You are on page 1of 8

1

Gaven van de Geest - Missen we iets in de kerk?


door ds. J. van der Wal, CGK Enschede-West

(Onderstaand artikel is gebaseerd op een inleiding die werd gehouden voor het
district Twente van de chr. geref. mannenverenigingen op woensdag 2 april 2008)

INHOUD

De vraag 1
Enkele voorvallen 2
Hoe arm of hoe rijk zijn wij (n.a.v. met name Ouweneel, “Meer Geest in de gemeenten”) 2
Wat Gods Woord ons leert over de Heilige Geest 3
Vervuld met de Geest 4
Efeziërs 3:14-16 4
De gereformeerde belijdenis 5
Hoe we de Geest kunnen bedroeven 6
De gaven van de Geest - het drieledige doel 7
Ontwikkeling van gaven 7
Ten slotte 8
Vragen ter overweging 8
Boeken 8

De vraag
“Bent u gedoopt met de Heilige Geest?” Even is het stil. Dan: “...eh, ja, in de naam
van de Vader, de Zoon en de Heilige Geest...” Het is duidelijk dat de vragensteller op
iets anders doelde. Niet de ‘gewone’ waterdoop, maar de doop met de Geest
waardoor je deel krijgt aan bijzondere gaven, zoals de tongentaal. Het was jaren
geleden, toen ik meedeed aan campingevangelisatie op de toenmalige camping
Ockenburg in Den Haag, dat een Pinksterbroeder mij dit vroeg. Bij alle waardering
voor elkaar kwamen we hier op een verschil van inzicht. Maar de vraag bleef bij mij
hangen: Ik geloof in de Here Jezus, ik ben gedoopt, heb belijdenis gedaan, maar mis
ik dan toch nog iets? We zouden vanuit onze gereformeerde overtuiging meteen
kunnen zeggen: Natuurlijk niet, de Geest neemt uit Christus, verkondigt Christus en
is de Geest van Christus. Toch klinkt ook in deze tijd nog vaak het geluid: wat de
kerk mist, is de aandacht voor de Persoon en het werk van de Heilige Geest.
Binnen de Protestantse Kerk Nederland (PKN) heb je het Evangelisch Werkverband,
dat graag wil bevorderen dat de (bijzondere) gaven van de Geest een nadrukkelijker
plaats in de kerk krijgen. Vanuit de Ned. geref. kerk in Houten ontstond de New Wine
beweging, die min of meer hetzelfde beoogt. De New Wine beweging heeft veel
aanhang ook onder kerkleden en predikanten van onze chr. geref. kerken. Ds.
Willem Smouter, NGK-predikant in Apeldoorn en bestuurslid van New Wine, deed
vorig jaar het boek verschijnen getiteld “Herstelwerk”. Daarin zegt hij veel over het
werk van de Geest dat heel ‘gereformeerd’ klinkt, maar besteedt ook apart aandacht
aan de ‘bediening van het gebed’ (‘gebedsministry’), waar we in onze kring minder
mee vertrouwd zijn. Verder is te denken aan de boeken van dr. W.J. Ouweneel,
‘Meer Geest in de gemeenten’, en ‘De Geest van God’. Het laatstgenoemde boek is
een eerste deel in een ‘evangelische dogmatiek’ waaraan dr. Ouweneel werkt. Dr.
Ouweneel trekt met zijn bijbellezingen in het land (onlangs nog in Rijssen) volle zalen
en heeft ook binnen de gereformeerde gezindte veel sympathisanten. Ouweneel
spreekt in zijn boek “De Geest van God” van onderdrukking van de Geest in de
2

protestantse kerken, maar juicht daartegenover initiatieven als van het Evangelisch
Werkverband toe. Het is ‘in de evangelische beweging ook niet alles’, en daarom is
het volgens hem heel goed dat binnen de protestantse kerken een evangelicalisering
plaatsvindt. Al deze ontwikkelingen maken dat we ons niet kunnen ontrekken aan de
vragen rond de gaven van de Geest. Missen we inderdaad iets in de kerk?

