Louis Van Beneden

Geschiedenis van het Wereldvakverbond van Onderwijspersoneel WVOP

1963

-

1970 – 2006

-

2008

INHOUDSOPGAVE
2

p.
Verantwoording 4 Hoofdstuk 1 7 Hoofdstuk 2 11 Hoofdstuk 3 14 Hoofdstuk 4 27 Hoofdstuk 5 42 Hoofdstuk 6 48 Hoofdstuk 7 54 Hoofdstuk 8 64 Hoofdstuk 9 77 Hoofdstuk 10 88 Hoofdstuk 11 93 Hoofdstuk 12 102 103 - De dominante economie 107 - Het WVOP: een “waardenvolle” onderwijsvakbond 112 Het WVOP: geëngageerde getuige van een boeiende tijd Zo begon het Sleutelmomenten uit het WVOP-verleden Het WVOP en zijn regionales “Het Daghet in den Oosten” De moeizame weg naar integratie in de EI De eigenheid van het WVOP Het WVOP en de beroepswerking van het WVA Het WVOP op het internationale forum Het WVOP en de andere onderwijsinternationales Het WVOP en het EVO Accenten - Een sleuteldocument

3

Hoofdstuk 13 117

De nalatenschap van het WVOP

Lijst van voorzitters en secretarissen-generaal 125 Lijst van gebruikte afkortingen 126

N.B. Omdat het veelvuldige gebruik van namen van organisaties en instellingen de lectuur erg kunnen bezwaren maken wij in de teksten gebruik van de meest courante afkortingen. De volledige benaming wordt wel bij een eerste vermelding opgenomen maar kan ook gemakkelijk terug gevonden worden in de lijst van de gebruikte afkortingen. Daarin staan de afkortingen opgenomen in het Nederlands, het Engels en het Frans.

VERANTWOORDING

De bekende Franse geschiedkundige Fernand Braudel schrijft in ‘Le temps du monde’: De
geschiedenis helpt ons tegelijk het heden verklaren en dient ons als referentiepunt voor de toekomst. Het heden is vaak een koppig verlengen van dat verleden en precies daarom is het verleden met al zijn regels, verschillen en gelijkenissen de onmisbare sleutel om het heden te verstaan. Om het belang en de betekenis van een organisatie te kunnen duiden moet men daarom best eerst de vraag stellen waarom ze werd opgericht. In het licht daarvan kan men de evoluties die er op volgden beter begrijpen en op hun betekenis toetsen. Dat beoogt ‘geschiedschrijving’ o.m. te doen. Niemand kan de volle waarheid of objectiviteit over een ‘geschiedenis’ opeisen. In de eerste plaats beoogt men er naar best vermogen een gedocumenteerde versie van te vertellen. Het problematische karakter tussen waarheid en geschiedenis valt niet altijd gemakkelijk uit te leggen. Wat is er echt gebeurd? In de loop van de laatste decennia is de wereld grondig veranderd en dat vergt een andere geschiedschrijving die elk egoprobleem moet opzij schuiven. Om een historiek uit te schrijven is de keuze voor een of meer auteurs nooit “onschuldig”. In welke mate waren of zijn zij betrokken partij? Medespeler? Toch is elke poging belangrijk om de marges van de geschiedschrijving te verkennen. Men mag zich daarbij echter niet beperken tot ‘het vastgoed’ van de herinnering, om niet te struikelen over de ‘echte’ geschiedenis. De auteur van de tekst die u onder ogen krijgt was van 1974 tot 2002 rechtstreeks betrokken bij de ontwikkelingen van hat Wereldvakverbond van Onderwijspersoneel (WVOP), waarvan 17 jaar als voorzitter. Deze historische schets is daarom alleen al een geschiedenis, niet de geschiedenis van het WVOP. Als de pen gehouden wordt door iemand die jarenlang mee het reilen en zeilen van deze organisatie heeft helpen sturen creëert hij immers minstens de schijn, bewust of onbewust, de objectiviteit hier en daar geweld aan te doen. Ook al was het zijn intentie om zo waarheidsgetrouw mogelijk een balans op te maken van een verleden waarin hij zelf mee aan het stuur stond. Het onderscheid tussen ‘een verhaal over vroeger’ en ‘echte’ geschiedenis, tussen herinnering en geheugen valt niet altijd even duidelijk aan te tonen. Interpretaties van beslissingen, opties, beleidslijnen, feiten en gebeurtenissen, … zijn - zeker na verloop van enkele jaren - onvermijdelijk gekleurd door de manier waarop men ze zelf bedoeld en/of beleefd heeft. Zij vormen daarom in de eerste plaats een handreiking, een reflectiespoor,

4

voor hen die zich later zouden geroepen voelen om de geschiedenis te schrijven. Het belang voor de lezer schuilt in het feit dat herinnering en identiteit nauw met elkaar vervlochten zijn. Deze geschiedenis verduidelijkt daarom in elk geval wat en hoe het WVOP de basisprincipes van zijn opstelling interpreteerde, hoe het zijn objectieven nastreefde, zijn strategieën uitwerkte en aanwendde en in concrete acties en stellingnamen trachtte te vertalen. Aan de lezer te oordelen of de uiteindelijke balans positief is. Er was een objectieve reden om deze geschiedenis nu te schrijven. Ruim 30 jaar na zijn oprichting heeft het WVOP immers de stap gezet naar een integratie in Education International (EI). Nu het als zodanig ontbonden is, en zijn voormalige ledenorganisaties nagenoeg allemaal aangesloten zijn bij de EI, is dergelijke terugblik onontbeerlijk De ultieme beslissing van de ontbinding van het WVOP kwam niet uit de lucht vallen. Ze was de logische resultante van een evolutie binnen de internationale vakbeweging in het algemeen en de onderwijsvakbeweging in het bijzonder. Om de zin en de betekenis van deze ultieme stap te begrijpen lijkt het nuttig een aantal vragen te beantwoorden die deze stap kunnen verklaren en verantwoorden. Wat heeft het WVOP gedurende ruim dertig jaar van autonome inzet betekend en gerealiseerd? Wat leert ons dat voor de toekomst? Het is de fundamentele overtuiging van de steller dat in de tumultueuze ontwikkelingen die de wereld, en meer specifiek de wereld van het onderwijs en van het onderwijspersoneel, vandaag doormaken, het verworvene van vroeger en de ervaringen van gisteren niet vergeten mogen worden. Ongetwijfeld blijven ze ook van betekenis voor de toekomst die de onderwijsvakbeweging nog voor zeer grote uitdagingen zal plaatsen, zowel nationaal, regionaal als mondiaal. In die zin is het formele einde van het WVOP niet het einde van een gedachtegoed, noch van de waarden en idealen waar generaties van WVOP’ers zich met overtuiging en vastberadenheid hebben blijven voor inzetten. Zij deden dat ondanks de obstakels die moesten geruimd worden, ondanks het permanent gebrek aan voldoende mensen en middelen om de objectieven in ‘normale’ voorwaarden te kunnen realiseren. Dat kon alleen omdat ze zich gesteund en geïnspireerd wisten door verantwoordelijken en organisaties die bereid bleven om er in te investeren omdat ze geloofden in de zin en de betekenis van de wereldwijde solidariteit met de velen waarmee ze via vriendschapsbanden en professioneel echt verbonden waren. In de volgende teksten wordt slechts sporadisch verwezen naar individuele verantwoordelijken, behoudens wanneer dit noodzakelijk lijkt voor de coherentie van het verhaal. Dit doet op geen enkele wijze afbreuk aan de betekenis en de verdiensten van de velen, op het algemeen secretariaat, in de besturen zowel op het mondiaal als het regionaal vlak, die zich voor het WVOP hebben ingezet. Zij verdienen zonder onderscheid dank en waardering. Elke poging om alle belangrijke namen te vermelden zou bij voorbaat gedoemd zijn om te mislukken en zou bovendien niet aangenaam zijn voor hen die ten onrechte ‘vergeten’ werden. In een bijlage worden alleen de namen van de secretarissen-generaal en de voorzitters vermeld evenals de periode gedurende welke zij deze functies hebben uitgeoefend. Omdat zij uiteindelijk de belangrijkste verantwoordelijkheid kregen toegewezen willen wij hier toch een speciaal dankwoord vertolken ten aanzien van de secretarissen-generaal. In hun naam huldigen wij meteen al diegenen die met hen samenwerkten. Eduard DAMEN, Jos VAN DE CRUYS en Giuseppe CUMERLATO die het WVOP-schip hielpen van wal steken toen het nog onder INFEDOP-vlag moest varen. Coen DAMEN die in het WVOP niet alleen de bezieler was van de actie en de verdediger van zijn belangen, maar die voor de organisatie overduidelijk een groot prestige en een ruime erkentelijkheid heeft gerealiseerd. Hij liet een inhoudelijk en strategisch rijk potentieel na waarop na zijn afscheid kon worden verder gebouwd. Hij legde de basis voor de structurele uitbouw, de inhoudelijke oriëntering en de mondiale expansie. Ook na zijn vertrek naar de ILO in Genève bleef hij een vertrouwensvol raadsman die zo sporen hielp trekken naar een doeltreffender WVOP-werking in de wereld van de internationale instanties. Roger DENIS kreeg de zware erfenis te dragen om het verworvene te beveiligen in een periode die het WVOP, o.m. omwille van de opeenvolgende hervormingen van de

5

beroepsactie van het WVA, voor uitdagende keuzes en complexe verantwoordelijken plaatste. Zijn inzet daarvoor kan moeilijk overschat worden. Zijn opvolger, Gaston DE LA HAYE, heeft, steunend op de verworvenheden van het verleden, aan het WVOP een nieuw elan en een sterke expansie gegeven. Door de verdere uitbouw van een eigen administratief secretariaat en een consequente aanwezigheidspolitiek bij de internationale instanties heeft hij mee de basis gelegd van positieve ontwikkelingen in alle continenten en niet in het minst voor een effectieve mondialisering van de organisatie. Hij werd ook de stuurman die het WVOP consequent en deskundig begeleidde naar een integratie in de EI, in respect voor de eigenheid en de specifieke waarden die de organisatie in meer dan 30 jaren had opgebouwd. In de EI bleef hij ook nadien de basiswaarden van het WVOP consequent uitdragen in een ruimer verband. In deze geschiedenis van het WVOP werd niet voor een chronologisch opgebouwde verhaal gekozen over ‘hoe het is geweest’, maar voor een inventaris van hoe het verleden in het geheugen is blijven hangen. Het nadeel van deze aanpak is dat nogal wat herhalingen in de tekst onontbeerlijk waren om de draad niet te verliezen zonder teveel verwijzingen naar passages in andere hoofdstukken te moeten maken. Het voordeel is dat op die manier elk hoofdstuk als een afzonderlijke tekst kan worden gelezen. Wat de auteur als hoofdzaken interpreteerde zullen voor anderen misschien eerder bijzaken lijken. Soms ook het omgekeerde. In zijn roman ‘Vaderland’ legt zijn oud-leerling, Joseph Pearce, zijn hoofdpersonage o.m. volgende uitspraak in de mond: ‘Bijzaken zijn geen bijzaken, maar de sleutels van een deur die op slot zit’. Het is mijn wens dat de lezer van deze geschiedenis ook vele van die deuren open krijgt. Louis Van Beneden 01.05.2009

6

Hoofdstuk 1

Algemeen kader: Het WVOP: geëngageerde getuige van een boeiende tijd

In afzonderlijke hoofdstukken wordt hierna ingegaan op de ontstaansgeschiedenis, de evoluties, de belangrijkste momenten uit de geschiedenis van het WVOP en op de relaties binnen en buiten het internationale onderwijslandschap die een bepalende invloed hebben gehad op die ontwikkelingen. Dit inleidend hoofdstuk wil alleen het algemene kader schetsen waarbinnen een en ander zich afspeelde. Op die manier krijgen verbanden die in de tekst slechts summier kunnen worden aangeraakt een plaats in het hele verhaal.

ALGEMENE CONTEXT na de 2de WERELDOORLOG 7

In de naoorlogse periode 1945-1948 heeft de internationale vakbeweging zich, na een vergeefse poging om een eenheidsorganisatie op te richten, volgens drie politieke lijnen ontwikkeld: het IVVV (CISL/IFFTU), sociaal-democratisch van karakter maar met de verwachting alle tendensen te kunnen verenigen in één structuur; de FSM/WFTU van communistische strekking en het oorspronkelijk christen-democratische ICV/CISC (later omgevormd tot WVA/CMT/WCL). Het Internationaal Christelijk Vakverbond, opgericht in 1920, zou inderdaad in 1968, als Wereldverbond van de Arbeid, een fundamentele nieuwe oriëntering krijgen door zijn confessionele oriëntering om te buigen naar een breed humanistische, open mens- en maatschappijvisie voor alle overtuigingen. Het IVVV en de FSM waren het resultaat van een scheuring van de oorspronkelijke eenheidsorganisatie FSM en dit in belangrijke mate als gevolg van fundamentele meningsverschillen over het (Amerikaanse) herstelplan voor Europa, het Marshallplan. Een geopolitiek debat dat de relaties tussen Oost en West voor decennia conditioneerde en dat ook bepalend was voor de relaties binnen de internationale vakbeweging. Bestaande internationale structuren binnen de Onderwijsvakbeweging, pasten zich in dit nieuwe patroon, in. Ze integreerden of verbonden zich met die grote interprofessionele families. De SPIE/IFFTU, gesticht in 1926, lieerde zich aan het IVVV, de FISE/WFTTU integreerde zich in de FSM en de onderwijssector van de INFEDOP bleef volwaardig lid van het ICV. Een poging om ook leerkrachtenorganisaties met een essentieel professioneel karakter in de onderwijsstructuur van het IVVV op te nemen mislukte, wat aan de oorspong ligt van de oprichting van het CMOPE/WCOTP in 1952. Deze organisatie bracht in feite de leden van de FIPESO (°1935) – personeel secundair onderwijs en de FIAI (°1926) – personeel basisonderwijs - samen onder één dak. Omwille van zijn eerder professionele, corporatistische karakter en omwille van het feit dat de meeste bonden uit Groot-Brittannië en Frankrijk er deel van uitmaakten werd de deur wijd open gezet voor organisaties uit de (voormalige) kolonies van die landen. Ook in landen waar onderwijssyndicalisme verboden was kreeg de CMOPE om die reden een voet aan de grond. Zo kon de CMOPE zich getalsmatig al vlug ontwikkelen tot de grootste internationale leerkrachtenbeweging. De FISE groepeerde vooral de officiële vakbonden uit de wereld van de totalitaire, communistische regimes en bereikte daardoor officieel ook een belangrijke getalsmatige sterkte. De SPIE bleef in die periode een eerder bescheiden organisatie en binnen het ICV bestond lang geen autonome onderwijsvakbondstructuur. (Meer gegevens over deze naoorlogse evoluties staan te lezen o.m. in de EVOuitgave: “La voix des enseignants européens”, hoofdstuk: ”Une préhistoire complexe” uit 2007).

HET WVOP: VAN START TOT FINISH EEN EIGEN GELUID
Op zijn congres van Luxemburg in 1968 heeft het ICV een grondige gedaantewisseling ondergaan. Van een confessionele organisatie werd het, onder de nieuwe naam WVA, een vakbondsinternationale die zich beriep op de principes van het humanisme, de mensenrechten, het respect voor ieders

8

overtuiging en respect voor het zelfbeschikkingsrecht van de volkeren. Het stelde zich principieel onafhankelijk op ten opzichte van alle externe gezagsdragers van welke aard ook. Zeker in de periode van de koude oorlog diende het WVA zich aan als ‘de derde weg’, ver van de slipstroom van de grote politieke machtsblokken. Van meet af streefde het wereldwijd een grotere expansie na. In dat verband werd de noodzaak beklemtoond van degelijk functionerende vakinternationales (VI’s). Het WVA streefde wel eenheid in de actie na met het IVVV en onderhield contacten met de FSM en regionale vakbondsstructuren als OUSA (Organisation de l’ Unité Syndicale Africaine)/OATUU (Organisation of African Trade Union Unity), …. daarbij rekening houdend met ieders specificiteit en met de uiteenlopende realiteiten in de continenten. In Europa zou die samenwerking met het IVVV in 1972 de oprichting mogelijk maken van het EVV, een syndicale eenheidsstructuur voor een gemeenschappelijk optreden ten aanzien van de Europese beleidsinstanties. Na diverse pogingen kwam in 1970 een geëigende vakinternationale van het WVA voor de onderwijssector tot stand: het WVOP. Deze nieuwe vakinternationale kwam in de plaats van de Internationale Raad van de onderwijsvakbonden van het ICV, die sinds 1963 in de schoot van de INFEDOP actief was geweest. Het beginnende WVOP volgde de logica van de WVA-structuur, streefde wereldwijde expansie na en beoogde daartoe de oprichting van regionale structuren die de betrokken vakorganisaties per continent groepeerden. Deze structuren bepaalden in principe autonoom hun beleid - zonder de principes van het WVA te verloochenen uiteraard - maar maakten niettemin integrerend deel van de regionale organisaties van het WVA. Dit is nadien een erg belangrijke factor gebleken, die in hoge mate de kansen en mogelijkheden van het WVOP heeft geconditioneerd gedurende heel zijn bestaan. Soms in positieve maar vaak ook in negatieve zin. De merkwaardige geschiedenis van de beroepsactie van het WVA, waaraan wij een apart hoofdstuk (hoofdstuk 8) wijden, maakt helaas duidelijk waarom, gedurende geruime tijd, de expansie van het WVOP veeleer afgeremd en gehypothekeerd dan bevorderd werd door het WVA. Omdat het precies die integratie in een confederale structuur was die het WVOP onderscheidde van de andere actoren in het internationaal onderwijssyndicalisme, resulteerde dat in nogal wat barrières en hinderpalen van het ogenblik af dat de eigen structuren in vraag werden gesteld omwille van de evoluties in de onderwijsvakbondswereld. Ook het WVOP streefde van meet af samenwerking na met de andere internationales van de sector (SPIE, CMOPE en FISE). In onderhavige geschiedenis wordt op diverse plaatsen expliciet verwezen naar de belangrijke rol die het WVOP in dat verband heeft gespeeld, dit zowel als bindteken tussen afzonderlijke internationales als in de ondersteuning van gemeenschappelijke initiatieven van de vier. Mondiale expansie veronderstelde ook intense aanwezigheid op het terrein. Een belangrijke beleidsoptie in dat verband was om, naast regionale en subregionale initiatieven, het vierjaarlijks congres telkens in een ander continent te organiseren. Dat bood de mogelijkheid om de focus extra op het betrokken continent te richten, wat de expansie moest bevorderen. In navolging van IVVV en WVA, op het interprofessionele vlak, hebben de SPIE en het WVOP in 1975 een gemeenschappelijk Europees vakbondscomité opgericht

9

voor de onderwijssector: het EVO/CSEE/ETUCE. Over de rol van het WVOP in dit comité kan u verder eveneens een apart hoofdstuk (Hoofdstuk 11) lezen. De geleidelijke expansie die het WVOP, alle moeilijkheden ten spijt, kende kreeg een sterke impuls na de gebeurtenissen van 1989 en de daaropvolgende jaren, de ontbinding van de USSR en de quasi verdwijning van de FISE van het vakbondstoneel. Ondanks het ontstaan van de EI in 1993, als samensmelting van de SPIE en de CMOPE, kende het WVOP, tot verbazing van velen, merkwaardig genoeg, zijn grootste expansie in de tweede helft van de jaren negentig. De belangrijkste organisaties uit voormalige satellietstaten van Moskou en van een aantal vroegere Sovjetrepublieken kwamen de WVOP-rangen vervoegen en bezorgden de organisatie een getalsterkte die aanzienlijk was. (Onder impuls van de NAPTOSA uit Zuid-Afrika kwam er ook een sterke groei in het zwarte continent). Overigens zou die grotere representativiteit de onderhandelingspositie van het WVOP in belangrijke mate versterken toen, na 2000, de integratie van het WVOP in de EI geagendeerd stond. De moeilijk te realiseren autonomie van de WVOPregionales in hun respectieve continentale confederatie, waarover hiervoor even sprake was, zou zelfs op de valreep nog voor onoverkomelijke moeilijkheden zorgen waardoor die integratie niet zonder belangrijke ‘schoonheidsfouten’ tot stand kwam. Hoe dan ook, het WVOP heeft zijn beleid altijd consequent vooral op de belangen van zijn leden georiënteerd maar evenzeer op het nastreven van een doeltreffende vakbondspolitiek én een consequent onderwijsbeleid. Het respecteerde daarbij de eigen specificiteit, de eigen context en de eigen realiteiten van zowel de eigen leden als van de partners waarmee samenwerking werd nagestreefd. Niet de structuren maar het belang van het onderwijsambt en van de rechten van alle werknemers, wereldwijd, bleven daarbij uitdrukkelijk vooraan staan.

10

Hoofdstuk 2

ZO BEGON HET

Van 1958 af werden er gesprekken gevoerd tussen het ICV en Christelijke lerarenorganisaties uit België, Nederland en Duitsland om samen de oprichting van een onderwijsinternationale van het ICV te overwegen. Om uiteenlopende redenen bleef dat een vijftal jaren zonder resultaat. Maar op 8 januari 1963 lukte het wel. Tijdens een zitting in het Brusselse Congressenpaleis werd een onderwijsbureau van het ICV opgestart. August Vanistendael, secretaris-generaal van het ICV en zijn adjunct W. Kreefmeyer onderschreven er met de voorzitter en de secretaris-generaal van INFEDOP, resp. Theo De Walsche en Eduard Damen, een principeovereenkomst om een ‘Internationale Raad van Vakorganisaties van

11

Onderwijzend Personeel in het ICV – IROP’ (F: Conseil International Syndical des Enseignants dans la CISC - CISE) op te richten. Waarom met INFEDOP? Tot dan was het enige internationaal vakbondskanaal voor de onderwijssector in het ICV deze internationale van de Openbare diensten. Internationale samenwerking en betrokkenheid zochten en vonden de onderwijsbonden liever via professionele organisaties als o.m. de UMEC (Union Mondiale des Enseignants Catholiques). In het sterk ideologisch verdeelde landschap van die tijd kon een aansluiting bij internationales die ‘openbaar onderwijs’ beperkend interpreteerden en verdedigden zelfs niet in overweging genomen worden. (cf. Louis Van Beneden : ‘Une préhistoire complexe’ in ‘La voix des enseignants Européens’ pp. 19-24). Op die bewuste 8 januari 1963 werd de afspraak gemaakt dat de INFEDOP een permanente werkgroep voor het onderwijspersoneel zou oprichten om het ontstaan van een autonome beroepsgroep te kunnen voorbereiden. De werkgroep had daarom slechts een voorlopig karakter. Het was helemaal niet onverwacht dat vooraf twee belangrijke knopen dienden ontward te worden voor men echt van start kon gaan. De term ‘Raad’ werd voorlopig verkozen om duidelijk te maken dat het een instantie betrof die niet autonoom was en in het ICV op dezelfde manier werd ingeschat als andere toen bestaande raden: de Vrouwenraad, de Logementsraad, e.a. De termen ‘syndicaal’ of ‘vakbond’ moesten uitdrukkelijk in de benaming vermeld worden omdat de aanwezige organisaties alleen louter syndicale thema’s tot het werkveld van de nieuwe instantie wensten te rekenen. Zij wilden internationale professionele organisaties als de UMEC, waarvan de meeste van hen deel uitmaakten, noch vervangen noch verzwakken. Voorzitter van deze Raad werd Jan Poncin (KOV-Nederland) (tevens vicevoorzitter van de UMEC). Het secretariaat werd waargenomen door de secretarisgeneraal van INFEDOP Eduard Damen en Frans Valvekens (COV-België) werd aangesteld tot technisch secretaris. Op dezelfde 8 januari werd de oprichting van de Raad via de pers wereldkundig gemaakt en werden kandidaten aangewezen om in het expertencomité voor de onderwijssector van de IAB te zetelen. Spoedig zou blijken dat de UNESCO geen rechtstreekse vertegenwoordigers van internationale vakbondsorganisaties in het comité wensten op te nemen al werden hun vertegenwoordigers wel gehoord. Dit illustreert meteen waarom de oprichting van een Raad voor de onderwijssector voor het ICV zo belangrijk was. Bij de IAO en de UNESCO was immers een debat lopende om voor de onderwijssector geëigende internationale instrumenten tot stand te brengen. De IAO erkende alleen syndicale organisaties; de UNESCO had een voorkeur voor de professionele. Bij de ILO-werking voor de onderwijssector niet betrokken worden zou gezichtsverlies betekenen en de werking van het ICV bij die instantie strategisch en praktisch kunnen hypothekeren hebben. Overigens was het ICV als zodanig ook erkend bij de UNESCO maar was ook daar een geëigende erkenning voor de onderwijsmateries meer dan gewenst. Waarom werd in de ICV-verslagen (i.v.m. de oprichting van een geëigende onderwijsstructuur) alleen de IAO vermeld en niet de UNESCO, ondanks het feit dat het uitwerken van wat in 1966 de belangrijke ‘Aanbeveling betreffende het

12

statuut van het onderwijspersoneel’ zou worden, in samenwerking tussen IAO en UNESCO werd voorbereid? Gewoon omdat de relaties met de UNESCO door de betrokken nationale onderwijsbonden tot het werkveld van de UMEC, de CMOPE en andere professionele organisaties werden gerekend. De onderscheiden werkvelden van de IAO en de UNESCO zouden overigens nog vele jaren voor onenigheid en spanningen zorgen in de wereld van de onderwijsinternationales, lang niet alleen in het WVOP. Voor de relatie tussen de CMOPE en de SPIE bleven ze tot kort voor de oprichting van de EI, door fusie van de twee in 1993, een bron van spanningen en betwistingen. Daarover verder meer. In juni 1964 werden de statuten van de nieuwe Raad goedgekeurd. Daarin stond een merkwaardig maar typerend artikel 11: de Raad zou terug ontbonden worden op 31 december 1967 … behalve wanneer het Bureau van het ICV er anders zou over beslissen. Met andere woorden de wens, of was het eerder de noodzaak, om een specifieke onderwijsinternationale op te richten werd krachtig en ondubbelzinnig onderstreept. Zowel de Raad als de instanties van INFEDOP vroegen het ICV te mogen wachten tot het volgend congres van INFEDOP, in 1968, vooraleer een beslissing te nemen. Dat werd uiteindelijk toegestaan. Kort daarop werd een tripartiete werkgroep WVA/INFEDOP/ICV-onderwijsraad geïnstalleerd om de knopen door te hakken. Voorgesteld, en later beslist, werd dat tot het volgende Vakcongres de Onderwijsraad als gespecialiseerde internationale deel zou uitmaken van de INFEDOP. Vanaf 1.1.1970 zou de Raad omgevormd worden tot Wereldvakverbond van Onderwijzend personeel (WVOP). [In latere jaren werd de correctere uitdrukking ‘onderwijspersoneel’ gangbaar]. De regionale organisaties van de INFEDOP in Afrika, en later in Latijns-Amerika en in Azië, zouden openbare sector en onderwijs in één structuur integreren. De secretaris-generaal van INFEDOP werd ook secretaris-generaal van het WVOP. De kosten werden in evenredigheid verdeeld en de voorzitter van INFEDOP mocht als waarnemer de WVOPvergaderingen bijwonen. Voor de mandaten in de WVA-instanties zou een beurtrolsysteem worden ingevoerd. In november 1969 werden deze afspraken formeel bekrachtigd. Niets stond de oprichting van het WVOP als (in het begin erg relatief) autonome onderwijsinternationale nog in de weg. Op de voorbereidende vergaderingen in november 1969 waren vertegenwoordigd: COV/FIC en CCPTO/CCPET voor België, KOV en PCBO uit Nederland, FFSCEP uit Frankrijk, GÖD uit Oostenrijk en, namens de AFROFEDOP, GLATA uit Ghana. De secretaris-generaal Jos Vandecruys stelde de aansluiting voor van, naast de GLATA, de leerkrachtenorganisatie RPSTA uit de Filippijnen, deze van de CSN –Canada en van de VKLD uit Duitsland. Wat de AFROFEDOP betreft werden als (potentiële) leden aangemeld: 4 organisaties uit Kameroen, -waarvan 3 uit het privé onderwijs -; 2 Ghanese organisaties uit het lager onderwijs; 2 confessionele bonden uit Togo; 2 bonden uit Madagascar en een organisatie uit resp. Gabon, Senegal en Gambia. Uit Latijns-Amerika werden aansluitingen verwacht uit Curaçao, Guatemala, Venezuela en Cuba (in ballingschap). Meteen een ledengroep waarmee het op te richten WVOP in de onderscheiden continenten van start kon gaan, al zou het nog een aantal jaren duren vooraleer met die laatste groep echte samenwerking kon worden opgezet. Besloten werd dat op de vergaderingen van het WVA het WVOP vertegenwoordigd zou worden door Tom Bediako (Ghana) die ook al zetelde namens de AFROFEDOP. (Tom zou vanaf 1974 als vrijgestelde van de AATO, los van het WVOP, en later als vertegenwoordiger van de SPIE nog een invloedrijk parcours lopen op het internationale forum..

13

De nieuwe organisatie ging scheep onder de volgende benamingen: WVOP: Wereldvakverbond van Onderwijzend Personeel CSME: Confédération Syndicale Mondiale des Enseignants WVL: Weltverband der Lehrer WCT: World Confederation of Teachers CSME: Confederación Sindical Mundial de l’Enseñanza Van meet af werd de noodzaak van de expansie van de nieuwe organisatie buiten Europa als streefdoel prioritair gesteld. De noodzaak van effectieve representativiteit op internationaal en supranationaal vlak, bij o.m. de UNESCO, de IAO, de EEG, de OESO en de Raad van Europa werd van essentieel belang genoemd. Meteen een stevige agenda voor een beginnende organisatie die slechts over beperkte financiële en menselijke middelen kon beschikken. Het WVOP nam de beginselverklaring van het WVA in zijn statuten op. In het bureau zouden naast de voorzitter en de secretaris-generaal 5 vicevoorzitters, één per continent, worden opgenomen. Het WVOP kon scheep gaan. Wie zou het stuur in handen nemen?

Hoofdstuk 3

SLEUTELMOMENTEN UIT HET WVOP-VERLEDEN

GROTE AMBITIES VAN BIJ DE START
14

Op 5 september 1970 ging het WVOP officieel van start. Het oprichtingscongres had plaats op het Kasteel van Ham in Steenokkerzeel (België). Vertegenwoordigers van het WVA, INFEDOP, de Belgische overheden en het ACV begroetten deze gebeurtenis. De statuten en het huishoudelijk reglement werden goedgekeurd. Theo Knippen (KOV-Nederland) werd tot eerste voorzitter verkozen, Jos Vandecruys – die in de voorbereidende fase die taak al op zich had genomen - werd bevestigd als secretaris-generaal en Frans Valvekens als technisch secretaris. W. Pauw (Nederland) werd penningmeester; Fr. Branchereau (Frankrijk), Fritz-Berghold (Oostenrijk) en Van Raemdonck (België) werden de eerste ondervoorzitters. Jan Poncin die van 1963 tot 1970 voorzitter was geweest van de IROP kon zich niet langer beschikbaar stellen en werd door het congres met een hartelijk en gemeend applaus bedankt voor zijn grote inzet gedurende die moeilijke periode. Het Dagelijks Bestuur ging meteen aan de slag. Verschillende actielijnen werden uitgezet: Hoe de pas verworven autonomie van het WVOP waar maken? Welke consequenties vloeien daar uit voort voor de interne werking? Zou men niet spoedig moeten overgaan tot het instellen van beroepsraden per onderwijsniveau? Hoe deel nemen aan de opbouw van Europa? Hoe de beoogde expansie in de andere continenten bevorderen? Verdienden dringende contacten met de internationale intergouvernementele instanties geen prioritaire aandacht?, … Antwoorden zoeken op deze en andere vragen moest de basis worden van een omvangrijk actieprogramma. Het Dagelijks Bureau besloot om, gelet op de omvangrijke internationale onderwijsagenda, een eigen informatieblad uit te geven vanaf 1971, ook een propagandabrochure en een documentatiemap uit te werken waarin de Aanbeveling IAO-UNESCO (1966) een prominente plaats kreeg. Dit document zou overigens nog heel lang het richtinggevende en inspirerende referentiestuk blijven waarop de programma’s en de stellingnamen werden afgestemd (zie daarover ook hoofdstuk 12). Het werk dat uit dat alles voortvloeide was te omvangrijk geworden voor Jos Vandecruys. Het bureau van INFEDOP benoemde daarom Giuseppe Cumerlato tot adj. secretaris-generaal vanaf 1.1.1971. Hij werd specifiek met het secretariaat van het WVOP belast. Beslist werd het AFROFEDOP-secretariaat over te brengen naar Lomé en het extra ondersteuning te geven om ook daar een ambitieus programma uit te werken. De secretaris-generaal van AMLATFEDOP werd belast met een prospectieopdracht. Met de BATU werden overlegd om vanaf 1.1.1972 eveneens een regionaal secretariaat van de ASIAFEDOP op te richten. Met de SPIE (IVVV), de FISE (WVV) en de OUSA (Afrika) werd contact gezocht om potentiële samenwerkingsmogelijkheden te onderzoeken. Ondanks de naam- en structuurverandering bleef het WVOP de nauwe band met INFEDOP bewaren en het zou pas later, in 1974, tijdens een tweede congres, besluiten om volledig onafhankelijk te worden van de INFEDOP, ook op financieel vlak. Bedoeling was gerichte activiteiten te kunnen ontwikkelen maar vooral om voor de eigen sector specifieke erkenning te bekomen bij de internationale instanties. Dit belette vanzelfsprekend niet dat, waar gemeenschappelijke belangen speelden, nauw samengewerkt bleef worden.

15

Conform de Beginselverklaring van het Wereldverbond van de Arbeid (WVA), zoals het ICV na een hervormingscongres in 1968, werd genoemd - een beginselverklaring die ook het WVOP tot de zijne had gemaakt - heeft het vanaf 1970 grote aandacht besteed aan het ontwikkelen van regionale organisaties die op een zo goed mogelijke manier aan de directe belangen van de collega’s in een bepaald continent of regio konden tegemoetkomen. In 1967 was de hiervoor al vernoemde gemeenschappelijke organisatie met de INFEDOP, de AFROFEDOP, opgericht voor Afrika. In 1968 was hetzelfde gebeurd in Latijns-Amerika, met de AMLATFEDOP en in 1972 ging men over tot de oprichting van een gemeenschappelijke organisatie in Azië, de ASIAFEDOP. Maar ook in de continenten werd de noodzaak van een autonome opstelling van de onderwijssector met de tijd steeds acuter. In 1971 stichtte het WVOP daarom een specifieke regionale organisatie voor Europa en kwam het ook tot de oprichting van de speciale onderwijscommissie van het WVOP voor LatijnsAmerika, de CLATEC, in 1979 omgevormd tot de FLATEC (Federación Latinoamericana de Trabalhadores de l’Enseñanza y de la Cultura). In 1974 echter werd de organisatie van INFEDOP en WVOP in Afrika echter opgeheven ten gunste van de Afrikaanse eenheidsvakbeweging de OUSA (Organisation Unitaire des Syndicats Africains). Op die manier zou zich in Afrika een eenheidsorganisatie kunnen ontwikkelen, de All African Teachers’ Organisation (AATO), die in de Afrikaanse context een doeltreffender vakbondswerking wilde realiseren. Achteraf bleek dit voor het WVOP een erg ongelukkige beslissing omwille van het feit dat zowel de SPIE als de CMOPE hun regionale structuren niet ontbonden maar veeleer poogden de AATO aan zich te binden. In 1980 werd besloten tot de oprichting van een speciale onderwijsregionale van het WVOP in Azië, in samenwerking met de Brotherhood of Asian Trade Unionists (BATU). In Europa vergaderde de regionale structuur van het WVOP sinds mei 1971 minimum 2 maal per jaar. De ontwikkelende samenwerking op het gebied van onderwijs, onder impuls van de Raad van Europa en de EEG, noopte daartoe. Het hoeft dan ook niet te verbazen dat de thema’s die het Eurocomité van het WVOP aan bod kwamen in belangrijke mate gekleurd werden door die Europese initiatieven. Deze eigen WVOP-actie in Europa bleef tot in 2007 nuttig en noodzakelijk, ook al was er ondertussen een andere belangrijke ontwikkeling in de relaties tussen de Europese organisaties tot stand gekomen. Ook in Europa heeft zich immers een eenheidsvakbond ontwikkeld die de leden van het IVVV en het WVA in Europa bundelde. In 1973 werd m.n. het Europees Verbond van Vakverenigingen (EVV) opgericht en de verbonden, die aangesloten waren bij de Europese organisatie van het WVA, zijn in 1974 tot deze organisatie toegetreden. Parallel met deze ontwikkeling zijn de organisatie van het IVVV m.n. de SPIE en het WVOP in 1973 onderhandelingen begonnen om tot een gemeenschappelijke organisatie in Europa te komen, die in 1975 het licht zag onder de naam ‘ Europees Vakbondscomité van Onderwijspersoneel (EVO/CSEE/ETUCE). Alle Europese WVOP-leden werden er lid van omdat het EVO een instantie was die uit samenwerking tussen de SPIE en het WVOP tot stand kwam en door beide ondersteund werd.

16

Op de ontwikkeling tot een actieve en gerespecteerde internationale partner, de mogelijkheden en onmogelijkheden, de kansen en de belemmeringen die binnen en via deze structuren mogelijk werden wordt hierna uitvoeriger ingegaan.

BESLISSENDE ONTWIKKELINGEN
Het ontstaan en de eerste werkingsjaren van het sinds 1970 autonome WVOP waren dus sterk verbonden met twee belangrijke ontwikkelingen: - de omvorming van het ICV tot WVA - het toenemend belang van onderwijs op de internationale agenda.

Het ICV wordt WVA.
Op zijn 16de congres in Luxemburg in 1968 was het voormalige ICV (Internationaal Christelijk Vakverbond) omgevormd tot WVA (Wereldverbond van de Arbeid). Het ging daarbij om heel wat meer dan een naamsverandering. Van oorsprong was het ICV een essentieel Europese christelijk georiënteerde organisatie. Ontstaan in een tijd van scherpe vooroorlogse ideologische tegenstellingen, waarbij de religie vaak een essentiële factor was, had het ICV ook direct na de 2de wereldoorlog zijn oorspronkelijk karakter blijven behouden. En dat ondanks verwoede pogingen – niet in het minst onder impuls van de USA (!) – om tot een Europese eenheidsvakbeweging te komen. Maar vooral de perikelen rond de opsplitsing van het communistisch georiënteerde Wereldvakverbond (WVV) en het Internationaal Verbond van Vrije Vakverenigingen (IVVV), overwegend sociaal-democratisch van richting, overwegend West-Europees maar ook sterk gesteund door de USA, bezegelden die opdeling. De tegengestelde houding van Oost en West-Europa tegenover het Marshallplan was de grote struikelsteen gebleken. West-Europa was overwegend pro, Oost-Europa radicaal tegen. Het ging in essentie om de keuze tussen een marktgestuurde of een staatseconomie. Opvallend was het dat in het syndicale adviescomité (TUAC) van dit Herstelprogramma voor Europa (1948) naast organisaties van het IVVV (in wording) ook de ICV-leden vertegenwoordigd waren. Zonder instemming van de Amerikaanse organisaties zou dit toen niet denkbaar geweest zijn. (Opmerkelijk is overigens ook dat vanaf het begin en tot op heden (!) het voorzitterschap van de TUAC wordt waargenomen door de opeenvolgende voorzitters van de Amerikaanse AFL-CIO en het ondervoorzitterschap door de voorzitter van het Belgische ACV. Een verklaring daarvoor uitschrijven valt buiten het opzet van deze studie maar het feit blijft significant voor de rol die het WVOP nadien heeft kunnen spelen, temeer omdat de realiteit leert dat het voorzitterschap van de commissie normen tijdens de jaarlijkse Algemene Conferentie van de IAO traditioneel evenzeer aan het ACV blijft toegewezen worden. Dat een en ander te maken heeft met de perikelen rond het ontstaan van voornoemd herstelplan is wel overduidelijk, zij het niet door iedereen onderkend. Daar hier verder op ingaan valt buiten het bestek van onderhavige historische schets).

