collegiale toets Mark van Zanten
Datum/paraaf 22 juni 2011 b.a..
Vrijgegeven door Ivo Thonon
Datum/paraaf 22 juni 2011 .








Deelrapport Transport MER ROAD 9V7319.20/R0010_rev8/MVZ/ILAN/Rott
Definitief - i - 20 juni 2011
INHOUDSOPGAVE
Blz.
1 INLEIDING 7
1.1 Aanleiding 8
1.2 Het initiatief 8
1.3 Waarom een milieueffectrapportage? 10
1.4 Opbouw van het MER 11
1.5 Reikwijdte onderdeel Transport 13
1.6 Leeswijzer deelrapport Transport 13
2 VOORGENOMEN ACTIVITEIT 14
2.1 Aanleg buisleiding op land 16
2.1.1 Aansluiting op afvanginstallatie (compressor/koelinstallatie) 16
2.1.2 Kruisingen met andere infrastructuur en boorlocaties 16
2.1.3 Ingraven in leidingenstrook 18
2.1.4 T-stuk in buisleiding 19
2.1.5 Uitlegtrac buisleiding voor intrekking HDD 19
2.1.6 Expansieloops in buisleiding 20
2.2 Aanleg buisleiding op zee 20
2.2.1 Intredepunt HDD boring Maasgeul 21
2.2.2 Uittredepunt HDD boring Maasgeul 22
2.2.3 Ingraven in zeebodem 23
2.3 Gebruiksfase 32
2.3.1 Aansluiting op afvanginstallatie 32
2.3.2 Leiding 32
2.3.3 Aansluiting op platform 33
2.3.4 Onderhoud 33
2.4 Buitengebruikstelling en verwijderen van de buisleiding 33
3 M.E.R.-PROCEDURE 35
3.1 Rol van de m.e.r. 35
3.2 Kaderstellend besluit 35
3.3 Vergunningen 36
3.4 Initiatiefnemers en bevoegd gezag 36
3.5 Participatie 36
3.5.1 Doorlopen stappen 36
3.5.2 Volgende stappen 37
4 WET EN REGELGEVING 38
4.1 Wet en regelgeving buisleidingen 38
4.2 Wet en regelgeving milieuaspecten 42
5 HUIDIGE SITUATIE EN AUTONOME ONTWIKKELING 47
5.1 Algemene beschrijving van het studiegebied 47
5.2 De Maasvlakte/ Rotterdamse haven 48
5.3 De kust en de Noordzee 49
5.4 Autonome ontwikkelingen 50







9V7319.20/R0010_rev8/MVZ/ILAN/Rott Deelrapport Transport MER ROAD
20 juni 2011 - ii - Definitief
6 ALTERNATIEVEN EN VARIANTEN TRANSPORT 55
6.1 Onderscheid tussen alternatieven en varianten 55
6.2 Ontwikkeling van alternatieven en varianten 55
6.3 Alternatieven 55
6.3.1 Referentiesituatie 55
6.3.2 Basisalternatief 56
6.3.3 Varianten basisalternatief 56
6.3.4 Temperatuuralternatief 57
6.3.5 Voorkeursalternatief 57
6.3.6 Overzicht van nader te onderzoeken alternatieven en varianten 58
7 BEOORDELINGSKADER 59
7.1 Aanpak effectbeoordeling 59
7.2 Beoordelingskader 59
7.3 Maatlat 61
8 MILIEUEFFECTEN 63
8.1 Bodem 64
8.1.1 Effectbeschrijving bodem op land 64
8.1.2 Effectbeschrijving zeebodem 67
8.2 Water 73
8.2.1 Effectbeschrijving water op land (oppervlakte- en grondwater) 74
8.2.2 Effectbeschrijving zeewater 75
8.2.3 Effectbeoordeling water 79
8.3 Natuur 79
8.3.1 Effectbeschrijving natuur op land 80
8.3.2 Effectbeschrijving natuur op zee 84
8.4 Archeologie 100
8.4.1 Effectbeschrijving archeologie 100
8.5 Geluid 102
8.5.1 Effectbeschrijving geluidhinder 103
8.5.2 Effectbeschrijving onderwatergeluid 114
8.6 Lucht 116
8.6.1 Effectbeschrijving luchtkwaliteit 117
8.7 Externe veiligheid 118
8.7.1 Risicoanalyse scheepvaart 119
8.7.2 Risicoanalyse buisleiding 121
8.7.3 Effectbeoordeling externe veiligheid 132
8.8 Verkeer 134
8.9 Landschap 134
8.10 Electromagnetische effecten 135
8.11 Gebruiksfuncties 136
8.11.1 Scheepvaart en Navigatie 136
8.11.2 Visserij 139
8.11.3 Winning van oppervlakte delfstoffen 140
8.11.4 Offshore mijnbouw 141
8.11.5 Baggerstortlocaties 143
8.11.6 Kabels en leidingen 144
8.11.7 Militaire activiteiten 145







Deelrapport Transport MER ROAD 9V7319.20/R0010_rev8/MVZ/ILAN/Rott
Definitief - iii - 20 juni 2011
8.11.8 Windparken 147
8.11.9 Recreatie 149
9 VERGELIJKING VAN DE ALTERNATIEVEN EN VARIANTEN 151
9.1 Inleiding 151
9.2 Afwegingskader 151
9.3 Overzicht effectenbeoordeling 154
9.4 Variantenvergelijking 155
9.5 Voorkeursalternatief gebaseerd op deelrapport Transport 156
10 LEEMTEN IN KENNIS EN INFORMATIE 157
10.1 Leemten in kennis 157
10.2 Leemten in informatie 157
11 MONITORING- EN EVALUATIEPROGRAMMA 159
11.1 Bedrijfsparameters 159
11.2 Milieueffecten 159
11.3 Leerdoelen 160
12 WAT NEMEN WE MEE NAAR HET HOOFDRAPPORT 163
12.1 Alternatieven en varianten 163
12.2 Effectbeoordeling 163
12.2.1 Bodem 163
12.2.2 Water 164
12.2.3 Natuur 164
12.2.4 Archeologie 166
12.2.5 Geluid 166
12.2.6 Lucht 166
12.2.7 Externe veiligheid 167
12.2.8 Verkeer 167
12.2.9 Overige themas 167
12.3 Leemten in kennis en informatie 167
12.4 Leerdoelen 167
13 WOORDENLIJST EN AFKORTINGEN 170
14 LITERATUURLIJST 174


Bijlagen
T1. Overzichtskaart buisleiding op land en buisleiding op zee;
T2. Achtergrondrapportage Risicoanalyse Scheepvaart; Marin;
T3. Achtergrondrapportage Risicoanalyse Buisleiding; Tebodin;
T4. Achtergrondrapportage Akoestisch onderzoek; WNP;
T5. Achtergrondrapportage Onderwatergeluid; TNO;
T6. Achtergrondrapportage Archeologie; RAAP;
T7. Achtergrondrapportage natuur land;
T8. Achtergrondrapportage mariene natuur;
T9. Rapport Fugro Side scan sonar survey van de buisleiding.







9V7319.20/R0010_rev8/MVZ/ILAN/Rott Deelrapport Transport MER ROAD
20 juni 2011 - iv - Definitief




Deelrapport Transport MER ROAD 9V7319.20/R0010_rev8/MVZ/ILAN/Rott
Definitief - 7 - 20 juni 2011
1 INLEIDING
De initiatiefnemer Maasvlakte CCS-project CV (afgekort als MCP) wil een gedeelte van
de CO
2
uit de toekomstige E.ON elektriciteitscentrale Maasvlakte Power Plant 3
(MPP3) afvangen, transporteren en permanent opslaan in een (vrijwel)
leeggeproduceerd gasveld in de diepe ondergrond onder de Noordzee. De combinatie
van afvangen, transporteren en opslaan van CO
2
wordt aangeduid als CCS (Carbon
Capture and Storage). Hiervoor hebben E.ON Benelux en Electrabel Nederland de joint
venture MCP opgericht. Het beoogde CCS-project wordt aangeduid als het ROAD-
project, wat staat voor Rotterdam Opslag en Afvang Demonstratieproject. In figuur 1.1 is
de gehele CCS-keten, zoals voorgenomen in dit project, schematisch weergegeven.

Figuur 1.1 De CCS-keten zoals voorgenomen in het ROAD-project (getallen in figuur zijn indicatief en
de figuur is niet op schaal)


Voor u ligt het deelrapport Transport van de Milieueffectrapport CCS Maasvlakte
(ROAD-project).

In dit rapport wordt de uitgebreide technische beschrijving van het transportgedeelte
(een onderdeel van de voorgenomen activiteit) gepresenteerd en worden de
alternatieven en technische uitvoeringsvarianten voor dit onderdeel op haar
milieueffecten beoordeeld.

Naast dit rapport zijn er nog drie Deelrapporten Afvang, Platform en Opslag, waarin
in meer detail op de andere specifieke onderdelen wordt ingegaan, een Hoofdrapport,
waarin de integrale alternatieven en optimalisatie voor afvang, transport en opslag van
CO
2
zijn gepresenteerd en op haar milieueffecten beoordeeld, en een
publiekssamenvatting, bedoeld voor bestuurders en breed publiek.









9V7319.20/R0010_rev8/MVZ/ILAN/Rott Deelrapport Transport MER ROAD
20 juni 2011 - 8 - Definitief
1.1 Aanleiding
De afgelopen decennia is het aannemelijk geworden dat de toenemende hoeveelheid
broeikasgassen in de atmosfeer leidt tot opwarming van de aarde. Zowel op nationaal
als internationaal niveau is afgesproken maatregelen te nemen om verdere opwarming
te voorkomen en broeikasgasemissies terug te dringen. Verschillende oplossingen
worden overwogen. CO
2
-opslag in lege gasreservoirs wordt zeker op de kortere termijn
als een kansrijke mogelijkheid gezien. Hoewel veel studies zijn uitgevoerd, is hiermee
nog weinig praktijkervaring opgedaan. Vanuit de Europese Unie (EU) worden landen en
initiatiefnemers gestimuleerd om zogenaamde demonstratieprojecten uit te voeren om
kennis en ervaring op te doen met CCS.

1.2 Het initiatief
Het initiatief bestaat uit een CCS-demonstratieproject, het Maasvlakte CCS-
demonstratieproject van de bedrijven E.ON en Electrabel, kortweg aangeduid als het
ROAD-project. ROAD-project staat voor Rotterdam Opslag en Afvang Demonstratie-
project. De joint-venture van beide bedrijven, MCP, is hierin de initiatiefnemer. Voor de
uitvoering wordt samengewerkt met GDF SUEZ voor het transportgedeelte en TAQA
voor de ondergrondse opslag.

Demonstratieproject
Het demonstratieproject heeft betrekking op de periode 2015-2020, waarin gemiddeld
1,1 megaton CO
2
per jaar wordt afgevangen. Na deze periode heeft het CCS-project de
intentie om te worden voortgezet. Nadat het CO
2
is afgevangen, wordt het
gecomprimeerd en naar de buisleiding gevoerd, die verbonden is met de P18 reservoirs.
Er is gekozen voor een 16" buisleiding om de ontwerpwaarde van 47 kg/s te behalen
om zodoende te voldoen aan het transporteren van gemiddeld 1.1 Megaton (Mton) CO
2

per jaar ook in de gasfase. Binnen het project zal de druk van het CO
2
oplopen naar
circa 128 bar als huidige schatting. Bovendien is de buisleiding in staat om te opereren
bij een hogere druk: de ontwerpdruk van de buisleiding is 175 bar. De buisleiding is in
staat om 5 Mton CO
2
per jaar te transporteren bij hogere drukken. Deze capaciteit zal
toegepast worden als de technische omstandigheden dit toelaten. De operatie met
hogere druk maakt het mogelijk om in de toekomst CO
2
-transport en -opslag van derden
mogelijk te maken.

Subsidie
Het ROAD-project is door de Europese Commissie geselecteerd voor het verkrijgen van
een subsidie om een demonstratieproject uit te voeren. In aanvulling daarop heeft de
Nederlandse overheid ook een subsidie beschikbaar gesteld. De subsidiegelden stellen
een aantal randvoorwaarden aan het project. De belangrijkste randvoorwaarden zijn:

Schaalgrootte van de afvang: minimaal 250 MW equivalent;
Tijdsplanning: in 2015 CCS operationeel.

Doel
Het hoofddoel van het ROAD-project is het demonstreren van een gentegreerde
CCS-keten op industrile schaal waarbij CO
2
offshore in de ondergrond wordt
opgeslagen;

Deelrapport Transport MER ROAD 9V7319.20/R0010_rev8/MVZ/ILAN/Rott
Definitief - 9 - 20 juni 2011
Daarnaast beoogt het project de CO
2
-uitstoot te verminderen door gemiddeld 1,1
megaton CO
2
per demonstratie-jaar af te vangen en permanent op te slaan;
Ten derde heeft het ROAD-project tot doel ervaring en kennis beschikbaar te maken
zodat anderen, die grootschalige CCS-projecten willen opzetten, deze kennis
kunnen gebruiken.








9V7319.20/R0010_rev8/MVZ/ILAN/Rott Deelrapport Transport MER ROAD
20 juni 2011 - 10 - Definitief
1.3 Waarom een milieueffectrapportage?
Plan-m.e.r. plichtig
Het transport van CO
2
vanaf de afvanginstallatie naar de opslaglocatie zal plaatsvinden
via een buisleiding. Het traject van de buisleiding op land bevindt zich grotendeels in
een leidingstrook. Het grootste deel van de buisleiding bevindt zich in de zeebodem.
Voor een deel van de buisleiding dient een Inpassingsplan door de ministers van
Economische Zaken, Landbouw en Innovatie (EL&I) en Infrastructuur en Milieu (I&M)
gezamenlijk vastgesteld te worden. Dit is noodzakelijk, omdat een beperkt traject van de
buisleiding niet past in de vigerende bestemmingsplannen (Maasvlakte 1981 en
Maasvlakte 2). Bovendien dient de bestemming CO
2
-leiding aan de leidingstrook te
worden toegevoegd. Voor de aanleg van de buisleiding dient daarom te worden
voorzien in een Inpassingsplan waarin alle planologische aanpassingen worden
beschreven. Het plan-milieueffectrapport (plan-MER) ondersteunt de gemaakte keuzes
in het Inpassingsplan en vormt een belangrijk deel van de beleidsmatige en ruimtelijke
onderbouwing voor dit project.

Het Inpassingsplan en bijbehorend plan-MER behoren tot de verantwoordelijkheid van
het bevoegd gezag, in dit geval de ministeries van EL&I en van I&M.

Project-m.e.r. plichtig
Voor de opzet en uitvoering van het afvangen, transporteren en opslaan van CO
2
zijn
meerdere vergunningen nodig. Ter voorbereiding op de aanvragen voor de
Omgevingsvergunning, de Watervergunning en de vergunning in het kader van de
Mijnbouwwet dient een project-milieueffectrapport (project-MER) opgesteld te worden.
Het project-MER is bedoeld om de milieuaspecten van de opzet en uitvoering van
afvangen, transporteren en opslaan van CO
2
expliciet mee te kunnen nemen bij de
besluitvorming over de vergunningverlening.

De vergunningsaanvragen voor het ROAD-project en bijbehorend project-MER zijn de
verantwoordelijkheid van de initiatiefnemers van ROAD, het Maasvlakte CCS Project
CV.

Gecombineerd plan-MER en project-MER
Het voorliggende MER is een gecombineerd plan-MER en project-MER.

Natuurtoets
Vanwege de mogelijke effecten van het initiatief op de instandhoudingdoelstellingen van
nabij gelegen Natura2000- en Ecologische Hoofdstructuurgebieden zijn tevens
Natuurtoetsen opgesteld. Uit de Natuurtoets voor transport en platform blijkt dat er geen
significant negatieve effecten te verwachten zijn, daarom is geen Passende Beoordeling
en aanvraag Natuurbeschermingswet-vergunning nodig. De Natuurtoets voor afvang is
wel een Passende Beoordeling. De Natuurtoetsen zijn een integraal onderdeel van dit
MER, zowel voor het plan-MER gedeelte als voor het project-MER gedeelte.


Deelrapport Transport MER ROAD 9V7319.20/R0010_rev8/MVZ/ILAN/Rott
Definitief - 11 - 20 juni 2011
Notitie Reikwijdte en Detailniveau
Voor de gecombineerde plan-MER en project-MER heeft het Ministerie van EL&I in
samenspraak met de provincie Zuid-Holland de notitie Reikwijdte en Detailniveau
opgesteld. Hierin is het advies van de Commissie voor de m.e.r. opgenomen. De
commissie heeft in haar advies voor de project-MER en plan-MER aangegeven dat de
volgende informatie essentieel is voor de besluitvorming:

Een onderbouwing van het belang van het ROAD-project voor de ontwikkeling en
toekomstige toepassing van deze CCS-technologie;
Een verantwoording van de locatiekeuze en een overzicht van de te beantwoorden
onderzoeksvragen, gericht op het leren van lessen ten behoeve van toekomstige
CCS-projecten elders. Geef op basis hiervan een onderbouwing van de gekozen
uitvoeringsvarianten voor de afvang, de leidingen en de opslag in ondergrondse
reservoir(s);
De (maximale) milieueffecten die het Inpassingsplan en de eventueel aan te passen
bestemmingsplannen mogelijk maken;
Een vergelijking van de technische uitvoeringsvarianten op energieverbruik,
luchtkwaliteit en veiligheid in de fasen van aanleg, gebruik en bij tijdelijk
(bijvoorbeeld bij calamiteiten) en permanent buiten gebruik stellen;
De gevolgen voor natuur. Indien nodig een passende beoordeling met daarin de
gevolgen voor omliggende Natura2000-gebieden;
Een aanzet tot een meet- en monitoringprogramma ter beantwoording van de
onderzoeksvragen en ter controle van de permanente opslag van CO
2
in
reservoir(s).

Bevoegd gezag heeft het advies van de Commissie m.e.r. integraal overgenomen en
daar onder meer aan toegevoegd dat de toelaatbare concentratie voor MEA in de lucht
10 g/m
3
is. Deze waarde mag niet worden overschreden.

1.4 Opbouw van het MER
Het MER biedt de mogelijkheid op hoofdpunten, maar ook in detail, inzicht te krijgen in
de milieueffecten van het ROAD-project. Dit betekent dat in de tekst van het
samenvattend hoofdrapport veelal een eerste beschrijving wordt gegeven, waarvoor
verderop in de deelrapporten Afvang, Transport, Platform en Opslag meer
onderbouwing volgt. Hierdoor kan gemakkelijk een totaaloverzicht worden verkregen
van alle onderdelen en de onderlinge relaties. Daar waar de lezer verdere
onderbouwing wenst, kan deze in het verloop van het rapport gevonden worden.

Deze opzet is terug te vinden in de structuur van het MER. In totaal zijn er vier lagen: de
publiekssamenvatting, het samenvattend hoofdrapport, de vier deelrapporten en de
bijlagenrapporten. Onderstaand wordt dit verder toegelicht.








9V7319.20/R0010_rev8/MVZ/ILAN/Rott Deelrapport Transport MER ROAD
20 juni 2011 - 12 - Definitief
Figuur 1.1 Overzicht opbouw van het MER


Samenvatting
De samenvatting van het MER beschrijft de integrale alternatieven en een vergelijking
van de belangrijkste milieueffecten van deze alternatieven. De samenvatting is
zelfstandig leesbaar en bedoeld voor bestuurders en het publiek.

Hoofd Milieueffect Rapport
Dit rapport geeft een overzicht van de voorgenomen activiteit, de nut en noodzaak, de
relevante wet- en regelgeving, het studiegebied en een nadere toelichting op de
effectbeschrijving. Niet alleen de werkwijze, maar ook de belangrijkste uitgangspunten
en resultaten van de effectbeschrijving zijn in dit document beschreven.

Deel effectrapportages
De vier deelrapporten bevatten een uitgebreidere technische beschrijving van de
milieueffecten en de mogelijke alternatieven. In ieder deelrapport wordt nader ingegaan
op de technische aspecten en worden in detail de mogelijke milieueffecten beschreven.
Het betreft:

Deelrapport 1: CO
2
-afvang inclusief de compressie
Deelrapport 2: CO
2
-transport, zowel het gedeelte op land als in de zeebodem
Deelrapport 3: Platform
Deelrapport 4: CO
2
-opslag, de putten, en de reservoirs.

Bijlagen
In het kader van het MER is door specialistische bureaus aanvullend milieuonderzoek
uitgevoerd. De bevindingen van deze onderzoeken zijn weergegeven in de
specialistische bijlagenrapporten van de deelrapportages.


Deelrapport Transport MER ROAD 9V7319.20/R0010_rev8/MVZ/ILAN/Rott
Definitief - 13 - 20 juni 2011
1.5 Reikwijdte onderdeel Transport
In dit rapport wordt de uitgebreide technische beschrijving van het transportgedeelte
gepresenteerd en worden de alternatieven en technische uitvoeringsvarianten voor dit
onderdeel op haar milieueffecten beoordeeld.

Het onderdeel transport bestaat uit alle schakels tussen het onderdeel Afvang (MPP3-
centrale en afvanginstallatie tot aan de flens van de afsluitklep) en het onderdeel
Platform (riser op het Platform P18-A). In hoofdlijnen bestaat het transport uit een
buisleiding waarmee de CO
2
onder druk wordt getransporteerd van de compressor en
koelinstallatie naar de aansluiting op het platform. Dit deelrapport Transport omvat de
milieueffecten ten gevolge van aanleg en gebruik van de CO
2
buisleiding en
aanverwante activiteiten.

1.6 Leeswijzer deelrapport Transport
De eerste 6 hoofdstukken vormen de introductie en het kader van dit rapport. Hoofdstuk
2 beschrijft de voorgenomen activiteit. Hoofdstuk 3 beschrijft het wie, wat en wanneer
van de m.e.r. procedure. In hoofdstuk 4 wordt de vigerende wet- en regelgeving met
betrekking tot de buisleiding beschreven. In hoofdstuk 5 is voor de verschillende
milieuthemas de huidige situatie en de autonome ontwikkeling van het studiegebied en
de directe omgeving beschreven. Hoofdstuk 6 gaat in op de voorgenomen activiteit en
de alternatieven en varianten.

De volgende hoofdstukken gaan in op de mogelijke effecten van de voorgenomen
activiteit op het milieu. In hoofdstuk 7 wordt het beoordelingskader voor de
effectbeoordeling van de verschillende themas beschreven. Hoofdstuk 8 geeft een
overzicht van de effecten van de alternatieven en varianten voor alle themas en de
mogelijkheden voor mitigerende en optimaliserende maatregelen. Vervolgens volgt in
hoofdstuk 9 een vergelijking van de alternatieven en varianten. Kennis en informatie die
ontbreekt, is beschreven in Hoofdstuk 10 van dit rapport. Ten slotte wordt in hoofdstuk
11 ingegaan op de wijze waarop de evaluatie van de milieugevolgen vorm zal krijgen.

In hoofdstuk 12 is kort samengevat welke delen van dit deelrapport worden opgenomen
in het hoofdrapport.

Opstellen van het MER
Het MER is opgesteld door Royal Haskoning in opdracht van MCP B.V. De benodigde
technische en milieukundige onderzoeken zijn uit gevoerd door Royal Haskoning in
samenwerking met onder meer Tebodin, Pan Terra, TNO, RAAP, WNP, Svasek. De
technische informatie van het project is afkomstig uit de ROAD-organisatie en betrokken
partijen zoals TAQA en GDF Suez.








9V7319.20/R0010_rev8/MVZ/ILAN/Rott Deelrapport Transport MER ROAD
20 juni 2011 - 14 - Definitief
2 VOORGENOMEN ACTIVITEIT
Het onderdeel transport bestaat uit alle schakels tussen het onderdeel Afvang (MPP3-
centrale en afvanginstallatie) en het onderdeel Platform (Platform P18-A). De grens
tussen het onderdeel Afvang en Transport bestaat uit de flens van de afsluitklep (op de
koelinstallatie). De grens tussen het onderdeel Transport en Platform bestaat uit de
onderkant van de riser naar het platform. In hoofdlijnen bestaat het transport uit een
buisleiding waarmee de CO
2
onder druk wordt getransporteerd van de compressor en
koelinstallatie naar de aansluiting op het platform.

Buisleiding
De buisleiding bestaat uit een koolstofstalen buis met een diameter van 16" buisleiding
om de ontwerpwaarde van 47 kg/s te behalen om zodoende te voldoen aan het
transporteren van gemiddeld 1.1 Mton CO2 per jaar ook in de gasfase. Door middel van
externe kathodische bescherming op de buisleiding wordt corrosie tegengegaan (door
middel van laagspanning) tevens wordt de buisleiding gesoleerd ter bescherming en
om de warmteafgifte reduceren.

Capaciteit
De beoogde productie voor het ROADproject bedraagt gemiddeld per jaar 1,1 megaton
CO
2
. De buisleiding heeft een ontwerpwaarde van 47 kg/s. De buisleiding zal niet
volcontinu opereren, vanwege het demonstratieve karakter van het project.

Binnen het project zal de druk van het CO
2
oplopen naar circa 128 bar als huidige
schatting. Bovendien is de buisleiding in staat om te opereren bij een hogere druk: de
ontwerpdruk van de buisleiding is 175 bar. De buisleiding is in staat 5 Mton per jaar te
transporteren bij hogere drukken. Dit maakt het mogelijk om in de toekomst CO
2

transport en opslag van derden mogelijk te maken.

Trac van de buisleiding
Het trac van de buisleiding volgt vanaf de afvanginstallatie de bestaande leidingstraat.
Op de plaats waar de leiding de toekomstige Yangtzehaven en de kustlijn bereikt, wordt
deze via een boring onder de Yangtzehaven en Maasmond doorgeleid. Het trac van de
buisleiding volgt vervolgens de al bestaande gasleiding van TAQA op circa 100 meter
afstand. De buisleiding op zee is ongeveer 20 km lang.

Deelrapport Transport MER ROAD 9V7319.20/R0010_rev8/MVZ/ILAN/Rott
Definitief - 15 - 20 juni 2011



Figuur 2.1 voorlopige ligging van het buisleidingtrac (Bron: GDF SUEZ).

De aanlegfase bestaat uit het aanvoeren, construeren en leggen van de buisleiding en
mogelijk een elektriciteitskabel
1
op land en in de zeebodem. Hierbij dienen een aantal
kruisingen gemaakt te worden met wegen, spoorlijn en leidingen. Tevens wordt de
toekomstige monding van de Yangtzehaven en Maasmond gepasseerd door middel van
boringen. Op zee wordt de buisleiding in de zeebodem geplaatst. Door middel van een
verticale buisleiding wordt de aansluiting op het platform gemaakt.

De gebruiksfase van de buisleiding bestaat uit de opstartfase, de fase waarin het CO
2

doormiddel van de buisleiding getransporteerd wordt en de cooldownfase (afkoelfase
nadat de transport van CO
2
stopgezet is).

Het onderhoud aan de buisleiding bestaat onder andere uit monitoring van de
ingraafdiepte van de buisleiding in de zeebodem, inspectie van de buisleiding nabij het
platform en activiteiten om de buisleiding in de bodem opnieuw in te graven indien
noodzakelijk.


1
Deze elektriciteitskabel is alleen nodig bij de variant voor het platform met een elektrische verhitter.







9V7319.20/R0010_rev8/MVZ/ILAN/Rott Deelrapport Transport MER ROAD
20 juni 2011 - 16 - Definitief
In dit hoofdstuk wordt op een aantal plaatsen gedetailleerd ingegaan op de werkwijze ter
aanleg van de buisleiding om een goede voorstelling te krijgen van alle mogelijke
milieueffecten. Omdat in deze studiefase diverse details nog niet bevestigd zijn, wordt
uitgegaan van standaard situaties/methoden, waarbij eventuele afwijkingen binnen het
ROAD project toegelicht worden. De route van de buisleiding op land wordt
weergegeven in figuur 2.2.


Figuur 2.2 Landroute CO2 buisleiding

2.1 Aanleg buisleiding op land
2.1.1 Aansluiting op afvanginstallatie (compressor/koelinstallatie)
Op het terrein van E.ON wordt de buisleiding aangesloten op de afvanginstallatie. Door
middel van een compressor wordt de afgevangen CO
2
gecomprimeerd tot de gewenste
transportdruk. Na het comprimeren vindt in verschillende stappen kunstmatige koeling
plaats. Compressie maakt deel uit van het deelonderwerp afvang
en eventuele milieueffecten van dit proces worden beschreven in het deelrapport
Afvang. De buisleiding op het terrein van E.ON loopt bovengronds en vormt onderdeel
van het deelrapport MER Transport.

2.1.2 Kruisingen met andere infrastructuur en boorlocaties
Er is een aantal locaties waar de buisleiding een kruising maakt met een spoor, weg of
leidingenstrook. Verder zijn er enkele locaties waar de intrede- en uittredepunten voor
HDD (Horizontal Directional Drilling; horizontaal gestuurde boring) boringen komen.

Deelrapport Transport MER ROAD 9V7319.20/R0010_rev8/MVZ/ILAN/Rott
Definitief - 17 - 20 juni 2011
In onderstaande tabel worden de kruisingen en de boorlocaties weergegeven:

Tabel 2.1 Kruisingen van de CO2 buisleiding
No

Te kruisen object (en) / boorlocatie Inschatting te overbruggen afstand
1 Sporen Pro-Rail 16 meter
2 Spore Pro-rail, weg, Koelwaterleiding
Gate, leiding AirLiquide
17 meter
3 Kabeltrac KPN
4 Weg, NGU leiding, 12 meter
5 Intrede / Uittredepunt* HDD boring
Yangtzehaven
-
6 HDD boring Yangtzehaven 1400 meter, ca. 45m-NAP
7 Intrede / Uittredepunt* HDD boring
Yangtzehaven
-
8 Weg ** 10 meter
9 Intredepunt HDD boring Maasgeul
10 HDD boring Maasgeul (van intredepunt
op land naar uittredepunt op zee)
1700 meter, ca. 36m-NAP
* Er is nog niet definitief vastgesteld of de HDD boring onder de Yangtzehaven van zuid naar noord of
andersom plaats zal vinden.
** De exacte locatie van het intredepunt van de HDD boring onder de Maasmonding is nog niet definitief
vastgesteld. Mogelijk wordt met de HDD boring de buisleiding in een keer onder zowel de weg als de
Maasmonding aangelegd.

Om de buisleiding aan te leggen bij kruisingen met infrastructuur kan gebruik gemaakt
worden van de volgende methoden:

Realisatie van kruisingen zonder boring:

Open sleuftechniek voor korte kruisingen zoals secondaire wegen, waarbij de weg
tijdelijk wordt opengewerkt en de leiding in een gegraven sleuf wordt aangelegd. De
weg wordt na de installatie in zijn originele staat teruggebracht.

Realisatie van kruisingen met boring:

Boring met behulp van een Avegaar grondboor bij langere kruisingen onder simpele
infrastructuur, zoals spoorlijnen en wegen. Dit is een simpele boortechniek waarbij
doormiddel van twee kleine boorputten een avegaar grondboor met een mantelbuis
onder de infrastructuur door boort waardoor vervolgens de gasvoerende buisleiding
wordt getrokken. Zie Figuur 2.3 voor een typische inrichting bij een boring met
behulp van een Avegaar grondboor;
Horizontaal gestuurde boring (HDD) voor langere en diepe kruisingen onder
complexe infrastructuur, zoals de Yangtzehaven en Maasmonding. Zie Figuur 2.4
voor een typische inrichting bij een horizontaal gestuurde boring.

De keuze van de toe te passen techniek is afhankelijk van de situatie die bij de
definitieve voorbereiding van de installatie van de buisleiding wordt aangetroffen. De
aannemer zal in overleg met de beheerder(s) van de infrastructuur de meest geigende
techniek toepassen.








9V7319.20/R0010_rev8/MVZ/ILAN/Rott Deelrapport Transport MER ROAD
20 juni 2011 - 18 - Definitief

Figuur 2.3 Boring met behulp van een avegaar grondboor (Bron: Serie GWW Techniek IX)


Figuur 2.4 Horizontaal gestuurde boring

2.1.3 Ingraven in leidingenstrook
De buisleiding die op land wordt ingegraven bestaat uit een ca. 5 km lange
koolstofstalen buis met of een natte isolatie of een isolatie door middel van een buis-in-

Deelrapport Transport MER ROAD 9V7319.20/R0010_rev8/MVZ/ILAN/Rott
Definitief - 19 - 20 juni 2011
buis constructie, zoals bij de buisleidingen in de HDD secties wordt toegepast. Er wordt
een station met een afsluitpost aangebracht aan de landzijde op het terrein van MPP3
en een op het platform op de Noordzee.

Natte isolatie
In deze toepassing wordt een stalen buis gecoat met een laag polyurethaan (synthetisch
schuim), afgedekt met een laag Polyethyleen (Staal-pur-PE). De holle microstructuur
met lage dichtheid in het schuim reduceert de thermische geleiding van de leiding.

Buis-in-buis isolatie
Bestaat er gevaar voor beschadiging van de PE buitenmantel, of is het nodig om de
thermische expansie te beperken dan wordt een buis in buis constructie toegepast.
Hierbij wordt een stalen mantelbuis om de mediumvoerende buis gebruikt en wordt de
tussenruimte opgevuld met polyurethaan schuim of vacum gezogen (Staal-pur-Staal of
Staal-vacum-Staal). Voor de gestuurde boringen onder de Yangtzehaven en de
Maasmonding wordt de Staal-vacum-Staal methode toegepast om de thermische
expansie te beperken. Door regelmatig inspectie uit te voeren waarbij het vacum
gecontroleerd wordt, zal er geen warmtelek kunnen ontstaan, waardoor de expansie van
de boring te groot wordt.

Voor het ingraven van de buisleiding wordt een werkstrook aangelegd. Per kraan wordt
het leidingtrac uitgegraven. Per as worden de buisleidingdelen aangevoerd. De buizen
worden langs de sleuf aan elkaar gelast. Hierbij worden de losse elementen per
hijskraan van de vrachtwagen gehesen en op terpjes zand of rollers langs het
leidingtrac geplaatst.

Hier worden de delen (onder mobiele tentjes, voor stabiele omstandigheden bij het
lassen en afkoelen van de las) aaneen gelast. Wanneer een leidingtrac gelast is, wordt
met verschillende kranen tegelijkertijd de grotere lengtes buisleiding in de uitgegraven
sleuf geplaatst. Waarna de sleuf met de uitgegraven grond wordt gedicht.

2.1.4 T-stuk in buisleiding
Bij operatie in dense-fase bestaat er een extra capaciteit van de buisleiding. Om het
voor de toekomst mogelijk te maken om deze extra capaciteit te benutten voor andere
CO
2
-opslag initiatieven, worden er drie T-stukken in de buisleiding aangebracht. Deze
T-stukken worden afgesloten met twee afsluiters en een bolle bodem, maar kunnen in
de toekomst gebruikt worden om andere buisleidingen op aan te koppelen. De locaties
van de drie T-stukken zijn weergegeven op figuur 2.2. Op basis van mogelijk te
verwachte toekomstige aansluitingen zijn deze locaties vooralsnog geselecteerd. In
overleg met het Havenbedrijf Rotterdam worden de T-stukken buiten de leidingstrook
geplaatst.

De T-stukken worden met de buisleiding onder de grond aangebracht en ingepakt ter
bescherming. Met een markering aan het oppervlak wordt de locatie van de T-stukken
weergegeven.
Additionele initiatieven voor CO
2
transport in de toekomst zijn geen onderdeel van het
voorliggende MER.

2.1.5 Uitlegtrac buisleiding voor intrekking HDD
Wanneer een HDD boring wordt toegepast is het van belang dat de buisleiding in een
vloeiende beweging door het boorgat getrokken kan worden, zodat deze niet vast komt







9V7319.20/R0010_rev8/MVZ/ILAN/Rott Deelrapport Transport MER ROAD
20 juni 2011 - 20 - Definitief
te zitten. Voordat met de intrekking wordt begonnen wordt de hele buisleiding aan een
gelast, voor het boorgat.
In het geval van de HDD boring onder de Yangtzehaven wordt het in te trekken
buisleidingdeel tijdelijk parallel gelegd aan het buisleiding trac op land. Bij een kruising
met een weg of een spoorlijn wordt de buisleiding op een stelling over de weg of het
spoor heen gelegd zodat het verkeer geen hinder ondervindt.

Het uitlegtrac van de buisleiding bij de HDD boring onder de maasmonding vindt plaats
in westelijke richting, dit is op figuur 2.7 weergegeven.

2.1.6 Expansieloops in buisleiding
Wanneer er transport door de buisleiding plaatsvindt, zal de buisleiding ongeveer
dezelfde temperatuur aannemen als die van het te transporteren CO
2
. Als er
(incidenteel) geen transport plaatsvindt, is de temperatuur van de buisleiding teruglopen
tot de veel lagere omgevingstemperatuur. Bij opwarmen en afkoelen van het medium
vindt expansie en krimp van de buisleiding plaats. Om dit op te vangen worden
expansieloops in de buisleiding aangebracht. Een expansieloop bestaat uit een lus in de
buisleiding die de expansie en krimp van de buisleiding opvangt. De buitenbochten van
de lus zijn omgeven met schuim om verplaatsing van de buisleiding op te vangen. De
expansieloops worden gelijkmatig over het landtraject verdeeld en (evenals de rest van
de buisleiding) afgedekt met grond.

Op het zeetraject worden geen expansieloops toegepast, aangezien de buisleiding zich
vanwege de grote rechtdoorgaande lengte verankert in de grond. Wel zal bij de
aansluiting op het platform en de aansluiting op de boring onder de Maasmond een
expansie spool (z loop) worden geplaatst. Een expansie spool is een lus in de vorm van
een Z.

De horizontaal gestuurde boringen onder de Yangtzehaven en onder de Maasmond
worden uitgevoerd als een staal-in-staal systeem. Hierbij is de mediumbuis in grotere
mate onderhevig aan uitzetting en krimp, de mantelbuis vangt dit in enige mate op. Om
de overige expansie en krimp op te vangen wordt aan beide uiteinden een expansie lus
van ongeveer 20 meter aangebracht.

2.2 Aanleg buisleiding op zee
Op zee wordt de buisleiding in de zeebodem verwerkt. De buisleiding volgt voor een
groot gedeelte een bestaande gasleiding van TAQA, op een afstand van circa 100m, tot
de afbuiging naar het westen gemaakt wordt. Zie Figuur 2.5 voor het trac van de
buisleiding en zie figuur 2.6 voor een overzicht van de aanwezige en vergunde kabels
en leidingen, inclusief de bestaande gasleiding van TAQA.

Deelrapport Transport MER ROAD 9V7319.20/R0010_rev8/MVZ/ILAN/Rott
Definitief - 21 - 20 juni 2011



Figuur 2.5 voorlopige ligging van het offshore trac (Bron: GDF SUEZ).


Figuur 2.6 Overzicht aanwezige en vergunde kabels en leidingen, inclusief gasleiding van TAQA van
Maasvlakte naar P18-A.

2.2.1 Intredepunt HDD boring Maasgeul
Het intredepunt van de HDD boring om de leiding onder de Maasgeul door te boren,
komt vooralsnog te liggen op het land aan de zuidzijde van de Maasmond, zoals
Bestaande gasleiding
TAQA







9V7319.20/R0010_rev8/MVZ/ILAN/Rott Deelrapport Transport MER ROAD
20 juni 2011 - 22 - Definitief
aangegeven in figuur 2.7. Deze locatie is geselecteerd omdat het meer oostelijk gebied
met wat duinen dan niet doorgraven hoeft te worden om het intredepunt te bereiken.


Figuur 2.7 Locatie intrede- en uittredepunt HDD boring Maasmond (roze: uitlegtrac, blauw: trac HDD
boring)

2.2.2 Uittredepunt HDD boring Maasgeul
De exacte locatie van het uittredepunt is nog niet bekend, maar dient in ieder geval aan
de noordzijde van de vaargeul (Maasmond) te liggen. In figuur 2.7 is dit indicatief
weergegeven.

Door middel van een HDD boring wordt een boorgat onder de Maasmonding door
geboord. Een stalen buis, die samengesteld is uit concentrische stalen buizen, wordt na
het boren door het boorgat getrokken. De precieze werkmethode is nog niet bekend,
deze wordt vastgesteld wanneer het ontwerp van de HDD boring in detail wordt
uitgewerkt.

Deelrapport Transport MER ROAD 9V7319.20/R0010_rev8/MVZ/ILAN/Rott
Definitief - 23 - 20 juni 2011
Vanaf het uittredepunt van de boring op zee wordt door een legschip de off-shore
buisleiding aan de ingetrokken leiding gelast. Van hieruit volgt het legschip zijn route
naar het platform.

2.2.3 Ingraven in zeebodem
Er wordt een buisleiding met een lengte van ongeveer 20 km op zee aangelegd. Voor
deze leiding wordt gebruik gemaakt van natte isolatie.

Ingraven buisleiding
Voor een buisleiding met een diameter van 40 centimeter (16 inch) geldt dat deze niet
per definitie ingegraven dient te worden in de zeebodem conform de NEN 3650 norm.
Op basis van een risicoanalyse dient vastgesteld te worden of de buisleiding ingegraven
dient te worden (bij overschrijding van een bepaald risico) en op welke diepte de
buisleiding dan dient te liggen (om dit risico onder de daarvoor gestelde norm te
brengen). Deze betreffende analyse heeft nog niet plaatsgevonden. Op basis van
kengetallen uit het verleden is echter bepaald dat de ingraafdiepte 1 meter dient te zijn.
De betreffende analyse ten behoeve van de NEN 3650 gaat nog uitgevoerd worden.

Aanleg buisleiding
Voor het aanleggen van de buisleiding wordt uitgegaan van het in n operatie leggen
en begraven van de leiding door twee schepen. Er is n schip voor het transport en het
leggen van de buisleiding op de zeebodem. Maximaal 1 kilometer daarachter bevindt
zich een tweede schip met een ingraafmachine die over de zeebodem rijdt of getrokken
wordt. Dit is de meest gebruikelijke methode voor buisleidingen en het brengt de minste
installatierisicos met zich mee, omdat de voortgang van het leggen van de buisleiding
en het ingraven daarvan enigszins onafhankelijk zijn.

Voor het begraven van de buisleiding wordt zo weinig mogelijk gebruik gemaakt van
baggertechnieken. Baggeren is kostbaar en meer belastend voor het milieu dan andere
technieken, waarmee de buisleiding, in de zeebodem kan worden begraven.

De buisleiding wordt eerst vanaf het legschip op de zeebodem gelegd. Vervolgens wordt
de buisleiding ingegraven door de ingraafmachine.

Deze wordt, afhankelijk van het type machine, voortgetrokken door het ingraafschip of
heeft een eigen aandrijving (figuur 2.8). De bediening van de ingraafmachine gebeurt
(bij gebruik van twee schepen) vanaf het achterste schip, met afstandbediening.

b00m
Z000m
Legschip
Schip mef
ingroofmochine
Ingroofmochine
8ovenoon;ichf
HVDC kobeI (s) op
de ;eebodem
8egeIeidende
schepen
I000m
HVDC kobeI (s)
in de ;eebodem
VeiIigheids;one
b00m

Ankers: worden oIIeen foegeposf oIs hef schip voor Iongere fijd
(bv. enkeIe dogen) moef sfiIIiggen, de ofsfond fof hef schip
bedroogf moximooI b keer de scheepsIengfe.
Figuur 2.8 Procedure en spreidingsgebied (legschip en schip met ingraafmachine)
8uisIeiding in de
;eebodem
8uisIeiding op de
;eebodem







9V7319.20/R0010_rev8/MVZ/ILAN/Rott Deelrapport Transport MER ROAD
20 juni 2011 - 24 - Definitief

Grote leidinglegschepen hebben doorgaans een lengte van zon 130 meter. Het tonnage
van zon schip is ongeveer 5.000 ton en het schip kan ongeveer 3.500 ton aan
buisleiding dragen. Het begeleidende schip, waarmee de ingraafmachine wordt
vervoerd en waaraan deze bevestigd is tijdens de installatie, heeft een lengte van zon
80 tot 90 meter. Het tonnage van dit schip is 3.000 ton.

Schepen bij de installatieprocedure
Tijdens de installatieprocedure wordt in het basisontwerp gebruik gemaakt van de
volgende schepen:

1. Een schip om (zonodig) de zeebodem te egaliseren
2
;
2. Het legschip;
3. Het schip met ingraafmachine;
4. Sleepboot of -boten, voor assistentie en het verzetten van ankers (indien
noodzakelijk);
5. Begeleidingsschepen (assistentie, bevoorrading e.d., eveneens indien noodzakelijk);
6. Een bevoorradingsschip dat buisdelen van de wal naar het legschip transporteert
(indien nodig).

Mogelijk worden kleine sleepboten ingezet voor assistentie bij het manoeuvreren. De
installatieschepen worden tijdens het doorkruizen van vaarroutes begeleid door
tenminste n en mogelijk twee begeleidingsschepen. Deze schepen surveilleren rond
de installatieschepen om te vooromen dat andere schepen te dicht bij komen. Buiten de
vaarroutes is het basisontwerp dat er zonder deze begeleidingschepen gewerkt wordt,
met als alternatief het wel toepassen van deze schepen.

Werkgebied
Bij het gebruik van twee schepen voor het leggen en het begraven heeft het
spreidingsgebied van de werkzaamheden een lengte van maximaal ca. 2 kilometer en
een breedte van minimaal ca. 1 kilometer (figuur 2.8). Het gaat dan om het gebied
waarbinnen een leidinglegschip, het schip met de ingraafmachine en zo nodig de kleine
sleepboten voor assistentie gelijktijdig werkzaam zijn. Indien met ankers wordt gewerkt,
varen kleine sleepboten rond om de ankers te verzetten. Ook dit vindt plaats binnen het
spreidingsgebied van 2 bij 1 kilometer. Rondom de installatieschepen geldt een
veiligheidsafstand van 500 meter, in alle richtingen. De begeleidingsschepen zorgen er
voor dat andere schepen niet te dichtbij komen.

Het schoonmaken van de zeebodem
Voordat de buisleiding wordt genstalleerd, moet de leidingroute uiteraard vrij zijn van
obstakels, zoals buiten gebruik gestelde kabels, leidingen en brokstukken. Tijdens de
voorbehandeling van de route of vlak voor de installatie worden deze obstakels
opgezocht (met sonar en een magnetometer) en zo nodig verwijderd. Op een afstand
van ca. 100 meter van de geplande ligging van de buisleiding is een DN560 (26 inch)
buisleiding aanwezig waarmee methaan (CH
4)
getransporteerd wordt.


2
Egaliseren is nodig indien de zandgolven te stijl zijn voor de ingraafmachine.

Deelrapport Transport MER ROAD 9V7319.20/R0010_rev8/MVZ/ILAN/Rott
Definitief - 25 - 20 juni 2011
Deze voorbehandeling wordt als een aparte operatie uitgevoerd, met een klein schip.
Indien iets met de sonar of magnometer is waargenomen, wordt een kabel met een
enterhaak over de bodem getrokken. De kabel is uitgerust met een spanningsmeter die
een toename in spanning meet indien een object wordt aangehaakt. Deze methode
vergt uiteraard zekerheid over de reeds aanwezige infrastructuur die nog wel in bedrijf
is. Daarom wordt voorafgaand aan het schoonmaken van de bodem eerst onderzocht
welke kabels en leidingen in het gebied lopen.

Alle schrootmateriaal dat wordt gevonden wordt in principe naar het dek van het schip
gehaald en aan land gebracht volgens de daarvoor geldende regelgeving. Uit in onbruik
geraakte communicatie kabels wordt een sectie geknipt die breed genoeg is om de
buisleiding te kunnen leggen. De twee uiteinden van de doorgeknipte kabel worden
verzwaard met gewichten en terug onder het zand geplaatst om te voorkomen dat de
overgebleven delen zich vrij gaan verplaatsen.

Het egaliseren of uitvlakken van de zeebodem
Op de bodem van de Noordzee kunnen zich zandgolven bevinden (een soort duinen
onderwater). In het meest negatieve geval zouden er 6 zandgolven aanwezig zijn op het
20 km lange traject (ROAD, 2011).

Het aanpassen van de zeebodem in geval van zandgolven bestaat uit het aftoppen van
de zandgolven middels een sleephopperzuiger. De uitvoering dient in een periode van
een aantal weken (max. ca. 6 weken) voor installatie van de leiding uitgevoerd te
worden. Als er meer tijd tussen zit bestaat de kans dat het bodemprofiel zich
(gedeeltelijk) weer herstelt, voordat de leiding genstalleerd wordt. In dat geval moet wat
meer worden gegaliseerd dan eigenlijk nodig is.

De tijd die nodig is voor het egaliseren is afhankelijk van veel factoren, zoals de
benodigde ingraafdiepte, de waterdiepte en de samenstelling van het sediment. De
voortgang van de werkzaamheden wordt meestal niet bepaald door het egaliseren,
maar door de installatiewerkzaamheden, zodat de tijd tussen het egaliseren en leggen
van de buisleiding beperkt kan zijn.

Voor het egaliseren van zandgolven wordt over het algemeen een sleephopperzuiger
gebruikt (figuur 2.9). Het verwijderen van de toppen van de zandgolven vindt plaats door
een zand/water mengsel op te zuigen via een zuigbuis die aan het schip verbonden is
en ernaast over de bodem sleept. In het ruim (de hopper) kan het zand bezinken terwijl
het overtollige water afstroomt. Het zand kan worden vervoerd en ergens anders
worden gelost of overgepompt. Dit is meestal het geval bij zandwinning. Bij het
egaliseren wordt het opgezogen zand normaal gesproken direct weer op de zeebodem
gedeponeerd, naast de sleuf.

Een sleephopperzuiger heeft doorgaans een lengte van ruim 100 meter. Voor het
manoeuvreren en positioneren van het schip worden normaal gesproken geen ankers
gebruikt, maar eigen stuwmotoren en schroeven.








9V7319.20/R0010_rev8/MVZ/ILAN/Rott Deelrapport Transport MER ROAD
20 juni 2011 - 26 - Definitief

Figuur 2.9 Sleephopperzuiger

Alternatief 1: het afvoeren van het opgebaggerde materiaal buiten het gebied
Een alternatief is het afvoeren van het opgebaggerde materiaal buiten het gebied waar
het is gewonnen. Dit heeft als voordeel dat de vertroebeling in het gebied wat minder is,
maar het heeft als nadeel dat de vertroebeling elders toeneemt en er moet meer worden
gevaren (tussen de win- en de stortplaats), waardoor de kosten, de uitvoeringsduur, de
verstoring en het energiegebruik toenemen.

Alternatief 2: het storten van het opgebaggerde materiaal via een valpijp
Een ander alternatief is om gebruik te maken van een valpijp. Daarmee wordt het
materiaal ter plaatse in zee teruggebracht, tot vlak boven de bodem. Daardoor wordt de
vertroebeling beperkt.

Deelrapport Transport MER ROAD 9V7319.20/R0010_rev8/MVZ/ILAN/Rott
Definitief - 27 - 20 juni 2011
Het nadeel is dat het materiaal geconcentreerd op de bodem wordt gedeponeerd, wat
tot een afwijking in het bodemprofiel leidt en plaatselijke organismen volledig bedekt.
Omdat het gewonnen bodemmateriaal langzaam uit het schip via de valpijp in het water
wordt gepompt, nemen de geluidsproductie, het energieverbruik, de duur van de
werkzaamheden en daarmee ook de kosten enigszins toe.

Het leggen van de buisleiding
Afhankelijk van de hoeveelheid buisleidingendelen die het legschip mee kan nemen zal
dit schip zelf de leidingen ophalen vanaf de wal of wordt er een additioneel
bevoorradingsschip ingezet om het legschip tijdig van buisdelen te voorzien.

Op het achterdek van een het legschip worden de buisleidingdelen opgestapeld. Vanaf
de achterzijde van het legschip worden de buisdelen aaneen gelast en in het water
gebracht. Het schip wordt daarbij met geavanceerde plaatsbepalingsapparatuur in
positie gehouden, zodat de leiding nauwkeurig op de zeebodem kan worden gelegd. De
exacte positionering binnen de vergunde corridor wordt kort voorafgaand aan het
feitelijke leggen van de buisleiding bepaald, op grond van de dan aangetroffen
omstandigheden.


Figuur 2.10 Pijpenlegger

Voor het manoeuvreren en positioneren van het buisleidingschip worden normaal
gesproken geen ankers gebruikt, maar stuwmotoren en schroeven. Een dergelijk schip
kan in principe met behulp van GPS-navigatie, binnen een marge van ongeveer twee
meter, nauwkeurig in positie worden gehouden. Voor het leggen van leiding is een
nauwkeurigheidsmarge van twee meter voldoende.

Alleen als een schip lange tijd op dezelfde plek moet liggen wordt mogelijk gebruik
gemaakt van ankers. Het gebruik van ankers houdt het schip voor langere tijd op
dezelfde plaats en bespaart brandstof omdat dan niet continue hoeft te worden gewerkt
met motoren. Rondom de ankers varen kleine ondersteunende schepen rond om de
ankers te kunnen verzetten. Over het algemeen worden er vier ankers gebruikt.

De keuze van de ingraaftechniek
Voor de ingraaftechniek kan een afweging gemaakt worden tussen 5 beschikbare
technieken; de grondverplaatsende ploeg, de niet-grondverplaatsende ploeg, de vibro







9V7319.20/R0010_rev8/MVZ/ILAN/Rott Deelrapport Transport MER ROAD
20 juni 2011 - 28 - Definitief
ploeg, de spuitlans en de mechanische trencher. Tabel 2.2 geeft een overzicht van de
belangrijke kenmerken van deze ingraaftechnieken.

Ingraaftechniek Kenmerken
Grondverplaatsende
ploeg
Installatie door het trekken van een open V-vormige sleuf in de zeebodem
Kabel wordt onder in de sleuf geduwd
Open sleuf kan worden gedicht of moet zich vanzelf herstellen
Niet-grondverplaatsende
ploeg
Installatie door insnijden van de zeebodem met een ploegzwaard
Kabel wordt onder aan het ploegzwaard in de zeebodem geleid
Zeebodem herstelt zich vanzelf, er is geen open sleuf
Vibro
ploeg
Installatie door het insnijden van de zeebodem en het installeren van de kabel
in de zeebodem met een ploegschaar
Kabel wordt onder aan het ploegzwaard in de zeebodem geleid
Zeebodem herstelt zich vanzelf, er is geen open sleuf
Spuitlans Installatie door verweken van de zeebodem (fludiseren) met wateroverdruk
Kabel zakt onder zijn eigen gewicht in de verweekte zeebodem
Zeebodem herstelt zich vanzelf, er resteert een ondiepe open sleuf
Mechanische trencher Installatie door frezen van een sleuf in de zeebodem met hard stalen tanden
Kabel wordt onder in de sleuf geduwd
Open sleuf kan worden gedicht of moet zich vanzelf herstellen
Tabel 2.2 Alternatieve ingraaftechnieken buisleiding

De grondverplaatsende ploeg, de vibroploeg en de mechanische trencher komen uit
technisch en/of economisch oogpunt niet in aanmerking als ingraaftechniek, zie voor
een toelichting onderstaand kader. Deze technieken worden daarom verder niet
beschouwd.

De niet-grondverplaatsende ploeg, met name de jet ploeg versie en de spuitlans zijn de
meest geschikte methoden voor het begraven van de buisleiding in de zandige
zeebodem en worden meegenomen als varianten.

Deelrapport Transport MER ROAD 9V7319.20/R0010_rev8/MVZ/ILAN/Rott
Definitief - 29 - 20 juni 2011


Niet-grondverplaatsende ploeg
Alle types ploegen worden in principe vanaf het zeeoppervlak voortgetrokken door een
schip (zie figuur 2.11). Alhoewel een ploeg overwegend passief is, kan deze toch
worden gestuurd en kan de penetratiediepte worden beheerst, waardoor de
ingraafdiepte kan worden bepaald. De ploeg wordt hiervoor op afstand bediend vanaf
een schip door middel van een verbindingslijn.
In het MER BritNed (Royal Haskoning, 2004) is een uitgebreide afweging gemaakt voor het de beschikbare
technieken voor het ingraven van een elektriciteitskabel. Onderstaande tabel geeft een inzichtelijk overzicht
van deze afweging. Deze afweging is ook bruikbaar voor het ingraven van een buisleiding aangezien de
beschikbare technieken dezelfde zijn. In deze afweging scoren 2 van de 5 technieken duidelijk minder en
zijn dan ook rood gemarkeerd.

Installatietechniek
Legenda:
= Positief
= Neutraal
= Negatief

g
r
o
n
d
v
e
r
p
l
a
a
t
s
e
n
d
e

p
l
o
e
g

n
i
e
t
-

g
r
o
n
d
v
e
r
p
l
a
a
t
s
e
n
d
e

p
l
o
e
g

v
i
b
r
o

p
l
o
e
g

s
p
u
i
t
l
a
n
s
/
j
e
t
t
e
n

m
e
c
h
a
n
i
s
c
h
e

t
r
e
n
c
h
e
r

a. Beperken vertroebeling en sediment
verplaatsing

b. Beperken grondverzet en
ruimtebeslag

c. Herstel oorspronkelijke situatie

d. Technische toepasbaarheid

e. Bewezen techniek voor installeren
van hoogspanningskabels

f. Beperken van de kosten

g. Risicos voor de kabel
/
*








9V7319.20/R0010_rev8/MVZ/ILAN/Rott Deelrapport Transport MER ROAD
20 juni 2011 - 30 - Definitief

Figuur 2.11 Een ploeg wordt te water gelaten vanaf het begeleidende schip (bron: Metoc)

De niet-grondverplaatsende ploeg snijdt (met een soort zwaard) de zeebodem open
zonder de grond te veel te verplaatsen. De buisleiding (of kabel als dat van toepassing
zou zijn) wordt vervolgens met kracht onder in de snede gedrukt. Er ontstaat dus geen
sleuf die gevuld behoeft te worden. De niet-grondverplaatsende ploeg kan smalle
sneden in de zeebodem produceren van minder dan 1 meter breed, tot minimaal ca. 30
cm. De bodembreedte van de ploeg is, afhankelijk van het type ca. 5-10 meter.

De niet-grondverplaatsende ploeg vereist minder trekkracht dan de grondverplaatsende
ploeg. Deze techniek kan worden gebruikt in vrijwel alle soorten sediment, maar minder
goed in sedimenten die door hun samenstelling een grote interne wrijving hebben. Om
die reden is er ook een zogenaamde jet ploeg ontwikkeld die de zeebodem rond het
ploegzwaard weker maakt. De jet ploeg heeft zich bewezen in alle sedimentsoorten en
vereist nog minder trekkracht van het trekschip.

De niet-grondverpaatsende ploeg (figuur 2.12), waaronder de jet-ploeg, is technisch
geschikt voor het installeren van de buisleiding in het Nederlandse deel van de
Noordzee. Het gebruik van grotere ploegen is beperkt tot waterdiepten groter dan 10
meter.


Deelrapport Transport MER ROAD 9V7319.20/R0010_rev8/MVZ/ILAN/Rott
Definitief - 31 - 20 juni 2011



















Figuur 2.12 Niet grondverplaatsende ploeg

Spuitlans
Spuitlansen kunnen een eigen aandrijving hebben (waarbij ze een reeds neergelegde
buisleiding volgen) of worden voortgesleept door een schip. De beschikbare technieken
zijn:

1. De spuitlans wordt gemonteerd op een slede die wordt voortgetrokken door een
begeleidend schip (dit schip kan tevens het kabellegschip zijn);
2. De spuitlans wordt gemonteerd op een zelfstandig voortbewegend voertuig;
3. De spuitlans wordt gemonteerd op een zich zelfstandig voortbewegend
rupsvoertuig.

Bij al deze methodes wordt de machine op afstand bediend vanaf een schip door middel
van een verbindingslijn (het zogenaamde ROV = Remotely Operated Vehicle).

De spuitlans is zeer geschikt voor de Nederlandse zeebodem. Door het gebruik van de
spuitlans ontstaat er iets meer vertroebeling dan bij de niet-grondverplaatsende ploeg
met name als er materiaal uit de sleuf wordt opgezogen. Ook blijft er een gedeeltelijk
open en herkenbare sleuf achter zoals aangegeven in figuur 2.13.

Wig von bodemmoferiooI dof
fijdeIijk opwoorfs wordf
verpIoofsf oIs de pIoeg door de
bodem 'snijdf'
8odemIigging voor de
possoge von de pIoeg
8odemprofieI,
no possoge
von de pIoeg
Foofprinf von
de pIoeg
TijdeIijke versforing
von de ;eebodem oIs
gevoIg von de pIoeg
Foofprinf
von de pIoeg
IobeI wordf op de bodem von de
french geduwd onder hef omhoog
verpIoofsfe bodemmoferiooI
8odemmoferiooI
Insnijden von hef
bodemmoferiooI
8uisIeiding wordf op de bodem von de
french geduwd onder hef omhoog
verpIoofsfe bodemmoferiooI







9V7319.20/R0010_rev8/MVZ/ILAN/Rott Deelrapport Transport MER ROAD
20 juni 2011 - 32 - Definitief

2.3 Gebruiksfase
2.3.1 Aansluiting op afvanginstallatie
Behoudens tijdens de opstart- en cooldownperiodes, wordt er van uitgegaan dat de CO
2
vanuit de compressor met een constante druk en temperatuur in de buisleiding wordt
gebracht. Er wordt een strikte controle uitgevoerd bij het inlaten van de CO
2
in de
buisleiding om te waarborgen dat het zuurstofgehalte en het watergehalte dermate laag
zijn dat de potentieel corrosieve eigenschappen van het CO
2
niet tot uiting komen.

2.3.2 Leiding
Gedurende de gebruiksfase van de buisleiding wordt door middel van meetapparatuur
de stroomsnelheid van de CO
2
bewaakt en wordt het opvullen van de reservoirs
gereguleerd. In het Hoofdrapport wordt de operatie tijdens het gebruik van het hele
systeem beschreven, waaronder de operatie van de buisleiding.

Bescherming van de buisleiding tegen corrosie
Om corrosie van de buisleiding tegen te gaan, wordt voorzien in een bescherming
(isolatie) rond de buisleiding en kathodische bescherming. De koolstofstalen buisleiding
wordt beschermd door middel van een PE (polyethyleen) beschermlaag. Na het aaneen
lassen van de buisdelen wordt over elke las een mof geplaatst om ook de lasnaad met
PE te beschermen. De kathodische bescherming vindt plaats door een lage spanning op
de stalen buis te zetten (stroomopdruksysteem). Op het terrein van E.ON wordt een
voorziening getroffen waarmee de buisleiding op spanning (elektriciteit, orde grootte
milliampres) wordt gebracht. Door het PE is de buisleiding gesoleerd. Ook de
verbinding met het platform wordt gemaakt middels een isolatiekoppeling. Wanneer de
PE bescherming rond de buisleiding beschadigt raakt, kan het staal in aanraking komen
met zeewater en zou de buisleiding gevoelig worden voor corrosie. De stroomkring zal
door de beschadiging echter gesloten worden waardoor corrosie wordt tegengegaan.
Door de (lage) spanning op de buisleiding kunnen er geen elektronen uit de buisleiding
uittreden en wordt corrosie voorkomen. Gezien de zeer lage spanning op de buisleiding
kunnen effecten op het milieu worden uitgesloten.











Figuur 2.13 Kenmerkende bodemprofielen bij toepassing van een spuitlans
8reedfe von de
SIeuf
OorspronkeIijk bodemprofieI
Open sIeuf
MofuurIijke dekking
IobeI
Hoogfe
von de
nofuurIijke
dekking op
een bepooId
momenf
8egroof-
diepfe

8uisIeiding

Deelrapport Transport MER ROAD 9V7319.20/R0010_rev8/MVZ/ILAN/Rott
Definitief - 33 - 20 juni 2011
2.3.3 Aansluiting op platform
De riser staat onder invloed van golfslag en stroming. Tevens kan op de locaties waar
de druk van de CO
2
lager wordt warmteverschil optreden dat invloed kan hebben op de
riser. In de gebruiksfase dient hier rekening mee gehouden te worden door regelmatig
de staat van de riser en de aansluiting op het platform te inspecteren en indien nodig te
vervangen.

2.3.4 Onderhoud
De buisleiding wordt in de zeebodem aangelegd. Om te zorgen dat de buisleiding
daadwerkelijk in de bodem blijft liggen, is het van belang om in de eerste jaren na
aanleg inspectie uit te voeren. Hiermee wordt gecontroleerd of de aanvankelijke
ingraafdiepte voldoende is en of de bodemdynamiek (erosie en sedimentatie) voldoet
aan de verwachtingen (op basis van een nog uit voeren detailstudie).

De inspectie in de eerste jaren bestaat uit akoestische metingen langs het leidingtrac,
waaruit, door vergelijking met de gegevens die vooraf en tijdens de installatie zijn
verkregen, kan worden afgeleid hoe de bodem zich gedraagt. In ondiep water (minder
dan 10 meter diep) worden ook wel duikers ingezet voor inspectie uitgerust met
cameras en buisleiding verklikkers. Op dieper water worden ook wel op afstand
bediende duikboten met cameras en buisleidingverklikkers ingezet.

Eens per tien jaar wordt er een intelligent pig door de buis geleid welke de wanddikte
en de materiaaltoestand van de buisleiding controleert.

Direct na het aflopen van de zogenaamde ingraafperiode wordt de eerste inspectie
uitgevoerd op dezelfde wijze als hierboven beschreven. De herhalingsperiode van een
reguliere inspectie dient nader bepaald te worden, mede naar aanleiding van de
inspectie gedurende de eerste jaren van de levensduur. Ook na het buiten gebruik
stellen van de buisleiding dienen de delen die niet worden verwijderd (vanwege de te
verwachten effecten) te worden bewaakt. Wanneer een leiding blootspoelt, of dreigt
bloot te spoelen, wordt deze opnieuw met sediment bedekt.

2.4 Buitengebruikstelling en verwijderen van de buisleiding
Na de buitengebruikstelling aan het einde van de levensduur wordt de buisleiding in
principe verwijderd. De leiding wordt zonder groot grondverzet verwijderd van locaties
waar deze gemakkelijk bereikbaar is. De verwijderde leiding wordt afgevoerd voor
eindverwerking (recycling), door daarvoor erkende bedrijven. Eenzelfde aanpak is van
toepassing op de elektriciteitskabel, evenals onderstaande beschrijvingen.

Verwijdering op zee
Voor het verwijderen van de buisleiding wordt een schip gebruikt dat de leiding omhoog
haalt en hem aan boord in stukken snijdt.

Volgens het beleid voor de Noordzee in het Integraal Beheerplan Noordzee 2015
(IBN2015) is het verplicht om buiten gebruik gestelde kabels en leiding op ruimen.







9V7319.20/R0010_rev8/MVZ/ILAN/Rott Deelrapport Transport MER ROAD
20 juni 2011 - 34 - Definitief
Bij het verlenen van een vergunning voor het leggen en behouden (exploiteren) van een
kabel of leiding wordt dan ook standaard een opruimplicht als voorschrift opgenomen als
de kabel of leiding buiten gebruik wordt gesteld. Ontheffing van deze opruimplicht wordt
alleen verleend als de maatschappelijke baten van het laten liggen groter zijn dan de
maatschappelijke kosten ervan. Deze afweging maakt het Bevoegd Gezag op basis van
door de vergunninghouder aan te leveren informatie en door aan de hand van een
checklist. Deze checklist is opgenomen in bijlage 7 van het IBN2015 en beschouwd de
criteria Ruimte, Milieuconsequenties, Veiligheid en Kosten om de tijdelijke en
permanente effecten van het laten liggen te beoordelen. De opruimplicht geldt alleen
voor vergunningen van nieuw aan te leggen kabels en leidingen.

De eigenaar van de buisleiding zal bovenstaande voorgenomen aanpak voor het
verwijderen van de leiding toetsen aan de checklist op het moment dat dit aan de orde
is.

Verwijdering op land
Op land zal de buisleiding worden verwijderd met behulp van een graafmachine.

Deelrapport Transport MER ROAD 9V7319.20/R0010_rev8/MVZ/ILAN/Rott
Definitief - 35 - 20 juni 2011
3 M.E.R.-PROCEDURE
In dit hoofdstuk wordt het wie, wat en wanneer van de m.e.r.-procedure specifiek voor
het transportgedeelte beschreven; in het hoofdrapport is een totaaloverzicht gegeven
van de m.e.r.-procedure voor het gecombineerde plan-MER en project-MER.
In dit hoofdstuk worden slechts kort de belangrijkste punten uit het hoofdrapport, die
specifiek zijn voor het transportgedeelte, herhaald.

3.1 Rol van de m.e.r.
De m.e.r.-procedure is een hulpmiddel bij de besluitvorming over plannen, grote
projecten of ingrepen. Het doel van de m.e.r. is om in de besluitvorming het
milieubelang tussen alle andere belangen een volwaardige rol te laten spelen. De
procedure voor de m.e.r. is vastgelegd in de Wet milieubeheer en het Besluit
milieueffectrapportage 1994. Het milieueffectrapport (MER) is een belangrijk onderdeel
van deze procedure. In het MER worden de effecten van de voorgenomen activiteit op
het milieu getoetst, zodat eventuele nadelige gevolgen en/of knelpunten worden
herkend en oplossingen worden gevonden.

3.2 Kaderstellend besluit
Voor de aanleg van een deel van de buisleiding is een wijziging in het bestemmingsplan
nodig, daarnaast dient de bestemming CO
2
-leiding aan de leidingstraat te worden
toegevoegd. Hiervoor wordt een Rijksinpassingplan opgesteld. Dit plan wordt mede
onderbouwd door een plan-MER dat gelijktijdig met het ontwerp Inpassingsplan ter
inzage gelegd zal worden.

Voor de opzet en uitvoering van het transporteren van CO
2
zijn meerdere vergunningen
nodig. Ter voorbereiding van de aanvragen voor de Omgevingsvergunning en de
Watervergunning stelt de initiatiefnemer een project-MER op.

Vanwege de mogelijke effecten van het initiatief op de instandhoudingsdoelstellingen
van nabij gelegen Natura2000- en EHS-gebieden is tevens een Voortoets opgesteld. De
passende beoordeling is een integraal onderdeel van dit MER.

In het Besluit milieueffectrapportage zijn de m.e.r.-plichtige activiteiten beschreven. Met
betrekking tot de voorgenomen activiteit zijn de volgende categorien van activiteiten
van belang (tabel 3.1).

Tabel 3.1 M.e.r.-plichtige activiteiten t.b.v. kaderstellend besluit.
Activiteit m.e.r. plicht (C-lijst) m.e.r. beoordelingsplicht (D-lijst) Wet
Constructie
buisleiding op en in de
zeebodem:
- over een lengte van
meer dan 1 km door
duingebied en in zee
- met een oppervlakte
van meer dan 1 ha
Categorie C 5.3:
De constructie van installatie of
bouwwerken in, op of boven de
zeebodem, dan wel in de
ondergrond daarvan in gevallen
waarin de activiteit betrekking
heeft op een oppervlakte van 1
ha of meer.
Categorie D 8.1:
De aanleg, wijziging of uitbreiding
van een transportleiding voor het
transport van gas, olie of
chemicalin, met uitzondering van
een transportleiding voor het
transport van aardgas, waarbij een
inpassingplan wordt opgesteld.
- Wet
ruimtelijke
ordening
- Waterwet







9V7319.20/R0010_rev8/MVZ/ILAN/Rott Deelrapport Transport MER ROAD
20 juni 2011 - 36 - Definitief
3.3 Vergunningen
Voor de opzet en uitvoering van het transporteren van CO
2
zijn diverse vergunningen
nodig. In tabel 3.2 zijn de benodigde vergunningen waarvoor een m.e.r.-plicht geldt
opgesomd.

Tabel 3.2 Benodigde vergunningen
Activiteit Benodigde vergunning Bevoegd bestuursorgaan
Buisleiding (op land) Omgevingvergunning Gemeente Rotterdam
Buisleiding (op zee) Watervergunning Rijkswaterstaat, directie Noordzee

3.4 Initiatiefnemers en bevoegd gezag
De initiatiefnemer is de partij die het MER opstelt. De initiatiefnemer van dit project is
Maasvlakte CCS-project CV (verder aangeduid als MCP) een joint venture van E.ON en
Electrabel (onderdeel van GDF SUEZ).

Adres initiatiefnemer:
Maasvlakte CCS-project CV
Parallelweg 1, 3112 NA SCHIEDAM

Het bevoegd gezag is de partij die het besluit neemt. Voor de besluitvorming over het
transport van CO
2
is de Minister van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie het
cordinerende bevoegd gezag.

Adres bevoegd gezag Inpassingsplan:
Ministerie van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie
Inspraakpunt ROAD-project: Bureau Energieprojecten
Postbus 223, 2250 AE VOORSCHOTEN

3.5 Participatie
Onderstaand wordt aangegeven welke stappen inmiddels doorlopen zijn, en wat de
volgende stappen zijn. Hierbij wordt nadrukkelijk ingegaan op de mogelijke participatie
van belanghebbenden.

3.5.1 Doorlopen stappen
Stap 1 en 2: Notitie Reikwijdte en Detailniveau
Op 10 september 2010 is door de initiatiefnemer de concept-notitie Reikwijdte en
Detailniveau ingediend bij het bevoegd gezag. De kennisgeving van de voorgenomen
activiteit heeft plaats gevonden in de Staatscourant op 23 september 2010 en is tevens
nationaal gepubliceerd. De concept-notitie Reikwijdte en Detailniveau heeft ter inzage
gelegen van 24 september tot en met 4 november 2010 (stap 1 en 2 in het kader op de
volgende bladzijde). Er zijn twee inloopavonden georganiseerd, waarbij
genteresseerden informatie konden krijgen over het voorgenomen project. De
inspraakprocedure heeft geleid tot een viertal inspraakreacties.


Deelrapport Transport MER ROAD 9V7319.20/R0010_rev8/MVZ/ILAN/Rott
Definitief - 37 - 20 juni 2011
Stap 3 en 4: Advies Reikwijdte en Detailniveau
De Cie-m.e.r. heeft op basis van de concept-notitie Reikwijdte en Detailniveau en de
inspraakreacties op 2 december 2010 een advies reikwijdte en detailniveau uitgegeven
voor het opstellen van het MER
13
. Zowel de provincie Zuid-Holland als Rijkswaterstaat
hebben een aanvulling hierop gegeven. Op basis van hiervan heeft het bevoegd gezag
het Advies reikwijdte en detailniveau voor het MER vastgesteld (stap 3 en 4 op 23
december 2010).

Stap 5: MER opstellen en indienen
Stap 5 is het opstellen van het MER. Uitgangspunt van het MER is de Notitie reikwijdte
en detailniveau van bevoegd gezag. Het MER is als gecombineerd Plan-MEr en Project-
MER ingediend samen met de bijbehorende vergunningsaanvragen.

Tijdens het opstellen van het MER en de vergunningsaanvragen is uitgebreid overleg
geweest met de verschillende bevoegde gezagen en belanghebbenden. Zo zijn er
integrale bijeenkomsten georganiseerd, heeft er regulier overleg plaatsgevonden met
het Ministerie van EL&I en de provincie Zuid-Holland. Concept-versies van de MER-
rapporten en de vergunningsaanvragen zijn voor commentaar aan de betrokken
instantie aangeleverd en het commentaar is besproken en verwerkt.

3.5.2 Volgende stappen
Het indienen van de vergunningsaanvragen en het MER vormt het beginpunt van de
procedure in het kader van de rijkscordinatieregeling. Dit leidt tot de volgende stappen:

Stap 6: Publicatie MER en aanvraag ontwerpbesluit
Als de initiatiefnemer het MER heeft opgesteld en ingediend bij bevoegd gezag en
bevoegd gezag is van mening dat het MER voldoet aan het Advies reikwijdte en
detailniveau, brengt zij het MER met de vergunningaanvragen en de ontwerpbesluiten in
de inspraak.

Stap 7 en 8: Inspraak en advies
De documenten worden gedurende een periode van zes weken ter visie gelegd, waarbij
mogelijkheid tot indienen van zienswijzen is. Daarna beoordeelt de Cie-m.e.r. het MER
op volledigheid en kwaliteit en brengt daarover advies uit aan bevoegd gezag.

Stap 9: Besluit
Op basis van deze inspraakronde komen de bevoegde gezagen tot de definitieve
vergunningen.








9V7319.20/R0010_rev8/MVZ/ILAN/Rott Deelrapport Transport MER ROAD
20 juni 2011 - 38 - Definitief
4 WET EN REGELGEVING
De in ogenschouw genomen milieuaspecten in het MER zijn gebaseerd op de te
verwachten mogelijke effecten die aanleg en gebruik van de buisleiding hebben in
combinatie met de bestaande wet- en regelgeving welke bestaat voor buisleidingen.
Specifiek wordt tevens ingegaan op de waterwet aangezien dit deelrapport tevens als
basis dient voor de aanvraag van de watervergunning. In de eerste paragraaf van dit
hoofdstuk wordt ingegaan op het beleid dat van toepassing is op buisleidingen en het
beleid met betrekking tot de waterwet. In paragraaf 4.2 wordt ingegaan op de wet- en
regelgeving welke bestaat voor de in dit MER beschouwde milieuaspecten.

4.1 Wet en regelgeving buisleidingen
Waterwet
In december 2009 is de Waterwet in werking getreden. In deze wet is een achttal
watergerelateerde wetten samengevoegd tot n wet. De Waterwet regelt het beheer
van grond- en oppervlaktewater en verbetert ook de samenhang tussen waterbeleid en
ruimtelijke ordening. De vergunningen uit de afzonderlijke waterbeheerwetten zijn
gebundeld tot n vergunning: de watervergunning. Voor de voorgenomen activiteit
dient een watervergunning bij Rijkswaterstaat te worden aangevraagd.

Beleid vanuit de Waterwet
In de Waterwet zijn een aantal regelingen opgenomen, waaronder de uitwerking van de
Europese Kaderrichtlijn water (KRW) en Kaderrichtlijn mariene strategie (KRM), die
vervolgens weer zijn vertaald in het (concept) Nationaal Waterplan (NWP) en uitgewerkt
in het Beheerplan voor de Rijkswateren (BPRW). Tevens is voor de Noordzee het
Integraal Beheerplan Noordzee 2015 (IBN) van belang. Bij het opstellen van een
Watervergunning zijn vooral het BPRW en het IBN leidend. Voor de Watervergunning
dienen de volgende aspecten aan bod te komen:
Voor de KRW-aspecten dienen de gevolgen op de waterkwaliteit in de eerste 12 mijl
uit de kust en op de benthos in de eerste zeemijl (KRW-grenzen) in beeld gebracht
te worden.
De KRM is nog niet uitgewerkt, maar wordt wel al genoemd in het Waterbesluit.
Vanuit de KRM dient ingegaan te worden op de effecten op het zeemilieu en het
ecosysteem.
Het IBN bevat een afwegingskader, dat voor iedere nieuwe activiteit doorlopen moet
worden. Verder bevat het algemene regels voor de aanleg van buisleidingen.
Vanuit het voormalige Wbr-deel binnen de Waterwet komen algemene regels voor
over het gebruik van een waterstaatswerk, in dit geval de bodem van de Noordzee.
Dit dient veilig te gebeuren en mag geen problemen opleveren voor andere
gebruikers. Hiervoor kunnen de eisen die aan zeeleidingen wordt gesteld in de
NEN-norm 3650 worden gebruikt. Het gaat dan om de integriteit van de leiding,
bijvoorbeeld door de zgn. upheaval buckling ten gevolge van warmte in de leiding,
de materiaalkeuze, en het trac.


Deelrapport Transport MER ROAD 9V7319.20/R0010_rev8/MVZ/ILAN/Rott
Definitief - 39 - 20 juni 2011
Beheer- en Ontwikkelplan voor de Rijkswateren
De Waterwet schrijft voor dat alle waterbeheerders een beheerplan opstellen. Voor
Rijkswaterstaat is dat het Beheer- en Ontwikkelplan voor de Rijkswateren (BPRW). De
waterwet vormt hiermee de wettelijke basis voor het BPRW.

Het BPRW beschrijft het beheer van de rijkswateren voor de periode 2010-2015.
Rijkswaterstaat voert het beheer uit. Het BPRW is opgesteld binnen de kaders van
Europese richtlijnen, nationale wetgeving en nationaal beleid. Onderdeel van het BPRW
is een gebiedsgericht programma waarin de beheeropgave is opgenomen van
Waterbeheer 21e eeuw, Kaderrichtlijn Water en Natura 2000.

In het BPRW wordt het beheer uitgewerkt naar functies en gebieden. De functies zijn
ingedeeld in drie groepen: basisfuncties (veiligheid, voldoende water, schoon &
ecologisch gezond water), scheepvaart en gebruiksfuncties.

De functies komen samen in verschillende gebieden, waarvan n gebied bestaat uit
het watersysteem de Noordzee. Per gebied zijn de beheerprioriteiten voor de komende
jaren aangegeven.

Kaderrichtlijn Water
De KRW kent twee zogenoemde toestanden om de kwaliteit van het oppervlaktewater
weer te geven: de ecologische toestand en de chemische toestand. De Kaderrichtlijn
Water geldt voor de Noordzee tot aan de 12-mijlszone voor chemie en tot aan de 1-
mijlszone voor ecologie.

De toestand van een waterlichaam wordt bepaald door te kijken in hoeverre het
waterlichaam ecologisch gezond en chemisch schoon is. Alleen als een waterlichaam
ecologisch gezond en chemisch schoon is, wordt het waterlichaam aangeduid als zijnde
in de goede toestand.

De ecologische toestand wordt vastgesteld aan de hand van zogenoemde biologische
kwaliteitselementen (zoals vis, algen, waterplanten en kleine waterdieren) en naar
algemeen fysisch chemische parameters (zoals nutrinten en temperatuur). De toestand
wordt bepaald door alle gegevens samen te toetsen aan de normen, die op nationaal
niveau zijn vastgesteld. De toetsing geeft aan of het oppervlaktewater ecologisch
gezond is.

De chemische toestandsaanduiding geeft aan in welke mate het oppervlaktewater
chemisch schoon is. Stofconcentraties worden gemeten en vergeleken met de normen
die gelden voor (totaal) water. De normen die gelden voor deze toetsing zijn gebaseerd
op de jaargemiddelden en normen die gelden voor piekconcentraties van verschillende
stoffen. Deze normen en de chemische parameters zijn vastgesteld op Europees
niveau. In 2008 is voor het eerst officieel getoetst volgens de KRW, weliswaar met de
beschikbare gegevens uit 2007.

De samenstelling en talrijkheid van bodemdieren (benthos) is een van de
kwaliteitselementen waarop beoordeling van de ecologische toestand plaatsvindt.
Aangezien de buisleiding in de zeebodem wordt gewerkt, wordt in het MER ingegaan op
verstoring van de zeebodem en de gevolgen voor het bodemleven.
De waterkwaliteit wordt bepaald aan de hand van een aantal maatlatten. Deze worden
in voorliggen MER behandeld. In paragraaf 8.2 wordt per maatlat aangegeven waar de
betreffende informatie en effecten op de betreffende maatlat in voorliggend MER te
vinden is.







9V7319.20/R0010_rev8/MVZ/ILAN/Rott Deelrapport Transport MER ROAD
20 juni 2011 - 40 - Definitief

Kaderrichtlijn mariene strategie
De Kaderrichtlijn mariene strategie is ontwikkeld in navolging van de thematische
strategie inzake de bescherming en het behoud van het mariene milieu die op 24
oktober 2005 door de Europese Commissie is gepresenteerd. Deze strategie heeft tot
doel Europas zeen en oceanen te beschermen en te herstellen en ervoor te zorgen
dat de door de mens ontplooide activiteiten een duurzaam karakter hebben, zodat de
huidige en toekomstige generaties kunnen genieten en profiteren van veilige, schone,
gezonde en productieve zeen en oceanen met een rijke biologische diversiteit en
dynamiek. De Kaderrichtlijn mariene strategie is bedoeld als het juridische kader om
het bovenstaande doel te bereiken en als milieupijler van het bredere maritieme beleid
van de EU.

De Kaderrichtlijn mariene strategie stelt een juridisch kader vast voor de bescherming
en instandhouding van het mariene milieu, de voorkoming van de verslechtering ervan,
en, waar uitvoerbaar, het herstel van dat milieu in de gebieden waar het schade heeft
geleden. Daarnaast is het gericht op het voorkomen, verminderen en elimineren van
verontreiniging. Het uiteindelijke doel is het bereiken of behouden van een goede
milieutoestand van het mariene milieu uiterlijk in het jaar 2020 (artikel 1). Een goede
milieutoestand is in algemene zin in de richtlijn omschreven (artikel 3 lid 5), maar wordt
uiteindelijk bepaald op het niveau van de mariene regio of subregio op basis van
kwalitatief beschrijvende elementen.

Voor de implementatie van de KRM zullen een aantal stappen gezet worden. In 2012
dient iedere lidstaat een initile beoordeling van de huidige milieutoestand te hebben
gemaakt, en een definitie van de goede milieutoestand (GMT), en van milieudoelen en
indicatoren gereed te hebben. Twee jaar later, in 2014, moeten de
monitoringprogrammas gereed zijn. In 2015 wordt het programma van maatregelen
vastgesteld. Die maatregelen moeten er toe leiden dat in 2020 de GMT gehaald wordt.

De Goede milieutoestand wordt bepaald aan de hand van 11 GMT elementen. Deze
elementen worden in voorliggen MER behandeld. In paragraaf 8.2 wordt per GMT
element aangegeven waar de betreffende informatie en effecten op dit element in
voorliggend MER te vinden is.

Scheepvaart
De Noordzee is met ongeveer 260.000 scheepsbewegingen per jaar een van de drukst
bevaren zeen. Meer dan 110.000 van deze scheepsbewegingen zijn van en naar
Nederlandse zeehavens. In de aanloopgebieden naar de havens en langs de kust wordt
het scheepvaartverkeer in de komende periode drukker en bovendien meer divers:
naast handelsvaart, zeesleepvaart, schepen van de waterbouw en visserij is sprake van
een toenemend recreatief gebruik door de pleziervaart. Schepen met heel verschillende
manoeuvreerkarakteristieken, groottes en snelheden komen samen.

De effecten van aanleg en gebruik van de buisleiding op de verschillende
gebruiksfuncties van de Noordzee, waaronder scheepvaart, worden in hoofdstuk 8
beschreven.

Integraal Beheerplan Noordzee 2015

Deelrapport Transport MER ROAD 9V7319.20/R0010_rev8/MVZ/ILAN/Rott
Definitief - 41 - 20 juni 2011
Vanaf 1 kilometer uit de kust is de Noordzee niet gemeentelijk of provinciaal ingedeeld.
Daarom is de rijksoverheid verantwoordelijk voor beleid en beheer. Om uitvoering en
handhaving van het beleid en andere beheertaken, efficint en in samenhang met de
bestaande beleidskaders te implementeren, is het IBN opgesteld.

Het Integraal Beheerplan Noordzee 2015 laat zien hoe het beheer in de komende tien
jaar gestalte gaat krijgen. Hierbij wordt ingegaan op de veilige, gezonde en rendabele
zee.

Met het integraal afwegingskader voor vergunningverlening en het specifieke
afwegingskader voor de bescherming van gebieden met bijzondere ecologische
waarden heeft de beheerder de beschikking over een instrumentarium om beheertaken
te vervullen. Vergunningen vormen een belangrijk instrument om activiteiten in de
Noordzee te reguleren.

Het IBN 2015 introduceert een aanvulling in de vorm van een integraal afwegingskader
voor de gehele Noordzee, dat geldt voor alle vergunningplichtige activiteiten. In
paragraaf 8.2 zijn verwijzingen naar de hiervoor benodigde onderdelen in het MER
gegeven.

Algemene regels voor de aanleg van buisleidingen IBN
In het IBN wordt ingegaan op de aanleg van buisleidingen. Hierin wordt gesteld dat de
aanleg van kabels en leidingen kan plaatsvinden op de gehele Noordzee, inclusief
gebieden met bijzondere ecologische waarden en VHR-gebieden. De aanleg van kabels
en leidingen is m.e.r.-plichtig dan wel beoordelingsplichtig.

Verwijderen van kabels en leidingen
Bij het verlenen van een vergunning voor het leggen en behouden (exploiteren) van een
kabel of leiding vallend onder de Wbr wordt standaard een opruimplicht als voorschrift
opgenomen als de kabel of leiding buiten gebruik wordt gesteld. Ontheffing van deze
opruimplicht wordt alleen verleend als de maatschappelijke baten van het laten liggen
groter zijn dan de maatschappelijke kosten ervan. Deze afweging maakt het Bevoegd
Gezag op basis van door de vergunninghouder aan te leveren informatie, en door aan
de hand van een checklist de tijdelijke en permanente effecten van het laten liggen te
beoordelen. De opruimplicht geldt alleen voor vergunningen van nieuw aan te leggen
kabels en leidingen.

Normen buisleiding en CO2
Bij het ontwerp van de buisleiding, en uitvoering van de risicoanalyse is gewerkt
conform de Nederlandse Normen, zoals de NEN normen (voor buisleiding is dit onder
andere NEN3650) en regels van Gemeente Werken Rotterdam. CO2 wordt
geclassificeerd als categorie C volgens de DNV-RP-J202; een niet ontvlambare dichte
vloeistof en een niet giftig gas op kamertemperatuur en onder atmosferische druk.








9V7319.20/R0010_rev8/MVZ/ILAN/Rott Deelrapport Transport MER ROAD
20 juni 2011 - 42 - Definitief
4.2 Wet en regelgeving milieuaspecten
Besluit externe veiligheid inrichtingen
Het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) en de bijbehorende Regeling externe
veiligheid inrichtingen zijn op 27 oktober 2004 in werking getreden. Het doel van dit
besluit is om de risico's waaraan burgers in hun leefomgeving worden blootgesteld
vanwege risicovolle inrichtingen tot een aanvaardbaar minimum te beperken. Met het
oog op deze waarborgfunctie strekt dit besluit er onder andere toe de mogelijkheden
voor rampenbestrijding en zelfredzaamheid van personen te betrekken bij de
besluitvorming op het gebied van milieu en ruimtelijke ordening ten aanzien van
risicovolle inrichtingen, waardoor het integrale karakter van het extern veiligheidsbeleid
wordt bevorderd.

Het Bevi legt veiligheidsnormen op aan bedrijven die een risico vormen voor personen
buiten het bedrijfsterrein, bijvoorbeeld rondom chemische fabrieken, lpg-stations en
spoorwegemplacementen waar goederentreinen met gevaarlijke stoffen rangeren.

Besluit externe veiligheid buisleidingen
Op 1 januari 2011 zijn het Besluit Externe Veiligheid Buisleidingen (Bevb) en de
bijbehorende Regeling Externe Veiligheid Buisleidingen (Revb) in werking getreden.
Hierin wordt de veiligheid van personen in de nabijheid van ondergrondse
transportleidingen geregeld.

In het Bevb wordt beschreven dat het besluit van toepassing is op het vervoer van
stoffen door buisleidingen die behoren tot een in het Revb aangewezen categorie. Ook
wordt beschreven dat het besluit niet van toepassing is op leidingen in de territoriale zee
van Nederland.

In het Revb worden alleen transportleidingen ten behoeve van het transport van
aardgas of aardolieproducten aangewezen. Derhalve is het Bevb tot op heden niet van
toepassing op de CO
2
transportleiding.

In de toekomst zullen leidingen voor het transport van overige gevaarlijke stoffen (over
land) wel worden opgenomen in het Revb waardoor de eisen uit het Bevb tevens op
deze leidingen van toepassing zullen zijn. Daarom is ervoor gekozen om de berekende
risicos van de transportleiding over land te toetsen aan de eisen uit het Bevb.

Luchtkwaliteit
Sinds 15 november 2007 zijn de belangrijkste bepalingen over luchtkwaliteitseisen
opgenomen in de Wet milieubeheer (hoofdstuk 5, titel 5.2 Wm). Hiermee is het Besluit
luchtkwaliteit 2005 (Blk 2005) vervallen. Omdat titel 5.2 handelt over luchtkwaliteit staat
deze ook wel bekend als de 'Wet luchtkwaliteit'. Specifieke onderdelen van de wet zijn
uitgewerkt in amvb's en ministerile regelingen.

Industrielawaai in de Wet geluidhinder
De energiecentrale Maasvlakte is gelegen op het gezoneerde industrieterrein
Europoort/Maasvlakte. Zonering van industrielawaai in het kader van de Wet
geluidhinder is het ruimtelijk scheiden van industrieterreinen waarop (grote)
lawaaimakers zijn gevestigd enerzijds en woningen en andere geluidsgevoelige
bestemmingen anderzijds.

Deelrapport Transport MER ROAD 9V7319.20/R0010_rev8/MVZ/ILAN/Rott
Definitief - 43 - 20 juni 2011
Met zonering wordt beoogd rechtszekerheid te bieden aan zowel bedrijven als aan
bewoners/gebruikers van woningen en andere geluidsgevoelige bestemmingen.
Bedrijven kunnen aan de ene kant hun geluidsproducerende activiteiten niet onbeperkt
uitbreiden ter bescherming van woningen en andere geluidsgevoelige bestemmingen
binnen en buiten de zone. Aan de andere kant wordt, ter bescherming van hun
akoestische ruimte, voorkomen dat woningen en andere geluidsgevoelige
bestemmingen te veel oprukken naar de bedrijven toe.

Waterwet
De Waterwet stelt integraal waterbeheer op basis van de watersysteembenadering
centraal. Deze benadering gaat uit van het geheel van relaties binnen watersystemen.
Denk hierbij aan de relaties tussen waterkwaliteit, -kwantiteit, oppervlakte- en
grondwater, maar ook aan de samenhang tussen water, grondgebruik en
watergebruikers.

Hiernaast kenmerkt integraal waterbeheer zich ook door de samenhang met de
omgeving. Dit komt tot uitdrukking in relaties met beleidsterreinen als natuur, milieu en
ruimtelijke ordening.

De Waterwet voegt de volgende acht bestaande waterbeheerwetten samen:

Wet op de waterhuishouding;
Wet verontreiniging oppervlaktewateren;
Wet verontreiniging zeewater;
Grondwaterwet;
Wet droogmakerijen en indijkingen;
Wet op de waterkering;
Wet beheer rijkswaterstaatswerken (de natte delen daarvan);
Waterstaatswet 1900 (het natte gedeelte ervan).

Daarnaast wordt vanuit de Wet bodembescherming de regeling voor waterbodems
ondergebracht bij de Waterwet.

Besluit Bodemkwaliteit regels voor toepassing van grond en baggerspecie
Het Besluit bodemkwaliteit beschrijft de regelgeving voor het toepassen van grond en
baggerspecie. Kern van dit Besluit is dat grond en baggerspecie duurzaam mag worden
toegepast, mits er geen sprake is van risicos voor gebruiksfunctie en mens. Dit
betekent dat grond en baggerspecie mogen worden toegepast wanneer deze
milieuhyginisch voldoen aan de kwaliteitseisen passend bij de functie van de
toepassingslocatie en de huidige bodemkwaliteit op de toepassingslocatie.

Grond of baggerspecie waarin overschrijdingen van de interventiewaarde voor een of
meerdere van de gemeten stoffen zijn aangetoond, mag niet vrij worden toegepast.
Afhankelijk van het gevoerde lokale beleid en de toepassingslocatie is toepassing van
deze grond wel of niet toegestaan.








9V7319.20/R0010_rev8/MVZ/ILAN/Rott Deelrapport Transport MER ROAD
20 juni 2011 - 44 - Definitief
Wet bodembescherming regels ten aanzien van bescherming en sanering van
bodem
De Wet bodembescherming (Wbb) geeft regels ten aanzien van de bescherming van de
bodem. Enerzijds wordt in de Wbb bepaald dat de bodem beschermd moet worden
tegen verontreinigende activiteiten, anderzijds bevat de Wbb wetgeving met betrekking
tot de aanpak van reeds verontreinigde bodems met als doel mens en milieu te
beschermen tegen deze verontreiniging. De Wbb stelt hiermee regels en voorwaarden
aan de aanpak van gevallen van ernstige bodemverontreiniging.

Artikel 28 van de Wbb stelt dat Degene die voornemens is de bodem te saneren dan
wel handelingen te verrichten ten gevolge waarvan de verontreiniging van de bodem
wordt verminderd of verplaatst, doet van dat voornemen melding bij gedeputeerde
staten van de betrokken provincie. Met name uit het tweede deel van dit artikel kan
worden afgeleid dat voorafgaand aan het uitvoeren van handelingen in of met bodem
bodemonderzoek ten behoeve van het vaststellen van de verontreingingssituatie vereist
is.

Melding ontdekking verontreiniging
Een bodemonderzoek geeft een steekproef van de kwaliteit van de bodem ter plaatse
van de gezette boringen en genomen monsters. Dit houdt in dat er altijd locaties kunnen
zijn waar wel verontreiniging aanwezig is maar die op basis van het historische en
daadwerkelijk bodemonderzoek niet zijn ontdekt.

Verontreinigingen die pas tijdens de daadwerkelijke uitvoering worden ontdekt worden
gemeld aan het bevoegd gezag (verplichting uit artikel 28 Wet bodembescherming,
Handelingen in de bodem waarbij verontreiniging wordt verminderd of verplaatst, dient
te worden gemeld). Afhankelijk van aard en omvang van de verontreiniging wordt een
saneringsplan opgesteld of moet een melding Besluit Uniforme Saneringen (BUS)
gedaan worden, waarmee in de sanering/verwerking van de verontreiniging wordt
voorzien. Tot het moment dat er goedkeuring wordt verleend op het plan of de melding
ligt het uitvoeringswerk stil.

Natuurbeschermingswet 1998
De wettelijke bescherming van natuurgebieden is geregeld in de Natuurbeschermings-
wet 1998. Sinds 1 oktober 2005 is hierin ook het beschermingsregime van de Vogel- en
Habitatrichtlijn gemplementeerd. Vogel- en Habitatrichtlijngebieden worden volgens de
gewijzigde wet beschouwd als Beschermd Natuurmonument annex Natura 2000-gebied.
Daarnaast blijft het beschermingsregime van de al bestaande Beschermde
Natuurmonumenten (voorheen Beschermde en/of Staatsnatuurmonenten) gehandhaafd.
Het beschermingsregime van Natura 2000-gebieden is conform Vogel- en
Habitatrichtlijn strikter dan van gewone Beschermde Natuurmonumenten.

Een belangrijk aspect hierbij is de instandhoudingsdoelstellingen die voor een gebied
gelden: de habitats en soorten waarvoor Natura 2000-gebieden zijn aangewezen of
aangemeld. Handelingen of projecten in of bij een Natura 2000-gebied met een
negatieve invloed op de instandhoudingsdoelen zijn vergunningplichtig.

In 2008 zijn de eerste instandhoudingsdoelen/beheerplannen voor dergelijke gebieden
opgesteld.

Deelrapport Transport MER ROAD 9V7319.20/R0010_rev8/MVZ/ILAN/Rott
Definitief - 45 - 20 juni 2011
Flora- en faunawet
De Flora- en faunawet is op 1 april 2002 van kracht geworden. In deze wet is het
internationaal geldende beschermingsregime opgenomen voor internationaal
aangewezen plant- en diersoorten en voor vanuit nationale optiek te beschermen
soorten. Deze wet vervangt een aantal oude wetten op het gebied van
soortbescherming, waaronder de Vogelwet, de Jachtwet en de Wet bedreigde
uitheemse diersoorten. Ook de soortbescherming uit de Natuurbeschermingswet is in de
Flora- en faunawet opgenomen.

De beschermde planten worden in de Flora- en faunawet per soort aangewezen.
Daarnaast zijn in principe alle zoogdieren, vogels, amfibien, reptielen en vissen die in
Nederland voorkomen, beschermd. Er is in de wet een uitzondering gemaakt voor
schadelijke dieren als de zwarte en bruine rat, de huismuis en een aantal vissoorten.
Deze zijn dus niet beschermd. De zogenaamde lagere diersoorten (zoals vlinders,
libellen en kevers) worden per soort voor bescherming aangewezen. Voor beschermde
planten (of deel ervan, of product ervan) geldt dat het zonder vergunning/ontheffing
verboden is ze 'te plukken of op enigerlei andere wijze van de groeiplaats te verwijderen
dan wel te beschadigen'. Voor beschermde diersoorten (of deel, product of ei, foetus of
larve ervan) is het verboden ze 'te doden, te verontrusten of nest, hol,
voortplantingsplaats of rustplaats te verstoren, te beschadigen of te vernielen'.

Reparatiewet
De Flora- en faunawet biedt een beoordelingskader voor de effecten van ruimtelijke
ingrepen. Om in de toekomst te voorkomen dat algemeen voorkomende beschermende
soorten bij ruimtelijke ingrepen aanleiding zijn voor uitgebreide vergunningsprocedures
is voor de Flora- en faunawet een reparatiewetgeving voorgesteld. In de reparatiewet
worden waarschijnlijk vier categorien beschermde soorten onderscheiden. Voor (op het
niveau van Europa) zeer schaarse en kwetsbare soorten gelden dan zwaardere criteria
dan voor algemeen voorkomende soorten. Voor de eerstgenoemde groep soorten zullen
4de effecten van een ingreep gecompenseerd moeten worden, bijvoorbeeld door buiten
het plangebied vervangend leefgebied te maken. De eisen en voorwaarden die de
wetgever aan de uitvoering van het plan stelt, worden vastgelegd in de Ontheffing ex.
artikel 75 van de Flora & faunawet.

Scheepvaart
De Scheepvaartverkeerswet (Svw) is de Wegenverkeerswet voor de vaarweg. De Svw
regelt onder meer:

De veiligheid en de doorstroming van het scheepvaartverkeer;
Het instandhouden en onderhouden van vaarwegen;
Het voorkomen of beperken van schade door het scheepvaartverkeer aan oevers,
dijken, bruggen en dergelijke;
Het voorkomen of beperken van verontreiniging door scheepvaart.

Tijdens de aanleg van de buisleiding en tijdens de scheepvaartbewegingen ten behoeve
van aanpassingen aan het platform is voor desbetreffende schepen de
scheepvaartverkeerswet geldend.








9V7319.20/R0010_rev8/MVZ/ILAN/Rott Deelrapport Transport MER ROAD
20 juni 2011 - 46 - Definitief
Spoorwegenwet
De Spoorwegwet regelt in Nederland de aanleg, het beheer, de toegankelijkheid en het
gebruik van spoorwegen alsook het verkeer over spoorwegen. Voor het aanleggen van
de buisleiding onder het spoor door dient een ontheffing van de Spoorwegwet
aangevraagd te worden.

Archeologie
Het Verdrag van Valletta regelt de omgang met het Europees archeologisch erfgoed.
Onderstaand worden de belangrijkste zaken uit het VvV genoemd.

In het kader van het internationale Verdrag van Valletta, doorgaans Verdrag van Malta
genoemd, is de initiatiefnemer verplicht te onderzoeken of archeologisch erfgoed in de
bodem aanwezig is. Nederland ondertekende dit Verdrag van de Raad voor Europa in
1992.

Uitgangspunt van het verdrag is het archeologisch erfgoed zoveel mogelijk ter plekke (in
situ) te bewaren en beheermaatregelen te nemen om dit te bewerkstelligen. Daar waar
behoud in situ niet mogelijk is, betalen de bodemverstoorders het archeologisch
onderzoek en mogelijke opgravingen. De opgraving en documentatie dienen te worden
uitgevoerd volgens de richtlijnen van de KNA (Kwaliteitsnorm Nederlandse Archeologie).
Het Verdrag van Valetta is zowel bij de centrale (Rijk) als bij de decentrale overheid
(provincie Zuid-Holland, Gemeente Rotterdam) in het ruimtelijke beleid doorgevoerd.
Tevens is het verdrag van Malta in de wet op de archeologische monumentenzorg
opgenomen.

Deelrapport Transport MER ROAD 9V7319.20/R0010_rev8/MVZ/ILAN/Rott
Definitief - 47 - 20 juni 2011
5 HUIDIGE SITUATIE EN AUTONOME ONTWIKKELING
In dit hoofdstuk worden de huidige situatie en de autonome ontwikkelingen beschreven
voor het gebied dat door de aanleg en het gebruik van de buisleiding benvloed kan
worden. Deze vormen de referentiesituatie voor de voorgenomen activiteit en
alternatieven. De effecten van de alternatieven worden bepaald ten opzichte van deze
referentiesituatie.

In dit hoofdstuk wordt het studiegebied aangegeven en wordt globaal de huidige situatie
van de Maasvlakte, de kust en de Noordzee beschreven. Tevens worden de autonome
ontwikkelingen globaal beschreven. De beschrijving van de huidige situatie voor de
themas: bodem, water, natuur, archeologie, geluid, lucht, externe veiligheid, landschap,
gebruiksfuncties worden beschreven in het hoofdstuk Milieueffecten (hoofdstuk 8).

Onder de autonome ontwikkeling wordt de ontwikkeling van de verschillende themas in
de huidige situatie bij het ingezette, voorgenomen en/of vastgestelde beleid verstaan.
Het initiatief dat de aanleiding vormt voor het opstellen van dit MER behoort niet tot de
autonome ontwikkeling.

5.1 Algemene beschrijving van het studiegebied
De huidige Maasvlakte en de overige delen van de Rotterdamse haven zijn continu in
ontwikkeling: bedrijven veranderen, breiden uit of verplaatsen, infrastructuur is nooit af,
de dynamiek is altijd aanwezig. De huidige Maasvlakte wordt steeds verder in gebruik
genomen. De Rotterdamse haven streeft naar verdere intensivering en om de
milieuhinder niet toe te laten nemen, worden veel inspanningen verricht om de
milieueffecten van haven, industrie en achterlandverkeer te verminderen. De
ontwikkeling, zonder dat sprake is van de voorgenomen activiteit (CCS bij de MPP3),
geldt als de autonome ontwikkeling. Alle bestaande en reeds in gang gezette
(ruimtelijke)ontwikkelingen maken deel uit van de autonome ontwikkeling. Dit hoofdstuk
beschrijft de huidige situatie in het gebied en de autonome ontwikkeling van het gebied
tot 2020.

Het bij de beoordeling van milieueffecten te beschouwen gebied omvat afhankelijk van
het beschouwde aspect - de inrichting MPP3, het trac van de buisleiding, het platform
en de reservoirs met de directe omgeving daarvan, dan wel het gebied tot waar effecten
optreden (het studiegebied, zie figuur 5.1). Dit betekent dat de omvang van het
studiegebied per aspect kan verschillen.








9V7319.20/R0010_rev8/MVZ/ILAN/Rott Deelrapport Transport MER ROAD
20 juni 2011 - 48 - Definitief

Figuur 5.1: Het studiegebied

5.2 De Maasvlakte/ Rotterdamse haven
De Rotterdamse haven beslaat een oppervlakte van meer dan 10.000 hectare. De
haven is te karakteriseren als een gebied waarin, naast typische scheepvaart
gerelateerde diensten, watergebonden bedrijvigheid en industrie hun plek hebben.
Figuur 5.2 geeft een kaart van de huidige situatie van het studiegebied en het
havengebied.


Deelrapport Transport MER ROAD 9V7319.20/R0010_rev8/MVZ/ILAN/Rott
Definitief - 49 - 20 juni 2011

Figuur 5.2 Kaart huidige situatie

De verbinding van de Maasvlakte met het daar achter gelegen havengebied wordt
gevormd door de N15/A15. Deze sluit direct aan op de snelwegen van de Rotterdamse
ring en de verbindingswegen naar het achterland. De havenspoorlijn sluit aan op de
Betuweroute. Vanaf de Noordzee is het havengebied direct bereikbaar via de
Maasmond, de Nieuwe Waterweg en de Nieuwe Maas. Het Calandkanaal en
Hartelkanaal zijn samen met de Nieuwe Maas belangrijke vaarwegen die de haven over
water verbinden met het achterland. Het studiegebied ligt voor een deel in de drukke
scheepvaartroute van de Maasmonding. Bij en langs de achterlandverbindingen ligt een
groot aantal woonkernen waarin uitbreiding is voorzien.

5.3 De kust en de Noordzee
De Noordzee is van grote (economische) betekenis voor scheepvaart, visserij,
delfstoffenwinning en de opwekking van windenergie. Zij is van belang voor de
krijgsmacht en bevat belangrijke waarden voor natuur en landschap. Wind, water en
zand hebben op de Noordzee nog nagenoeg vrij spel. De biodiversiteit en
landschappelijke waarden zijn er beter bewaard gebleven dan op land.

Voor de functies die naar verwachting het sterkst groeien en die bovendien gebonden
zijn aan een bepaalde locatie, zoals windturbineparken, winning van
oppervlaktedelfstoffen en natuur, zijn kansenkaarten gemaakt in het Integraal
beheerplan Noordzee 2015. Hierop is inzichtelijk gemaakt wat de belangrijkste functies
van de Noordzee zullen zijn tot aan 2015.







9V7319.20/R0010_rev8/MVZ/ILAN/Rott Deelrapport Transport MER ROAD
20 juni 2011 - 50 - Definitief
De kustlijn van de Maasvlakte bestaat uit een zeewering die mede recreatief wordt
gebruikt. Grote aantallen recreanten bezoeken het strand en de haven. Op de
Maasvlakte is (tijdelijk) ruimte voor buitensporten: bijvoorbeeld ultra-light vliegen,
deltavliegen of parapenten.

5.4 Autonome ontwikkelingen
Maasvlakte 2
Er is nog beperkte mogelijkheid tot uitbreiding van bedrijven op terreinen verspreid over
het haven- en industriegebied. Vanaf 2011 kan onvoldoende worden voorzien in de
vraag naar ruimte in de haven. De huidige Maasvlakte is in de autonome ontwikkeling
helemaal in gebruik genomen. Bovendien is in de autonome ontwikkeling de 2
e

Maasvlakte gereed gekomen en in gebruik genomen.

In figuur 5.3 is de uitbreiding van Maasvlakte 2 weergegeven. Maasvlakte 2 is een
nieuw haven- en industrieterrein dat naast de huidige Maasvlakte komt te liggen.
Maasvlakte 2 heeft gezien zijn grote oppervlakte, ligging en grootschaligheid een voor
Nederlandse begrippen ongekende maat en schaal. Het is bestemd voor bedrijven die
veel ruimte nodig hebben en die aan diep zeewater moeten liggen. Het gaat daarbij
vooral om grootschalige container op- en overslag, de bijbehorende distributie en
chemische industrie.

