You are on page 1of 17

2 Kracht en beweging

2

Kracht en beweging

Praktijk Bouwen op breuklijnen
vragen 1 a trek- en drukkrachten b trekkrachten c Op elke staaf werkt een zwaartekracht die aangrijpt in het midden van de staaf. De drukkracht op die staaf drukt de staaf een beetje ineen. Een staaf kan dat hebben. De staaf trekt aan de kabels erboven, en dat gaat ook goed, want een kabel kan juist een trekkracht hebben. Zie figuur 1.

▲ figuur 1

2

Grote koepels zoals van het Pantheon en de Sint-Pietersbasiliek in Rome zijn duidelijke voorbeelden. De bogen overspannen veel grotere afstanden dan de afstand die in Griekse tempels wordt overbrugd met rechte stenen balken. Bruggen (zoals de Waalbrug bij Nijmegen) zijn ook vrij vaak boogvormig. Kleinere bogen zie je boven deuren en bijvoorbeeld ook in de verbinding tussen de steunbeer en de kerk zelf in figuur 5 in je leeropdrachtenboek. De tafel ondersteunt de boog met een normaalkracht, het plakband duwt opzij. De zwaartekracht en de duwkracht werken naar beneden. Zie figuur 2.

3

▲ figuur 2

4

a Voorbeelden: een luifel boven een voordeur, een zonnescherm, een tak van een boom, een horizontaal gehouden arm. b Het balkon trekt aan de schuine staven van de driehoeksconstructie. Die staven trekken op hun beurt schuin omhoog aan het balkon. Dit compenseert de zwaartekracht. Uiteindelijk duwt de driehoeksconstructie weer omlaag op het balkon, maar dit is aan de kant waar het balkon aan het gebouw vastzit. Deze neerwaartse kracht op het balkon heeft een kleiner krachtmoment ten opzichte van de plaats waar het balkon aan de muur vastzit dan de zwaartekracht gehad zou hebben. a a = 0,8 ∙ g = 7,85 m s–2 b s = ½ ∙ a ∙ t2, dus 0,177 = ½ ∙ 7,848 ∙ t2, dus t2 = 0,0451, dus t = 0,212 s c v = a ∙ t = 1,67 m s–1

5

23

41∙108 N. De maximale verplaatsing kan het gevolg zijn van een kleine versnelling die lang is aangehouden.9 N = 1. is groter dan de maximale wrijvingskracht tussen de grond en het onderste blok. De tekening is op schaal.42∙108 N ∙ 5 m = 7∙108 Nm. e De normaalkracht is gelijk aan de loodrechte component van de zwaartekracht: FN = Fz ∙ cos (5. f Het onderste blok krijgt een grote versnelling. De arm kun je berekenen of aflezen uit figuur 4. dan waren er perioden waarin de versnelling kleiner was. maar de waarde was niet constant. e De maximale versnelling kan heel kort hebben geduurd. 6 a De grond is een ander oppervlak.8 = 20 N. onderzoeksopdrachten 7 a Fz = m ∙ g = m ∙ 9. De arm is gelijk aan 5 m. dus de resulterende kracht is nul. het onderste blok alleen alles vanaf het tweede blok. De wrijvingskracht van de grond op het blok is iets groter dan de wrijvingskracht van het tweede blok op het eerste blok. Het onderste blok komt in beweging. Daarbij hoort dan een kleine verplaatsing. De versnelling is nu klein. Op het tweede blok werkt alleen de wrijvingskracht. dan het oppervlak van een blok. b Het blok staat stil. waardoor de totale verplaatsing groot is. De kracht van de liniaal is veel groter dan de wrijvingskrachten.5°) = 1. want de grond ondersteunt de hele toren. misschien ruwer. Die laatste is nog steeds klein. Een langere periode met dezelfde afstand betekent dat de gemiddelde snelheid lager was. d Zie figuur 3.81 N kg–1 = 1.212 s duurde. dus het antwoord bij vraag 5b zou groter zijn. ▲ figuur 3 e 25 N min de twee wrijvingskrachten is: 25 – 4.0 N – 2. Bovendien werkt de kracht op het tweede blok maar heel kort.42∙108 N b Zie figuur 4. De werklijn van de zwaartekracht komt niet buiten de voet van de toren.2 Kracht en beweging d Als de maximale versnelling 0. dus M = 1. g De duwkracht is nu groter dan de maximale wrijvingskracht tussen grond en onderste blok. Dat betekent dat het langer dan 0. zo klein dat hij de toren erboven niet dezelfde versnelling kan geven die het onderste blok heeft. met de juiste hellingshoek.8 ∙ g was. De eindsnelheid valt dan ook lager uit. dan wordt de tijd ook korter. Ook is de normaalkracht van de grond op de blokken groter dan de normaalkracht van het onderste op het bovenste blok. De arm is gelijk aan de afstand tussen de werklijn van de zwaartekracht en het draaipunt.4453∙107 kg ∙ 9. De wrijvingskracht tussen het onderste blok en het bovenste is nu wel genoeg om ook de toren erboven dezelfde versnelling te geven. ▲ figuur 4 c Dan kantelt de toren. c De kracht waarmee je duwt.81 N kg–1 = 1. De kracht is bekend. De resulterende kracht zal dus gelijk zijn aan: Fres = 4.1 N. de eindsnelheid is dus lager dan het antwoord bij vraag 5c. Als de verplaatsing bij de maximale versnelling kleiner zou zijn dan bij vraag 5b. 24 . d M = F ∙ r. De kracht van de liniaal werkt alleen op het onderste blok.