17

In de zestiger jaren werd het ICV geconfronteerd met zijn (beperkte) grenzen als het zich essentieel op christelijk georiënteerde organisaties zou blijven richten. Door het ICV om te vormen tot WVA werd het een open, niet religieus of politiek gebonden organisatie, die de waardigheid van elke menselijke persoon in alle dimensies, de syndicale vrijheden en het zelfbeschikkingsrecht van volkeren en staten, principieel voorop stelde. Meteen werd de basis gelegd voor een expansie in alle continenten. In die context zocht het beginnende WVOP zijn weg naar een voor de sector geëigende ontwikkeling. Het WVA-congres van Evian in 1973 versterkte dit mondiale karakter krachtig door een oproep tot versterking van de intersyndicale solidariteit. In 1973 trad, zoals hiervoor al herinnerd, het WVA toe als partner van het IVVV bij de oprichting van het EVV. Dat niet alle leden van het WVA meteen werden toegelaten tot deze Europese eenheidsorganisatie zette wel een domper op het optimisme. Dat zou nog jaren een steen des aanstoots blijven. In 1977 legde het WVA-congres van Den Haan echter ideologische tegenstellingen bloot in de eigen ledengroep, die jammer genoeg niet zonder gevolgen bleven voor de aansluiting van belangrijke, eerder sterk links georiënteerde bonden uit Frankrijk en Canada. Die spanningen in het WVA, lieten ook in het WVOP sporen na. Een paar jaren later zagen de SGEN-CFDT (Frankrijk) en de FNEQ (Canada) zich, in navolging van hun confederaties, genoodzaakt hun lidmaatschap op te zeggen. Zeker wat de SGEN betreft was dit een jammerlijke zaak omdat deze organisatie, in de persoon van Jacques George, een sterke stempel had gedrukt op diverse WVOP-initiatieven.

Het onderwijspersoneel op de internationale agenda.
In hoofdstuk 2 lichtten wij al kort toe waarom het ICV de noodzaak aanvoelde om een geëigende structuur op te richten voor de onderwijsbonden uit zijn ledengroep. Het is niet overbodig er hierna nog wat dieper op in te gaan. De samenwerking tussen UNESCO en IAO, om te komen tot een charter van het onderwijspersoneel, vergde de betrokkenheid van internationale vakbondsorganisaties als het WVA bij de besluitvorming daarover in de IAO. Dit veronderstelde deskundigheid en een direct engagement voor deze sector, die als zodanig niet aanwezig was in de ICV- structuren. Traditioneel was de betrokkenheid van lerarenorganisaties bij de interprofessionele vakbondswerking, vrij algemeen - uitzonderingen niet te na gesproken - eerder beperkt gebleven. De overgrote meerderheid van de lerarenorganisaties volgde de ontwikkelingen in de sector vooral vanuit een professionele belangstelling. Internationaal waren zij vooral onderwijsgericht en in mindere mate, of soms zelfs niet, syndicaal. Het syndicale werkterrein bleef overwegend beperkt tot het eigen thuisfront. De meeste organisaties sloten zich daarom aan bij een internationale professionele organisatie, ook al waren er nogal wat die, op basis van een dubbel lidmaatschap internationaal toch ook syndicaal geëngageerd waren. Het onderwijspersoneel, actief in een als zodanig al sterk ideologisch gestuurde sector, viel op het professionele vlak ook terug op ideologisch opgedeelde instanties. Waar men een algemene vertegenwoordiging, over ideologische grenzen heen betrachtte, waren het toch sterk ideologisch georiënteerde nationale organisaties die er de muziek maakten. De impact van Franse, voor de ‘laicité’, de officiële staatsideologie, geëngageerde onderwijsbonden – onderling

18

overigens politiek nog sterk verdeeld – bepaalden jarenlang in hoge mate de standpunten van hun Internationale. Het waren hun (voor de internationale nagenoeg kostenloze) vrijgestelden die er de permanente leiding van kregen en er daardoor de toon konden zetten. Dergelijke situatie hield de deur gesloten voor wie zich eerder op een confessioneel profiel beriep. Zo was de impact van de FIAI (basisonderwijs) en de FIPESO (secundair onderwijs) op de standpunten van de overkoepelende CMOPE, onevenredig groot. Het feit dat de vroegere koloniale mogelijkheden Frankrijk en Groot-Brittannië, direct of indirect, een grote invloed bleven uitoefenen op het onderwijs in hun (vroegere) kolonies maakte die landen tot een wingewest voor leerkrachtenorganisaties die gestoeld en gesteund bleven op en door hun oorspronkelijke organisatie uit het (voormalige) moederland. Bovendien bleef in de meeste ontwikkelingslanden de oprichting van vakbonden in de onderwijssector verboden. Een internationale die zich als een organisatie op professionele basis aandiende werd wel aanvaard, wat de expansie van de CMOPE/WCOTP in de continenten buiten Europa sterk had in de hand gewerkt. Het hoeft dan ook niet te verbazen dat het vooral de CMOPE/WCOTP was die door de UNESCO als voornaamste gesprekspartner werd erkend bij de voorbereiding van wat nadien de ‘Aanbeveling over het statuut en de werkvoorwaarden van het onderwijspersoneel’ (1966) werd. Wat de vakbondsstructuren betreft hadden, zoals al vermeld, het IVVV en het toenmalige ICV, later het WVA, representativiteit via de ILO. Deze situatie had o.m. tot gevolg dat bij de UNESCO de CMOPE decennia lang de grootste invloed had, temeer omdat ook diverse bonden van communistische strekking er deel van uitmaakten. De SPIE, de FISE en het WVOP werden echter, vooral vanaf het begin van de jaren 1970, geleidelijk aan beter geïntegreerd in de UNESCO-werking. Tegenstellingen tussen de onderwijsinternationales bleven vaak het klimaat en de contacten tussen hen vertroebelen. Bij de TUAC, het adviescomité van werknemerszijde bij de OESO, waren het alleen de SPIE en het WVOP die als zodanig erkend waren. Een beperkt aantal organisaties, aangesloten bij de CMOPE, konden er alleen zetelen als lid van de delegatie van hun nationale confederatie. De FISE-bonden waren er so wie so niet welkom om de gekende politieke motieven. Bij de ILO was het vooral de SPIE, als IVVV-gelinkte instantie, die de lijnen uitzette. Het WVOP werd niet alleen erkend door de ILO, als WVA-lid, maar kon ook als lid van het Gemeenschappelijk front voor de openbare sector - waarvan ook de SPIE deel uitmaakte - invloed uitoefenen en aan de werkzaamheden van de ILO participeren. Met de SPIE had het WVOP in 1975 ook het EVO opgericht voor de opvolging van de ontwikkelingen in de Europese Gemeenschap. Bij de Raad van Europa trad het WVOP autonoom op. (Op de relaties tussen de onderscheiden internationale lerarenorganisaties komen wij uitvoeriger terug in hoofdstuk 10). Belangrijk is het te onderstrepen dat alle voornoemde intergouvernementele organisaties een toenemend belang hechtten aan de ontwikkelingen in het onderwijs en eigen onderwijsagenda’s uitwerkten. Het zijn deze ontwikkelingen die het WVOP tot een onmisbaar geworden onderwijspoot van het WVA maakten. Het dankte er daarom zijn ontstaan en zijn ontwikkeling aan, zeker in de jaren 70 en 80.

VAN HOUFFALIZE TOT SEVILLA

19

Objectief: mondialisering
Gestart als een overwegend Europese organisatie streefde het WVOP een consequente mondialisering na. In de andere continenten bestond er in de beginfase slechts een losse binding met niet specifiek gegroepeerde nationale onderwijsbonden, bovendien overwegend in de context van de openbare diensten. Het Wereldbestuur bleef om die reden in de eerste jaren sterk Europees gekleurd. Van 1974 af heeft het WVOP niettemin grote aandacht geschonken aan de uitbouw van regionale structuren. In Azië en Latijns-Amerika werden jaarlijks regionale of subregionale samenkomsten georganiseerd, overigens met een opvallend succes. In Afrika werden dergelijke activiteiten pas opnieuw mogelijk vanaf 1980. Vooral in Latijns-Amerika groeide de impact van de organisatie. Daar kon immers gesteund worden op een stevige regionale structuur, de FLATEC. Succesvolle seminaries bijvoorbeeld in Campo do Jordao (Brazilië), Quito (Ecuador) en Costa Rica in 1980, getuigden voor de concrete en efficiënte samenwerking van het WVOP met zijn regionale en met de CLAT. Het groeiende besef dat het onderwijs een essentiële factor was voor de ontwikkelingen in dat continent was daarbij onmiskenbaar een stimulerende factor. Seminaries in Bangkok en in Hong Kong, m.b. op het einde van de zeventiger jaren waren evenzeer succesvol maar leidden niet tot een betere structurering van de onderwijssector binnen de BATU. Het centralistische beleid van deze WVA-regionale zou overigens, jammer genoeg, een permanente rem blijven plaatsen op de ontwikkeling van een eigen WVOP-structuur in dat immense continent. Een seminarie in Niamey (Niger) voor de landen van de Conseil de l’Entente – de 5 franstalige landen rond de Sahel – werd als zodanig een succes maar leidde al evenmin tot een meer gestructureerde samenwerking. Afrika was in die periode op zoek naar een nieuwe syndicale identiteit na de weinig succesvolle poging om te komen tot een exclusieve Pan-Afrikaanse eenheidsvakbond. De ontwikkelingen in de diverse continenten waren van die aard dat in mei 1980, voor het eerst, een echt Wereldbestuur kon samengeroepen worden in Genève. Vertegenwoordigers van alle continenten namen er aan deel. Daar werd niet alleen de balans opgemaakt van de voorbije periode maar werd tevens besloten in 1981 het 3de Congres van het WVOP samen te roepen in Houffalize (België). De keuze voor Genève als vergaderplaats voor het Wereldbestuur was niet zo maar lukraak gebeurd. Om de lidorganisaties en de regionales vertrouwd te maken met het internationale werk werd er voor geopteerd samenkomsten te organiseren op de zetel van een of andere belangrijke intergouvernementele organisatie. Het Wereldbestuur vergaderde daarom op de zetel van de IAO in Genève en bij een volgende gelegenheid op de hoofdzetel van de UNESCO in Parijs. Europese vergaderingen werden georganiseerd in Straatsburg in de lokalen van de Raad van Europa, in Parijs bij de OESO, bij de Europese Gemeenschap in Brussel, in Genève op de zetel van het Internationaal Onderwijsbureau en de EFTA, … Telkens werd van de gelegenheid gebruik gemaakt om uitgebreid kennis te maken met de werking van deze organisaties en werden er ook ontmoetingen met belangrijke sleutelfiguren gepland. Op die

20

manier kregen kaderleden de kans hun kennis van en hun inzicht in het internationaal werk bij te sturen. Uiteraard bevorderde dit de samenwerking in WVOP-verband omdat het toeliet het WVOP-beleid met meer kennis van zaken te helpen oriënteren.

HOUFFALIZE (BELGIË) 1981 HET STATUUT VAN HET ONDERWIJSPERSONEEL
Het 3de Wereldcongres van het WVOP ging, in 1981, onder grote belangstelling door in het centrum Ol Foss D’Outh in Houffalize (België). De aanwezigheid van vertegenwoordigers van de IAO, de UNESCO, TUAC, de EG, alle onderwijsinternationales, het WVA en de andere VI’s van het WVA, naast officiële vertegenwoordigers van de Belgische regering, getuigde voor de toenemende waardering van de inzet van het WVOP. Opvallend was de sterke delegatie uit Latijns-Amerika. Afrika telde slechts één vertegenwoordiger. Ook dat bracht een illustratie van de structurele problemen waarmee Afrika in die periode geconfronteerd werd. Het hoofdthema was ‘De positie van het onderwijzend personeel’. Rechtstreekse aanleiding voor de keuze van dit thema was de eerste samenkomst van een Paritaire commissie voor het onderwijs bij de IAO in Genève. Ter voorbereiding daarvan had het WVOP een uitvoerige enquête doorgevoerd bij zijn leden. Op het congres werd de bevindingen daaruit niet alleen toegelicht maar werden er tevens resoluties op geënt die het WVOP-beleid voor de volgende jaren zouden onderbouwen. Vanzelfsprekend kwam ook de situatie in de continenten aan de orde. De inleiding van James B. Chandler van het Internationaal Onderwijsbureau (IOB) bracht daartoe een opmerkelijke aanzet. Sef van Wegberg - sinds 1978 voorzitter van het WVOP - tijdens zijn inleidende toesprak tot het congres en Hans Bähr, vice-voorzitter, die hem op de slotzitting verving, konden terecht van een erg succesvol congres gewagen, een congres dat perspectieven opende op een doeltreffende werking in de daaropvolgende jaren. Hans Bähr zou vanaf 1982 het mandaat van van Wegberg als voorzitter voleindigen, na het ontslag van laatstgenoemde als voorzitter van de KOV (Nederland).

NÜRNBERG (DUITSLAND) 1985 NIEUWE UITDAGINGEN IN EEN VERANDERENDE MAATSCHAPPIJ.
150 afgevaardigden uit 50 landen, naast talrijke vertegenwoordigers van de intergouvernementele instanties, de vakbonds- en NGO-wereld, waren opnieuw op het rendez-vous in oktober 1985 in Nürnberg (DBR). Daar organiseerde het WVOP zijn 4de Wereldcongres. De Duitse gastorganisatie VBE stond voor een uitstekende organisatie borg en inhoudelijk was het congres zeer grondig voorbereid. Het basisdocument ‘De rol van de onderwijsvakbeweging in een maatschappij in verandering’ was vooraf uitvoerig besproken tijdens nationale en regionale samenkomsten. Maatschappelijke evoluties zijn van alle tijden. Maar diverse veranderingsprocessen waren in een zodanige stroomversnelling geraakt dat die veranderingen mekaar opvolgden als nooit tevoren. De consequenties ervan plaatsten het onderwijs en het

21

onderwijspersoneel voor enorme opdrachten, wat meteen de actualiteit van het gekozen congresthema illustreerde. Nadenken over de rol van de onderwijsvakbeweging in een maatschappij in permanente evolutie veronderstelde minstens 4 invalshoeken: de maatschappij in verandering, het onderwijs, de vakbeweging in het algemeen en de onderwijsvakbeweging in het bijzonder. De onderwijsvakbeweging is immers tezelfdertijd betrokken op het onderwijs – misschien zelfs de meest bevoorrechte getuige van een maatschappij in verandering – als op de vakbeweging als zodanig (waar de onderwijsvakbeweging deel van uitmaakt). Deze vier invalshoeken waren daarom ook aanwezig in elk onderdeel van het rapport, in die zin dat vanuit maatschappelijke veranderingen gepeild werd welke daarvan de gevolgen en uitdagingen waren voor de vakbeweging en voor de onderwijsvakbeweging. De veranderingen werden geconcretiseerd in een twaalftal korven, van belang voor de actie van de onderwijsvakbeweging: politieke, economische, sociale, culturele, technologische en wetenschappelijke ontwikkelingen, de veranderende demografie en urbanisatie, communicatie en informatie, milieu en ecologie, onderwijs en opvoeding, internationale verstandhouding, wereld- en levensbeschouwingen en mensenrechten. Het rapport zelf en de conclusies die er na debat werden uit gedistilleerd, blijven ook vandaag nog van betekenis om nieuwe ontwikkelingen vanuit een onderwijsperspectief te interpreteren. Het is daardoor ongetwijfeld een basisrapport gebleven dat vele WVOP-standpunten is blijven onderbouwen. Het feit dat deelthema’s uit dit rapport, die al tot principiële standpunten aanleiding hadden gegeven, nadien nog grondiger uitgediept werden op volgende congressen, mag daar het beste bewijs van zijn. In Nürnberg vroegen een paar deelthema’s extra aandacht. Enerzijds was er het toen erg actuele thema ‘Nieuwe Technologie en onderwijs’; anderzijds stond de vraag ter discussie of de ‘Aanbeveling 1966 van UNESCO en IAO’ geen bijsturing of aanpassing behoefde. Aan de discussie over dat laatste thema namen ook afgevaardigden van de UNESCO en de IAO zelf deel. Het congres verkoos ook een nieuw Wereldbestuur. Louis Van Beneden nam het voorzitterschap over van Hans Bähr die, als vice-voorzitter, wel in het bestuur actief bleef. Voor het eerst waren alle continenten vertegenwoordigd in het Wereldbestuur.

CARACAS (VENEZUELA) 1989 DOORHEEN DE CRISISJAREN: UITDAGINGEN EN PERSPECTIEVEN
Niemand kon naast de vaststelling dat het onderwijs en de leraren in de loop van de tachtiger jaren sterk aan prestige hadden ingeboet. De eerste decennia na de 2de wereldoorlog waren een periode geweest van grote verwachtingen en oprechte betrachtingen, van een authentiek vooruitgangsgeloof. Aan het onderwijs werd een belangrijke rol toegekend in het streven naar meer welvaart en naar grotere kansengelijkheid overal ter wereld. Maar geleidelijk aan volgde er een periode van verkilling in de relaties en ontnuchtering omwille niet– realiseerbaar gebleken dromen. De dekolonisatie resulteerde in de ontwikkelingslanden niet in de verwachte, bevrijdende effecten die velen er van verhoopt hadden. De petroleumcrisis van de zeventiger jaren had vooral het Westen voor de realiteit geplaatst dat ook andere regio’s van de wereld een stem

22

opeisten in het debat. De jojo-evolutie van de bewakingswedloop tussen Oost en West voedde twijfels en onbehagen. De koude oorlogsretoriek verlamde de geesten en verscherpte tegenstellingen. Maar wat - vooral vanaf het begin van de tachtiger jaren - het internationaal toneel ging beheersen was de ontwikkeling van een neoliberaal, monetaristisch beleid dat, als een kwalijke virus, de politiek van de meeste landen besmette maar niet minder deze van instellingen als de Wereldbank (WB) en het Internationaal Monetair fonds (IMF). Deze intergouvernementele instellingen verplichtten, via structurele aanpassingsprogramma’s, nationale overheden tot budgettaire ingrepen die de overheidssectoren, waarbij het onderwijs, zwaar belastten. De wereldwijde schuldencrisis, die daar o.m. het gevolg van was, had voor de onderwijsbudgetten in de meeste ontwikkelingslanden catastrofale gevolgen. Het WVOP-congres van Caracas in 1989, dat als hoofdthema ‘Onderwijs en vakbeweging doorheen de crisis’ meekreeg, maakte een scherpe analyse van deze situatie en stuurde een appel aan de overheden op alle niveaus om deze negatieve spiraal te keren. Een oplossing zoeken voor de moeilijkheden mocht niet ten koste gaan van de politieke en sociale democratie, door de lasten te leggen op de schouders van diegenen die helemaal geen schuld hadden aan de crisis. Integendeel, debiteuren en crediteuren werden voor hun verantwoordelijkheid geplaatst om een rechtvaardige uitweg uit de schuldenproblematiek te vinden. De instellingen van Bretton Woods (WB en IMF) werden aangemaand om de desastreuze voorwaarden die zij aan de ontwikkelingslanden oplegden af te bouwen en hen integendeel aan te zetten prioritair te investeren in sociale projecten en in onderwijs wilden zij hun toekomst niet verder hypothekeren. De niet-gouvernementele organisaties werden opgeroepen om samen de nodige ondersteuning te mobiliseren die de situatie kon helpen keren. Vooral de vraag naar de kwijtschelding van de schulden zorgde op het congres voor pittige debatten omdat het onderscheid tussen schulden aangegaan bij gouvernementele instanties andere beleidsopties noodzaakten dan schulden aangegaan bij bankinstellingen en privé-concerns. Het congres bespeurde ook tekenen van hoop: - de (geleidelijke) toenadering tussen Oost en West vanaf de Gorbatshov-periode in de USSR, en de voorzichtige openingen in het beleid van diverse Oostbloklanden. (Het congres kon niet voorzien dat enkele maanden later de totalitaire regimes van de Sovjet-zone effectief ten val zouden komen). - het toenemend belang van regionaal sociaal-economisch overleg. Naast de sterkere ontwikkelingen binnen de Europese Gemeenschap kwamen ook in andere continenten samenwerkingsverbanden tot stand, zij het met sterk wisselend succes: ASEAN en SAARC in Azië; OAE, ECOWAS, OAS,… in Afrika; ALADI, Mercosur, Pacto Andina, … in Latijns-Amerika; - de versterking van het mensenrechtendiscours: de ratificering van het Afrikaanse handvest van de rechten van mensen en volkeren; - het groeiende milieubewustzijn (cf. het Rapport van de Club van Rome); - de beginnende dooi in China. Op het congres werd een prangende getuigenis gebracht over de gebeurtenissen op het Tienanmen-plein die nog vers in het geheugen lagen.

23

Het congres ontleedde vooral de rol die de vakbeweging en in het bijzonder de onderwijsvakbeweging zou moeten opnemen. Nadruk werd daarbij gelegd op de noodzaak van voldoende en accurate informatie en een stevige syndicale vorming van kaders en leden; bekendheid met het internationaal normeninstrumentarium en met de teksten die het statuut en de arbeidsvoorwaarden van het onderwijspersoneel betroffen; de nood aan samenwerking en de betekenis van het vakbondspluralisme. Wat het onderwijsbeleid betreft stond vooral de problematiek van de kansenongelijkheid als wereldfenomeen op het voorplan. Hoe dat keren zonder voldoende bekwaamde leraren en wat te verwachten van het fenomeen van overscholing dat vooral in Latijns-Amerika voor extra sociale problemen zorgde. In vele ontwikkelingslanden bleef men, onder impuls van de WB en het IMF, westerse onderwijsmodellen promoten zonder voldoende afstemming op de eigen realiteiten in deze landen. Algemeen kon niemand rond de vaststelling dat, als gevolg van die cocktail van politieke, financiële en sociale oorzalen de situatie van de leraren er overal op achteruit was gegaan en dat daar hoogdringend moest aan geremedieerd worden om de toekomst niet verder te bezwaren. Het congres mocht, vooral in Latijns-Amerika, op een grote belangstelling rekenen, wat zich vertaalde in een sterke vertegenwoordiging van onderwijsbonden uit alle landen van die regio, ook van organisaties die niet tot de FLATEC behoorden. Op zich al een boodschap dat samenwerking broodnodig was. Het was de grote verdienste van vice-voorzitter Heberto Ferrer (Venezuela) dat het een bijzonder geslaagd congres werd dat sporen naliet in het beleid van vele van de aanwezige organisaties. Het WVOP waakte er over dat vooral de vertegenwoordigers van de WB en het IMF met een duidelijke boodschap naar hun respectieve instanties terugkeerden.

DAKAR (SENEGAL) 1992 EEN ANDER ONTWIKKELINGSMODEL
In de lijn van de principeverklaring van het WVOP (cf. hoofdstuk 5) had het congres van Caracas al duidelijk gesteld dat de neoliberale interpretaties van de wereldcrisis te beperkend en te eenzijdig materieel, economisch en technocratisch waren. De enig verantwoorde manier om de crisis te benaderen was ze te zien als een globale crisis die raakte aan alle aspecten van het maatschappelijk leven van de mens, van de werknemers en de volkeren. Naast een economische en sociale interpretatie diende de crisis daarom evenzeer als een politieke, culturele, etnische en spirituele crisis te worden gezien. Vrede is slechts schijn als die niet wortelt in een ontwikkeling met een menselijk gezicht, in een authentieke vredescultuur, in het kader van echte democratische structuren. Het thema van het congres van Dakar in 1992: ‘Onderwijs en leerkrachten, geëngageerd voor democratie, cultuur en ontwikkeling’, sloot daar perfect bij aan. Het einde van de koude oorlog bood de mogelijkheid ideologische verdeeldheid te verdrijven, vijandige machtsblokken ongedaan te maken … . De toenemende economische problemen plaatsten de wereldgemeenschap echter voor nieuwe grote uitdagingen; etnische en culturele conflicten in en tussen landen flakkerden weer op. Vooral het Afrikaanse continent werd er door getroffen. Etnisch geweld,

24

schrijnende armoede en ontbering, onderdrukking en discriminatie, schendingen van de mensenrechten, … waren er in vele landen schering en inslag. Tussen onderwijs en cultuur bestaat een primordiale multidimensionele relatie. De uitdaging ‘Onderwijs voor allen’, het jaar voordien door de internationale gemeenschap als hoogste prioriteit geproclameerd, kan niet beantwoord worden als de volkeren van de wereld niet bereid zouden zijn hun kennis en hun culturele ervaring, in alle verscheidenheid, te bundelen, zoals ze ook hun materiële verworvenheden probeerden samen te brengen, stelde het congres. Om overal ter wereld democratie te realiseren werd het tot stand komen van een nieuwe wereldorde daarom zo essentieel genoemd. Niet in het minst voor onze Afrikaanse collega’s was de congresthematiek daarom bijzonder actueel. De passage uit de beginselverklaring van het WVOP, die stelde dat zijn engagement best kon samengevat worden in zijn inzet voor alle mensenrechten, voor solidariteit in de ontwikkelingssamenwerking en voor vrede, zowel op lokaal, nationaal als internationaal vlak was de rode draad die door alle congresteksten liep. “Deze drie doelstellingen – rechtvaardigheid, solidariteit en vrede – vormen voor het WVOP een onlosmakelijk verbond als het drievoudige perspectief waarmee maatschappelijke vooruitgang kan worden gemeten en als het voornaamste richtsnoer voor zijn maatschappelijke opstelling. Maar het vormen tevens de drie doelstellingen die alleen in hun samenhang oplichten als bruikbare criteria voor een betere wereld”. Deze stelling onderbouwde meteen ook de verschillende resoluties die door het congres werden onderschreven en waarvan de inhoud verder zou worden uitgedragen via het actieprogramma dat voor de volgende vier jaren werd vastgelegd. Het feit dat ook de UNESCO de noodzaak van een ander ontwikkelingsbeleid, steunend op een cultureel contract, op burgerschap en democratie, in die jaren promootte, gaf het WVOP een extra klankbord om de boodschap van de onderwijsbonden te vertolken op het internationale forum. Het congres van Dakar kreeg voor het WVOP nog een extra betekenis. Na de implosie van het Sovjet-blok, vanaf 1989, mocht het voor het eerst, naast deze van Solidarnosz-Polen –reeds aanwezig op de congressen van Houffalize en van Caracas – ook vertegenwoordigers begroeten uit Litouwen, Oekraïne, Hongarije, Tsjechië en Slowakije. Collega’s uit Bulgarije, Roemenië en Slovenië, die eveneens aansluiting zochten bij het WVOP, moesten op het laatste moment nog forfait geven. In elk geval was een beweging op gang gebracht die in de daaropvolgende jaren in een belangrijke hertekening van het vakbondslandschap zou uitmonden. Voorafgaand aan het congres werd in Dakar ook de regionale van het WVOP voor Afrika opgestart. Met vertegenwoordigers uit 17 landen werd op die manier ook vakbondsgeschiedenis geschreven voor dit beproefde continent. Daarover meer in hoofdstuk 4.

KUALA LUMPUR (MALEISIË) 1998 BILAN OPMAKEN VÓÓR DE START VAN EEN NIEUWE EEUW
Na Latijns-Amerika en Afrika was het de beurt aan het Aziatisch continent om het WVOP-congres te ontvangen. Op de drempel van de 21ste eeuw een betekenisvolle keuze. Was het immers niet in Azië dat de nieuwe economische

25

tijgers, China, India, Maleisië, …, de kop aan het venster staken. Wat betekende dat voor de strategisch belangrijke sector van het onderwijs? Een vraag die des te pregnanter was geworden omwille van de financiële crisis die kort daarvoor een aantal van die landen opnieuw met de neus op de feiten had gedrukt, de verworvenheden van de vooruitgang partieel had teruggeschroefd en de armoede in vele bevolkingsgroepen had doen toenemen. Bleven niet vooral de enorme verschillen tussen bevolkingsgroepen en gemeenschappen, de armoede en ontbering van miljoenen mensen, die spectaculaire evoluties overschaduwen? Kinderarbeid bleef in vele landen een plaag. Fundamentalistische bewegingen o.m. in Iran, Irak, Afghanistan, Pakistan, … zorgden voor onrust, oorlog en geweld in naam van religieuze idealen. Het onderwijs kreeg er rake klappen te incasseren als het zich niet schikte naar de grillen van de nieuwe machtshebbers. De voormalige Aziatische deelrepublieken van de Sovjet-Unie zochten krampachtig, zwaar belast met een onverteerd verleden, naar eigen wegen om uit de economische en sociale crisis te geraken die daarmee gepaard ging en hoopten op een beloftevoller toekomst. Voor het WVOP bleef het een uitdaging om in Azië eindelijk een eigen, levenskrachtige regionale structuur uit te bouwen. Diverse pogingen tot een meer autonome opstelling waren in de voorbije jaren spaak gelopen omwille de veel te belemmerende afhankelijkheid van de WVA-regionale, de BATU. Op de drempel van de 21ste eeuw leek het onontbeerlijk een balans op te maken van de uitdagingen die wachtten om de nieuwe eeuw met een hoopvoller perspectief te kunnen ingaan. Uiteraard niet alleen in Azië. De ontwikkelingen in dat continent vormden echter een interessante toetssteen om er de evoluties elders tegen af te wegen. Het uitgangspunt van de debatten viel af te lezen uit het thema van het congres van 1998 in Kuala Lumpur: ‘Leraren voor de 21ste eeuw’. De debatten leidden tot conclusies die voor elk continent, en binnen elk continent voor verschillende regio’s, afzonderlijke accenten vergden. Naast belangrijke algemene vaststellingen die het geheel van het onderwijskorps wereldwijd aanbelangden bleek, sterker nog dan in het verleden, hoe verschillend die uitdagingen ook kleurden in de specifieke context waarin leraren hun opdracht moeten waarmaken. De oproep van het congres tot de internationale gemeenschap en tot de beleidsverantwoordelijken van de afzonderlijke landen was ondubbelzinnig. Zonder een op wereldniveau geconcerteerde inspanning zou het onderwijs de grote verwachtingen, die in vele verklaringen en documenten van de diverse instanties van de UN-familie doorklonken, nooit kunnen beantwoorden. Meer dan woorden werden concrete daden verwacht, gemeenschappelijke inspanningen die niemand, zeker de zwakste schakels niet, in de kou zouden laten staan. Alle initiatieven op het gebied van onderwijs en opleiding verdienden de ondersteuning en bemoediging van heel de gemeenschap. Primordiaal daarbij was dat er over gewaakt zou worden dat er overal voldoende gekwalificeerde leraren zouden worden ingeschakeld, aan wie men een maatschappelijke status garandeert die hen het broodnodige respect en de onmisbare ondersteuning verzekeren dat zij verdienen. De rechten en vrijheden die hen door de internationale instrumenten van de betrokken componenten van de UN-familie worden toegezegd, moeten hen ook effectief gegarandeerd worden. De onderliggende bedoeling om de Aziatische regionale van het WVOP, de ACT, nieuwe impulsen te geven door er nieuwe actiemogelijkheden aan te bieden en te ondersteunen, kende slechts een partieel succes. De interne verhoudingen

26

binnen de BATU bleven de collega’s parten spelen. Van een autonomere opstelling binnen de regio was er nog steeds geen sprake. De afhankelijkheid van de BATU voor het uitwerken van initiatieven en projecten kon alleen via centrale besluitvorming door de instanties van het WVOP omzeild worden.

ALBENA (Bulgarije) 2002 NIET ALLEEN ONDERWIJSPROFESSIONALS, OOK ACTOREN VAN SOCIALE INCLUSIE
Na de congressen in de Latijns-Amerika, Afrika en Azië was het opnieuw de beurt aan Europa om het WVOP- congres te organiseren. Ondanks de materiële en organisatorische moeilijkheden die daar mee gepaard gingen koos het bestuur resoluut voor een land uit Oost- en Centraal Europa als zetel van het 8ste Wereldcongres. Het werd Albena aan de Zwarte Zee-kust in Bulgarije. Ondanks de weinig comfortabele reisomstandigheden die daar voor sommige deelnemers mee gepaard gingen, werd het voor velen een memorabel congres. Naar aanleiding van het Millennium werden door de internationale instanties de conclusies van de grote evenementen uit de negentiger jaren opnieuw bevestigd: Kopenhagen +5 over de sociale problematiek in de wereld, Beijing +5 over de gelijke kansen voor vrouwen, de Wereldtop over onderwijs in Dakar over ‘onderwijs voor allen’, conferenties over duurzame ontwikkeling, … Dat dit meer dan nodig bleek wijst er al op dat er, ondanks enige vooruitgang, nog vele grote beloften en plechtige verklaringen niet ingelost waren geraakt. Integendeel, als gevolg van politieke, economische en demografische ontwikkelingen, waren er een aantal nog verscherpt en geraakten tegenstellingen tussen landen en volkeren, regio’s en bevolkingsgroepen, … eerder vergroot dan verkleind. Het congres van Albena ‘Leraren, onderwijsprofessionals en actoren van sociale inclusie’ wilde in kaart brengen welke consequenties daaruit voortvloeiden voor het onderwijs en het leraarschap. De titel op zich was al een programmaverklaring. Leraren moeten de kans en de mogelijkheid krijgen om niet alleen een eigen professionaliteit te ontwikkelen maar ook een primordiale bijdrage te leveren voor de realisatie van kansengelijkheid voor iedereen, voor sociale inclusie op alle niveaus en in alle maatschappelijke sferen, niet in het minst van de zwakkeren uit onze samenleving. De grote thema’s die rond de Millenniumviering opnieuw in de actualiteit waren gebracht boden een uitstekende aanzet om er ook op het Albena-congres van het WVOP over te debatteren en er standpunten tegenover in te nemen, zowel voor de mondiale als de regionale contexten. Een kwantitatieve zowel als een kwalitatieve evaluatie noopte tot een diepgaande reflectie over de brede doelstellingen van het onderwijs in de nieuwe samenleving. Concepten als levenslang leren, de integratie van nieuwe technologieën, een nieuwe benadering van het volwassenenonderwijs en de beroepsopleiding, de hervormingen in het hoger onderwijs en niet in het minst het programma ‘Onderwijs voor allen’, vroegen om de uitgesproken aandacht van de congresgangers. De conclusies uit de debatten, zoals ze vertaald werden in de algemene en de regionale resoluties, noopten er het WVOP toe zijn interne en externe werking opnieuw te definiëren. Bijzondere aandacht vroegen daarbij de gesprekken met de EI over de eventuele oprichting van een eenheidsorganisatie, de plaats en de

27

werking van het WVOP binnen de beroepsactie van het WVA, de nieuwe benadering van de internationale intergouvernementele organisaties die steeds meer gezamenlijke projecten en doelstellingen voorop stelden, de nieuwe kijk op de rol van het maatschappelijk middenveld, … Het goedgekeurde actieprogramma hield vanzelfsprekend rekening met het voorgaande, benadrukte de noodzaak van een doeltreffender beleid betreffende de opleiding, de groei naar grote professionaliteit, decente loon- en arbeidsvoorwaarden voor het personeel, respect voor de internationale normen, reële inspraakkansen, … Niet minder belang werd er gehecht aan de integratie van de WVOP-aanpak in de bredere opstelling van het WVA, de noodzaak van een echte samenwerking op het mondiale en regionale onderwijsveld en op de werkterreinen van de niet-gouvernementele organisaties, de werkvelden waarop het WVOP ook bedrijvig was, … Vernieuwend was dat dit congres voor het eerst een niet-Europeaan tot voorzitter verkoos. Claudio Corries (SADOP-Argentinië), de secretaris-generaal van de FLATEC, volgde Louis Van Beneden op als algemeen WVOP-voorzitter voor de periode 2002-2006.

Sevilla (Spanje) 2006 KWALITATIEF ONDERWIJS VOOR ALLEN EN WAARDENOPVOEDING
Het 9de WVOP-congres in het Spaanse Sevilla werd meteen ook het laatste. Naast de bespreking van het activiteitenverslag over de voorbije periode stonden twee inhoudelijke debatten geagendeerd m.n. ‘Onderwijzen in het privé onderwijs’ in relatie met de realisatie van de doelstellingen van de wereldgemeenschap betreffende ‘Onderwijs voor allen’ en ‘Waardenopvoeding in het onderwijs’. Het centrale debat ging echter over het voorliggend ontwerp van resolutie om de organisaties van het WVOP te integreren in de EI en het WVOP te ontbinden. Vanzelfsprekend kaderden de debatten over de waardenproblematiek en het privéonderwijs centraal in de ‘traditionele’ bekommernissen van het WVOP. Zij mondden uit in richtinggevende resoluties waar wij in een ander hoofdstuk (hoofdstuk 12) specifieker op terugkomen. Het congres van Sevilla zal echter in de eerste plaats herinnerd blijven als het congres dat formeel, meerderheid tegen minderheid, besliste om het WVOP op te heffen en de stap naar integratie in de EI, als WVOP/EI-groep, goed te keuren. De Europese organisaties hadden deze beslissing al eerder genomen. Afrika en Azië sloten zich daar in Sevilla bij aan. De congressen van de FEPASE en de ACT hadden het immers mogelijk gemaakt om de beslissingen van Sevilla door te trekken naar de continenten. Ondanks diverse pogingen van de WVOP/EI-groep om de organisaties van de FLATEC dichter bij een integratie te brengen besloten ze om de stap naar de EI toch niet te zetten. In de praktijk kwam dat er op neer dat zij ook niet opstapten in het objectief om in EI-verband een specifieke samenwerking rond sommige concrete dossiers te blijven verder zetten. Uiteraard betekende dit een verzwakking van de strekking die het WVOP binnen de EI wenste te verdedigen in het belang van zijn oorspronkelijke lidorganisaties en m.b. met bijzondere aandacht voor solidariteit met kleinere organisaties die enige ruggensteun erg nuttig zouden hebben bevonden. Claudio Corries nam ontslag als WVOP-voorzitter, consequent met de beslissing van zijn eigen nationale en regionale organisaties. Gust van Dongen werd daarop door het

28

congres verkozen om de WVOP/EI-groep voor te zitten in een poging om de eigen invalshoek van het WVOP ook in de toekomst te beveiligen. Wat daarmee beoogt werd wordt in hoofdstuk 7 verder toegelicht.