Maasvlakte 2 wordt aangelegd als een landaanwinning in de Noordzee en wordt
omringd door een zeewering met een natuurlijke overgang naar de Voordelta. Op
Maasvlakte 2 is er, net als op de huidige Maasvlakte, ook ruimte voor recreatie.
Maasvlakte 2 krijgt een oppervlakte van ongeveer 2.000 hectare. Maximaal 1.000
hectare daarvan is bestemd voor haven- en industrie. De overige 1.000 hectare is nodig
voor de havenbekkens, kanalen en zwaaikommen, de wegen, spoorlijnen, leidingen en
de zeewering met duinen en strand (Maasvlakte 2, 2007).

Voor dit project is de aanleg van de Yangtzehaven van belang en het feit dat hier een
intern water ontstaat.


Deelrapport Transport MER ROAD 9V7319.20/R0010_rev8/MVZ/ILAN/Rott
Definitief - 51 - 20 juni 2011

Figuur 5.3 Kaart autonome ontwikkeling, uitbreiding Maasvlakte 2

Aanleg in twee fasen
Maasvlakte 2 wordt in twee fasen gerealiseerd. De eerste fase, welke uiterlijk in 2013
gereed dient te zijn, staat in het teken van de bouw van de zeewering en de aanleg van
de eerste circa 600 hectare terreinen van het binnengebied. Men is daartoe in 2009
begonnen met de landaanwinning en de zandwinning. Vanaf 2013 kunnen de eerste
bedrijven op Maasvlakte 2 operationeel zijn. In de tweede fase, na 2013, worden de
resterende terreinen aangelegd en geleidelijk in gebruik genomen.

In de eindsituatie is er 1.000 hectare netto uitgeefbaar haven- en industrieterrein op
Maasvlakte 2. De zeewering, het havenbassin, de infrastructuur en de overige
voorzieningen nemen dan eveneens circa 1.000 hectare in beslag. Maasvlakte 2 krijgt
dus een bruto omvang van circa 2.000 hectare. Figuur 6.3.1 geeft een impressie van
hoe Maasvlakte 2 eruit zou kunnen zien wanneer de aanlegwerkzaamheden zijn
afgerond en alle beschikbare terreinen zijn uitgegeven.








9V7319.20/R0010_rev8/MVZ/ILAN/Rott Deelrapport Transport MER ROAD
20 juni 2011 - 52 - Definitief

Figuur 5.4 Impressie Maasvlakte 2

De zeewering van de Maasvlakte 2 zal bestaan uit een zachte en de hard zeewering.
Een zachte zeewering is in de vorm van een duin, de harde zeewering is in de vorm van
een blokkendam. Voor het studiegebied is de harde zeewering van belang omdat de
stabiliteit van de zeewering niet mag leiden onder de aanleg van de buisleiding, zie
figuur 5.5.


Deelrapport Transport MER ROAD 9V7319.20/R0010_rev8/MVZ/ILAN/Rott
Definitief - 53 - 20 juni 2011

Figuur 5.5: De harde en zachte zeewering van de Maasvlakte 2 (Bron: Hoofdrapport MER Maasvlakte
2)

MPP3
In de autonome situatie zijn de in aanbouw zijnde elektriciteitscentrales gereed
gekomen en in gebruik genomen. Het gaat dan om de in aanbouw zijnde MPP3-centrale
van E.ON, de Kolenbiomassacentrale van Electrabel en de ENECO.GEN-centrale van
ENECO. De toekomstige uitstoot van die centrales is al verwerkt in de
achtergrondwaarden van het RIVM (GCN).

Continuering gaswinning
In de autonome ontwikkeling zal de gaswinning bij de reservoirs van P18 en P15
worden gecontinueerd. De bedrijfsvoering en huidige layout van het platform zullen op
grond van de vigerende vergunningen doorgang vinden.

Overige ontwikkelingen
De recreatieve waarde in de hele regio zal op grond van regionaal ruimtelijk en
recreatief beleid worden versterkt door het aanleggen van recreatieve accenten, zoals
routes en informatievoorzieningen. Voor de havengebonden recreatie speelt het
veiligheidsbeleid van de haven en van individuele bedrijven in de autonome ontwikkeling
een belangrijke rol, waardoor niet alle terreinen en havenlocaties meer vrij toegankelijk
zijn.
MPP3







9V7319.20/R0010_rev8/MVZ/ILAN/Rott Deelrapport Transport MER ROAD
20 juni 2011 - 54 - Definitief
Andere ontwikkelingen in de omgeving zijn de aanleg van kabels en leidingen in de
zeebodem, die aan zullen landen op de Maasvlakte. Bij de aanleg van nieuwe
windturbineparken op de Noordzee is mogelijk nieuwe kabelinfrastructuur nodig op de
Maasvlakte.

In de toekomst zal het aantal scheepsbewegingen nauwelijks toenemen, wel is er
sprake van een schaalvergroting in de scheepvaart, dat wil zeggen dat evenveel
schepen meer zullen transporteren
3
. Verder zal er een intensivering plaatsvinden van
zandwinning op de Noordzee. Rond 2013 zal de Yangtzehaven doorgetrokken worden.
Bovendien zijn aan de rechterzijde van de harde zeewering windmolens gepland.




3
Integraal Beheerplan Noordzee 2015

Deelrapport Transport MER ROAD 9V7319.20/R0010_rev8/MVZ/ILAN/Rott
Definitief - 55 - 20 juni 2011
6 ALTERNATIEVEN EN VARIANTEN TRANSPORT
In dit hoofdstuk worden de alternatieven en varianten beschreven die relevant zijn voor
het transport.

6.1 Onderscheid tussen alternatieven en varianten
In dit hoofdstuk worden de termen alternatief en variant gebruikt. Het verschil tussen
alternatieven en varianten in de m.e.r.-methodiek is dat alternatieven een integrale
verandering van het project betreffen. Een variant heeft betrekking op een specifiek
onderdeel van een alternatief, vaak alleen gericht op n onderdeel (afvang, transport of
opslag). Een voorbeeld van een alternatief is het toepassen van een andere
temperatuur van het te transporteren CO
2
, omdat dit consequenties heeft voor vrijwel
alle projectonderdelen. Een voorbeeld van een variant is een ander isolatiemateriaal.

Bij projecten waarbij een groot aantal elementen in elkaar moeten worden gepast, is het
aantal mogelijke alternatieven en varianten vaak nogal beperkt. In de praktijk zijn er
echter wel optimalisaties mogelijk, op basis van de inzichten verkregen in het MER. Dit
kan zijn in de vorm van mitigerende maatregelen, maar ook het optimaliseren van de
bedrijfsvoering.

6.2 Ontwikkeling van alternatieven en varianten
In dit deelrapport worden alleen realistische alternatieven en varianten behandeld. Dat
wil zeggen alternatieven waarmee het ROAD-project veilig kan worden uitgevoerd, die
kosteneffectief zijn en voldoen aan de condities van de subsidieverlener, zoals
bijvoorbeeld de minimale omvang van de hoeveelheid opgeslagen CO
2
en de tijdige
start van de operationele fase.

De belangrijkste keuze binnen het ROAD-project is de temperatuurregeling van de te
injecteren CO
2
. Door middel van een temperatuurregeling wordt voorkomen dat tijdelijk
onderin de opslaglocatie bevriezing optreedt, waardoor de injectie van CO
2
niet meer
mogelijk is. Er zijn verschillende alternatieven om de temperatuur van de CO
2
te
benvloeden. De alternatieven hebben betrekking op dit aspect.

In het kader van het MER zijn een tweetal realistische alternatieven ontwikkeld. Het
betreft de volgende alternatieven:

Basisalternatief;
Temperatuuralternatief

De alternatieven en varianten worden beoordeeld op hun effecten voor het milieu. In dit
deelrapport wordt in detail ingegaan op de milieueffecten van de specifiek voor transport
ontwikkelde varianten.

6.3 Alternatieven
6.3.1 Referentiesituatie
De referentiesituatie (ook wel het nulalternatief genoemd) beschrijft de situatie die
ontstaat als de voorgenomen activiteit niet wordt uitgevoerd. Deze situatie vormt de
referentie ten opzichte waarvan de effecten van de overige alternatieven worden
bepaald. De referentiesituatie wordt gevormd door de huidige situatie in het
studiegebied en de autonome ontwikkelingen. Zoals beschreven in hoofdstuk 5 zijn de







9V7319.20/R0010_rev8/MVZ/ILAN/Rott Deelrapport Transport MER ROAD
20 juni 2011 - 56 - Definitief
hier meegewogen autonome ontwikkelingen de bouw van de MPP3 centrale, de aanleg
en ontwikkeling van Maasvlakte 2 en de continuering van gaswinning bij de reservoirs
van P18 en P15.

6.3.2 Basisalternatief
Het basisalternatief is beschreven in de functionele beschrijving in hoofdstuk 2 van dit
deelrapport, het hoofdstuk voorgenomen activiteit. Onderstaand zijn de belangrijkste
kenmerken voor het deel Transport weergegeven.

Tabel 6.1: Overzicht project onderdelen voor het basisalternatief transport
Project onderdeel Locatie Aspecten
Algemeen ontwerpdruk 175 bar
ontwerptemperatuur 80
o
C
Gesoleerd
koolstofstalen buisleiding
extern kathodisch beschermingssysteem
diameter is 40cm
Gemiddeld 1,1 Mton transport*
Landleiding Maasvlakte In bestaande buisleidingenstraat
5 km lang onshore vanaf de pig launcher tot aan de uitgang van
de HDD boring.
onder de Yangtzehaven door
onder de vaarroute van de monding van de Maas door
Zeeleiding Noordzee in een geul op de bodem van de Noordzee
volgt de route van een bestaande gasleiding naar P18
100m afstand van een CH4 buisleiding met een diameter van
66cm
ca. 20km lang offshore van HDD boring uitgang tot platform
*De buisleiding heeft een capaciteit van 47 kg/s (1,1 megaton per jaar), gebaseerd op de gasfase. Bovendien
is de buisleiding in staat om op hogere drukken te opereren. Dit leidt tot een maximale capaciteit van 5
megaton per jaar. De operatie op hogere drukken maakt het mogelijk om in de toekomst CO2 transport en
opslag van derden mogelijk te maken.

6.3.3 Varianten basisalternatief
In dit deelrapport worden een aantal varianten op het basisalternatief beschouwd.

CO
2
herverhitting varianten
Het Basisalternatief gaat uit van warme injectie van de CO
2
. Er zijn omstandigheden
waaronder verhitting noodzakelijk is. Dit betekent dat de CO
2
in de start-up fase
opgewarmd dient te worden, waarbij er gebruik wordt gemaakt van een dieselgestookte
verhitter op het platform. Voor deze herverhitting zijn een aantal varianten:

Variant 1: Elektrische verhitter op het platform. Er dient naast de buisleiding een
elektriciteitskabel gelegd te worden (deze kunnen niet samen worden aangelegd,
vanwege elektromagnetische interferentie waardoor de integriteit van de buis kan
worden aangetast, de afstand dient minimaal 50 meter te bedragen);

Deelrapport Transport MER ROAD 9V7319.20/R0010_rev8/MVZ/ILAN/Rott
Definitief - 57 - 20 juni 2011
Variant 2: Gasgestookte verhitter op het platform. Voor de verhitter wordt gebruik
gemaakt van gas dat het platform zelf wint;
Variant 3: Afblazen van het koude CO
2
bij opstarten. De koude CO
2
wordt niet verhit
maar afgeblazen, net zolang tot het warme CO
2
van de compressor bij het platform
arriveert.

Voor het transport deel leveren de tweede en derde variant geen andere
milieueffectbeoordeling ten opzichte van het basisalternatief op. Daarmee is er maar
n relevante variant voor de CO
2
herverhitting voor transport: variant 1: elektrische
verhitter op het platform (verder te noemen: variant met elektriciteitskabel).

Isolatie varianten
De buisleiding die op land wordt ingegraven bestaat uit een circa 5 km lange
koolstofstalen buis met en/of een natte isolatie of een isolatie door middel van een buis-
in-buis constructie, zoals bij de buisleidingen in de HDD secties wordt toegepast.

Natte isolatie
In deze toepassing wordt een stalen buis gecoat met synthetisch schuim. De holle
microstructuur met lage dichtheid in het schuim reduceren de thermische geleiding van
het leidingsysteem.

Buis-in-buis isolatie
Bestaat er gevaar voor beschadiging van de PE buitenmantel, dan wordt een buis in
een stalen mantelbuis constructie toegepast. De ruimte tussen de buizen is dan gevuld
met een isolerende schuimsoort. Deze constructie geeft een betere isolatie waarde,
zodat er minder warmte naar de omgeving verloren gaat.

Aangezien de mogelijke milieueffecten ten aanzien van deze varianten alleen de
effecten ten gevolge van de temperatuur van de buisleiding betreft en de temperatuur
aan de buitenzijde van beide varianten vergelijkbaar zal zijn, levert dit geen
onderscheidende variant op voor het transport deel.

6.3.4 Temperatuuralternatief
In het Basisalternatief is sprake van vloeibaar transport van CO
2
in warme toestand. Het
is ook mogelijk om de CO
2
in koude toestand te transporteren en te injecteren, hiervoor
is het Temperatuuralternatief ontwikkeld. Bij het Temperatuuralternatief vindt
voorafgaand aan de injectie in het reservoir geen aanvullende verwarming op het
platform plaats. Kenmerkend voor dit Temperatuuralternatief ten opzichte van het
Basisalternatief is volgens ROAD (2010):
CO
2
-transport bij een temperatuur van 30 C;
Geen herverhitter op het platform;
Geen of minder pijpisolatie nodig;
Geen temperatuurregeling (verhitting) bij CO
2
injectie.

Aangezien er bij het temperatuuralternatief geen herverhitter op het platform wordt
geplaatst, is daarmee het temperatuuralternatief voor transport gelijkwaardig aan het
basisalternatief.

6.3.5 Voorkeursalternatief
Het voorkeursalternatief volgt uit de vergelijking van alle alternatieven op hun
milieueffecten en andere overwegingen. Deze vergelijking wordt in hoofdstuk 9
gemaakt. Voor het voorkeursalternatief vraagt de initiatiefnemer de vergunningen aan.







9V7319.20/R0010_rev8/MVZ/ILAN/Rott Deelrapport Transport MER ROAD
20 juni 2011 - 58 - Definitief

6.3.6 Overzicht van nader te onderzoeken alternatieven en varianten
De milieueffectbeoordeling voor het onderdeel Transport heeft betrekking op n
alternatief (het basisalternatief) met n variant (het basisalternatief met
elektriciteitskabel).


Deelrapport Transport MER ROAD 9V7319.20/R0010_rev8/MVZ/ILAN/Rott
Definitief - 59 - 20 juni 2011
7 BEOORDELINGSKADER
In dit hoofdstuk wordt de aanpak van de effectbeoordeling beschreven, met het
beoordelingskader en de maatlatten voor de beoordeling van de effecten voor de
verschillende themas.

7.1 Aanpak effectbeoordeling
Voor een aantal milieuthemas zijn detailstudies uitgevoerd om de milieueffecten in
beeld te brengen. De detailstudies zijn als bijlage aan dit deelrapport toegevoegd. De
effecten zijn gegroepeerd naar de MER-themas: bodem, water, natuur, archeologie,
geluid, lucht, externe veiligheid, landschap, elektromagnetisme en gebruiksfuncties.

De MER-themas zijn onderverdeeld in aspecten. Voor elk van de MER-themas is
zoveel mogelijk gezocht naar meetbare aspecten. Het totaal aan MER-themas en
aspecten en de wijze waarop de verschillende effecten worden uitgedrukt vormt het
beoordelingskader, ook wel de MER-matrix genoemd. Deze MER-matrix is
weergegeven in tabel 7.1 in paragraaf 7.2.

De effecten worden beschreven als veranderingen ten opzichte van de
referentiesituatie. Voor het beschrijven van de effecten is de volgende werkwijze
gehanteerd:

De milieueffecten zijn zoveel mogelijk kwantitatief (cijfermatig) beschreven;
Voor die criteria waarbij het niet mogelijk of minder relevant is om de effecten
kwalitatief te bepalen zijn deze kwalitatief (beschrijvend) weergegeven;
Bij de beschrijving van effecten is, daar waar dit aan de orde is, onderscheid
gemaakt tussen tijdelijk optredende effecten en permanente effecten;
Voor die themas waarbij cumulatie van effecten speelt, zijn, in de beschrijving van
de milieueffecten, ook de cumulatieve effecten in beeld gebracht;
De effectbeschrijving vindt plaats op basis van bestaande en beschikbare gegevens;
Daar waar sprake is van onzekerheden met betrekking tot de te verwachten effecten
is in het algemeen een worst-case benadering toegepast.

7.2 Beoordelingskader
In tabel 7.1 is het beoordelingskader weergegeven voor de bepaling van de effecten van
de alternatieven en varianten voor het onderdeel transport.

Tabel 7.1 Beoordelingskader voor de MER-themas
Thema Aspect Beschrijving effect/
beoordelingscriterium
Opmerkingen
Bodemberoering Verandering van bodemrelif en
verstoring bodemopbouw
Dit aspect wordt alleen
beoordeeld in het
hoofdrapport
Vergraven van verontreinigde
bodems

Veroorzaken van
bodemverontreinigingen

Bodemkwaliteit
Temperatuurverhoging
Bodem
Grondbalans Omvang van vergraving en
grondverzet

Water Grondwater Effect op grondwater Dit aspect komt niet terug







9V7319.20/R0010_rev8/MVZ/ILAN/Rott Deelrapport Transport MER ROAD
20 juni 2011 - 60 - Definitief
Thema Aspect Beschrijving effect/
beoordelingscriterium
Opmerkingen
in het hoofdrapport
Zeewater Vertroebeling
Oppervlaktewater Dit aspect komt niet terug
in het hoofdrapport
Algemene
natuurwaarde
Effect op relevante sturende
processen en factoren en algemene
natuurwaarden
Dit aspect wordt alleen
beoordeeld in het
hoofdrapport
Beschermde
gebieden zee
Effect op beschermde gebieden,
Natura2000, EHS-gebieden

Beschermde
gebieden land
Effect op beschermde gebieden,
Natura2000, EHS-gebieden

Beschermde soorten
zee
Effect op (beschermde) planten- en
dierensoorten

Natuur
Beschermde soorten
land
Effect op (beschermde) planten- en
dierensoorten

Archeologie Archeologische
waarde
Kans op verstoring van het
archeologisch bodemarchief

Geluidshinder Toetsing geluidbronnen aan
vigerende normstelling
Geluid
Onderwatergeluid Toetsing onderwatergeluid
Lucht Luchtkwaliteit Toetsing uitstootconcentraties SO2,
NOx, fijnstof aan vigerende
normstelling

Plaatsgebonden risico Verandering plaatsgebonden risico Externe veiligheid
Groepsrisico Verandering groepsrisico
Verkeer Transport-
bewegingen
Aantal transportbewegingen
Landschap Aantasting landschap Dit aspect komt niet terug
in het hoofdrapport
Elektromagnetisme Veroorzaken elektromagnetische
straling
Dit aspect komt niet terug
in het hoofdrapport
Scheepvaart en
navigatie
Dit aspect komt niet terug
in het hoofdrapport
Visserij Dit aspect komt niet terug
in het hoofdrapport
Winning van
delfstoffen
Dit aspect komt niet terug
in het hoofdrapport
Offshore mijnbouw Dit aspect komt niet terug
in het hoofdrapport
Baggerstortlocaties Dit aspect komt niet terug
in het hoofdrapport
Kabels en leidingen Dit aspect komt niet terug
in het hoofdrapport
Militaire activiteiten Dit aspect komt niet terug
in het hoofdrapport
Gebruiksfuncties
Windparken Dit aspect komt niet terug
in het hoofdrapport

Deelrapport Transport MER ROAD 9V7319.20/R0010_rev8/MVZ/ILAN/Rott
Definitief - 61 - 20 juni 2011
Thema Aspect Beschrijving effect/
beoordelingscriterium
Opmerkingen
Recreatie Dit aspect komt niet terug
in het hoofdrapport

7.3 Maatlat
Voor de beoordeling van de effecten wordt gewerkt met maatlatten. Daarbij wordt een
zeven-puntsschaal gehanteerd waarbij de waardering van de effecten kan variren van
zeer positief (+++) tot zeer negatief (- - -). Om de effecten te visualiseren is aan de
waardering een kleur gekoppeld volgens de onderstaande maatlat.

+++ Sterk positief effect: de ontwikkeling heeft toegevoegde waarde
++ Positief effect: er vindt duidelijk verbetering plaats ten opzichte van de referentie situatie
+ Gering positief effect: geen verbetering
0 Geen invloed
- Gering negatief effect: niet storend
-- Negatief effect: er dienen mitigerende maatregelen te worden onderzocht
--- Sterk negatief: effect buiten het wettelijk kader (ontwikkeling is niet mogelijk)

Indien het effect van een alternatief of variant met een 0 beoordeeld wordt, dan heeft het
alternatief of de variant geen invloed op het aspect.

Als het effect met een + of beoordeeld wordt, dan heeft het alternatief of de variant
een meetbaar effect op het aspect, maar het effect is tijdelijk van aard of zeer lokaal.
Het effect is dan zo gering dat het niet leidt tot een verbetering respectievelijk
verslechtering van de huidige situatie.

Wordt een alternatief of variant met een ++ beoordeeld, dan vindt er als gevolg van het
alternatief of de variant een duidelijke verbetering plaats ten opzichte van de huidige
situatie. Indien het effect met een - - wordt beoordeeld, dan heeft het alternatief of de
variant een duidelijk negatief effect en dienen mitigerende maatregelen te worden
onderzocht om het negatieve effect te verzachten.

Wordt een alternatief of variant met +++ beoordeeld, dan heeft de voorgenomen
activiteit zo een positief effect op de omgeving dat er sprake is van grote toegevoegde
waarde. Indien het effect met een - - - wordt beoordeeld, dan valt het effect buiten de
wettelijke kaders, de ontwikkeling is dan niet mogelijk.





Deelrapport Transport MER ROAD 9V7319.20/R0010_rev8/MVZ/ILAN/Rott
Definitief - 63 - 20 juni 2011
8 MILIEUEFFECTEN
In dit hoofdstuk worden de milieueffecten van de alternatieven en varianten voor de
verschillende MER-themas beschreven.

De voorgenomen activiteit is verdeeld naar projectfasen: aanlegfase, gebruiksfase en
verwijderen:

De aanlegfase bestaat uit het aanvoeren, monteren en plaatsen van de buisleiding
op land en zee.
De gebruiksfase bestaat uit de start-up en shutdown van de buisleiding waarbij de
druk en temperatuur van CO
2
in de buisleiding zal toenemen en afnemen. In de
normale gebruiksfase stroomt CO
2
door de buisleiding en is de druk van CO
2
in de
buisleiding gedurende langere perioden constant. Wanneer de buisleiding niet goed
functioneert, kan zich mogelijk een calamiteit voordoen. In onderstaande tekstblok
wordt hier nader op ingegaan.
De verwijderfase bestaat uit het opgraven, verwijderen en afvoeren van de
buisleiding.

Calamiteitenscenarios
Bij het onderzoek naar milieueffecten is in het MER gekeken naar de mogelijke effecten tijdens de
aanlegfase en gedurende de operationele fase. Hierbij is uitgegaan van de reguliere situatie, dat wil
zeggen, een situatie waarbij de aanleg en bedrijfsvoering volgens verwachting plaatsvindt. Daarnaast
is het tevens van belang aandacht te besteden aan mogelijke onverwachte situaties. Uiteraard wordt
er binnen het project alles aan gedaan om mogelijke ongelukken te vermijden. Het is echter wel van
belang om een indruk te geven welke mogelijke ongelukken zouden kunnen optreden en tot welke
mogelijke milieueffecten dit kan leiden. Dit vindt plaats in het kader van de calamiteitenscenarios.
Binnen het project zijn een aantal calamiteitenscenarios benoemd. Onderstaand worden deze
beschreven, met daarbij de mogelijke gevolgen en de bijbehorende milieueffecten. In het verlengde is
aangegeven wat wordt gedaan om de effecten indien een calamiteit zich voordoet, zoveel mogelijk te
beperken. Hier wordt enkel ingegaan op de scenarios die betrekking hebben op het onderdeel
Transport.

Scenario CO2-lekkage uit buisleiding op land
Indien de ondergrondse buisleiding in de leidingstrook wordt aangetast kan een lekkage ontstaan. De
praktijk leert dat buisleidingen bijna uitsluitend worden aangetast door landbouwwerktuigen. Mocht dit
het geval zijn, dan ontstaat er een sterke uitstroom van CO2, aangezien de leiding onder relatief hoge
druk staat.

In de externe veiligheidsstudies is deze situatie meegenomen. Hierbij is de veiligheid in beeld
gebracht. Vanuit milieu geldt dat de luchtkwaliteit gedurende een korte periode wordt aangetast. Hoe
groter de druk in de buisleiding, des sterker is de uitstroom en daarmee de opmenging. Het effect is
daarmee lokaal en tijdelijk.

Scenario CO2-lekkage uit buisleiding onder zee
Onder de zee bevindt de buisleiding zich in de zeebodem. Een lekkage in deze leiding zou kunnen
optreden als er een zwaar voorwerp met grote kracht op belandt, bijvoorbeeld als een schip zinkt
bovenop de leiding. Ook hier ontstaat dan een uitstroom van CO2 onder hoge druk.

Het CO2 komt in het zeewater en lost voor een deel op, terwijl een deel naar het zeeoppervlak komt
en daar een wolk vormt boven het water. Het externe veiligheidsrapport beschrijft ook deze situatie.
De luchtkwaliteit zal zodra er voldoende wind is na opmenging weer hersteld zijn. De
zeewaterkwaliteit zal wat langere tijd aangetast zijn, doordat de opgeloste CO2 langzamer opmengt.







9V7319.20/R0010_rev8/MVZ/ILAN/Rott Deelrapport Transport MER ROAD
20 juni 2011 - 64 - Definitief

In de volgende paragrafen (8.1 tot en met 8.11) worden de milieueffecten op de biosfeer
voor de themas bodem, water, natuur, archeologie, geluid, lucht, externe veiligheid,
landschap, verkeer, elektromagnetisme en gebruiksfuncties beschreven.

Voor elk thema zijn de milieugevolgen vastgesteld en gepresenteerd. Om de effecten te
visualiseren is in hoofdstuk 9 een samenvattende tabel gegeven voor alle effecten voor
de verschillende alternatieven en varianten.

8.1 Bodem
Het thema bodem is uitgesplitst voor de effecten op land en op zee. Voor het thema
bodem zijn de aspecten bodemberoering, bodemkwaliteit en grondbalans van belang.
Hiervoor is een inventariserend bodemonderzoek uitgevoerd naar de huidige
bodemkwaliteit en de effecten van de buisleiding (Royal Haskoning, 2010).

8.1.1 Effectbeschrijving bodem op land
Huidige situatie en ontwikkelingen
Het geplande leidingtrac bevindt zich conform de bodemkwaliteitskaart van Rotterdam
in Zone 8a en 8b. De ligging van deze zones in het plangebied is weergeven in figuur
8.1.


Figuur 8.1 Bodemkwaliteitskaart van Rotterdam: situering zone 8a en 8b

Zone 8a is volgens de bodemkwaliteitskaart opgespoten met schoon zand. Er is een
geringe kans op puntbronnen (plaatselijke verontreinigingen) als gevolg van morsingen,
incidenten en bedrijfsactiviteiten. De aanwezigheid van puntbronnen is bevestigd bij
bodemonderzoeken welke zijn uitgevoerd in Zone 8a. Er zijn onder andere
verontreinigingen met zware metalen, minerale olie, PCBs, VOCL, PAK, vluchtige
aromaten en styreen. Het betreft licht tot sterk verhoogde gehalten van deze stoffen,
deze bevinden zich zowel in de bodem als in het grondwater. Op basis van de thans
bekende historische informatie zijn geen puntbronnen aan te wijzen.

Deelrapport Transport MER ROAD 9V7319.20/R0010_rev8/MVZ/ILAN/Rott
Definitief - 65 - 20 juni 2011
Het risico op het aantreffen van plaatselijke bodemverontreinigingen is echter reel.

Zone 8b is volgens de bodemkwaliteitskaart opgebouwd uit ernstig verontreinigd
stortmateriaal. Er is bijna 100% bedekking van dit stortmateriaal.

Daarnaast is er een grote kans op puntbronnen als gevolg van het stortmateriaal. Er zijn
verder geen bodemonderzoeken bekend van deze zone. De exacte begrenzing van
Zone 8b is niet bekend. Uit ervaringen met bodemonderzoek bij stortlocaties blijkt dat,
met enige regelmaat, het stortmateriaal in een groter gebied wordt aangetroffen dan de
verwachte contour voor de stortlocatie.

Zowel voor Zone 8a als voor Zone 8b zijn geen bodemonderzoeken bekend op de
exacte locatie waar de buisleiding is gepland. Tevens loopt de buisleiding in Zone 8a
voor een groot deel door een bestaand leiding trac. Het is niet bekend welke producten
door deze leidingstraat lopen. Hierdoor bestaat een rele kans op bodemverontreiniging
in het leidingtrac.

Effecten aanlegfase (-)
Aangezien er op een deel van het leidingentrac puntbronnen aanwezig zijn en de
bodem op een deel van het leidingentrac opgebouwd is uit ernstig verontreinigd
stortmateriaal, kan niet alle vergraven grond hergebruikt worden. Daarom is de
beoordeling voor hergebruik grondstoffen -. Omdat de aanleg van een elektriciteitskabel
een grotere hoeveelheid grondverzet met zich meebrengt zal er een grotere
hoeveelheid niet herbruikbaar materiaal vrijkomen, dit valt echter binnen de marge van
de effectbeoordeling. Deze variant wordt ook licht negatief beoordeeld voor dit aspect.

Effecten gebruiksfase (0, -)
Bodemkwaliteit
Vergraven verontreinigde bodems
Het buisleidingtrac bevindt zich op land in 2 verontreinigde zones (8a en 8b). Het risico
op het aantreffen van plaatselijke bodemverontreinigingen is reel. Daar waar
verontreinigde grond wordt aangetroffen, geldt een saneringsverplichting tijdens
grondverzet op basis van de Wet Bodembescherming. Voorafgaand aan de aanleg van
de leiding dient aanvullend bodemonderzoek te worden uitgevoerd naar de
bodemverontreiniging in zone 8a en 8b.

Indien bij de uitvoering van de werkzaamheden een sanering wordt uitgevoerd, zal de
bodemkwaliteit verbeteren ten opzichte van de huidige situatie. Daarom wordt dit aspect
licht positief beoordeeld (+).

Veroorzaken van bodemverontreinigingen
De CO
2
die door de buisleiding loopt is geen bodembedreigende stof. Het gebruik van
de buisleiding zal daarom niet leiden tot een directe verslechtering van de
bodemkwaliteit (0). Er is wel een risico dat de realisatie van de buisleiding een
voorkeursstroming veroorzaakt van (mogelijk) aanwezige verontreinigingen in het
grondwater (indirecte verontreiniging). Echter gezien het feit dat de omliggende bodem
is opgebouwd uit zandig materiaal dat goed waterdoorlatend is, wordt het effect hiervan
minimaal geacht.

Temperatuurverhoging
Daarnaast kan de temperatuur van het CO
2
in de buis effecten hebben. Door afgifte van
warmte op de omgeving door de transportleiding en (eventuele) elektriciteitskabel zal de
bodemtemperatuur lokaal verhogen. Deze invloed neemt af verder van de buisleiding en







9V7319.20/R0010_rev8/MVZ/ILAN/Rott Deelrapport Transport MER ROAD
20 juni 2011 - 66 - Definitief
kabel. Zie figuur 8.2 en bijbehorende tekst voor het temperatuurprofiel van de
buisleiding. De warmte in de bodem kan leiden tot mobilisatie van eventueel aanwezige
mobiele verontreinigingen (indirecte verontreiniging). Echter, gezien het feit dat de
leiding grotendeels boven de grondwaterspiegel zal liggen (grondwaterspiegel is 4 m-
mv) zal dit effect worden beperkt. De beoordeling - is toegekend.


Figuur 8.2. Temperatuurprofiel van de CO2 buisleiding op het land gedeelte. De Horizontale as geeft
de afstand tot het centrum van de leiding in mm. Vertikaal staat de temperatuur in C aangegeven.

Aangenomen wordt dat de inlaattemperatuur van de CO
2
in de leiding 80 C is.
Wanneer de CO
2
het zee deel (off-shore) van de buisleiding bereikt is de temperatuur
van de CO
2
77C. Door de isolatie van de buisleiding heeft de mantel een temperatuur
van ca. 30 C. De ingraafdiepte van de buisleiding bedraagt circa 1 meter. Naar
schatting zal 290 kW aan warmte vrijkomen over de totale lengte van de buisleiding op
het land. Per meter buisleiding is hiermee de vrijkomende warmte ongeveer 50 W. De
leidingdikte is 400 mm. Om de on-shore buisleiding wordt een isolatie aangebracht van
50 mm. In de bovenstaande grafiek is het temperatuurprofiel gegeven waarbij
aangenomen is dat de inlaattemperatuur aan het begin van de buis 80 C is. Bij verlaten
van het off-shore deel is dit 77 C. Een temperatuur van de omliggende bodem is
gemiddeld 8 C.

Op 200 mm van de buitenkant van de buisleiding (450 mm van het centrum van de
buisleiding) is nog een verschil met de omgevingstemperatuur van ongeveer 2 C waar
te nemen. Op 600 mm van de leiding (850 mm van het centrum van de buisleiding) is er
geen temperatuurverhoging meer waarneembaar.

Effectbeoordeling
In onderstaande tabel wordt de effectbeoordeling van het thema bodem (land)
samengevat.

Temperatuurprofiel Buisleiding op land

Deelrapport Transport MER ROAD 9V7319.20/R0010_rev8/MVZ/ILAN/Rott
Definitief - 67 - 20 juni 2011
Tabel 8.1 Effectbeoordeling Bodem op land
Alternatief/Variant Thema Aspect Activiteit
Basisalternatief Variant met elektriciteitskabel
Grondbalans Aanleg, hergebruik
van grondstoffen
- -
Vergraven
verontreinigde
bodems
+ +
Veroorzaken directe
verontreiniging in
gebruiksfase
0 0
Bodem
(land)
Bodemkwaliteit

Gebruik buisleiding,
temperatuurtoename
- -

8.1.2 Effectbeschrijving zeebodem
Temperatuur
Door afgifte van warmte op de omgeving door de buisleiding en elektriciteitskabel zal de
bodemtemperatuur lokaal verhogen. Deze invloed neemt af verder van de buisleiding en
kabel. De effecten treden enkel op bij het gebruik van de buisleiding. Tijdens aanleg
komt er geen warmte vrij.

Huidige situatie en ontwikkelingen
De temperatuur van de bovenste lagen van de zeebodem varieert met de temperatuur
van het zeewater. Het zeewater varieert van temperatuur met gemiddeld 4 C in de
winter en 22 C in de zomer. In de (diepere) bodemlagen is de temperatuur constanter /
fluctueert de temperatuur minder.

Effecten gebruiksfase (0)
Aangenomen wordt dat de inlaattemperatuur van de off-shore buisleiding 77 C is (is
gelijk aan uitstroom on-shore buisleiding). Bij aankomst op het platform is dit 67 C.
Door de isolatie van de buisleiding heeft de mantel een temperatuur van ca. 28 C.

De ingraafdiepte van de transportleiding bedraagt minimaal 1 meter. Naar schatting zal
1500 kW aan warmte vrijkomen over de totale lengte van de buisleiding op zee. Per
meter transportleiding is hiermee de vrijkomende warmte 80 W.








9V7319.20/R0010_rev8/MVZ/ILAN/Rott Deelrapport Transport MER ROAD
20 juni 2011 - 68 - Definitief

















Figuur 8.3 Temperatuurprofiel van de CO2 buisleiding op het zee gedeelte. De Horizontale as geeft
de afstand tot het centrum van de leiding in mm. Vertikaal staat de temperatuur in C aangegeven.

In bovenstaande grafiek is het temperatuurprofiel weergegeven vanaf het centrum van
de buis. De leidingdiktediameter is 400 mm. Om de leiding wordt een isolatie
aangebracht van 30 mm. Op 200 mm van de buitenkant van de buisleiding (430 mm van
het centrum van de buisleiding) is er nog een verschil met de omgevingstemperatuur
van ongeveer 2 C waar te nemen. Op 600 mm van de buitenkant van buisleiding (830
mm van het centrum van de buisleiding) is er geen temperatuurverhoging meer
waarneembaar. De beoordeling - (licht negatief effect) wordt toegekend.

Elektriciteitskabel
Onder nominale belasting van een 10 kV en 245 A wisselspanningkabel is het
warmteverlies in de orde 20 W tot 30 W per meter. Een 33 kV en 75 A kabel heeft een
lager warmteverlies en is hier dus niet maatgevend. Aangenomen kan worden dat naar
analogie met de transportleiding, een temperatuursverhoging van ongeveer 1C op 200
mm van de leiding is te bemerken. Op 600 mm van de elektriciteitskabel is er geen
temperatuurverhoging meer waarneembaar.

Aangezien de buisleiding op 1m diepte of meer ingegraven in de bodem is, heeft de
temperatuurtoename geen invloed op het water of de bovenste 40 cm van de bodem.
De beoordeling - (licht negatief effect) wordt toegekend.

Bodemberoering
Het relif van de Noordzeebodem rondom de Rijn-Maasmonding is in belangrijke mate
gevormd door mariene processen en sedimentafzettingen vanuit de rivieren. Naast de
natuurlijke processen hebben recentelijk ook menselijke invloeden het bodemrelif van
de kustzone veranderd. In aanvulling hierop heeft het menselijk ingrijpen een grote
variteit aan activiteiten.

Temperatuurprofiel Buisleiding op zee

Deelrapport Transport MER ROAD 9V7319.20/R0010_rev8/MVZ/ILAN/Rott
Definitief - 69 - 20 juni 2011
Bijvoorbeeld: het uitvoeren van baggerwerkzaamheden om de vaargeulen te
onderhouden, zandwinning op de Noordzee, de aanleg van de Deltawerken, de aanleg
van de Maasvlakte en het Slufterdepot. Effecten op de bodem hebben voornamelijk
betrekking op het bodemrelif en bodemberoering. Wanneer op grote schaal
bodemberoering plaatsvindt, kan de integriteit van de zeebodem in het gedrang komen.
De integriteit van de zeebodem dient zodanig te zijn dat de structuur en de functies van
de ecosystemen gewaarborgd zijn en dat met name bentische ecosystemen niet
onevenredig worden aangetast. Het bodemrelif kan gevangen worden in de term
hydrografische eigenschappen. Dit het vrkomen van de zeebodem dat wordt
bepaald door grootschalige morfologische processen. Bijvoorbeeld het vrkomen van
zandgolven op de Noordzeebodem zijn hydrografische eigenschappen. Grootschalige
morfologische veranderingen van de kust zijn door de voorgenomen aanleg van de
leiding en elektriciteitskabel niet te verwachten gezien de kleinschaligheid. De effecten
die optreden zijn voornamelijk te verwachten door de (tijdelijke) bodemberoering bij
aanleg van de transportleiding en het egaliseren van de bodem.

Huidige situatie en ontwikkelingen

Bodemrelif
Een deel van de Noordzeebodem wordt gekenmerkt door zandgolven (zie figuur 8.4).
Deze zandgolven bevinden zich op dieper water vanaf circa NAP -20 m en hebben een
karakteristieke hoogte (top-dal) van 5-10 m. De langwerpige toppen van deze golven
worden ook wel kammen genoemd. De toppen van de zandgolven liggen op een
onderlinge afstand van ongeveer 200-350 m met variaties tussen de 100 en 500 m. De
zandgolven verplaatsen zich met een jaarlijks gemiddelde snelheid tussen de 0 en de
10 m per jaar.

Op de grotere zandgolven (circa 5 m en hoger) kunnen zich zogenaamde megaribbels
ontwikkelen. Deze megaribbels bewegen in de richting van de overheersende
stroomrichting (NO) langs de flanken van de zandgolven en hebben een hoogte tot circa
1,5 m en een golflengte tot circa 30 m. De golfkammen van de megaribbels zijn
ongeveer 20 graden gedraaid ten opzichte van de golfkammen van de zandgolven.








9V7319.20/R0010_rev8/MVZ/ILAN/Rott Deelrapport Transport MER ROAD
20 juni 2011 - 70 - Definitief

Figuur 8.4 Bodemvormen (hydrografie) op de Noordzeebodem


Deelrapport Transport MER ROAD 9V7319.20/R0010_rev8/MVZ/ILAN/Rott
Definitief - 71 - 20 juni 2011
Antropogene bodemberoering
Antropogene bodemberoering is de verstoring van de natuurlijke bodem door middel
van menselijk handelen. Voorbeelden van antropogene bodemberoering zijn o.a.
baggeren, bodemvisserij en zandwinning. Een kwantitatieve vergelijking van de
bodemberoering kan gedaan worden op basis van het bodemoppervlak (ha) dat beroerd
wordt.

De zeebodem wordt regelmatig verstoord door verschillende menselijke activiteiten:

Bodemvisserij. In de kustzone en op het Nederlands Continentaal Plat (NCP) zijn
verschillende vormen van visserij aanwezig. Binnen de 12 mijlszone mag alleen
door schepen kleiner dan 301 pk worden gevist. In deze zone vindt de
boomkorvisserij op platvissen (voornamelijk schol en tong) en garnalenvisserij
plaats. Het vistuig dat wordt gebruikt op het Nederlandse deel van de Noordzee kan
globaal in twee types worden onderverdeeld: vistuig dat over de zeebodem wordt
getrokken en tuig dat in de diepzee wordt gebruikt. Bij de zeebodemvisserij worden
netten gebruikt die over de bodem worden gesleept. Sommige netten zijn aan de
voorzijde voorzien van kettingen die de platvissen van de bodem opjagen, het net in.
Deze zware kettingen (wekkers) schrapen over de zeebodem en woelen daarbij de
bovenste zachte bodemlaag (tot 30 cm diepte) om. Dit gebeurt soms enkele malen
per jaar;
Zandwinning & schelpenwinning. Bij zandwinning wordt met een zuiger
bodemmateriaal opgezogen. Hierdoor wordt de bodem verlaagd. Ten gevolge van
het vigerende beleid wordt zand en grind tot op heden gewonnen tot een diepte van
circa 2 m onder de zeebodem. Naast zandwinning, vindt er op de Noordzee ook
schelpenwinning plaats. Schelpen mogen worden gewonnen in gebieden waar het
dieper is dan NAP -5 m, mits niet verder dan 50 km uit de kust;
Bagger- en stortwerkzaamheden. Om de Rotterdamse havenbekkens toegankelijk
te houden voor de scheepvaart, wordt jaarlijks ongeveer 16 miljoen m
3
zand en slib
gebaggerd in de havenmond, in de havenbekkens, op riviertakken en in de Euro-
Maasgeul op zee. Het grootste deel van deze hoeveelheid wordt gebaggerd in het
Maasmond/Europoortgebied, ongeveer 10 miljoen m
3
.

Effecten aanlegfase (-)
De belangrijkste effecten op de zeebodem vinden plaats tijdens de installatiefase. Het
egaliseren (baggeren) en ingraven van de transportleiding en (eventuele)
elektriciteitskabel, en de daarmee samenhangende bodemverstoring, bepalen voor een
belangrijk deel de invloed.

De zeebodem is voor het grootste gedeelte van het voorgenomen trac vlak, met
uitzondering van een aantal onderwater zand duinen van ca. 50 cm hoogte over een
traject van 2,5 km. Op het overige deel van het traject is weinig variatie van het
diepteprofiel.

De grootte en het belang van de effecten wordt verder bepaald door de plaats waar ze
optreden. Het beoogde platform P-18 A waar de buisleiding eindigt, ligt binnen de 12-
Mijls zone. Er is onderscheid gemaakt in het gedeelte van het trac dat tot de Kustzone
behoort (> NAP -20m) en het gedeelte dat dieper ligt dan NAP -20 m.








9V7319.20/R0010_rev8/MVZ/ILAN/Rott Deelrapport Transport MER ROAD
20 juni 2011 - 72 - Definitief
De belangrijkste indicatoren voor de bodemberoering zijn:

Het aantal kubieke meters (m
3
) dat gebaggerd of gegraven moet worden: hierdoor
vindt verstoring en verspreiding van sediment door de waterkolom plaats;
Het aantal hectares bodem dat wordt beroerd bij het ingraven en baggeren van de
leiding.

Voor de berekening van het totale oppervlak en volume bodemberoering, door het
ingraven van de leiding en het baggeren, zijn de volgende aannames gemaakt:

Totale lengte buisleiding vanaf de aantaklocatie bij het Noordelijk havenhoofd tot
aan het platform bedraagt 18 km. Ongeveer 6.5 km van deze is in de Kustzone
(<NAP -20 m), de resterende 11.5 km buiten de NAP -20 m zone;
De methode van aanbrengen van de transportleiding en is nog niet bekend, dit kan
een niet-grondverplaatsende ploeg zijn, of een spuitlans. Ten behoeve van de
berekening van de bodemberoering worden de volgende conservatieve aannamen
gedaan:
Bij ingraving door een ploeg is de invloedsbreedte op de bodem ongeveer 10 m
(de ploeg is breder dan het ingegraven gedeelte);
De sleufbreedte van de ingraving van de ploeg is maximaal 5 m;
De sleufbreedte van een spuitlans is kleiner, maximaal 1 meter;
De inlegdiepte bedraagt maximaal 2 m in een driehoekige wig vorm;
De snelheid van werken bedraagt naar schatting 5 km per dag voor zowel de
buisleiding als elektriciteitskabel;
In een voorstudie wordt een volume van 6 x 2000 m
3
genoemd voor het eventueel
afgraven van 6 zandduinen;
Men kan dit vergelijken met het egaliseren van de bodem met een
sleephopperzuiger. Dit zou over maximaal 2.5 km noodzakelijk zijn met een breedte
van 50 m en een gemiddelde afgraafdiepte van 0.5 m. Dit volume is orde grootte
gelijk aan de schatting voor het egaliseren van zandduinen. Gedetailleerde
uitwerking door een aannemer zal moeten uitwijzen of het egaliseren van de bodem
noodzakelijk is aangezien de zandgolven in het gebied slechts 50 cm hoog zijn.
Voor de variant met de elektriciteitskabel wordt aangenomen dat een oppervlakte 2
keer zo groot gegaliseerd moet worden.

Met bovenstaande aannames worden de volgende waarden voor de bodemberoering
gevonden:


Deelrapport Transport MER ROAD 9V7319.20/R0010_rev8/MVZ/ILAN/Rott
Definitief - 73 - 20 juni 2011
Tabel 8.2 Oppervlaktes bodemberoering en volume bodemberoering in de kustzone en offshore.
Basisalternatief Variant met elektriciteitskabel*
Totaal
bodemberoering
Kustzone (<
NAP -20m)
Offshore (>
NAP -20m
Totaal bodem
beroering
Kustzone
(< NAP -
20m)
Offshore
(> NAP -
20m
Oppervlak
bodemberoering
ingraven
18 ha 6.5 ha 9 ha 36 ha 13 ha 23 ha
Oppervlak
bodemberoering
egaliseren
12.5 ha - 12.5 ha 25 ha 25 ha

Volume
bodemberoering
ingraven
36,000 m
3
13,000 m
3
23,000 m
3
72,000 m
3
26,000 m
3
46,000 m
3

Volume
bodemberoering
egaliseren
15,000 m
3
- 15,000 m
3
15,000 m
3
- 15,000 m
3

Totaal volume
beroering Aanleg +
Egaliseren
51,000 m
3
13,000 m
3
38,000 m
3
87,000 m
3
26,000 m
3
61,000 m
3


Door de totaal volumes van de hoeveelheid bodemberoering te vergelijken met de
gangbare volumes een bodemberoering op de Noordzee, kan een goede indicatie
verkregen worden van de relatieve bijdrage van het aanleggen van de buisleiding en
elektriciteitskabel. Zo valt het volume bodemberoering in het niet bij het volume bagger-
en stortwerkzaamheden dat jaarlijks plaatsvindt, 87.000 m
3
tegen 16 miljoen m
3
.

Ook het effect van de bodemberoering in oppervlakte valt in het niet als men bedenkt
dat de gehele bodem enkele malen per jaar omgewoeld wordt door stormsituaties en
door visserijactiviteiten. Hiermee wordt geconcludeerd dat op bodemberoering
(integriteit van de zeebodem) een licht negatief effect heeft (-). Bij de variant met de
elektriciteitskabel treedt een groter effect op, maar dat verandert niet in de beoordeling,
licht negatief effect (-).

Effectenbeoordeling
In onderstaande tabel is de effectbeoordeling voor het thema (zee)bodem samengevat.

Tabel 8.3 Effectbeoordeling zeebodem
Alternatief/Variant Thema Aspect Activiteit
Basisalternatief Variant met elektriciteitskabel
Bodemkwaliteit Gebruik buisleiding,
temperatuurtoename
- - Bodem (zee)
Bodemberoering Aanleg inrichting,
bodemberoering
- -

8.2 Water
Voor het thema water zijn de aspecten oppervlaktewater en grondwater en zeewater
van belang.








9V7319.20/R0010_rev8/MVZ/ILAN/Rott Deelrapport Transport MER ROAD
20 juni 2011 - 74 - Definitief
8.2.1 Effectbeschrijving water op land (oppervlakte- en grondwater)
Oppervlaktewater
Onder oppervlaktewater worden meertjes, sloten, beken, kanalen en andere open
waterlopen verstaan die niet in directe verbinding staan met de open zee. De
transportleiding wordt op de Maasvlakte aangelegd nabij zee, er is geen
oppervlaktewater aanwezig op het trac waarover de buisleiding en elektriciteitskabel
komen te liggen. Effecten op oppervlaktewateren zijn hiermee niet te verwachten.

Grondwater
Effecten door de aanleg of gebruik van de transportleiding en de elektriciteitskabel
kunnen optreden doordat (tijdelijk) lokaal de grondwaterstand verlaagd wordt. Verlagen
van de grondspiegel resulteert in grondwaterstroming. Hierbij kunnen eventuele
verontreinigingen in belendende percelen worden aangetrokken. Daarnaast kan door de
ingraving van een object onder de grondwaterspiegel blokkering van de
grondwaterstroming ontstaan.

Huidige situatie en ontwikkelingen
Het trac wordt op de Maasvlakte aangelegd. De waterstand op de Maasvlakte ligt rond
NAP + 0 m met variaties als gevolg van regenval. Het terrein is opgebouwd uit goed
doorlatende grond. Hierdoor zal de waterstand in de bodem bij hoge regenval weinig
variren NAP + 0 m. Het maaiveld van de Maasvlakte ligt op NAP + 5 m. Met de huidige
zeespiegelstijgingscenarios is het niet te verwachten dat het grondwater meer dan
enkele decimeters zal stijgen in de komende decennia.

Effecten aanlegfase (0)
Bij een aanlegdiepte tussen de 1 m en 2 m onder het maaiveld, zal de leiding ver boven
het grondwater worden gelegd. Effecten door bemalen tijdens de aanleg van de
transportleiding en de elektriciteitskabels zijn dus uitgesloten. Verplaatsing van
verontreiniging door verlaging van het grondwater is niet te verwachten, noch is te
verwachten dat er andere problemen optreden. De beoordeling van het aspect water op
land tijdens de aanlegfase, wordt hiermee 0 (geen effect).

Effecten gebruiksfase (0)
Door het feit dat de kabel en leiding boven de grondwaterspiegel worden aangelegd, zal
er geen blokkade of invloeden anderszins op de grondwaterstand optreden. Effecten
door het gebruik van de kabel en leiding op het grondwater is dus niet te verwachten.
De beoordeling van aspect water op land tijdens de gebruiksfase, wordt hiermee 0
(geen effect).


Deelrapport Transport MER ROAD 9V7319.20/R0010_rev8/MVZ/ILAN/Rott
Definitief - 75 - 20 juni 2011
8.2.2 Effectbeschrijving zeewater
De effecten op het zeewater hebben met name betrekking op het vrijkomen van slib
tijdens de aanlegfase. Gezien de beperkte fysieke aanpassingen in het systeem (er
worden geen grote massas zand verplaatst), is een effect op de waterbeweging,
waterstand of saliniteit niet te verwachten. Vertroebelingen door slib, die mogelijk plaats
vinden door de aanleg van de transportleiding en de elektrische kabel zijn een direct
gevolg van effecten op de bodem. Deze effecten vinden plaats tijdens de aanlegfase.
Hierbij kan onderscheid gemaakt worden tussen het eventueel wegbaggeren van
zandgolven en het installeren van de leiding en kabel in de bodem. In de gebruiksfase
zijn er geen effecten op slibgehalte van het zeewater.

Het beroeren van sediment tijdens het ingraven leidt tot een tijdelijke toename van
zwevend stof in de waterkolom. Dit kan uiteindelijk tot een aantal ecologische effecten
leiden, zie onder thema natuur. De belangrijkste indicator voor de invloed op het
zeewater en daarmee voor de effecten op de ecologie, is het doorzicht. Dit is voor op
zicht jagende vissen van belang en voor de (tijdelijke afname in de) lichtintensiteit, die
de primaire productie benvloedt.

Huidige situatie en ontwikkelingen
Het water in de Noordzee kent stromingen die voornamelijk worden veroorzaakt door de
Golfstroom en getijdenbewegingen. De netto bewegingsrichting is van zuid naar noord.
Het zeewater bevat zwevend stof in jaargemiddelde concentraties van 20-30 mg/l in de
Kustzee en 4 - 5 mg/l in de open zee. Na een stormperiode zijn deze concentraties
tijdelijk twee tot vier maal zo hoog. In onderstaande overzichtskaart zijn de
slibconcentraties gegeven in de bodem. Als men het beoogde traject volgt worden
gebieden doorsneden met een slibpercentage van voornamelijk 0 2 % en in mindere
mate ook 2 5 % (figuur 8.5). Net ten oosten van het traject liggen kleine kleibulten,
maar deze lijken niet te worden doorsneden.

Effecten aanlegfase (-)
De effecten op het slibtransport tijdens de aanlegfase worden veroorzaakt door:

Het overvloeien van het baggerschip tijdens het (eventueel) egaliseren en baggeren
van de zandgolven in de aanlegfase. Bij de overvloei komt een hoeveelheid slib in
het water die zich over relatief grote afstanden zal verspreiden onder invloed de
waterbeweging;
Het in suspensie komen van slib door bodemberoering van de ploeg of spuitlans
tijdens ingraven van transportleiding en kabel.

Om een inschatting te kunnen maken van de hoeveelheid slib dat in suspensie komt
tijdens de aanleg, worden de volgende aannamen gedaan:

Aangenomen wordt dat de transportleiding en de elektriciteitskabel afzonderlijk
worden gelegd in 1 operatie;
Het slib uit de bodem komt voor 100% vrij in het water bij baggeractiviteiten om de
bodem te egaliseren (via overvloei);
Bij het ingraven van de leiding door een niet-grondverzettende ploeg komt naar
schatting 25% van het totale slib dat in de beroerde grond zit in suspensie;
Bij ingraven gebruik makend van een spuitlans zal maximaal 100% van de
hoeveelheid slib in suspensie komen;
Hoewel de sleufbreedte van een spuitlans kleiner is dan de niet-grondverzettende
ploeg, 1 meter in plaats van 5 m, is het volume vrijkomend slib groter door het







9V7319.20/R0010_rev8/MVZ/ILAN/Rott Deelrapport Transport MER ROAD
20 juni 2011 - 76 - Definitief
grotere percentage slib dat vrij komt. In de effectbepaling zal daarom gebruik
gemaakt worden van het volume slib dat vrijkomt door van een spuitlans;
In het gebied is een gemiddeld slibpercentage van 2,5% (gewichtspercentage)
aanwezig in de bodem, zie figuur 7.7.1. Dichter bij de kust zijn weliswaar zeer lokaal
kleine kleipockets aanwezig met een hoger percentage, in dieper gelegen gebieden
is het percentage lager (1.25%);
De vrijgekomen slibfractie heeft dezelfde eigenschappen als het achtergrondslib op
de Noordzee (verhouding lutum tot silt, valsnelheid);
De totale hoeveelheid slib (fractie < 63 m) die opgebaggerd wordt, komt vrij in het
water en verplaatst zich onder invloed van de stroming;
De vrijgekomen hoeveelheid slib gedraagt zich als een passieve pluim, er treedt
geen directe sedimentatie van slib op in de directe nabijheid van de ingraving.

De uitgangspunten zijn aannamen die tot een realistische bovengrens schatting leiden.


Figuur 8.5 Slibgehaltes Noordzeebodem (bron; TNO)


Deelrapport Transport MER ROAD 9V7319.20/R0010_rev8/MVZ/ILAN/Rott
Definitief - 77 - 20 juni 2011
Tijdens de aanlegfase zal slib vrijkomen dat zich over relatief grote afstanden zal
verspreiden onder invloed van de waterbeweging. Gegeven een totaal verplaatst
zandvolume door ingraven met een spuitlans en egaliseren van circa 87000 m
3
(vgl. het
volume dat voor de aanleg van Maasvlakte 2 is gebruikt: 320 miljoen m
3
) is de
vrijkomende slibhoeveelheid geschat op 3250 ton (vergelijk het vrijgekomen slib voor
Maasvlakte 2 van circa 12 miljoen ton). Het vrijgekomen slib zal zich mengen met het
omringende Noordzeewater waar ook van nature slib in zit.
Door de getij- en golfbeweging zal het vrijgekomen slib meegevoerd worden en
onderdeel gaan uitmaken van de procescyclus van slib: transport, bezinking, opwoeling
en flocculatie. Naar verwachting zullen de vrijgekomen klei- en silbdeeltjes heel snel en
op korte afstand van de ingraving de eigenschappen aannemen van het slib dat zich
van nature in het zeewater bevindt.

De totale lengte van de ingegraven leiding is 18000 m. Per getijdencyclus passeert er
door getijdenbeweging een hoeveelheid water (zie figuur 8.6 voor de stroomsnelheden).
Een bovengrensbenadering is vervolgens te maken door aan te nemen dat:

Een kolom water boven de leiding tijdens n getijde cyclus heen en weer beweegt
gedurende de gehele werkperiode;
Deze kolom ververst zichzelf door een netto getijde stroom van 5 10 cm/s langs de
Nederlandse kust. Een deel van de heen er weer bewegende kolom komt niet meer
terug.









9V7319.20/R0010_rev8/MVZ/ILAN/Rott Deelrapport Transport MER ROAD
20 juni 2011 - 78 - Definitief

Figuur 8.6 Dieptegemiddelde stroomsnelheden vloed [m/s] (onder) en eb [m/s] (boven)

Met een gemiddelde diepte van ongeveer 18 m en een dieptegemiddelde, over een
getijdecyclus gemiddelde, snelheid van (2/ *0,7 m/s =) 0,45 m/s, is de totale
hoeveelheid water die over de gehele lengte van de leiding passeert, te berekenen. In
naar schatting 3,2*10
12
liter water komt slib in suspensie.
4
De totale hoeveelheid slib dat
in suspensie komt is 3250 ton (3,3*10
12
mg).

Men dient nog te corrigeren voor de verversing van het water door de reststroom. Met
een reststroomsnelheid van 5 cm/s kan men, gegeven de gemiddelde getijdestroom van
0,45 m/s, bepalen dat verversing in het gebied in circa 5 dagen plaats vindt.

De werkduur om de leiding en de kabel te leggen is in het meest ongunstigste geval
(snelle aanleg en dientengevolge minder verversing) naar schatting 5 dagen. Het water
ververst dus 1 maal gedurende de aanlegperiode. De concentratie slib in suspensie is
dus voor de variant met een elektrische kabel 2 maal zo groot aangezien het volume
verstoord materiaal 2 maal zo groot is.

Tabel 8.4 Overzicht maximale slibconcentratie in suspensie tijdens de aanleg
Concentratie slib in suspensie,
gemiddeld over de gehele waterkolom (mg/l)
Basisalternatief 0.3
Variant met elektriciteitskabel 0.5

Deze waarden moet men beoordelen ten opzichte van een achtergrondconcentratie van
20 30 mg/l in de Kustzee (< NAP 20 m) en een natuurlijke variatie van 5 100 mg/l.
Op dieper water is de achtergrondconcentratie van 5 10 mg/l.


4
Lengte_leiding*gemiddelde_stroomsnelheid*diepte*0.5*duur_getijdecyclus =
18000 (m)*0.45 (m/s)*18 (m)*60(sec)*60(min)*12.25(h)*0.5 = 3.2*10
9
m
3
water = 3.2*10
12
liter.


Deelrapport Transport MER ROAD 9V7319.20/R0010_rev8/MVZ/ILAN/Rott
Definitief - 79 - 20 juni 2011
De volgende overwegingen worden nog gemaakt:

Bij rustig weer zal een zeer groot deel van het slib direct weer bezinken;
De concentraties die hier uitgerekend worden zijn dieptegemiddeld. De concentratie
in de bovenste meters van de waterkolom zijn echter waarschijnlijk kleiner doordat
er enkel op de bodem slib in suspensie gebracht wordt;
De laag waar de leiding in gelegd wordt is ook de laag die tijdens een storm wordt
losgewoeld. Dit gebeurt dan op een veel grotere schaal. Het slib verspreidt zich
tijdens een storm over de gehele waterkolom, in tegenstelling tot het hier
beschreven proces. Men kan dus zeggen dat het effect, hoewel antropogeen, niet
onnatuurlijk is vanuit een fysisch oogpunt en lijkt een tijdelijke opwoeling van de
bodem op een storm;
Op dieper water is de achtergrondconcentratie lager dan in de kustzone, maar is het
slibgehalte in de bodem ook lager;
Een deel van het slib dat vrijkomt, zal ten gevolge van het egaliseren zijn. Gezien de
kleine dimensies van de zandgolven op het traject, is het vrij waarschijnlijk dat
egaliseren niet nodig is.

Effectbeoordeling
De beoordeling van het aspect zeewater tijdens de aanlegfase voor de slibconcentratie,
wordt hiermee licht negatief (-). Bij de aanleg van de elektriciteitskabel zal een grotere
concentratie slib in het water komen, echter in beide gevallen zijn de effecten niet
onderscheidend.

8.2.3 Effectbeoordeling water
Tabel 8.5 Effectbeoordeling water
Alternatief/Variant Thema Aspect Activiteit
Basisalternatief Variant met elektriciteitskabel
Oppervlaktewater Oppervlaktewater op
land
0 0
Grondwater Grondwater op land 0 0
Water
zeewater Slibgehalte op zee - -

8.3 Natuur
Voor het thema natuur zijn de aspecten beschermde soorten (land), beschermde
soorten (zee), beschermde gebieden (land) en beschermde gebieden (zee)
onderscheiden.

Om de aanleg van de buisleiding op land te beoordelen is een quickscan Flora- en
fauna uitgevoerd (Royal Haskoning, 2010), bijlage T7. Voor de bepaling van de effecten
van de aanleg van de buisleiding op zee is een marien onderzoek uitgevoerd (Heinis,
2011), bijlage T8. Deze onderzoeken vormen de basis van de effectbeoordeling zoals
hieronder beschreven.

Vanuit een aantal themas zijn de resultaten van belang voor het thema natuur. Voor
Natuur zee zijn de volgende themas van belang: Risicoanalyse buisleiding,
Onderwatergeluid, Water, zeebodem en Elektromagnetisme. Voor Natuur land zijn de
themas Luchtkwaliteit en Landgeluid van belang.
De effecten op het thema natuur zijn uitgesplitst in de effecten op de natuur op land en
de natuur op zee. Bij de effectbeschrijving komen uitgebreid allerlei deelaspecten aan
bod, aan het eind volgt een samenvattende tabel met de effectbeschrijving voor de
aspecten.







9V7319.20/R0010_rev8/MVZ/ILAN/Rott Deelrapport Transport MER ROAD
20 juni 2011 - 80 - Definitief

8.3.1 Effectbeschrijving natuur op land
In deze paragraaf worden alle mogelijke effecten op beschermde habitats en soorten die
op het land en/of in zoet water voorkomen (terrestrisch) behandeld.

Huidige situatie en ontwikkelingen

Natuurgebieden
In de omgeving van de Maasvlakte bevinden zich een aantal natuurgebieden waaronder
Natura 2000 gebied en EHS (Ecologische Hoofdstructuur) gebied, zie figuur 8.7.

Figuur 8.7 Beschermde natuurgebieden


Soorten
In tabel 8.6 staat weergegeven welke volgens de Flora en Faunawet beschermde (tabel
2 en 3) soorten mogelijk kunnen voorkomen op en nabij het tracgebied van de
buisleiding.

Natura 2000 gebied
Solleveld &
Kapittelduinen
Natura 2000 gebied
Voornes Duin

Deelrapport Transport MER ROAD 9V7319.20/R0010_rev8/MVZ/ILAN/Rott
Definitief - 81 - 20 juni 2011
Tabel 8.6 Mogelijk voorkomende beschermde soorten van tabel 2 en 3 van de Flora- en faunawet
nabij het trac van de buisleiding, op basis van beschikbare verspreidingsinformatie en veldbezoek.
Soortgroep Mogelijk aanwezig? Mogelijk voorkomende soorten
Vaatplanten Ja Bijenorchis
Grondgebonden
zoogdieren
nee
Vleermuizen ja* o.a. Gewone dwergvleermuis, Ruige
dwergvleermuis, Laatvlieger
Broedvogels ja Slechtvalk, Kluut, Kleine plevier etc.
Zoetwatervissen nee**
Amfibien ja Rugstreeppad
Reptielen nee
Ongewervelden nee
* Alleen foeragerend
** In zout water levende soorten worden buiten beschouwing gelaten; hiervoor wordt verwezen naar
Heinis (in prep.)

Bovenstaande tabel is gebaseerd op eerdere onderzoeken (Goderie e.a. 2007, Wortel
2007, Kroodsma et al. 2009, Konings et al. 2009, Flierman et al. 2009),
verspreidingsinformatie van PGOs (Ravon, Zoogdiervereniging), de site
www.waarneming.nl en een recente quick scan (Grutters et al. 2011).

Voor vleermuizen biedt de omgeving van het trac zeer beperkte mogelijkheden. Bomen
of gebouwen waarin geschikte verblijfplaatsen voor vleermuizen aanwezig zouden
kunnen zijn, zijn er niet. Lijnvormige structuren die als vliegroute kunnen dienen zijn
nauwelijks beschikbaar (hooguit de dijk zou dienst kunnen doen). Als foerageergebied
tenslotte is het plangebied en de directe omgeving naar verwachting ook van zeer
beperkte waarde. Bestendig voorkomen van vleermuizen op de Maasvlakte is niet
aannemelijk.

De overige soorten zouden mogelijk wel voor kunnen komen op het trac van de
buisleiding.

In de toekomst zal de ruimte voor natuurlijke soorten en habitats op en rondom de
huidige Maasvlakte geleidelijk aan verminderen en verschuiven naar de nieuw te
realiseren zeewering van Maasvlakte 2. Voor pioniersoorten als Kluut, kleine plevier en
rugstreeppad is de verwachting dat deze soort tijdelijk zal kunnen toenemen
afhankelijk van het al dan niet treffen van maatregelen op Maasvlakte 2.

Aanlegfase
De aanleg van de buisleiding kan op verschillende wijzen leiden tot een invloed op
beschermde habitats en soorten. Tijdens de aanleg zijn de volgende mogelijke effecten
relevant:

Verstoring (door geluid, trillingen of licht);
Atmosferische depositie;
Fysieke verstoring van beschermde soorten door graafactiviteiten








9V7319.20/R0010_rev8/MVZ/ILAN/Rott Deelrapport Transport MER ROAD
20 juni 2011 - 82 - Definitief
Verstoring door geluid tijdens de aanlegfase (-)
Geluid kan effect hebben op de dichtheid van broedvogels en daarnaast een
verstorende werking hebben op foeragerende kustvogels.

In paragraaf 8.5 zijn de effecten op geluidshinder bepaald. Uit deze figuren blijkt dat de
45dBA-geluidscontouren tijdens de aanlegfase een beperkt bereik hebben en niet reiken
tot aan terrestrische Natura2000-gebieden. Daarmee zijn effecten op beschermde
soorten broedvogels in Natura 2000 gebied Voornes Duin, evenals op andere in
Voornes Duin beschermde faunasoorten (Noordse woelmuis en nauwe korfslak)
uitgesloten.

Op voorhand kunnen eventuele effecten op beschermde soorten broedvogels in de
directe omgeving van de aanlegwerkzaamheden niet direct worden uitgesloten. Door
mitigerende maatregelen te treffen waarbij rekening wordt gehouden met de mogelijk
verstorende werking en wanneer buiten het broedseizoen gewerkt wordt, worden de
effecten voorkomen. Verstoring door geluid tijdens de aanlegfase wordt daarmee niet
verder onderzocht.

Verstoring door trillingen tijdens de aanlegfase (-)
Trillingen kunnen een bron van verstoring zijn voor diersoorten. In vergelijkbare studies
(studie naar de bouwactiviteit van de E.ON MPP3-centrale) is onderzocht in hoeverre er
eventuele effecten ten gevolge van trillingen op beschermde natuurwaarden kunnen
optreden. Gebruikmakend van aangepaste funderingsmethoden is in die studie
geconcludeerd dat er geen effecten ten gevolge van trillingen optreden op beschermde
natuurwaarden (gezien de afstand van 400 m of meer).

De kleinste afstand tussen het ROAD-project en het dichtstbijzijnde terrestrische
Natura2000-gebied bedraagt meer dan 5 kilometer. Gezien deze afstand tussen het
brongebied en de Natura2000-gebieden worden effecten op natuur vanwege trillingen
ten gevolge van de boor- of funderingsactiviteiten dan ook niet verwacht en verder
buiten beschouwing gelaten.

Verstoring door licht tijdens de aanlegfase (-)
De mogelijke verstoring door licht tijdens de aanlegfase wordt als verwaarloosbaar
beschouwd, gezien het hoge niveau van achtergrondlicht op de huidige Maasvlakte.
Ook de gevolgen van het in gebruik zijn van Maasvlakte 2 met een veel hogere
lichtbelasting zijn in de deelstudie terrestrische natuur van het MER Maasvlakte 2
(Havenbedrijf Rotterdam, 2007), als verwaarloosbaar beoordeeld.

Depositie tijdens aanlegfase (-)
Tijdens de aanlegfase zullen gedurende een beperkte periode activiteiten worden
uitgevoerd waarbij NO
x
vrijkomt. De activiteiten betreffen het realiseren van boringen,
het ingraven van de buisleiding en elektriciteitskabel op land en op zee. Gezien de aard
van de activiteiten en de lengte van het traject (20 km) is de aanleg van de leiding en de
elektriciteitskabel op zee bepalend voor de totale uitstoot tijdens de aanlegfase. Hierbij
zijn 2 grotere en enkele kleinere schepen betrokken die echter niet volcontinu actief zijn.

Deelrapport Transport MER ROAD 9V7319.20/R0010_rev8/MVZ/ILAN/Rott
Definitief - 83 - 20 juni 2011
In de deelstudie Natuur van het MER Aanleg Maasvlakte 2 werd geconcludeerd dat op
basis van een vele malen hogere inzet van baggermaterieel en scheepvaartactiviteiten
die deels veel dichter bij N2000-gebieden plaatsvinden (de stortlocaties) dat de bijdrage
van de depositie tijdens de aanlegfase verwaarloosbaar klein is.

Gezien de veel beperktere scheepvaartactiviteit tijdens de aanleg van de buisleiding ten
gevolge van het ROAD-project kan geconcludeerd worden dat de bijdrage van
atmosferische depositie tijdens de aanlegfase verwaarloosbaar klein is.

Fysieke verstoring van beschermde soorten (-)
Er kunnen mogelijk effecten optreden op de soorten die conform tabel 8.6 mogelijk
aanwezig zijn op het trac door graafwerkzaamheden (fysieke verstoring).

In tabel 8.7 zijn de maatregelen uitgewerkt waarmee voorkomen kan worden dat de
voorspelde effecten op in het kader van de FFW beschermde soorten optreden. Met
inbegrip van deze maatregelen treden geen negatieve effecten op op FFW-soorten.

Tabel 8.7 Mogelijk optreden van schadelijke effecten opbeschermde soorten van tabel 2 en 3 van de
Flora- en faunawet nabij het trac van de buisleiding. Mitigatie staat aanbevolen in de laatste kolom.
Soortgroep Mogelijk
voorkomende
soorten
Mogelijk
schadelijk
effect
Mitigatie
Vaatplanten Bijenorchis ja - bij het aantreffen van individuen op het
trac, deze verplanten naar een geschikt
habitat in de omgeving
Broedvogels Stormmeeuw, Kluut,
Kleine plevier etc.
ja - buiten broedseizoen werken, en/of
- locatie ongeschikt houden, en/of
- buiten verstoringsafstand
broedgevallen blijven
Amfibien Rugstreeppad ja - amfibienscherm plaatsen, en
- evt. wegvangen van exemplaren, en
- voorkomen tijdelijke poelen

Conclusie effecten aanlegfase
De beoordeling licht negatief effect (-) wordt toegekend voor zowel verstoring,
atmosferische depositie en fysieke verstoring van beschermde soorten tijdens de
aanlegfase, er is een negatief effect maar niet onderscheidend. Voor het aanleggen van
de elektriciteitskabel vindt meer activiteit plaats, echter de effecten zijn ook hier licht
negatief. De beoordeling (-) wordt toegekend.

Effecten gebruiksfase
Het gebruik van de buisleiding kan op verschillende wijzen leiden tot een invloed op
beschermde habitats en soorten. Tijdens de aanleg zijn de volgende mogelijke effecten
relevant:

Verstoring (door geluid of licht);
Opwarming (van het buistrac).

Verstoring door geluid of licht tijdens transport (-)
Uit het akoestisch onderzoek (zie paragraaf 8.5), is gebleken dat de geluidsniveaus
tijdens de bedrijfsfase in en rondom de buisleiding verwaarloosbaar klein zijn.








9V7319.20/R0010_rev8/MVZ/ILAN/Rott Deelrapport Transport MER ROAD
20 juni 2011 - 84 - Definitief
De verlichting ten gevolge van de bedrijfsfase valt weg tegen de reeds aanwezige
achtergrondverlichting van de vele industrile activiteiten op de huidige Maasvlakte.
Derhalve wordt deze effectroute ook niet nader in beschouwing genomen.


Opwarming (van het terrestrisch gedeelte van het buistrac) (-)
Door afgifte van warmte op de omgeving door de transportleiding en elektriciteitskabel
zal de bodemtemperatuur lokaal verhogen. Deze invloed neemt af verder van de
buisleiding en elektriciteitskabel. De temperatuurverhoging op 20 cm van de mantel van
de buis (45 cm van het centrum van de pijpleiding) bedraagt maximaal 2 C. Op 60 cm
vanaf de mantel van de transportleiding is geheel geen temperatuurverhoging meer
waarneembaar. Deze effectroute wordt derhalve niet nader in beschouwing genomen.

Conclusie effecten gebruiksfase
De beoordeling licht negatief effect (-) wordt toegekend voor zowel verstoring als
opwarming door buisleiding in de gebruiksfase, er is een negatief effect maar niet
onderscheidend. In de gebruiksfase van de variant met de elektriciteitskabel treden
dezelfde effecten op ook voor deze variant wordt ook de beoordeling (-) toegekend.

Tabel 8.8 Effectbeoordeling Natuur land
Alternatief/Variant Thema Aspect Activiteit
Basisalternatief Variant met elektriciteitskabel
*

Aanlegfase,
verstoring (geluid,
trillingen, licht)
- -
Aanlegfase,
atmosferische
depositie
- -
Aanlegfase, fysieke
verstoring
beschermde soorten
- -
Gebruiksfase,
verstoring (geluid en
licht)
- -
Natuur
(land)


Beschermde
soorten en
beschermde
gebieden
Gebruiksfase,
opwarming door
buisleiding
- -

8.3.2 Effectbeschrijving natuur op zee
Het beoordelings- en toetsingskader voor mariene natuur heeft tot doel inzicht te geven
in de effecten van de aanleg respectievelijk aanpassing, het gebruik en het onderhoud
van de transportleiding op zee. Er is gekozen voor een set van criteria die aan de
volgende eisen voldoet:

Goede aansluiting bij nationaal en internationaal water- en natuurbeleid;
Goede aansluiting bij nationale en internationale wet- en regelgeving;
Eenduidige en herkenbare eenheden;
Kwantificeerbare eenheden.

Deelrapport Transport MER ROAD 9V7319.20/R0010_rev8/MVZ/ILAN/Rott
Definitief - 85 - 20 juni 2011

De opzet van het toetsingskader sluit aan bij de werkwijze die is ontwikkeld voor het
milieueffectrapport en de Passende Beoordeling Maasvlakte 2 en is in diverse latere
projecten toegepast, waaronder milieueffectrapporten voor de verruiming van het
Schelde-estuarium en een aantal windturbineparken op de Noordzee. De hoofdcriteria
komen direct overeen met de grondslag van het nationale en internationale
(water)natuurbeleid en -regelgeving (w.o. Natuur voor mensen, mensen voor natuur
2001, Nota Ruimte 2006, Integraal Beheerplan Noordzee 2015, EU Vogelrichtlijn 1979,
EU Habitatrichtlijn 1992, Kaderrichtlijn Water 2000, Kaderrichtlijn Mariene Strategie
2005). Deze grondslag luidt:

(behoud/bescherming/ontwikkeling van) nationale en internationale diversiteit van
ecosystemen (kortweg: diversiteit habitats);
(behoud/bescherming/ontwikkeling van) nationale en internationale diversiteit van
soorten (kortweg: diversiteit soorten).

Huidige situatie en ontwikkelingen
In het zuidelijk deel van het Nederlands Continentaal Plat, waarin de activiteiten voor het
CCS demonstratieproject plaatsvinden, worden twee verschillende gemeenschappen
van bodemdieren aangetroffen, een kust- en een offshore gemeenschap (Holtmann et
al., 1996; Kaag & Escaravage, 2007). De gemeenschappen verschillen van elkaar in
soortensamenstelling en biomassa. De hoogste biomassas worden in de
kustgemeenschap gevonden en heeft deze daarmee een belangrijke rol in het
voedselweb.

In de gehele Noordzee zijn in totaal 256 vissoorten waargenomen (Daan, 2000). Dit
betreft zowel soorten die hier echt thuishoren als passanten. Het ondiepere deel van de
Noordzee, waartoe ook het Nederlands Continentaal Plat (NCP) behoort, is het
leefgebied voor zon 75 soorten, die hier hun hele levenscyclus voltooien. Hiervan zijn er
weer een kleine 30 min of meer algemeen. Van de aandachtssoorten spelen
verschillende soorten ook een belangrijke rol in het mariene voedselweb (o.a.
platvissoorten als schol en tong, maar ook rondvissen als kabeljauw en dergelijke). Niet
aandachtssoorten die in relatief grote dichtheden voorkomen en om dezelfde reden van
belang zijn, zijn grondels (in kustzone), haring, sprot en zandspieringen.

In de kustwateren van het studiegebied komen vrijwel uitsluitend visetende watervogels,
met soorten als roodkeelduiker, fuut, aalscholver en verschillende sternsoorten
voorkomen. Deze soorten foerageren in een groot gebied; ze komen in de hele
kustzone voor. Onder de viseters in het studiegebied zijn zowel typische overwinteraars,
waaronder roodkeelduiker en fuut, als zomervogels, zoals grote stern en visdief die in
het studiegebied foerageren vanuit grote kolonies op de kust en vogels die nagenoeg
jaarrond aanwezig zijn (aalscholver, meeuwen), mede dankzij de aanwezigheid van
grote kolonies op het aangrenzende land. In principe vormen de kustwateren door de
aanwezigheid van bestanden van de schelpdieren een geschikt foerageergebied voor
zee-eenden.

Aanwezige zeezoogdieren worden hierna onder beschermde soorten besproken.

Ontwikkeling
Voor bodemdieren en vissen geldt dat op de middellange termijn allerlei veranderingen
mogelijk zijn als gevolg van klimaatverandering, verandering in vistechnieken en
intensiteit en dergelijke. Dergelijke veranderingen zijn op dit moment niet te voorspellen.
In de soortensamenstelling en de dichtheden van visetende vogels in de kustzone zullen
mogelijk veranderingen optreden als gevolg van de aanleg en de aanwezigheid van de







9V7319.20/R0010_rev8/MVZ/ILAN/Rott Deelrapport Transport MER ROAD
20 juni 2011 - 86 - Definitief
zandmotor. Door dit project zal voor de kust een zogenaamd natuureiland met
daarachter een luwer gebied ontstaan dat andere soorten zal aantrekken dan nu in het
gebied voorkomen (zie MER Zandmotor Delflandse kust en bijbehorend
achtergrondrapport Natuur, 2010).

Beschermde gebieden zee
Op een heel klein stukje aan de noordzijde van de Maasvlakte na, dat in de Voordelta
ligt, liggen zowel beide tracs als het platform buiten aangewezen of aangemelde
Natura 2000-gebieden. Het plangebied behoort wel in zijn geheel tot de EHS.

Ongeveer 40% van het NCP kan worden gerekend tot het natuurdoeltype hoog
dynamische zandige zone van de open zee. Het gebied wordt gekenmerkt door
bodems van vooral fijn tot matig grof zand en een waterdiepte tussen 20 tot 30 m.
Doordat de gehalten aan voedingsstoffen lager zijn, is de biologische productiviteit lager
dan in de kustzee. De kustzee is het gebied dat loopt vanaf de laagste laagwaterlijn tot
aan de 20 meter dieptelijn. Door de relatief geringe diepte en de aanvoer van voedselrijk
(rivier)water is de biologische productiviteit er hoog. Dit komt tot uiting in hoge
concentraties algen en een hoge biomassa bodemdieren. Hierdoor is het gebied van
groot belang als foerageergebied voor schelpdier- en visetende vogels en als
kinderkamergebied voor jonge vis. Daarnaast vervult de kustzee een functie als
paaigebied voor een aantal vissoorten en als doortrek- en rustgebied voor vogels en
vindt er transport van op de Noordzee geboren vislarven naar o.a. de Waddenzee
plaats. Binnen het Natura 2000-gebied Voordelta behoort de kustzee tot het Natura
2000 habitattype H1110B.

Ontwikkeling
Op de Noordzee worden geen ontwikkelingen verwacht die de oppervlakten van
natuurdoeltypenen habitattypen benvloeden. Kwaliteitsverbeteringen zijn te verwachten
door een afname van de waterverontreiniging en veranderingen in visserijmethoden.
Afname van de kwaliteit is te verwachten door een groeiende druk van diverse
gebruiksfuncties van de Noordzee, met name scheepvaart, zandwinning en windparken.
Langs de Delflandse kust zal een deel van de ondiepe onderwateroever verdwijnen door
de aanleg van de zogenaamde zandmotor.

In de Voordelta verdwijnt een kleine 2.000 ha van habitattype H1110B als gevolg van de
aanleg van Maasvlakte 2. Dit zal op de langere termijn tot een beperkt aantal kleine
morfologische veranderingen in de monding van het Haringvliet leiden. Verder is de
verwachting dat in het meest noordelijke, ten westen van de landaanwinning een
zogenaamde erosiekuil van maximaal 470 ha zal ontstaan. Hier is de waterdiepte
dermate groot dat het geen geschikte foerageerlocatie voor schelpdieretende eenden
mee is (ook als er schelpdieren zouden voorkomen).
Beschermde soorten zee
Tot de beschermde soorten die voorkomen in zee behoren een aantal vissen en alle
zeezoogdieren.


Deelrapport Transport MER ROAD 9V7319.20/R0010_rev8/MVZ/ILAN/Rott
Definitief - 87 - 20 juni 2011
Tabel 8.9 Voorkomen van aandachtssoorten vissen in het studiegebied (kust/offshore; + = aanwezig, -
= niet of zeer sporadisch aanwezig); HR = Habitatrichtlijn, Ffw = Flora- en faunawet ( = beschermd,
maar niet opgenomen in tabel 1, 2 of 3), doelsoort = doelsoort cf. Bal et al., 2001 (itz-criteria: I/i =
internationale betekenis, T/t = trend: soort is afgenomen, Z/z = zeldzaamheid; hoofdletter/kleine
letter geeft aan hoe sterk het criterium geldt), RL = Rode Lijst (categorien: EB=ernstig bedreigd;
BE=bedreigd, KW=kwetsbaar; GE= gevoelig)
Nederlandse naam status max. aantal per ha kust offshore
HR Ffw OSPAR doelsoort RL
dichtbij of op bodem levend
botervis - - tz KW +
3
+
5
-
diklipharder - - - it - +
3
+ -
driedradige meun - - iTz KW +
3
- +
dwergtong - - - it - 9,3 34
1
+ +
gevlekte gladde haai - - z GE 0 0,01
1
+ +
gevlekte rog - - iz - -
3
- +
grote pieterman - - - iTZ BE 0 0,03
2
- +
kabeljauw - - - - 0,07 0, 26
1
+ +
kleine pieterman - - it - 5,6 24
1
- +
kleine slakdolf - - iZ GE -
3
+
5
-
pijlstaartrog - - - TZ EB +
3
+ -
puitaal - - - it - +
3
+
5
-
ruwe haai - - - tz KW -
3
+ +
schol - - - I - 120 210
1
+ +
schurftvis - - it - 10-24
1
+ +
slakdolf - - it - 0 0,01
2
+
5
-
stekelrog - - - Tz KW +
3
- +
tong - - - I - 2,8 31
1
+ +
vijfdradige meun - - - it - 0 0,29
1
+ +
vorskwab - - iZ GE +
3
+ -
zeeprik B2 - I - +
3
+ +
zwarte grondel - - iZ GE +
3
+
5
-
hoog in de waterkolom levend

ansjovis - - - T GE +
4
+ +
fint B2 - - ITZ VN 0 0,04
1
+ -
geep - - - iz - 0 0,34
1
+ +
glasgrondel - - iTZ EB 0 0,01
2
+
5
-
grote koornaarvis - - TZ BE +
3
+ +
houting B2 tab. 3 I - -
3
+ -
spiering - - - iz - 0 0,04
1
+ -
zalm B2 - I - -
3
+ +
1 Tien et al., 2004
2 Daan et al., 1998, 1999, 2000
3 Asjes et al, 2004
4 Grift et al., 2004
5 soort is een estuariene resident en is vooral gebonden aan een estuarium-achtige omgeving, zoals de
Waddenzee, de Ooster- en Westerschelde of (delen van) de Voordelta. Indeling volgens Welleman, 1999
Zeehonden komen geconcentreerd voor in de Waddenzee en Delta, waar ze rustige
zandplaten gebruiken om te rusten. Meer dan 80% van hun tijd wordt echter
doorgebracht op een afstand van 10-200 km van deze platen, veelal op de Noordzee
(Brasseur et al., 2004). Wanneer ze niet zwemmen, verkiezen de Gewone zeehonden in
Nederland droogvallende zandbanken waar ze gedurende laagwater op de kant kunnen
komen. Grijze zeehonden worden hier ook gezien, maar lijken een voorkeur te hebben
voor banken die hoger zijn en dus langer droog liggen.








9V7319.20/R0010_rev8/MVZ/ILAN/Rott Deelrapport Transport MER ROAD
20 juni 2011 - 88 - Definitief
Beide zeehondensoorten vertonen grote individuele variatie in de frequentie waarmee
foerageertochten worden ondernomen, de afstanden die daarbij worden afgelegd en de
gebieden die worden bezocht. In het algemeen is de kennis over het gebruik van de
Noordzee door zeehonden relatief nieuw en dus beperkt. Op basis van de beperkte
kennis is voor de gewone zeehond uitgerekend dat er in het plangebied voor het CCS
op enig moment gemiddeld niet meer dan n individu kan worden aangetroffen (zie
achtergrondrapportage Natuur zee, bijlage T8).

Van de groep dolfijnen en tuimelaars komen bruinvissen in de Noordzee het meest voor.
Bruinvissen vertonen geen sterk migratiegedrag. Wel zijn er duidelijke seizoenspatronen
in de waargenomen dichtheden. Over het gehele Nederlands deel van het Continentaal
Plat bezien zijn de aantallen het laagst in de winter (december/januari) en het hoogst in
april/mei. In februari/maart is het aantal, langs de kust waargenomen bruinvissen echter
het hoogst. Uit de schattingen voor de aantallen bruinvissen in het plangebied voor het
CCS demonstratieproject is gebleken dat er in de periode februari/maart op enig
moment maximaal negen bruinvissen in het plangebied kunnen worden aangetroffen.
Dit is een marginaal percentage van de totale Noordzeepopulatie ongeveer 0,002
0,003% van de totale Noordzeepopulatie (zie achtergrondrapportage Natuur zee, bijlage
T8).

Naast zeehonden en bruinvissen kan een viertal dolfijnensoorten als inheems worden
gekenmerkt: tuimelaar, witsnuitdolfijn, witflankdolfijn en gewone dolfijn. De vier
dolfijnsoorten zijn in het zuidelijke deel van de Noordzee echter een zeldzame
verschijning. Ook de daar door vissers en recreatievaarders relatief veel gesignaleerde
witsnuitdolfijn is in specifiek op zeezoogdieren gerichte surveys in het studiegebied niet
waargenomen (Van der Meij & Camphuysen, 2006).

Ontwikkeling
Momenteel nemen de aantallen van beide zeehondensoorten in Nederland toe (TSEG,
2006). Het lijkt er wel op dat de groei van de populatie Gewone zeehonden afneemt.
Grijze zeehonden hebben zich relatief recent in het Nederlandse Waddengebied en de
Delta gevestigd. Hun aantallen groeien nog steeds snel, met 20% per jaar.

Op het Nederlands deel van het Continentaal Plat is de trend voor bruinvissen na 2005
negatief (Arts, 2008). Omdat niet bekend is wat de achterliggende reden van deze
fluctuaties is, is ook niet te voorspellen in hoeverre deze neergaande trend doorzet. Er
worden de komende jaren geen veranderingen in het voorkomen van drie va de vier
aandachtssoorten dolfijnen verwacht. De aantallen tuimelaars zouden de komende jaren
kunnen stijgen, wanneer blijkt dat de waarneming van groepen van tientallen
exemplaren in het Marsdiep in 2004 geen incident was, maar het begin van de
terugkeer van de tuimelaar in de kustwateren (Camphuysen & Peet, 2006).
Effecten aanlegfase

Onderwatergeluid (-)
In paragraaf 8.5 wordt ingegaan op onderwatergeluid. Hier is weergegeven welke
hoeveelheid onderwatergeluid vrijkomt bij de verschillende activiteiten voor aanleg en
gebruik van de buisleiding. Om de invloed van de toename van geluidsniveaus als
gevolg van de aanleg en de exploitatie van de transportleiding op vissen en

Deelrapport Transport MER ROAD 9V7319.20/R0010_rev8/MVZ/ILAN/Rott
Definitief - 89 - 20 juni 2011
zeezoogdieren in beeld te brengen is uitgegaan van het geluidsniveau waarbij tijdelijke
gehoorschade optreedt (TTS = Temporary Threshold Shift).

Net als bij andere horende organismen is de gevoeligheid van het gehoor van in het
water levende dieren niet over het gehele audiofrequentiebereik gelijk. Zo ligt voor de
Gewone zeehond de grootste gevoeligheid in het gebied met de hogere frequenties: zij
horen het best bij frequenties tussen ca. 1.000 en 30.000 Hz. Bruinvissen horen bij
lagere frequenties minder goed dan zeehonden, maar zijn daarentegen veel gevoeliger
bij de hogere frequenties tussen 10.000 en 150.000 Hz. Vissen horen het best bij veel
lagere frequenties die liggen tussen ca. 50 en 1.000 Hz. Dit is ook het gebied
waarbinnen verhoging van achtergrondgeluidniveaus als gevolg van scheepsgeluid kan
worden verwacht. In zijn algemeenheid zijn vissen minder gevoelig voor geluid dan
zeehonden, ook in dit deel van het geluid(sdruk)spectrum. Sommige vissoorten, zoals
Haring en Kabeljauw (gehoorspecialisten) hebben bij de laagste frequenties echter een
met zeehonden vergelijkbare gevoeligheid. Figuur 8.8 bevat audiogrammen van de
bruinvis, de gewone zeehond en een tweetal maatgevende vissoorten: de Schar (als
representant van de gehoorgeneralisten) en de Haring (een gehoorspecialist).


Ingraven buisleiding op zee en baggeren van zandduintjes
Tijdens de aanleg van de buisleiding en de elektriciteitskabel zijn meerdere schepen
tegelijk op de aanleglocatie aanwezig.

Figuur 8.8 Audiogrammen van bruinvis, gewone zeehond en een tweetal maatgevende vissoorten







9V7319.20/R0010_rev8/MVZ/ILAN/Rott Deelrapport Transport MER ROAD
20 juni 2011 - 90 - Definitief
Het gaat daarbij om een (pijpen)legschip, een schip voor het graven van de geul,
sleepboten, begeleidingsschepen en bevoorradingsschepen.

Mogelijk is op bepaalde locaties eerst een baggerschip aanwezig om bij aanwezigheid
van zogenaamde zandgolven de bodem te egaliseren (zie hoofdstuk 4 voor een
gedetailleerde beschrijving van de werkzaamheden en schepen). De bedrijvigheid van
deze schepen veroorzaakt gedurende de aanlegperiode van maximaal 6-8 weken een
toename van relatief laag frequent onderwatergeluid. De verwachting is dat het meeste
geluid wordt geproduceerd door de pijpenlegger en het eventueel in te zetten
baggerschip als gevolg van het feit dat deze schepen over extra schroeven beschikken
om het schip in positie te houden.

Het blijkt dat voor de bruinvis de grens waarbinnen bruinvissen tijdelijke gehoorschade
kunnen oplopen maximaal 630 m is voor een tijdsduur van 24 uur. Voor vissen, die
gevoeliger voor laag frequent geluid zijn, zijn de afstanden veel groter; bij een klein visje
dat gedurende 24 uur binnen een contour van 10 km ten opzichte van een volop in
bedrijf zijnde pijpenlegschip verblijft, zou de TTS-drempel kunnen worden overschreden.
Bij een verblijfsduur van 6 uur bedraagt de veilige afstand 2,5 km en bij een verblijfsduur
van 3 uur is dat 1,3 km.

In Tabel 8.10 zijn de oppervlakten benvloed gebied voor bruinvissen, zeehonden en
vissen opgenomen en de duur van de effecten. Uit het overzicht blijkt dat tijdens de
aanlegfase in maar een zeer gering deel van het zuidelijk deel van het Nederlands
Continentaal Plat dieren mogelijk tijdelijke gehoorschade zouden kunnen oplopen. De
maximale benvloede oppervlakte van 1,2 km
2
vormt normaliter in februari/maart, als de
dichtheden het hoogst zijn, het leefgebied voor nog niet eens 1 bruinvis (feitelijk 0,6). Dit
is zo weinig dat geconcludeerd kan worden dat effecten op de totale Noordzee-populatie
van 260.00-490.00 exemplaren kunnen worden uitgesloten.


Tabel 8.10 schatting van maximale geluidseffecten van de aanleg van de transportleiding en
elektriciteitskabel op zeezoogdieren en vissen als zij gedurende de aangegeven tijden binnen de TTS-
contour verblijven (uitgedrukt in opp. benvloed gebied in km
2
). De totale duur van de aanlegfase
bedraagt 6-8 weken
opp. benvloedingszone % zuidelijke Noordzee
3 uur 6 uur 24 uur 3 uur 6 uur 24 uur
bruinvis 0,02 0,8 1,2 <<0,1 <<0,1 <<0,1
vissen -
groot
0,03 3,1 50,2 <<0,1 <0,1 0,3
vissen -
klein
4,9 19,6 314 <0,1 0,1 1,7

HDD boring Maasmonding
Onder water ontstaat tijdens het boren geluid dat door boren door contact van de boor
met het zand, 7 m onder het water/bodemoppervlak. Er is geen direct contact met het
water, waardoor er geen directe overdracht van trillingen naar het water is. Uit de
literatuur blijkt dat boren vooral laag frequent, tonaal geluid veroorzaakt in de 31 en 62
Hz tertsbanden (zie achtergrondrapportage onderwatergeluid, TNO 2011, bijlage T5).

Deelrapport Transport MER ROAD 9V7319.20/R0010_rev8/MVZ/ILAN/Rott
Definitief - 91 - 20 juni 2011
TNO schat in dat de boorgeluiden/-trillingen in het water wellicht waarneembaar zullen
zijn, maar dat ze ten opzichte van het scheepsgeluid van de hier zeer drukbevaren
vaargeul ondergeschikt zullen zijn. Effecten op vissen en zeezoogdieren als gevolg van
het boren onder de vaargeul kunnen daarmee worden uitgesloten.

Aangezien het oppervlak aan benvloedingszone van onderwatergeluid gedurende de
aanleg van de buisleiding op zee en de baggerwerkzaamheden zeer gering is en
effecten van onderwatergeluid van het boren onder de vaargeul uitgesloten zijn, wordt
de beoordeling licht negatief( -) toegekend.

Emissies tijdens aanleg (-)
Emissies van toxische stoffen kunnen plaatsvinden door uitlogen van verfproducten
(antifoulings) op scheepsrompen en de uitstoot van verbrandingsmotoren.

Antifoulings
Moderne antifoulings zijn gebaseerd op siliconen of scheiden koperhoudende biociden
uit
5
. Toxische stoffen kunnen op verschillende manieren effecten hebben op de vitaliteit
van vissen en zeehonden. Van biocidevrije antifoulings zijn geen effecten op de
waterkwaliteit te verwachten (Wijga e.a., 2008). Van de overige antifoulings zou alleen
van de uitloging van koper een effect kunnen worden verwacht. Uit de hieronder
weergegeven worst case berekening voor de uitloging van koper van de tijdens de
aanleg aanwezige schepen, namelijk als alle tijdens de aanleg aanwezige schepen van
koperhoudende anti-fouling zijn voorzien, blijkt dat het om zulke kleine hoeveelheden
gaat dat effecten op de kwaliteit van habitats als gevolg van de aanleg van de
buisleiding en elektriciteitskabel kunnen worden uitgesloten.

Uitloging koper uit antifouling
De maximale verhoging van de koperconcentratie in het water als gevolg van de uitloging van koper
van de romp van n baggerschip is berekend op basis van de volgende gegevens:
De emissiesnelheid van koper bedraagt 10 g per cm
2
nat scheepsoppervlak per dag;
Het natte scheepsoppervlak van het grootste schip dat bij de aanleg wordt gebruikt is geschat
op 5000 m
2
;
Tijdens de aanleg zijn verder 5 kleinere schepen aanwezig met een gezamenlijk nat
scheepsoppervlak van 1.500 m
2
.
Uit de berekening blijkt dat de uitloging van koper maximaal 0,65kg per dag bedraagt. Ervan
uitgaande dat deze hoeveelheid zich verspreidt over een oppervlakte van 15 x 15 km, dan betekent
dat bij een diepte van 20 m een concentratieverhoging met 0,14 x 10
-6
mg/l. Bij een over de periode
2007-2009 gemiddelde achtergrondconcentratie van 0,67 x 10
-3
mg/l (www.waterbase.nl) is dit een
verwaarloosbare verhoging van 0,02%. Als gevolg van de getijbeweging wordt het water rond de
aanleglocatie voortdurend ververst als gevolg waarvan het koper niet locaal inde organismen zal
worden opgehoopt.

Uitstoot van verbrandingsmotoren
Eventuele effecten van verbrandingsstoffen op de waterkwaliteit betreffen de uitstoot
naar de lucht en vervolgens depositie van stikstof- en zwaveloxiden (NOx en SO2).

5
Organotin speelt geen rol meer: via een convenant is afgesproken dat vanaf 2000 geen organotinhoudende
coating meer wordt toegepast en vanaf 2003 geen organotinhoudende coating meer aanwezig mag zijn in de
actieve toplaag. In 2008 ging bovendien de wereldwijde ban op toepassing van deze middelen in.







9V7319.20/R0010_rev8/MVZ/ILAN/Rott Deelrapport Transport MER ROAD
20 juni 2011 - 92 - Definitief
Opgelost in het zeewater kunnen de stoffen een rol gaan spelen in het mariene
voedselweb. Daarbij is vooral de rol van stikstof (in de vorm van nitraat, NO3-) van
belang, omdat dit een van de belangrijkste nutrinten (voedingsstoffen) voor algen is.
Extra nutrinten kunnen in het watersysteem een effect hebben op de algenproductie en
daarmee op de kwaliteit van habitattypen.

Grotere veranderingen in het voedselweb kunnen ook doorwerken naar soorten hoger in
de voedselketen, zoals vissen, vogels en zeehonden. Uit berekeningen (zie
onderstaand tekstblok) kan echter worden afgeleid dat de door de emissies van NOx en
zwavelverbindingen optredende concentratieverhogingen dermate gering zijn dat
effecten als gevolg van de aanleg van de transportleiding en de elektriciteitskabel op de
kwaliteit van habitats kunnen worden uitgesloten.

Emissies van stikstof- en zwaveloxiden
De maximale verhoging van de stikstof- en zwavelconcentraties in het water als gevolg van de
verbranding en uitstoot van stikstof- en zwaveloxiden door de activiteiten van de bij de aanleg van de
betrokken schepen is als volgt geschat:
Het brandstofverbruik van de schepenis geschat op maximaal101.786 liter per dag (5,7 miljoen
liter voor de aanleg van transportleiding en elektriciteitskabel);
De emissiefactoren voor NOx en SO2 bedragen respectievelijk 59 en 5,5 g per kg verbruikte
brandstof (Klein e.a., 2007);
NOx bestaat voor 95% uit NO en voor 5% uit NO2;
De depositie naar het zeewater bedraagt 100% (er komt dus niets op het land terecht).
Uit de berekening blijkt dat bij een berekende dagelijkse emissie van 5.165 kg NOx en 481 kg SO2
maximaal 2.368kg stikstof en 241 kg zwavel op het water zou kunnen neerkomen. Ervan uitgaande
dat deze hoeveelheid zich verspreidt over een oppervlakte van 15 x 15 km, dan betekent dat een
concentratieverhoging met 1,1 x 10
-3
mg stikstof per liter en 0,11 x 10
-3
mg zwavel per liter. Dit is een
verwaarloosbare tijdelijke verhoging van de in de kustzee voorkomende achtergrondconcentraties
van 51 mg N/l en 910 g S/l (respectievelijk 0,20 tot 0,26%
6
en minder dan 0,001%).Dit zijn
demaximale dagelijkse concentratieverhogingen per dag. Als gevolg van de netto noordwaarts
gerichte getijdestroming vindt namelijk voortduren verversing van het water rond de aanleglocatie
plaats, waardoor de nutrinten zich uiteindelijk over een veel grotere oppervlakte verspreiden.

Aangezien de effecten van uitloging van antifouling en uitstoot van verbrandingsmotoren
een licht negatief effect hebben, wordt de beoordeling (-) toegekend.

Bodemberoering, troebeling en sedimentatie tijdens aanleg (-)
De met aanleg van de transportleiding en de elektriciteitskabel gepaard gaande
ingraafwerkzaamheden en baggerwerkzaamheden zullen leiden tot een beperkte,
tijdelijke verstoring van de zeebodem. Lokaal heeft dit de verwijdering van niet-mobiele
bodemdieren tot gevolg. Om de gevolgen hiervan op de kwaliteit van de habitats te
kunnen beoordelen wordt (als worst case scenario) aangenomen dat alle aanwezige
fauna zal worden verwijderd. De omvang van de gevolgen van de verstoring van de
zeebodem is bepaald aan de hand van de vergravingsbreedte en de lengte van het
trac van de transportleiding en elektriciteitskabel.

6
De bandbreedte is het gevolg van bandbreedte in de achtergrondconcentratie. Deze is in de kustzone
hoger dan op open zee. Hierdoor is de berekende concentratieverhoging in de kustzone iets lager dan op
open zee.

Deelrapport Transport MER ROAD 9V7319.20/R0010_rev8/MVZ/ILAN/Rott
Definitief - 93 - 20 juni 2011
Tabel 8.11 bevat een overzicht van de oppervlakten verstoord gebied en het aandeel
dat deze oppervlakten uitmaken van de totale oppervlakte waar de betreffende
bodemdiergemeenschap voorkomt.

Uit de getallen is duidelijk dat het door de graafwerkzaamheden verstoorde oppervlakte
ten opzichte van het totale leefgebied van bodemdieren verwaarloosbaar is. Het betreft
bovendien een tijdelijk effect; binnen enkele jaren zal de oorspronkelijke
bodemdiergemeenschap zich hebben hersteld.
Tabel 8.11 Oppervlakten (tijdelijk) verstoorde zeebodem langs het trac per alternatief in de kustzone
en het offshore gebied (werkbreedte aan weerszijden van de transportleiding/kabel 10 m)
oppervlakte verstoorde bodem
(km
2
)
% totale oppervlakte bodemfauna
gemeenschap
alternatief/variant
kustzone offshore kust offshore
Basisalternatief 0,13 0,23 0,002 0,001
Variant met elektriciteitskabel 0,26 0,46 0,004 0,002

Troebeling van zeewater en slibsedimentatie als gevolg van ingraaf- /
baggerwerkzaamheden
Het eventueel egaliseren van de bodem het vervolgens ingraven/leggen van de
transportleiding en de elektriciteitskabel zal ertoe leiden dat het bodemmateriaal moet
worden weggehaald en dat het daarin aanwezige fijne materiaal (slib) in suspensie
komt. Dit heeft lokaal een (tijdelijke) toename van het slibgehalte van het water tot
gevolg (troebeling). Dit kan tot de volgende effecten leiden:

De lichtomstandigheden in de waterkolom worden slechter, waardoor een afname
van de primaire productie (groei van fytoplankton) optreedt;
Vissen die op zicht jagen kunnen problemen ondervinden bij het vangen van hun
prooi;
Sedimentatie van (een deel van) het omgewoelde materiaal zodat organismen
levend onder het neervallende materiaal begraven worden en daardoor sterven of
hinder ondervinden bij de ademhaling en de opname van voedsel.

In paragraaf 8.1 is een schatting gemaakt van de lokale verhoging van de
slibconcentratie tijdens de aanlegperiode. Het resultaat van deze schatting is
opgenomen in tabel 8.12.

Tabel 8.12 Overzicht maximale slibconcentratie in suspensie tijdens de aanleg
Concentratie slib in suspensie,
gemiddeld over de gehele waterkolom (mg/l)
Basisalternatief 0.3
Variant met elektriciteitskabel 0.5

De tijdelijke verhoging van de slibconcentratie is ten opzichte van een
achtergrondconcentratie van 20 30 mg/l in de kustzee (< NAP 20 m) en een
natuurlijke variatie van 5 100 mg/l verwaarloosbaar. Ook op dieper water waar de
achtergrondconcentratie 5 10 mg/l bedraagt is de verhoging van weinig betekenis
gezien de plaatselijkheid en de tijdelijkheid van het effect.







9V7319.20/R0010_rev8/MVZ/ILAN/Rott Deelrapport Transport MER ROAD
20 juni 2011 - 94 - Definitief
In feite zijn de effecten te vergelijken met effecten die optreden bij een storm: er komt
tijdelijk een bepaalde hoeveelheid fijn materiaal uit de bodem vrij die na verloop van tijd
door natuurlijke processen weer op de bodem terechtkomt. In tegenstelling tot de
effecten van zandwinning voor bijvoorbeeld Maasvlakte 2 of strandsuppleties wordt het
zand namelijk niet aan het systeem onttrokken, maar wordt uitsluitend verplaatst. Omdat
ook geen effecten op de beschikbaarheid van voedingsstoffen optreden, kunnen
effecten op de primaire productie worden uitgesloten.

Aangezien de bodemberoering die plaatsvindt door graaf- en baggerwerkzaamheden
tijdelijk en verwaarloosbaar is en effecten op primaire productie door slib in suspensie
worden uitgesloten, wordt de beoordeling -, een niet onderscheidend effect toegekend.

Visuele verstoring
Door de aanwezigheid van de diverse schepen die voor de aanleg van de
transportleiding en de elektriciteitskabel nodig zijn kan verstoring van in de nabijheid van
de aanleglocatie rustende en/of foeragerend vogels optreden. Het gaat om diverse
soorten visetende vogels als meeuwen, jagers, jan van genten en in de kustzone ook
futen en aalscholvers. Voor het berekenen van de oppervlakte verstoord gebied wordt
als minimale verstoringsafstand 600 m aangehouden (Bouma e.a., 2002). Er is worst
case van uitgegaan dat alle vogels binnen deze afstand tot de aanleglocatie zullen
verdwijnen
7
.

Tabel 8.13 geeft een overzicht van de maximale aantallen kust- en zeevogels die
normaliter zouden voorkomen in het gebied dat door de aanlegactiviteiten tijdelijk wordt
verstoord.
Tabel 8.13 Maximaal aantal verstoorde vogels tijdens de aanleg van de transportleiding en
elektriciteitskabel
Soort kustzone open zee
fuut 5 0
aalscholver 3 0
noordse stormvogel 0 1
jan van gent 0 2
drieteenmeeuw 23 23
dwergmeeuw 23 7
kleine mantelmeeuw 46 23
stormmeeuw 23 12
grote stern 3 2
visdief/noordse stern 23 12
alk/zeekoet 5 5
Totaal 154 87

Aangezien de verstoring relatief klein is, zeker ten opzichte van de autonome
scheepvaart in het gebied, wordt de effectbeoordeling licht negatief (-) toegekend.


7
Sommige soorten, zoals meeuwensoorten en visdieven worden juist door scheepsactiviteiten
aangetrokken.

Deelrapport Transport MER ROAD 9V7319.20/R0010_rev8/MVZ/ILAN/Rott
Definitief - 95 - 20 juni 2011
Effecten gebruiksfase

Onderwatergeluid gedurende gebruiksfase (-)

Onderwatergeluid als gevolg van scheepsbewegingen
Om te controleren of de in de bodem gewerkte buisleiding op diepte blijft liggen, is het
van belang om in de eerste jaren na aanleg inspectie uit te voeren. Hiermee wordt
gecontroleerd of de aanvankelijke ingraafdiepte voldoende is en of de bodemdynamiek
(erosie en sedimentatie) voldoet aan de verwachtingen. Het is nog niet bekend hoe vaak
deze inspecties dienen plaats te vinden. De hiermee gepaard gaande
scheepsbewegingen vallen echter in het niet bij de scheepsbewegingen als gevolg van
de aanleg van de transportleiding en eventueel elektriciteitskabel. Aangezien er als
gevolg van de door de aanleg veroorzaakte toename van het onderwatergeluid zeer
geringe of verwaarloosbare effecten op het zeeleven zal hebben, zijn er geen effecten
van de scheepsbewegingen ten behoeve van onderhoud te verwachten.