81 N kg–1 ∙ 1. krachten van de muur op het balkon en op de kabels ook kleiner. De kracht is dus: F = M / r = 14 kN. g Flucht = ½ ∙ cw ∙ ρ ∙ A ∙ v2 en A = 58 ∙ 15. 2 3 25 . g cos (90° – 33. Omdat de helft van de hoogte gelijk is aan 29 m. 8 a Zie figuur 5. Ter beoordeling van de docent. Praktijk Eeuwen blijven staan vragen 1 Hoogspanningsmasten en de Eiffeltoren zijn open constructies. component van de kracht langs het balkon groter. Als schaal voor de kracht is genomen: 1 cm komt overeen met 104 N. Zo hard waait het gelukkig nooit.5 ∙ 0.7°) maal de spankracht. Dus: 2∙107 N = 0.3 ∙ 899 ∙ v2. anders zou het balkon naar beneden kantelen. e Dat is de kracht van opdracht 8d maal de cosinus van 33. Het menselijk lichaam ontleent zijn stevigheid aan botten en pezen. dus: v = 262 m s–1. kracht in de kabels groter. krijg je voor de kracht: F = 7∙108 Nm / 29 m = 2∙107 N. Botten zijn goed bestand tegen duwkrachten. dat is 8. moment groter. Daardoor is de luchtweerstand ook laag en heeft de wind weinig vat op deze constructies.7°: 12 kN. Hun frontale oppervlak is daardoor heel klein ten opzichte van hun omvang. – Balkon langer.2 Kracht en beweging f Het extra moment mag gelijk zijn aan 7∙108 Nm.5 = 899 m2. Kalk is een materiaal dat goed tegen duwkrachten kan.6∙103 kg ∙ 0. krachten van de muur op het balkon en op de kabels ook groter. Een eierschaal bestaat voornamelijk uit kalk. kracht in de kabels groter. dus 12 kN. component van de kracht langs het balkon groter. moment groter. Dat is geen probleem voor het materiaal. d De arm die hoort bij de trekkracht van de kabels. dan zorgt deze kracht ervoor dat de eierschaal samen wordt gedrukt. Wanneer er vanbuiten een kracht op een ei wordt uitgeoefend. moment van de kabels even groot. maar even zwaar: kracht even groot.83 m (dit vind je door eerst de hoek rechtsonder uit te rekenen). Daar kan de eierschaal niet tegen en die breekt. maar werkt tegengesteld aan het moment van de zwaartekracht. – Stalen kabel hoger aan de muur: kracht even groot. moment van de kabels groter.0 kN h – Balkon meer belast: kracht groter. maar minder goed tegen trekkrachten.75 m = 12 kN m–1 c Dat moet even groot zijn. moment even groot. moment van de kabels groter. Wanneer een kuiken van binnenuit een kracht op de eierschaal uitoefent. 9 +10 Ter beoordeling van de docent. f Even groot als het antwoord bij opdracht 8e. kracht in de kabels kleiner (omdat de arm groter is).5 ∙ 1. krachten van de muur op het balkon en op de kabels ook groter. ▲ figuur 5 b M = F ∙ r = 9. dan zorgt dit voor trekkrachten in het materiaal. is 0. pezen goed tegen trekkrachten. component van de kracht langs het balkon kleiner.

c De (maximale) daalsnelheid wordt bepaald door het evenwicht van de zwaartekracht en de luchtweerstandskracht. maar ongeveer dezelfde dikte. Bij vraag 7c heb je beredeneerd dat de daalsnelheid dan gelijk is. De gemiddelde snelheid is dus 5. b De luchtweerstand wordt gegeven door: Fw = ½ ∙ cw ∙ A ∙ ρ ∙ v2. Dat is 91 km h–1. hoe moeilijker dat water tot bovenin de boom omhoogtrekt door de capillaire werking. Een eikel kun je benaderen door een bol met straal van ongeveer 1. c Om de tweede wet van Newton te kunnen gebruiken.5 m)2 = 20 m2. De dichtheid van lucht vind je in Binas: ρ = 1.0 m s–2. Ook stroomt er lucht door de boom heen.1∙10– 4 m2 ∙ 1.0 een realistischer waarde. Ga uit van een cirkel: A = π ∙ r2 = π ∙ (2. Met deze gemiddelde snelheid wordt 10 m afgelegd. dus wellicht is 1. De massa van een eikel is dan ongeveer: m = ρ ∙ V = 1. De luchtweerstandskracht vind je met: Fw = ½ ∙ cw ∙ A ∙ ρ ∙ v2.293 kg m–3 = 254 kg. moet je weten welke massa met welke versnelling wordt afgeremd. Dit heeft een massa van 196 m3 ∙ 1. Een deel van de lucht zou om de boom heen kunnen stromen en dat zorgt voor een lagere kracht. Voor een bol geldt: cw = 0. De dichtheid voor lucht vind je in Binas: ρ = 1. De snelheid v is gegeven.2 Kracht en beweging 4 5 Het enige bolvormige voorwerp in je lichaam dat ook nog een orgaan herbergt.0 s. De luchtweerstandskracht wordt dan echter ook twee keer zo groot. Wanneer er mist hangt.0∙103 N. Bekijk daarvoor de hoeveelheid lucht die in één seconde de boom raakt.0 m s–2 ∙ 254 kg = 1. De versnelling en de massa kun je nu in de tweede t wet van Newton invullen: F = m ∙ a = –5. De formule is dus ook op stilstaande voorwerpen van toepassing die te maken hebben met wind.293 kg m–3. dan wordt de massa en dus de zwaartekracht op het boomblad ook twee keer zo groot. Het evenwicht tussen deze krachten komt dus bij dezelfde snelheid tot stand.5 m)2 = 19.5∙10–2 m)3 = 14∙10–3 kg (14 g).0 s = –5. Dit moet je gelijkstellen aan de zwaartekracht. Als het oppervlak twee keer zo groot. a Eikels en bladeren hebben ongeveer dezelfde dichtheid als water.14 N. Voor een bol geldt: cw = 0.14 N = 2. d De bladeren hebben wel een verschillend oppervlak.0 m s–1. Dus: Fz = 14∙10–3 kg ∙ 9. kan de boom water onttrekken aan de omringende lucht.0 ∙ 20 m2 ∙ (10 m s–1)2 = 1.0∙103 kg m–3 ∙ (4 / 3) ∙ π ∙ (1. In één seconde komt er 10 m lucht voorbij. Dus: v2 = 646 m2 s–2 en v = √(646 m2 s–2) = 25 m s–1. Deze lucht wordt afgeremd tot stilstand. omdat er via verschillende wegen schattingen gemaakt worden.293 kg m–3. onderzoeksopdrachten 6 a In de formule voor de luchtweerstand komt de snelheid v voor. Het volume daarvan is 196 m3.1∙10–4 kg m–1 ∙ v2. dus de tijd van afremmen is 2. Bij regendruppels en motregen is niet alleen het oppervlak 7 26 . of het kan betekenen dat het voorwerp stilstaat en de lucht (wind) een snelheid v heeft. Dit is de snelheid van een voorwerp ten opzichte van de omringende lucht (de relatieve snelheid).3 kN.1∙10–4 kg m–1 ∙ v2.47.81 N kg–1 = 0. De cw-waarde zul je moeten schatten.47. Een boom is echter niet echt gestroomlijnd. e De antwoorden hoeven niet precies gelijk te zijn.293 kg m–3 ∙ v2 = 2.47 ∙ 7.5 cm. Hoe hoger de boom.1∙10–4 m2. Invullen geeft: Fw = ½ ∙ 0. d De ordes van grootte komen bij deze schattingen heel mooi overeen.5∙10–2 m)2 = 7. Anders gezegd: de blaadjes die het oppervlak uitmaken.6 m2. is je schedel. Bomen hebben water nodig. Bij de tweede wet van Newton is het niet realistisch om aan te nemen dat de snelheid van de lucht afneemt tot stilstand. Dan volgt: 0. f Het bladerdek van een boom is niet een gesloten vorm: de wind kan tussen de bladeren door waaien. De v versnelling is a = = –10 m s–1 / 2. Daarvoor moet je het oppervlak van de boom weten. tussen de blaadjes door. Het oppervlak is dat voor een cirkel: A = π ∙ r2 = π ∙ (1. Het frontale oppervlak is dan een cirkel met oppervlak: A = π ∙ r2 = π ∙ (2. Bij vraag 6c niet. b De zwaartekracht op een eikel kun je berekenen met: Fz = m ∙ g. Met de dichtheid kun je de massa berekenen. Dat kan betekenen dat de lucht stilstaat en het voorwerp een snelheid v heeft. Ze zouden dus niet moeten zinken in water en dat is inderdaad wat je kunt observeren. Het oppervlak is te berekenen door de boom te benaderen als bol. Het belangrijkste verschil is dat bij vraag 6b rekening wordt gehouden met de vorm van het voorwerp. draaien ten gevolge van de wind zodat het oppervlak effectief gezien kleiner is dan bij opdracht 6b en 6c is gebruikt. Invullen geeft: Fw = ½ ∙ 1.

