You are on page 1of 32
Ke nnis ro tond e
Ke nnis ro tond e
Ke nnis ro tond e Wat weten we over… webwijsheid in het PO en VO?
Ke nnis ro tond e Wat weten we over… webwijsheid in het PO en VO?

Wat weten we over…

Ke nnis ro tond e Wat weten we over… webwijsheid in het PO en VO?

webwijsheid in het PO en VO?

Ke nnis ro tond e Wat weten we over… webwijsheid in het PO en VO?

inhoudsopgave

Over deze brochure

3

Wat is webwijsheid?

5

Wat weten we uit onderzoek over webwijsheid?

9

Webwijsheid in de les

17

Wat weten we nu en hoe verder? Een samenvatting

23

Praktische handvatten

25

Verwijzingen en geraadpleegde bronnen

27

25 Verwijzingen en geraadpleegde bronnen 27 Ke nnis ro tond e Wat Weten We OVer WebWijsheid
25 Verwijzingen en geraadpleegde bronnen 27 Ke nnis ro tond e Wat Weten We OVer WebWijsheid

Ke nnis ro tond e

25 Verwijzingen en geraadpleegde bronnen 27 Ke nnis ro tond e Wat Weten We OVer WebWijsheid
Wat Weten We OVer WebWijsheid in het PO en VO?
Wat Weten We OVer
WebWijsheid in het PO en VO?

Over deze brochure

Voor de meeste kinderen is de computer een vanzelfsprekend onderdeel van hun leven geworden. Die vanzelfsprekend- heid is ook te zien in het gemak waar- mee ze allerlei computertoepassingen gebruiken. Surfen op het internet blijkt een favoriete bezigheid. Niet alleen thuis, maar ook in de klas neemt het in- ternetgebruik toe. Ook in het onderwijs wordt het internet steeds vaker ingezet. Maar wat leren ze er nu van?

Deze brochure geeft antwoord op de volgende vragen:

• Wat maakt internet tot zo’n andere informatiebron in het onderwijs dan boeken en andere geschreven bron- nen? Waarom is het zo belangrijk dat leerlingen kritische internetgebrui- kers worden?

• Wat betekent dat voor vaardigheden waarover leerlingen moeten beschik- ken? Over welke vaardigheden be- schikken leerlingen al, en wat zouden ze nog moeten leren?

schikken leerlingen al, en wat zouden ze nog moeten leren? • En ten slotte, waar ligt

• En ten slotte, waar ligt de taak van de school? Hoe kun je als docent een bij- drage leveren aan de manier waarop leerlingen met internet omgaan?

Gerichte begeleiding en ondersteuning vanuit het onderwijs mag in elk geval niet ontbreken. Deze brochure geeft de docent praktische suggesties om de kritische internetvaardigheden van hun leerlingen te vergroten. De brochure richt zich op docenten bovenbouw PO en onderbouw VO, met andere woorden:

leerlingen in de leeftijd van ongeveer 10 tot 14 jaar. In het laatste deel, waarin praktijksuggesties een rol spe- len, zal het onderscheid tussen PO en VO een grotere rol spelen.

rol spe- len, zal het onderscheid tussen PO en VO een grotere rol spelen. Wat Weten
rol spe- len, zal het onderscheid tussen PO en VO een grotere rol spelen. Wat Weten

Wat Weten We OVer

WebWijsheid in het PO en VO?

Wat is webwijsheid?

Verschillende visies op webwijsheid

Recent is een aantal publicaties ver- schenen dat benadrukt hoe ‘anders’ de kinderen en jongeren van nu denken en leren. Wim Veen en Frans Jacobs schrij- ven in een rapport getiteld ‘Leren van jongeren’ dat deze generatie jongeren door het opgroeien in een digitale samenleving veel vaardigheden en capaciteiten bezitten die door oudere generaties niet herkend worden [www. surf.nl/download/Leren_van_jongeren. pdf]. De auteurs zijn van mening dat niet de jeugd wat moet leren, maar de docenten die hen lesgeven. En snel, omdat leerlingen anders afhaken omdat het onderwijs niet aansluit bij hun manier van denken en handelen. In Engeland verscheen in maart 2007 een rapport van Demos [www.demos.co.uk] met een vergelijkbare toon en inhoud. Marketingonderzoekers hebben het over de ‘Generatie Einstein’, een generatie die zich snel overal op kan oriënteren en thuis is in de digitale wereld (Boschma & Groen, 2006).

Zapcultuur

Er zijn ook heel andere geluiden te horen. In een interview met de Volks- krant lucht een docent in het voortgezet onderwijs zijn hart over hoe zijn leer- lingen met internet omgaan:

“Ze plukken her en der wat van het net en denken niet na over het verband. Een boek lezen waar de verbanden wel

worden uitgelegd, zit er niet in. Ik denk vaak, snappen ze wat er staat? Werkstuk- ken worden steeds meer een product van de zapcultuur. Het kost de grootste moeite leerlingen kritisch te krijgen over hun eigen producten.” In de krant verschijnt vervolgens een ingezonden brief van een lezer die zich afvraagt of de betreffende docent oorzaak en gevolg wel goed voor ogen heeft: “Hij heeft de indruk dat scholie- ren de verbanden tussen begrippen niet doorhebben. Moeten we dat deze jonge mensen zo sterk aanrekenen? Is het niet bij uitstek de verantwoordelijkheid van de school om jongeren te leren kritisch, betrouwbaar en verstandig om te gaan met informatie en kennis die zij krijgen aangereikt?” En Hoogleraar E-business en IT industry Han Gerrits zegt een maand later: “Kinderen het computer- lokaal insturen met de opdracht ‘zoek maar op internet’ is onverantwoord.”

Leren van internetgebruik

Wie heeft nu gelijk? Dat hangt af van waar je naar kijkt. Jongeren zijn zeker veel handiger en sneller met aller- lei vormen van technologie dan hun docenten. Daar leren ze veel van, en het verandert ongetwijfeld ook ‘hoe’ ze leren. Het is goed om daar in het onder-

1 De Volkskrant, 19-4-2006

2 De Volkskrant, 22-4-2006

3 De Volkskrant, 20-5-2006

Wat Weten We OVer

WebWijsheid in het PO en VO?

, 19-4-2006 2 De Volkskrant , 22-4-2006 3 De Volkskrant , 20-5-2006 Wat Weten We OVer
, 19-4-2006 2 De Volkskrant , 22-4-2006 3 De Volkskrant , 20-5-2006 Wat Weten We OVer
 wijs rekening mee te houden. Tegelij- kertijd betekent dit niet dat leerlingen ook beter

wijs rekening mee te houden. Tegelij- kertijd betekent dit niet dat leerlingen ook beter in staat zijn om zelf kennis te construeren op basis van informatie die ze (onder meer) op internet vinden. Daarvoor is gerichte begeleiding en ondersteuning nodig; een van de taken van het onderwijs. Als die ontbreekt, ‘leren’ leerlingen niet vanzelf iets van internetgebruik. Veel docenten in zowel primair als voortgezet onderwijs zullen de verzuchtingen van de geciteerde docent herkennen. Het wat ongemakke- lijke gevoel dat leerlingen weliswaar in technisch opzicht meestal heel vaardig zijn met internet, maar dat de manier waarop ze zoeken op internet en vooral de manier waarop ze omgaan met de gevonden informatie je doet afvragen wat ze er nu eigenlijk van leren. Wat heeft de leerling van groep 7 die trots een mooi werkstuk over Egyptische mummies komt inleveren, nu eigenlijk geleerd over zijn onderwerp? Want inderdaad, veel informatie lijkt simpel- weg geknipt en geplakt, en de herkomst is niet altijd duidelijk. En die leerling in de tweede klas havo die in de biologieles een presentatie houdt over SOA’s en trouwhartig vertelt dat je SOA’s kunt voorkomen door geen chocolade te eten en geen wijn te drinken – hoe komt die leerling daarbij? Hoe heeft ze op internet gezocht? En hoe krijg je het als docent voor elkaar dat een dergelijke opmerking niet als feit wordt gepresenteerd?