DE NADAGEN: BERLIJN 2007
Voorafgaand aan het EI-congres in Berlijn, op 21 juli 2007, vergaderde de WVOP/EI groep voor de laatste maal. Er werd gerapporteerd over de initiatieven die na het congres van Sevilla van februari 2006 nog werden op het getouw gezet o.m. om de financiering van de werking van de groep te bestendigen, over de relatie met het WVA, de ontwikkelingen in de continenten en de opvolging van de integratie van de WVOP-organisaties in de EI. Op het einde van het debat werd een ontwerpresolutie voorgelegd die de ontbinding van de WVOP-EI groep inhield. Ze werd unaniem goedgekeurd. Daarmee kwam er een einde aan een organisatie die gedurende 36 jaar, steunend op de inzet van velen, onbetwistbaar geschiedenis heeft geschreven in en voor het syndicalisme in de onderwijssector. Het bilan van die 36 + 7 jaar, als wij de voorgeschiedenis meetellen, staat uitgeschreven in deze uitgave. De ontwikkelingen die geleid hebben tot voornoemde finale beslissing staan uitvoeriger toegelicht in een afzonderlijk hoofdstuk 7.

Hoofdstuk 4

HET WVOP EN ZIJN REGIONALES

Een organisatie die de ambitie heeft op het mondiale niveau een rol van betekenis te spelen moet daar zowel structureel, organisatorisch als programmatorisch op berekend zijn. Het is daarom logisch en normaal te noemen dat het WVA, voortbouwend op wat het als ICV had voorbereid, de mondialisering van zijn actie als één van zijn prioritaire opdrachten zag, toen het, na het congres van Luxemburg (1968), zijn breed humanistische programmaboodschap proclameerde.

29

Het WVOP wilde, als internationale vakinternationale van dat WVA, van bij zijn oprichting in 1970, vanzelfsprekend dezelfde richting uit. Een ambitie met vele consequenties die nooit zouden kunnen waargemaakt worden zonder de actieve steun van de lidorganisaties, vooral uit Europese landen. De onderwijsbonden uit andere continenten, die in de aanloopfase ook een aansluiting bij het WVOP ambieerden, waren overwegend geïntegreerd in bonden van het overheidspersoneel, aangesloten bij INFEDOP. De eerste stappen in de richting van een bredere mondialisering van de acties van het WVOP gebeurden daarom in nauwe samenwerking met de INFEDOP. Dat illustreerden wij al in hoofdstuk 2. Geleidelijk aan kwamen er echter eigen regionale structuren tot stand die de ontwikkelingen in de onderscheiden continenten sterk moesten helpen sturen. In de realiteit bleven zij in grote mate schatplichtig aan de regionale besturen van het WVA. Hun medewerking aan de WVOP-initiatieven liep niet altijd van een leien dakje, omdat de interprofessionele verantwoordelijken meestal een erg centralistische aanpak voorstonden en de autonomie van de beroepsbonden in hoge mate bleven sturen en conditioneren. Het WVOP zette zich vooral in voor projectondersteuning en financiële mogelijkheden voor de organisatie van seminaries en congressen. Wat de werkingskosten, de secretariaatsbemanning, interne verplaatsingen communicatiekosten e.d. betreft, bleven de WVOP-regionales aangewezen op de mogelijkheden die zij kregen van de WVA-regionale. Inkomsten uit eigen ledenbijdragen waren er nauwelijks maar in elk geval onvoldoende om levenskrachtig en op de opdracht berekend te blijven. In de praktijk kwam het er op neer dat de werking van de regionales overwegend geïnspireerd en gestuurd werd vanuit het algemeen WVOP-secretariaat, dat de regionale besturen wel consequent betrok bij planning en uitvoering van initiatieven, maar het meestal ook met de WVA-regionale eens moest geraken vooraleer aan de slag te kunnen. Dat dit in de onderscheiden continenten met wisselend succes gebeurde belichten wij in dit hoofdstuk. Om de regionale werking maximaal te ondersteunen heeft het WVOP in 1985 een belangrijke beslissing genomen. De wereldcongressen zouden van dan af bij rotatie in een ander continent worden gehouden. Ter voorbereiding van die congressen werden, op de locatie van het congres zelf, telkens regionale seminaries georganiseerd, en dit voor elk continent. Het seminarie voor de regio van het gastland was steeds omvangrijker en representatiever omdat een wereldcongres ook een uitstekende gelegenheid bood om de betekenis van het WVOP voor de onderscheiden landen, op grotere schaal en voor een breder forum, sterker in het licht te stellen. Sommige van die seminaries werden daarom ook als een regionaal statutair congres georganiseerd. Ter voorbereiding van elk congres vergaderde het Wereldbestuur, enkele maanden voordien, in de regio waar het congres zou worden gehouden. Op die manier werd de band met de regio nog versterkt en kregen de leden van het Wereldbestuur de kans om een realistischer kijk te krijgen op de problemen waarmee de collega’s er werden geconfronteerd. Het past op deze plaats in herinnering te brengen dat het WVOP nooit in zijn opdracht zou geslaagd zijn mocht het niet hebben kunnen rekenen op de financiële, logistieke en morele ondersteuning van diverse stichtingen en instanties. Niet in het minst ook op de solidaire steun van zijn Europese leden. Via een eigen solidariteitsfonds, rechtstreekse projectondersteuning, bilaterale

30

contacten, het ter beschikking stellen van inleiders, het voorbereiden van congres- en seminariedocumenten, … hebben zij het mogelijk gemaakt dat al die jaren de mondialisering van de werking van het WVOP geen wensdroom is gebleven. Wat de externe ondersteuning betreft vermelden wij graag volgende instanties en stichtingen, op wie het WVOP in de loop der jaren mocht beroep doen voor ondersteuning: het IAB, de UNESCO, de Konrad Adenauerstiftung (KAS), CECOTRET, Wereldsolidariteit, CNV Kom Over, het internationaal solidariteitsfonds van het WVA, EZA, …

AFRIKA: De moeizame zoektocht naar een onderwijssyndicalisme met een Afrikaans gelaat
In 1959 was, uit de fusie van de CATC (West-Afrika) en de CATC (Equatoriaal Afrika) (Confédération des travailleurs croyants) de UPTC (Union panafricaine des travailleurs croyants) ontstaan, die als regionale van het ICV werd erkend. Daarbij sloten zowel interprofessionele als professionele bonden aan. Spoedig daarna, in 1962 al, als consequentie van de dekolonisatie die het Afrikaanse staatkundige landschap grondig wijzigde, werd de de CSA (Confédération syndicale africaine) opgericht, later omgevormd tot OUSA (Organisation unitaire des syndicats africains). Het opzet was zeer duidelijk: een eenheidsorganisatie voor de Afrikaanse vakbonden van alle strekkingen creëren die niet volgens de patronen van de oude kolonisatoren mocht worden geconcipieerd. Oorspronkelijk had de organisatie de wind in de zeilen. In 1968 werden er zelfs 5 regionale bureaus voor opgericht. Maar de beoogde eenheid bleef in hoge mate een verre droom. De steun van de Afrikaanse regeringen die hen oorspronkelijk was verzekerd, kalfde geleidelijk af en werd vooral met de mond beleden. In het verscheurde continent bleef het uitzonderlijk moeilijk om bovennationale samenwerking te realiseren. Niet in het minst de verloederde en onaangepaste communicatiemiddelen en de gebrekkige verplaatsingsmogelijkheden deden vele goedbedoelde initiatieven al vlug verzanden. Ondertussen bleven vroegere internationale coalities in beperkte mate actief omdat zij konden rekenen op externe, vooral Europese steun. Bovendien probeerden de verschillende, ideologisch sterk verdeelde internationale vakbewegingen, ook het Afrikaanse laken naar zich toe te trekken. Om politieke redenen werd de UPTC in 1973 ontbonden en kwam de FOPADESC (Fondation panafricaine du développement social et culturel) in de plaats, een stichting dus en geen echte syndicale organisatie. De oorspronkelijke bonden van de UPTC bleven er elkaar ontmoeten in het kader van het seminarie- en vormingscentrum dat, dank zij Belgische ontwikkelingssteun, in Lomé (Togo) werd opgericht. De bonden van het personeel van de Openbare sector, aangesloten bij de FOPADESC hadden eerder al een regionale voor hun sector opgericht, de AFROFEDOP. Daaronder ook onderwijsvakbonden. Op het oprichtingscongres van het WVOP, in 1970, meldden zich uit die groep 10 potentiële leden aan (zie hoofdstuk 2). Op die basis kon het WVOP zijn eerste initiatieven op het zwarte

31

continent opzetten. Gedurende het eerste decennia eerder beperkt en in samenhang met INFEDOP. Maar de nood aan een eigen structuur voor de onderwijssector groeide met de dag. Het toenemend belang van de internationale onderwijsagenda voor Afrika was daar natuurlijk niet vreemd aan. Toen het globale klimaat weer wijzigde kwam, in 1993, opnieuw een syndicale structuur tot stand. De ODSTA (Organisation démocratique syndicale des travailleurs africains)/DOAWTU (Democratic Organisation of African Workers’ Trade Unions) verving de FOPADESC als regionale van het WVA. De FOPADESC bleef wel bestaan als vormingsorganisatie ten dienste van de ODSTA. Buiten sporadische specifieke initiatieven, waarover meer in hoofdstuk 3, was er van een eigen regionale vakorganisatie voor de onderwijssector tot ca. 1985 nauwelijks sprake geweest. Wel was het WVOP niet bij de pakken blijven zitten. Zo had er bijv. in februari 1980 in Niamey een seminarie plaats over ‘Onderwijs en landbouwontwikkeling’ waaraan bonden uit Benin, Ivoorkust, Opper-Volta , Niger en Togo participeerden. In 1981 was er een seminarie in de Centraal-Afrikaanse Republiek; in 1982 voor Mauritius en Madagaskar; in 1983 in Senegal en in Liberia; in 1985 in Togo; in 1986 in Mauritius en in 1988 opnieuw in Liberia. In 1987 werd er een succesvol Panafrikaans seminarie georganiseerd in Lomé. Meer dan betekenisvol was de deelname van een WVOP-delegatie aan het congres van de AATO (All African Teachers Organisation), verbonden met de OUSA, in november 1986 in Harare (Zimbabwe). Een duidelijk signaal dat het WVOP ook aanwezig wilde zijn in het Afrikaans debat en het terrein niet alleen aan de SPIE en de CMOPE wilde laten. Die laatste had zich, vooral steunend op de blijvende impact van de onderwijsbonden van de voormalige kolonisatoren Engeland en Frankrijk, stevig ingeplant op het zwarte continent, omdat het er zich kon blijven aandienen als een professionele organisatie en niet als een vakbondsorganisatie. In het besef dat onderwijsvakbonden in een aantal Afrikaanse landen gewoon niet toegelaten waren, was dit een belangrijk strategisch voordeel. (Hetzelfde fenomeen deed zich overigens evenzeer voor in Azië). Het grote keerpunt kwam er door het Seminarie dat het WVOP, in samenwerking met de ILO en de KAS, organiseerde in Lomé in juli 1988 onder de titel: ‘De rol van de syndicale organisaties bij de ontwikkeling van het onderwijs in Afrika’. Niet alleen betrof het een zeer succesrijk seminarie, inhoudelijk en qua deelname en representativiteit, maar vooral omdat de noodzaak van de oprichting van een eigen WVOP-regionale ondubbelzinnig duidelijk werd voor alle betrokkenen. Spoedig daarna werden met de FODADESC daarover contacten gelegd en de eerste afspraken gemaakt. In november 1988 vergaderde het Wereldbestuur van het WVOP in Lomé en bevestigde er dat een spoedige oprichting van een eigen regionale in Afrika onontbeerlijk was om de ontwikkelingen in dit gistende continent passend te kunnen beantwoorden. Interne spanningen in de FOPADESC verhinderden echter dat daar vlug werk kon van gemaakt worden. De druk op de FOPADESC-verantwoordelijken werd daarom systematisch opgevoerd. Uiteindelijk werd op 4.8.1994, ter gelegenheid van het Afrikaans seminarie dat aan het WVOP-congres van Dakar voorafging, het licht op groen gezet. 18 organisaties hadden een afvaardiging gestuurd. De ODSTA had er op aangedrongen dat de inhoud en het verloop van het seminarie, dat moest

32

uitmonden in de oprichting van een eigen Afrikaanse onderwijsregionale, een opdracht voor de Afrikanen zelf moest zijn. Een optie die getuigde voor de vaste wil om er echt werk van te maken, wat natuurlijk toe te juichen viel. Maar … op het einde van de samenkomst werd een negenkoppig bureau verkozen waarvan de leden allemaal een ronkende titel naar huis mee mochten nemen, maar geen concreet takenpakket en geen werkafspraken. Van enige programmatische planning of van een financieringsplan was er geen sprake. Met een secretarisgeneraal uit Madagaskar, vol goede wil maar zonder ervaring, zonder secretariaatsinfrastructuur en met grote verplaatsingsproblemen om in normale voorwaarden Lomé te bereiken, … waren de verwachtingen van het WVOP niet te hoog gespannen. De ODSTA beloofde zelf wel voor de secretariaatswerking in te staan en de verantwoordelijken voor de beroepsactie zouden de activiteiten wel coördineren. In de praktijk kwam daar in een eerste fase weinig van terecht. Formeel was de FEPASE/PAFETTU (Fédération panafricaine des travailleurs de l'éducation / Pan-African Federation of Teachers' Trade Unions) van start gegaan. Conclusie: alle goede bedoelingen van Afrikaanse zijde ten spijt bleef er het WVOP niet anders te doen dan zelf verder de motor draaiende te houden en de FEPASE tot leven te wekken. De echte kentering kwam uit een totaal andere hoek. Toen de UNESCO in 1995 aan het WVOP vroeg een landenstudie uit te schrijven ter voorbereiding van de volgende vergadering van de CEART opteerde het WVOP er voor om een monografie over de bijdrage van de onderwijsvakbeweging voor de uitbouw van een democratische en solidaire gemeenschap in Zuid-Afrika uit te schrijven. Na voorbereidende gesprekken met diverse verantwoordelijken van de onderwijssector op beleidsniveau en met onderwijsvakbonden in Pretoria en Johannesburg, werd de syndicale organisatie van de Universiteit van Pretoria van de SAPTU bereid gevonden om de voorbereiding van die monografie in het land zelf te coördineren. De ronduit vijandige relaties tussen de onderwijsbonden in Zuid-Afrika leidden ertoe dat het uiteindelijk, om de vrede te bewaren, onder de verantwoordelijkheid van de SACE (South African Council of Educators) was dat de definitieve versie van de tekst werd uitgeschreven, onder de titel “The Role and function of the school (its teachers) in the promotion of respect for human values and dignity, of cultural understanding, tolerance and peace in South Africa”. Ter gelegenheid van de voorstelling van de conclusies van de studie, in april 1997, organiseerde het WVOP, naast een officiële presentatie van het document, ook een seminarie voor vakbondsleiders uit Zuidelijk Afrika. Daar werden de kiemen gelegd voor de sterke uitbouw die het WVOP in de daarop volgende jaren in die regio zou kennen. Vooral de NAPTOSA (Zuid-Afrika) ontpopte zich tot een stuwende kracht die met de jaren een steeds sterkere impact verwierf binnen de FEPASE en het WVOP. Musa Shezi en na hem Henry Hendriks speelden daarbij een hoofdrol. Diverse organisaties uit o.m. Zimbabwe, Zambia, Namibië, Botswana, … vervoegden de WVOP-gelederen. Een seminarie in Namibië in 1998 zette de toon. Na het FEPASE-congres van april 1999 in Bouznika (Marokko) konden de meeste organisatorische problemen, waarmee deze regionale sinds haar ontstaan in Dakar in 1994 te kampen had gehad, opgelost worden. De invloed van de NAPTOSA was daarbij doorslaggevend. Lala Mansourou uit Benin nam de functie van secretaris-generaal over en een constructievere samenwerking met de ODSTA werd mogelijk. De start van een nieuwe ontwikkeling. Diverse missies en initiatieven ondersteunden de beweging. Statutaire vergaderingen van de

33

FEPASE in Pretoria (1999), Yaoumbé (2000), Port Louis (2001), … bevestigden de positieve ontwikkelingen. Missies in Niger (2001), Burkina Faso, (2001), op Réunion en de Seychellen, openden nieuwe perspectieven. Seminaries als dit van Lokassa (Benin) over kinderarbeid (2000), Port Louis (Mauritius) over de hervormingen van het secundair onderwijs (2001), … toonden aan dat de internationale agenda daarbij niet verwaarloosd werd. Bij diverse gelegenheden (in 2000, 2001, 2002, …) werd het WVOP, door toedoen van de NAPTOSA en later ook de SAOU, betrokken bij evenementen in Zuid-Afrika wat het prestige van de organisatie ongetwijfeld ten goede kwam. In december 2006 besliste het congres van de FEPASE in Ouagoudou tot de integratie van zijn lidorganisaties in de IERAF/EIRAF, de regionale structuur van de EI/IE. Dank zij de positieve ontwikkelingen van de laatste 10 jaren kon het er zich aanmelden als en sterke en betrouwbare partner voor de uitbouw van een doeltreffend onderwijssyndicalisme in het zwarte continent.

AZIE: onder de vleugels van de BATU

In Azië werd een verbindingsbureau van het ICV in 1963 omgevormd tot een autonome regionale confederatie: de BATU (Brotherhood of Asian Trade Unionists). Het zou nog vele jaren duren vooraleer de BATU Aziatische vakinternationales zelfs maar mogelijk maakte. Een echte autonomie hebben zij in de BATU eigenlijk nooit gekregen. In de beste Aziatische traditie was het de voorzitter die, als een echte goeroe, de richting bepaalde, de medewerkers koos en de opdrachten formuleerde. Johny Tan, de voorzitter van de FFW uit de Filippijnen die van meet af aan de leiding kreeg van de BATU, was zo een dominerende figuur. Ongetwijfeld een bekwaam en gezagvolle vakbondsleider, maar vooral een voorzitter die weinig tegenspraak duldde en zelf de beleidslijnen vastlegde die de BATU zou volgen zowel in het WVA als in de relaties met de intergouvernementele instanties. Hem overtuigen van de noodzaak om afzonderlijke vakinternationales op te richten op het regionale vlak was geen eenvoudige klus. Als hij dan toch over de brug kwam bleef hij ook die touwtjes rechtstreeks of via zijn trouwe ‘zendboden’ in handen houden. Hij bepaalde wie welke verantwoordelijkheden toegewezen kreeg. Een onvoorwaardelijke volgzaamheid aan Tan was dé onuitgesproken voorwaarde. Te sterke of kritische figuren kregen gewoon geen kans. Op het einde van zijn carrière, toen hij noodgedwongen de rol moest lossen, zou blijken dat nog andere Filippino’s, onder meer zijn opvolgster, in hetzelfde bedje ziek waren. Jammer, want dergelijke houding is weinig bevorderlijk gebleken voor de ontwikkeling van een doeltreffende vakbondswerking in Azië. Wat betekende dat voor het WVOP? Tijdens de zeventiger jaren bleef de ASIAFEDOP, de regionale van de INFEDOP voor Azië, het aangewezen kanaal om in dat continent voet aan de grond te krijgen. Initiatieven, missies, conferenties en contacten hadden daardoor ook overwegend een gemeenschappelijk karakter. Dat was o.m. het geval voor seminaries in Bangkok, Hong Kong, Singapore (de gebruikelijke vergaderlocaties van de BATU) op het einde van de jaren 70. Secretaris-generaal Coen Damen tekende in belangrijke mate voor het succes van deze initiatieven.

34

Vanzelfsprekend was er een rechtstreekse lijn van het WVOP naar de onderwijsbonden die zich als lid hadden aangemeld, maar een coördinatie op Aziatisch niveau bleef zeer lang uit. Dat belette het WVOP niet om geleidelijk aan ook eigen regionale seminaries te organiseren waaraan meestal afgevaardigden van 10 of meer landen deelnamen. Dat was o.m. het geval in Singapore (1982), in Hong Kong (1983 en 1984), … In het kader van de congressen en verbondsbesturen van het WVA was het WVOP er geleidelijk in geslaagd om het vertrouwen van de BATUverantwoordelijken te winnen. Tijdens een seminarie in Singapore, in mei 1989, waaraan delegaties uit 11 Aziatische landen deelnamen, en tijdens een aansluitende missie in Hong Kong (waar de gebeurtenissen die zich op dat ogenblik op het Tiennamenplein in Beijng afspeelden de contacten kleurden), kon het WVOP de BATU overtuigen een regionale voor het onderwijs op te richten. (In Hong Kong woonde de Aziatische contactpersoon voor het WVOP, Lam Wah Hui). Op 29.11.1990 werden de statuten van de ACT(Asian Confederation of Teachers) in Singapore goedgekeurd. Sunwan Chough (Zuid-Korea) werd de eerste voorzitter van de nieuwe WVOP-regionale en Gregory Lobo (India) werd als secretaris-generaal aangesteld. In juli 1992 pas had in Bangkok de eerste Governing Board plaats. In 1993 volgde het eerste Statutair Congres waar Gerard Gunaratne (Sri Lanka) tot eerste verantwoordelijke van de ACT werd verkozen. Voor deze, en alle nadien nog volgende initiatieven, wenste de BATU de inhoudelijke lijn te blijven uitzetten. Het WVOP werd vooral geacht voor de nodige financiering in te staan. Het moet gezegd dat de samenwerking met de programmaverantwoordelijken van de BATU, meer bepaald met Tony Asper en Estenio Tunac, over het algemeen erg positief was en dat zowel hun planning en uitwerking als de begeleiding van die initiatieven deskundig en geëngageerd gebeurde. Overigens in goede verstandhouding met het WVOP. De betrokkenheid van de ACTverantwoordelijken werd door de BATU echter te beperkend geïnterpreteerd. Van enige ruimte om een eigen beleid uit te stippelen was er nauwelijks sprake. Uitstekende verantwoordelijken als Gerard Gunaratne (Sri Lanka), V.Sirdesai (India), Shouket Ali (Pakistan), … kwamen daardoor onvoldoende tot hun recht wat voor de ontwikkeling van een doeltreffende werking erg belemmerend was en frustraties kweekte. Toch liet het WVOP zich nooit onbetuigd om de ACT zo goed mogelijk vooruit te helpen. Missies in Bombay (India) in 1990 en 2001, in Indonesië en de Filippijnen (1999), in Pakistan en Sri Lanka (2000 en 2001), diverse seminaries in Singapore, Bangkok, … zijn daar het duidelijke bewijs van. De voorbereidende seminaries op de wereldcongressen in Caracas, Dakar, Kuala Lumpur, Albena, … droegen er toe bij dat in de ACT geleidelijk aan een gemeenschappelijk platform groeide dat zijn vruchten afwierp zowel op het vlak van de samenwerking met de regionale structuren van de intergouvernementele organisaties als in de werking van het WVOP. Het WVOP-congres van Kuala Lumpur (Maleisië) in 1999 werd organisatorisch een groot succes maar de verhoopte impuls voor de expansie van het WVOP, en dus de ACT, in Azië bleef jammer genoeg uit.

35

Tijdens de eerste jaren van het nieuwe millennium participeerden afgevaardigden van de ACT ook aan de gemeenschappelijke seminaries voor de beroepsactie die door het WVA werden gepromoot en die ook op de steun van BATU konden rekenen. Vele nieuwe perspectieven kwamen daar voor de ACT niet uit. De vermeende gemeenschappelijkheid van de behandelde thema’s bleven eerder een ver van mijn bed-show omdat ze niet inspeelden op de specifieke aspecten van de problematiek voor de onderwijssector. Toen de integratie van de WVOP-leden in de EI-structuren op de agenda kwam liep ook dat niet van een leien dakje in Azië. Ook hiervoor volgde de BATU ongewone strategieën. In het kader van zijn samenwerking met de organisatie van de onderwijsvakbonden uit de GOS-landen, het Gemenebest van Onafhankelijke Staten, waarbij de meeste Aziatische landen van de voormalige USSR behoren, bouwde het WVOP contacten uit met onderwijsbonden uit die landen. De belangrijke onderwijsbond van Tajikistan werd lid van het WVOP. Het WVOP organiseerde in dat land in 2002 overigens een spraakmakende conferentie. Omdat deze landen zich niet inschakelden in het Aziatische stramien, maar eerder op de Europese ontwikkelingen afgestemd bleven, hadden zij geen specifieke relatie met de ACT. Meer daarover in hoofdstuk 6.

LATIJNS-AMERIKA: “la gran patria America Latina” : objectief en/of alibi ?
Tijdens een congres op 21-24 augustus 1979 in Santo Domingo (Dominicaanse Republiek) heeft de CLATEC (Comisión Latinoamericano de Trabajadores de la Educación y de la Cultura) zich omgevormd tot een federatie: de FLATEC. Onder die benaming heeft de Latijns-Amerikaanse regionale van het WVOP jarenlang een belangrijke rol gespeeld. Bij de oprichting van de Latijns-Amerikaanse CLASC (Confederación Lationoamericana de Sindicatos Cristianos), in 1954, waren zowel interprofessionele als professionele organisaties als lid aanvaard. (In navolging van het ICV dat in 1968 was omgevormd tot WVA, werd de CLASC nadien omgevormd tot CLAT: Confederación Latinoamericana del Trabajo). Was de werking vooral interprofessioneel georiënteerd, wat het professionele betreft werden conferenties georganiseerd die later tot regionale professionele structuren werden omgebouwd. Dat was begin 1968 het geval voor de onderwijssector door de oprichting van de CLATEC. In de aanloopperiode 1968-1979 is de CLATEC uitgegroeid representatieve regionale organisatie van de CLAT en van het WVOP. tot een

De objectieven die van bij de aanvang hoog in het vaandel stonden ingeschreven bleven nadien de werking van de FLATEC oriënteren: concrete actie, een stevige organisatie en een grondige militantenvorming. Die actie beoogde in de eerste plaats het systematisch solidair opkomen voor organisaties en personen die in het turbulente Latijns-Amerika vervolgd en onderdrukt werden. De idealen van rechtvaardigheid, vrijheid en democratie hebben altijd de opstelling van de CLATEC/FLATEC gestuurd, zeker wanneer werd geageerd tegen dictatoriale regimes die de waardigheid van het onderwijspersoneel en hun organisaties met

36

de voeten traden (cf. Chili). IJveren voor de materiële en sociale rechten van dat personeel waren daar een logisch gevolg van. Solidariteit werd niet alleen met de mond beleden. Dat was uitdrukkelijk het geval toen vanaf 1980, onder impuls van de voorstanders van de ‘Reagonomics’, het IMF en WB de landen van LatijnsAmerika tot een restrictief beleid verplichtten waarvan onderwijs en leraren tot de belangrijkste slachtoffers werden gerekend. In nauwe samenwerking met de CLAT was de organisatie uitdrukkelijk ook op de promotie en de verdediging van de mensenrechten en de vakbondsrechten georiënteerd. Via een eigen dienst, en in samenwerking met het WVA en het WVOP, werden vragen en initiatieven in dat verband ook op het wereldforum gebracht via o.m. de ILO en de UNESCO. Veel aandacht werd steeds besteed aan het informeren van de aangesloten leden. De uitgebreide documentatiedienst van de CLAT, in zijn centrum in San Antonio de los Altos (Venezuela), was daartoe vanzelfsprekend een uitstekende bron. De CLATEC/FLATEC plande elke jaar een groot aantal seminaries en conferenties die vooral vorming van vakbondsleiders beoogden. Daarbij kwamen organisatorische thema’s aan bod, vergelijkend onderzoek van onderwijssystemen en van het statuut van het personeel in de onderscheiden landen en regio’s, maar ook politieke bewustmaking. Er werd over gewaakt dat de onderscheiden subregio’s regelmatig aan bod kwamen. Voor Noordelijk Zuid-Amerika gebeurde dat meestal in Venezuela, voor Midden-Amerika in Costa Rica, voor het Caribische gebied in Curaçao of Porto Rico, voor het Andesgebied in Colombia en voor het zuidelijk deel in Argentinië. In de loop der jaren richtte de CLAT ook vormingstehuizen op voor de onderscheiden subregio’s wat de organisatie van de vorming vanzelfsprekend sterk bevorderde. Overigens werden ook nationale vakbondsseminaries ondersteund. Jarenlang kon de CLAT, en ook de FLATEC, rekenen op een stevige financiële inbreng van de Duitse Konrad Adenauerstiftung om dit vormingsdispositief in stand te houden. Toen die bron in latere jaren geleidelijk opdroogde werd het natuurlijk een stuk moeilijker. Zowel de CLAT als de FLATEC waakten er over dat ook de activiteiten van o.m. de ILO en de UNESCO voor en in hun continent consequent werden opgevolgd. Aan het oprichtingscongres van de FLATEC in Santo Domingo in augustus 1979, ging een achtdaags seminarie vooraf in de UTAL (Universidad de Trabajadores de America Latina) die de CLAT organiseerde in San Antonio de los Altos (Venezuela). Een formule die het mogelijk maakte dat de debatten op het congres tot een stevig onderbouwde besluitvorming leidden. Een succesformule die voor alle latere FLATEC-congressen bleef gevolgd worden en die ook het WVOP voor zijn congressen overnam. Vertegenwoordigers van 26 organisaties uit 22 landen namen er aan deel. Meteen een bewijs dat de CLATEC-jaren erg succesvol waren geweest en dat de FLATEC op een stevige basis zou kunnen verder bouwen. Op de opeenvolgende WVOP-congressen werd telkens een uitvoerig rapport gepresenteerd over de activiteiten van de FLATEC. De vele activiteiten toonden aan dat de FLATEC de grote doelstellingen, die van bij de aanvang werden nagestreefd, consequent bleef respecteren.

37

Vanuit het WVOP werden de ontwikkelingen in Latijns-Amerika stelselmatig opgevolgd en werden de acties van de FLATEC naar mogelijkheid gevolgd en gesteund. Dat was vanzelfsprekend het geval voor de FLATEC-congressen o.m. in Quito in 1982, San José in 1987, Mar del Plata in 1991, Caracas in 1998 of van belangrijke seminaries in de subregio’s. WVOP-missies in diverse landen van het continent droegen er toe de banden te verstevigen en hulp te bieden bij het uitwerken van projecten en acties. Naast syndicale thema’s was de opvolging van de onderwijshervormingen in LatijnsAmerika een vast item op de agenda; programma’s van de intergouvernementele organisaties werden telkens op hun waarde en betekenis voor de eigen realiteit getoetst. In de tachtiger jaren stond de mondiale crisis en de gevolgen ervan voor onderwijs en onderwijspersoneel hoog op de agenda. Het WVOP-congres in Caracas, in 1989, was daarom vooral aan dit thema gewijd. In verband daarmee onderham het WVOP in 1988 en 1991 diverse missies naar o.m. Argentinië, Paraguay, Uruguay, Costa Rica, Panama, Venezuela; missies die telkens op grote belangstelling mochten rekenen vanwege de bewindslieden en de media in de betrokken landen. Gedurende circa 20 jaar was de leiding van de FLATEC in handen van een vooraanstaande vakbondsleider van de FVM (Federación Venezolana de Maestros). Na Romolo Mambel was het Heberto Ferrer die voor vele jaren het stuur in handen kreeg. Heberto was diegene die ongetwijfeld de sterkste persoonlijke stempel heeft gedrukt op de ontwikkelingen in de FLATEC. Hij was een gezaghebbende figuur die in heel het continent respect afdwong en zijn organisatie tot een gewaardeerde partner van de intergouvernementele instanties in Latijns-Amerika maakte. Hij sloot zichzelf noch zijn organisatie op in een ideologische burcht maar ging vrank en vrij de dialoog aan met organisaties van andere origine of strekking. Op die manier maakte hij van de FLATEC een open organisatie die in ruime kring werd geapprecieerd. Dat kwam o.m. tot uiting tijdens de zittingen van de eerste twee sessies van het Paritair Comité bij de IAO in Genève waar zijn deskundigheid en zijn engagement erg geapprecieerd werden. Hij was het ook die het congres van Caracas voortreffelijk organiseerde en waakte over de kwaliteit van vele voorbereidende teksten. Overigens moet gesteld worden dat de teksten die de FLATEC voorbereidde voor zijn eigen initiatieven en congressen steeds getuigden van een grote deskundigheid en een echte betrokkenheid. Toen Heberto verkozen werd tot lid van het bureau van de CLAT was het Carlos Andueza, eveneens van de FVM, die zijn mandaat van secretaris-generaal van de FLATEC overnam tot het eerstvolgende congres. Door nadien de Argentijn Claudio Corries als secretaris-generaal te verkiezen werd het secretariaat van de FLATEC overgebracht van Venezuela naar Argentinië. Was het voorheen de FVM/Venezuela die de lijnen uitzette, van dan af kwam de SADOP/Argentinië meer op de voorgrond. De grote beleidslijnen bleven natuurlijk dezelfde maar de methodiek en de aanpak wijzigden onvermijdelijk. En dat niet in het minst omdat de integratie van het secretariaat van de FLATEC in het CLAT-gebouw in San Antonio niet meer mogelijk was, wat onvermijdelijk andere relatielijnen met de CLAT en haar lidorganisaties tot gevolg had.

38

Ook de CLAT had in de loop van de negentiger jaren een sterke evolutie doorgemaakt. De financiële ondersteuning uit Europa, waar men voorheen op rekenen kon, droogde geleidelijk aan op. Ook de ontwikkelingen in het WVA lieten sporen na. De vaak merkwaardig wisselende standpunten van de CLAT betreffende de beroepswerking binnen het WVA maakten de interne relatie niet eenvoudiger ook niet voor de eigen vakregionales. Het vanzelfsprekende grote moreel gezag, dat de CLAT lang genoten had, verbleekte. Onder de felle critici van de CLAT-strategie waren er nogal wat vakbondsverantwoordelijken uit de onderwijssector. Het overlijden van Emilio Maspero, jarenlang de dominerende figuur van de CLAT, vergemakkelijkte een en ander niet. De beslissing om het secretariaat van de FLATEC over te brengen was dus geen neutrale aangelegenheid. Heberto Ferrer, die de werkzaamheden van de FLATEC nauwgezet bleef opvolgen, stelde zich ook in het CLAT-bureau erg kritisch. Dat werd niet door al zijn collega’s even erg geapprecieerd. Ook dat verbeterde het klimaat voor de samenwerking niet. Om de sterke inhoudelijke onderbouwing van zijn activiteiten, ook vanuit de nieuwe locatie, te kunnen blijven verzekeren besliste het 5de FLATEC-congres van Caracas 1998 tot de oprichting van de IPLAC (Instituto Pedagógico Latinoamericano y del Caribe) een studie- en onderzoeksinstituut ter ondersteuning van haar activiteiten en deze van de lidorganisaties. De IPLAC werd belast met de voorbereiding van seminaries en colloquia, publiceerde een reeks indringende publicaties, werkte ook mee aan WVOP-rapporten, … . De kwaliteit van het geproduceerde materiaal werd bewaakt door een sterk team van universitaire stafleden. De zetel van de IPLAC werd gevestigd in Buenos Aires en meer bepaald in het gebouw waar ook de FLATEC en de SADOP kantoor hielden. Wat, zoals op veel andere maatschappelijke domeinen, ook de vakbondsopstelling in Latijns-Amerika altijd heeft gekenmerkt was het bijna onvoorwaardelijke geloof in ‘la gran patria Americana Latina’, een utopisch toekomstperspectief dat motiveerde en inspireerde maar tegelijk ook verlamde omdat men er ook een afweerhouding op stoelde tegen al wat als tegengesteld aan de belangen van Latijns-Amerika werd ervaren. Op grond van weliswaar correcte historische overwegingen bleef er een hardnekkig maar onvruchtbaar anti-Amerikanisme latent aanwezig. Dat vertroebelde de relaties met al wie terecht of ten onrechte als ‘vriend’ van de VS werd gepercipieerd. Europese initiatieven moesten eerst door de scanner om zeker te kunnen zijn dat er geen neokoloniale bijbedoelingen mee gepaard gingen (!). Grote principes, soms al dan niet mooi verpakte vooroordelen, wogen zwaarder dan realiteiten. Bij de CLAT vertrok men van de stelling dat bij het uitstippelen van een royaal en idealistisch beleid niet de beschikbare middelen bepalend waren maar dat de middelen wel zouden volgen als men echt geloofde in het objectief. Jarenlang was dit een succesvolle strategie gebleken omdat vele Europeanen lang bleven geloven in het CLAT-project. Naarmate, door allerlei omstandigheden, dat geloof verzwakte, de Europese fondsen verminderden en men zelf de nodige middelen moest genereren, groeide de spanning, intern en extern. Ook de FLATEC was die opstelling niet vreemd. Het globale Latijns-Amerikaans concept verbond hen meer met anders geïnspireerde en hen soms zelfs vijandig gezinde groepen uit hun eigen continent dan met gelijkgezinde collega’s van andere continenten. Vele lidorganisaties waren zich lang niet bewust van de integratie van de FLATEC in het WVOP. Die band bleek overigens slechts occasioneel uit hun publicaties en stellingnamen. Het positieve kwam van eigen

39

bodem, de problemen eerder van elders. Dat de beschikbare middelen voor het grootste deel uit diverse Europese fondsen kwamen bleef onvermeld. Jarenlang, bleek nadien, waren er slechts een paar lidorganisaties die zelf bijdragen storten aan de FLATEC. De anderen vonden het volstrekt normaal dat zij alleen door zich als lid aan te melden automatisch onverkort van alle voordelen en rechten moesten kunnen genieten. Toen, wat dat betreft, de eerste spanningen opdoken n.a.v het congres van Caracas en het WVOP de voorwaarden van lidmaatschap wilde preciseren, stootte dat op onbegrip en ongeloof. Gelukkig waren er verantwoordlijken die voldoende realiteitszin opbrachten en geleidelijk aan de toestand wilden normaliseren. Het WVOP heeft de collega’s van de FLATEC op geen enkel ogenblik in de steek gelaten. De FLATEC bleef echter fors de eigen autonomie verdedigen en de realisatie van hun eigen project nastreven. Het WVOP heeft hen daarin gesteund op voorwaarde dat zij hun opties bleven kaderen in de globale WVOP-opstelling. En toch is het fout gelopen. Toen de besprekingen werden opgestart met de EI om te komen tot een eenheidsorganisatie groeide er weerstand aan de zijde van de FLATEC. Begrip voor de argumenten van de Europese leden konden ze nauwelijks opbrengen. Die beschouwden de ontwikkeling naar één internationale als onvermijdelijk en zelfs als noodzakelijk. Dat vooral omwille van de ontwikkelingen in Europa na de ontbinding van het Sovjetblok en de geleidelijke integratie van de Oost-Europese landen in de EU. Overigens ook om principiële redenen die te maken hadden met de gewijzigde relaties en de krachtverhoudingen tussen de internationales. De Latijns-Amerikanen hadden daar geen oor naar omdat zij zich, zoals vele andere organisaties in hun continent, niet wilden integreren in een structuur waarin, volgens hen, de Amerikaanse invloed te groot was. Daarbij werden geen grote woorden geschuwd. Hun leden, die overigens het hele ideologische spectrum vertegenwoordigden, vonden blijkbaar meer samenhang in een afwijzing dan in een constructief zoeken naar een voldoeninggevend compromis. Het feit dat hun woordverder, Claudio Corries, sinds 2002 voorzitter van het WVOP, aan het overleg EI-WVOP deelnam en dus op de eerste rij zat om hun stellingen te verdedigen, bleek hen niet van standpunt te doen veranderen. Bij de eindbeslissing over de ontbinding van het WVOP en de integratie van de leden in de EI werd de FLATEC met zijn afwijzende houding in de minderheid gesteld. Een wat ongelukkig gelopen procedure bezorgde hen een alibi om in protest de zaal te verlaten. Wat zij onvoldoende hebben ingeschat was dat een integratie in de EI hen precies de mogelijkheid zou geboden hebben om op een breder forum de thema’s die hen sterk motiveerden, (o.m. onderwijsvrijheid vs. commercialisering, waarden in het onderwijs,…) vanuit een WVOP-groep in de EI, op een realistische manier, te blijven actualiseren. Het feit dat zij niet langer aan het debat deelnamen verzwakte bovendien de impact die de WVOP-groep binnen de EI kon claimen. Dat een jaar later de CLAT besloot ook op te gaan in het nieuwe IVV, zonder daarbij met het standpunt van zijn vakgroepen al te veel rekening te houden, zal hen wel hard gevallen zijn. De FLATEC werkt van toen af autonoom verder volgens dezelfde patronen als voorheen maar uitsluitend vanuit een louter Latijns-Amerikaans perspectief. Dat sommige leden geneigd zijn om toch de stap naar de EI te overwegen toont aan dat, vroeg of laat, de FLATEC ook zijn koers zal moeten wijzigen.