6) m s–1 = 10 m s–1. b Moment is kracht keer arm. de gemiddelde versnelling v kun je berekenen: a = = (–72 / 3. dan krijg je: ρblad ∙ d ∙ g = ½ ∙ cw ∙ ρlucht ∙ v2.084 mm. wordt die trekkracht in de buitenbocht groter en in de binnenbocht kleiner. dan krijg je: ρblad ∙ A ∙ d ∙ g = ½ ∙ cw ∙ A ∙ ρlucht ∙ v2. De boom kan dus meer wind weerstaan. Gebruik gelijke gewichten die je kunt stapelen. dan wordt de zwaartekracht op zo‟n druppel ook twee keer zo groot.293 kg m–3 ∙ (0. De arm van de kracht is dus twee keer zo groot. maar ook de dikte van de druppels. Zorg verder voor een gelijke ondergrond. Dat klopt aardig. Aan de linkerkant van de boom is er wel een grotere trekkracht dan bij een nietvoorgespannen boomstam. Voor een korte cilinder geldt bijvoorbeeld cw = 1.5 ∙ (72 / 3. f De massa en dichtheid van de twee vellen papier zijn gelijk. Links en rechts kun je delen door het oppervlak A. Het dubbelgevouwen blad heeft een vier keer zo klein oppervlak. Wanneer de buitenkant van een boomstam is voorgespannen. Leg je tien boombladeren neer. Het tweemaal dubbelgevouwen blad zal dus een twee keer zo grote eindsnelheid hebben. Er ligt dus vier keer zo veel sneeuw op de tak. Deze compressiekracht is veel kleiner dan wanneer de boomstam niet is voorgespannen. a Het is aannemelijk dat er een even dik pakket sneeuw op de tak ligt. 27 .81 m s–2) = 0. g Ter beoordeling van de docent. Dat is iets minder dan een tiende millimeter.0 ∙ 1.0 s = –5. dan ontstaat er een duwkracht (compressiekracht). e Je kunt de massa van een boomblaadje uitdrukken in de dichtheid. v is dan dus twee keer zo groot. Leg op de kokers een kartonnetje waarop je de gewichten kunt plaatsen. De kracht is vier keer zo groot (zie antwoord bij a). dus bijvoorbeeld: cw = 2. Een blaadje zal nog minder gestroomlijnd zijn. Nu moet je de cw-waarde schatten van een blaadje. De zwaartekracht op deze vellen is dus ook gelijk. 8 a Eigen antwoord. Er is een punt waarop er in de binnenbocht geen nettokracht meer werkt. De massa wordt echter acht keer zo groot en de zwaartekracht wordt daarmee ook acht keer zo groot.5∙103 N. De gemiddelde remkracht is dan: t Frem = 900 kg ∙ –5. Wanneer er wind op de boom staat. Anders gezegd: een twee keer zo grote druppel heeft een vier keer zo groot oppervlak en ondervindt dus een vier keer zo grote luchtweerstand. De luchtweerstand is dan ook vier keer zo klein.15. dan betekent dat dat er al een trekkracht op staat.6) m s–1 / 4. De dikte kun je dus berekenen met: d = ½ ∙ cw ∙ ρlucht ∙ v2 / (ρblad ∙ g).0 m s–2 = –4. dan zou dat ongeveer een millimeter moeten zijn. Het zwaartepunt van het pakket sneeuw ligt twee keer zo ver van de boomstam. Als je de zwaartekracht en de luchtweerstandskracht aan elkaar gelijkstelt. Dat is niet erg. Twee keer vier is acht en het moment is dus acht keer zo groot. Die zal vrij groot zijn. Bomen zijn beter bestand tegen trekkrachten dan tegen duwkrachten. Als de dikte van een druppel twee keer zo groot is.2 Kracht en beweging verschillend.0. +9 +10 Theorie 1 1 Het verband tussen versnelling en kracht a Gebruik de tweede wet van Newton: Frem = Fres = m ∙ a. want daar kan hout goed tegen.0∙103 kg m–3 ∙ 9. De verplaatsing is dan: s = vgem ∙ t = 10 m s–1 ∙ 4.0 m s–2. Een dikkere druppel zal daarom sneller dalen.0 s = 40 m. Een evenwicht komt nu tot stand wanneer v2 vier keer zo groot is. omdat de tak twee keer zo lang is. Invullen van de gegevens geeft: d = ½ ∙ 2. het oppervlak en de dikte van het blaadje (vergelijkbaar met het antwoord bij vraag 7b): m = ρ ∙ A ∙ d. b De gemiddelde snelheid van de auto is: vgem = 0. maar de luchtweerstandskracht blijft nagenoeg gelijk. Zijn de kartonnen kokers even dik? Noteer steeds nauwkeurig hoeveel massa je op de kokers hebt geplaatst. is het oppervlak van het pakket sneeuw vier keer zo groot. Omdat de tak twee keer zo lang is en twee keer zo breed. b Maak eerst een plan hoe je dit kunt aanpakken. De massa van en de zwaartekracht op de sneeuw is dan ook vier keer zo groot. Waait het nu nog harder.8 m s–1)2 / (1. De massa is gegeven.