Onderwatergeluid als gevolg van stroming van CO
2

Bij een in gebruik zijnde, 1 m onder het water-bodemoppervlakbegraven en gesoleerde
CO
2
-transportleiding kan stromingsgeluid in de buisleiding optreden. TNO concludeert
naar aanleiding van het onderzoek naar de verschillende, met het CCS
demonstratieproject CCS samenhangende geluidsbronnen dat de geluidafstraling naar
het water verwaarloosbaar is (bijlage T5). Effecten als gevolg van stromingsgeluid door
de transportleiding op het zeeleven kunnen dan ook worden uitgesloten.

Er zal geen merkbaar onderwatergeluid optreden door scheepsbewegingen ter inspectie
en door het stromen van CO
2
door de buisleiding (-).

Magnetische velden tijdens gebruik (0, -)
Zoals in paragraaf 8.10 beschreven, ontstaat in de exploitatiefase door transport van
elektriciteit een magnetisch veld rond de elektriciteitskabel; dit kan invloed hebben op
vissen en zeezoogdieren die hiervoor relatief gevoelig zijn. Uit eerdere studies naar
elektromagnetische velden rond elektriciteitskabels van- en naar windparken op zee is
gebleken dat ten opzichte van het natuurlijke aardmagnetische veld de verhoging aan
het water/bodem oppervlak verwaarloosbaar is. Er zijn daarom zijn geen effecten op
daarvoor gevoelige organismen te verwachten (-).

Zoals in paragraaf 8.10 toegelicht, ontstaat door de aanwezigheid van het magnetische
veld een secundair elektrisch veld.

Secundair elektrisch veld
Het secundaire elektrische veld dat wordt genduceerd door het magnetische veld heeft
invloed op het gedrag van bepaalde soorten kraakbeenvissen, zo blijkt uit onderzoek
van COWRIE (Collaborative Offshore Wind Research Into The Environment). Met name
kraakbeenvissen zijn gevoelig voor elektrische velden. In de studie (COWRIE 2.0
Electromagnetic Fields (EMF) Phase 2) door Gill et al. is middels een aantal
proefopstellingen de invloed van een in werking zijnde elektriciteitskabel in de
zeebodem op het gedrag van de gewone rog (Raja clavata) en de hondshaai
(Scyliorhinus canicula) aangetoond. De reactie van deze twee soorten is niet
voorspelbaar en lijkt soort specifiek te zijn, mogelijk zelfs specifiek voor individuen.
De roggen leken binnen het elektromagnetische veld meer rond te zwemmen dan
daarbuiten. De hondshaaien leken dichter naar de elektriciteitskabel te verplaatsen,
maar daar minder te bewegen dan buiten het elektromagnetische veld.








9V7319.20/R0010_rev8/MVZ/ILAN/Rott Deelrapport Transport MER ROAD
20 juni 2011 - 96 - Definitief
Aangezien niet is onderzocht of deze effecten van negatieve invloed zijn op de
kraakbeenvissen (en daar binnen de studie bewust geen uitspraak over gedaan wordt),
is het in dit MER ook niet mogelijk om een conclusie of effectbeoordeling aan
bovenstaande te verbinden. De effecten van het secundaire elektrische veld worden niet
verder meegenomen in de effectbeoordeling.

Warmteontwikkeling tijdens gebruik (-,0)
Gebruik buisleiding en elektriciteitskabel
Bij gebruik van de transportleiding en de kabel wordt ook warmte geproduceerd; de
temperatuur direct rond de leiding kan hierdoor bij maximale belasting oplopen tot 28C.
De transportleiding en de elektriciteitskabel liggen beide ongeveer 1 m onder het
bodem-wateroppervlak. Voor zowel de transportleiding als elektriciteitskabel wordt
geschat dat er op 60 cm van de buis en kabel geen waarneembaar verschil meer met
de omgevingstemperatuur zal zijn. Dit betekent dat er geen effecten op de lokale, in de
bovenste ca. 10 cm van de bodem levende fauna zijn te verwachten (-).

Calamiteit tijdens gebruik (-)
Als gevolg van een calamiteit zou de transportleiding kunnen scheuren (hoewel de kans
dat dit gebeurt zeer gering is, zie Tebodin, 2011, bijlage T3), waardoor CO
2
in het water
vrijkomt. Bij vrijkomen van CO
2
onder water ontstaat een zogenaamde bubble plume
die zich naar het wateroppervlak beweegt om zich daar te verspreiden. Omdat CO
2

zwaarder is dan lucht, zal het gas zich in lucht op het grensvlak met het zeewater als
een wolk verspreiden. De waterdiepte is bepalend voor de dimensies van de gaswolk
aan het wateroppervlak: hoe groter de diepte, hoe meer de uistroomsnelheid door het
water wordt gereduceerd en hoe groter de oppervlakte waarover CO
2
zich boven water
zal verspreiden (en hoe platter de wolk).

Vogels die zich op of nabij het wateroppervlak bevinden kunnen bij het optreden van
een dergelijke calamiteit negatieve effecten van het vrijgekomen CO
2
ondervinden
doordat zij verdoofd raken of bij zeer hoge concentraties zelfs sterven. Om een
inschatting te maken van de maximale omvang van het benvloedingsgebied en de
effecten op vogels, zijn door Tebodin modelberekeningen uitgevoerd om de dimensies
van de gaswolk te bepalen (TNO, 2011, bijlage T5). De berekeningen zijn uitgevoerd
voor een relatief rustig weertype, te weten een nachtsituatie met een gemiddelde
bewolking en een windsnelheid van 1,5 m/s.

Dit is een worst case situatie, want door de lage windsnelheid en de stabiele atmosfeer
zal de invloed van het weer op het vrijgekomen CO
2
minimaal zijn, zodat de
concentratie in de wolk minder snel daalt. Voor de bepaling van de effecten op vogels is
van grenswaarden voor de CO
2
concentratie van 10% en 20% uitgegaan. Dit zijn
waarden die, met de nodige veiligheidsmarges zijn afgeleid van een vergelijking van
verdovingstechnieken voor pluimvee (Morgenstern et al., 2009).

Daarbij kan 10% als een veilige waarde worden beschouwd waaronder geen effecten
optreden, kunnen vogels tussen 10 en 20% verdoofd raken en zou bij concentraties van
meer dan 20% sterfte kunnen optreden.

Tabel 8.14 bevat het resultaat van de modelberekeningen. Weergegeven zijn de
maximale oppervlakten waarbinnen de CO
2
concentratie 20 cm boven het

Deelrapport Transport MER ROAD 9V7319.20/R0010_rev8/MVZ/ILAN/Rott
Definitief - 97 - 20 juni 2011
wateroppervlak meer dan 10% en meer dan 20% bedragen. Daarnaast is voor dezelfde
grenswaarden weergegeven wat de maximale hoogte van de wolk is als de
transportleiding in het ondiepere water van de kustzone zou scheuren en wanneer dat in
het off shore gelegen deel zou gebeuren. Voor details van de berekeningen wordt
verwezen naar bijlage T3 en Tebodin (2011).
Tabel 8.14 Omvang van gebied van verhoogde CO2-concentraties op zee (oppervlakte op 20 cm
boven het wateroppervlak en maximale hoogte) bij scheuren van de transportleiding
CO2 concentratie
10% 20%
oppervlakte (km
2
) 0,57 0,25
maximale hoogte (m) kustzone 34 30
off shore 16 12

Voor het berekenen van effecten op foeragerende kust- en zeevogels is er worst case
van uitgegaan dat alle vogels die zich bij het optreden van de calamiteit binnen de
contour van 10% CO
2
bevinden zullen sterven (verdrinken), omdat zij direct verdoofd
raken en niet kunnen ontsnappen. Tabel 8.15 bevat het resultaat van de berekeningen.








9V7319.20/R0010_rev8/MVZ/ILAN/Rott Deelrapport Transport MER ROAD
20 juni 2011 - 98 - Definitief
Tabel 8.15 Maximale sterfte van vogels door vrijkomen CO2 (aantal individuen)
Soort kustzone open zee
fuut 1 0
drieteenmeeuw 3 3
dwergmeeuw 3 1
kleine mantelmeeuw 6 3
stormmeeuw 3 1
visdief/noordse stern 3 1
alk/zeekoet 1 1
Totaal 20 10

Aangezien de kans op voorkomen van een calamiteit erg klein is en de gevolgen relatief
klein zijn, wordt de effectbeoordeling licht negatief (-).

Visuele verstoring
In de gebruiksfase dienen regelmatig inspecties van de transportleiding en de
elektriciteitskabel plaats te vinden (vooral in de eerste jaren). Bij dergelijke inspecties
gaat het om scheepsbewegingen van een relatief klein schip. Dit zal niet tot
noemenswaardige verstoring van vogels leiden (-).


Deelrapport Transport MER ROAD 9V7319.20/R0010_rev8/MVZ/ILAN/Rott
Definitief - 99 - 20 juni 2011
Effectbeoordeling Natuur op zee

Tabel 8.16 Effectbeoordeling natuur op zee
8

Alternatief/Variant Thema Aspect Activiteit
Basisalternatief Variant met
elektriciteitskabel
Onderwatergeluid
tijdens aanleg
HDD boring,
ingraven buisleiding,
baggeren van
zandduintjes
- -
Emissies tijdens
aanleg
Uitstoot van
verbrandingsmotoren
- -
Bodemberoering,
troebeling en
sedimentatie tijdens
aanleg
Ingraven buisleiding
en baggeren
zandduintjes
- -
Visuele verstoring Scheepvaart-
bewegingen aanleg
buisleiding
- -
Onderwatergeluid
tijdens gebruik
Stromen van CO2
door de buisleiding
- -
Magnetische velden
tijdens gebruik
Gebruik van de
elektriciteitskabel
0 -
Warmteontwikkeling
tijdens gebruik
Gebruik buisleiding
en elektriciteitskabel
- 0
Calamiteit tijdens
gebruik
Vrijkomend CO2 in
water en lucht
- -
Natuur
(zee)




Verstoring Inspectie buisleiding - -

Effectbeoordeling beschermde gebieden (-)
De mogelijke effecten van aanleg en gebruik op beschermde gebieden zijn beperkt tot
verhoogde concentraties van stikstof- en zwavelverbindingen, bodemberoering,
troebeling, en warmteontwikkeling. Bij een calamiteit kan verhoogde CO
2
in het water tot
effecten leiden.

Uit de analyse van de verschillende effectroutes is gebleken dat de effecten dermate
klein en daarmee effecten op habitats marginaal zijn. Het aspect effecten op
beschermde gebieden wordt daarom als licht negatief beoordeeld (-).

Effectbeoordeling beschermde soorten (-)
De mogelijke effecten van aanleg en gebruik op beschermde soorten zijn beperkt tot
verstoring als gevolg van (onderwater)geluid, licht, bodemverstoring, trilling,
warmteontwikkeling en het ontstaat van elektrische velden.


8
In de achtergrondrapportage natuur zee (bijlage T9) is de beoordeling 0 toegekend aan de verwaarloosbare
effecten. Vanwege de methodiek in dit MER is de toegekend.







9V7319.20/R0010_rev8/MVZ/ILAN/Rott Deelrapport Transport MER ROAD
20 juni 2011 - 100 - Definitief
Uit de analyse van de verschillende effectroutes is gebleken dat effecten enerzijds
dermate klein zijn dat zich geen verstoring voordoet en anderzijds wel tot mogelijke
effecten kan leiden, maar de te verstoren soorten zodanig gering voorkomen dat
effecten marginaal zijn. Het aspect effecten op beschermde soorten wordt daarom als
licht negatief beoordeeld (-).

Effectbeoordeling Natuur

Tabel 8.17 Effectbeoordeling natuur
9

Alternatief/Variant Thema Aspect Activiteit
Basisalternatief Variant met elektriciteitskabel
Beschermde
gebieden
Alle - - Natuur
Beschermde
soorten
Alle - -

8.4 Archeologie
Voor het thema archeologie wordt getoetst op de kans op verstoring van het
archeologisch bodemarchief. Voor het bepalen of de aanleg van de buisleiding kan
leiden tot aantasting of vernietiging van mogelijk aanwezige archeologische resten is
een archeologisch vooronderzoek (bureauonderzoek) uitgevoerd (RAAP, 2011), bijlage
T6.

8.4.1 Effectbeschrijving archeologie
Huidige situatie en ontwikkelingen
Het trac kruist de vaarroute van en naar Rotterdam. De verwachting voor resten van
schepen uit de 'grote vaart' is dan ook hoog, maar ook voor de kleinere kustvaart,
vissersschepen en uit de koers geraakte vaartuigen is de verwachting hoog. De
plaatselijke geologie maakt het bovendien mogelijk dat eventuele wrakken (deels) zijn
afgedekt in de actieve laag. Dit betekent dat resten goed geconserveerd zullen zijn en
mogelijk geheel zijn afgedekt.

In figuur 8.9 is een overzicht te zien van de gelokaliseerde scheepswrakken en andere
waarnemingen.


9
In de achtergrondrapportage natuur zee (bijlage T9) is de beoordeling 0 toegekend aan de verwaarloosbare
effecten. Vanwege de methodiek in dit MER is de toegekend.

Deelrapport Transport MER ROAD 9V7319.20/R0010_rev8/MVZ/ILAN/Rott
Definitief - 101 - 20 juni 2011

Figuur 8.9 Ligging van het plangebied (zwarte lijn) met ARCHIS-waarnemingen (rood), scheepswrakken
(blauw) en sonarcontacten (groen) op de CHS van Zuid-Holland; inzet: ligging in Nederland (ster).

In ARCHIS (ARCHeologisch Informatie Systeem) staat binnen 1000 m van het trac n
waarneming geregistreerd (409479). Het gaat om een in 2007 onderzocht scheepswrak
van een -vermoedelijk- klein transportschip, mogelijk uit de 19e eeuw met resten van de
lading (metaal) en ballast. De dichtstbijzijnde andere waarnemingen bevinden zich op
2000 m van het zuidelijkste punt van het trac op zee. Het betreft twee
scheepswrakken, de 'Louise' uit 1879 en de 'Marie' uit 1878 (ARCHIS-
waarnemingsnummers 46834 en 46833). Beide wrakken zijn ook bekend uit het
Wrakkenregister van de Hydrografische Dienst, maar op andere locaties in de buurt.







9V7319.20/R0010_rev8/MVZ/ILAN/Rott Deelrapport Transport MER ROAD
20 juni 2011 - 102 - Definitief
Drie wrakken liggen verder weg van het trac dan 300 m: wraknummer 1969, 1872 (de
Ceres) en 1928 (de Lindisfarne, een Brits stoomvrachtschip, gezonken in 1908 na een
aanvaring.

Twee wrakken liggen binnen een afstand van 300 m: wraknummer 1871 en 1874 (de
Hertha Engelina Fritzen, een Duits stoomvrachtschip dat in 1941 aan de grond liep aan
de ingang van de Nieuwe Waterweg. Beide wraklocaties zijn inmiddels afgedekt door de
Maasvlakte.

Twee wrakken liggen vrijwel in het trac: wraknummer 3133, geregistreerd als
'wrakresten, vuile grond, niet langer gevaarlijk voor bovenwaterscheepvaart, maar te
vermijden bij ankeren, vissen etc.' en wraknummer 1870 (geen verdere gegevens
bekend). Wrak 1870 is inmiddels afgedekt door de Maasvlakte. Van geen van deze 7
wrakken is een diepte bekend.

Een kleine kans bestaat op het aantreffen van vliegtuigwrakken uit de Tweede
Wereldoorlog. Er zijn geen vliegtuigwrakken bekend in het trac.

Op de IKAW (De Indicatieve Kaart van Archeologische Waarden) valt een deel van het
trac in een zone met een hoge archeologische verwachting. Deze waardering is
gebaseerd op de bodemgesteldheid in het plangebied.

Effecten archeologie (--)
Op basis van de gespecificeerde archeologische verwachting en de voorgenomen
bodemingrepen, kan worden geconcludeerd dat bij de aanleg van de buisleiding
vermoedelijk archeologische waarden zullen worden verstoord. De beoordeling voor het
basisalternatief wordt hiermee negatief (--). Bij aanleg van de variant met de
elektriciteitskabel zal mogelijk meer verstoring van archeologische waarden optreden,
ook deze variant veroorzaakt een negatief effect (--).

Tabel 8.18 Effectbeoordeling archeologie en landschap
Alternatief/Variant Thema Aspect Activiteit
Basisalternatief Variant met
elektriciteitskabel
Archeologie

Verstoring
archeologisch
bodemarchief
Alle
-- --

8.5 Geluid
Voor het thema geluid zijn de aspecten geluidhinder en onderwatergeluid van belang. Er
zijn akoestische onderzoeken gedaan naar de effecten van het ingraven en boren van
de buisleiding op land, waarbij geluid vrijkomt door het in te zetten materieel (WNP,
2010), bijlage T4. Daarnaast is onderzoek gedaan naar de effecten van de
voorgenomen activiteit op onderwatergeluid (TNO, 2011), bijlage T5.

Deelrapport Transport MER ROAD 9V7319.20/R0010_rev8/MVZ/ILAN/Rott
Definitief - 103 - 20 juni 2011

8.5.1 Effectbeschrijving geluidhinder
Huidige situatie en ontwikkelingen
De E.ON energiecentrale Maasvlakte is gelegen op het westelijke gedeelte van de
Maasvlakte met als hoofdactiviteit de productie van elektriciteit met 2 bestaande
koleneenheden (MPP1en MPP2), een WKC (aardgas gestookte centrale) en de levering
van stoom- en koelwater aan Lyondell (producent van ruwe materialen t.b.v. coatings).
Nevenactiviteiten bestaan uit opslag en (band)transport van kolen, gipsverwerking en
activiteiten ten behoeve van het bijstoken met andere energiedragers dan steenkool
(secundaire brandstoffen).

Op het terrein van de E.ON energiecentrale Maasvlakte is momenteel Maasvlakte
Power Plan 3 (MPP3 Maasvlakte) in aanbouw. Het in gebruik nemen van MPP3 is
voorzien eind 2012.

Zonering industrielawaai Europoort Maasvlakte
De energiecentrale Maasvlakte is gelegen op het gezoneerde industrieterrein
Europoort/Maasvlakte. De geluidboekhouding van het industrieterrein wordt middels het
SI2-systeem (een centraal informatiesysteem om rekenmodellen voor industrielawaai te
beheren), uitgevoerd door DCMR Milieudienst Rijnmond (DCMR). In dit systeem is voor
het terrein van de energiecentrale Maasvlakte een geluidemmissiebudget opgenomen,
gebaseerd op een eindcontour voor het GRW-gebied (Geluidconvenant Rijnmond
West). De ligging van de zonegrens (de wettelijk vastgestelde 50 dB(A)-contour) voor
het gebied is gegeven in figuur 8.10.

De zonering houdt in dat de bijdrage vanwege alle op het industrieterrein Europoort
Maasvlakte gelegen bedrijven op de zonegrens ten hoogste 50 dB(A) etmaalwaarde
bedragen. De etmaalwaarde is gedefinieerd als de hoogste waarde van het equivalent
van de dag of avond of nachtwaarde. Omdat op de Maasvlakte vooral continu bedrijven
zijn gevestigd, kan de zonegrens als een 24-uurs equivalent 40 dB(A) geluidscontour
worden gezien zoals planologisch is vastgelegd voor industrielawaai.

Zonering industrielawaai Tweede Maasvlakte
Momenteel wordt de Tweede Maasvlakte aangelegd. Voor de Tweede Maasvlakte is
eveneens een geluidzone vastgesteld zoals gegeven in figuur 8.11. Uit de figuur blijkt
dat de planologische zone ver over de zone van industrieterrein Europoort/Maasvlakte
heen ligt. Hoewel de Tweede Maasvlakte nog in aanleg is, wordt bij het uitvoeren van de
geluidberekeningen rekening gehouden met een geluidemissie vanwege dit
industrieterrein zoals vastgelegd in de planologische zone.

Effecten landgeluid
Bij het ingraven van de buisleiding en elektriciteitskabel komt geluid vrij van een kraan,
hijskraan, vrachtwagens, laswerkzaamheden, een generatorset en een boormotor van
de Avegaarboor. Bij de HDD boring komt geluid vrij van de boorinstallatie, hydraulische
units, pompen, bentonietinstallatie, vrachtwagens en generatoren. Dit materieel stoot
geluid uit bij aanleg van de buisleiding op land.

Methode
Om te bepalen of de toegestane geluidnormen worden overschreden met de geplande
activiteiten zijn er modelberekeningen uitgevoerd. Bij deze modelberekeningen is het
aanwezige geluid in de huidige en autonome situatie meegenomen en wordt op basis







9V7319.20/R0010_rev8/MVZ/ILAN/Rott Deelrapport Transport MER ROAD
20 juni 2011 - 104 - Definitief
van de verschillende activiteiten met betrekking tot het aanleggen van de buisleiding
een inschatting gemaakt van de geluiduitstoot.

Rekenmodel
Het door DCMR Milieudienst Rijnmond voorgeschreven rekenprogramma (Geonoise,
versie 4.06) is gebruikt voor het berekenen van de geluidscontouren vanwege de
aanlegfase. Om in het kader van de Natuurbeschermingswet het equivalente 24 uur
geluidniveau te berekenen is het rekenmodel overgezet naar een hiervoor geschikt
programma (GeoMilieu, versie V1.62 van dgmr-software).

Voor het uitvoeren van de modelberekeningen zijn de richtlijnen van de Handleiding
Meten en Rekenen Industrielawaai van 1999 (toegepast. Voor de Maasvlakte zijn
specialistische modellen overeenkomstig het SI2-rekenmodel toegepast van DCMR.

Input berekening
De CO
2
buisleiding wordt voor een groot deel aangelegd langs of in de buurt van de
zeewering. Omdat deze zeewering relevant is voor de afscherming in de richting van het
Natura 2000 gebied Voordelta, is deze als scherm met een hoogte van +3,0 m ten
opzichte van het lokale maaiveld ingevoerd.

Met het akoestisch rekenmodel zijn de geluidscontouren bepaald voor verschillende
activiteiten ten behoeve van het aanleggen van de buisleiding:

Het ingraven van de buisleiding;
Avegaar boren voor het kruisen van wegen e.d.;
HDD boring voor de Yangtzehaven;
HDD boring voor de Maasmonding.

Bij de uitgevoerde analyse is gekeken naar de toegestane geluidsniveaus in het gebied.
Deze zijn voor het gezoneerde industrieterrein Europoort/Maasvlakte weergegeven op
figuur 8.10 met een 50 dB contour. Voor industrielawaai Tweede Maasvlakte is
eveneens een geluidszone vastgesteld welke de voorgaande grotendeels overlapt, zie
figuur 8.11. De uitkomst van de analyses worden gepresenteerd op figuur 8.12 t/m
figuur 8.17. Hierop zijn de geluidscontouren van 30 t/m 45dB aangegeven voor de
verschillende activiteiten en is te zien dat de maatgevende contour (ruimschoots) niet
wordt overschreden.

Figuur 8.13 en 8.14 geven de geluidscontouren weer van de HDD boring onder de
Yangtzehaven van noord naar zuid en van de HDD boring onder de Maasmonding
vanaf het stand. De geluidscontouren van de alternatieve boorlocaties, onder de
Yangtzehaven van zuid naar noord en bij de Maasmonding 250m ten zuidoosten van
het strandje (aan de zuid zijde van de Europaweg), zijn weergegeven in figuur 8.15 en
8.16. Voor een nadere onderbouwing van het akoestisch onderzoek, zie bijlage T4.
Akoestisch onderzoek WNP.

Deelrapport Transport MER ROAD 9V7319.20/R0010_rev8/MVZ/ILAN/Rott
Definitief - 105 - 20 juni 2011
Effecten aanlegfase (-)
De berekende geluidsniveaus overschrijden allen de toegestane geluidsniveaus niet.
Door de heersende geluidsniveaus vanwege de E.ON energiecentrale Maasvlakte en
alle overige bedrijven op het industrieterrein Europoort Maasvlakte, zal de aanlegfase
van de CO
2
transportleiding over land niet tot extra verstoring leiden in het Natura 2000
gebied Voordelta. Wel is de aanleg mogelijk waarneembaar in het Natura 2000 gebied,
naast de natuurlijk aanwezige geluiden (wind, breken van golven etc.).

Daarom krijgen beoordelingscriteria van de aanlegfase de beoordeling licht negatief (-).
Bij aanleg van een elektriciteitskabel zullen meer uitvoeringsactiviteiten (en hiermee
geluiduitstoot) plaatsvinden, echter ook van deze activiteiten zijn de effecten op geluid
licht negatief (-).

Wanneer de intredepunten van de HDD boringen wijzigen zoals eerder deze paragraaf
aangegeven (en in de figuren met geluidscontouren weergegeven), veranderen de
geluidcontouren niet dusdanig dat er andere effecten optreden.

Effecten gebruiksfase (0)
De CO
2
transportleiding wordt grotendeels ingegraven in een leidingenstrook en bestaat
uit een circa 5 km lange koolstofstalen buis met isolatie. Eventuele geluidafstraling door
de leiding is niet aan de orde.

Mogelijk dat het eerste deel van de leiding vanaf het compressorstation bovengronds
loopt. Dit deel wordt dan voorzien van een thermische isolatie, zodanig dat ook de
geluidemissie vanwege dit leidingdeel akoestisch als niet relevant kan worden
beoordeeld. De beoordeling van aspect geluidsafstraling gebruiksfase wordt hiermee 0
(geen effect).

Om de wanden van de leiding te inspecteren (controle van de wanddikte en
materiaalgesteldheid), wordt op geplande momenten (als de leiding niet voor CO
2

transport gebruikt wordt), een inspectie gereedschap door de leiding gestuurd (pigging).
Dit inspectie gereedschap (pig) wordt door middel van een drijfgas voortgestuwd.
Aangezien het drijfgas op lage druk geopereerd wordt is dit akoestisch niet relevant. De
beoordeling van aspect geluidsafstraling onderhoud wordt hiermee 0 (geen effect).

Effectbeoordeling
In onderstaande tabel worden de effecten op landgeluid beoordeeld. De variant met
elektriciteitskabel heeft een groter effect dan het basisalternatief, echter beide leveren
ze een licht negatief effect.

Tabel 8.19 Effectbeoordelingen
Alternatief/Variant Thema Aspect Activiteit
Basisalternatief Variant met
elektriciteitskabel
Geluidshinder
(tijdens aanleg)
Ingraven, avegaar boren en
HDD boren
- -
Geluidsafstraling gebruiksfase 0 0
Geluid

Geluidshinder
(tijdens gebruik) Geluidsafstraling onderhoud,
Pigging
0 0








9V7319.20/R0010_rev8/MVZ/ILAN/Rott Deelrapport Transport MER ROAD
20 juni 2011 - 106 - Definitief

Figuur 8.10 Zonegrens 50dB contour GRW-gebied

Deelrapport Transport MER ROAD 9V7319.20/R0010_rev8/MVZ/ILAN/Rott
Definitief - 107 - 20 juni 2011


Figuur 8.11 Ligging zonegrens tweede maasvlakte (24-uurs 40dB geluidscontour)








9V7319.20/R0010_rev8/MVZ/ILAN/Rott Deelrapport Transport MER ROAD
20 juni 2011 - 108 - Definitief

Figuur 8.12 Geluidscontouren ingraven van de transportleiding


Deelrapport Transport MER ROAD 9V7319.20/R0010_rev8/MVZ/ILAN/Rott
Definitief - 109 - 20 juni 2011

Figuur 8.13 Geluidscontouren avegaar boren








9V7319.20/R0010_rev8/MVZ/ILAN/Rott Deelrapport Transport MER ROAD
20 juni 2011 - 110 - Definitief

Figuur 8.14 Geluidscontouren HDD boren Yangtzehaven van noord naar zuid


Deelrapport Transport MER ROAD 9V7319.20/R0010_rev8/MVZ/ILAN/Rott
Definitief - 111 - 20 juni 2011

Figuur 8.15 Geluidscontouren HDD boren Maasmonding vanaf stand









9V7319.20/R0010_rev8/MVZ/ILAN/Rott Deelrapport Transport MER ROAD
20 juni 2011 - 112 - Definitief

Figuur 8.16 Geluidscontouren HDD boren Yangtzehaven van zuid naar noord


Deelrapport Transport MER ROAD 9V7319.20/R0010_rev8/MVZ/ILAN/Rott
Definitief - 113 - 20 juni 2011

Figuur 8.17 Geluidscontouren HDD boren Maasmonding vanaf zuiden Europaweg











9V7319.20/R0010_rev8/MVZ/ILAN/Rott Deelrapport Transport MER ROAD
20 juni 2011 - 114 - Definitief
8.5.2 Effectbeschrijving onderwatergeluid
Het onderwerp onderwatergeluid staat sinds enkele jaren op de agenda als mogelijke
factor die van invloed is op het onderwatermilieu. Zeezoogdieren en vis zouden
negatieve effecten kunnen ondervinden van een blootstelling aan onderwatergeluid. De
eerste signalen die duidelijk maakten dat onderwatergeluid van invloed zou kunnen zijn
waren de strandingen van walvissen kort na sonaruitzendingen van marineschepen in
de nabije omgeving.

Inmiddels wordt onderwatergeluid gezien als een relevante factor bij allerlei activiteiten
op zee, bijvoorbeeld bij baggerwerkzaamheden of bij de bouw van windmolenparken op
zee, waarbij de klappen van de heiwerkzaamheden de belangrijkste bron van
onderwatergeluid vormen. Ook de scheepvaart staat wat betreft onderwatergeluid in de
belangstelling. In zijn algemeenheid geldt dat de kennisopbouw over de invloed van het
onderwatergeluid op het milieu (zeezoogdieren en vis) nog volop in ontwikkeling is. Voor
achtergrondinformatie, zie Achtergrondrapportage Onderwatergeluid, (TNO 2011)
bijlage T5.

Het feit dat onderwatergeluid en de invloed daarvan op het milieu een relatief jong
vakgebied is, brengt met zich mee dat niet over alle relevante bronnen van
onderwatergeluid informatie beschikbaar is. Zo is er relatief veel informatie over
schepen en het onderwatergeluid dat geproduceerd wordt bij de aanleg van
windmolenparken op zee. Er is minder of geen informatie over het onderwatergeluid dat
geproduceerd wordt door bijvoorbeeld het uitvoeren van een HDD boring of van de
thrusters van een pijpenlegger. Alleen door ter plekke (of aan soortgelijke installaties in
soortgelijke omstandigheden) te meten kan deze informatie worden verkregen.

Omdat dit vooralsnog niet aan de orde is, is het onderzoek voor dit MER gebaseerd op
data uit de literatuur, genterpreteerd door de deskundigen (expert judgement), met de
aantekening dat voortschrijdende kennis in de toekomst mogelijk kan leiden tot nieuwe
inzichten.

Huidige situatie en ontwikkelingen
Reguliere activiteiten op de Noordzee waarbij onderwatergeluid optreedt variren van
beroepsvaart, recreatievaart, baggerwerkzaamheden en visserij tot het overvliegen van
helikopters en militaire oefenactiviteiten.

Zoals bovenstaand beschreven is de hoeveelheid onderwatergeluid dat optreedt bij
deze activiteiten niet exact bekend. Er is geen informatie beschikbaar waarin wordt
aangegeven welke hoeveelheden en met welke frequenties er onderwatergeluid in de
Noordzee aanwezig is. De specifieke locatie van de transportleiding kenmerkt zich door
de aanwezigheid van de haven van Rotterdam waar elke dag vele schepen naartoe
gaan en vandaan komen via de Maasgeul.

Methode
Voor verschillende activiteiten is bekend wat de uitstoot van geluid is. Dit wordt
weergegeven in een toonhoogte (frequentie) en een geluidsterkte (decibel). Voor vis en
zeezoogdieren is bekend welke frequenties van geluid ze kunnen waarnemen en met
welke geluidssterkte (voor de verschillende waarneembare frequenties) de TTS behaald
wordt. TTS staat voor Temporary Treshold Shift en staat voor tijdelijke gehoorschade.

Deelrapport Transport MER ROAD 9V7319.20/R0010_rev8/MVZ/ILAN/Rott
Definitief - 115 - 20 juni 2011
De TTS waarden zijn door middel van literatuurstudie af te leiden voor vis en
zeezoogdier. Met deze gegevens kan bepaald worden of de TTS wordt overschreden en
tot op welke afstand van de activiteit dit gebeurd.

Effecten onderwatergeluid

Onderwatergeluid HDD boring Maasmonding (-)
De CO
2
leiding wordt onder de Maasmonding geboord op 7 m diepte onder de
waterbodem. De boorwerkzaamheden zullen voornamelijk lagere frequenties
produceren. De boorinstallatie bevindt zich in zijn geheel bovengronds. Er is geen direct
contact van de boor met het water, zoals dat wel het geval is bij een verticale boring.
Daardoor is er dus geen directe overdracht van de trillingen van de boor naar het water.
De verwachting is dat het boorgeluid lokaal wellicht waarneembaar zal zijn, maar ten
opzichte van het aanwezige scheepvaartgeluid een ondergeschikte rol zal spelen.

Onderwatergeluid ingraven buisleiding op zee (-)
Bij de aanleg van de buisleiding wordt een zogenaamde pijpenlegger gebruikt. Het
dynamische positioneringssysteem van een dergelijk schip maakt gebruik van sterke
thrusters. De verwachting is dat zij veel onderwatergeluid produceren, waarbij cavitatie
(bellen) rond de thrusters een belangrijk bron is. Er is geen informatie bekend over het
bronniveau van dit type thrusters en alleen metingen kunnen deze kennisleemte vullen.
Er is echter een inschatting gemaakt voor het bronniveau, gebaseerd op beschikbare
kennis omtrent baggerschepen.

Het berekende Sound Exposure Level (blootstellingsniveau van het geluid) komt uit op
203 dB re1mPa2s (eenheid voor onderwatergeluid). Als drempelwaarde voor de bruinvis
wordt de sound exposure level van 195 dB re 1 mPa2s met 8 dB overschreden. Een
bruinvis die zich gedurende 24 uur ophoudt binnen deze afstand krijgt te maken met
TTS. De TTS grens van de activiteit zit op 630 meter afstand bij een blootstelling van 24
uur per etmaal. Wanneer er wordt uitgegaan van een blootstelling van 6 uur per etmaal,
is de TTS afstand 160 meter. Bij een blootstelling van 3 uur per etmaal is de TTS
afstand 80 meter. In tabel 8.20 is dit weergegeven en worden ook de waarden voor
grote vis en kleine vis gegeven.

Onderwatergeluid bij het baggeren van zandgolven (-)
Het berekende Sound Exposure Level (blootstellingsniveau van het geluid) leidt tot 200
dB re 1mPa2s. De TTS drempelwaarde voor de bruinvis wordt hiermee met 5 dB op 100
meter afstand overschreden. Op een afstand van 315 meter van de activiteit wordt de
TTS waarde behaald. Hierbij is uitgegaan van een blootstelling van 24 uur per etmaal.
Wanneer een blootstelling van 6 uur per etmaal aangehouden wordt bevindt de TTS
waarde zich op een afstand van 80 meter en bij een blootstelling van 3 uur per etmaal
bevindt de TTS waarde zich op 40 meter afstand. In tabel 8.20 is dit weergegeven en
worden ook de waarden voor grote vis en kleine vis gegeven.

Onderwatergeluid bij een calamiteit
De kans op een calamiteit waarbij de buisleiding kapot gaat, wordt dusdanig klein
geacht dat onderwatergeluid als gevolg hiervan niet wordt beschouwd.








9V7319.20/R0010_rev8/MVZ/ILAN/Rott Deelrapport Transport MER ROAD
20 juni 2011 - 116 - Definitief
Tabel 8.20 Bron van onderwatergeluid en relatie met TTS voor bruinvis en vis



De drempelwaarden in bovenstaande tabel zijn gebaseerd op de door Southall (Southall
et al, 2007) gepubliceerde (en door Ainslie, 2010 samengevatte) waarden voor TTS.

In het geval van een kortere blootstellingsduur per etmaal kan het dier dichterbij de bron
komen omdat het zijn dagdosis dan in een kortere tijd ontvangt. Voor vis geldt dat de
drempel gebaseerd is op een ongewogen Sound Exposure Level. Voor vis geldt ook dat
er geen drempelwaarde bekend is die specifiek betrekking heeft op continu geluid. De
gepubliceerde drempel is gerelateerd aan heigeluid (pulsen). Vaak geldt voor continu
geluid een hogere drempel dan voor pulserend geluid (zoals heigeluid), hetgeen leidt tot
een kleinere gevarenzone.

Gebruiksfase (0)
In de gebruiksfase stroomt er CO
2
door de buisleiding. Aangezien deze begraven wordt
in de bodem en er onder water geen choke valves (kranen) worden aangelegd, zal dit
geen merkbaar onderwatergeluid tot gevolg hebben.

Effectbeoordeling
De effecten van onderwatergeluid zijn, zoals uit bovenstaande tabel blijkt, van invloed
op vissen en zeezoogdieren. De effectbeoordeling die hierbij hoort wordt gegeven in
paragraaf 8.3 thema Natuur.

Alternatief/Variant Thema Aspect Activiteit
Basisalternatief Variant met
elektriciteitskabel
Geluid Onderwatergeluid Aanleg - -

8.6 Lucht
Voor het thema lucht is het aspect emissie van SO
2
,

NO
x
en fijnstof onderzocht om vast
te stellen of de uitstoot die vrijkomt bij de voorgenomen activiteit onder de gestelde
normen blijft.


Deelrapport Transport MER ROAD 9V7319.20/R0010_rev8/MVZ/ILAN/Rott
Definitief - 117 - 20 juni 2011
8.6.1 Effectbeschrijving luchtkwaliteit
Voor de luchtverontreiniging is er een kwalitatieve analyse uitgevoerd. Hierbij zijn de
luchtkwaliteitseisen in beeld gebracht en is een inschatting gemaakt van de
luchtverontreiniging voor de aanlegfase zowel op land als op zee, op basis van de
globale te verwachten inzet van materieel. Aangezien de inzet van het materieel voor de
verschillende aanlegwerkzaamheden van korte duur is, de werkzaamheden zich
verplaatsen over het traject en de uitstoot van het materieel beperkt is, is er naar de
mening van de deskundigen geen noodzaak voor een kwantitatieve analyse
(modelstudie).

Huidige situatie en ontwikkelingen
In de huidige situatie vindt er in het maasvlakte gebied voornamelijk uitstoot van
luchtverontreiniging plaats door de industrie en scheepvaart. De E.ON energiecentrale
Maasvlakte is gelegen op het westelijke gedeelte van de Maasvlakte met als
hoofdactiviteit de productie van elektriciteit met 2 bestaande koleneenheden (MPP1en
MPP2), een WKC (aardgas gestookte centrale) en de levering van stoom- en koelwater
aan Lyondell (producent van ruwe materialen t.b.v. coatings). Nevenactiviteiten bestaan
uit opslag en (band)transport van kolen, gipsverwerking en activiteiten ten behoeve van
het bijstoken met andere energiedragers dan steenkool (secundaire brandstoffen).

Autonome ontwikkeling van het gebied bestaat uit aanleg van de Tweede Maasvlakte,
waarbij door aanlegwerkzaamheden tijdelijk uitstoot van luchtverontreiniging op zal
treden. Op het terrein van de E.ON energiecentrale Maasvlakte is momenteel
Maasvlakte Power Plan 3 (MPP3 Maasvlakte) in aanbouw. Het in gebruik nemen van
MPP3 is voorzien eind 2012.

Effecten aanlegfase (-)
De aanleg van de buisleiding bestaat grotendeels uit werkzaamheden van materieel met
verbrandingsmotoren (vrachtwagens, kranen, schepen). Op basis hiervan is er een
mogelijke invloed van de uitstoot van NO
x
(met name NO
2
) en (fijn) stof te verwachten.
De uitstoot van deze stoffen zal slechts een klein deel van een jaar (maximaal enkele
maanden) en nmalig plaatsvinden. Daarbij geldt dat de emissies slechts op bepaalde
tijdstippen (niet continu) zullen plaatsvinden en dat de emissies verspreidt over het trac
zullen plaatsvinden. De hoeveelheid in te zetten materieel is daarbij beperkt. Hiermee
kan worden gesteld dat de hoeveelheid luchtverontreiniging op jaarbasis
verwaarloosbaar klein is conform het toetsingskader. De grenswaarden voor
luchtkwaliteit zijn namelijk gebaseerd op concentraties betrokken over een geheel jaar,
terwijl de werkzaamheden voor aanleg van de buisleiding slechts een klein deel van een
jaar plaatsvinden. De invloed van de werkzaamheden op de luchtkwaliteit in de
omgeving is klein. Hierdoor is het niet nodig om een kwantitatieve analyse uit te voeren
en de huidige situatie en autonome ontwikkelingen van de luchtkwaliteit in beeld te
brengen.

Er kan worden geconcludeerd dat gedurende de aanlegfase geen knelpunten ten
aanzien van luchtkwaliteit zijn te verwachten. Gedurende deze korte periode vindt een
beperkte uitstoot plaatst welke verplaatst over het traject (-).

Voor het aanleggen van de variant mt de elektriciteitskabel zullen meer
uitvoeringswerkzaamheden plaats moeten vinden en zal er meer uitstoot van
luchtverontreiniging zijn. Dit is echter nog steeds een verwaarloosbare hoeveelheid (-).

Effecten gebruiksfase (0)







9V7319.20/R0010_rev8/MVZ/ILAN/Rott Deelrapport Transport MER ROAD
20 juni 2011 - 118 - Definitief
Door de buisleiding wordt CO
2
getransporteerd van de afvanginstallatie naar het
platform. Uitstoot van luchtverontreiniging is hierbij niet aan de orde.

Het reguliere onderhoud aan de buisleiding bestaat uit het inspecteren van de
binnenzijde van de buis. Deze inspectie (controle van de wanddikte en buismateriaal
gesteldheid), wordt op geplande momenten uitgevoerd (als de leiding niet voor CO
2

transport gebruikt wordt), waarbij een inspectie gereedschap door de leiding wordt
gestuurd. Dit inspectie gereedschap wordt door middel van een drijfgas voortgestuwd.
Deze procedure wordt in vaktermen ook wel pigging genoemd. Het
inspectiegereedschap dat door de buisleiding wordt gestuwd, wordt hiermee de pig
genoemd. Bij deze activiteit vindt ter plaatse van de transportleiding geen uitstoot plaats.
De beoordeling in de gebruiksfase wordt hiermee 0 (geen effect). Kanttekening hierbij is
dat de pig mogelijk per vrachtwagen van en naar het pigging station wordt vervoerd op
het moment dat er een inspectie plaatsvindt. De uitstoot van de vrachtwagen wordt
verwaarloosbaar geacht.

Effectbeoordeling luchtkwaliteit
In onderstaande tabel worden de effecten op luchtkwaliteit beoordeeld. De variant met
elektriciteitskabel veroorzaakt meer uitstoot in de aanlegfase aangezien de extra
aanlegactiviteit een additionele uitstoot oplevert, echter in beide gevallen zijn de effecten
licht negatief.

Tabel 8.21 Effectbeoordelingen
Alternatief/Variant Thema Aspect Activiteit
Basisalternatief Variant met
elektriciteitskabel
Emissies tijdens
aanleg
Ingraven van de
buisleiding, boringen
en aanleg op zee
- -
Regulier gebruik 0 0
Lucht
Emissie tijdens
gebruik Onderhoud, Pigging 0 0

8.7 Externe veiligheid
Bij externe veiligheid gaat het om de risicos die samenhangen met het produceren,
verwerken, opslaan en vervoeren van gevaarlijke stoffen. Hierbij dient te worden
gekeken naar plaatsgebonden- en groepsrisicos. Tebodin heeft risicoanalyses
uitgevoerd naar het onderdeel transport (Tebodin, 2011), bijlage T3.


Deelrapport Transport MER ROAD 9V7319.20/R0010_rev8/MVZ/ILAN/Rott
Definitief - 119 - 20 juni 2011
8.7.1 Risicoanalyse scheepvaart
Het risico op een ongeval is aanwezig bij aanvaring van de buisleiding door aanvaring
door de scheepvaart. Voor de buisleiding op zee heeft MARIN (MARIN, 2010)
onderzoek gedaan naar de kans op een incident met de buisleiding door passerende
scheepvaart. De resultaten van dit onderzoek worden hieronder kort weergegeven. Het
onderzoek is opgenomen in bijlage T2.

Om de kans op een incident in beeld te brengen is er een risico inventarisatie gemaakt.
Vervolgens is op basis van de frequenties en de incidenten beoordeeld wat het
daadwerkelijke risico (kans op een incident maal de gevolgen van het incident). In deze
paragraaf wordt enkel de kans op een incident beschreven.

Effecten aanlegfase
Het risico van aanvaren tijdens de aanleg van de elektriciteitskabel en de
transportleiding is klein. Immers, tijdens de aanleg van de buisleiding en (eventueel) de
kabel zijn beiden niet in gebruik.

Effecten gebruiksfase
In Marin (2010) (bijlage T2) is een risicoanalyse gemaakt van een aanvaring door
scheepvaart met de transportleiding. In deze studie is de kans op een incident met de
CO
2
buisleiding door de scheepvaart bepaald. De kans op een incident is bepaald met
ongevalskansmodules van het SAMSON model (Safety Assessment Model for Shipping
and Offshore on the North Sea, zie bijlage T2 voor een toelichting). Het model is
ontwikkeld voor Rijkswaterstaat Noordzee en wordt gebruikt om de kansen en
consequenties van alle type ongevallen op zee te schatten. Ook wordt het SAMSON
model gebruikt om de impact van deze ongevallen op het veiligheidsniveau te
voorspellen. Voor de berekeningen wordt gebruik gemaakt van een verkeersdatabase
die de dichtheid, samenstelling en het gedrag van het scheepvaartverkeer beschrijft.

Het verkeer op zee wordt onderverdeeld in twee groepen, namelijk het routegebonden
en het niet routegebonden verkeer (R-schepen en N-schepen). Het routegebonden
verkeer bevat de scheepsbewegingen van de koopvaardijschepen, die op weg zijn van
haven A naar haven B. Het niet routegebonden verkeer bevat de scheepsbewegingen
van de schepen die een missie ergens op zee hebben, zoals visserij,
bevoorradingsvaart, werkvaart en recreatievaart.

Figuur 8.18 laat de verkeersdatabase van het routegebonden verkeer zien in de buurt
van de buisleiding. De rode strepen geven aan waar de verkeersstromen zich bevinden.
De lijndikte is een maat voor de verkeersintensiteit. Het verkeersscheidingstelsel is
weergegeven middels de paarse lijnen.







9V7319.20/R0010_rev8/MVZ/ILAN/Rott Deelrapport Transport MER ROAD
20 juni 2011 - 120 - Definitief


Figuur 8.18 Verkeersdatabase van het routegebonden verkeer (in rood) samen met het traject van de
buisleiding (in zwart)

Met behulp van het SAMSON-model zijn de kansen op een incident met de buisleiding
berekend voor de volgende gebeurtenissen:

Een schip zinkt op de buisleiding (wel of niet na een aanvaring);
Een container valt op de buisleiding;
Deklading valt op de buisleiding;
Een anker wordt uitgeworpen en komt neer op de buisleiding;
Een anker wordt uitgeworpen net voordat een schip de buisleiding passeert en blijft
achter de buisleiding haken voordat het schip is afgeremd;
Een vissend vissersschip vaart over de buisleiding.

De frequenties zijn berekend voor de situatie waarin de buisleiding onbedekt op de
zeebodem ligt. Alleen de kansen voor een anker dat achter de buisleiding haakt zijn
gegeven voor een aantal ingraafdiepten. Gebaseerd op deze frequenties, aangevuld
met gegevens over de betrokken schepen en buisleidingkarakteristieken kan worden
ingeschat of de buisleiding potentieel ernstig beschadigd kan worden. In tabel 8.22 en
8.23 zijn de uitkomsten weergegeven.


Deelrapport Transport MER ROAD 9V7319.20/R0010_rev8/MVZ/ILAN/Rott
Definitief - 121 - 20 juni 2011
Tabel 8.22 Frequentie per gebeurtenis voor elk deel van de buisleiding
Pijp Lengte
NB OL NB OL
Sectie km R-schip N-schip Totaal R-schip N-schip Totaal R-schip N-schip Totaal
1 5208 356 5208 357 0.446 0 89 89 0 0.593 0.593 0 0.256 0.256
2 5208 357 5204 403 10.383 878 301 1179 1.556 1.128 2.684 1.426 0.517 1.943
3 5204 403 5202 403 3.496 0 706 706 0 1.868 1.868 0 0.827 0.827
4 5202 403 5200 402 2.575 0 699 699 0 1.651 1.651 0 0.707 0.707
5 5200 402 5159 402 2.38 27253 699 27952 39.098 1.649 40.748 32.699 0.707 33.406
Totaal 19.28 3837 472 4309 5.664 1.384 7.048 4.804 0.616 5.42
Gezonken op pijp zonder
aanvaring
aantal/km/jaar aantal/km/miljoen jaar aantal/km/miljoen jaar
Van Naar Passages over pijp
Gezonken op pijp na een
aanvaring


Tabel 8.23 Frequentie per gebeurtenis voor elk deel van de buisleiding (vervolg)
aantal/km/jaar
Sectie R-schip N-schip Totaal R-schip N-schip Totaal R-schip N-schip Totaal R-schip N-schip Totaal Vissersschip
1 0 0 0 0 0.006 0.006 0 0.076 0.076 0 0.272 0.272 57
2 20.787 0 20.787 0.129 0.018 0.148 0.401 0.171 0.572 4.166 0.574 4.741 67
3 0 0 0 0 0.037 0.037 0 0.327 0.327 0 0.913 0.913 90
4 0 0 0 0 0.034 0.034 0 0.306 0.306 0 0.773 0.773 78
5 62.678 0 62.678 4.205 0.034 4.239 12.916 0.305 13.221 140.784 0.772 141.555 78
Totaal 18.932 0 18.932 0.589 0.026 0.614 1.81 0.232 2.042 19.623 0.68 20.302 74
Anker op pijp Anker haakt achter pijp
Vissend vissersschip
vaart over pijp
aantal/km/miljoen jaar aantal/km/miljoen jaar aantal/km/miljoen jaar aantal/km/miljoen jaar
Pijp
Container overboord
op pijp Dek lading op pijp


De vier hoogste ongevalfrequenties zijn:

Vissende vissersschepen die over de buisleiding varen;
Anker haakt achter de buisleiding;
Containers vallen overboord op de buisleiding;
Schip zinkt op buisleiding (wel of niet als gevolg van een aanvaring).

De buisleiding is ingedeeld in vijf secties en de resultaten zijn per sectie gepresenteerd
en voor de hele buisleiding. De hoogste ongevalfrequenties zijn uitgerekend voor
buisleiding secties waar veel routegebonden verkeer vaart:

sectie 5, de Maasmond en;
sectie 2, waar de buisleiding het verkeersscheidingsstelsel Maas Noord kruist.

Effecten verwijderen
De effecten van de verwijdering van de buisleiding hebben een vergelijkbaar effect als
de effecten van de aanleg.

Zie voor de effectbeoordeling van de risicoanalyse scheepvaart als onderdeel van
externe veiligheid, paragraaf 8.7.3 Effectbeoordeling externe veiligheid.

8.7.2 Risicoanalyse buisleiding
Voor de risicoanalyse buisleiding zijn geen relevante verschillen tussen het al dan niet
aanwezig zijn van de elektriciteitskabel, aangezien de risicoanalyse alleen de buisleiding
voor het CO
2
transport betreft. Voor dit onderdeel wordt echter wel onderscheid
gemaakt tussen een hoge druk- en een lage druk scenario. Het hoge druk scenario
geeft het risico tijdens operatie van de leiding weer en treedt dus op bij het normale
gebruik van de buisleiding in de gebruiksfase. De druk in de leiding loopt bij volle
doorzet tot 128 bar.

In de huidige risicoanalyse buisleiding zijn berekeningen gemaakt met werkdrukken
van 128 bar en 70 bar. Voor een (worst case) lage druk scenario wordt een extra
berekening uitgevoerd, waarvan het resultaat in een later stadium als aanvulling bij het
MER zal worden gevoegd.







9V7319.20/R0010_rev8/MVZ/ILAN/Rott Deelrapport Transport MER ROAD
20 juni 2011 - 122 - Definitief

Er is geen risicoanalyse gemaakt voor de buisleiding tijdens zowel de aanlegfase als
tijdens het verwijderen, aangezien er dan geen transport van CO
2
plaatsvindt.

Methodiek
Voor het aspect externe veiligheid is beleid geformuleerd op nationaal niveau. Bij
externe veiligheid gaat het om de risicos die samenhangen met het produceren,
verwerken, opslaan en vervoeren van gevaarlijke stoffen. Deze risicos doen zich voor
zowel rondom risicovolle inrichtingen als transportassen waarover gevaarlijke stoffen
worden vervoerd. Hierbij dient te worden gekeken naar plaatsgebonden- en
groepsrisicos.

Plaatsgebonden risico (PR) en groepsrisico (GR)
Voor externe veiligheid zijn twee maten opgesteld: het plaatsgebonden risico (PR) en
het groepsrisico (GR).

PR: Bij het plaatsgebonden risico gaat het om de kans dat een persoon overlijdt als
gevolg van een ongeval met gevaarlijke stoffen, als deze persoon zich voortdurend en
onbeschermd in de nabijheid van een risicovolle inrichting of transportas bevindt. Het
plaatsgebonden risico wordt weergegeven als een contour rondom de risicovolle
inrichting of de transportas.

GR: Het groepsrisico is de kans dat een groep personen van een bepaalde omvang
overlijdt als gevolg van een ongeval met gevaarlijke stoffen.

Het groepsrisico wordt weergegeven als een grafiek met het aantal personen op de
horizontale as en de kans op overlijden op de verticale as.

PR toetsen aan 10
-6
-contour
Voor nieuwe situaties geldt voor kwetsbare objecten een grenswaarde voor het
plaatsgebonden risico van 10
-6
per jaar. Dit betekent dat er een kans van 10
-6
per jaar
is, dat een persoon overlijdt als gevolg van een ongeval. Voor beperkt kwetsbare
objecten geldt een richtwaarde van eveneens 10
-6
per jaar. Doordat beide waarden
gelijk zijn, kan in dit MER worden volstaan met een toetsing aan deze grenswaarde.

GR toetsen aan orintatiewaarde
Voor het groepsrisico is een orintatiewaarde vastgelegd. Dit houdt in dat hier
gemotiveerd van kan worden afgeweken. Dit is gebonden aan een
verantwoordingsplicht. De orintatiewaarde voor het groepsrisico voor inrichtingen is:

De kans op een ongeval met 10 dodelijke slachtoffers is ten hoogste 10
-5
per jaar;
De kans op een ongeval met 100 dodelijke slachtoffers is ten hoogste 10
-7
per jaar;
De kans op een ongeval met 1.000 dodelijke slachtoffers is ten hoogste 10
-9
per jaar.

Dosis-effect relatie
Om de kans op overlijden te bepalen is het van belang om te weten wanneer een
persoon onder invloed van CO
2
overlijdt. De Toetsingscommissie heeft tot op heden nog
geen interim probitrelatie (relatie die de concentratie CO2 in de lucht relateert aan kans

Deelrapport Transport MER ROAD 9V7319.20/R0010_rev8/MVZ/ILAN/Rott
Definitief - 123 - 20 juni 2011
op overlijden) vastgesteld daar er naar hun inzicht nog essentile omissies zijn in de
daarvoor benodigde kennis en informatie.
De toegepaste probitrelatie is gebaseerd op de literatuurstudie naar de relatie tussen
blootstelling aan CO
2
en de letale gevolgen. Hierbij is als uitgangspunt genomen dat de
in deze studie gebruikte aannames niet mogen leiden tot een onderschatting van de
risicos. De toegepaste probitrelatie is weergegeven in figuur 8.19. Voor een blootstelling
van 30 minuten en voor een blootstelling van 1 minuut.




Figuur 8.19 Kans van overlijden door CO2 in de lucht blootstelling 30 min. en 1 min.

In deze figuur zijn tevens de door TNO en de Engelse Health and Safety Executive
gedefinieerde probitrelaties weergegeven en blijkt dat de in deze risicoanalyse gebruikte
probitrelatie conservatief is. (De Health and Safety Executive is de onafhankelijke
autoriteit op het gebied industrile veiligheid). In de probitrelatie met een blootstelling
van 1 minuut komt dit het duidelijkst naar voren.







9V7319.20/R0010_rev8/MVZ/ILAN/Rott Deelrapport Transport MER ROAD
20 juni 2011 - 124 - Definitief
Deze probitrelatie is op verzoek van DCMR beoordeeld door het Rijksinstituut voor
Volksgezondheid en Milieubeheer, Centrum Externe Veiligheid. Zij hebben
geconcludeerd dat de gedefinieerde probitrelatie niet leid tot een onderschatting van de
risicos leid en uitgaat van conservatievere startwaarden dan de door RIVM
voorgestelde concentratiegrenzen.

Achtergrond probitrelatie
De probitrelatie maakt het mogelijk om de letale effecten van een stof te berekenen door
gebruik te maken van een drietal stofspecifieke constanten, de blootstellingsduur en
concentratie waaraan iemand is blootgesteld. De generieke probitrelatie wordt
weergegeven in Formule 1.


Waarin:
Pr = Probitgetal
a, b en n = stofspecifieke constanten
c = concentratie (mg/m3)
t = tijd (min)
Formule 1: Generieke probitfunctie

De stofspecifieke constanten worden vastgesteld conform Deel 4 van de PGS1
(Publicatiereeks Gevaarlijke Stoffen deel 1, Ministerie van VROM, 2003). Daarna wordt
de probitrelatie getoetst door de wetenschappelijke toetsingscommissie probitrelaties.
De probitrelaties die door de toetsingscommissie zijn geaccepteerd krijgen de status
interim waarna het ministerie van Infrastructuur en Milieu de probitrelatie uiteindelijk
vaststelt. De Toetsingscommissie heeft tot op heden nog geen interim probitrelatie
vastgesteld daar er naar hun inzicht nog essentile omissies zijn in de daarvoor
benodigde kennis en informatie. Daarom is ten behoeve van het eerdere CO2 opslag
project te Barendrecht door Tebodin een probitrelatie vastgesteld (zie hiervoor
onderstaand Toegepaste probitrelatie). De probitrelatie is vastgesteld in lijn met PGS1.
Deze probitrelatie is op verzoek van DCMR beoordeeld door het Rijksinstituut voor
Volksgezondheid en Milieubeheer, Centrum Externe Veiligheid. Zij hebben
geconcludeerd dat de gedefinieerde probitrelatie niet leid tot een onderschatting van de
risicos leid en uitgaat van conservatievere startwaarden dan de door RIVM
voorgestelde concentratiegrenzen.

Toegepaste probitrelatie
De toegepaste probitrelatie is gebaseerd op de literatuurstudie naar de relatie tussen
blootstelling aan CO2 en de letale gevolgen. Hierbij is als uitgangspunt genomen dat de
in deze studie gebruikte aannames niet mogen leiden tot een onderschatting van de
risicos. De toegepaste probitrelatie wordt weergegeven in Formule 2.


Formule 2: Probitrelatie voor CO2

Een grafische weergave van deze probitrelatie is op de voorgaande pagina te vinden in
Figuur 8.19 (rode lijn: TNO).


Deelrapport Transport MER ROAD 9V7319.20/R0010_rev8/MVZ/ILAN/Rott
Definitief - 125 - 20 juni 2011
Rekenmethode
Bij het vaststellen van de rekenmethode is gekeken naar de invloed van wind op de
dispersie van CO
2
in de lucht. Enkel door vermenging van CO
2
met lucht kan de
concentratie van vrijgekomen CO
2
lager worden. Hier wordt nader op ingezoomd door te
kijken naar het vrijkomen van CO
2
onder lage druk waarbij minder dispersie met de lucht
ontstaat en het vrijkomen van CO
2
onder water, waarbij het relatief rustig wordt
afgegeven aan de lucht, waar tevens minder dispersie plaatsvindt.

Bij het bepalen van de risicos van de transportleiding zijn mede de eventuele domino
effecten in ogenschouw genomen (deze zijn niet opgenomen in de standaard
faalfrequenties van buisleidingen). De mogelijke externe oorzaken zijn: het falen van
een windturbine, de nabijheid van andere leidingen met brandbare stoffen, een
neerstortend vliegtuig en een incident in de scheepvaart.

Deze laatste heeft mede op basis van de informatie van MARIN (Externe veiligheid
Scheepvaart, paragraaf 7.3) plaatsgevonden.

Voor een gedetailleerde onderbouwing van de methode, zie Tebodin (2011) (bijlage T3).

Resultaten
Risicoanalyse buisleiding op land
De eerste kilometers van de leiding lopen over land. Hiervan ligt het grootste deel in een
leidingstrook van de Gemeente Rotterdam. Ter hoogte van kruisingen van wegen,
spoorlijnen en de toekomstige Yangtzehaven wordt de leiding aangelegd in een
kunstwerk. Met uitzondering van de kruising met de toekomstige Yangtzehaven
betreffen de beschreven kunstwerken standaard kruisingen welke onvoldoende extra
veiligheid garanderen om te komen tot een reductie van de faalkansen van de leiding.
Het is niet aannemelijk dat de faalkans door het installeren van deze kunstwerken
toeneemt.

De faalkansen voor de leiding op land worden weergegeven in onderstaande tabel.
Tabel 8.25: faalkansen buisleiding op land
Scenario Initile faalkans
(/m/jaar)
Percantage
Breuk van de leiding 3,7 * 10
-5
25
Lek met een effectieve diameter van 10% van de nomilale
diameter, maximaal 20mm
1,1 * 10
-4
75
Totaal 71,47 * 10
-4
100

Het plaatsgebonden risico van de CO
2
buisleiding op land is, marginaal. De PR-contour
van 10
-6
per jaar bestaat uit een fictieve lijn direct op de buisleiding omdat het risico zeer
klein is en hiermee de bijbehorende contour een lijnelement is. De reden hiervoor is dat
bij het plotseling vrijkomen van CO
2
uit de buisleiding, dit met een dergelijk grote
snelheid gaat dat onmiddellijk grootschalige vermenging met de lucht plaatsvindt. Een
wolk met een letale concentratie aan CO
2
wordt daardoor niet bereikt.








9V7319.20/R0010_rev8/MVZ/ILAN/Rott Deelrapport Transport MER ROAD
20 juni 2011 - 126 - Definitief
De toekomstige Yangtzehaven en de Maasmonding wordt gekruist door middel van een
horizontaal gestuurde boring. Deze boring ligt maximaal 45 meter onder NAP. De
risicoanalyse van dit traject van de buisleiding is opgenomen in de risicoanalyse van de
buisleiding op zee (zie risicoanalyse buisleiding op zee).

Risicoanalyse buisleiding op zee (inclusief HDD boring Maasmond en
Yangtzehaven)
De faalkans van transportleidingen over zee, met een diameter kleiner dan 24 inch is
5,1 * 10
-5
per km per jaar. De verschillende basisoorzaken welke resulteren in het falen
van een leiding worden weergegeven in onderstaande tabel.

Tabel 8.26 Basisoorzaken voor het falen van een leiding over zee
Basisoorzaak Incidenten Percentage
Anchor & impact damage 22 23%
Corrosion & Material defects 49 51%
Other 25 26%
Total 96

Indien de CO
2
vrijkomt onderwater, dan zal zich een zogenaamde bubble plume
vormen (zie figuur 8.20). Deze bubble plume zal de uitstromingssnelheid van het CO
2

reduceren en voorkomen dat er jetdispersie optreed (dit in tegenstelling tot hetgeen op
land gebeurd, zoals eerder in deze paragraaf beschreven).

De intensieve menging van CO
2
bij vrijkomen met het zeewater zal ervoor zorgen dat
vrijgekomen CO
2
direct de temperatuur aanneemt van het zeewater. Daarnaast kan een
gedeelte van het CO
2
in het water oplossen. Dit mitigerende effect is niet meegenomen
in de analyse.

Figuur 8.20 Bubble plume

Deelrapport Transport MER ROAD 9V7319.20/R0010_rev8/MVZ/ILAN/Rott
Definitief - 127 - 20 juni 2011
De plaatsgebonden risicocontouren worden weergegeven in figuur 8.21 en 8.22.


Figuur 8.21 Plaatsgebonden risicocontouren (hoge druk scenario)








9V7319.20/R0010_rev8/MVZ/ILAN/Rott Deelrapport Transport MER ROAD
20 juni 2011 - 128 - Definitief

Figuur 8.22 Plaatsgebonden risicocontouren (lage druk scenario)

De PR contouren worden in bovenstaande figuren weergegeven voor het hoge en het
lage druk scenario. Hierbij geven de contouren, locaties met gelijke kansen op overlijden
weer. Zo toont de PR-contour van 10
-6
per jaar de locaties waar de kans op het
overlijden van een persoon eens in de miljoen jaar bedraagt. Het PR is onafhankelijk
van de bevolkingsverdeling in de omgeving van de inrichting (enkel op plaats gericht).

De groepsrisicocurve van het hoge druk scenario wordt weergegeven in figuur 8.23 de
groepsrisicocurve van het lage druk scenario wordt weergegeven in figuur 8.24.

Deelrapport Transport MER ROAD 9V7319.20/R0010_rev8/MVZ/ILAN/Rott
Definitief - 129 - 20 juni 2011

Figuur 8.23 Groepsrisicocurve van het hoge druk scenario (128barg)


Figuur 8.24 Groepsrisicocurve van het lage druk scenario (70 barg)

Het GR is, in tegenstelling tot het PR, afhankelijk van de bevolkingsverdeling in de
omgeving van inrichting. In een F(N)-curve staat op de verticale as de kans
weergegeven dat meer dan N slachtoffers ten gevolge van het beschouwde scenario
komen te overlijden. Deze kans wordt uitgedrukt in de eenheid per jaar. Op de
horizontale as staat het aantal slachtoffers weergegeven.

Op het grootste deel van het trac ontbreekt een polulatie. Dit geldt namelijk voor het
trac onder de Maasmonding en de Noordzee. Rondom het trac onder de
Yangtzehaven bestaat wel een populatie binnen de op figuur 8.21 en 8.22 weergegeven
plaatsgebonden risicocontour.

Op basis van de hier aanwezige populatie is invulling gegeven aan bovenstaande
groepsrisicocurves. De groepsrisicocurves komen niet boven de richtwaarde uit.

De scenarios die de grootste bijdrage leveren aan het groepsrisico worden
weergegeven in tabel 8.27 en 8.28.









9V7319.20/R0010_rev8/MVZ/ILAN/Rott Deelrapport Transport MER ROAD
20 juni 2011 - 130 - Definitief
Tabel 8.27 Bijdrage van individuele scenarios op het groepsrisico, hoge druk variant
Scenario Procentuele bijdrage
80 mm lek ter hoogte van de Yangzehaven +/-55
Breuk van de leiding ter hoogte van de Yangzehaven +/- 45

Tabel 8.28 Bijdrage van individuele scenarios op het groepsrisico, lage druk variant
Scenario Procentuele bijdrage
80 mm lek ter hoogte van de Yangzehaven +/-55
Breuk van de leiding ter hoogte van de Yangzehaven +/- 45

Maximale effectafstand

De maximale effectafstand voor de buisleiding wordt weergegeven in Tabel 8.29.
Tabel 8.29 Maximale effectafstanden
Scenario Weerstype Maximale effectafstand (m)
Lage druk scenario Hoge druk scenario
F1,5 1530 1150 80mm lek uit de leiding onder zee
D5 570 630

De maximale effectafstand voor het hoge druk scenario en het lage druk scenario is
visueel weergegeven in figuur 8.25 en 8.26.

Deelrapport Transport MER ROAD 9V7319.20/R0010_rev8/MVZ/ILAN/Rott
Definitief - 131 - 20 juni 2011

Figuur 8.25 Maximale effectafstand hoge druk scenario (plaatsgebonden risicocontour 10
-30
per jaar)








9V7319.20/R0010_rev8/MVZ/ILAN/Rott Deelrapport Transport MER ROAD
20 juni 2011 - 132 - Definitief

Figuur 8.26 Maximale effectafstand lage druk scenario (plaatsgebonden risicocontour 10
-30
per jaar)

8.7.3 Effectbeoordeling externe veiligheid
Risicoanalyse scheepvaart
Veruit de hoogste ongevalfrequentie is gevonden voor vissende vissersschepen die
over de buisleiding varen. Hierbij is echter nog niet bepaald wat daadwerkelijk hierdoor
de kans op een incident is. De netten van de vissende schepen slepen over de bodem,
waarbij nog niet gezegd is of het net daadwerkelijk blijft haken aan een leiding of kabel.

Deelrapport Transport MER ROAD 9V7319.20/R0010_rev8/MVZ/ILAN/Rott
Definitief - 133 - 20 juni 2011
In aanvulling hierop valt op te merken dat de berekening voor een onbedekte leiding is
gemaakt. De leiding zal een dekking hebben die bij ingraving minimaal 0,8 meter
bedraagt.

In de rapportage van MARIN is de kans op een incident door de scheepvaart met de
elektriciteitskabel niet separaat in beeld gebracht. Dit is wel goed in te schatten, immers
het fenomeen dat gemodelleerd is in de studie is ongeacht het type leiding of kabel. De
elektriciteitskabel ligt in de buurt van de transportleiding. De frequentie van een incident
met een elektriciteitskabel zal logischerwijs dus orde grootte gelijk zijn.

Plaatsgebonden (--) en groepsrisico (-)
De Nederlandse wetgeving stelt nog geen eisen aan de externe veiligheid van een CO
2

transportleiding. Het is echter reeds aangekondigd dat dit in de toekomst wel zal
gebeuren. Daarom is het risico van de buisleiding over land berekend conform de
Handleiding Risicoberekeningen Buisleidingen en worden de resultaten van de
berekening getoetst aan de eisen zoals beschreven in het Besluit Externe Veiligheid
Buisleidingen (BevB).

In deze risicoanalyse zijn reducerende maatregelen zoals onder andere de ligging in de
buisleidingstrook, diepteligging, wanddikte, bescherming door de isolatiemantel,
bescherming door mantelbuizen etc. niet meegenomen in de bepaling van de
faalfrequentie van de buisleiding. De in deze risicoanalyse gehanteerde faalkans voor
de buisleiding is conservatief en zal daarom niet resulteren in een onderschatting van de
risicos.

Het groepsrisico wordt veroorzaakt door het falen van de buisleiding in de
Yangzehaven. Het groepsrisico blijft onder de orinterende waarde zoals gespecificeerd
in het BevB.

De maximale effectafstand voor de buisleiding bedraagt 1150 tot 1550 meter voor een
lek van 80mm op zee. De orinterende waarde voor het groepsrisico wordt niet
overschreden voor het hoge en lage druk scenario.

De gehanteerde probitrelatie zal niet leiden tot een onderschatting van de risicos van de
buisleiding. Daarnaast adresseert de in deze risicoanalyse gebruikte rekenmethodiek de
specifieke eigenschappen van CO2. Deze rekenmethodiek zal daarom niet resulteren in
een onderschatting van de risicos van de buisleiding.

De effecten van de buisleiding op externe veiligheid overschrijden de wettelijke norm
(die in de toekomst vigerend wordt) niet voor zowel het groepsrisico als het
plaatsgebonden risico. De plaatsgebonden risicocontour overschrijdt weliswaar niet de
norm, maar komt wel buiten de locatie en buiten de bovenkant van de buisleiding en
wordt daarom negatief beoordeeld (- -). Het groepsrisico blijft onder de gestelde
normen, maar neemt wel licht toe en wordt daarom licht negatief beoordeeld (-).

Effectbeoordeling
In onderstaande tabel wordt de effectbeoordeling van risicoanalyse buisleiding
samengevat.












9V7319.20/R0010_rev8/MVZ/ILAN/Rott Deelrapport Transport MER ROAD
20 juni 2011 - 134 - Definitief
Tabel 8.30 Effectbeoordeling Risicoanalyse Buisleiding
Alternatief/Variant Thema Aspect Activiteit
Basisalternatief Variant met
elektriciteitskabel
Plaatsgebonden
risico
Gebruik
-- -- Externe
veiligheid
Groepsrisico Gebruik - -

8.8 Verkeer
Transportbewegingen
Voor de aanlegfase zal relatief veel transport nodig zijn van materieel over weg en
water. Daarna wordt het vervoer beperkt tot onderhoudswerkzaamheden. De effecten
tijdens de aanleg betreffen het hinderen van de scheepvaart en de risicos van een
aanvaring. Voor de bedrijfsfase heeft de elektriciteitskabel invloed op
scheepskompassen. Bij inspectie, reparaties en/of herbegraven zijn vergelijkbare
effecten op de scheepvaart te verwachten als bij de aanleg.

Er is sprake van een lichte toename van de verkeersintensiteit ten opzichte van de
referentiesituatie. Daarom wordt dit thema licht negatief beoordeeld (-). Er is geen
onderscheid tussen de alternatieven en varianten.

Tabel 8.31 Effectbeoordeling verkeer
Alternatief/Variant Thema Aspect Activiteit
Basisalternatief Variant met
elektriciteitskabel
Verkeer Transportbewegingen Aanleg en Gebruik - -

8.9 Landschap
De buisleiding die wordt aangelegd van de MPP3 installatie naar platform P18-A in de
Noordzee wordt volledig (mogelijk met uitzondering van het begintraject op het terrein
van E.ON) ondergronds geplaatst. De toplaag wordt hersteld na het plaatsen van de
buisleiding. Het landschap ondergaat ten gevolge van het aanleggen van de buisleiding
geen veranderingen. In de aanlegfase treedt een tijdelijke verstoring op door de
aanlegwerkzaamheden. Deze verstoring is verwaarloosbaar te noemen aangezien de
omgeving bestaat uit een industrieterrein en zeevaartroute waar activiteiten normaliter
voorkomen en gezien de (in landschappelijk opzicht) kleinschaligheid van de
werkzaamheden. Behoud van landschappelijke waarden wordt beoordeeld met 0 (geen
effect) voor zowel het basisalternatief als de variant met elektriciteitskabel.

Tabel 8.32 Effectbeoordeling archeologie en landschap
Alternatief/Variant Thema Aspect Activiteit
Basisalternatief Variant met
elektriciteitskabel
Landschap Behoud
landschappelijke
waarden
Gebruik
0 0

Deelrapport Transport MER ROAD 9V7319.20/R0010_rev8/MVZ/ILAN/Rott
Definitief - 135 - 20 juni 2011

8.10 Electromagnetische effecten
Een in gebruik zijnde elektriciteitskabel veroorzaakt een magnetisch veld. Dit veld is
meetbaar en wordt weergegeven met de eenheid T.

Naast een magnetisch veld kunnen elektriciteitskabels tevens een elektrisch veld
creren. Aangezien de elektriciteitskabel wordt voorzien van een aardscherm, blijft het
elektrische veld volledig in de kabel besloten. Echter door de aanwezigheid van het
magnetische veld zal wederom een (licht) elektrisch veld gecreerd worden. Een zo
genoemd genduceerd of secundair elektrisch veld.

Huidige situatie en ontwikkelingen
Van nature bestaat er een magnetisch veld rond de aarde. De achtergrondsterkte van
het aardmagnetische veld in de Noordzee bedraagt circa 50 T. Door de aanwezigheid
van dit veld kunnen magnetische kompassen functioneren.

Effecten gebruiksfase (-)
Wanneer het magnetische veld in grote mate wordt verstoord zouden de magnetische
kompassen zoals aanwezig op bepaalde schepen niet meer goed kunnen functioneren.
Binnen het MER Den Helder 1 en Milieueffectenrapport voor een offshore
Windturbinepark op de Thorntonbank (C-Power 2003
10
), is onderzoek gedaan naar de
effecten voor aanleg en het gebruik van een windmolenpark. Hiervoor is tevens
onderzocht wat het effect van een magnetisch veld door elektrische kabels op de
scheepvaart zou kunnen zijn. In de MER Thorntonbank (C-Power; 2003) betreft de
elektriciteitskabel een drie-aderige 150 kV-kabel. Het magnetisch veld rond deze kabel
bedraagt ten hoogste 1,8 T op 1 meter van de kabel en neemt snel af met de afstand
van de kabel. Op 2 meter van de kabel bedraagt de magnetische veldsterkte nog 1,4
T, en op 6 m van de kabel nog ongeveer 0,2 T. In relatie tot de natuurlijke
achtergrondsterkte is dit verwaarloosbaar klein.

Hiermee kan geconcludeerd worden dat er een licht negatief effect van de
elektriciteitskabel is op het natuurlijke magnetische veld (-).

Effectbeoordeling
In onderstaande tabel is de effectbeoordeling voor elektromagnetische effecten
samengevat.

Tabel 8.33 Effectbeoordeling Elektromagnetisch veld
Alternatief/Variant Thema Aspect Activiteit
Basisalternatief Variant met
elektriciteitskabel
Elektromagnetisme Aanwezigheid
elektromagnetisch
veld
Gebruik
0 -
In paragraaf 8.11 wordt nader ingegaan op de effecten van het elektromagnetische veld
op de beroepsvaart en de recreatievaart.


10
http://www.mumm.ac.be/Common/Windmills/CPOWER/hoofddocument-mer.pdf







9V7319.20/R0010_rev8/MVZ/ILAN/Rott Deelrapport Transport MER ROAD
20 juni 2011 - 136 - Definitief
8.11 Gebruiksfuncties
In deze paragraaf worden de mogelijke effecten op gebruiksfuncties besproken. Het
gaat om de volgende gebruiksfuncties:

Scheepvaart en Navigatie;
Visserij;
Winning van oppervlakte delfstoffen;
Offshore mijnbouw;
Baggerstortlocaties;
Militaire activiteiten;
Windparken;
Recreatie.

8.11.1 Scheepvaart en Navigatie
De effecten op scheepvaart en navigatie worden bepaald door de hinder die
ondervonden wordt door aanlegwerkzaamheden en door het in gebruik zijn van de CO
2
transportleiding en elektriciteitskabel.

Huidige situatie en ontwikkelingen
De Noordzee is een van de drukst bevaren zeen ter wereld. Alle scheepvaart verlaat of
komt de haven van Rotterdam binnen via de Maasgeul. Ten westen van de Maasmond
bevinden zich verkeersscheidingsstelsels (VSS, figuur 8.27) die het inkomende en
uitgaande verkeer van elkaar scheiden. Het deel van de scheepvaart met een grote
diepgang vaart enkele tientallen kilometers westwaarts om vervolgens naar het zuiden
of noorden af te buigen. Scheepvaart met een kleinere diepgang met bestemming
IJmuiden, Hamburg of andere havens in de omgeving slaat al eerder af in noordelijke
richting. Hier bevindt zich ook een verkeerscheidingstelsel (het Maas Noord VSS).

Direct bij het verlaten van de havenmond bevindt zich ook een aanbevolen
oversteekplaats voor pleziervaart. Deze oversteekplaats is recentelijk verschoven in
westelijke richting door aanleg van Maasvlakte 2. De ontwikkeling zal een toename van
de scheepvaart laten zien, waarbij rekening gehouden wordt met grotere schepen. Deze
toename en verandering van scheepsafmetingen zal echter geen invloed hebben op de
effectbeschrijving.


Deelrapport Transport MER ROAD 9V7319.20/R0010_rev8/MVZ/ILAN/Rott
Definitief - 137 - 20 juni 2011

Figuur 8.27 Hydrografische zeekaart met daarop aangegeven het traject. Het roze gebied ten noorden
van het platform is het Maas Noord VSS.








9V7319.20/R0010_rev8/MVZ/ILAN/Rott Deelrapport Transport MER ROAD
20 juni 2011 - 138 - Definitief
Effecten
De effecten tijdens de aanleg betreffen het hinderen van de scheepvaart en de risicos
van een aanvaring. Voor de bedrijfsfase wordt de invloed van de elektriciteitskabel op
scheepskompassen toegelicht. Bij inspectie, reparaties en/of herbegraven zijn
vergelijkbare effecten op de scheepvaart te verwachten als bij de aanleg. Het risico op
aanvaring van de transportleiding bij gebruik is behandeld in paragraaf 8.7.

Effecten aanlegfase (-)
Tijdens de aanleg van de transportleiding en de elektriciteitskabel zal een werkvaartuig
van de Maasmond in de richting van het beoogde platform P-18A varen. De formatie die
het werk uitvoert is een combinatie van een legschip en een ingraafmachine. Afhankelijk
van het type ingraafmachine, wordt de ingraafmachine begeleid door een ingraafschip of
heeft deze een eigen aandrijving. In de effectbepaling dient uitgegaan te worden van
een combinatie met een geschatte lengte van maximaal 2000 m. De snelheid waarmee
gevaren wordt is geschat op 3 km per dag.

Het werkvaartuig dat de transportleiding en\of de elektriciteitskabel legt, start de
werkzaamheden ten noorden van de Maasgeul. De drukke Maasgeul scheepvaartroute
zal dus niet gekruist worden. Een deel van de route van het werkvaartuig kruist wel een
VSS. Het beoogde platform P18-A ligt in een verkeerscheidingstelsel (het Maas Noord
VSS).

De breedte van het noordwaarts gaande deel van het VSS is 2 mijl. Doordat de hoek
van het werkvaartuig en het VSS niet haaks is, zal naar schatting maximaal 50% door
het werkvaartuig worden ingenomen. Gezien de korte afstand en de werksnelheid, zal
deze hinder naar verwachting gedurende een dag plaats vinden. Als de
elektriciteitskabel en transportleiding apart worden gelegd moet rekening gehouden
worden met hinder gedurende 2 dagen. Voorafgaand aan de werkzaamheden zal in
overleg met de (Rijks)Havenmeester van Rotterdam, de Kustwacht en de directie
Noordzee van RWS bepaald worden welke veiligheidsmaatregelen in acht genomen
dienen te worden. Hiermee zullen eventuele negatieve effecten als hinder en
aanvaarrisicos zoveel mogelijk worden vermeden.

In aanvulling hierop zal er tijdelijk een werkschip ten noorden van de Maasgeul liggen.
Deze zal de transportleiding en kabel moeten begeleiden die onder de Maasgeul wordt
getrokken bij de HDD boring onder de Maasgeul. Gezien de vaste ligging van dit
werkvaartuig is effect op het scheepvaartverkeer in de Maasgeul niet te verwachten.
Voorafgaand aan de werkzaamheden zal in overleg met de (Rijks)Havenmeester van
Rotterdam, de Kustwacht en de directie Noordzee van RWS bepaald worden welke
veiligheidsmaatregelen in acht genomen dienen te worden. Hiermee zullen eventuele
negatieve effecten als hinder en aanvaarrisicos zoveel mogelijk worden vermeden. Te
denken valt aan beperking van de werkbare tijd op basis van het weer, als golfhoogte en
of windsnelheid. Bij storm zou het werkvaartuig onverwachts in de Maasgeul terecht
kunnen komen. Door niet te werken tijdens hoge golven en\of harde wind zal dit risico
worden vermeden.


Deelrapport Transport MER ROAD 9V7319.20/R0010_rev8/MVZ/ILAN/Rott
Definitief - 139 - 20 juni 2011
Effecten gebruiksfase (0)
Een afwijking van het van nature aanwezige magnetisch veld, veroorzaakt door de
elektriciteitskabel (zoals beschreven in paragraaf 8.10), zou een effect op de
scheepvaart kunnen hebben. Met de informatie van paragraaf 8.10 als onderbouwing,
wordt het effect van een 33kV of 10kV elektriciteitskabel (zoals opgenomen in de variant
met elektriciteitskabel) op het magnetische kompas als verwaarloosbaar klein geschat.
In aanvulling hierop kan toegevoegd worden dat het gebruik van een kompas in de
beroepsvaart tegenwoordig klein is. Commercile schepen hebben vrijwel allemaal een
gyro kompas. Dit is niet gevoelig is voor magnetisme. Daarnaast bestaan er GPS en
andere middelen waarmee een afwijking snel geconstateerd wordt. De effecten van de
elektriciteitskabel op scheepvaart door afwijkingen in het magnetische veld wordt als
geen effect beoordeeld (0).

Effectbeoordeling
In onderstaande tabel worden de effecten op scheepvaart beoordeeld, dit is kwalitatief
gebeurd. Bij de variant met elektriciteitskabel vinden meer aanlegwerkzaamheden
plaats, echter de effecten zijn in alle gevallen (met uitzondering van aanwezigheid
inrichting) licht negatief.

Tabel 8.34 Effectbeoordeling Scheepvaart en Navigatie
Alternatief/Variant Thema Aspect Activiteit
Basisalternatief Variant met
elektriciteitskabel
HDD boring
Maasmond
- -
Ingraven zeebodem - -
Scheepvaart
tijdens aanleg
Aanbrengen riser
platform
- -
Scheepvaart
tijdens gebruik
Aanwezigheid
inrichting
0 0
Gebruiksfuncties
TOTAAL - -

8.11.2 Visserij
Bij de effectbeschrijving en beoordeling van de gebruiksfunctie visserij wordt gekeken
naar de effecten vanuit economisch perspectief voor de visserij. Om de effecten te
bepalen wordt gekeken naar het directe ruimtebeslag die de voorgestelde activiteiten
hebben welke in conflict kunnen zijn met visserijactiviteiten.

Bestaande ontwikkeling en autonome ontwikkeling
Binnen de 12 mijlszone mag alleen door schepen tot 300 pk worden gevist. Veilingen
voor gevangen vis uit de kustzone zijn aanwezig in IJmuiden, Scheveningen,
Stellendam, Colijnsplaat en Breskens en in het Belgische Zeebrugge. In de kustzone
vinden verschillende typen visserij plaats, waarvan de boomkorvisserij op platvis
(voornamelijk schol en tong) en de garnalenvisserij de voornaamste zijn. Autonome
ontwikkeling van de visserij zal voornamelijk afhangen van de toekomstige wet- en
regelgeving. Momenteel is er sprake van overbevissing welke in diverse verdragen
wordt teruggedrongen. Meer duurzame visserij zal in de toekomst waarschijnlijk ook
leiden tot minder gebruik van sleepnetten.
Effecten aanlegfase (-)
Gedurende de ingraving van de leiding en de kabel zal er tijdeliik een werkvaartuig van
de maasgeul naar het platform varen. De mogelijke nautische effecten worden
beschreven in het hoofdstuk scheepvaart en navigatie. In aanvulling op deze nautische







9V7319.20/R0010_rev8/MVZ/ILAN/Rott Deelrapport Transport MER ROAD
20 juni 2011 - 140 - Definitief
effecten kunnen indirecte effecten ontstaan door bagger- en ingraafactiviteiten op de
opgroei en foerageergebieden. Deze effecten en het indirecte effect op de ecologie door
het vrijkomen van slib tijdens de ingraving, komen aan bod bij het thema natuur.

Het totale oppervlak van de zeebodem dat actief wordt beroerd door de aanleg van de
transportleiding en de kabel is geschat op 36 ha voor de variant met een elektrische
kabel en 18 ha zonder de kabel. Gezien dit zeer kleine oppervlak zal het effect van de
aanleg op de visserij verwaarloosbaar klein zijn (-).

Effecten gebruiksfase
De effecten van de transportleiding en elektriciteitskabel op de visserij als deze in
gebruik zijn, wordt bepaald door de kans op een ongeval door contact met sleepnetten
en ankers van de schepen en de transportleiding en elektriciteitskabel. Deze effecten
worden beschreven in het paragraaf 8.7.

Effectbeoordeling
In onderstaande tabel is de effectbeoordeling voor visserij samengevat.

Tabel 8.35 Effectbeoordeling Visserij
Alternatief/Variant Thema Aspect Activiteit
Basisalternatief Variant met
elektriciteitskabel
Gebruiksfuncties Visserij Aanleg - -

8.11.3 Winning van oppervlakte delfstoffen
Op de Noordzee is het toegestaan oppervlaktedelfstoffen te winnen. Het gaat hierbij om
zand, grind en schelpen. De doorgaande NAP 20 meter lijn geldt als landwaartse grens
voor de winning van oppervlaktedelfstoffen. Er zijn enkele uitzonderingen:

Zandwinning is toegestaan tussen de doorgaande NAP 20 meter lijn en de 12-
mijlsgrens n in de vaargeul (Euro-Maasgeul). Diepe zandwinning is toegestaan
vanaf 2 kilometer zeewaarts van de doorgaande NAP 20 meter lijn;
Schelpen mogen worden gewonnen in gebieden waar het dieper is dan NAP -5,0
meter tot 50 kilometer uit de kust.

Huidige situatie en ontwikkelingen
Zandwinning is toegestaan tussen de doorgaande NAP 20 meter lijn en de 12-
mijlsgrens n in de vaargeul (Euro-Maasgeul). Diepe zandwinning is toegestaan vanaf 2
kilometer zeewaarts van de doorgaande NAP 20 meter lijn. Op het Nederlands deel
van de Noordzee wordt jaarlijks circa 35 miljoen m
3
zand gewonnen (cijfers 2002).
Hiervan komt een deel uit de vaargeul naar Rotterdam en IJmuiden. Zeezand wordt
grotendeels gebruikt als ophoogzand op land (circa 20 miljoen m
3
/j). Voor kustsuppletie
wordt ruim 14 miljoen m
3
/j gewonnen. Mogelijk kan in de toekomst ook nog op beperkte
schaal beton- en metselzand (grove zandwinning) worden gewonnen.

Deelrapport Transport MER ROAD 9V7319.20/R0010_rev8/MVZ/ILAN/Rott
Definitief - 141 - 20 juni 2011
Dit bevindt zich echter ofwel in een ecologisch waardevol gebied (de Klaverbank) ofwel
op grote diepte, zodat de winning op dit moment niet, respectievelijk niet op economisch
haalbare wijze, kan geschieden. Dit leidt tot omvangrijke importen uit andere Europese
landen. In de toekomst zal er meer zand nodig zijn voor kustsuppleties. Naast
zandwinning, vindt er op de Noordzee ook schelpenwinning plaats. Schelpen mogen
worden gewonnen in gebieden waar het dieper is dan NAP -5,0 meter tot 50 kilometer
uit de kust. Voor de schelpenwinning bestaan maxima aan de jaarlijks te winnen
hoeveelheden in bepaalde gebieden. In figuur 8.28 zijn de zandwingebieden en de
schelpenwingebieden gegeven.



Figuur 8.28 Overzicht Wingebieden (zand en schelpen) in 2009. Bron: www.Noordzeeatlas.nl

Effecten aanlegfase en gebruiksfase (0)
De zandwingebieden zijn op veilige afstand van de geplande kabel en transportleiding
gelegen. Er zijn daarom geen negatieve effecten te verwachten door aanleg en gebruik
van de transportleiding en de elektriciteitskabel (0).

Effectbeoordeling
In onderstaande tabel is de effectbeoordeling voor winning oppervlaktedelfstoffen
samengevat.

Tabel 8.36 Effectbeoordeling Winning oppervlaktedelfstoffen
Alternatief/Variant Thema Aspect Activiteit
Basisalternatief Variant met
elektriciteitskabel
Gebruiksfuncties Winning van
oppervlaktedelfstoffen
Alle
0 0

8.11.4 Offshore mijnbouw
In de Noordzee liggen verschillende olie- en gasvelden met productieplatforms. Deze
zijn verbonden met het land door middel van transportleidingen. Mogelijke effecten zijn
eventuele aanpassing risicomanagement en/of nautische maatregelen op de platforms
en tijdelijke (wederzijdse) (nautische) hinder voor gas- en oliewinningactiviteiten.







9V7319.20/R0010_rev8/MVZ/ILAN/Rott Deelrapport Transport MER ROAD
20 juni 2011 - 142 - Definitief

Huidige situatie en ontwikkelingen
Op het Nederlands deel van het Continentaal Plat staat een groot aantal vaste
mijnbouwinstallaties. In 2003 kwam ongeveer 85% (2,31 miljoen m
3
) van de
aardoliewinning in Nederland uit het Nederlands Continentaal Plat; voor aardgaswinning
was dit ongeveer 33% (23,14 miljard m
3
).

In onderstaande Figuur 8.29 is een overzicht van de bekende olie- en gasvelden in de
Noordzee weergegeven. Offshore mijnbouw activiteiten vinden voornamelijk plaats ten
noorden van de huidige Maasvlakte.


Figuur 8.29 Overzicht gas en olie velden in Nederland (2005).
Bron: www.Noordzeeatlas.nl

In het Integraal Beheerplan Noordzee 2015 staat dat het aantal producerende velden in
de komende decennia aanzienlijk zal afnemen. Daardoor zal de infrastructuur van
platforms en buisleidingen op een gegeven moment in onbruik geraken. Vooral de
kleine velden op de Noordzee (< 3 miljard m
3
) zijn voor een rendabele exploitatie sterk
afhankelijk van bestaande infrastructuur.

Deelrapport Transport MER ROAD 9V7319.20/R0010_rev8/MVZ/ILAN/Rott
Definitief - 143 - 20 juni 2011
Het is overigens nog steeds te verwachten dat nieuwe winninglocaties op de Noordzee
in exploitatie zullen worden genomen. Dit gaat naar verwachting niet gepaard met
aanzienlijk ruimtebeslag.

Effecten aanlegfase en gebruiksfase (0)
De beoogde aanleg van de transportleiding en de elektriciteitskabel volgt het bestaande
trac van een leiding die via een ondergronds platform Q16-A, naar P18-A loopt.
Doordat dit trac gevolgd wordt, zal tijdens de aanleg van de leiding en kabel noch voor
deze 2 platforms noch voor andere bronnen hinder ontstaan. In de gebruiksfase hebben
de leiding en kabel geen invloed op de bestaande of toekomstige offshore mijnbouw.


Effectbeoordeling
In onderstaande tabel is de effectbeoordeling voor offshore mijnbouw samengevat.

Tabel 8.37 Effectbeoordeling Offshore mijnbouw
Alternatief/Variant Thema Aspect Activiteit
Basisalternatief Variant met
elektriciteitskabel
Gebruiksfuncties Offshore
mijnbouw
Aanleg en gebruik
0 0

8.11.5 Baggerstortlocaties
Huidige situatie en autonome ontwikkelingen
Het materiaal dat vrijkomt bij het baggeren van de vaargeulen en de havenbekkens
wordt naar speciale stortplaatsen op zee gebracht. Rijkswaterstaat Noordzee bepaalt
waar en wanneer hoeveel gebaggerd mag worden en geeft hiervoor vergunningen uit.

Bagger uit Nederlandse havens en vaargeulen dat aan de Chemie Toxiciteit Toets
(CTT) voldoet, wordt op een aantal locaties voor de kust gestort (Noord-West,
Scheveningen, de verdiepte loswal voor Rotterdam en ten noorden van de pier voor
IJmuiden). De Nederlandse zeehavens leveren ongeveer 10 miljoen ton droge stof per
jaar. De huidige stortlocaties zijn naar verwachting groot genoeg om de behoefte van de
komende jaren op te vangen. Zie figuur 8.30 voor de locatie van de baggertstortlocaties
voor de Nederlandse kust.


Figuur 8.30 Baggerstortlocaties voor de Hollandsche Kust. Bron: www.ecomare.nl








9V7319.20/R0010_rev8/MVZ/ILAN/Rott Deelrapport Transport MER ROAD
20 juni 2011 - 144 - Definitief
Ten noorden van de Maasvlakte ligt de, niet meer in gebruik zijnde, locatie Loswal
Noord. De locatie Loswal Noord is gebruikt voor het storten van baggerspecie uit de
haven van Rotterdam. Ook is bekend dat deze voormalige baggerstortlocatie is gebruikt
voor het illegaal storten van onbekende soorten bouwafval. De locatie Verdiepte
Loswallen, ten Westen van Loswal Noord, bestaat uit een kuil die is uitgebaggerd om
baggerverspreiding tegen te gaan.

Effecten aanlegfase en gebruiksfase (0)
Op enige afstand van de geplande buisleiding en de elektriciteitskabel is stortplaats
Noord aanwezig. Deze stortplaats is niet meer in gebruik. Effect is dus niet te
verwachten van aanleg of gebruik van transportleiding of elektriciteitskabel.


Effectbeoordeling
In onderstaande tabel is de effectbeoordeling voor baggerstortlocaties samengevat.

Tabel 8.38 Effectbeoordeling Baggerstortlocaties
Alternatief/Variant Thema Aspect Activiteit
Basisalternatief Variant met
elektriciteitskabel
Gebruiksfuncties Baggerstortlocaties Aanleg en gebruik 0 0

8.11.6 Kabels en leidingen
Huidige situatie en ontwikkelingen
Het beoogde trac waarlangs de nieuwe transportleiding wordt aangelegd volgt het
trac van twee bestaande gasleidingen.

Een 8 bevoorradingsleiding die het platform P-18 verbindt met winput Q16-A
(Umbilical P18-A to Q16-A);
Een 26 buisleiding die P15-D verbindt met de Maasmonding.


Deelrapport Transport MER ROAD 9V7319.20/R0010_rev8/MVZ/ILAN/Rott
Definitief - 145 - 20 juni 2011
Naar verwachting zal het aantal leidingen door een afname van de gaswinning op de
Noordzee eerder afnemen dan toenemen. Mogelijkerwijs zal het aantal elektrische
kabels toenemen doordat er meer windparken voorzien zijn op de Noordzee buiten de
12 mijl grens.

Effecten aanlegfase en gebruiksfase (0)
De geplande transportleiding en elektriciteitskabel zullen aangelegd worden op
voldoende veilige afstand (ca. 100 meter) van deze bestaande leidingen. In aanvulling
hierop worden geen andere bestaande leidingen of kabels gekruist. De enige kabel die
in de buurt ligt is een uit bedrijf geraakte telecomverbinding, deze ligt echter ten
Noorden van P18-A. Zowel tijdens de aanleg als in het gebruik is er dus momenteel
geen effect te verwachten van zowel elektriciteitskabel als de transportleiding.

Een verbinding van windmolenpark Scheveningen Buiten (initiatiefnemer Evelop) met
het vaste land zou de buisleiding wel kruisen conform het recent vergunde trac van
deze elektriciteitskabel. Aangezien de subsidie voor de aanleg van dit windmolenpark
niet verstrekt is zal dit project in de nabije toekomst geen doorgang vinden.

Op basis van bovenstaande wordt er vanuit gegaan dat er geen kruisingen met kabels
en leidingen voordoen. Er zijn geen effecten voor kabels en leidingen (0).

Effectbeoordeling
In onderstaande tabel is de effectbeoordeling voor kabels en leidingen samengevat.

Tabel 8.39 Effectbeoordeling Kabels en Leidingen
Alternatief/Variant Thema Aspect Activiteit
Basisalternatief Variant met
elektriciteitskabel
Gebruiksfuncties Kabels en
leidingen
Aanleg en gebruik
0 0

8.11.7 Militaire activiteiten
Huidige situatie en ontwikkelingen
Op en boven de Noordzee zijn verschillende gebieden aangewezen als militair
oefengebied. Ook buiten deze oefengebieden vinden militaire activiteiten plaats. Het
gaat onder meer om gebieden voor vliegoefeningen, schietoefeningen en
oefengebieden voor het opsporen van mijnen. Deze gebieden worden wanneer er
geen oefeningen plaatsvinden ook voor andere activiteiten gebruikt. Bij oefeningen
gaat het doorgaans om schietoefeningen vanaf de wal, vanaf schepen of vanuit
vliegtuigen. De schietactiviteiten geschieden op werkdagen, met uitzondering van een
periode in de zomer. Daarnaast wordt ook geoefend in de bestrijding van mijnen en in
landingen op de kust. Voor het springen van explosieven worden ad-hoc springposities
gebruikt. Ook buiten deze gebieden vinden militaire activiteiten plaats, zoals
scheepvaart en oefeningen voor het aanlanden op de kust.







9V7319.20/R0010_rev8/MVZ/ILAN/Rott Deelrapport Transport MER ROAD
20 juni 2011 - 146 - Definitief
Op korte termijn wordt geen vermindering van het aantal oefenterreinen voorzien.
Vanwege het intensieve ruimtegebruik op de Noordzee is het verplaatsen van deze
activiteiten nauwelijks mogelijk. Zie figuur 8.31 voor een overzicht van de militaire
gebieden voor de Nederlandse kust.


Figuur 8.31 Overzicht militaire gebieden Nederlandse kust. Bron: www.Noordzeeatlas.nl

Effecten aanlegfase en gebruiksfase (0)
De militaire gebieden bevinden zich op ruime afstand van het trac van de
transportleiding en 10 kV elektriciteitskabel. In aanvulling hierop, zullen
aanlegactiviteiten niet plaatsvinden op routes die eventueel voor militaire oefengebieden
van belang zijn. Daarom zijn er geen effecten te verwachten (0).


Deelrapport Transport MER ROAD 9V7319.20/R0010_rev8/MVZ/ILAN/Rott
Definitief - 147 - 20 juni 2011
Effectbeoordeling
In onderstaande tabel is de effectbeoordeling voor militaire activiteiten samengevat.

Tabel 8.40 Effectbeoordeling Militaire activiteiten
Alternatief/Variant Thema Aspect Activiteit
Basisalternatief Variant met
elektriciteitskabel
Gebruiksfuncties Militaire
activiteiten
Aanleg en gebruik
0 0

8.11.8 Windparken
Bestaande situatie en ontwikkelingen
Diverse windparkinitiatieven zijn te vinden op de Noordzee. Twee windparken zijn
gerealiseerd, te weten NoordzeeWind en het Prinses Amaliawindpark. Alle
windparken worden op het Nederlands Continentaal Plat gerealiseerd (de Exclusieve
Economische Zone). Deze liggen hiermee alle buiten de 12 mijl zone.

Effecten aanlegfase en gebruiksfase
Aangezien het beoogde platform P18-A binnen de 12 mijl zone ligt, is er geen effect op
bestaande of geplande windparken door de transportleiding en elektriciteitskabel die
naar het platform loopt.









9V7319.20/R0010_rev8/MVZ/ILAN/Rott Deelrapport Transport MER ROAD
20 juni 2011 - 148 - Definitief


Figuur 8.32 Overzicht windparkinitiatieven 2009. Bron: www.Noordzeeatlas.nl

Effectbeoordeling

In onderstaande tabel is de effectbeoordeling voor windparken samengevat.


Deelrapport Transport MER ROAD 9V7319.20/R0010_rev8/MVZ/ILAN/Rott
Definitief - 149 - 20 juni 2011
Tabel 8.41 Effectbeoordeling Windparken
Alternatief/Variant Thema Aspect Activiteit
Basisalternatief Variant met
elektriciteitskabel
Gebruiksfuncties Windparken Aanleg en gebruik 0 0

8.11.9 Recreatie
De Noordzee heeft een grote betekenis voor recreatie en toerisme. De Noordzeekust,
vooral het strand, is in bezoekersaantallen gemeten het belangrijkste recreatiegebied
van Nederland. De Noordzee is aantrekkelijk voor allerlei vormen van watersport en
strandrecreatie: strandrecreatie, watersport, actieve buitensport, havengebonden
recreatie.

In deze paragraaf is aangegeven of en op welke wijze de aanwezigheid en
werkzaamheden aan de kabel (tijdelijk) kunnen interfereren met de
gebruiksmogelijkheden van de recreatiegebieden. Het gaat daarbij vooral om het gebied
rondom de aanlanding van de kabel op de Maasvlakte.

Huidige situatie en ontwikkelingen
Hoek van Holland heeft een bijzondere ligging: aan de Noordzee n aan de Nieuwe
Waterweg. Hierdoor heeft Hoek van Holland internationale bekendheid gekregen.
Behalve de strandrecreatie, natuurrecreatie en watersport, is het boten kijken een
recreatieve bezigheid die dagelijks door velen wordt uitgevoerd (zie figuur 7.10.8 voor
de hyrografische zeekaart). Toch is het aanbod aan toeristisch-recreatieve
voorzieningen nog beperkt. Voor Hoek van Holland worden momenteel plannen
ontwikkeld voor intensivering en verdere ontwikkeling van het toeristisch-recreatieve
aanbod.

Effecten aanlegfase (0)
De aanlegwerkzaamheden concentreren zich vooral op open water en op het open
zeegebied. Tijdens de aanleg van de leiding en de elektriciteitskabel zal er tijdelijk een
schip of een ponton nabij de Noordelijke pier van Hoek van Holland liggen. Deze ponton
zal de buisleiding onder de Maasgeul door geleiden. De buisleiding doorkruist geen
recreatiegebieden en ligt zeewaarts van het strand van Hoek van Holland.








9V7319.20/R0010_rev8/MVZ/ILAN/Rott Deelrapport Transport MER ROAD
20 juni 2011 - 150 - Definitief

Figuur 8.33 Hydrografische zeekaart 1801 bijgewerkt tot september 2010

Tijdens de aanleg van de buisleiding en de kabel zal het werkvaartuig dat de leiding en
kabel legt, de aanbevolen oversteekplaats van de Maasgeul voor pleziervaartuigen
kruisen op ongeveer 2 km van de Maasmond. Enige hinder van het doorgaande
pleziervaartuig verkeer is dus te verwachten. Voorafgaand aan de werkzaamheden zal
in overleg met de (Rijks)Havenmeester van Rotterdam, de Kustwacht en de directie
Noordzee van RWS bepaald worden welke veiligheidsmaatregelen in acht genomen
dienen te worden. Hiermee zullen eventuele negatieve effecten als hinder en
aanvaarrisicos worden vermeden.

Effecten gebruiksfase (0)
Strandrecreanten en kleine watersporters die het strand van Hoek van Holland
bezoeken, zullen geen hinder ondervinden van de aanwezigheid van de kabel of van de
transportleiding omdat deze volledig onder water ligt. De recreatievaart zou
mogelijkerwijs hinder kunnen ondervinden bij het navigeren op een kompas als de
elektriciteitskabel gepasseerd wordt (zie sectie Scheepvaart en Navigate). Dit effect zal
niet tot nauwelijks merkbaar en zeer lokaal zijn.

Effectbeoordeling
In onderstaande tabel is de effectbeoordeling voor recreatie samengevat.

Tabel 8.42 Effectbeoordeling Recreatie
Alternatief/Variant Thema Aspect Activiteit
Basisalternatief Variant met
elektriciteitskabel
Gebruiksfuncties Recreatie Aanleg en gebruik 0 0


Deelrapport Transport MER ROAD 9V7319.20/R0010_rev8/MVZ/ILAN/Rott
Definitief - 151 - 20 juni 2011
9 VERGELIJKING VAN DE ALTERNATIEVEN EN VARIANTEN
9.1 Inleiding
In dit hoofdstuk worden de alternatieven/varianten vergeleken. Voor het transport deel
betreft het een vergelijking tussen de referentie, het basisalternatief en de variant met
een elektriciteitskabel.

9.2 Afwegingskader
Zoals in Hoofdstuk 4 aangegeven dient de inrichting getoetst te worden aan het
afwegingskader van het IBN (Integraal Beheerplan Noordzee 2015) en de GMT
elementen van de KRM (Kaderrichtlijn Mariene Strategie).

Afwegingskader voor nieuwe activiteiten IBN
De Nota Ruimte vormt de beleidsmatige basis voor het IBN. Met behulp van het
integraal afwegingskader is het mogelijk om per vergunning een afweging te maken
over de toelaatbaarheid van de betreffende economische activiteit, aan de hand van de
ruimtelijke aspecten, ecologische en milieugevolgen en de daaraan te verbinden
voorschriften en beperkingen bij verlening van een vergunning. Met het oog op
duurzaam ruimtegebruik gaat het daarbij vooral om efficint gebruik van de ruimte. Ook
moeten nut en noodzaak van nieuwe activiteiten op de Noordzee worden aangetoond.
Dit om te voorkomen dat activiteiten waarvoor op het land geen plaats meer is, zonder
enige afweging naar de Noordzee worden verplaatst. Een duurzaam gebruik vraagt
daarnaast ook om het beperken van de milieudruk. Dit houdt in, dat de effecten van
maatregelen vooraf in kaart worden gebracht (voorzorg) en zo nodig beperkt en/of
gecompenseerd worden.

In het integraal afwegingskader zijn vijf toetsen opgenomen die in de Nota Ruimte zijn
genoemd:

Toets Informatievoorziening
1. definiren van de
ruimtelijke claim;
Voorgenomen activiteit: deelrapport Transport hoofdstuk 2
Potentile effecten: zie deelrapport Transport hoofdstuk 8
Ruimtebeslag: zie deelrapport Transport hoofdstuk 2 en zie hoofdrapport
2. voorzorg; Beschrijven van de ingreep, de natuurwaarden, de situatie ten aanzien van het
gebruik en de effecten die de ingreep kan hebben op basis van de beste
beschikbare kennis: Zie deelrapport Transport, Hoofdstuk 8 voor effecten.
3. nut en noodzaak; Als een activiteit significante ruimtelijke en/of ecologische effecten heeft, moeten
nut en noodzaak worden aangetoond, er zijn echter in dit geval geen significante
ruimtelijke en/of ecologische effecten.
4. locatiekeuze en
beoordeling ruimtegebruik;
Ter input van de toets van het Bevoegde Gezag: zie deelrapport Transport
hoofdstuk 2 en 8
5. beperken en compensatie
van effecten.
Ter input van de toets van het Bevoegde Gezag: zie deelrapport Transport
hoofdstuk 8








9V7319.20/R0010_rev8/MVZ/ILAN/Rott Deelrapport Transport MER ROAD
20 juni 2011 - 152 - Definitief
GMT elementen KRM

De kern van de Kaderrichtlijn mariene strategie wordt gevormd door de verplichting voor
de lidstaten om mariene strategien vast te stellen met betrekking tot de onder hun
soevereiniteit of rechtsmacht vallende wateren voor de betreffende mariene regio of
subregio. Voor Nederland is dat de subregio Noordzee als onderdeel van het
noordoostelijke deel van de Atlantische oceaan. In de mariene strategien dient een
ecosysteemgerichte benadering op het beheer van menselijke activiteiten te worden
toegepast en dient bovendien het duurzaam gebruik van mariene goederen en diensten
door de huidige en toekomstige generaties mogelijk te worden gemaakt.

De Kaderrichtlijn Mariene Strategie (KRM) is in 2008 in werking getreden en richtzich op
het bereiken van de Goede Milieutoestand (GMT) in alle Europese zeen in2020,
waarbij de bescherming van het mariene milieu en duurzaam gebruik in balanszijn.
Deze GMT kan worden beschreven aan de hand van11 kwaliteitselementen. Omdat de
elementen nog niet nader zijn uitgewerkt inde vorm van indicatoren en milieudoelen, is
het in dit MER uitsluitend mogelijk globale uitspraken over de mogelijke effecten van het
project te doen.

In onderstaande tabel is per element aangegeven of er effecten zijn en waar de
bijbehorende informatie te vinden is.