EUROPA: 40

Funderen
De evolutie die het WVOP gedurende heel zijn bestaan heeft doorgemaakt was onvermijdelijk nauw verbonden met de evoluties van zijn Europese regionale. In de beginfase was het WVOP in essentie een Europese aangelegenheid, ook al werd van meetaf naar mondialisering gestreefd. Internationaal waren lerarenorganisaties eerder professioneel dan syndicaal georiënteerd, lichtten wij al eerder toe. Dat weerspiegelde zich in het lidmaatschap bij internationale bewegingen die zich overwegend professioneel profileerden en dat, in een aantal landen, zelfs volgens ideologische/politieke lijnen. Het beginnende onderwijscomité van het ICV in 1963, en vanaf 1970 het WVOP, werden daardoor voor een dubbel dilemma geplaatst. Hoe potentiële leden, die via hun professionele internationale aansluiting al georiënteerd waren op de werkzaamheden van o.m. de UNESCO en de Raad van Europa en, via hun lidmaatschap bij een nationale confederatie, op deze van de IAO en de OESO, overtuigen van de noodzaak hun krachten te bundelen in een vakbondscontext op internationaal niveau? De organisaties van IVVV-strekking werden in die periode overigens voor hetzelfde dilemma geplaatst. Gedurende een aantal jaren kozen nogal wat organisaties voor een dubbel lidmaatschap, professioneel enerzijds, syndicaal anderzijds. Naarmate de syndicale agenda zwaarder begon door te wegen, kozen de meesten eieren voor hun geld en ging de syndicale opstelling primeren. Een ontwikkeling die de geschiedenis van alle onderwijsinternationales heeft bepaald en die haar climax kende in de fusie van de CMOPE en de SPIE tot EI in 1993. (Daarover vertellen wij meer in hoofdstuk 10 en in La voix des enseignants européens/A Voice for European Teachers, de geschiedenis van het EVO - 2007). Wie behoorde tot de WVOP-familie? Het beginnende WVOP steunde vooral op de inzet van de Belgische en Nederlandse organisaties van christelijke denominatie, aangesloten bij WVAconfederaties. Daarnaast sloot ook de VBE (Verband Bildung und Erziehung) uit Duitsland en de christelijke fractie van de GÖD/ÖGB (Gewerkschaft Öffentlicher Dienst) uit Oostenrijk bij het WVOP aan. Ook de Franse SGEN/CFDT (Syndicats généraux de l’éducation nationale) speelde in de eerste jaren een belangrijke rol maar werd van het begin af wel ervaren als een ideologisch buitenbeentje. Ook de Canadese FNEQ bleef gedurende enkele jaren de werkzaamheden van de Europese WVOP-poot volgen omwille van de gelijklopende problematiek en de OESO-binding. Spoedig na de beslissing van hun resp. confederaties om uit het WVA te treden bleek het de Franse en Canadese collega’s niet langer mogelijk bij het WVOP aangesloten te blijven. Inhoudelijk een zwaar verlies want, vooral in de persoon van Jacques Georges van de SGEN, verloor het WVOP een sterke persoonlijkheid die vele debatten animeerde en ook buiten de WVOP-rangen respect afdwong. Het samengaan van de originele VBE met de grote BLLV (Bayerische Lehrer- und Lehrerinnenverband) uit Beieren en uit andere Bundesländer afkomstige onderwijsbonden, allemaal aangesloten bij de DBB (Deutsche Beamtenbund ), versterkte de rangen van het WVOP in hoge mate. Gevolg was wel dat het WVOP op die manier, via de Duitse organisaties, leden telde die over een dubbel internationaal lidmaatschap beschikten. Omdat de BLLV, langjarig lid van de CMOPE, in de persoon van Wilhelm Ebert, een vooraanstaande rol heeft gespeeld op het internationale vlak, verhoogde die

41

Duitse fusie ook de invloed van het WVOP. Dat is vooral tot uiting gekomen in de periode dat het EVO rond 1980 een regelrechte crisis doormaakte (zie hoofdstuk 11 ). Na de val van het Franco-regime in Spanje kwamen de USO en de FESPE op hun beurt de WVOP-rangen vervoegen. Kortstondig kwam ook een Portugese organisatie aansluiten. Veel meer expansiemogelijkheden bleven er voor het WVOP niet in West-Europa. Het in de meeste Europese landen als nogal uitzonderlijk ervaren karakter van zijn belangrijkste lidorganisaties, ‘christelijke vakbonden’, en de eerder beperkte representativiteit van het WVA in Europa bleken voor velen onoverkomelijke barrières. Een en ander had vanzelfsprekend invloed op de rol die het WVOP gespeeld heeft in het EVO, ondanks zijn relatief beperkt aantal leden. Daarover verder meer in hoofdstuk 11. Na de val van de Berlijnse muur (1989) en de implosie van het Sovjetimperium (1991) zou het WVOP nochtans een opmerkelijke ontwikkeling kennen. In de eerste jaren van het daarop volgen decennium vonden een aantal kleinere organisaties hun weg naar het WVOP, meestal als gevolg van de aansluiting van hun confederatie bij het WVA. Het betrof o.m. organisaties uit Roemenië, Bulgarije, Hongarije, Tsjechië, Slowakije, Litouwen, … Van het ogenblik af dat het WVOP, los van de officiële WVA-lijn, een eigen beleid ontwikkelde t.a.v. de landen uit Oost- en Centraal Europa, groeide zijn ledenaantal exponentieel. Na deze van Oekraïne vroegen ook grote bonden uit Wit-Rusland, Polen, Armenië, Tajikistan, … hun aansluiting. Voorheen schommelde het aantal vertegenwoordigde personeelsleden gemiddeld rond 200 000 à 300 000 leden. In het begin van de 21ste eeuw mocht het WVOP zich representatief noemen voor circa 7 miljoen leden van het onderwijspersoneel (Jammer genoeg zonder dat de financiële middelen in evenredigheid toenamen). Een opmerkelijke evolutie die, zoals wij in hoofdstuk 6 specifiek toelichten, een grote impact heeft gehad op de ontwikkeling van het onderwijssyndicalisme in Europa.

Structuur en werking van de EUREGIO In de aanloopfase fungeerde het Verbondsbestuur van de EUREGIO, de Europese regionale van het WVOP, ook als Wereldbestuur. Vanaf de oprichting van de regionale structuren in de andere continenten was dat natuurlijk niet langer het geval, al bleven de Europese organisaties, op grond van hun bijdragen, het grootste aantal bestuursleden afvaardigen. Het voorzitterschap en de functie van secretaris van de EUREGIO bleven zeer lang waargenomen worden door de voorzitter en de secretaris-generaal van het WVOP. Pas vanaf de tweede helft van de negentiger jaren aanvaardden de leden ook een feitelijke ontdubbeling van het voorzitterschap. Helmut Skala (GÖD) zou die taak tot in 2006 toegewezen kriigen. De statuten van de EUREGIO voorzagen dat de vertegenwoordigers van het WVOP in het EVO-bestuur van rechtswege deel uitmaakten van het bureau van de EUREGIO. De relatie tussen hun inbreng in het EVO en de standpunten die de EUREGIO innam werd op die manier beklemtoond. Gemiddeld 2 maal per jaar vergaderde de EUREGIO. In principe eenmaal in Brussel en een tweede vergadering in één van de andere landen waar er aangesloten leden waren of op de zetel van een of andere intergouvernementele organisatie. Lag de klemtoon oorspronkelijk op West-Europa en Parijs, Genève,

42

Luxemburg en Straatsburg als zetels van internationale instanties, van 1998 af kwamen vooral de landen van Oost- en Centraal Europa aan de beurt. Door deze aanpak hadden alle lidorganisaties de mogelijkheid meer inzicht te krijgen in de werking en de realiteiten van structuren en landen, wat er vanzelfsprekend toe bijdroeg dat zij met meer kennis van zaken hun standpunten konden funderen. Hij lag ook aan de oorspong van diverse bilaterale afspraken tussen organisaties van resp. West – en Oost-Europa. Telkens werden, naast statutaire en organisatorische aspecten, vooral één of meer thema’s uitgediept die actueel waren op de internationale agenda. Zowel de onderwijsontwikkelingen als de ontwikkelingen in het leraarschap stonden daarbij in de focus. In de eerste jaren waren het vooral onderwerpen die door de Raad van Europa en de OESO werden aangesneden. Naarmate de EU een grotere invloed kreeg op het onderwijsbeleid van de lidstaten verschoof de aandacht sterker in die richting. Vanzelfsprekend werden de WVOP-congressen, zoals in de andere continenten, inhoudelijk ook door de EUREGIO voorbereid en kregen de WVA-congressen, en m.b. de beroepswerking binnen het WVA, de nodige aandacht. De wijzigingen in de aanpak, de structuren en statuten van het EVO zorgden, in relatie met de debatten die daarover geagendeerd stonden op een volgende Algemene Vergadering, eveneens regelmatig voor heel wat discussiestof en noopten tot afwegingen om tot gemeenschappelijke standpunten te komen. De opvolging van de werking van nationale organisaties, hun onderlinge relaties, nieuwe aansluitingen, de ontwikkelingen in Oost- en Centraal Europa vergden vele inspanningen. Dat vertaalde zich in een toenemende werkdruk voor de verantwoordelijken omwille van de vele missies, vertegenwoordigingen, aanwezigheden op belangrijke evenementen als congressen en algemene vergaderingen, … die daarmee gepaard gingen. Het voorgaande, hoe summier ook, mag duidelijk maken dat het in stand houden van die Europese regionale van het WVOP echt nodig was, ondanks het bestaan van het EVO. Dat wordt allicht nog duidelijker door wat in hoofdstuk 11 wordt geschreven over de betekenis die het WVOP gehad heeft voor de ontwikkelingen in het EVO, voor de uitdagingen van en in de landen van het voormalige Oostblok (hoofdstuk 5) en voor de ontwikkelingen in de relaties tussen de onderwijsinternationales (hoofdstuk 10). Was de relatieve kleinschaligheid van het WVOP in Europa jarenlang een hinderpaal; ze was ook een sterke troef. Minder organisaties rond de tafel maakte het mogelijk dat het eerder beperkt aantal deelnemende lidorganisaties meer verantwoordelijken konden betrekken bij de internationale werking. In principe kon dit de interne werking rond internationale thema’s’ alleen maar versterken. Of dit in de praktijk altijd het geval is geweest zal ongetwijfeld van organisatie tot organisatie verschillend zijn geweest. In een periode waarin de impact van internationale instanties op het beleid van de afzonderlijke landen betreffende het onderwijspersoneel en de onderwijshervormingen steeds toeneemt, kan een directe betrokkenheid van meerdere afgevaardigden potentieel een strategisch voordeel zijn. De internationale werking is, naast het zich inschakelen in een brede solidariteitsbeweging, immers ook meer en meer een zaak van goed begrepen eigenbelang. In die zin kon het installeren van een WVOP-groep binnen de structuren van de EI, omwille van de kleinschaligheid en de specificiteit van de opstelling, voor de voormalige WVOP-leden een belangrijke

43

troef zijn geworden die jammer genoeg niet door iedereen als zodanig werd onderkend.

Hoofdstuk 5

“HET DAGHET IN DEN OOSTEN…”

44

Het begon in Polen.

Het begon in Polen, op de werven van Gdansk, begin 1980. De opstand die daar losbrak tegen het communistisch regime mondde uit in de oprichting van een vrije vakbond: Solidarnosz. Rumoerige jaren volgden. Solidarnosz oogstte wereldwijd sympathie, bijval en steun. De Poolse paus Johannes Paulus II droeg daar in belangrijke mate toe bij.. Op 4 juni 1989 was het zover. Door middel van stakingen en onderhandelingen dwong Solidarnosz de eerste vrije verkiezingen achter het ijzeren gordijn af. De niet-communist Tadeusz Mazowiecki werd als premier geïnstalleerd. Op het laatste partijcongres van de Poolse communistische partij (PZPR), in januari 1990, hief deze zichzelf op. Walesa werd later president van Polen. Op 23 augustus 1989 werd in Hongarije de grens met Oostenrijk opengezet. In oktober heft de Volksrepubliek zich op en werd vervangen door de Republiek Hongarije. Op 9 november valt de Berlijnse muur. Met een paar bureauleden van het EVO hebben wij twee dagen later, met hamer en beitel, een bijdrage geleverd om hem wat kleiner te maken. Op 10 november wordt Zjivkov als partijleider afgezet in Bulgarije. Begin 1990 begon de communistische partij er, na massale protestdemonstraties van de bevolking, een rondetafel - dialoog met de oppositie. In juni 1990 volgen vrije verkiezingen. Op 17 november 1989, beginnen de Tsjechen met massale demonstraties. Op 28 november geeft de Tsjechische Communistische partij haar monopolie-positie op en op 29 december wordt Vaclav Havel tot president gekozen. In Roemenië loopt Ceauşescu’s laatste toespraak, op 22 december 1989, uit op een volksopstand tegen de dictator. Na de dood van de Joegoslavische dictator Josip Tito, in mei 1980, kwam het nationaliteitenprobleem in de Balkan, dat Tito jarenlang probeerde te onderdrukken, steeds uitdrukkelijker aan de oppervlakte. Op het congres van de Joegoslavische communistische partij in januari 1990 wilden de Sloveense communisten een meerpartijenstelsel aanvaarden en daarnaast meer autonomie voor de communistische partijen van de diverse republieken. De Servische communisten vreesden echter opsplitsing van Joegoslavië (en de aantasting van hun macht). Uiteindelijk gaf de Joegoslavische communistische partij haar leidende rol op. Die splitsing kwam er toch. In april 1990 vonden in Slovenië en Kroatië de eerste vrije verkiezingen plaats. Die werden gewonnen door de anticommunistische coalities. In maart 1991 vonden onder toezicht van westerse waarnemers vrije verkiezingen plaats in Albanië. Op 25 december 1991 houdt de Sovjet-Unie op te bestaan. Vóór die tijd kregen hervormingsgezinde politici de leiding over de Communistische Partij en werden er vele hervormingen doorgevoerd. Een rits van gebeurtenissen die de wereld met verstomming hebben geslagen en die de wereldkaart hertekenden. De gevolgen van deze omwenteling verschilden van land tot land. Dit was deels te wijten aan de verschillende transities van een plan-economie naar een markteconomie en deels aan de mate van democratisering na de omwenteling. Zo onderging Polen van alle landen de hardste transitie, een echte schoktherapie, maar koos bewust om geen algemene zuivering van het communistische apparaat door te voeren. Hongarije en Tsjechië deden dat grotendeels wel. Bijna alle landen voerden wel direct de democratische vrijheden in, dat wil zeggen persvrijheid, algemeen kiesrecht, enz. De bevolking die bijna

45

algemeen achter de omwentelingen stond was aanvankelijk zeer enthousiast, maar dat temperde enigszins toen ze de gevolgen van de nieuwe markteconomie moesten ondervinden. Het ‘Amerikaanse’ beleid van de Wereldbank en het IMF was ongenadig voor vele bevolkingsgroepen die de consequenties van de transitie zonder sociaal vangnet moesten trotseren. Voor het onderwijs en voor het onderwijspersoneel werd de overgang - niet in het minst in de voormalige republieken van de USSR - een regelrechte ramp. Landen die in het verleden nooit een democratische regime hadden gekend werden nu plots geconfronteerd met een staatshuishouding die op democratische principes en praktijken moest leren steunen zonder zelf enige praktijkervaring te hebben gehad. Al vlug werd duidelijk dat democratie een containerbegrip is dat vele ladingen dekken kan en vele interpretaties toelaat. Meer, dat het organiseren van democratische verkiezingen een noodzakelijke maar zeker geen voldoende voorwaarde is om een echte democratie te realiseren. Die les hebben de onderwijsvakbonden vlug geleerd! In het voormalige Joegoslavië werden de eerste jaren van democratische vrijheid bovendien een regelrechte tragedie omwille van het oude nationaliteitenprobleem dat met ongezien geweld de gemeenschappen uit elkaar rukte. De zwakste schouders kregen de grootste lasten te dragen. Scholen, kinderen, onderwijspersoneel, … kregen het in menig opzicht hard te verduren.

Wat betekende deze omwenteling voor de internationale vakbeweging, specifiek voor het WVA en het WVOP?
Na de 2de wereldoorlog was de Oost/West-verhouding een sterk verdelende factor gebleken voor de internationale vakbeweging. Het feit dat het communistisch georiënteerde WVV en het sociaaldemocratische IVVV gescheiden wegen waren gegaan, was daar een rechtstreeks gevolg van. Beschuldigingen van te grote afhankelijkheid van het kapitalistische westen (cf. het positief begroeten van het Marshall-pact) voor de enen stonden tegenover het verwijt van een volledige integratie en een totale onderworpenheid aan een autoritair, onderdrukkend, totalitair staatsbestel voor de anderen. De verhoudingen tussen de twee blokken waren ronduit vijandig en zorgden voor spanningen in relatie met de werkzaamheden van o.m. de IAO. Ook het WVA, dat formeel zijn totale onafhankelijkheid ten aanzien van elk extern gezag poneerde, zat gekneld in het keurslijf dat de koude oorlogretoriek rond elke vorm van samenwerking optrok. Formele contacten met organisaties waren er wel, zeker in ILO-verband. Nogal wat westerse organisaties dweepten met de formules van zelfbestuur (autogestion !) die in het Joegoslavië van Tito opgeld maakten. Vredesbewegingen van Oost en West vonden elkaar in genereuze boodschappen. Maar zolang de politieke verhoudingen op scherp bleven staan bleven goedbedoelde initiatieven marginaal en zonder grote impact. De opkomst van de vrije vakbond Solidarnosz werd door de westerse vakbonden op gejuich onthaald. Het bleef niet alleen bij steunbetuigingen. Via zijn Poolse secretaris-generaal, Jan Kulakowski, kreeg het WVA een rechtstreekse verbindingslijn met Walesa en de zijnen. (Jan zou later de eerste Poolse ambassadeur bij de EU worden en de gesprekken rond een mogelijk Pools lidmaatschap opstarten). Met Mazowiecki als premier kreeg het WVA in Polen in 1989 bovendien een voormalige medestander aan het bewind. Het WVA-bureau bezocht Mazowiecki en Walesa spoedig na de machtwisseling en werd op die manier rechtstreeks geconfronteerd met de enorme problemen die de nieuwe Poolse leiders wachtten. Op het WVA-congres in Caracas werd Walesa onthaald als een grote vedette. In mei 1990 vergaderde het wereldbestuur van het WVA in

46

Gdansk. Solidarnosz werd lid van het WVA maar ook van het IVVV. De grote financiële steun die het van diverse IVVV-bonden, niet in het minst van de Amerikaanse AFL-CIO, had gekregen, was daar niet vreemd aan. De internationale vakbewegingen en hun leden zochten systematisch contact op met ‘oude’ en ‘nieuwe’ vakbonden uit het vroegere Oostblok. Een en ander resulteerde in talloze initiatieven, verbroederingen, seminaries, wederzijdse missies en uiteindelijk in aansluitingen bij de internationale vakbeweging. In de landen van Centraal Europa ging dat meestal vlot en probleemloos en waren ideologische discussies eerder marginaal. Elke vakbond stelde er immers te streven naar democratie en autonomie. Met en in de landen van de vroegere Sovjet Unie liep het heel wat minder vlot. Daarover dadelijk meer. Het WVOP was bij de voormelde WVA-contacten rechtstreeks betrokken. Op de WVOP-congressen - voor het eerst op het 3de congres in Houffalize (1981) - was Solidarnosz vertegenwoordigd. Tot een lidmaatschap van hun onderwijsbond bij het WVOP is het nooit gekomen omdat, naar de woorden van een van hun voorzitters, de vooruitzichten voor (financiële) ondersteuning beter waren bij de SPIE. Een reactie die het WVOP wel meer te horen kreeg in die regio. In de lijn van de WVA-politiek zocht het WVOP, na de gebeurtenissen van 19891990, contact op met diverse onafhankelijke vakbonden die in al die landen het licht zagen. Vooral onderwijsbonden van confederaties die aansluiting bij het WVA zochten waren de eerste die werden gecontacteerd. Dit belette het WVOP niet om relaties op te bouwen met bestaande, ‘oude’ onderwijsbonden die resoluut de weg van de democratisering waren ingeslagen. Een erg succesvol WVOP-seminarie in Wenen, in april 1991, bracht vakbondsleiders uit een zestal landen van Oost- en Centraal Europa samen met hun westerse collega’s. Vanaf hun aansluiting werden de collega’s uit Roemenië, Hongarije Tsjechië, Slowakije, Oekraïne, Bulgarije, Litouwen, … bij elke Europese samenkomst van het WVOP betrokken. Op het WVOP-congres van Dakar, in 1992, traden zij voor het eerst als groep naar buiten. Ook op het internationaal seminarie dat het COV in 1993, naar aanleiding van zijn 100-jarig bestaan in Haasrode organiseerde waren eveneens een vijftal landen uit die regio vertegenwoordigd.

De grote sprong voorwaarts.
Eind 1994 kreeg de WVOP-voorzitter het bezoek van de sociale attaché van de ambassade van Oekraïne met de vraag of zijn Belgische onderwijsvakbond (COV) bereid was een delegatie van de Oekraïense onderwijsvakbond STESU te ontvangen. Bedoeling was hun vakbondsleiders beter vertrouwd te maken met de werking van de westerse bonden en geïnformeerd te worden over de samenwerking in Europa, meer bepaald in relatie met de Europese Gemeenschap. Uit het gesprek en daarop volgende nieuwe contacten bleek dat die interesse ook het WVOP zelf betrof. Het feit dat het WVOP ondertussen de zichzelf onafhankelijk noemende VOST uit Oekraïne onder zijn leden telde was geen bezwaar. Het bezoek van de STESU-leiding, in de lente van 1995, werd gevolgd door een tegenbezoek van een WVOP-delegatie aan Oekraïne. Uitnodigingen volgden voor deelname aan vergaderingen van de Euregio en voor verdere gesprekken. Een jaar later werd de STESU lid van het WVOP. Het was een eerste stap naar belangrijke ontwikkelingen die het ledenaantal van het WVOP spectaculair deed groeien. De man daar aan de basis van lag was STESUvoorzitter Leonid Sachkov.

47

Sachkov, die in de glorietijd van de vroegere Sovjet Unie, een gezaghebbende figuur was geweest in de overkoepelende onderwijsbond, maakte er een erezaak van om de aanpak van het WVOP te prijzen bij zijn vroegere collega’s. Zijn motivering was duidelijk. Wanneer zijn en andere organisaties om aansluiting bij de EI hadden verzocht, werd hun vraag met wantrouwen ontvangen. Het feit dat hun organisatie van oorsprong geïntegreerd was in het officiële partijsysteem was blijkbaar een voldoende reden om hun streven naar een democratische en open organisatie in twijfel te trekken en hun vraag in beraad te houden. De lerarenorganisatie van Rusland, met dezelfde historische achtergrond als de hunne, werd wel zonder grote moeilijkheden toegelaten. Waarom dit onderscheid? Waarom werd de weg naar Europa voor ZNP, de grote Poolse organisatie, gebarreerd omwille van het veto van Solidarnosz, veel minder representatief en met een tanende impact, vroeg hij zich af. Bij het WVOP werd de STESU wel aanvaard ook al werden er kritische vragen gesteld, bleven er in hoofde van sommigen twijfels bestaan en fronsten velen bij het WVA hun voorhoofd. Het WVOP aanvaardde tenminste dat het uitbouwen van een organisatie op democratisch gronden een langdurig en ingrijpend proces zou zijn, dat onvermijdelijk geleidelijk tot stand zou moeten komen omdat het ingreep op een mentaliteit die in een totaal andere context was gegroeid. Bovendien waren de gevolgen van de implosie van de Sovjet Unie nog lang niet verteerd, was de situatie van het onderwijs en de leraren er alles behalve op verbeterd sinds de invoering van de vrije markt, terwijl de vroegere potentaten, met een andere pet op, zich probleemloos aan corruptie konden blijven bezondigen. Onder impuls van Leonid Sachkov kwamen er in de loop van de daarop volgende jaren missies naar Armenië en Georgië, naar Wit-Rusland en Polen, naar Tajikistan en Rusland. Die resulteerden in aansluitingen van de organisaties van deze landen, op Georgië na, bij het WVOP en een nauwe samenwerking tussen het WVOP en de OISTES/ IOESWU (Organisation internationale des syndicats des travailleurs de l’éducation et la science/International organisation of Educational and Science Workers Unions), het samenwerkingsverband van de onderwijsbonden van het GOS (Gemenebest van Onafhankelijke Staten). In 2001 en 2002 organiseerde het WVOP samen met de OISTES/IOESWU in Moskou vormingsseminaries waaraan, naast de WVOP-leden uit de regio, ook vakbondsleiders uit nagenoeg alle landen van Centraal-Azië deelnamen. Uitstekende gelegenheden om de levens- en arbeidsvoorwaarden van de collega’s uit die regio beter te leren kennen. Dat velen van hen verpauperd waren geraakt en dat hun situatie op verre na niet meer te vergelijken was met deze die zij onder het oude regime hadden gekend, illustreerde de uitdaging om die landen te helpen tot een echte sociale gecorrigeerde markteconomie te komen in plaats van de wilde markteconomie die er veelal in de handen van de vroegere leidende klasse was gebleven. Bij gelegenheid van het Moskou-seminarie van 2002 ondertekenden de voorzitter van de OISTES/IOESWU, Rim Papilov, en de WVOP-voorzitter een samenwerkingsovereenkomst om hen daarbij te helpen. Tijdens diverse missies ontmoette de WVOP-afgevaardigden ook de leiding van de confederaties waartoe de onderwijsorganisatie in hun thuisland behoorde. Dat was het geval o.m. in Wit-Rusland, Polen, Oekraïne, Tajikistan en Armenië. Over deze contacten werd telkens verslag uitgebracht bij de WVA-leiding omdat ze nuttige informatie opleverden over de ontwikkelingen in de regio en over de wijzigende verhoudingen in de internationale vakbondswereld. Missies en vergaderingen boden telkens de gelegenheid om de realiteiten van het land en

48

zijn bewoners en niet in het minst van scholen, instellingen en universiteiten te leren kennen. Uitwisseling van informaties of adressen resulteerden vaak in nuttige contacten bij intergouvernementele instanties, NGO’s, zusterorganisaties of gelijkaardige instellingen in andere landen. Dergelijke contacten werden daarom ook erg op prijs gesteld. Nationale en regionale congressen, seminaries, missies, vormingsprogramma’s volgden elkaar op. In 1996 al in Roemenië en Oekraïne. Van 1999 af nam het aantal WVOP-activiteiten in de regio Oost- en Centraal Europa exponentieel toe. Ter illustratie: in 1999 in Brno; in 1999 in Armenië, Georgië en Rusland; in 2000 in Oekraïne, Polen, Roemenië, Wit-Rusland; in 2001 in Warschau, Roemenië, Bulgarije, Moskou, Zakopane (Polen),…; in 2002 in Bulgarije, Oekraïne, Rusland, Tajikistan,… Talrijke andere volgden nog in de daaropvolgende jaren. Ook bilaterale contacten tussen WVOP-organisaties uit Oost- en West-Europa leverden positieve resultaten op. Ook grootschaliger evenementen werden in de regio georganiseerd. Zo o.m. Euroverbondsbesturen in Kiev (2000), Olanesti (Roemenië) (2001); Bratislava (2004); Boedapest (2005); … Ook het 8ste Wereldcongres van het WVOP werd in Albena aan de Zwarte Zeekust in Bulgarije georganiseerd. Kortom de PECOlanden bleven in ruime mate de aandacht van het WVOP opeisen. Naarmate ze aansloten bij het WVOP werden de organisaties uit Oost- en Centraal Europa ook betrokken bij de werkzaamheden van het EVO. Bonden uit de landen die lid werden van de EU werden als volwaardige leden geïntegreerd in de EVO-structuren. De organisaties uit de niet-EU-landen werden dat in de Paneuropese structuur die het EVO in 2003 had opgericht. Het WVOP- beleid t.a.v. Oost- en Centraal Europa werd in WVA-kringen in het begin met een erg kritisch oog gevolgd. Het week dan ook af van de algemene lijn die het WVA en de meeste vakinternationales in die regio volgden. Geleidelijk aan kwam er eerst begrip en later waardering voor de geleverde inspanningen. Solidarnosz had het er erg moeilijk mee dat het WVOP zijn grote rivaal ZNP als lid had aanvaard, meer, een kandidate van die organisatie voordroeg voor lidmaatschap van het vrouwencomité van het WVA. Maar ook die plooien werden glad gestreken. Samengevat: het WVOP heeft met een eigen aanpak een sterke bijdrage geleverd tot de integratie van de onderwijsbonden uit Oost- en Centraal Europa in de Europese en de mondiale vakbeweging. Zonder dit beleid van het WVOP zou hun betrokkenheid bij de werking van het EVO en later van de EI veel minder gemakkelijk zijn gelopen. Dat ook aan de landen van Centraal- Azië een samenwerkingsperspectief werd aangeboden was evenmin niet zonder betekenis. Hopelijk zullen ook zij daarvan de vruchten kunnen plukken in de nieuwe vakbondsconstellatie.

Een andere samenleving, dezelfde basiswaarden.
“Het lijkt er echter op alsof met de Val van de Muur in 1989 ook een dooi heeft ingezet in de verstarde intellectuele verhoudingen, die tweehonderd jaar lang het maatschappelijk debat hebben versimpeld en verziekt”, stelde de Nederlandse filosoof Andres Kinneging in

49

“ Geografie van goed en kwaad” (Het Spectrum, Utrecht, pp 442-443). Hij vermeldt als negatieve evoluties in dat verband, het zich terug trekken van de mens in de private sfeer, de desinteresse voor de publieke zaak, het gepreoccupeerd zijn met de eigen materiële welvaart en het overlaten van de publieke zaak aan een ambtelijk overheidapparaat. Hij vervolgt: “De problematiek is natuurlijk niet van vandaag of gisteren. Tot aan de Val van de Muur kon zij echter, in het westen noch in het oosten, aan de orde worden gesteld, zonder meteen de verdenking van politiek partizanendom op zich te laden. Dat lijkt nu, als de tekenen niet bedriegen, minder te worden. Misschien dat daardoor eindelijk het noodzakelijke debat over politieke participatie en decentralisatie, maar ook over civiele associatie, het gezin en wat dies meer zij de impuls kunnen krijgen die ze totnogtoe hebben ontbeerd” (…). Oog hebben voor de schaduwkanten van de secularisatie – relativisme en uiteindelijk nihilisme – is tegenwoordig niet meer het merkteken van de antimodernist, maar wordt in toenemende mate gedeeld door hen die de democratie zijn toegedaan, vanuit het besef dat een geloof in een aantal transcendente grondwaarden noodzakelijk is, wil de democratie levensvatbaar blijven”. Dit citaat, op het einde van een hoofdstuk over de rol die het WVOP gedurende de laatste jaren van zijn bestaan heeft gespeeld in Oost- en Centraal Europa, is wel degelijk op zijn plaats. Het geeft immers een concrete synthese weer van de boodschap die het WVOP tijdens zijn laatste congres, als een soort moreel testament formuleerde voor wie nadien de fakkel overnemen. In de periode, waarin de collega’s uit het oosten van het Europese continent zich bevrijdden uit de boeien van het verleden, en zich open stelden voor wat het westen hen te bieden had, werden zij geconfronteerd met een andere realiteit dan zij verwacht hadden. Zij hadden immers niet alleen aandacht voor de materiële voordelen van de welvaartsstaat waarnaar zij hadden gehunkerd. Groot was hun verbazing, zelfs een ontgoocheling bij velen, dat de westerse mensen moreel en spiritueel stuurloos dreigden te worden op een moment dat zij de weg naar een spirituele en humanistische motivering van hun leven, terugvonden. De harde maatschappij waarin consumptie en bezit de toon zetten leidt niet automatisch tot geluk in het leven, beseften zij vlug. Een vakbeweging als het WVOP die van bij haar oprichting ijverde voor de volwaardige ontplooiing en emancipatie van de mens in een solidaire gemeenschap zou het zich daarom tot plicht moeten rekenen die waarden te beveiligen voor de toekomst. Zij blijven, ook in een ontkerstende samenleving, ten volle hun betekenis behouden. Dat was het wat het laatste congres van het WVOP voorop stelde in de conclusies uit de debatten over onderwijsvrijheid en waardenopvoeding. Ook in de context van een eenheidsorganisatie als de EI hebben de collega’s, die een open debat daarover jarenlang moesten missen, recht om er mee te worden geconfronteerd.

50

Hoofdstuk 6

DE MOEIZAME WEG NAAR INTEGRATIE IN DE EI (1998-2006)

In hoofdstuk 10 schetsen wij een aantal feiten en ontwikkelingen die overduidelijk illustreren dat het WVOP zich nooit aan samenwerking en aan gemeenschappelijk optreden met de andere onderwijsinternationales heeft onttrokken. Zijn integratie in de mondiale en regionale structuren van het WVA heeft dergelijke samenwerking niet altijd bevorderd. De oorzaak daarvan lag voor de hand. Vooral op het niveau van de continenten, bestonden er vaak historisch gegroeide spanningen, ideologisch geïnspireerde vetes en structurele moeilijkheden, die het speelveld verkleinden. Die bleven nadien, onvermijdelijk, niet zonder gevolgen voor de werking op het mondiale vlak. Toen, rond 1990-1992, de fusie van de SPIE met de CMOPE nakend was zochten de secretaris-generaal van de eerste en de voorzitster van de tweede voornoemde organisaties contact met het WVOP met de vraag of een integratie van het WVOP in de nieuwe internationale toch niet van bij de start kon overwogen worden. De verantwoordelijken van het WVOP lichtten hun situatie objectief toe en bevestigden dat de aansluiting van het WVOP bij het WVA enerzijds en de gespannen verhoudingen tussen WVA- en IVVV-structuren, o.m. in Latijns-Amerika, niet van aard waren om op dergelijke vraag direct te kunnen ingaan. Wel werd bevestigd dat het WVOP, zoals in het verleden, loyaal wilde samenwerken met de nieuw te creëren gemeenschappelijke internationale, zoals het dat had gedaan met de twee rechtsvoorgangers ervan. Tijdens het stichtingscongres van de EI in Stockholm in 2003 werd deze boodschap, namens het WVOP, bevestigd door Helmut Skala.

51

Natuurlijk kon niemand naast de realiteit dat het WVOP getalsmatig veruit het kleine broertje van de nieuwe organisatie was. Die realiteit had als vanzelfsprekende consequentie dat bij elk gemeenschappelijk optreden t.a.v. intergouvernementele instanties, maar niet minder in het EVO, het WVOP permanent in een ondergeschikte positie kwam te staan. Comfortabel was dat niet, maar het heeft het WVOP nooit belet om zijn verantwoordelijkheid te blijven opnemen en, naar mogelijkheid, een nuttige bijdrage te leveren zowel op het bestuursniveau als op het niveau van concrete projecten, seminaries, colloquia, e.d. Dat zulke situatie vroeg of laat onhoudbaar zou worden stond in de sterren geschreven. De WVOP-verantwoordelijken beseften dat natuurlijk en ze hadden permanent het gevoel dat de EI gewoon het moment afwachtte dat zij de handschoen in de ring zouden gooien en hun gelederen kwamen vervoegen. De binding met het WVA maakte dit echter gewoon niet mogelijk. Toch kwam er onmiskenbaar een kentering in de relaties. Toen het WVOP, van 1995 af, zijn ledenaantal geleidelijk sterk wist op te drijven dank zij de aansluiting van diverse belangrijke vakbonden uit Oost- en Centraal-Europa en uit Zuidelijk Afrika, veranderde de situatie. De EI ontdekte het WVOP, met inmiddels circa 7 miljoen leden, plots als een potentiële te duchten concurrent. Tekenen van een zekere nervositeit en een toenemende ‘gevoeligheid’ werden overduidelijk waarneembaar. Het probleem van het WVOP was niet die nieuwe leden bij zijn werking, ook in het EVO of bij de ILO, te betrekken. De moeilijkheid was dat de nieuwe lidorganisaties vanzelfsprekend grote verwachtingen koesterden zonder zelf kapitaalkrachtig genoeg te zijn om de financiële consequenties daarvan te helpen dragen. Ook al heeft het WVOP in die periode, financieel en logistiek gesteund door diverse fondsen en door enkele lidorganisaties, heel wat kunnen realiseren in Centraalen Oost-Europa en in de continenten, zonder gezonde structurele en financiële onderbouw werd dit op termijn een onhoudbare situatie. Het WVOP, dat ook in die fase buiten de lijntjes kleurde van het algemene WVA-beleid, vond er toch veel begrip en steun bij velen, maar kreeg ook behoorlijk wat tegenwind, niet in het minst in Latijns-Amerika.