Want de meeste docenten zullen onderschrijven dat je als school een belangrijke taak hebt als het gaat om leerlingen kritisch met informatie te leren omgaan. En je kunt leerlingen inderdaad eigenlijk niet zomaar het internet opsturen.

Waarom is het belangrijk dat leerlingen ‘webwijs’ worden?

Docenten zullen op die vraag ant- woorden: omdat ze anders niks leren van internet, dan blijft het bij plak- ken-en-knippen zonder veel nadenken. Dat antwoord sluit aan bij de manier waarop onderwijskundigen naar inter- net kijken: internet is een middel om kennis te verwerven (zie bv. Hoffman e.a., 2003). Er zijn echter ook andere gezichtspunten mogelijk (Kuiper & Volman, in press). Een bibliotheekwe- tenschapper of mediathecaris zal internet in de eerste plaats zien als een nieuw soort informatiebron. Niet het verwerven van kennis en inzicht staat dan voorop (hoewel dat natuurlijk wel van belang wordt gevonden), maar de vaardigheden om informatie te kunnen lokaliseren en die informatie te beoor- delen op betrouwbaarheid en autoriteit. Communicatiewetenschappers zullen de nadruk leggen op internet als nieuw communicatiemiddel dat een beroep doet op nieuwe communicatievaardig- heden. Leesonderzoekers zullen internet in de eerste plaats benaderen als een nieuw soort ‘tekst’ die nieuwe leesvaar-

digheden met zich meebrengt. ‘Web- wijsheid’ wordt in de deze brochure gezien als een combinatie van al deze gezichtspunten. Kritisch met internet omgaan betekent dan: in staat zijn om internetinformatie te lokaliseren, lezen, beoordelen, en verwerken.

om internetinformatie te lokaliseren, lezen, beoordelen, en verwerken. Wat Weten We OVer WebWijsheid in het PO
om internetinformatie te lokaliseren, lezen, beoordelen, en verwerken. Wat Weten We OVer WebWijsheid in het PO

Wat Weten We OVer

WebWijsheid in het PO en VO?

Wat weten we uit onderzoek over webwijsheid?

Wat weten we uit onderzoek over webwijsheid? Wat is het verschil tussen internet en gedrukte informatiebronnen?

Wat is het verschil tussen internet en gedrukte informatiebronnen?

Informatiebronnen kun je zien als ‘ge- reedschap’, als tool voor leren. Bronnen kunnen helpen bij het verkrijgen van

kennis en inzicht; informatie is daar im- mers een bouwsteen van. Internet is een andersoortige onderwijskundige tool dan traditionele informatiebronnen. Het is niet voor het onderwijs gemaakt en daar ook niet zonder meer voor geschikt. En het is een tool die door leerlingen meestal meer en intensiever gebruikt wordt buiten school dan op school. Daarnaast heeft internet een aantal specifieke kenmerken:

• Internet heeft een enorme omvang en groeit nog steeds in hoog tempo door. Die omvang is onvergelijkbaar met bijvoorbeeld een bibliotheek.

• Internet is ongeordend: het kent geen eenvormige en inzichtelijke struc- tuur.

• Internet kent een grote mate van actualiteit: het wordt voortdurend aangevuld en bewerkt, wat met gedrukte bronnen niet zo snel mo- gelijk is.

• Internet is heel toegankelijk: een computer en internetaansluiting zijn voldoende om toegang te krijgen. Die toegang is niet gebonden aan een bepaalde ruimte en tijd, zoals bij bij- voorbeeld bibliotheken het geval is. Ook is het eenvoudig om zelf auteur van internetinformatie te worden.

• Internet maakt gebruik van hyper- text: informatie heeft geen lineaire structuur maar is met elkaar verbon- den via ‘links’ op webpagina’s die verwijzen naar andere stukken tekst of informatie.

• Internet heeft een sterk visueel karakter: afbeeldingen, filmpjes en geluid dienen niet alleen als illu- straties bij tekstuele informatie, maar hebben een eigen informatief gehalte.

Wat betekent dat voor de internetvaardigheden van leerlingen?

• De omvang en het ongeordende karak- ter van internet maken dat leerlingen makkelijk verdwalen. Niet alleen bepaalde zoekvaardigheden zijn van belang, belangrijker nog is dat een leerling goed weet waar hij naar op zoek is (Kuiper, Volman & Terwel, 2005). Afbakenen van je onderwerp kan helpen de juiste informatie te vinden. Ook is het handig om voor- kennis te hebben van het onderwerp waar je informatie over zoekt; dat maakt het bijvoorbeeld eenvoudiger om goede zoektermen te formuleren.

• Die omvang van internet is voor leer- lingen meestal een groot pluspunt: ze hebben de indruk dat ze heel makke- lijk, met een paar muisklikken, ‘alles’ kunnen vinden op internet, en dat ‘al- les’ is ook altijd beschikbaar en nooit uitgeleend. Het feit dat je op internet

Wat Weten We OVer

WebWijsheid in het PO en VO?

0

inderdaad met weinig moeite toegang hebt tot veel informatie, geeft de il- lusie dat internet ‘makkelijk’ is om te gebruiken (vgl. Laurillard, 1998).

• De actualiteit van internet is heel handig: het geeft de mogelijkheid om bijvoorbeeld de krant te lezen op internet of te kijken of er files of treinvertragingen zijn. Het impliceert echter ook dat internet een vluchtig karakter kan hebben: de krant op in- ternet wordt voortdurend ‘ververst’; informatie kan dus in hoog tempo veranderen.

• Het ongeordende karakter van internet maakt het bij uitstek een vergaarbak van informatie. Ook dat is voor leerlingen vaak een aantrek- kelijk punt: over willekeurig welk onderwerp is wel iets te vinden. Het voldoet daarmee eenvoudig aan de behoefte aan feiten, aan ‘weetjes’, die veel leerlingen hebben. Boven- dien geeft hen dat de illusie dat ze veel ‘weten’ als ze veel informatie verzameld hebben. Op dat punt begint internetgebruik zich slecht te verdra- gen met onderwijs. Want leren vereist dat leerlingen iets met die informatie ‘doen’, zodat het kan leiden tot ken- nis en inzicht. Zodra leerlingen zelf echter die informatie gelijkschakelen aan kennis, ervaren docenten een probleem.