Enkele voorvallen
Soms doen zich situaties voor die ons direct voor vragen stellen.
Enkele jaren geleden bezocht een Syrische vrouw onze kerk. Ze zocht een kerk om
te kunnen bidden voor haar ernstig zieke dochtertje. Ze was daartoe aangemoedigd
door evangelische christenen, die ze in het ziekenhuis had ontmoet. Die hadden haar
ook duidelijk weten te maken, dat ze daar moest vragen naar mensen met een
“genezingsbediening.” Zo kwam ze, in gebrekkig Nederlands, met de vraag bij ons:
“Hebben jullie hier iemand die de bediening van gebedsgenezing heeft?”
Die hadden we dus niet, en we voelden ons verlegen met de vraag. Bidden wilden
we zeker, en ze is ook regelmatig in onze kerk geweest. We hebben haar bezocht en
toen haar dochtertje stierf, heeft de begrafenis vanuit onze kerk plaatsgevonden. De
vraag blijft: Hadden we toen niet meer kunnen of moeten betekenen?
Verder hoorde ik eens van een situatie waarbij iemand ernstige psychische
problemen had. Vanuit de gemeente werd de vraag gesteld of er sprake kon zijn van
demonische of occulte bindingen. Iemand zocht daarop contact met de
Bethelgemeente van ds. Bottenbleij in Drachten, waar men een gespecialiseerd team
heeft dat zich bezighoudt met bevrijdingspastoraat – iets wat wij dus niet hebben! Het
team van de gemeente daar stelde overigens vast dat van occulte bindingen geen
sprake was. Naar aanleiding van deze gebeurtenis kwam wel de vraag boven:
luisteren we te weinig naar Gods woord, dat we geen aandacht hebben voor
bevrijdingspastoraat?
Bij deze voorvallen kunnen we gauw in de verleiding komen om vanuit onze
gereformeerde gedachtegoed heel afwijzend of verdedigend te reageren. Zouden we
ons niet in alle eerlijkheid moeten afvragen of we, ons vasthoudend aan onze
belijdenis, toch niet iets verwaarlozen? Zou de belangstelling voor het evangelische
geluid ook te maken kunnen hebben met een reactie op eenzijdigheden van onze
kant?

Hoe arm of hoe rijk zijn wij?


Aan het begin van zijn boek ‘Meer Geest in de gemeenten’ geeft Ouweneel het
voorbeeld van een arme vrouw, wier zoon naar Australië emigreert. Hij wordt daar
rijk en stuurt zijn arme moeder een obligatie. De vrouw heeft geen idee wat dat stuk
papier voorstelt en hoeveel geld dat waard is, maar omdat het van haar zoon is lijst
ze het in en hangt het aan de muur. Later sterft ze, en ze heeft nooit beseft hoe rijk
ze eigenlijk was... Volgens Ouweneel is dit een voorbeeld voor de kerken, die niet
beseffen hoe rijk ze kunnen zijn door de gaven van de Geest.
Hij spreekt over “Geestvervulde gemeenten” tegenover “starre, traditionele
gemeenten”. De laatsten zijn, ‘’voor zover ze nog érgens op gericht zijn, op zichzelf
gericht’, de eersten zijn vooral naar Boven (aanbidding) en naar Buiten (getuigenis)
gericht.
Volgens Ouweneel zijn bij een Geestvervulde gemeente 8 doelen op te merken:
1. Het is een biddende gemeente: niet alleen wordt er in de dienst en persoonlijk
gebeden, maar ook is er een grote deelname aan gebedsgroepen of –
bijeenkomsten.
3