De auto mag dus maximaal 2 ∙ 29. Ook dit kun je weer oplossen door twee vergelijkingen met twee onbekenden op te lossen zoals bij opgave 1d. De bijbehorende remweg moet 40 m zijn.3 m s–2. De verplaatsing voor een eenparig versnelde (of vertraagde beweging) wordt gegeven door: x = ½ ∙ a ∙ t2.155 s = 19 m s–1.9∙102 N. Dus wordt de kracht op het zeil steeds kleiner.3∙102 N / 770 kg = 1. 3 4 ▲ figuur 6 28 . Dit is gelijk aan de maximale spierkracht van Maartjes rechterarm. Ook is de relatieve snelheid van de wind in het zeil steeds kleiner: het gaat om de snelheid van de lucht ten opzichte van het zeil.2 km h–1 = 58 km h–1 rijden.0 s = 60 m.8 m s–2. b Een twee keer zo grote kracht betekent een twee keer zo grote versnelling. De kracht is dan: Flucht = ½ ∙ 1. De auto remt af van 20 m s–1 tot m v = –20 m s–1 / –3. De gemiddelde snelheid is dus: vgem = s / t = 40 m / 4.0 s.9∙102 N / 40 kg = 9.3∙102 N. Voor een eenparig versnelde beweging geldt: x = ½ ∙ a ∙ t2. De eindsnelheid zal daardoor groter zijn dan wanneer de speer vanuit stilstand wordt geworpen. e Zie figuur 6.0 m s–1)2 = 9. dus t = √(2 ∙ x / a) = √(2 ∙ 1.2 Kracht en beweging c De resulterende kracht op de auto is nu kleiner geworden.2 km h–1. Bovendien werkt de kracht over een grotere afstand.3 = –vbegin / t 2 a De versnelling van de speer volgt uit de tweede wet van Newton: a = Fres / m = 100 N / 0.3 m s–2 = 6. b Het ijs is superglad. maar de speer heeft nu een beginsnelheid. De speer versnelt over een afstand van 1. a De zwaartekracht op de massa van 40 kg is gelijk aan: Fz = m ∙ g = 40 kg ∙ 9. De eindsnelheid volgt uit het product van versnelling en tijd en is dus wortel twee keer zo groot. De 1. d Hoe hoger de snelheid.81 m s–2 = 3.1 m s–1 = 29. De snelheid is dus minder dan twee keer zo groot. Je kunt dit ook oplossen door de volgende twee vergelijkingen met twee onbekenden op te lossen: s = 40 = vgem ∙ t = ½ ∙ vbegin ∙ t en a = –3.293 kg m–3 ∙ 32 m2 ∙ (5. dus verwaarloos eventuele wrijving.5 m.0 m s–1 door de stilstaande lucht zou bewegen.8 ∙ 1. d De versnelling van de auto op de natte weg heb je bij opgave 1c uitgerekend: a = –3.5 m wordt dan in een kortere tijd afgelegd: wortel twee zo kort. c De boot ondervindt weerstand ten gevolge van het water. Dat is precies gelijk aan de valversnelling g. De dichtheid van de lucht (bij 273 K en op zeeniveau) vind je in Binas: ρ = 1.3 m s–2.2 m s–2.9 s. dus de tijd waarin de auto afremt stilstand en doet daarover: t = is: t  (2  x / a )  (2  40 m / 3.3 ms 2 )  4. De eindsnelheid van de speer is dus: v = a ∙ t = 125 m s–2 ∙ 0. hoe groter de weerstand zal zijn die de boot ondervindt ten gevolge van het water.0∙103 N / 900 kg = –3. Op de massa van 40 kg werkt een kracht van 3. De gemiddelde versnelling van de auto haal je Fres uit de tweede wet van Newton: a = = –3. doordat de atleet als geheel beweegt.9∙102 N. c De versnelling van de speer zal hetzelfde zijn.9 s = 8. De versnelling is dus: a = Fres / m = 3.5 m / 125 m s–2) = 0. b De versnelling volgt uit de tweede wet van Newton: a = Fres / m = 9.155 s.800 kg = 125 m s–2. De kracht is dus gelijk aan: Flucht = ½ ∙ cw ∙ ρ ∙ A ∙ v2. Met een gemiddelde snelheid van a 10 m s–1 legt de auto dan een afstand af van: s = vgem ∙ t = 10 m s–1 ∙ 6. De boot beweegt steeds sneller ten opzichte van de lucht.293 kg m–3. a De kracht van de wind op het zeil is gelijk aan de luchtweerstand die het zeil zou ondervinden wanneer het met een snelheid van 5.

1∙102 N.2 Kracht en beweging 5 Je moet weten welke massa er versnelt. Dat is bij t = 0 s. Dus de versnelling van blok A gaat naar een constante waarde en blijft niet toenemen. Samen met de massa van Usain Bolt vind je een maximale t resulterende kracht van: Fres = m ∙ a = 94 kg ∙ 8. dus diagram B kan ook niet kloppen. Het is alsof blok A valt zonder dat er een blok B aan vastzit.0 m s–1 – –0.300 kg ∙ 9. Invullen geeft: Fw.5 s = 8. c Als de krachten loodrecht op elkaar staan. De maximale kracht wordt geleverd bij de maximale versnelling. waarbij je voor Fz een negatieve waarde invult. Samen met de versnelling kun je dan met de tweede wet van Newton de resulterende kracht uitrekenen op de versnellende massa. De luchtweerstandskracht is positief en dus naar boven gericht. c Bedenk dat Fres = Fz + Fw. 8 D. De helling van de raaklijn is daar: v a= = 13 m s–1 / 1. Het is duidelijk dat als de massa van blok A kleiner is dan die van B er geen versnelling zal optreden.8 N. 6 7 ▲ figuur 7 b De resulterende kracht bereken je met de tweede wet van Newton: Fres = m ∙ a.81 m s–2 voor een vrije val. omdat het parachuutje naar beneden toe versnelt.6 s te bepalen.0 m s–2 = –1. v a= = (–2.2 m s–1) / (1. Je ziet bovendien al dat de versnelling kleiner is dan de 9.l = Fres – Fz. a Zie figuur 7.7 m s–2 = 8.7 m s–2. met a je antwoord uit opgave 7a. dan wordt blok A nauwelijks nog tegengehouden door blok B. t De versnelling is negatief. Dus Fw.81 N kg–1 = 1. 29 .8 m s–1 / 0.l.8 N – –0.0 m s–2. 2 9 Krachten samenstellen a Als beide krachten in dezelfde richting werken.l = –1. Als de massa van blok A veel groter is dan die van B.3 s = –6. Als de massa van blok A groter wordt. De versnelling op een bepaald moment bepaal je uit een ( v. dus diagram A en C vallen af. b Als de twee krachten tegengesteld gericht zijn.t)-diagram door de helling van de raaklijn aan de grafiek in het punt t = 1. Invullen geeft: Fres = 0. Massa ‟s die vrij vallen.300 kg ∙ –6. omdat de zwaartekracht naar beneden is gericht.8 s – 1.1 N. zullen de twee blokken steeds meer versnellen.5 s) = –1. vallen met een versnelling gelijk aan g. Die kun je in het diagram vinden door te kijken waar de grafiek het steilst loopt.