• Dat probleem is veel groter dan bij gedrukte informatie door de toe- gankelijkheid van internet. Door

het gemak waarmee iedereen over willekeurig welk onderwerp iets op internet kan zetten, is er ook veel onzinnige, onjuiste en soms potenti- eel risicovolle informatie te vinden. Hoewel leerlingen vaak wel weten dat lang niet alles wat op internet staat, ook ‘waar is’, gaan ze daar in de praktijk toch vaak vanuit. Deels komt dat omdat ze de vaardigheden missen om internetinformatie kri- tisch te beoordelen op waarheid en betrouwbaarheid (Kuiper e.a., 2005). Maar internet is voor leerlingen ook een soort ‘autoriteit’ waar ze niet snel twijfels bij hebben. Een mooi voorbeeld daarvan is beschreven door Amerikaanse onderzoekers (zie www.newliteracies.uconn.edu). Zij gebruikten voor een onderzoek een (fake)website over de Tree Octopus [http://zapatopi.net/treeoctopus]:

een bijzonder soort inktvis die in het regenwoud in het noordwesten van de VS zou leven en daar bijna uitgestor- ven was. De website ziet er profes- sioneel en verzorgd uit, compleet met foto’s, kaartjes, links etc. Een selectie van 25 leerlingen uit grade 7 (vergelijkbaar met brugklasleeftijd in Nederland) die door hun leerkrachten werden gezien als meest ‘webwijs’, werd gevraagd de website te beoor- delen. Alle leerlingen waren overtuigd van de waarheid en betrouwbaarheid van de website, en een groot deel van hen was niet te overtuigen door

waren overtuigd van de waarheid en betrouwbaarheid van de website, en een groot deel van hen
de verzekering van de onderzoekers dat de tree octopus helemaal niet bestaat en dat de

de verzekering van de onderzoekers dat de tree octopus helemaal niet bestaat en dat de website geheel was bedacht. De leerlingen hadden grote moeite met het zoeken naar aspec- ten van de website waarmee je de betrouwbaarheid zou kunnen bepalen.

• Het gebruik van hypertext vraagt van leerlingen specifieke leesvaardig- heden (Coiro & Dobler, 2007). Een website is anders opgebouwd dan een boek: een duidelijke, lineaire struc- tuur ontbreekt. De internetlezer kan zelf zijn weg vinden door het gebruik van navigatie-elementen als een menu en links. Dat werkt in de hand dat je makkelijk ‘verdwaalt’ en ook makkelijk afgeleid wordt. Weten waar je naar

op zoek bent, is dus belangrijk om goed je weg te vinden door hypertext.

• Het visuele karakter van internet maakt dat niet alleen tekst moet worden ‘gelezen’ en beoordeeld. Illustraties, animatie en geluid heb- ben een eigen informatiewaarde. Dat maakt dat leerlingen ook wat in het Engels heet ‘visual literacy’ moeten ontwikkelen: het beoordelen van de betekenis van die visuele elemen- ten en begrijpen waarom ze op die manier op een website zijn geplaatst (Sorapure, Inglesby & Yatchisin, 1998). Dat is vooral belangrijk omdat kinderen graag plaatjes zoeken met Google, en daarmee vaak beginnen bij het zoeken naar informatie.

met Google, en daarmee vaak beginnen bij het zoeken naar informatie. Wat Weten We OVer WebWijsheid

Wat Weten We OVer

WebWijsheid in het PO en VO?

met Google, en daarmee vaak beginnen bij het zoeken naar informatie. Wat Weten We OVer WebWijsheid

 Welke internetvaardigheden beheersen leerlingen? en wat moeten ze vaak nog leren? Veel leerlingen vanaf

Welke internetvaardigheden beheersen leerlingen? en wat moeten ze vaak nog leren?

Veel leerlingen vanaf een jaar of 10 kunnen heel goed met internet overweg in technische zin. Dat wil zeggen: ze kunnen prima navigeren en weten wat navigatie-elementen als Vorige/Vol- gende, Sluiten van de pagina, Opslaan bij favorieten en dergelijke betekenen. Ze zijn ook heel snel en handig met

de muis. Voor het gebruik van inter- net voor het verwerven van kennis en inzicht rond een bepaald onderwerp zijn die vaardigheden echter niet het belangrijkst. Grofweg kun je stellen dat de volgende soorten vaardigheden deel uitmaken van ‘webwijsheid’: zoekvaar- digheden, leesvaardigheden en beoor- delingsvaardigheden (Kuiper, 2007).

en beoor- delingsvaardigheden (Kuiper, 2007). Zoekvaardigheden hebben vooral be- trekking op het goed

Zoekvaardigheden hebben vooral be- trekking op het goed kunnen gebruiken van zoekmachines als Google. Daarvoor moet je in de eerste plaats zoektermen kunnen afleiden uit je vraag. Je moet daarvoor weten hoe zoekmachines werken: ze geven alle websites weer die de door jou opgegeven zoek- woorden bevatten. Het goed kiezen van zoektermen is dus belangrijk:

als je naar informatie zoekt over de schrijfster Carry Slee is Carry Slee een betere zoekterm dan Slee. Gebruik van aanhalingstekens kan een zoekterm nog preciezer maken (“Carry Slee”), maar kan met name voor jongere kinderen lastig zijn omdat je goed moet weten wat je wel en niet tussen aanhalingstekens zet. Correcte spelling is een ander aspect van zoekvaardig- heden dat leerlingen niet alleen moeten kennen maar ook toepassen. Om goed te kunnen zoeken op internet,

moeten leerlingen ook de voor- en nadelen van andere zoekstrategieën kennen. Het intypen van een internet- adres kan soms handig zijn, net als het gebruik van een startpagina. Kinder- zoekmachines zijn met name voor jon- gere kinderen makkelijker te gebruiken omdat ze een beperkt aantal resultaten geven die al voorgeselecteerd zijn op geschiktheid voor kinderen. Voorbeel- den zijn Netwijs (www.netwijs.nl), Meester Sipke (www.meestersipke. nl) en Davindi, de zoekmachine van Kennisnet (www.davindi.nl). Derge- lijke zoekmachines zijn niet voor alle onderwerpen goed te gebruiken. Soms omvatten ze simpelweg niet zoveel sites, soms is de inhoud erg verbon- den met schoolse onderwerpen. Over mummies en hunebedden is dan wel genoeg te vinden, maar over games of gezonde voeding niet. Netwijs werkt bovendien met maar één trefwoord,

is dan wel genoeg te vinden, maar over games of gezonde voeding niet. Netwijs werkt bovendien
wat het zoeken nogal grofmazig maakt. Bovendien: kinderen gebruiken derge- lijke kinderzoekmachines niet in hun
wat het zoeken nogal grofmazig maakt. Bovendien: kinderen gebruiken derge- lijke kinderzoekmachines niet in hun

wat het zoeken nogal grofmazig maakt. Bovendien: kinderen gebruiken derge- lijke kinderzoekmachines niet in hun vrije tijd. Google is dan veruit favoriet

(Kuiper, 2007). Veel scholen besteden vooral aandacht aan leren zoeken op internet. Dat is

jammer: zoeken is slechts een begin dat leerlingen zich relatief snel eigen maken.