2. Er is goede zorg voor elkaar en omzien naar elkaarr. De gemeente functioneert


als een gemeenschap met een open communicatie naar elkaar.
3. Er is sprake van geestelijk bewust, dienend en zelfbewust leiderschap.
4. In de samenkomsten is veel ruimte voor gebed en voorbede, persoonlijke uitingen
van de Geest, getuigenissen, aanbidding, doop en avondmaal, Geestvervulde
prediking
5. De gemeente geeft invulling, individueel en gezamenlijjk, aan discipelschap
6. De prediking is uitleggend en confronterend.
7. Er is grote offerbereidheid en vrijgevigheid
8. De gemeente is naar buiten gericht in evangelisatie en dienstbetoon.
We herkennen iets van de acht ‘kwaliteitskenmerken’ van Christian Schwarz
(Natuurlijke gemeenteontwikkeling), maar Ouweneel vult deze wel geheel op zijn
eigen wijze en meer bijbels in. De punten die worden genoemd, mogen ook ons aan
het hart gaan. Voor een groot deel kunnen we van harte instemmen met Ouweneel.
Heel jammer is het wel dat hij op een gegeven moment toch veel nadruk legt op de
(bijzondere) gaven en minder op Christus, hoewel hij nadrukkelijk blijft zeggen dat de
Geest op de verheerlijking van Christus is gericht. Wat missen we dan als we ‘in
Christus’ zijn? Zijn er dan toch nog extra gaven die daar bovenuit stijgen? Ergens
wringt iets.
Teleurstellend is het als Ouweneel zich afzet tegen de traditionele kerken en de
reformatorische traditie. Dat roept bij ons vragen op. Waarin ligt de ergernis?
Op een gegeven moment brengt Ouweneel de doop ter sprake. Al wijst hij in de
genoemde boeken de kinderdoop niet expliciet af – om kennelijk christenen in de
protestantse kerken te vriend te houden – hij stelt wel de vraag: zou je niet de
gelovigendoop willen ontvangen?
Het valt op dat in evangelische boeken over de Geest vaker prikkelende of zelfs
negatieve opmerkingen richting de kerken worden gemaakt. Het roept de vraag op
waarvoor dat nodig is. Te denken is aan een boekje van Derek Prince, ‘De doop met
de Heilige Geest’. Voor een groot deel kunnen we de inhoud van harte
onderschrijven. Tot we ineens een paragraaf tegenkomen, waarin staat: “Dit is toch
heel anders dan wat je in de kerken tegenkomt...”.
In ‘De Geest van God’ komen we de theologische wortels van Ouweneel meer op het
spoor. Dan zet hij ineens in met een afwijzing van het zgn. ‘filioque’, dat is de regel
uit de geloofsbelijdenis van Nicea-Constantinopel dat de Geest uitgaat van de Vader
‘en de Zoon’ (latijn: Filioque – en van de Zoon). Kennelijk wringt het bij Ouweneel
dan toch bij het fundamentele belijden van de kerk dat het werk van de Geest
helemaal op Christus en daarmee op de Vader is gericht.

Wat Gods Woord ons leert over de Heilige Geest


Heel belangrijk zijn de hoofdstukken Johannes 14 t/m 16, waar Jezus spreekt over
de Trooster die Hij zenden zal wanneer Hij ten hemel is opgevaren. Hier horen we
van Jezus wat de Trooster, de Heilige Geest zal doen: Hij zal de wereld overtuigen
van zonde, gerechtigheid en oordeel. Hij zal ‘uit het Mijne nemen en het u
verkondigen’. En: ‘de toekomst zal Hij u verkondigen’. Richtinggevend zijn de
woorden uit Rom. 8: ‘die Geest getuigt met onze geest dat we kinderen Gods zijn’.
Deze Geest van het zoonschap staat tegenover een geest van slavernij. Daaruit
leren we dat we door de Geest zekerheid ontvangen in onze relatie met God, door de
Geest leven we niet in veroordeling maar in genade en vrijheid. In hetzelfde
hoofdstuk gaat het over het pleiten van de Geest voor ons. Hij is onze Hulp bij ons
bidden en geeft ons kracht om van de Here te getuigen.
4

In Galaten 5 werkt Paulus uit wat de vrucht van de Geest betekent. In 1 Kor. 12 en
Rom. 12 vinden we een opsomming van de gaven van de Geest die Hij geeft om de
gemeente als lichaam van Christus te functioneren.
Al deze gedeelten onderstrepen dat het werk van de Geest niet kan worden gemist.
Een gemeente die het leven door de Geest niet kent, is geen levende gemeente van
Christus. Vandaar het appèl: ‘Wordt vervuld met de Geest’ (Ef. 5:18);
‘Bedroeft de Heilige Geest Gods niet’ (Ef. 4:30); ‘Dooft de Geest niet uit’ (1 Thess.
5:19).