▲ figuur 9 De grootte van de resulterende kracht vind je door opmeten: 6. dus de spierkracht is groter dan de helft van de zwaartekracht. 11 a Fres = √(900 + 100) = 31. Bij turner a is die kracht gelijk aan de spierkracht. is het handig om eerst de resultante van die twee te bepalen. ▲ figuur 10 13 De turner in afbeelding 11c in je leeropdrachtenboek moet de grootste kracht uitoefenen. De volgorde waarin je de drie krachten bij elkaar optelt. Uitleg (zie figuur 11): de verticale component is in alle drie de gevallen gelijk. Opmeten levert dat de grootte van de resulterende kracht gelijk is aan 7.48 cm ∙ 50 N cm–1 = 3.5 kN. Met de parallellogrammethode bepaal je de resultante van de drie krachten: de vectoroptelling van F23 en F1. c Ook 31. Bij turner c is de schuine zijde nog veel langer. die waarde vind je door opmeten en gebruikmaking van de schaal (1 cm komt overeen met 100 N).2 Kracht en beweging 10 a Zie figuur 8. maakt niet uit. Omdat de twee gegevens elk in twee significante cijfers zijn gegeven. de grootte is (ongeveer) 335 N. een driehoek waarvan de helft van de zwaartekracht een van de rechthoekszijden is. b Zie figuur 9.7∙102 N. De richting is de richting van de betreffende pijl. Daarbij komt deze kracht overeen met de schuine zijde van een rechthoekige driehoek. ▲ figuur 8 b De gekozen schaal is 1 cm ≙ 50 N. de resultante van F2 en F3. De richting is te zien in de figuur. Dat is F23. Omdat twee krachten in precies tegengestelde richting werken. ▲ figuur 11 30 . hij moet dus de grootste kracht leveren.3 cm in figuur 9 komt overeen met 31.6 kN. voor turner b werkt de spierkracht naar rechtsboven. want daarvoor geldt dat die voor elke arm gelijk is aan de helft van de zwaartekracht op de turner. dus de antwoorden komen met elkaar overeen. De richting is de richting van de pijl waar Fres bij staat. is het antwoord ook in twee significante cijfers: 32 kN. Die schuine zijde is langer dan de rechthoekszijde.5 kN is afgerond op twee significante cijfers gelijk aan 32 kN. 12 Zie figuur 10.

maar hoeft natuurlijk niet precies hetzelfde te zijn. geldt: Fres = √(2 ∙ F12) = √2 ∙ √F12 = √2 ∙ F1. a De versnelling wordt veroorzaakt door de component van de zwaartekracht langs de helling. Dus: F1 = F2 = (1 / √2) ∙ Fres = 100 N. Ontbind de kracht in horizontale en verticale richting.3 mN. omdat het touw recht omhoog loopt. De kracht in het touw is dus nul. Hieruit volgt: sin α = ½ en α = sin–1 (½) = 30°. maal 100%: ∙ 100% = 3. In de beide andere gevallen verdelen de touwen die kracht.// = Fz ∙ sin α = m ∙ g ∙ sin (α). De tekening is niet perfect maar goed genoeg om bij opgave 14b verder te kunnen. c De versnelling is nul wanneer de component langs de helling nul is. Voor de kracht geldt: Fx = F ∙ cos 30° = 130 N. b Beredenering is als bij opgave 18a.43 g. d Omdat beide krachten gelijk zijn. De kracht in het rechtertouw moet ook in de richting van het touw werken. Dat weet je zonder berekening.8% 130 N groter dan de berekende kracht. Door de krachten op schaal te tekenen en de parallellogrammethode toe te passen.7 cm) op en reken dit om naar kracht: 135 N.2 Kracht en beweging 14 a Zie figuur 12. Die is vrijwel verticaal. Nu moet gelden: sin α = 0 en α = sin–1 0 = 0°. dus: m ∙ g / 2 = m ∙ g ∙ sin α. Heel precies tekenen zou een precies verticale kracht moeten opleveren. De afwijking die je vindt zal hier in de buurt liggen. a 90° b Met de stelling van Pythagoras: Fres = √(F12 + F22) c De situatie is symmetrisch. 18 31 . vind je de resulterende kracht omhoog. c De procentuele afwijking ten opzichte van de berekende waarde is het verschil gedeeld door de 135 N  130 N berekende waarde. 15 In afbeelding 13b in je leeropdrachtenboek is de kracht in het linkertouw het grootst. 16 3 17 Krachten ontbinden a Teken de figuur over op schaal (bijvoorbeeld: 1. Met Fz = 9. ▲ figuur 12 Opmeten levert op dat de grootte van de resulterende kracht gelijk is aan (ongeveer) 4.0 cm komt overeen 50 N). Dit moet gelijk zijn aan: Fres = m ∙ a = m ∙ g / 2. De kracht uit de constructie is dus 3. Meet de horizontale component (2. b De hoek tussen de kracht en de horizontale richting is 30°. anders zou het linkertouw dit moeten opheffen. b De resulterende kracht van de draden is in grootte gelijk aan de zwaartekracht. In het linkertouw werkt alleen een verticale kracht omhoog. Het rechtertouw kan echter geen kracht meer uitoefenen in de horizontale richting. Die is nul als de hellingshoek nul graden is. want deze kracht is tegengesteld aan de zwaartekracht op de spin. De grootte van deze component is: Fz. de hoek met de verticaal is aan beide zijden gelijk.81 ∙ m vind je dat de massa van de spin gelijk is aan 0. Het linkertouw levert dus alle verticale kracht.8%.

. die is even groot als Fz. c Fz. dus: 1. 21 ▲ figuur 15 b De grootte van Fz is gelijk aan 9. Uit de constructie volgt dat bij een grotere hoek de spankrachten in de touwen groter worden. dus: 1.18∙104 N.18∙104 N ∙ cos 10° = 1.81 N kg–1 ∙ 1200 kg = 1. b Dat is de kracht van de auto op de weg. die is ook gelijk aan 1. want deze twee krachten heffen elkaar op.16∙104 N.//. ▲ figuur 14 4 20 Krachten in evenwicht a De normaalkracht is even groot als de zwaartekracht op de auto. Fz.16∙104 N. De grootte is gelijk aan 9.16∙104 N d Zie figuur 15: het klopt dat de parallelle component klein is en de loodrechte component bijna even groot als de kracht zelf. Deze kracht is getekend als een pijl van 5.81 N kg–1 ∙ 1200 kg = 1. die is even groot als Fz. a Zie figuur 15.18∙104 N. 32 .2 Kracht en beweging 19 a Neem de figuur op schaal over (figuur 13). = Fz · cos α = 1. e De wrijvingskracht. dan is de spankracht in elk touw gelijk aan 580 N.18∙104 N. ▲ figuur 13 b Zie figuur 14.// = Fz · sin α = 1.18∙104 N ∙ sin 10° = 205 N. Als de hoek tussen de touwen 160° is. dus: 205 N. f De normaalkracht.9 cm lengte. g Even groot als de normaalkracht. Opmeten van de lengtes van de krachten en omrekenen naar newton geeft een kracht van 380 N in elk touw.