een begin dat leerlingen zich relatief snel eigen maken. Leesvaardigheden met betrekking tot het gebruik van

Leesvaardigheden met betrekking tot het gebruik van internet krij- gen meestal veel minder aandacht op school. Toch blijkt inmiddels uit onderzoek hoe belangrijk goed ‘internetlezen’ is op school (Coiro, 2003; Sutherland-Smith, 2002). Het is bovendien moeilijk: leerlingen van 13-14 jaar die hoog scoorden op zowel traditioneel begrijpend lezen als internetvaardigheden, bleken veel meer en ook andere leesactiviteiten te laten zien op internet dan bij het lezen van een gedrukte tekst (Coiro & Dobler, 2007). Bij lezen op internet gaat het om het goed leren gebruiken van links en menu’s, en om het goed en zinvol afwisselen van scannen en nauwkeurig lezen. Omdat het aanbod van informatie zo groot is, is goed scannen van tekst op trefwoorden van groot belang (Sutherland-Smith, 2002). Lezen begint echter al voor een leer- ling op een website terecht komt. Bij gebruik van Google is goed en handig

lezen van de zoekresultaten een eerste stap naar het vinden van relevante informatie. De kop en korte tekst bij elk zoekresultaat geven immers een goede indicatie van de inhoud van de site. Lezen op internet behelst natuurlijk ook ‘gewoon lezen’. Zelf zien leerlin- gen dat meestal anders. De uitspraak “ik gebruik liever internet dan boeken want op internet hoef ik niet te lezen” is daarvan een wel heel duidelijke illustratie. Onderzoek naar verschillen in leesprestaties bij het lezen van in- ternettekst versus gedrukte tekst is er nauwelijks. Wel blijkt dat kinderen op internet veel ‘niet-lezen’: ze zien ofwel belangrijke informatie over het hoofd of besteden juist veel aandacht aan irrelevante informatie (Kuiper, 2007).

Wat Weten We OVer

WebWijsheid in het PO en VO?

 Beoordelingsvaardigheden heb- ben betrekking op het beoordelen van internetinformatie op betrouwbaar- heid en

 Beoordelingsvaardigheden heb- ben betrekking op het beoordelen van internetinformatie op betrouwbaar- heid en
 Beoordelingsvaardigheden heb- ben betrekking op het beoordelen van internetinformatie op betrouwbaar- heid en

Beoordelingsvaardigheden heb- ben betrekking op het beoordelen van internetinformatie op betrouwbaar- heid en bruikbaarheid/relevantie. Uit zowel Nederlands als buitenlands onderzoek blijkt dat veel kinderen en jongeren nauwelijks kijken naar de betrouwbaarheid en ‘autoriteit’ van informatie die ze vinden op internet. Nederlandse cijfers laten zien dat 39% van de middelbare scholieren aangeeft nooit de informatie die ze vinden op internet te checken op betrouwbaar- heid; 42% doet dit soms. De twee meest genoemde redenen die scholie- ren noemen zijn de verwachting dat het wel zal kloppen als het op internet staat, en geen zin hebben om het te controleren (Malmberg/Motivaction, 2006). Uit buitenlands onderzoek blijkt dat ze ook niet de vaardigheden bezitten om dat te doen (bv. Metzger e.a., 2003; Shenton & Dixon, 2003; Pritchard & Cartwright, 2004). Ze we- ten niet waar ze op moeten letten en

hoe ze dan vervolgens kunnen weten of ze informatie wel en niet kunnen gebruiken. Dat is niet zo gek: aspecten als je afvragen wie nu eigenlijk de auteur is van de gevonden informatie en wat de achterliggende bedoeling is, zijn moeilijke voor leerlingen. Weliswaar ook belangrijk als je gedrukte informatiebronnen gebruikt (en een vast onderdeel van methoden voor begrijpend lezen), maar dan vaak meer een formaliteit dan ‘echt’ nodig. Ook het kunnen bepalen van de bruikbaarheid of relevantie van internetinformatie is een belangrijke vaardigheid, zeker gezien de enorme hoeveelheid informatie die eenvou- dig en snel beschikbaar is. Daarvoor moeten leerlingen in de eerste plaats begrijpen waar de gevonden informa- tie over gaat, en zich realiseren dat je iets dat je niet begrijpt, ook niet zonder meer kunt gebruiken.

gevonden informa- tie over gaat, en zich realiseren dat je iets dat je niet begrijpt, ook
gevonden informa- tie over gaat, en zich realiseren dat je iets dat je niet begrijpt, ook
Zoekstrategie Uit onderzoek blijkt dat leerlingen vaak erg wisselend presteren als ze op internet op

Zoekstrategie

Uit onderzoek blijkt dat leerlingen vaak erg wisselend presteren als ze op internet op zoek zijn naar antwoorden op een specifieke vraag (Kuiper, 2007). Ze beheersen handige vaardigheden als het formuleren van goede zoekwoorden of het scannen van webteksten vaak wel, maar gebruiken die in wisselende mate. Dat geldt voor zowel sterke als zwakkere leerlingen, en lijkt vooral samen te hangen met meer algemene kenmerken als flexibiliteit, geduld en het vermogen tot reflectie. Kinderen en jongeren die vast blijven houden aan een bepaalde strategie, of die juist ongeduldig van de ene website naar de andere doorklik- ken zonder zich af te vragen of dat wel zinvol is, zijn minder in staat relevante informatie te vinden. Dat wijst op het belang van meer algemene onderzoeks- vaardigheden, juist bij gebruik van internet als bron. Die vaardigheden ko- men niet vanzelf op school aan de orde. Internet in de klas maakt het noodzake- lijk dat wel te doen en geeft dat internet gelijk een duidelijke functie. Onderzoek doen met behulp van internet betekent aandacht voor alle vaardigheden die hierboven staan genoemd.

Hoe moeilijk dat is wordt geïllustreerd met het volgende voorbeeld: twee meis- jes uit groep 7 zijn op internet aan het zoeken naar het antwoord op een onder- zoeksvraag die ze zelf hebben bedacht, in het kader van het thema ‘gezond eten’. Ze willen weten wat het verschil is

tussen scharreleieren en legbatterijeie- ren. Op internet hebben ze een website gevonden waar in twee paragraafjes wordt uitgelegd wat scharreleieren res- pectievelijk legbatterijeieren zijn. Tot verbazing van de leerkracht die naast hen staat te kijken, klikken ze de website weg met de opmerking “dit kunnen we niet gebruiken”. Als de leerkracht vraagt waarom niet, is het antwoord: “Er staat wel wat scharreleieren zijn en wat leg- batterijeieren zijn, maar er staat niet wat het verschil is.” Dit voorbeeld illustreert ook dat kinde- ren en jongeren op internet vaak op zoek zijn naar ‘precies het juiste antwoord’, zonder zich te realiseren dat je dat antwoord meestal zelf zal moeten con- strueren met behulp van de informatie die je vindt (Hoffman e.a., 2003). Juist de omvang van internet geeft hen die illusie. Dat betekent dat je als docent niet alleen veel aandacht moet besteden aan het verwerken van die informatie, maar ook je bewust moet zijn van de invloed die je eigen inrichting van je onderwijs heeft op de manier waarop leerlingen met internet omgaan. Als leerlingen gewend zijn dat het op school gaat om ‘juiste antwoorden’, kun je niet verwachten dat ze internet op een on- derzoekende manier benaderen (Loveless e.a., 2001; Wallace e.a., 2000). Meer on- derzoekend, probleemgericht onderwijs waarin het resultaat (de juiste antwoor- den) niet belangrijker is dan het proces daar naartoe, past veel beter bij het gebruik van internet in de klas.