Vervuld met de Geest


Het is dus een belangrijke vraag: zijn wij vervuld met de Geest?
In dit verband is het belangrijk op te merken, dat we de ‘doop met de Geest’ niet
moeten verwarren met de vervulling met de Geest.
De doop met de Geest is niet een apart gebeuren, een ‘second blessing’ die nog
komen moet nadat we tot geloof in Christus gekomen zijn. Dat komen we in
Pinksterkringen tegen, denk aan de opmerking van die broeder die ik aan het begin
noemde.
Johannes de Doper noemt Degene die na hem komt, ‘Die zal u dopen met de Heilige
Geest en met vuur’. Dan gaat het over de grote gave van het nieuwe verbond. Bij
Paulus komen we de doop met de Geest maar eenmaal expliciet tegen. In 1 Kor. 12
staat dat we door de Geest tot één lichaam zijn gedoopt. De doop met de Geest
geldt dus álle leden en niet enkele leden van het lichaam die bijzondere gaven
hebben. De doop met de Geest drukt het voorrecht uit om tot de gemeente van het
nieuwe verbond te horen. Maar uit die rijkdom moet wel worden geput. Vandaar de
oproep aan diezelfde gemeente: laat u vervullen met de Heilige Geest.
Wanneer zijn we vervuld met de Heilige Geest? Het moge duidelijk zijn dat de Geest
nooit zichzelf in het middelpunt zet. De Geest maakt ons geen supermensen, maar
juist mensen die zeggen: niet meer mijn ik, maar Christus leeft in mij (Gal. 2:20). Uit
de Geest leven is steeds weer zeggen: Hij moet wassen, ik moet minder worden.
Als je vol bent van de Geest dan gaat het niet om hogere sferen waarin je terecht
komt, of om een bepaalde geestelijke status die je hebt bereikt.
We kunnen ons niet aan de indruk onttrekken dat in kringen waar veel aandacht voor
de Geest ook het eigen ik behoorlijk in het middelpunt staat. Ik neem U aan, ik noem
U mijn Verlosser, Ik loof U, Ik aanbid U...
In alle eerlijkheid moet in het licht van de Schrift de vraag worden gesteld: zit er niet
veel bij van de geest van de tijd, de geest van het individualisme en misschien zelfs
van narcisme (= overdreven of ziekelijke liefde voor het eigen ik) ?
Vol van de Geest zijn mensen die niet zichzelf in het middelpunt plaatsen. Die zich
steeds weer willen en moeten laten vervullen, om beheerst te worden door de Geest
van Christus, die een Geest van liefde, geduld, zachtmoedigheid en ootmoed is, en
die ons echte aanbidding leert, die ons doet zeggen: Hoe groot zijt Gij! Dan zijn we
Godvrezende mensen, mensen die de vreze des Heren, het ontzag voor Hem,
kennen als het beginsel van alle wijsheid.

Efeziërs 3:14-16
Aparte aandacht geven we in dit hoofdstuk, omdat we hierin een heel evenwichtig
spreken tegenkomen over de verhouding van Vader, Zoon en Heilige Geest.
We lezen Ef. 3:14-16:
...opdat Hij u geve naar de rijkdom van zijn heerlijkheid
met kracht gesterkt te worden
5

door Zijn Geest in de inwendige mens


opdat Christus door het geloof in uw harten woning make.
Geworteld en gegrond in de liefde
Zult gij samen met alle heiligen in staat zijn te vatten hoe groot de breedte en lengte
en hoogte en diepte zij
En te kennen de liefde van Christus die de kennis te boven gaat
Opdat gij vervuld wordt tot alle volheid Gods

We vinden hier een aantal belangrijke principes van het werk van de Geest.
a. We lezen hier een gebed om de Geest dat tot de Vader is gericht. Het is een
gebed met het oog op de rijkdom van de heerlijkheid van de Vader.
b. Door de Geest maakt Christus woning in ons hart. Het werk van de Geest is
helemaal op Christus gericht
c. De Geest geeft kracht van binnen
d. De uitwerking in de liefde
e. Het ‘samen met alle heiligen’ onderstreept dat het werk van de Geest geen
individueel gebeuren is, maar een plaats heeft binnen de geloofsgemeenschap.
f. De liefde van Christus is het doel
g. En daarmee de volheid van God: de hoogste bestemming die Hij voor ons heeft,
de vernieuwing naar zijn beeld, de geestelijke volwassenheid, vast geworteld in het
fundament van Christus.