en wordt groter naarmate de tafel schever staat.81 ∙ 0. De rolweerstand is gelijk aan 0.8∙10–3 ∙ v2. Omdat je sommige waarden maar in twee cijfers weet.020 ∙ 9. b Nee. c Stel de zwaartekracht en de luchtwrijving aan elkaar gelijk (de formule voor luchtwrijving staat in paragraaf 1). Die component is eerst nul. a De luchtwrijving en de zwaartekracht.020 ∙ FN = 0.6 = 22. goed opgepompte voetbal. c 8 N. Het gewicht wordt ook nu steeds kleiner als de tafel schever staat. en dus het gewicht van het boek op de tafel ook. dus dat is nu ook de waarde van de schuifweerstand. De stuwkracht is even groot als de rolweerstand en de luchtwrijving samen. want er is krachtenevenwicht. a 0N b 3 N. Invullen van alle waarden levert voor de luchtwrijving 1816 N. Je weet dus dat de krachten op de slee elkaar opheffen. wordt de schuifweerstand ook steeds kleiner. Op een parachute werken twee krachten: een kracht langs het touw in de richting van de capsule en een precies tegengestelde luchtwrijving. biljartbal. als de bal sneller zou gaan. De snelheid is constant. De verticale component van de kracht in het touw is een derde van de zwaartekracht op de capsule. Hieruit volgt: 30 ∙ 9. De component van de zwaartekracht parallel aan de helling is dus gelijk aan 91 N. basketbal. c Die wrijvingskracht is in grootte gelijk aan de component van de zwaartekracht parallel aan de tafel. wordt deze loodrechte component kleiner. je weet dat de maximale wrijvingskracht evenredig is met de normaalkracht en doordat die normaalkracht steeds kleiner wordt. 33 . Hieruit volgt: v = 32 m s–1.81 ∙ 11 500 = 2256 N. Omdat de zwaartekracht recht omlaag blijft wijzen en de richting van de normaal verandert. De wrijvingskracht wordt niet meer groter en is ook niet meer gelijk aan de parallelle component van de zwaartekracht (daardoor is er een resulterende kracht langs de tafel en begint het boek te glijden). De zwaartekracht blijft gelijk.81 ∙ m = ½ ∙ cw ∙ ρ ∙ A ∙ v2. De luchtwrijving is gelijk aan: ½ ∙ cw ∙ ρ ∙ A ∙ v2 met de snelheid v in m s–1. omdat je weet dat de resulterende kracht gelijk is aan nul. moet het antwoord ook in twee cijfers: 4.1 kN. De wrijvingskracht die deze parallelle component van de zwaartekracht compenseert. die in grootte gelijk is aan de component van de zwaartekracht loodrecht op de tafel. dus 9. 23 24 25 26 27 +28 5 29 De wet van Hooke Een kleine veerconstante betekent dat het voorwerp bij gelijke kracht meer vervormt. want de aarde blijft even hard aan het boek trekken. Met de inverse sinus vind je α = 18°. Van kleine naar grote veerconstante: zachte voetbal. zou hij worden afgeremd door de luchtwrijving. Sterker nog.2 ∙ 7. Dus: 9. b Dit is de kracht van het boek op de tafel.5 ∙ 0.2 m s–1. Samen is dat 4072 N. d Bij vraag 25c bleek dat de maximale schuifweerstand 8 N is.230 = 0. De waarde van v is: 80 / 3.47 ∙ 1.81 ∙ sin α = 91 N.2 Kracht en beweging 22 a Deze kracht blijft gelijk. houdt de bal dezelfde constante snelheid. want er is krachtenevenwicht. De grootte van de verticale component is 18 182 N en de kracht zelf is gelijk aan 18 182 N / sin 30° = 36 kN. Zolang de dichtheid van de lucht constant is. wordt dus ook groter.

2∙105 N m–1 ∙ 0. Doordat de gemiddelde verticale snelheid in beide gevallen gelijk is.1 mm zijn. a De zwaartekracht op de hardloper is constant en wordt bepaald door de massa van de hardloper.5 cm. a Als het met het blote oog niet te zien is. Na gelijkstellen volgt voor u (de indrukking in dit geval): u = m ∙ g / C = 0. e Voordeel: kleinere krachten op de hardloper bij het neerkomen en daardoor minder gevoelig voor blessures. De veerconstante van de tafel is dan maximaal: C = Fz / u = 11. De zwaartekracht wordt gegeven door: Fz = m ∙ g.2 Kracht en beweging 30 a Zie figuur 16. 31 a De veerconstante is gelijk aan de helling van de grafiek in het ( F.8 N / 0. dan is de gemiddelde snelheid gelijk aan de helft van de snelheid waarmee de hardloper neerkomt. c Bij evenwicht is de veerkracht gelijk aan de zwaartekracht: Fv = Fz. 32 +33 34 . is de helling ongeveer gelijk aan C = 0. is het lopen op bosgrond minder snel.2 mm. De veerconstante wordt dus groter. ▲ figuur 16 b Zie figuur 16. Als de vertraging kleiner is. maar neemt toe. Anders gezegd: de helling van de grafiek wordt groter en de veerconstante dus ook. De kracht waarmee de grond terugduwt.5∙10–2 m = 600 N.2 pN / 1000 nm = 0.8 N. De veerkracht van de bosgrond is daardoor ook kleiner. b De helling van de grafiek is niet meer constant. Nog een nadeel: bosgrond is erg ongelijk en de hardloper kan hierdoor ongelijk terechtkomen en daardoor gevoeliger zijn voor blessures. Als je aanneemt dat de vertraging in beide gevallen constant is (maar wel verschillend). dan is de resulterende kracht ook kleiner. b Het boek oefent een kracht uit op de tafel gelijk aan Fz = m ∙ g = 1. is dan ook kleiner. c De bosgrond is zachter dan het asfalt.1∙10–3 m = 1∙105 N m–1. De veerkracht wordt gegeven door: Fv = C ∙ u. is voor beide soorten ondergrond gelijk. De kracht die daarvoor nodig is. moet dus groter zijn dan de zwaartekracht op de hardloper.81 N kg–1 / 300 N m–1 = 8. voor kleine uitrekkingen. In het eerste stuk.2 kg ∙ 9. De kracht die de grond op de hardloper uitoefent.81 N kg–1 = 11. Om de hardloper bij het neerkomen af te remmen. namelijk nul. moet er een resulterende kracht omhoog gericht zijn. dan zal het maximaal 0.u)-diagram. Dus hiervoor is nodig een massa van m = Fz / g = 600 N / 9. Nadeel: doordat de afzetfase ook langer duurt. d Eenzelfde snelheidsverandering in een grotere tijdsduur levert een kleinere vertraging.2∙10–12 N / 1000∙10–9 m = 2∙10–7 N m–1. Je antwoord kan enigszins afwijken hiervan. c Bij grotere uitrekkingen zorgt eenzelfde extra uitrekking voor een grotere extra kracht. duurt het daarom langer totdat de verticale snelheid van de hardloper nul is geworden. de hardloper zakt er verder in weg.81 N kg–1 = 6∙101 kg.2∙10–3 m = 8. b De snelheid waarmee de hardloper neerkomt. c Merkbaar doorbuigen betekent toch zeker een indrukking van 0. De eindsnelheid is ook gelijk.250 kg ∙ 9. is gelijk aan: Fv = C ∙ u = 1. omdat de helling moeilijk te bepalen is. Die is dus gelijk in beide gevallen.