Wat Weten We OVer

WebWijsheid in het PO en VO?

daar naartoe, past veel beter bij het gebruik van internet in de klas. Wat Weten We

Webwijsheid in de les Hoe kun je op school aandacht besteden aan de genoemde vaardigheden?

Webwijsheid in de les

Hoe kun je op school aandacht besteden aan de genoemde vaardigheden? En hoe doe je dat op een manier die voor leerlingen zelf interessant en zinvol is? We zetten hier een aantal concrete sug- gesties op een rijtje.

suggesties voor internetgebruik in het basisonderwijs

• Begin vroeg! Wacht niet tot leerlingen in groep 6 of 7 zitten, maar begin met aandacht besteden aan internet op de leeftijd waarop kinderen daar thuis mee aan de gang gaan. Het kan aardig zijn om eens na te gaan wan- neer dat op de eigen school het geval is. Vanaf dat moment leren kinderen zichzelf met internet omgaan. Als je daar als school op kan inspringen, weten leerlingen al van jongs af aan wat daar van hen wordt verwacht op internetgebied.

• Beschouw internet als een tool: het (leren) gebruiken van internet heeft geen functie op zichzelf maar staat altijd ten dienste van een taak of opdracht. Dat betekent dat leerlingen geen losse internetlessen krijgen, maar dat ze vaardigheden als zoeken en beoordelen van informatie leren binnen een bepaalde taak.

• Stel voor alle leerlingen duidelijke eisen aan het gebruik van internet voor bijvoorbeeld een werkstuk. Re- gels als niet zomaar plakken en knip- pen van informatie en vermelden van bronnen worden op alle scholen wel

gehanteerd. Die regels moeten echter ‘leven’ voor leerlingen, anders wordt ‘in je eigen woorden schrijven’ niks meer dan een paar trucjes toepassen. Want waarom moet je niet zomaar plakken en knippen? En waarom is www.google.nl geen goede bronver- melding?

• Dat betekent dat je als docent met je leerlingen in gesprek moet: over wat zij vinden van internet, of ze het makkelijk of moeilijk vinden om te gebruiken, over wat het verschil is tussen internet en boeken. Over verschillende manieren om te zoeken op internet en hun voor- en nadelen. Maar ook over lezen op internet, of ze zelf het idee hebben dat ze op internet ‘lezen’, en zo niet, waarom niet. Over het verschil tussen het lezen van een boek en lezen op inter- net. Over wat wel en niet waar is, op internet en in boeken. Waarom is dat belangrijk als je internet gebruikt? Letten ze daar wel eens op, hoe zou je daarop kunnen letten? Door daar- over te praten geef je leerlingen de gelegenheid zelf over al die aspecten na te denken en met elkaar in discus- sie te gaan. Daarmee laat je merken dat je leerlingen serieus neemt.

• Gebruik daarbij als het kan een beamer, of een digitaal schoolbord. Op die manier kun je dergelijke dis- cussies verrijken, bijvoorbeeld door verschillende zoekstrategieën uit te proberen met leerlingen of door te

Wat Weten We OVer

WebWijsheid in het PO en VO?

verschillende zoekstrategieën uit te proberen met leerlingen of door te Wat Weten We OVer WebWijsheid in
verschillende zoekstrategieën uit te proberen met leerlingen of door te Wat Weten We OVer WebWijsheid in

 laten zien wat er allemaal bij komt kijken om een website goed te ‘lezen’
 laten zien wat er allemaal bij komt kijken om een website goed te ‘lezen’
 laten zien wat er allemaal bij komt kijken om een website goed te ‘lezen’

laten zien wat er allemaal bij komt kijken om een website goed te ‘lezen’ (Kuiper, 2007).

• Probeer vooral aan lezen en beoorde- len van internetinformatie aandacht te besteden. Zoeken is belangrijk, maar ook iets wat leerlingen mak- kelijker vanzelf leren. Lezen en beoordelen is niet iets wat ze uit zichzelf doen. Leg daarbij vooral ook de relatie met begrijpend lezen zoals leerlingen dat in de op school ge- bruikte methode aangereikt krijgen. Daarin zitten parallellen met kritisch lezen op internet.

• Bedenk als docent welke functie inter- net in een bepaalde les of opdracht heeft, en wat dat vraagt van je eigen voorbereiding. Wil je dat leerlingen iets leren over een vastgesteld onder- werp, bijvoorbeeld het leven van in- secten of Egyptische piramiden? Dan kan het zinvol zijn om van tevoren een aantal bruikbare websites op te zoeken waar leerlingen gericht zoe- ken. Wil je dat leerlingen aan de gang gaan met een eigen onderzoeksvraag binnen een bepaald thema? Over-

weeg dan om een portal te maken:

een brede verzameling websites over dat thema waar veel verschillende informatie te vinden is (zie bv. De Vries, 2004). En bedenk dat niet elke vraag geschikt is voor internet; voor sommige vragen kun je beter andere bronnen gebruiken.

• Maak voor jezelf ook een keuze tus- sen kennis als doel (leerlingen leren wat over een bepaald onderwerp) en vaardigheden als doel (leerlingen leren kritisch om te gaan met inter- netinformatie).

• Laat leerlingen zoveel mogelijk zelf ervaren dat ze bepaalde internetvaar- digheden nodig hebben. Als je een individueel werkstuk maakt dat alleen door de docent gezien wordt, is het voor een leerling heel makkelijk om gewoon informatie over te nemen zon- der je af te vragen of het wel bruik- baar en ‘waar’ is. Het is wel niet de bedoeling maar niemand heeft daar last van; je krijgt hoogstens een lager cijfer. Dat wordt anders als je iets maakt wat echt gebruikt gaat worden, door andere leerlingen, door ouders,

door mensen in de buurt. Stel je voor dat je als klas samen een voorlich-

door mensen in de buurt. Stel je voor dat je als klas samen een voorlich- tingsbrochure maakt over gezond eten. De brochure wordt als schoolkrant onder een breed publiek verspreid. Dan kun je als docent veel beter laten zien waarom de informatie die daarin staat, niet alleen leuk geschreven en goed leesbaar moet zijn, maar ook moet kloppen (zie ook Kuiper, 2006). Als leerlingen zelf producent wor- den van informatie, komen ze in een andere rol die als vanzelfsprekend andere vaardigheden van hen eist.

• Kinderen lijken aardig goed in te zien dat er websites zijn zijn die duidelijk gericht zijn op het ma- ken van reclame voor een bepaald product (Kuiper, 2007). De mooie animaties op de website van Lego of de gezonde mensen op de website van McDonalds doorzien ze vaak wel. Samen een aantal voorbeelden van meer informatieve websites bekijken kan hen inzicht geven in het feit dat álle websites een auteur hebben met een bepaalde bedoeling – of dat nu is om lid te worden van een politieke partij of van het Wereldnatuurfonds, om geld te geven aan het Astmafonds of de Dierenbescherming, of om je te laten zien hoe (on)gezond het eten van vlees is. Voorbeelden te over, en met behulp van een beamer eenvou- dig de klas in te brengen.