De gereformeerde belijdenis
Doet de gereformeerde belijdenis het werk van de Geest te kort? Je zou het denken
als je de kritische geluiden soms hoort. Het is waar dat de (bijzondere) gaven van de
Geest in de Nederlandse Geloofsbelijdenis en de Heidelbergse Catechismus niet
worden uitgewerkt. Calvijn heeft in zijn Institutie een apart boek over de Heilige
Geest, en wordt zelfs de theoloog van de Geest genoemd, maar hij betrekt het werk
van de Geest wel helemaal op de toepassing en de toeëigening van het werk van
Christus. Die lijn zien we in het hele gereformeerde denken terug.
De Nederlandse Geloofsbelijdenis noemt de Geest bij de artikelen over de inspiratie
van de Schrift, de Drieëenheid, het geloof en de rechtvaardiging door het geloof (de
Geest is het die het ware geloof in ons ontsteekt), de wedergeboorte en de heiliging,
en de eenheid van de kerk.
In de Catechismus wordt de Heilige Geest in een groot aantal zondagen genoemd. In
de troostvolle zondag 1 wordt gezegd dat de Geest mij verzekert van het eeuwige
leven mij van harte gewillig en bereid maakt om voor de Here te leven. De Heilige
Geest werkt de wedergeboorte (zondag 3) en vast vertrouwen (zondag 7). Hij is met
de Vader en de Zoon waarachig en eeuwig God en ook mij gegeven om mij aan
Christus en al zijn weldaden te doen deelhebben (zondag 20). De Geest is met het
Woord de Bouwer van Christus’ kerk (zondag 21). In de zondagen over de doop
wordt de vernieuwing door de Geest genoemd. Door de Geest zijn we tot leden van
Christus geheiligd.
Is dit alles te weinig? Men kan gemakkelijk iets noemen dat de belijdenis niet noemt,
maar de belijdenis is de bijbel ook niet. Toch mogen we dankbaar zijn voor het
evenwichtige spreken in de belijdenis, dat ons bepaalt bij het hart, het wezen en het
doel van het werk van de Heilige Geest. Zuiver spreken over de Geest kan alleen bij
een evenwichtig spreken over Vader, Zoon en Heilige Geest.
6

Behalve dankbaarheid stemt de belijdenis van de kerk ons echter ook tot ootmoed en
gebed. Leven we altijd naar wat we belijden? Zou het kunnen zijn dat de
evangelicalisering een reactie is op een zwak geestelijk leven?
Laten we niet alleen verdedigend over ons gereformeerde gedachtengoed spreken,
maar er vooral ook uit leven!
Het is niet niks wat er staat in zondag 19 over de heerlijkheid van ons Hoofd
Christus. Door zijn Heilige Geest stort Hij al zijn hemelse gaven in ons uit... Wat
betekent dat, kennen we die, leven we daarbij? Zoeken we door zijn Geest altijd wat
boven is (zondag 18)?
Het is onmogelijk om een echt geloof te bezitten en geen vruchten van dankbaarheid
voort te brengen (zondag 24). Krachtige taal! Zouden we dan niet staan naar het
werk van de Geest?
Leven we uit de verbondsbeloften en bidden we om de uitwerking daarvan in ons
leven, als we denken aan het gewassen zijn door het bloed en de Geest van
Christus, zodat we vernieuwd zij door de Geest, tot leden van Christus geheiligd, en
hoe langer hoe meer van de zonden afsterven en in een godvruchtig en onberispelijk
leven wandelen... (zondag 26).
Waar we leven naar die belijdenis, zou er dan nog meer nodig zijn...?