De aanloop
De overtuiging groeide dat een integratie van het WVOP in de EI de logische richting was waar men in de toekomst naar toe zou evolueren, op voorwaarde dat daar ruimte en mogelijkheid zou geboden worden om zijn specifieke objectieven blijvend te kunnen verdedigen. Deze optie werd in de eigen rangen niet door iedereen op gejuich onthaald, maar geleidelijk aan tekende zich een meerderheid af die wel in die richting mee wilde opstappen. In die context vroeg en kreeg het Verbondsbestuur mandaat van het congres van Kuala Lumpur (augustus 1998) om de mogelijkheden tot het intensifiëren van de samenwerking met andere mondiale syndicale organisaties na te streven en dat meer bepaald met de EI. Het EI -congres van Washington, in hetzelfde jaar 1998, nam een gelijkaardig besluit, zij het al sterker geformuleerd door opdracht te geven de integratie van het WVOP in de EI te onderzoeken. Het Verbondsbestuur in Bouznika (maart 1999) besprak de strategie die bij het te verwachten overleg met de EI zou moeten gevolgd worden. In 1999 ontving het WVOP overigens ook een uitnodiging van de EI om, op niveau van de secretarissen-generaal, gesprekken te beginnen over nauwere samenwerking. Ervaringen op het terrein en het verloop van de eerste verkennende gesprekken

52

deden het verbondsbestuur besluiten om de boot nog even af te houden en het Verbondsbestuur van april 2000 in Genève af te wachten voorleer verder te gaan. In een brief aan de EI -leiding werd bevestigd dat het WVOP zich blijvend wenste te engageren voor een constructieve dialoog maar veel belang hechtte aan de werkafspraken die in dat verband zouden gemaakt worden. Nadruk werd gelegd op respect voor ieders fundamentele uitgangspunten en voor ieders identiteit, geen exclusieven vooraf en een echte open dialoog zonder vooringenomenheid. In die geest kon het overleg op het niveau van de secretariaten verder gezet worden. De beslissing van het Europees comité van de EI om het EVO (waarvan het WVOP medestichter en zijn lidorganisaties leden waren vanaf het begin), zonder voorafgaand overleg, gewoon in te lijven, had vanzelfsprekend kwaad bloed gezet, temeer omdat die beslissing ook de relaties tussen het WVA en het IVVV zouden vertroebelen op een wel erg inopportuun moment. Spierballengerol als drukkingsmiddel? Na een stevige discussie daarover kon het overleg hervat worden omdat de EI -leiding de voorwaarden die het WVOP in hoger genoemde brief had geformuleerd ook onderschreef. In januari 2001 werd overeengekomen dat beide organisaties zouden streven naar een geïntegreerde structuur, m.n. de integratie van alle organisaties van het WVOP in de EI, mits behoud van een structurele eigenheid voor de specifieke objectieven die het WVOP onderscheidde van de bestaande EI en die niet in strijd waren met de principes waarop het EI -beleid steunde. Een kalender werd vastgelegd om een en ander realiseerbaar te maken, zowel op het mondiale als het regionale vlak. Het WVOP engageerde zich om aan zijn congres van 2002 een resolutie in die zin voor te leggen om deze geïntegreerde structuur mogelijk te maken. Op het EI–congres in Jomtien (Thailand) in juli 2001 bevestigde de WVOPvoorzitter in een toespraak dat er een reële vooruitgang was geboekt tijdens de besprekingen. Hij bevestigde de noodzaak om de krachten van beide organisaties te bundelen om de belangen van het onderwijspersoneel maximaal te kunnen beveiligen en verdedigen. Hij benadrukte dat het Verbondsbestuur van het WVOP in oktober 2001 en het congres in 2002 uitgenodigd zouden worden om de evolutie naar geïntegreerde structuren te onderschrijven en een actieprogramma goed te keuren. Dat actieprogramma moest, in respect voor de statuten, de specifieke relaties, de samenwerkingsakkoorden en de confederale engagementen van de twee organisaties, dat objectief realiseerbaar maken. Het streefdoel was om in 2003 tot een gezamenlijke beslissing over een gemeenschappelijke toekomst te kunnen komen. In oktober 2001 evalueerde het Verbondsbestuur van het WVOP in Olanesti (Roemenië) de situatie en bevestigde het mandaat om het overleg verder te zetten. Wel werd er op aangedrongen dat de autonomie van de regionales moest gerespecteerd blijven en dat die daartoe ook, gedurende de hele procedure, bij het overleg moesten betrokken blijven. Bovendien mocht de band met het WVA niet verbroken worden. In de samenwerking moest, naargelang het niveau, gedifferentieerd opgetreden kunnen worden. Dit in respect voor minderheden enerzijds en de pluraliteit anderzijds. Uiteraard beschikten alle leden van het Verbondsbestuur over alle nuttige documenten om hun leden te kunnen informeren en om hun eigen mening te kunnen onderbouwen o.m. een vergelijking van de statuten van EI en WVOP, een vergelijkende nota over hun

53

basisprincipes en doelstellingen en de teksten van de verklaringen die over het dossier al publiek werden afgelegd. Op die basis moesten de regionale congressen stelling nemen en zo het verbond in staat stellen het overleg verder te zetten en succesvol af te ronden. Verslag over een en ander moest het congres van Albena (Bulgarije), in augustus 2002, in staat stellen een duidelijk mandaat voor de eindfase van het overleg vast te leggen. Daartoe werd aan het congres, zoals aan het EI -congres in Washington, een ontwerp van gemeenschappelijke verklaring voorgelegd waarin de afspraken werden bevestigd en als einddatum voor een definitieve beslissing 30 september 2003 werd voorop gesteld. Die datum was imperatief geworden om het de EI mogelijk te maken in 2004 een definitieve uitspraak te doen. Daartoe moest tijdig de nodige voorbereidende procedure in de beleidsinstanties en in de regio’s kunnen opstarten. Na een stevig debat keurde het WVOP-congres van Albena de gemeenschappelijke verklaring goed. Vanuit de regionale besturen, niet in het minst vanuit de FLATEC, werd de betrokkenheid van de regio’s, zoals die ook in Olanesti al was benadrukt, opnieuw als basisvoorwaarde geformuleerd. Onmiskenbaar leefden er grote twijfels in hun rangen over de haalbaarheid van voldoeninggevende afspraken op het regionale vlak. Ervaringen, zowel op interprofessioneel als op professioneel vlak, voedden het wantrouwen. Het feit dat ondertussen ook gesprekken over nieuwe samenwerkingsformules tussen het WVA en het IVVV waren opgestart, maakten een en ander toch iets verteerbaarder voor de scherpslijpers.

De eindfase
Gewapend met dit nieuwe mandaat gingen de onderhandelaars van beide internationales opnieuw rond de tafel. In juni 2003 bereikten zij een akkoord over een eerste ‘laatste versie’. Die werd voorgelegd aan het Uitvoerend comité van de EI en daar ook goedgekeurd. Het WVOP-bureau, daarbij rekening houdend met kritische reacties uit de regio’s, stelde zijn beslissing uit en stelde wijzigingen aan de ontwerptekst voor. Ook het tijdschema diende aangepast te worden omdat de regio’s het niet haalbaar vonden om hun beslissingen nog voor 2004 te nemen. Nieuwe onderhandelingen maakten het mogelijk dat de EI het aangepaste tijdschema aanvaardde evenals een aantal voor het WVOP belangrijke amendementen. Het kwam er op neer dat niet alle regio’s op hetzelfde moment hun organisaties in de EI zouden integreren, maar dat de uiteindelijke beslissing over de integratie van het hele WVOP zou beslist worden door een WVOPcongres, begin 2006. Op basis van voornoemd compromis beslisten de meeste Europese organisaties hun lidmaatschapsvraag bij de EI in te dienen. Het EI -congres van juli 2004 in Porto Alegre (Brazilië) ratificeerde unaniem hun integratie. Niet alle verantwoordelijken hadden er begrip voor dat de Europeanen die beslissing hadden genomen omdat ze dat als noodzakelijk beoordeelden om in de Europese context volwaardig aan hun trekken te kunnen komen en op die manier dreigende verdeeldheid in eigen rangen te kunnen weren. Later zou blijken dat vooral de FLATEC het de Europese collega’s erg kwalijk bleef nemen dat zij op die manier, in hun ogen, de solidariteit met de collega’s van de andere continenten verbraken. De Europeanen vonden dat onterecht en argumenteerden dat de Latijns-Amerikaanse vrienden blijkbaar geen begrip wilden opbrengen voor het

54

feit dat zij in een totaal andere juridische context opereerden en niet konden of wilden begrijpen dat syndicale actie voeren bij een intergouvernementele instantie met reële beslissingsbevoegdheid niet hetzelfde is als bij instanties die daar niet over beschikken. In het uiteindelijk akkoord dat door het Uitvoerend Bestuur van de EI werd goedgekeurd, op 23 oktober 2003, en door het Verbondsbestuur van het WVOP, op 3 april 2004, werd duidelijk gestipuleerd dat de WVOP/EI-groep een autonome structuur behield met bevoegdheid voor alle aspecten van de werking in relatie met het WVA-lidmaatschap en m.b. met de identiteitsvraag, de beleidsstructuren en de acties van het WVA en de betaling van de lidmaatschapsbijdragen. Deze regeling gold zowel voor het mondiale als voor het regionale vlak. Op die manier konden de regionale organisaties van het WVOP hun eigen werking verder zetten, wat niet uitsloot dat zij als volwaardige leden van de EI werden erkend. Hun voorzitter zou van rechtswege ook deel uitmaken van het regionaal bestuur van de EI–regionale. Alle geledingen kregen de gelegenheid zich daarover intern te beraden vooraleer op het congres van Sevilla in februari 2006 het standpunt van hun instantie in te brengen in het debat. Inhoudelijk wilde het congres van Sevilla bovendien een duidelijke boodschap formuleren i.v.m. twee thema’s die in belangrijke mate de eigen opstelling van het WVOP hadden geconditioneerd: onderwijzen in privé-scholen en waardenopvoeding in het onderwijs. Wat het eerste thema betreft werd een uitvoerige studie aan het congres gepresenteerd, waarvoor ook het IPLAC, het studiecentrum van de FLATEC, een belangrijke bijdrage leverde. De vele verschijningsvormen waaronder wereldwijd instellingen als privé onderwijs worden gecatalogeerd kwamen daarbij aan de orde. In de conclusies werd uitdrukkelijk gepleit voor geconditioneerde ondersteuning van overheidswege van democratisch functioneerden privé-initiatieven maar werden commerciële onderwijsinitiatieven afgewezen. De focus viel natuurlijk op het statuut en de arbeidsvoorwaarden van het personeel in de betrokken instellingen. Vanuit de overtuiging dat het WVOP vanuit zijn verleden een essentiële bijdrage zou kunnen leveren tot het waardendebat - dat breed maatschappelijk erg actueel was geworden - positioneerde het zich met duidelijke principiële stellingen die het in het ruimere debat, met collega’s van andere herkomst en tegengestelde overtuigingen, stevig onderbouwd zou kunnen inbrengen. Onvermijdelijk kwam daarbij ook het aspect van de religieuze zingeving van pedagogische projecten aan bod omdat dat precies oorzaak was geweest van betwistingen en misverstanden die het WVOP in de loop van zijn bestaan, in de samenwerking met andere organisaties en instanties, had moeten ervaren. Jammer genoeg kwam het congres niet tot een eensluidend besluit over de integratieproblematiek. Ook de goedkeuring van de resoluties over het privéonderwijs en de waardenproblematiek liep niet over de hele lijn gesmeerd, omwille van procedurele interpretaties die voor enige commotie hadden gezorgd. De delegatie van de FLATEC bleef zich verschansen in een negatieve positie, stemde als enige regionale tegen het voorliggend akkoord en verliet de zaal, nadat Claudio Corries zijn ontslag als WVOP-voorzitter had aangekondigd, omdat hij solidair wenste te blijven met het standpunt van zijn regionale.

Nadagen

55

Er bleef het congres niets anders over dan een nieuwe voorzitter te kiezen voor de WVOP/EI-groep. Een onverwachte situatie die ook niet zonder spanningen tot een goed einde werd gebracht. Gust van Dongen (COC-B), die sinds 2002 de functie van ondervoorzitter had waargenomen, werd door een behoorlijke meerderheid tot voorzitter van de nieuwe groep verkozen. Het bureau kreeg de opdracht de integratie van de voormalige WVOP-leden in de EI te begeleiden en de werking van de groep op het juiste spoor te zetten. Het feit dat de FLATEC aan de kant bleef verzwakte de positie van de groep in de EI aanzienlijk, zowel getalsmatig, strategisch als inhoudelijk. Zeker voor de problemen waarvoor het WVOP een duidelijke autonomie binnen de EI had weten te bedingen had de FLATEC een stevige expertise kunnen inbrengen die nu afwezig bleef in het debat. Binnen de groep bleek de animo om op eigen krachten inhoud en betekenis te geven aan de werkzaamheden erg gering. Een oplossing voor de financiering en de werking van de autonome groep, vanuit Europa, in het kader van EZA, werd door belangrijke leden, om onduidelijke redenen, zelfs afgewezen. Uit contacten bleek al vlug dat het directe engagement van nationale bonden, waardoor het WVOP in het verleden invloed, erkenning en waardering had geoogst, jammer genoeg niet meer aanwezig was. Voor hen volstond een betrokkenheid bij de activiteiten van het EVO en de EI. Het opnemen van bestuursverantwoordelijkheid op het internationaal niveau vond men niet langer gewenst omwille van de tijdsinvestering die dat meebracht. Blijkbaar zag men niet meer in dat dergelijk engagement een extra troef is die het werk op het nationale niveau niet alleen versterkt, verrijkt en ondersteunt maar er ook meer zin en betekenis aan geeft. Toen het WVA en het IVVV besloten om zich op te heffen en in nieuwe eenheidsorganisatie, het Internationaal Vakverbond (IVV/ITUC/CSI), van 1 november 2006 af, op te gaan, werd de laatste poot onder het tussen de EI en het WVOP in 2004 afgesloten akkoord, weg gezaagd. Voorafgaand aan het EI -congres in Berlijn, werd, op 21 juli 2007, ook de WVOP/EI-groep ontbonden. Samenwerking en solidariteitsacties tussen de voormalige leden van het WVOP werden ook voor de toekomst wenselijk genoemd en aangemoedigd, maar dan eerder op bilateraal niveau, bij ontbreken van een structurele onderbouw. Gedurende heel die periode van overleggen en onderhandelen, 1998-2006, was het secretaris-generaal Gaston De la Haye die, deskundig en gedreven, de belangen van de WVOP-leden maximaal heeft verdedigd. Nadien bleef hij, als adjunct secretaris-general van de EI en, na het congres van Berlijn, als beleidsassistent in de EI de WVOP-spirit belichamen. De collega’s van de FLATEC zijn jammer genoeg aan de kant blijven staan. En dat ondanks het feit dat hun voormalige WVA-regionale, de CLAT, in 2006, wel de stap naar de eenheidsorganisatie IVV zette. De sterk geïdeologiseerde vleugel van de FLATEC, drijvend op een latent anti-Amerikanisme en het onverwoestbare geloof in het grote gemeenschappelijke, Latijns-Amerikaanse vaderland, blijft er blijkbaar de hoofdtoon zetten. Het feit dat hun voormalige secretaris-generaal en latere voorzitter van het WVOP, Claudio Corries , van 2002 af, betrokken was bij het overleg EI/WVOP, en dus op de eerste rij zat om hun standpunten in te brengen en hun vooroordelen weg te argumenteren, heeft niet mogen baten. De toekomst van de WVOP/EI-groep had met hun inbreng nochtans heel wat in beweging kunnen zetten, niet in het minst in hun eigen continent.

56

Hoofdstuk 7

DE EIGENHEID VAN HET WVOP

De formulering van doelstellingen en objectieven, beleidslijnen en voornemens van een organisatie als het WVOP blijft steeds gekleurd door de tijdsgeest, het dominerende woordgebruik, de organisatorische context, … waarin ze tot stand kwamen. Ook de relaties met de instanties en organisaties waarmee of waarin men samenwerkt hebben betekenis in dat verband. Zeker hoe zij door partners werd/wordt geëvalueerd en ervaren stemt tot overwegingen en afwegingen. De opstelling van de meest invloedrijke lidorganisaties speelt vaak evenzeer een determinerende rol, omdat zij in de eerste plaats naar buiten uit, in hoge mate de reputatie van de hele organisatie conditioneren. Al deze factoren illustreren op welke manier een organisatie zich onderscheid van andere, m.a.w. wat haar eigenheid is. Een en ander evolueert vanzelfsprekend mee met de ontwikkelingen die zich op ideologisch, politiek en breed maatschappelijk vlak

57

afspelen, zeker in de internationale context waarin een organisatie als het WVOP zich ruim dertig jaar lang ontwikkelde.

De beginsituatie
Het WVOP werd, zoals in hoofdstuk 2 werd toegelicht, opgericht in de schoot van het toenmalige Internationaal Christelijk Vakverbond (ICV). Zeker in de eerste jaren van zijn bestaan, droegen diverse lidorganisaties – en zeker de meest invloedrijke – de term ‘christelijk’ in hun benaming. Ondanks de omvorming van het ICV tot WVA, in 1968, als een ‘solidair, onafhankelijk, niet-gebonden vakverbond in dienst van alle werknemers in de wereld’ – een ingrijpende verandering die dus veel meer dan een naamsverandering inhield – en ondanks het feit dat geleidelijk aan de meerderheid van de lidorganisaties van het WVA en het WVOP zeker niet van christelijke herkomst waren, bleven anderen het WVA en zijn deelorganisaties als ‘christelijk’ bestempelen. De realiteit dat, zowel op interprofessionele niveau als op het professionele niveau zich christelijk noemende organisaties in belangrijke mate de WVA-koers mee bleven bepalen droeg daar natuurlijk toe bij. Essentieel was echter dat het besef groeide dat aan de basis van deze WVA-koers algemene basisprincipes en waarden voor het samenleven van mensen en volkeren lagen die zich perfect inschreven in het concept van de mensenrechten, zonder enige afhankelijkheid van welke ideologische of religieuze structuur of hiërarchie ook. Uiteraard hebben historische factoren mee bepaald dat vakorganisaties, waar ook ter wereld, zich niet allemaal tot dezelfde politieke families richtten wanneer zij steun zochten om hun doelstellingen te realiseren. Dat creëerde vaak onnodig afstanden tussen vakbonden op nationaal niveau die ook afstraalden op de verhoudingen op het internationaal niveau. Zeker in de ideologisch erg gevoelige onderwijssector bleef het lang bijzonder moeilijk om een van oorspong christelijk geïnspireerd vakbondsconcept in het brede vakbondsmilieu algemeen aanvaardbaar te maken. Tegengestelde interpretaties van de rol van de staat betreffende onderwijs en m.b. het al dan niet integreren van vrije, d.i. niet door een publieke overheid opgerichte, onderwijsinstellingen in het officiële onderwijsbeleid bleven taaie gevoeligheden losmaken. De oorzaak daarvan was te zoeken in de realiteit dat die tegenstellingen in de onderscheiden landen een eigen, historisch bepaalde invulling kregen. Ze werden lang niet zonder slag of stoot aanvaard of zelfs maar geduld in contexten die deze tegenstellingen niet op dezelfde manier interpreteerden. Misverstanden en vooroordelen plaatsten lange tijd remmen op de uitbouw van een internationale samenwerking. Het engagement van het WVOP botste wel eens meer op de scepsis en het wantrouwen van militante organisaties en verantwoordelijken o.m. uit de hoek van het Frans laïcisme of uit landen die onder een dictatoriaal regime kerkelijke structuren als partners van de overheid moesten ervaren. Maar uit de samenwerking tussen organisaties van verschillende strekking en ideologie groeide met de jaren een ruim wederzijds begrip wat zich vertaalde in stellingnamen van de onderscheiden internationales die de realiteit op het onderwijsveld - binnen een duidelijk voorwaardenkader – accepteerden en integreerden in hun opstelling. Niemand zal betwijfelen dat het ondubbelzinnig engagement en de consequente medewerking van het WVOP in de diverse samenwerkingsverbanden daar in ruime mate heeft toe bijgedragen.

58

Toenadering
In maart 1986 kwamen de uitvoerende bureaus van de toenmalige vier onderwijsinternationales: SPIE, CMOPE, FISE en WVOP samen in Brussel om mekaars standpunten beter te leren kennen. Ook al lag het niet in de bedoeling verder te gaan dan een wederzijdse informatie, toch was deze samenkomst niet vrijblijvend. Zoals wij in hoofdstuk 10 toelichten bestonden er overigens sinds de 70-er jaren diverse samenwerkingsvormen, al dan niet onder impuls van intergouvernementele instanties opgezet. Wanneer slechts één delegatie tot overleg of tot formele contacten werd toegelaten was die samenwerking zelfs imperatief wilde men aan de bak komen. Even oplijsten: - de voorbereiding, tussen de vier, van een gemeenschappelijke beleidsnota ter gelegenheid van de internationale Onderwijsconferentie die om de 2 jaar door de BIE/UNESCO werd georganiseerd; - een gemeenschappelijk seminarie van de vier over de lerarenopleiding in Kopenhagen (1974); dit was tevens de eerste open ontmoeting tussen onderwijsorganisaties uit WestEuropa en het communistische Oost-Europa; - de oprichting van het EVO als een gemeenschappelijk Europees vakbondscomité van de SPIE en het WVOP, een paar jaren later vervoegd door de CMOPE; - het gemeenschappelijk Front van de Openbare diensten en het onderwijs van WVA en IVVV bij de ILO waar zowel de SPIE en het WVOP deel van uitmaakten; - samenwerking tussen SPIE en WVOP in de TUAC bij de OESO; -… Dat belette niet dat op diverse fronten de tegenstellingen op scherp bleven staan. De FISE werd uit de andere dan voormelde gemeenschappelijke initiatieven geweerd omwille van ideologische motieven m.n. de directe impact van de politieke structuren in totalitaire regimes op de vakbondswerking. De CMOPE werd door de SPIE niet als een vakbondsinternationale beschouwd maar als een corporatistische pedagogische organisatie van onderwijspersoneel en hield daarom voor de CMOPE de deur op slot naar de TUAC bij de OESO, het paritair comité bij de ILO, … In de praktijk alleen voor de CMOPE als zodanig. Ledenorganisaties van de CMOPE waren wel present, ofwel via hun interprofessionele organisaties of omdat ze een dubbel lidmaatschap hadden bij SPIE en CMOPE. In de praktijk had de CMOPE de grootste invloed bij de UNESCO en de SPIE bij de ILO en de OESO. Jarenlang een bron van spanningen en moeilijke verhoudingen. In dat klimaat was de samenkomst van maart 1986 niet van belang ontbloot. Het WVOP, dat de organisatie ervan op zich had genomen, zette er zich daarom ook voor in. Als aanvaarde partner van de drie andere bij al de voornoemde instanties kon het immers een bemiddelende rol vervullen.

59

Voor een goed begrip van de evoluties die zich de jongste decennia hebben afgespeeld is het interessant om na te gaan hoe de onderscheiden onderwijsinternationales zich jarenlang profileerden. De documenten van de samenkomst van maart 1986 zijn daartoe een geschikt middel. Op deze samenkomst kreeg elk om beurt immers de kans om zich aan de anderen voor te stellen, te verduidelijken wat hen dreef en motiveerde, en hoe men dat organisatorisch aanpakte en ontwikkelde. In deze context maken wij de vergelijking vanuit het standpunt van het WVOP.

Wat maakte het WVOP in de zeventiger en tachtiger jaren anders dan de andere onderwijsinternationales?
Structureel-organisatorisch was er, vergeleken met de andere internationales, een duidelijk onderscheid. Alleen het WVOP was in hoge mate geïntegreerd in een overkoepelende interprofessionele confederatie, het WVA. Het betaalde lidgeld aan en had ook andere financiële verplichtingen tegenover het WVA. Het maakte volwaardig deel uit van de beleidsorganen ervan. Zijn secretariaat was geïntegreerd in de secretariaatsinfrastructuur ven het WVA en de regionale WVOP-organisaties genoten slechts een beperkte vrijheid van handelen in de onderscheiden continenten. Zonder de instemming en betrokkenheid van de WVA-regionale bleken de regionale structuren van het WVOP vaak gewoon niet werkzaam. Europa vormde daar de enige uitzondering op. In IVVV-verband waren de professionele organisaties geassocieerd met die internationale confederatie maar maakten er als zodanig formeel geen deel van uit. Geen ledenbijdrage; autonome structurele en organisatorische werking, … De onderwijsorganisaties, lid van de SPIE, lieten hun invloed in het IVVV wel rechtstreeks gelden via hun nationale confederaties; de onderwijsinternationale kon daardoor ook vrijer handelen al werden de algemene beleidslijnen van het IVVV vanzelfsprekend consequent opgevolgd en werd de werking van de verschillende beroepsfederaties op elkaar afgestemd. De CMOPE had formeel geen enkele binding met een overkoepelende vakbondsstructuur. De CMOPE was immers eerder als een professionele organisatie gekend ook al telde het onder zijn leden heel wat belangrijke onderwijsvakbonden. Afzonderlijke bonden, lid van de CMOPE, bleven uiteraard wel invloed uitoefenen via hun nationale confederatie, lid van een internationale confederatie, overwegend het IVVV. Dat deze situatie regelmatig conflictstof deed opdwarrelen tussen SPIE en CMOPE illustreren wij in hoofdstukken 10 en 11. De FISE ageerde in principe ook autonoom ook al was deze organisatie principieel geïntegreerd in de overkoepelende FSM, van communistische strekking en door ‘Moscou’ geleid. De overwegende meerderheid van de leden van de FISE/FSM waren echter vakorganisaties die sterk gepolitiseerd waren en in feite, gestuurd als zij waren door de officiële partijlijn van de staat, nauwelijks autonoom maar eerder als instrumenten van het totalitaire regime in hun land gepercipieerd. Conclusie: de vier voornoemde onderwijsinternationales beriepen zich op een autonomie die in de praktijk toch in hoge mate geconditioneerd werd door ‘hogere’ belangen.

60

Wat onderscheidde de vier lange tijd op het vlak van de principes?
Ter voorbereiding van voornoemde samenkomst herformuleerde het WVOP zijn uitgangspunten in een specifieke beginselverklaring die uiteraard als aanvullend bij de algemene beginselverklaring van het WVA werd geïnterpreteerd en gepresenteerd. Een vergelijking met de principeverklaring van de andere gesprekspartners leerde het volgende. Geen enkele van de andere gesprekspartners beschikte over een uitvoerig uitgewerkte beginselverklaring. Zij beperkten zich tot het vermelden van ‘goals and objectives’, in vrij algemene termen verwoord, waardoor men in feite beleidsmatig nog alle richtingen uit kon. Opvallende punten van onderscheid vielen er te noteren over de rol van de leraar op school en in het onderwijsbeleid. De WVOP-tekst stelde daarover o.m. het volgende: Van alle bij het onderwijs en bij het onderwijsbeleid betrokken groepen (de leraren, de scholieren, de ouders, de schooloverheden, de publieke overheden en de op onderwijs betrokken internationale instanties) vormen de leraren, en dus de vakbonden van het onderwijspersoneel, de centrale pijler van elke school en van elk onderwijsbeleid. Zij zijn de enigen die zich beroepshalve en voor de hele duur van hun actieve loopbaan, inzetten voor het onderwijs. Als onderwijsdeskundigen, als opvoeders en als mensen bezetten zij ‘het middenveld’ tussen ouders en scholieren enerzijds en de overheden, en andere onderwijsinstellingen anderzijds. Hun actieve medewerking is de meest cruciale voor elk onderwijsbeleid en voor elk opvoedingsproject omdat ze tevens de voornaamste schakel vormen tussen de onderwijsverstrekkers en diegenen die onderwijs ontvangen. Het WVOP wil deze feitelijke rol van de leraren op school en in de uitvoering van het onderwijsbeleid ook als zodanig valoriseren en ijveren voor de morele en materiële erkenning ervan op school en in (en voor het concipiëren van) het onderwijsbeleid. Een duidelijk participatiemodel. De SPIE legde meer de nadruk op de erkenning van de vakbondsrechten om te kunnen onderhandelen en invloed te kunnen hebben op planning en organisatie van het onderwijs, , expliciet vooral op het stakingsrecht voor het onderwijspersoneel, zonder bredere participatierechten op elk niveau te preciseren. De FISE stelde gewoon dat de leraren recht hebben om overal vertegenwoordigd te zijn waar democratisch onderwijs wordt gestuurd. De CMOPE echter benadrukte de autonomie van de leraren en hun organisatie om eigen standpunten in te nemen en te propageren. Over de rol van de leraren in het breder samenlevingsverband te duiden situeerden SPIE en FISE deze rol vooral in het kader van de brede arbeidersbeweging. De CMOPE zag dat ruimer en kaderde die rol meer in de algemene samenlevingsproblematiek zoals die door de internationale gemeenschap ‘politiek’ dient te worden vertaald. Wat stelde het WVOP op dat gebied?: Omdat het onderwijs een bij uitstek maatschappelijk gebeuren is, van doorslaggevend belang voor de reproductie en de voortdurende vernieuwing van de samenleving, kan de rol van de leraren niet worden gereduceerd tot hun rol in schools verband. Leraren zijn bij uitstek dragers van een breed maatschappelijk

61

mandaat dat hun inzet op school en in de klas voordurend open trekt op de hele samenleving (lokaal, nationaal en internationaal). Hun rol als onderwijsdeskundige en als opvoeder brengt hen zowel in contact met de schoolen onderwijsgemeenschap als met de hele ‘opvoedingsgemeenschap’, en dat is de hele samenleving, en met de waarden en opvattingen die er aan ten grondslag liggen. Voor het WVOP vormde dit beginsel zowel de grondslag voor zijn maatschappelijke inzet in het kader van het WVA als voor zijn inzet voor rechtvaardigheid (mensenrechten) en vrede als essentiële waarden voor elke onderwijsgemeenschap, voor elk opvoedingsproject en voor elke samenleving. In hoofdstuk 12 wijden wij verder uit over deze problematiek. De samenhang tussen mensenrechten, ontwikkelingssamenwerking en vrede kwam als zodanig niet terug in de teksten van de drie andere, uiteraard wel in onderdelen en aspecten ervan. Het WVOP stelde echter dat zijn aspiraties precies best konden samengevat worden in zijn inzet voor alle mensenrechten, voor solidariteit in de ontwikkelingssamenwerking en voor vrede, zowel op lokaal, nationaal als internationaal vlak. Deze drie doelstellingen – rechtvaardigheid, solidariteit en vrede – vormden voor het WVOP een onlosmakelijk verbond als het drievoudige perspectief waarmee maatschappelijke vooruitgang kan worden gemeten en als het voornaamste richtsnoer voor zijn maatschappelijke opstelling. Maar het vormen tevens de drie doelstellingen die alleen in hun samenhang oplichten als bruikbare criteria voor een betere wereld. Alle onderwijsverbonden zetten zich natuurlijk in voor de verdediging van de algemene vakbondsrechten en voor de rechten van onderwijsbonden in het bijzonder. Essentieel voor het WVOP was echter de stelling dat vakbondsrechten vakbondspluralisme impliceren. Bij de andere ontbrak deze factor; in hun expliciet streven naar een eenheidsbond viel ook geen referentie te lezen naar een mogelijke interpretatie die vormen van intern pluralisme mogelijk maken. Over het fundamentele 9de punt uit de WVOP-tekst was er helemaal geen mogelijkheid tot overeenstemming. Het luidde als volgt: Het WVOP gaat ervan uit dat sommige vrijheden – als vooral de vrijheden van vakvereniging en de vrijheid van onderwijs – maar kunnen verzekerd worden in een (ook politiek) vrije en democratische samenleving. Het nam dan ook stelling tegen elk autoritair of dictatoriaal bewind, en a fortiori tegen het totalitaire denken dat elke vrijheid uitsluit. De vrijheid van vakvereniging en de vrijheid van onderwijs vormen ook één geheel met de burgerlijke en politieke rechten die alleen in een vrije en democratische samenleving kunnen gehonoreerd worden. Ook al spraken de onderscheiden onderwijsinternationales zich uit voor ‘een vrije en democratische samenleving’, in hun commentaren en hun beleidspraktijk bleek maar al te duidelijk dat zij daarmee zeker niet altijd hetzelfde bedoelden. Precies op een viertal daarmee samenhangende aspecten liet het WVOP een duidelijk ander geluid horen dan de andere gesprekpartners: - De belangen van de leraren kunnen niet gereduceerd worden tot strikt materiële belangen maar hebben ook een geestelijke dimensie van levensbeschouwelijke en/of religieuze aard. Deze dimensie is onmiddellijk verbonden met de belangen van de leraar als opvoeder en als mens, maar raakt ook de algemene oriëntatie van onderwijs en samenleving.

62

- Het WVOP verklaarde zich uitgesproken voorstander van de vrijheid van onderwijs en van de andere onderwijsrechten die bij internationaal verdrag overeengekomen en goedgekeurd werden. Deze vrijheid van onderwijs was voor het WVOP een direct gevolg van de onlosmakelijke band tussen onderwijs en opvoeding en houdt minstens in dat de overheid niet de enige instantie is die onderwijs inricht en het hele onderwijsbestel bepaalt. De concrete vormen die de vrijheid van onderwijs kan aannemen kunnen verschillen van land tot land, maar ze houden fundamenteel de erkenning in dat onderwijs en opvoeding een aangelegenheid zijn voor de hele samenleving en dus ook voor alle bij onderwijs en opvoeding betrokken groepen en verenigingen. - Het WVOP achtte zich geroepen om ook te waken over en te strijden voor de rechten van het kinderen, om hen te garanderen opgevoed te kunnen worden in de geest van de principes en de beginselen die het als een noodzakelijke bijdrage tot een rechtvaardiger en vrediger wereld beschouwde. Deze inzet voor de rechten van het kind kon voor het WVOP niet strijdig zijn met de rechtmatige belangen van de leraren, maar vult die aan in een complementariteit waarbij precies de rechtmatige belangen van de leraren borg staan voor de belangen van de kinderen. - Door de beginselverklaring van het WVA te onderschrijven onderstreepte het WVOP het belang van de solidariteit van alle werknemers die dezelfde beginselen aanvaarden. De samenwerking in WVA-verband stond natuurlijk geen ander samenwerkingsverbanden in de weg. Maar ze onderstreepte wel het samenlevingspatroon dat het WVOP precies in WVA-verband voor ogen stond. Vanzelfsprekend dient het voorgaande geïnterpreteerd te worden vanuit de grote ideologische tegenstellingen in de wereld die ook de verhoudingen in de onderwijswereld en de in de wereld van de onderwijsvakbonden toen kleurden en conditioneerden. Nu, ruim dertig later, zijn die tegenstellingen in belangrijke mate verdwenen of alleszins anders geïnterpreteerd geworden. Verschillen van mening, zelfs fundamenteel confronterende visies, beletten vandaag niet langer dat een doeltreffende samenwerking voor de verdediging en de promotie van die waarden en principes die men gemeenschappelijk essentieel vind. De ervaringen in de EI getuigen daarvan. Het lijkt niet overbodig even stil te blijven staan bij de belangrijkste ontwikkelingen die vele scherpe hoeken hebben afgerond en vandaag tot een meer realistische en toekomstgerichte opstelling van de onderwijsvakbeweging hebben geleid.

Andere tijden
Dat er op het vlak van de algemene mensenrechtenproblematiek en van de verdediging van de rechten en vrijheden van de leraren nauwelijks nog tegenstellingen bestaan tussen lerarenorganisaties valt moeilijk tegen te spreken. Anders ligt het nog voor een aantal ideologische en/of politiek gebonden aspecten ervan. Verschillende mens- en maatschappijvisies staan echter een doeltreffende samenwerking voor gemeenschappelijke objectieven en waarden niet langer in de weg. De breuklijnen in de samenleving evolueren voortdurend. De breuklijn tussen gelovigen en niet-gelovigen is in de Westerse wereld niet erg relevant meer. De grote verhalen doen het niet meer. Alleen de breuklijn tussen

63

hen die hebben en hen die niet hebben, blijft constant. Geconfronteerd met het uitdeinen en verbreden van deze laatste breuklijn is een uitdaging van formaat voor al diegenen die zich willen inzetten voor een betere en rechtvaardiger samenleving, overals maar niet in het minst in de ontwikkelingslanden. Onderwijsvakbonden, van welke origine ook hebben hierbij een voortrekkersrol te vervullen. (De problematiek van de financiering van niet-overheidsinitiatieven blijft jammer genoeg de geesten verdelen en blijft een schaduw werpen op de samenwerking die, ondanks principiële verschillen, toch reëel mogelijk is en onbetwistbaar vruchten afwerpt). Lang was de relatie tussen politiek en godsdienst, onderwijs en godsdienst een splijtzwam in vele instanties en organisaties. Dat was ook het geval in de onderwijswereld en in de wereld van de onderwijsvakbonden. Omdat, zoals hiervoor bleek, deze situatie ook de relaties tussen het WVOP en zijn gesprekspartners bemoeilijkte willen we op deze problematiek wat dieper ingaan omdat ze des te duidelijker kan aantonen wat er nu in de mentaliteit veranderd is. Wat blijft er overigens over van de belangrijke principiële verschillen nu de voormalige WVOP-organisaties volwaardig geïntegreerd zijn in de IE, ook al blijven ook in die context confronterende opinies leven met andere lidorganisaties? Overduidelijk betekende de fusie van de SPIE en de CMOPE in 1993 een trendbreuk. Door in de principeverklaring van de EI een aantal breuklijnen van het verleden weg te vlakken en de scherpste kanten van de tegenstellingen af te ronden maakten het voor het WVOP nadien gemakkelijker om ook de stap naar de EI te zetten. Wat betekent dat voor de toekomst? De kunst zal zijn om in een veranderende tijdgeest de authenticiteit van de boodschap overeind te houden. De inbreng van iedereen die solidariteit hoog in het vaandel houdt moet gevaloriseerd worden in een gemeenschappelijke aanpak.

De actualiteit van de WVOP-opstelling
Voor zijn maatschappelijk engagement inspiratie zoeken en vinden in een religieuze overtuiging of uitdrukkelijk verwijzen naar een religie als bron van de waarden en opvattingen die men wenst te verdedigen – wat diverse WVOPorganisaties uitdrukkelijk deden – riep voor buitenstaanders vaak vragen op. Volgens sommigen lijkt het erop alsof men zich daardoor opsluit in een conservatief bastion dat zich wil afzetten tegen de ontwikkeling naar een brede op democratische principes gestoelde samenleving. De vraag of die relatie een persoonlijke betrokkenheid bij structuren of een onvoorwaardelijke volgzaamheid t.o.v. religieuze gezagsdragers veronderstelt, wordt gemakkelijkheidhalve zelfs niet gesteld. Zich erkennen in de waarden van een bepaalde levensovertuiging betekent daarom nog niet dat men zich sterk engageert om ze expliciet en kritiekloos te propageren in een structureel verband. Overduidelijk zijn heel wat waarden die beleden worden door religieus geïnspireerde mensen, volstrekt compatibel met seculiere humanistische waarden. Dat zal elke objectieve waarnemer moeten vaststellen. Natuurlijk daarbij abstractie gemaakt van fundamentalistische opvattingen van sommigen – in welke religie ook - die in een correct sociaal bewogen engagement overigens ook geen kans maken. Tweehonderd jaar lang is in het kamp van diegenen die de revolutie omarmden de opvatting dominant geweest dat religie en de moderne maatschappij haaks op elkaar staan. Religie hoorde volgens dit kamp bij de premoderne samenleving.