• Een simpele geheugensteun bij het werken op internet zijn de twee B’s

en de twee W’s: je vraagt je eerst af Wie de website heeft gemaakt en Waarom die website is gemaakt. En dan bepaal je of de informatie betrouwbaar en bruikbaar is (zie ook www.marant.nl/surfplank). Algemene richtlijnen voor ‘goede websites’ zijn dus niet te geven!

• Houd rekening met wat leerlingen al doen en kunnen! Verbieden of afraden van het gebruik van Google heeft weinig zin als kinderen het gewoon thuis doen. Dat geldt ook voor het benadrukken van het nut van kinder- zoekmachines: leerlingen hebben snel in de gaten dat je die niet voor alle onderwerpen kunt gebruiken.

suggesties voor internetgebruik in het voortgezet onderwijs

• In het voortgezet onderwijs is het om twee redenen lastiger om aandacht te besteden aan ‘webwijsheid’ dan in het basisonderwijs. Ten eerste zijn de leerlingen inmiddels zo ervaren en handig met internet dat ze zelf het idee hebben niks meer te hoeven leren op dat gebied. Ten tweede zorgt de vakkenstructuur voor een ver- snippering van aandacht en tijd. De aandacht voor internetgebruik komt dan vaak eerder van de mediathecaris dan van de docenten.

• Toch lopen ook in het voortgezet onderwijs docenten vaak tegen dezelfde problemen aan als in het basisonderwijs. Sommigen doen daar

Wat Weten We OVer

WebWijsheid in het PO en VO?

dezelfde problemen aan als in het basisonderwijs. Sommigen doen daar Wat Weten We OVer WebWijsheid in

0 op eigen initiatief wat aan, maar vaak ontbreekt daarvoor ook de tijd. Dat betekent

0

0 op eigen initiatief wat aan, maar vaak ontbreekt daarvoor ook de tijd. Dat betekent dat

op eigen initiatief wat aan, maar vaak ontbreekt daarvoor ook de tijd. Dat betekent dat het van belang is dat kritisch omgaan met internet schoolbreed als belangrijk beschouwd wordt. Maar ook individuele docenten kunnen het onderwerp verwerken in hun vakken. Met name vakken als Nederlands, geschiedenis, maatschap- pijleer en aardrijkskunde en biologie zijn daar geschikt voor.

• Realiseer je welke plaats internet in het dagelijks leven van leerlingen inneemt. Veel aspecten van internet die leerlingen zelf graag doen (MSN, een website maken, bloggen, mu- ziek downloaden, Youtube, Myspace, spelen van online games zoals World of Warcraft) hebben geen plaats in het onderwijs. Dat kan gaan wrin- gen op het moment dat docenten een ‘schools’ gebruik van internet vragen: informatie zoeken omdat dat voor school moet, volgens op school geldende normen. Wees je daarvan bewust als docent: blijf met leerlin- gen vooral ook in gesprek over wat zij graag op internet doen. Erken de vaardigheden die ze bezitten, en heb inzicht in de verschillen tussen ge- bruik van internet thuis en op school.

• Net als in het basisonderwijs zijn de regels voor internetgebruik vaak wel duidelijk voor leerlingen, maar is het de kunst om het belang van die regels te laten zien. Dat kan wel in wat andere termen: knippen-en-plakken

wordt plagiaat. Een discussie in een les Nederlands over copyright, pla- giaat en aanverwante termen is dan een manier om leerlingen het belang daarvan te laten inzien.

• Ook in het voortgezet onderwijs is het belangrijk dat leerlingen de rol krijgen van auteur van informatie die door anderen gebruikt kan worden. Laat leerlingen voor bijvoorbeeld het vak geschiedenis eens iets anders doen dan het ‘gewone’ werkstuk schrijven. Geef ze de opdracht om in groepjes een database te maken rond een bepaald onderwerp die door andere leerlingen gebruikt kan worden. Dat kan aanleiding zijn om eens goed met elkaar te kijken waar een dergelijke database aan moet voldoen: welke criteria hanteer je bij het selecteren van websites? Voor welke doelgroep maak je de database en wat betekent dat voor die criteria? Hoe beoordeel je of een website ge- schikt is? Een dergelijke opdracht is in aangepaste vorm ook geschikt voor groep 7 of 8 van het basisonderwijs.

• Een vergelijkbare maar meer klein- schalige, individuele opdracht is om in plaats van een werkstuk te maken, alleen een verzameling internetbron- nen rond een onderwerp te zoeken. Die bronnen moeten dan wel voorzien worden van een toelichting waarin de leerling aangeeft waarom dit een relevante en betrouwbare bron is. Daaraan vooraf kan een klassikale les

waarin de leerling aangeeft waarom dit een relevante en betrouwbare bron is. Daaraan vooraf kan een

gaan met discussie over de criteria die je daarbij hanteert. Ook deze opdracht kan gebruikt worden in de bovenbouw van het basisonderwijs.

• Laat leerlingen een les maken voor kinderen van een basisschool in de buurt over kritisch internet gebrui- ken. Wat moet er allemaal in zo’n les? Op welke manier kun je daar aandacht aan besteden? Door een andere rol in te nemen, spreek je leerlingen aan op wat ze zelf weten en beheersen op internetgebied. Bovendien roept een dergelijke opdracht discussie op over wat dat nu eigenlijk is, kritisch internet gebruiken.

• Geef leerlingen in tweetallen of kleine groepjes de opdracht om twee

in tweetallen of kleine groepjes de opdracht om twee websites over eenzelfde onderwerp te beoordelen op

websites over eenzelfde onderwerp te beoordelen op bruikbaarheid en betrouwbaarheid; één website is een serieuze website, de andere is ofwel een ‘hoax’ (een fake-website) ofwel een discutabele website (onderwer- pen als de Tweede Wereldoorlog of Martin Luther King zijn daar – helaas – goede onderwerpen voor). Laat ze met behulp van een beamer een korte presentatie houden over hun bevin- dingen, met aansluitend discussie.

presentatie houden over hun bevin- dingen, met aansluitend discussie. Wat Weten We OVer WebWijsheid in het

Wat Weten We OVer

WebWijsheid in het PO en VO?

Wat weten we nu en hoe verder? een samenvatting

Internet is een andersoortige onderwijs- kundige tool dan traditionele informa- tiebronnen. Verschillen zitten vooral in de omvang, structuur, actualiteit, toegankelijkheid, hypertext en visueel karakter. Wat zijn de gevolgen van deze kenmerken? Kinderen ‘verdwalen’ vaak op internet. Het feit dat je met weinig moeite toegang krijgt tot veel infor- matie geeft de illusie dat het inter- net ‘makkelijk’ bruikbaar is. Door de hoeveelheid informatie die te vinden is denken leerlingen ook vaak dat ze veel weten als ze de informatie gevonden hebben. Leren vereist echter dat kinde- ren wat met informatie ‘doen’, zodat het kan leiden tot kennis en inzicht.

het nodig om goed te kunnen functio- neren in de huidige informatiesamen- leving. Webwijsheid is te zien als een onderdeel van het bredere mediawijs- heid en dient goed burgerschap.