Hoe we de Geest kunnen bedroeven


We stellen ten slotte nog eens de vraag: Hoe rijk zijn wij? Missen we iets in de kerk?
In ieder geval moeten we ons altijd blijven uitstrekken naar de krachtige werking van
Gods Geest en de vervulling door de Geest. We kunnen de Geest bedroeven (Ef. 4)
en zelfs uitdoven (1 Thess. 5). Daarom is het goed om na te gaan welke blokkades
er bij ons kunnen zijn. Ouweneel noemt er in zijn boek een aantal, die we ter harte
mogen nemen, en we kunnen zelf nog wel een aantal bedenken. We noemen nu:
a. onbeleden zonden
Zonden die verborgen zijn, die we voor onszelf houden, die we ons soms misschien
nauwelijks bewust zijn. Laat ons gebed zijn: Here, doorgrond mijn hart...
b. zondige bindingen
We kunnen zonden beleden hebben en telkens weer belijden, maar er toch aan
vasthouden. Strijden we ertegen? Bidden we om kracht om patronen en slechte
gewoontes te doorbreken? Jaagt naar de heiliging, zonder welke niemand de Here
zal zien (Hebr. 12;14)!
c. verkeerde contacten
Jacobus is vrij radicaal: Wie een vriend van de wereld wil zijn, wordt metterdaad een
vijand van God (Jac. 4:4). Voor alle duidelijkheid: Hij zegt niet dat je geen vriend van
mensen mag zijn. Maar een echte vriend zal dan toch ook respecteren dat we in tal
van opzichten anders leven? Of zijn we ondertussen toch ook meer een vriend niet
alleen van die vriend, maar ook van zijn wereld, dan we ons bewust zijn?
d. Vleselijke manier van leven: Gal. 5:19-21
In de opsomming door Paulus lezen we niet alleen van seksuele zonden, maar ook
van afgoderij en toverij (occultisme!) , veten, twist, afgunst, zelfzucht, nijd,
dronkenschap... Het is een leven van vooral gericht zijn op onszelf en onze eigen
begeerten. Het blijft een feit dat seksuele begeerten een grote verleiding vormen,
zonder de andere uit het oog te verliezen. Iemand die seksverslaafd was, dat beleed
en daarmee worstelde voor Gods aangezicht, zei eens: “Ik kan er met kerkmensen
niet over praten, want ze nemen me niet serieus, ze vinden kijken naar seks gewoon
en maken er alleen maar grappen over”. Aangrijpend, wanneer je zoiets in de
gemeente hoort. En is het niet waar, dat we veel meer zien voor TV dan goed voor
7

ons is? Hoe gemakkelijk kun je wennen aan bedscènes, want “die komen nu
eenmaal in elke film voor”, zoals een catechisant opmerkte. Zelfs in een in Twente
populaire serie als ‘Van jonge leu en oale grond’.
e. Wrok, bitterheid (Hebr. 12:15)
Paulus noemde in Galaten 5 al de tweedracht en de veten die tegen het werk van de
Geest in gaan. In Hebr. 12:15 lezen we dat wrok en bitterheid zorgen voor verwarring
en besmetting in de gemeente, en verachtering in de genade Gods.
f. Zonden van de tong (Jac. 3)
In verband met het vorige kunnen de zonden van de tong worden genoemd. Jacobus
noemt de tong de wereld der ongerechtigheid, een vuur, in vlam gezet door de hel...
Niet wat al te radicaal gesteld? Toch wordt meer dan eens duidelijk, hoe onze
woorden en onze gesprekken niet alleen opbouwend kunnen zijn, maar ook schade
kunnen aanrichten en veel zegen in de gemeente wegnemen.
g. demonische bindingen
Dit is een terrein waar we inderdaad weinig oog voor hebben. Daarin komt in onze
tijd verandering. De cursussen van de Christelijke Hogeschool Ede van dr. M.J. Paul
zitten vol met deelnemers. Binnenkort is er over dit onderwerp een seminar aan de
Theologische Universiteit (van de GKV) in Kampen. Van belang is om in alle
nuchterheid vast te stellen, dat we niet overal de duivel achter kunnen zien en dat we
onze eigen veantwoordelijkheid hebben. Niettemin spreekt Efeziers 6 over een
geestelijke strijd, die een realiteit is. Een strijd die ons niet bang hoeft te maken,
wanneer we maar uitgerust zijn met de wapenrusting die God ons geeft... door zijn
Geest!

De gaven van de Geest - het drieledige doel


Het is van belang dat we het leven uit de Heilige Geest niet verwaarlozen.
Daarbij moet ons doel drieledig zijn:
1. Vervuld worden met Christus (niet meer mijn ik, Gal. 2:20; de kracht van zijn
opstanding ervaren, Fil. 3:10), enz.)
2. Een gavengerichte gemeente, in die zin dat ieder lid op het hoofddoel gericht
is, de vervulling met Christus, en dat er oog is voor de (ontwikkeling van de)
verschillende gaven die dit doel dienen.
3. Leven in aanbidding en ontzag voor God, als begin van alle wijsheid