Tabel 9.1 Mogelijke effecten op GMT elementen KRM
GMT elementen Mogelijke effecten Oordeel
1: Biologische diversiteit Geen effect, zie paragraaf 7.11 0
2: Niet-inheemse
soorten
Geen effect, zie paragraaf 7.11 0
3: Commercile vis en
schaal- en schelpdieren
Geen effect, zie paragraaf 7.12.3 0
4: Voedselketens tijdelijk, lokaal en verwaarloosbaar verlies van bodemdieren;
tijdelijke, lokale verwaarloosbare toename van concentratie
zwevend stof in het water,
zie paragraaf 7.10
0
5: Eutrofiring tijdelijke en verwaarloosbare toename van nitraat en sulfaat,
zie paragraaf 7.10
0
6: Integriteit zeebodem Verwaarloosbaar effect, zie paragraaf 7.8.2 0
7: Hydrografische
eigenschappen
Geen effect, zie paragraaf 7.8.2 0
8: Vervuilende stoffen Geen effect, zie paragraaf 7.10 0
9: Visserijproducten Geen effect, zie paragraaf 7.10 0
10: Zwerfafval Geen effect
11
0
11: Onderwatergeluid Verwaarloosbaar effect, zie paragraaf 7.6.2 0


11
Zwerfvuil is een algemeen begrip dat alles dekt, van grote objecten (bijv. visnetten) tot kleine resten als
plastic micropartikels. Binnen dit project vindt geen uitstoot van zwerfvuil plaats.

Deelrapport Transport MER ROAD 9V7319.20/R0010_rev8/MVZ/ILAN/Rott
Definitief - 153 - 20 juni 2011
Kaderrichtlijn water

De Kaderrichtlijn water heeft betrekking op de bescherming van landoppervlaktewater,
overgangswater, kustwateren en grondwater. De richtlijn heeft volgens artikel 1 tot doel:

De kwaliteit van de aquatische ecosystemen te beschermen en te verbeteren;
Bevorderen van duurzaam gebruik van water, op basis van bescherming van de
beschikbare waterbronnen op lange termijn;
Verschaffen van een verhoogde bescherming en verbetering van het aquatische
milieu, onder andere door specifieke maatregelen voor de progressieve
vermindering van lozingen, emissies en verliezen van prioritaire stoffen en door het
stopzetten of geleidelijk beindigen van lozingen, emissies of verliezen van
prioritaire gevaarlijke stoffen;
Zorgen voor de progressieve vermindering van de verontreiniging van grondwater
en verdere verontreiniging hiervan wordt voorkomen;
Bijdragen aan afzwakking van de gevolgen van overstromingen en perioden van
droogte.

De Kaderrichtlijn water is van toepassing op alle oppervlaktewateren, waaronder
binnenwateren, overgangswateren, kustwateren en, voor zover het de chemische
toestand betreft, ook territoriale wateren. Onder kustwateren verstaat de richtlijn: de
oppervlaktewateren, gelegen aan de landzijde van een lijn waarvan elk punt zich op een
afstand bevindt van n zeemijl zeewaarts van het dichtstbijzijnde punt van de basislijn
vanwaar de breedte van de territoriale wateren wordt gemeten, zo nodig uitgebreid tot
de buitengrens van een overgangswater (artikel 2(7)).Het plangebied van het onderdeel
Transport van het CCS-demonstratieproject ligt voor een (klein) deel in het type K1
(polyhalien tot euhalien, niet beschut kustwater). Tot dit type behoort de Voordelta, de
Hollandse kust en het zeewaarts van de Waddeneilanden gelegen deel van de
Nederlandse kust.

Bij toetsing van eventuele effecten van het project aan de doelen van Kaderrichtlijn
water gaat het erom te beoordelen of het project het bereiken van de Goede
Ecologische Toestand zou kunnen verhinderen. De ecologische toestand van het
kustwater wordt afgemeten aan:

Fytoplankton, met als indicatoren
de zomergemiddelde concentratie chlorofyl-a (biomassa)
de maximale abundantie van de schuimvormende (plaag)alg Phaeocystis sp.
(maat voor soortensamenstelling);
Macrofauna, met als samenhangende, in de zogenaamde Benthic Quality Index
gentegreerde indicatoren
de relatie tussen primaire productie van het systeem en de gemiddelde
biomassa bodemdieren
areaal leefgebieden en eco-elementen
benthosgemeenschap binnen het leefgebied of ecotoop
Algemene Fysisch-chemische kwaliteitselementen, met als deelmaten thermische
omstandigheden, zuurstofhuishouding, zoutgehalte, nutrinten en doorzicht
Hydromorfologie, met als deelmaten stroomrichting, getijverschil, golfhoogte,
waterdiepte, mineraal slib, mineraal zand, natuurlijke oever).

De enige mogelijke effecten van het onderdeel Transport betreffen de tijdelijke effecten
van de aanleg van de transportleiding en de elektriciteitskabel. In de exploitatiefase zijn
geen effecten op de KRW-indicatoren te verwachten.








9V7319.20/R0010_rev8/MVZ/ILAN/Rott Deelrapport Transport MER ROAD
20 juni 2011 - 154 - Definitief
De in paragraaf 8.3 besproken tijdelijke effecten zijn echter dermate gering en lokaal dat
ze het al dan niet bereiken van de Goede Ecologische Toestand van het kustwater
zeker niet in de weg staan.

9.3 Overzicht effectenbeoordeling
Alternatief/Variant Thema Aspect Activiteit
Basisalternatief Variant met
elektriciteitskabel
Grondbalans Hergebruik van grondstoffen - -
Vergraven verontreinigde
bodems
+ +
Veroorzaken directe
verontreiniging in gebruiksfase
0 0
Bodem (land)
Bodemkwaliteit
Gebruik buisleiding,
temperatuurtoename
- -
Bodemkwaliteit Gebruik buisleiding,
temperatuurtoename
- - Bodem (zee)
Bodemberoering Aanleg inrichting,
bodemberoering
- -
Oppervlaktewater Oppervlaktewater op land 0 0
Grondwater Grondwater op land 0 0
Water
zeewater Slibgehalte op zee - -
Aanlegfase, verstoring (geluid,
trillingen, licht)
- -
Aanlegfase, atmosferische
depositie
- -
Aanlegfase, fysieke verstoring
beschermde soorten
- -
Gebruiksfase, verstoring
(geluid en licht)
- -
Natuur (land)


Beschermde soorten en
beschermde gebieden
Gebruiksfase, opwarming door
buisleiding
- -
Onderwatergeluid
tijdens aanleg
HDD boring, ingraven
buisleiding, baggeren van
zandduintjes
- -
Emissies tijdens aanleg Uitstoot van
verbrandingsmotoren
- -
Bodemberoering,
troebeling en
sedimentatie tijdens
aanleg
Ingraven buisleiding en
baggeren zandduintjes
- -
Visuele verstoring Scheepvaart-bewegingen
aanleg buisleiding
- -
Onderwatergeluid
tijdens gebruik
Stromen van CO2 door de
buisleiding
- -
Magnetische velden
tijdens gebruik
Gebruik van de
elektriciteitskabel
0 -
Natuur (zee)




Warmteontwikkeling
Gebruik buisleiding en
- 0

Deelrapport Transport MER ROAD 9V7319.20/R0010_rev8/MVZ/ILAN/Rott
Definitief - 155 - 20 juni 2011
tijdens gebruik elektriciteitskabel
Calamiteit tijdens
gebruik
Vrijkomend CO2 in water en
lucht
- -
Verstoring Inspectie buisleiding - -
Beschermde gebieden Alle - - Natuur
Beschermde soorten Alle - -
Archeologie

Verstoring
archeologisch
bodemarchief
Alle
-- --
Geluidshinder (tijdens
aanleg)
Ingraven, avegaar boren en
HDD boren
- -
Geluidsafstraling gebruiksfase 0 0 Geluidshinder (tijdens
gebruik) Geluidsafstraling onderhoud,
Pigging
0 0
Geluid

Onderwatergeluid Aanleg - -
Emissies tijdens aanleg Ingraven van de buisleiding,
boringen en aanleg op zee
- -
Regulier gebruik 0 0
Lucht
Emissie tijdens gebruik
Onderhoud, Pigging 0 0
Plaatsgebonden risico Gebruik -- -- Externe veiligheid
Groepsrisico Gebruik - -
Verkeer Transportbewegingen Aanleg en gebruik - -
Landschap Behoud
landschappelijke
waarden
Gebruik
0 0
Elektromagnetisme Aanwezigheid
elektromagnetisch veld
Gebruik
0 -
HDD boring Maasmond - -
Ingraven zeebodem - -
Scheepvaart tijdens
aanleg
Aanbrengen riser platform - -
Scheepvaart tijdens
gebruik
Aanwezigheid inrichting
0 0
Visserij Aanleg - -
Winning van
oppervlaktedelfstoffen
Alle
0 0
Offshore mijnbouw Aanleg en gebruik 0 0
Baggerstortlocaties Aanleg en gebruik 0 0
Kabels en leidingen Aanleg en gebruik 0 0
Militaire activiteiten Aanleg en gebruik 0 0
Windparken Aanleg en gebruik 0 0
Gebruiksfuncties

Recreatie Aanleg en gebruik 0 0

9.4 Variantenvergelijking
De milieueffecten van de aanleg en het gebruik van de buisleiding zijn over het
algemeen gering (licht negatief effect). Er is een negatief effect op archeologie en een
negatief effect op het plaatsgebonden risico. De variant met de elektriciteitskabel heeft
bij een aantal themas (bodem, water, natuur, archeologie, geluid, lucht,
gebruiksfuncties) een groter negatief effect dan de basisvariant, maar het effect blijft
binnen de grenzen van het beoordelingscriterium waardoor er geen verschil in score
optreedt. De variant met elektriciteitskabel veroorzaakt bij het thema elektromagnetisme
een licht negatief effect waar de basisvariant geen effect heeft.








9V7319.20/R0010_rev8/MVZ/ILAN/Rott Deelrapport Transport MER ROAD
20 juni 2011 - 156 - Definitief
9.5 Voorkeursalternatief gebaseerd op deelrapport Transport
Voor zowel de aanlegfase als de gebruiksfase geldt dat de variant met de
elektriciteitskabel meer negatieve milieueffecten veroorzaakt in vergelijking met het
basisalternatief. Ook vanuit financieel oogpunt is de variant met de elektriciteitskabel
minder aantrekkelijk. Het aanleggen van de elektriciteitskabel en elektrische heater
brengt aanzienlijk meer kosten met zich mee in vergelijking met de aanleg van een
diesel of gas gestookte heater op het platform.

Het basisalternatief is voor het onderdeel transport het voorkeursalternatief.

Deelrapport Transport MER ROAD 9V7319.20/R0010_rev8/MVZ/ILAN/Rott
Definitief - 157 - 20 juni 2011
10 LEEMTEN IN KENNIS EN INFORMATIE
In dit MER zijn te verwachten milieueffecten beschreven. Het betreft effecten die op
basis van de huidige kennis en ervaring in alle redelijkheid verwacht mogen worden.

Een leemte in kennis ontstaat wanneer (te) weinig bekend is over de relatie tussen een
bepaalde ingreep en het daardoor veroorzaakte effect, of wanneer de methode om een
goede voorspelling van de ingreep te maken (gedeeltelijk) ontbreekt. Van een leemte in
informatie wordt gesproken wanneer er niet voldoende basisgegevens beschikbaar zijn
om betrouwbare voorspellingen te kunnen doen.

Niet alle onzekerheden hebben een significante invloed op de milieueffecten. Dit
hoofdstuk is er op gericht om de relevante onzekerheden te benoemen. Op basis van
deze onzekerheden wordt aangegeven in hoeverre de aannames invloed hebben op de
uitkomst van de milieuafwegingen.

10.1 Leemten in kennis
Onderwatergeluid
Een belangrijk deel van de mogelijke effecten op natuur op zee, heeft betrekking op de
eventuele toename van het geluidsdrukniveaus onderwater die met de
aanleg/aanpassing en de exploitatie van de transportleiding gepaard gaan. De inzichten
op het gebied van onderwatergeluid en de relatie met biota zijn de laatste jaren nog
steeds sterk aan verandering onderhevig. Ook neemt de kennis over werkelijk
optredende geluidsdrukniveaus als gevolg van scheepvaart en dergelijke snel toe. Om
in dit MER dienaangaande over de meest recent kennis en inzichten te kunnen
beschikken is voor het aspect onderwatergeluid gebruik gemaakt van de informatie in
een door TNO, speciaal voor dit MER opgestelde notitie. Deze notitie is in bijlage T5 bij
dit MER toegevoegd. Aangezien de inzichten op het gebied van onderwatergeluid de
laatste jaren sterk aan verandering onderhevig zijn en er nieuwe inzichten blijven komen
is de kans aanwezig dat ook de komende jaren meer informatie beschikbaar komt met
betrekking tot dit onderwerp.

Elektromagnetisme onder water
Zoals in paragraaf 8.10 beschreven is uit recent onderzoek gebleken dat een secundair
elektrisch veld van invloed is op het gedrag van bepaalde kraakbeenvissen. Er is echter
niet bekend of dit effect een negatieve uitwerking op deze dieren heeft. Door deze
lacune in kennis wordt het effect van het secundaire elektrische veld niet meegenomen
in de effectbeoordeling. Mogelijk dat de komende jaren, door aanvullend onderzoek wel
bekend wordt wat de effecten van elektromagnetisme op kraakbeenvissen zijn.

Druk- en volumescenarios
Bij het transport van CO
2
is de druk, temperatuur en dichtheid van het te transporteren
CO
2
van belang. Dit is mede bepalend voor de hoeveelheid CO
2
dat kan worden
opgeslagen. Er zijn voorspellingen over hoe het verloop van druk, temperatuur en
dichtheid zal zijn, maar op zon grote schaal is hier nog geen eigen ervaring mee
opgedaan.

10.2 Leemten in informatie
Bodemkwaliteit leidingenstrook Maasvlakte
Zoals in paragraaf 8.1 beschreven is volgens de bodemkwaliteitskaart het opgespoten
zand op de Maasvlakte schoon zand, met een geringe kans op puntbronnen als gevolg
van morsingen, incidenten of bedrijfsactiviteiten. Uit bodemonderzoek van een deel van







9V7319.20/R0010_rev8/MVZ/ILAN/Rott Deelrapport Transport MER ROAD
20 juni 2011 - 158 - Definitief
de Maasvlakte (binnen zone 8a) is de aanwezigheid van bodemverontreiniging
bevestigd.

Een overig deel van de Maasvlakte (zone 8b) is volgens de bodemkwaliteitskaart
opgebouwd uit ernstig verontreinigd stortmateriaal. Er is bijna 100% bedekking van dit
stortmateriaal. Daarnaast is er een grote kans op puntbronnen als gevolg van het
stortmateriaal. Er zijn verder geen bodemonderzoeken bekend van deze zone.

Zowel voor Zone 8a als voor Zone 8b zijn geen bodemonderzoeken bekend op de
exacte locatie waar de buisleiding is gepland. Tevens loopt de CCS leiding in Zone 8a
voor een groot deel door een bestaand leiding trac. Het is niet bekend welke producten
door deze leidingstraat lopen. Hierdoor bestaat een rele kans op bodemverontreiniging
in het leidingtrac. Voor aanvang van de werkzaamheden zal een onderzoek
plaatsvinden conform wet- en regelgeving.

Archeologie
In paragraaf 8.4 wordt ingegaan op de aanwezige archeologie in het gebied. Het
ARCHIS (ARCHeologisch Informatie Systeem) en de IKAW (De Indicatieve Kaart van
Archeologische Waarde) zijn hiervoor geraadpleegd. Gezien de kruising met de
vaarroute naar Rotterdam, is de verwachting van scheepsresten hoog. Mogelijk zijn
aanwezige wrakken afgedekt in de actieve laag. Er bestaat de mogelijkheid op het
aantreffen van nog niet geregistreerde scheeps- of vliegtuigwrakken. Dit is een leemte in
kennis.



Deelrapport Transport MER ROAD 9V7319.20/R0010_rev8/MVZ/ILAN/Rott
Definitief - 159 - 20 juni 2011
11 MONITORING- EN EVALUATIEPROGRAMMA
In de voorgaande hoofdstukken zijn de mogelijke milieueffecten beschreven. Bij het
bepalen van de milieueffecten is aangegeven, dat er een zekere mate van onzekerheid
is, mede afhankelijk van de bedrijfsvoering. Het is dan ook van belang een gericht
monitoringsprogramma op te zetten, waarin de relevante bedrijfsvoeringparameters
worden gemeten, alsmede de mogelijke milieueffecten.

De monitoring van bedrijfsvoeringparameters geeft tevens inzicht in de bandbreedte van
de te meten waarden. Indien gemeten waarden hier buiten komen, is het van belang dat
de bedrijfsvoering wordt aangepast. Dit staat vermeld in het reactieplan.

Om te bezien of op termijn de in het MER beschreven ontwikkelingen en
effectvoorspellingen ook daadwerkelijk zullen optreden, wordt daarnaast een
evaluatieprogramma opgesteld en uitgevoerd. Dit is een verplichting vanuit de wet
Milieubeheer. Na een aantal jaren kan daarmee lering worden getrokken uit de huidige
systematiek van voorspellen van milieueffecten.

Het monitoringsplan, reactieplan en evaluatieplan wordt voorafgaand aan de
inbedrijfstelling nader uitgewerkt. In dit hoofdstuk wordt beschreven wat de
uitgangspunten zijn en waar de nadruk op zal liggen.

11.1 Bedrijfsparameters
Elektromagnetische velden tijdens gebruik
Wanneer wordt gekozen voor de variant met een elektriciteitskabel, zal een secundair
elektrisch veld rond de buisleiding ontstaan. Om exact te bepalen hoe groot het
elektrische veld is op verschillende afstanden van de elektriciteitskabel zullen metingen
plaats moeten vinden.

Toename bodemtemperatuur
Om te bepalen of de warmteafgifte van de buisleiding invloed heeft op het bodemleven
van de Noordzee, is een berekening uitgevoerd waarbij is bepaald tot op welke afstand
van de buisleiding een temperatuurtoename van de bodem optreedt. Om daadwerkelijk
te bepalen tot welke afstand van de buisleiding een toename in temperatuur optreedt,
zal een meting in de bedrijfsfase plaats moeten vinden.

11.2 Milieueffecten
Het MER geeft aan dat de volgende milieueffecten kunnen optreden. De mate waarin dit
optreedt, zal met behulp van monitoring zichtbaar worden gemaakt.

Bodem:
Monitoring van de bodemkwaliteit van het vrijkomende materiaal dat in de
aanlegfase wordt ontgraven in het leidingentrac.

Water:
Monitoring van een verandering in temperatuur van het zeewater (en de
zeebodem) ter plaatse van de buisleiding in de bedrijfsfase.

Natuur








9V7319.20/R0010_rev8/MVZ/ILAN/Rott Deelrapport Transport MER ROAD
20 juni 2011 - 160 - Definitief
Monitoring van stikstofdepositie in de aanlegfase. In het kader van aanleg en
gebruik van Maasvlakte 2 loopt een dergelijk monitoringsprogramma. Het verdient
aanbeveling hierbij aan te haken
Monitoring van de effecten van onderwatergeluid en vergraving op het zeeleven
tijdens de uitvoering.

Archeologie:
Gedurende de realisatie moet er voortdurend aandacht zijn voor de mogelijke
archeologische waarden in het gebied.

Geluid:
Monitoring van het onderwatergeluid tijdens de uitvoering bij het zetten van de HDD
boring en het leggen van de buisleiding op zee.
Monitoring van het onderwatergeluid in de bedrijfsfase bij het stromen van CO
2
door
de buisleiding.
Monitoring van bovenwatergeluid tijdens de uitvoering.

Externe veiligheid:
Monitoring van mogelijke lekkage uit de buisleiding tijdens transport van CO
2
.

11.3 Leerdoelen
Rapporteren over de leerdoelen in het kader van het demonstratieproject. In tabel 11.1
is weergegeven hoe de leerdoelen worden gevalueerd (zie paragraaf 2.9 van het
hoofdrapport voor een uitgebreide opsomming van de leerdoelen).

Tabel 11.1 Monitoring en evaluatie van de leerdoelen
Aspect Leerdoel Monitoring Publicatie/rapportage
Toepassen van CCS op industrile
schaal
Evaluatie van de
prestatie
Europees CCS netwerk
Onderzoek naar type en dikte van
isolatie van de buisleiding zodanig dat
de operatie-grenzen optimaal zijn in
kosten en operationele werkbaarheid
Vergunningaanvraag
Technisch
Ervaring met het operationeel optimaal
regelen van de CO2-druk, temperatuur
en dichtheid onder diverse
omstandigheden
Monitoring en evaluatie
van de prestatie
Europees CCS netwerk
Organisatorisch

Ervaring met de operationele
interfacing van de CCS-keten
Evaluatie van de
prestatie
Europees CCS netwerk
Juridisch

Ervaring op het gebied van de
toepassing van nieuwe wet- en
regelgeving
Het proces van
vergunningverlening en
de RCR worden in de
loop van het project
getoetst en gevalueerd
Evaluatie met bevoegd
gezag
Milieu- en
veiligheids-
aspecten
Effectieve monitoringstechnieken Monitoring en evaluatie Europees CCS netwerk


Deelrapport Transport MER ROAD 9V7319.20/R0010_rev8/MVZ/ILAN/Rott
Definitief - 161 - 20 juni 2011




Deelrapport Transport MER ROAD 9V7319.20/R0010_rev8/MVZ/ILAN/Rott
Definitief - 163 - 20 juni 2011
12 WAT NEMEN WE MEE NAAR HET HOOFDRAPPORT
12.1 Alternatieven en varianten
Met betrekking tot het transportgedeelte van de CCS-keten is naast het Basisalternatief
de variant met elektrische verhitter op het platform belangrijk. Bij de variant is het nodig
om naast de buisleiding een elektriciteitskabel aan te leggen. Deze kunnen niet samen
worden aangelegd, vanwege elektromagnetische interferentie waardoor de integriteit
van de buis kan worden aangetast, de afstand dient minimaal 50 meter te bedragen. Dit
leidt voor een aantal milieuthemas tot een groter milieueffect dan de basisvariant.

De milieueffecten van de aanleg en het gebruik van de buisleiding zijn over het
algemeen gering (licht negatief effect). Er is een negatief effect op archeologie en een
negatief effect op het plaatsgebonden risico. De variant met elektriciteitskabel
veroorzaakt bij het thema elektromagnetisme een licht negatief effect waar de
basisvariant geen effect heeft.

12.2 Effectbeoordeling
In dit Deelrapport Transport is een aantal beoordelingen gedaan. De bevindingen van
deze beoordelingen zijn overgenomen. Het gaat om de volgende themas en aspecten:

12.2.1 Bodem
Voor het thema bodem in het Hoofdrapport worden onder andere de aspecten
bodemberoering, bodemkwaliteit en grondbalans onderscheiden.

Bodemberoering
Als gevolg van de aanleg van de buisleiding zal geen significante verandering van het
bodemrelif en verstoring van de bodemopbouw op land plaatsvinden.

Voor het egaliseren van de zeebodem en het ingraven van de buisleiding, treedt enige
verstoring van de zeebodem op. Voor de elektrische variant zal meer bodemberoering
optreden, omdat een extra kabel naast de buisleiding moet worden aangelegd. De extra
verstoring van de zeebodem blijft beperkt.

Er wordt nog opgemerkt dat het volume bodemberoering verwaarloosbaar is ten
opzichte van het volume bagger- en stortwerkzaamheden, dat jaarlijks plaatsvindt. Ook
de oppervlakte bodemberoering valt in het niet als men bedenkt dat de gehele bodem
enkele malen per jaar omgewoeld wordt door stormsituaties en door visserijactiviteiten.

Bodemkwaliteit
Het buisleidingtrac bevindt zich op land in twee verontreinigde zones. Het risico op het
aantreffen van plaatselijke bodemverontreinigingen is reel. Daar waar verontreinigde
grond wordt aangetroffen, geldt een saneringsverplichting tijdens grondverzet. Indien bij
de uitvoering van de werkzaamheden een sanering wordt uitgevoerd, zal de
bodemkwaliteit verbeteren ten opzichte van de huidige situatie.

De buisleiding is warm tijdens transport van CO
2
. De warmte kan leiden tot mobilisatie
van eventueel aanwezige mobiele verontreinigingen op land en tot opwarming van het
zeewater. Berekeningen geven aan dat op 20 cm van de leiding een
temperatuursverhoging van 2C zal optreden. Op 60 cm is er geen
temperatuursverhoging meer waarneembaar. Omdat de leiding boven de
grondwaterspiegel ligt, zal het temperatuureffect op land beperkt zijn. En aangezien de







9V7319.20/R0010_rev8/MVZ/ILAN/Rott Deelrapport Transport MER ROAD
20 juni 2011 - 164 - Definitief
buisleiding op circa 1 meter diepte of meer wordt ingegraven in de zeebodem, heeft de
temperatuurtoename geen invloed op het water of de bovenste laag van de zeebodem.

Grondbalans
Het is niet mogelijk alle grond die wordt ontgraven voor de aanleg van de voorgenomen
activiteit her te gebruiken, omdat een deel van de grond mogelijk verontreinigd is. Er zal
een beperkt overschot komen op de grondbalans.

12.2.2 Water
Voor het thema water in het Hoofdrapport wordt onder andere het aspect zeewater
onderscheiden. In dit deelrapport zijn ook de aspecten grondwater en oppervlaktewater
onderscheiden. De milieueffecten op deze aspecten zijn als nihil beoordeeld. Deze
aspecten komen daarom in het samenvattend hoofdrapport niet terug.

Zeewater
De effecten op het zeewater hebben betrekking op vertroebeling door het vrijkomen van
slib tijdens de aanleg van de buisleiding. Gezien de beperkte fysieke aanpassingen, is
een effect op de waterbeweging, waterstand of saliniteit niet te verwachten.

Het vrijgekomen slib zal zich mengen met het Noordzeewater waar ook van nature slib
in zit. Door de getij- en golfbeweging zal het vrijgekomen slib meegevoerd worden en
onderdeel gaan uitmaken van de procescyclus van slib: transport, bezinking, opwoeling
en flocculatie. Naar verwachting zullen de vrijgekomen klei- en silbdeeltjes heel snel en
op korte afstand van de ingraving de eigenschappen aannemen van het slib dat zich
van nature in het zeewater bevindt. Er komt weliswaar extra slib in suspensie, maar
omdat het om een kleine hoeveelheid gaat en de werkzaamheden van korte duur zijn,
zal het effect niet waarneembaar zijn.

Voor het aanleggen van de elektriciteitsvariant zullen meer uitvoeringswerkzaamheden
plaatsvinden, daardoor zal er meer slib in suspensie komen, dit effect is echter niet
zodanig groot dat het leidt tot een andere beoordeling.

12.2.3 Natuur
Voor het thema natuur in het Hoofdrapport worden onder andere de aspecten
beschermde gebieden zee en land en beschermde soorten zee en land onderscheiden.
In dit deelrapport zijn deze aspecten verder uitgesplitst naar achterliggende effecten. In
het samenvattend hoofdrapport komen alleen de bovenstaande aspecten terug.

Beschermde gebieden zee
De mogelijke effecten van aanleg en gebruik op beschermde gebieden in zee bestaan
uit verstoring van soorten, bodemberoering, vertroebeling, en warmteontwikkeling op
habitats. Bij een calamiteit kan verhoogde CO
2
tot effecten leiden.

Uit de analyse van de verschillende effectroutes tijdens de aanleg is gebleken dat
effecten veelal dermate klein zijn dat zich geen verstoring voordoet. Wanneer zich
mogelijke effecten voor kunnen doen, komen de te verstoren soorten zodanig gering
voor, dat effecten zeer beperkt zijn. Het gaat dan om tijdelijke effecten op
zeezoogdieren en vissen als gevolg van toename in de onderwatergeluidsniveaus en op

Deelrapport Transport MER ROAD 9V7319.20/R0010_rev8/MVZ/ILAN/Rott
Definitief - 165 - 20 juni 2011
kust- en zeevogels als gevolg van (visuele) verstoring. Tijdelijke effecten op de
oppervlakte en de kwaliteit van habitats treden op als gevolg van de aanleg van de
buisleiding en eventueel de elektriciteitskabel in de zeebodem. Het gaat om de tijdelijke
vernietiging van een bepaalde oppervlakte zeebodem als gevolg van het ingraven van
de buisleiding en elektriciteitskabel en de daarmee gepaard gaande verhoogde
vertroebeling van het zeewater.

Tijdens de exploitatiefase zijn uitsluitend als gevolg van een calamiteit effecten op de
zeenatuur te verwachten. Vogels die op of in de nabijheid van het wateroppervlak
foerageren, kunnen worden getroffen, aangezien CO
2
zwaarder is dan lucht en zich bij
lage uitstroomdruk en windstille omstandigheden als een deken/wolk over het
wateroppervlak zal verspreiden. Lokaal kan de concentratie CO
2
zo hoog zijn dat vogels
die zich hier bevinden verdoofd raken of sterven. Ten opzichte van de totale
populatieomvang van de soorten is dit verwaarloosbaar. Bovendien betreft het een
eenmalig effect waarvan de kans dat het tijdens de exploitatiefase optreedt, uitermate
gering is.

Beschermde gebieden land
Uit de afbakening van mogelijke effectroutes ten gevolge van aanleg van het
transportgedeelte op land blijken de effecten niet relevant en worden derhalve niet
nader onderzocht.

Beschermde soorten zee
De mogelijke effecten van aanleg en gebruik op beschermde soorten in zee zijn beperkt
tot verstoring tijdens de aanleg als gevolg van (onderwater)geluid, licht,
bodemverstoring, trilling, warmteontwikkeling en het ontstaat van elektrische velden.

Uit de analyse van de verschillende effectroutes tijdens de aanleg is gebleken dat
effecten veelal dermate klein zijn dat zich geen verstoring voordoet. Wanneer zich
mogelijke effecten voor kunnen doen, komen de te verstoren soorten zodanig gering
voor dat effecten zeer beperkt zijn. Het gaat dan om tijdelijke effecten op zeezoogdieren
en vissen als gevolg van toename in de onderwatergeluidsniveaus.

Beschermde soorten land
Er dient rekening te worden gehouden met het optreden van schadelijke effecten op
niet-jaarrond beschermde broedvogels. Dit is een overtreding van verbodsbepalingen uit
de Flora- en faunawet. Dit is te voorkomen door het nemen van mitigerende
maatregelen.

De aangetroffen groeiplaats van Bijenorchis bevindt zich direct naast n van de
boorlocaties. Indien deze locatie wordt gebruikt voor bijvoorbeeld opslag van materieel,
bestaat de kans dat exemplaren van deze soort worden beschadigd of vernietigd.
Volgens de huidige stand van zaken is het echter niet de bedoeling dat de dijk gaat
worden gebruikt bij de boring, zodat van aantasting naar verwachting geen sprake is.
Indien blijkt dat de groeiplaats van Bijenorchis nabij de Nieuwe Waterweg toch niet
behouden kan blijven, dan dienen mitigerende maatregelen genomen te worden.

Verstoring van een eventueel broedgeval van de Slechtvalk is niet aannemelijk;
daarnaast is tijdelijke aantasting van foerageerbiotoop als gevolg van graaf- en
boorwerkzaamheden verwaarloosbaar, zodat van aantasting van de functionaliteit van
het territorium geen sprake is. Tevens is verstoring van vleermuissoorten uitgesloten.








9V7319.20/R0010_rev8/MVZ/ILAN/Rott Deelrapport Transport MER ROAD
20 juni 2011 - 166 - Definitief
12.2.4 Archeologie
Voor het thema archeologie in het Hoofdrapport wordt het aspect archeologische
waarde onderscheiden.

Archeologische waarden
Op basis van de gespecificeerde archeologische verwachting en de voorgenomen
bodemingrepen, kan worden geconcludeerd dat bij de aanleg van de buisleiding op zee
vermoedelijk archeologische waarden zullen worden verstoord.

12.2.5 Geluid
Voor het thema geluid in het Hoofdrapport worden de aspecten geluidhinder en
onderwatergeluid onderscheiden.

Geluidhinder
Bij de uitgevoerde analyse is gekeken naar de toegestane geluidsniveaus in het gebied.
Uit de modelberekeningen blijkt dat de maatgevende contour (het toegestane
geluidniveau voor het gezoneerde industrieterrein Europoort/Maasvlakte en Maasvlakte
2) niet wordt overschreden. Eventuele geluidafstraling tijdens het gebruik van de leiding
is niet aan de orde.

Onderwatergeluid
Om de hoeveelheden geluid in verband te brengen met de invloed ervan op dieren
wordt uitgegaan van het TTS (de tijdelijke gehoorschade). Daarbij zijn voor
verschillende vissen, drempelwaarden voor continu geluid gedefinieerd, met een
bijbehorende duur en veilige afstand tot het geluid.

Tijdens de werkzaamheden (boren, pijpleggen, baggeren) worden de waarden voor TTS
sterk overschreden. De verwachting is dat het scheepsgeluid de dominante geluidsbron
is. Daarbij wordt opgemerkt dat de Noordzee druk bevaren wordt en scheepsgeluid veel
voorkomt. Tijdens de gebruiksfase is het stromingsgeluid door de leiding op zee
mogelijk van betekenis.

12.2.6 Lucht
Voor het thema lucht in het Hoofdrapport wordt onder andere het aspect luchtkwaliteit
onderscheiden.

Luchtkwaliteit
Bij de werkzaamheden wordt materieel met verbrandingsmotoren (vrachtwagens,
kranen, schepen) gebruikt. Er is een mogelijke invloed van de uitstoot van NO
x
(met
name NO
2
) en fijnstof te verwachten. Gedurende korte periode vindt een beperkte
uitstoot plaats, welke zich verplaatst langs het trac. De uitstoot van
luchtverontreinigende stoffen als gevolg van de aanleg van de buisleiding zal de
grenswaarden voor luchtkwaliteit niet overschrijden.

Aangezien er voor het aanleggen van de elektriciteitsvariant meer
uitvoeringswerkzaamheden plaats moeten vinden, zal er meer uitstoot van

Deelrapport Transport MER ROAD 9V7319.20/R0010_rev8/MVZ/ILAN/Rott
Definitief - 167 - 20 juni 2011
luchtverontreiniging zijn. Dit effect is echter niet zodanig groot dat het leidt tot een
andere beoordeling.

12.2.7 Externe veiligheid
Voor het thema externe veiligheid in het Hoofdrapport worden de aspecten
plaatsgebonden en groepsrisico onderscheiden. In dit deelrapport wordt uitvoerig
stilgestaan bij het aspect nautische veiligheid. Dit aspect komt in het samenvattend
hoofdrapport niet meer als zodanig terug, maar is opgenomen in het plaatsgebonden en
groepsrisico.

Plaatsgebonden risico
De PR-contour van 10
-6
per jaar komt net buiten de bovenkant van de buisleiding. Bij
het plotseling vrijkomen van CO
2
uit de buisleiding, zal dit met een dergelijk grote
snelheid gaan dat onmiddellijk grootschalige vermenging met de lucht of het water
plaatsvindt. Een wolk met een letale concentratie aan CO
2
wordt daardoor niet bereikt.

Groepsrisico
Het groepsrisico wordt veroorzaakt door het falen van de buisleiding in de
Yangzehaven. De orinterende waarde voor het groepsrisico wordt niet overschreden.

12.2.8 Verkeer
Voor het thema verkeer in het Hoofdrapport wordt het aspect transportbewegingen
onderscheiden.

Transportbewegingen
Voor de aanlegfase zal relatief veel transport nodig zijn van materieel over weg en
water. De effecten tijdens de aanleg betreffen het hinderen van de scheepvaart en de
risicos van een aanvaring. Voor de bedrijfsfase heeft de elektriciteitskabel invloed op
scheepskompassen. Bij inspectie, reparaties en/of herbegraven zijn vergelijkbare
effecten op de scheepvaart te verwachten als bij de aanleg.

12.2.9 Overige themas
In dit deelrapport zijn ook de milieueffecten voor de themas landschap,
elektromagnetisme en gebruiksfuncties beoordeeld. De effecten op landschap en
gebruiksfuncties werden als nihil of licht negatief en slechts van korte duur beoordeeld.
Deze themas komen in het samenvattend hoofdrapport niet meer aan de orde. De
effecten op elektromagnetisme zijn verdisconteerd in de effecten op verkeer en natuur.

12.3 Leemten in kennis en informatie
In dit Deelrapport Transport zijn de leemten in kennis en informatie benoemd (zie
hoofdstuk 11). Deze aspecten zijn tevens opgenomen in het Hoofdrapport van dit MER.

12.4 Leerdoelen
Het ROAD-project heeft als hoofddoel om de gentegreerde CCS-keten op industrile
schaal te demonstreren waarbij CO
2
offshore in de ondergrond wordt opgeslagen.
Daarbij zal praktijkkennis worden opgedaan en gedeeld worden over CCS, het verder
gaan in de leercurve, zodat meer inzicht wordt verkregen in onder andere de
technische, organisatorische, juridische en financieel-economische haalbaarheid en in
de milieu- en veiligheidsaspecten van de voorgestelde CCS-technologie op de







9V7319.20/R0010_rev8/MVZ/ILAN/Rott Deelrapport Transport MER ROAD
20 juni 2011 - 168 - Definitief
onderhavige locatie en in de toekomst op andere beschikbare locaties in Nederland en
daarbuiten.

Technisch
Er zal ervaring worden opgedaan met het toepassen van CCS op industrile schaal.
In het ROAD-project vindt de opschaling plaats van CCS in proefopstellingen naar
de toepassing van CCS op industrile schaal met een capaciteit van gemiddeld 1,1
Mton per jaar. CCS is op deze schaal nog niet eerder toegepast;
Er zal onderzoek worden gedaan naar het type en de dikte van de isolatie van de
buisleiding zodanig dat de operatie-grenzen optimaal zijn in kosten en operationele
werkbaarheid;
Bij transport en opslag van CO
2
is de druk, temperatuur en dichtheid van het te
transporteren CO
2
van belang. Dit is mede bepalend voor de hoeveelheid CO
2
dat
kan worden opgeslagen. Er zijn voorspellingen over hoe het verloop van druk,
temperatuur en dichtheid zal zijn, maar op zon grote schaal is hier nog geen
ervaring mee opgedaan. Er zal ervaring worden opgedaan met het operationeel
optimaal regelen van de CO
2
-druk, temperatuur en dichtheid onder diverse
omstandigheden, zoals doorzet, weersomstandigheden, met minimale inzet van
verwarming, afblazen en compressor-vermogen.

Organisatorisch
Er zal ervaring worden opgedaan met de operationele interfacing tussen de MPP3,
de afvanginstallatie, transport per buisleiding, platform, putten en reservoirs.

Juridisch
Het project heeft te maken met een aantal nieuwe procedures in de wet- en
regelgeving en met procedures die nog niet eerder in deze vorm zijn toegepast. Dit
heeft betrekking op de aangepaste m.e.r.-procedure, de nieuw ingevoerde
omgevingsvergunning (via de wabo), de nieuwe Waterwet, aanpassingen in de
Mijnbouwwet, toepassing van de Rijkscordinatieregeling met in het verlengde het
Inpassingsplan en de Crisis- en Herstelwet. Er zal ervaring worden opgedaan op het
gebied van de toepassing van nieuwe wet- en regelgeving. Zowel het proces van
vergunningverlening als het verkrijgen van emissierechten worden in de loop van
het project getoetst en gevalueerd.

Milieu- en veiligheidsaspecten
Er zal duidelijk worden welke monitoringstechnieken effectief zijn. Dit geldt voor het
vaststellen van het functioneren van de afvang, het aantonen dat geen CO
2
weglekt
uit de buisleiding en de mate waarin nauwkeurig het gedrag van CO
2
in de diepe
ondergrond kan worden vastgesteld.

Daarnaast beoogt het project de CO
2
-uitstoot te verminderen door vanaf 2015 1,1
megaton CO
2
per jaar gemiddeld af te vangen en permanent op te slaan. En ten derde
heeft het ROAD-project tot doel ervaring en kennis beschikbaar te maken zodat dit
gebruikt kan worden voor andere grootschalige CCS-projecten. De opgedane kennis en
ervaring zal ROAD delen met het Europese CCS netwerk
12
van overheden, bedrijven en

12
Het Europese CCS-netwerk is te consulteren op de website www.ccsnetwork.eu.

Deelrapport Transport MER ROAD 9V7319.20/R0010_rev8/MVZ/ILAN/Rott
Definitief - 169 - 20 juni 2011
kennisinstellingen, het Europese technologieplatform ZEP
13
, met CATO2 en verder
zoals vastgelegd in het Kennisdelingsprotocol
14
.

Daarmee kan ROAD een belangrijke bijdrage leveren aan de commercile introductie
van CCS en uiteindelijk aan de wereldwijde reductie van CO
2
-emissies.



13
Het Europese technologieplatform inzake Zero Emission Fossil Fuel Power Plants (ZEP)
is een project van meer dan 200 deskundigen op het gebied Carbon Capture and Storage
(CCS). Het doel van ZEP is gas- en steenkoolcentrales die geen CO
2
-uitstoten.
14
Het Kennisprotocol is te consulteren op de website van het CSS-demonstratienetwerk:
www.ccsnetwork.eu







9V7319.20/R0010_rev8/MVZ/ILAN/Rott Deelrapport Transport MER ROAD
20 juni 2011 - 170 - Definitief
13 WOORDENLIJST EN AFKORTINGEN
Begrip Uitleg
12-mijlzone Exclusief Economische Zone (en dus niet 12 mijl zone of 12 mijlzone)
AMESCO Algemene Mlieu-EffectenStudie CO2-opslag
Afvanginstallatie CO2-afvanginstallatie, capture unit
Alternatief Een integraal plan voor de CCS-keten
Archeologie Leer die zich bezighoudt met oudheidkundige zaken
Autonome
ontwikkeling
Op zichzelf staande ontwikkeling die ook plaats vindt als de voorgenomen activiteit niet
wordt uitgevoerd
Bar Bar(g), bar(gauge), het aantal bar overdruk, 1 bar(g) is 2 bar(a)
BBT Beste beschikbare techniek, BAT, techniek conform BREF
Bees Besluit emissie-eisen grote stookinstallaties
Bems Besluit emissie-eisen middelgrote stookinstallaties
Bevoorradingsleiding Umbilical leiding
Bestemmingsplan Zegt iets over het gebruik van de grond en de opstallen en het bepaalt de
bouwmogelijkheden van de grond. Een bestemmingsplan wordt door de gemeente
opgesteld en is juridisch bindend.
Bevoegd gezag Overheidsinstantie die bevoegd is over de voorgenomen activiteit een besluit te nemen.
Biotoop specifiek leefgebied van planten en dieren als levensgemeenschap.
Bodemkwaliteit Chemische samenstelling van de bodem met name in de context van potentile
verontreinigingen.
BR NeR Bijzondere Regelingen Nederlandse emissieRichtlijn
BREF Best Available Technique Reference Document
(referentiedocument voor beste beschikbare technieken)
CATO2 CO2-Afvang, -Transport en -Opslag onderzoeksproject 2
CCS arbon Capture and Storage (CO2-Afvang en -Opslag)
CIW Commissie IntegraalWaterbeheer
buisleiding Pijpleiding voor het transport van CO2 (specifiek voor dit project)
Corridor-verbinding bestaat uit stapstenen en sleutelgebieden verbonden door een dispersiecorridor; dit is een
speciaal ingerichte zone voor de verplaatsing van soorten, bestaande uit voldoende
schuilmogelijkheden en voedsel. De kwaliteit van deze zone speelt een minder grote rol
en voortplanting hoeft niet plaats te vinden. Gebruikers: zoogdieren, sommige amfibien
en vlinders.
DCMR DCMR Milieudienst Rijnmond
Deklaag Bovenste laag van de bodem, meestal synoniem voor freatische laag
Drooglegging Het hoogteverschil tussen de waterspiegel in een waterloop en het grondoppervlak.
dS+V Dienst Stedenbouw en Verkeer, Gemeente Rotterdam
EC Europese Commissie
ECCP European Climate Change Program
Ecologie Wetenschap van de relaties tussen planten, dieren en hun omgeving
Ecologische
verbindingszone
Zone waarlangs dieren en planten zich van het ene natuurgebied naar het andere kunnen
verplaatsen en verspreiden.
Ecotoop Ruimtelijk afgegrensde, ecologische eenheid met een karakteristieke homogeniteit van de
vegetatie als landschapselement
EEPR European Energy Program for Recovery
EHR
IHS Ecologische Hoofdstructuur: een stelsel van natuurgebieden en verbindingswegen voor
planten en dieren. De EHS is vastgelegd in het eerste Structuurschema Groene Ruimte
(SGR 1) en bestaat uit kerngebieden, natuurontwikkelingsgebieden en verbindingszones.

Deelrapport Transport MER ROAD 9V7319.20/R0010_rev8/MVZ/ILAN/Rott
Definitief - 171 - 20 juni 2011
Begrip Uitleg
EIA Energy Information Administration
ECBM Enhanced Coal-Bed Methane
EGR Exhaust Gas Recirculation
EOR Enhanced Oil Recovery
Electrabel Electrabel Nederland BV
EL&I Ministerie van Economische Zaken, Landbouw & Innovatie
Emissie Uitstoot van stoffen
E.ON E.ON Benelux BV
ESDV Emergency Shutdown Valve (noodafsluiter, noodklep)
Eutrofiering Bemesting van het oppervlaktewater met fosfor en stikstofverbindingen, waardoor de
groeisnelheid van algen en waterplanten kan toenemen.
ESV Elektrostatische vliegasvangers
ETS Emission trading scheme
EU Europese Unie
DeNox-installatie Installatie om stikstofoxiden uit de rookgassen te zuiveren
Ffw Flora- en faunawet
GCN Grootschalige Concentratiekaart Nederland
GEA Ronald Goderie Ecologisch Advies

Geohydrologie Geohydrologie is de wetenschap die zich bezighoudt met de bestudering van het
voorkomen en stromen van ondergronds water en de eigenschappen van het gesteente in
relatie hiermee.
GIIP Gas initially in place (initile hoeveelheid gas in het reservoir)
GPS Global Positioning System
Grenswaarde Norm ter beoordeling van de kwaliteit van water, bodem en waterbodem
Habitat Standplaats van een organisme. Het gaat hier om de soortspecifieke levensruimte van
een plant of dier.
Hang-off riser Een riser die aan het platform hangt
HbR Havenbedrijf Rotterdam
HR Habitatrichtlijn (Europese Richtlijn 92/43/EEG)
HWE Floor Heinis Waterbeheer & Ecologie
I&M Ministerie van Infrastructuur & Milieu
Infiltratie/wegzijging Het verschijnsel dat water aan het oppervlak de grond binnentreedt (infiltratie) en
vervolgens naar het dieper grondwater uitzakt (wegzijging).
IP Inpassingsplan
IPCC Intergovernmental Panel on Climate Change
IPPC Integrated Pollution Prevention and Control
KBC KolenBiomassaCentrale, KBC, Electrabel Maasvlakte 1-centrale
Klimaatverandering Verwachte structurele veranderingen in het klimaat t.g.v. onder andere opwarming van de
aarde.
LNG Liquid Natural Gas
Maaiveldhoogte Hoogte van de bodem ten opzichte van NAP
Maatlat Methode om het effect van maatregelen ten opzichte van de referentiesituatie (huidige
situatie plus autonome ontwikkeling) te bepalen. De maatlat kan variren van zeer
negatief (- -) tot zeer positief (+ +).
Mbw Mijnbouwwet
MCP Maasvlakte CCS-project CV
MEA Monoethanolamine (vloeistof met de eigenschappen om CO2 te binden)
MER Milieueffectrapport (het rapport)
m.e.r. Milieueffectrapportage (het proces van milieueffectbeoordeling)
MKM MilieuKwaliteitsMaat
MPP3 Maasvlakte Power Plant 3 (van E.ON)







9V7319.20/R0010_rev8/MVZ/ILAN/Rott Deelrapport Transport MER ROAD
20 juni 2011 - 172 - Definitief
Begrip Uitleg
Mton Megaton (10
6
ton)
MWe MegaWatt elektrisch
MWth MegaWatt thermisch
NAP Nieuw Amsterdams Peil
Natuurdoeltype Beschrijft een bepaalde natuurkwaliteit en kan gebruikt worden als een toetsbare
doelstelling voor een natuurgebied.
NBW Natuurbeschermingswet 1998
NCP Nederlands Continentaal Plat
NEa Nederlandse Emissieautoriteit
NeR Nederlandse emissie-Richtlijn
NOGEPA Nederlandse Olie en Gas Exploratie en Productie Associatie
Notitie reikwijdte en
detailniveau
Een notitie waarin de inititatiefnemer het 'wat', 'waarom' en 'waar' van e panen in
oofdijne aangeeft; het markeert de formele start van de m.e.r.-procedure.
Nitrosamines Nitro-s-amines, verbindingen met een aminegroep die door verval van MEA worden
gecreerd
Noodklep ESDV, noodafsluiter
NOx Stikstofoxiden, een verbinding van stikstof en zuurstof
OSPAR Het OSPAR-verdrag, een internationaal maritiem verdrag
P18 Het mijnbouwconcessieblok P18 in de Noordzee
P18a Het deelblok P18a binnen P18
P18-A Het P18-A platform van TAQA
P18-2, P18-4 en
P18-6
De reservoirs waar het P18-A platform aan gekoppeld is
P18-02 Put P18-02
PAK PolyAromatische Koolwaterstoffen
PCB PolyChloorBifenyl
PM10 Particulate Matter (stofdeeltjes) < 10 m groot
PZH Provincie Zuid-Holland
RCI Rotterdam Climate Initiative
RCR Rijkscordinatieregeling
Referentiesituatie Situatie die als uitgangspunt wordt genomen om de alternatieven mee te vergelijken.
ROAD-project Het project om afvang, transport en opslag van CO2 te realiseren
ROAD De organisatie bestaande uit E.ON, Electrabel, GDF Suez en TAQA die het ROAD-project
realiseert
ROI Rookgasontzwaveling(sinstallatie)
RWS DNZ Rijkswaterstaat Directie Noordzee
RWS DZH Rijkswaterstaat Directie Zuid-Holland
SAMSON Safety Assessment Model for Shipping and Offshore in the North Sea
SO2 Zwaveldioxide, een verzurende stof die bestaat uit zwavel en zuurstof
SodM Staatstoezicht op de Mijnen
Themas Aspecten waaraan de verschillende alternatieven getoetst worden om een afweging
tussen de alternatieven te maken.
Tussendek Mezzaninedek
TAQA Taqa, Taqa Offshore BV, Abu Dhabi National Energy Company
VA Voorgenomen activiteit
VKA Voorkeursalternatief, het alternatief waarvan uit de afweging blijkt dat dit de voorkeur
geniet in het MER, en waarvoor de benodigde vergunningen worden aangevraagd
VN Verenigde Naties

Deelrapport Transport MER ROAD 9V7319.20/R0010_rev8/MVZ/ILAN/Rott
Definitief - 173 - 20 juni 2011
Begrip Uitleg
VOCL Volatile Organic Compounds (Liquid) (vluchtige vloeibare organische verbindingen)
VR Vogelrichtlijn (Europese Richtlijn 79/409/EEG)
VSS Verkeerscheidingstelsel
Wabo Wet algemene bepalingen omgevingsrecht
WLO Welvaart en Leefomgeving
Wm Wet milieubeheer
Wtw Waterwet
X-mas tree Onderdeel van de leiding waar veel koppelstukken op zitten










9V7319.20/R0010_rev8/MVZ/ILAN/Rott Deelrapport Transport MER ROAD
20 juni 2011 - 174 - Definitief
14 LITERATUURLIJST
Ainslie, M. A., (2010), Principles of Sonar Performance Modeling, Springer

Arts, F.A. 2008. Trends en verspreiding van zeevogels en zeezoogdieren op het
Nederlands ContinentaalPlat 1991 2007. Rapport RWS Waterdienst 2008.058

Asjes, J., I.Y.M. Tulp, W. Dekker, H.J.L. Heessen, N. Daan & R.E. Grift, 2004.
Kwaliteitsparameters en meetmethoden voor de monitoring en evaluatie van de
effecten van de Maasvlakte 2 op vis. RIVO rapport nummer C036/2004

Bouma, S., G.W.N.M. van Moorsel, R.H. Witte & R. Lensink, 2002. Directe relaties
tussen gebruiksfuncties en aquatische natuurwaarden in de Voordelta. Bureau
Waardenburg rapportnr. 02-077. In opdracht van Expertisecentrum PMR.

Brasseur, S.M.J.M., M. Scheidat, G.M. Aarts, J.S.M. Cremer & O.G. Bos, 2008.
Distribution of marine mammals in the North Sea for the generic appropriate
assessment of future offshore wind parks. IMARES Report to Deltares.

Camphuysen, C.J. & G. Peet, 2006. Walvissen en dolfijnen in de Noordzee. Fontaine
Uitgevers / Stichting De Noordzee.

Chapman, C.J. & O. Sand, 1974. Field studies of hearing in two species of flatfish
Pleuronectes platessa L. and Limanda limanda L. (family Pleuronectidae). Comp.
Biochem. Physiol. 47A: 371-385.

Daan, R., M.J.N. Bergman & J.W. Santbrink, 1998. Macrobenthos op Loswal Noord en
Noordwest in 1997, 1 jaar na verplaatsing van het stortingsgebied. NIOZ-rapport
1998-2.

Daan, R., M.J.N. Bergman & G.C.A. Duineveld, 1999. Macrobenthos op Loswal Noord
en Noordwest in 1998, 2 jaar na verplaatsing van het stortingsgebied. NIOZ-rapport
1999-1.

Daan, R., M.J.N. Bergman & G.C.A. Duineveld, 2000. Macrobenthos op Loswal Noord
en Noordwest in 1998, 3 jaar na verplaatsing van het stortingsgebied. NIOZ-rapport
2000-2.

Enger, P., 1967. Hearing in herring. Comp. Biochem. Physiol. 22: 527-538

Gill, A. B., Huang, Y., Gloyne-Philips, I., Metcalfe, J., Quayle, V., Spencer, J.,
Wearmouth, V., (2009), COWRIE 2.0 Electromagnetic Fields (EMF) Phase 2 EMF-
sensitive fish response to EM emissions from subsea electricity cables of the type
used by the offshore renewable energy industry, COWRIE-EMF-1-06 Ref: EP-2054-
ABG

Grift, R.E., I. Tulp, M.S. Ybema & A.S. Couperus, 2004. Baseline studies North Sea
wind farms: final report pelagic fish. RIVO report nr. C047/2004.


Deelrapport Transport MER ROAD 9V7319.20/R0010_rev8/MVZ/ILAN/Rott
Definitief - 175 - 20 juni 2011
Holtmann, S.E., A. Groenewold, K.H.M., Schrader, J. Asjes, J.A. Craeymeersch, G.C.A.,
Duineveld, A.J. van Bostelen, en J. van der Meer, 1996. Atlas of the zoobenthos of
the Dutch Continental Shelf. Ministry of Transport, Public Works and Water
Management, North Sea Directorate, Rijswijk

Kaag, N.H.B.M & V. Escaravage, 2007. Datarapportage Nulmeting Maasvlakte 2.
IMARES rapportnummer: C026/07. NIOO-Monitor Taskforce Publication Series
2007-03

Kastelein, R.A., P. Bunskoek, M. Hagedoorn, W.L.W. Au & D. de Haan, 2002.
Audiogram of harbor porpoise (Phocoena phocoena)measured with narrow-band
frequency-modulated signals. In: JASA 112: 334-344

Kastelein, R.A., P.J. Wensveen & L. Hoek, 2009. Underwater detection of tonal signals
between 0.125 and100 kHz by harbor seals (Phoca vitulina). J. Acoust. Soc.
Am.125(2): 1222-1229Southall e.a. (2007)

Meij, S.E.T. van der & C.J. Camphuysen, 2006. The distribution and diversity of whales
and dolphins (Cetacea) in de the southern North Sea: 1970-2005. In: Lutra 49: 3-28.

Morgenstern, P.P., E. Lambooij & W.H.M. Baltussen, 2009.Integrale beoordeling
verdovingstechnieken pluimveeslachterijen. RIVM Rapport 609021080/2009

ROAD (2011): Technical Transport & Storage basis for MER and Permitting reports,
2010, ROAD, 5 mei 2011; RD-T+S-MCP-REP-P-0010

Southall, B.L., Bowles, A.E., Ellison, W.T., Finneran, J.J., Gentry, R.L., Greene Jr., C.R.,
Darlene, D.K., Ketten, R., Miller, J.H., Nachtigall, P.E., Richardson, W.J., Thomas,
J.A., and Tyack, P.L. (2007), Marine mammal noise exposure criteria: initial scientific
recommendations, Aquatic Mammals 33(4), pp. 411-522

Tien, N., I. TULP & R. GRIFT, 2004. Baseline studies wind farm for demersal fish.
Commissioned by Ministry of Transport, Public Works and Water Management,
National Institute for Coastal and Marine Management/ RIKZ. TNO/RIVO/Royal
Haskoning. Reference 9M9237/R00009/THIE/Gro.



Deelrapport Transport MER ROAD 9V7319.20/R0010_rev8/MVZ/ILAN/Rott
Definitief Bijlage 1 20 juni 2011












Bijlage T1
Overzichtskaart buisleiding op land
en buisleiding op zee


Deelrapport Transport MER ROAD 9V7319.20/R0010_rev8/MVZ/ILAN/Rott
Definitief Bijlage 3 20 juni 2011












Bijlage T2
Achtergrondrapportage Risicoanalyse Scheepvaart,
Marin


Deelrapport Transport MER ROAD 9V7319.20/R0010_rev8/MVZ/ILAN/Rott
Definitief Bijlage 4 20 juni 2011












Bijlage T3
Achtergrondrapportage Risicoanalyse Buisleiding,
Tebodin


Deelrapport Transport MER ROAD 9V7319.20/R0010_rev8/MVZ/ILAN/Rott
Definitief Bijlage 5 20 juni 2011












Bijlage T4
Achtergrondrapportage Akoestisch onderzoek, WNP


Deelrapport Transport MER ROAD 9V7319.20/R0010_rev8/MVZ/ILAN/Rott
Definitief Bijlage 6 20 juni 2011












Bijlage T5
Achtergrondrapportage Onderwatergeluid, TNO


Deelrapport Transport MER ROAD 9V7319.20/R0010_rev8/MVZ/ILAN/Rott
Definitief Bijlage 7 20 juni 2011












Bijlage T6
Achtergrondrapportage Archeologie, RAAP

Deelrapport Transport MER ROAD 9V7319.20/R0010_rev8/MVZ/ILAN/Rott
Definitief Bijlage 8 20 juni 2011












Bijlage T7
Achtergrondrapportage natuur land

Deelrapport Transport MER ROAD 9V7319.20/R0010_rev8/MVZ/ILAN/Rott
Definitief Bijlage 9 20 juni 2011












Bijlage T8
Achtergrondrapportage mariene natuur

Deelrapport Transport MER ROAD 9V7319.20/R0010_rev8/MVZ/ILAN/Rott
Definitief Bijlage 10 20 juni 2011












Bijlage T9
Rapport Fugro Side scan sonar servey van de buisleiding

Landroute CO
2
buisleiding


Zeeroute CO
2
buisleiding




























M AR I N
P.O. Box 28
6700 AA Wageningen
The Netherlands
T +31 317 47 99 11
F +31 317 49 32 45
E mscn@marin.nl
I www.marin.nl

KANS OP INCIDENT MET CCS PIJPLEIDING DOOR SCHEEPVAART




Eindrapport




Rapport Nr. : 24114.620/3B
Datum : 22 februari 2011



Paraaf Management:



Rapport No. 24114.620/3B 2






Kans op incident met CCS pijpleiding door scheepvaart













MARIN opdracht nr. : 24114.620












Opdrachtgever : Haskoning Nederland B.V.
Postbus 151
6500 AD Nijmegen
















Auteur : ir. A. Cotteleer
ir. C. van der Tak

Rapport No. 24114.620/3B 3





INHOUDSOPGAVE Pag.

1 Inleiding .................................................................................................................. 4
1.1 ROAD project ....................................................................................................... 4
1.2 Werkzaamheden MARIN ..................................................................................... 4
1.3 Doelstelling voor pijpleiding studie ....................................................................... 5
1.4 Indeling rapport .................................................................................................... 5
2 Ongevallenmodel SAMSON ................................................................................... 6
2.1 Algemene beschrijving van het SAMSON model ................................................ 6
2.2 Beschrijving van de verkeersdatabase in SAMSON ........................................... 7
2.2.1 Routegebonden verkeer ....................................................................... 8
2.2.2 Niet routegebonden verkeer ................................................................. 8
2.3 SAMSON model voor beschadiging van een pijpleiding door een schip ............ 8
3 Invoer voor de kansberekening voor de pijpleiding ................................................ 9
3.1 Gegevens van de pijpleiding ................................................................................ 9
3.2 Gegevens van het scheepvaartverkeer ............................................................... 9
3.2.1 Gegevens van routegebonden schepen ............................................. 9
3.2.2 Gegevens van niet routegebonden schepen ...................................... 9
3.2.3 Verkeersbeeld in de omgeving van de pijpleiding .............................. 10
3.2.4 Aangenomen ongevalsbeperkende maatregelen .............................. 11
3.2.5 Schepen die ankeren vanwege een noodgeval zonder controle van de
locatie ............................................................................................................ 12
4 Ongevalfrequenties .............................................................................................. 13
4.1 Verdeling van de frequenties over de gebeurtenissen ...................................... 13
4.2 Frequentie van gezonken schepen verdeeld over de waterverplaatsing .......... 14
4.3 Frequentie van ankers op pijpleiding verdeeld over ankergewicht .................... 15
4.4 Frequentie van ankers die achter de pijpleiding haken voor verschillende
ingraafdieptes ............................................................................................................... 16
4.5 Frequentie van ankers die achter de pijpleiding haken voor verschillende
scheepsenergieklasses ................................................................................................ 17
5 Conclusies ............................................................................................................ 18
Referenties .................................................................................................................... 19
Bijlage A: Afkortingen en verklarende woordenlijst ........................................................ 20
Afkortingen ................................................................................................................... 21
Verklarende woordenlijst .............................................................................................. 21
Bijlage B: Description of the pipeline risk models of SAMSON ...................................... 22






Rapport No. 24114.620/3B 4





1 INLEIDING

1.1 ROAD project

De energiebedrijven E.ON en Electrabel Groep GDF SUEZ hebben Royal Haskoning de
opdracht gegeven om een MER op te stellen en vergunning aan te vragen voor een
demonstratieproject voor ondergrondse opslag van CO
2
op zee. Dit Rotterdamse
Opslag en Afvang Demonstratieproject (ROAD) is het eerste grootschalige CCS
(Carbon Capture and Storage)-demonstratieproject in Nederland en is gericht op het
ontwikkelen en realiseren van CO
2
-afvang en het CO
2
-transport en de opslag op zee.

Op de Maasvlakte in Rotterdam wordt een nieuwe kolencentrale gebouwd. Hier zal CO
2

worden afgevangen en vervolgens per pijpleiding getransporteerd worden naar het P18
gasveld, dat zon 20 kilometer uit de kust ligt. De ligging van de pijpleiding en het
platform wordt gellustreerd in Figuur 1-1.


Figuur 1-1 Ligging van de CCS pijpleiding en het P18-A platform


1.2 Werkzaamheden MARIN

Royal Haskoning heeft MARIN de opdracht gegeven om de kans op een incident met de
pijpleiding te berekenen. Hiernaast zal MARIN de studie uitvoeren naar de
aanvaringskans van het P18/A platform. De resultaten van deze studie worden in een
apart rapport gepresenteerd [1].

Rapport No. 24114.620/3B 5






1.3 Doelstelling voor pijpleiding studie

Het doel van deze studie is het bepalen van de kans op een incident met de CCS
pijpleiding door de scheepvaart.


1.4 Indeling rapport

De ongevalsfrequenties met de pijpleiding worden bepaald met behulp van het
SAMSON model. Dit model wordt in hoofdstuk 2 besproken. Voor de berekeningen met
het SAMSON model zijn verschillende soorten invoer vereist. Deze worden in hoofdstuk
3 beschreven. De ongevalsfequenties worden gegeven in hoofdstuk 4.

In dit rapport zijn punten als decimaalteken gebruikt.



Rapport No. 24114.620/3B 6





2 ONGEVALLENMODEL SAMSON

Dit hoofdstuk beschrijft het ongevallenmodel SAMSON dat voor deze studie gebruikt is.
In de eerste paragraaf wordt een algemene beschrijving van het model gegeven. De
tweede paragraaf gaat in op het specifieke deel van het SAMSON model om de kans op
een incident met een pijpleiding te bepalen door de scheepvaart.


2.1 Algemene beschrijving van het SAMSON model

De kans op een incident is bepaald met ongevalskansmodules van het SAMSON model
(Safety Assessment Model for Shipping and Offshore on the North Sea). Het model is
ontwikkeld voor Rijkswaterstaat Noordzee en wordt gebruikt om de kansen en
consequenties van alle type ongevallen op zee te schatten. Ook wordt het SAMSON
model gebruikt om de impact van deze ongevallen op het veiligheidsniveau te
voorspellen.

In Figuur 2-1 wordt het systeemdiagram weergegeven van het SAMSON model. Vrijwel
alle blokken in dit diagram zijn beschikbaar binnen het model. Het grote blok Maritime
traffic system (rechts boven) bevat vier subblokken. Deze vier subblokken beschrijven
het verkeersbeeld; het aantal scheepsbewegingen, de scheepskenmerken (lengte enz.)
en de lay-out van het zeegebied. De ongevalsmodellen voor een aanvaring, stranding,
brand/explosie etc. worden gebruikt om de ongevalsfrequentie te voorspellen gebaseerd
op het verkeersbeeld. Het grote blok Impacts bevat de subblokken waarmee de
consequenties bepaald worden van de ongevallen. De modelparameters zijn bepaald uit
analyse van de wereldwijde ongevallendatabase van 1990-2006 van Lloyds Register
Fairplay.

Risico kan beschouwd worden als de kans op een niet-wenselijke gebeurtenis
vermenigvuldigd met de consequentie van deze gebeurtenis. Binnen deze studie is de
niet-wenselijke gebeurtenis het raken van de pijpleiding door (een onderdeel van) een
schip. Een mogelijke consequentie van dit raken is dat de pijpleiding beschadigd wordt
en lek raakt. In deze studie zijn de consequenties van de verschillende gebeurtenissen
niet gekwantificeerd.
Rapport No. 24114.620/3B 7






Figuur 2-1 Systeem diagram SAMSON


2.2 Beschrijving van de verkeersdatabase in SAMSON

Voor de berekeningen wordt gebruik gemaakt van een verkeersdatabase die de
dichtheid, samenstelling en het gedrag van het scheepvaartverkeer beschrijft.

Het verkeer op zee wordt onderverdeeld in twee groepen, namelijk het routegebonden
en het niet routegebonden verkeer (R-schepen en N-schepen). Het routegebonden
verkeer bevat de scheepsbewegingen van de koopvaardijschepen, die op weg zijn van
haven A naar haven B. Het niet routegebonden verkeer bevat de scheepsbewegingen
van de schepen die een missie ergens op zee hebben, zoals visserij, supplyvaart,
werkvaart en recreatievaart. In SAMSON zijn deze scheepsgroepen op een
verschillende manier gemodelleerd.



Impacts
Maritime traffic system
Traffic Demand
- Cargo
- Passengers
- Fishing
- Recreational vessels
Existing traffic
management system
Traffic:
- Traffic intensity
- Traffic mix
Traffic management
measures:
- Routing (TSS)
- Waterway marking
- Piloting
- Vessel Traffic Services
Characteristics of sea
areas
Tactics
(New traffic management
measures)
Traffic accidents:
- Collisions
- Contacts
- Strandings
- Founderings
Other accidents:
- Fire and explosions
- Spontaneous hull accidents
- Cargo accidents
Pipe accidents:
- Foundering on pipe
- Cargo on pipe
- Anchor on pipe
- Anchor hooks pipe
- Stranding on pipe
Financial costs:
- Investment costs
- Operating costs
Environmental consequences:
- Oil spills
- Amount of oil on coast
- Chemical spills
- Dead and affected organisms
Economic consequences:
- Loss of income
- Repair costs
- Cleaning costs
- Delay costs caused by accidents
- Extra sea miles caused by the use of a tactic
Human safety:
- Individual risk
- Societal risk
Search and Rescue
Contingency planning
Ships:
- Technology on board
- Quality of ships
- Quality of crew
Rapport No. 24114.620/3B 8





2.2.1 Routegebonden verkeer
Het routegebonden verkeer is gemodelleerd op de scheepsroutes in de Noordzee. Door
de ligging van de verschillende havens en door de aanwezigheid van de
verkeersscheidingsstelsels in de Nederlandse Exclusieve Economische Zone vaart het
overgrote merendeel van de routegebonden schepen langs een groot netwerk van links,
vergelijkbaar met een netwerk van wegen. Een link is de rechte verbinding tussen twee
punten. De intensiteit beschrijft het aantal schepen dat per jaar over die link vaart
onderverdeeld naar scheepstype en scheepsgrootte. De linkkarakteristiek beschrijft hoe
breed de link is en geeft de laterale verdeling van het verkeer over die link. Wanneer alle
regels in acht genomen worden bevat dit netwerk van links de kortste routes tussen de
havens.

2.2.2 Niet routegebonden verkeer
Het niet routegebonden verkeer kan niet op dezelfde wijze gemodelleerd worden als het
routegebonden verkeer omdat deze schepen een heel ander gedrag vertonen. De niet
routegebonden schepen varen niet via een duidelijk gedefinieerde route van de ene
haven naar de volgende, maar zullen vanaf een haven naar een of meerdere
bestemmingen op zee varen om daarna meestal terug te varen naar de haven van
vertrek. Vissers vormen de grootste groep in het niet routegebonden verkeer en deze
varen heen en weer wanneer de visgrond is bereikt. Het gedrag van deze schepen is
daarom minder goed te voorspellen dan het gedrag van het routegebonden verkeer.

Om deze reden is het niet routegebonden verkeer gemodelleerd als dichtheid in
zogenoemde gridcellen van 8 bij 8 km.


2.3 SAMSON model voor beschadiging van een pijpleiding door een schip

SAMSON bevat een aantal modellen waarmee de kans bepaald kan worden dat een
object op de zeebodem wordt geraakt door een gebeurtenis die genitieerd wordt aan
boord van een passerend schip. Voor de verschillende soorten gebeurtenissen zijn
modellen ontwikkeld die de frequenties van voorkomen bepalen. Voor de situatie waarin
een schip over de pijpleiding heen vaart zijn er verschillende modellen die te maken
hebben met het raken van een pijpleiding. Deze worden in bijlage A beschreven.

De frequenties zijn berekend voor de situatie waarin de pijpleiding onbedekt op de
zeebodem ligt. Alleen de kansen voor een anker dat achter de pijpleiding haakt zijn
gegeven voor een aantal ingraafdiepten. Gebaseerd op deze frequenties, aangevuld met
gegevens over de betrokken schepen en pijpleidingkarakteristieken kan worden ingeschat
of de pijpleiding potentieel ernstig beschadigd kan worden. Het SAMSON model levert de
frequenties van de gebeurtenissen aan verdeeld over een aantal categorien. De
consequenties van de verschillende gebeurtenissen worden niet gekwantificeerd in deze
studie, maar kunnen worden uitgerekend op basis van de gepresenteerde resultaten.

Van de volgende gebeurtenissen wordt de kans bepaald:
een schip zinkt op de pijpleiding (na een aanvaring)
een container valt op de pijpleiding
deklading valt op de pijpleiding
een anker wordt uitgeworpen en komt neer op de pijpleiding
een anker wordt uitgeworpen net voordat een schip de pijpleiding passeert
en blijft achter de pijpleiding haken voordat het schip is afgeremd
een vissersschip kruist de pijpleiding terwijl het aan het vissen is
Rapport No. 24114.620/3B 9





3 INVOER VOOR DE KANSBEREKENING VOOR DE PIJPLEIDING

3.1 Gegevens van de pijpleiding

Voor de berekeningen is de pijpleiding is 5 secties verdeeld. De cordinaten van deze
secties zijn te vinden in Tabel 3-1. Daarnaast zijn ze ingetekend in Figuur 1-1.
Tabel 3-1 Cordinaten van de pijpleiding in WGS84
Pijp Van Naar Lengte
NB OL NB OL
Sectie km
1 5208 356 5208 357 0.446
2 5208 357 5204 403 10.383
3 5204 403 5202 403 3.496
4 5202 403 5200 402 2.575
5 5200 402 5159 402 2.380
Totaal 19.280

De pijpleiding diameter inclusief coating is 20 inch.

De berekeningen zijn uitgevoerd voor de situatie waarin de pijpleiding onbedekt op de
zeebodem ligt en dus niet is ingegraven in de bodem.


3.2 Gegevens van het scheepvaartverkeer

Zoals beschreven is in paragraaf 2.2 wordt het scheepvaartverkeer gemodelleerd met
behulp van een verkeersdatabase, die opgebouwd is uit het routegebonden verkeer en
het niet routegebonden verkeer.

3.2.1 Gegevens van routegebonden schepen
De scheepsintensiteit op de verschillende links is gebaseerd op reisdata van Lloyds
Marine Intelligence Unit (LMIU). Voor al deze reizen zijn de vaarroutes bepaald. Voor
deze studie is gebruikt gemaakt van de reizen over de Noordzee in 2008 en is er van
uitgegaan dat alle reizen hebben plaatsgevonden bij het verkeersscheidingsstelsel bij
Rotterdam dat sinds 1 juli 2008 van kracht is, zie [2].

De gegevens van veerdiensten zijn aan de hand van de dienstregeling toegevoegd.

3.2.2 Gegevens van niet routegebonden schepen
De niet routegebonden schepen zijn gemodelleerd op basis van twee verschillende
bronnen.
Vissersschepen zijn gemodelleerd op basis van de VMS data die IMARES
verstrekt heeft.
Sportvissers, supply schepen en werkschepen zijn gemodelleerd op basis
van VONOVI vluchten.

Vissersschepen
IMARES heeft aan MARIN visserijgegevens verstrekt. Deze gegevens zijn gebaseerd
op VMS gegevens van Nederlandse schepen. VMS gegevens zijn satellietgegevens met
informatie over de verspreiding van de visserijvloot door de tijd (Vessel Monitoring
Through Satellite). Vissersschepen groter dan 15 m zijn VMS-plichtig. Het aandeel van
Rapport No. 24114.620/3B 10





de Nederlandse vloot op het Nederlands Continentaal Plat (NCP) is 80%. Daarom zijn
de cijfers vermenigvuldigd met 1.25.

Door een koppeling met EU logboeken (VIRIS database) is de scheepslengte
achterhaald en of het om bodemberoerende visserij gaat. De activiteit van een schip op
het moment van registratie (varend of vissend) is vastgesteld op basis van de
vaarsnelheid, het vistuig en in sommige gevallen het motorvermogen van het schip. Het
aandeel bodemberoerende vissersschepen bedraagt meer dan 98% van het totaal.

Sportvissers, supply schepen en werkschepen
Het gemiddeld aantal sportvissers, supply schepen en werkschepen per gebied van 8 x
8 km is bepaald op basis van de VONOVI-vluchten van 1999-2001 (Verkeers
Onderzoek Visuele Identificatie). Tijdens de VONOVI-vluchten zijn alle schepen binnen
een bepaald gebied van de Noordzee bekeken en beschreven door middel van de
scheepsnaam, positie, snelheid en richting. Achteraf zijn de overige gegevens van de
schepen toegevoegd en is de data geanalyseerd.

3.2.3 Verkeersbeeld in de omgeving van de pijpleiding
Het grootste deel van het verkeer in de omgeving van de pijpleiding wordt hieronder op
twee manieren gellustreerd.

Figuur 3-1 laat de verkeersdatabase van het routegebonden verkeer zien in de buurt
van de pijpleiding. De rode strepen geven aan waar de verkeersstromen zich bevinden.
De lijndikte is een maat voor de verkeersintensiteit.


Figuur 3-1 Verkeersdatabase van het routegebonden verkeer (in rood) samen met
het traject van de pijpleiding (in zwart)

Rapport No. 24114.620/3B 11





Sinds 2005 zijn alle schepen groter dan 300GT uitgerust met een AIS-transponder
(Automatic Identification System). Deze transponder zendt afhankelijk van de snelheid
een aantal malen per minuut automatisch een bericht uit waarin de geografische positie,
snelheid, heading en nog enkele andere gegevens opgenomen zijn. Deze berichten
worden opgevangen door AIS base stations langs de kust en op een aantal offshore
platforms. Al deze berichten van Nederlandse ontvangststations worden doorgestuurd
naar het Kustwachtcentrum in Den Helder.
Alle ontvangen AIS-berichten worden op tape gezet en MARIN krijgt iedere maand deze
tape toegestuurd. MARIN mag deze AIS-data gebruiken voor veiligheidsstudies maar
mag geen individuele scheepsgegevens aan derden verstrekken.

Figuur 3-2 brengt het routegebonden verkeer in de omgeving van de pijpleiding in kaart
op basis van de AIS gegevens van een week in april 2009. Voor deze week is iedere 10
minuten de positie van alle aanwezige routegebonden schepen ingetekend. Schepen
met een oostelijke koers (tussen 0 en 180) zijn weergegeven met een zwarte stip,
schepen met een westelijke koers (tussen 180 en 360) zijn weergegeven met een
bruine stip.


Figuur 3-2 Routegebonden schepen gebaseerd op AIS data van 6 t/m 12 april
2009. Iedere 10 minuten is een stip gezet voor alle aanwezige
routegebonden schepen. Bruin = westwaarts, zwart = oostwaarts

3.2.4 Aangenomen ongevalsbeperkende maatregelen
Tabel 3-2 laat zien welke ongevalsbeperkende maatregelen er in de berekeningen
meegenomen worden. Voor het gehele traject van de pijpleiding is de Vessel Traffic
Service (VTS) maatregel meegenomen. Dit houdt in dat het aantal aanvaringen tussen
routegebonden schepen 30% lager is dan in gebieden zonder maatregelen. Daarnaast
geldt in de Maasmond een loodsplicht. Om deze reden is in dit gebied gerekend met
Rapport No. 24114.620/3B 12





een extra afname van het aantal aanvaringen tussen routegebonden schepen van 62%.
De gebruikte percentages berusten op eerder uitgevoerde studies.

Tabel 3-2 Ongevalsbeperkende maatregelen
Gebied
Pijpleiding
secties
Maatregel
Afname aanvaringen tussen
routegebonden schepen
Gehele pijpleiding traject 1 t/m 5 VTS 30%
Maasmond 5 Loods 62%


3.2.5 Schepen die ankeren vanwege een noodgeval zonder controle van de
locatie
Om de kans te bepalen dat een schip zijn anker uitwerpt op de pijpleiding of dat een
anker achter de pijpleiding haakt zijn er gegevens nodig van het aantal schepen dat
ankert vanwege een noodgeval en van het aantal schepen dat daarbij niet let op de
aanwezigheid van een mogelijke pijpleiding.

Voor een studie naar de BBL pijpleiding is de frequentie van schepen die uit nood hun
anker uitwerpen bepaald op basis van AIS data van 2008 en 2009. Vervolgens is er
gekeken wat de locatie is ten opzichte van het verkeersscheidingsstelsel en hoe vaak
de kapitein zelf de ankerlocatie gekozen heeft zonder contact op te nemen met de
Kustwacht. Van de situaties waarbij de kapitein zelf de ankerlocatie heeft bepaald is
ingeschat hoe vaak dit foutief is gebeurd, oftewel zonder een goede controle van de
locatie. Alleen de situaties waarbij de kapitein zelf de ankerlocatie kiest en waarbij de
posities niet goed gecontroleerd wordt kan resulteren in een schip dat ankert in de buurt
van een pijpleiding.





Rapport No. 24114.620/3B 13





4 ONGEVALFREQUENTIES

4.1 Verdeling van de frequenties over de gebeurtenissen

Tabel 4-1 en Tabel 4-2 geven de totale ongevallenfrequenties van elke gebeurtenis die
potentieel gevaarlijk is voor elke sectie van de pijpleiding per km van de pijpleiding. De
meeste resultaten zijn gegeven per miljoen jaar. Deze resultaten kunnen gebruikt
worden om uit te rekenen wat de consequenties zijn van elke voor de pijpleiding
potentieel gevaarlijke gebeurtenis. Dit valt buiten de opdracht van MARIN.

R-schip staat voor routegebonden schip en N-schip staat voor niet routegebonden
schip.

De ongevallenfrequenties zijn afhankelijk van de verkeersintensiteit. Zoals blijkt uit Tabel
4-1 gaat routegebonden verkeer alleen over sectie 2 en 5 van de pijpleiding. Over deze
pijpleiding secties treden dan ook de meeste passages op. Het niet routegebonden
verkeer is minder geconcentreerd. Het aantal passages van niet routegebonden
schepen in sectie 3, 4 en 5 van de pijpleiding is per km pijpleiding bijna gelijk: ongeveer
700 schepen/per km/jaar. Het aantal passages per km van niet routegebonden schepen
is wat lager voor sectie 1 en 2.

Veruit de hoogste frequentie is gevonden voor vissersschepen die de pijpleiding kruisen
terwijl ze aan het vissen zijn. Er is een kans dat de netten van een bodemberoerend
vissersschip achter de pijpleiding blijven haken. Om deze reden worden pijpleidingen in
werkelijkheid zelden onbedekt op de zeebodem gelegd: over het algemeen hebben ze
een dekking van minimaal 20 cm. In de ongevalsdata waarover MARIN beschikt is er
geen enkel vissersschip te vinden dat zinkt doordat het net achter een leiding of kabel
haakt.
Hierna zijn de drie hoogste ongevalfrequenties achtereenvolgens:
Anker haakt achter de pijpleiding
Container vallen overboord op de pijpleiding
Schip zinkt op pijpleiding (wel of niet als gevolg van een aanvaring)
Hierbij wordt nogmaals opgemerkt dat de berekeningen zijn uitgevoerd voor een
pijpleiding die op de zeebodem ligt en dus niet ingegraven is.
De hoogste frequenties zijn uitgerekend voor pijpleiding secties waar veel
routegebonden verkeer vaart:
sectie 5, de Maasmond en
sectie 2, waar de pijpleiding het verkeersscheidingsstelsel Maas Noord
kruist.


Rapport No. 24114.620/3B 14






Tabel 4-1 Frequentie per gebeurtenis voor elk deel van de pijpleiding
Pijp Van Naar Lengte Passages over pijp
Gezonken op pijp na
een aanvaring
Gezonken op pijp zonder
aanvaring
NB OL NB OL aantal/km/jaar aantal/km/miljoen jaar aantal/km/miljoen jaar
Sectie km
R-
schip
N-
schip
Totaal
R-
schip
N-
schip
Totaal
R-
schip
N-
schip
Totaal
1 5208 356 5208 357 0.446 0 89 89 0.000 0.593 0.593 0.000 0.256 0.256
2 5208 357 5204 403 10.383 878 301 1179 1.556 1.128 2.684 1.426 0.517 1.943
3 5204 403 5202 403 3.496 0 706 706 0.000 1.868 1.868 0.000 0.827 0.827
4 5202 403 5200 402 2.575 0 699 699 0.000 1.651 1.651 0.000 0.707 0.707
5 5200 402 5159 402 2.380 27253 699 27952 39.098 1.649 40.748 32.699 0.707 33.406
Totaal 19.280 3837 472 4309 5.664 1.384 7.048 4.804 0.616 5.420


Tabel 4-2 Frequentie per gebeurtenis voor elk deel van de pijpleiding (vervolg)
Pijp
Container overboord
op pijp
Dek lading op pijp Anker op pijp Anker haakt achter pijp
Vissend vissersschip
vaart over pijp
aantal/km/miljoen jaar aantal/km/miljoen jaar aantal/km/miljoen jaar aantal/km/miljoen jaar aantal/km/jaar
Sectie R-schip N-schip Totaal R-schip N-schip Totaal R-schip N-schip Totaal R-schip N-schip Totaal Vissersschip
1 0.000 0.000 0.000 0.000 0.006 0.006 0.000 0.076 0.076 0.000 0.272 0.272 57
2 20.787 0.000 20.787 0.129 0.018 0.148 0.401 0.171 0.572 4.166 0.574 4.741 67
3 0.000 0.000 0.000 0.000 0.037 0.037 0.000 0.327 0.327 0.000 0.913 0.913 90
4 0.000 0.000 0.000 0.000 0.034 0.034 0.000 0.306 0.306 0.000 0.773 0.773 78
5 62.678 0.000 62.678 4.205 0.034 4.239 12.916 0.305 13.221 140.784 0.772 141.555 78
Totaal 18.932 0.000 18.932 0.589 0.026 0.614 1.810 0.232 2.042 19.623 0.680 20.302 74


4.2 Frequentie van gezonken schepen verdeeld over de waterverplaatsing

Het gevolg van een schip dat op de pijpleiding zinkt is afhankelijk van de
scheepsgrootte. In eerste instantie is onderscheid gemaakt tussen (1) schepen die
zinken na een aanvaring en (2) schepen die zinken zonder dat ze in contact zijn
geweest met een ander schip. Tabel 4-3 geeft de frequentie van gezonken schepen
verdeeld over een aantal scheepsklasses op basis van de waterverplaatsing zonder
onderscheid te maken tussen de oorzaak van het zinken. De kleinste klasse bevat
schepen met een waterverplaatsing van minder dan 300 ton, terwijl de grootste klasse
schepen bevat die groter zijn dan 100 000 ton (999999 in de tabel).

Tabel 4-3 Frequentie van gezonken schepen ingedeeld op waterverplaatsing
voor elk deel van de pijpleiding
Pijp Lengte
Gezonken op pijp na
een aanvaring
Gezonken op pijp
zonder aanvaring
Waterverplaatsingscategorien van gezonken schepen
(bovengrenzen van categorien in ton)
aantal/km/miljoen jaar aantal/km/miljoen jaar aantal/km/miljoen jaar
Sectie km
R-
ships
N-
ships
Totaal
R-
ships
N-
ships
Totaal 300 1000 2000 5000 15000 30000 60000 100000 999999
1 0.446 0.000 0.593 0.593 0.000 0.256 0.256 0.006 0.832 0.000 0.007 0.004 0.000 0.000 0.000 0.000
2 10.383 1.556 1.128 2.684 1.426 0.517 1.943 0.011 1.194 0.638 0.626 1.531 0.427 0.104 0.038 0.057
3 3.496 0.000 1.868 1.868 0.000 0.827 0.827 0.031 1.740 0.921 0.003 0.000 0.000 0.000 0.000 0.000
4 2.575 0.000 1.651 1.651 0.000 0.707 0.707 0.035 1.599 0.724 0.000 0.000 0.000 0.000 0.000 0.000
5 2.380 39.098 1.649 40.748 32.699 0.707 33.406 0.034 3.123 3.269 15.925 31.833 13.217 3.029 1.083 2.640
Totaal 19.280 5.664 1.384 7.048 4.804 0.616 5.420 0.021 1.577 1.011 2.303 4.754 1.862 0.430 0.154 0.357


Rapport No. 24114.620/3B 15





4.3 Frequentie van ankers op pijpleiding verdeeld over ankergewicht

Het gevolg van een anker op de pijpleiding is afhankelijk van het ankergewicht. Tabel
4-4 geeft de frequentie van een anker op de pijpleiding ingedeeld op ankergewicht. De
lichtste ankers wegen minder dan 2 000 kg. De zwaarste tussen de 25 000 en 30 000.

Tabel 4-4 Frequentie van ankers op de pijpleiding ingedeeld op ankergewicht
voor elk deel van de pijpleiding
Pijp Lengte Anker op pijp Anker gewichtscategorien (bovengrenzen van categorien in kg)

aantal/km/miljoen jaar aantal/km/miljoen jaar
Sectie km R-schip N-schip Totaal 2000 4000 6000 8000 10000 15000 20000 25000 30000
1 0.446 0.000 0.076 0.076 0.074 0.001 0.000 0.000 0.000 0.000 0.000 0.000 0.000
2 10.383 0.401 0.171 0.572 0.267 0.151 0.055 0.028 0.010 0.031 0.019 0.008 0.003
3 3.496 0.000 0.327 0.327 0.327 0.000 0.000 0.000 0.000 0.000 0.000 0.000 0.000
4 2.575 0.000 0.306 0.306 0.306 0.000 0.000 0.000 0.000 0.000 0.000 0.000 0.000
5 2.380 12.916 0.305 13.221 2.728 3.597 1.634 1.397 0.986 1.846 0.675 0.225 0.122
Totaal 19.280 1.810 0.232 2.042 0.583 0.525 0.231 0.187 0.127 0.245 0.094 0.032 0.016




R
a
p
p
o
r
t

N
o
.

2
4
1
1
4
.
6
2
0
/
3
B

1
6

4
.
4

F
r
e
q
u
e
n
t
i
e

v
a
n

a
n
k
e
r
s

d
i
e

a
c
h
t
e
r

d
e

p
i
j
p
l
e
i
d
i
n
g

h
a
k
e
n

v
o
o
r

v
e
r
s
c
h
i
l
l
e
n
d
e

i
n
g
r
a
a
f
d
i
e
p
t
e
s

H
e
t

i
s

n
i
e
t

z
e
k
e
r

d
a
t

d
e

p
i
j
p
l
e
i
d
i
n
g

o
v
e
r
a
l

e
v
e
n

d
i
e
p

w
o
r
d
t

i
n
g
e
g
r
a
v
e
n

e
n

d
a
a
r
n
a
a
s
t

i
s

h
e
t

m
o
g
e
l
i
j
k

d
a
t

z
a
n
d
v
e
r
p
l
a
a
t
s
i
n
g
e
n

e
r

l
a
t
e
r

v
o
o
r

z
o
r
g
e
n

d
a
t

d
e

p
i
j
p
l
e
i
d
i
n
g

o
p

e
e
n

a
n
d
e
r
e

d
i
e
p
t
e

o
n
d
e
r

d
e

z
e
e
b
o
d
e
m

k
o
m
t

t
e

l
i
g
g
e
n
.

O
m

d
e

f
r
e
q
u
e
n
t
i
e

t
e

k
u
n
n
e
n

b
e
p
a
l
e
n

v
a
n

a
n
k
e
r
s

d
i
e

a
c
h
t
e
r

d
e

p
i
j
p
l
e
i
d
i
n
g

h
a
k
e
n

i
s

h
e
t

v
a
n

b
e
l
a
n
g

o
m

t
e

w
e
t
e
n

h
o
e

d
i
e
p

d
e

a
n
k
e
r
s

i
n

d
e

z
e
e
b
o
d
e
m

k
o
m
e
n

e
n

h
o
e

d
i
e
p

d
e

p
i
j
p
l
e
i
d
i
n
g

i
n

d
e

z
e
e
b
o
d
e
m

l
i
g
t
.


V
o
o
r

e
e
n

g
e
m
i
d
d
e
l
d
e

g
r
o
n
d
s
o
o
r
t

i
s

h
e
t

m
o
g
e
l
i
j
k

o
m

v
o
o
r

e
l
k

a
n
k
e
r

e
e
n

s
p
e
c
i
f
i
e
k
e

i
n
g
r
a
a
f
d
i
e
p
t
e

t
e

b
e
p
a
l
e
n
.

T
a
b
e
l

4
-
5

g
e
e
f
t

d
e

f
r
e
q
u
e
n
t
i
e

v
a
n

a
n
k
e
r
s

d
i
e

a
c
h
t
e
r

d
e

p
i
j
p
l
e
i
d
i
n
g

h
a
k
e
n

v
o
o
r

v
e
r
s
c
h
i
l
l
e
n
d
e

i
n
g
r
a
a
f
d
i
e
p
t
e
s

v
a
n

d
e

a
n
k
e
r
s
.

E
r

i
s

h
i
e
r
b
i
j

a
a
n
g
e
n
o
m
e
n

d
a
t

7
0
%

v
a
n

d
e

a
n
k
e
r
s

v
a
n

e
e
n

c
o
n
v
e
n
t
i
o
n
e
e
l

t
y
p
e

z
i
j
n

m
e
t

e
e
n

s
l
e
e
p
a
f
s
t
a
n
d

v
a
n

1
/
4

s
c
h
e
e
p
s
l
e
n
g
t
e

e
n

3
0
%

v
a
n

h
e
t

h
i
g
h

h
o
l
d
i
n
g

a
n
c
h
o
r

t
y
p
e

m
e
t

5
0
%

m
e
e
r

h
o
u
d
k
r
a
c
h
t
,

e
e
n

t
w
e
e

m
a
a
l

z
o

g
r
o
t
e

i
n
g
r
a
a
f
d
i
e
p
t
e

e
n

e
e
n

s
l
e
e
p
a
f
s
t
a
n
d

v
a
n

1
/
6

s
c
h
e
e
p
s
l
e
n
g
t
e
.

A
l
s

d
e

p
i
j
p
l
e
i
d
i
n
g

i
s

i
n
g
e
g
r
a
v
e
n

i
s

d
e

w
e
r
k
e
l
i
j
k
e

f
r
e
q
u
e
n
t
i
e

v
a
n

a
n
k
e
r
s

d
i
e

a
c
h
t
e
r

d
e

p
i
j
p
l
e
i
d
i
n
g

h
a
k
e
n

l
a
g
e
r

d
a
n

i
s

w
e
e
r
g
e
g
e
v
e
n

i
n

h
e
t

c
e
n
t
r
a
l
e

d
e
e
l

v
a
n

d
e

t
a
b
e
l
.

I
n

d
e

r
e
c
h
t
e
r
h
e
l
f
t

v
a
n

d
e

t
a
b
e
l

s
t
a
a
t

f
r
e
q
u
e
n
t
i
e

v
o
o
r

v
e
r
s
c
h
i
l
l
e
n
d
e

i
n
g
r
a
a
f
d
i
e
p
t
e
s

v
a
n

d
e

p
i
j
p
l
e
i
d
i
n
g
.

H
o
e

d
i
e
p
e
r

d
e

p
i
j
p
l
e
i
d
i
n
g

i
s

i
n
g
e
g
r
a
v
e
n
,

h
o
e

k
l
e
i
n
e
r

h
e
t

a
a
n
t
a
l

a
n
k
e
r
s

d
a
t

d
i
e
p

g
e
n
o
e
g

k
o
m
t

o
m

a
c
h
t
e
r

d
e

p
i
j
p
l
e
i
d
i
n
g

t
e

h
a
k
e
n
.


T
a
b
e
l

4
-
5

F
r
e
q
u
e
n
t
i
e

v
a
n

a
n
k
e
r
s

d
i
e

a
c
h
t
e
r

d
e

p
i
j
p
l
e
i
d
i
n
g

h
a
k
e
n

v
o
o
r

e
l
k

d
e
e
l

v
a
n

d
e

p
i
j
p
l
e
i
d
i
n
g

v
o
o
r

v
e
r
s
c
h
i
l
l
e
n
d
e

i
n
g
r
a
a
f
d
i
e
p
t
e
s

P
i
j
p


L
e
n
g
t
e

A
n
k
e
r

h
a
a
k
t

a
c
h
t
e
r

p
i
j
p

I
n
g
r
a
a
f
d
i
e
p
t
e
n

v
a
n

a
n
k
e
r

i
n

m

I
n
g
r
a
a
f

d
i
e
p
t
e

p
i
j
p
l
e
i
d
i
n
g
A
n
k
e
r

h
a
a
k
t

a
c
h
t
e
r

p
i
j
p

I
n
g
r
a
a
f

d
i
e
p
t
e

p
i
j
p
l
e
i
d
i
n
g
A
n
k
e
r

h
a
a
k
t

a
c
h
t
e
r

p
i
j
p

I
n
g
r
a
a
f

d
i
e
p
t
e

p
i
j
p
l
e
i
d
i
n
g
A
n
k
e
r

h
a
a
k
t

a
c
h
t
e
r

p
i
j
p



a
a
n
t
a
l
/
k
m
/
m
i
l
j
o
e
n

j
a
a
r

a
a
n
t
a
l
/
k
m
/
m
i
l
j
o
e
n

j
a
a
r

S
e
c
t
i
e

k
m

R
-
s
c
h
i
p
N
-
s
c
h
i
p

T
o
t
a
a
l

0
.
5

1

1
.
5

2

2
.
5

3

3
.
5

4

4
.
5

5

5
.
5

m

a
a
n
t
a
l
/

k
m
/

m
i
l
j
o
e
n

j
a
a
r

m

A
a
n
t
a
l
/

k
m
/

m
i
l
j
o
e
n

j
a
a
r

M

a
a
n
t
a
l
/

k
m
/

m
i
l
j
o
e
n

j
a
a
r

1

0
.
4
4
6

0
.
0
0
0
0
.
2
7
2

0
.
2
7
2

0
.
0
9
2

0
.
1
4
0
0
.
0
3
4
0
.
0
0
5
0
.
0
0
1
0
.
0
0
0
0
.
0
0
0
0
.
0
0
0
0
.
0
0
0
0
.
0
0
0

0
.
0
0
0
0
.
5
0
.
1
8
0
1
.
0
0
.
0
4
0
2
.
0
0
.
0
0
1

2

1
0
.
3
8
3

4
.
1
6
6
0
.
5
7
4

4
.
7
4
1

0
.
6
1
2

1
.
2
8
8
1
.
4
9
8
0
.
5
4
4
0
.
4
6
7
0
.
1
5
4
0
.
0
7
1
0
.
0
3
8
0
.
0
4
9
0
.
0
1
7

0
.
0
0
2
0
.
5
4
.
1
2
8
1
.
0
2
.
8
4
1
2
.
0
0
.
7
9
8

3

3
.
4
9
6

0
.
0
0
0
0
.
9
1
3

0
.
9
1
3

0
.
2
8
8

0
.
4
9
7
0
.
1
2
4
0
.
0
0
4
0
.
0
0
0
0
.
0
0
0
0
.
0
0
0
0
.
0
0
0
0
.
0
0
0
0
.
0
0
0

0
.
0
0
0
0
.
5
0
.
6
2
5
1
.
0
0
.
1
2
8
2
.
0
0
.
0
0
0

4

2
.
5
7
5

0
.
0
0
0
0
.
7
7
3

0
.
7
7
3

0
.
2
4
7

0
.
4
1
8
0
.
1
0
4
0
.
0
0
3
0
.
0
0
0
0
.
0
0
0
0
.
0
0
0
0
.
0
0
0
0
.
0
0
0
0
.
0
0
0

0
.
0
0
0
0
.
5
0
.
5
2
5
1
.
0
0
.
1
0
7
2
.
0
0
.
0
0
0

5

2
.
3
8
0

1
4
0
.
7
8
4
0
.
7
7
2

1
4
1
.
5
5
1
3
.
1
2
8

2
9
.
2
1
9
4
4
.
7
1
5
2
5
.
3
9
7
1
5
.
0
3
4
5
.
6
2
2
3
.
2
5
5
2
.
6
9
9
1
.
8
3
8
0
.
5
4
6

0
.
1
0
4
0
.
5
1
2
8
.
4
2
8
1
.
0
9
9
.
2
0
8
2
.
0
2
9
.
0
9
7


T
o
t
a
a
l

1
9
.
2
8
0

1
9
.
6
2
3
0
.
6
8
0

2
0
.
3
0
2

2
.
0
3
8

4
.
4
5
0
6
.
3
6
4
3
.
4
2
9
2
.
1
0
7
0
.
7
7
7
0
.
4
4
0
0
.
3
5
3
0
.
2
5
3
0
.
0
7
7

0
.
0
1
4
1
8
.
2
6
5
1
3
.
8
1
5
4
.
0
2
2


Rapport Nr. 24114.620/3B 17





4.5 Frequentie van ankers die achter de pijpleiding haken voor verschillende
scheepsenergieklasses

De gevolgen van een anker dat achter de pijpleiding haakt zijn afhankelijk van de
energie van het schip op het moment van haken. Deze energie wordt namelijk voor een
groot deel door de pijpleiding opgenomen.

Tabel 4-6 rapporteert de kinetische energie van het schip op het moment dat het achter
de pijpleiding haakt. De kinetische energie is afhankelijk van: (1) de scheepsgrootte en
van (2) hoe ver voor de pijpleiding het anker is uitgeworpen. Er wordt vanuit gegaan dat
een schip pas zijn anker werpt op het moment dat haar snelheid ongeveer 1.5 knoop is,
want bij een te grote snelheid zal de ankerketting breken. Bij een gelijke snelheid is de
kinetische energie afhankelijk van de scheepsgrootte. Als het anker ver voor de
pijpleiding uitgeworpen wordt (op iets kleinere afstand dan 1/4 van de scheepslengte) is
de snelheid en dus kinetische energie bij haken veel lager dan wanneer het anker direct
bij het contact met de zeebodem achter de pijpleiding haakt.

Tabel 4-6 Frequentie van ankers die achter de pijpleiding haken ingedeeld op
scheepsenergie voor ieder deel van de pijpleiding

Pijp

Lengte Anker haakt achter pijp Scheepsenergiecategorien op haakmoment
(bovengrenzen van categorien in MJ oules)

aantal/km/miljoen jaar
aantal/km/miljoen jaar
Sectie km R-schip N-schip Totaal 6 8 10 12 14 16 18 300
1 0.446 0.000 0.272 0.272 0.272 0.000 0.000 0.000 0.000 0.000 0.000 0.000
2 10.383 4.166 0.574 4.741 3.556 0.171 0.115 0.092 0.072 0.057 0.051 0.625
3 3.496 0.000 0.913 0.913 0.913 0.000 0.000 0.000 0.000 0.000 0.000 0.000
4 2.575 0.000 0.773 0.773 0.773 0.000 0.000 0.000 0.000 0.000 0.000 0.000
5 2.380 140.784 0.772 141.555 90.212 8.575 6.519 4.923 3.767 2.926 2.443 22.190
Totaal 19.280 19.623 0.680 20.302 13.326 1.151 0.867 0.657 0.504 0.392 0.329 3.076



Rapport Nr. 24114.620/3B 18





5 CONCLUSIES

Met behulp van het SAMSON-model zijn de kansen op een incident met de pijpleiding
berekend voor de volgende gebeurtenissen:
een schip zinkt op de pijpleiding (wel of niet na een aanvaring)
een container valt op de pijpleiding
deklading valt op de pijpleiding
een anker wordt uitgeworpen en komt neer op de pijpleiding
een anker wordt uitgeworpen net voordat een schip de pijpleiding passeert
en blijft achter de pijpleiding haken voordat het schip is afgeremd
een vissend vissersschip vaart over de pijpleiding

De frequenties zijn berekend voor de situatie waarin de pijpleiding onbedekt op de
zeebodem ligt. Alleen de kansen voor een anker dat achter de pijpleiding haakt zijn
gegeven voor een aantal ingraafdiepten. Gebaseerd op deze frequenties, aangevuld met
gegevens over de betrokken schepen en pijpleidingkarakteristieken kan worden ingeschat
of de pijpleiding potentieel ernstig beschadigd kan worden.

Veruit de hoogste frequentie is gevonden voor vissende vissersschepen die over de
pijpleiding varen. Hierbij valt op te merken dat pijpleidingen in werkelijkheid zelden
onbedekt op de zeebodem worden gelegd: over het algemeen hebben ze een dekking
van minimaal 20 cm. In de ongevalsdata waarover MARIN beschikt is er geen enkel
vissersschip te vinden dat zinkt doordat het net achter een leiding of kabel haakt.
Vervolgens zijn de drie hoogste ongevalfrequenties:
Anker haakt achter de pijpleiding
Container vallen overboord op de pijpleiding
Schip zinkt op pijpleiding (wel of niet als gevolg van een aanvaring)
De pijpleiding is ingedeeld in vijf secties en de resultaten zijn per sectie gepresenteerd
en voor de hele pijpleiding. De hoogste frequenties zijn uitgerekend voor pijpleiding
secties waar veel routegebonden verkeer vaart:
sectie 5, de Maasmond en
sectie 2, waar de pijpleiding het verkeersscheidingsstelsel Maas Noord
kruist.

Voor de verschillende gebeurtenissen zijn de frequenties in klassen ingedeeld zodat het
mogelijk is om met behulp van deze kansen in te schatting of de pijpleiding potentieel
ernstig beschadigd kan worden. Met andere woorden, aan de hand van deze resultaten
is het mogelijk om het risico te bepalen: de kans op een incident, vermenigvuldigd met
de consequentie. Over het algemeen wordt geist dat het risico lager is dan 110
-6
per
km pijpleiding, Voor de pijpleiding secties waar het risico te hoog is, is het bedekken een
goede optie om het risico te verlagen.

Rapport Nr. 24114.620/3B 19





REFERENTIES


[1] A. Cotteleer, C. van der Tak
Aanvaarkans van injectieplatform P18-A voor CCS Project
MARIN, nr. 24114.620/A, November 2010

[2] C. van der Tak
Safety assessment for the revised routeing system in the approaches to
Rotterdam II
MARIN, 21005.620/6, februari 2007
Rapport Nr. 24114.620/3B Bijlage A









BIJLAGE A: AFKORTINGEN EN VERKLARENDE WOORDENLIJST

Rapport Nr. 24114.620/3B Bijlage A





Afkortingen
AIS =Automatic Identification System
CCS =Carbon Capture & Storage
EU =Europese Unie
MER =Milieu Effect Rapportage
NB =Noorder Breedte
N-schip =Niet routegebonden schip
OL =Ooster Lengte
ROAD =Rotterdam Opslag en Afvang Demonstratieproject
R-schip =Routegebonden schip
SAMSON =Safety Assessment Model for Shipping and Offshore on the North Sea
VIRIS =VIsserij Registratie en Informatie Systeem
VMS =Vessel Management System
VONOVI =Verkeers Onderzoek Visuele Identificatie
VTS =Vessel Traffic Services

Verklarende woordenlijst
Pijpleiding =CO2-buisleiding
High holding anchor =Anker met hogere capaciteit per gewicht en met grotere
ingraafdiepte



Rapport Nr. 24114.620/3B Bijlage B









BIJLAGE B: DESCRIPTION OF THE PIPELINE RISK MODELS OF
SAMSON

Rapport Nr. 24114.620/3B Bijlage B





MARINE TRAFFIC RELATED THREATS TO A PIPELINE

The marine traffic related risk for a pipeline is assessed in two steps. During the first
step the potential threats are quantified in terms of probabilities and scenarios. During
the second step the possible consequences are assessed.

In this section the models developed for the first step are described. The following
marine traffic related threats to a pipeline are assessed:
a) a ship founders on the pipeline;
b) a ship founders on the pipeline after being involved in a collision;
c) a container falls on the pipeline;
d) deck cargo falls on the pipeline;
e) an anchor is dropped on the pipeline;
f) an anchor is dropped by a ship just before passing the pipeline and next the
anchor hooks the pipeline before the ship is stopped;
g) a ship strands on the pipeline;
h) a fishing vessel crosses the pipeline while fishing.

The probabilities of these events are assessed based on the pipeline locations and the
maritime traffic. The traffic information and casualty rates of the SAMSON model are
used. The models used are described in more detail. The calculation is different for the
route-committed ships that cross the pipeline with a fixed angle, depending on their
course, and for the non-route committed ships that cross the pipeline in various
directions. Several threats can be assessed with the same type of model because only
the values of the parameters are different. For the above threats a, b, c, d and e the
same model can be used. In all cases an object falls on the pipeline. Only the
dimensions of the objects differ and the basic probability on the initial event differs.

In all models it is assumed that the direction of the object when it falls on the pipeline is
independent of the sailing direction. For an anchor, a container, deck cargo and a
sinking ship after a collision this will be certainly true. For the ship that founders on the
pipeline a little dependency may exist between the sailing direction and the final
direction of the ship when she strikes the pipeline. However, during the last minutes
before the foundering and during the sinking process itself the change in the heading is
not predictable. The assumption that all headings have the same probability is not far
from the truth; in any case the error made by this assumption will be small.

Model for an object released from a ship that follows a traffic link
Figure 1 shows the situation where an object from the ship or the ship herself falls/sinks
on the pipeline (or, with similar formulas to be applied, on a pipeline). If that event
occurs in the part of the link depicted as danger miles, the object will fall on the
pipeline. Thus the event rate is applied to the ships on this part of the link.

Rapport Nr. 24114.620/3B Bijlage B






The danger miles for the situation of figure 1 can be represented by:

1852
1
sin
) sin(
) sin( ) tan(


+

+
+
+
+ =
pipe object
object miles
D B
L D

In which:
D
miles
Danger miles in nm
L
object
Length of the object in m
B
object
Breadth of the object in m
D
pipeline
diameter of the pipeline in m
angle between the traffic link and the pipeline
angle with the traffic link of the falling object

Based on the assumption that all angles are equal likely, the above expression can be
integrated over a uniformly distributed . This results in:

( )

d D B L D
pipe object object miles

+

+ + + + =
2 /
1852
1
sin
1
) cos( ) sin(
2
4

or
1852
1
sin
1
) (
2

+ + =
pipe object object miles
D B L D
The previous formula contains the danger miles for one ship sailing over a link that
crosses the pipeline. The total threat to the pipeline per year from several ships of type i
and size j follows from:

=
k i j
miles ijk
j i FR k j i D n contacts Pipe ) , ( ) , , (


Figure 1 Danger miles on the traffic link for an object, depending on object size and angles
+
pipeline


traffic link
danger miles
Rapport Nr. 24114.620/3B Bijlage B





Herein is:
i the type of the ship
j the size of the ship
k the link that crosses the pipeline
n
ijk
the number of passages per year of ship type i and size j over link k
FR(i,j) the event rate per nautical mile

For the calculation of the risk of containers falling from ships of various types and sizes,
the factor D
miles
in the previous formula will depend on the angle between the link and
the pipeline, while FR(i;j) will be zero for ships without containers.

Model for an object from a ship that has a randomly distributed course
The model for the calculation of the threat by the non-route committed ships differs from
the model used for route committed ships that was described in the previous section.

The sailing course of a non-route committed ship is not known. It is assumed that all
sailing directions are equal likely. Therefore it is better to introduce the danger area
instead of danger miles. The danger area is a strip around the pipeline. The width of the
danger area depends on the size of the object and is visualised in figure 2.


The width of the danger area of figure is:

1852
1
) cos sin (
pipe object object da
D B L W + + =

In which:
W
da
width of the danger area in nm
L
object
Length of the object in m
B
object
Breadth of the object in m
D
pipeline
diameter of the pipeline in m
angle between falling object and the pipeline
width of danger area
pipeline

Figure 2 Danger area for an object that threatens the pipleline
Rapport Nr. 24114.620/3B Bijlage B






Based on the assumption that all angles are equal likely, the above expression can be
integrated over a uniformly distributed . This results in an average width of danger area
of:

( )


d D B L W
pipe object object da

+ + =
2 /
0
1852
1
cos sin
2
4

or
1852
1 2

+ +

=
pipe object object da
D ) B L ( W

All ships sailing in the area around the pipeline within this width threaten the pipeline.
Thus the area size has to be multiplied with the densities of the ships within this area.
The densities of ships are calculated constant within one grid cell.