Hoe kun je als school aandacht besteden aan de genoemde vaardigheden? Dit kan o.a. door het internet ten dienste van een opdracht of taak te gebruiken en niet als doel op zich. Maar ook door duidelijke eisen aan internetgebruik te stellen en zoekstrategieën in de les met gebruik van beamer of smartboard te bespreken. Daarnaast is het belangrijk als docent te bedenken welke functie internet in de les heeft. Laat leerlin- gen zien dat alle websites een auteur hebben met een bepaalde bedoeling. Een geheugensteun voor het werken met internet zijn de twee B’s en de twee W’s: Wie (wie heeft de website ge- maakt?), Waarom (waarom is de website gemaakt?), Betrouwbaar (is de informa- tie betrouwbaar?), Bruikbaar (kan ik de informatie gebruiken?). Daarnaast is het belangrijk te realiseren dat op school het internet vaak anders gebruikt wordt dan thuis.

toekomstige ontwikkelingen

Internet verandert sneller dan onder- zoekers en ontwikkelaars kunnen bijbe- nen. Dat betekent ook dat het ontwik- kelen van een ‘methode webwijsheid’ weinig zinvol is. Docenten zullen deels hun eigen creativiteit moeten gebruiken

Zodra leerlingen informatie gelijk schakelen aan kennis, ervaren docen- ten een probleem. Vaak zien leerlingen internet als een autoriteit en missen ze vaardigheden om websites kritisch te beoordelen. Een duidelijke lineaire structuur ontbreekt vaak op websites, geduld bij het zoeken naar informatie op websites is dus van belang. Vaak se- lecteren kinderen een site op basis van plaatjes. Dit betekent dat kinderen wel in staat moeten zijn om de betekenis van visuele elementen te kunnen beoordelen en begrijpen. Grofweg kun je stellen dat drie soorten vaardigheid deel uitmaken van ‘webwijsheid’: zoekvaardigheden, leesvaardigheden en beoordelingsvaar- digheden. Webwijsheid gaat verder dan de onderwijssituatie. Leerlingen hebben

Wat Weten We OVer

WebWijsheid in het PO en VO?

Webwijsheid gaat verder dan de onderwijssituatie. Leerlingen hebben Wat Weten We OVer WebWijsheid in het PO

 om de bovenstaande tips en ideeën vorm te geven. Een website die je aan

om de bovenstaande tips en ideeën vorm te geven. Een website die je aan het begin van het jaar zo goed hebt kunnen gebruiken, kan immers een half jaar later verdwenen of veranderd zijn. Dat betekent ook dat het vooral gaat om het vasthouden en ontwikkelen van de rode lijnen: wat wil je leerlingen leren en waarom? Hoe sluit je aan bij de manier waarop leerlingen buiten school met internet bezig zijn? En hoe richt je je onderwijs zo in dat leerlingen echt ‘webwijzer’ worden? Onderzoekers en ontwikkelaars kunnen docenten daarbij ondersteunen door samen met hen te zoeken naar bruikbare antwoorden in de eigen praktijk. Deze brochure kan daarbij dienen als een vertrekpunt.

Vraagstukken Kennisrotonde

De Kennisrotonde is de virtuele rotonde van Kennisnet Ict op school. PO- en VO-scholen kunnen hier ict-vragen

indienen. De volgende vraagstukken over webwijsheid en internetgebruik zijn door PO- en VO-scholen ingediend bij de Kennisrotonde:

www.kennisrotonde.nl/snel/internet-

gebruikers

www.kennisrotonde.nl/snel/web2.0

www.kennisrotonde.nl/snel/identiteit

Sluit u aan bij deze vraagstukken en deel in de kennis. Ga naar www. kennisrotonde.nl voor meer informatie over andere vraagstukken.

bij deze vraagstukken en deel in de kennis. Ga naar www. kennisrotonde.nl voor meer informatie over
bij deze vraagstukken en deel in de kennis. Ga naar www. kennisrotonde.nl voor meer informatie over

Praktische handvatten

handige internetadressen:

een selectie

www.ictenonderwijs.nl. De website van Margreet van den Berg, adviseur op het gebied van onderwijs en ict. Een praktische en inzichtelijke web- site voor zowel docenten als leerlin- gen, met veel informatie en tips over goed gebruik maken van internet.

• Bij het Ruud de Moorcentrum van de Open Universiteit is in 2005 een publicatie verschenen over informa- tievaardigheden in het voortgezet onderwijs: Door de bomen het bos. Het kan een boekje worden gedown- load en besteld via www.ou.nl/rdmc.

• Centrum voor educatieve dienst- verlening Marant heeft een website ontwikkeld waar leerlingen kunnen kennismaken met allerlei aspecten van kritisch internetgebruik: www. marant.nl/surfplank. De ondersteu- ning van de leerkracht is niet vrij toegankelijk; informatie over toegang via www.marant.nl.

www.big6.com. Big6 is een met name in de VS veel gebruikte benadering voor het aanleren en gebruiken van aan internet gerelateerde informa- tievaardigheden. Veel aandacht voor onderzoeksvaardigheden en probleem oplossen, en voor het gebruik van in- ternet op school. Uitgebreide website met veel voorbeelden.

• Stichting ReklameRakkers/MediaMak- kers richt zich onder meer op het

bevorderen van mediawijsheid bij leerlingen van basis- en voortge- zet onderwijs. Via de stichting kan lesmateriaal opgevraagd worden en meer informatie over de onlangs ont- wikkelde opleiding tot mediacoach:

www.reclamerakkers.nl.

www.webdetective.nl is een door de Openbare Bibliotheek Overijs- sel ontwikkelde handleiding (voor leerlingen VO) over kritisch omgaan met internetbronnen, met praktische oefeningen.

www.webquests.org; www.webkwestie.nl. Een webquest is een onderzoeksgerichte opdracht waarbij een groot deel van de infor- matie afkomstig is van internetbron- nen. Een webquest is niet primair gericht op het kritisch leren omgaan met internet, maar kan daarvoor wel worden gebruikt.

• De publicatie Mijn leerling online van Justine Pardoen en Remco Pijpers gaat in op allerlei aspecten van inter- netgebruik in het (basis)onderwijs, waaronder veiligheid en het ont- wikkelen van een kritische houding. De website mijnleerlingonline.nl is gelinkt aan Planet Internet (www. planet.nl) en wordt ondersteund door KPN. Op de website bevat veel verwijzingen naar bruikbare inter- netbronnen.

• In Nederland heeft het Expertise- centrum Nederlands een cdrom uitgebracht over het integreren

Wat Weten We OVer

WebWijsheid in het PO en VO?

van taal en zaakvakken met behulp van webquests: zie www. taalonderwijs.nl.