Na omkering van de snelheid neemt de plaats tussen twee tijdstapjes niet genoeg toe en is nog steeds kleiner dan 0.472 y (m) 10. modelvergelijkingen startwaarden 1 2 3 4 5 6 7 8 9 10 t := t + dt Fz := -m*g Flucht := -Teken(v)*k*v^2 Fres := Fz + Flucht a := Fres/m v := v + a*dt y := y + v*dt Als (y<0.15 v (m s–1) 0. b Zie het model.t)-diagram.05) En (v<0) dan 8 v : = -0. Zie de tabel. terwijl de bal juist omhoog aan het bewegen was. Het model wordt na regel 6 anders. In werkelijkheid begint de bal dan in te deuken en beweegt hij nog even verder omlaag. De snelheid wordt weer omgekeerd.9 * v 9 EindAls Let op het gebruik van de haakjes.05 dan 8 v : = -0.2 Kracht en beweging 6 34 Bewegingen modelleren In dit eenvoudige geval zou je meteen kunnen schrijven: a = –g. De regels 2 en 3 kun je dan weglaten.9 * v EindAls 1 2 3 4 5 6 7 dt := 0.853 35 36 a Als het zwaartepunt op hoogte 0.981 –1.05) En (v<0) Dan v := -0.926 9.000 –0.00 9.05 is. Maar hier laat je dat buiten beschouwing en zeg je dat hij meteen terugstuitert.005 m := 0.975 9. Dit geeft echter minder inzicht in wat er moet veranderen als het model ingewikkelder wordt. Deze kun je ook berekenen met behulp van de formule voor de luchtweerstand.81 k := 0. Dat komt doordat na verloop van tijd de snelheid laag wordt. 35 . In regel 3 zorgt -Teken(v) ervoor dat de luchtweerstandskracht altijd tegengesteld aan de bewegingsrichting is.491 –0. Je zou dan kunnen denken dat het volgende goed is: 7 Als y < 0.05 0. De En betekent dat aan de twee voorwaarden voldaan moet zijn. Kortom: de snelheid moet alleen omgekeerd worden als de snelheid negatief is en de bal dus naar beneden beweegt.250 Experimenteer zelf met een geschikte k-waarde. terwijl er een steeds grotere veerkracht ontstaat.10 0. raakt hij de grond. De juiste aanpassing na regel 6 is dan: 7 Als (y < 0. t (s) 0 0.05.9 * v 9 EindAls Probeer dit uit en maak een (y. Je zult zien dat na een bepaalde tijd de grafiek niet meer klopt.05 t := 0 y := 10 v := 0 g := 9.

25 m hoogte springt. dus daarvoor hoef je geen regel op te nemen met Fres.05 t := 0 x := 0 y := 10 vx := 5 vy := 0 g := 9. moet de parachute al werken binnen zo‟n kleine hoogte als 80 m.5 ∙ 1 ∙ 1. b Als iemand zoiets gevaarlijks wil doen. modelvergelijkingen startwaarden 39 1 2 3 4 5 6 7 8 9 10 11 12 13 14 15 16 t := t + dt Fz := -m*g Fluchtx := -Teken(vx)*k*vx^2 Fluchty := -Teken(vy)*k*vy^2 Fresx := Fluchtx Fresy := Fz + Fluchty ax := Fresx/m ay := Fresy/m vx := vx + ax*dt vy := vy + ay*dt y := y + vy*dt x := x + vx*dt Als (y<0.3 = 0. niet die in de x-richting.81 m := 0.250 Let op dat alleen de snelheid in de y-richting omkeert. modelvergelijkingen startwaarden 1 2 3 4 5 6 7 8 9 10 t := t + dt Fz := -m*g Fresy := Fz ay := Fresy/m vy := vy + ay*dt y := y + vy*dt x := x + vx*dt Als y<0 Dan Stop EindAls 1 2 3 4 5 6 7 8 dt := 0.05 t := 0 x := 0 y := 10 vx := 5 vy := 0 g := 9.05) En (vy<0) Dan vx := 0. maar het gaat net.2 Kracht en beweging 37 Zie het model. Dat is best een grote hoogte om vanaf te springen. 38 a k = ½ ∙ cw ∙ ρ ∙ A b [k] = [F / v2] = kg m s–2 / (m2 s–2) = kg m–1 c De oppervlakte van de parachute kun je op internet opzoeken: rond de 40 m2.65 kg m–1 (in één cijfer is dat 1 kg m–1). Dus: 5 m s–1 kan. duurt het vallen 0. +40 a Als je van 1. De cw-waarde kun je schatten op 1.5 s en haal je een snelheid van 5 m s–1. Zie het model. Invullen geeft: k = ½ ∙ cw ∙ ρ ∙ A = 0. De dichtheid van lucht op zeeniveau is ongeveer 1.250 Er is geen versnelling in de x-richting.81 k := 5 m := 0.3 kg m–3.9*vx vy := -0. 36 .9*vx EindAls 1 2 3 4 5 6 7 8 9 dt := 0.