The previous formula defines the width of the danger area for one ship of type i and size
j sailing in the area of the pipeline. The total threat to the pipeline per year follows from:

) , ( 8760 ) , ( ) ( ) , , ( j i v j i FR k L k j i W d contacts Pipeline
harm
k i j
cable da ijk
=

Herein is:
i the type of the ship
j the size of the ship
k the grid cells through which the pipeline runs
W
da
(i,,j,k) width of the danger area for ships of type i and size j in grid cell k
L
pipeline
(k) the length of pipeline (length of the danger area in nm) in grid cell k
d
ijk
the density of ships (per nm
2
) for type i and size j in grid cell k
v
harm
(i,j) the harmonic mean of the velocity of ship type i size j (in knots)
FR(i,j) the event rate per nautical mile for ship type i size j

The types i and sizes j as distinguished for non route committed ships differ from the
types i and sizes j taken into account for route committed ships.

Model for hooking a pipeline
If a ship is in trouble due to malfunction of the main engine or steering engine she can
drop the anchor to prevent the ship from drifting away. The anchor is dropped with such
a ship speed (1 to 1.5 knots) that the anchors pipeline will not break. During the time
that the anchor is decelerating the ship by providing a dragging force to the ship, the
anchor may hook a pipeline. It is assumed that for patent anchors the dragging distance
of the anchor is one quarter of the length of the ship, which corresponds with a speed of
1-1.5 knots at the moment the anchor is dropped. This means that the threat in danger
miles for hooking the pipeline follows from the number of crossings of the pipeline times
0.25 L
ship
for a pipeline on the seabed.


Rapport Nr. 24114.620/3B Bijlage B





The number of passages can be calculated straight forward from the crossings of the
pipeline with traffic links for the route committed traffic.
However, this is not the case for the non route committed traffic because the number of
pipeline crossings has to be assessed from a density and the assumption that all sailing
directions are equally likely. The approach presented in Appendix A of [1] can be applied
here.



The calculation starts with assessing the number of anchoring where the anchor first hits
the ground in an danger area that stretches 1/4L
ship
on both sides of the pipeline. This
1/4L
ship
is applied on 70% of the ships. For 30% of the ships 2/3 of this length (=1/6
L
ship)
is used for the new anchor types with higher holding craft. However, in contrary
with the model where an object sinks on the pipeline, not all ships in this danger area
really threat the pipeline. Only the ships with a course within a certain course sector will
threat the pipeline, particularly if the anchoring manoeuvre starts at the outer parts of the
danger area. Ships with other courses can anchor within the danger area without
hooking the pipeline. The range of courses, for which the line of the pipeline is reached
during the anchoring manoeuvre, depends on the distance x to the pipeline. Based on
the uniform distribution of all courses, the reduction factor for the threat on distance x of
the pipeline is 2/2, thus the threat to the pipeline is:

ship
L
x
x d
x
x d x hooking threat
25 . 0
arccos
) (
) (
) ( ) ( _ = =

in which
d(x) density on distance x from the pipeline, which is assumed to be constant in the
neighbourhood of the pipeline
(x) the maximum angle for which the pipeline can be reached during anchoring from
a position at a distance of x from the pipeline (see figure 3)
x
1/4L
ship


width of danger area
pipeline
Figure 3 Danger area for hooking the pipeline
Rapport Nr. 24114.620/3B Bijlage B







dx
L
x
d hooking threat
ship
L
ship

=
25 . 0
0
25 . 0
arccos
_



or
d
L
L
x
L
x
L
x
L
d hooking threat
ship
L
ship ship ship
ship
ship

25 . 0
25 . 0
1
25 . 0
arccos
25 . 0
25 . 0
_
25 , 0
0
2
=

=



Based on this result the total number of hooking per year can be expressed by:

) , ( 8760 ) , ( ) (
1852
) , ( 25 . 0
2
j i v j i FR k L
j i L
d hookings Pipeline
harm
k i j
pipe
ship
ijk
=



Herein is:
i the type of the ship
j the size of the ship
k the grid cells through which the pipeline runs
L
pipeline
the length of pipeline (in nm) in grid cell k
d
ijk
the density of ships(ships per nm
2
) of type i and size j in grid cell k
v
harm
(i,j) the harmonic mean of the velocity of ship type i size j (knots)
FR(i,j) the event rate per nautical mile for ship type i size j


Model for stranding on a pipeline
For this event the stranding/grounding model already available in SAMSON can be
used. Two causes of stranding and grounding are revealed during accident analyses:
a grounding as a result of a navigational error,
a grounding as a result of a mechanical failure of the engine or steering engines.

The first type is due to a human failure in the vicinity of a beach or shallow water that
cannot be rectified or is remarked after the point of no return. In some cases the forces
of nature are too large to be compensated with the on board power. In these cases
stranding will occur if the navigator made the mistake to be too close to a beach or
shallows where the ship has insufficient means to deal with such a situation.
The second type is the result of a propulsion failure of the ship near a beach or a
shallow. Both accident types have a common characteristic: the ships are close to a
beach or coastline or to a shallow.

These two models are used to assess the probability of a stranding on a pipeline. It is
assumed that the pipeline runs perpendicular to the coastline. This means that for each
ship a location can be assigned where the ship will ground on the pipeline. The critical
stranding location for the pipeline has the dimension of the pipeline diameter and the
location depends on the operational draught of the ship.

Rapport Nr. 24114.620/3B Bijlage B





The stranding possibility on a pipeline parallel on the coast is more difficult to assess,
because many ships will ground before or after the pipeline is passed. Only the ships
with a draught about equal to the water depth above the pipeline may ground on the
pipeline. The original stranding model in SAMSON assumes that the ship will strand
somewhere, thus without any filtering. For a pipeline nearly all ships will be filtered out.
In order to perform such an assessment a lot of detailed information is required.


Ship characteristics and event rates

The threats to the pipelines can be assessed with the models from 3.2. In table 1 a
survey is given of the values of the parameters.


Threat to pipeline L
object
B
object
Event rate
Required for
consequence
assessment
a ship founders on the pipeline L
ship
B
ship
foundering rate (SAMSON) displacement of ship
a ship sinks on the pipeline after
being involved in a collision
L
ship
B
ship

calculated with collision
models and consequence
models of SAMSON
displacement of ship
a container falls on pipeline 20 feet 8 feet reference [1] weight container
deck cargo falls overboard on
pipeline
0.025*L
ship
0.025*B
ship
reference [2] weight deck cargo
an anchor dropped by a ship
above the pipeline
L
anchor
B
anchor
anchor frequency weight of anchor
an anchor dropped by a ship
just before passing the pipeline
and next hooks the pipeline
before the ship is stopped
0.25 L
ship
(70%)
0.17 L
ship
(30%)
0 anchor frequency
kinetic energy in ship and
depth of anchor in bottom
a ship strands on the pipeline L
ship
B
ship

stranding model of
SAMSON
displacement of ship

Table 1 Survey of the most important variables for the risk assessment for pipelines


Table 1 also contains a column with the sources of the event rates. Several of the
required event rates are available in SAMSON. Others are estimated. The event rates
and the output generated for the consequence assessment are described in more detail
below for the various threats.

A ship founders on the pipeline
The basic event rates for collision, stranding and foundering are assessed in an
extensive study of the relation between accidents and exposures, see [3]. Small ships
will founder more often than large ships, thus most ships in this category are small. The
consequences for the pipeline depend on the size of the ship. Therefore the probability
is assessed for a number of ship weight classes. The class limits are 300, 1000, 2000,
5000, 15000, 30000, 60000, 100000, 750000 tonne.

A ship sinks on the pipeline after being involved in a collision
The basic event rates for collision, stranding and foundering are assessed in an
extensive study to the relation between accidents and exposures, see [3]. CALMOD
contains a model that describes the consequences after a collision in terms of outflow.
Rapport Nr. 24114.620/3B Bijlage B





In this model a percentage is derived (from historical casualty data) that the ship will sink
after a collision. This percentage is used to assess the sinking rate after a collision.
Based on the assumption that the collision risk is equally distributed over the sailed
miles
1
, the probability of a sinking ship per nautical mile is assessed. These probabilities
are the event rates for the threat that a ship sinks on a pipeline after a collision.
The consequences for the pipeline depend on the size of the ship. Therefore the
probability is assessed for a number of ship weight classes (same classes as for
foundering).

A container falls overboard and sinks on a pipeline
This event was not modelled in SAMSON. The event rate is based on the report
"Overboord Containers" [4]. The appendix of this report contains an indication of 4.5
incidents per year where containers were lost from container and feeder ships and two
incidents where containers were lost from general cargo ships. On average five
containers are lost per incident. These figures are related with the traffic of 1995. Based
on the number of ship miles per ship type and size and the container capacity per ship
type and size the probability (event rate) of a container overboard is calculated.
This event rate is also applied to the traffic database of 2000. Due to the growth of the
container flow, CALMOD will assess more containers overboard than in 1995. This does
not comply with the present feeling of the authorities, because they think that the event
rate is decreased by a number of measures. However, recently no research is
performed to the present level of containers overboard, so the previous incident rate
was applied.
The SAMSON model assumes a 20 foot container.

Deck cargo falls overboard and sinks on a pipeline
The deck cargo that falls overboard often consists of drums or small containers.
Sometimes locomotives, yachts, heavy parts of machinery, cranes and heavy metals are
transported as deck cargo.
In [2] it was assumed that the dimensions of these objects were 0.025 of the length and
0.025 of the beam of the ship. The event rate for this type of event is taken from [2].
No further data concerning the weights and shapes of the objects could be delivered for
the consequence calculations.

Evolution in anchor dropping analyses
The dimensions and weights of the anchors and shackles of the anchor chain are taken
from [2]. These values were based on methods used by a company specialised in the
design and sale of offshore anchors. The weights of the anchors for the different type
and size classes from [2] are in line with the weight of the anchors mentioned in [1], thus
no changes were made.
The event rate, which means the probability that the anchor is dropped per nautical mile
is much more difficult to estimate. Different methods have been applied.
In [2] the event rate was based on the probability on an engine failure longer than
two hours.
In [1] the frequency is based on the number of ships at anchor, based on the
number of ships at anchor mentioned in report [3].


1
This assumption is certainly not true. In CALMOD the number of collisions is related to the
number of encounters and these are not equally distributed over the miles sailed. However,
for the threat to the pipeline of this category it is a good first approach.
Rapport Nr. 24114.620/3B Bijlage B





The first method seems the best approach, but the engine failure rate longer than two
hours is not known very precisely. The second method is not very accurate, because
most of the ships at anchor were located in the anchorage areas, which are not located
above pipelines. Besides it was not clear how the number of ships at anchor was
translated to a number of anchor manoeuvres.

The first calculations for pipelines were made with method [2]. Based on this method the
number of ships at anchor outside the anchorage areas caused by an engine error was
assessed. This number of expected ships at anchor is compared with the number of
ships at anchor observed during VONOVI-flights
2
outside the anchorage areas in 1999-
2001. There was a large gap between these values. Therefore the number of anchor
manoeuvres based on the engine failure rate is multiplied with a factor based on these
VONOVI-flights.

A next large improvement could be made because of the availability of AIS data. Both
the anchoring behaviour of vessels in the North Sea and of vessels in restricted
waterways have been studied.
For the BBL pipeline, the anchoring behaviour of vessels in the North Sea has been
studied based on AIS data of 2008 and 2009 [5]. First, the frequency has been
determined of vessels that anchor because of an emergency. The next step for ships
travelling in the traffic separation scheme, was to check the location of anchoring with
respect to the scheme; between the lanes, in a lane, or just outside. By checking
incidents logs of the Dutch Coastguard it was determined how often captains choose the
anchoring location themselves. For these situations, an estimation was made how often
the anchoring was erroneous, which means that the location was not checked, which
might for example result in a ship that anchors in the area of a pipeline. Based on the
AIS study and after consulting a captain, the percentage of vessels that anchor without a
position check is set at 5%.
For a gas pipeline in the Ems River, the anchoring behaviour in restricted waterways
has been studied [6]. The frequency of emergency anchoring has been determined
based on AIS data of 2005 to 2010. A distinction was made between vessels that
anchor inside and outside the main waterway.
The frequency of emergency anchoring found in restricted waterways was of the same
order of magnitude as for emergency anchoring at sea
The consequences for the pipeline depend on the size of the ship. Therefore the
probability is assessed for a number of anchor weight classes and also for weight
classes for the anchor with five shackles. The class limits for the anchor weight are 0,
2000, 4000, 6000, 8000, 10000, 15000, 25000 and 30000 kg. The class limits for the
anchor weight with 5 shackles are 0, 3000, 6000, 10000, 15000, 20000, 30000, 40000,
50000, 60000 and 75000 kg.

An anchor hooking a pipeline during the stopping process
The anchoring event rate, which means a risky anchoring manoeuvre per ship mile, is
the same as for dropping the anchor. Thus this event rate applied to the hooking model
results in the number of hooking per year.
For the assessment of the consequences of the hooking the following data is required:


2
VONOVI (Verkeers Onderzoek NOordzee Visuele Identificatie) is a traffic survey of the North Sea.
The traffic is observed and counted from aeroplanes. During the flight the sailing characteristics of
each ship observed are collected. The traffic database of MANS is validated with these observations.
Also ships at anchor or drifting without speed are included. These observations are now use to
estimate the number of anchoring manoeuvres on the North Sea.
Rapport Nr. 24114.620/3B Bijlage B






the energy in the ship movement still available at the moment of anchoring,
depth in the bottom that the anchor grabs.

The energy available in the ship movement when anchoring:
The length of the trajectory from the moment the anchor reaches the bottom and the
ship is stopped is assumed to be 0.25 ship length. This distance is enough to stop the
vessel that has a speed of 1 to 1.5 knots. The drag-resistance coefficient is 4. The
energy for stopping the ship can be assessed. The energy of hooking depends on when
the pipeline is hooked during the anchor manoeuvre. Is the pipeline hooked just after the
anchor is dropped, thus with the highest possible energy still available in the ship
movement, or is the pipeline hooked just before the ship is stopped, thus with very less
energy still available in the ship movement. Based on this moment of hooking a
distribution over the possible energy values is assessed. The frequencies are given in
the energy classes with class limits 0, 100, 300, 1000, 3000, 10000, 30000, 100000 and
300000 kJ classes.
It is assumed in the energy calculations that the pipeline is hooked perpendicular, which
results in a little overestimating.

The depth in the bottom that the anchor grabs:
The depth an anchor will grab into the bottom depends on the type of anchor and the
structure of the soil. In [2] the grabbing depth for hard sand is estimated based on the
anchor sizes. These models are used to divide the frequencies of hooking divided over
the different grabbing depths. The grabbing depth class limits, are 0.25, 0.50, 0.75, 1.00,
1.25, 1.50, 1.75, 2.0, 2.25, 2.0 and 2.75 m for the patent anchors.
In order to apply the same model for larger depths as for high holding anchors the
grabbing depth class had to be doubled. The relationship between the penetration depth
of the anchor and the burial depth of the pipeline determines whether the hooking will
occur or not.

A ship strands on the pipeline
The event rates and models of SAMSON, described in [3] could be used.
The consequences for the pipeline depend on the size of the ship. Therefore the
probability is assessed for a number of ship weight classes (same classes as for
foundering).

Number of crossings of fishing vessels while fishing
Within the traffic database the movements of fishing vessels are divided in two
categories, the first category contains the fishing vessels during their journey from the
port to the fishing ground and vice versa, the second group contains the fishing vessels
while fishing. This distinction is made based on the fact that the speed of the vessel
while fishing is much lower than the speed on journey.
The number of crossings per year is assessed for only the category fishing vessels
while fishing, because this number is used for the threat to a pipeline through a fishing
net or other fishing tools. For all other threats of the pipelines all fishing vessels are
included.


Rapport Nr. 24114.620/3B Bijlage B





REFERENCES OF BIJLAGE B

[1] W.H.G. Klomp
Veiligheidsanalyse voor zeeleidingen
Waterloopkundig Laboratorium, November 1995.

[2] C.C. Glansdorp, C. van der Tak
Marine Traffic Related Threats to Europipe
Inshore alternatives in EMS and J ade
Marine Analytics BV, September 1991.
Report prepared for STATOIL

[3] C. van der Tak, C.C. Glansdorp
Ongevalskansmodellering
MSCN, OV073 November 1995.

[4] S. Hassing, F.L.A. Bloot
Project " Overboord Containers"
Rijswijk, J anuari 1995

[5] C. van der Tak, W.H. van Iperen
Update Marine Hazard Study for the BBL Pipeline
MARIN, 24052.620, J une 29, 2010

[6] A. Cotteleer, C. van der Tak
Marine Hazard Study for the Pipeline Rysum C.S. Spijk
August 27, 2010

Tebodin Netherlands B.V.

Laan van Nieuw Oost-Indi 25 2593 BJ Den Haag
Postbus 16029 2500 BA Den Haag
Telefoon 070 348 09 11 Fax 070 348 05 14
denhaag@tebodin.nl www.tebodin.com www.tebodin.nl








Ordernummer: T41759.00
Documentnummer: 3413184
Opdrachtgever: Haskoning Nederland B.V.
Project: ROAD
Revisie: 4

Auteur: J.S.P. Dijkshoorn, F.J.H. Kaman
Telefoon: 070 - 348 0911
Telefax: 070 - 348 0591
E-mail: j.dijkshoorn@tebodin.nl


Datum: 22 juni 2011






QRA CO2 transport
ROAD








Tebodin Netherlands B.V.

Ordernummer: T41759.00
Documentnummer: 3413184
Revisie: 4
Datum: 22 juni 2011
Pagina: 2 van 53







QRA CO2 transport ROAD


4 22-06-2011 Onderboring vaargeul aangepast J.S.P. Dijkshoorn F. Kaman
3 17-05-2011 I&M commentaren verwerkt J.S.P. Dijkshoorn F. Kaman
2 04-04-2011 Definitief J.S.P. Dijkshoorn F. Kaman
1 28-02-2011 Final Review J.S.P. Dijkshoorn F. Kaman
0 25-01-2011 Voor commentaar J.S.P. Dijkshoorn F. Kaman
Wijz. Datum Omschrijving Opsteller Gecontroleerd
Copyright Tebodin

Alle rechten voorbehouden. Niets uit deze uitgave mag worden verveelvoudigd en/of openbaar gemaakt worden door middel van druk,
fotokopie of op welke andere wijze ook zonder uitdrukkelijke toestemming van de uitgever.



Tebodin Netherlands B.V.

Ordernummer: T41759.00
Documentnummer: 3413184
Revisie: 4
Datum: 22 juni 2011
Pagina: 3 van 53







QRA CO2 transport ROAD

1 Samenvatting 5
2 Inleiding tot het project 6
3 Wettelijk kader 7
4 Uitgangspunten 8
4.1 Varianten 8
4.2 Probit 8
4.2.1 Achtergrond 8
4.2.2 Toegepaste probitrelatie 9
4.3 Rekenmethodiek 11
4.3.1 Windstilte 11
4.3.1.1 Lage druk scenario 13
4.3.1.2 Secundaire lage snelheid scenario 13
4.4 Vrijkomen CO
2
onderwater 13
4.5 Modellering van het vrijkomen van dense phase CO
2
14
4.5.1 Rekenmethodiek 15
5 Methode 17
5.1 Het beschouwde insluitsysteem 17
5.2 Modellering 20
5.2.1 Generieke data 20
5.3 Faalscenarios 20
5.3.1 Onshore 20
5.3.2 Offshore 22
5.3.2.1 Faalkansen OGP methodiek 22
5.3.2.2 Faalkansen overige leidingen methodiek 23
5.3.3 Leidingsegmenten 24
5.3.4 Uitstroomsnelheid 25
5.3.5 Riser 26
5.3.5.1 Faalkans 27
5.3.5.2 Scenarios 27
5.4 Externe invloeden 28
5.4.1 Windturbines 28
5.4.1.1 Bestaande windturbines 28
5.4.1.2 Niet gerealiseerde maar planologisch mogelijke windturbines 28
5.4.2 Parallele ligging van leidingen 30
5.4.3 Vliegroutes 31
5.4.4 Scheepvaart 31
5.5 Modelparameters 31
5.5.1 Ruwheidslengte 32
5.5.2 Ontstekingsbronnen 32
Inhoudsopgave Pagina



Tebodin Netherlands B.V.

Ordernummer: T41759.00
Documentnummer: 3413184
Revisie: 4
Datum: 22 juni 2011
Pagina: 4 van 53







QRA CO2 transport ROAD
5.5.3 Populatiedata 32
5.5.3.1 Mogelijk toekomstige brandweerkazerne 32
6 Resultaten 33
6.1 Plaatsgebonden risico 33
6.1.1 Plaatsgebonden risico OGP Methodiek 33
6.1.2 Plaatsgebonden risico overige leidingen methodiek 36
6.2 Groepsrisico 39
6.2.1 Faalkansen OGP methodiek 39
6.2.2 Faalkansen overige leidingen methodiek 40
6.3 Bijdrage van de scenarios aan het risico 41
6.3.1 Plaatsgebonden risico 41
6.3.2 Groepsrisico 41
6.3.2.1 Faalkansen OGP methodiek 41
6.3.2.2 Faalkansen overige leidingen methodiek 42
6.3.2.3 Invloed mogelijke toekomstige ontwikkelingen 42
6.3.3 Maximale effectafstand 42
6.3.3.1 Faalkansen OGP methodiek 42
6.3.3.2 Faalkansen overige leidingen methodiek 46
7 Conclusies 49
Referenties 50
Bijlage 1: Diepteligging leiding over zee 52
Bijlage 2 : Buisleiding geprojecteerd op (toekomstige) bestemmingsplannen en
voorbereidingsbesluit 53




Tebodin Netherlands B.V.

Ordernummer: T41759.00
Documentnummer: 3413184
Revisie: 4
Datum: 22 juni 2011
Pagina: 5 van 53







QRA CO2 transport ROAD
1 Samenvatting
In opdracht van Royal Haskoning is een risicoanalyse uitgevoerd voor het ROAD project. Dit
project behelst het afvangen, transporteren en opslaan van CO
2
. Dit rapport gaat in op de
risicoanalyse rondom het CO
2
transport, vanaf het moment dat de CO
2
in de buisleiding
ondergronds gaat tot en met de riser (aansluiting) op het platform. Voor de afvanginstallatie en
voor het platform zijn separate risico analyses opgesteld.

De Nederlandse wetgeving stelt nog geen eisen aan de externe veiligheid van een CO
2

transportleiding. Het is echter reeds aangekondigd dat de wetgeving in de toekomst zodanig
aangepast gaat worden dat er wel eisen aan CO
2
transport worden gesteld. Daarom is het risico
van de transportleiding over land berekend conform de Handleiding Risicoberekeningen
Buisleidingen en worden de resultaten van de berekening getoetst aan de eisen zoals
beschreven in het Besluit Externe Veiligheid Buisleidingen. Daar waar nog geen zekerheid
bestaat met betrekking tot toekomstige regelgeving of de rekenmethodiek voor kwantitatieve
risicoanalyses is uitgegaan van conservatieve uitgangspunten en aannames om deze
onzekerheden te mitigeren.

Uit de berekeningen en analyses kan het volgende worden geconcludeerd:

- De in deze risicoanalyse toegepaste faalkans voor de buisleiding is conservatief en zal
daarom niet resulteren in een onderschatting van de risicos.

- Het groepsrisico voor het hoge en lage druk scenario wordt veroorzaakt door het falen
van de leiding in de Yangtzehaven. Het groepsrisico blijft onder de orinterende waarde
zoals gespecificeerd in het BevB. Dit is ook het geval wanneer mogelijke toekomstige
ontwikkelingen worden meegenomen.

- De gehanteerde probitrelatie zal niet leiden tot een onderschatting van de risicos van de
transportleiding. Daarnaast adresseert de in deze risicoanalyse gebruikte
rekenmethodiek de specifieke eigenschappen van CO
2
. Deze rekenmethodiek zal
daarom niet resulteren in een onderschatting van de risicos van de transportleiding.



Tebodin Netherlands B.V.

Ordernummer: T41759.00
Documentnummer: 3413184
Revisie: 4
Datum: 22 juni 2011
Pagina: 6 van 53







QRA CO2 transport ROAD

2 Inleiding tot het project
Dit rapport is geschreven in het kader van het MER en de vergunningaanvragen voor het ROAD-
project. Dit project behelst het afvangen, transporteren en opslaan van CO
2
. Dit rapport gaat in
op de risicoanalyse rondom het CO2-transport, zowel offshore als onshore, vanaf het moment
dat de buisleiding ondergronds gaat. In separate rapporten zijn risicoanalyses voor de
afvanginstallatie en voor het platform beschreven.

De ondergrondse buisleiding is getoetst aan de huidige regelgeving en toekomstige regelgeving.
Daar waar nog geen zekerheid bestaat met betrekking tot toekomstige regelgeving of de
rekenmethodiek voor kwantitatieve risicoanalyses is uitgegaan van conservatieve uitgangspunten
en aannames om deze onzekerheden te mitigeren.

De risicoanalyse is uitgevoerd met SafetiNL conform de richtlijnen voor risicoanalyses. De
bedrijfscondities van de buisleiding zijn gebaseerd op de ontwerp informatie zoals ontvangen
vanuit het ROAD project.

De opbouw van het rapport is als volgt:

Hoofdstuk 2 : Beschrijving van het wettelijke kader
Hoofdstuk 3 : Definitie van de uitgangspunten
Hoofdstuk 4 : Beschrijving van de gebruikte rekenmethodiek
Hoofdstuk 5 : Beschrijft de resultaten in de vorm van het plaatsgebonden risico en het
groepsrisico
Hoofdstuk 6 : De conclusies



Tebodin Netherlands B.V.

Ordernummer: T41759.00
Documentnummer: 3413184
Revisie: 4
Datum: 22 juni 2011
Pagina: 7 van 53







QRA CO2 transport ROAD
3 Wettelijk kader
Op 1 januari 2011 zijn het Besluit Externe Veiligheid Buisleidingen (Bevb) [1] en de bijbehorende
Regeling Externe Veiligheid Buisleidingen (Revb) [2] in werking getreden. Hierin wordt de
veiligheid van personen in de nabijheid van ondergrondse transportleidingen geregeld.

In het Bevb wordt beschreven dat het besluit van toepassing is op het vervoer van stoffen door
buisleidingen die behoren tot een in het Revb aangewezen categorie. Ook wordt beschreven dat
het besluit niet van toepassing is op leidingen in de territoriale zee van Nederland.

In het Revb worden alleen transportleidingen ten behoeve van het transport van aardgas of
aardolieproducten aangewezen. Derhalve is het Bevb tot op heden niet van toepassing op de
CO
2
transportleiding.
In de toekomst zullen leidingen voor het transport van overige gevaarlijke stoffen (over land) wel
worden opgenomen in het Revb waardoor de eisen uit het Bevb tevens op deze leidingen van
toepassing zullen zijn. Daarom is ervoor gekozen om de berekende risicos van de
transportleiding over land te toetsen aan de eisen uit het Bevb.

Offshore buisleidingen zijn niet opgenomen in regelgeving met betrekking tot externe veiligheid.
De veiligheid van deze buisleidingen wordt normaal alleen getoetst aan industrie-eigen
veiligheidseisen in relatie tot de veiligheid van werknemers werkzaam offshore.
De risicos van de ondergrondse buisleidingen onshore zijn berekend in overeenstemming met
de concept rekenmethodiek overige leidingen[4] welke is gebaseerd op de casustiek van
onshore buisleidingen welke in gebruik zijn voor het transport van niet aardolie en gas producten.
Voor de offshore leidingdelen kunnen we gebruik maken van de door de Association of Oil and
Gas Producers (OGP) bepaalde rekenmethodiek, welke gebruik maakt van de casustiek van
offshore leidingen met als bron de PARLOC database. Daarnaast kunnen we procedureel
aansluiten bij de eigenlijk voor onshore bedoelde rekenmethodiek voor overige buisleidingen. In
deze risicoanalyse zijn beide opties naast elkaar gezet.





Tebodin Netherlands B.V.

Ordernummer: T41759.00
Documentnummer: 3413184
Revisie: 4
Datum: 22 juni 2011
Pagina: 8 van 53







QRA CO2 transport ROAD
4 Uitgangspunten
In dit hoofdstuk worden de uitgangspunten van de QRA beschreven.

4.1 Varianten
Het plaatsgebonden risico wordt berekend voor het hoge druk en het lage druk scenario.

Het hoge druk scenario geeft het risico tijdens operatie van de leiding weer. De druk in de leiding
is dan 128 barg en de temperatuur van het CO
2
bedraagt 60 C. Na het (tijdelijk) uit bedrijf gaan
van de leiding kan de druk dalen tot 74 barg en een temperatuur tot 4 C.

Behalve deze twee varianten zijn na discussies met vertegenwoordigers van het Ministerie van
Infrastructuur en Milieu berekeningen uitgevoerd met verschillende faalkansen. Voor de eerste
berekening is er uitgegaan van de faalkansen voor zeeleidingen zoals gedefinieerd in de in de
richtlijnen van de International Association of Oil & Gas Producers (OGP) [6], welke zijn
gebaseerd op casuistiek voor buisleidingen offshore. Voor de tweede berekening is er uitgegaan
van de faalkansen zoals die in de conceptmethodiek overige leidingen worden beschreven welke
is gebaseerd op casuistiek van onshore leidingen [4].

4.2 Probit
4.2.1 Achtergrond
Om de gevolgen van blootstelling aan gevaarlijke stoffen te berekenen wordt er gebruik gemaakt
van een probitrelatie. De probitrelatie maakt het mogelijk om de letale effecten van een stof te
berekenen door gebruik te maken van een drietal stofspecifieke constanten, de blootstellingsduur
en concentratie waaraan iemand is blootgesteld. De generieke probitrelatie wordt weergegeven
in Formule 1.


Waarin:
Pr = Probitgetal
a, b en n = stofspecifieke constanten
c = concentratie (mg/m3)
t = tijd (min)
Formule 1: Generieke probitfunctie

De stofspecifieke constanten worden vastgesteld conform Deel 4 van de PGS1 [13]. Daarna
wordt de probitrelatie getoetst door de wetenschappelijke toetsingscommissie probitrelaties. De
probitrelaties die door de toetsingscommissie zijn geaccepteerd krijgen de status interim waarna
het ministerie van Infrastructuur en Milieu de probitrelatie uiteindelijk vaststelt.

De Toetsingscommissie heeft tot op heden nog geen interim probitrelatie vastgesteld daar er
naar hun inzicht nog essentile omissies zijn in de daarvoor benodigde kennis en informatie.




Tebodin Netherlands B.V.

Ordernummer: T41759.00
Documentnummer: 3413184
Revisie: 4
Datum: 22 juni 2011
Pagina: 9 van 53







QRA CO2 transport ROAD
Daarom is ten behoeve van het eerdere CO
2
-opslag project te Barendrecht door Tebodin een
probitrelatie vastgesteld. De probitrelatie is vastgesteld in lijn met bijlage 3 van de PGS1 op de op
basis van literatuuronderzoek [18]. Deze probitrelatie is op verzoek van DCMR beoordeeld door
het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieubeheer (RIVM), Centrum Externe Veiligheid. Zij
hebben geconcludeerd dat de gedefinieerde probitrelatie niet leidt tot een onderschatting van de
risicos [16] en uitgaat van conservatievere startwaarden dan de door RIVM voorgestelde
concentratiegrenzen

4.2.2 Toegepaste probitrelatie
De toegepaste probitrelatie is gebaseerd op de literatuurstudie naar de relatie tussen blootstelling
aan CO
2
en de letale gevolgen. Hierbij is als uitgangspunt genomen dat de in deze studie
gebruikte aannames niet mogen leiden tot een onderschatting van de risicos.
De toegepaste probitrelatie wordt weergegeven in Formule 2.


Formule 2: Probitrelatie voor CO2


Een grafische weergave van deze probitrelatie is te vinden in Figuur 1. In deze figuur zijn tevens
de door TNO [19] en de Engelse Health and Safety Executive [20] gedefinieerde probitrelaties
weergegeven en blijkt dat de in deze risicoanalyse gebruikte probit relatie het meest conservatief
is. De Health and Safety Executive is de onafhankelijke autoriteit op het gebied industrile
veiligheid in het Verenigd Koninkrijk.



Tebodin Netherlands B.V.

Ordernummer: T41759.00
Documentnummer: 3413184
Revisie: 4
Datum: 22 juni 2011
Pagina: 10 van 53







QRA CO2 transport ROAD



Figuur 1 : Probit relatie CO2 (30 minuten)


Dit verschil is bij een korte blootstellingsduur van 1 minuut, zoals weergegeven in Figuur 2, nog
duidelijker. De gebruikte probit relatie zal dus nooit tot een onderschatting van de risicos leiden.




Tebodin Netherlands B.V.

Ordernummer: T41759.00
Documentnummer: 3413184
Revisie: 4
Datum: 22 juni 2011
Pagina: 11 van 53







QRA CO2 transport ROAD


Figuur 2: Probit relatie CO2 (1 minuut)


4.3 Rekenmethodiek
Voor het berekenen van de externe risicos van de CO
2
afvanginstallatie is gebruik gemaakt van
Safeti-NL. Dit model wordt gebruikt onder licentie van het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en
Milieubeheer en wordt ontwikkeld door DNV Software. De actuele versie is versie 6.54.

4.3.1 Windstilte
CO
2
is als puur gas zwaarder dan lucht. Daarom wordt in discussies over externe veiligheid veel
aandacht besteed aan de mogelijkheid dat bij een lekkage CO
2
zich als een zware wolk zou
kunnen verspreiden. Hierbij wordt ten onrechte aangenomen dat de verdunning van ontsnapt
CO
2
uit de installatie vooral wordt gerealiseerd door wind en dat een dergelijk scenario in het
bijzonder zal optreden tijdens periodes van windstilte.

In werkelijkheid wordt de verdunning van CO
2
dat ontsnapt uit een onder druk staand systeem
gerealiseerd door de optredende gasstroom (jet) zelf (zie Figuur 3). Wind heeft slechts een
minimale invloed op de verdunning bij de bron. Door de snel uitstromende gasstroom treedt
zoveel turbulentie op dat deze turbulentie direct zorgdraagt voor verdunning van het CO
2
met de
omgevingslucht naar veilige concentraties en naar concentraties waarbij het zich niet meer



Tebodin Netherlands B.V.

Ordernummer: T41759.00
Documentnummer: 3413184
Revisie: 4
Datum: 22 juni 2011
Pagina: 12 van 53







QRA CO2 transport ROAD
gedraagt als een zwaar gas. De zichtbare witte pluim wordt daarbij veroorzaakt door condensatie
van waterdamp.
Testen door Denbury Oil and Gas met het afblazen van CO
2
in windstille condities onderschrijven
dit. In absoluut windstille condities kwam de concentratie nooit boven letale concentraties (niet
boven de 3%) direct naast de CO
2
bron [21].


Figuur 3 : CO2 dispersie test Denbury resources

Dispersie berekeningsprogrammas zijn niet in staat berekeningen uit te voeren onder windstille
condities. Bij Safeti-NL is dat beperkt tot windsnelheden beneden de 1,5 m/s. De windcondities
zijn bij de E.ON centrale 98,5% van de tijd boven deze waarde, gebaseerd op de KNMI
weersgegevens van meetstation Hoek van Holland over de jaren 1962 tot en met 2006. Periodes
van windstilte komen op deze locatie minder dan 0.8% van de tijd voor.

Deze beperking in de berekeningsmethodiek is echter niet specifiek voor CO
2
. Dit geldt in het
algemeen voor dispersieberekeningen welke worden uitgevoerd in risicoanalyses.
CO
2
in zwaar gas condities ondervindt juist bij windstille condities ook dispersie ten gevolge van
de zwaartekracht. In het geval dat CO
2
vanuit een bijna drukloos systeem zou ontsnappen en
zich daardoor als een zwaar gas zou gedragen, dan zal deze wolk uit blijven zakken en zich
verspreiden als een steeds dunner wordende laag op vlakke ondergrond. CO
2
gedraagt zich
daarbij zeer voorspelbaar. Risicovolle concentraties op 1 meter hoogte zullen dan uiteindelijk
alleen te vinden zijn in depressies in het landschap.



Tebodin Netherlands B.V.

Ordernummer: T41759.00
Documentnummer: 3413184
Revisie: 4
Datum: 22 juni 2011
Pagina: 13 van 53







QRA CO2 transport ROAD

Het CO
2
in de installatie staat altijd onder druk waardoor een ongehinderde uitstroming te allen
tijde als jet dispersie plaats zal vinden.

In deze risicoanalyse is daarom specifieke aandacht besteed aan:
1. Scenarios waarbij CO
2
bij lage druk vrij zou kunnen komen, en zich door dan door gebrek
aan initile vermenging zwaar zou kunnen gedragen.
2. Scenarios waarbij CO
2
onder hoge druk vrijkomt in een ruimte welke ten gevolge van de
drukgolf niet zal bezwijken. Hierdoor zal de lucht in deze ruimte snel worden verdrongen en
zal het CO
2
vervolgens vanuit een dergelijke ruimte met lage snelheid in de omgeving
kunnen terechtkomen.
3. Scenarios waarbij CO
2
vrijkomt onder het zeeoppervlak en de uitstromingssnelheid van de
CO
2
door het water wordt gereduceerd.

4.3.1.1 Lage druk scenario
De systemen onder lage druk zijn als zodanig gemodelleerd. Leidingbreuk scenarios leidingen
met een grote lengte en hoge druk worden daarom gemodelleerd in vijf segmenten, waardoor
ook het lage drukscenario aan het einde van het afblazen van de leiding wordt meegenomen. In
de afvanginstallatie is een dergelijke leiding niet aanwezig.

4.3.1.2 Secundaire lage snelheid scenario
De buisleiding wordt zal niet door civiele constructies zoals leidingtunnels worden aangelegd. Het
secundaire lage snelheid scenario is daarom niet van toepassing. De kunstwerken ten behoeve
van het kruisen van leidingen en transportwegen bestaan uit specifiek ontworpen
buisleidingconstructies welke niet zullen resulteren in een secundaire lage snelheid.

4.4 Vrijkomen CO
2
onderwater
Indien het CO
2
vrijkomt onderwater, dan zal zich een zogenaamde bubble plume vormen (zie
Figuur 4). Deze bubble plume zal de uitstromingssnelheid van het CO
2
reduceren en voorkomen
dat er jetdispersie optreed. Op basis van de richtlijnen van de International Association of Oil
and Gas Producers (OGP) [9] voor het uitvoeren van risicoanalyses en het onderzoek van
Petroleumtilsynet [8] voor Norpipe is in deze risicoanalyse uitgegaan van een doorsnede aan de
wateroppervlakte van de bubble plume van 30% van de leidingdiepte.
De OGP richtlijn geeft 20% aan als bubble plume diameter voor gaslekken onderwater. Omdat bij
CO
2
echter lage uitstromingssnelheiden in een groter effect resulteren, is besloten een
conservatieve diameter van 30% te hanteren gebaseerd op een analyse van het onderzoek van
Petroleumtilsynet.

Met de berekende uitstromingshoeveelheid en deze diameter is vervolgens de verticale
uitstromingssnelheid bepaald van het CO
2
aan het wateroppervlak. De dichtheid van CO
2
welke
hiervoor is gebruikt is bepaald op basis van de zeewatertemperatuur. Er is aangenomen dat het
CO
2
de temperatuur aanneemt van het zeewater.
Daarnaast kan een klein gedeelte van het CO
2
(circa 0,5%) in het water oplossen. Dit
mitigerende effect is niet relevant voor deze risicoanalyse.



Tebodin Netherlands B.V.

Ordernummer: T41759.00
Documentnummer: 3413184
Revisie: 4
Datum: 22 juni 2011
Pagina: 14 van 53







QRA CO2 transport ROAD














Figuur 4 : Bubble plume


4.5 Modellering van het vrijkomen van dense phase CO
2

CO
2
zal als initieel als gas worden getransporteerd van de afvanginstallatie naar het offshore
platform. Bij toenemende injectiedrukken komt het CO
2
uiteindelijk in het dense phase gebied,
(bij drukken hoger dan 73,15 Bar(a) en een temperatuur hoger dan 31C is het gas dense phase
en zijn er geen faseveranderingen van vloeistof naar gas).

Bij het vrijkomen van dense phase CO
2
door lekkage of volledig falen van de transportleiding zal
een deel van het CO
2
in vaste vorm (droog ijs) vrijkomen. Droog ijs sublimeert bij atmosferische
druk direct naar gas zonder eerst vloeistof te vormen, waarbij warmte vanuit de omgeving moet
worden toegevoerd. In Figuur 5 is in het Mollier diagram van CO
2
aangegeven hoe het CO
2
bij
isentropische omstandigheden expandeert.



Tebodin Netherlands B.V.

Ordernummer: T41759.00
Documentnummer: 3413184
Revisie: 4
Datum: 22 juni 2011
Pagina: 15 van 53







QRA CO2 transport ROAD

Figuur 5: Isentropische expansie van CO2 vanuit pijpleidingcondities

4.5.1 Rekenmethodiek
Er is discussie over de nauwkeurigheid van dispersiemodellen bij CO
2
in dense phase condities.
De parameters van CO
2
zijn in de Safeti software aangepast om dense phase CO
2
condities te
kunnen modelleren.

Door BP zijn in 2008 in samenwerking met DNV testen [22] uitgevoerd op de testlocatie
Spadeadam in het Verenigd Koninkrijk om het gedrag van dense phase CO
2
te onderzoeken en
de dispersie modellen te valideren.
Uit deze dispersietesten bleek onder andere dat:

Het uitregenen van droog ijs op de grond niet optrad. Het ijs wat tijdens de uitstroming
van CO
2
wordt gevormd sublimeert tot gasvormig CO
2
voordat een horizontale jet de
grond raakt. Door de afkoeling welke in de jet optreedt, condenseert wel het water in
omgevingslucht welke door de jet is vermengd. Dit zorgt voor de zichtbare
karakteristieke witte jet.
Het modelleren van dense phase CO
2
als een gas zonder rekening te houden met de
vorming van droog ijs resulteerde in onderschatting van de concentraties dichtbij de bron
en overschatting van de concentraties in het verre veld.

De resultaten van deze testen zijn verwerkt in de laatste release van de PHAST software van
DNV.
Bij een verticale uitstroming (van de modellering van een ondergrondse leiding) wordt geen
uitregenen van vast CO
2
op de grond berekend. De beschreven testresultaten onderschrijven
deze berekende resultaten. Hieruit wordt de conclusie getrokken, dat bij een verticale



Tebodin Netherlands B.V.

Ordernummer: T41759.00
Documentnummer: 3413184
Revisie: 4
Datum: 22 juni 2011
Pagina: 16 van 53







QRA CO2 transport ROAD
ongehinderde uitstroming van CO2 vanuit een ondergrondse leiding het risico op de grond
beperkt blijft tot een klein gebied rond de bron.



Tebodin Netherlands B.V.

Ordernummer: T41759.00
Documentnummer: 3413184
Revisie: 4
Datum: 22 juni 2011
Pagina: 17 van 53







QRA CO2 transport ROAD
5 Methode
In dit hoofdstuk wordt beschreven welke data gebruikt is voor het berekenen van de risicos van
de transportleiding.

5.1 Het beschouwde insluitsysteem
De leiding bestaat uit n insluitsysteem van de afsluiter op de terreingrens van de capturelocatie
tot de afsluiter na de riser van platform P18. De gehele leiding is opgenomen in de
risicoberekening.

De routing van de leiding over land wordt weergegeven in Figuur 6. Hierbij dient te worden
opgemerkt dat bij de aanleg van Maasvlakte 2 de Yangtzehaven zal worden doorgetrokken. Het
doortrekken van de Yangtzehaven is nog niet verwerkt in Figuur 6, maar is in de berekeningen
wel opgenomen. De buisleiding zal met een horizontaal gestuurde boring onder de verlengde
Yangtzehaven worden aangelegd. Deze boring zal een maximale diepte hebben van circa 42
meter en is weergegeven in figuur 8.




Tebodin Netherlands B.V.

Ordernummer: T41759.00
Documentnummer: 3413184
Revisie: 4
Datum: 22 juni 2011
Pagina: 18 van 53







QRA CO2 transport ROAD

Figuur 6: leiding over land

De routing van de leiding over zee wordt weergegeven in Figuur 7.




Tebodin Netherlands B.V.

Ordernummer: T41759.00
Documentnummer: 3413184
Revisie: 4
Datum: 22 juni 2011
Pagina: 19 van 53







QRA CO2 transport ROAD

Figuur 7: Leiding over zeebodem




Tebodin Netherlands B.V.

Ordernummer: T41759.00
Documentnummer: 3413184
Revisie: 4
Datum: 22 juni 2011
Pagina: 20 van 53







QRA CO2 transport ROAD
5.2 Modellering
5.2.1 Generieke data
Voor de berekening is uitgegaan, dat de omstandigheden waaronder het CO
2
zich in de leiding
bevindt niet wijzigen. De parameters van belang voor de risicoberekening worden voor beide
varianten weergegeven in Tabel 1.

Tabel 1: Invoerparameters
Parameter Grootheid Invoer variant 1 Invoer variant 2
Stof -/- CO
2
CO
2

Diameter inch 16 16
Druk barg 128 70
Temperatuur C 60 4
Debiet Ton/jaar 1,1 * 10
6
1,1 * 10
6


De leiding wordt ontworpen conform de NEN3650 [32] met toepassing van DNV recommended
practice J202 [31]. De leiding zal daarnaast gesoleerd worden uitgevoerd om afkoeling van de
CO
2
tijdens transport te voorkomen. Deze isolatie zal worden uitgevoerd conform de pijp in pijp
methode. De diepteligging van de leiding, wanddikte en staalsoort worden in het detailontwerp
vastgelegd.

De NEN 3650 bevat op dit moment geen specifieke eisen voor leidingen voor CO
2
transport.
Momenteel wordt aan een revisie van de norm gewerkt. Deze revisie zal generieke eisen
bevatten betreffende het ontwerp van buisleiding voor CO
2
transport. Deze eisen zullen naar het
zich laat aanzien in lijn zijn met DNV recommended practice.

Het onderhoud van de leiding zal in overeenstemming zijn met geldende richtlijnen voor het
beheer van buisleidingen.

5.3 Faalscenarios
5.3.1 Onshore
De eerste kilometers van de leiding lopen over land. Hiervan ligt het grootste deel in een
leidingstrook van de Gemeente Rotterdam. Ter hoogte van kruisingen van wegen, spoorlijnen en
de toekomstige Yangtzehaven wordt de leiding aangelegd in een kunstwerk [3]. De kruisingen
waar de leiding wordt gelegd in een kunstwerk worden nader beschreven in Tabel 2.




Tebodin Netherlands B.V.

Ordernummer: T41759.00
Documentnummer: 3413184
Revisie: 4
Datum: 22 juni 2011
Pagina: 21 van 53







QRA CO2 transport ROAD
Tabel 2: Kunstwerken in de leiding over land
Te kruisen objecten Inschatting te overbruggen afstand (m)
Spoorweg 16
Australieweg, spoorweg, leidingstrook 17
Kabeltrace KPN <201
Leidingwerk en Europaweg 12
Yangtzehaven 800
Europaweg 10

De bestemmingsplannen Maasvlakte 1981 en Maasvlakte 2 staan de bouw van windturbines in
de omgeving van de leiding toe. Derhalve wordt de faalkans voor de leiding gesommeerd met de
faalkans van een windturbine zoals beschreven in paragraaf 5.4.1.

De faalscenarios welke in deze risicoanalyse zijn gebruikt zijn gebaseerd op de huidige
conceptuele versie van de rekenmethodiek Overige Leidingen [4] voor het onshore deel van de
buisleiding. Deze scenarios en de bijbehorende faalfrequenties zijn momenteel bepaald als
gegeven in Tabel 3.

Tabel 3 : Onshore faalfrequentie buisleidingen
Scenario Faalfrequentie
(km-1 jaar-1)
Faalfrequentie inclusief
windturbine (km-1 jaar-1)
Percentage
Breuk van de leiding 3.7 x 10
-5
9,13 * 10
-7
25
Lek met een effectieve diameter van 10% van
de nominale diameter, maximaal 20mm
1.1 x 10
-4
2,75 * 10
-6
75
Totaal 1.47 x 10
-4
3,65 * 10
-6
100

In 2009 was meer dan 5600 kilometer buisleiding in gebruik voor CO
2
transport in de Verenigde
Staten [26]. Deze buisleidingen variren in diameter tussen 200 en 750 mm en worden gebruikt
om CO
2
in dense phase condities te transporteren van natuurlijke reservoirs naar olievelden voor
het verhogen van de olieproductie. Deze buisleidingen opereren in vergelijkbare proces
omstandigheden als de buisleiding voor het ROAD project.

Op basis van faalgegevens uit de Pipeline Safety database van het het National Response
Centre over de jaren 1986 tot 2008 is de faalkans van CO
2
leidingen bepaald in de risicoanalyse
voor de buisleiding voor het Hydrogen Energy California project [27] . Deze faalkans is bepaald
op 1.69 x 10
-4
per mijl per jaar (1.06 x 10
-4
per km per jaar).

Duncan geeft in zijn statement [28] voor het Subcommittee on Energy and Environment van het
House of Representatives in de Verenigde Staten een faalkans van 1.77 x 10
-4
per km per jaar
gebaseerd voor de casustiek van onshore dense phase CO
2
leidingen in de Verenigde Staten.






Tebodin Netherlands B.V.

Ordernummer: T41759.00
Documentnummer: 3413184
Revisie: 4
Datum: 22 juni 2011
Pagina: 22 van 53







QRA CO2 transport ROAD
Daarnaast zijn in deze risicoanalyse reducerende maatregelen zoals onder andere de ligging in
de buisleidingstrook, diepteligging, wanddikte, bescherming door de isolatiemantel, bescherming
door mantelbuizen etc. niet meegenomen in de bepaling van de faalfrequentie van de buisleiding.
De in deze risicoanalyse gebruikte faalkans zoals deze momenteel is gedefinieerd in de concept
rekenmethodiek overige leidingen is daarom conservatief voor deze buisleiding.

De toekomstige Yangtzehaven wordt gekruist door middel van een horizontaal gestuurde boring.
Deze boring ligt maximaal 45 meter onder NAP. Daarom is deze de kruising met de
Yangtzehaven analoog aan de kruising met de Nieuwe Waterweg gemodelleerd (segment 5).

5.3.2 Offshore
5.3.2.1 Faalkansen OGP methodiek
De faalscenarios en faalkansen van de leiding worden berekend conform de rapporten
Consequence modelling [6] en Riser & pipeline release frequencies [5] van de International
Association of Oil & Gas Producers (OGP).

De faalkans van transportleidingen over zee, met een diameter kleiner dan 24 inch, zoals
beschreven in het rapport Riser & pipeline release frequencies van het OGP is 5,1 * 10-5 per km
per jaar. De volgende scenarios zijn in overeenstemming met deze rekenmethodiek
meegenomen in de modellering.

Tabel 4 : Faalscenario's offshore buisleiding
Scenario Faalfrequentie (km-1 jaar-1) Percentage
20 mm hole 3,77E-05 74
80 mm hole 8,16E-06 16
full bore rupture 5,10E-06 10
Total 5,10E-05 100

Deze faalkans is gebaseerd op het onderzoek van een analyse door DNV van de gegevens in de
PARLOC 2001 [7]. In dit onderzoek is gekeken naar de verschillende basisoorzaken welke
resulteren in het falen van een leiding. De verdeling wordt weergegeven in Tabel 5.

Tabel 5: Basisoorzaken voor het falen van een leiding over zee
Basisoorzaak Incidenten Percentage
Anchor & impact damage 22 23%
Corrosion & Material defects 49 51%
Other 25 26%
Total 96

Voor de CO
2
transportleiding heeft MARIN in 2009 een onderzoek gedaan naar de kans dat de
integriteit van de leiding wordt bedreigd door passerende scheepvaart. Conform de PARLOC
studie [7] zal een incident met een anker in 25% van de gevallen leiden tot het ongewenst
vrijkomen van CO2 (Loss of Containment, LOC). De overige incidenten leiden conform de
PARLOC studie [7] in 13,5% van de gevallen tot een LOC.



Tebodin Netherlands B.V.

Ordernummer: T41759.00
Documentnummer: 3413184
Revisie: 4
Datum: 22 juni 2011
Pagina: 23 van 53







QRA CO2 transport ROAD

De leiding is door MARIN onderverdeeld in vijf segmenten waar de scheepvaart een ongeveer
gelijke invloed heeft. In Tabel 6 wordt de kans dat een incident leidt tot een LOC per
leidingsegment weergegeven.

Tabel 6: Kans op een LOC van de CO2 transportleiding door passerende schepen (/km/jaar)
Segment
Lengte
segment
(m)
Gezonken
op pijp
zonder
aanvaring
Gezonken
op pijp met
aanvaring
Container
overboard
op pijp
Deklading
valt op pijp
Anker valt
op pijp
Anker haakt
achter pijp
1 446 8,006E-07 3,456E-07 0,000E+00 8,100E-09 1,900E-07 6,800E-07
2 10383 3,623E-06 2,623E-06 2,806E-05 1,998E-07 1,430E-06 1,185E-05
3 3496 2,522E-06 1,116E-06 0,000E+00 4,995E-08 8,175E-07 2,283E-06
4 2575 2,229E-06 9,545E-07 0,000E+00 4,590E-08 7,650E-07 1,933E-06
5 238 5,501E-05 4,509E-05 8,462E-05 1,67E-06 3,305E-05 7,274E-05

De faalkans zoals beschreven in het rapport Riser & pipeline release frequencies van het OGP
wordt per leidingsegment aangepast door de kans zoals berekend door MARIN te verwerken in
de faalkans zoals bepaald door PARLOC. In Tabel 7 wordt de faalkans per door MARIN
gedefinieerd segment weergegeven.

Tabel 7: Faalkansen per leidingsegment
Segment Marin total (23%) PARLOC (77%)
Faalkans per segment
(/km/jaar)
1 2,024E-06 3,927E-05 4,129E-05
2 4,779E-05 3,927E-05 8,706E-05
3 6,788E-06 3,927E-05 4,606E-05
4 5,927E-06 3,927E-05 4,520E-05
5 0
2
3,927E-05 3,927E-05

5.3.2.2 Faalkansen overige leidingen methodiek
De faalscenarios en faalkansen zoals beschreven in de methodiek overige leidingen zijn in 2010
vastgesteld op basis van de faaldata van leidingen over land. Deze methodiek is dus van
toepassing op ondergrondse (onshore) buisleidingen. Na overleg met het ministerie van I&M is
besloten de risicos van de offshore leiding naast de reeds beschreven OGP rekenmethodiek
tevens ook door te rekenen met deze onshore methodiek.

De faalscenarios voor de offshore leiding komen derhalve overeen met de faalscenarios voor de
leidingen over land zoals beschreven in Tabel 3.



2
Door de diepte van de leiding onder de vaargeul zal passerende scheepvaart geen
basisoorzaak zijn van een lekkage of breuk van de leiding. Dit is door ROAD bevestigd.



Tebodin Netherlands B.V.

Ordernummer: T41759.00
Documentnummer: 3413184
Revisie: 4
Datum: 22 juni 2011
Pagina: 24 van 53







QRA CO2 transport ROAD
De distributie van de faalkansen over de faalscenarios voor een transportleiding op zee worden
weergegeven in Tabel 8.

Tabel 8: Faalkans distributie over de scenarios
Scenario % van faalkans
Lek 75
Breuk 25

In Tabel 9 worden de faalkansen voor de drie scenarios per leidingsegment beschreven.

Tabel 9: Faalkansen per scenario per leidingsegment
Segmenten Scenario Initile faalkans (/km/jaar) Faalkans (/km/jaar)
1 Lek 1,47E-04 1,10E-04
Breuk 3,70E-05
2 Lek 1,47E-04 1,10E-04
Breuk 3,70E-05
3 Lek 1,47E-04 1,10E-04
Breuk 3,70E-05
4 Lek 1,47E-04 1,10E-04
Breuk 3,70E-05
5 Lek 1,47E-04 1,10E-04
Breuk 3,70E-05

5.3.3 Leidingsegmenten
Voor de uitstroming van gassen onder water wordt aangenomen dat, ongeacht de
uitstroomsnelheid, de diameter van de pluim aan de oppervlakte gelijk is aan 30% van de diepte
van het water op de breuklocatie [6]. De diepte van de zee op de route van de leiding wordt
weergegeven in bijlage 1.

De leidingsegmenten zoals ingedeeld door MARIN zijn op basis van de diepteligging van de
leiding waar noodzakelijk ingedeeld in subsegmenten. In Tabel 10 worden de segmenten welke
zijn opgenomen in de QRA beschreven.

Tabel 10: Gemodelleerde segmenten
Segment Subsegment Maximale diepte
(m)
Faalkans
(km/jaar)
1 A -22 1,47E-04
2 A -23 1,47E-04
3 A -22 1,47E-04
B -19 1,47E-04
C -15 1,47E-04
4 A -16 1,47E-04
5 A -27 1,47E-04




Tebodin Netherlands B.V.

Ordernummer: T41759.00
Documentnummer: 3413184
Revisie: 4
Datum: 22 juni 2011
Pagina: 25 van 53







QRA CO2 transport ROAD

5.3.4 Uitstroomsnelheid
Het water boven de leiding zal de uitstroomsnelheid van het vrijkomende CO
2
sterk reduceren.
Op basis van de initile uitstroomsnelheid, de dichtheid (bij 10 C) en het oppervlak waar de CO
2

uit vrijkomt is de uitstroomsnelheid aangepast.

De leidingsegmenten worden weergegeven in Figuur 8 en Figuur 9.

Figuur 8: Leidingsegementen over land (drie) (indicatief)



Tebodin Netherlands B.V.

Ordernummer: T41759.00
Documentnummer: 3413184
Revisie: 4
Datum: 22 juni 2011
Pagina: 26 van 53







QRA CO2 transport ROAD

Figuur 9: Leidingsegmenten over zee (zeven)

5.3.5 Riser
Het laatste deel van de transportleiding is de riser. Dit stuk leiding loopt van de zeebodem langs
het platform omhoog tot de eerste afsluiter.




Tebodin Netherlands B.V.

Ordernummer: T41759.00
Documentnummer: 3413184
Revisie: 4
Datum: 22 juni 2011
Pagina: 27 van 53







QRA CO2 transport ROAD
5.3.5.1 Faalkans
De faalkans voor een riser met een diameter kleiner dan 16 inch, zoals beschreven in het rapport
Riser & pipeline release frequencies van het OGP, heeft een faalkans van 9,1 * 10
-4
per jaar.
Deze faalkans wordt ongewijzigd toegepast.

5.3.5.2 Scenarios
De faalscenarios voor een riser worden weergegeven in Tabel 8. De distributie van de faalkans
over de scenarios is afkomstig uit het rapport Riser & pipeline release frequencies van het OGP.

Tabel 11: Distributie van de faalkans over de scenarios
Scenario % van faalkans
20 mm lek 60%
80 mm lek 15%
Leidingbreuk 25%


Naast de distributie over de diverse scenarios wordt er voor risers tevens onderscheid gemaakt
in de locaties waar het scenario op kan treden. Deze distributie wordt weergegeven in Tabel 12.

Tabel 12: Distributie van de scenarios over de riser
Scenario % van LOC
Boven water 20%
Splash zone 50%
Onder water 30%


De faalkans voor de verschillende scenarios en de verschillende locaties van LOCs wordt
weergegeven in Tabel 13.

Tabel 13: Faalkans per scenario per locatie
Scenario % van faalkans % locatie LOC
Initile faalkans
(/jaar)
Faalkans (/jaar)
20mm hole above water 60% 20%
9,10E-04
1,09E-04
20mm hole splash 60% 50%
9,10E-04
2,73E-04
20mm hole subsea 60% 30%
9,10E-04
1,64E-04
80 mm hole above water 15% 20%
9,10E-04
2,73E-05
80mm hole splash 15% 50%
9,10E-04
6,83E-05
80mm hole subsea 15% 30%
9,10E-04
4,10E-05
full bore above water 25% 20%
9,10E-04
4,55E-05
full bore splash 25% 50%
9,10E-04
1,14E-04
full bore subsea 25% 30%
9,10E-04
6,83E-05






Tebodin Netherlands B.V.

Ordernummer: T41759.00
Documentnummer: 3413184
Revisie: 4
Datum: 22 juni 2011
Pagina: 28 van 53







QRA CO2 transport ROAD
5.4 Externe invloeden
De commissie voor de m.e.r. heeft aangegeven om de risicos in ogenschouw te nemen van
andere leidingen in de leidingstraat.

Daarnaast zijn domino effecten niet opgenomen in de standaard faalfrequenties van
buisleidingen. Deze stelt dat falen ook een gevolg kan zijn van externe oorzaken. Daarom moet
een Loss of Containment ten gevolge van een oorzaak van buiten meegenomen worden in de
risicoanalyse.

Deze mogelijke externe oorzaken zijn bij de CO
2
buisleiding:

Het falen van een windturbine
De nabijheid van andere leidingen met brandbare stoffen
Een LOC ten gevolge van een neerstortend vliegtuig
Scheepvaart incidenten

5.4.1 Windturbines
Voor het berekenen van de faalkans van een leiding moet rekening worden gehouden met het
falen van de leiding door het falen van een windturbine in de nabijheid. Conform de publicatie
Windturbines op veilige afstand betreft de dominoafstand voor een ondergrondse leiding
maximaal 110 meter.

5.4.1.1 Bestaande windturbines
Wanneer specifiek naar windturbines wordt gekeken, valt op dat de bestaande windturbines niet
in de directe omgeving van de geplande CO2-transportleiding zijn gesitueerd. De windturbines
zijn namelijk verder gelegen dan de maximale veiligheidsafstand van 110 meter die wordt
gehanteerd in de publicatie Windturbines op veilige afstand van het RIVM. [26] Verwezen kan
worden naar Figuur 10 waarin de reeds bestaande windturbines zijn ingetekend in de kaart van
de vigerende bestemmingsplannen. De dichtstbijzijnde afstand van een bestaande windturbine
tot de toekomstige CO
2
-buisleiding bedraagt 137,5 meter.

De bestaande windturbines hebben dus geen risicoverhogend effect op de geplande CO2-
transportleiding en hoeven dus niet meegenomen te worden in de QRA van de CO2-
transportleiding waarmee de 10
-6
-contour wordt bepaald.

5.4.1.2 Niet gerealiseerde maar planologisch mogelijke windturbines
Als gekeken wordt naar de locaties waar het vigerende bestemmingsplan de bouw van
windturbines rechtstreeks toestaat (feitelijk zijn ze niet aanwezig), komen twee locaties op de
Maasvlakte in aanmerking, namelijk (1) de locatie direct ten noorden van het E.ON-terrein n (2)
de locatie waar de Europaweg een bocht maakt. Bijlage 2 geeft deze locaties weer.

Op locatie (1) laat het vigerend bestemmingsplan windturbines rechtstreeks toe van maximaal 70
meter, de rotorbladen niet meegerekend (bestemmingsplan Maasvlakte 1981, bestemming



Tebodin Netherlands B.V.

Ordernummer: T41759.00
Documentnummer: 3413184
Revisie: 4
Datum: 22 juni 2011
Pagina: 29 van 53







QRA CO2 transport ROAD
Nutsbedrijf en Windenergie). Voor windturbines met een ashoogte van 70 meter geldt op grond
van de publicatie Windturbines op veilige afstand een veiligheidsafstand van 90 meter tussen
een windturbine en een buisleiding. Voor locatie (2) is op 8 juli 2010 een voorbereidingsbesluit
bekendgemaakt dat ingaat op plaatsing van windturbines (referentie: dS+V Gemeente
Rotterdam, nr. 109R1623, d.d. 8 juli 2010). Volledigheidshalve is deze mogelijkheid in deze
studie alvast meegenomen.

De geplande CO
2
-transportleiding gaat alleen door locatie (1) en ligt binnen de straal van 90
meter. De afstand tot locatie (2) is 305 meter, ruim buiten de veiligheidsafstand (zie Bijlage 2).
Indien op die locaties windturbines worden gerealiseerd (wat dus planologisch is toegestaan),
dan liggen die windturbines in de directe omgeving van de geplande CO
2
-transportleiding. Ze
liggen in dat geval namelijk binnen de afstandsgrens zoals wordt gehanteerd in de publicatie
Windturbines op veilige afstand. Die planologische mogelijke windturbines hebben dus een
risicoverhogend effect op de geplande CO
2
-transportleiding.


Figuur 10: Bestaande windturbines

Om het risicoverhogende effect op de ondergrondse buisleiding door deze windturbines mee te
nemen is de daaruit voortkomende faalkans bepaald op basis van het Handboek risicozonering
windturbines [33]. Hierbij is voor deze risicoanalyse uitgegaan van de plaatsing van de
windturbines direct naast de ondergrondse buisleiding en een relatief kleine onderlinge afstand
van 90 meter. In deze bepaling is voor de kans op falen van de buisleiding door een blad de
volledige faalkans meegenomen en is de factor gebruikt voor ondergrondse buisleidingen. De
andere factoren zijn in overeenstemming met het handboek risicozonering windturbines bepaald
op basis van de positie van de windmolen naast de leiding.



Tebodin Netherlands B.V.

Ordernummer: T41759.00
Documentnummer: 3413184
Revisie: 4
Datum: 22 juni 2011
Pagina: 30 van 53







QRA CO2 transport ROAD
Tabel 14 : Faalkans ondergrondse buisleiding bij plaatsing windturbines
Omschrijving Faalfrequentie Factor Faalfrequentie
Faalfrequentie breuk geheel blad 8,40E-04 0,001 8,40E-07 1/jaar
Omvallen van turbine door mastbreuk 1,30E-04 0,051 6,66E-06 1/jaar
Naar beneden vallen gehele turbine en/of rotor 3,20E-04 0,5 1,60E-04 1/jaar
Totaal 1,68E-04 1/jaar
Windturbine onderlinge afstand 90 meter
Faalfrequentie van falen windturbine 1,86E-06 1/m/jaar
Faalfrequentie ondergrondse buisleiding volgens
rekenmethodiek overige leidingen 1,40E-07 1/m/jaar
Totale faalkans ondergrondse buisleiding 2,00E-06 1/m/jaar

Ten gevolge van deze conservatieve inschatting met betrekking tot de plaatsing van planologisch
mogelijke windturbines neemt de faalkans van de ondergrondse buisleiding met ruim een factor
14 toe. Deze toename is in de risicoanalyse meegenomen voor de ondergrondse delen van het
buisleiding traject over het gehele landtrac.

5.4.2 Parallele ligging van leidingen
De leiding zal worden aangelegd in overeenstemming met de eisen in de NEN 3650 en in
overeenstemming met de eisen van de beheerder van de leidingstraat. Deze definiren een
minimale afstand tussen parallelle ondergrondse leidingen.

Daarnaast definieert de NEN 3651:2003 voor kruisingen met waterstaatkundige werken de
minimale afstanden tussen parallelle leidingen. Door deze minimale afstand is het falen van de
naastliggende leiding door de initile explosie bij het volledig bezwijken van een naastliggende
leiding onwaarschijnlijk.

In de leidingstraat zullen twee Gasunie gasleidingen komen te liggen (de aansluitleiding van de
GATE LNG terminal en de afvoerleiding van TAQA). Het initile volledig falen van een gasleiding
zal door afstand van de leidingen geen gevolg hebben voor de CO
2
buisleiding. Bij een
daaropvolgende ontsteking van het ontsnappende aardgas is er een mogelijkheid dat de CO
2

leiding na enige tijd zal bezwijken door afname van de sterkte van het staal ten gevolge van de
hoge temperatuur. De parallelle ligging van deze leidingen heeft daarom gevolgen voor de
faalkans van de CO
2
leiding.

Het falen van Gasunie gastransportleidingen wordt primair veroorzaakt door derden (external
interference). Daarom wordt bij de bepaling van de faalfrequentie van Gasunie
gastransportleidingen van external interference uitgegaan. In het geval van parallelle leidingen
zijn de faalfrequenties ten gevolge van schade door derden (graafwerkzaamheden) niet
onafhankelijk.

Hierbij wordt door Gasunie [29] onderscheid gemaakt in verticale en horizontale
graafwerkzaamheden. De verhouding tussen beide typen faalscenarios is door Gasunie



Tebodin Netherlands B.V.

Ordernummer: T41759.00
Documentnummer: 3413184
Revisie: 4
Datum: 22 juni 2011
Pagina: 31 van 53







QRA CO2 transport ROAD
vastgesteld op basis van casustiek van haar leidingenbestand. Hieruit blijkt dat 30% wordt
veroorzaakt door verticale graafwerkzaamheden en 70% door horizontale graafwerkzaamheden.
Daarnaast zal duidelijk zijn in het geval van schade door horizontale graafwerkzaamheden deze
zullen stoppen zodra de eerste leiding is geraakt. Hierdoor kunnen we stellen dat in deze situatie
de kans op een breuk van de CO
2
buisleiding in parallel ligging met de gastransportleidingen als
volgt kan worden bepaald uitgaande van de faalfrequentie voor breuk voor een leiding in een
leidingstraat volgens BEVI voor de gastransportleidingen (ff
GT
) en een 100% kans op ontsteking
(P
ign
) de gaswolk:
Faalfrequentie totaal = ff
CO2
+ ff
GT1
* 0,3* P
ign
+ff
GT2
* 0,3 P
ign
=

Faalfrequentie totaal = 3.7 x 10
-5
+ 7.0 x 10
-6
x 0.3 x 1 + 7.0 x 10
-6
x 0.3 x 1= 4.12 x 10
-5

Dit domino effect creert in dit geval dus een 11% hogere faalfrequentie voor de ondergrondse
CO
2
buisleiding in parallelligging met de gastransportleidingen in de leidingstrook. Dit domino
effect zal alleen optreden bij het onshore deel van de leiding. Bij een parallelle ligging van de
leidingen onder water zal de naastliggende leiding niet bezwijken.

5.4.3 Vliegroutes
En van de aanvliegroutes van de luchthaven Rotterdam/ Den Haag ligt over de maasvlakte,
Europoort en Botlek. Conform de risicoanalyse zoals opgesteld ten behoeve van de luchthaven is
de kans dat een vliegtuig neerstort pas 1 * 10
-6
per jaar in de directe omgeving van de
landingsbaan. De kans dat het neerstorten van een vliegtuig zal leiden tot het vrijkomen van CO
2

is derhalve verwaarloosbaar.

5.4.4 Scheepvaart
Door gebruik te maken van het MARIN onderzoek is de invloed van scheepvaart op de faalkans
van het offshore deel van de leiding meegenomen in de risicoanalyse van de buisleiding.

5.5 Modelparameters
Voor de berekeningen is gebruik gemaakt van Safeti-NL versie 6.54. Een beschrijving van het
model is in deze rapportage opgenomen in paragraaf 5.2. In deze paragraaf worden de
modelparameters, die van belang zijn voor de resultaten, beschreven. Voor het uitvoeren van de
berekeningen zijn de weergegevens van Hoek van Holland toegepast. ng van de gebruikte
weerklassen.

Tabel 15 geeft een overzicht en een beschrijving van de gebruikte weerklassen.

Tabel 15: beschrijving weerklassen
Weerklasse Beschrijving
B3 Instabiel weer, gematigd zonnig, lichte tot gemiddelde wind (3 m/s)
D1,5 Licht instabiel weer, zonnig en winderig (1,5 m/s)
D5 Neutraal weer, bewolkt en winderig (5 m/s)
D9 Neutraal weer, bewolkt en winderig (9 m/s)



Tebodin Netherlands B.V.

Ordernummer: T41759.00
Documentnummer: 3413184
Revisie: 4
Datum: 22 juni 2011
Pagina: 32 van 53







QRA CO2 transport ROAD
E5 Licht stabiel, licht winderig (3 m/s)
F1,5 Zeer stabiel, zeer licht winderig (1,5 m/s)
5.5.1 Ruwheidslengte
De ruwheidslengte van het terrein heeft invloed op de dispersie. Voor de berekeningen is er
gebruik gemaakt van een ruwheidslengte van 0,2 millimeter voor de scenarios over zee en van
100mm voor de leiding over land. De ruwheidslengte van 0,2 mm is representatief voor
uitstroming over open water, de ruwheidslengte van 100 mm is representatief voor een omgeving
met lage gewassen met een enkel groot obstakel.

5.5.2 Ontstekingsbronnen
De transportleiding transporteert onbrandbaar CO
2
. Derhalve zijn er geen ontstekingsbronnen
gemodelleerd.

5.5.3 Populatiedata
Voor de populatie in de omgeving van de inrichting is gebruik gemaakt van de populatiedata
zoals opgesteld door de DCMR.

Ten aanzien van woonbebouwing is ervan uitgegaan dat alle omwonenden s nachts in hun
huizen zijn. Voor de populatie overdag is aangenomen dat 50 % van de omwonenden aanwezig
is. Ten aanzien van de omliggende bedrijven is er vanuit gegaan dat de bezetting s nachts 50%
is van de populatie overdag. Het dagdeel nacht omvat 56% van een etmaal, het dagdeel dag
omvat 44% van een etmaal.

5.5.3.1 Mogelijk toekomstige brandweerkazerne
Vanaf 17 december 2010 heeft het ontwerp-bestemmingsplan Brandweerkazerne 1
e
Maasvlakte
ter inzage gelegen. Deze brandweerkazerne is op dit moment nog niet planologisch mogelijk.
Daarvoor dient de bestemmingsplanprocedure met succes doorlopen te worden.

Het plangebied waar de brandweerkazerne in het ontwerp-bestemmingsplan is geprojecteerd, is
gelegen op 48 meter van de geplande CO
2
-transportleiding. Het plangebied van het ontwerp-
bestemmingsplan Brandweerkazerne 1
e
Maasvlakte is eveneens op Bijlage 2 aangegeven. De
brandweerkazerne kan worden aangemerkt als een beperkt kwetsbaar object.

In de risicoanalyse is de beperkte toename van de populatie met tussen de 6 tot 8 personen
meegenomen. Het invullen van die toekomstige situatie houdt dan in dat de brandweerkazerne
als beperkt kwetsbaar object op 48 meter afstand van de geplande CO
2
-transportleiding wordt
geprojecteerd en kan dus als conservatief worden beschouwd.



Tebodin Netherlands B.V.

Ordernummer: T41759.00
Documentnummer: 3413184
Revisie: 4
Datum: 22 juni 2011
Pagina: 33 van 53







QRA CO2 transport ROAD
6 Resultaten
In dit hoofdstuk worden de resultaten van de QRA voor beide varianten beschreven. Hierbij wordt
onderscheid gemaakt naar de verschillende varianten en naar de resultaten van de berekeningen
gebaseerd op verschillende faalkansen.

6.1 Plaatsgebonden risico
Het plaatsgebonden risico (PR) is de kans per jaar op een dodelijk ongeval ten gevolge van een
ongewoon voorval (ongevalscenario) indien een persoon (onbeschermd in de buitenlucht) zich
bevindt op een bepaalde plaats waar hij voortdurend (24 uur per dag en gedurende het gehele
jaar) wordt blootgesteld aan de schadelijke gevolgen van een voorval. Het PR wordt
weergegeven in de vorm van PR-contouren. Hierbij geven de contouren locaties met gelijke
kansen op overlijden weer. Zo toont de PR-contour van 10
-6
per jaar de locaties waar de kans op
het overlijden van een persoon eens in de miljoen jaar bedraagt. Het PR is onafhankelijk van de
bevolkingsverdeling in de omgeving van de inrichting.

6.1.1 Plaatsgebonden risico OGP Methodiek
De plaatsgebonden risicocontouren voor de berekeningen gebaseerd op de methodieken van het
OGP en de studie van MARIN worden weergegeven in Figuur 11 en Figuur 12. De maatgevende
risicocontour van 10
-6
per jaar is in het rood weergegeven in de figuren. Hieruit blijkt:

- Voor de hoge druk variant is heeft de 10
-6
per jaar contour een maximale breedte bij de
beide diepe boringen (toekomstige Yangtzehaven en bij de kruising met de
Maasvaargeul). Dit is een gevolg van de lagere uitstromingssnelheid.
- De effecten welke ontstaan door de het falen van leidingen onder water strekken zich
gedeeltelijk uit over land en zijn de oorzaak van de 10
-6
contouren op land. Deze
contouren zijn geen resultaat van de onshore delen van de buisleiding.
- De lage druk variant leidt tot een ruimere 10
-6
per jaar contour .
- Deze contouren bevinden zich in een gebied waar momenteel geen kwetsbare of
beperkt kwetsbare objecten voor komen.




Tebodin Netherlands B.V.

Ordernummer: T41759.00
Documentnummer: 3413184
Revisie: 4
Datum: 22 juni 2011
Pagina: 34 van 53







QRA CO2 transport ROAD

Figuur 11: Plaatsgebonden risicocontouren (hoge druk variant)



Tebodin Netherlands B.V.

Ordernummer: T41759.00
Documentnummer: 3413184
Revisie: 4
Datum: 22 juni 2011
Pagina: 35 van 53







QRA CO2 transport ROAD

Figuur 12: Plaatsgebonden risicocontouren (lage druk variant)






Tebodin Netherlands B.V.

Ordernummer: T41759.00
Documentnummer: 3413184
Revisie: 4
Datum: 22 juni 2011
Pagina: 36 van 53







QRA CO2 transport ROAD
6.1.2 Plaatsgebonden risico overige leidingen methodiek
De plaatsgebonden risicocontouren voor de berekeningen gebaseerd op de concept
rekenmethodiek overige leidingen worden weergegeven in Figuur 13 en Figuur 14. In vergelijking
met de plaatsgebonden risicos bij de OGP methodiek zijn de contouren op land kleiner van
omvang.

- Voor de hoge druk variant is heeft de 10
-6
per jaar contour een maximale breedte bij de
beide diepe boringen (toekomstige Yangtzehaven en bij de kruising met de
Maasvaargeul). Dit is een gevolg van de lagere uitstromingssnelheid.
- De effecten welke ontstaan door de het falen van leidingen onder water strekken zich
gedeeltelijk uit over land en zijn de oorzaak van de 10
-6
contouren op land. Deze
contouren zijn geen resultaat van de onshore delen van de buisleiding.
- De lage druk variant leidt tot een ruimere 10
-6
per jaar contour .
- Deze contouren bevinden zich in een gebied waar momenteel geen kwetsbare of
beperkt kwetsbare objecten voor komen.
- Doordat de in de rekenmethodiek gebruikte faalkans groter is dan de faalkans zoals
gebruikt in de OGP methodiek zijn de contouren in omvang toegenomen.



Tebodin Netherlands B.V.

Ordernummer: T41759.00
Documentnummer: 3413184
Revisie: 4
Datum: 22 juni 2011
Pagina: 37 van 53







QRA CO2 transport ROAD

Figuur 13 : Plaatsgebonden risicocontouren (hoge druk variant)



Tebodin Netherlands B.V.

Ordernummer: T41759.00
Documentnummer: 3413184
Revisie: 4
Datum: 22 juni 2011
Pagina: 38 van 53







QRA CO2 transport ROAD

Figuur 14: Plaatsgebonden risicocontouren (lage druk variant)




Tebodin Netherlands B.V.

Ordernummer: T41759.00
Documentnummer: 3413184
Revisie: 4
Datum: 22 juni 2011
Pagina: 39 van 53







QRA CO2 transport ROAD
6.2 Groepsrisico
Het groepsrisico (GR) is de kans per jaar dat een groep van een bepaalde omvang tegelijk
dodelijk slachtoffer wordt van een ongeval. Het GR wordt vastgelegd in een zogenaamde F(N)-
curve en is, in tegenstelling tot het PR, afhankelijk van de bevolkingsverdeling in de omgeving
van inrichting. In een F(N)-curve staat op de verticale as de kans weergegeven dat meer dan N
slachtoffers ten gevolge van het beschouwde scenario komen te overlijden. Deze kans wordt
uitgedrukt in de eenheid per jaar. Op de horizontale as staat het aantal slachtoffers
weergegeven.

De groepsrisicocurve van de hoge druk variant wordt weergegeven in Figuur 15 en van de lage
druk variant in Figuur 16. Beide grafieken zijn gegenereerd voor de worst-case kilometer van de
leiding. Deze kilometer is bepaald door het groepsrisico van de gehele leiding te bepalen en
daarvan de scenarios te bepalen die de grootste bijdrage hebben. Daarna is het groepsrisico van
deze scenarios separaat bepaald. De worst case kilometer is vastgesteld als de kilometer leiding
die in de toekomst onder de Yangtzehaven loopt.

6.2.1 Faalkansen OGP methodiek
Het groepsrisico voor de berekeningen gebaseerd op de methodieken van het OGP en de studie
van MARIN worden weergegeven in Figuur 15 en Figuur 16.


Figuur 15: Groepsrisicocurve (hoge druk scenario)




Tebodin Netherlands B.V.

Ordernummer: T41759.00
Documentnummer: 3413184
Revisie: 4
Datum: 22 juni 2011
Pagina: 40 van 53







QRA CO2 transport ROAD

Figuur 16 : Groepsrisicocurve (lage druk scenario)

Uit deze figuren blijkt dat het groepsrisico van de buisleiding onder de orinterende waarde blijft
zoals gedefinieerd in de BevB.

6.2.2 Faalkansen overige leidingen methodiek
Het groepsrisico voor de berekeningen gebaseerd op de concept rekenmethodiek overige
leidingen worden weergegeven in Figuur 17 en Figuur 18.


Figuur 17: Groepsrisicocurve (hoge druk scenario)




Tebodin Netherlands B.V.

Ordernummer: T41759.00
Documentnummer: 3413184
Revisie: 4
Datum: 22 juni 2011
Pagina: 41 van 53







QRA CO2 transport ROAD

Figuur 18 : Groepsrisicocurve (lage druk scenario)
Uit de figuren blijkt een geringe toename van het groepsrisico. Deze wordt veroorzaakt door de
grotere faalkans ten opzichte van de OGP methodiek. Ook hier blijkt dat het groepsrisico van de
buisleiding onder de orinterende waarde blijft zoals gedefinieerd in de BevB


6.3 Bijdrage van de scenarios aan het risico
6.3.1 Plaatsgebonden risico
Het plaatsgebonden risico van de CO
2
transportleiding over land is marginaal. Alleen ter hoogte
van de boring door de Yangtzehaven neemt het risico toe. Daarnaast kunnen alleen een lekkage
of een breuk van de leiding een bijdrage leveren aan het plaatsgebonden risico. Derhalve zijn de
bijdrages van de individuele scenarios aan het plaatsgebonden risico niet nader bepaald.

6.3.2 Groepsrisico
6.3.2.1 Faalkansen OGP methodiek
De scenarios die de grootste bijdrage leveren aan het groepsrisico worden weergegeven inTabel
16 en Tabel 17.

Tabel 16: Bijdrage van individuele scenarios op het groepsrisico, hoge druk variant
Scenario Procentuele bijdrage
80 mm lek ter hoogte van de Yangtzehaven +/- 55
Breuk van de leiding ter hoogte van de Yangtzehaven +/- 45


Tabel 17: Bijdrage van individuele scenarios op het groepsrisico, lage druk variant
Scenario Procentuele bijdrage



Tebodin Netherlands B.V.

Ordernummer: T41759.00
Documentnummer: 3413184
Revisie: 4
Datum: 22 juni 2011
Pagina: 42 van 53







QRA CO2 transport ROAD
80 mm lek ter hoogte van de Yangtzehaven +/- 55
Breuk van de leiding ter hoogte van de Yangtzehaven +/- 45

6.3.2.2 Faalkansen overige leidingen methodiek
De scenarios die de grootste bijdrage leveren aan het groepsrisico worden weergegeven in
Tabel 18 en Tabel 19.

Tabel 18: Bijdrage van individuele scenarios op het groepsrisico, hoge druk variant
Scenario Procentuele bijdrage
Breuk van de leiding ter hoogte van de Yangtzehaven 100


Tabel 19: Bijdrage van individuele scenarios op het groepsrisico, lage druk variant
Scenario Procentuele bijdrage
Breuk van de leiding ter hoogte van de Yangtzehaven 100


6.3.2.3 Invloed mogelijke toekomstige ontwikkelingen
De invloed van de mogelijk toekomstige ontwikkelingen op het groepsrisico ten gevolge van de
plaatsing van windmolens en de mogelijk toekomstige brandweercentrale zijn meegenomen in de
bepaling van het groepsrisico. De invloed van deze ontwikkelingen is elk apart bepaald en daaruit
is gebleken dat deze mogelijke ontwikkelingen niet leiden tot een significante verandering van het
groepsrisico.

6.3.3 Maximale effectafstand
De maximale effectafstand is gespecificeerd als de afstand tot de 1% letaliteitsgrens voor het
worst-case scenario.

6.3.3.1 Faalkansen OGP methodiek
De maximale effectafstand voor de buisleiding wordt beschreven in
Tabel 20.


Tabel 20: Maximale effectafstanden
Maximale effectafstand (m) Scenario Weerstype Bronsterkte
(kg/s)
Duur
(sec) Lage druk scenario
F1,5 1.800 1150 80mm lek uit de leiding
onder zee D5
1319
1.800 630

Maximale effectafstand (m) Scenario Weerstype Bronsterkte
(kg/s)
Duur
(sec) Hoge druk scenario
80mm lek uit de leiding F1,5 1287 1.800 1530



Tebodin Netherlands B.V.

Ordernummer: T41759.00
Documentnummer: 3413184
Revisie: 4
Datum: 22 juni 2011
Pagina: 43 van 53







QRA CO2 transport ROAD
onder zee D5 1.800 570
De maximale effectafstand voor het hoge druk scenario wordt visueel weergegeven in Figuur 21.





Tebodin Netherlands B.V.

Ordernummer: T41759.00
Documentnummer: 3413184
Revisie: 4
Datum: 22 juni 2011
Pagina: 44 van 53







QRA CO2 transport ROAD
Figuur 19: Maximale effectafstand hoge druk scenario (plaatsgebonden risicocontour 10
-30
per
jaar)

De maximale effectafstand voor het lage druk scenario wordt visueel weergegeven in Figuur 22.



Tebodin Netherlands B.V.

Ordernummer: T41759.00
Documentnummer: 3413184
Revisie: 4
Datum: 22 juni 2011
Pagina: 45 van 53







QRA CO2 transport ROAD
Figuur 20: Maximale effectafstand lage druk scenario (plaatsgebonden risicocontour 10-30 per
jaar)




Tebodin Netherlands B.V.

Ordernummer: T41759.00
Documentnummer: 3413184
Revisie: 4
Datum: 22 juni 2011
Pagina: 46 van 53







QRA CO2 transport ROAD
6.3.3.2 Faalkansen overige leidingen methodiek
De maximale effectafstand voor de buisleiding wordt beschreven in Tabel 21.

Tabel 21: Maximale effectafstanden
Maximale effectafstand (m) Scenario Weerstype Bronsterkte
(kg/s)
Duur
(sec) Lage druk scenario
F1,5 1.800 1478 Breuk van de leiding
onder zee (04) D5
2049
1.800 694

Maximale effectafstand (m) Scenario Weerstype Bronsterkte
(kg/s)
Duur
(sec) Hoge druk scenario
F1,5 1.800 1792 Breuk van de leiding
onder zee (04) D5
1852
1.800 806


De maximale effectafstand voor het hoge druk scenario wordt visueel weergegeven in Figuur 21.



Tebodin Netherlands B.V.

Ordernummer: T41759.00
Documentnummer: 3413184
Revisie: 4
Datum: 22 juni 2011
Pagina: 47 van 53







QRA CO2 transport ROAD
x

Figuur 21: Maximale effectafstand hoge druk scenario (plaatsgebonden risicocontour 10
-30
per
jaar)




Tebodin Netherlands B.V.

Ordernummer: T41759.00
Documentnummer: 3413184
Revisie: 4
Datum: 22 juni 2011
Pagina: 48 van 53







QRA CO2 transport ROAD
De maximale effectafstand voor het lage druk scenario wordt visueel weergegeven in Figuur 22.


Figuur 22: Maximale effectafstand lage druk scenario (plaatsgebonden risicocontour 10
-30
per
jaar)



Tebodin Netherlands B.V.

Ordernummer: T41759.00
Documentnummer: 3413184
Revisie: 4
Datum: 22 juni 2011
Pagina: 49 van 53







QRA CO2 transport ROAD
7 Conclusies
De CO
2
transportleiding loopt vanaf de capturelocatie op het terrein van E.ON naar een platform
in de Noordzee. Via het platform wordt het CO
2
opgeslagen in een (vrijwel) leeg aardgasveld.
De Nederlandse wetgeving stelt nog geen specifieke eisen aan de externe veiligheid van een
CO
2
transportleiding. Het is echter reeds aangekondigd dat dit in de toekomst wel zal gebeuren.
Daarom is het risico van de transportleiding over land berekend conform de Handleiding
Risicoberekeningen Buisleidingen en worden de resultaten van de berekening getoetst aan de
eisen zoals beschreven in het Besluit Externe Veiligheid Buisleidingen.

In deze risicoanalyse zijn reducerende maatregelen zoals onder andere de ligging in de
buisleidingstrook, diepteligging, wanddikte, bescherming door de isolatiemantel, bescherming
door mantelbuizen etc. niet meegenomen in de bepaling van de faalfrequentie van de buisleiding.
De in deze risicoanalyse gehanteerde faalkans voor de buisleiding is conservatief en zal daarom
niet resulteren in een onderschatting van de risicos.

Het groepsrisico van alle alternatieven wordt veroorzaakt door het falen van de leiding in de
Yangtzehaven. Het groepsrisico blijft onder de orinterende waarde zoals gespecificeerd in het
BevB.

Toekomstige mogelijke ontwikkelingen zoals de plaatsing van windturbines en een mogelijke
brandweerkazerne welke een effect zouden kunnen hebben op de resultaten van deze
risicoanalyse zijn meegenomen in de modellering en hebben niet geleid tot een significante
toename van het groepsrisico.

De maximale effectafstand voor de buisleiding berekend, bedraagt ca. 1500 1700 meter. De
orinterende waarde voor het groepsrisico wordt voor geen van de scenarios overschreden.

De gehanteerde probitrelatie zal niet leiden tot een onderschatting van de risicos van de
transportleiding. Daarnaast adresseert de in deze risicoanalyse gebruikte rekenmethodiek de
specifieke eigenschappen van CO
2
. Deze rekenmethodiek zal daarom niet resulteren in een
onderschatting van de risicos van de transportleiding.





Tebodin Netherlands B.V.

Ordernummer: T41759.00
Documentnummer: 3413184
Revisie: 4
Datum: 22 juni 2011
Pagina: 50 van 53







QRA CO2 transport ROAD
Referenties
[1] Besluit Externe Veiligheid Buisleidingen, Ministerie van Volkshuisvesting, Ruimtelijke
Ordening en Milieu, 24 juli 2010, Den Haag
[2] Regeling Externe Veiligheid Buisleidingen, nr. BJZ2010032478, Ministerie van Infrastructuur
en Milieu, 30 december 2010, Den Haag
[3] ROAD Project: Aanleg en gebruik CO
2
transportleiding, conceptrapport, 9V7319.20, Royal
Haskoning, 18 oktober 2010, zp
[4] Handleiding Risicoberekeningen BevB, Module overige leidingen, conceptrappport, versie
0,13, Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu, 2 september 2010, Bilthoven
[5] Riser & pipeline release frequencies, Report no. 434-4, International Association of Oil & Gas
Producers, March 2010, zp
[6] Consequence modelling, Repor no. 434-7, International Association of Oil & Gas Producers,
March 2010, zp
[7] PARLOC 2001, The update of loss of Containmet Data for Offshore Pipelines, Mott
McDonald, UK HSE, UKOOA and IP, 2003, zp
[8] Very Large Deep-Set Bubble Plumes From Broken Gas Pipelines, Petroleumtilsynet, report
6201, Torstein K. Fannelp og Marco Bettelini, 18th November 2007
[9] Consequence modelling, International Association of Oil & Gas Producers, report 434 7,
March 2010
[10] Regeling Externe Veiligheid Inrichtingen, 8 september 2004, nr. EV2004084072,
[11] Besluit Externe Veiligheid Inrichtingen, ministerie van VROM, 2004, Den Haag
[12] Besluit Externe Veiligheid Buisleidingen, ministerie van VROM, 2010, Den Haag
[13] Publicatiereeks Gevaarlijke Stoffen deel 1, Deel 4, Schade door acute (inhalatoire)
intoxicatie, Ministerie van VROM, 2003, Den Haag
[14] Publicatiereeks Gevaarlijke Stoffen, Deel 4, Methods for determining and processing
probabilities, Ministerie van VROM, 2005, Den Haag
[15] Werkplan Toetsgroep probitrelaties 2008-2010, 1 december 2010, Centrum voor Externe
Veiligheid, RIVM
[16] Brief RIVM aan DCMR, kenmerk 100/09 CEV Spo/mva-2440, 14 april 2009
[17] Impact assessment, Brussels, 23-1-2008, Proposal for a Directive of the European
Parliament and of the Council on the geological storage of carbon dioxide.
[18] Fractional effective dose model for post-crash aircraft survivability, Louise C. Speitel,
Federal Aviation Administration Technical Center, AAR-422, US Department of
Transportation, Atlantic City International Airport, Atlantic City, NJ 08405 USA
[19] M. Molag, I.M.E. Raben, Externe veiligheid onderzoek CO
2
buisleiding bij Zoetermeer,
TNO, Apeldoorn, 2006, p. 46
[20] Comparison of risks from carbon dioxide and natural gas pipelines, Health and Safety
Laboratory, report RR749, 2009
[21] CO
2
dispersion model presentation, Randy Robichaux, at IOGCC meeting, Denbury
resources, 2009;
[22] Modelling of discharge and atmospheric dispersion for carbon dioxide releases, Henk Witlox,
Mike Harper, Adeyemi Oke, Journal of Loss Prevention in the Process Industries 22 (2009)
795-802
[23] Safeti-NL, DNV Software, www.rivm.nl



Tebodin Netherlands B.V.

Ordernummer: T41759.00
Documentnummer: 3413184
Revisie: 4
Datum: 22 juni 2011
Pagina: 51 van 53







QRA CO2 transport ROAD
[24] Rotterdam Instrument Approach Chart, Rotterdam, 25-09-2008, Air Traffic Control, AD
2.EHRD-IAC-06
[25] CAROLA, versie 1.0.0.51 met parameterbestand versie 1.2, www.rivm.nl
[26] Duncan, Ian, 2009. Statement by Ian Duncan The Future of Coal under Climate
Legislation Carbon Sequestration Risks, Opportunities, and Learning from the CO
2
-EOR
Industry. March 10, 2009. (April 23, 2009).
[27] Carbon Dioxide Pipeline Risk Analysis, HECA project Site, May 19
th
2009, URS
[28] Statement by Ian Duncan The future of coal under climate legislation Carbon
Sequestration risks, Opportunities and learning from the CO
2
EOR industry, March 10 2009
[29] Kwantitatieve Risicoanalyse Gastransportleidingen TAQA Gasopslag Bergermeer,
GCS.10.R.50733, mart 2010 Gasunie, Groningen
[30] Windturbines op veilige afstand, Milieumagazine, D. Riedstra, Rijksinstituut voor
volksgezondheid en milieubeheer, 2005
[31] DNV-RP-J202, recommended practice, Det Norske Veritas, april 2010
[32] NEN 3650-2:2003, Eisen voor buisleidingsystemen
[33] Handboek risicozonering windturbines; 2e geactualiseerde versie januari 2005; H. Braam,
G.J.van Mulekom, R.W. Smit; ECN i.s.m. KEMA.
[34] Ontwerp bestemmingsplan Brandweerkazerne 1
e
Maasvlakte Rotterdam; 16 November
2010; LBPSIGHT






Tebodin Netherlands B.V.

Ordernummer: T41759.00
Documentnummer: 3413184
Revisie: 4
Datum: 22 juni 2011
Pagina: 52 van 53







QRA CO2 transport ROAD
Bijlage 1: Diepteligging leiding over zee

Tekeningen:
GH040 AL 01 5K
GH040 AL 02 5K
GH040 AL 03 5K
GH040 AL 04 5K
GH040 AL 05 5K
GH040 NU 01 5K




Tebodin Netherlands B.V.

Ordernummer: T41759.00
Documentnummer: 3413184
Revisie: 4
Datum: 22 juni 2011
Pagina: 53 van 53







QRA CO2 transport ROAD
Bijlage 2 : Buisleiding geprojecteerd op (toekomstige)
bestemmingsplannen en voorbereidingsbesluit










Akoestisch onderzoek naar de aanleg
en exploitatie van een CO
2
transport-
leiding op de Maasvlakte (ROAD-
project) te Rotterdam


Rapport 6091286.R02



















Opdrachtgever: Haskoning Nederland B.V.
Postbus 151
6500 AD NIJ MEGEN

10 februari 2011

RK
Rapport 6091286.R02 2
INHOUD BLAD

1. INLEIDING 4
2. BESTAANDE TOESTAND VAN HET MILIEU 4
2.1. Situatie 4
2.2. Bestaande en vergunde bedrijfsactiviteiten energiecentrale Maasvlakte 4
2.3. Zonering industrielawaai Europoort Maasvlakte 5
2.4. Zonering industrielawaai Tweede Maasvlakte 5
3. VOORGENOMEN ACTIVITEIT 5
3.1. Vergunningensituatie CO
2
transportleiding 5
3.2. Leidingtrac 6
3.3. Basisalternatief en varianten 6
4. GELUIDASPECTEN EXPLOITATIEFASE CO
2
TRANSPORTLEIDING 6
4.1. CO
2
transportleiding 6
4.2. Pigging station 6
5. GELUIDASPECTEN AANLEGFASE CO
2
TRANSPORTLEIDING 7
5.1. Algemeen 7
5.2. Ingraven in leidingstrook 7
5.3. Korte kruisingen (avegaarboor) 8
5.4. HDD in- en uittredepunten 8
5.5. Geluidbeperkende maatregelen bij de aanleg van de CO
2
transportleiding/BBT9
5.6. Circulaire Bouwlawaai 2010 9
5.7. Beoordeling van geluid in het kader van de Natuurbeschermingswet 10
6. MODELLERING EN CONTOURBEREKENINGEN 10
6.1. Meet- en rekenvoorschrift 10
6.2. Rekenmodel 11
6.3. Berekening geluidscontouren vanwege de aanlegfase 11
6.4. Berekening geluidscontouren vanwege alternatieve boorlocaties 11
7. BEOORDELING RESULTATEN EN CONCLUSIES 12
7.1. Algemeen 12
7.2. Beoordeling geluidscontouren in het kader van de Natuurbeschermingswet 12
7.3. Overige aspecten 13


Rapport 6091286.R02 3
FIGUREN

1a Overzicht van de situatie: verkaveling van het industrieterrein Europoort/Maasvlakte
en de ligging van de zonegrens

1b Overzicht Natura 2000 gebied Voordelta

2 Meest actuele lay-out van MPP3

3 Totaaloverzicht van het akoestisch rekenmodel voor het berekenen van de geluids-
contouren vanwege de CO
2
transportleiding over land

4-7 Overzicht van de berekende geluidscontouren vanwege het aanleggen van de CO
2

transportleiding in het kader van een effectbeoordeling voor de Natuur-
beschermingswet

8 Geluidzone Tweede Maasvlakte

9-10 Overzicht van de berekende geluidscontouren voor de alternatieve locaties voor de
HDD-boringen



BIJLAGEN

1 Begrippen

2 Overzicht van de in het akoestisch rekenmodel opgenomen geluidsbronnen voor de
aanleg van de CO
2
transportleiding




Rapport 6091286.R02 4
1. INLEIDING

In opdracht van Haskoning Nederland B.V. is een akoestisch onderzoek uitgevoerd naar
de aanleg en exploitatie van een CO
2
transportleiding over land in het kader van het
ROAD-project (Rotterdam Opslag en Afvang Demonstratie project) op het terrein van de
E.ON energiecentrale Maasvlakte.

Ten behoeve van het op te stellen milieueffectrapport (MER) worden de akoestische as-
pecten van de voorgenomen activiteit nader omschreven. Tevens wordt ingegaan op de
bestaande toestand van het milieu en het meest milieuvriendelijke alternatief. Het doel van
voorliggend onderzoek is met name het vaststellen van de te verwachten geluidsniveaus
(prognose) vanwege de aanleg van de CO
2
transportleiding ten behoeve van een effectbe-
oordeling in het kader van de Natuurbeschermingswet.

De berekeningen die in het kader van de MER/vergunningverlening nodig zijn, worden
uitgevoerd overeenkomstig de Handleiding Meten en Rekenen Industrielawaai van 1999
(uitgave VROM).

De geluidsniveaus in de omgeving zijn berekend overeenkomstig de Handleiding Meten
en Rekenen Industrielawaai van 1999 (uitgave VROM) en waar nodig de modelregels
volgens het SI2-systeem van de Milieudienst Rijnmond DCMR.

De gehanteerde akoestische begrippen worden in bijlage 1 toegelicht.


2. BESTAANDE TOESTAND VAN HET MILIEU
2.1. Situatie

De E.ON energiecentrale Maasvlakte is gelegen op het westelijke gedeelte van de Maas-
vlakte. Een overzicht van de situatie is gegeven in figuur 1. Een plattegrond met de meest
actuele lay-out van het terrein is gegeven in figuur 2.
2.2. Bestaande en vergunde bedrijfsactiviteiten energiecentrale Maasvlakte

De hoofdactiviteit op het terrein van de E.ON energiecentrale Maasvlakte bestaat uit de
productie van elektriciteit met 2 bestaande koleneenheden (MPP1+2), een WKC en de
levering van stoom- en koelwater aan Lyondell. Nevenactiviteiten bestaan uit opslag en
(band)transport van kolen, gipsverwerking en activiteiten t.b.v. het bijstoken met andere
energiedragers dan steenkool (secundaire brandstoffen).

Rapport 6091286.R02 5
Op het terrein van de E.ON energiecentrale Maasvlakte is momenteel Maasvlakte Power
Plan 3 (MPP3 Maasvlakte) in aanbouw. Het in gebruik nemen van MPP3 is voorzien voor
eind 2012.
2.3. Zonering industrielawaai Europoort Maasvlakte

De energiecentrale Maasvlakte is gelegen op het gezoneerde industrieterrein Euro-
poort/Maasvlakte. De geluidboekhouding van het industrieterrein wordt middels het SI2-
systeem uitgevoerd door DCMR. In dit systeem is voor het terrein van de energiecentrale
Maasvlakte een geluidimmissiebudget opgenomen, gebaseerd op een eindcontour voor het
GRW-gebied (Geluidconvenant Rijnmond West). De ligging van de zonegrens (de wette-
lijk vastgestelde 50 dB(A)-contour) voor het gebied is gegeven in figuur 1a.

De zonering houdt in dat de bijdrage vanwege alle op het industrieterrein Europoort
Maasvlakte gelegen bedrijven op de zonegrens ten hoogste 50 dB(A) etmaalwaarde be-
dragen. Omdat op de Maasvlakte vooral continu bedrijven zijn gevestigd, kan de zone-
grens als een 24-uurs equivalent 40 dB(A) geluidscontour worden gezien die planologisch
is vastgelegd voor industrielawaai.
2.4. Zonering industrielawaai Tweede Maasvlakte

Momenteel wordt de Tweede Maasvlakte aangelegd. Voor de Tweede Maasvlakte is
eveneens een geluidzone vastgesteld zoals gegeven in figuur 8. Uit figuur 8 blijkt dat deze
planologische zone ver over de zone van industrieterrein Europoort/Maasvlakte heen ligt.
Hoewel de Tweede Maasvlakte nog in aanleg is, wordt rekening gehouden met een ge-
luidemissie vanwege dit industrieterrein zoals vastgelegd in de planologische zone.


3. VOORGENOMEN ACTIVITEIT
3.1. Vergunningensituatie CO
2
transportleiding

Binnen het ROAD-project worden drie deelsystemen onderscheiden: afvang, transport en
opslag. De grens tussen de systemen afvang en transport ligt op het punt waar de CO
2

transportleiding het compressorstation (onderdeel afvang) verlaat. De grens tussen de sys-
temen transport en opslag ligt op de flens van de riser.

De CO
2
transportleiding wordt niet gezien als een inrichting in het kader van de Wabo.
Omdat de CO
2
transportleiding ook akoestisch gezien niet relevant is (zie volgend), is een
beoordeling van de geluidaspecten in het kader van de geluidboekhouding van het gezo-
neerde industrieterrein Europoort/Maasvlakte niet van toepassing.


Rapport 6091286.R02 6
3.2. Leidingtrac

Het trac van de CO
2
transportleiding is vastgelegd in een rapport met betrekking tot de
tracverkenning en vastgelegd op tekeningen van Gemeentewerken Rotterdam (CO2
LEIDING GDF SUEZ E&P Tracverkenning, d.d. 28 juli 2010). Verdere optimalisatiete-
keningen zijn hierop gebaseerd en voor het laatst aangepast op 26 november 2010.

De CO
2
transportleiding wordt grotendeels ingegraven, waarbij op een aantal plaatsen een
(spoor)weg of leidingenstrook wordt gekruist. Daarnaast komen er HDD in- en uittrede-
punten ter plaatse van de Yangtzehaven en de Maasgeul.
3.3. Basisalternatief en varianten

Het trac van de CO
2
transportleiding zoals vastgelegd in het rapport met betrekking tot de
tracverkenning en op tekeningen van Gemeentewerken Rotterdam is het basisalternatief.

Varianten in het trac worden nog onderzocht, waarbij het trac onder de Yangtzehaven en
het Euromax terrein meer ten westen of ten oosten zal liggen.

Een mogelijk alternatief voor de boring onder de Maasmonding is dat de boringslocatie
250 m opschuift in zuidelijke richting. Daarnaast kan bij de Yangtzehaven de boring van
zuid naar noord plaatsvinden in plaats van noord naar zuid (zie ook 6.4).


4. GELUIDASPECTEN EXPLOITATIEFASE CO
2
TRANSPORTLEIDING
4.1. CO
2
transportleiding

De CO
2
transportleiding wordt grotendeels ingegraven in een leidingenstrook en bestaat
uit een circa 5 km lange koolstofstalen buis met natte isolatie en een betonnen bescherm-
laag. Eventuele geluidafstraling door de leiding is niet aan de orde.

Mogelijk dat het eerste deel van de leiding vanaf het compressorstation bovengronds
loopt. Dit deel wordt dan voorzien van een akoestisch/thermische isolatie, zodanig dat ook
de geluidemissie vanwege dit leidingdeel akoestisch als niet relevant kan worden beoor-
deeld.
4.2. Pigging station

Op het terrein van de E.ON energiecentrale Maasvlakte komt nog een zogenaamd pigging
station. De exacte locatie is nog niet bekend, maar is in ieder geval geprojecteerd tussen
het compressorstation en het punt waar de CO
2
transportleiding de inrichting (E.ON ener-
giecentrale Maasvlakte) verlaat.
Rapport 6091286.R02 7
Een pigging station is een klein gebouwtje waarin een prop wordt bewaard die van tijd tot
tijd in de buisleiding gebracht wordt. Daarbij wordt de prop (pig) door de buisleiding
heen geschoten met gecomprimeerde lucht, zodat de wanden van de buisleiding worden
schoongemaakt.

Binnen het pigging station zal een persluchtcompressor worden geplaatst ten behoeve van
het schoonmaken van de buisleiding. Omdat de compressor binnen wordt geplaatst en
voorzien van geluidgedempte luchtaanvoer, is het pigging station akoestisch niet relevant.
Dit nog los van het beperkte gebruik (beperkt aantal malen per jaar).


5. GELUIDASPECTEN AANLEGFASE CO
2
TRANSPORTLEIDING
5.1. Algemeen

Een globale omschrijving van de werkzaamheden tijdens het ingraven van de CO
2
trans-
portleiding is gegeven in het document ROAD Project: Aanleg en gebruik CO
2
transport-
leiding, rapportnr. 9V7319.20, d.d. 18 oktober 2010.

De geluidemissie tijdens de aanlegfase zal uiteindelijk sterk afhankelijk zijn van het ge-
bruikte materieel, de inzet van personeel (aantal) en de werktijden. In de volgende para-
grafen is een prognose gemaakt op basis van ervaringsgegevens en bronsterkten van mate-
rieel en activiteiten voor het gedeelte buiten het terrein van de E.ON energiecentrale
Maasvlakte. Verwacht mag worden (gezien de afstand) dat de aanleg van de CO
2
trans-
portleiding op het terrein van E.ON energiecentrale akoestisch niet relevant is voor het
beoordelingsgebied Voordelta.
5.2. Ingraven in leidingstrook

De geluidemissie tijdens het ingraven in de leidingstrook zal worden veroorzaakt door
graafwerkzaamheden, laswerkzaamheden, kraanmachines, transporten etc. In tabel 1 is
een overzicht gemaakt van de mogelijke geluidproductie tijdens het ingraven van de CO
2

transportleiding in de bestaande leidingstrook.

Tabel 1: Overzicht van de te verwachten geluidemissie tijdens het ingraven van de
CO
2
transportleiding
Bronomschrijving Bronsterkte
L
W
in dB(A)
Aantal Bedrijfsduur in uren of minuten Bronsterkte
over 24 uur dagperiode avondperiode nachtperiode
mobiele kranen 105.0 1 6 2 - 100.2
shovel/wiellaadschop 107.0 1 2 1 - 98.0
stationaire hijskraan 99.7 2 12 4 - 100.9
vrachtwagens 106.0 10 (dag) 10 x 5 min. - - 91.4
laswerkzaamheden 95.0 2 12 4 - 96.2
generatorset 95.0 1 12 4 - 93.2
Totaal 105.7
Rapport 6091286.R02 8
De in tabel 1 gegeven totale geluidsbron is in het akoestisch rekenmodel (zie hoofdstuk 5)
ingevoerd met behulp van een lijnbron, waarbij de totale bronsterkte representatief wordt
geacht voor een lengte van circa 100 m in te graven gedeelte (ingevoerde bronsterkte is
L
W
=85,7 dB(A)/m).

Door de modellering met een lijnbron zal de geluidimmissie worden overschat, omdat op
die manier wordt verondersteld dat op het gehele traject tegelijkertijd wordt gewerkt aan
het ingraven. Middels een testberekening met een puntbron is dit effect globaal gesteld op
10 dB op immissieniveau. In de berekeningen en het presenteren van de geluidscontouren
(zie volgend) is hiermee rekening gehouden.
5.3. Korte kruisingen (avegaarboor)

Op een aantal locaties maakt de CO
2
transportleiding een kruising met een spoor, weg of
leidingstrook. Sommige kruisingen worden gerealiseerd met een open sleuftechniek. De
geluidemissie op deze punten is vergelijkbaar met het ingraven volgens de vorige para-
graaf.

Wanneer er sprake is van iets langere kruisingen wordt er gebruik gemaakt van een ave-
gaar grondboor. Dit is een simpele boortechniek waarbij via twee kleine boorputten met
een avegaar grondboor het spoor, de weg of de leidingstrook wordt gepasseerd.