64

De hommes de lettres van de Verlichting haatten het christendom en hebben door hun invloed bewerkstelligd dat in Frankrijk, zoals nergens anders, de scheiding tussen kerk en staat, vertaald als ‘laïcité’, een algemene, vurige, intolerante en onderdrukkende hartstocht was geworden. Het was echter niet zozeer het geloof zelf dat deze haat had doen ontbranden, als wel de kerk als politieke institutie. En de kerk werd niet gehaat omdat ze de zaken betreffende de andere wereld bestuurde, maar omdat ze nog steeds een dominante politieke rol speelde in de staat. De kerk zelf is dus debet aan de teloorgang van de religie in de tweede helft van de achttiende eeuw. Onbetwistbaar waren vele aanhangers van een religie lange tijd tegenstanders van de moderne, democratische maatschappij; ze hadden er in ieder geval een ongemakkelijke verhouding mee. Slechts een enkeling, zoals de Tocqueville, verkondigde dat religie, meer in het bijzonder het christendom, een noodzakelijke voorwaarde is voor een goed functionerende democratische orde. Ook de sociale bewegingen en vakbonden van christelijke signatuur, die vanaf het einde van de 19de eeuw ontstonden, waren die overtuiging toegedaan en hadden precies daarom vaak erg conflictuele relaties met kerkelijke gedragsdragers. De geschiedenis van diverse christelijke onderwijsvakbonden illustreert dit overduidelijk. Dit standpunt was in de kringen van de tegenstanders bijzonder impopulair. Maar ook daarin lijkt de jongste jaren verandering te komen. Oog voor de schaduwkanten van de secularisatie – relativisme en uiteindelijk nihilisme – is tegenwoordig niet meer het merkteken van de antimodernist, maar wordt in toenemende mate gedeeld door hen die de democratie zijn toegedaan, vanuit het besef dat een geloof in een aantal transcendente grondwaarden noodzakelijk is, wil de democratie levensvatbaar blijven. Een sprekend voorbeeld daarvan is de invloedrijke Duitse filosoof Jürgen Habermas. Habermas, de laatst overlevende goeroe van de progressieve denkschool Frankfurter Schule was altijd een pleitbezorger voor een voortgaande ‘onttovering’ van de samenleving, een bevrijding van de burgers van de irrationale gevoelens van religieuze schuld en plicht. Maar de afgelopen jaren was het juist Habermas die ijverde voor een herwaardering voor de gelovige medemens en die spreekt van een ‘postseculiere samenleving’. Hij lichtte zijn standpunt o.m. toe tijdens een Nexus-lezing in Tilburg in maart 2008. Spreken over een postseculiere samenleving houdt in dat in de voorbije periode die seculiere samenleving voor hem een realiteit was. Sinds de Verlichting heeft de religie haar greep verloren op de politiek, op het bestuur, op het publieke domein. De welvaart is hoger en de veiligheid beter dan een eeuw geleden en daarom hebben de mensen minder behoefte aan godsdienst, zei Habermas. Maar deze seculiere these, tot een jaar of wat geleden, staat thans onder druk. Overal in de wereld ziet men juist een opbloei van religie, in de VS, in Afrika, in Azië. Conflicten worden weer in een religieuze taal gegoten. Volgens Habermas is het dwaas te volharden in het denkbeeld dat religie vanzelf verdwijnt als je het maar lang genoeg bestrijdt en onderdrukt. In onze maatschappij is het seculiere gedachtegoed dominant en de gelovigen voelen zich vaak gediscrimineerd. Daar hebben ze reden toe, vindt Habermas. Tolerantie wordt vaak gezien als synoniem van respect, maar dat is een misvatting. In de Europese geschiedenis ging de tolerantie juist meestal gepaard met gebrek aan respect; de minderheden werden geminacht, maar getolereerd. Zuilen bestonden naast en ondanks elkaar. Maar voor een democratische, pluralistische samenleving is meer nodig. In het dagelijks leven moeten burgers zich inspannen om elkaars argumenten te begrijpen. Daarvoor moeten ze iets van elkaars vocabulaire willen leren. Dan pas

65

kunnen ze onder woorden brengen waarin ze oneens zijn, waarin ze concessies kunnen doen, en hoe ze geschillen kunnen overwinnen. Je hoeft echt geen bewondering voor de religie of politieke overtuiging van een ander op te brengen, zelfs geen waardering, alleen begrip is nodig om tot zaken te komen. Zo moet dat nu eenmaal in een vrije samenleving waar iedereen gelijke rechten heeft. Habermas vreest voor een verkilling van de samenleving als gevolg van de secularisering, zeggen zijn atheïstische vrienden die hem nu verwijten een knieval te doen voor de gelovigen. Toch lijkt dat precies de kern van Habermas’ onbehagen in de hedendaagse cultuur. Wat hebben we aan een fraai geconstrueerde democratische rechtsstaat als de burgers er zich in de kou voelen staan? Habermas is geschrokken van het effect van de onttovering: een egoïstische, versplinterde, bijna immorele samenleving. De onmacht van Europa om een gemeenschap van burgers te worden heeft volgens hem te maken met het langs elkaar heen praten van moslims, christenen, ongelovigen en anderen. De seculiere liberalen, die de macht hebben, moeten zich openstellen voor de gevoelens van onvrede, ‘zelfreflectie’ betrachten. Dit is geen capitulatie van het Westen. De hysterische oproep onze waarden te verdedigen werkt juist averechts; het vervreemdt de gelovigen van de liberale waarden. We willen de gelovigen niet onderwerpen, betoogde hij, maar we willen dat ze de liberale waarden ook als de hunne gaan zien. Daarvoor moeten we wel in gesprek raken. In deze visie kan men de houding die het WVOP gedurende zijn bestaan vertolkte perfect inpassen.

Het WVOP-legaat.
Vanuit dit perspectief kan de integratie van de voormalige WVOP-leden in de EI een toegevoegde waarde betekenen voor het uitwerken van een referentiekader gesteund op waarden en principes. Waarden en principes die een begripvolle samenwerking in de EI kunnen bevorderen en een betekenisvolle bijdrage leveren voor de ontwikkeling van een rechtvaardiger maatschappij waarin iedereen tot zijn recht kan komen. Het zou een verlies van een belangrijk intellectueel kapitaal betekenen mochten de voormalige WVOP-ers zich aan dit debat onttrekken of mochten zij in de EI geen forum vinden om hun waardenvolle bijdrage te kunnen valoriseren. Dat zou des te betreurenswaardiger zijn mocht men zich daarbij onvoldoende realiseren dat zeer vele lerarenorganisaties uit ontwikkelingslanden, die voorheen niet tot de WVOP-familie behoorden, zich tot vandaag nog op een religieuze waarden gestoeld engagement beroepen om hun actie te onderbouwen. Zij kunnen een dam blijven opwerpen tegen het opduikend fundamentalisme dat verwaarloost de essentie van de boodschap in termen van sociale rechtvaardigheid te vertalen. Nu bovendien andere, al dan niet religieus geïnspireerde lerarenorganisaties, die niet tot de familie van het WVOP behoorden, de noodzaak van een debat over de relatie religie en vakbondsopstelling en/over de waardenproblematiek onderkennen, krijgt deze potentiële input van uit het WVOP-verleden een extra dimensie en een grotere betekenis. De tweede grote tegenstelling van vroeger, m.n. de verschillende visie op de zin en de betekenis van het niet-overheidsonderwijs - gemakkelijkshalve gevat onder de misleidende term ‘privé onderwijs’ - is in de loop der jaren in hoge mate weggewerkt, al blijven een aantal scherpslijpers zowel van het pro- als het contra-kamp nog hun oude stokpaardjes berijden. Vanuit het standpunt dat alle

66

kinderen recht hebben op onderwijs en opvoeding, in respect voor de overtuiging van hun ouders, kan men niet naast de vaststelling dat alleen een bundeling van overheids- en privé-initiatieven er kan in slagen dit objectief te realiseren. Daarbij nemen de onderwijsvakbonden onverkort de stelling in dat het de publieke overheden zijn die de verantwoordelijkheid dragen dat deze gemeenschappelijke inzet op niet-discriminerende basis in kwaliteitsvol en toekomstgericht onderwijs resulteert. Zij zetten zich af tegen een louter commerciële aanpak die niet de ontwikkeling van alle jongeren op het oog hebben maar louter op winstbejag of op elitaire doelstellingen mikt. De term privé onderwijs dekt een veelheid van ladingen die niet allemaal als waardevol kunnen erkend worden. Maar niet alle privé-initiatieven dienen daarom veroordeeld te worden. In de realiteit hebben zij zelfs een doorslaggevende betekenis voor het aanbieden van democratisch, kwaliteitsvol onderwijs voor allen. In de aanvangsjaren van de 21ste eeuw heeft het WVOP deze stellingen uitvoerig besproken en er op zijn congressen duidelijk stelling tegenover ingenomen. Op het laatste volwaardig WVOP-congres in Sevilla (2006) stonden daarom zowel de waardenproblematiek als de onderwijsvrijheid centraal. Precies omdat zij in de principiële opstelling van de EI terzake geen tegenstellingen met dit standpunt ervoeren hebben de meeste WVOP-organisaties de stap naar lidmaatschap bij de EI met vertrouwen kunnen zetten. Daar wordt in hoofdstuk 5 meer in detail op ingegaan.

67

Hoofdstuk 8

HET WVOP EN DE BEROEPSWERKING VAN EN IN HET WVA: een proces van vallen en opstaan en vooral van gemiste kansen

Algemene context
Van bij zijn ontstaan steunde het ICV (Internationaal Christelijk Vakverbond) op een dubbele structuur om zijn acties uit te bouwen: een (in overwegende mate) interprofessionele en een professionele. Zeker in Europa behielden de afzonderlijke beroepsorganisaties in de meeste landen een grote werkingsautonomie ook nadat ze zich in confederaties hadden gegroepeerd. Op het gebied van internationale samenwerking bleven zij die autonomie koesteren ook al situeerden zij die wel in de principiële opstelling en besluitvorming van het ICV, later het WVA (Wereldverbond van de Arbeid). In de continenten buiten Europa was dat op verre na niet zo duidelijk. Om uiteenlopende redenen overigens. Soms gewoon omdat nationale en internationale syndicale beroepsbonden officieel geen erkenning kregen en dus formeel weinig speelruimte hadden. Dat was vooral het geval in de openbare sector en het onderwijs. Vaak ook omdat zij binnen de continentale regionales van het WVA gewoon als een niet-autonome structuur werden behandeld, waardoor zij voor hun acties volledig afhankelijk bleven van de beslissingen van hun interprofessionele besturen.

68

Bij de oprichting van de Latijns-Amerikaanse CLASC (Confederación Lationoamericana de Sindicatos Cristianos), in 1954, werden zowel interprofessionele als professionele organisaties als lid aanvaard. Was de werking vooral interprofessioneel georiënteerd, wat het professionele betreft werden conferenties georganiseerd die later tot regionale professionele structuren werden omgebouwd. Voor onderwijs bv. greep dergelijke conferentie plaats in januari 1968. Als fusie van de CATC (West-Afrika) en de CATC (Equatoriaal Afrika) werd in 1959 de UPTC (Union Panafricaine des Travailleurs Croyants ) opgericht als regionale van het ICV. Ook hier sloten zowel interprofessionele als professionele bonden bij aan. Als consequentie van de oprichting van de CSA (Confédération Syndicale Africaine), later omgevormd tot OUSA (Organisation Unitaire des Syndicats Africains) werd die UPTC al ontbonden in 1962 en kwam de FOPADESC (Fondation Panafricaine du Développement Social et Culturel) in de plaats. Een stichting dus en geen echte syndicale organisatie. Toen het globale klimaat weer wijzigde kwam, in 1993, opnieuw een syndicale structuur tot stand, de ODSTA (Organisation Démocratique Syndicale des Travailleurs Africains). Buiten sporadische initiatieven, waarover meer in hoofdstuk 4, was er van een specifieke vakorganisatie tot ca. 1990 nauwelijks sprake. In Azië werd een verbindingsbureau van het ICV in 1963 omgevormd tot een autonome regionale confederatie: de BATU (Brotherhood of Asian Trade Unionists). Het zou nog vele jaren duren vooraleer de BATU Aziatische vakinternationales zelfs maar mogelijk maakte. Een echte autonomie hebben zij in de BATU eigenlijk nooit gekregen. Ondertussen had het ICV zich op zijn 16de congres in 1968 in Luxemburg zelf omgevormd tot WVA (Wereldverbond van de Arbeid) en had het nieuwe statuten en een nieuwe principeverklaring onderschreven (zie hoofdstuk 3). Samengevat: in die onderscheiden structuren vond men telkens interprofessionele en professionele organisaties in het ledenbestand, maar een geëigende professionele werking kwam er lang niet overal en zeker niet van bij de start. Wat meer is, in de continenten bleven de structuren van de beroepswerking in feite altijd schatplichtig aan de beslissingen van hun WVAregionale wat niet alleen hun vrijheid sterk aan banden legde maar bovendien de coördinatie van de beroepswerking op wereldvlak zeer sterk belemmerde en vaak zelfs zo goed als onmogelijk maakte. Het WVA voorzag wel expliciet internationale beroepsgroeperingen of professionele federaties: vakinternationales (VI’s) als lid. (Hierna gebruiken wij voor de duidelijkheid alleen die laatste afkorting. Soms wordt ook de term beroepswerking of beroepsactie gebruikt). Dat was, zoals hiervoor al aangestipt, lang niet het geval in de continentale structuren. Die situatie illustreerde meteen het grote onderscheid tussen de vakinternationales die aansloten bij het WVA en deze die bij andere wereldconfederaties aanleunden. WVA-vakinternationales betaalden, lid zijnde, immers een ledenbijdrage aan de confederatie. Dat was niet het geval voor bv. organisaties die aanleunden bij het IVVV of het WVV. En, wat onderwijs betreft, ook niet voor de CMOPE die als autonome beroepsorganisatie een zeer belangrijke speler was op het internationale vlak. Het (theoretisch) voordeel van een directere betrokkenheid bij de besluitvorming van het WVA woog helemaal niet op tegen het grote nadeel van een, zowel inzake besluitvorming als middelen, grotere afhankelijkheid van de dominante

69

interprofessionele structuur. Uiteindelijk bleken ‘ de anderen’ - ook al waren zij formeel geen lid van, maar wel erkend door een internationale confederatie vaak sterker druk te kunnen uitoefenen op de besluitvorming van die confederaties, ook via hun nationale confederaties, dan dit in het WVA het geval was. Een en ander conditioneerde onvermijdelijk zeer sterk de ontwikkelingen in de beroepswerking van het WVA. Om de evoluties van het WVOP doorheen de jaren van zijn bestaan goed te kunnen inschatten en evalueren is het daarom onontbeerlijk om de evolutie van de beroepswerking in het WVA in haar geheel te schetsen. Dat beogen wij kort in dit hoofdstuk.

Een vast agendapunt op de WVA-congressen
Op het 19de WVA-congres in Den Haan (België) in 1977 werd besloten om, gelet op het belang van de beroepswerking voor de verdere expansie en de intensifiëring van de werking van het WVA, de bestaande internationale beroepsfederaties te herstructureren in 3 sectoren: Sector I: Openbare Diensten = INFEDOP, WVOP en FIOST (transport) Sector II: Industrie en Voeding = de federaties van landbouw, voeding, textiel, mijnwerkers, energie en chemie, grafische sector, hout en bouw. Sector III: Bedienden en sociale communicatie= WVB (Bedienden) en Soc. Communicatie Wat wilde men met die nieuwe structurering bereiken? Overduidelijk beoogde men het streven naar een verdere mondialisering van de werking van het WVA te versterken door actiever in te spelen op de professionele werking aan de basis. Daartoe waren adequaat functionerende structuren op wereldniveau en in de continenten onontbeerlijk. De beginsituatie was ver van ideaal. Enerzijds de numerieke zwakte en het gebrek aan expansiemogelijkheden in de continenten en anderzijds beroepsstructuren geënt op de realiteiten van de beroepsorganisaties in de ‘rijke’ landen. Wie hoorde bij wie? Een leefbare beroepsactie veronderstelde een concentratie van de sectoren en het werken rond gemeenschappelijke interesseblokken, meende het congres. Autonomie voor de afzonderlijke sectoren binnen die hergroepering moest mogelijk blijven maar waar aangewezen dienden fusies tussen bestaande structuren doorgevoerd. Dat verklaarde precies de keuze om de autonome werking van afzonderlijke beroepsgroepen te coördineren in voornoemde drie sectoren. Daarover verder meer. Gedurende de daarop volgende verbondsbesturen (Houffalize 1978), Colombo (1978) en Nassogne (1979) werden daarover besprekingen gevoerd. In aansluiting bij het verbondsbestuur van Nassogne (1.6-04-1979) kwam een Wereldcommissie voor de Beroepsactie (WCBA) tot stand, onder voorzitterschap van Lucien Fruru (textiel). Jos Vandecruys, die de openbare sector vertegenwoordigde, werd er de algemene coördinator van. René Verschaeken (industrie) en Maddie Geerts (bedienden) waren er naast de vertegenwoordiers van de continenten, Ernesto Molano, Nguyen Van Thanh en Dominique Aguessy,

70

leden van. Tijdens de opeenvolgende vergaderingen werden de congresbesluiten in beleidslijnen omgezet en werd het volgende WVA-congres voorbereid. Gemakkelijk verliep dat proces niet. Enerzijds werden de beroepsfederaties geknipt op maat van de Europese leden. Logisch omdat daar niet alleen de best gestructureerde en georganiseerde ledenorganisaties bestonden maar omdat die bovendien, in overwegende mate voor de financiering van de werking instonden. In de andere continenten bestond dergelijke sectorale indeling niet of nauwelijks. In Latijns-Amerika waren er bovendien deels andere beroepsgroeperingen actief. Meer, in Afrika en Azië was er van een georganiseerde beroepswerking nauwelijks sprake of moest men nagenoeg van nul beginnen. Dat laatste was vooral het geval in Azië waar de BATU beroepswerking zelfs niet echt genegen was. Toen de oprichting van continentale antennes voor de beroepsactie aan de agenda stond en er voor geopteerd werd dat de secretarissen ervan afhankelijk moesten blijven van de regionale structuren, werd meteen een probleemveld gecreëerd waar in latere jaren heel wat moeilijkheden uit voortvloeiden. In de praktijk kwam het er op neer dat vakinternationales, die initiatieven wensten te ontwikkelen in een continent, steeds rekenen moesten op de goodwill van de continentale WVA-verantwoordelijken. In de praktijk had dat tot gevolg dat sommige initiatieven niet of nauwelijks van de grond geraakten, op weerstanden botsten en mondiale coördinatie van een gemeenschappelijke planning binnen de VI’s eerder belemmerde dan bevorderde. Geldmiddelen werden wel verwacht van of via de VI’s maar over de bestemming ervan konden ze niet zomaar vrij beslissen. Het voornemen was natuurlijk mooi: Voor 1982 zou een financieringsplan worden opgemaakt dat voor ¼ zelffinanciering vanuit het continent voorzag. Vanaf 1987 werd zelfs autofinanciering in het vooruitzicht gesteld. In de praktijk is daar nooit iets van terecht gekomen. Hoe dan ook, het kwam aan het volgende WVAcongres toe de nodige formele besluiten te trekken uit het opgemaakte bilan en de geformuleerde voornemens en te zorgen voor een adequate structuur en werking. Ondertussen was de WCBA niet bij de pakken blijven zitten. Opeenvolgende expansiemissies, in 1979, werden i.f.v de beroepsactie opgezet. Een 8-tal Afrikaanse landen werden door een WVA-delegatie bezocht; idem een 6-tal Aziatische landen en enkele Latijns-Amerikaanse. Tijdens de missie van eind augustus - begin september mocht Coen Damen het oprichtingscongres van de FLATEC, de Latijns-Amerikaanse regionale van het WVOP, in Santo Domingo, begroeten. Het 20ste WVA-congres in Manilla (Filippijnen), in 1981, besliste tot de oprichting van een Wereldsecretariaat voor de Beroepsactie (WSBA), een coördinerend orgaan als bestanddeel van het WVA-secretariaat. De Wereldcommissie voor de Beroepsactie zou over de werking ervan verantwoording moeten afleggen t.a.v. het Uitvoerend bestuur, het Verbondsbestuur en het congres. Jas Vandecruys, adjunct-secretaris-generaal van het WVA, kreeg er de leiding van. Elk van de 3 sectoren werd een vaste secretaris toegewezen maar, zoals zo vaak, … werden na de regel onmiddellijk de uitzonderingen geformuleerd. Sector I zou gecoördineerd worden door Coen Damen (secretaris-generaal WVOP) maar EUROFEDOP mocht een eigen administratief secretariaat en een eigen vrijgesteld secretaris behouden. De vervoerinternationale stelde Alfred Gosselin aan voor de coördinatie van haar specifieke werking ook al kreeg hij de

71

verantwoordelijkheid voor sector II, terwijl Ferrie Spit de metaalsector voor zijn rekening nam. Voor sector III moest bij de start nog een secretaris gezocht worden. Dat werd na enige tijd Emiel Vervliet. Deze eerder gecompliceerde taakverdeling deed ook vragen rijzen naar het statuut van betrokkenen. Vermits formeel de taak van de sectorale verantwoordelijken dienstverlenend zou zijn mochten zij geen politiek mandaat binnen het WVOP bekleden. Maar als dit niet voor alle betrokkenen gold drong het WVOP aan dat Coen Damen ook een politiek mandaat voor de onderwijssector zou mogen behouden. Dat gold immers ook voor Ferrie Spit. Die uitzonderling werd daarom als overgangsmaatregel aanvaard. [Het WVOP stelde zelfs formele voorwaarden vooraleer het eigen secretariaat te integreren in het WSBA: - Coen Damen moest in de pool van de permanente WSBA-secretarissen worden opgenomen; - Het WVOP moest binnen een ‘normale’ bijdrage aan het WSBA kunnen blijven rekenen op dekking van de administratiekosten, de huur, e.d. om haar mondiale werking en haar Europese werking mogelijk te maken; - De reis- en verblijfskosten voor expansie- en representatiezendingen, seminaries en statutaire vergaderingen moesten ten laste blijven het WSBA. Dat uit die voorwaarden enig scepticisme, zelfs wantrouwen, en een beperkt geloof in de mogelijkheden van het WSBA blijkt, valt moeilijk te ontkennen.] Het WVA-congresbesluit ging nog verder. Alle diensten: vertaaldienst, boekhouding, economaat en onderhoud, verzending, studie- en documentatie, zouden in de administratieve pool van het WVA- secretariaat worden opgevangen. Een en ander creëerde een erg verwarde situatie die al vlug vragen opriep die vele jaren daarna de verhoudingen bleven kleuren rond o.m. de betrokkenheid resp. medeverantwoordelijkheid van de secretarissen beroepsactie bij de werking en besluitvorming binnen het WVA; de gevolgen van een gedeelde intersectorale en sectorale opdracht voor het werk van de betrokkenen en voor hun relatie met het personeel van het secretariaat. Wie bepaalt de prioriteitsorde van de taken die aan één of andere dienst worden toevertrouwd? Hoe worden kosten gedeeld in geval van gemengde opdrachten?,… Wat betekenden de beslissingen van Manilla voor de beroepsactie in het algemeen en voor het WVOP in het bijzonder, op het wereldvlak en in de continenten? Al stelden de VI’s te willen investeren in de werking van het WSBA en de WCBA, toch wensten zij uitdrukkelijk hun functionele autonomie en hun financiële zelfstandigheid te kunnen behouden en beveiligen. In het licht van de besluiten van het congres van Manilla onderzochten INFEDOP-EUROFEDOP, WVOP en FIOST (Transport) of een gemeenschappelijke structuur een meerwaarde zou kunnen betekenen voor hun werking zonder voornoemde autonomie in het gedrang te brengen. INFEDOP leek er van uit te gaan dat zowel WVOP als FIOST alleen niet leefbaar bleven. Eerdere pogingen waren echter al mislukt omdat beide andere

72

vreesden dat INFEDOP een dominantie nastreefde en algemene representativiteit voor alle openbare sectoren claimde. Ook voor de andere sectoren bleef de vooropgestelde integratie in hoge mate een wensdroom. Wat de industriële sectoren betreft werd het al vlug duidelijk dat de belangrijkste nationale bonden van de metaalsector (o.m. de Belgische ACVmetaalbond CMB, gesterkt door een succesvolle samenwerking in het EVV-kader met de metaalbond van het IVVV, steeds meer geneigd was om eerder toenadering te zoeken in die richting, liever dan extra te investeren in een volgens hen problematisch wordende samenwerking binnen het WVA. Vooral het groeiend belang van Europees georiënteerd bedrijfssyndicalisme en Europese ondernemingsraden noopte hen daartoe. Daar vonden zij documentatie en ondersteuning die het WVA hen niet bood en, ondanks schuchtere pogingen, ook nooit bieden kon. Ook de belangrijkste leden uit de sector van Voeding en Diensten gingen kort daarop dezelfde weg op. Een en ander resulteerde uiteindelijk in een rechtstreekse aansluiting bij de IVVV-bond ook al werd de (financiële) solidariteit met de WVA-bonden niet direct doorgeknipt. Overigens bleef het ACV als confederatie de beroepsactie van het WVA financieel mogelijk maken. (In een volgende fase maakten ook belangrijke bediendecentrales als LBC en CNE (België) een gelijkaardige keuze). In de praktijk betekende dat er numeriek meer ACV-leden bij de VI’s van het IVVV waren aangesloten dan bij deze van het WVA, waarvan het ACV nochtans de leidinggevende component was en bleef. Ook in de relatie WCBA-WSBA was het niet allemaal koek en ei. De gevolgde expansiepolitiek kostte handenvol geld en de uitgaven van het secretariaat, o.m. voor de uitgave van een informatieblad, sprongen al vlug de pan uit. Een latent meningsverschil daarover tussen voorzitter Fruru en algemeen coördinator Jos Vandecruys leidde tot het ontslag van eerstgenoemde in april 1981, ook al gaf hij officieel gezondheidsproblemen op als reden. René Maris, van de Hout en Bouwsector volgde hem op. Flor Bleux, inmiddels adjunct- secretaris-generaal van het WVA benoemd, zou de werking van de beroepsactie van nabij volgen. Bij de voorbereiding van het volgende WVA-congres (Baden 1985) kon men moeilijk naast de vaststelling dat het beoogde integratieproces op een dood punt dreigde te belanden. De meningen over hoe het dan verder moest liepen sterk uiteen. De Europese VI’s bepleitten het behoud van een coördinerend WSBA dat de identiteit van elke VI moest respecteren. De CLAT, slaafs nagevolgd door de FOPADESC, verdedigde, tot verbazing van velen, de stelling dat het WSBA bedoeld was als een overgangsstructuur in afwachting van een totale integratie van het interprofessionele en het professionele tot een globale eenheid van structuur en actie. Voor de Europeanen kwam dit over als vloeken in de kerk. Zij verdedigden het behoud van een interprofessioneel en een professioneel luik als evenwaardige pijlers. De BATU nam geen positie in. Gelijkwaardigheid erkennen kon moeilijk zonder wijziging aan de topstructuur. Daarom speelde men met de gedachte dat, vanuit die visie, de secretarisgeneraal van het WVA zou moeten bijgestaan worden door 2 adjuncten, resp. voor het interprofessionele en het professionele werk. Diensthoofden zouden ter beschikking van beide staan ‘naar behoefte’. Een (lichte) administratieve onderbouw zou gemoderniseerd moeten worden maar de oprichting van een studiedienst werd onontbeerlijk genoemd. Mits het aanvaarden van die nieuwe

73

opstelling van het WVA zouden de autonome wereldfederaties voor de beroepsactie kunnen blijven bestaan, al zouden gemeenschappelijke afspraken moeten gelden voor aansluitingen, contributie-inning en ondersteuning van de continentale beroepsantennes. Wie een eigen secretariaat wenste te behouden zou financieel moeten bijdragen in evenredigheid met de diensten die zij van het WVA verwachtten. Kortom een financiële overeenkomst tussen de beroepsfederaties, al dan niet gevestigd binnen de WVA-infrastructuur, en het WVA was onontbeerlijk. Een en ander veronderstelde een statutenwijziging waarover het congres moest oordelen. Het congres van Baden stemde in met deze nieuwe regeling. Ondertussen bleef de relatie van de Europese VI’s van het WVA met het EVV zorgen baren. Niet alle IVVV-gelinkte VI’s stemden in met de aansluiting van WVA-bonden bij de beroepssectoren van het EVV. Dat zorgde uiteraard voor spanningen. In relatie daarmee, en gelet op het belang van een directe betrokkenheid bij de Europese ondernemingsraden kozen de metaalsector en de sector Voeding en Diensten definitief de weg van de directe aansluiting bij de IVVV-bond, waarvan hiervoor al sprake was. Een WVA-delegatie bestaande uit Arie Hordijk, ook in het EVV een gerespecteerd CNV-leider, Hervé Decuyper (ACV), Coen Damen en Louis Van Beneden, beide laatste sterk betrokken bij de werking en leiding van het EVO (zie hoofdstuk 11) had in januari 1984 nog getracht de deuren wat opener te krijgen. Van IVVV-zijde bleef men echter op het standpunt dat een ev. toelating van WVA-bonden niet kon betekenen dat men automatisch recht zou krijgen op een specifieke representativiteit in de leidende organen van de EVV-bonden. Het WVA bleef in elke hypothese een minderheid met alle consequenties vandien. Nu al zijn sommige WVA-bonden al sterk oververtegenwoordigd in EVV-verband, werd gesteld. Daarbij werd uitdrukkelijk verwezen naar de ‘overtrokken’ machtspositie van het WVOP in het EVO (!). (zie hoofdstuk 11). Het feit dat de INFEDOP-EUROFEDOP haar ongenoegen had geuit omdat het onvoldoende aan de bak kwam - daar waar er volgens het IVVV een bevredigende samenwerking bestond o.m. in het Gemeenschappelijk Front bij de Internationale Arbeidsorganisatie - werd niet erg geapprecieerd. Kortom erg succesvol was die ontmoeting niet wat de evolutie zeker niet gunstig bevorderde vanuit het WVA standpunt. Voor het WVOP betekende het dat flikkerlichten voor een gevaarlijke zone waarschuwden.

Nieuwe pogingen
Het eerste rapport dat Flor Bleux in 1985 uitbracht ‘na het congres van Baden’ getuigde niet van overdreven optimisme. Een circulaire die beoogde de mogelijkheden van een performantere werking van de VI’s in kaart te brengen bood maar weinig perspectief op vernieuwing. De integratie van het WSBA in het WVA-secretariaat heette gerealiseerd, maar erg enthousiast werd ze niet onthaald. Er was formeel een nieuwe taakverdeling afgesproken, maar wat de mondiale oriëntatie van de VI’s werd genoemd was de verscheidenheid troef. Bleux riep op tot loyauteit t.a.v. de regionales en vroeg grotere inspanningen van de regionales om de beroepsactie echt mogelijk te maken. De grote verscheidenheid in aanpak en behaalde resultaten van de onderscheiden VI’s was zo dat coördinatie ver van eenvoudig bleek. Het WSBA

74

mag geen bureaucratische aangelegenheid worden, stelde Bleux. Er dient een militante geest te waaien, voldoende informatie door te stromen op alle niveaus en dubbele aansluitingen moesten vermeden worden. Dat bleven vooralsnog vrome wensen. Een werkgroep bestaande uit Flor Bleux, Louis Van Beneden, vice-voorzitter van het WVA voor de beroepsactie - die van oktober 1988 af de schielijk overleden Hans Klingler was opgevolgd -, John Janssens, Europees coördinator beroepsactie en de WSBA-secretarissen, kreeg de opdracht de conclusies uit het rapport te vertalen in beleidsvoorstellen. In het kader van de reorganisatie van de WCBA waren er een paar belangrijke beslissingen gevallen: Roger Denis en Emiel Vervliet werden tot confederaal secretarissen van het WVA voor de beroepsactie aangesteld. Ernesto Molano, Jos De Ceulaer en Fred Gosselin werden er niet in geïntegreerd. Meteen een nieuwe dubbelzinnige situatie vermits Denis en Vervliet ook algemeen secretaris bleven van hun resp. VI, m.n. onderwijs en bedienden. Voor het WVOP had deze nieuwe situatie ernstige gevolgen die wij verder toelichten. De VI’s vroegen uitdrukkelijk geconsulteerd te worden bij de planificatie van het Internationaal Solidariteitsfonds van het WVA. Dé politieke vraag van die periode: hoe de repercussies opvangen van de ontwikkelingen die zich in Oost- en Centraal Europa begonnen af te spelen. Het debat werd extra aangezwengeld tijdens de vergadering van de WCBA in Gdansk-Sobieszewo in mei 1990. Daar werd overigens opnieuw de nadruk gelegd op de noodzaak van positievere evoluties in de continenten.

Een enorme kater na Caracas
Diverse pogingen om tot een meer gecoördineerd beleid t.a.v. de beroepsactie te komen botsten steeds op dezelfde hindernissen die van meet af aan de evolutie hadden bezwaard. De beslissingen van het congres van Caracas (1989) accentueerden ze nog, ook al geraakte iedereen er van overtuigd dat een ernstig toekomstgericht debat onontbeerlijk was geworden. Het vrijwillig ontslag van Jan Kulakowski als secretaris-generaal van het WVA, o.m. als gevolg van de afgedwongen vervanging van alle continentale secretarissen en van adj. Secretaris-generaal Flor Bleux, illustreerde de sterke tegenstellingen tussen het algemene beleidsniveau en het continentale; tussen de visie van het WVA en deze van de VI’s op het stuk van beroepsactie en het onbehagen van diverse belangrijke lidorganisaties op elk niveau. Een en ander creëerde een malaisesfeer en plaatste de verantwoordelijken voor grote uitdagingen. Wat de beroepsactie betrof waren de besluiten van Caracas enerzijds duidelijk en anderzijds ook weer dubbelzinnig. De vakinternationales bleven verantwoordelijk voor hun eigen beleid en bleven zich formeel autonoom organiseren, heette het. De beroepsactie diende echter noodzakelijk duidelijker geprofileerd te worden. Instrumenten daartoe bleven de regionale vertegenwoordigers terwijl de coördinatie op het WVA- secretariaat bleef gebeuren.

75

Waarom dubbelzinnig? Toen de voorzitters van de VI’s in juni 1991 een eerste bilan opmaakten ter voorbereiding van het volgend WVA-congres kon men niet naast een aantal vaststellingen. In Europa bleef men naar mogelijkheid een integratie in de EVV-structuren nastreven voor de sectoren waar de WVA-bonden niet of onvoldoende aan hun trekken kwamen. De VI’s bleven, ook al waren zij actief binnen een EVVberoepsgroep, in elk geval eigen activiteiten organiseren niet in het minst omwille van organisaties die niet via hun confederatie bij de werking van de EVVstructuren betrokken waren. Alleen EUROFEDOP en FIOST (vervoer) behielden een eigen Europees secretariaat. Dit zeer tegen de zin van het ACV, dat daar in Caracas uitdrukkelijk tegen gepleit had maar de stemming daarover verloor. Van april 1990 af had het WVOP geen Europees secretariaat meer. FIOST behield dat (tot 1992) maar rekende er op dat mondiaal de confederaal secretarissen bleven instaan voor representatie en prospectie. Door het vertrek van Ernesto Molano was de sector van de diverse industrieën onthoofd. De politieke continuïteit was verbroken en alleen in Latijns-Amerika bleef een georganiseerde werking bestaan. Ook Hout en Bouw rapporteerde dat er, behalve in zekere mate in Latijns-Amerika, nog weinig activiteit was in de continenten; men bleef op de confederaal secretarissen rekenen. De Textielsector bracht een bijna gelijkaardig verhaal en betreurde vooral dat, ondanks vele inspanningen en investeringen in Afrika, er erg weinig resultaat werd bereikt. INFEDOP rapporteerde dat een opvolger gezocht werd voor zijn secretarisgeneraal Jos De Ceulaer maar dat er in afwachting daarvan weinig beweging was. Sinds de aansluiting van LBC en CNE (België) bij de bediendenbond van het IVVV bleef de vakinternationale voor de bediendensector verzwakt en berooid achter. Wat het WVOP betreft moest worden vastgesteld dat Roger Denis slechts tot het volgende WVOP-congres secretaris-generaal kon blijven. Geconfronteerd met vele nieuwe opdrachten, een gevolg van de volwaardige erkenning van het WVOP bij diverse internationale organisaties, was er een groeiend gebrek aan middelen en aan mankracht om overal een efficiënte vertegenwoordiging mogelijk te maken. Zonder de steun en de inzet van individuele lidorganisaties was dit onmogelijk gebleven. Het WVOP beschikte ondertussen over eigen regionale structuren in Latijns-Amerika en Azië en hoopte er in 1990 ook (opnieuw) een op te starten in Afrika. De conclusie was vrij pessimistisch: de VI’s beschikten niet over de nodige middelen en mensen om zelf een eigen politiek, gericht op expansie en intensifiëren van activiteiten in de 3de wereld te voeren. Een echte coördinatiestructuur ontbrak vooralsnog. Zij rekenden op de confederaal secretarissen en op de regionale van het WVA om daar werk te kunnen van maken. In relatie daarmee stelden zij onomwonden de zinvolheid van hun financiële bijdrage aan het WVA ter discussie. Meteen werden een aantal verwachtingen t.a.v. de coördinatie verwoord. Daarbij werd nadruk gelegd op informatie en begeleiding, vertegenwoordiging bij de internationale organisaties, regelmatige contacten, een betrokkenheid bij de verdeling van de middelen van het solidariteitsfonds en de organisatie van de vertegenwoordigingen. Uiteraard bleven zij rekenen op administratieve ondersteuning voor de organisatie van hun activiteiten. Wat de uitbouw van de relaties met de leden in de 3de wereld betrof werd het belang onderstreept van nauwkeurige en tijdige info, initiatieven gepland in samenspraak; informatie over bilaterale contacten ook op interprofessionele

76

vlak, tijdige info over geplande zendingen. Zij wensten een Europees comité voor de beroepsactie te behouden. Een en ander werd sterk bezwaard door het takenpakket dat de confederaal secretarissen kregen toegewezen. Hun opdracht was niet uitsluitend op de werking van beroepsactie gericht. Bleef daar overigens in de gegeven omstandigheden nog veel tijdsruimte voor? Vanuit het standpunt van het WVOP bekeken is het takenpakket van Roger Denis illustratief voor de grote twijfels over de haalbaarheid die in de rangen van het VI’s leefden. Naast de functie van secretaris-generaal van het WVOP werd van Denis verwacht dat hij - in theorie in samenwerking met een andere confederaal secretaris, verschillend in functie van het dossier in behandeling - de coördinatie WVOPINFEDOP en deze van het WCBA voor zijn rekening moest nemen. Hij werd bovendien belast met het personeelsbeleid van het WVA, de relaties met de Europese WVA-leden, de opvolging van de EVV-werking en de vertegenwoordigingen bij de TUAC, de IAO, de UNESCO en de Europese Commissie. Andere confederaal secretarissen hadden relatief vergelijkbare ‘onmogelijke’ takenpakketten. Te gek voor woorden! Het WVOP, en uiteraard ook de andere VI’s, voelden zich bekocht in deze situatie. Hoeveel tijd zou er naast die vele uiteenlopende taken nog overblijven voor het echte takenpakket van het WVOP? Wat binnen het takenpakket van andere confederaal secretarissen viel diende zinvol geïntegreerd te worden in het WVOPbeleid. Hoe kon dat zonder vaste afspraken over missies en vertegenwoordigingen, rapportage, contacten in de regio’s, … Werd van de betrokkenen verwacht dat zij perfect op de hoogte zouden blijven van het uitgezette beleid van elke rechtstreeks of onrechtstreeks betrokken VI? Een onmogelijke situatie die zeker niet zou bijdragen tot een oplossing van de gerezen moeilijkheden. Dat bij wijze van voorbeeld, het WVOP zich al spoedig genoodzaakt zag een andere koers te varen t.a.v. de organisaties van de landen van Oost- en Centraal Europa dan diegene die officieel door het WVA-secretariaat werd voorgestaan, hoeft dan ook niet te verbazen. (cf. hoofdstuk 5).