Ontwikkeling van gaven


Bij het spreken over gaven zou te denken kunnen zijn aan het gebed.
De gebedsministry die o.a. bepleit wordt door New Wine en in sommige gemeente
functioneerd, heeft wat mij betreft wel bezwaren: Er wordt gebeden met ogen open,
waarbij vooral gelet wordt op de verandering bij degene voor wie gebeden wordt, en
er wordt gelet op ‘wat de Geest duidelijk maakt’. Daar wordt vervolgens in het gebed
weer over gesproken. Tijdens het bidden wordt over de reacties ook overlegd.
Dit heeft iets van manipulatie en het afdwingen van God, waarvoor we op onze
hoede moeten zijn.
Tegelijk moeten we ons goed bewust zijn van wat van de Heilige Geest en wat van
onze geest is. Teveel kan een stemming, een sfeer, worden opgeroepen die mensen
beïnvloedt, maar dat is nog niet hetzelfde als de werking van de Geest.
Dat neemt niet weg dat het gebed binnen de gemeente een nadrukkelijker plaats zou
kunnen krijgen. Het is waar dat veel meer gebeden wordt dikwijls dan we ons bewust
zijn. Er is ook meer geestelijk leven dan we soms waarnemen. Wel jammer dat we
8

dat niet van elkaar weten en soms pas op sterfbedden te horen krijgen. Zou er in de
gemeente niet meer met elkaar gebeden kunnen worden?
Samenvattend, zoals ook in het voorgaande is uitgelegd, zullen we bij het spreken
over de gaven van de Geest aan het volgende moeten vasthouden:
1. De Heilige Geest is de Geest van Christus, op Hem gericht, vol van zijn liefde,
zachtmoedigheid, geduld en rechtvaardigheid, en daarmee gericht op de eer, het
rechtsherstel en de aanbidding van de Vader.
2. De gaven van de Geest zijn niet slechts voor onszelf, maar hebben een plaats
binnen de gemeente en dienen de gemeente
3. Er is geen sprake van een second blessing, eigendom van een bepaalde klasse
gelovigen, maar wel van een vervulling van de Geest die wij niet bezitten maar
telkens weer nodig hebben.
4. Onmisbaar is een evenwichtig spreken over (het recht van) de Vader, (de liefde
van) de Zoon en (de kracht van) de Geest; over rechtvaardiging en heiliging; over
de strijd van Romeinen 7 en de zekerheid van Romeinen 8.

Tenslotte
De gave van de Heilige Geest spreekt van Gods genade. Een gave die we niet
kunnen missen, waar we om mogen bidden en waarnaar we mogen verlangen.
Een diepte van rijkdom, wijsheid en kennis. De Geest maakt duidelijk dat we niet
voor onszelf kunnen leven, maar dat de Here ons alles moet zijn. “Want uit Hem en
door Hem en tot Hem zijn alle dingen” (Rom. 11:36). Hem zij onze eer.

***

Enkele vragen ter overweging

- Praat met elkaar over de vraag of, hoe en waar u met charismatische gedachten in aanraking bent
gekomen

- Lees Efeziërs 5:18-20 en Col. 3:16. Beide teksten beogen in verschillende bewoordingen ongeveer
hetzelfde. Wat kunnen wij doen om zelf meer vervuld te zijn van de Heilige Geest?

- Welke elementen uit onze geloofsbelijdenis t.a.v. de Heilige Geest zouden we wellicht meer
aandacht moeten of kunnen geven?

- Hoe om te gaan met de sterke gerichtheid op ‘’de behoeften van de hedendaagse mens’’? Kan de
charismatische benadering een ‘’evangelie naar de mens’’’ worden genoemd?

- Wat kenmerkt een gezond bijbels geloofsleven? Is dat voldoende in onze gemeenten te herkennen?

- Welke mogelijkheden ziet u om de gaven van de Geest meer kunnen laten functioneren in de
gemeente?

Boeken
H. ten Brinke, J.W. Maris e.a., Meer dan genoeg. Het verlangen naar meer van de Geest. Barneveld,
2004.
H. ten Brinke, J.W. Maris e.a., Geestrijk leven. Barneveld, 2006.
K. van den Geest, De Heilige Geest, Scalareeks, Vuurbaak, Barneveld, 2e druk, 1990.
L. Floor, De doop met de Heilige Geest. Kampen, 1998.
L. Floor, De gaven van de Heilige Geest in bijbels theologisch perspectief. Heerenveen, 1999.
W.J. Ouweneel, Meer Geest in de gemeenten. Vaassen, 2004.
W.J. Ouweneel, De Geest van God. Ontwerp van een pneumatologie. Vaassen, 2007.
W. Smouter, Herstelwerk. De Geest werkt van schepping tot voleinding. Zoetermeer, 2007