• Er zijn op internet veel checklists te vinden voor het beoordelen van de betrouwbaarheid van internetinfor- matie. De al genoemde Webdetective bevat zo’n lijst, een voorbeeld van een Engelstalige bron is www.quick. org.uk/menu. Heel handig - maar rea- liseer je goed dat webwijsheid juist impliceert dat leerlingen zèlf leren nadenken over de bruikbaarheid en betrouwbaarheid van internetinfor- matie. Dat betekent bijvoorbeeld dat je websites van bedrijven niet zonder meer classificeert als ‘onbruikbaar’, en dat leerlingen inzien dat vrij- wel alle informatie op internet een bepaald, al dan niet commercieel, doel dient. De genoemde checklists zijn vooral bruikbaar bij het (leren) onderscheiden van soorten inter- netinformatie en kunnen een goed opstapje vormen voor discussies met leerlingen.

www.iksurfveilig.nl: een website over veilig internetgebruik voor kinderen met specifiek aandacht voor het Diploma Veilig Internet.

: een website over veilig internetgebruik voor kinderen met specifiek aandacht voor het Diploma Veilig Internet.
: een website over veilig internetgebruik voor kinderen met specifiek aandacht voor het Diploma Veilig Internet.
: een website over veilig internetgebruik voor kinderen met specifiek aandacht voor het Diploma Veilig Internet.

Verwijzingen en geraadpleegde bronnen

Literatuur

Boschma, J. & Groen, I. (2006). Genera- tie Einstein: slimmer, sneller, socialer. Communiceren met jongeren van de 21e eeuw. Amsterdam: Pearson Education.

resource in K-12 education: strategies for supporting students in searching and processing information. Review of Educational research, 75(3), 285-328.

Coiro, J. (2003). Reading comprehension on the Internet: Expanding our under- standing of reading comprehension to encompass new literacies. The Reading Teacher, 56(6). http://www. readingonline.org/electronic/ elec_index.asp?HREF=/electronic/RT/

2-03_column/index.html.

Coiro, J., & Dobler, B. (2007). Exploring the online reading comprehension strategies used by sixth-grade skil- led readers to search for and locate information on the Internet. Reading Research Quarterly, 42(2), 214-257.

Gree, H. & Hannon, C. (2007). Their space. Education for a digital genera- tion. London: Demos. Te downloaden via www.demos.co.uk .

Hoffman, J.L., Wu, H.-K., Krajcik, J.S. & Soloway, E. (2003). The nature of middle school learners’ science content under- standings with the use of on-line re- sources. Journal of Research in Science Teaching, 40(3), 323-346.

Kuiper, E., Volman, M. & Terwel, J. (2005). The Web as an information

Kuiper, E. (2006). Kritisch internet leren gebruiken in de bovenbouw. Zone, Tijdschrift voor Ontwikkelingsgericht Onderwijs, 5(3), 8-11.

Kuiper, E. (2007). Teaching Web literacy in primary education. Proefschrift. Amsterdam: Vrije Universiteit.

Kuiper, E. & Volman, M. (in press). The Web as a source of information for students in K-12 education. In: D. Leu, J. Coiro, M. Knobel & C. Lankshear (Eds.), Handbook of Research in New Literacies. Mahwah, NJ: Lawrence Erlbaum Ass.

Laurillard, D. (1998). Multimedia and the learner’s experience of narrative. Computers & Education, 31, 229–242.

Leu, D.J., Jr., Kinzer, C.K., Coiro, J., & Cammack, D.W. (2004). Toward a theory of new literacies emerging from the Internet and other information and communication technologies. In R.B. Ruddell, & N. Unrau (Eds.), Theoretical models and processes of reading (5th ed., pp. 1570-1613). Newark, DE: Inter- national Reading Association. Download op: http://www.readingonline.org/ newliteracies/lit_index.asp?HREF=leu/

Wat Weten We OVer

WebWijsheid in het PO en VO?

op: http://www.readingonline.org/ newliteracies/lit_index.asp?HREF=leu/ Wat Weten We OVer WebWijsheid in het PO en VO?
op: http://www.readingonline.org/ newliteracies/lit_index.asp?HREF=leu/ Wat Weten We OVer WebWijsheid in het PO en VO?

 Loveless, A., DeVoogd, G. L., & Bohlin, R. M. (2001). Something old, something new…

Loveless, A., DeVoogd, G. L., & Bohlin,

R. M. (2001). Something old, something

new… Is pedagogy affected by ICT? In A. Loveless & V. Ellis (Eds.), ICT, pedagogy and the curriculum: Subject to change (pp. 63–83). London: Routledge Falmer.

Metzger, M.J., Flanagin, A.J. & Zwarun,

L. (2003). College student Web use,

perceptions of information credibility, and verification behavior. Computers & Education, 41, 271-290.

Pritchard, A. & Cartwright, V. (2004). Transforming that they read: helping eleven-year-olds engage with Internet information. Literacy, 38(1), 26-31.

Raad voor Cultuur (2005). Mediawijs- heid. De ontwikkeling van nieuw burger- schap. Den Haag: Raad voor Cultuur.

Shenton & Dixon 2003 Shenton, A.K. & Dixon, P. (2003). A comparison of young- sters’ use of CD-ROM and the Internet as information resources. Journal of the American Society for Information Science and Technology, 54(11), 1029-

1049.

Sorapure, M., Inglesby. P., & Yatchisin, G. (1998). Web literacy: Challenges and opportunities for research in a new medium. Computers and Composition, 15, 409–424.

Sutherland-Smith, W. (2002). Weaving the literacy Web: Changes in reading from page to screen. The Reading Tea- cher, 55(7), 662–669.

Veen, W. & Jacobs, F. Leren van jongeren. SURF-reeks nr. 10. Te downloaden via www.surf.nl.

Vries, B. de (2005). Opportunities for Reflection: E-mail and the web in the primary classroom. Proefschrift. Univer- siteit Twente.

Wallace, R.M., Kupperman, J., Krajcik, J. & Soloway, E. (2000). Science on the Web: students on-line in a sixth-grade classroom. The Journal of the Learning Sciences, 9(1), 75-104.

Science on the Web: students on-line in a sixth-grade classroom. The Journal of the Learning Sciences

Colofon

tekst Els Kuiper, Vrije Universiteit Amsterdam

Uitgave Stichting Kennisnet Ict op school

Opmaak Point to Point Communicatie, Joost Kuijpers

druk OBT BV, Den Haag

In opdracht van Stichting Kennisnet Ict op school www.ictopschool.net www.kennisrotonde.nl

Copyright: Stichting Kennisnet Ict op school, juni 2007

Overname- indien niet voor commerciële doeleinden- is toegestaan onder bronvermelding.

Kennisnet Ict op school, juni 2007 Overname- indien niet voor commerciële doeleinden- is toegestaan onder bronvermelding.

stichting Kennisnet ict op school

POstadres

Postbus 00 at Zoetermeer

beZOeKadres

Paletsingel nt Zoetermeer

t

(0) 0

F

(0)

e

kennisrotonde@ictopschool.net

www.kennisrotonde.nl

nt Zoetermeer t (0)  0  F (0)    e kennisrotonde@ictopschool.net www.kennisrotonde.nl
nt Zoetermeer t (0)  0  F (0)    e kennisrotonde@ictopschool.net www.kennisrotonde.nl
nt Zoetermeer t (0)  0  F (0)    e kennisrotonde@ictopschool.net www.kennisrotonde.nl