In tabel 2 is een overzicht gegeven van de mogelijk te verwachten geluidemissie op punten
waar deze techniek wordt toegepast.

Tabel 2: Overzicht van de te verwachten geluidemissie op de punten waar een
spoor, weg of leidingstrook wordt gepasseerd met een avegaar boor
Bronomschrijving Bronsterkte
L
W
in dB(A)
Aantal Bedrijfsduur in uren of minuten Bronsterkte
over 24 uur dagperiode avondperiode nachtperiode
mobiele kraan (boorput) 105.0 1 6 - - 99.0
stationaire hijskraan 99.7 1 12 - - 96.7
vrachtwagens 106.0 2 (dag) 2 x 5 min. - - 84.4
laswerkzaamheden 95.0 1 4 - - 87.2
generatorset 95.0 4 4 - - 93.2
boormotor 90.0 1 12 - - 87.0
Totaal 102.0

De in tabel 2 gegeven bronsterkte is met behulp van 5 puntbronnen ingevoerd in het
akoestisch rekenmodel op die locaties waar de aangegeven werkwijze wordt uitgevoerd
(zie ook figuur 3).
5.4. HDD in- en uittredepunten

Voor lange kruisingen met infrastructuur wordt gebruik gemaakt van HDD-techniek (Ho-
rizontal Directional Drilling). De twee locaties waar dit gaat plaatsvinden zijn bij de
Yangtzehaven/Euromax en de Maasmonding. Bij de Yangtzehaven wordt vanaf de noord-
Rapport 6091286.R02 9
zijde geboord (intredepunt). Het uittredepunt bij de Maasmonding is op zee. Bij het uittre-
depunt aan de zuidzijde van de Yangtzehaven wordt de buisleiding aan elkaar gelast en
van daaruit door het boorgat getrokken.

Een overzicht van de te verwachten geluidsbronnen bij de HDD in- en uittredepunten op
het land is gegeven in tabel 3.

Tabel 3: Overzicht van de te verwachten geluidemissie bij de HDD in- en uittrede-
punten
Bronomschrijving Bronsterkte
L
W
in dB(A)
Aantal Bedrijfsduur in uren of minuten Bronsterkte
over 24 uur dagperiode avondperiode nachtperiode
HDD intredepunten (Yangtzehaven noord en Maasmonding)
boorinstallatie 108.0 1 12 4 8 108.0
hydraulische units/power 98.6 2 12 4 8 101.6
pompen 93.0 3 12 4 8 97.8
bentonietinstallatie 103.8 1 6 2 4 100.8
vrachtwagens 106.0 5 (dag) 5 x 5 min. - - 88.4
generatoren 95.0 3 12 4 8 99.8
Totaal 110.2
HDD uittredepunt (Yangtzehaven zuid)
mobiele kraan 105.0 1 6 - - 99.0
stationaire hijskraan 99.7 2 12 4 8 102.7
vrachtwagens 106.0 2 (dag) 2 x 5 min. - - 84.4
laswerkzaamheden 95.0 2 6 2 4 95.0
generatorset 95.0 2 12 4 8 98.0
Totaal 105.6

De in tabel 3 gegeven bronsterkten zijn met behulp van 6 puntbronnen ingevoerd per bo-
ringslocatie.
5.5. Geluidbeperkende maatregelen bij de aanleg van de CO
2
transportleiding/BBT

De CO
2
transportleiding wordt niet gezien als een inrichting in het kader van de Wabo (zie
3.1) en het begrip BBT (Beste Beschikbare Technieken) is in die zin niet van toepassing.
Bij de aanleg van de afvanginstallatie wordt zoveel als mogelijk rekening gehouden met
het aspect geluid door de inzet van moderne machines en materieel overeenkomstig de
Stand der Techniek (het in de loop der jaren stiller worden van materieel vloeit voort uit
Europese regelgeving). Deze werkwijze kan worden gezien als BBT, wat betekent dat ge-
tracht moet worden de nadelige gevolgen voor het milieu vanwege de werkzaamheden zo-
veel als mogelijk te voorkomen. De in te tabellen 1 t/m 3 gehanteerde geluidemissiegege-
vens zijn gebaseerd op de Stand der Techniek/BBT.
5.6. Circulaire Bouwlawaai 2010

Richtlijnen ten aanzien van de toelaatbaar te achten geluidsniveaus vanwege bouw- en
sloopwerkzaamheden zijn vastgelegd in de door het Ministerie van Infrastructuur en Mili-
eu uitgegeven Circulaire Bouwlawaai 2010.

Rapport 6091286.R02 10
Als toetsingsnorm voor de dagwaarde (langtijdgemiddeld beoordelingsniveau L
Ar,LT
in de
periode 07.00-19.00 uur) vanwege bouw- en sloopwerkzaamheden op de gevel van wo-
ningen en andere geluidsgevoelige gebouwen en op de grens van geluidsgevoelige terrei-
nen geldt een voorkeurwaarde van 60 dB(A). Afhankelijk van de duur van de werkzaam-
heden kunnen hogere geluidsniveaus worden toegestaan.

Aangezien op de Maasvlakte geen geluidsgevoelige bestemmingen zijn gelegen (wonin-
gen op grote afstand), geeft de Circulaire Bouwlawaai 2010 geen beperkingen ten aanzien
van de geluidemissie vanwege bouwactiviteiten op de Maasvlakte.
5.7. Beoordeling van geluid in het kader van de Natuurbeschermingswet

Bij de beoordeling van luchtgeluid in het kader van de Natuurbeschermingswet kan aan-
sluiting worden gezocht bij hetgeen bekend is van de verstoring van vogels. Met name is
veel onderzoek gedaan naar het effect van weg- en railverkeer op het broeden van weide-
vogels (Waterman et al., 2002, Reijnen et al., 1992, 1997). Verder is er de afgelopen jaren
een veelvoud aan studies gedaan aan het effect van verschillende soorten verstoringsbron-
nen op vogels. Een probleem is dat een nauwkeurige dosis-effect relatie voor geluid
vaak niet aan te geven is, omdat er altijd een complex aan storende factoren optreedt. Ge-
luid wordt meestal veroorzaakt door een zichtbaar aanwezige bron en de vraag is dan wat
uiteindelijk de verstoring veroorzaakt.

Uiteindelijk wordt voor de effectbeoordeling in het kader van natuur/vogels in het alge-
meen het equivalente geluidsniveau over 24 uur als beoordelingsgrootheid gehanteerd en
niet etmaalwaarden met correcties van 5 dB voor de avondperiode en 10 dB voor de
nachtperiode. Daarbij is door Reijnen et al. een drempelwaarde aangegeven van 47 dB(A)
voor gemiddelde weidevogels en 43 dB(A) voor kritische, gevoelige weidevogels.

Het relevante immissiegebied in het kader van de Natuurbeschermingswet is het Natura
2000 gebied Voordelta (zie figuur 1b), direct beginnend achter de golfbreker. Voor zover
bekend is dit gebied ter hoogte van de energiecentrale Maasvlakte nog steeds Natura 2000
gebied, terwijl ondertussen Maasvlakte 2 wordt aangelegd in dit gebied.


6. MODELLERING EN CONTOURBEREKENINGEN
6.1. Meet- en rekenvoorschrift

De berekeningen van de geluidscontouren vanwege de aanleg van de CO
2
transportleiding
over land zijn uitgevoerd overeenkomstig de richtlijnen van de Handleiding Meten en
Rekenen Industrielawaai van 1999 (publicatie VROM, uitgave Samsom). Verder is ge-
bruik gemaakt van de specialistische methoden, Module C/Methode II. Overeenkomstig
Rapport 6091286.R02 11
het SI2-rekenmodel van DCMR Milieudienst Rijnmond voor het gebied van de Maasvlak-
te, wordt een afwijkende luchtdemping toegepast volgens TNO-TPD.
6.2. Rekenmodel

Door DCMR Milieudienst Rijnmond wordt in het kader van de zonering het rekenpro-
gramma Geonoise, versie 4.06, voorgeschreven (volgens de modelregels). Voor het bere-
kenen van de geluidscontouren vanwege de aanlegfase in het kader van de Natuurbe-
schermingswet is het rekenmodel overgezet naar het programma GeoMilieu, versie V1.62
van dgmr-software. In dit programma kan de beoordelingsperiode worden aangepast naar
24 uur voor het berekenen van de equivalente geluidsniveaus over 24 uur.

Een overzicht van de in het rekenmodel ingevoerde geluidsbronnen met cordinaten,
hoogten en octaafbandspectra is gegeven in bijlage 2.

De CO
2
transportleiding wordt voor een groot deel aangelegd langs of in de buurt van de
zeewering. Omdat deze zeewering relevant is voor de afscherming in de richting van het
Natura 2000 gebied Voordelta, is deze als scherm met een hoogte van +3,0 m t.o.v. het
lokale maaiveld ingevoerd. Samen met een profielcorrectie van 2 dB.

Een totaaloverzicht van het akoestisch rekenmodel is gegeven in figuur 3.
6.3. Berekening geluidscontouren vanwege de aanlegfase

Met het akoestisch rekenmodel zijn de geluidscontouren bepaald door middel van interpo-
latie van op matrixpunten berekende geluidsniveaus op een waarneemhoogte h
o
=+1,5 m.
De afstand tussen de matrixpunten bedraagt 200 m.

In de onderstaande figuren is een overzicht gegeven van de berekende 30 dB(A), 35
dB(A), 40 dB(A) en 45 dB(A) geluidscontouren als 24-uurs equivalent voor de volgende
situaties:

Figuur 4: geluidscontouren vanwege het ingraven van de buisleiding (tabel 1);
Figuur 5: geluidscontouren vanwege het avegaar boren van kruisingen met wegen e.d.
(tabel 2);
Figuur 6: geluidscontouren vanwege de HDD-boring voor de Yangtzehaven (tabel 3);
Figuur 7: geluidscontouren vanwege de HDD-boring voor de Maasmonding (tabel 3).
6.4. Berekening geluidscontouren vanwege alternatieve boorlocaties

Ten opzichte van het akoestisch rekenmodel volgens figuur 3 zijn er momenteel twee al-
ternatieven met betrekking tot de HDD-boorlocaties. Voor de HDD-boring onder de
Maasmonding geldt dat deze nog 250 m in zuidoostelijke richting kan opschuiven.

Rapport 6091286.R02 12
Verder is volgens figuur 3 het uitgangspunt dat de HDD-boring onder de Yangtzehaven
van noord naar zuid gaat plaatsvinden. In het alternatieve scenario kan er van zuid naar
noord worden geboord.

Met betrekking tot de alternatieve boorlocaties zijn geluidscontouren opnieuw berekend en
gegeven in de figuren 9 en 10.

De ligging van het trac kan door de gewijzigde boorlocaties iets wijzigen. Het effect op
de geluidscontouren vanwege het ingraven is niet significant. De booractiviteiten zijn
maatgevend.

Omdat het boren onder de Maasmonding opschuift in zuidoostelijke richting en het boren
voor de Yangtzehaven aan de zuidzijde kan gaan plaatsvinden, zijn de berekende geluids-
contouren volgens figuur 9/10 gunstiger ten opzichte van de figuren 6/7. De geluidprodu-
cerende activiteiten schuiven op richting het industrieterrein.


7. BEOORDELING RESULTATEN EN CONCLUSIES
7.1. Algemeen

In opdracht van Haskoning Nederland B.V. is een akoestisch onderzoek uitgevoerd naar
de aanleg en exploitatie van een CO
2
transportleiding in het kader van het ROAD-project
(Rotterdam Opslag en Afvang Demonstratie project) op het terrein van de E.ON energie-
centrale Maasvlakte.

Voor wat betreft de exploitatie van de CO
2
transportleiding geldt dat deze niet wordt ge-
zien als een inrichting in het kader van de Wabo. Daarom en mede omdat de CO
2
trans-
portleiding akoestisch gezien niet relevant is, is een beoordeling van de geluidaspecten in
het kader van de geluidboekhouding van het gezoneerde industrieterrein Euro-
poort/Maasvlakte niet van toepassing. Dit geldt tevens voor het pigging station dat onder-
deel uitmaakt van de CO
2
transportleiding.
7.2. Beoordeling geluidscontouren in het kader van de Natuurbeschermingswet

Ten behoeve van een effectbeoordeling in het kader van de Natuurbeschermingswet is een
prognose opgesteld voor de geluidemissie vanwege de aanlegfase over land buiten het
terrein van de E.ON energiecentrale Maasvlakte. De prognoses zijn gegeven in de tabellen
1 t/m 3 voor verschillende onderdelen van de aanlegfase.

De alternatieve boringslocaties (Maasmonding 250 m zuidoost, Yangtzehaven zuid naar
noord) hebben een positieve invloed op de geluidscontouren omdat de geluidemissie op-
schuift richting industrieterrein.
Rapport 6091286.R02 13
Gezien de berekende geluidsniveaus en de heersende geluidsniveaus vanwege de E.ON
energiecentrale Maasvlakte en alle overige bedrijven op het industrieterrein Europoort
Maasvlakte, zal de aanlegfase van de CO
2
transportleiding over land niet tot extra versto-
ring leiden in het Natura 2000 gebied Voordelta. Uitgegaan wordt daarbij van de huidige
situatie. Lopende het project zal de aanleg van de Maasvlakte meer vorm krijgen (autono-
me ontwikkeling).
7.3. Overige aspecten

In deze rapportage is ingegaan op de geluidemissie en -immissie als gevolg van de aanleg
van een CO
2
transportleiding op de Maasvlakte. De rekenmethodiek is vooral toegespitst
op mogelijk voor mensen hinderlijke situaties. De aanleg is mogelijk waarneembaar in het
Natura 2000 gebied Voordelta. Vaak zijn echter natuurlijke geluiden (wind, breken van
golven) overheersend, alsmede bestaande geluidsbronnen die planologisch niet zijn gere-
geld (bijvoorbeeld oudere windturbines nabij de zeewering).

Door meteorologische invloeden kan de geluidoverdracht sterk variren, met name bij
afstanden groter dan 50 m. Bij het bepalen van de beoordelingsgrootheden (zie voorgaand)
wordt rekening gehouden met een gemiddelde meteocorrectieterm C
m
. Deze varieert van 0
tot maximaal 5 dB op grotere afstanden en mag worden toegepast op de onder meewind-
condities (meteoraam) gemeten (of berekende) geluidsniveaus, omdat dit niveau hoger is
dan gemiddeld over een langere periode met varirende meteorologische omstandigheden.

De meteocorrectie is gedefinieerd als functie van de afstand tussen bron en waarneempunt,
onafhankelijk van de windrichting. Voor de situatie Maasvlakte geldt dat de Voordelta
westelijk ligt van de Maasvlakte. De overheersende windrichting in Nederland is zuid-
west, zodat gemiddeld over een langere periode de situatie akoestisch gezien gunstig is.

Naast de equivalente geluidsniveaus (of langtijdgemiddelde beoordelingsniveaus) worden
veelal de maximale geluidsniveaus beschouwd binnen de hindersystematiek voor mensen.
Tijdens de aanleg van de CO
2
transportleiding kunnen maximale geluidsniveaus voorko-
men (pieken). In het algemeen kunnen de maximale geluidsniveaus 10-20 dB hoger zijn
dan de equivalente geluidsniveaus. Door de berekende contourwaarden uit de figuren 4
t/m 7 met 10-20 dB te verhogen kan een inschatting worden verkregen van de optredende
maximale geluidsniveaus tijdens de aanlegfase.




WNP raadgevende ingenieurs



mevr. dr. R.F. Noorman ir. R. Koster
CX11.1/41
CX11.1/04.6
CX11.1/42
MAASEURO 17-03-2009 13:11:27
WNP raadgevende ingenieurs Project 6091286
Figuur 1
Overzicht van de situatie: verkaveling van het industrieterrein Europoort/Maasvlakte
en de ligging van de zonegrens
Industrielawaai - IL, [MVG09041.SI2 - 24-uurs effectmodel, exclusief aanlegfase] , Geomilieu V1.62
60000 70000
440000
0 m 3000 m
schaal =1 : 85591
zonegrens
Europoort/Maasvlakte
kavel energiecentrale
Maasvlakte
grens
industrieterrein
Figuur 1a
54124 64124
440053
450053
x =057400
y =447300
Project 6091286
Figuur 1b
Overzicht Natura 2000 gebied Voordelta
Figuur 2: actuele
lay-out MPP3
6
10
1
2
3
4
67
89
1011
12
13 14
15 16
17
18 19
20 21
22 23
5
WNP raadgevende ingenieurs Project 6091286
Figuur 3
Totaaloverzicht van het akoestisch rekenmodel voor het berekenen
van de geluidscontouren vanwege het aanleggen van de CO2 transportleiding over land
Industrielawaai - IL, [MVG09041.SI2 - 24-uurs effectmodel, aanlegfase CO2 transportleiding] , Geomilieu V1.62
61000 62000
445000
444000
443000
0 m 600 m
schaal =1 : 15000
CX11.1/41
CX11.1/04.6
CX11.1/42
30
30
30 30
30
35
35
35
40
40
45
45
WNP raadgevende ingenieurs Project 6091286
Figuur 4
Overzicht van de berekende geluidscontouren vanwege het ingraven
de CO2 transpportleiding over land
Industrielawaai - IL, [MVG09041.SI2 - 24-uurs effectmodel, aanlegfase CO2 transportleiding] , Geomilieu V1.62
60000 64000
448000
444000
440000
periode: 24-uur
groep: ingraven
45 dB(A)
40 dB(A)
35 dB(A)
30 dB(A)
0 m 1000 m
schaal =1 : 40000
CX11.1/41
CX11.1/04.6
CX11.1/42
30
30
30
30
30
35
35
40
40
40
45
45
WNP raadgevende ingenieurs Project 6091286
Figuur 5
Overzicht van de berekende geluidscontouren vanwege het avegaar boren
van kruisingen met wegen e.d.
Industrielawaai - IL, [MVG09041.SI2 - 24-uurs effectmodel, aanlegfase CO2 transportleiding] , Geomilieu V1.62
60000 64000
448000
444000
440000
periode: 24-uur
groep: boren wegen e.d.
45 dB(A)
40 dB(A)
35 dB(A)
30 dB(A)
0 m 1000 m
schaal =1 : 40000
CX11.1/41
CX11.1/04.6
CX11.1/42
30
30
30
30
30
30
30
30
30
35
35
35
40
40
45
45
WNP raadgevende ingenieurs Project 6091286
Figuur 6
Overzicht van de berekende geluidscontouren vanwege de HDD-boring
ten behoeve van de Yangtzehaven
Industrielawaai - IL, [MVG09041.SI2 - 24-uurs effectmodel, aanlegfase CO2 transportleiding] , Geomilieu V1.62
60000 64000
448000
444000
440000
periode: 24-uur
groep: boren Yangtzehaven
45 dB(A)
40 dB(A)
35 dB(A)
30 dB(A)
0 m 1000 m
schaal =1 : 40000
CX11.1/41
CX11.1/04.6
CX11.1/42
30
30
30
30
30
35
35 40
45
WNP raadgevende ingenieurs Project 6091286
Figuur 7
Overzicht van de berekende geluidscontouren vanwege de HDD-boring
ten behoeve van de Maasmonding
Industrielawaai - IL, [MVG09041.SI2 - 24-uurs effectmodel, aanlegfase CO2 transportleiding] , Geomilieu V1.62
60000 64000
448000
444000
440000
periode: 24-uur
groep: boren Maasmonding
45 dB(A)
40 dB(A)
35 dB(A)
30 dB(A)
0 m 1000 m
schaal =1 : 40000
Besluit vaststelling geluidszone Tweede Maasvlakte, Bijlage
(Tekst geldend op: 31-07-2009)
Bijlage behorende bij het Besluit vaststelling geluidszone Tweede Maasvlakte
Figuur 8:
Overzicht van de ligging
van de zonegrens voor de
Tweede Maasvlakte
CX11.1/41
CX11.1/04.6
CX11.1/42
30
30
30
30
30
30
30
35
35
35 40
40
45
45
WNP raadgevende ingenieurs Project 6091286
Figuur 9 (alternatief figuur 6)
Overzicht van de berekende geluidscontouren vanwege de HDD-boring
ten behoeve van de Yangtzehaven
Industrielawaai - IL, [MVG09041.SI2 - 24-uurs effectmodel, aanlegfase CO2 transportleiding, variant] , Geomilieu V1.71
60000 64000
448000
444000
440000
periode: 24-uur
groep: boren Yangtzehaven
45 dB(A)
40 dB(A)
35 dB(A)
30 dB(A)
0 m 1000 m
schaal =1 : 40000
CX11.1/41
CX11.1/04.6
CX11.1/42
30
30
30
30
30
35
35
40
45
WNP raadgevende ingenieurs Project 6091286
Figuur 10 (alternatief figuur 7)
Overzicht van de berekende geluidscontouren vanwege de HDD-boring
ten behoeve van de Maasmonding
Industrielawaai - IL, [MVG09041.SI2 - 24-uurs effectmodel, aanlegfase CO2 transportleiding, variant] , Geomilieu V1.71
60000 64000
448000
444000
440000
periode: 24-uur
groep: boren Maasmonding
45 dB(A)
40 dB(A)
35 dB(A)
30 dB(A)
0 m 1000 m
schaal =1 : 40000
Bijlage 1
BEGRIPPEN
Decibel A, afgekort dB(A): een maat voor de sterkte van geluid, zoals het door de mens wordt waargenomen, ten
opzichte van een referentiedruk van 20 Pa.
Equivalent geluidsniveau L
Aeq,T
in dB(A): het energetisch gemiddelde van de fluctuerende niveaus van het ter plaatse,
in de loop van een bepaalde periode optredende geluid.
Gestandaardiseerd immissieniveau L
i
in dB(A): het equivalente geluidsniveau dat tijdens een bepaalde bedrijfstoe-
stand onder meteoraamomstandigheden op een bepaalde plaats en hoogte wordt vastgesteld.
Immissierelevante bronsterkte L
WR
in dB(A): het geluidvermogensniveau van een denkbeeldige bron, gelegen in het
centrum van de werkelijke geluidsbron, die in de richting van het immissiepunt dezelfde geluiddrukniveaus veroorzaakt
als de werkelijke geluidsbron.
Langtijdgemiddeld deelgeluidsniveau L
Aeqi,LT
in dB(A): equivalent A-gewogen geluidsniveau over een specifieke
beoordelingsperiode ten gevolge van een specifieke bedrijfstoestand op een immissiepunt, bij een meteoraamgemiddel-
de geluidsoverdracht, zo nodig gecorrigeerd voor de gevelreflectie.
Langtijdgemiddeld deelbeoordelingsniveau L
Ari,LT
in dB(A): equivalent A-gewogen geluidsniveau over een
specifieke beoordelingsperiode ten gevolge van een specifieke bedrijfstoestand op een beoordelingspunt, zo nodig
gecorrigeerd voor de aanwezigheid van impulsachtig geluid, zuivere tooncomponent of muziekgeluid.
Langtijdgemiddeld beoordelingsniveau L
Ar,LT
in dB(A): energetische sommatie van de langtijdgemiddelde
deelbeoordelingsniveaus.
Etmaalwaarde van het equivalente geluidsniveau vanwege het industrieterrein L
etmaal
in dB(A): de hoogste van de
volgende drie waarden:
- L
Ar,LT
over de dagperiode;
- L
Ar,LT
over de avondperiode + 5;
- L
Ar,LT
over de nachtperiode + 10.
Europese dosismaat L
den
in dB(A): gewogen gemiddelde van het geluidsniveau in de dagperiode, avondperiode en
nachtperiode.
Dagperiode: de beoordelingsperiode van 07.00 tot 19.00 uur.
Avondperiode: de beoordelingsperiode van 19.00 tot 23.00 uur.
Nachtperiode: de beoordelingsperiode van 23.00 tot 07.00 uur.
Maximaal geluidsniveau (piekgeluidsniveau) L
Amax
in dB(A): het maximaal te meten A-gewogen geluidsniveau,
meterstand fast gecorrigeerd met de meteocorrectieterm C
m
.
Immissiepunt: de plaats waarop het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau wordt bepaald.
Representatieve bedrijfssituatie: toestand waarbij de voor de geluidproductie relevante omstandigheden kenmerkend
zijn voor een bedrijfsvoering bij volledige capaciteit in de te beschouwen etmaalperiode.
Bedrijfstoestand: toestand van een inrichting, die relevant is voor te verrichten metingen.
Meteoraam: de meteorologische omstandigheden waaronder een goede en stabiele geluidoverdracht plaatsvindt.
Stoorgeluid: het op een bepaalde plaats optredende geluid, veroorzaakt door andere geluidsbronnen dan die waarvan
het geluidsniveau wordt bepaald.
Zone: een rond een industrieterrein gelegen gebied, waarbuiten een bepaalde geluidsbelasting vanwege dit terrein niet
wordt overschreden.
Project 6091286 WNP raadgevende ingenieurs
Bijlage 2.1 (puntbronnen aanleg CO2 transportleiding)
Model : 24- uur s ef f ect model , aanl egf ase CO2 t r anspor t l ei di ng
Gr oep: aanl eg CO2 t r anspor t l ei di ng
Li j st van Punt br onnen, voor r ekenmet hode I ndust r i el awaai - I L
Naam Omschr . X Y Type Hoogt e Ri cht . Hoek GeenRef l . GeenDempi ng
1 avegaar bor i ng 60810. 12 442682. 40 Nor mal e punt br on 1. 50 0. 00 360. 00 Nee Nee
2 avegaar bor i ng 60736. 41 442656. 40 Nor mal e punt br on 1. 50 0. 00 360. 00 Nee Nee
3 avegaar bor i ng 60657. 21 443471. 93 Nor mal e punt br on 1. 50 0. 00 360. 00 Nee Nee
4 avegaar bor i ng 62237. 98 444758. 70 Nor mal e punt br on 1. 50 0. 00 360. 00 Nee Nee
5 avegaar bor i ng 60631. 17 443331. 56 Nor mal e punt br on 1. 50 0. 00 360. 00 Nee Nee
6 ui t t r edepunt HDD- bor i ng Yangt zehaven 60662. 21 443520. 36 Nor mal e punt br on 1. 50 0. 00 360. 00 Nee Nee
7 ui t t r edepunt HDD- bor i ng Yangt zehaven 60692. 74 443520. 69 Nor mal e punt br on 1. 50 0. 00 360. 00 Nee Nee
8 ui t t r edepunt HDD- bor i ng Yangt zehaven 60660. 07 443549. 55 Nor mal e punt br on 1. 50 0. 00 360. 00 Nee Nee
9 ui t t r edepunt HDD- bor i ng Yangt zehaven 60689. 95 443549. 23 Nor mal e punt br on 1. 50 0. 00 360. 00 Nee Nee
10 ui t t r edepunt HDD- bor i ng Yangt zehaven 60660. 07 443579. 76 Nor mal e punt br on 1. 50 0. 00 360. 00 Nee Nee
11 ui t t r edepunt HDD- bor i ng Yangt zehaven 60689. 95 443580. 08 Nor mal e punt br on 1. 50 0. 00 360. 00 Nee Nee
12 i nt r edepunt HDD- bor i ng Maasgeul 62291. 16 444867. 26 Nor mal e punt br on 1. 50 0. 00 360. 00 Nee Nee
13 i nt r edepunt HDD- bor i ng Maasgeul 62279. 99 444879. 55 Nor mal e punt br on 1. 50 0. 00 360. 00 Nee Nee
14 i nt r edepunt HDD- bor i ng Maasgeul 62300. 04 444879. 80 Nor mal e punt br on 1. 50 0. 00 360. 00 Nee Nee
15 i nt r edepunt HDD- bor i ng Maasgeul 62279. 75 444900. 09 Nor mal e punt br on 1. 50 0. 00 360. 00 Nee Nee
16 i nt r edepunt HDD- bor i ng Maasgeul 62300. 04 444899. 85 Nor mal e punt br on 1. 50 0. 00 360. 00 Nee Nee
17 i nt r edepunt HDD- bor i ng Maasgeul 62291. 93 444916. 83 Nor mal e punt br on 1. 50 0. 00 360. 00 Nee Nee
18 i nt r edepunt HDD- bor i ng Yangt zehaven 61200. 79 444779. 92 Nor mal e punt br on 1. 50 0. 00 360. 00 Nee Nee
19 i nt r edepunt HDD- bor i ng Yangt zehaven 61221. 19 444779. 92 Nor mal e punt br on 1. 50 0. 00 360. 00 Nee Nee
20 i nt r edepunt HDD- bor i ng Yangt zehaven 61199. 84 444799. 89 Nor mal e punt br on 1. 50 0. 00 360. 00 Nee Nee
21 i nt r edepunt HDD- bor i ng Yangt zehaven 61220. 10 444800. 03 Nor mal e punt br on 1. 50 0. 00 360. 00 Nee Nee
22 i nt r edepunt HDD- bor i ng Yangt zehaven 61200. 13 444820. 00 Nor mal e punt br on 1. 50 0. 00 360. 00 Nee Nee
23 i nt r edepunt HDD- bor i ng Yangt zehaven 61220. 10 444819. 86 Nor mal e punt br on 1. 50 0. 00 360. 00 Nee Nee
9-11-2010 14:50:22 Geomilieu V1.62
Project 6091286 WNP raadgevende ingenieurs
Bijlage 2.1 (puntbronnen aanleg CO2 transportleiding)
Model : 24- uur s ef f ect model , aanl egf ase CO2 t r anspor t l ei di ng
Gr oep: aanl eg CO2 t r anspor t l ei di ng
Li j st van Punt br onnen, voor r ekenmet hode I ndust r i el awaai - I L
Naam Lwr 31 Lwr 63 Lwr 125 Lwr 250 Lwr 500 Lwr 1k Lwr 2k Lwr 4k Lwr 8k Lwr Tot aal Cb( D) Cb( A) Cb( N)
1 63. 10 75. 10 83. 00 91. 30 95. 80 96. 30 94. 20 94. 90 86. 70 102. 00 0. 00 0. 00 0. 00
2 63. 10 75. 10 83. 00 91. 30 95. 80 96. 30 94. 20 94. 90 86. 70 102. 00 0. 00 0. 00 0. 00
3 63. 10 75. 10 83. 00 91. 30 95. 80 96. 30 94. 20 94. 90 86. 70 102. 00 0. 00 0. 00 0. 00
4 63. 10 75. 10 83. 00 91. 30 95. 80 96. 30 94. 20 94. 90 86. 70 102. 00 0. 00 0. 00 0. 00
5 63. 10 75. 10 83. 00 91. 30 95. 80 96. 30 94. 20 94. 90 86. 70 102. 00 0. 00 0. 00 0. 00
6 71. 90 80. 20 84. 20 86. 80 91. 30 92. 00 91. 70 88. 50 76. 30 97. 80 0. 00 0. 00 0. 00
7 71. 90 80. 20 84. 20 86. 80 91. 30 92. 00 91. 70 88. 50 76. 30 97. 80 0. 00 0. 00 0. 00
8 71. 90 80. 20 84. 20 86. 80 91. 30 92. 00 91. 70 88. 50 76. 30 97. 80 0. 00 0. 00 0. 00
9 71. 90 80. 20 84. 20 86. 80 91. 30 92. 00 91. 70 88. 50 76. 30 97. 80 0. 00 0. 00 0. 00
10 71. 90 80. 20 84. 20 86. 80 91. 30 92. 00 91. 70 88. 50 76. 30 97. 80 0. 00 0. 00 0. 00
11 71. 90 80. 20 84. 20 86. 80 91. 30 92. 00 91. 70 88. 50 76. 30 97. 80 0. 00 0. 00 0. 00
12 76. 50 84. 80 88. 80 91. 40 95. 90 96. 60 96. 10 93. 50 80. 90 102. 40 0. 00 0. 00 0. 00
13 76. 50 84. 80 88. 80 91. 40 95. 90 96. 60 96. 10 93. 50 80. 90 102. 40 0. 00 0. 00 0. 00
14 76. 50 84. 80 88. 80 91. 40 95. 90 96. 60 96. 10 93. 50 80. 90 102. 40 0. 00 0. 00 0. 00
15 76. 50 84. 80 88. 80 91. 40 95. 90 96. 60 96. 10 93. 50 80. 90 102. 40 0. 00 0. 00 0. 00
16 76. 50 84. 80 88. 80 91. 40 95. 90 96. 60 96. 10 93. 50 80. 90 102. 40 0. 00 0. 00 0. 00
17 76. 50 84. 80 88. 80 91. 40 95. 90 96. 60 96. 10 93. 50 80. 90 102. 40 0. 00 0. 00 0. 00
18 76. 50 84. 80 88. 80 91. 40 95. 90 96. 60 96. 10 93. 50 80. 90 102. 40 0. 00 0. 00 0. 00
19 76. 50 84. 80 88. 80 91. 40 95. 90 96. 60 96. 10 93. 50 80. 90 102. 40 0. 00 0. 00 0. 00
20 76. 50 84. 80 88. 80 91. 40 95. 90 96. 60 96. 10 93. 50 80. 90 102. 40 0. 00 0. 00 0. 00
21 76. 50 84. 80 88. 80 91. 40 95. 90 96. 60 96. 10 93. 50 80. 90 102. 40 0. 00 0. 00 0. 00
22 76. 50 84. 80 88. 80 91. 40 95. 90 96. 60 96. 10 93. 50 80. 90 102. 40 0. 00 0. 00 0. 00
23 76. 50 84. 80 88. 80 91. 40 95. 90 96. 60 96. 10 93. 50 80. 90 102. 40 0. 00 0. 00 0. 00
9-11-2010 14:50:22 Geomilieu V1.62
Project 6091286 WNP raadgevende ingenieurs
Bijlage 2.2 (lijnbronnen aanleg CO2 transportleiding)
Model : 24- uur s ef f ect model , aanl egf ase CO2 t r anspor t l ei di ng
Gr oep: aanl eg CO2 t r anspor t l ei di ng
Li j st van Li j nbr onnen, voor r ekenmet hode I ndust r i el awaai - I L
Naam Omschr . I SO H I SO M HDef . Cb( D) Cb( A) Cb( N) X- 1 Y- 1
1 i ngr aven t r anspor t l ei di ng 1. 50 15. 00 Ei gen waar de 0. 00 0. 00 0. 00 61000. 32 442749. 98
2 i ngr aven t r anspor t l ei di ng 1. 50 15. 50 Ei gen waar de 0. 00 0. 00 0. 00 62282. 10 444869. 02
9-11-2010 14:57:48 Geomilieu V1.62
Project 6091286 WNP raadgevende ingenieurs
Bijlage 2.2 (lijnbronnen aanleg CO2 transportleiding)
Model : 24- uur s ef f ect model , aanl egf ase CO2 t r anspor t l ei di ng
Gr oep: aanl eg CO2 t r anspor t l ei di ng
Li j st van Li j nbr onnen, voor r ekenmet hode I ndust r i el awaai - I L
Naam Lwr M 31 Lwr M 63 Lwr M 125 Lwr M 250 Lwr M 500 Lwr M 1k Lwr M 2k Lwr M 4k Lwr M 8k Lwr M Tot aal
1 43. 10 54. 20 62. 00 65. 70 70. 50 69. 70 68. 40 65. 90 52. 20 75. 70
2 43. 10 54. 20 62. 00 65. 70 70. 50 69. 70 68. 40 65. 90 52. 20 75. 70
9-11-2010 14:57:48 Geomilieu V1.62

BIJLAGE 1







TNO
Stieltjesweg 1
2628 CK Delft

Postbus 155
2600 AD Delft

www.tno.nl

T +31 88 866 20 00
F +31 88 866 06 30
Infodesk@tno.nl



Datum
5 april 2011

Onze referentie
TNO-MEM-2011-00473

E-mail
dick.kaptein@tno.nl

Doorkiesnummer
+31 88 86 68003

Doorkiesfax
+31 88 866 06 30

Projectnummer
052.01027




Op opdrachten aan TNO zijn de Algemene
Voorwaarden voor opdrachten aan TNO,
zoals gedeponeerd bij de Griffie van de
Rechtbank Den Haag en de Kamer van
Koophandel Den Haag van toepassing.
Deze algemene voorwaarden kunt u tevens
vinden op www.tno.nl.
Op verzoeken zenden wij u deze toe.

Handelsregisternummer 27376655 .
























Retouradres: Postbus 155, 2600 AD Delft

Onderwerp
Onderwatergeluid bij de aanleg en het in bedrijf zijn van de CO
2
opslag in het
kader van het ROAD project.


Auteurs:
G. Blacquire, D. Kaptein, C.A.F.de Jong, L.J. van Lier



1 Achtergrondinformatie Introductie

Bij de aanvraag van diverse
vergunningen in het kader van het
ROAD project voor CO
2
opslag
speelt geluid een rol. Het gaat hier
om de injectie van CO
2
in de
diepe ondergrond
(leeggeprocudeerde
gasreservoirs) van de Noordzee,
TNO is betrokken bij het gedeelte
onderwatergeluid.
Onderwatergeluid speelt zowel bij
de aanleg van de CCS (carbon
capture and storage) installaties
als bij het in bedrijf zijn daarvan.
We onderscheiden de volgende
vijf activiteiten die
onderwatergeluid produceren:

Aanleg:
1. Het aanpassen van het
satelliet-productieplatform
P18-A om dit geschikt te maken voor CO
2
injectie.
2. Het boren ten behoeve van de CO
2
leiding in het havengebiedtraject
3. Het ingraven van de CO
2
leiding in de waterbodem in het zeetraject; het
ingraven van de elektriciteitskabel.
Royal Haskoning
Businessgroep Industrial Sustainability
Divisie Milieu
T.a.v. dr. I. Thonon
Postbus 8520
3009 AM ROTTERDAM
satelliet productieplatform P18-A








Datum
5 april 2011

Onze referentie
TNO-MEM-2011-00473

Blad
2


In bedrijf:
4. Het onderwatergeluid ten gevolge van regelkleppen en het stromen van het
CO
2
in de leiding en de risers bij het platform.
5. Het onderwatergeluid bij een calamiteit waarbij de leiding kapot gaat.

Deze activiteiten worden nu achtereenvolgens kort besproken, waarbij informatie
is opgenomen die verkregen is in diverse gesprekken met de opdrachtgever en
via diverse door de opdrachtgever aan TNO ter beschikking gestelde documenten.
Deze informatie is gedurende de looptijd van het project diverse malen besproken
met de opdrachtgever.

1.1 Het aanpassen van het satellietplatform om dit geschikt te maken voor
CO2 injectie
Bij dit satellietplatform komen nu meerdere gasproductieputten samen, wordt het
gasvolume gemeten en wordt het gas doorgezonden naar een groter platform.
Het satellietplatform is onbemand en wordt eenmaal per maand bezocht door een
helikopter die onderhoudsmensen afzet en ophaalt.
De aanpassingen behelzen: ruimte creren voor meetapparatuur, het installeren
van een heater (ten behoeve van de opwarming van CO
2
) met hulpsystemen, het
aanpassen van enkele putten voor CO
2
toevoer/opslag.
De werkwijze is als volgt: n of meer sleepboten slepen een drijvend rig naar het
platform dat zichzelf vervolgens positioneert op de zeebodem. In eerste instantie
zullen twee putten worden aangepast. Later nog eens drie. De aanpassing duurt
zon 4 6 weken per put. Dit betekent in totaal (2+3) * (4 6) is zon 20 30
weken activiteiten, verspreid over meerdere jaren.
De eerste putten P18-14A2 en P18-6A7 (respectievelijk in reservoirs P18-4 en
P18-6) worden bij voorkeur gezamenlijk aangepakt om (de)mobiliseerkosten te
besparen. Deze werkzaamheden zullen waarschijnlijk in 2014 plaatsvinden.
Behalve de putten die aankomen bij het satellietplatform is er nog een extra put
(exploratieput P18-2) die niet rechtstreeks op dit platform uitkomt, maar deze is via
een pijpleiding verbonden met het platform. Om deze put aan te passen zijn dus
werkzaamheden op afstand van het platform nodig. Deze put zal pas in 2016
aangepast worden, maar de plannen hiervoor zijn echter minder concreet.
De werkzaamheden om een put aan te passen zijn als volgt:
De bestaande tubing wordt er uit getrokken.
Alleen bij 18-02: er worden drie pluggen (cementlaag van ongeveer 50 m
lengte) weggeboord. Deze pluggen bevinden zich op ongeveer 50 m diepte,
1500 m diepte en 3000 m diepte (dus over de gehele lengte van de put).
Elke boring duurt ongeveer 5 werkdagen.
De overige putten (18-04 en 18-06) hebben alleen een diepe plug, dus op
3000 m diepte (orde van grootte).
Een nieuwe tubing die geschikt is voor CO
2
injectie wordt aangebracht.
Als de putten zijn aangepast, duren de overige werkzaamheden nog zon zes
maanden. De bemanning zal verblijven op een schip. In deze periode zal er
gemiddeld n bevoorradingsschip per dag van en naar het platform gaan (vanuit
IJmuiden, Rotterdam, Den Helder, etc.). Het personeel zal per helikopter reizen.
De normale vlieghoogte van de helikopter is 500 m; de heli landt op het platform
op ongeveer 12 m hoogte.









Datum
5 april 2011

Onze referentie
TNO-MEM-2011-00473

Blad
3



1.2. Het boren ten behoeve van de CO2 leiding in het havengebiedtraject
Onder de vaargeulen van de Rotterdamse haven wordt de buisleiding verdiept
aangelegd: 7 m onder de waterbodem in het zand. De boring begint op land aan
de kant van de MVII en komt uit in het water aan de zeekant. De boring is van het
type HDD (Horizontal Directional Drilling).

1.3. Het ingraven van de CO2 leiding in de waterbodem in het zeetraject;
het ingraven van de elektriciteitsleiding
Het ingraven vindt plaats over
een traject van ongeveer
20 km lengte. Er wordt een
sleuf gefreesd in de
zeebodem door schip A,
terwijl schip B (de
pijpenlegger, zie figuur van de
Solitaire) de pijp in de sleuf
plaatst. De pijp wordt op het
schip segment voor segment
aan elkaar gelast, waarna de
leiding via het achterschip de
zee in gaat. Tijdens het
pijpenleggen wordt het schip
nauwkeurig op de gewenste, stabiele positie gehouden met een dynamic
positioning system, waartoe een aantal thrusters in bedrijf is (zie inzet).
Tenslotte wordt de pijp afgedekt met zand.
Een elektriciteitskabel zal op dezelfde manier worden gelegd.
De verwachting is dat bij deze activiteiten het scheepsgeluid de dominante
geluidsbron is. Naar verwachting dient, naast het frezen van de sleuf voor de
buisleiding en elektriciteitskabel, van een aantal onderwaterduinen het 'topje' (ca.
0,5 m) weggebaggerd te worden. Het totale volume is waarschijnlijk
verwaarloosbaar klein.

De werkzaamheden duren in de orde van 3 4 weken per leiding, dus in totaal 6
8 weken. Hierbij wordt 24 uur per etmaal gewerkt.













Ten behoeve van het dynamic positioning
system beschikt de Solitaire over 10
thrusters met een totaal vermogen van
50.000 kW. De thrusters zijn
computergestuurd waarbij gebruik
gemaakt wordt van nauwkeurige
plaatsbepaling.

De pijpenlegger is 300 m lang, 41 m breed
en biedt plaats aan 420 bemanningsleden.
Pijpenlegger Solitaire (grootste
ter wereld)








Datum
5 april 2011

Onze referentie
TNO-MEM-2011-00473

Blad
4


1.4. Het onderwatergeluid ten gevolge van het stromen van het CO2 in de
leiding

Bij een in bedrijf zijnde CO
2
injectie kan
stromingsgeluid optreden in de buisleiding.
Deze bevindt zich 1 m onder de waterbodem.
Gegevens bij het maken van eventuele
berekeningen zijn: CO
2
transport: 47 kg/s; druk
in de leiding 80 bar; dichtheid van CO
2
200
kg/m
3
; pijpdiameter 16 inch; 20 mm wanddikte
staal; isolatielaag van 15 mm polyethyleen en
5 mm HD cover.
Voor de riser pijpen wordt aangenomen:
16 inch diameter, 20 mm wanddikte staal; geen
isolatie.

Merk op dat de regelkleppen bij een in bedrijf
zijnde CO
2
injectie-installatie open staan. Dit is
echter niet het geval tijdens de opstart.
Verwacht wordt dat de installatie gemiddeld 12 maal per jaar wordt opgestart.
Het opstarten duurt 57 uur als het nodig is om het gas te verwarmen (alleen bij
een start nadat de installatie langere tijd niet gebruikt is).
Merk op dat de aardgaswinning nog enige tijd doorgaat, tegelijkertijd met de CO
2

injectie. De aardgasdruk is nu lager dan in het begin van de productie omdat het
veld al voor een groot gedeelte is leeg geproduceerd. Daarom is ook de
geluidsproductie door de regelkleppen lager.


1.5. Het onderwatergeluid bij een calamiteit waarbij de leiding kapot gaat
De kans op een calamiteit wordt zodanig klein geacht (0,5 % per 40 jaar) dat een
inventarisatie van het onderwatergeluid dat tengevolge van zon calamiteit zou
kunnen ontstaan vooralsnog niet onderzocht is. We verwijzen hier naar de
Risicoanalyse van Tebodin (Bijlage T4) voor een nadere analyse van een
dergelijke calamiteit.


2. Onderwatergeluid - inzicht van TNO

Bij het samenstellen van deze notitie is de volgende aanpak gevolgd:

TNO gaat in op de genoemde bronnen van onderwatergeluid, waarbij de
nadruk in eerste instantie ligt op kwalitatieve resultaten (of ruw-geschat
kwantitatief). Hierbij speelt de aard van het geluid (frequentiebereik, tijdsduur,
continu of niet, etc.) een rol. Doel is om in te schatten of de geplande
activiteiten zullen leiden tot een significante toename van het
onderwatergeluid. De resultaten worden besproken met de opdrachtgever en
de betrokken ecoloog.

regelklep








Datum
5 april 2011

Onze referentie
TNO-MEM-2011-00473

Blad
5


Op basis van dit gesprek (heeft inmiddels plaatsgevonden) is het volgende
afgesproken: Voor enkele bronnen, te weten het scheepvaartgeluid van de
pijpenlegger, het wegboren van de pluggen, het stromingsgeluid van de CO
2

aanvoerleiding en overige geluiden in de directe omgeving van het platform, is
vastgesteld dat een nadere analyse gewenst is.

De resultaten van deze werkwijze worden nu beschreven, maar we beginnen met
een korte inleiding op het onderwerp onderwatergeluid en de expertise van TNO.

2.1 Introductie onderwatergeluid - expertise - kader

Het onderwerp onderwatergeluid staat sinds enkele jaren op de agenda als
mogelijke factor die van invloed is op het onderwatermilieu. Zeezoogdieren en vis
zouden negatieve effecten kunnen ondervinden van een blootstelling aan
onderwatergeluid. De eerste signalen die duidelijk maakten dat onderwatergeluid
van invloed zou kunnen zijn, waren de strandingen van walvissen kort na
sonaruitzendingen van marineschepen in de nabije omgeving.
Inmiddels wordt onderwatergeluid gezien als een relevante factor bij allerlei
activiteiten op zee, bijvoorbeeld bij baggerwerkzaamheden of bij de bouw van
windmolenparken op zee, waarbij de klappen van de heiwerkzaamheden de
belangrijkste bron van onderwatergeluid vormen. Ook de scheepvaart staat wat
betreft onderwatergeluid in de belangstelling.
In zijn algemeenheid geldt dat de kennisopbouw over de invloed van het
onderwatergeluid op het milieu (zeezoogdieren en vis) nog volop in ontwikkeling
is. Op de Noordzee is de bruinvis, een kleine dolfijnachtige met een lengte van
rond de 1,80 m en een gewicht van 60 kg, in dit verband een belangrijke soort.
Dit dier heeft een hoog metabolisme waardoor het zeer geregeld moet eten en het
vindt zijn voedsel via echolocatie. De bruinvis is dus voor zijn voortbestaan
afhankelijk van geluid. Uit figuur 1 met het audiogram van de bruinvis blijkt dat hij
het meest gevoelig is voor frequenties in de band van ongeveer 90 kHz tot
120 kHz, en bijvoorbeeld beduidend minder gevoelig voor frequenties onder de
500 Hz. In de praktijk betekent dit dat geluid met een frequentie van 500 Hz, luider
moet zijn wil het invloed hebben op een bruinvis dan een geluid van 100 kHz.
Over hoe deze frequentie-afhankelijkheid precies in rekening gebracht moet
worden, zijn de deskundigen het nog niet eens. TNO hanteert in haar
berekeningen de uitgangspunten zoals te vinden zijn in [3] en waarin de
zogenaamde M-weging een rol speelt.
Een tweede zoogdier dat in dit kader in de belangstelling staat is de zeehond.
Vissen zijn vooral gevoelig voor de lagere frequenties, in de frequentieband van
10 Hz tot 2000 Hz, terwijl de hoogste gevoeligheid voor veel vissen ligt tussen de
500 Hz en 1000 Hz [7]. Merk op dat de vissen, als voedsel voor de bruinvis en de
zeehond, indirect dus ook relevant zijn voor deze (zee)zoogdieren.
Het feit dat onderwatergeluid en de invloed daarvan op het milieu een relatief jong
vakgebied is, brengt met zich mee dat niet over alle relevante bronnen van
onderwatergeluid informatie beschikbaar is. Zo is er relatief veel informatie over
schepen en het onderwatergeluid dat geproduceerd wordt bij de aanleg van
windmolenparken op zee.










Datum
5 april 2011

Onze referentie
TNO-MEM-2011-00473

Blad
6


Er is minder of geen informatie over het onderwatergeluid dat geproduceerd wordt
door bijvoorbeeld boren, het stromen van gas door een leiding onderwater of in de
bodem, of van de thrusters van een pijpenlegger. Alleen door ter plekke (of aan
soortgelijke installaties in soortgelijke omstandigheden) te meten kan deze
informatie worden verkregen.
Omdat dit vooralsnog niet aan de orde is, baseert TNO zich in dergelijke gevallen
op data uit de literatuur, genterpreteerd door de eigen deskundigen (expert
judgement), met de aantekening dat voortschrijdende kennis in de toekomst
mogelijk kan leiden tot andere inzichten
1
.



Figuur 1. Audiogram van de bruinvis (Kastelein et al.: Audiogram of a harbor
porpoise; J. Acoust. Soc. Am., Vol. 112, No. 1, July 2002).


Tenslotte geven we aan dat de tijdsdruk op dit project, met een doorlooptijd van
14 dagen, hoog was. Dit betekent dat slechts beperkt literatuuronderzoek heeft
kunnen plaatsvinden.


1
Ter illustratie van het voortschrijdend inzicht merken we op dat het bruinvis audiogram
in een recente publicatie is bijgesteld (Kastelein et al.: The effect of signal duration on the
underwater detection thresholds of a harbor porpoise (Phocoena phocoena) for single
frequency-modulated tonal signals between 0.25 and 160 kHz; J. Acoust. Soc. Am., Vol.
128, No. 5, November 2010). Die bijstelling heeft geen effect voor het frequentiegbied
waarin het gehoor gevoelig is, maar wel op de niveaus.








Datum
5 april 2011

Onze referentie
TNO-MEM-2011-00473

Blad
7


2.2 Methode

Om de verwachte hoeveelheden onderwatergeluid in verband te brengen met de
invloed ervan op de dieren, wordt uitgegaan van het begrip TTS (temporary
threshold shift) ofwel tijdelijke gehoorschade. Dit is een veelgemaakte keus.
Andere mogelijkheden zouden bijvoorbeeld kunnen zijn permanente
gehoorschade of gedragsbenvloeding.
De verwachte hoeveelheid onderwatergeluid is bepaald op basis van een beperkt
literatuuronderzoek of gebaseerd op bij TNO aanwezige informatie. Vervolgens is
vastgesteld of er sprake is van TTS bij de bewuste activiteit (boren, baggeren,
etc.) en zo ja, tot op welke afstand van de activiteit. We noemen dit de veilige
afstand.

De maat die voor TTS gehanteerd wordt is het Sound Exposure Level [7]. Dit is
een maat voor de hoeveelheid geluid waaraan een dier wordt blootgesteld
gedurende een periode van 24 uur. Het is dus een cumulatieve maat. De formule
voor SEL is de volgende:
)
) (
( log 10
24
0
2
2
10
dt
t p
t p
SEL
h
h
ref ref
W

= [dB re 1 Pa
2
s ].
Hierin is p
w
de geluiddruk, p
ref
de referentiedruk van 1 Pa en t
ref
de referentietijd
van 1 s. Voor de bruinvis en de zeehond geldt dat de geluiddruk gewogen wordt.
De weging is de M-weging zoals gegeven door Southall et al. [3]. Deze weging
brengt het effect in rekening dat elk dier een specifiek gehoor heeft en dus niet
voor alle frequenties even gevoelig is. Voor vis wordt echter een ongewogen
Sound Exposure Level als maat gehanteerd.
Als het TTS niveau wordt bereikt wil dit niet zeggen dat een dier dan altijd tijdelijke
gehoorschade zal ondervinden. Tijdelijke gehoorschade treedt immers pas op als
het dier gedurende 24 uur wordt blootgesteld aan dat niveau. In de praktijk kan het
dier dus gedurende een kortere periode worden blootgesteld aan een bepaald
geluidniveau zonder dat het tijdelijke gehoorschade zal oplopen. Een dier kan
bijvoorbeeld van noord naar zuid voorbijtrekken in een korte periode zonder dat
tijdelijke gehoorschade optreedt, terwijl een dier dat gedurende 24 uur in de
omgeving verblijft bij hetzelfde geluidniveau wel tijdelijke gehoorschade kan
oplopen.
Anderzijds zou een dier ook in een kortere periode al tijdelijke gehoorschade
kunnen oplopen: namelijk als het TTS niveau al na minder dan 24 uur bereikt
wordt.

De drempelwaarden voor TTS uitgedrukt als M-gewogen Sound Exposure Level
zijn ([3], [7]):
195 dB re 1 Pa
2
s voor de bruinvis.
183 dB re 1 Pa
2
s voor de zeehond.
Voor vis zijn de TTS drempelwaarden uitgedrukt als ongewogen Sound Exposure
Level:
187 dB re 1 Pa
2
s voor vis.
183 dB re 1 Pa
2
s voor kleine vis (< 2 g).









Datum
5 april 2011

Onze referentie
TNO-MEM-2011-00473

Blad
8


Nu is het zo dat in de literatuur meestal niet gesproken wordt over het (gewogen)
Sound Exposure Level, maar over het Sound Pressure Level. Het verschil tussen
de beide maten is dat de eerste betrekking heeft op een periode van 24 uur, terwijl
de tweede betrekking heeft op een periode van 1 seconde.
Om een zinvolle vergelijking te kunnen maken, rekenen we het Sound Pressure
Level in zon geval om naar een Sound Exposure Level door te integreren over
een periode van 24 uur. Deze omrekening komt neer op +49 dB re 1s,
overeenkomend met tien maal het logaritme van het aantal seconden in een
etmaal: 10log(86400). Concreet betekent het dat 49 dB re 1s moet worden
opgeteld bij de in de literatuur genoemde waarden voor onderwatergeluid bij de
diverse activiteiten om deze te kunnen vergelijken met de drempelwaarde.
We merken op dat de in de literatuur gevonden waarden voor het
onderwatergeluid dat vrijkomt bij de diverse activiteiten, niet voorzien zijn van de
M-weging, terwijl de grenswaarden hier wel van uitgaan. In de praktijk zullen
daardoor de werkelijke, gewogen Sound Exposure Levels wat lager uitkomen
dan de berekende, hetgeen de gevarenzone verkleint.

Tenslotte hanteren we het begrip veilige afstand. Dit is de afstand tot de activiteit
waarvoor geldt dat een dier bij een verblijf van 24 uur geen tijdelijke gehoorschade
zal oplopen omdat het cumulatieve geluid op die afstand niet meer het TTS niveau
overschrijdt. We geven een voorbeeld van een berekening. Stel dat we uit de
literatuur vinden dat het TTS-niveau met 4 dB wordt overschreden op een afstand
van 100 m van de activiteit (boren, baggeren, etc.), dan rekenen we de veilige
afstand uit via de formule: 10log(R)=10log(100)+4. Hierbij is R de veilige afstand.
Deze formule veronderstelt een zogenaamde cilindrische uitbreiding van het
geluid. Deze uitbreiding zorgt ervoor dat het geluid steeds zwakker wordt
naarmate de afstand groter wordt. In de praktijk is deze formule voor cilindrische
uitbreiding een worst case, want vaak zal de verzwakking wat sterker zijn. Het is
daarmee een veilige keuze. De werkelijke verzwakking hangt echter af van veel
factoren: de waterdiepte, het bodemtype, de weersgesteldheid (golven, wind), etc.
We vinden in dit voorbeeld een veilige afstand van ongeveer 250 m. Een dier
(bijvoorbeeld bruinvis, zeehond, vis) dat zich dus gedurende 24 uur binnen deze
afstand ophoudt krijgt te maken met tijdelijke gehoorschade, daarbuiten niet.
Op een soortgelijke wijze kan het begrip veilige verblijfsduur worden vastgesteld.
Deze tijd geeft aan hoe lang een dier zich op 100 m afstand van de bron mag
bevinden zonder het TTS niveau te bereiken. Stel dat we in de literatuur vinden
dat het TTS-niveau met 4 dB wordt overschreden op een afstand van 100 m, dan
berekenen we de veilige verblijftijd via: 10log(T) = 10log(86400) 4. Hierbij is
86400 het aantal seconden in een periode van 24 uur en T de veilige verblijfstijd in
seconden. In dit voorbeeld wordt deze 34396 s, ofwel ruim 9,5 uur. Het betekent
dat een dier dat zich gedurende 24 uur op 100 m afstand ophoudt tijdelijke
gehoorschade zal ondervinden, maar dat een dier dat zich maximaal 9,5 uur op
100 m afstand ophoudt geen tijdelijke gehoorschade zal ondervinden.

2.3 Resultaten

In deze sectie komen de vijf eerder gedentificeerde activiteiten die
onderwatergeluid produceren aan de orde.









Datum
5 april 2011

Onze referentie
TNO-MEM-2011-00473

Blad
9


Inzicht van TNO over het onderwatergeluid bij het aanpassen van het
satellietplatform om dit geschikt te maken voor CO2 injectie

2.3.1. Geluid van het boren
Het geluid onderwater wordt bij het boren veroorzaakt bij het contact van de
draaiende boor met het gesteente (beton). Het geluid (de trillingen) plant zich
onder meer voort via de boor die in rechtstreeks contact staat met het water. Uit
de literatuur [1] blijkt dat boren vooral laagfrequent tonaal geluid veroorzaakt in de
31 Hz en 62 Hz 1/3 octaafbanden, grootteorde: 115 en 117 dB re 1Pa
2
op
achtereenvolgens 405 m en 125 m afstand. De boordiepte is hier in de orde van
3 km.
In [6] worden de volgende waarden aangegeven voor boorplatforms: received
broadband levels tot ongeveer 150 dB re 1Pa
2
op een afstand van 100 m.
Dit betreft behalve het boorgeluid ook alle machinegeluiden die op het
boorplatform geproduceerd worden. Merk op dat de omstandigheden van deze
literatuurresultaten niet volledig overeenkomen met de verwachte
omstandigheden bij de werkzaamheden ten behoeve van ROAD. De navolgende
interpretatie moet dan ook gelezen worden met dit voorbehoud. Alleen
daadwerkelijke metingen tijdens de werkzaamheden kunnen de huidige
kennisleemte vullen.

Het omrekenen van de literatuurgegevens van Sound Pressure Level naar Sound
Exposure Level betekent dat er 49 dB moet worden bijgeteld. Hiermee komen de
literatuurwaarden achtereenvolgens uit op (115+49=) 164, (117+49=) 166 en
(150+49=) 199 dB re 1Pa
2
s. De laatste waarde is dus 4 dB boven de drempel.
Dit betekent dat een bruinvis die zich gedurende 24 uur ophoudt op een afstand
van 100 m van de werkzaamheden te maken krijgt met TTS.
De veilige afstand R berekenen we met de correctie: 10log(R)=10log(100)+4.
We vinden een waarde van ongeveer 250 m. Een bruinvis die zich dus gedurende
24 uur binnen deze afstand ophoudt krijgt te maken met tijdelijke gehoorschade,
daarbuiten niet.
De veilige verblijftijd berekenen we met 10log(T) = 10log(86400) 4. Hiermee
vinden we T =34396 s, ofwel ruim 9,5 uur. Een bruinvis kan zich dus maximaal
9,5 uur op 100 m afstand van de boring bevinden zonder tijdelijke gehoorschade
te ondervinden.

Er is aangetekend dat de in de literatuur genoemde getallen niet voorzien zijn van
de M-weging. Deze weging zorgt er onder meer voor dat frequenties onder de
1000 Hz relatief weinig zullen bijdragen, waardoor de gewogen Sound Exposure
Levels vermoedelijk wat lager zullen uitkomen, hetgeen de gevarenzone
verkleint en de verblijftijd vergroot.

Voor vis wordt een drempelwaarde voor TTS gehanteerd van 187 dB re 1Pa
2
s.
Deze waarde is bedoeld voor heigeluid. Het is niet duidelijk of deze waarde ook
mag worden toegepast bij continu geluid. Vaak gelden voor continu geluid minder
stenge eisen (ofwel een wat hogere drempelwaarde), hetgeen betekent dat onze
analyses voor vis aan de pessimistische kant zijn. Voorbeeld: elke 3 dB verhoging
van de drempel betekent dat de veilige afstand tot de bron halveert!









Datum
5 april 2011

Onze referentie
TNO-MEM-2011-00473

Blad
10


Hastings et al. [8] geven bijvoorbeeld aan dat zij in experimenten ook bij 190 dB re
1Pa
2
s nog geen TTS hebben kunnen constateren. Zij melden echter geen
alternatieve drempel. Ons zijn hierover verder geen literatuurgegevens bekend. Dit
voorbehoud moet gemaakt worden bij alle bronnen van geluid die hierna worden
besproken in relatie tot het effect ervan op vis.

Een periode van 24 uur betekent weer dat 49 dB re 1s moet worden opgeteld bij
de gevonden literatuurwaarden. Deze komen dan weer neer op achtereenvolgens
164, 166 en 199 dB re 1Pa
2
s. Merk op dat dit laatste getal de drempel van
187 dB re 1Pa
2
s overschrijdt met 12 dB. Het betekent dat een vis die zich
gedurende 24 uur op 100 m afstand van een booractiviteit ophoudt wordt
blootgesteld aan een niveau dat de drempelwaarde voor TTS overschrijdt.
De veilige afstand kan als volgt berekend worden, uitgaand van cilindrische
spreiding: 10log(R)=10log(100)+12, ofwel R = 1585 m.
De veilige verblijftijd wordt berekend via 10log(T) = 10log(86400) - 12, ofwel T =
5451 s, ofwel ruim 1,5 uur.

Voor kleine vis (< 2 gram) wordt een lagere drempelwaarde gehanteerd, namelijk
183 dB re 1Pa
2
s (SEL, ongewogen, periode van 24 uur). Dit betekent dat de
drempel voor kleine vis met 16 dB wordt overschreden. Dit komt overeen met een
veilige afstand van 3981 m, dus bijna 4 km. De veilige verblijftijd is 2170 s, ofwel
36 minuten.

Voor de zeehond geldt voor TTS een M-gewogen SEL van 183 dB re 1Pa
2
s.
De in dit document gegeven analyse voor kleine vis geldt daarom ook voor de
zeehond: veilige afstand bijna 4 km, veilige verblijfstijd 36 minuten. In de praktijk
zal de afstand wat kleiner zijn en de verblijfstijd wat groter omdat de
literatuurwaarden niet M-gewogen zijn.

Samenvattend. Uitgaande van de literatuurgegevens blijkt dus dat bij het boren de
drempelwaarde voor TTS voor de bruinvis niet wordt overschreden op afstanden
van 250 m en verder, terwijl dit voor vis het geval is voor afstanden van 1585 m en
verder, of 4 km en verder voor kleine vis, en ook 4 km en verder voor de zeehond,
gezien vanaf de booractiviteiten. Omdat de literatuurgegevens zoals gemeld geen
betrekking hebben op identieke omstandigheden, moeten deze afstanden niet
gezien worden als absoluut, maar als een orde van grootte. Merk verder op dat de
dieren zich kunnen verplaatsen naar een voor hen veilige afstand binnen de
periode van 24 uur. Veilige verblijftijden op een afstand van 100 m zijn voor de
bruinvis 9,5 uur, de zeehond 36 minuten, net als kleine vis, en grote vis 1,5 uur.

Zie Tabel 1 voor een samenvatting voor de veilige afstand bij kortere
verblijftijden. Hieruit blijkt dat een dier best dichterbij de bron kan komen.
Bijvoorbeeld: een dier kan 8x dichterbij komen, maar ontvangt zijn dagdosis dan
ook 8x zo snel (uitgaande van een cilindrische uitbreiding van het geluid). Dus niet
in 24 uur, maar in 3 uur. Men kan zich echter goed voorstellen dat een bruinvis in
minder dan 3 uur voorbij zwemt en dus op redelijk korte afstand kan passeren
zonder TTS.








Datum
5 april 2011

Onze referentie
TNO-MEM-2011-00473

Blad
11


2.3.2. Helikoptergeluid
Het gedeelte helikoptergeluid dat vanuit de lucht doordringt tot in het water is zeer
gering. Bij loodrechte inval op het water reflecteert meer dan 99,9% van het geluid
aan het wateroppervlak en blijft dus in de lucht en minder dan 0,06% van het
geluid dringt door tot in het water. Bij een hoek van 13 graden en groter dringt het
geluid helemaal niet meer door in het water en reflecteert het volledig.
Dit betekent echter niet dat het helikoptergeluid onderwater onhoorbaar is. In [2] is
bijvoorbeeld het spectrum te vinden van het geluid van een heli zoals dat met een
hydrofoon onderwater opgenomen is. Het karakter is tonaal, met de nadruk op
frequentiecomponenten onder de 50 Hz.
De lokale toename van het laagfrequente onderwatergeluid ten gevolge van
helikoptervluchten zal niet leiden tot een directe beschadiging van het mariene
leven. Vanwege het incidentele karakter en de beweging van helikoptervluchten
zullen deze naar verwachting ook niet leiden tot een langdurige blootstelling van
dieren aan geluid. De totale blootstelling zal dan ook gering zijn en niet de
drempelwaarden voor TTS bereiken.


Figuur 2 Spectrogram van helikoptergeluid onderwater, opgenomen met een
hydrofoon. (totale tijd op de horizontale as is 1 minuut; de verticale
frequentieschaal: 0 Hz - 500 Hz) [2]

2.3.3. Scheepsgeluid
Het betreft een bezoek van een bevoorradingsschip eenmaal per dag, komend
vanuit Den Helder, Scheveningen, Rotterdam, etc. Als deze scheepsbeweging
wordt afgezet op de totale hoeveelheid scheepvaart in dit gebied, is duidelijk dat
de extra bijdrage ervan aan de totale blootstelling van dieren aan
onderwatergeluid niet te kwantificeren is (te verwaarlozen).

Inzicht van TNO over het onderwatergeluid bij het boren ten behoeve van de
CO2 leiding in het havengebiedtraject

2.3.4. Geluid door boren in de ondergrond
De CO
2
leiding wordt langs dit traject geboord op 7 m diepte onder de
waterbodem. De boorwerkzaamheden zullen voornamelijk lagere frequenties
produceren, zie 1.1. De boring vindt plaats onder de monding van de Maas en de
vaarroute, waar druk scheepvaartverkeer is.








Datum
5 april 2011

Onze referentie
TNO-MEM-2011-00473

Blad
12


De boorinstallatie bevindt zich in zijn geheel ondergronds. Er is geen direct
contact van de boor met het water, zoals dat wel het geval is bij een verticale
boring. Daardoor is er dus geen directe overdracht van de trillingen van de boor
naar het water. Tenslotte wordt hier geboord door het bodemmateriaal en niet
door het harde beton.
De verwachting is dat het boorgeluid lokaal wellicht waarneembaar zal zijn, maar
ten opzichte van het scheepvaartgeluid een ondergeschikte rol zal spelen.

Inzicht van TNO over het onderwatergeluid bij het ingraven van de CO2
leiding in de waterbodem in het zeetraject; het ingraven van de
elektriciteitsleiding

2.3.5. Geluid bij het leggen van de CO2 transportpijpleiding
Bij de aanleg van de buisleiding wordt een zogenaamde pijpenlegger gebruikt.
Het dynamische positioneringssysteem van een dergelijk schip maakt gebruik van
sterke thrusters. Zo horen de thrusters van de Solitaire met hun vermogen van
rond de 5000 kW tot de grote. De verwachting is dat zij veel onderwatergeluid
produceren, waarbij cavitatie (bellen) rond de thrusters een belangrijke bron is.
TNO beschikt niet over het bronniveau van dit type thrusters en alleen metingen
kunnen deze kennisleemte vullen. TNO kan echter bij deze analyse een best
guess maken voor het bronniveau, gebaseerd op beschikbare kennis omtrent
baggerschepen.


Figuur 3 Enkele thrusters van de pijpenlegger Solitaire (let op de man onder de
kraan om een idee te krijgen van de grootte).

Een baggerschip produceert het meeste onderwatergeluid bij frequenties onder de
4 kHz, met een maximum in de band van 125 Hz tot 1 kHz. Hierbij moet men
denken aan een bronniveau van rond de 185 dB re 1Pa
2
m
2
.
Om het bronniveau dat gerefereerd is aan een afstand van 1 m tot de bron te
kunnen vergelijken met eerdere gegevens (bij het boren) rekenen we het om naar
een afstand van 100 m volgens de formule:








Datum
5 april 2011

Onze referentie
TNO-MEM-2011-00473

Blad
13


185 10log(R ) 10log(h), waarbij R de afstand is (100 m), en h de waterdiepte
waarvan we veronderstellen dat deze 25 m is. We vinden dan een Sound
Pressure Level (SPL) van 151 dB re 1Pa
2
.
We passen nu een correctie toe voor het feit dat het hier niet om een baggerschip
gaat, maar om een pijpenlegger. We veronderstellen dat het niveau van de
pijpenlegger dubbel zo groot is (meer en/of sterkere thrusters). Hiermee komen we
+3 dB hoger uit op 154 dB re 1Pa
2
. Ook hier passen we weer een correctiefactor
van +49 dB re 1s voor 24 uur toe om het Sound Exposure Level te kunnen
vergelijken met de drempelwaarden voor TTS uit de literatuur. Het Sound
Exposure Level wordt hiermee 203 dB re 1Pa
2
s.

Als drempelwaarde voor de bruinvis hanteren we weer het M-gewogen sound
exposure level van 195 dB re 1 Pa
2
s. Deze waarde wordt dus met 8 dB
overschreden. De veilige afstand tot de pijpenlegger kan berekend worden via
10log(R)=10log(100)+8, ofwel R = 631 m. Een bruinvis die zich gedurende 24 uur
ophoudt binnen deze afstand krijgt te maken met TTS.
De veilige verblijfstijd voor een afstand van 100 m is bijna 4 uur.
Merk op dat de M-weging (niet uitgevoerd) deze afstand in de praktijk wat zal
verkleinen en de verblijfstijd wat zal verlengen.

Voor grote vis geldt weer een drempelwaarde van 187 dB re 1Pa
2
s, met de
aantekening dat deze waarde betrekking heeft op heigeluid. Bij continu geluid mag
vermoedelijk een hogere drempel worden gehanteerd, maar hierover is ons geen
literatuur bekend. De overschrijding is dus 16 dB. De veilige afstand is
10log(R)=10log(100)+16, ofwel 3981 m, dus bijna 4 km. Veilige verblijfstijd: 36
minuten.
Voor kleine vis (< 2 gram) geldt een drempelwaarde van 183 dB re 1Pa
2
s.
De overschrijding is dus 20 dB. De veilige afstand is 10log(R)=10log(100)+20,
ofwel 10 km. Veilige verblijfstijd 14 minuten.

De afstand van 10 km (bij 24 uur verblijf) en de verblijfstijd van 14 minuten (op
100 m afstand) gelden ook voor de zeehond.

Zie de veilige afstand bij kortere verblijftijden in tabel 1.

2.3.6. Geluid bij het baggeren van zandduintjes
Ten opzichte van de pijpenlegger die hiervoor besproken is, gaan we voor een
baggerschip uit van een SPL van 151 dB re 1 Pa
2
op een afstand van 100 m.
De correctie van 49 dB re 1s voor een periode van 24 leidt tot 200 dB re 1Pa
2
s.
De TTS drempelwaarde voor de bruinvis is 195 dB re 1 Pa
2
s, wat een
overschrijding van 5 dB betekent. De veilige afstand is 316 m en vermoedelijk wat
minder als de M-weging wordt toegepast. Veilige verblijfstijd: 7,5 uur.
De TTS drempelwaarde voor vis is 187 dB re 1 Pa
2
s, wat een overschrijding van
13 dB betekent. De veilige afstand is 1995 m, dus ongeveer 2 km. Veilige
verblijfstijd: 72 minuten.
Voor kleine vis is de drempel 183 dB re 1 Pa
2
s, wat een overschrijding van 17 dB
betekent. De veilige afstand is hiermee iets meer dan 5 km. Veilige verblijfstijd: 28
minuten.








Datum
5 april 2011

Onze referentie
TNO-MEM-2011-00473

Blad
14


Ook voor de zeehond geldt een veilige afstand van iets meer dan 5 km en een
veilige verblijfstijd van 28 minuten.

Zie de veilige afstand bij kortere verblijftijden in tabel 1.

Inzicht van TNO over onderwatergeluid ten gevolge van het stromen van het
CO2 in de leiding

Het bijgevoegde memo 2 van Leonard van Lier, TNO Delft, CO
2
injectie P-18A:
onderwater geluid afstraling bevat informatie over dit onderwerp.
Samengevat zijn de resultaten als volgt:
- Het maximale stromingsgeluid bij de productie van aardgas (in de beginperiode
van de winning) is hoger dan het maximale stromingsgeluid bij de injectie van
CO
2
.
- Het maximale stromingsgeluid bij de injectie van CO
2
is vergelijkbaar met het
stromingsgeluid van de aardgasproductie van enkele jaren geleden.
- In de meeste doorgerekende scenarios is het stromingsgeluid van de CO
2

injectie veel lager dan het stromingsgeluid bij de aardgasproductie in de
afgelopen jaren.
Als orde van grootte van het maximale stromingsgeluid bij de CO
2
productie moet
men denken aan een bronniveau van 90 dB re 1 Pa
2
m
2
. Dit niveau heeft
betrekking op een afstand van 1 m tot de bron. Omgerekend naar en afstand van
100 m komt dit neer op Sound Pressure Level van 56 dB re 1 Pa
2
( berekend via
90 10log(R ) 10log(h), met R = 100 m en h = 25 m). Dit is een (zeer) lage
waarde die niet leidt tot TTS bij de bruinvis, de zeehond of vis.


3. Samenvatting

Tijdens de constructiewerkzaamheden van de CO
2
injectie-installaties
overschrijden diverse werkzaamheden de door Southall et al. [3] gepubliceerde
(en door Ainslie [7]samengevatte) waarden voor TTS (temporary threshold shift,
tijdelijke gehoorschade). Het gaat hierbij om boren, pijpenleggen en baggeren.

De resultaten zijn te vinden in Tabel 1. De getallen hebben betrekking op een
periode van 24 uur, maar een veilige afstand is ook uitgerekend voor een kortere
verblijftijd van 6 resp. 3 uur. In dat geval kan het dier dichterbij de bron komen
omdat het zijn dagdosis dan in een kortere tijd ontvangt.
Daarnaast is ook de veilige verblijftijd opgenomen die geldt voor een dier dat zich
op 100 m afstand van de werkzaamheden bevindt.

De veilige afstand voor de bruinvis en de zeehond zal in de praktijk overigens wat
dichter bij de bron liggen omdat de drempel is gebaseerd op een M-gewogen
Sound Exposure Level; deze weging is echter niet toegepast bij de geluidniveaus
zoals die uit de literatuur zijn verkregen. De veilige verblijftijd is om diezelfde reden
wat hoger.









Datum
5 april 2011

Onze referentie
TNO-MEM-2011-00473

Blad
15


Voor vis geldt dat de drempel gebaseerd is op een ongewogen Sound Exposure
Level. Voor vis geldt ook dat ons geen drempelwaarde bekend is die specifiek
betrekking heeft op continu geluid zoals dat optreedt bij boren, pijpenleggen en
baggeren. De gepubliceerde drempel is gerelateerd aan heigeluid (pulsen). Vaak
geldt voor continu geluid een hogere drempel dan voor pulserend geluid (zoals
heigeluid), hetgeen leidt tot een kleinere gevarenzone (elke 3 dB hogere waarde
betekent een halvering van de veilige afstand) en een langere veilige verblijftijd,
maar voor vis zijn ons hierover geen literatuurgegevens bekend.

Het TTS niveau wordt overschreden bij boren, pijpenleggen en baggeren. Overige
activiteiten tijdens de aanlegfase produceren weliswaar onderwatergeluid, maar
niet van dien aard dat dit aanleiding geeft tot een nadere kwantitatieve analyse.

Het stromingsgeluid in de riser pipes als gevolg van de CO
2
injectie of de
aardgasproductie tijdens het in bedrijf zijn van de installaties leidt niet tot het TTS
niveau. In zijn algemeenheid geldt bovendien dat het stromingsgeluid van de CO
2

injectie zich op een lager niveau bevindt dan dat van de aardgasproductie.


Tabel 1 Bron van onderwatergeluid en relatie met TTS voor bruinvis en vis
Bron van
onderwater
geluid
Diersoort Drempel
(dB re 1Pa
2
s)
cumulatief 24 uur
Sound Exposure Level
(dB re 1Pa
2
s)
op 100 m afstand
cumulatief 24 uur
Veilige afstand
(m) (afgerond)
bij verblijf 24 uur
Idem bij
6 uur
verblijf
Idem bij
3 uur
verblijf
Veilige
verblijf-
tijd op
100 m
afstand
boren bruinvis 195 199 250 63 32 9,5 uur
grote vis 187 199 1 585 400 200 1,5 uur
kleine vis 183 199 4 000 1 000 500 36 min.
zeehond 183 199 4000 1.000 500 36 min.
pijpen bruinvis 195 203 630 160 80 4 uur
leggen grote vis 187 203 4 000 1.000 500 36 min.
kleine vis 183 203 10 000 2 500 1 250 14 min.
zeehond 183 203 10.000 2.500 1.250 14 min.
baggeren bruinvis 195 200 315 80 40 7,5 uur
grote vis 187 200 2 000 500 250 72 min.
kleine vis 183 200 5 000 1 250 625 28 min.
zeehond 183 200 5.000 1,250 625 28 min.









Datum
5 april 2011

Onze referentie
TNO-MEM-2011-00473

Blad
16


4. Literatuur

[1] R. McCauley, 1998, Radiated underwater noise measured from the drilling
rig Ocean General, rig tenders Pacific Ariki and Pacific Frontier, fishing
vessel Reef Venture and natural sources in the Timor Sea, Northern
Australia
Prepared for: Shell Australia; Shell House Melbourne;
PROJECT CMST; PORT C98-20; NTRE FOR MARINE SCIENCE AND
TECHNOLOGY; RTIN UNIVERSITY OF TECHNOLOGY
WESTERN AUSTRALIA 6102

[2] Ferguson, B.G.; Lo, K.W.; Rodgers, J.D.; 2010; Sensing the underwater
acoustic environment with a single hydrophone onboard an undersea glider;
OCEANS 2010 IEEE - Sydney; Issue Date: 24-27 May 2010 ; On page(s):
1 - 5 Location: Sydney, NSW ; Print ISBN: 978-1-4244-5221-7

[3] Southall, B.L., Bowles, A.E., Ellison, W.T., Finneran, J.J., Gentry, R.L.,
Greene Jr., C.R., Darlene, D.K., Ketten, R., Miller, J.H., Nachtigall, P.E.,
Richardson, W.J., Thomas, J.A., and Tyack, P.L. (2007), Marine mammal
noise exposure criteria: initial scientific recommendations, Aquatic Mammals
33(4), pp. 411-522

[4] Jean-Pierre Henriet, Wim Versteeg, Peter Staelens, Jeroen Vercruysse &
David Van Rooij; 2005; Monitoring van het onderwatergeluid op de
Thorntonbank Referentietoestand van het jaar nul; Eindrapport
JPH/2005/sec15;
Studie uitgevoerd in opdracht van het Koninklijk Belgisch Instituut voor
Natuurwetenschappen, Beheerseenheid Mathematisch Model Noordzee

[5] Nathalie J. Patenaude1, W. John Richardson1, Mari A. Smultea1, William
R. Koski, Gary W. Miller, Bernd Wrsig, Charles R., GReene JR., 2002,
AIRCRAFT SOUND AND DISTURBANCE TO BOWHEAD AND BELUGA
WHALES DURING SPRING MIGRATION IN THE ALASKAN BEAUFORT
SEA, Marine Mammal Science, v18, p309-335.

[6] W. John Richardson, Charles R. Greene, Jr., Charles I. Malme - 1998 -
Marine Mammals and Noise - Nature - 576 pages

[7] Michael A. Ainslie, 2010, Principles of Sonar Performance Modeling,
Springer.

[8] Hastings MC, Reid CA, Grebe CC, Hearn RL, Colman JG, 2008, The effects
of seismic airgun noise on the hearing sensitivity of tropical reef fishes at
Scott Reef, Western Australia, Proceedings of the Institute of Acoustics,
Vol. 30. Pt.5


BIJLAGE 2







TNO
Stieltjesweg 1
2628 CK Delft

Postbus 155
2600 AD Delft

www.tno.nl

T +31 88 866 20 00
F +31 88 866 06 30
Infodesk@tno.nl



Datum
5 april 2011

Onze referentie
TNO-MEM-2011-00560

E-mail
dick.kaptein@tno.nl

Doorkiesnummer
+31 88 86 68003

Doorkiesfax
+31 88 866 06 30

Projectnummer
052.01027




Op opdrachten aan TNO zijn de Algemene
Voorwaarden voor opdrachten aan TNO,
zoals gedeponeerd bij de Griffie van de
Rechtbank Den Haag en de Kamer van
Koophandel Den Haag van toepassing.
Deze algemene voorwaarden kunt u tevens
vinden op www.tno.nl.
Op verzoeken zenden wij u deze toe.

Handelsregisternummer 27376655 .
























Retouradres: Postbus 155, 2600 AD Delft
Onderwerp
CO
2
injectie P-18A: onderwatergeluid afstraling.


Auteur
Ir. L.J. van Lier



1. Introductie

Op het offshore platform P-18A vindt momenteel productie van aardgas plaats.
In de toekomst worden lege gasputten nabij dit platform gebruikt voor de injectie
van CO
2
. Voor die injectie is extra infrastructuur nodig die kan leiden tot
aanvullende geluidafstraling. Dit memorandum bespreekt de effecten van de
geluidafstraling onder water. De rekenmodellen die gebruikt worden voor de
bepaling van de geluidafstraling hebben een beperkte nauwkeurigheid.
Bovendien is de onzekerheid in de input data aanzienlijk. Daarom is gekozen
voor een relatieve vergelijking, waarbij de geluidafstraling ten gevolge van de
toekomstige CO
2
injectie wordt vergeleken met de geluid afstraling ten gevolge
van de huidige aardgas productie.

De belangrijkste geluidsbron is de turbulente stroming in de CO
2
riser naar P-18A
en de aardgas risers van P-18A naar P-15. Alternatieve bronnen, zoals klepgeluid
en stromings-genduceerd geluid aan T-stukken en gesloten zijtakken, worden niet
in beschouwing genomen. Klepgeluid voor de CO
2
injectie is niet relevant, omdat
de piping stroomafwaarts van de regelklep zeer sterk isolerend werkt en niet
afstraalt naar het water. Voor de voorspelling van geluid aan T-stukken is meer
informatie met betrekking tot de routing op het platform nodig. Overigens geven de
lage stroomsnelheden van het CO
2
geen aanleiding om sterke stromings-
genduceerde bronnen te verwachten.

Verder nemen we aan dat de geluidafstraling van de gesoleerde CO
2
leiding
onder de zeebodem verwaarloosbaar is. Daarom is alleen de geluidafstraling van
de risers relevant.

Royal Haskoning
Businessgroep Industrial Sustainability
Divisie Milieu
T.a.v. dr. I. Thonon
Postbus 8520
3009 AM ROTTERDAM








Datum
5 april 2011

Onze referentie
TNO-MEM-2011-000560

Blad
2/9



Figuur 1 Overzicht geluid bronnen.


2. Input gegevens voor het rekenmodel

De gebruikte riser data is gegeven in Tabel 1.

Tabel 1 Riser gegevens
Aantal risers (CO
2
) 1 upstream, meerdere downstream (injectie
putten).
Riser lengte 20 m
CO
2
Riser buitendiameter
1)
406.4 mm (16)
CO
2
Riser wanddikte
1)
20 mm
Aantal risers (aardgas productie) 5 upstream (productie putten), 1 downstream
Riser lengte 20
Aardgas riser buitendiameter
2)
406.4 (16)
Aardgas riser wanddikte
2)
20 mm
1) Deze gegevens betreffen de upstream riser van CO2 injectie: de downstream risers zijn
meervoudig concentrisch geplaatste buizen, gevuld met een mengsel van water en olie. Deze
geven een zeer sterke isolatie van geluid en worden daarom buiten beschouwing gelaten.
2) Deze gegevens betreffen de downstream riser van aardgas productie: de upstream risers zijn
meervoudig concentrisch geplaatste buizen, gevuld met een mengsel van water en olie. Deze
geven een zeer sterke isolatie van geluid en worden buiten beschouwing gelaten.

In de vergelijkende analyse zijn voor 4 injectie scenarios gedefinieerd (Tabel 2).
Deze zijn gebaseerd op de maximale injectie rate met een variatie in pijpleiding
druk en temperatuur. Voor de productie cases (Tabel 3) is gebruik gemaakt van
de productie data van de afgelopen 4 jaar.








Datum
5 april 2011

Onze referentie
TNO-MEM-2011-000560

Blad
3/9


De 5
e
case is gebaseerd op de maximale productie (1998). Voor deze case is wel
aangenomen dat de pijpleiding druk nog steeds de maximale druk van 120 bar
was.

Tabel 2 CO2 injectie cases.
Case Flow [kg/s] P
up
[bar] T
up
[
o
C]
C1 47 67 59
C2 47 67 46
C3 47 125 59
C4 47 125 46


Tabel 3 Aardgas productie cases. Cases G1-G4 zijn de productie van de laatste
4 jaren 2006-2009. Case G5 is de maximale gas productie, die optrad in
1998.
Case Flow [kg/s] P
down
[bar] T
down
[
o
C]
G1 19.3 27 10
G2 10.9 25 10
G3 8.4 24 10
G4 6.0 20 10
G5 102 120 10

De aardgas productie gegevens zijn afkomstig uit de TNO database


3. Afgestraald geluid ten gevolge van turbulente stroming

De turbulentie van de stroming in de leiding leidt tot een breedbandig
geluidspectrum in de leiding. De standaard VDI 3733- Noise at Pipes geeft een
empirische uitdrukking voor het totale geluidvermogen in leiding [1]. Deze
standaard geeft ook een richtlijn voor de spectrale verdeling van het geluid in
octaafbanden. Belangrijke parameters zijn o.a. de dichtheid en de stroomsnelheid
in de leiding. Een typisch resultaat is weergegeven in Figuur 2 (geluidvermogen in
de CO
2
injectie piping stroomopwaarts van het platform, bij P=67 bar, T=46
o
C).









Datum
5 april 2011

Onze referentie
TNO-MEM-2011-000560

Blad
4/9



Figuur 2 Typisch spectrum van het intern stromingsgeluidvermogen.

Het geluidvermogen in de leiding valt af met ~5dB per octaaf. Voor lagere
frequenties is het geluidvermogen constant. Het omslagpunt ligt bij f ~12.5*U, met
U de gas snelheid in m/s.


4. Overdracht door de buiswand

Het interne geluidvermogen wordt door de buiswand afgeschermd. De overdracht
van het geluid door de buiswand hangt af van de eigenschappen van de buis en
het gas en is sterk frequentie-afhankelijk. VDI 3733 geeft een empirische relatie
voor de overdracht van geluid in de leiding naar afgestraald geluid naar de
omgeving, voor een enkelvoudige buis in lucht (voor een buis in water is een extra
correctie nodig). Figuur 3 geeft een typisch voorbeeld van de overdracht door de
buiswand. De buiswand schermt het laagfrequente geluid zeer efficint af, terwijl
de buis bij hogere frequenties meer transparant wordt.









Datum
5 april 2011

Onze referentie
TNO-MEM-2011-000560

Blad
5/9



Figuur 3 Typisch spectrum van de geluidoverdracht door een pijpwand.


Op het P-18A platform is de buiswand van de upstream aardgasproductieputten
niet enkelvoudig, maar bestaat uit een complex van vier concentrisch geplaatste
casings and tubings. De binnenste annulus is gevuld met gas/CO
2
, de overige met
water/olie. Als eerste orde benadering kan de som van de individuele
overdrachten worden gebruikt, het geen resulteert in een extreem goede
afscherming van het geluid. Hetzelfde geldt voor de downstream CO
2
injectie
putten. Derhalve kan worden volstaan met de analyse van de upstream CO
2

injectie riser en de downstream aardgasproductie riser.

Figuur 4 geeft de gemiddelde waarden van de overdracht door de pijpwand voor
CO
2
en aardgas. De afscherming door de buis is in het geval van aardgas sterker
dan in het geval van CO
2
, veroorzaakt door het relatief grote verschil in dichtheid
tussen gas en staal. De gemiddelde afscherming van geluid in de aardgasriser is
10 dB hoger dan voor CO
2
.



















Datum
5 april 2011

Onze referentie
TNO-MEM-2011-000560

Blad
6/9


















Figuur 4 Overdracht door de buiswand, voor gas productie riser en CO2 injectie
riser.


5. Afgestraald onderwater geluid

Het bovengenoemde model voor afgestraald geluidvermogen is toepasbaar op
pijpen in lucht. Voor de afstraling naar water dient een correctie te worden
meegenomen. In het algemeen zal de geluidafstraling naar water efficinter zijn
dan naar lucht. De precieze verhouding is afhankelijk van de frequentie.
Figuur 5 geeft een voorbeeld; bij lage frequenties is de correctie van een
afstralende pijp in water ongeveer 16 dB. Bij hoge frequenties is de correctie van
een afstralende pijp in water ongeveer 36 dB.


















Figuur 5 Afgestraald vermogen van een pijp in water ten opzichte van een pijp in
lucht [1].








Datum
5 april 2011

Onze referentie
TNO-MEM-2011-000560

Blad
7/9


6. Resultaten

De geluidvermogens in de leiding (L
wi
), uitgedrukt in dB re 1pW (1 picowatt), ten
gevolge van stromingsgeluid, voor de CO
2
injectie (4 cases) zijn hieronder
weergegeven (Tabel 4). Hieruit is het afgestraalde geluidvermogen van de risers
naar het water (L
wo
) berekend, rekening houdend met de overdracht door de
buiswand (Figuur 4), de correctie voor afstraling naar water (Figuur 5) en een
waterdiepte van 20 meter. Merk op dat het hier gaat om het geluidvermogen, niet
om het geluiddrukniveau. De relatie tussen beide komt later aan de orde.

Tabel 4 Resultaten voor geluidafstraling voor CO
2
injectie.
Case L
wi
[dB re 1pW] L
wo
[dB re 1pW]
C1 45 41
C2 41 34
C3 12 8
C4 5 2

Dezelfde gegevens ten gevolge van stromingsgeluid door de gasproductie zijn
gegeven in Tabel 5.

Tabel 5 Resultaten voor geluidafstraling voor gas productie.
Case L
wi
[dB re 1pW] L
wo
[dB re 1pW]
G1 61 57
G2 48 41
G3 42 34
G4 38 27
G5 72 75

De maximale geluidproductie voor CO
2
injectie is 16 dB lager dan de geluid
afstraling door de aardgas productie in 2006-2009. In vergelijking met de
maximale aardgasproductie (in 1998) is de afstraling door CO
2
injectie zelfs 34 dB
lager.

Het afgestraalde geluid is breedbandig van karakter en heeft een maximum rond
4 kHz.

Om het afgestraalde geluidvermogen om te rekenen naar geluiddrukniveaus
hanteren we een simpele vuistregel. Dit omdat het in eerste instantie om een orde
van grootte gaat. Deze regel luidt: een bronniveau (SL) van 171 dB re 1 Pa
2
m
2

komt overeen met een geluidvermogen van 1 W.
Een geluidvermogenniveau van 41 dB re 1 pW komt ongeveer overeen met een
geluidvermogen van 10
-8
W. De vuistregel geeft nu aan dat dit overeenkomt met
een geluiddrukniveau van ongeveer 91 dB re 1 Pa
2
m
2
. Dit is een laag getal dat
niet leidt tot TTS bij de bruinvis.
Ook het geluid bij de top-gasproductie van destijds, geluidvermogen 75 dB re 1
pW, ofwel een geluiddrukniveau van grofweg 125 dB re 1 Pa
2
m
2
leidt niet tot een
TTS niveau.








Datum
5 april 2011

Onze referentie
TNO-MEM-2011-000560

Blad
8/9



Figuur 6 Afgestraald geluid als functie van frequentie voor de CO
2
injectie
scenarios.


Figuur 7 Afgestraald geluid als functie van frequentie voor de aardgasproductie
scenarios.









Datum
5 april 2011

Onze referentie
TNO-MEM-2011-000560

Blad
9/9



7. Conclusies

Het afgestraalde onderwatergeluid ten gevolgde van stromingsgeluid door de
CO
2
injectie ligt voor de meeste scenarios op een lager niveau dan de
geluidafstraling ten gevolge van de aardgasproductie in de jaren 2006-2009, en
beduidend onder het geluidniveau veroorzaakt tijdens de top aardgasproductie in
de beginjaren van de gaswinning. In geen van de gevallen (CO
2
en aardgas)
bereikt het stromingsgeluid het TTS niveau. Voor zowel de productie- als de
injectiescenarios ligt het maximum van het afgestraalde spectrum rond 4kHz.



8. Referentie

[1] VDI 3733 Noise at pipes, July 1996


RAAP-RAPPORT 2211
Buisleiding Waterstaatswerken,
Duinen en Zee
Gemeente Rotterdam (deels)
Archeologisch vooronderzoek: een
bureauonderzoek
drs. R.A.C. Kroes
RAAP Archeologisch Adviesbureau BV, 2011
Colofon
Opdrachtgever: Royal Haskoning
Titel: Buisleiding Waterstaatswerken, Duinen en Zee, gemeente Rotterdam (deels);
archeologisch vooronderzoek: een bureauonderzoek
Status: eindversie
Datum: 1 maart 2010
Auteur: drs. R.A.C. Kroes
Projectcode: ROAD
Bestandsnaam: RA2211_ROAD
Projectleider: drs. R.A.C. Kroes
Projectmedewerkers: niet van toepassing
ARCHIS-vondstmeldingsnummers: niet van toepassing
ARCHIS-waarnemingsnummers: niet van toepassing
ARCHIS-onderzoeksmeldingsnummer: 43673
Bewaarplaats documentatie: RAAP West-Nederland
Autorisatie: drs. I.A. Schute
Bevoegd gezag: Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed
ISSN: 0925-6229
RAAP Archeologisch Adviesbureau B.V.
Leeuwenveldseweg 5b
1382 LV Weesp
Postbus 5069
1380 GB Weesp
telefoon: 0294-491 500
telefax: 0294-491 519
E-mail: raap@raap.nl
RAAP Archeologisch Adviesbureau B.V., 2011
RAAP Archeologisch Adviesbureau B.V. aanvaardt geen aansprakelijkheid voor eventuele schade
voortvloeiend uit het gebruik van de resultaten van dit onderzoek of de toepassing van de adviezen.
RAAP-RAPPORT 2211
Buisleiding Waterstaatswerken, Duinen en Zee, gemeente Rotterdam (deels)
Archeologisch vooronderzoek: een bureauonderzoek
4
Samenvatting
In opdracht van Royal Haskoning heeft RAAP Archeologisch Adviesbureau in november 2010
een bureauonderzoek uitgevoerd in verband met de aanleg van een CO2-transportleiding in de
Noordzee.
Dit onderzoek diende te worden uitgevoerd omdat realisatie van de plannen zou kunnen leiden tot
aantasting of vernietiging van mogelijk aanwezige archeologische resten. Het onderzoek omvatte
het verwerven van informatie over bekende en verwachte archeologische waarden en had tot
doel een gespecificeerde archeologische verwachting op te stellen voor het plangebied. Op basis
van de gespecificeerde archeologische verwachting en de aard en omvang van de voorgenomen
bodemingrepen is vervolgens in hoofdstuk 3 een advies geformuleerd met betrekking tot eventueel
archeologisch vervolgonderzoek.
Op basis van de gespecificeerde archeologische verwachting ( 2.2) en de voorgenomen
bodemingrepen ( 1.3), kan worden geconcludeerd dat bij de aanleg van de buisleiding vermoede-
lijk archeologische waarden zullen worden verstoord.
Meer specifiek zijn de volgende bevindingen van belang:
Binnen 300 m van het lange trac bevinden zich vier bekende scheepswrakken (wraknummers
1870, 1871, 1874 en 3133), waarvan ten minste n uit de periode van de Tweede Wereldoor-
log. De andere drie zijn ongedateerd. Wraknummers 1870, 1871 en 1874 zijn inmiddels afgedekt
door de Maasvlakte. Wraknummers 1870 en 3133 liggen vrijwel in het trac.
Binnen 300 m van het korte trac bevinden zich vier bekende scheepswrakken (wraknummers
3545, 1947, 1930 en (wederom) 1870).
Voor de actieve laag geldt een hoge verwachting voor het aantreffen van scheepswrakken.
Er bestaat een kans op het aantreffen van vliegtuigwrakken uit de Tweede Wereldoorlog.
Op basis van de resultaten van dit bureauonderzoek wordt in het trac in het kader van de voor-
genomen bodemingrepen op land en in de delen waar gestuurde boringen plaatsvinden, geen
archeologisch vervolgonderzoek aanbevolen.
Op basis van de resultaten van dit bureauonderzoek wordt aanbevolen om aanvullend archeolo-
gisch onderzoek te laten verrichten aan het trac op zee in de vorm van een inventariserend veld-
onderzoek (IVO) opwaterfase verkennend, bestaande uit geofysisch onderzoek.
Geadviseerd wordt een combinatie uit te voeren van side scan sonaronderzoek en magnetome-
trisch onderzoek in een zone tot 300 m buiten de as van het trac. Doel van het sonaronderzoek
is het opsporen van aanwijzingen voor mogelijk archeologische resten op en aan de bodem. Doel
van het magnetometrisch onderzoek is het opsporen van mogelijke archeologische resten in de
bodem, die dus afgedekt zijn door sedimenten. Met deze methode kunnen afgedekte magnetische
materialen worden opgespoord.
RAAP-RAPPORT 2211
Buisleiding Waterstaatswerken, Duinen en Zee, gemeente Rotterdam (deels)
Archeologisch vooronderzoek: een bureauonderzoek
5
Inhoud
Samenvatting ........................................................................................................................................ 4
1 Inleiding ............................................................................................................................................ 6
1.1 Kader en doelstelling ........................................................................................................................ 6
1.2 Administratieve gegevens ................................................................................................................. 6
1.3 Waterkundige gegevens .................................................................................................................... 6
1.4 Toekomstige situatie ......................................................................................................................... 8
1.5 Onderzoeksopzet en richtlijnen ......................................................................................................... 8
2 Bureauonderzoek ........................................................................................................................ 10
2.1 Methoden ....................................................................................................................................... 10
2.2 Resultaten ...................................................................................................................................... 10
3 Conclusies en aanbevelingen ................................................................................................ 16
3.1 Conclusies ..................................................................................................................................... 16
3.2 Adviezen voor vervolgonderzoek buiten de m.e.r. (conform KNA) ..................................................... 16
Literatuur .............................................................................................................................................. 18
Gebruikte afkortingen ..................................................................................................................... 19
Overzicht van figuren, tabellen en bijlagen ............................................................................ 20
RAAP-RAPPORT 2211
Buisleiding Waterstaatswerken, Duinen en Zee, gemeente Rotterdam (deels)
Archeologisch vooronderzoek: een bureauonderzoek
6
1 Inleiding
1.1 Kader en doelstelling
In opdracht van Royal Haskoning heeft RAAP Archeologisch Adviesbureau in november 2010
een bureauonderzoek uitgevoerd in verband met de aanleg van een CO2-transportleiding in de
Noordzee.
Dit onderzoek diende te worden uitgevoerd omdat realisatie van de plannen zou kunnen leiden tot
aantasting of vernietiging van mogelijk aanwezige archeologische resten. Het onderzoek omvatte
het verwerven van informatie over bekende en verwachte archeologische waarden en had tot
doel een gespecificeerde archeologische verwachting op te stellen voor het plangebied. Op basis
van de gespecificeerde archeologische verwachting en de aard en omvang van de voorgenomen
bodemingrepen is vervolgens in hoofdstuk 3 een advies geformuleerd met betrekking tot eventueel
archeologisch vervolgonderzoek.
1.2 Administratieve gegevens
Er zijn twee tracs in studie: een lang trac (ca. 23 km, waarvan ca. 3 km op het land) en een kort
trac (18 km op zee). Beide liggen in en direct ten noorden van de Tweede Maasvlakte (gemeente
Rotterdam, figuur 1). Het gebied staat deels afgebeeld op kaartblad 37A en 30C van de topografi-
sche kaart van Nederland (schaal 1:25.000) en geheel op kaartblad 1801 van de officile Zeekaart
voor de Kust- en Binnenwateren van de Hydrografische Dienst van de Koninklijke Marine.
Vanaf de Maasvlakte loopt het lange trac eerst noordwaarts tot een productiebron, 8 km uit
de kust en buigt daarna af naar het noordwesten. Het eindigt bij het verlichte productieplatform
P18-A, 18,4 km uit de kust.
Het korte trac vormt de kortste verbinding tussen de Maasvlakte en het productieplatform P18-A.
1.3 Waterkundige gegevens
Waterbeheerder: RWS.
Gemeente: Op land: Rotterdam; op zee: n.v.t.
Provincie: tot 1 km uit de kust: Zuid-Holland; daarbuiten: n.v.t.
Scheepvaart: trac kruist uitvaarroute van de haven van Rotterdam.
Stroming: getij, uitstroom grote rivier, zeestroming.
Onderwaterzicht: naar verwachting slecht. Gegevens over zichtbelemmeringen als gasvorming
en begroeiing zijn vooralsnog onbekend.
Diepte: 11-21,5 m.
Zout water.
RAAP-RAPPORT 2211
Buisleiding Waterstaatswerken, Duinen en Zee, gemeente Rotterdam (deels)
Archeologisch vooronderzoek: een bureauonderzoek
7
1
5
0
5
1
1
5
1
1
5
1
5
0
@

0
|
e
r
s
l

v
o
o
r

r
e
l

|
a
d
a
s
l
e
r

e
r

d
e

o
p
e
r
o
a
r
e

r
e
g
|
s
l
e
r
s
,

A
p
e
|
d
o
o
r
r
,

2
0
1
0
1

0
1
5
5
1
5
5
1

0
55 0 5
0 55
Figuur 1. Ligging van de tracs (zwarte lijn) met ARCHIS-waarnemingen (rood), scheepswrakken (blauw) en
sonarcontacten (groen) op de CHS van Zuid-Holland; inzet: ligging in Nederland (ster).
RAAP-RAPPORT 2211
Buisleiding Waterstaatswerken, Duinen en Zee, gemeente Rotterdam (deels)
Archeologisch vooronderzoek: een bureauonderzoek
8
1.4 Toekomstige situatie
Voor de aanleg van de transportbuis zijn op land ondiepe sleuven en diepe, geboorde, trajecten
voorzien. Op zee is een ondiepe ligging voorzien, waarvoor de waterbodem ontgraven zal worden.
Het geplande lange trac ligt circa 100 m ten westen van reeds bestaande leidingen. Gedetail-
leerde gegevens over de ingrepen zijn nog niet bekend.
1.5 Onderzoeksopzet en richtlijnen
Het onderzoek is uitgevoerd volgens de normen van de archeologische beroepsgroep (zie artikel
24 van het Besluit archeologische monumentenzorg). De Kwaliteitsnorm Nederlandse Archeologie
(KNA, versie 3.1), beheerd door de Stichting Infrastructuur Kwaliteitsborging Bodembeheer (SIKB;
www.sikb.nl), geldt in de praktijk als richtsnoer. Hoewel dit bureauonderzoek primair ten behoeve
van de m.e.r. is opgesteld, is voor de volledigheid toch gekozen voor een KNA-conform bureauon-
derzoek, zodat adviezen omtrent vervolgonderzoek nu al beschikbaar zijn voor wanneer het pro-
ject in een volgende fase terecht komt. RAAP beschikt over een opgravingsvergunning, verleend
door de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap.
Zie tabel 1 voor de dateringen van de in dit rapport genoemde archeologische perioden. Achter in
dit rapport is een lijst met gebruikte afkortingen opgenomen.
RAAP-RAPPORT 2211
Buisleiding Waterstaatswerken, Duinen en Zee, gemeente Rotterdam (deels)
Archeologisch vooronderzoek: een bureauonderzoek
9
Geologische perioden Archeologische perioden
H
o
l
o
c
e
e
n
P
l
e
i
s
t
o
c
e
e
n
P
r
e
h
i
s
t
o
r
i
e
Chronozone Tijdvak Tijdperk Datering Datering
tabel1_standaard_GeoBioArcheo_RAAP_2010
Paleolithicum
(Oude Steentijd)
Mesolithicum
(Midden Steentijd)
Neolithicum
(Nieuwe Steentijd)
Middeleeuwen
Nieuwe tijd
Nieuwste tijd (=Nieuwe tijd C)
Romeinse tijd
IJzertijd
Bronstijd
Laat
Midden
Vroeg
V
r
o
e
g
Laat
Midden
Vroeg
Laat
Midden
Vroeg
Laat
Midden
Vroeg
Laat
Midden
Vroeg
Laat
Vol
A
B
Karolingisch
Merovingisch laat
Merovingisch vroeg
Ottoons
Subboreaal
Atlanticum
Boreaal
Preboreaal
Denekamp
Hengelo
Moershoofd
Odderade
Eemien
W
e
i
c
h
s
e
l
i
e
n
P
l
e
n
i
g
l
a
c
i
a
a
l
V
r
o
e
g
G
l
a
c
i
a
a
l
L
a
a
t
G
l
a
c
i
a
a
l
L
a
a
t
M
i
d
d
e
n
V
r
o
e
g
Belvedre/Holsteinien
Elsterien
Brrup
Saalien II
Saalien I
Glaciaal x
Blling
Allerd
Late Dryas
Vroege Dryas
Vroegste Dryas
Vroeg
Subatlanticum
Laat
Subatlanticum
Oostermeer
Holsteinien
- 1795
- 1500
- 1250
- 1050
- 900
- 725
- 525
- 450
- 1650
- 270
- 70 na Chr.
- 15 voor Chr.
- 250
- 500
- 800
- 1100
- 1800
- 2000
- 2850
- 4200
- 4900/5300
- 6450
- 8640
- 9700
- 35.000
- 12.500
463.000
- 250.000
- 16.000
Midden
Jong A
Jong B
Oud
Laat
- 9700
- 450 voor Chr.
- 0
- 3700
- 7300
- 8700
- 1150 na Chr.
- 11.050
- 11.500
- 12.000
- 60.000
- 71.000
- 30.500
- 114.000
- 126.000
- 236.000
- 241.000
- 322.000
- 384.000
- 416.000
- 13.500
- 12.500
- 336.000
Tabel 1. Geologische en archeologische tijdschaal.
RAAP-RAPPORT 2211
Buisleiding Waterstaatswerken, Duinen en Zee, gemeente Rotterdam (deels)
Archeologisch vooronderzoek: een bureauonderzoek
10
2 Bureauonderzoek
2.1 Methoden
Het bureauonderzoek is uitgevoerd om een gespecificeerde archeologische verwachting op te stel-
len. Daartoe zijn reeds bekende archeologische en aardkundige gegevens verzameld en is het
grondgebruik in het plangebied in het heden en verleden genventariseerd.
Geraadpleegd zijn de volgende bronnen:
het ARCHeologisch Informatie Systeem (ARCHIS);
de Archeologische Monumenten Kaart (AMK);
de Indicatieve Kaart van Archeologische Waarden (IKAW);
het Wrakkenregister van het Nederlands Continentaal Plat en de Westerschelde van de Dienst
der Hydrografie van de Koninklijke Marine (HP 39), editie 2009;
de Correctielijst op HP39, editie 2009, d.d. 9 september 2010;
het Actueel Dieptebestand van Nederland;
informatie waterbeheerder;
historische zeekaarten;
literatuur en historisch en aardkundig kaartmateriaal (zie literatuurlijst);
rapportages van eerder uitgevoerd onderzoek in kader van de aanleg van de Tweede Maasvlakte
(zie literatuurlijst);
de recente topografische kaart 1:25.000;
recente luchtfotos uit Google Earth (http:/www.earth.google.com).
2.2 Resultaten
Huidige situatie
Op recente topografische kaarten 1:25.000 is het zuidelijke landdeel van de beide tracs afge-
beeld als zandvlakte (strand). De rest van de tracs liggen in zee. Recente luchtfotos uit Google
Earth bevestigen dit. Volgens de geraadpleegde topografische kaart bedraagt de huidige maai-
veldhoogte in het landdeel ongeveer 5 tot 5,5 m +NAP.
De diepte van het zeewater bedraagt volgens de zeekaart 11 14 m in het deel van de traces die
direct grenzen aan de Maasvlakte. Verder in noordwestelijke richting varieert de diepte tussen de
20 en 21,5 m (figuur 1).
Het lange trac volgt het trac van twee reeds bestaande gasleidingen die zijn aangegeven op de
Zeekaart.
RAAP-RAPPORT 2211
Buisleiding Waterstaatswerken, Duinen en Zee, gemeente Rotterdam (deels)
Archeologisch vooronderzoek: een bureauonderzoek
11
Aardkundige situatie
Geologie en Landschapsgeschiedenis
Aan het einde van de laatste ijstijd bestond de Noordzee uit een uitgestrekte toendravlakte. Ter
plaatse van de geplande tracs lag een vlakte waarin vlechtende rivieren zand afzetten en de wind
dat zand weer opnam en verstoof, plaatselijk tot duinen, naast het rivierdal.
Na het einde van de ijstijd steeg de temperatuur en smolten de landijsmassas. Aanvankelijk werd
de toendravlakte natter en raakte deze met bos begroeid, maar als gevolg van de stijgende zee-
spiegel begon de Noordzee langzaam vol te lopen. De vernatting zorgde voor de vorming van veen
-het Basisveen- waarmee het onderliggende landschap werd afgedekt. Aan de zich landinwaarts
verplaatsende kust ontstonden strandwallen waarachter zich lagunes vormden. Daarin werd klei
afgezet -de laag van Velsen. Plaatselijk zullen zandkoppen die tijdens de ijstijd waren gevormd
nog boven dit landschap uit gestoken hebben.
De strandwallen, en een deel van de rivier- en windafzettingen uit de ijstijd werden weer opge-
ruimd door de stijgende zeespiegel, maar de Laag van Velsen bleef op een aantal plaatsen intact,
en daarmee ook het onderliggende Basisveen en het ijstijdlandschap. De ligging en dikte van de
Laag van Velsen is tijdens bureauonderzoek voor de Maasvlakte 2 uitgebreid gekarteerd. Een zeer
kort stukje van het lange trac kruist een zone waar deze laag nog intact is. Het korte trac kruist
ongeveer 1,5 km lang de intacte laag van Velsen (figuur 2).
Rond 6000 voor Chr. daalde de snelheid van de zeespiegelstijging en stabiliseerde de kust. De
lagune veranderde in een wadden- en kweldergebied waarin zanden en kleien werden afgezet.