Crisissfeer
Het standpunt van de voorzitters van de VI’s (februari 1993) zorgde in WVAkringen voor de nodige opschudding, zeker wanneer zij na een jaar voorbereiding hun bevindingen en verwachtingen in een concrete maar erg kritische nota verwoordden, bestemd voor het WVA-executief. Dat was niet in het minst het geval omdat hun voorstellen op een aantal punten ‘problematisch geachte’ interpretaties van en wijzigingen aan de beslissingen van Caracas noodzaakten. Het Wereldcolloquium Beroepsactie van mei 1992, dat nieuwe impulsen beoogde te geven aan de beroepsactie, kon niet anders dan tot de conclusie komen dat de doelstellingen van Caracas niet of nauwelijks gerealiseerd waren. Men kon moeilijk ontkennen dat VI’s inderdaad niet beschikten over de nodige instrumenten die in Caracas nochtans in het vooruitzicht waren gesteld. Nood aan personeel, onaangepaste structuren, de betrekkelijke kwaliteit van communicatie, informatie, overleg, NIT, een logischer groepering van de VI’s, politieke eenduidigheid t.a.v. de mondiale ontwikkelingen, … bleven uit. Het was duidelijk dat de beroepsactie in een regelrechte crisis was beland. Enerzijds stelde men vast dat de representativiteit van de beroepswerking in Europa sterk in het gedrang kwam door het afhaken van diverse belangrijke ACV-

77

centrales die de belangen van hun leden beter verdedigd wisten in een IVVVorganisatie. Meteen verdween ook de ervaring, de kennis en de middelen die de internationale beroepsactie in hun sector jarenlang had mogelijk gemaakt. Anderzijds bleven andere ACV- organisaties de voornaamste, eigenlijk onmisbare, partners voor wat aan beroepsactie nog mogelijk bleef. Conclusie: de lijn van Caracas doortrekken leidde op termijn zonder de minste twijfel naar het verdwijnen van de beroepsactie. De beroepsactie versterken moest kunnen vertrekken van een nieuwe visie. Via colloquia en samenkomsten van de WCBA diende dergelijke visie uitgewerkt en uitgedragen te worden met een duidelijke taakafbakening voor de regionales en de VI’s en een vijfjarenplan voor elke VI gericht op expansie en op verdieping en verbreding van de activiteiten. De voorzitters van de VI’s, met zetel in Europa, besloten kort daarop een werkdocument voor te bereiden dat zij aan het Uitvoerend Bureau van het WVA wensten voor te leggen vooraleer verdere beleidsvoorstellen zouden worden uitgeschreven. Daarin betoogden zij dat de organisatorische bijsturingen door de opeenvolgende WVA-congressen (Manilla, Baden, Caracas) niet het resultaat hadden opgeleverd dat er van verwacht was. Meer, Caracas had een ontregeling tot gevolg, een versterkt afkalvingproces o.m. maar niet uitsluitend omwille van de situatie in het EVV. Het klinkt theoretisch mooi om met een minimum aan logistiek en beperkte financiële mogelijkheden een maximaal effect te verhopen omdat men rekent op een verruimde vrijwillige inzet van de VI’s en hun leden. In de praktijk resulteerde dat in een verzwakking van de beroepsactie. Om te vermijden dat een volgend congres tot een nieuwe herstructurering zou beslissen zonder kennis van de reële problemen van de VI’s formuleerden de voorzitters daarom principiële objectieven die de mogelijkheden van de afzonderlijke VI’s overschreden en waarbij dus de verantwoordelijkheid van het WVA op de voorgrond trad: De beroepswerking moest beter afgestemd worden op 2 werkvelden: naast het specifieke van de afzonderlijke VI’s, een gemeenschappelijk werkveld dat niettemin specifieke sectorgebonden aspecten vertoont (sectoraal overleg, nachtarbeid,…) en beroepsproblemen van sectoren en beroepsgroepen die niet of onvoldoende vertegenwoordigd zijn in de bestaande VI’s (kunstenaars, pers, …). Daartoe moesten de beschikbare middelen, ook van nationale organisaties, samen gelegd worden om na mens de VI’s vertegenwoordigend te kunnen optreden zowel in het WVA als t.a.v. internationale partners. Samenwerking, niet in het minst met de regionale instanties, moest effectief worden zowel inzake de organisatie van activiteiten, de belangenverdediging, de principiële stellingnamen, de bijdragen tot de ontwikkeling van nationale organisaties, de bevordering van de continuïteit van de initiatieven,.. In het 2de deel van hun nota ontleedden de voorzitters in detail de bestaande situatie en klaagden de gebrekkige ondersteuning vanuit het WVA aan, specifiek het onvoldoende ter beschikking zijn van de confederaal secretarissen voor de beroepswerking, de grote verschillen in betrokkenheid en ondersteuning vanuit de regionale structuren, de ongelijke bedeling van de VI’s bij de besteding van de beschikbare middelen,.. Volgens het congres zouden de middelen van het WVA moeten volstaan hebben om 3 secretarissen voor de beroepsactie te bekostigen. In de praktijk bleek dat niet realiseerbaar en zouden de VI’s zonder externe steun (projecten, extra bijdragen van leden, …) gewoon zelfs niet kunnen overleven.

78

De voorzitters stelden daarom voor dat binnen het WVA een autonome cel beroepsactie zou worden opgericht die coördinerend, motiverend en stimulerend zou optreden t.a.v. de VI’s, specifiek wat de regionale beroepswerking betrof. De Beroepsactie moest daartoe over een taakstellend budget kunnen beschikken en de secretariaatsondersteuning vanuit het WVA diende op een geschreven akkoord te steunen omdat de bestaande vrijblijvende beschikbaarheid heel vaak leidde tot frustrerende situaties waarbij de beroepswerking nooit of zelden prioritair heette. Die cel zou onder de verantwoordelijkheid vallen van een Raad voor beroepactie die verantwoording zou afleggen t.a.v de WCBA, de WVAbeleidsorganen en het congres. Vooraleer deze nota in een definitieve redactie was gegoten werd een ontwerpversie ervan al besproken op het WVA-secretariaat. Meer, secretarisgeneraal Carlos Custer stuurde al een reactie op de bemerkingen vooraleer de nota officieel bestond! Uiteraard pleitte hij daarin het WVA-secretariaat ‘vrij van zonden’.Namens de VI’s reageerde de WVA-ondervoorzitter voor de beroepsactie scherp op dat antwoord. Hij vroeg zich af of een sereen gesprek nog zin had als men op een onafgewerkte, vertrouwelijke, ontwerpversie al zo gepikeerd en afwijzend meende te moeten reageren. Wat zou de betekenis nog zijn van een nota die aan het Executief zou worden voorgelegd als vooraf al een reactie op een ontwerpversie vanuit het secretariaat de wereld werd rondgestuurd. Quid met de loyauteit van een confederaal secretaris die tegen de afspraken in die versie reeds aan Custer had voorgelegd? Bracht het congres van Mauritius (1993) de oplossing? De voorstellen die door een beperkte commissie Beroepsactie, waarin o.m. de vertegenwoordigers van de onderscheiden regionales zetelden, ter voorbereiding van het congres waren uitgewerkt, resulteerden vooral in grote principiële verklaringen en een appel aan de verantwoordelijkheid van iedereen. De beroepsactie moest en zou verder uitgebouwd en gedynamiseerd worden en heel het WVA moest dat als een prioritaire opdracht aanvaarden. In het actieprogramma 1994-1997 dat in opvolging daarvan werd voorgelegd werd een inventaris van het bestaande (nog maar eens!) noodzakelijk genoemd, werd de medewerking van de confederaties beklemtoond naast de bevordering van actieve en representatieve beslissingsorganen voor de VI’s. Grotere aandacht zou uitgaan naar de landen van Oost en Centraal-Europa. Een efficiënte uitwisseling van informaties en een betere coördinatie op het secretariaat werd eens te meer belangrijk genoemd; solidariteit tussen de sectoren een uitdrukkelijke wens. Daartoe zouden tweejaarlijkse seminaries worden georganiseerd en diende een samenwerking met het EVV en de beroepsactie van het IVVV nagestreefd. Kortom: meer van hetzelfde! Ook na het congres van Boekarest (1997) bleef het probleem van de beroepsactie in het WVA onverminderd problematisch. Op het niveau van de continenten was wel enige verbetering merkbaar in Afrika. Een nieuwe bewindsploeg besefte er tenvolle de noodzaak van een beter gestructureerde beroepswerking en voor diverse sectoren werden regionale structuren opgericht of opnieuw tot leven gebracht. Azië bleef problematisch omdat het sterk centraliserend beleid van de BATU veel initiatieven in de kiem bleef smoren of alleen aanvaardde mits een grote afhankelijkheid van de beslissingen van het BATU-secretariaat.

79

Hét probleem was echter dat Europees het geloof in en de inzet voor de beroepsactie sterk was afgezwakt. Vooral het afhaken van belangrijke centrales had niet alleen financieel maar ook mentaal de ijver van velen bekoeld. Meer dan in samenwerking bleef ieder op zijn terrein inspanningen doen, maar de fut geraakte er meer en meer uit. Sommige VI’s mikten resoluut op een sterkere Europese werking en het bredere werk werd quasi herleid tot ondersteunende initiatieven, al dan bilateraal. Van een echte toekomstgerichte consequente beleidslijn was in die omstandigheden nog amper sprake. Het WVOP had die evolutie niet lijdzaam blijven ondergaan. Vanaf 1996 werd opnieuw een eigen secretariaat uitgebouwd. De secretaris-generaal was opnieuw voltijds ter beschikking voor het WVOP. Die herwonnen autonomie resulteerde in een sterke expansie zonder dat de band met de beroepswerking van het WVA en het WVA zelf werd doorgeknipt. Het WVOP bleef er consequent participeren aan de besluitvorming. Jaap Wienen, adjunct-secretaris-generaal van het WVA geworden, legde in maart 2001 opnieuw een evaluerende beleidsnota ter bespreking voor. In zijn analyse kwamen de accenten terug die ook voorheen in dergelijke nota’s te vinden waren: nood aan versterking, samenwerking met de IVVV-bonden verbeteren (in de lijn van het standpunt dat het confederaal bestuur in Paraguay het jaar voordien had vastgelegd) … Alleen INFEDOP en WVOP beschikten nog over een eigen secretariaat. FIOST, FME en FEMTAA hadden nog wel een eigen secretaris, maar hoe een gemeenschappelijk dispositief uitbouwen voor de andere VI’s? Wat de financiën betrof werd nog maar eens duidelijkheid gevraagd over de mogelijke financiële WVA-input. Daarover moest opnieuw onderhandeld worden. Meer transparantie gewenst! Hoe de nuttige ervaring van het WVA beter benutten voor de beroepsactie? Hoe het huidige secretariaat meer dan een uitvoerende taak toewijzen? Hoe het probleem van het te geringe aantal activiteiten in de continenten oplossen? In de eerste plaats moet er een grotere interesse komen voor de beroepsactie, luidde de conclusie. Vervolgens moeten de VI’s tot meer samenwerking worden bewogen. Beter afstemmen op een grotere gemeenschappelijkheid leek het sleutelwoord. Kunnen een aantal taken niet beter overgelaten worden aan het WVA? Vragen die al meermaals waren gesteld en nooit echt beantwoord waren geraakt. Het executief bureau van het WVA in Washington (maart 2001) had eens te meer een werkgroep ingesteld om de mogelijkheden tot optimaliseren van de beroepswerking te onderzoeken. De adjunct-secretaris-generaal van het WVA voor de beroepsactie kreeg een ruimer eigen takenpakket toegewezen en een voorstel van vormingsmodules rond gemeenschappelijke aandachtspunten werd uitgewerkt. Het CNV, waarvan ondertussen een drietal VI-voorzitters in de WCBA zetelden, zorgde voor een financiering van dit initiatief. Een ander initiatief bestond er in met de voorzitters van de VI’s te vergaderen op de zetel van de IAO in Genève om hen beter het reilen en zeilen van deze organisatie te leren kennen en hen er vertrouwd te maken met de informatie- en beleidsorganen. Bij die gelegenheid bleek eens te meer dat een aantal VI ’s niet echt bekend en vertrouwd waren met deze belangrijke instantie. Op zich al een veeg teken na jaren beroepswerking! Hoe kwam dat? Gewoon omdat zij hun aanwezigheid en hun impact in IAO-verband in het verleden al te gemakkelijk en eenzijdig aan de vertegenwoordigers van de confederaties hadden toevertrouwd. Dat zij daardoor vele kansen en mogelijkheden hadden gemist beseften zij te

80

laat. (Het WVOP was de enige VI van het WVA die consequent vanaf de 70er jaren jaarlijks aan de algemene vergadering van de IAO deelnam en het woord voerde tijdens het algemeen plenair debat!).

Langs autonome wegen
Het WVOP dat, zoals al vermeld, sinds 1995-1996 ondubbelzinnig en resoluut een eigen beleidslijn volgde, had van toen af gebouwd aan een merkwaardige expansie en een sterk toegenomen activiteit. Dit zowel bilateraal als in het kader van samenwerking, bij de diverse internationale organisaties, regionaal maar ook op wereldniveau. De goedbedoelde gemeenschappelijke initiatieven van de beroepsactie van het WVA in de continenten werden naarmate het aanbod aansloot bij de interessesfeer van de onderwijssector, consequent gevolgd en gesteund. Maar uiteindelijk heeft het WVOP een sterkere positie kunnen uitbouwen op de diverse werkvelden dank zij de initiatieven die het zelf opzette. Het feit dat het WVOP rond de eeuwwisseling terecht representativiteit mocht claimen voor circa 7 miljoen leden spreekt boekdelen in dat verband. Jammer genoeg waren dat in meerderheid geen betalende leden omdat hun organisaties gewoon over volstrekt onvoldoende financiële middelen beschikten. Daar wordt in hoofdstuk 5 meer in detail op ingegaan.

81

Hoofdstuk 9

HET WVOP OP HET INTERNATIONALE FORUM

Van bij zijn ontstaan heeft het WVOP een directe betrokkenheid nagestreefd bij de werking van de intergouvernementele instanties en bij de belangrijkste partners van de niet- gouvernementele organisaties. Dit zowel op het mondiale als op het regionale niveau. Dit was noodzakelijk om vanaf de conceptfase enig gewicht in de schaal te kunnen leggen bij de besluitvorming rond projecten met een bovennationale betekenis. Vanzelfsprekend was die betrokkenheid gewoon ook een must bij de implementatie en de evaluatie ervan. Meer, ze was van doorslaggevende betekenis wilde men als internationale organisatie de verwachtingen en betrachtingen van de leden ook beantwoorden. Dat het WVOP daar, ondanks een permanent structureel gebrek aan mensen en middelen, toch aardig in geslaagd is, mag blijken uit volgende bilan. Het WVOP heeft het steeds tot zijn opdracht gerekend er over te waken dat de leden van het Wereldbestuur, resp. het Euroverbondsbestuur, ruim werden geïnformeerd over de structuur en de werking van de onderscheiden intergouvernementele instanties. Zo werden er, voorafgaand aan het Wereldbestuur, informatierondes met de verantwoordelijken van de onderscheiden diensten georganiseerd op het IAB in Genève, op de zetel van de UNESCO in Parijs, het BIE en de EFTA in Genève. Wat het Euroverbondsbestuur betreft kwamen er gelijkaardige werkvergaderingen met de Raad van Europa in Straatsburg, de OESO in Parijs en de EG in Brussel op het programma. Geleidelijk aan werd de nadruk gelegd op het vertrouwd maken met de continentale realiteiten door vergaderingen van het Wereldbestuur te koppelen aan samenkomsten van continentale instanties. Nagenoeg elk jaar brachten de secretaris-generaal en/of de voorzitter een werkbezoek aan de diensten van de IAO en de UNESCO, en vrij regelmatig ook aan de andere voornoemde instanties. Het belangrijkste gevolg was dat het

82

WVOP er op die manier in slaagde zijn programma’s en initiatieven georiënteerd te houden op de internationale agenda. Ter gelegenheid van belangrijke samenkomsten in Washington of New York werd ook contact op genomen met de directie en de programmaverantwoordelijken voor de onderwijssector van het IMF, de Wereldbank, UNICEF, ECOSOC, en UNDP.

De Internationale Arbeidsorganisatie (IAO): dé aangewezen partner van de internationale vakbondsorganisaties
Dé bevoorrechte partner van het WVOP op het internationale werkveld was logischerwijze de Internationale Arbeidsorganisatie (IAO), met zetel in Genève, beter bekend onder de Engelse afkorting ILO (International Labour Organisation). De IAO is immers de gespecialiseerde organisatie van de Verenigde Naties die zich bezig houdt met arbeidsvraagstukken, ook deze van het onderwijspersoneel. De ILO werd opgericht in 1919 als uitvloeisel van de vredesonderhandelingen na de Eerste Wereldoorlog. Oorspronkelijk was het dan ook een agentschap van de Volkenbond. Na de ondergang van de Volkenbond, als gevolg van het uitbreken van de Tweede Wereldoorlog, werd de ILO een agentschap van de Verenigde Naties. Het huidige handvest van de Internationale Arbeidsorganisatie werd vastgelegd in 1944 in de Verklaring van Philadelphia. De ILO werd opgericht vanuit het idee dat een duurzame vrede niet mogelijk zou zijn zonder sociale rechtvaardigheid. Ze is de enige organisatie binnen de VN die een tripartiete structuur kent, d.w.z. met afgevaardigden van regeringen, werkgeversorganisaties én werknemersorganisaties. Deze gedelegeerden zetelen in alle beslissingsorganen van de organisatie en hebben stemrecht inzake de politiek, de programma's en het budget van de ILO. Om sociale rechtvaardigheid te bereiken heeft de organisatie vier hoofddoelstellingen geformuleerd: - het bevorderen van het recht op werk; - het verbeteren van de kans om werk te krijgen en te behouden voor mannen en voor vrouwen; - het invoeren en uitbreiden van sociale zekerheid én - het bevorderen van sociale dialoog tussen werkgevers, werknemers en overheid. Door het aannemen van conventies en aanbevelingen werden en worden de verschillende doelstellingen in al dan niet bindende normen uitgeschreven. Daarvoor wordt ieder jaar in juni een Internationale Conferentie belegd in Genève. Conventies en aanbevelingen worden er met meerderheidsbesluiten vastgesteld. De aanwezigheid en de betrokkenheid van internationale vakbondsorganisaties bij de werking van de IAO is daarom cruciaal te noemen Ook het onderwijspersoneel valt onder de toepassing van vele conventies en aanbevelingen van de ILO. De onderwijsinternationales hebben daarom belang bij een kwalitatieve en representatieve aanwezigheid bij en in de ILO-initiatieven. Van meet af streefde het WVOP intense contacten na, niet in het minst met de diensten die zich bezighouden met de problemen van de intellectuele arbeiders,

83

de vorming en, uiteraard, met de relaties tussen de IAO en de nietgouvernementele organisaties, m.b. de werknemersorganisaties (ACTRAV). Voor het WVOP kreeg deze relatie een dubbele extra-dimensie. 1. Sinds 1972 vormde het samen met de INFEDOP en de overheidsbonden van de IVVV-familie een gemeenschappelijk front bij het IAB. Gedurende een aantal jaren een succesverhaal zoals wij kort toelichten in hoofdstuk 10. 2. Omwille van het feit dat de belangrijke Aanbeveling over de status van het onderwijspersoneel (5.10.1966) was uitgewerkt in samenwerking tussen de IAO en de UNESCO en door beide instanties geratificeerd, werd een gemeenschappelijke Expertencommissie opgericht, de CEART, om over de toepassing ervan te waken. Een directe betrokkenheid bij de werking van beide instanties in dit verband was voor het WVOP onontbeerlijk. Van 1998 af werd daar door de CEART ook de opvolging van de toepassing van de geëigende Aanbeveling over de status van het onderwijzend personeel in het hoger onderwijs (1997) verzekerd. (Over die aanbevelingen en de WVOP-betrokkenheid bij de verspreiding en de implementatie ervan, zie hoofdstuk 12 onder ‘Een sleuteldocument’). In het kader van het Gemeenschappelijk front was het WVOP betrokken bij de eerste (1971) en de tweede (1976) zitting van de Paritaire Commissie van het Openbaar Ambt en de initiatieven die in 1977 en 1978 de aanvaarding van de belangrijke conventie nr. 151 uit 1971 en de Aanbeveling 159, met betrekking tot de arbeid- en tewerkstellingsvoorwaarden in overheidsdienst en de disciplinaire maatregelen en procedures in deze sector, mogelijk maakten. Door de Internationale Arbeidsconferentie werden ze in 1978 goedgekeurd. De voortdurende druk die het Gemeenschappelijk Front uitoefende op de verschillende instanties van de IAO heeft ertoe geleid dat in 1981 voor het eerst een Paritair comité voor de onderwijssector werd georganiseerd. Het WVOP telde 3 leden in de 19-koppige delegatie van de onderwijsvakbeweging. In afspraak met de SPIE, die via de IVVV-meerderheid in de werknemersgroep van de IAOraad een sterke invloed kon doen gelden (en later met de EI) werd ook in latere Paritaire Comités voor de onderwijssector (van 1991 af circa om de drie jaar) een WVOP-afvaardiging in de werknemersdelegatie opgenomen. (Meer daarover in hoofdstuk 10 over de verhoudingen tussen de onderwijsinternationales). Sinds 1976 nam het WVOP – als enige vakinternationale van het WVA - elk jaar deel aan de Internationale Arbeidsconferentie van de IAO. Telkens vertolkte het in de plenaire zitting van de Conferentie zijn visie op het activiteitenprogramma en op de problematiek die aan de dagorde stond. Vanzelfsprekend werd aandacht gevraagd voor de prioriteiten die door de opeenvolgende WVOPcongressen werden vooropgesteld. Deze aanwezigheid bleef ver van onopgemerkt en opende diverse deuren om de WVOP-actie te helpen ondersteunen en bevorderen in alle continenten. Dat de werking van het WVOP ook door de betrokken instanties van de ILO werd geapprecieerd kan afgeleid worden uit het feit dat op elk WVOP-congres een vertegenwoordiger van de directeur-generaal van de ILO aanwezig was en er een officiële boodschap bracht. Bij diverse gelegenheden namen ILO-afgevaardigden ook actief deel aan de debatten. Dat was o.m. het geval op alle WVOPcongressen en op seminaries of regionale congressen in de onderscheiden

84

continenten. Om de organisatie ervan mogelijk te maken zorgde de ILO niet alleen voor logistieke maar vaak ook voor financiële ondersteuning. Het WVOP van zijn kant speelde consequent in op ILO-campagnes o.m. in verband met de implementatie van het programma ter bestrijding van de ergste vormen van kinderarbeid, zowel in Afrika als in Azië, rond sociale dialoog, onderwijskwaliteit en beroepsopleiding, het internationaal instrumentarium betreffende de leef- en arbeidsvoorwaarden van het onderwijspersoneel, … Naarmate de ILO samen met de UNESCO en ook met andere organisaties van de UN-familie gemeenschappelijke programma’s ontwikkelde - wat sinds het begin van jaren 90 geregeld het geval was, - werd de focus nog sterker gelegdt op de ontwikkelingen in het leraarschap. Thema’s als de basisopleiding en permanente vorming van het onderwijspersoneel, lerarentekorten, e.d. werden uitvoerig behandeld en in actieprogramma’s opgenomen. In opdracht van de ILO werden ook studies en onderzoeken uitgevoerd zoals o.m. over de rekrutering van leraren, de vervrouwelijking van het onderwijscorps, volwassenenvorming, het informele arbeidscircuit, …

De mondiale bewaker van de onderwijsontwikkelingen in de wereld: de UNESCO
De United Nations Educational, Scientific and Cultural Organization (UNESCO) is de gespecialiseerde organisatie van de Verenigde Naties die als opdracht meekreeg vrede en veiligheid te waarborgen door samenwerking tussen de verschillende lidstaten op het vlak van onderwijs, wetenschap, cultuur en communicatie. De UNESCO werd opgericht op 16 november 1945. Het hoofdkantoor staat in Parijs. Een opsomming maken van het ruime bevoegdheidpakket van deze instantie illustreert meteen de vele raakvlakken ervan met de opdrachten die een organisatie als het WVOP zich tot doel had gesteld: - Het ontwikkelen en bevorderen van universele principes en normen, gebaseerd op gemeenschappelijke waarden, om vragen of problemen die zich voordoen op het gebied van onderwijs, wetenschap, cultuur en communicatie het hoofd te bieden en om het algemene publieke goed te beschermen en te versterken. - Het bevorderen van pluralisme door middel van erkenning en behoud van verscheidenheid in respect voor de rechten van de mens. - Het bevorderen van de uitrusting voor en de deelname aan de kennissamenleving door gelijke toegangsmogelijkheden, capaciteitsontwikkeling en het delen van kennis. Alle programma's en overige activiteiten van de UNESCO dienen bovendien bij te dragen tot de uitroeiing van armoede, voornamelijk extreme armoede. - Ook het belang van ICT voor de ontwikkeling van onderwijs, wetenschap en cultuur en de uitbouw van de kennismaatschappij, specifiek in ontwikkelingslanden.

85

Van bij zijn oprichting verkreeg het WVOP ook bij de UNESCO een consultatief statuut, later verhoogd tot het adviserend niveau. Dit had tot gevolg dat het aantal uitnodigingen voor conferenties, colloquia, e.d. van de UNESCO exponentieel toenamen, zeker vanaf 1975. Die uitnodigingen betroffen zowel algemene als regionale initiatieven, wat zeker voor de WVOPvertegenwoordigers in de continenten hoogst belangrijk was. Het debat over het levenslang leren dat in de zeventiger jaren volop in de internationale actualiteit stond werd de aanleiding tot het opzetten van studies en het organiseren van debatten. In dat kader leverde het WVOP een nuttige bijdrage door de uitgave van een boek over ‘Mensenrechten en volwassenenvorming’ van de hand van prof. C. De Keyser uit Leuven, geschreven in opdracht van de UNESCO. In die periode ontmoette de UNESCO elk jaar ook de drie Internationale vakbondsconfederaties WVA, IVVV en WVV en de internationale coöperatieve alliantie om de algemene politiek en de belangrijkste activiteiten van de UNESCO onder de loupe te nemen. Het WVOP nam daar aan deel in de WVA-delegatie en wist op die manier een interessant netwerk van contacten uit te bouwen. Andere belangwekkende thema’s uit die periode: voorschools onderwijs; onderwijs en permanente vorming; regionale conferenties over mensenrechten in Colombo (Sri Lanka), Mexico, Sofia (Bulgarije), … Opvallend was de groeiende betrokkenheid van de niet-gouvernementele organisaties bij de werking van de UNESCO, vooral vanaf de tachtiger er jaren. Belangrijke NGO-samenkomsten volgden elkaar op, veelal ter voorbereiding van belangrijke Conferenties. Enkele voorbeelden: samenkomsten in relatie met het Internationaal Jaar van het Kind (1980); het secundair onderwijs (1986); het volwassenenonderwijs (Hamburg 1998); het beroepsonderwijs (Seoul 1999); de strijd tegen het analfabetisme; cultuur en ontwikkeling (vooral in de periode 1990-1994); de Millenniumagenda (New York 1999); de Wereldtop over de Informatiemaatschappij (2003); … Wat quasi alle voormelde initiatieven een extra dimensie gaf was het feit dat ze alhoewel meestal gestuurd door de UNESCO - gedragen werden door diverse organisaties van de familie van de Verenigde Naties samen. Dat vergrootte er ongetwijfeld de impact en de betekenis van. Sommige ‘interagency’-initiatieven kregen echter een uitzonderlijke betekenis omdat ze de agenda van de Verenigde Naties zelf sterk gingen beïnvloeden en niet in het minst ook deze van de instanties van Bretton Woods: de Wereldbank, het IMF en de Internationale Handelsorganisatie. In die context kregen vooral het Education for All-programma (EFA), gestart in 1990, de campagne ter bestrijding van de armoede, de promotie van de kinderrechten, e.d. een veel grotere impact. Het WVOP waakte er over dat zijn betrokkenheid bij al deze programma’s ook ten goede kwam aan de eigen leden. Die werden erover geïnformeerd en bij specifieke regionale samenkomsten in dat verband betrokken. Congresbesluiten i.v.m. de internationale agenda vertolkten de mening van het onderwijsveld en lagen aan de basis van de stellingnamen die het WVOP op het internationale forum namens zijn leden vertolkte. De actieve betrokkenheid van het WVOP bij de werking van het Verbindingscomité van de NGO’s bij de UNESCO resulteerde in twee opeenvolgende mandaten van de WVOP-vertegenwoordiger in dit comité. Meteen een bewijs dat de inbreng van de organisatie ook in dat midden erg werd

86

geapprecieerd. Bij debatten over ‘sustainable development’, mensenrechten, armoede, vredescultuur, hoger onderwijs, commercialisering, … liet het WVOP er zich ver van onbetuigd. Vanzelfsprekend nam het WVOP ook telkens deel aan de werkzaamheden van de tweejaarlijkse Algemene Conferentie van de UNESCO en voerde er het woord tijdens de plenaire vergadering en tijdens de Commissie Onderwijs van de Algemene Conferentie. Op elk WVOP-congres werd de UNESCO door een afgevaardigde van de directeur-generaal vertegenwoordigd. Die bracht een boodschap aan het congres en nam deel aan sommige debatten. Het WVOP heeft ook actief deelgenomen aan de Education for all -strategie. Eerst tijdens de Jomtien-conferentie in 1990 en de activiteiten in het daarop volgend decennium, maar zeker ook tijdens de Wereldforum voor Onderwijs in Dakar (2000) en in het daarna opgezette opvolgingsmechanisme. In de loop van 1995 bereidde het WVOP, in opdracht van de UNESCO , een monografie voor over de bijdrage van het onderwijs en de leraren voor de realisatie van een verdraagzame samenleving in Zuid-Afrika. Het WVOP mocht daartoe rekenen op de medewerking van diverse Zuidafrikaanse lerarenorganisaties en van de SACE (South African Council of Educators). Naar aanleiding van de presentatie van deze monografie werd ook een seminarie georganiseerd dat er toe bijgedragen heeft om de aanwezigheid van het WVOP in Zuidelijk Afrika aanzienlijk te versterken. Daarover meer in hoofdstuk 4.

Het Internationaal Onderwijsbureau van de UNESCO
Van 1969 af is het International Onderwijsbureau (IOB/BIE/IBE) volwaardig deel gaan uitmaken van de UNESCO. Het bestond al veel langer. In 1925 werd het opgericht als een niet-gouvernementele organisatie om de documentatie over het openbaar en het privéonderwijs samen te brengen, wetenschappelijk onderzoek te doen en een coördinatie- en documentatiecentrum te worden voor instanties en verenigingen die zich aan het onderwijs interesseerden. Bekende pedagogen als Claparède en Ferrière behoorden tot de initiatiefnemers. Vanaf 1929 werden ook regeringsinstanties in de organisatie opgenomen. Op die manier werd het BIE de eerste intergouvernementele organisatie voor de onderwijssector. In 1929 werd Jean Piaget er de directeur van. Hij zou dat 40 jaar lang blijven. Vanaf 1934 organiseerde het BIE de Internationale Onderwijsconferentie. Sinds 1945 gebeurde dat mede onder de auspiciën van de UNESCO. Zoals hiervoor vermeld is het sinds 1969 een van de gespecialiseerde diensten van de UNESCO zelf geworden. Van 1975 af werkte het WVOP, op verzoek van de UNESCO, samen met de drie andere onderwijsinternationales (SPIE, WCOTP en FISE) telkens een voorbereidende studie uit voor de Internationale Onderwijsconferenties die om de twee jaar werden georganiseerd. In die periode waren deze conferenties bijzonder invloedrijk voor het onderwijsbeleid in vele landen. Een erkende aanwezigheid van de vertegenwoordigers van de georganiseerde leerkrachten viel dus niet te onderschatten. De thema’s die besproken werden illustreren dat belang. In 1975 stond de opleiding van de leerkrachten geagendeerd. In 1977 de uitwisseling van informatie over de verbetering van de onderwijssystemen. In 1979 de efficiëntie van het onderwijsbeleid in relatie met het recht op onderwijs

87

voor allen. In 1981 de interactie tussen onderwijs en productief werk. In latere jaren zwakte de betekenis van die conferenties wel enigszins af naarmate andere internationale en regionale spelers een grotere rol gingen opeisen. Ook de samenwerking tussen de internationales geraakte geleidelijk in de verdrukking. Het vertroebelde politieke koude oorlogklimaat liet ook in dat verband sporen na. Anderzijds kwam de rivaliteit tussen de internationales, niet in het minst tussen de SPIE en de CMOPE, op scherp te staan. In de crisisjaren van het EVO (1980-81) benaderden het WVOP en de CMOPE samen het BIE waardoor de samenwerking nog werd bevestigd in een periode dat de autonomie van het BIE in UNESCO-kringen niet langer als een vanzelfsprekendheid werd ervaren. Niettemin bleef het BIE ook in de daarop volgende jaren eigen wegen verkennen die wel in de programmatie van de UNESCO gekaderd bleven. Het WVOP bleef de werkzaamheden van de Internationale Onderwijsconferenties van nabij opvolgen en, voor zover dat nog mogelijk was ook in samenwerking met de andere internationales, met standpunten en beleidsnota’s verrijken. Ook in deze context betekenden de implosie van het Sovjetblok vanaf 1989 en de oprichting van de EI in 1993 belangrijke keerpunten. Het WVOP heeft jarenlang een uitstekende relatie onderhouden met het BIE. Bij de jaarlijkse agendabesprekingen in Genève stond steeds een ontmoeting op het bureau van het BIE geprogrammeerd. In 1980 vergaderde het Wereldbestuur nog in het voormalige gebouw van de Volkenbond waar de BIE toen nog huisde. Bij die gelegenheid ontving het WVOP de erepenning van de BIE uit erkentelijkheid voor zijn inzet en voor zijn doeltreffende medewerking om de objectieven van het BIE te helpen realiseren. (Een paar jaar later werd het historische pand, aan het meer van Genève, helaas, door brand vernield en nam de BIE zijn intrek in een modern kantoorgebouw in de internationale wijk).

Het Trade Union Advisory Committee (TUAC) van de OESO
In het kader van het herstelprogramma voor Europa – het Marshall-plan – werd in 1948 ook de TUAC (Trade Union Advisory Committee) opgericht. Wanneer in 1962 de OESO (Organisatie voor Economische samenwerking en ontwikkeling) in zijn huidige vorm als intergouvernementele organisatie tot stand kwam bleef de TUAC zijn rol als vertegenwoordiger van de syndicale wereld opnemen. Oorspronkelijk behoorden naast de USA, Canada en Japan alleen Westeuropese industrielanden tot de club. De TUAC groepeert 58 aangesloten vakbondsconfederaties in 30 geïndustrialiseerde landen en vertegenwoordigt circa 60 miljoen werknemers. Vandaag is de OESO bij uitstek het invloedrijke intergouvernementele forum geworden voor de opvolging van de mondialisering. De TUAC moet er over waken dat de sociale dimensie van de ontwikkelingen die er mee gepaard gaan, niet uit het oog worden verloren. Via regelmatige contacten met de raadgevende comités van de OESO en met de lidstaten, coördineert en vertegenwoordigt de TUAC de opinie van de syndicale organisaties van de industrielanden en bepaalt hij ook de standpunten die namens de werknemersorganisaties worden ingenomen op de jaarlijkse top van de G8 en op de tewerkstellingsconferenties.

88

Binnen de TUAC functioneerde van meet af een onderwijscomité dat tweemaal per jaar vergadert. Daarin komen zowel het onderwijsbeleid van de betrokken landen, als de sociale en economische impact van onderwijs en de levensomstandigheden van het onderwijspersoneel ter sprake. Vooral het onderzoeksinstituut van de OESO, m.n. de CERI, speelt daarbij een oriënterende en inspirerende rol. Het staat in voor talrijke gezaghebbende publicaties. Het WVOP heeft steeds de werkzaamheden van deze commissie van nabij opgevolgd, enerzijds als rechtstreeks vertegenwoordiger van het WVA - dat van bij de start als internationale partner was erkend - als via de nationale confederaties van de lidstaten die er in zetelen. Vanzelfsprekend kregen de leden van het WVOP voor hun vertegenwoordiging de logistieke steun en begeleiding van het WVOP, zelf ook als partner erkend en gewaardeerd. In de loop der jaren kwamen een grote diversiteit van thema’s aan de orde die de relatie onderwijs en economische ontwikkeling als voornaamste invalshoek hebben. De impact van de OESO op het onderwijsbeleid van de lidstaten kan moeilijk onderschat worden. De standpunten van deze organisatie zijn immers de toetsstenen waarop het beleid van de lidstaten wordt afgestemd en waarop het wordt geëvalueerd. Het PISA-onderzoek en de gezaghebbende jaarlijkse publicatie van ‘Education at a Glance’ zijn daar mooie illustraties van. Maar ook programma’s als o.m. ‘Preparing for the 21th Century’ (1977), ‘Training for Tomorrow’ (2000), ‘Early Childhood Education’ (2001), ‘Attracking, Developing and Retaining Effective Teachers’ (2003) waren spraakmakend en beleidsbepalend. Ook al heeft de Europese Unie geleidelijk aan een grotere invloed op het onderwijs van de lidstaten verkregen, toch blijft de OESO voor vele bewindslieden de belangrijkste referentie voor alle aspecten die rechtstreeks of onrechtstreeks verband houden met de relatie onderwijs en economische ontwikkeling. In tijden van mondialisering en vermarkting een niet te onderschatten realiteit. De jongste decennia is er inzake onderwijs overigens in toenemende mate een samenwerking gegroeid tussen de OESO, de EU, de UNESCO en de IAO, wat de inhoud en de draagwijdte van hun stellingnamen uiteraard nog een groter gewicht verschaft. Vanuit het standpunt van de onderwijsinternationales waren en zijn de OESOinitiatieven in relatie met het leraarschap van bijzonder groot belang gebleken. Vaak controversieel en te sterk op economische parameters georiënteerd, bezorgden ze toch een rijke documentatie en vernieuwende inzichten waar men nuttig kon naar refereren bij het innemen van zijn standpunten en zijn argumentaties voor het sociaal overleg in de nationale context.