37 .998E03 k := 0.3 kg m–3. dan wordt hier de bewegingsvergelijking: ay = Fres. Als de stenen naar beneden bewegen. Dus: A = k / (½ ∙ cw ∙ ρ) = 37 / (0. modelvergelijkingen startwaarden 1 2 3 4 5 6 7 9 10 11 t := t + dt Fz := -m*g Flucht := k*v^2 Fres := Fz + Flucht a := Fres/m v := v + a*dt y := y + v*dt Als y<1 Dan Stop EindAls 1 2 3 4 5 6 7 dt := 0.5 ∙ 1. Er geldt: k = ½ ∙ cw ∙ A ∙ ρ. De versnelling zal dan kleiner zijn dan g (minder negatief). want zoals het er staat hebben de zwaartekracht en de luchtwrijving dezelfde richting.81 k := 37 m := 100 Als je v plot.x / m = –k ∙ vx / m. – Waar in het model x staat. Volgens de tweede wet van Newton wordt de bewegingsvergelijking in de x-richting: ax = Fres. Dat is een realistische waarde.5 ∙ 1. – In de modelregel voor m moet staan R^3 (R tot de derde macht). de dichtheid van de lucht is ongeveer 1. – In de modelregel voor Fw moet het minteken weg. Aangepast wordt het model dan (wijzigingen onderstreept): modelvergelijkingen startwaarden t := t + dt m := rho*(4/3)*pi*R^3 Fw := k*v^2 Fz := -m*g Fres := Fz + Fw a := Fres / m v := v + a*dt h := h + v*dt t := 0 h := 2000 v := 0 dt := 0. 41 – Bij de startwaarden staan komma‟s in decimale getallen. Een redelijke waarde voor cw is 1. maar de eerste heeft alleen invloed op de y-component van de snelheid. dat moeten punten zijn.3) = 38 m2.81 R := 2E-03 rho := 0.1 g := 9. Dat komt overeen met een cirkel met een straal van 3. Als we voor y-richting de snelheid omhoog positief nemen. d Je antwoord kan afwijken afhankelijk van de schattingen bij vragen 40a en b.2 Kracht en beweging c Zie het model.y / m = –g – (k ∙ vy / m).5. kun je zien of die te groot is aan het eind van de sprong. is de snelheid positief en zal de versnelling groter zijn dan g (meer negatief). – Er moet een startwaarde zijn voor k. Varieer k: een waarde van k = 37 geeft een eindsnelheid van 5. Als de stenen omhoog bewegen.05 t := 0 y := 80 v := 0 g := 9. Dat komt overeen met een vertraging groter dan de valversnelling. is de snelheid negatief.01 ‘Tijd ‘Plaats ‘Snelheid ‘Tijdstap ‘Valversnelling ‘Straal regendruppel ‘Dichtheid water ‘Weerstandscoefficient 42 a Zowel de zwaartekracht als de luchtwrijving werken op de stenen. moet de breuk tussen haakjes: (4/3)*pi*R^3. – Om zeker te weten dat het programma niet deelt door pi*R^3. moet staan h.0 m s–1. – Rho moet zijn rho (kleine letter in plaats van hoofdletter).5 m.

dan zie je ook een rechte lijn als grafiek.05 t := 0 x := 0 y := 0 vx := 31 vy := 163 g := 9. zoals te zien is in figuur 17.2 Kracht en beweging b Bij elk tijdsinterval bereken je de gemiddelde vx = waarden: vx (m s–1) 31 27 23 19 17 14 12 10 9 vy (m s–1) 163 104 51 8 –30 –61 –89 –112 –132 x y = Δx en vy = = Δy.max = 2. 43 eindopdracht – De poolreiziger a De poolreiziger loopt met constante snelheid. De grafiek rechtvaardigt dus de veronderstelling over de luchtwrijving. Als je met dit model het ( vy. Je krijgt dan de volgende t t De grafiek blijkt een rechte lijn.vx)-diagram maakt.s.0∙102 N. De (horizontale) trekkracht is dan gelijk aan de totale wrijvingskracht die de slee ondervindt: Fw. De vertraging van de slee volgt uit de tweede wet van Newton: 38 .81 k := 1 m := 50 ‘beginplaats ‘beginplaats ‘beginsnelheid ‘beginsnelheid Je moet wat variëren met de waarden van dt. Dit is de wrijvingskracht die de slee ondervindt nadat de poolreiziger is gestruikeld. k en m om te onderzoeken in hoeverre deze waarden invloed hebben op de baan van de steen. ▲ figuur 17 c Het model moet er ongeveer als volgt uitzien: modelvergelijkingen startwaarden 1 2 3 4 5 6 7 8 9 10 11 12 13 14 15 t := t + dt Fz := -m*g Fluchtx := -k*vx Fluchty := -k*vy Fresx := Fluchtx Fresy := Fz + Fluchty ax := Fresx/m ay := Fresy/m vx := vx + ax*dt vy := vy + ay*dt y := y + vy*dt x := x + vx*dt Als x>162 Dan Stop EindAls 1 2 3 4 5 6 7 8 9 dt := 0.

De dichtheid van lucht is ongeveer 1.5 ∙ 0. moet de poolreiziger de horizontale weerstandskracht overwinnen. De kracht die de poolreiziger uitoefent. Invullen geeft: Fw. Dus de orde van grootte van de luchtweerstandskracht is 10 N. Deze extra kracht is gelijk aan de parallelle component van de zwaartekracht op de slee.3 kg m–3.02 = 9.0° = 256 N. Hoe lager de touwen zijn vastgemaakt. b De luchtweerstandscoëfficiënt zal ongeveer 1 zijn.// – Fw.2 Kracht en beweging a = Fres / m = –2. Deze kracht zorgt voor een uitrekking van 2. heeft dezelfde richting als de touwen waar de slee aan vastzit.5)2 = 0. De snelheid is gegeven: v = 5. Voor de twee situaties is f dus gelijk.3 ∙ 0. hoe kleiner de verticale component en hoe kleiner de totale kracht. f De schuifwrijvingscoëfficiënt hangt af van de ondergrond en het voorwerp dat schuift.6 m2. e De resulterende kracht op de slee is gelijk aan: Fres = Fz.75 m. dus t = Δv / a = (0 – 1. Hij moet dus een even grote horizontale kracht uitoefenen.l = 0.0) / –0.0∙10–2 = 1. Het kan ook met s = vgem ∙ t.8 N.max = 256 – 200 = 56 N.0 cm. Deze afstand is inderdaad minder dan een meter.3∙104 N m–1. 39 .0∙102 = –0. d De extra kracht zorgt voor de gegeven uitrekking.0∙102 ∙ 9. Daardoor zal de wrijvingskracht op de helling ook kleiner zijn.667 m s–2. De kracht in het touw kun je ontbinden in een horizontale en een verticale component.19 m s–2. Het frontale oppervlak kun je schatten door een schatting van de hoogte en breedte van de poolreiziger te maken: A = b ∙ l = 0. c III is juist.81 ∙ sin 5.5 s. De afgelegde weg bereken je met: x = ½ ∙ a ∙ t2 = 0. De normaalkracht is op een hellend vlak kleiner.// = Fz ∙ sin α = m ∙ g ∙ sin α = 3.0 = 0.667 = 1. Er geldt: Fz. De versnelling bereken je met de tweede wet van Newton: a = Fres / m = 56 / 3. volgt uit: Δv = a ∙ t.3 ∙ 2.s.0 m s–1. Om de slee vooruit te trekken.6 ∙ 5. Uit de wet van Hooke volgt: C = Fv / u = 256 / 2.0∙102 / 3.667 ∙ (1.5 ∙ 1 ∙ 1. De tijd om tot stilstand te komen.0∙102 = 0.