Figuur 2. Verspreiding en dikte van de Laag van Velzen (bron: Hessing e.a., 2005).
RAAP-RAPPORT 2211
Buisleiding Waterstaatswerken, Duinen en Zee, gemeente Rotterdam (deels)
Archeologisch vooronderzoek: een bureauonderzoek
12
Deze afzettingen worden gerekend tot het laagpakket van Wormer. Kort hierna, tegen het einde
van het Mesolithicum, rond 5000 voor Chr., lagen de strandwallen en duinen verder landinwaarts,
ter plaatse van de huidige Maasvlakte (Van Staalduinen, 1979).
Vanaf het Neolithicum lag ook het gebied van de Maasvlakte buiten de kust. De afzettingen die
hier vanaf deze tijd werden afgezet, worden gerekend tot de Bligh Bank Formatie en bestaan uit
onderwateroevers en open zeeafzettingen. De toplaag hiervan, de actieve laag, is aan verande-
ringen onderhevig als gevolg van golfslag, getijdenwerking en stroming.
IKAW en CHW
Op de IKAW valt een deel van de tracs in een zone met een hoge archeologische verwachting.
Deze waardering is gebaseerd op de bodemgesteldheid in het plangebied (Deeben, 2008; zie ook
www.cultureelerfgoed.nl).
De Cultuurhistorische Waardenkaart voor Zuid-Holland geeft geen informatie over het gebied
waarin de tracs liggen (http://geo.zuid-holland.nl/geo-loket/kaart_chs.html).
Mogelijke verstoringen
Ten behoeve van de aanleg van de Maasvlakte en voor de bouw is in de Noordzee zand gewon-
nen. Zandputten zullen eventuele archeologische resten hebben verstoord. Het lange trac volgt
echter een reeds bestaande zone met leidingen, waar zandwinning niet is toegestaan. Op basis
van de dieptegegevens uit de zeekaart lijken er ook in het korte trac geen zandwinputten te
liggen.
In 1872 is de Nieuwe Waterweg gegraven die - ook buitengaats - regelmatig wordt gebaggerd. Een
stuk van het trac van de buisleiding kruist deze vaarweg. Eventuele archeologische resten zullen
in die vaarweg verdwenen zijn. Er zal overigens ter plaatse van de vaarweg een gestuurde boring
uitgevoerd worden.
Bekende archeologische waarden
ARCHIS en AMK
Er zijn geen bekende archeologische terreinen geregistreerd op de Archeologische Monumenten
kaart (AMK) binnen 1000 m van de tracs.
In ARCHIS staat binnen 1000 m van de tracs n waarneming geregistreerd (ARCHIS waarne-
mingsnummer 409479). Het gaat om een in 2007 onderzocht scheepswrak van een -vermoede-
lijk- klein transportschip, mogelijk uit de 19e eeuw met resten van de lading (metaal) en ballast
(Schute, 2007). De dichtstbijzijnde andere waarnemingen bevinden zich op 2000 m van het zui-
delijkste punt van het trac op zee. Het betreft twee scheepswrakken, de Louise uit 1879 en de
Marie uit 1878 (ARCHIS-waarnemingsnummers 46834 en 46833). Beide wrakken zijn ook bekend
uit het Wrakkenregister van de Hydrografische Dienst, maar op andere locaties in de buurt (figuur
1).
Wrakkenregister
Binnen 500 m van het lange trac zijn wel enkele wrakken geregistreerd in het Wrakkenregister.
Het gaat om 7 wrakken.
RAAP-RAPPORT 2211
Buisleiding Waterstaatswerken, Duinen en Zee, gemeente Rotterdam (deels)
Archeologisch vooronderzoek: een bureauonderzoek
13
Drie wrakken liggen verder weg van het trac dan 300 m: wraknummer 1969, 1872 (de Ceres)
en 1928 (de Lindisfarne, een Brits stoomvrachtschip, gezonken in 1908 na een aanvaring; http://
www.wrecksite.eu/wreck.aspx?891).
Vier wrakken liggen binnen een afstand van 300 m: wraknummers 1871, 1874, 3133 en 1870.
Wraknummers 1871, 1874 en 1870 zijn inmiddels afgedekt door de Maasvlakte. Wraknummers -
3133 en 1870 liggen vrijwel in het trac.
Wraknummer 1874 betreft de Hertha Engelina Fritzen, een Duits stoomvrachtschip dat in 1941 -
aan de grond liep aan de ingang van de Nieuwe Waterweg (http://www.wrecksite.eu/wreck.
aspx?891).
Wraknummer 3133 is geregistreerd als wrakresten, vuile grond, niet langer gevaarlijk voor -
bovenwaterscheepvaart, maar te vermijden bij ankeren, vissen etc.
Van geen van deze 7 wrakken is een diepte bekend.
Binnen 500 m van het korte trac zijn eveneens 7 wrakken geregistreerd:
Drie wrakken liggen verder weg van het trac dan 300 m: wraknummer 1948, 1928 (de eerder al
genoemde Lindis Farne) en 1968 (de Adolf Khling).
Vier wrakken liggen binnen een afstand van 300 m: wraknummers 3545, 1947, 1930 en de
eerder al genoemde 1870.
Van wraknummer 1930 is alleen de positie bekend. -
Wraknummer 1947 ligt op 16,9 m diepte, dit betreft de minst gelode diepte. -
Nummer 3545 is geregistreerd als wrakresten, vuile grond. -
Eerder veldonderzoek
In 2005 is door Wessex Archaeology een archeologisch assesment uitgevoerd in de vorm van side
scan sonaronderzoek in het gebied waar de Tweede Maasvlakte zou worden aangelegd. Daarbij
zijn enkele locaties aangetroffen die mogelijk van archeologisch belang zijn (Wessex, 2005).
Binnen 500 m van beide tracs betreft het 5 locaties, alle in de buurt van het trac op land. Het
betreft de locaties:
6048, een harde reflectie, mogelijk in een depressie;
6049, een harde reflectie in een depressie;
6076, een rotsblok met slijpgeul;
6084, een touw of ketting en
6086, een lineaire reflectie, mogelijk veroorzaakt door een passerend vaartuig.
Alle vijf de locaties hebben volgens Wessex een laag archeologisch potentieel en zijn niet meege-
nomen in later vervolgonderzoek (Schute, 2007).
Historische kaarten
De geraadpleegde historische kaarten (www.watwaswaar.nl) bevatten geen concrete aanwijzingen
voor de aanwezigheid van archeologische waarden in het trac.
Op de kaart van Jacob Zwart van de Noordzee uit 1852 wordt de waterdiepte ter plaatse van de
huidige Maasvlakte aangegeven als minder dan 10 vadems, dat is 18,28 m.
RAAP-RAPPORT 2211
Buisleiding Waterstaatswerken, Duinen en Zee, gemeente Rotterdam (deels)
Archeologisch vooronderzoek: een bureauonderzoek
14
Gespecificeerde archeologische verwachting
In de tracs kunnen van onder naar boven 3 verschillende landschappen worden onderscheiden.
Elk van deze landschappen bood de mens een eigen set aan gebruiksmogelijkheden en ze resul-
teren dus ook in een eigen archeologische verwachting. De landschappen en hun archeologische
verwachting worden hieronder behandeld.
Het ijstijdlandschap in het Paleolithicum en Mesolithicum
Tijdens en kort na de IJstijd werd het landschap gebruikt door groepen jagers en verzamelaars. De
top van dit landschap is door latere geologische ontwikkelingen aangetast, maar op plekken waar
het Basisveen en de Laag van Velsen nog intact zijn, kunnen resten uit deze periode worden ver-
wacht op een diepte vanaf 22 tot 20 m -NAP (Van Staalduinen, 1979). Mogelijk ligt de laag dieper,
tot 28 m -NAP (Hessing, 2005), naarmate deze verder weg ligt van de kust. Dit is op een zeer kort
traject in het lange trac van toepassing en op een ongeveer 1,5 km lang deel van het korte trac
(figuur 2). Jagers en verzamelaars maakten gebruik van tijdelijke kampementen waarvan de arche-
ologische resten niet zeer talrijk, en ruimtelijk verspreid zijn. De archeologische verwachting voor
dergelijke resten is dan ook laag. Ze zijn ook lastig op te sporen met de gebruikelijke middelen.
Doorgaans zijn ze herkenbaar aan fragmenten houtskool, al dan niet verbrand bot, verbrande leem
en vuursteen.
Het lagunelandschap uit het Mesolithicum
De lagune die in het Vroege Holoceen werd gevormd was zeer slecht geschikt voor bewoning. Er
zal door de mens hoogstens zijn gevist en gejaagd. Archeologische resten van dergelijke activitei-
ten zijn zeer spaarzaam gezaaid en praktisch niet met booronderzoek op te sporen. De verwach-
ting voor resten uit deze periode is uitgesproken laag.
Het water vanaf het Mesolithicum
Vanaf ongeveer 5000 voor Chr. vallen de tracs in zee.
Ze kruisen de vaarroute van en naar Rotterdam. De verwachting voor resten van schepen uit de
grote vaart is dan ook hoog, maar ook voor de kleinere kustvaart, vissersschepen en uit de koers
geraakte vaartuigen is de verwachting hoog.
De plaatselijke geologie maakt het bovendien mogelijk dat eventuele wrakken (deels) zijn afgedekt
in de actieve laag. Dit betekent dat resten goed geconserveerd zullen zijn en mogelijk geheel zijn
afgedekt.
Er bestaat een kleine kans op het aantreffen van vliegtuigwrakken uit de Tweede Wereldoorlog. Er
zijn geen vliegtuigwrakken bekend in het trac; het register van verliezen dekt de Noordzee niet.
Dit heeft te maken met het feit dat (delen van) vliegtuigwrakken op zee zeer makkelijk verspreid
raken door factoren die een rol spelen bij het neerstorten (uiteenvallen in de lucht, uiteenslaan op
het water) en daarna (stroming en getij). Een voorspelling is op dit punt alleen op te stellen voor
locaties waar in het verleden al wrakdelen geruimd zijn en dit zegt uit de aard der zaak niets over
nog niet ontdekte locaties (mededeling Peter Grimm, Studiegroep Luchtoorlog 1939-1945 (SGLO),
d.d. 13-12-2010).
RAAP-RAPPORT 2211
Buisleiding Waterstaatswerken, Duinen en Zee, gemeente Rotterdam (deels)
Archeologisch vooronderzoek: een bureauonderzoek
15
Niet geheel afgedekte scheepswrakken zullen bij onderzoek met geofysische methoden herken-
baar zijn aan onregelmatigheden in het bodemrelif. Geheel afgedekte scheepswrakken zullen
bij geofysisch onderzoek doorgaans lastig te treffen zijn en slecht herkenbaar zijn. Een uitzonde-
ring zijn metalen wrakken, die ook in afgedekte staat goed op te sporen zijn met magnetometrisch
onderzoek.
RAAP-RAPPORT 2211
Buisleiding Waterstaatswerken, Duinen en Zee, gemeente Rotterdam (deels)
Archeologisch vooronderzoek: een bureauonderzoek
16
3 Conclusies en aanbevelingen
3.1 Conclusies
Op basis van de gespecificeerde archeologische verwachting ( 2.2) en de voorgenomen
bodemingrepen ( 1.3), kan worden geconcludeerd dat bij de aanleg van de buisleiding vermoede-
lijk archeologische waarden zullen worden verstoord.
Meer specifiek zijn de volgende bevindingen van belang:
Op een kort traject in het lange trac en een 1,5 km lang traject in het korte trac kunnen nog
resten intact zijn uit het Paleolithicum en Mesolithicum (figuur 2).
Binnen 300 m van het lange trac bevinden zich vier bekende scheepswrakken (wraknummers
1870, 1871, 1874 en 3133), waarvan ten minste n uit de periode van de Tweede Wereldoor-
log. De andere drie zijn ongedateerd. Wraknummers 1870, 1871 en 1874 zijn inmiddels afgedekt
door de Maasvlakte. Wraknummers 1870 en 3133 liggen vrijwel in het trac.
Binnen 300 m van het korte trac bevinden zich vier bekende scheepswrakken (wraknummers
3545, 1947, 1930 en [wederom] 1870).
Voor de actieve laag geldt een hoge verwachting voor het aantreffen van scheepswrakken.
Er bestaat een kans op het aantreffen van vliegtuigwrakken uit de Tweede Wereldoorlog.
3.2 Adviezen voor vervolgonderzoek buiten de m.e.r. (conform
KNA)
Op basis van de resultaten van dit bureauonderzoek wordt aanbevolen om aanvullend archeolo-
gisch onderzoek te laten verrichten in het trac op zee in de vorm van een inventariserend veldon-
derzoek (IVO) opwaterfase verkennend bestaande uit geofysisch onderzoek.
Geadviseerd wordt een combinatie uit te voeren van side scan sonaronderzoek en magnetome-
trisch onderzoek in een zone tot 300 m buiten de as van het trac. Doel van het sonaronderzoek
is het opsporen van aanwijzingen voor mogelijke archeologische resten op en aan de bodem.
Doel van het magnetometrisch onderzoek is het opsporen van scheeps- en vliegtuigwrakken in de
bodem, die dus zijn afgedekt door sedimenten. Met deze methode kunnen afgedekte magnetische
materialen worden opgespoord. Daarnaast kan van het reeds bekende wrak 3133 een nauwkeu-
rige locatie worden vastgesteld, zodat kan worden beoordeeld in hoeverre deze het trac snijdt.
Technieken voor het opsporen van afgedekte niet-magnetische materialen bestaan ook. Te denken
valt aan laagfrequent echolood of grondradar. Grondradar is echter niet bruikbaar in zout water.
Bij de inzet van laagfrequent echolood is de onderzoeksintensiteit echter extreem hoog en blijft de
kans bestaan dat archeologische resten worden gemist. Inzet van deze methoden raden we dan
ook niet aan.
Geofysisch onderzoek onder water behoort conform de KNA Waterbodems versie 3.1 plaats te
vinden op basis van een Programma van Eisen (PvE). Dit PvE dient voor aanvang van het onder-
RAAP-RAPPORT 2211
Buisleiding Waterstaatswerken, Duinen en Zee, gemeente Rotterdam (deels)
Archeologisch vooronderzoek: een bureauonderzoek
17
zoek te worden opgesteld door een senior-archeoloog en goedgekeurd te worden door de overheid
(RCE).
Verder wordt aanbevolen om op land en in de delen waar gestuurde boringen plaatsvinden, gn
archeologisch vervolgonderzoek te laten uitvoeren. De verwachting is dat de ondiepe ontgravingen
geen door de Maasvlakte afgedekte scheepswrakken (1871 en 1874) zullen raken.
De gestuurde boringen leveren in geen enkel opzicht zinnige waarnemingsmogelijkheden op voor
de te verwachten archeologische resten.
Wel wordt geadviseerd om de gestuurde boring ter plaatse van wrak 1870 diep genoeg te leggen
om dit wrak niet te raken. Deze diepte zal in ieder geval ver beneden de oorspronkelijke zeebodem
moeten liggen. Dit voorkomt de verstoring van mogelijke archeologische resten, maar het voor-
komt ook dat de boring op een ondoordringbaar obstakel stuit.
Daarnaast wordt geen vervolgonderzoek aanbevolen om archeologische resten uit het Paleo-
lithicum en Mesolithicum op te sporen. De beschikbare technieken hiervoor zijn praktisch niet
toereikend.
Indien bij de uitvoering van de werkzaamheden onverwacht toch archeologische resten worden
aangetroffen, dan is conform artikel 53 en 54 van de Monumentenwet 1988 (herzien in 2007) aan-
melding van de desbetreffende vondsten bij de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap
c.q. de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed verplicht (vondstmelding via ARCHIS).
Op basis van de bevindingen van dit onderzoek neemt de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed
een selectiebesluit (contactpersoon drs. A. Otte).
RAAP-RAPPORT 2211
Buisleiding Waterstaatswerken, Duinen en Zee, gemeente Rotterdam (deels)
Archeologisch vooronderzoek: een bureauonderzoek
18
Literatuur
Brenk, S. van den & B. van Mierlo, 2006. Rapportage Archeologische assessment Maasvlakte II.
Periplus Archeomare Rapport 2006-005. Amsterdam.
Deeben, J.H.C. (red.), 2008. De Indicatieve Kaart van Archeologische Waarden (IKAW), derde
generatie Rapportage Archeologische Monumentenzorg 155. Rijksdienst voor het Cultureel Erf-
goed, Amersfoort (info: www.cultureelerfgoed.nl).
Hessing, W.A.M. e.a., 2005. Maasvlakte 2: Archeologisch vooronderzoek fase I: bureauonderzoek,
risico-analyse en aanbevelingen voor vervolgstappen. Vestigia-rapport V165. Amersfoort.
Koninklijke Marine, Dienst der Hydrografie, 2009. Wrakkenregister Nederlands Continentaal Plat
en Westerschelde, Den Haag.
Schute, I.A. , 2007. Aanleg Tweede Maasvlakte, gemeente Rotterdam: archeologisch vooronder-
zoek: Maritiem inventariserend veldonderzoek (MIVO), onderwaterfase (karterend). RAAP-rap-
port 1524. Weesp.
Staalduinen, J.C. van, 1979. Geologische kaart van Nederland 1:50.000; 37 West Rotterdam west
(37 W). Haarlem.
Wessex, 2005. Maasvlakte 2, Archeaological Assesment of Sidescan Sonar and Miltibeam Bathym-
etry Data. Salisbury.
RAAP-RAPPORT 2211
Buisleiding Waterstaatswerken, Duinen en Zee, gemeente Rotterdam (deels)
Archeologisch vooronderzoek: een bureauonderzoek
19
Gebruikte afkortingen
AMK Archeologische MonumentenKaart
ARCHIS ARCHeologisch Informatie Systeem
CHS Cultuurhistorische HoofdStructuur
CMA Centraal Monumenten Archief
IKAW Indicatieve Kaart van Archeologische Waarden
IVO(-P) Inventariserend VeldOnderzoek (Proefsleuven)
KLIC Kabels en Leidingen Informatie Centrum
KNA Kwaliteitsnorm Nederlandse Archeologie
-Mv beneden maaiveld
NAP Normaal Amsterdams Peil
PvE Programma van Eisen
SIKB Stichting Infrastructuur Kwaliteitsborging Bodembeheer
RAAP-RAPPORT 2211
Buisleiding Waterstaatswerken, Duinen en Zee, gemeente Rotterdam (deels)
Archeologisch vooronderzoek: een bureauonderzoek
20
Overzicht van figuren, tabellen en bijlagen
Figuur 1. Ligging van de tracs (zwarte lijn) met ARCHIS-waarnemingen (rood), scheepswrak-
ken (blauw) en sonarcontacten (groen) op de CHS van Zuid-Holland; inzet: ligging in
Nederland (ster).
Figuur 2. Verspreiding en dikte van de Laag van Velzen (bron: Hessing e.a., 2005).
Tabel 1. Geologische en archeologische tijdschaal.



- pagina 1 - CCS Beelstuuie Natuui Afvang




MER Maasvlakte CCS
demonstratiepro|ect

Achteigionuiappoit
Effecten Afvang op Natuui
Einuiappoit, juni 2u11






- pagina 2 - CCS Beelstuuie Natuui Afvang



Inhoudsopgave
INHUUDSUPCAVE............................................................................................................... 2
1 INLEIDINC.................................................................................................................... 5
1.1 Be milieueffectiappoitage...........................................................................................S
1.2 Bet achteigionuiappoit effecten afvang op natuui .........................................S
1.S 0pzet en leeswijzei.........................................................................................................S
2 VUURCENUMEN INCREEP........................................................................................... 7
2.1 Plangebieu ..........................................................................................................................7
2.2 Aanlegfase...........................................................................................................................8
2.2.1 Aanleg CCS-installatie ..........................................................................................8
2.S uebiuiksfase ......................................................................................................................8
2.S.1 Afvang.........................................................................................................................8
2.S.2 Emissies naai ue lucht ......................................................................................1u
2.4 Alteinatieven en vaiianten.......................................................................................1u
3 TUETSINC, VERCELI)KINC EN BEUURDELINC..........................................................11
S.1 Inleiuing............................................................................................................................11
S.2 Natuuibeleiu en -wetgeving....................................................................................11
S.2.1 Natuuibescheimingswet 1998......................................................................11
S.2.2 Floia- en faunawet..............................................................................................1S
S.2.S EBS............................................................................................................................14
S.S veigelijkings- en toetsingskauei............................................................................1S
S.S.1 Boofuciiteiia.........................................................................................................1S
S.4 Boofuciiteiia (intei)nationaal natuuibeleiu....................................................16
S.4.1 0itweiking ciiteiia en meeteenheuen.......................................................16
S.4.2 0veizichtsamenvatting veigelijkings- en toetsingskauei natuui17
S.4.S veigelijking en toetsing....................................................................................18
S.4.4 veigelijking en beooiueling in m.e.i.-kauei............................................18
S.4.S Toetsing en beooiueling van effecten confoim
Natuuibescheimingswet 1998 (Babitattoets) ..........................................................2u
S.4.6 Toetsing en beooiueling van effecten confoim Floia- en faunawet
21
S.4.7 Toetsing en beooiueling van effecten EBS...............................................2S
4 AFBAKENINC EFFECTEN, STUDIECEBIED, ASPECTEN .............................................24
4.1 Afbakening effecten.....................................................................................................24
4.1.1 Aanlegfase CCS-installatie...............................................................................24
4.1.2 uebiuiksfase: afvang..........................................................................................26
4.2 Afbakening stuuiegebieu...........................................................................................28
4.S Afbakening aspecten...................................................................................................S1
4.4 Conclusies ........................................................................................................................S1
5 HUIDICE TUESTAND EN AUTUNUME UNTWIKKELINCEN........................................32
S.1 Inleiuing............................................................................................................................S2



- pagina S - CCS Beelstuuie Natuui Afvang


S.2 N2uuu-gebieu Westuuinpaik & Wapenual........................................................S2
S.2.1 Instanuhouuingsuoelen....................................................................................S2
S.2.2 Biveisiteit habitats.............................................................................................SS
S.2.S Biveisiteit sooiten..............................................................................................S4
S.S N2uuu-gebieu Sollevelu & Kapitteluuinen.........................................................SS
S.S.1 Instanuhouuingsuoelen....................................................................................S6
S.S.2 Biveisiteit habitats.............................................................................................S7
S.S.S Biveisiteit sooiten..............................................................................................S8
S.4 N2uuu-gebieu vooines Buin....................................................................................42
S.4.1 Instanuhouuingsuoelen....................................................................................42
S.4.2 Relevante habitattypen en sooiten.............................................................4S
S.4.S Biveisiteit habitats.............................................................................................4S
S.4.4 Biveisiteit sooiten..............................................................................................4S
S.S N2uuu-gebieu Buinen uoeiee & Kwaue Boek .................................................48
S.S.1 Instanuhouuingsuoelen....................................................................................49
S.S.2 Biveisiteit habitats.............................................................................................Su
S.S.S Biveisiteit sooiten..............................................................................................S1
S.6 Aanwezigheiu bescheimue sooiten ionuom ingieeplocatie.....................S1
EFFECTEN VAN AFVANC...........................................................................................5
6.1 Inleiuing............................................................................................................................S6
6.2 Alteinatieven..................................................................................................................S6
6.S Weikwijze effectvooispelling..................................................................................S6
6.4 Effecten van N-uepositie tgv C02-afvang (gebiuiksfase).............................61
6.4.1 Effecten op N2uuu-gebieu Westuuinpaik & Wapenual......................61
6.4.2 Effecten op N2uuu-gebieu Sollevelu & Kapitteluuinen ......................6S
6.4.S Effecten op N2uuu-gebieu vooines Buin .................................................64
6.4.4 Effecten op N2uuu-gebieu Buinen van uoeiee & Kwaue Boek.......6S
7 UVERZICHT EFFECTEN..............................................................................................7
7.1 0veizicht effecten op habitats.................................................................................67
7.2 Effecten op sooiten......................................................................................................68
8 {EFFECTEN VAN] MAATRECELEN.............................................................................71
8.1 Inleiuing............................................................................................................................71
8.2 Naatiegelen vooi N2uuu-gebieuen......................................................................71
8.S Naatiegelen vooi sooiten.........................................................................................72
9 VERCELI)KINC ALTERNATIEVEN EN BEUURDELINC VAN EFFECTEN {INCLUSIEF
MAATRECELEN] ...............................................................................................................73
9.1 Natuuibescheimingswet 1998...............................................................................7S
9.2 Floia- en faunawet en sooitbescheiming Babitatiichtlijn (teiiestiisch)
7S
9.S veigelijking en beooiueling effecten op EBS....................................................7S
9.4 veigelijking en beooiueling in m.e.i.-kauei......................................................7S
9.S Conclusies ........................................................................................................................7S
10 CUMULATIE VAN EFFECTEN......................................................................................7
1u.1 Inleiuing.......................................................................................................................76
1u.2 Afbakening oveiige plannen en piojecten....................................................76
1u.S Effecten van anueie hanuelingen of plannen ..............................................77
1u.4 Beooiueling cumulatieve effecten: einuconclusies significantie.........78
1u.S Nonitoiing en evaluatie........................................................................................78
Liteiatuui.............................................................................................................................................8u





- pagina 4 - CCS Beelstuuie Natuui Afvang



BI)LACEN.......................................................................................................................83
BI}LAuE 4.1: ueluiuscontouien aanleg...................................................................................84
Bijlage 4.2: uecumuleeiue geluiuscontouien afvang........................................................88
Bijlage 4.S: N-uepositie ten gevolge van ue vaiianten.....................................................89
Bijlage S.1: vooikomen van (sub)habitattypen in Westuuinpaik & Wapenual....96
Bijlage S.1a. uiijze uuinen (kalkiijk) in het Westuuinpaik (vooibeelu)..................97
Bijlage S.1b. Babitattypen Wapenual ......................................................................................98
Bijlage S.2: vooikomen van (sub)habitattypen in Sollevelu & Kapitteluuinen.....99
Bijlage S.S: vooikomen van (sub)habitattypen in vooines Buin............................. 1u2
Bijlage S.4: vooikomen van (sub)habitattypen in Buinen uoeiee & Kwaue Boek
............................................................................................................................................................... 1uS
Bijlage S.S: Ruimtelijke veiueling uitbieiuings-uoelstellingen (sub)habitattypen
............................................................................................................................................................... 1u7
Bijlage 6.1: Weikwijze vooispelling effecten N-uepositie........................................... 1u9




- pagina S - CCS Beelstuuie Natuui Afvang


1 In|e|d|ng
1.1 De m|||eueffectrapportage
Be beuiijven E.0N en Electiabel hebben in ue Rotteiuamse iegio het plan
opgevat om een CCS-uemonstiatiepioject uit te voeien. Bet pioject staat bekenu
als het R0ABpioject. R0AB-pioject staat vooi Rotteiuam 0pslag en Afvang
Bemonstiatie-pioject. Bet R0AB-pioject maakt onueiueel uit van het RCI.
Bet uemonstiatiepioject heeft betiekking op ue peiioue 2u1S tot 2u2u, waaiin
gemiuuelu 1,1 megaton C02 pei jaai woiut afgevangen en opgeslagen. Na ueze
peiioue zal het CCS-pioject woiuen vooitgezet. Be benouigue onueiuelen van
het uemonstiatiepioject woiuen zouanig opgestelu uat vooi tianspoit en opslag
een uitbieiuing mogelijk is tot S Nton C02 pei jaai. In uit NER woiut iekening
gehouuen met ueze mogelijkheiu tot uitbieiuing, vooial in het Beeliappoit
0pslag.

In het hoofuiappoit van ue Nilieueffectiappoit CCS Naasvlakte (R0AB pioject)
woiuen het vooinemen en ue alteinatieven vooi afvang, tianspoit en opslag van
C02 gepiesenteeiu en op haai milieueffecten beooiueelu. Naast uit iappoit zijn
ei een publiekssamenvatting beuoelu vooi bestuuiueis en bieeu publiek en viei
Beeliappoiten 'Afvang', 'Tianspoit', 'Platfoim' en '0pslag', waaiin in meei uetail
op ue specifieke onueiuelen woiut ingegaan. Beze stuuie - het
Achteigionuiappoit Effecten Afvang op Natuui - is een van ue onueiliggenue
uetailiappoiten van het Beeliappoit Afvang.
1.2 net achtergrondrapport effecten afvang op natuur
Boel van uit Achteigionuiappoit Effecten Afvang op Natuui is het in beelu
biengen van ue milieu-effecten van Afvang van C02 vooi het thema natuui. Bit
iappoit behanuelt alleen mogelijke effecten van aanleg en gebiuik van ue CCS-
afvanginstallatie op natuui . In ue ueelstuuie natuui tianspoit en opslag (Beinis,
2u11) woiuen ue mogelijke natuuieffecten van tianspoit en opslag behanuelu.
In twee afzonueilijke iappoitages (Baskoning 2u1uh en 2u1uf) woiuen ue
effecten van afvang en tianspoit op bescheimue sooiten beschieven. 0m ue
gevolgen vooi natuui van 'afvang' compleet in beelu te biengen zijn in ueze
ueeliappoitage ue conclusies uit ue 'Quickscan FFwet R0AB - Afvang'
(RoyalBaskoning,2u1uh) oveigenomen.
1.3 Cpzet en |eesw|[zer
Na het inleiuenu hoofustuk woiut in hoofustuk 2 ue vooigenomen ingieep
beschieven (bouw en exploitatie van ue CCS-installatie). Boofustuk S beschiijft
het toetsingskauei uat gehanteeiu woiut vooi het in beelu biengen van ue
natuui-effecten in ue NER-stuuie. In hoofustuk 4 vinut veivolgens ue





- pagina 6 - CCS Beelstuuie Natuui Afvang



'afbakening' plaats: een eeiste onueizoek naai ue mogelijke ielevantie van
milieu-effecten en ue ieikwijute eivan. Bie effecten uie tot een mogelijk ielevant
milieu-effect leiuen vooi het thema natuui, woiuen veivolgens (in hoofustuk 6)
nauei onueizocht. In hoofustuk S is ue huiuige toestanu en ue autonome
ontwikkeling beschieven van ue natuuiwaaiuen binnen het stuuiegebieu. In ue
hoofustukken 6 en 7 woiuen veivolgens ue effecten van aanleg en gebiuik van ue
afvanginstallatie beschieven (hoofustuk 7 voimt ue samenvatting van ue
effecten). In hoofustuk 8 woiuen effecten van maatiegelen beschieven. In
hoofustuk 9 vinut veivolgens een veigelijking en beooiueling plaats van ue
milieu-effecten van ue beiue in ueze stuuie onueizochte vaiianten vooi het
thema natuui. In hoofustuk 1u tenslotte woiut ingegaan op ue mogelijke
cumulatie van effecten in het kauei van ue Natuuibescheimingswet.



- pagina 7 - CCS Beelstuuie Natuui Afvang


2 Voorgenomen |ngreep
Bet initiatief woiut uitgebieiu beschieven in ue hoofuiappoitage van het NER
(Baskoning 2u11a). Ten behoeve van ueze iappoitage 'Effecten CSS op
teiiestiische natuui' woiut volstaan met een samenvatting.
2.1 |angeb|ed
Be piojectomgeving bevinut zich op ue Naasvlakte bij Rotteiuam. Figuui 2.1
geeft ue locatie van ue CCS-installatie en ue vooigenomen ioute van ue
buisleiuing (alleen het eeiste geueelte) weei. Be totale buisleiuing zal in totaal
ca. 2S kilometei lang woiuen waaivan ca. S kilometei ovei het lanu zal gaan
(giotenueels onueigionus) en ca. 2u kilometei onuei ue zeebouem. Bet tiac
gaat vanaf ue NPPS op ue Naasvlakte iichting ue Nooiuzee. Be buisleiuing
bevinut zich op lanu uitsluitenu in inuustiieel gebieu. vanaf ue kust uooikiuist
het tiac van ue buisleiuing een vaaiioute, waaina het tiac ue ioute van een
bestaanue gasleiuing zal volgen. 0p ue Nooiuzee sluit ue buisleiuing aan op het
P18-A piouuctieplatfoim, uat uienst gaat uoen als C02-injectieplatfoim.


Iiquur 2.1. locotie HPPS,CCS {blouwe ster) en troc von Je buisleiJinq over lonJ en onJer Je
voorroute in Je HoosmonJinq. RoJe Jelen betreffen Jiepe borinqen, qroene Jelen open
verqrovinqen. .





- pagina 8 - CCS Beelstuuie Natuui Afvang



2.2 Aan|egfase
2.2.1 Aanleg CCS-lnsLallaLle
In het ueeliappoit afvang (RoyalBaskoning, 2u11xx) zijn ue activiteiten
beschieven uie samenhangen met ue aanleg van ue CCS-installatie op het NPPS-
teiiein op ue Naasvlakte. Be uiiecte milieu-effecten uie ue bouw met zich mee
kan biengen zijn als volgt uit te splitsen:
ontgionuing en gionuwateionttiekking
geluiuspiouuctie
het viijkomen van afvalstoffen (bouwafval en veipakkingsmateiiaal)
extia eneigieveibiuik
extia wateiveibiuik
Be eventuele ielevantie van ueze effecten vooi natuui woiut in hoofustuk 4
nauei onueizocht.
Eventuele effecten van ue aanleg van ue buisleiuing woiuen behanuelu in
Baskoning (2u1uf en 2u1uh) en in Beinis (2u11).
2.3 Gebru|ksfase
2.3.1 Afvang
Be afvanginstallatie
1
is gelegen binnen ue iniichting van E.0N, ten zuiuen van ue
NPPS. Be afvanginstallatie onttiekt ciica 2u vol% van ue geieinigue iookgassen,
uiiect achtei ue iookgasontzwavelingsinstallatie van ue NPPS. Be afgassen van
ue elektiiciteitscentiale bestaan giotenueels uit stikstof en wateiuamp, met
uaaiin ciica 2u% (massa) C02. vooi ue opslag is zuiveie C02 nouig, waaiuooi bij
ue elektiiciteitscentiale een pioces nouig is, waaibij zo efficint mogelijk ue C02
woiut afgevangen uit ue iookgassen. In figuui 2.2 woiut een aitist impiession
getoonu van ue installatie.


1

Be tekst van ueze paiagiaaf is ontleenu aan het Beeliappoit Afvang (RoyalBaskoning, 2u11a).





- pagina 9 - CCS Beelstuuie Natuui Afvang



Iiquur 2.2: Artist impression von Je ofvonqinstollotie = rooJ omlijnJ
Be gekozen technologie van ue vooigenomen pioefinstallatie staat bekenu als
"C02-afvang uit iookgassen na veibianuing" (post-combustion captuie). Bet
ontweip van ue afvanginstallatie is gebaseeiu op het ontweip van een
gestanuaaiuiseeiue C02 piouuctie-installatie met een absoiptievloeistof.
Bet iookgas woiut onttiokken na ue iookgasontzwavelingsinstallatie (FuB) en
vooi ue schooisteen. Tabel 2.1 toont ue meest ielevante ontweippaiameteis van
ue pioefinstallatie.
Tabel 2.1: Untwerpparameters afvanginstallatie
Parameter Untwerpwaarde
Rookgasuebiet NPPS S.2uu.uuu Nm
S
uui
Afgevangen hoeveelheiu iookgassen
afvanginstallatie
Ciica 7uu.uuu Nm
S
uui (nat)
C02 afvang Ciica 17u.uuu kguui
C02 absoiptie efficiency Ciica 9u%
Beuiijfstiju pei jaai 8uuu uuijaai
uepiognotiseeiu C02 afvang pei jaai 1,1miljoen tonjaai

Bet pioces van afvang bestaat uit ue volgenue vijf hoofustappen:
1. Rookgassen vooibehanueling. Be iookgassen woiuen afgekoelu en ue nog
aanwezige zwaveluioxiue (S02) woiut veiwijueiu in een gecombineeiue
koeleiwassei met behulp van koelwatei en nationloog..
2. Absoiptie. Bet zogenaamue wassen van ue iookgassen vinut plaats in een
kolom, waaibij ue iookgassen in contact woiuen gebiacht met ue
absoiptievloeistoffen. In ueze kolom woiut ue C02 in ue iookgassen
afgevangen en gebonuen aan het absoiptiemiuuel.





- pagina 1u - CCS Beelstuuie Natuui Afvang



S. Besoiptie. In ue volgenue kolom woiut, onuei invloeu van waimte, ue C02
losgemaakt van het absoiptiemiuuel (uesoiptie). Be scheiuing van
absoiptievloeistof en C02 leiut tot een (viijwel) zuiveie C02-stioom en een
C02-aime absoiptievloeistof. Be C02-stioom woiut gecompiimeeiu en
geieeu gemaakt vooi tianspoit en opslag teiwijl ue absoiptievloeistof woiut
heigebiuikt in het C02-afvangpioces.
4. Reinigen van ue absoiptievloeistof. ueuuienue het absoiptie en
uesoiptiepioces voimen zich veiontieinigingen in ue absoiptievloeistof. Bit
zijn met name zouten uie zoigen vooi een afname van ue weikzaamheiu van
het absoiptiemiuuel. In een ieinigingspioces woiut ue absoiptievloeistof
geieinigu met behulp van nationloog en waimte. Be zouten en
veiontieinigingen woiut hieibij als afval afgescheiuen en sepaiaat
opgeslagen.
S. Compiessie en afvoei van C02. Booi het afvangpioces ontstaat viijwel zuivei
C02 gas. Bit woiut met behulp van compiessoien op ue gewenste uiuk
gebiacht, zouat het efficint via een buisleiuing kan woiuen afgevoeiu naai
ue opslaglocatie op S.Suu metei onuei ue Nooiuzee.
2.3.2 Lmlssles naar de luchL
In ue afvanginstallatie woiut een ueel van ue (geieinigue) iookgassen afkomstig
van NPPS behanuelu om C02 te veiwijueien. Nog aanwezige veiontieinigingen
van ue NPPS woiuen ueels veiuei gezuiveiu (bijvooibeelu S02), maai ook ueels
onveianueiu naai ue schooisteen teiuggeleiu. Nauat C02 is afgescheiuen woiut
het behanuelue iookgas teiuggeleiu naai ue schooisteen van NPPS, alwaai het
gemengu woiut met ue iookgasstioom van NPPS en via ue bestaanue
schooisteen woiut gemitteeiu.
Bij ue beschiijving van ue milieu-effecten ten gevolge van ue vooigenomen
activiteit woiut alleen ue emissie in beschouwing genomen te woiuen uie woiut
toegevoegu aan ue bestaanue, en ieeus in beschouwing genomen, luchtemissie
van ue NPPS
2
. Bit betieft uus enkel ue emissie van NEA en ue hieiaan
geielateeiue bijpiouucten uie gevoimu woiuen in het afvangpioces.
2.4 A|ternat|even en var|anten
In het ueeliappoit Afvang (RoyalBaskoning, 2u11a) zijn alteinatieven en
vaiianten vooi ue afvang van C02 beschieven. In ueze iappoitage woiuen ue
effecten op natuui beschieven van het vooikeuisalteinatief (vKA) en ue
uitvoeiingsvaiiant (0v) zoals beschieven in het 'Beeliappoit Afvang'. Be
veischillen tussen ue beiue vaiianten hangen samen met ue keuze vooi het
ausoiptiemiuuel (zie veiuei het ueeliappoit Afvang).

2 Be effecten van stikstofuepositie als gevolg van NPPS zijn ieeus getoetst, beooiueelu en veigunu.



- pagina 11 - CCS Beelstuuie Natuui Afvang


3 1oets|ng, verge||[k|ng en beoorde||ng
3.1 In|e|d|ng
Be effecten van het CCS-pioject op natuui woiuen beschieven, beooiueelu en
getoetst aan ue hanu van n 'oveikoepelenu' toetsings- en veigelijkingskauei
uat zowel vooi veigelijking van alteinatieven (in m.e.i.-kauei) als vooi toetsing
aan beleiu en wetgeving woiut gebiuikt. Bet is uiiect afgeleiu uit nationaal en
inteinationaal natuuibeleiu en natuuiwetgeving. Ei is gekozen vooi n
gentegieeiu toetsings- en veigelijkingskauei, omuat ue veischillenue aspecten
en invalshoeken een giote mate van oveilap kennen. Zo is bijvooibeelu een sooit
als ue nooiuse woelmuis een sooit waaivooi in uuingebieuen
instanuhouuingsuoelen geluen in het kauei van ue Natuuibescheimingswet (c.q.
Babitatiichtlijn), het is een bescheimue sooit confoim tabel S van ue Floia- en
faunawet (c.q. Bijlage Iv van ue Babitatiichtlijn) en het is een Roue Lijstsooit.
Beze aanpak impliceeit uat bij ue toetsing aan wet- en iegelgeving ue infoimatie
ovei pei wet ielevante paiameteis uit het totaal aan infoimatie 'gelicht' moet
woiuen.

In het gentegieeiue toetsings- en beooiuelingskauei zijn aan ue hanu van beleiu
en wetgeving ciiteiia en kwantificeeibaie paiameteis uitgeweikt; ueze geven
weei wat ue oveiheiu van belang vinut met betiekking tot ecologie en natuui,
mogelijke effecten hieiop en in welke eenheuen. Ciiteiia en paiameteis zijn zo
uitgeweikt uat ze eneizijus iecht uoen aan beleiu en wetgeving, en anueizijus
ook aansluiten bij ue wijze waaiop basisgegevens ovei sooiten en ueigelijke
beschikbaai zijn. Paiameteis zijn zoveel mogelijk kwantitatief, zoals
oppeivlakte-eenheuen pei natuuitype, aantallen vogels, etc. Beze aanpak is
ontwikkelu in het kauei van het Naasvlakte 2 pioject.

In paiagiaaf S.2 woiut een oveizicht gegeven van alle ielevante beleiusstukken
en wet- en iegelgeving. In paiagiaaf S.S woiut alles wat hieibij ielevant is
samengevoegu in het toetsings- en veigelijkingskauei natuui. In paiagiaaf S.4 en
volgenue paiagiafen woiut aangegeven hoe veivolgens vanuit ue veischillenue
juiiuische invalshoeken woiut getoetst en veigeleken.
3.2 Natuurbe|e|d en -wetgev|ng
3.2.1 naLuurbeschermlngsweL 1998
Be wettelijke bescheiming van natuuigebieuen is geiegelu in ue (gewijzigue)
Natuuibescheimingswet 1998. Sinus ue inweikingtieuing van ue huiuige
Natuuibescheimingswet in 2uuS is gebieusbescheiming volgens ue E0 vogel- en
Babitatiichtlijn gemplementeeiu in ue Neueilanuse wetgeving. vogel- en
Babitatiichtlijngebieuen woiuen volgens ue gewijzigue wet beschouwu als
Natuia 2uuu-gebieu. Baainaast blijft het bescheimingsiegime van ue al





- pagina 12 - CCS Beelstuuie Natuui Afvang



bestaanue Bescheimue Natuuimonumenten (vooiheen Bescheimue enof
Staatsnatuuimonenten) gehanuhaafu, zij het in gewijzigue voim.

Bet bescheimingsiegime van Natuia 2uuu-gebieuen is - confoim vogel- en
Babitatiichtlijn - stiiktei uan van Bescheimue Natuuimonumenten. Een veischil
is uat - met het in weiking tieuen van ue Ciisis- en heistelwet exteine weiking
niet langei gelut vooi bescheimue natuuimonumenten uie samenvallen met
uefinitief aangewezen Natuia 2uuu-gebieuen.
Een belangiijk aspect hieibij zijn ue instanuhouuingsuoelstellingen uie vooi een
gebieu geluen. 0p uit moment zijn ue habitats en sooiten waaivooi vogel- en
Babitatiichtlijngebieuen zijn aangewezen iespectievelijk aangemelu, wat uat
betieft het belangiijkste aanknopingspunt. vooi ue meeste Natuia 2uuu-
gebieuen zijn beheeiplannen in vooibeieiuing. vooi het N2uuu-gebieu vooiuelta
is het beheeiplan inmiuuels uefinitief.

vooi hanuelingen of piojecten in of ionu een Natuia 2uuu-gebieu uie een
negatieve invloeu kunnen hebben op ue instanuhouuingsuoelstellingen van het
gebieu uient een veigunning te woiuen aangeviaagu. Bij ue beooiueling van
effecten woiut onueischeiu gemaakt in 'veislechteiing of veistoiing' en
'significante effecten'. In lijn met ue wetswijziging van 1 febiuaii 2uu9 vinut ue
toetsing op ue volgenu wijze plaats: Bij (kans op) niet-significante veislechteiing
uient een veislechteiingstoets te woiuen uitgevoeiu, bij (kans op) significante
veislechteiing of veistoiing een passenue beooiueling. Inuien alleen een niet-
significante veistoiing optieeut is geen nauei onueizoek of een veigunning
nouig. In het geval significante effecten optieuen uaaibij tevens getoetst aan ue
zogenaamue ABC-ciiteiia. Ei moet in uat geval uient alteinatievenonueizoek (A)
woiuen uitgevoeiu (kan ue activiteit niet elueis of anueis, met geen of minuei
effecten), uienen uwingenue ieuenen van gioot openbaai belang (B) te woiuen
aangetoonu en is compensatie (C) van (iesteienue) effecten noouzakelijk. Bij
effecten op piioiitaiie sooiten of habitats is in piincipe een auviesaanviaag bij
ue Euiopese Commissie nouig. Bepeikte, niet-signifcante effecten woiuen
beooiueelu uooi miuuel van een 'veislechteiings- en veistoiingstoets', mogelijke
significante effecten via een 'passenue beooiueling'. Be beooiueling van
significantie uient te woiuen in combinatie met effecten van anueie activiteiten
(zogenaamue cumulatieve effecten). vooi zovei ei ook Bescheimue
Natuuimonumenten aanwezig zijn uient eveneens getoetst te woiuen op ueze
'ouue uoelen' ex Nbwet aitikel 16.

In ue beschiijving van huiuige situatie en effecten woiut pei Natuia 2uuu-gebieu
aangegeven vooi welke sooiten en habitats instanuhouuingsuoelstellingen
geluen. Figuui S.1 geeft ue locatie en namen van ue N2uuu-gebieuen in ue
omgeving van het initiatief.



- pagina 1S - CCS Beelstuuie Natuui Afvang



Iiquur S.1: N2000-qebieJen ronJom westelijk EovenqebieJ RotterJom
S

3.2.2 llora- en faunaweL
Booi het in weiking tieuen van ue Floia- en faunawet zijn sinus 1 apiil 2uu2 alle
vogels, amfibien, ieptielen, vleeimuizen, bijna alle oveiige zooguieien en veel
vaatplanten en ongeweivelue uieien wettelijk bescheimu. Bit betekent uat het
veibouen is om ueze uieien te uouen of hun iust- of veiblijfplaats te veistoien.

Be bescheiming van sooiten op gionu van ue Floia- en faunawet bestaat in
piincipe uit een aantal algemene veibousbepalingen, een zoigplicht en uit een
stappenplan vooi beooiueling van piojecten uie mogelijk negatieve effecten
hebben op plant- en uieisooiten. Zo geven ue veibousbepalingen aan uat het
veibouen is om sooiten te veinietigen of te veistoien. Be zoigplicht houut
giofweg in uat 'een ieuei uie weet of ieuelijkeiwijs kan veimoeuen uat zijn
hanuelen nauelige gevolgen heeft vooi floia of fauna, veiplicht is om uit
achteiwege te laten vooi zovei uat ieuelijkeiwijs kan woiuen geveigu, uan wel
om alles te uoen uat in ieuelijkheiu kan woiuen geviaagu om uie gevolgen te

S Bion: http:geo.zuiu-hollanu.nlgeo-lokethtmlatlas.html.atlas=EBS






- pagina 14 - CCS Beelstuuie Natuui Afvang



vooikomen of, als uat niet kan, zoveel mogelijk te bepeiken of ongeuaan te
maken.
vooi eventuele oveitieuing van ue veibousbepalingen in ue aitikelen 8-1S van
ue Floia- en faunawet is het in sommige gevallen mogelijk een ontheffing aan te
viagen. Bet belangiijkste beooiuelingsciiteiium hieibij is ue 'gunstige staat van
instanuhouuing' van ue betieffenue sooit. Beze kan eventueel uooi miuuel van
compenseienue maatiegelen woiuen behouuen. Sinus febiuaii 2uuS is een
viijstellingsiegeling van kiacht waaibij bescheimue sooiten ingeueelu zijn in
uiie bescheimingscategoiien (tabellen 1 tm S). vooi sooiten van tabel 1 gelut
vooi bepaalue activiteiten (waaionuei 'iuimtelijke ontwikkelingen') een
algemene viijstelling. vooi sooiten van tabel 2 en S moet in het algemeen een
ontheffing woiuen aangeviaagu. Alle sooiten van Bijlage Iv van ue
Babitatiichtlijn zijn opgenomen in tabel S. Bet weikingsgebieu van Floia- en
faunawet stiekt zich op ue Nooiuzee uit tot ue 12-mijls zone, uaaibuiten geluen
ue Euiopese sooitbescheimingbepalingen uit ue habitatiichtlijn (bijlage Iv-
sooiten) en vogeliichtlijn (alle van natuie op het E0-gionugebieu van ue
liustaten vooikomenue vogelsooiten). Net betiekking tot eventuele effecten van
het pioject op kiachtens ue FFW bescheimue sooiten (teiiestiisch en
zoetwateimilieus) is een afzonueilijke iappoitage opgestelu (RoyalBaskoning,
2u1ua).
3.2.3 LPS
Sinus 199u voimt ue bescheiming en ontwikkeling van ue nationale Ecologische
Boofustiuctuui (EBS) ue iuimtelijke iuggengiaat van het natuuibeleiu. Be
globaal begiensue EBS is planologisch veiankeiu in het Stiuctuuischema uioene
Ruimte (Nin LNvvR0N, 199S) en in ue Nota Ruimte. Be EBS is nauei begiensu
in gebieusplannen en stieekplannen. Be PEBS ionuom het Rotteiuams
Bavengebieu is weeigegeven in figuui 2.1. vooi ue EBS gelut het 'nee, tenzij'-
piincipe: ingiepen met significante effecten vooi ue wezenlijke kenmeiken en
waaiuen van ue EBS zijn veibouen, tenzij ei geen iele alteinatieven zijn en
spiake is van gioot openbaai belang; effecten uienen in uat geval zo goeu
mogelijk te woiuen gemitigeeiu, iesteienue effecten moeten woiuen
gecompenseeiu. Be EBS kent geen 'exteine weiking', ue toetsing uient alleen
plaats te vinuen vooi ingiepen binnen ue (P)EBS.




- pagina 1S - CCS Beelstuuie Natuui Afvang



Iiquur S.2: Fcoloqiscbe EoofJstructuur ronJom westelijk EovenqebieJ RotterJom
4

3.3 Verge||[k|ngs- en toets|ngskader
3.3.1 PoofdcrlLerla
In paiagiaaf S.2 is een oveizicht gegeven van ielevante beleiusstukken en wet-
en iegelgeving. Boewel veelal op uiteenlopenue wijze veiwooiu zijn ueze in
giote lijnen teiug te voeien op een bepeikt aantal hoofuciiteiia. Beze woiuen
hieionuei benoemu en veivolgens veiuei uitgeweikt in paiagiaaf S.S.2. In ueze
ueelstuuie woiuen specifiek maiiene onueiuelen buiten beschouwing gelaten.
Bieivooi woiut veiwezen naai Beinis (2u11).

4 Bion: http:geo.zuiu-hollanu.nlgeo-lokethtmlatlas.html.atlas=EBS. Bet Baitelkanaal valt onuei ue categoiie 'giote
wateien en Nooiuzee.





- pagina 16 - CCS Beelstuuie Natuui Afvang



3.4 noofdcr|ter|a (|nter)nat|onaa| natuurbe|e|d
Nationaal en inteinationaal beleiu zijn in uiveise stukken veelal op
uiteenlopenue manieien gefoimuleeiu. Toch zijn ueze uiteenlopenue
foimuleiingen steeus te heileiuen tot een klein aantal wezenlijke uoelen en
ciiteiia.

In zowel het inteinationale als het nationale natuuibeleiu gaat het om ue
bescheiming van (specifieke) sooiten en habitats met als uoel het behouu en
heistel van ue biouiveisiteit. Be afgeleiue ciiteiia zijn uan ook hetzelfue:
(behouubescheimingontwikkeling van) inteinationale uiveisiteit aan
sooiten;
(behouubescheimingontwikkeling van) inteinationale uiveisiteit aan
ecosystemen.
In ue Natuuibescheimingswet 1998 is spiake van toetsing van eventuele
aantasting van 'natuuilijke kenmeiken'. vanwege het juiiuisch belang hieivan
woiut uit bij ue beooiueling (hoofustuk 9) als een zelfstanuig ciiteiium
meegenomen.
3.4.1 ulLwerklng crlLerla en meeLeenheden
{Inter]nationale diversiteit ecosystemen
Bet ciiteiium 'uiveisiteit van ecosystemen' woiut meetbaai gemaakt in ue
oppeivlakte van natuui- en habitattypen. uezien ue aaiu van ue mogelijke
effectioutes, waaibij vooi teiiestiische ecosystemen alleen ue effectioute via
atmosfeiische uepositie mogelijk ielevant is (zie hoofustuk 4) woiuen in ueze
ueelstuuie natuui alleen ue natuuitypen in beschouwing genomen uie een
specifiek habitattype veitegenwooiuigen. Baaimee woiuen geen effecten
'gemist'. Be habitattypen binnen ue N2uuu-gebieuen veitegenwooiuigen ue vooi
atmosfeiische uepositie meest gevoelige ecosystemen.
{Inter]nationale diversiteit soorten
Bet ciiteiium '(intei)nationale uiveisiteit sooiten' woiut in het veigelijkings- en
toetsingkauei opeiationeel gemaakt uooi miuuel van het vooikomen van zgn.
'aanuachtssooiten
S
' van veischillenue sooitgioepen in het stuuiegebieu. uezien
ue aaiu en omvang van ue mogelijke effecten (zie hoofustuk 4) woiuen alleen uie
categoiien sooiten meegenomen waaivooi gelut uat ze via een effectioute
mogelijk benvloeu kunnen woiuen. Baaibij beuieiguheiu en zeluzaamheiu op
(intei-)nationale schaal een belangiijke iol: alleen sooit(gioep)en uie een
bescheimue status hebben gekiegen of volgens veiuienen het pieuikaat
'aanuachtssooit'. 0itgangspunt vooi het uefiniien van aanuachtssooiten voimt
uaaibij het NER Naasvlakte 2, waaibij uitgebieiu gemotiveeiu is waaiom

S Bieionuei woiuen veistaan sooiten met een bescheimue status confoim ue Floia- en faunawet, ue typische sooiten
zoals beschieven in ue aanwijzingsbesluiten van Bescheimue Natuuimonumenten uan wel beuieigue sooiten
(vooikomenu op ue uiveise ioue lijsten) vooi zovei in het stuuiegebieu vooikomenu.



- pagina 17 - CCS Beelstuuie Natuui Afvang


specifieke sooiten volgens bovenstaanue ciiteiia al uan niet als aanuachtssooit
uienen te woiuen beschouwu.

vooi ue uiiecte omgeving van het initiatief gaat het uaaibij om ue gioepen
aanuachtssooiten hogeie planten, bioeuvogels en oveiige teiiestiische fauna.
vooi zovei sooiten in het kauei van ue (ontweip-) aanwijzing van een N2uuu-
gebieu een instanuhouuingsuoel gelut, woiuen ueze sooiten specifiek
meegenomen, ook buiten ue uiiecte omgeving van het initiatief.

In ue uiiecte omgeving van het initiatief komt slechts een bepeikt aantal
aanuachtssooiten vooi. In ue uuingebieuen op gioteie afstanu komt een giotei
aantal vooi. uezien ue afstanu tot het initiatief zijn hiei echtei geen uiiecte
effecten te veiwachten. Be beschiijving van ue huiuige situatie in hoofustuk S
vooi het ciiteiium 'inteinationale uiveisiteit sooiten' stiekt zich vooi ue uiiecte
omgeving van het initiatief uit ovei ue sooitgioepen:
Bogeie planten;
Bioeuvogels;
0veiige teiiestiische fauna (zooguieien, amfibien, ieptielen en
ongeweiveluen).
vooi ue N2uuu-gebieuen waaivooi eventuele effecten woiuen onueizocht,
woiuen alle sooiten met een instanuhouuingsuoel (waaionuei ook ue sooiten
uie genoemu woiuen vooi bescheimue natuuimonumenten uie ueel uitmaken
van een N2uuu-gebieu).
3.4.2 CverzlchL/samenvaLLlng vergell[klngs- en LoeLslngskader naLuur
Tabel S.1 geeft een oveizicht van ue geselecteeiue ciiteiia, meeteenheuen en
eenheuen van het beooiuelingskauei natuui vooi ue maiiene ecosystemen
Nooiuzee en vooiuelta eneizijus en ue teiiestiische ecosystemen uuinen en
bestaanu havengebieu anueizijus.
Tabel 3.1: Uverzicbt van criteria, meeteenbeden en eenbeden vergeli|kings- en
toetsingskader natuur
Ecosysteem Criterium Meeteenbeden Eenbeid
oppeivlakte pei type
oppeivlakte pei
beooiuelingscategoiie
(intei)nationale
uiveisiteit
ecosystemen
natuui- en habitattypen
gewogen oppeivlakte
aanuachtssooiten hogeie
planten
vinuplaatsen
aanuachtssooiten bioeuvogels aanuachtssooiten: aantal
bioeupaien
Buinen en
bestaanu
havengebieu
(intei)nationale
uiveisiteit
sooiten
aanuachtssooiten oveiige
fauna:
- nauwe koifslak
- insecten: uagvlinueis,
libellen, spiinkhanen
- amfibienieptielen
- lanuzooguieien
vinuplaatsen
piesentie pei gebieu
oppeivlakte leefgebieu





- pagina 18 - CCS Beelstuuie Natuui Afvang



3.4.3 vergell[klng en LoeLslng
In het beooiuelingskauei zijn meeteenheuen op gionu van uiteenlopenue
beleiusmatige en juiiuische invalshoeken samengevoegu. Be iesultaten van het
onueizoek zullen in veischillenue kaueis moeten kunnen woiuen gebiuikt. In ue
waaiueiing woiuen ue veischillenue ielevante invalshoeken weei in enige mate
gescheiuen. Bieibij zijn viei kaueis van belang:
veigelijking en beooiueling van effecten in het m.e.i.-kauei;
toetsing en beooiueling van effecten in het kauei van ue
Natuuibescheimingswet 1998 (uus inclusief gebieusbescheiming vogel- en
Babitatiichtlijn);
beooiueling en toetsing van effecten in het kauei van ue Floia- en faunawet
(uus inclusief sooitenbescheiming vogel- en Babitatiichtlijn);
beooiueling en toetsing van ue effecten in het kauei van ue bescheiming van
ue EBS;
3.4.4 vergell[klng en beoordellng ln m.e.r.-kader
Bij ue beooiueling van effecten van alteinatieven in het m.e.i.-kauei woiut
gebiuik gemaakt van alle beooiuelingsciiteiia, gegioepeeiu naai ue
hoofuciiteiia (c.q. aspecten): '(intei)nationale uiveisiteit ecosystemen',
'(intei)nationale uiveisiteit sooiten' en 'natuuilijk functioneien ecosysteem'. In
het hoofuiappoit is ue navolgenue beooiuelingssystematiek aangehouuen (ue
'meetlat')
Tabel 3.2: 'Meetlat'
Scoie Algemene natuuiwaaiue Bescheimue gebieuen
zee lanu
Bescheimue sooiten
zeelanu
+++ Nvt Nvt Nvt
++ Peimanente veibeteiing
stuienue piocessen
enof algemene
natuuiwaaiuen
Peimanente veibeteiing
van ue habitatkwaliteit
Peimanente veibeteiing
van ue habitatkwaliteit van
bescheimue sooiten
+ ueiinge veisteiking van
veibeteiing stuienue
piocessen enof
algemene
natuuiwaaiuen
ueiinge en lokale
veibeteiing van ue
habitatkwaliteit
ueiinge veibeteiing van ue
habitatkwaliteit van
bescheimue sooiten
u ueen effect ueen effect ueen effect
- ueiinge veislechteiing
van stuienue piocessen
enof algemene
natuuiwaaiuen
ueiinge en lokale
veislechteiing van ue
habitatkwaliteit
ueiinge en lokale
veislechteiing van ue
habitatkwaliteit van
bescheimue sooiten
-- Peimanente
veislechteiing van
stuienue piocessen
enof algemene
natuuiwaaiuen
Peimanente
veislechteiing van ue
habitatkwaliteit
Peimanente veislechteiing
van ue habitatkwaliteit van
bescheimue sooiten uan
wel uiiecte veistoiing van
sooiten
--- Nvt Nvt Nvt




- pagina 19 - CCS Beelstuuie Natuui Afvang



{Inter]nationale diversiteit ecosystemen
Bit hoofuciiteiium heeft betiekking op het uuuizame behouu van veischillenue
ecosystemen op nationale en inteinationale schaal. Bet gaat hieibij piimaii om
het behouu van het ecosysteemtype als zouanig, niet om ue iijkuom aan
waaiuevolle sooiten. Be betekenis van een ecosysteemtype woiut bepaalu uooi
ue mate van 'beuieiguheiu' op beiue schaalniveaus. Effecten woiuen beooiueelu
aan ue hanu van oppeivlakteveianueiingen in natuui- en habitattypen. Ei is
geen algemeen geaccepteeiue beooiuelingsmethoue van natuui- en
habitattypen. Baaiom is aangesloten bij ue wijze waaiop uit heeft
plaatsgevonuen in het NER Naasvlakte 2: aieaalveianueiingen pei
beooiuelingsklasse zoals weeigegeven in tabel S.S. Baaibij is - omwille van ue
eenvouu - slechts n beooiuelingsklasse (ue meest zwaie) gehanteeiu.
Tabel 3.3: Beoordeling effecten op {inter]nationale diversiteit ecosystemen in m.e.r.-
kader
Umvang effect {in bectares] Beoordeling
{m.e.r.-kader]
< 1uu
2u tot 1uu
-2u tot u
u u
u tot +2u +
+2u tot +1uu + +
> +1uu + + +
{Inter]nationale diversiteit soorten
Bij ue beooiueling van effecten op het hoofuciiteiium '(intei)nationale
uiveisiteit sooiten' is achteiliggenue beleiusmatige uoelstelling
(behouubescheiming van op nationale enof inteinationale schaal beuieigue
sooiten) al veiuisconteeiu in ue toespitsing op 'aanuachtssooiten'. Be
beooiueling pei sooitgioep is mogelijk aan ue hanu van ue absolute veianueiing
in aantallen en van ue ielatieve veianueiing ten opzichte van het totaal aantal in
het stuuiegebieu.

Be beooiueling op uit aspect vinut plaats pei ciiteiium (= sooitgioep). Be
beooiueling woiut gebaseeiu op ue ielatieve veianueiingen in aantallen pei
sooitgioep pei gebieu confoim ue ciiteiia zoals weeigegeven in Tabel S.4. Be
scoie pei sooit(-gioep) woiut bepaalu uooi ue beooiueling vooi ue
onueischeiuen gebieuen pei gebieu te miuuelen. Bieibij woiuen alleen gebieuen
meegewogen waai ue sooit-(gioep) vooikomt.





- pagina 2u - CCS Beelstuuie Natuui Afvang




Tabel 3.4: Beoordeling effecten op {inter]nationale diversiteit soorten in m.e.r.-kader
Relatieve verandering
per gebied
score {m.e.r.-
kader] Umscbri|ving
< S% Steik negatief effect op ueel aspect
1 tot S% Negatief effect op ueel aspect
-1 tot u % Negatief effect maai niet onueischeiuenu
u %
u Alteinatief of vaiiant heeft geen invloeu op
het aspect
u tot 1 % + Positief effect maai niet onueischeiuenu
+1 tot +S% + + Positief effect
>+S% + + + Steik positief effect

3.4.3 1oeLslng en beoordellng van effecLen conform
naLuurbeschermlngsweL 1998 (PablLaLLoeLs)
Negatieve effecten in Natuia 2uuu-gebieuen moeten volgens ue
Natuuibescheimingswet 1998 woiuen beooiueelu (zie paiagiaaf 7.2.1.) aan ue
hanu van het optieuen van:
geen effecten, ei is geen nauei onueizoek of een veigunning nouig;
negatieve, maai zekei niet significant negatieve effecten: via zogenaamue
veislechteiingstoets;
(kans op) significant negatieve effecten: via passenue beooiueling.
Be beooiueling van veistoiing of veislechteiing c.q. significantie is piimaii
gebaseeiu op het eventuele optieuen van negatieve effecten in ielatie tot ue
instanuhouuingsuoelstellingen van het betieffenue gebieu. Bit betekent uat ue
toetsing woiut toegespitst op negatieve effecten op sooiten en habitats waaivooi
het betieffenue gebieu is aangewezen iespectievelijk aangemelu en op ue -
hieibij nauw aansluitenue - instanuhouuingsuoelstellingen zoals ueze op uit
moment in concept zijn gefoimuleeiu in zogenoemue gebieuenuocumenten.

Bij ue beooiueling van negatieve effecten op instanuhouuingsuoelstellingen
woiuen veistoiing en veislechteiing hiei gezien als: alle negatieve effecten op
sooiten en habitats waaivooi instanuhouuingsuoelstellingen geluen uie niet
nihil of veiwaailoosbaai zijn maai ook niet significant. Beze categoiie van
effecten voimt ook het veitiekpunt bij het beooiuelen van significantie van
effecten in combinatie met anueie piojecten en hanuelingen (cumulatieve
effecten).

vooi ue beooiueling van ue effecten van stikstofuepositie als gevolg van het
R0AB-pioject is aanvankelijk aangesloten bij ue ciiteiia uie in ue habitattoetsen
vooi ue kolenbiomassa-centiales van E.0N en Electiabel zijn gebiuikt (Koolstia
e.a., 2uu7; uoueiie e.a., 2uu7) en uie waien afgeleiu van ue passenue beooiueling
vooi Naasvlakte 2 (Beinis e.a., 2uu7). Be omvang van ue vooispelue effecten
weiuen uaaibij geielateeiu aan ue huiuige omvang van het aieaal of ue populatie
van habitats en sooiten pei Natuia 2uuu-gebieu waaivooi vooi ueze sooiten en



- pagina 21 - CCS Beelstuuie Natuui Afvang


habitats een instanuhouuingsuoelstelling gelut. Be uaaibij gehanteeiue ciiteiia
waien:
Afname minuei uan 1% van populatieomvang of aieaal van een sooit of
habitat waaivooi een instanuhouuingsuoelstelling gelut in het betieffenue
Natuia 2uuu-gebieu: het effect is niet significant.
Afname meei uan S%: het effect is significant.
Afname tussen 1 en S%: ue beooiueling van het effect is meue afhankelijk
van ue context en uient van geval tot geval bepaalu te woiuen.
Be oveiwegingen uie in het laatste geval een iol spelen zijn bijvooibeelu ue
bijuiage van het habitat aan het totale aieaal van uit habitat in Neueilanu, ue
uoelstelling vooi ue sooit of habitat in het Natuia 2uuu-gebieu (huiuige omvang
hanuhaven of heistelontwikkeling) en ueigelijke. vooi zovei effecten op 'ouue
uoelen' van ue binnen het stuuiegebieu aanwezige Bescheimue
Natuuimonumenten in het geuing zijn, woiut in piincipe van hetzelfue
beooiuelingskauei gebiuik gemaakt.

Be uitspiaak van ue Raau van State van 4 mei 2u11 (zaak 2uu9u1S1u1R2 en
2uu9u1S111R2) inzake van ue NB-wet veigunningen vooi ue centiales van
E.0N en Electiabel stelt echtei uat het loutei hanteien van getalsmatige ciiteiia
tei beooiueling van ue eventuele significantie van effecten niet volstaat. Be
afueling stelt uat "lnJien uitsluitenJ von een Jerqelijke qrens worJt uitqeqoon
worJt immers niet volJoon oon Je verplicbtinq Je mote woorin oon Je
instonJbouJinqsJoelstellinqen worJt volJoon bij Je beoorJelinq von Je
siqnificontie te betrekken, nocb oon Je verplicbtinq Je siqnificontie von Je effecten
te beoorJelen in bet licbt von Je specifieke milieukenmerken en omstonJiqbeJen
von bet qebieJ woorop bet plon of project betrekkinq beeft."
Een en anuei impliceeit uat bij ue beooiueling of ue natuuilijke kenmeiken van
een Natuia2uuu-gebieu woiuen aangetast ue specifieke milieukenmeiken en
omstanuigheuen van een gebieu uienen te woiuen meegenomen. Be uaaitoe
benouigue, aanvullenue gegevens waien begin juni 2u11 echtei nog niet
beschikbaai. Bat betekent uat ei een upuate van ueze iappoitage zal
plaatsvinuen waaiin ue beooiueling van ue effecten woiut geactualiseeiu met
inachtneming van ue uitspiaak van ue Raau van State van 4 mei 2u11.
3.4.6 1oeLslng en beoordellng van effecLen conform llora- en faunaweL
Beooiueling en toetsing van effecten in het kauei van ue Floia- en faunawet
gebeuit vooi alle bescheimue sooiten van tabel 2 en S van ue
viijstellingsiegeling van febiuaii 2uuS waaiop negatieve effecten woiuen
veiwacht. Beze beooiueling moet ue gionuslag voimen vooi ue lateie
ontheffingsaanviaag. Bet centiale (ecologische) ciiteiium bij toetsing volgens ue
Floia- en faunawet is ue 'gunstige staat van instanuhouuing' van ue betieffenue
sooiten en het ontbieken van alteinatieve oplossingen. vooi ue beooiueling
hieivan zijn tot op heuen geen algemeen geluenue noimen vastgelegu. In uit
NER woiut ue beooiueling gekoppelu aan ue lanuelijke staat van instanuhouuing
zoals ueze blijkt uit ue uooi het Ninistei van LNv gepubliceeiue Roue Lijsten. Ei
woiuen uiie categoiien onueischeiuen:
Niet veimelu op ue Roue Lijst;
Roue Lijst-categoiien gevoelig ('uE') en kwetsbaai ('KW');
Roue Lijst-categoiien beuieigu ('BE') en einstig beuieigu ('EB').
Als leiuiaau bij ue beooiueling zijn in tabel S.S getalsmatige ciiteiia veimelu,
aansluitenu op ue wijze waaiop ueze beooiueling heeft plaatsgevonuen in het





- pagina 22 - CCS Beelstuuie Natuui Afvang



NER Naasvlakte 2. Beze ciiteiia zijn een hulpmiuuel bij ue beooiueling, geen
spijkeihaiue semi-juiiuische noimen. Bieivooi kan ue context van sooit tot
sooit en gebieu tot gebieu nog op te veel belangiijke punten veischillen.



- pagina 2S - CCS Beelstuuie Natuui Afvang



Tabel 3.5: Leidraad bi| beoordeling van effecten op bescbermde soorten {tabel 2 en 3]
i.r.t. 'gunstige staat van instandbouding'
Landeli|ke staat van
instandbouding
EffectJ
verandering
Conclusie
<u,S% geen afbieuk aan gunstige staat van
instanuhouuing
u,S-2% beooiueling meue afhankelijk van anueie
aspecten
Roue Lijst-categoiie:
beuieigu (BE) of
extia beuieigu (EB)
>2% mogelijke afbieuk aan gunstige staat van
instanuhouuing
<1% geen afbieuk aan gunstige staat van
instanuhouuing
1-S% beooiueling meue afhankelijk van anueie
aspecten
Roue Lijst-categoiie:
kwetsbaai (KW) of
gevoelig (uE)
>S% mogelijke afbieuk aan gunstige staat van
instanuhouuing
<S% geen afbieuk aan gunstige staat van
instanuhouuing
S-1u% beooiueling meue afhankelijk van anueie
aspecten
geen Roue Lijstsooit
>1u% mogelijke afbieuk aan gunstige staat van
instanuhouuing
Be beiekening van ue ielatieve achteiuitgang is meue afhankelijk van het gebieu
uat in beschouwing woiut genomen. Be beooiueling woiut uaaiom gebaseeiu op
veianueiingen pei (natuui)gebieu, zoals ueze in ue beschiijving van ue huiuige
natuuiwaaiuen woiuen onueischeiuen.

Bij ue anueie aspecten uie in beschouwing woiuen genomen bij ue beooiueling
van ue miuuencategoiien moet geuacht woiuen aan:
betekenis van het betieffenue gebieu vooi ue sooit (op Neueilanuse schaal);
mate van isolement van ue betieffenue ueelpopulatie;
(ie)koloniseienu veimogen van betieffenue sooit;
iecente tienus in aantallen en veibieiuing.
3.4.7 1oeLslng en beoordellng van effecLen LPS
vooi eventuele effecten op ue EBS woiut het nee-tenzij toetsingskauei uit ue
Nota Ruimte toegepast. Bet initiatief woiut beooiueelu aan ue hanu van ue
eventuele (significante) effecten op ue 'wezenlijke waaiuen en kenmeiken' van
ue EBS. Be wezenlijke kenmeiken en waaiuen zijn ue actuele en potentile
waaiuen, gebaseeiu op ue natuuiuoelen vooi het gebieu. Bet gaat uaaibij om: ue
bij het gebieu behoienue natuuiuoelen en -kwaliteit, geomoifologische en
aaiukunuige waaiuen en piocessen, ue wateihuishouuing, ue kwaliteit van
bouem, watei en lucht, iust, stilte, uonkeite en openheiu, ue lanuschapsstiuctuui
en ue belevingswaaiue. Bet 'Beleiuskauei Speliegels EBS' (Nin vR0N e.a) voimt
hieivooi ue leiuiaau.





- pagina 24 - CCS Beelstuuie Natuui Afvang



4 Afbaken|ng effecten, stud|egeb|ed,
aspecten
4.1 Afbaken|ng effecten
4.1.1 Aanlegfase CCS-lnsLallaLle
6

Be aanleg van ue afvanginstallatie kan op veischillenue wijzen leiuen tot een
invloeu op bescheimue habitats en sooiten. Tijuens ue aanleg zijn ue volgenue
mogelijke effecten ielevant:
0ppeivlaktebeslagaanwezigheiu;
veistoiing (uooi giaafactiviteiten, geluiu, tiillingen of licht);
Atmosfeiische uepositie
0ppervloktebesloq,oonweziqbeiJ
Be CCS-installatie ligt geheel binnen ue iniichting van E.0N, ten zuiuen van ue in
aanbouw zijnue NPPS-centiale. Bet teiiestiisch geueelte van ue leiuing bevinut
zich op het teiiein van ue huiuige Naasvlakte (ueels onuei ue Yantzehaven), zie
figuui 2.1. Bet oppeivlaktebeslag van installatie en buisleiuing gaat niet ten
koste van ue aanwezigheiu van specifieke natuuitypenhabitats.
0ppeivlaktebeslagaanwezigheiu woiut niet nauei onueizocht in ueze
ueelstuuie teiiestiische natuui.
verstorinq Joor qroofoctiviteiten tijJens Je oonleqfose
Ten behoeve van ue aanleg van ue CCS-installatie en ue buisleiuing vinuen
giaafactiviteiten plaats. 0p vooihanu kunnen negatieve effecten van ueze
giaafactiviteiten op mogelijk aanwezige bescheimue sooiten niet woiuen
uitgesloten. Be mogelijke gevolgen woiuen ueihalve nauei onueizocht in uit
NER.
verstorinq Joor qeluiJ tijJens Je oonleqfose
ueluiu kan effect hebben op ue uichtheiu van bioeuvogels en uaainaast een
veistoienue weiking hebben op foeiageienue kust- en zeevogels. Bit laatste
aspect woiut niet in ue ueze ueelstuuie meegenomen, maai in ue ueelstuuie
natuui maiien (Beinis, 2u11). In ue ueeliappoitage geluiu aanleg (WNP, 2u1u)
zijn ue geluiuscontouien tijuens aanleg bepaalu. Be betieffenue figuien zijn
opgenomen als bijlage 4.1. In ue figuien uit bijlage 4.1 is eivan uitgegaan uat ue
boiingen vanaf het stianu plaatsvinuen, mochten ue boiingen - om piaktische
ieuenen - vanaf het zuiuen van ue Euiopaweg woiuen uitgevoeiu, uan schuiven
ue contouien ongeveei 2Su m op naai het zuiuen.


6 Eventuele effecten van ue aanleg van ue buisleiuing op lanu woiuen in Beinis (2u11) behanuelu.



- pagina 2S - CCS Beelstuuie Natuui Afvang


0it ueze figuien blijkt uat ue 4SuBA-geluiuscontouien tijuens ue aanlegfase een
bepeikt beieik hebben en niet ieiken tot aan teiiestiische Natuia 2uuu-
gebieuen. Bet eventueel boien vanaf ue Euiopaweg maakt uaaiin geen veischil.
Baaimee zijn effecten op bescheimue sooiten bioeuvogels vooines Buin,
evenals op anueie in vooines Buin bescheimue faunasooiten (Nooiuse
woelmuis en nauwe koifslak) uitgesloten. vooi veistoiing van kust- en zeevogels
woiut een hogeie veistoiingsgiens van S1 ub(A) gehanteeiu, ueze contouien
beieiken ook neigens het N2uuu-gebieu ue vooiuelta, zouat ook effecten op
foeiageienue kust- en zeevogels zijn uit te sluiten.

0p vooihanu kunnen eventuele effecten op bescheimue sooiten bioeuvogels in
ue uiiecte omgeving van ue aanlegweikzaamheuen niet woiuen uitgesloten.
Beze mogelijke effecten zijn behanuelu in ue quick-scan Floia- en faunawet
(RoyalBaskoning, 2u1uf). In uie stuuie is geconcluueeiu uat inuien iekening
gehouuen woiut met ue mogelijk veistoienue weiking en buiten het
bioeuseizoen geweikt woiut, effecten kunnen woiuen vooikomen. veistoiing
uooi geluiu tijuens ue aanlegfase woiut uaaimee niet veiuei onueizocht.
verstorinq Joor trillinqen tijJens Je oonleqfose
Tiillingen kunnen een bion van veistoiing zijn vooi uieisooiten. Nauwkeuiige
uosis-effectielaties zijn hiei echtei (nog) niet vooi bekenu. In TA0W (2uu7) is
mbt ue bouwactiviteit van ue E.0N NPPS-centiale onueizocht in hoeveiie ei
eventuele effecten ten gevolge van tiillingen op bescheimue natuuiwaaiuen
kunnen optieuen. Booi het gebiuikmaken van aangepaste funueiingsmethouen
is in uie stuuie geconcluueeiu uat ei geen effecten tgv tiillingen optieuen op
bescheimue natuuiwaaiuen (gezien ue afstanu van 4uu m of meei) |van Booien,
2uu8j. vooi ue aanleg van ue funueiing van ue CCS-installaties zal niet geheiu of
getiilu, maai gebooiu woiuen (met veel geiingeie tiillingen).
Be kleinste afstanu tussen ue CCS-installatie en het uichtstbijzijnue teiiestiische
Natuia 2uuu-gebieu beuiaagt meei uan S kilometei. uezien ueze afstanu tussen
het biongebieu en ue Natuia 2uuu-gebieuen woiuen effecten op natuui vanwege
tiillingen ten gevolge van ue funueiingsactiviteiten uan ook niet veiwacht en
veiuei buiten beschouwing gelaten.
verstorinq Joor licbt tijJens Je oonleqfose
Be mogelijke veistoiing uooi licht tijuens ue aanlegfase woiut als
veiwaailoosbaai beschouwu, gezien het hoge niveau van achteigionulicht op ue
huiuige Naasvlakte. 0ok ue gevolgen van het in gebiuik zijn van Naasvlakte 2 -
met een veel hogeie lichtbelasting - zijn in ue ueelstuuie teiiestiische natuui
van het NER Nv2 (Bavenbeuiijf Rotteiuam, 2uu7), als veiwaailoosbaai
beooiueelu. Nogelijke effecten van veistoiing uooi licht woiuen uehalve niet
nauei onueizocht.
Bepositie tijJens Je oonleqfose
Tijuens ue aanlegfase zullen geuuienue een bepeikte peiioue activiteiten
woiuen uitgevoeiu waaibij N (in veischillenue voimen) viijkomt
(RoyalBaskoning, 2u1ub). Bat zijn tijuens ue bouw van ue CCS-installatie, het
iealiseien van boiingen, het ingiaven van ue leiuingenstiook op lanu en ue
aanleg van ue leiuing op zee. uezien ue aaiu van ue activiteiten zijn ue schepen
uie een sleuf baggeien bepalenu vooi ue totale uitstoot tijuens ue aanlegfase.
Bieibij zijn 2 gioteie en enkele kleineie schepen betiokken uie echtei niet
volcontinu actief zijn (RoyalBaskoning, 2u1ub). vooi ue eventuele





- pagina 26 - CCS Beelstuuie Natuui Afvang



luchtveiontieiniging - en ue uepositie uie uaaivan het gevolg zou zijn - is in het
ueeliappoit ei een kwalitatieve analyse uitgevoeiu (RoyalBaskoning, 2u11b).
Bieibij zijn ue luchtkwaliteitseisen in beelu gebiacht en is een inschatting
gemaakt van ue luchtveiontieiniging vooi ue aanlegfase zowel op lanu als op zee,
op basis van ue globale te veiwachten inzet van mateiieel. Aangezien ue inzet
van het mateiieel vooi ue veischillenue aanlegweikzaamheuen van koite uuui
is, ue weikzaamheuen zich veiplaatsen ovei het tiaject en ue uitstoot van het
mateiieel bepeikt is, is ei naai ue mening van ue ueskunuigen geen noouzaak
vooi een kwantitatieve analyse (mouelstuuie).

In ue ueelstuuie Natuui van het NER Aanleg Naasvlakte 2 weiu geconcluueeiu
op basis van een vele malen hogeie inzet van baggeimateiieel en
scheepvaaitactiviteiten uie ueels veel uichtei bij N2uuu-gebieuen plaatsvinuen
(ue stoitlocaties) uat ue bijuiage van ue uepositie tijuens ue aanlegfase
veiwaailoosbaai klein is. uezien ue veel bepeikteie scheepvaaitactiviteit tijuens
ue aanleg van ue buisleiuing ten gevolge van het R0AB-pioject kan
geconcluueeiu woiuen uat ue bijuiage van atmosfeiische uepositie tijuens ue
aanlegfase veiwaailoosbaai klein is. Beze effectioute woiut ueihalve niet
beschouwu in ue effectvooispelling.
Conclusie effecten aanlegfase
Een veiueie beooiueling van eventueel veistoienue effecten van
oppeivlaktebeslagaanwezigheiu, geluiu, tiillingen, licht en uepositie als gevolg
van ue aanlegactiviteiten van ue unit en buisleiuing kunnen gelet op het
vooigaanue bij ue veiueie beooiueling buiten beschouwing blijven. Nogelijk
(tijuelijk) negatieve effecten ten gevolge van giaafactiviteiten op bescheimue
sooiten woiuen wel nauei onueizocht.
4.1.2 Cebrulksfase: afvang
Bet gebiuik van ue afvanginstallatie kan op veischillenue wijzen leiuen tot een
invloeu op bescheimue habitats en sooiten. Tijuens ue afvang zijn ue volgenue
mogelijke effecten ielevant:
- veistoiing (uooi geluiu of licht);
- Atmosfeiische uepositie;
verstorinq Joor qeluiJ tijJens ofvonq
Be geluiubelasting geuuienue ue beuiijfsfase is onueizocht (WNP Raaugevenue
ingenieuis, 2u1u). Be cumulatieve 4S uB(A) geluiuscontouien ten gevolge van ue
afvang van C02 opgenomen als bijlage 4.2), bevinut zich nagenoeg geheel boven
het bestaanue inuustiiegebieu van ue Naasvlakte en vooi een klein ueel boven
Naasvlakte 2 in aanleg. In een woist-case analyse ten behoeve van ue eventuele
effecten van geluiu op fouiageienue kust- en zeevogels is in het NER Nv2 eivan
uitgegaan uat ueze pas optieuen bij niveaus boven ue S1 uB(A) (Bavenbeuiijf
Rotteiuam, 2uu7). Baaivan is hiei geen spiake, zouat effecten op foeiageienue
kust- en zeevogels kunnen woiuen uitgesloten.

Bet geueelte van ue 4S uB(A)-contoui uat zich boven ue huiuige zeeweiing van
ue Naasvlakte bevinut zou theoietisch nog een zeei geiing effect op eventueel
aanwezige bioeuvogels kunnen hebben. Be huiuige zeeweiing (en ue uaaiop



- pagina 27 - CCS Beelstuuie Natuui Afvang


aanwezige natuuiwaaiuen) veiuwijnt echtei uooi ue aanleg van Naasvlakte 2,
vooiuat ue CCS-installatie in weiking tieeut. Nieuwe natuuiwaaiuen kunnen
teiecht op ue nieuwe zeeweiing van Naasvlakte 2. Beihalve tieuen geen effecten
op op bioeuvogels en woiut het mogelijk effect veistoiing uooi geluiu tijuens ue
afvang bij ue effectvooispelling buiten beschouwing gelaten.
verstorinq Joor licbt tijJens ofvonq
Be mogelijke veistoiing uooi licht tijuens ue aanlegfase woiut als
veiwaailoosbaai beschouwu, gezien het hoge niveau van achteigionulicht op ue
huiuige Naasvlakte. 0ok ue gevolgen van het in gebiuik zijn van Naasvlakte 2 -
met een veel hogeie lichtbelasting - zijn in ue ueelstuuie teiiestiische natuui
van het NER Nv2 (Bavenbeuiijf Rotteiuam, 2uu7), als veiwaailoosbaai
beooiueelu. Beihalve tieuen geen effecten op en woiut het mogelijk effect
veistoiing uooi licht tijuens ue afvang bij ue effectvooispelling buiten
beschouwing gelaten..
Atmosferiscbe Jepositie tijJens ofvonq
Bet pioceu waaimee ue C02 uit ue iookgassen veiwijueiu woiut maakt gebiuik
van stoffen uie N-veibinuingen bevatten (o.a. aminen, zoals NEA). Beze stoffen
woiuen steeus heigebiuikt in ue afvanginstallatie. Een geiing geueelte zal in ue
iookgassen teiechtkomen en via atmosfeiische uepositie teiecht kunnen komen
in gevoelige habitats binnen N2uuu-gebieuen. Ten behoeve van ueze NER is
eivan uitgegaan - woist-case - uat uooi ue aanwezigheiu van een N-gioep - ue
effecten van NEAaminen eveneens veimestenu weiken.

0p vooihanu valt niet uit te sluiten uat het ue N-uepositie een mogelijk ielevant
betieft. Be mogelijke effecten van atmosfeiische uepositie ten gevolge van ue
beuiijfsfase (afvang) woiuen in uit NER nauei onueizocht.
Hoqelijk toxiscbe effecten ten qevolqe von Jepositie von HFA
In het pioces uat leiut tot ue afvang van C02 woiut gebiuik gemaakt van NEA.
Een zeei klein geueelte van ueze stof veilaat geuuienue het pioces ue
schooisteen. Bet mogelijk veimestenu effect uaaivan woiut meegenomen in ue
analyse van N-uepositie. Baainaast moet ei in het NER ook naai ue eventuele
toxische effecten van ue uepositie van NER op het natuuilijk milieu woiuen
gekeken. NEA (ethanolamine) is een 'amine'. Amines in het algemeen en
uaaimee ook NEA kan schauelijk zijn bij inaueming. Bet RIvN hanteeit een
luchtkwaliteitswaaiue vooi ueze component van 4u ugm
S
(bion: Beeliappoit
Afvang).

In het 'Beeliappoit Afvang' is ue eventuele toxiciteit vooi mensen getoetst aan ue
RIvN-toetswaaiue. uebleken is uat ue luchtconcentiaties vei beneuen ue
toetswaaiue blijven. Baaimee woiut eivan uitgegaan uat ei ook geen uiiect
toxische effecten op uieien optieuen. vooi eventuele toxische effecten op
bouembouemleven bestaan geen noimen (veibon et al., 2uu1). In veibon et.al.
(2uu1) is aan ue hanu van een piaktijkvooibeelu geconcluueeiu uat ei - zelfs bij
een omvangiijke lekkage van NEA uie leiut tot een hoge concentiatie in het
bouemvocht van maximaal 6.uuu glitei - geen ecologische iisico's optieuen. Be
uepositie van NEA ten gevolge van CCS is echtei geiing (KENA, 2u1u). Be
eventuele concentiaties in het bouemvocht blijven uaaimee vei achtei bij ue
concentiaties uit het genoemue piaktijkvooibeelu. Aangezien NEA goeu in watei
oplosbaai is en gezien ue zeei goeu vocht uooilatenue bouem in uuinen zal





- pagina 28 - CCS Beelstuuie Natuui Afvang



iegelmatig uooistioming van het gionuwatei en uus afvoei van eventueel
aanwezig NEA plaatsvinuen.

Conclusie is ueihalve uat ei geen negatieve toxische effecten ten gevolge van
uepositie van NEA zullen optieuen. Bit mogelijk effect woiut niet nauei
onueizocht.
Conclusie effecten afvang
van ue onueizocht mogelijk ielevante effecten is atmosfeiische uepositie van
stikstof een mogelijk ielevant effect uat in uit NER nauei onueizocht woiut.
0veiige onueizochte effecten zoals ue eventueel veistoienue effecten van geluiu,
licht en ue toxische effecten ten gevolge van ue uepositie van NEA kunnen gelet
op het vooigaanue bij ue veiueie beooiueling buiten beschouwing blijven.
4.2 Afbaken|ng stud|egeb|ed
Bet stuuiegebieu ten behoeve van ue veischillenue beooiuelingskaueis (NER,
Nbw en FFW) is in piincipe niet iuentiek. Bet meest iuime effectgebieu is het
gebieu uat nouig is om ue effecten van ue bouw en gebiuiksfase van ue CCS-
installatie in het kauei van het NER te beschiijven. Bit omvat niet alleen ue
bescheimue N2uuu-gebieuen waai op vooihanu mogelijke effecten niet kunnen
woiuen uitgesloten, maai ook het gebieu uiiect ionuom ue ingieeplocatie van ue
CCS-installatie vooi zovei ei aanuachtssooiten enof natuuitypen woiuen
aangetioffen. vooi ue aanlegfase uienen eventuele tijuelijke effecten ten gevolge
van bouwactiviteiten op bescheimue sooiten nauei onueizocht te woiuen.
vooi ue beuiijfsfase is atmosfeiische uepositie het enige mogelijk ielevante
effect is (zie pai 4.1). Baaimee woiut woiut het stuuiegebieu vooi ue
beuiijfsfase begiensu uooi ue mogelijke ieikwijute van ue atmosfeiische
uepositie.
StuJieqebieJ oonleqfose
Bet stuuiegebieu vooi ue aanlegfase omvat het teiiein van ue CCS-installatie.en
ue uiiecte omgeving uaaivan (begiensu uooi ue 4S uB-contoui van bijlage 4.2).
StuJieqebieJ N-Jepositie {qebruiksfose)
Bet stuuiegebieu N-uepositie omvat ue potentieel gevoelige teiiestiische N2uuu-
gebieuen. Ten behoeve van ue NB-wetveigunningen van ue NPPS-centiale en ue
Electiabel KBC-centiale is ten behoeve van ue afbakening ue cumulatieve
uepositiegiens van S mol Nha.ji gehanteeiu
7
. In ueze stuuie is uezelfue waaiue
gehanteeiu. 0it ue KENA-gegevens (opgenomen als bijlage 4.S) blijkt uat ten
nooiuen van het N2uuu-gebieu Westuuinpaik & Wapenvelu geen ueposities
hogei uan S mol Nha.ji optieuen
8
. Buinen van uoeiee kan op gionu van ueze

7 Beze giens is gebaseeiu op effectenstuuies vooi ue geplanue centiales vooi N00N en RWE in ue Eemshaven.
8 uezien ue wijze waaiop in ueze notitie woiut gecumuleeiu, kan woiuen volstaan met ue bijuiagen ten gevolge van ue
zelfstanuige vaiianten. Be piojecten van E.0N en Electiabel woiuen in ue cumulatie niet meegenomen uaai zij, kiachtens
ue veistiekte NB-wetveigunningen miuuels een maatiegelenplan vooikomen uat ue vooispelue niet-significante effecten
optieuen.



- pagina 29 - CCS Beelstuuie Natuui Afvang


gegevens buiten beschouwing blijven (hiei woiut ue S mol giens immeis niet
oveischieuen), maai is omwille van ue veigelijkbaaiheiu met anueie
effectenstuuies toch meegenomen in ue effectenstuuie). Effecten van N-uepositie
op maiiene habitats woiuen niet in beschouwing genomen, vanwege het feit uat
ue betieffenue habitats weinig tot niet gevoelig zijn vooi ue extia input van
(ielatief geiinge hoeveelheuen) N. Baaimee maakt het Natuia 2uuu-gebieu ue
vooiuelta geen onueiueel uit van het stuuiegebieu 'Afvang'
9
. Be volgenue
N2uuu-gebieuen maken wel ueel uit van het stuuiegebieu:
- Buinen van uoeiee & Kwaue Boek;
- vooines Buin;
- Kapitteluuinen & Sollevelu;
- Westuuinpaik & Wapenual.

Figuui 4.1 geeft ue ligging van ue viei N2uuu-gebieuen aan (hieibij is elk N2uuu-
gebieu - omwille van ue effectvooispelling - onueiveiueelu in km-hokken).

9 0ok in het NER Naasvlakte 2 is geconcluueeiu uat ei geen effecten ten gevolge van N-uepositie optieuen op ue habitats
van ue vooiuelta (bij een veel hogeie uepositie uan uie ten gevolge het CSS-initiatief.





- pagina Su - CCS Beelstuuie Natuui Afvang





Iiquur 4.1 StuJieqebieJ effectvoorspellinq N-Jepositie {inqeJeelJ in qenummerJe km-
bokken)



- pagina S1 - CCS Beelstuuie Natuui Afvang


4.3 Afbaken|ng aspecten
Aonleqfose
vooi ue beschiijvingt van eventuele effecten tijuens ue aanlegfase is met name
ue aanwezigheiu van bescheimue sooiten op en ionu ue CCS-installatie en het
teiiestiisch tiac van ue buisleiuing ielevant.
6ebruiksfose
uezien ue inpeiking van ue effecten tijuens ue gebiuiksfase tot ue uepositie van
stikstof zijn alleen ue instanuhouuingsuoelen vooi ue ielevante N2uuu-gebieuen
- vooi zovei gevoelig vooi N-uepositie - ielevant. Bat betekent alle teiiestiische
habitattypen met een instanuhouuingsuoel in ue viei N2uuu-gebieuen en ue (in-
)uiiect vooi N-uepositie gevoelige sooiten met een instanuhouuingsuoel. Be
maiiene habitattypen - zoals onueiueel uitmakenu van het N2uuu-gebieu ue
vooiuelta en als onueiueel van het N2uuu-gebieu Buinen van uoeiee & Be
Kwaue Boek (B111uA, B114uA, B1S1uA, B1S1uB en B1SSuA) woiuen niet in ue
effectvooispelling meegenomen omuat ze niet tot slechts weinig gevoelig vooi N-
uepositie zijn (van Bobben en Binsbeig, 2uu8). Betzelfue gelut vooi ue
habitattypen B64SuB en B64SuC. vooi zovei ue 'ouue uoelen' nog geluen
woiuen ook eventuele effecten van uepositie op ue ouue uoelen onueizocht.
4.4 Conc|us|es
Nogelijk ielevante effecten van ue aanleg, aanwezigheiu en gebiuik van ue CCS
installatie en het teiiestiisch ueel van ue buisleiuing bepeiken zich tot mogelijke
effecten van ue aanleg op aanwezige bescheimue sooiten en ue mogelijk effecten
ten gevolge van stikstofuepositie tijuens ue gebiuiksfase. Beze beiue effecttypen
woiuen nauei onueizocht in ue volgenue hoofustukken. vooi ue mogelijke
effecten van aanleg woiu naai ue mogelijke effecten gekeken op bescheimue
sooiten en bestaat het stuuiegebieu uit ue uiiecte omgeving van ue CCS-
installatie en het teiiestiisch ueel van ue buisleiuing. vooi het in beelu biengen
van ue mogelijke effecten van N-uepositie bestaat het stuuiegebieu uit ue N2uuu-
gebieuen Westuuinpaik & Wapenual, Kapitteluuinen & Sollevelu, vooines Buin
en Buinen van uoeiee & Kwaue Boek.





- pagina S2 - CCS Beelstuuie Natuui Afvang



S nu|d|ge toestand en autonome
ontw|kke||ngen
S.1 In|e|d|ng
In uit hoofustuk woiuen ue bestaanue natuuiwaaiuen binnen het stuuiegebieu
beschieven. vooi het stuuiegebieu N-uepositie gaat het uaaibij om ue viei
N2uuu-gebieuen Westuuinpaik & Wapenual, Kapitteluuinen & Sollevelu,
vooines Buin en Buinen van uoeiee & Kwaue Boek (paiagiafen S.2 tm S.S).
Aanvullenu is in paiagiaaf S.6 ue aanwezigheiu van bescheimue sooiten op en
ionuom het teiiein van ue CSS-installatie en het teiiestiisch ueel van ue
buisleiuing beschieven. Elke paiagiaaf sluit af met het in beelu biengen van ue
autonome ontwikkelingen.
S.2 N2000-geb|ed Westdu|npark & Wapenda|
Bet Natuia 2uuu-gebieu Westuuinpaik & Wapenual is ciica 249 ha gioot. Bet
Westuuinpaik is een paik aan ue ianu van Ben Baag. Bet is een bieeu,
gevaiieeiu en kalkiijk uuingebieu met kenmeikenue habitats van ue Bollanuse
uuin- en kuststieek. Ei is een bieeu scala aan vegetatietypen van jonge en ouue,
uioge uuinen, met iuigten, giaslanuen en stiuwelen en binnenuuinbos aanwezig,
met kaiakteiistieke floia. Bet veel kleineie, tussen ue bebouwing van Ben Baag
gelegen Wapenual bestaat uit een ouu uuin met stiuikheivegetatie.
3.2.1 lnsLandhoudlngsdoelen
vooi het gebieu gelut een ontweip-aanwijzingsbesluit met
instanuhouuingsuoelen vooi ue sooiten en habitattypen zoals veimelu in tabel
S.1.



- pagina SS - CCS Beelstuuie Natuui Afvang



Tabel 5.1 Kwalificerende babitats en instandboudingsdoelen Westduinpark &
Wapendal:
Habitattype
Staat van
Instandbouding
Doelstelling
oppervlakte
Leefgebied
omvang
populatie
Doelstelling
kwaliteit
B21Su*A uiijze uuinen (kalkiijk) -- > >
B21Su Buinheiuen met stiuikhei + = >
B216u Buinuooinstiuwelen + = =
B218u A Buinbossen (uioog) + = >
veikoite toelichting - instanuhouuingsuoelen vooi oppeivlakte en kwaliteit zijn hiei als volgt
samengevat:
*: piioiitaiie sooit
=: behouu oppeivlakte iesp. kwaliteit
>: uitbieiuing oppeivlakte iesp. kwaliteit
= (<): behouu oppeivlakte; afname toegestaan ten gunste van habittatype met uoelstelling uitbieiuing
oppeivlakte.
|j: 0mvang populatie (inuicatie t.b.v. uiaagkiacht leefgebieu)
|.j: geen gegevens
Staat van instanuhouuing: - - zeei ongunstig; - ongunstig; + gunstig
Relatieve bijuiage van gebieu: - geiing (<2%); + gemiuuelu (2-1S%); ++ gioot (>1S%)

vooi het natuuimonument Westuuinpaik uat ueel uitmaakt van het N2uuu-
gebieu geluen uaainaast nog ue 'ouue uoelen', vooi zovei ueze niet geuekt
woiuen uooi ue instanuhouuingsuoelen van het N2uuu-gebieu (uat gelut in uit
geval met name ue in het aanwijsbesluit genoemue sooiten).
3.2.2 ulverslLelL hablLaLs
van het Westuuinpaik & Wapenual is een viij giove habitattypenkaiteiing
beschikbaai uie in 2uu9 is gemaakt ten behoeve van het eeiste Natuia 2uuu
beheeiplan (zie uiootjans & van uei Loop, 2u1u). Bij ueze kaiteiing is het
Westuuinpaik ingeueelu in vlakken en is pei vlak een schatting gemaakt van het
oppeivlakteaanueel van elk (sub)habitattype (en van eventuele anueie
vegetatietypen). Een toelichting bij weikwijze is op uit moment beschikbaai in
ue voim van twee afzonueilijke uocumenten (Royal Baskoning, 2uu9a; 2uu9b),
uie t.z.t. als bijlage in het beheeiplan woiuen opgenomen. Ei zijn kaaiten
gemaakt van elk afzonueilijk habitattypen; hieiop is tevens ue kwaliteit van ue
betieffenue habitattypen pei vlak weeigegeven. Als vooibeelu is ue kaiteiing
van habitattype B21SuA uiijze uuinen kolkrijk (Royal Baskoning, 2uu9a)
opgenomen in bijlage S.1a. van het Wapenual is een apaite kaiteiing gemaakt
waaiop beiue hiei vooikomenue (sub)habitattypen zijn weeigegeven (Royal
Baskoning, 2uu9u: zie bijlage S.1b); ueze kaait geeft ue situatie in 2uu6 weei. In
het concept beheeiplan zijn op basis van ueze kaaiten ue huiuige oppeivlakken
pei habitattype pei ueelgebieu veimelu.





- pagina S4 - CCS Beelstuuie Natuui Afvang




Tabel 5.2: Uppervlakte voor deze natuurtoets relevante babitattypen met een
instandboudingdoel in Westduinpark & Wapendal
Habitattypen Uppervlakte in Natura 2000-gebied
Westduinpark & Wapendal {in ba]
B21SuA uiijze uuinen kolkrijk 49,9
B21Su Buinheiuen met stiuikhei u,2S
B216u Buinuooinstiuwelen Su,S
B218uA Buinbossen Jrooq 2,4
Autonome ontwikkelingen
0muat bij het bepalen en beooiuelen van uepositie-effecten ook iekening uient
te woiuen gehouuen met ue uitbieiuinguoelstelling uie vooi sommige
(sub)habitattypen geluen is tevens een oveizicht gemaakt van ue oppeivlakte-
uitbieiuingen zoals ueze vooi ue betieffenue (sub)habitattypen noouzakelijk
woiuen geacht. Beze zijn veimelu in het concept beheeiplan zoals uit op uit
moment vooi Sollevelu & Kapitteluuinen beschikbaai is (uiootjans & van uei
Loop, 2u1u). Bieibij is uitgegaan van ue uitbieiuingsuoelen op lange teimijn.
vooi Westuuinpaik & Wapenual is alleen een uitbieiuingsuoelstelling
gefoimuleeiu vooi habitattypen B21SuA uiijze uuinen kalkiijk (+ Su ha) (zie
bijlage S.S)
3.2.3 ulverslLelL soorLen
Inleiding
uezien ue mogelijk ielevante effecten zijn alleen mogelijke effecten op sooiten
met een instanuhouuingsuoel in het N2uuu-gebieu, uan wel in het staats-
natuuimonument Westuuinpaik (ouue uoelen) ielevant (toetsing ex ait. 16).
Flora
In het aanwijsbesluit In ue beschiijving van het Staatsnatuuimonument woiuen
vooi ue veischillenue zones van het uuingebieu ue vooikomenue sooiten
genoemu. In ue zeeieep komen helm, blauwe zeeuistel en zeeiaket en iets
veiuei lanuinwaaits een sooiteniijkeie helmvegetatie met: stianukweek,
uuinsalomonszegel, uuinpaaiuebloem en kiuipenu stalkiuiu. Nog veiuei
lanuinwaaits komt stiuweel (B216u) vooi met uuinuooin, wilue ligustei en
kaiuinaalsmuts, vliei, bottel- en iimpelioos. 0p nooiuhellingen bevinut zich hiei
laag sooiteniijk uuingiaslanu met (B21SuA) met uuinsalomonszegel, echt
walstio, walstiobiemiaap, gewoon fakkelgias en koistmossen. 0p ue uiogeie
zuiuhellingen komt een open stuifuuinvegetatie vooi met o.a. zanuuouuegias en
uuinsteiietje. In het oosten van komt een lage uuingiaslanugemeenschap vooi
met o.a. buntgias en uiveie koistmossen. vooi het oveiige is het oostelijk ueel
van het natuuimonument vooinamelijk bebost (oa het bosje van Poot,
(B218uA)). Bit bos is iijk aan stinseplanten, zoals Wilue hyacint,
vooijaaishelmbloem en Baslook. 0p veischillenue plaatsen is stiuweel of
loofbos aangeplant, met o.a. uiveise iozen, Buinuooin, Wilue ligustei, uewone
vliei, Sneeuwbes, Esuooin en Witte abeel.



- pagina SS - CCS Beelstuuie Natuui Afvang



In het aanwijsbesluit uit 199u woiuen naast ue bovengenoemue sooiten ook nog
anueie zeluzame of minuei algemene plantesooiten genoemu als gewoon
fakkelgias, walstiobiemiaap, blauwe biemiaap, gewone vogelmelk,
kanuelaaitje, gaspeluooin, giote wilue tijm en gewone vleugeltjesbloem. Beze
sooiten zijn giotenueels gebonuen aan ue sooiteniijke uuingiaslanuen.
Fauna
ZooqJieren
In het natuuimonument Westuuinpaik vooikomenue zooguieien zijn onuei
anueie vos, konijn, haas, egel, bunzing, wezel, heimelijn, bosmuis, uweigmuis
en bosspitsmuis, teiwijl ue iosse vleeimuis in het gebieu fouiageeit.
voqels
In Westuuinpaik zijn ciica 2uu vogelsooiten waaigenomen, waaivan ciica 6u
sooiten in het natuuimonument bioeuen. Bat zijn onuei anueie: nachtegaal,
biaamsluipei, kleine kaiekiet, spiinkhaaniietzangei, ioouboisttapuit, gouuvink,
puttei, patiijs, houtsnip en iansuil. Bet Westuuinpaik is tevens een belangiijk
iust- en fouiageeigebieu vooizweif-, tiek- en winteivogels, zoals giauwe
kiekenuief, slechtvalk, visaienu, speiwei, zwaite wouw, giote piepei, uuinpiepei,
uiaaihals, hop, paapje, beflijstei en pestvogel.
Amfibieen
In het Westuuinpaik zijn onuei meei ue volgenue amfibien waaigenomen: ue
gewone pau, iugstieeppau, gioene kikkei, biuine kikkei en kleine
wateisalamanuei.
Autonome ontwikkelingen
Als gevolg van ue vooigenomen heistelmaatiegelen vooi ue habitats in het
gebieu in het kauei van het N2uuu-beheeiplan, zullen ook ue kansen vooi ue
uaaiaan gebonuen planten- en uieisooiten veibeteien. Bet optieuenu heistel
van ue konijnenpopulatie zal ei uaainaast vooi zoigen uat veigiassing van
uuingiaslanuen veiuei woiut teiuggeuiongen.
S.3 N2000-geb|ed So||eve|d & kap|tte|du|nen
Bet Natuia 2uuu-gebieu Sollevelu & Kapitteluuinen is ciica 724 ha gioot en ligt
tussen Boek van Bollanu en Kijkuuin in ue piovincie Zuiu-Bollanu. Bet gebieu
omvat ue natuuimonumenten Sollevelu (aangewezen in 199u) en Kapitteluuinen
(aangewezen in 1996).

Sollevelu wijkt af van ue meeste anueie Zuiu-Bollanuse uuingebieuen uooiuat
het vooi het oveigiote ueel bestaat uit 'ouue uuinen' uie in hoge mate ontkalkt
zijn. Bijzonuei in ueze ontkalkte uuinen zijn enkele heiueteiieintjes, uie evenals
anueie lanuschapselementen heiinneien aan het histoiische, agiaiische gebiuik.
Bet gebieu is niet heel ielifiijk en bestaat uit uuinen, uuinbossen, giaslanuen,
uuinheiuen, stiuwelen, iuigten en plassen. Aan ue binnenuuinianu liggen een
aantal ouue lanugoeubossen met een iijke stinzefloia .






- pagina S6 - CCS Beelstuuie Natuui Afvang



Ten nooiuen van ue ouue monuing van ue Naas liggen ue Kapitteluuinen. Bit
gebieu bestaat uit ue ten oosten van het stianu gelegen uuinen, vochtige
uuinvalleien, uuinplassen, uuin- en lanugoeubossen, giaslanuen, stiuwelen,
iuigten en een aantal uijktiajecten. Bet gebieu ligt op ue oveigang van kust naai
iivieiengebieu en meei lanuinwaaits woiuen ue iivieiinvloeuen steeus
uuiuelijkei zichtbaai in ue vegetatie. In het Staeluuinse Bos liggen uiveise
bunkeis. Bet Natuuibeheeiplan Sollevelu & Kapitteluuinen is in vooibeieiuing.
In het Natuuibeheeiplan woiuen ue uoelstellingen nauei gekwantificeeiu.
3.3.1 lnsLandhoudlngsdoelen
Bet gebieu is aangemelu vooi ue volgenue sooiten en habitattypen:
Tabel 5.3 Kwalificerende babitats en instandboudingsdoelen Solleveld &
Kapittelduinen:
Habitattype
Staat van
Instandbouding
Doelstelling
oppervlakte
leefgebied
omvang
populatie
Doelstelling
kwaliteit
B212u Witte uuinen - = =
B21Su*A uiijze uuinen (kalkiijk) -- > >
B21Su*B uiijze uuinen (kalkaim) -- > >
B21Su Buinheiuen met stiuikhei + = >
B216u Buinuooinstiuwelen + = =
B218uA Buinbossen (uioog) + = >
B218uC Buinbossen (binnenuuinianu) - = =
B219uB vochtige uuinvalleien (kalkiijk) - = =
Soorten
B1u14 Nauwe koifslak - = =
veikoite toelichting - instanuhouuingsuoelen vooi oppeivlakte en kwaliteit zijn hiei als volgt
samengevat:
*: piioiitaiie sooit
=: behouu oppeivlakte iesp. kwaliteit
>: uitbieiuing oppeivlakte iesp. kwaliteit
= (<): behouu oppeivlakte; afname toegestaan ten gunste van habittatype met uoelstelling uitbieiuing
oppeivlakte.
|j: 0mvang populatie (inuicatie t.b.v. uiaagkiacht leefgebieu)
|.j: geen gegevens
Staat van instanuhouuing: - - zeei ongunstig; - ongunstig; + gunstig
Relatieve bijuiage van gebieu: - geiing (<2%); + gemiuuelu (2-1S%); ++ gioot (>1S%)

vooi Sollevelu & Kapitteluuinen gelut uat ook ue 'ouue uoelen' van ue
Bescheimue natuuimonumenten Kapitteluuinen en Sollevelu nog geluen. Be
omschiijving van ue 'ouue uoelen' vooi floia en vegetatie is meei beschiijvenu
van aaiu. vooi zovei sooiten en vegetatietypen genoemu woiuen, zijn uie te
ielateien aan ue kwalificeienue habitats met een instanuhouuingsuoel uit het
ontweip-Aanwijzingsbesluit. Bij ue toetsing en beooiueling (hoofustuk 7) woiut
hieiop teiuggekomen.



- pagina S7 - CCS Beelstuuie Natuui Afvang



3.3.2 ulverslLelL hablLaLs
Ten behoeve van het eeiste Natuia 2uuu-beheeiplan is in 2uu9 een
(sub)habitattypenkaait van uit Natuia 2uuu-gebieu gemaakt (zie bijlage S.2). Ei
zijn apaite kaaitblauen van Sollevelu (Royal Baskoning, 2uu9e), Kapitteluuinen
nooiu (Royal Baskoning, 2uu9f) en Kapitteluuinen zuiu beschikbaai (Royal
Baskoning, 2uu9g). Bet vooikomen van (sub)habitattypen is in het giootste ueel
van het Natuia 2uuu-gebieu in 2uu8 gekaiteeiu uooi Alteiia (}anssen e.a., in
vooibei.). vooi het zuiuwestelijk ueel van ue Kapitteluuinen (van
Bixhooinuiiehoek en vinetauuin) is gebiuik gemaakt van een kaiteiing uooi Ten
Biink e.a. (2uu8), eveneens uitgevoeiu in 2uu8. vooi ue Boekse Bosjes en het
Roomse Buin is gebiuik gemaakt van een kaiteiing uit 2uu9 uooi Ten Biink e.a.
(2uu9). Baaibij is ue toeueling van een van ue bosvegetatietypen (meiuooin-
beikenbos) aan subhabitattype B218uA Buinbossen Jrooq gecoiiigeeiu (moest
zijn: B218uC Buinbossen binnenJuinronJ).

0p ue habitatkaaiten is eveneens een aantal kwaliteitsaspecten veimelu,
waaionuei ue vegetatiekunuige kaiakteiiseiing aan ue hanu van van pq-
opnamen van ue piovincie Zuiu-Bollanu uit ue peiioue 2uuS tm 2uu8. Anueie
gegevens en bionnen uie hieibij zijn gebiuikt zijn veimelu in pai. 4.2.1 van ue
concept iappoitage van het Natuia 2uuu-beheeiplan Sollevelu & Kapitteluuinen
van febiuaii 2u1u (uiootjans e.a., 2u1u).
Tabel 5.4: Uppervlakte voor deze natuurtoets relevante babitattypen met een
instandboudingdoel in Solleveld & Kapittelduinen
Habitattypen Uppervlakte in Natura 2000-gebied
Solleveld & Kapittelduinen {in ba]
B212u Witte uuinen 48,1
B21SuA uiijze uuinen kolkrijk 6u,4
B21SuB uiijze uuinen kolkorm 12S,S
B21Su Buinheiuen met stiuikhei S,u
B216u Buinuooinstiuwelen 144,1
B218uA Buinbossen Jrooq 61,2
B218uC Buinbossen binnenJuinronJ 129,9
B219uB vochtige uuinvalleien kolkrijk S,9
Autonome ontwikkelingen
Eobitottypen met een uitbreiJinqsJoelstellinq
0muat bij het bepalen en beooiuelen van uepositie-effecten ook iekening uient
te woiuen gehouuen met ue uitbieiuinguoelstelling uie vooi sommige
(sub)habitattypen geluen is tevens een oveizicht gemaakt van ue oppeivlakte-
uitbieiuingen zoals ueze vooi ue betieffenue (sub)habitattypen noouzakelijk
woiuen geacht. Beze zijn veimelu in het concept beheeiplannen zoals ueze op uit
moment vooi Sollevelu & Kapitteluuinen beschikbaai is (uiootjans e.a., 2u1u, ).
Bieibij is uitgegaan van ue uitbieiuingsuoelen op lange teimijn. vooi Sollevelu &
Kapitteluuinen zijn uitbieiuingsuoelstellingen gefoimuleeiu vooi ue
habitattypen B21SuA uiijze uuinen kalkiijk (+ 84 ha) en vooi B21SuB uiijze
uuinen kalkiijk (+ S ha) (zie bijlage S.2).





- pagina S8 - CCS Beelstuuie Natuui Afvang



3.3.3 ulverslLelL soorLen
Inleiding
vooi 1 sooit (ue nauwe koifslak) gelut een uiiect instanuhouuingsuoel.
Baainaast zijn in het ontweip-aanwijsbesluit zijn vooi ue ingesloten
natuuimonumenten Sollevelu (aangewezen in 199u) en Kapitteluuinen
(aangewezen in 1996) beschiijvingen opgenomen van ue vooikomenue sooiten.
Flora
Iloro BescbermJ Notuurmonument SollevelJ
In ue zeeieep gioeit helm met plaatselijk blauwe zeeuistel. Lanuinwaaits
uomineien op ue nooiuhellingen helm en uuiniiet. 0p ue zuiuhellingen komt een
ijle begioeing vooi met zanuzegge, buntgias mossen en koistmossen. 0p ue
oveigangszone tussen ue zeeieep en ue ouue uuinen komt een fijnkoiielig
patioon vooi van veel veischillenue vegetatietypen met het veelvuluig
vooikomen van kleine iuit. Lokaal komen enkele heiuevelujes met stiuikheiue
vooi.

Ten tijue van ue aanwijzing als bescheimu natuuimonument kwamen op ue
vlakke teiieinen hoge, sooitenaime giaslanuen en open, lage begioeingen vooi
met mossen en koistmossen. Be hoge giaslanuen hebben een afwisselenue
uominantie van uuiniiet, zanuzegge en helm. veispieiu komen stiuikjes vooi van
onueimeei biaam, vliei, kiuipwilg, ligustei, zomeieik en Ameiikaanse vogelkeis.
0p plaatsen waai ue begiazingsuiuk uooi konijnen hoog is, hebben
zich mos- en koistmosvegetaties ontwikkelu met sooiten als bieekblau en
uuinklauwtjesmos. Be koistmosvegetaties zijn iijk aan sooiten.
Plaatselijk komt in gieppeltjes een open lage pionieisvegetatie vooi met
gieppelius, fiaai uuizenuguluenkiuiu, bleekgele uioogbloem en late zegge.

In het binnenuuinbos bos komen stinseplanten vooi, zoals wilue hyacint,
lelietje-uei-ualen en vooijaaishelmbloem en uaainaast bieue en smalle
stekelvaien iankenue helmbloem en uagkoekoeksbloem vooi en plaatselijk
esuooin, Ameiikaanse vogelkeis en biaam.

Zeluzame en minuei algemene plantensooiten in het natuuimonument
zijn: blauwe zeeuistel, uuinsalomonszegel, kleveiige ieigeisbek,
fakkelgias, fiaai uuizenuguluenkiuiu, iankenue helmbloem, bleekgele
uioogbloem, uiieuistel, kiuipenu stalkiuiu, wilue hyacint en
uiveise mossen en koistmossen.

Nycofloia
In het natuuimonument komen tevens minuei algemene pauuestoelen vooi,
zoals uewimpeiue aaiustei, uewone moiielje en Kapjesmoiielje.



- pagina S9 - CCS Beelstuuie Natuui Afvang



Iloro BescbermJ Notuurmonument KopittelJuinen
In ue zeeieep gioeit helm, zanuzegge, zeeiaket en blauwe zeeuistel.
In ue van Bixhooinuiiehoek bevinuen zich vegetaties met iiet, hoge
cypeigiassen en plaatselijk mattenbies en gieppelius. In ue Banken gioeit veel
veenwoitel, wateimunt, zilveischoon en geknikte vossestaait, naast
zoutinuiceienue sooiten als melkkiuiu, zilte schijnspuiiie en moeiaszoutgias
Baainaast komen ei vooi teei guichelheil, zilte ius en aaiubeiklavei.

Iets meei lanuinwaaits komen sooiteniijkeie stiuwelen vooi met uuinuooin,
gewone vliei, wilue ligustei, kiuipwilg, eenstijlige meiuooin en plaatselijk
giauwe abeel. In het Natuuimonument is tevens ue invloeu van ue giote iivieien
heikenbaai uooi het vooikomen van sooiten als beemukioon, hanujesgias,
gouuhavei, wilue kiuisuistel, gewone agiimonie, echt walstio en knoopkiuiu
(o.a. op ue Nooiulanuse uijk en ue Nieuwlanuseuijk). In ue vochtige, matig
voeuseliijke giaslanuen in het gebieu komen giote iatelaai, kamgias, gouuhavei,
kattenuooin, gewone biunel en platte ius vooi.

Bet binnenuuin- en lanugoeubos bestaat hoofuzakelijk uit eikenbos
en gemengu loofbos met zomeieik, beuk, gewone es, veluiep, giauwe
abeel en plaatselijk veel populiei, waaionuei ook enkele exemplaien
van ue inheemse zwaite populiei met een onueibegioeiing van onuei
anueie uit: kiuisbes, wilue kampeifoelie, gewone biaam, gewone
vliei en beigvliei. In het Staeluuinse Bos komen stinseplanten vooi als
gewone vogelmelk, lelietje uei ualen en wilue hyacinth.

Zeluzame en minuei algemene plantensooiten zijn onuei anueie: uuinaveiuit,
painassia, fiaai uuizenuguluenkiuiu, wateipunge, kegelsilene, stijve ogentioost,
moeiaswespenoichis, vleeskleuiige oichis en uiveise mossen en koistmossen. In
2u1u is in het in ue Kapitteluuinen ue gioenknoloichis aangetioffen.

Nycofloia
In het Staeluuinse Bos komen minuei algemene pauuestoelen vooi zoals:
uewimpeiue aaiustei, uewone moiielje en 0ianje melkzwam.
Fauna
Eobitotricbtlijnsoort: Nouwe korfslok
Be Nauwe koifslak komt algemeen tot taliijk vooi in het vinetauuin. Baainaast
zijn waainemingen uit het Roomse Buin en het Staeluuinse Bos bekenu. In ue
van Bixhooinuiiehoek is wel op uiveise locaties gezocht, maai zijn geen Nauwe
koifslakken aangetioffen (zie figuui S.S). 0ok in anueie ouueie ueelgebieuen
met veigelijkbaie biotopen (stiooiseliijke stiuwelen) is het vooikomen van uit
slakje goeu mogelijk. Biei is echtei nooit gezocht.





- pagina 4u - CCS Beelstuuie Natuui Afvang




Iiquur S.S verspreiJinq Nouwe korfslok in SollevelJ KopittelJuinen {opqoven Sticbtinq
ANFH00N, 2008)
Iouno BescbermJ Notuurmonument SollevelJ
Zooguieien
Als zooguieisooiten kunnen onuei meei woiuen genoemu: vos, wezel,
bunzing, heimelijn, egel, eekhooin, baaiuvleeimuis, uweigvleeimuis,
laatvliegei, iosse vleeimuis, wateivleeimuis, iosse woelmuis,
uweigspitsmuis en bosspitsmuis.

vogels
In het Bescheimu Natuuimonument Sollevelu zijn ciica 28u vogelsooiten
waaigenomen, ca 7u sooiten bioeuen in het gebieu. In 199u ging het onuei
anueie om ue volgenue bioeuvogelsooiten: patiijs, gekiaague iooustaait,
ioouboisttapuit, slobeenu, spiinkhaaniietzangei, tuieluui, kievit, scholekstei,



- pagina 41 - CCS Beelstuuie Natuui Afvang


wulp, tapuit, kneu en giaspiepei, biaamsluipei, giauwe vliegenvangei, gioene
specht, kleine bonte specht, boomklevei, boomkiuipei, fluitei, nachtegaal, sijs,
wielewaal, gouuvink, houtsnip en toienvalk. In het vogelieseivaat 0ckenbuigh
bioeut elk jaai een kolonie blauwe ieigeis. Bet bos en uuingebieu is van belang
vooi tiekvogels, stanuvogels en wintei- en zweifgasten, zoals kopeiwiek,
gouuvink, buizeiu, speiwei en bosuil.

Beipetofauna
In het natuuimonument komen vooi: iugstieeppau, gioene kikkei en
zanuhageuis.

0veiige sooiten
Een opvallenu aspekt in het natuuimonument is het vooikomen van
vele nesten van ue ioue bosmiei.
Iouno BescbermJ Notuurmonument KopittelJuinen
Zooguieien
Bet natuuimonument heibeigt in bunkeis en holle bomen zes sooiten
vleeimuizen: baaiuvleeimuis, wateivleeimuis, uweigvleeimuis, iuige
uweigvleeimuis, giootooivleeimuis en meeivleeimuis. Anueie zooguieisooiten
uie in het gebieu vooikomen zijn onuei anueie: konijn, haas, vos, wezel,
heimelijn, bunzing, iosse woelmuis, uweigspitsmuis en bosspitsmuis.

vogels
In het BN Kapitteluuinen zijn ciica 2uu vogelsooiten waaigenomen waaivan ei
minstens 7u iegelmatig in het gebieu bioeuen. In 1996 ging het in ue open
teiieinen om sooiten als patiijs, ioouboisttapuit, kneu, spiinkhaaniietzangei,
scholekstei, tuieluui, iietgois, kleine kaiekiet en slobeenu. In ue bossen en
stiuwelen in het natuuimonument bioeuen sooiten als boomkiuipei, giauwe
vliegenvangei, boomvalk, toienvalk, nachtegaal, spotvogel, wielewaal, bosuil
en iansuil. Bet bos- en uuingebieu is van belang vooi tiekvogels, stanuvogels,
wintei- en zweifgasten als kemphaan, buizeiu, speiwei,
kiamsvogel, veluuil, iosse giutto en wulp. In ue tiektiju zijn giote aantallen
vogels in het uuingebieu aanwezig. 0nuei Ben Baag is uit ue enige
plaats in ue Zuiuhollanuse vastelanuskust ueze vogels een iustplaats vinuen.

Beipetofauna
In het natuuimonument komen veischillenue sooiten amfibien vooi,
waaionuei: ue iugstieeppau, ue biuine kikkei en ue gewone pau,
alsmeue n ieptielensooit: ue zanuhageuis.

0veiige sooiten
In het natuuimonument komen ue volgenue niet algemene insectensooiten
vooi: ue bijenwolf en ue sint jansvlinuei. Baainaast komt ue wijngaaiuslak vooi.
Autonome ontwikkelingen
Als gevolg van ue vooigenomen heistelmaatiegelen vooi ue habitats in het
gebieu in het kauei van het N2uuu-beheeiplan Sollevelu & Kapitteluuinen
(uiootjans e.a., 2u1u), zullen ook ue kansen vooi ue uaaiaan gebonuen planten-
en uieisooiten veibeteien. Bet optieuenu heistel van ue konijnenpopulatie zal
ei uaainaast vooi zoigen uat veigiassing van uuingiaslanuen veiuei woiut
teiuggeuiongen. Booi in 2u1u uitgevoeiue heistelmaatiegelen in het kauei van





- pagina 42 - CCS Beelstuuie Natuui Afvang



ue NB-wetpioceuuies vooi ue nieuwe kolen-biomassacentiales van E.0N
(NPPS) en Electiabel zijn in het zuiuelijk ueel van ue Kapitteluuinen ue kansen
vooi sooiten van natte uuinvalleien aanzienlijk veibeteiu.
S.4 N2000-geb|ed Voornes Du|n
Bet Natuia 2uuu-gebieu vooines Buin ligt in ue piovincie Zuiu-Bollanu. Bet
Natuia 2uuu-gebieu beslaat een oppeivlakte van 14SS ha, waaivan 1S9 ha onuei
zowel ue vogeliichtlijn als ue habitatiichtlijn zijn aangewezen. Bet vooines Buin
bestaat uit jonge uuin- en stianuafzettingen met een hoog kalkgehalte. Bet
uuingebieu met uuinvalleien is giotenueels in ue 19
e
en begin 2u
e
eeuw ontstaan
uooi afsnoeiing van stianuvlakte als gevolg van het ontstaan van nieuwe
zeeiepen. Bet zuiuoostelijke ueel van het gebieu stamt uit ue late Niuueleeuwen.

Bet uuingebieu van vooine heeft een giote vaiiatie in lanuschapstypen en heeft
uaaiuooi een giote sooiteniijkuom, zowel wat betieft floia als fauna. Bet bestaat
uit een afwisselenu uuingebieu met twee giote uuinmeien (Bieeue watei en
Quackjeswatei) en meeiueie kleine poelen, moeiassen, giote oppeivlaktes bos
en stiuweel, uuingiaslanuen en natte uuinvalleien. Aan ue binnenuuinianu
liggen een aantal lanugoeubossen met stinzenfloia. Bet natuuibeheeiplan
vooines Buin is in vooibeieiuing. In het natuuibeheeiplan woiuen ue
uoelstellingen nauei gekwantificeeiu.

Bet uuingebieu van vooine behooit tot ue botanisch meest waaiuevolle
natuuigebieuen in ons lanu. Bit komt tot uiting in het giote aantal sooiten en
plantengemeenschappen. van inteinationaal belang zijn ue uuinvalleien met
onuei meei een giote populatie van ue gioenknoloichis en belangiijke
populaties van ue nauwe koifslak. vooines Buin is een belangiijk bioeugebieu
vooi twee kolonievogels van natte uuinvalleien met iietmoeias met enige opslag
(lepelaai en aalscholvei) en een sooit van besloten (uuin)meeitjes (geooiue
fuut).
3.4.1 lnsLandhoudlngsdoelen
In het uefinitieve aanwijzingsbesluit (en het lateie wijzigingsbesluit uit 2u1u)
vooi Natuia 2uuu-gebieu vooines Buin zijn instanuhouuingsuoelen
gefoimuleeiu vooi ue volgenue sooiten en habitattypen:



- pagina 4S - CCS Beelstuuie Natuui Afvang



Tabel 5.5: Instandboudingsdoelen Natura 2000-gebied Voornes Duin
HabitattypeJSoort
Staat
van
Instand-
bouding
Doelstelling
oppervlakte
Leefgebied
omvang
populatie
Doelstelling
kwaliteit
B212u Witte uuinen - = =
B21Su*A uiijze uuinen (kalkiijk) -- > >
B21Su*C uiijze uuinen (heischiaal) -- > >
B216u Buinuooinstiuwelen + = {<] =
B217u Kiuipwilgstiuwelen + = {<] =
B218uA Buinbossen (uioog) + = {<] >
B218uB Buinbossen (vochtig) - = {<] =
B218uC Buinbossen (binnenuuinianu) - = {<] =
B219uA vochtige uuinvalleien (open watei) - = =
B219uB vochtige uuinvalleien (kalkiijk) - > >
B219uB vochtige uuinvalleien (hoge moeiasplanten) - = =
Soorten
B1u14 Nauwe koifslak - = =
B1S4u* Nooiuse woelmuis -- > >
B19uS uioenknoloichis -- > =
Auu8 ueooiue fuut |Sj + = =
Au17 Aalscholvei |11uuj + = =
Au26 Kleine Zilveiieigei |1Sj + = =
AuS4 Lepelaai |11uj + = =
veikoite toelichting - instanuhouuingsuoelen vooi oppeivlakte en kwaliteit zijn hiei als volgt
samengevat:
*: piioiitaiie sooit
=: behouu oppeivlakte iesp. kwaliteit
>: uitbieiuing oppeivlakte iesp. kwaliteit
= (<): behouu oppeivlakte; afname toegestaan ten gunste van habittatype met uoelstelling uitbieiuing
oppeivlakte.
|j: 0mvang populatie (inuicatie t.b.v. uiaagkiacht leefgebieu)
|.j: geen gegevens
Staat van instanuhouuing: - - zeei ongunstig; - ongunstig; + gunstig
Relatieve bijuiage van gebieu: - geiing (<2%); + gemiuuelu (2-1S%); ++ gioot (>1S%)

3.4.2 8elevanLe hablLaLLypen en soorLen
vooines Buin valt binnen het stuuiegebieu vooi wat betieft ue effecten van
stikstofuepositie tijuens ue exploitatie. Niet alle habitattypen en sooiten zijn in
uit veibanu ielevant. In ueze paiagiaaf woiuen ue ielevante typen en sooiten
afgebakenu.
3.4.3 ulverslLelL hablLaLs
van vooines Buin is iecent ten behoeve van het Natuia 2uuu-beheeiplan een
(sub)habitattypenkaait gemaakt. Be kaaiten zoals ueze begin 2u1u beschikbaai
waien zijn afgebeelu in bijlage S.S (Royal Baskoning, 2u1ua, Royal Baskoning,
2u1ub Royal Baskoning, 2u1uc). Beze habitatkaait geeft een goeu en viijwel
actueel beelu van het vooikomen van (sub)habitattypen in vooines Buin. Be
kaait is samengestelu op basis van veischillenue bionnen en kaiteiingen. 0muat
ue totstanukoming van ue kaait nog niet afuoenu is geuocumenteeiu in het
concept beheeiplan van mei 2u1u (van uei Loop & Ben Belu, 2u1u) woiut
hieionuei koit weeigegeven hoe ueze is samengestelu.





- pagina 44 - CCS Beelstuuie Natuui Afvang



Be belangiijkste basiskaiteiing van teiieinen uie uooi veieniging
Natuuimonumenten woiuen beheeiu is in 2uu42uuS uitgevoeiu uooi van
Zuijen (2uuS). Beze kaiteiing is in 2uuS2uu6 aangevulu uooi Reitsma e.a.
(2uu6), waaibij het gemeentelijk uuinteiiein bij Rockanje weiu gekaiteeiu en
enkele uooi van Zuijen onueischeiuen vegetatiestiuctuuitypen weiuen
opgesplitst in habitattypen. Ten behoeve van het N2uuu beheeiplan is in 2uu9 in
ue teiieinuelen van Natuuimonumenten een extia aanvulling gemaakt met
betiekking tot enkele subhabitattypen uie eeiuei niet goeu waien uitgekaiteeiu
(m.n. B21SuC uiijze uuinen beiscbrool en subtypen van B218u Buinbossen), een
teiieingeueelte uat eeiuei niet geheel was gekaiteeiu (van Baaisenvallei) en ue
nieuwe situatie tei plaatse van twee natuuiheistelpiojecten uie na 2uuS zijn
uitgevoeiu (van Zuijen, 2uu9; 2u1u). In ue wintei van 2uu92u1u is in ue
zeeieep van ue westelijke kust een heistelpioject uitgevoeiu, waaibij ca. 12
hectaie uuinuooinstiuweel is veiwijueiu ten behoeve van ue ontwikkeling van
B212u Witte uuinen en B21SuA uiijze uuinen kolkrijk; ue veianueiingen als
gevolg van uit pioject zijn niet in ue kaait veiweikt.

vooi het beheeisgebieu van het Zuiu-Bollanus Lanuschap is als basiskaiteiing
uitgegaan van ue vegetatiekaait zoals opgenomen in Beheeiplan uit 2uuS
(Basisuocument; veitegaal (2uuS), uie gebaseeiu is op kaiteiingen uit 2uuS
(veitegaal, 2uuS) en 2uu1 (Reitsma e.a., 2uu1). Beze kaait is ten behoeve van het
N2uuu beheeiplan in 2uu9 geactualiseeiu uooi B. Keikhof (Zuiu-Bollanus
Lanuschap), waaibij tevens ue (nog niet onueiveiueelue) habitattypen zijn
toegeueelu aan subhabitattypen. Een toelichting bij ueze actualisatie zal woiuen
opgenomen in ue uefinitieve veisie van het N2uuu-beheeiplan (meu. K.B.
uiootjansRoyal Baskoning). Bit gelut ook vooi ue aanvullenue kaiteiing uie in
2uu9 uooi meueweikeis van ue Piovincie Zuiu-Bollanu is uitgevoeiu in
teiieinuelen uie in paiticuliei eigenuom zijn.
Tabel 5. Uppervlakte babitats met een instandboudingdoel in Voornes Duin
Habitattypen Uppervlakte in Natura2000 gebied Voornes Duin
{in ba]
B212u Witte uuinen Su,4
B21SuA uiijze uuinen kolkrijk 68,4
B21SuC uiijze uuinen beiscbrool u,87
B216u Buinuooinstiuwelen 166,8
B217u Kiuipwilgstiuwelen u,S
B218uA Buinbossen Jrooq 71,u
B218uB Buinbossen vocbtiq 211,u
B218uC Buinbossen binnenJuinronJ 178,7
B219uA vochtige uuinvalleien open woter 29,S
B219uB vochtige uuinvalleien kolkrijk SS,7
B219uB vochtige uuinvalleien boqe moer.pl. 6,S
Autonome ontwikkelingen



- pagina 4S - CCS Beelstuuie Natuui Afvang


Eobitottypen met een uitbreiJinqsJoelstellinq in voornes Buin
0muat bij het bepalen en beooiuelen van uepositie-effecten ook iekening uient
te woiuen gehouuen met ue uitbieiuinguoelstelling uie vooi sommige
(sub)habitattypen geluen is tevens een oveizicht gemaakt van ue oppeivlakte-
uitbieiuingen zoals ueze vooi ue betieffenue (sub)habitattypen noouzakelijk
woiuen geacht. Beze zijn veimelu in het concept beheeiplan zoals ueze op uit
moment vooi vooines Buin beschikbaai is (van uei Loop & Ben Belu, 2u1u).
Bieibij is uitgegaan van ue uitbieiuingsuoelen op lange teimijn. vooi vooines
Buin zijn uitbieiuingsuoelstellingen gefoimuleeiu vooi ue habitattypen B21SuA
uiijze uuinen kalkiijk (+ 16u ha), B21SuC uiijze uuinen heischiaal (+ 1,1 ha) en
vooi B219uB vochtige uuinvalleien kalkiijk (+ S9 ha) (zie bijlage S.S).
3.4.4 ulverslLelL soorLen
NoorJse woelmuis
Be Nooiuse woelmuis is kenmeikenu vooi vochtige tot natte vegetaties in
laagveen en kleigebieuen. Be in Neueilanu vooikomenue Nooiuse woelmuis
betieft een onueisooit, Niciotus oeconomus aienicola, uie alleen in Neueilanu
vooikomt. Neueilanu heeft uus een giote veiantwooiuelijkheiu vooi het behouu
van ueze sooit.

Iiquur S.1 verspreiJinq noorJse woelmuis in voornes Buin {en op 6oeree)
Neueilanu kent vijf van elkaai gesoleeiue populaties: in Fiieslanu, op Texel, in
Nooiu-Bollanu Niuuen, het veenweiuegebieu Bollanu-0tiecht en in het
Beltagebieu. Binnen ue vijf iegio's zijn populaties aanwezig in een netweik van
kleineie en gioteie leefgebieuen. Be nouige bescheimingsmaatiegelen kunnen
pei iegio veischillen uooi het veischil in lanuschappelijke kenmeiken,
wateihuishouuing, bouem en het vooikomen van anueie woelmuizen. Be
Nooiuse woelmuis is als ue meeste woelmuizen een vegetaiii en eet gioene
uelen van iiet, biezen, zeggen, anueie planten, woitels, zauen en schois.

Bet vooitbestaan van ue Nooiuse woelmuis woiut beuieigu uooi:
Concuiientie met anueie woelmuizen, waaionuei ue velumuis en ue
Aaiumuis.
Bij aanwezigheiu van beiue sooiten bepeikt ue Nooiuse woelmuis zich tot





- pagina 46 - CCS Beelstuuie Natuui Afvang



ue echt natte en inciuenteel oveistioomue iiet- en iuigtevegetaties en
giaslanuen
Be mate van uitwisseling tussen populaties binnen een iegio. 0itwisseling
van populaties kan plaatsvinuen bij afstanuen 1 - S km (netweikpopulatie)
Kleinei woiuen van hun leefgebieuen, uooi onuei anueie het stoppen van
beheei heeft geschikt leefgebieu (iiet- en iuigtebegioeiingen) zich
ontwikkelu tot bos
Be giootste beuieiging woiut echtei gevoimu uooi ue stabilisatie van het
wateipeil en beweiuing.
6roenknolorcbis
Natuia 2uuu-gebieu vooines Buin is meue al zouanig aangemelu vanwege het
vooikomen van ue gioenknoloichis. Be sooit is tevens stiikt bescheimu op
gionu van ue Floia- en faunawet (tabel S viijstellingsiegeling). Be veispieiuing
van ue gioenknoloichis in het stuuiegebieu is weeigegeven in figuui 4.2.

Iiquur S.2 verspreiJinq 6roenknolorcbis in Noturo 2000-qebieJ voornes Buin {opqoven
vereniqinq Notuurmonumenten en Sticbtinq ZuiJ-EollonJs lonJscbop, 2009)
Nouwe korfslok
Bet vooikomen van ue nauwe koifslak is op gionu van iecente inventaiisaties
ieuelijk goeu bekenu. Be sooit is taliijk in bosianuen ionu natte uuinvalleien,



- pagina 47 - CCS Beelstuuie Natuui Afvang


langs ue Biielse uatuam en in het nooiuelijk ueel van vooines Buin, tevens komt
hij vooi bij het Quackjeswatei (Bion Bijlage Natuui Nei Bestemmingen
Naasvlakte 2). Be huiuige veispieiuing is weeigegeven in figuui S.S.


Iiquur S.S verspreiJinq nouwe korfslok in bet voornes Buin {opqoven Sticbtinq ANFH00N,
2008)
Vogelricbtli|nsoorten
6eoorJe fuut
Be uuinmeien in vooines Buin voimen n van ue twee belangiijke
bioeuplaatsen in ue uuinen vooi ue ueooiue fuut (naast Neijenuel & Beikheiue).
In ue uuinen van vooine is ue ueooiue fuut een typische bioeuvogel van ue giote
uuinplassen en is een jaailijkse bioeuvogel in het Bieeue Watei. In sommige
jaien bioeut ue sooit ook in het Quackjeswatei. Bet aantal bioeupaien wisselt.
In ue peiioue 1999 - 2uuS ging het om uiie tot zeven bioeupaien. In 2uuS
bioeuuen ei vijf paai ueooiue fuut, waaivan viei op het Bieeue Watei en n op
het Quackjeswatei. Bet gemiuuelue aantal teiiitoiia ovei ue peiioue 99 - uS
beuioeg vijf paai; ue peiioue uaaivooi 79 - 8S beuioeg het gemiuuelue aantal
viei bioeupaai |S0v0N & CBS, 2uuSj.
Aolscbolver
Be Aalscholvei kent een kolonie in het Bieue Watei. Na ue vestiging van ue
Aalscholvei in 1984 is het aantal bioeupaien snel toegenomen tot een maximum





- pagina 48 - CCS Beelstuuie Natuui Afvang



in 1998 (1.S1u paien). Sinusuien beweegt het aantal paien zich tussen ue 998 en
1277. In 2uuS bioeuuen ei ciica 1.184 paai Aalscholveis. Bet
seizoensgemiuuelue ovei ue peiioue 99uu - uSu4 beuiaagt gemiuuelu 11uu
exemplaien |S0v0N & CBS, 2uuSj.
Kleine zilverreiqer
Be kolonie Kleine zilveiieigei in vooines Buin voimt ue giootste bioeupopulatie
van ueze sooit Neueilanu. Sinus 1999 laat ue populatie een gestage gioei zien,
met gemiuuelu 14 bioeupaien ovei ue peiioue 1999-2uuS. 0ok na 2uu4 zet ueze
positieve tienu zich uooi naai SS bioeupaien in 2uu6 |S0v0N & CBS, 2uuSj.
lepeloor
Be Lepelaaikolonie in "vooines Buin" bevinut zich in het Quackjeswatei. Be
kolonie bevinut zich op een met Riet en lage bomen begioeiu eilanu. Be eeiste
bioeuenue Lepelaais veischenen in 1989. Be aantallen zijn uaaina jaailijks
gestegen. In ue peiioue 1997 - 2uu6 heeft het aantal gevaiieeiu tussen ue 82 en
2S2 bioeupaien. Be jaien 1997 en 1998 waien twee piekjaien met een
maximum van 2Su bioeupaien. In 2uuS bioeuuen ciica 97-12u paai Lepelaai in
het gebieu. ueuuienue ue peiioue 1999 - 2uuS was ei spiake van gemiuuelu 11u
paai |S0v0N & CBS, 2uuSj.

Be kolonies van ue bovengenoemue sooiten bevinuen zich alle in of uiiect aan ue
uuinmeeitjes Quackjeswatei enof Bieeue Watei. Beze liggen (vei) buiten ue 4S
uB(A)-geluiuscontoui (zie bijlage 4.S).
Autonome ontwikkelingen
Als gevolg van ue vooigenomen heistelmaatiegelen vooi ue habitats in het
gebieu in het kauei van het N2uuu-beheeiplan vooines Buin, zullen ook ue
kansen vooi ue uaaiaan gebonuen planten- en uieisooiten veibeteien.
S.S N2000-geb|ed Du|nen Goeree & kwade noek
Bet Natuia 2uuu-gebieu Buinen van uoeiee & Kwaue Boek ligt in ue piovincie
Zuiu-Bollanu. Bet omvat het vogeliichtlijngebieu Kwaue Boek en het
Babitatiichtlijngebieu Buinen uoeiee & Kwaue Boek. Bet totale Natuia 2uuu-
gebieu beslaat een oppeivlakte van 1624
1u
ha, waaivan 827 ha onuei zowel ue
vogeliichtlijn als ue habitatiichtlijn zijn aangewezen (als ue Kwaue Boek). Bet
gebieu Buinen uoeiee & Kwaue Boek omvat een aantal uuingebieuen aan ue
nooiuwestkant van uoeiee, plus ue aan ue zeezijue gelegen Kwaue Boek. Bet
voimt ue oveigang van kweluei naai stianuvlakte. Bij ue Kwaue Boek zijn op
giote schaal jonge uuintjes tot ontwikkeling gekomen. Be vlakke geueelten zijn
steik begioeiu geiaakt, ueels met vegetaties van gioene stianuen, ueels met
schoivegetaties. Neei lanuinwaaits liggen schoiien uie uooisneuen woiuen
uooi kionkelige kieken. Achtei ue uuintjes hebben zich vochtige piimaiie
uuinvalleien ontwikkelu. Bet is uus een afwisselenu en uynamisch lanuschap met
piimaiie uuinvoiming, slikken, schoiien, valleien en uuinstiuweel.

1u Be begienzing en oppeivlakte van het Natuia 2uuu-gebieu zijn aangepast in het wijzigingsbesluit van 2u1u.



- pagina 49 - CCS Beelstuuie Natuui Afvang


Be uuinen van uoeiee zijn ontstaan in ue vioege Niuueleeuwen. 0it uie tiju
stammen ue West-, Niuuel- en 0ostuuinen. Booi heihaaluelijke veistuiving zijn
ueze uuingebieuen afgevlakt. Be uuingebieuen langs ue kust zijn jongei. Bet
kalkiijke uuingebieu van ue kop van uoeiee bestaat uit viei ueelgebieuen uie
onuei anueie ue botanisch meest sooiteniijke vioongionuen in ons lanu, een
voim van het habitattype giijze uuinen, heibeigen. Be Westuuinen en ue
Niuueluuinen hebben een ielifaim, golvenu uuinlanuschap met kleine laagtes
en uuintjes, waaiin een kleinschalig mozaek van uuingiaslanu en uuinvalleien
aanwezig is, ueels met bos beplant. Be 0ostuuinen is een veigiaven
kopjesuuingebieu met infiltiatiegeulen, uuinvalleien, uioog uuingiaslanu en
uuinstiuweel. Be uuinen aan ue westkant van uoeiee (Westhoofu en
Spiingeituuinen) bestaan uit kalkaime uuinen, veel uuinstiuweel en een
uuinvallei (Westhoofuvallei).
3.3.1 lnsLandhoudlngsdoelen
In het uefinitieve aanwijzingsbesluit vooi Natuia 2uuu-gebieu Buinen van
uoeiee & Kwaue Boek zijn instanuhouuingsuoelen gefoimuleeiu vooi ue
volgenue sooiten en habitattypen:
Tabel 5.7 Instandboudingsdoelen Natura 2000-gebied Duinen van Coeree & Kwade
Hoek
HabitattypeJSoort
Staat van
Instand-
bouding
Doelstelling
oppervlakte
Leefgebied
omvang
populatie
Doelstelling
kwaliteit
114uA Slik- en zanuplaten (getijuengebieu) - = =
B1S1uA Zilte pionieibegioeiingen (Zeekiaal) - = =
B1S1uB Zilte pionieibegioeiingen (Zeevetmuui) + = =
B1S2u Slijkgiasveluen -- = =
B1SSuA Schoiien en zilte giaslanuen (buitenuijks) - = =
B211u Embiyonale uuinen + = =
B212u Witte uuinen - = =
B21SuA *uiijze uuinen (kalkiijk) -- > >
B21SuB *uiijze uuinen (kalkaim) -- = =
B21SuC *uiijze uuinen (heischiaal) -- = >
B216u Buinuooinstiuwelen + = {<] =
B219uA vochtige uuinvalleien (open watei) - = >
B219uB vochtige uuinvalleien (kalkiijk) - > >
B219uC vochtige uuinvalleien (ontkalkt) - > >
B219uB vochtige uuinvalleien (hoge moeiasplanten) - = =
B64SuB Ruigten en zomen (Baiig wilgenioosje) - = =
B64SuC Ruigten en zomen (uioge bosianuen) - = =
Babitatsooiten
B1u14 Nauwe koifslak - = =
B1S4u* Nooiuse woelmuis -- = >
Bioeuvogelsooiten
A1S8 Stianupleviei -- = =
Niet-bioeuvogelsooiten
AuuS Fuut - = =
Au17 Aalscholvei + = =
AuS4 Lepelaai + = =
Au4S uiauwe gans + = =





- pagina Su - CCS Beelstuuie Natuui Afvang



HabitattypeJSoort
Staat van
Instand-
bouding
Doelstelling
oppervlakte
Leefgebied
omvang
populatie
Doelstelling
kwaliteit
Au4S Bianugans + = =
Au48 Beigeenu + = =
AuS2 Winteitaling - = =
AuS4 Pijlstaait - = =
AuS6 Slobeenu + = =
A1Su Scholekstei --
A1S2 Kluut - = =
A1S7 Bontbekpleviei + = =
A141 Zielveipleviei + = =
A144 Biieteenstianulopei - = =
A149 Bonte stianulopei + = =
A1S7 Rosse giutto + = =
A16u Wulp + = =
A162 Tuieluui - = =
veikoite toelichting - instanuhouuingsuoelen vooi oppeivlakte en kwaliteit zijn hiei als volgt
samengevat:
*: piioiitaiie sooit
=: behouu oppeivlakte iesp. kwaliteit
>: uitbieiuing oppeivlakte iesp. kwaliteit
= (<): behouu oppeivlakte; afname toegestaan ten gunste van habittatype met uoelstelling uitbieiuing
oppeivlakte.
|j: 0mvang populatie (inuicatie t.b.v. uiaagkiacht leefgebieu)
|.j: geen gegevens
Staat van instanuhouuing: - - zeei ongunstig; - ongunstig; + gunstig
Relatieve bijuiage van gebieu: - geiing (<2%); + gemiuuelu (2-1S%); ++ gioot (>1S%)
3.3.2 ulverslLelL hablLaLs
van Buinen uoeiee & Kwaue Boek is gebiuik gemaakt van een
habitattypenkaait uie iecent is samengestelu ten behoeve van het Natuia 2uuu-
beheeiplan. In bijlage S.4 zijn ue kaaiten van het westelijk iesp. oostelijk ueel
van het Natuia 2uuu-gebieu weeigegeven (Royal Baskoning, 2u1uab). In ueze
kaaiten zijn tevens uiveise kwaliteitsaspecten opgenomen. Een koite toelichting
bij ue gebiuikte bionnen is veimelu in pai. 4.2.1 van het concept beheeiplan
(Ben Belu, 2u1u). Be belangiijkste bion vooi ue teiieinuelen uie woiuen
beheeiu uooi veieniging Natuuimonumenten is ue habitattypenkaait zoals ueze
is opgenomen in het concept Basisiappoit 2uu9 Buinen van uoeiee. Be
basiskaiteiingen van het uuingebieu iesp. ue Kwaue Boek zijn uitgevoeiu in
2uu7 (Eichhoin, 2uu8; 0osteibaan e.a., 2uu8). In 2uu8 zijn ten behoeve van het
Basisiappoit enkele nog ontbiekenue kleineie teiieinuelen aanvullenu
gekaiteeiu; tevens zijn enkele stiuctuuitypen onueiveiueelu in kleineie
eenheuen. Be habitattypenkaait is vooi ue teiieinuelen uie woiuen beheeiu
uooi het Zuiu-Bollanus Lanuschap (Westuuinen) gebaseeiu op een
vegetatiestiuctuuikaait uit 2uu8; uooi B. Keikhof (Zuiu-Bollanus Lanuschap) is
hieivan een inteipietatie naai habitattypen gemaakt. 0vei ue totstanukoming
van ue vegetatiestiuctuuikaait van ue Westuuinen in 2uu8 en ue inteipietatie
van ue habitattypen is geen zelfstanuige iappoitage beschikbaai.



- pagina S1 - CCS Beelstuuie Natuui Afvang


Tabel 5.8 Uppervlakte voor deze natuurtoets relevante babitats met een
instandboudingdoel in Duinen Coeree & Kwade Hoek
Habitattypen Uppervlakte in Natura2000 gebied
Duinen Coeree & Kwade Hoek {in ba]
B211u Embiyonale uuinen Su,7
B212u Witte uuinen 72,S
B21SuA uiijze uuinen kolkrijk 8S,6
B21SuB uiijze uuinen kolkorm 18S,S
B21SuC uiijze uuinen beiscbrool 1S,S
B216u Buinuooinstiuwelen Su4,2
B219uA vochtige uuinvalleien open woter S,1
B219uB vochtige uuinvalleien kolkrijk 22,u
B219uC vochtige uuinvalleien ontkolkt S1,7
B219uB vochtige uuinvalleien boqe moer.pl. 7,9
Autonome ontwikkelingen
0muat bij het bepalen en beooiuelen van uepositie-effecten ook iekening uient
te woiuen gehouuen met ue uitbieiuinguoelstelling uie vooi sommige
(sub)habitattypen geluen is tevens een oveizicht gemaakt van ue oppeivlakte-
uitbieiuingen zoals ueze vooi ue betieffenue (sub)habitattypen noouzakelijk
woiuen geacht. Beze zijn veimelu in het concept beheeiplan zoals ueze op uit
moment vooi Buinen uoeiee & Kwaue Boek beschikbaai zijn (Ben Belu, 2u1u).
Bieibij is uitgegaan van ue uitbieiuingsuoelen op lange teimijn.
3.3.3 ulverslLelL soorLen
Inleiding
vooi wat betieft sooiten met een instanuhouuingsuoelstelling is vooi ue niet-
bioeuvogelsooiten bij vooibaat uit te sluiten uat ueze negatief benvloeu woiuen
uooi een toename van stikstofuepositie. uezien ue zeei geiinge bijuiage van
EN0 aan ue achteigionuuepositie op uoeiee en het feit uat ue kiitische
uepositiewaaiue van ue piefeiente habitats van ue oveiige sooiten met een
instanuhouuingsuoel niet woiuen oveischieuen. 0p ue Nauwe koifslak
(B219uB), Nooiuse woelmuis (B1SSu A) en Stianupleviei (211u) woiuen
effecten uitgesloten.
Autonome ontwikkelingen
In het iecente veileuen zijn ieeus beheeimaatiegelen getioffen waaiuooi ue
gunstige staat van instanuhouuing van kwetsbaie habitattypen als B21SuC
aanzienlijk is veibeteiu. In het kauei van het N2uuubeheeiplan Buinen uoeiee &
Kwaue Boek zijn uitbieiuingsuoelstellingen gefoimuleeiu (zie bijlage S.S) vooi
ue habitattypen B21SuA uiijze uuinen kalkiijk (+ SS ha), vooi B219uB vochtige
uuinvalleien kalkiijk (+ 9 ha) en vooi B219uC vochtige uuinvalleien ontkalkt (+
S ha). Bij uitvoeiing van uie maatiegelen zal ue staat van instanuhouuing van ue
betieffenue habitats veiuei veibeteien.
S.6 Aanwez|ghe|d beschermde soorten rondom
|ngreep|ocat|e





- pagina S2 - CCS Beelstuuie Natuui Afvang



Be iesultaten van het onueizoek naai ue aanwezigheiu van bescheimue sooiten
ionuom ue ingieeplocatie (CCS-teiiein en teiiestiisch tiac buisleiuing) zijn
oveigenomen uit ue Quickscan Floia- en faunawet betieffenue sooiten van
teiiestiische- en zoetwateimilieus (RoyalBaskoning, 2u1uf en 2u1uh). Be
iesultaten zijn gebaseeiu op buieaustuuie en velubezoek. Baainaast is gebiuik
gemaakt van ue iesulaten van uiutteis e.a. (2u11).
Resultaten bureaustudie
0p basis van eeiueie onueizoeken (uoueiie e.a. 2uu7, Woitel 2uu7, Kioousma et
al. 2uu9, Konings et al. 2uu9, Flieiman et al. 2uu9), veispieiuingsinfoimatie van
Pu0's (Ravon, Zooguieiveieniging) en ue site www.waaineming.nl kan een
aantal sooiten in ue omgeving van het tiac veiwacht woiuen. Beze sooiten
staan weeigegeven in Tabel S.9. Be zoutwateisooiten zijn buiten beschouwing
gelaten; ueze woiuen behanuelu in ue iappoitage van Beinis (2u11).
Tabel 5.9. Mogeli|k voorkomende soorten nabi| bet trac van de buisleiding, op basis
van bescbikbare verspreidingsinformatie.
Soortgroep Mogeli|k voorkomende soorten Bescbermings-
regime FFwet
tabel
Habitatricbt-
li|n bi|lage
vleeimuizen o.a. gewone uweigvleeimuis, iuige
uweigvleeimuis, laatvliegei,
tweekleuiige vleeimuis
S Iv
uionuzooguieien o.a. konijn, velumuis 1
slechtvalk j* Bioeuvogels
o.a. kluut, kleine pleviei, stoimmeeuw n*
iugstieeppau S
zanuhageuis S
Amfibien en
ieptielen
gioene kikkei sp. 1
Zoetwateivissen geen
0ngeweiveluen geen
uiv. oichiueen 2
zwaitsteel 2
painassia 2
vaatplanten
blauwe zeeuistel 2
j: joorronJ bescbermJe voqelsoort
n: voqelsoort bescbermJ tijJens broeJseizoen, niet joorronJ

Resultaten veldbezoek
ZooqJieren
Spoien van het konijn zijn op veel plaatsen op en ionuom het tiac aangetioffen,
in ue voim van keutels en holen. 0ok anueie algemene gionuzooguieien van
tabel 1 zijn niet op vooihanu uit te sluiten, hoewel ue kans op het vooikomen
geiing is gezien ue bepeikte mogelijkheuen vooi foeiageien en veiblijfplaatsen.



- pagina SS - CCS Beelstuuie Natuui Afvang


0ppoitunistische sooiten als velumuis, vosmuis, vos en bunzing zouuen kunnen
vooikomen.

ueschikt leefgebieu vooi ue nooiuse woelmuis is niet aanwezig; ue sooit komt
niet vooi in of nabij het plangebieu.

vooi vleeimuizen bieut ue omgeving van het tiac zeei bepeikte mogelijkheuen.
Bomen of gebouwen waaiin geschikte veiblijfplaatsen vooi vleeimuizen
aanwezig zouuen kunnen zijn, zijn ei niet. Lijnvoimige stiuctuien uie als
vliegioute kunnen uienen zijn nauwelijks beschikbaai (hooguit ue uijk zou uienst
kunnen uoen). Als foeiageeigebieu tenslotte is het plangebieu en ue uiiecte
omgeving naai veiwachting ook van zeei bepeikte waaiue. Inuien vleeimuizen
hiei vooikomen, betieft het algemene sooiten zoals gewone en iuige
uweigvleeimuis en laatvliegei. ue tweekleuiige vleeimuis, veimelu in Tabel S.9,
is in 2uuS n maal gevangen op ongeveei 1 kilometei ten zuiuoosten van ue
NPPS. Beze sooit is echtei zeei zeluzaam en bestenuig vooikomen op ue
Naasvlakte is niet aannemelijk.
voqels
Be wijue omgeving van het tiac kan bioeubiotoop opleveien vooi kustsooiten
als kluut, kleine pleviei, stianupleviei, kokmeeuw, stoimmeeuw en kleine
mantelmeeuw, hoewel nabijgelegen kustvlakten als ue Sluftei en 0ostvooinse
Neei betei bioeubiotoop voimen. 0muat ei geen bomen aanwezig zijn in ue
nabijheiu van het tiac en (uooinige) stiuiken slechts zeei spaaizaam bij ue
intieuelocatie van ue boiing onuei ue Naasmonuing, is het vooikomen van
bomen- en stiuweelbioeueis als ekstei, zwaite kiaai etc. uitgesloten bij het
tiac. Een gioot ueel van het tiac loopt vlak langs ue lanuwaaitse (zuiu-
oostelijke) kant van ue Euiopaweg. vanwege het gebiek aan beschutting en het
veikeei is ue uiiecte omgeving van het tiac ongeschikt als bioeubiotoop vooi
vogels.

0p www.waaineming.nl is in 2uu8 meluing gemaakt van een teiiitoiium van ue
Slechtvalk bij ue electiiciteitscentiale van E.0N, welke op enkele honueiuen
meteis afstanu van ue NPPS staat. Be nestplaats van ueze vogelsooit is jaaiionu
bescheimu, in tegenstelling tot ue anueie in ueze paiagiaaf genoemue
vogelsooiten.
Reptielen en omfibieen
veel plekken op of uiiect nabij het tiac bieuen geschikt leefgebieu aan ue
iugstieeppau; ei zijn (tijuelijke) poelen en oveial is veigiaafbaie gionu, hetgeen
iespectievelijk vooi geschikt vooitplantingswatei en lanu- of
oveiwinteiingshabitat kan zoigen. Be aanwezigheiu van helmvegetaties bij het
stianu aan ue nooiukant van het tiac kan mogelijk (maiginaal) geschikt
leefgebieu opleveien vooi ue zanuhageuis; hiei is voluoenue afwisseling van
beschutting en zonplekken (zie figuui S.4). Be afstanu tot bekenue populaties -
bij het 0ostvooinse Neei en nabij ue Sluftei - is echtei meei uan 4 kilometei en
het tussenliggenue teiiein is naai veiwachting nauwelijks aantiekkelijk vooi ue
sooit. Bieiom woiut het vooikomen van ue zanuhageuis zeei onwaaischijnlijk
geacht. Betzelfue gelut vooi het mogelijk vooikomen van ue iugstieeppau op het
bouwteiiein vooi ue CCS-installatie. Eeiuei onueizoek (uiutteis e.a., 2u11) heeft
aangetoonu uat ei geen iugstieeppauuen op het teiiein van E.0N aanwezig zijn.






- pagina S4 - CCS Beelstuuie Natuui Afvang





Iiquur S.4. 0mqevinq von bet troc. links: lonJwoortse zijJe von Je zonJJijk nobij bet
intreJepunt von Je borinq onJer Je toekomstiqe Yonqtze-boven. Recbts: stronJ en Juintjes
bij bet intreJepunt von Je borinq onJer Je HoosmonJinq.
vanwege ue zeei spaaizame begioeiing en beschikbaaiheiu van wateien, en op
basis van veispieiuingsinfoimatie, zijn anueie ieptielen- en amfibiensooiten
niet te veiwachten in ue omgeving van het tiac.
Zoetwotervissen
Aangezien ei binnen ue invloeussfeei van het tiac geen zoet watei (sloten e.u.)
aanwezig is, is het vooikomen van zoetwateivissen hiei uitgesloten. 0ok in ue
iest van ue Naasvlakte zijn volgens Ravon geen bescheimue sooiten bekenu.
Eventueel vooikomenue sooiten in ue zoute wateien (Naasmonuing, Nooiuzee
en nog niet aanwezige Yangtze-haven) woiuen buiten beschouwing gelaten.
0nqewervelJen
Bet plangebieu bieut geen geschikte leefomgeving vooi bescheimue slakken,
libellen, vlinueis, keveis of anueie ongeweiveluen. Bet vooikomen van
bescheimue sooiten uit ueze gioep is uitgesloten.
vootplonten
Be vegetatie op het tiac bestaat oveiwegenu uit koite kiuiugiasvegetaties met
weinig tot zeei veel open zanu. Aangetioffen sooiten zijn onuei anueie
heitshooinweegbiee, jakobskiuiskiuiu en gewone ieigeisbek. 0p ue zanuige
uijken, stianu en nabij ue stoitstenen staan o.a. uuinuooin, helm en
stianukweek. Biei zou ook ue bescheimue blauwe zeeuistel kunnen vooikomen;
ueze is echtei niet aangetioffen (uiutteis e.a., 2u11). Alleen vlak bij het punt
waai ue buisleiuing ue kust veilaat zijn 2 exemplaien van ue bescheimue
bijenoichis (tabel 2) aangetioffen.




- pagina SS - R0AB Beelstuuie Natuui Afvang




Iiquur S.S. 0mqevinq von bet troc lonqs Je Furopoweq, nobij Je intreJelocotie von Je
borinq onJer Je HoosmonJinq.
Conclusie
In tabel S.1u staat weeigegeven welke sooiten mogelijk kunnen vooikomen op
en nabij het tiacgebieu van ue buisleiuing.
Tabel 5.10. Mogeli|k voorkomende bescbermde soorten van tabel 2 en 3 van de Flora-
en faunawet nabi| bet trac van de buisleiding, op basis van bescbikbare
verspreidingsinformatie en veldbezoek.
Soortgroep Mogeli|k aanwezig? Mogeli|k voorkomende soorten
vaatplanten ja bijenoichis
uionugebonuen
zooguieien
nee
vleeimuizen ja* o.a. uewone uweigvleeimuis, Ruige
uweigvleeimuis, Laatvliegei
Bioeuvogels ja Slechtvalk, Kluut, Kleine pleviei etc.
Zoetwateivissen nee**
Amfibien nee
11

Reptielen nee
11

0ngeweiveluen nee
* Alleen foeroqerenJ
** ln zout woter levenJe soorten worJen buiten bescbouwinq qeloten {zie Eeinis {2011)
Autonome ontwikkeling
Be autonome ontwikkeling op en ionuom ue huiuige Naasvlakte is uat ue iuimte
vooi natuuilijke (pioniei-)sooiten en habitats geleiuelijk aan zal veiminueien en
veischuift naai ue nieuw te iealiseien zeeweiing van Naasvlakte 2. vooi
pionieisooiten als kluut, kleine pleviei en iugstieeppau is ue veiwachting uat
ueze sooiten tijuelijk kunnen toenemen - afhankelijk van het al uan niet tieffen
van maatiegelen - op Naasvlakte 2. Booi het tieffen van maatiegelen zal ook op
ue bestaanue Naasvlakte en het BIC iuimte vooi pionieisooiten aanwezig
blijven (zoals bv op kabel- en leiuingstioken).

11 uiutteis e.a., 2u11






- pagina S6 - R0AB Beelstuuie Natuui Afvang




6 Lffecten van Afvang
6.1 In|e|d|ng
In hoofustuk 4 (afbakening) is geconcluueeiu uat het enig mogelijk ielevante
effect van afvang atmosfeiische uepositie is. Nogelijke effecten ten gevolge van
tianspoit (geluiu, opwaiming) zijn als niet-ielevant beschouwu (en woiuen in
uit hoofustuk uan ook niet veiuei onueizocht).
6.2 A|ternat|even
In het NER hoofuiappoit woiut uitgebieiu ingegaan op ue alteinatieven en
vaiianten (Baskoning, 2u11a). uezien ue inpeiking van ue ielevante effecten op
teiiestiisch natuui tot ue effecten van atmosfeiische uepositie zijn vooi ueze
habitattoetspassenue beooiuelingeffectenstuuie teiiestiische natuui alleen ue
vooigenomen activiteit en het uitvoeiingsalteinatief in beschouwing genomen.
6.3 Werkw|[ze effectvoorspe|||ng
Als bijlage 6.1 is een uitgebieiue beschiijving van ue gehanteeiue weikwijze
vooi ue vooispelling atmosfeiische uepositie opgenomen. 0nueistaanu is ueze
bonuig samengevat.
Werkingsmecbanisme atmosferiscbe depositie
Atmosfeiische uepositie is een van ue factoien uie - tezamen met anueie
ecologische factoien en teiieinomstanuigheuen - van invloeu kunnen zijn op ue
instanuhouuingsuoelen van N2uuu-gebieuen. veel kwetsbaie vegetaties en
habitats (zoals habitattype B21SuC, qrijze Juinen beiscbrool) kunnen zich slechts
hanuhaven omuat ue plantensooiten uie bepalenu zijn vooi hun samenstelling
goeu zijn aangepast aan voeuselaime omstanuigheuen. Baainaast is beheei een
bepalenue factoi: met een juist beheei kunnen effecten in belangiijke mate
woiuen vooikomen.

Specifieke omstanuigheuen kunnen eitoe leiuen uat ei ook onuei kalkiijke
conuities lokaal veizuiing optieeut, waaimee het systeem lokaal 'omslaat'. Bat is
het effect uat in ue habitattoetsen vooispelu woiut. 0f en waai uat effect in ue
kalkiijke uuinen lokaal kan optieuen is een stochastisch pioces, afhankelijk van
toevallige omstanuigheuen.





- pagina S7 - R0AB Beelstuuie Natuui Afvang



Acbtergronddepositie
vanaf ongeveei halveiwege ue jaien negentig van ue voiige eeuw is ei - als
gevolg van het gevoeiue milieubeleiu - geleiuelijk een kenteiing van ue
stikstofuepositie opgetieuen. Inmiuuels zijn ue uepositieniveaus (totaalzuui en
N0x) substantieel lagei uan in ue jaien 8u van ue voiige eeuw toen het
gemiuuelu uepositieniveau S.uuu molha.jaai beuioeg (HNP, 2009). Be laatste
jaien lijkt ue totale N-uepositie te stabiliseien. Figuui 6.1 geeft ue situatie met
betiekking tot N-uepositie (N0x en NBy gesommeeiu) weei tot en met 2uu7
(bion: site van het Planbuieau vooi ue Leefomgeving (stanu van zaken 14-1u-
2u1u). Bet Planbuieau vooi ue Leefomgeving geeft op haai site ook
vooispellingen af vooi ue toekomstige N-uepositie (vooi ue jaien 2u1u, 2u1S,
2u2u en 2uSu). vooi ue effectvooispellingen is ue achteigionuuepositie
gehanteeiu van het jaai van ue geplanue ingebiuikname van ue CCS-initiatief:
2u1S (zie bijlage 4.S).


Iiquur 6.1 6emiJJelJe berekenJe Jepositie in NeJerlonJ 1981-2007 in mol N,bo.j







- pagina S8 - R0AB Beelstuuie Natuui Afvang





Iiquur 6.2 BerekenJe Jepositie ronJom RijnmonJ in 2009 mol N,bo.
j12

Kritiscbe depositiewaarde voor stikstof
Tabel 6.1 geeft ue habitatspecifieke kiitische uepositiewaaiuen vooi stikstof
vooi ue habitattypen met een instanuhouuinguoel in ue Natuia 2uuu-gebieuen
Westuuinpaik & Wapenual, Sollevelu & Kapitteluuinen, vooines Buin en Buinen
uoeiee & Kwaue Boek.
Tabel .1 Kritiscbe depositiewaarden voor de babitattypen met een
instandboudingdoel in de Natura 2000-gebieden Westduinpark & Wapendal, Solleveld
& Kapittelduinen, Voornes Duin en Duinen Coeree & Kwade Hoek {Bron: Van Dobben &
Van Hinsberg, 2008]
Habitattypen
Kritiscbe dep. waarde
N in {mol NJba.|r]
B211u Embiyonale uuinen 14uu
B212u Witte uuinen 14uu
B21SuA *uiijze uuinen (kalkiijk) 124u
B21SuB *uiijze uuinen (kalkaim) 94u
B21SuC *uiijze uuinen (heischiaal) 77u
B21Su *Atlantische vastgelegue ontkalkte uuinen 11uu
B216u Buinuooinstiuwelen 2u2u
B217u Kiuipwilgstiuwelen 2S1u
B218uA Buinbossen (uioog) 1Suu
B218uB Buinbossen (vochtig) 2u4u
B218uC Buinbossen (binnenuuinianu) 179u
B219uA vochtige uuinvalleien (open watei) 1uuu
1S

B219uB vochtige uuinvalleien (kalkiijk) 1S9u

12 Bion: PBL.
1S In van Bobben en van Binsbeig woiut expliciet veimelu uat ueze waaiue ue gioteie uuinmeien betieft. vooi kleineie
meien enof poelen woiut geen kiitische uepositiewaaiue genoemu.




- pagina S9 - R0AB Beelstuuie Natuui Afvang



Habitattypen
Kritiscbe dep. waarde
N in {mol NJba.|r]
B219uC vochtige uuinvalleien (ontkalkt) 1S8u
B219uB vochtige uuinvalleien (hoge moeiasplanten) >24uu
B64SuB Ruigten en zomen (haiig wilgenioosje >24uu
B64SuC Ruigten en zomen (uioge bosianuen) 187u
Effectvoorspellingsmetbode
Net ue effectvooispellingsmethoue zoals ontwikkelu in het Naasvlakte 2 pioject
en aangescheipt in het kauei van ue NB-wetpioceuuies vooi ue op ue
Naasvlakte geplanue centiales van E.0N en Electiabel kunnen effecten van een
toename in stikstofuepositie vooispelu woiuen op het oppeivlak van
(sub)habitattypen. Net ueze methoue is een vooispelling mogelijk van ue
oppeivlakteafname van uuinhabitats in ue (wijue) omgeving van het Rotteiuams
havengebieu onuei invloeu van een veiwachte toename van stikstofuepositie. Be
methoue vooispelt ue gevolgen van een bepaalue toename in stikstofuepositie
uooi een plan of pioject ten opzichte van ue heeisenue achteigionuuepositie.

Be opzet van ue vooispellingsmethoue is ielatief eenvouuig. Be methoue
iepiesenteeit ue iespons van een vegetatie op een toename van stikstofuepositie
(tegen een bepaalu achteigionuniveau) in ue voim van een uosis-effectielatie
uie op basis van een aantal aannamen is bepaalu. Beze uosis-effectielatie
veischilt pei habitattype. 0p uie maniei woiut iekening gehouuen met
stanuplaatsfactoien uie kenmeikenu zijn vooi het betieffenue habitattype. Be
methoue houut iekening met veischillen in gevoeligheiu vooi (sub)habitattypen
vooi stikstofuepositie uooi een inueling in viei gevoeligheiusklassen: zie tabel
6.2. Be effectvooispellingmethoue houut tevens iekening met
kwaliteitsaspecten, uooiuat elk miniem effect hoe klein ook uiiect veitaalu
woiut in een oppeivlakte-afname, teiwijl ei feitelijk in eeiste instantie eeist een
kwaliteitsveiminueiing optieeut: 0ppeivlakteveilies als woist-case benaueiing
van een kwaliteitsafname.
Tabel .2 Indeling {sub]babitattypen in gevoeligbeidsklassen
babitattype gevoeligbeidsklasse
B21SuB uiijze uuinen kolkorm
B21SuC uiijze uuinen beiscbrool
B219uA vochtige uuinvalleien open woter
uiteist gevoelig (ug)
B21Su Buinheiuen met stiuikhei
B21SuA uiijze uuinen kolkrijk
zeei gevoelig (zg)
B211u Embiyonale uuinen
14

B212u Witte uuinen
B218uA Buinbossen Jrooq
B219uB vochtige uuinvalleien kolkrijk
gevoelig (g)

14
Babitattype B211u Fmbryonole Juinen is ecologisch veigelijkbaai met B212u Witte Juinen
en kent ook een iuentieke gevoeligheiu vooi stikstof (KBW is eveneens 1.4uu molha.j).






- pagina 6u - R0AB Beelstuuie Natuui Afvang




babitattype gevoeligbeidsklasse
B219uC vochtige uuinvalleien ontkolkt
B216u Buinuooinstiuwelen
B217u Kiuipwilgstiuwelen
B218uB Buinbossen vocbtiq
B218uC Buinbossen binnenJuinronJ
B219uB vochtige uuinvalleien boqe moerosplonten
matig gevoelig (mg)
Bosis-effectreloties
Be vooispelling vinut plaats op basis van habitatspecifieke uosis-effectielaties
(zie bijlage 6.1). Be uosis-effectielaties zijn gebaseeiu op ue meest actuele
expeitkennis op het gebieu van ue effecten van stikstofuepositie. Beze
effectielaties kunnen veitaalu woiuen in peicentages oppeivlakte-afname pei
1uu mol toename in uepositie. Tabel 6.S geeft ue in ue effectvooispelling
gehanteeiue peicentages, omgeiekenu ovei een peiioue van 2u jaai. Be bij ueze
tabel hoienue giafieken zijn in bijlage 6.1 opgenomen.
Tabel .3 Procentuele effecten per toename van 100 mol NJba.| gedurende 20 |aar
percentage areaalverlies per 100 molJba.|
extra N-depositie
babitattype
0 mol -
knikpunt 1
knikpunt 1 -
knikpunt 2
knikpunt 2
- 4.000
B211u Embiyonale uuinen
1S

u,24% 7,79% u,18%
B212u Witte uuinen
u,24% 7,79% u,18%
B21SuA uiijze uuinen kolkrijk
u,S2% 1u,29% u,19%
B21SuB uiijze uuinen kolkorm
u,SS% 1S,24% u,21%
B21SuC uiijze uuinen beiscbrool
u,6S% 1S,24% u,2u%
B21Su Buinheiuen met stiuikhei
u,S6% 1u,29% u,18%
B216u Buinuooinstiuwelen
u,12% 6,S4% u,2u%
B217u Kiuipwilgstiuwelen
u,11% 8,SS% u,22%
B218uA Buinbossen Jrooq
u,S2% 1u,7% u,21%
B218uB Buinbossen vocbtiq
u,12% 6,S4% u,2u%
B218uC Buinbossen binnenJuinronJ
u,14% 6,S4% u,17%
B219uA vochtige uuinvalleien open woter
u,Su% 1S,24% u,22%
B219uB vochtige uuinvalleien kolkrijk
u,24% 7,79% u,18%
B219uC vochtige uuinvalleien ontkolkt
u,24% 7,79% u,18%
B219uB vochtige uuinvalleien boqe
moerospl. u,1u% 1u,uu% u,22%




- pagina 61 - R0AB Beelstuuie Natuui Afvang



Berekeninqswijze
Be effecten woiuen beiekenu pei vieikante kilometei aansluitenu op ue
gegevens van het PBL. Be effecten pei (sub)habitattype pei vieikante kilometei
woiuen veivolgens gesommeeiu om ue vooispelue afname pei (sub)habitattype
pei Natuia 2uuu-gebieu te beiekenen. Bij ue beiekenue effecten woiut bij ue
uitkomst een onzekeiheiusmaige van 2S% opgetelu. 0m ue effecten te kunnen
beiekenen zijn ue volgenue gegevens gebiuikt:
- een vooispelling (mouelbeiekening) van ue iuimtelijke veiueling van
stikstofuepositie pei vieikante kilometei binnen het stuuiegebieu (Natuia
2uuu-gebieuen) (bijlage 4.S);
- ue achteigionuuepositie (pei vieikante kilometei) (bijlage 4.S);
- het oppeivlak van afzonueilijke (sub)habitattypen pei vieikante kilometei
(in het hele stuuiegebieu) (uooi een veitaling in uIS van ue habitatkaaiten
naai ue oppeivlakte pei km2 (zie vooibeelu Westuuinpaik & Wapenual in
bijlage S.2);
- ue piocentuele afname van het oppeivlak pei (sub)habitattype pei eenheiu
toename van stikstofuepositie (cf tabel 6.S).
6.4 Lffecten van N-depos|t|e tgv CC
2
-afvang
(gebru|ksfase)
In ue paiagiafen 6.4.1 tot en met 6.4.4 woiuen ue effecten van N-uepositie pei
N2uuu-gebieu bespioken vooi ue beiue alteinatieven (ue vooigenomen activiteit
en ue uitvoeiingsvaiiant). Achteieenvolgens gebeuit uat vooi effecten op ue
aanwezige habitats en vooi effecten op ue uitbieiuingsuoelen. vooi zovei
ielevant woiuen tevens effecten op sooiten met een instanuhouuingsuoel
beschieven.
6.4.1 LffecLen op n2000-gebled WesLdulnpark & Wapendal
Tabel 6.4a geeft ue effecten van N-uepositie ten gevolge van het CCS-initiatief op
habitats met een instanuhouuingsuoelstelling in het N2uuu-gebieu
Westuuinpaik & Wapenual. Tabel 6.4b geeft ue effecten op sooiten en in tabel
6.4c woiuen ue effecten op uitbieiuingsuoelen weeigegeven.






- pagina 62 - R0AB Beelstuuie Natuui Afvang




Tabel .4a: Voorspelde effecten tgv N-depositie op babitats met een
instandboudingsdoel voor N2000-gebied Westduinpark & Wapendal
Voorgenomen activiteit Uitvoeringsvariant
Habitattype m
2
3 m
2
3
B212u 27S u,1% S87 u,2%
B21SuA 1.S87 u,S% 1.986 u,4%
B21Su u u,u% u u,u%
B216u 22 u,u% S1 u,u%
B218uA S8 u,S% 8S u,S%

In ue (vooilopige) N2uuu aanwijzing zijn vooi het N2uuu-gebieu Westuuinpaik
& Wapenual geen sooiten met een instanuhouuingsuoel opgenomen. 0muat ue
aanwijzing nog niet uefinitief is, geluen in uat geval ue 'ouue uoelen' nog (zoals
beschieven in pai .S.2.S). Be uaaiin genoemue plantensooiten komen vooi in
specifieke habitats (zoals in pai S.2.S aangegeven). Effecten op faunasooiten
tieuen niet op. Bet eventuele maximale veilies aan vinuplaatsen van
plantensooiten is - analoog aan ue gevolgue benaueiing in ue passenue
beooiueling Naasvlakte 2 - uaaimee maximaal even hoog als het piocentuele
oppeivlakte veilies van het habitat waaiin ue sooit woiut aangetioffen.
Tabel .4b: Voorspelde effecten tgv N-depositie op soorten van bet bescbermd
natuurmonument Westduinpark
3 Effect op aantal
vindplaatsen
Preferent
babitat Naam
Voorgeno-
men
activiteit
Uitvoe-
rings-
variant
B212u helm, blauwe zeeuistel, zeeiaket, stianukweek
u,1% u,2%
B21SuA

uuinpaaiuenbloem, kiuipenu stalkiuiu,
uuinsalomonszegel, echt walstio, zanuuouuegias,
uuinsteiietje, koistmossen, gewoon fakkelgias,
walstiobiemiaap, blauwe biemiaap, kanuelaaitje,
giote wilue tijm, gewone vleugeltjesbloem
u,S% u,4%
B216u uuinuooin, wilue ligustei, kaiuinaalsmuts, vliei,
bottel- en iimpelioos
u,u% u,u%
B218uA wilue hyacint, vooijaaishelmbloem, uaslook ,
sneeuwbes, esuooin, witte abeel, gewone
vogelmelk
u,S%* u,S%*
geen gaspeluooin geen effect geen effect
*: geen instanuhouuingsuoel vooi B218uA, wel een theoietisch effect vooispelu, uat hiei veitaalu is naai
een maximaal effect op ue betieffenue 'ouue uoelsooiten'




- pagina 6S - R0AB Beelstuuie Natuui Afvang



Tabel .4c: Voorspelde effecten tgv N-depositie op babitats met een uitbreidingsdoel
voor N2000-gebied Westduinpark & Wapendal
Voorgenomen activiteit Uitvoeringsvariant
Habitattype m
2
3 m
2
3
B21SuA 7S4 u,2% 1.u8u u,S
6.4.2 LffecLen op n2000-gebled Solleveld & kaplLLeldulnen
Tabel 6.Sa geeft ue effecten van N-uepositie ten gevolge van het CCS-initiatief op
habitats met een instanuhouuingsuoelstelling in het N2uuu-gebieu Sollevelu &
Kapitteluuinen. Tabel 6.Sb geeft ue effecten op sooiten en in tabel 6.Sc woiuen
ue effecten op uitbieiuingsuoelen weeigegeven.
Tabel .5a: Voorspelde effecten tgv N-depositie op babitats met een
instandboudingsdoel voor N2000-gebied Solleveld & Kapittelduinen
Voorgenomen activiteit Uitvoeringsvariant
Habitattype m
2
3 m
2
3
B212u SS9 u,1% S67 u,1%
B21SuA 998 u,2% 1.S7S u,S%
B21SuB 7.692 u,6% 11.S76 u,9%
B21Su 1Su u,S% 22S u,7%
B216u 196 u,u% S2u u,u%
B218uA 2.126 u,S% S.192 u,S%
B218uC S.698 u,S% S.98S u,S%
B219uB 98 u,S% 1S8 u,4%
Tabel .5b: Voorspelde effecten tgv N-depositie op soorten van de bescbermde
natuurmonumenten Solleveld en Kapittelduinen
3 Effect op aantal
vindplaatsen
Preferent
babitat Naam
Voorgenomen
activiteit
Uitvoerings-
variant
B1SSuA melkkiuiu, moeiaszoutgias, painassia,
zilte ius, zilte schijnspuiiie
u % u %
B212u blauwe zeeuistel, helm, zanuzegge,
zeeiaket
u,1% u,2%
B21SuA uiieuistel, uuinklauwtjesmos,
uuinsalomonszegel, echt walstio,
fakkelgias, kleveiige ieigeisbek, bleekgele
uioogbloem , bieekblau , hanujesgias,
koistmossen
u,2 % u,S %
B21SuB buntgias, koistmossen u,6% u,9%
B21Su stiuikheiue u,S% u,7%
B216u uuinuooin, eenstijlige meiuooin, ligustei,
wilue ligustei
u % u %
B217u kiuipwilg u % u %






- pagina 64 - R0AB Beelstuuie Natuui Afvang




3 Effect op aantal
vindplaatsen
Preferent
babitat Naam
Voorgenomen
activiteit
Uitvoerings-
variant
B218uA smalle stekelvaien, wilue kampeifoelie,
zomeieik
u,S% u,S%
B218uC gewone es, gewone vogelmelk, kiuisbes,
lelietje uei ualen, veluiep,
vooijaaishelmbloem, wilue hyacint
u,S% u,S%
B219uB aaiubeiklavei, fiaai uuizenuguluenkiuiu,
gieppelius, late zegge, moeiaswespen-
oichis, platte ius, vleeskleuiige oichis,
stijve ogentioost, veenwoitel, wateimunt,
wateipunge
u,S% u,4%
B219uB mattenbies, iiet u % u %
Bloemiijk
giaslanu*
beemukioon, uagkoekoeksbloem, gewone
agiimonie, gewone biunel, gouuhavei,
giote iatelaai, guichelheil, kamgias,
kattenuooin, kegelsilene, kleine iuit,
knoopkiuiu, kiuipenu stalkiuiu, wilue
kiuisuistel, zilveischoon
u,2 % u,S %
Buiniuigte** uuinaveiuit, uuiniiet u % u %
ueen
gevoelig
habitat**
Ameiikaanse vogelkeis, beigvliei, beuk,
biaam, esuooin, geknikte vossestaait,
gewone biaam, gewone vliei, giauwe
abeel, populiei, iankenue helmbloem,
zwaite populiei
u % u %
* vooi uit type heeft geen effectvooispelling plaatsgevonuen, ueihalve is - vanuit een woist-case
oveiweging - het % van het gevoeligei type uuingiaslanu aangehouuen.
** ueen effecten vanwege ielatieve ongevoeligheiu van het habitat ue sooiten vooi N-uepositie
Tabel .5c: Voorspelde effecten tgv N-depositie op babitats met een uitbreidingsdoel
voor N2000-gebied Solleveld & Kapittelduinen
Voorgenomen activiteit Uitvoeringsvariant
Habitattype m
2
3 m
2

B21SuA 2.921 u,4 4.867 u,6
B21SuB 1u u,u 1S u,1
6.4.3 LffecLen op n2000-gebled voornes uuln
Tabel 6.6a geeft ue effecten van N-uepositie ten gevolge van het CCS-initiatief op
habitats met een instanuhouuingsuoelstelling in het N2uuu-gebieu vooines
Buin. Tabel 6.6b geeft ue effecten op ue uitbieiuingsuoelen weei.




- pagina 6S - R0AB Beelstuuie Natuui Afvang



Tabel .a: Voorspelde effecten tgv N-depositie op babitats met een
instandboudingsdoel voor N2000-gebied Voornes Duin
Voorgenomen activiteit Uitvoeringsvariant
Habitattype m
2
3 m
2
3
B212u 12 u,u% 2u u,u%
B21SuA 72 u,u% 116 u,u%
B21SuC 18 u,2% 29 u,S%
B216u 4S u,u% 7u u,u%
B217u u u,u% u u,u%
B218uA 126 u,u% 199 u,u%
B218uB S8 u,u% 9S u,u%
B218uC 71 u,u% 117 u,u%
B219uA S26 u,2% 844 u,S%
B219uB S9 u,u% 64 u,u%
B219uB 2 u,u% S u,u%

Be enige plantensooit met een instanuhouuingsuoelstelling is ue
gioenknoloichis. Beze sooit is gebonuen aan habitattype B219uB. Bet effect op
het aantal vinuplaatsen van ueze sooit beuiaagt zowel vooi ue vooigenomen
activiteit als ue uitvoeiingsvaiiant u%.
Tabel .b: Voorspelde effecten tgv N-depositie op babitats met een uitbreidingsdoel
voor N2000-gebied Voornes Duin
Voorgenomen activiteit Uitvoeringsvariant
Habitattype m
2
3 m
2
3
B21SuA 76S u,u% 1.2S9 u,1%
B21SuC 17 u,2% 28 u,S%
B219uB S2 u,u% S2 u,u%
6.4.4 LffecLen op n2000-gebled uulnen van Coeree & kwade Poek
Tabel 6.7a geeft ue effecten van N-uepositie ten gevolge van het CCS-initiatief op
habitats met een instanuhouuingsuoelstelling in het N2uuu-gebieu vooines
Buin. Tabel 6.7b geeft ue effecten op ue uitbieiuingsuoelen weei (ei zijn geen
vooispelue effecten op sooiten omuat ei geen sooiten met een
instanuhouuingsuoelstelling zijn opgenomen in het aanwijsbesluit).






- pagina 66 - R0AB Beelstuuie Natuui Afvang





Tabel .7a: Voorspelde effecten tgv N-depositie op babitats met een
instandboudingsdoel op N2000-gebied Duinen van Coeree & Kwade Hoek
Voorgenomen activiteit Uitvoeringsvariant
Habitattype m
2
3 m
2
3
B211u 7 u,u% 11 u,u%
B212u 1S u,u% 2S u,u%
B21SuA SS u,u% S1 u,u%
B21SuB 2.u24 u,1% S.u1S u,2%
B21SuC 174 u,1% 26u u,2%
B216u SS u,u% Su u,u%
B219uA 19 u,1% 29 u,1%
B219uB S u,u% 7 u,u%
B219uC 6 u,u% 1u u,u%
B219uB 1 u,u% 1 u,u%
Tabel .8b: Voorspelde effecten tgv N-depositie op babitats met een uitbreidingsdoel
voor N2000-gebied Duinen van Coeree & Kwade Hoek
Voorgenomen activiteit Uitvoeringsvariant
Habitattype m
2
3 m
2
3
B21SuA 1S u,u% 2S u,u%
B219uB 2 u,u% S u,u%






- pagina 67 - R0AB Beelstuuie Natuui Afvang



7 Cverz|cht effecten
In uit hoofustuk woiuen ue effecten uit hoofustuk 6 samengevat, in paiagiaaf 7.1
vooi het aspect uiveisiteit habitats en in paiagiaaf 7.2 vooi het aspect uiveisiteit
sooiten.
7.1 Cverz|cht effecten op hab|tats
Beze paiagiaaf vat ue effecten samen op ue aanwezige habitats (tabel 7.1) en ue
habitats met een uitbieiuingsuoelstelling (tabel 7.2).
Tabel 7.1: Voorspelde procentuele oppervlakte afname tgv N-depositie op alle babitats
met een instandboudingsdoel binnen bet studiegebied
Totaal WDP&WD Totaal KDSSV Totaal VD Totaal DvC&KH
Habitat V.A.* U.V.** V.A. U.V. V.A. U.V. V.A. U.V.
B211u - - - - - - u,u u,u
B212u u,1 u,2 u,1 u,1 u,u u,u u,u u,u
B21SuA u,S u,4 u,2 u,S u,u u,u u,u u,u
B21SuB - - u,6 u,9 - - u,1 u,2
B21SuC - - - - u,2 u,S u,1 u,2
B21Su u,u u,u u,S u,7 - - - -
B216u u,u u,u u,u u,u u,u u,u u,u u,u
B217u - - - - u,u u,u - -
B218uA u,S u,S u,S u,S u,u u,u - -
B218uB - - - - u,u u,u - -
B218uC - - u,S u,S u,u u,u - -
B219uA - - - - u,2 u,S u,1 u,1
B219uB - - u,S u,4 u,u u,u u,u u,u
B219uC - - - - - - u,u u,u
B219uB - - - - u,u u,u u,u u,u
* v.A.: vooigenomen activiteit
** 0.v.: 0itvoeiingsvaiiant

0it tabel 7.1 blijkt uat alle vooispelue effecten op ue oppeivlakte habitats met
een instanuhouuingsuoel kleinei zijn uan 1 % en in veel gevallen u,1% of minuei
beuiagen. Be effecten ten gevolge van ue uitvoeiingsvaiiant liggen gemiuuelu
genomen ca Su % hogei uan uie van ue vooigenomen activiteit.








- pagina 68 - R0AB Beelstuuie Natuui Afvang




Tabel 7.2: Voorspelde procentuele oppervlakte afname tgv N-depositie op alle babitats
met een uitbreidingsdoel binnen bet studiegebied
Totaal WDP&WD Totaal KDSSV Totaal VD Totaal DvC&KH
Habitat V.A.* U.V.** V.A. U.V. V.A. U.V. V.A. U.V.
B21SuA u,2 u,S u,4 u,6 u,u u,1 u,u u,u
B21SuB - - u,u u,1 - -
B21SuC - - - - u,2 u,S - -
B219uB - - - - u,u u,u u,u u,u
* v.A.: vooigenomen activiteit
** 0.v.: 0itvoeiingsvaiiant
0it tabel 7.2 blijkt uat alle vooispelue effecten op habitats met een
uitbieiuingsuoel maximaal u,6 % beuiagen en in veel gevallen u,1% of minuei
beuiagen. Be effecten ten gevolge van ue uitvoeiingsvaiiant liggen gemiuuelu
genomen ca Su % hogei uan uie van ue vooigenomen activiteit. Specifiek met
betiekking tot ue hiei vooispelue effecten woiut opgemeikt uat het feitelijk om
'fictieve' effecten gaat uie in ue piaktijk niet zullen optieuen, uooi het nemen van
ue uitvoeiingsmaatiegelen (en het in het beheeiplan geboigue beheei).
7.2 Lffecten op soorten
Een toename van stikstofuepositie heeft (bij een veihoogue achteigionu-
uepositie) piimaii invloeu op vegetatie en bouem c.q. meue op basis hieivan
geuefinieeiue (sub)habitattypen. Ei zijn geen effecten bekenu waaiuooi
ielevante planten- en uieisooiten uiiect kunnen woiuen benvloeu uooi
stikstofuepositie. Eventuele effecten op sooiten veilopen uaaiom geheel via
eventuele veianueiingen in ue (sub)habitats waaiin zij vooikomen. Tabel 7.S
geeft ue effecten ten gevolge van ue beiue alteinatieven op plantensooiten en
tabel 7.4 op faunasooiten
Effecten op plantensoorten
Tabel 7.3: Voorspelde procentuele effecten tgv N-depositie op bet aantal vindplaatsen
van plantensoorten met een instandboudingsdoel binnen studiegebied {gerangscbikt
per babitat]
Totaal WDP&WD* Totaal KDSSV** Totaal VD Totaal DvC&KH
Soorten van
babitat V.A.*** U.V.**** V.A. U.V. V.A. U.V. V.A. U.V.
B1SSuA - - u,u u,u - - - -
B212u u,1 u,2 u,1 u,2 - - - -
B21SuA u,S u,4 u,2 u,S - - - -
B21SuB - - u,6 u,9 - - - -
B21Su - - u,S u,7 - - - -
B216u - - u,u u,u - - - -
B217u - - u,u u,u - - - -
B218uA u,S u,S u,S u,S - - - -




- pagina 69 - R0AB Beelstuuie Natuui Afvang



B218uC - - u,S u,S - - - -
B219uB - - u,S u,4 - - - -
B219uB - - u,u u,u - - - -
0veiige sooiten u,u u,u u,u u,u - - - -
* 'ouue uoelen' bescheimu natuuimonument Westuuinpaik
** 'ouue uoelen' bescheimu natuuimonumenten Sollevelu en Kapitteluuinen
*** v.A.: vooigenomen activiteit
**** 0.v.: 0itvoeiingsvaiiant
0it tabel 7.S blijkt uat alle vooispelue effecten op het aantal vinuplaatsen van
plantensooiten met een instanuhouuingsuoel - ueels volgenu uit ue 'ouue
uoelen' - geiingei is uan 1 % en in veel gevallen u,1% of minuei beuiagen. Be
effecten ten gevolge van ue uitvoeiingsvaiiant liggen gemiuuelu genomen ca Su
% hogei uan uie van ue vooigenomen activiteit.
Effecten op faunasoorten
0it hoofustuk 6 is gebleken uat alleen mogelijke effecten op bescheimue
faunasooiten optieuen in ue uiiecte omgeving van ue ingieeplocaties. Tabel 7.4
geeft het oveizicht.
Tabel 7.4: Voorspelde ti|deli|ke effecten tgv verstoring ti|dens de aanlegfase op
bescbermde faunasoorten rondom de ingreeplocatie
Soortgroep Mogeli|k voorkomende soorten Mogeli|k scbadeli|k
effect
vleeimuizen uewone & Ruige uweigvleeimuis,
Laatvliegei (foeiageienu)
nee
Bioeuvogels Stoimmeeuw, Kluut, Kleine pleviei etc. ja
Slechtvalk nee
Amfibien Rugstieeppau ja







- pagina 7u - R0AB Beelstuuie Natuui Afvang









- pagina 71 - R0AB Beelstuuie Natuui Afvang



8 (Lffecten van) maatrege|en
8.1 In|e|d|ng
Als onueiueel van het initiatief woiuen maatiegelen uitgevoeiu, teneinue
(giotenueels) te vooikomen uat ue vooispelue effecten zoals samengevat in
hoofustuk 8 uaauweikelijk optieuen. In paiagiaaf 8.2 zijn ue maatiegelen
beschieven vooi ue effecten op habitats, in paiagiaaf 8.S ue maatiegelen vooi
bescheimue sooiten.
8.2 Maatrege|en voor N2000-geb|eden
Be initiatiefnemei zal een maatiegelenplan opstellen waaiin woiut uitgeweikt
hoe ue vooispelue, niet veiwaailoosbaai kleine effecten - in omvang tussen u,1
en 1 % oppeivlakteveilies confoim hoofustuk 7, tabel 7.1 (en 7.2) zullen
optieuen in ue peiioue uat nog geen uefinitief beheeiplan vooi ue in het geuing
zijnue N2uuu-gebieuen in weiking is. Boel van het beheeiplan is immeis om
uooi passenue beheeimaatiegelen - in enkele beheeiplanpeiioue - ue
instanuhouuingsuoelen te beieiken. Bet feit uat ue achteigionuuepositie in
sommige gevallen nog steeus boven ue KBW ligt, behoeft heistel, cq
instanuhouuing van habitats niet pei uefinitie te veihinueien. 0it onueizoek
veiiicht in het kauei van ue veigunningpioceuuies vooi ue centiales van E.0N
(NPPS)en Electiabel (KBC-centiale) op ue huiuige Naasvlakte is immeis
gebleken uat heistel van zeei kwetsbaie habitats (B21SuC op uoeiee en B21SuB
in Sollevelu) mogelijk bleek onuanks ue achteigionuuepositie uie substantieel
hogei lag uan ue KBW vooi ue betieffenue habitattypen. Bet maatiegelenpakket
bestaat in uie gevallen uit een combinatie van maatiegelen als plaggen, maaien
en (extia) begiazen.

In ueze ueelstuuie teiiestiische effecten woiuen ue benouigue maatiegelen niet
in uetail uitgeweikt. Een en anuei zal plaatsvinuen in een op te stellen
maatiegelenplan. 0p gionu van het feit uat ueigelijke maatiegelen mogelijk
bleken vooi ue meest kiitische habitats uie ook hiei in het geuing zijn, is het
aannemelijk uat ueze enof veigelijkbaie maatiegelen ook mogelijk zijn vooi ue
oveiige - minuei kiitische - habitats waaivooi in ueze habitattoets een effect
vooispelu woiut. In ue beoogue aanvulling op ueze iappoitage zal habitat- en
N2uuu-gebieu specifiek nauei woiuen ingegaan op ue aaiu van ue te nemen
maatiegelen. Baaibij woiut aangesloten bij ue in het kauei van ue PAS
opgestelue 'beheeistiategien'.








- pagina 72 - R0AB Beelstuuie Natuui Afvang




8.3 Maatrege|en voor soorten
Be in het kauei van het maatiegelenplan te nemen maatiegelen zullen - analoog
aan ue wijze waaiop effecten aan habitats vooikomen woiuen - eitoe leiuen uat
ook ue vooispelue effecten op het aantal vinuplaatsen van plantensooiten tussen
ue u,1% en 1% optieuen.

In tabel 8.1 zijn ue maatiegelen uitgeweikt waaimee vooikomen kan woiuen uat
ue vooispelue effecten op in het kauei van ue FFW bescheimue sooiten
optieuen. Net inbegiip van ueze maatiegelen tieuen geen negatieve effecten op
op FFW-sooiten.
Tabel 8.1. Mogeli|k optreden van scbadeli|ke effecten op bescbermde soorten van tabel
2 en 3 van de Flora- en faunawet nabi| bet trac van de buisleiding. Mitigatie staat
aanbevolen in de laatste kolom.
Soortgroep Mogeli|k
voorkomende
soorten
Mogeli|k
scbadeli|k
effect
Maatregelen
Stoimmeeuw, Kluut,
Kleine pleviei etc.
ja - buiten bioeuseizoen weiken, enof
- locatie ongeschikt houuen, enof
- buiten veistoiingsafstanu
bioeugevallen blijven
Bioeuvogels
Slechtvalk nee nvt. (geen effect)
Amfibien Rugstieeppau nee - nvt, want sooit komt niet vooi

Bij toepassing van ue in tabel 8.1 opgenomen maatiegelen woiuen geen
veibousbepalingen uit ue Floia- en faunawet oveitieuen.





- pagina 7S - R0AB Beelstuuie Natuui Afvang



9 Verge||[k|ng a|ternat|even en
beoorde||ng van effecten (|nc|us|ef
maatrege|en)
9.1 Natuurbescherm|ngswet 1998
Be vooispelue effecten zijn - ook zonuei auuitionele maatiegelen - zeei geiing
(kleinei uan 1 %), waaibij aanvullenu gelut uat uooi geiichte maatiegelen
vooikomen kan woiuen uat ueze geiinge effecten optieuen. Bat gelut zowel vooi
ue vooispelue effecten op uaauweikelijk aanwezige habitats als vooi ue habitats
met een uitbieiuingsuoelstelling als vooi ue sooiten met een
instanuhouuingsuoelstelling, inclusief ue 'ouue uoelen'. Beze conclusies geluen
vooi beiue onueizochte alteinatieven, ue vooigenomen activiteit en ue
uitvoeiingsvaiiant. Be effecten van ue vooigenomen activiteit (zonuei
maatiegelen) ten gevolge van ue uitvoeiingsvaiiant liggen ca Su% hogei uan uie
van ue vooigenomen activiteit.

Net inbegiip van ue maatiegelen zoals uie woiuen uitgeweikt in het
'maatiegelenplan' iesteien slechts veiwaailoosbaai kleine, niet meetbaie
effecten (<u,1 %) vooi beiue alteinatieven. Beze veiwaailoosbaai kleine effecten
leiuen niet tot een significante invloeu op ue natuuilijke kenmeiken van ue
habitats en sooiten van ue in ueze iappoitage onueizochte N2uuu-gebieuen.

0p gionu van ue uitspiaak van ue Raau van State van 4 mei 2u11 (zaakni.
2uu9u1S1u1R2 en 2uu9u1S111R2) is een naueie onueibouwing nouig van
ue beooiueling van ue effecten, waaibij niet loutei naai ue getalsmatige omvang
van ue effecten gekeken woiut. Tevens stelt ue afueling uat nauei onueibouwu
moet woiuen waaiom ue effecten geiingei uan u,1% in het geval van ue
centiales van E.0N en Electiabel als niet-significant beooiueelu is. In een
aanvulling op uit achteigionuiappoit zal ueze naueie beooiueling plaatsvinuen.
Baaibij woiuen ue natuuilijke kenmeiken van ue in het geuing zijnue
Natuia2uuu-gebieuen betiokken alsmeue ue specfieke milieu-omstanuigheuen
en kenmeiken van ue betiokken gebieuen.
9.2 I|ora- en faunawet en soortbescherm|ng
nab|tatr|cht||[n (terrestr|sch)
0it ue samenvatting van effecten in paiagiaaf 8.S blijkt uat ei - zonuei
maatiegelen - bepeikte, zelfstanuig niet-significante effecten optieuen op
sooiten met een instanuhouuingsuoel cf ue Nb-wet (ouue uoelen sooiten). Ei
woiuen geen effecten vooispelu op uieisooiten met een instanuhouuingsuoel in






- pagina 74 - R0AB Beelstuuie Natuui Afvang




ue N2uuu-gebieuen. Net inbegiip van maatiegelen woiuen vooi beiue
alteinatieven slechts veiwaailoosbaai kleine, niet meetbaie effecten vooispelu
op sooiten ('ouue uoelen').
vooi sooiten uie kiachtens ue Floia- en faunawet bescheimu woiuen zijn zonuei
maatiegelen effecten niet op vooihanu uit te sluiten. Net inbegiip van
maatiegelen, zoals vooigestelu in tabel 8.1 kan vooikomen woiuen uat ueze
effecten optieuen.




- pagina 7S - R0AB Beelstuuie Natuui Afvang



9.3 Verge||[k|ng en beoorde||ng effecten op LnS
Net inbegiip van maatiegelen zoals uitgeweikt woiuen in het maatiegelenplan
woiuen van beiue alteinatieven geen effecten vooispelu op ue EBS. Ei vinut geen
uiiecte aantasting van ue EBS plaats. Ei is tevens geen spiake van exteine
weiking (waaiop feitelijk bij het ontbieken van een uiiecte aantasting niet hoeft
te woiuen getoetst): immeis met uitzonueiing van N-uepositie ieikt geen van ue
mogelijk ielevante effecten tot in ue EBS. En met betiekking tot N-uepositie is
geconcluueeiu uat met inbegiip van maatiegelen zoals woiuen uitgeweikt in het
maatiegelenplan geen effecten optieuen en uaaimee ook niet van invloeu is op
ue wezenlijke kenmeiken en waaiuen van ue EBS, noch via uiiecte aantasting,
noch via exteine weiking.
9.4 Verge||[k|ng en beoorde||ng |n m.e.r.-kader
Be vooispelue effecten leiuen vooi habitats met inbegiip van maatiegelen zoals
uitgeweikt woiuen in het 'maatiegelenplan' beuiagen minuei uan u,1%
(veiwaailoosbaai kleine effecten). Bat gelut zowel vooi het aspect uiveisiteit
habitats als vooi het aspect uiveisiteit sooiten. Bat leiut in ue teimen van het
NER-beooiuelingskauei vooi natuui tot geen tot een zeei geiing effect vooi
beiue te beooiuelen aspecten, inteinationale biouiveisiteit habitats en sooiten.
Tabel 9.1 geeft ue einubeooiueling.
Tabel 9.1: Beoordeling effecten in m.e.r.-kader
Alternatief
Voorgenomen activiteit Uitvoeringsvariant
Aspect % opp. afname waaiueiing % opp. afname waaiueiing
Inteinationale
uiveisiteit habitats
1

- u,u6%
-
u,1u%
-
Inteinationale
uiveisiteit sooiten
- u,u6%
-
u,1u%
-
1 Biei zijn alle opeivlaktes vooi in het geuing zijnue habitats opgetelu en geueelu uooi ue totale huiuige oppeivlakte van
ue betieffenue habitats, gesommeeiu ovei alle N2uuu-gebieuen.
9.S Conc|us|es
Be aanleg en het gebiuik van ue CCS-installatie leiuen vooi het ciiteiium natuui
in beiue onueizochte alteinatieven, ue vooigenomen activiteit en ue
uitvoeiingsvaiiant, met inbegiip van maatiegelen hooguit tot veiwaailoosbaai
kleine effecten. Bat gelut vooi alle viei in beelu gebiachte toetsingskaueis:
Natuia 2uuu, Floia- en faunawet, EBS en m.e.i.-kauei.






- pagina 76 - R0AB Beelstuuie Natuui Afvang




10 Cumu|at|e van effecten
10.1 In|e|d|ng
vooi eventuele niet-significante effecten op instanuhouuingsuoelen van N2uuu-
gebieuen stelt ue Natuuibescheimingswet uat ueze in samenhang met oveiige
plannen en piojecten bezien uienen te woiuen. Baaimee uient onueizocht te
woiuen of het initiatief eventueel in combinatie met ue effecten van oveiige
plannen of piojecten wel tot significante effecten kan leiuen.
10.2 Afbaken|ng over|ge p|annen en pro[ecten
Bij ue keuze welke oveiige plannen en piojecten in ue beschouwing van
cumulatieve piojecten uient te woiuen meegenomen is uitgegaan van piojecten
en plannen waaiovei ue besluitvoiming op uit moment (febiuaii 2u11) is
afgeionu uooi het veilenen van ue benouigue veigunningen (waaionuei
uiteiaaiu een Natuuibescheimingswetveigunning) en uie nog niet in beuiijf zijn
gestelu. In ue aanvulling op ueze iappoitage zal ueze lijst geactualiseeiu woiuen.
Tevens zijn enkele piojecten waaivan veiwacht woiut uat binnenkoit een
veigunning woiut aangeviaagu en uat ueze ook zal woiuen veileenu in
beschouwing genomen. uegevens ovei te veiwachten effecten van mogelijk
ielevante piojecten zijn ontleenu aan ue habitattoetsen uie vooi ue
veigunningpioceuuie in het kauei van ue Natuuibescheimingswet 1998 zijn
opgestelu. Be vooispelue effecten van ingebiuikname van Naasvlakte 2 zijn
buiten beschouwing gelaten omuat ueze ieeus als zelfstanuig significant zijn
beooiueelu (Beinis e.a., 2uu7) en ueze zullen woiuen gecompenseeiu in het
inmiuuels aangelegue uuincompensatiepioject bij 's-uiavenzanue. 0ok ue te
veiwachten (positieve) effecten van uit uuincompensatiepioject blijven buiten
beschouwing.

Be 'zanumotoi' en fietspau FS7u zijn twee initiatieven van ue piovincie Zuiu-
Bollanu. vooi ue zanumotoi is inmiuuels een NB-wetveigunning veileenu, vooi
het fietspau FS7u is ueze aangeviaagu. 0p basis van uooi ue piovincie veistiekte
gegevens kan woiuen geconcluueeiu uat het fietspau geen negatieve uan wel
positieve effecten op ielevante habitats heeft. vooi ue zanumotoi gelut uat in ue
passenue beooiueling (Piovincie Zuiu-Bollanu, 2u1u) specifiek is gekeken naai
ue eventuele gevolgen van stikstofuepositie geuuienue ue aanlegfase op
bescheimue habitats van het Natuia 2uuu-gebieu Sollevelu & Kapitteluuinen. In
ue passenue beooiueling en ue afgegeven NB-wet veigunning (Nin LNv, 2u1u) is
geconcluueeiu uat ue zeei geiinge effecten tijuelijk zijn en bovenuien met een
intensiveiing van beheei - vastgelegu in een convenant - vooikomen woiuen.




- pagina 77 - R0AB Beelstuuie Natuui Afvang



0m bovenstaanue ieuenen zijn beiue piojecten in ue cumulatie veiuei buiten
beschouwing gelaten.

Be beiue piojecten vooi het iniichten van een eneigiecentiale op ue huiuige
Naasvlakte van E.0N en Electiabel (NPPS-centiale en KBC-centiale) uienen -
kiachtens ue uooi ue Piovincie Zuiu-Bollanu afgegeven veigunning in het kauei
van ue Natuuibescheimingswet maatiegelen te tieffen waaimee vooikomen
woiut uat ue zelfstanuig niet-significante effecten ten gevolg van beiue centiales
optieuen. Be maatiegelen uit uit 'maatiegelenplan' uienen te zijn uitgevoeiu uan
wel in weiking te zijn vooiuat ue centiales in beuiijf genomen zijn en zolang ue
Natuia2uuu-beheeiplannen vooi ue in het geuing zijnue N2uuu-gebieuen nog
niet zijn vastgestelu en woiuen uitgevoeiu. 0m uie ieuen zullen ue zelfstanuig
niet-significante effecten van ue beiue centiales niet optieuen en kunnen ze
ueihalve in ue cumulatie-toets buiten beschouwing blijven. vooi anueie
piojecten waaivooi op uit moment gelut uat ue Nb-wetveigunning nog niet is
aangeviaagu gelut uat ue Piovincie in ue vooikomenue gevallen eenzelfue
maatiegelenplan zal veilangen om het optieuen van eventuele niet-significante
effecten te vooikomen. Baaimee hoeven in ueze cumulatietoets alleen ue
effecten van uie piojecten te woiuen meegenomen waaivooi iecent een
veigunning is veileenu, zonuei uat vooi het betieffenue pioject maatiegelen
getioffen woiuen waaimee het optieuen van effecten woiut vooikomen.
In concieto gelut uat momenteel alleen vooi ue geplanue gasgestookte
eneigiecentiale van Enecogen.
10.3 Lffecten van andere hande||ngen of p|annen
Be effecten van ue geplanue eneigiecentiale vooi Enecogen op habitats zijn
weeigegeven in tabel 1u.1. Be gegevens zijn ontleenu aan ue uooi ue Piovincie
Zuiu-Bollanu veileenue NB-wetveigunning.
Tabel 10.1: Effecten geplande Enecogen-centrale op babitats in Solleveld&
Kapittelduinen en Voornes Duin.
Enecogen Natura 2000gebied {sub]babitattype
m
2

B212u 244 0,0S
B21SuA 7S 0,0
Sollevelu & Kapitteluuinen
B219uB - -
B21SuA - -
B21SuC u,2S 0,0
vooines Buin
B219uA 14 0,0

Be zelfstanuige effecten van ue Enecogencentiale zoals weeigegeven in tabel
11.1 zijn alle veiwaailoosbaai klein (minuei uan u,1 %). In cumulatie met ue -
na het tieffen van maatiegelen eveneens veiwaailoosbaai kleine - effecten van
het CCS-initiatief (in beiue onueizochte alteinatieven) blijven ue effecten
veiwaailoosbaai klein.






- pagina 78 - R0AB Beelstuuie Natuui Afvang




10.4 8eoorde||ng cumu|at|eve effecten: e|ndconc|us|es
s|gn|f|cant|e
0ok met inbegiip van ue effecten van oveiige plannen en piojecten tieuen ten
gevolge van het CCS-initiatief geen significante effecten op op
instanuhouuingsuoelen van ue viei in het geuing zijnue N2uuu-gebieuen
Westuuinpaik & Wapenual, Sollevelu & Kapitteluuinen, vooines Buin en Buinen
van uoeiee & Kwaue Boek.
10.S Mon|tor|ng en eva|uat|e
Be effecten zoals vooispelu in uit achteigionuiappoit teiiestiische natuuiueze
habitattoets zijn zeei geiing en met het tieffen van maatiegelen in het kauei van
een nauei uit te weiken maatiegelen plan veiwaailoosbaai klein.
Bet is uaaimee niet iealistisch om een uitgebieiu monitoiing- en evaluatieplan
op te stellen en veivolgens het piogiamma uit te voeien om te pogen ue
veiwaailoosbaai kleine effecten uie vooispelu woiuen te meten.
In het kauei van ue aanleg en het gebiuik van Naasvlakte 2 vinut ieeus een
uitgebieiue monitoiing plaats van eventuele effecten. Baaionuei bevinuen zich
ook ue mogelijke effecten ten gevolge van stikstofuepositie. 0p veischillenue
punten in ue N2uuu-gebieuen uie ook in ueze habitattoets ielevant zijn, zijn
iecent (wintei 2u1u2u11) monitoiingpunten ingeiicht waaimee ue
uaauweikelijke N-uepositie op uit geueelte van ue Neueilanuse kust bepaalu
woiut.
Be iesultaten van ueze uitgebieiue monitoiing- en evaluatie kunnen tevens
gebiuikt woiuen om te beooiuelen in hoeveiie ei ten gevolge van het CCS-
initiatief inueiuaau geen tot slechts veiwaailoosbaai kleine effecten optieuen.




- pagina 79 - R0AB Beelstuuie Natuui Afvang










- pagina 8u - R0AB Beelstuuie Natuui Afvang




L|teratuur
Arcadis, 2007. Kolenbiomassacentiale Naasvlakte Babitattoets
Natuuibescheimingswet. Aicauis, Ainhem.
Brink, D.). ten, ).M. Reitsma & L.S.A. Anema, 2008. vegetatiekaiteiing van
Bixhooinuiiehoek & vinetauuin 2uu8. Buieau Waaiuenbuig, Culemboig.
Dobben, H. van, Hinsberg, A. van, 2008. 0veizicht van kiitische
uepositiewaaiuen vooi stikstof, toegepast op habitattypen en Natuia 2uuu-
gebieuen. Alteiia-iappoit 16S4.
Dooren N.).A van, 2008. Effecten op natuui vanwege aanleg kauemuui,
Notitie kenmeik 9S4u22.uSNuuu124u4S7uRotteiuam. 2 juni 2uu8, Royal
Baskoning.
Eicbborn, K.A.U., 2008. Kaiteiing vegetatiestiuctuui en habitattypen in ue
uuinen van uoeiee. Eichhoin Ecologie, Zeist.
Flierman, B., F. Aarts, H. Kroodsma & B. Bakker, 2009. Effectbeooiueling
Floia- en faunawet Naasvlakte Powei Plant S. Tauw iappoit.
Coderie, C.R.)., C.T.M. Vertegaal & F.E. Heinis, 2007. Nilieueffectiappoit
NER Bestemming Naasvlakte II (B). Bijlageniappoit Natuui. Royal
Baskoning iappoit 9P7uu8.K4Ruu8CELNijmegen.
Coderie C.R.). & C.T.M Vertegaal, 2008. Notitie Invloeu van toepassen
'Alteiia-iappoit 16S4' op beooiueling van effecten geplanue
kolenbiomassacentiales E.0N en Electiabel. veitegaal Beinis uoueiie,
LeiuenBussumNijmegen.
Croot|ans, K.H.T. & F. van der Loop, 2010. Natuia 2uuu-beheeiplan
Westuuinpaik & Wapenual 2u1u tot en met 2u1S. Weikuocument. veisie 2S
januaii 2u1u. Piovincie Zuiu-BollanuRoyal Baskoning, Rotteiuam.
Croot|ans, K.H.T., D van der Est & ).P. Croenendi|k, 2010. Natuia 2uuu-
beheeiplan Sollevelu & Kapitteluuinen 2u1u tot en met 2u1S.
Weikuocument. veisie 26 febiuaii 2u1u. Piovincie Zuiu-BollanuRoyal
Baskoning, Rotteiuam.
Crutters M.A.)., R.W.C. Andeweg & C. Bakker, 2011. Notitie. Betieft
0nueibouwing quick scan Baskoning Naasvlakte. Buieau Stausnatuui
Rotteiuam.
Havenbedri|f Rotterdam N.V., Pro|ectorganisatie Maasvlakte 2, 2007.
NER Bestemming Naasvlakte 2. Bijlage Natuui.
Heinis F., 2011. R0AB-pioject. Beelstuuie Natuui, Tianspoit en 0pslag.
Held, S.L.M. den, 2010. Beheeiplan 2u1u-2u1S Natuia 2uuu-gebieu Buinen
uoeiee & Kwaue Boek. Weikuocument. veisie 1u mei 2u1u. Piovincie Zuiu-
BollanuRoyal Baskoning, Rotteiuam.
)anssen, ).A.M., S.M. Mcber & C. Scbuiling, in vooibei. Kaiteiing van
habitattypen in Natuia 2uuu-gebieuen. Alteiia, Wageningen.
Konings, M., F. Aarts & B. Flierman, 2009. Natuuitoets paikeeiplaats E.0N,
Naasvlakte. Tauw iappoit.
Kroodsma, H., F. Aarts & B. Flierman, 2009. Natuui- en habitattoets
opslagplaats E.0N, Naasvlakte. Tauw iappoit.




- pagina 81 - R0AB Beelstuuie Natuui Afvang



Loop, F. van der, & S.L.M. den Held, 2010. Beh