De Europese Unie
De Europese integratie is begonnen om een eind te stellen aan de talrijke en bloedige oorlogen tussen buurlanden, die hun hoogtepunt kenden in de Tweede Wereldoorlog. Sinds 1950 verenigden Europese landen zich economisch en politiek in de EGKS (Europese Gemeenschap voor kolen en staal) om te zorgen voor een blijvende vrede. De zes oprichtende landen waren: België, Duitsland, Frankrijk, Italië, Luxemburg en Nederland. In 1957 werd ook de EEG (Europese

89

Economische Gemeenschap), of de ‘gemeenschappelijke markt’ opgericht door het Verdrag van Rome. Wat onderwijs en vorming betreffen bevatte dit Verdrag slechts weinig referenties. Alleen de beroepsopleiding en het onderwijs aan kinderen van migrerende arbeiders werden er in vermeld. Europese scholen, in de eerste plaats bedoeld voor de kinderen van de Europese ambtenaren, zagen het daglicht. Het onderwijs en de lerarenorganisaties volgden de Europese ontwikkelingen met een kritische maar positieve belangstelling. Onderwijsvakbonden hadden extra aandacht voor de consequenties ervan voor het statuut en de arbeidsvoorwaarden van de leraren, zeker van hen die, al dan niet tijdelijk, in een ander land dan hun vaderland gingen fungeren. Maar geleidelijk nam de belangstelling voor onderwijs en vorming in de Gemeenschap toe. In 1971 vergaderden de onderwijsministers van de lidstaten voor het eerst. In 1974 legden zij de principes vast waarop zij hun samenwerking wilden uitbouwen en in 1976 werd een eerste communautair actieprogramma inzake onderwijs op het getouw gezet. In de eerste jaren na zijn oprichting, 1970-1975, heeft het WVOP intensieve contacten onderhouden met de relevante algemene directies van de Europese Gemeenschap. Dat resulteerde in informatieve vergaderingen, colloquia en symposia. Naarmate de samenwerking in het EVO, opgericht in 1975, meer vorm en inhoud kreeg werd dit het aangewezen kanaal voor de rechtstreekse contacten met de Commissie en de diensten in Brussel. De betrokkenheid en/of verantwoordelijkheid van WVOP-afgevaardigden in de EVO- beleidsstructuren had als vanzelfsprekend gevolg dat de ontwikkelingen in Europa tijdens de Europese vergaderingen van het WVOP ook actief bleven opgevolgd worden. De geschiedenis van het EVO werd in 2007 te boek gesteld onder de titel ‘A Voice for European Teachers’, ’La voix des enseignants européens’. Voormalige WVOP-verantwoordelijken hadden een ruim aandeel in de redactie ervan. Wie geïnteresseerd is in de ontwikkelingen in het Europees onderwijsbeleid en in het EVO zelf verwijzen wij graag naar die uitgave. De rol van het WVOP in het EVO belichten wij echter in een apart hoofdstuk 11.

De Raad van Europa
De Raad van Europa is een organisatie waar 47 Europese landen lid van zijn. Er zijn ook 5 landen die de status van waarnemer hebben. De Raad van Europa zetelt in Straatsburg. Hij werd op 5 mei 1949 opgericht door het Verdrag van Londen. Het doel van de Raad is de bevordering van een grotere Europese eenheid, met meer aandacht voor de (pluriforme) democratie, de principes van de rechtsstaat en de rechten van de mens. Verder bevordert de Raad de economie en de sociale vooruitgang. Van 1976 af werd door het WVOP ook met de Raad van Europa een rechtstreekse relatie gerealiseerd. Dat resulteerde meteen in aanwezigheid op belangrijke conferenties over de ontwikkeling van democratische instellingen in Europa en over onderwijs in de mensenrechten. Vruchtbare contacten ter

90

gelegenheid van conferenties i.v.m. voorschools onderwijs en onderwijs aan kinderen van migrerende werknemers volgden. Door het verkrijgen van het consultatief statuut bij de Raad van Europa werd de betrokkenheid van het WVOP bij die colloquia, conferenties e.d. steeds intenser. Werkvergaderingen van het Europees comité van het WVOP in het Europees parlement versterkten de aandacht voor de werking van de Raad van Europa en resulteerden in een beter inzicht in de werking van deze intergouvernementele organisatie. Ook de contacten met het departement Mensenrechten waren zeer nuttig. Zeker in de periode dat, na de implosie van het Sovjet-imperium, de landen van Oost- en Centraal-Europa lidmaatschap bij de Raad van Europa betrachtten. Het WVOP heeft die relatie met de Raad van Europa jarenlang kunnen uitbouwen en valoriseren omdat de CMOPE en zijn deelorganisaties FIAI en FIPESO, maar in mindere mate ook de SPIE, ondanks het bestaan het van het gemeenschappelijke EVO, hun autonome positie bij de Raad van Europa wensten te behouden. Het EVO, als vertegenwoordiger van alle lidorganisaties, kwam pas in de negentiger jaren aan bod, specifiek na de fusie van de SPIE en de CMOPE in 1993. In de periode tussen 1993 en de integratie van WVOP in EI bleven de inzet van het WVOP binnen het EVO en de goede samenwerking tussen WVOP en EVO ook betekenisvol in de Raad van Europa. Ook omdat de EI, met uitzondering van een paar schuchtere pogingen, niet zichtbaar was binnen de Raad van Europa. Onderwijs en democratie, onderwijs voor migranten en roma-kinderen, multiperspectieve benadering van geschiedenis in het onderwijs, onderwijs en interculturele dialoog, … zijn thema’s waar WVOP in samenwerkiing met EVO actief aan meewerkte.

De ‘familie’ van de Verenigde Naties: WB, IMF, UNICEF, UNDP, FAO, ECOSOC, WHO, …
In de schoot van de UNO (Organisatie van de Verenigde Naties) zijn naast de ILO en de UNESCO, waarover wij hiervoor reeds handelden, nog aan aantal andere instanties die voor de ontwikkelingen in het onderwijs en in het leraarschap van een vaak verstrekkend belang zijn. Met elk van hen een systematische samenwerking uitbouwen viel buiten de logistieke en financiële mogelijkheden van het WVOP. Zelfs het WVA slaagde daar nauwelijks in. Het inschakelingen van een halftijdse medewerker voor regelmatige contacten in New York en Washington, waar hun hoofdzetels gehuisvest zijn, leverde slechts een beperkt resultaat op. Een voltijdse aanwezigheid en een systematische betrokkenheid bleken te hoog gegrepen. Nuttiger en efficiënter waren wel de jaarlijkse ontmoetingen van een WVAdelegatie met de topverantwoordelijken van de Wereldbank en het IMF. Het WVOP probeerde ook bij deze contacten zijn voordeel te doen. Naar mogelijkheid werden echter ook rechtstreekse contacten onderhouden. Zo hadden er zowel in 1987, in 1999 als in 2000, in Washington en New York, programmagesprekken plaats tussen een WVOP-afgevaardigde en diverse topverantwoordelijken en programmadirecteurs van de Wereldbank, het IMF, UNICEF, UNDP, ECOSOC en FAO. Contacten t.g.v. de interagency-programma’s, waarover wij het hiervoor al even hadden, waren telkens uitstekende gelegenheden om diverse verantwoordelijken te ontmoeten en afspraken te maken. Waarom waren die contacten niet alleen nuttig maar zelfs nodig?

91

Waarom vooral met de Wereldbank en het IMF? De Wereldbank is een organisatie die na de Tweede Wereldoorlog (27 december 1945) werd opgericht. Het is een internationale organisatie die leningen, giften en technische ondersteuning biedt om ontwikkelingslanden te helpen hun armoedebestrijdingspannen uit te voeren. De financiële steun van de Wereldbank kan worden gebruikt voor veel verschillende zaken, van structurele hervormingen van de gezondheid- en onderwijssector van een land, tot milieu en infrastructuur projecten zoals dammen, wegen en nationale parken. Daarbij stelt de Wereldbank echter stringente eisen aan haar cliënten: zogenaamde structurele aanpassingen worden vereist, waaronder anti-corruptiemaatregelen en een vergaande privatisering van overheidsdiensten. Ook het IMF (Internationaal Monetair Fonds) werd in 1944 opgericht te Bretton Woods (VS) en is gevestigd in Washington. Het houdt zich bezig met het internationale toezicht op het economische beleid van zijn lidstaten. Via jaarlijkse consultaties gaat het IMF na of het economische beleid van de lidstaten verenigbaar is met hun verplichting om stabiele wisselkoersverhoudingen tot stand te brengen. Recenter werkte het Fonds aan het betrekken van de particuliere sector bij het oplossen van de financiële crises en de hervorming van de structuur van het internationaal monetair en financieel stelsel. Vooral met die structurele aanpassingsprogramma’s van de Wereldbank en de hervormingsverplichtingen opgelegd door het IMF kreeg de onderwijssector in de meeste ontwikkelingslanden het zeer hard te verduren. De WVOP-congressen van Caracas en Dakar stonden daarom ook in grote mate in het teken van de desastreuze impact van voornoemde instanties op het gevoerde beleid. Precies over deze problemen ging het WVOP het debat aan met de verantwoordelijken van beide instanties. Op elk WVOP-congres waren zij vertegenwoordigd en kregen er regelmatig bakken kritiek te slikken. De impact van de Amerikaanse beleidsvoering op het gebied van onderwijs op deze instellingen was bijzonder groot. Dat kwam o.m. sterk tot uiting tijdens een seminarie dat de Wereldbank in Washington voor Afrikaanse vakbondsleiders organiseerde in 1987 rond ‘Costs and Effectiveness of Teachers’. De WVOPafgevaardigde liet niet na daar scherp op te reageren en trok met die boodschap ook naar het Labour Department en het State Department van de VS. Het laatste decennium is de houding van de WB en het IMF gelukkig al heel wat bijgestuurd. In het programma tot armoedebestrijding werden de scherpste hoeken afgerond en werd voor het onderwijs en de leraren een meer realistische aanpak bepleit. UNICEF (United Nations Children's Fund; tot 1953) is een organisatie binnen de Verenigde Naties die zich inzet voor het welzijn van kinderen, onder andere via de Universele Verklaring van de Rechten van het kind. Op allerlei manieren tracht ze de levensomstandigheden van kinderen in arme en onderontwikkelde gebieden te verbeteren om ze een betere toekomst te geven. Dit kan door medische hulp, voedselhulp, onderwijs, noodopvang. In veel projecten wordt samengewerkt met de lokale overheid, non-gouvernementele- of privéorganisaties. Omwille van de sterke betrokkenheid van UNICEF bij het EFA-

92

programma, het Global Forum for Education in 2000, de New Global Agenda for Children in 2001, de Childrens Summit in 2002, … was samenwerking met deze organisatie voor het WVOP aangewezen, specifiek in het kader van regionale en nationale initiatieven. Hetzelfde kan worden vermeld voor het ontwikkelingsfonds van de Verenigde Naties, het UNDP. Ter gelegenheid van het Millenniumforum voor de NGO’s in 1999, dat doorging op de hoofdzetel van de UNO in New York, heeft het WVOP zijn contacten met diverse andere NGO’s bijgestuurd. Met sommige ervan (Amnesty International, Oxfam, e.a.) waren er, zeker in Europa, eerder contacten en afspraken geweest, niet in het minst t.g.v. UNESCO-vergaderingen op diverse niveaus. Het Forum van 1999 bood de mogelijkheid die contacten te vernieuwen en uit te breiden tot andere NGO’s, wat vooral resulteerde in afspraken voor nationale en regionale WVOP-leden. OOO Het WVOP heeft gedurende heel zijn bestaan een bijdrage willen leveren tot de uitbouw van een brede internationale samenwerking met en in de intergouvernementele instanties en met de partners van de NGO’s. Alle financiële en organisatorische beperkingen ten spijt mag het resultaat van die inzet globaal succesvol worden genoemd.

Hoofdstuk 10

93

Het WVOP en de andere onderwijsinternationales

Een onthullende brief
In een brief aan WVOP-voorzitter Theo Knippen, dd. 21.01.1972, doet secretarisgeneraal Jos Vandecruys relaas over zijn contacten met de secretaris-generaal van de SPIE, André Braconnier. Wordt het niet hoog tijd om formeel overleg over samenwerking te beginnen tussen WVOP en SPIE, vroeg hij zich af. Op het wereldvlak roeren de FISE en de CMOPE de grote trom. WVOP en SPIE echter zijn afzonderlijk te zwak om veel invloed te kunnen uitoefenen op de loop der gebeurtenissen. Er zijn diverse supranationale organisaties die steeds meer initiatieven ontwikkelen, waar wij zouden moeten kunnen bij aanwezig zijn. En dit zowel op het wereldvlak als op het continentale vlak. Bij gebrek aan voldoende middelen en inzetbare mensen lukt ons dat niet. Sporadisch zijn er natuurlijk standpunten die tegen dergelijke samenwerking kunnen worden opgeworpen. Maar buiten het kader van de ideologische opvattingen - die m.i. nog heel weinig verschillen en waarover altijd een akkoord kan worden bereikt - hebben wij o.m. nagegaan op welke punten samenwerking mogelijk is, aldus Vandecruys. In de statuten van de SPIE staat een beschikking die een dubbele aansluiting bij beide mogelijk maakt (SPIE en WVOP), evenwel niet voor organisaties van de CMOPE en de FISE. De SPIE zou verder willen gaan en ev. vastleggen dat de dubbele aansluiting in beide organisaties zelfs effectief wordt mits betaling van een bijdrage aan de prioritaire of originele organisatie waarbij men is aangesloten. Dat veronderstelt wel dat de bijdragen geharmoniseerd zouden worden. Overwogen kan worden een gemeenschappelijk informatieblad uit te geven waarvoor een gemeenschappelijke redactieraad zou bevoegd zijn. Technische samenwerking op diverse terreinen is dan ook vanzelfsprekend. Waarom geen gemeenschappelijke secretaris in Azië en Afrika en de organisatie van seminaries op 50/50 basis? Het betreft natuurlijk losse ideeën, besloot Vandecruys, ideeën die tijdens een eerste informeel gesprek wel zouden kunnen aan bod komen. Vooraf dient er intern overlegd te worden vooraleer dergelijke stap te zetten. In de archieven is geen spoor meer terug te vinden van enige directe opvolging aan deze brief. Wat is er mee gebeurd? Wij kunnen alleen vaststellen dat, niet lang daarna, Theo Knippen zijn mandaat van WVOP-voorzitter neerlegde en volop voor het voorzitterschap van de UMEC, een professionele organisatie van louter katholieke obediëntie, ging. Uit het voorgaande mag duidelijk blijken dat, twee jaar na zijn oprichting, verantwoordelijken van het WVOP al stelden dat ze zich niet wensten op te sluiten in een ‘eigen groot gelijk’, maar integendeel open stonden voor een samenwerking met organisaties van verschillende strekking en opvatting, in een breder verband. De houding van Knippen lijkt een perfecte illustratie van de

94

realiteit dat niet iedereen in het WVOP dergelijk samengaan zou toejuichen. Wie de man heeft gekend weet dat dit een heel plausibele interpretatie van de feiten is. Maar latere ervaringen leerden evenzeer dat niet iedereen in de SPIE stond te springen om zich met wat zij - tegen beter weten in - als ‘de christenen’ bleven bestempelen, te gaan verenigen in een gemeenschappelijke structuur. Toch is de zinvolheid van een nauwe samenwerking en zelfs van een structurele eenheid met collega’s van andere origine en met fundamenteel andere opvattingen, in de WVOP-rangen nooit betwist geworden. Dat kan gemakkelijk worden aangetoond door te verwijzen naar initiatieven die het WVOP, in de verschillende fasen van zijn bestaan, heeft genomen of ondersteund om wereldwijd tot een eenheid van actie in het onderwijssyndicalisme te komen. In dit hoofdstuk willen wij dat kort illustreren.

Met de SPIE als partner
In 1973 werden tussen het WVOP en het Internationaal Beroepssecretariaat voor het onderwijs (SPIE) gesprekken opgestart die twee jaar later, in 1975, zouden uitmonden in de oprichting van het EVO. (Ondertussen was - na het ontslag van Cumerlato, die Jos Vandecruys verving - Coen Damen van juni 1972 af als secretaris-generaal van het WVOP aangesteld). Dat het WVOP zich volop engageerde om dit comité tot een gezaghebbend instrument van de aangesloten organisaties te maken voor de beïnvloeding van het Europees beleid, lichten wij in hoofdstuk 11 toe. Structurele en organisatorische moeilijkheden die zich tijdens de crisisjaren 1978 -1983 in de schoot van het EVO hebben voorgedaan, en waarbij het WVOP en de SPIE niet op dezelfde golflengte speelden, hebben niet verhinderd dat nadien opnieuw constructief werd samengewerkt. Zolang de SPIE als autonome organisatie opereerde werden statutaire aanpassingen en belangrijke beleidsbeslissingen o.m. in relatie met het EVV, steeds vooraf consequent samen overlegd. Sinds 1972 werkten het WVOP en de SPIE met andere internationale beroepsfederaties samen in een Gemeenschappelijk Front (GF). Daar maakten, naast het WVOP en de SPIE, ook volgende internationale vakinternationales van overheidsdiensten deel van uit: de Internationale van Post, Telegraaf, Telefoon (IPTT), de Internationale van overheidsdiensten (PSI), beide behorend tot de IVVV-familie en van WVA-zijde de Internationale Federatie van Overheidspersoneel (INFEDOP). Dit Gemeenschappelijk Front vertegenwoordigde de werknemers van genoemde sectoren op een zo efficiënt mogelijk manier bij de IAO-instanties. Die samenwerking heeft overduidelijk de activiteiten van de IAO voor het openbaar ambt sterk kunnen beïnvloeden, wat o.m. leidde tot de realisatie van belangrijke internationale instrumenten als de Conventie 171 en de Aanbeveling 159 betreffende de arbeid- en tewerkstellingsvoorwaarden in overheidsdienst en de disciplinaire maatregelen en procedures in deze sector. Het GF heeft ook kunnen doordrukken dat voor het onderwijs, van 1981 af - zij het met grote intervals – samenkomsten van een geëigend paritair comité mogelijk werden. De SPIE heeft voor elk paritair comité dat nadien werd samengeroepen, in afspraak met de dominerende IVVV-delegatie in het ILO-raad, er over gewaakt dat het WVOP met een representatieve delegatie deel uitmaakte van de werknemersdelegatie. De rol van Coen Damen, de toenmalige secretaris-generaal van het WVOP, mag in relatie met het GF, niet onderschat worden. Hij was ongetwijfeld een bindende

95

factor in dit verband. Het hoeft dan ook niet te verbazen dat zijn overgang naar de ILO-dienst voor de relaties met de werknemers, in december 1986, algemeen positief werd begroet. De vriendschapsbanden die in de beste jaren van samenwerking in het GF waren gesmeed, bleven nog vele jaren nadien hun vruchten afwerpen. De geleidelijk aan moeilijker wordende verhoudingen tussen PSI en INFEDOP, omwille van fundamentele meningsverschillen op het Europees niveau, hebben ook de betekenis van het GF doen verwateren. De samenwerking tussen de SPIE en het WVOP werden daar de eerste jaren niet direct door geraakt. De constructieve samenwerking in het gemeenschappelijk Europees vakbondscomité, het EVO, mag daarvoor getuigen. Met de CMOPE als partner. In hoofdstuk 11 hebben wij er op gewezen dat het WVOP steeds de integratie van de syndicale lidorganisaties van de CMOPE in het EVO genegen was. Meer, toen in 1979, door de onwil van sommigen - waarbij overigens een belangrijk lid van de CMOPE zelf - de poort van het EVO voor hen gesloten bleef, was het het WVOP dat door zijn consequente houding die integratie een paar jaar later toch mogelijk hielp maken. In die periode 1978-1983 werden er regelmatige contactvergaderingen belegd in Morges (Zwitserland), waar de CMOPE zijn hoofdkwartier had, of in Brussel. Meestal bilateraal, soms ook samen met een delegatie van de SPIE naargelang er vooruitgang was geboekt tijdens het gemeenschappelijk overleg. Toen de SPIE zijn betrokkenheid bij het EVO voor een tijd opschortte, in een periode dat in de EG belangrijke initiatieven inzake onderwijsbeleid opstartten, hebben het WVOP en de CMOPE een sterke inhoudelijke samenwerking gekend die haar vruchten heeft afgeworpen voor de uitbouw van een doeltreffende samenwerking met de diensten van de Europese Commissie. Uit de standpunten van beide organisaties werden gemeenschappelijke teksten gedistilleerd die het EVO als beleidsdocument kon inbrengen in het Europese debat. Toen de vrede in het EVO hersteld was is dat document de referentietekst gebleven waarop het comité zich kon steunen tot de Algemene Vergadering nieuwe of aanvullende standpunten had goedgekeurd over de thema’s die er werden in behandeld. ooo Voor een goed begrip van het voorgaande en van wat nog volgt past het hier een parenthesis in te schuiven, omdat de moeilijke relatie tussen de SPIE en de CMOPE, zowel in het vermelde EVO-dispuut als voor andere dossiers, niet zonder gevolgen bleef voor de samenwerking die het WVOP met elk van hen of met hen beide samen kende. De SPIE zette na de tweede wereldoorlog de syndicale traditie verder van de vakbondscomités die voor onderwijssector al voor de 2 de wereldoorlog bestonden. (Meer daarover o.m. in de eerste hoofdstukken van ‘La voix des enseignants européens/A voice for European Teachers, een EVO-uitgave uit 2007). De CMOPE groepeerde voornamelijk twee reeds veel langer bestaande professionele organisaties: de FIAI (Fédération Internationale des associations d’instituteurs) (lager onderwijs) en de FIPESO, (Fédération internationale des professeurs de l’enseignement secondaire) (sec. onderwijs). Die bleven binnen de CMOPE jarenlang een ruime autonomie behouden, wat soms tot gevolg had, dat, naargelang de internationale instanties waarmee werd samengewerkt, twee of

96

drie delegaties CMOPE-leden vertegenwoordigden. Omdat het onderwijspersoneel op het internationale vlak in overwegende mate eerst en vooral professionele aspiraties formuleerde kende de CMOPE en haar deelorganisaties een grote bijval. Ook organisaties die zowel syndicaal als professioneel opereerden waren er bij aangesloten. De SPIE ondernam heel wat pogingen om die uit de invloedssfeer van de CMOPE los te weken. Heel lang tevergeefs. Dat verklaarde de wederzijdse gevoeligheden. In de ogen van de SPIE was de CMOPE een corporatistische organisatie die dus niet aan de vakbondstafel kon worden genodigd. Bij de ILO en bij de OESO/TUAC verhinderde de SPIE dat de CMOPE er aan de bak kwam. De CMOPE domineerde het debat bij de UNESCO. Deze situatie veroorzaakte geregeld spanningen tussen de twee, waarbij het WVOP zich neutraal en, waar mogelijk, verzoenend opstelde door met de twee werkzame relaties op te bouwen. Wat de zaak nog moeilijker maakte was dat bij de CMOPE ook organisaties waren aangesloten die van communistische strekking waren en dit zowel in WestEuropa (Frankrijk, Spanje, Portugal, Italië,…) als in een paar Centraaleuropese landen (Hongarije, Joegoslavië, …). In de mate dat zij rechtstreeks of op basis van samenwerkingsakkoorden ook bij de FISE (Féderation internationale des syndicats de l’enseignement) thuis hoorden kwam dit neer op een regelrechte oorlogsverklaring. De SPIE, zoals het IVVV, had over die organisaties, om historische en ideologische redenen, een banvloek uitgesproken. Toen sommige van hen later hun aansluiting bij het EVO vroegen botsten zij jarenlang op een EVV-veto dat ook het EVO bond. oooo

Met vier samen.
De hiervoor geschetste situatie heeft niet belet dat, specifiek in de periode 1970 – 1986, initiatieven mogelijk werden waaraan, naast de SPIE, de CMOPE en het WVOP, ook de FISE deelnam. De FISE was de internationale van communistische obediëntie die o.m. alle partij- en staatsgebonden vakbonden uit de totalitaire regimes groepeerde. De directe aanleiding was een uitnodiging van het Internationaal onderwijsbureau (BIE) van de UNESCO om, ter gelegenheid van de tweejaarlijkse Internationale Onderwijsconferenties, een gezamenlijk beleidsstandpunt van de vier neer te leggen als conferentiedocument. Voor een aantal opeenvolgende conferenties is men daar ook in geslaagd. Experten van de vier kwamen daartoe een paar keer samen en maakten de nodige afspraken om een gemeenschappelijke tekst uit te schrijven, waar elke organisatie kon achter staan. In 1976 werd er, op uitnodiging van de Deense organisaties, in Kopenhagen, zelfs een gemeenschappelijk symposium “Oost-West” georganiseerd over de lerarenopleiding in al haar aspecten. Namens het WVOP hield Jacques George van de SGEN-CFDT en technisch secretaris van het WVOP er een opgemerkt referaat over nascholing en permanente vorming. Alles was keurig georchestreerd om botsingen te vermijden. Naast de afgesproken referaten, namens elk van de vier, werden er vooral grote verklaringen afgelegd over vrede, vriendschap en samenwerking en maakte iedere organisatie van de gelegenheid gebruik om zich langs haar beste zijde aan de andere te presenteren. Het geheel verliep nogal stroef en academisch, maar het was toch een opmerkelijke prestatie om, in volle koudeoorlogstijd, afgevaardigden van politiek en

97

maatschappelijk erg tegengestelde regimes samen te brengen rond een gemeenschappelijk thema. Het WVOP heeft nooit nagelaten de collega’s van de FISE te ontmoeten ter gelegenheid van internationale evenementen waarop zij ook aanwezig waren. Dit was overwegend het geval in UNESCO-verband. Ter gelegenheid van de WVOPcongressen werd de FISE, zoals overigens de andere onderwijsinternationales, telkens uitgenodigd om een afgevaardigde te sturen. Het WVOP beantwoordde op zijn beurt ook altijd de uitnodiging van de anderen om aan hun congressen deel te nemen. In maart 1986 kwamen de uitvoerende bureaus van de vier onderwijsinternationales: SPIE, CMOPE, FISE en WVOP, samen in Brussel om mekaars standpunten beter te leren kennen. Aan die samenkomst waren gesprekken o.m. in het toenmalige Oost-Berlijn vooraf gegaan. Het was het WVOP dat als gastheer voor die ontmoeting in Brussel optrad. Ook al lag het niet in de bedoeling verder te gaan dan een wederzijdse informatie, toch was deze samenkomst niet vrijblijvend. De contacten die bij die gelegenheid werden gelegd hebben nadien, ook voor het WVOP, nog vruchten afgeworpen toen, een paar jaar later, na de ontmanteling van het Oostblok, de syndicale kaart in het onderwijs grondig werd hertekend en de FISE quasi al haar Europese leden verloor.

Met de OISTES/ IOESWU
Toen ook de USSR implodeerde bleven vele van de voormalige deelrepublieken verweesd achter. De economische en sociale gevolgen waren voor een aantal van hen gewoon catastrofaal. Historische grenzen die onder Stalin werden onderuit gehaald konden niet worden hersteld waardoor landen als bijv. Tajikistan, die voorheen volledig vanuit Moskou werden gefinancierd nadat de beste delen van het land aan andere staten waren toegewezen, berooid achter bleven. Zij werden quasi veroordeeld tot de bedelstaf om te kunnen overleven. Het onderwijs en de onderwijsvakbonden die onder het Sovjet-bewind een positief imago hadden verworven, verkommerden en zagen alle troeven waarover zij beschikten systematisch verwateren en verdwijnen. Onder impuls van de voorzitter van de voormalige eenheidsorganisatie van de Sovjet Unie, Rim Papilov, werden inspanningen gedaan om de oude banden niet verloren te laten gaan en om de organisaties die in grote moeilijkheden kwamen samen te houden om de gemeenschappelijke uitdagingen solidair onder ogen te zien en waar mogelijk te remediëren. De OISTES/IOESWU (Organisation internationale des syndicats des travailleurs de l’éducation et la science/International organisation of Educational and Science Workers Unions) werd daartoe opgericht met een administratieve zetel in Moskou, ook al bleef de Russische lerarenvakbond aan de zijlijn staan. Lid werden de andere vakbonden uit de GOS-landen (Gemenebest van onafhankelijke staten). Leden van het WVOP, die ook de werkzaamheden van de OISTES/IOESWU volgden, vroegen of er geen samenwerking tussen het WVOP en de nieuwe hulpbehoevende organisatie mogelijk was. Het WVOP reageerde daar positief op en organiseerde voor en samen met de OISTES/IOESWU, in 2001 en 2002, in Moskou, vormingsseminaries die grote bijval kenden. Bijna alle landen uit Centraal-Azië namen er aan deel samen met de vertegenwoordigers van de grote vakbonden uit Oekraïne, Wit-Rusland, Georgië en Armenië. Ter gelegenheid

98

van het seminarie van 2002 ondertekenden de voorzitters van de OISTES/IOESWU en het WVOP een samenwerkingsovereenkomst voor de volgende jaren. De integratie van het WVOP in de EI heeft die overeenkomst vanzelfsprekend onder een ander daglicht geplaatst.

En bijna… met China
Ter gelegenheid van diverse evenementen had een afgevaardigde van het WVOP contact gehad met verantwoordelijken van de internationale dienst van de Chinese vakbondsconfederatie. Dit gebeurde zowel in Brussel tijdens een seminarie voor Chinese vakbondsleiders, georganiseerd door het WVA, op de Internationale Arbeidsconferentie van de ILO in Genève als op het BATU-congres van 2000 in Bangkok. Toen een WVOP-vertegenwoordiger met een delegatie van de beroepsactie van het WVA een tegenbezoek bracht aan China werd een concreet voorstel besproken. Een delegatie van de Chinese onderwijsbond zou uitgenodigd worden op het WVOP-congres in Albena (Bulgarije) in augustus 2002 en wilde daar graag op ingaan. Het WVOP kreeg de namen toegestuurd van de leden van de Chinese delegatie. Eén week voor het congres kwam echter de boodschap dat de missie niet kon doorgaan… omwille van visaproblemen. Dat bleek al vlug een smoes te zijn. Waarom die gewijzigde houding? Het WVOP heeft het nooit vernomen. Er was nochtans ondubbelzinnig gesteld dat een kennismaking met WVOP niet inhield dat er verwachtingen leefden over nauwe samenwerking of meer dan dat. Een dergelijke aanwezigheid beoogde alleen elkaar beter te leren kennen en te onderzoeken in welke omstandigheden gemeenschappelijke standpunten konden tot stand komen om de belangen van de leerkrachten te bevorderen, over alle verschillen van visie en ideologie heen. Mocht dit toch gelukt zijn dan zou het WVOP, achter zijn jarenlang streven naar samenwerking over alle grenzen van landen, politieke en maatschappelijke stelsels heen, een mooi orgelpunt hebben kunnen plaatsen vooraleer zich te integreren in de EI, die tot een eenheidsorganisatie voor het geheel van het onderwijskorps wil uitgroeien. oooo Van het ogenblik af dat de EI en het WVOP gesprekken begonnen over een mogelijke samengaan veranderde uiteraard het samenwerkingspatroon dat in de voorafgaande jaren was gevolgd. Het streven om ook in een nieuwe eenheidsstructuur een eigen WVOP-kern te kunnen behouden werd gehonoreerd. Het feit dat de FLATEC de stap naar de integratie niet wenste te zetten heeft vanzelfsprekend een domper gezet op de verwachting om, dank zij die eigen structuur, de basisprincipes en de specifieke stellingen van het WVOP te kunnen blijven verdedigen en bevorderen. Vrij vlug na de integratie werd die mogelijkheid jammer genoeg onderuit gehaald door de eigen ledengroep.

99

Hoofdstuk 11

Het WVOP en het EVO

In het basisverdrag van Rome dat, in 1957, de oprichting van de EEG (de Europese Economische Gemeenschap) bezegelde, bleef het onderwijs als zodanig onvermeld. De evolutie van communautaire samenwerking gedurende de eerstvolgende jaren nadien maakten al vlug duidelijk dat ontwikkelingen op het vlak van beroepsopleiding en, meer in het algemeen, aspecten van het sociaal beleid, die wel in het verdrag vermeld stonden, repercussies hadden voor het onderwijsbeleid van de lidstaten. Europa werd op die manier geleidelijk aan, meer dan een element van de aangeboden leerinhoud, een project met repercussies op het wezen zelf van het onderwijs. Naast de Europese initiatieven in verband met de beroepsopleiding, al dan niet onderwijsgebonden, werden de lidstaten al vlug geconfronteerd met de problematiek van het onderwijs aan kinderen van migrerende werknemers. In 1971 kwamen de onderwijsministers van de lidstaten voor het eerst samen om de gemeenschappelijke uitdagingen te bespreken. In 1974 werden de principes van hun samenwerking vastgelegd en het eerste communautair onderwijsprogramma op het getouw gezet. Dat werd in 1976 formeel goedgekeurd.

Een moeilijke aanloopfase 100

Geconfronteerd met deze realiteit groeide voor de onderwijsvakbonden de behoefte om, over de landsgrenzen heen, de koppen bij elkaar te steken en gezamenlijk te overleggen hoe men op de ontwikkelingen best zou reageren. In navolging van hun confederaties, het IVVV en het WVA, die in 1974 een gemeenschappelijke vakbondsstructuur hadden opgericht: het EVV (Europees Verbond van vakverenigingen), besloten ook de SPIE en het WVOP om een gemeenschappelijk vakbondscomité tot stand te brengen. Het EVO, Europees vakbondscomité van het onderwijspersoneel, zag het licht op 16 juni 1975. De resp. secretarissen-generaal van beide organisaties, André Braconnier (SPIE) en Coen Damen (WVOP) namen er collegiaal de leiding van in handen. Een ambitieus programma werd op het getouw gezet en de SPIE, het WVOP en hun de lidorganisaties, die voorheen hun contacten met de EEG in verspreide slagorde hadden gezocht, presenteerden zich van dat ogenblik af als één gesprekspartner voor de commissie en haar diensten. Eén gesprekspartner, maar niet de enige gesprekspartner. De verdeeldheid in de wereld van de lerarenorganisaties was in die periode bijzonder groot. Vele organisaties dienden zich bij de commissie aan als representatief voor het Europese leraarschap. Naast vakbonden waren daar corporatistische organisaties bij, verbonden van pedagogen, directeurs, vakleerkrachten, enz. Wat de situatie van het beginnende EVO vooral bemoeilijkte was echter de realiteit dat niet alleen in de oorspronkelijke lidstaten, maar overal in Europa, belangrijke vakbondsorganisaties aangesloten waren bij de overwegend professionele CMOPE. In nationaal verband waren die onderwijssyndicaten lid van hun interprofessionele confederaties die op hun beurt lid waren geworden van het EVV. Tot een erkenning van het comité als beroepssector van het EVV is het precies omwille van die realiteit in de eerste jaren niet gekomen. Sommige confederaties eisten de integratie van hun onderwijsbonden in het EVO vooraleer het door het EVV kon erkend worden. Een hypotheek die moeilijk kon gelicht worden. Braconnier had gepoogd - na eerdere pogingen om de overkoepelende organisatie FEN onder leiding van Maraigné in de SPIE binnen te halen - door Guy Georges van de Franse SNI/PEGC, lid van de CMOPE, tot EVO-voorzitter te maken - een poort te kunnen open zetten voor andere CMOPE-leden en hen op die manier in de invloedsfeer van de SPIE te brengen. Dat bleek een misrekening. De boodschap aan de CMOPE dat individuele syndicale organisaties, die bij hen aangesloten waren, zouden toegelaten worden tot het EVO, viel op een koude steen. De vraag van de CMOPE om zelf als derde constituerende partner te kunnen toetreden bleef voor de SPIE een brug te ver. De CMOPE was in de ogen van de SPIE in de eerste plaats een corporatistische organisatie en geen vakbond; maar vooral een geduchte concurrent. De deur bleef toe… en het EVO bleef met een zware handicap zitten. In de eerste hoofdstukken van ‘La voix des enseignants européens/A Voice for European Teachers’, de EVO-historiek die het EVO in 2007 publiceerde, hebben wij uitvoeriger de ontwikkelingen toegelicht die uiteindelijk, in november 1984, tot de volwaardige integratie van de CMOPE in het bestaande gemeenschappelijk comité van SPIE en WVOP hebben geleid. Wij willen dit verhaal hier uiteraard niet in extenso herhalen maar wel kort de rol belichten die het WVOP in dat verband op zich nam. Coen Damen, secretaris-generaal van het WVOP, heeft gedurende de eerste jaren van het bestaan van het EVO voor het comité resultaten behaald waarvan de betekenis moeilijk kan overschat worden. Vooral hij was het die, steunend op de relatiekring die hij voor het WVOP al eerder had uitgebouwd bij de Europese commissie, een aantal deuren heeft open gekregen die het comité in staat

101

stelden de ontwikkelingen van nabij op te volgen. Niet iedereen wilde dat inzien en het verwijt dat hij vooral zijn eigen internationale wilde bevoordelen - wat men overigens ook Braconnier verweet - was volkomen onterecht. Sommigen hadden er moeite mee dat het numeriek zwakkere WVOP op evenwaardige basis mee de lijnen uitzette die het EVO wilde volgen. Vooral het feit dat het bij het WVOP om christelijke vakbonden ging lag vooral de Franse collega’s erg zwaar op de maag. De vraag of de internationales dan wel de nationale organisaties het EVO moesten schragen bleef jaren op de werking wegen. Men had er blijkbaar moeite mee dat het precies het direct engagement van beide internationales was dat een erkenning door de diensten van de commissie mogelijk maakte in die periode. Sommigen hadden liever de macht van het getal uitgespeeld omdat hen dat in die periode beter uitkwam. Later verplichtten de omstandigheden hen hun ‘principes’ in dat verband behoorlijk te nuanceren. Het WVOP heeft van begin af ondubbelzinnig het standpunt verdedigd dat de CMOPE als zodanig, met de vakbondsorganisaties die het onder zijn leden telde, moest kunnen toetreden tot het comité. Gedurende vele contactvergaderingen, telefonische en andere afspraken, werd getracht de wederzijdse standpunten te verzoenen. Vooral de gecompliceerde situatie in het Franse onderwijssyndicalisme zorgde er voor interne spanningen die men ook internationaal probeerde uit te spelen. Op de Algemene Vergadering van het EVO, in september 1978, in Amsterdam, had het WVOP de buik vol van dat onvruchtbaar gebakkelei en verliet de vergadering. Op een nieuwe Algemene Vergadering in november van dat jaar bleven, op één organisatie na, alle leden van het WVOP afwezig, omdat er geen voldoeninggevende oplossing voor de problemen in het zicht was. De impasse die daarop volgde was volledig. Bilaterale contacten noch de bemiddelingspogingen van het EVV, dat bleef hopen op een regeling die iedereen kon bevredigen, mochten baten. De voorzitter van de SPIE, Erich Frister, zat erg verveeld met de situatie. Hij suggereerde dat hij het nuttig zou vinden, mocht het WVOP een poging ondernemen om de drie internationales: SPIE, WVOP en CMOPE, opnieuw rond de tafel te brengen om tot een akkoord te komen. Uit de wederzijdse bilaterale contacten en gesprekken was immers gebleken dat er allicht een basis bestond om tot een akkoord te komen en dat het WVOP daarbij, als bruggenbouwer tussen de twee ‘groten’, een aanvaardbare partij was om het initiatief te nemen. Op 29 april 1979 werd op een vergadering in een salon van de luchthaven van Frankfurt, op uitnodiging van het WVOP, een samenwerkingsakkoord bereikt. Op basis van concrete afspraken, die de drie internationales een volwaardige betrokkenheid in het beleid van het comité garandeerden, kon het EVO een nieuwe start maken. Dat was buiten de tegenstanders gerekend. Frister bleek verwaarloosd te hebben zijn achterban op een mogelijk akkoord voor te bereiden. Die, samen met Guy Georges, die de schuld van alles gemakkelijkshalve bij ‘les chrétiens’ legde, bestegen hun strijdros en keerden zich tegen het bereikte akkoord. Terug naar af. Een nieuwe ronde van contacten en overleg kon beginnen. Het WVOP liet zich daarbij niet onbetuigd. De tegenstanders wilden in geen geval weten van een comité dat steunde op de beleidsbetrokkenheid van de drie internationales. Uiteindelijk, in oktober 1981, werd een compromis bereikt dat toch in grote mate steunde op de principes die in Frankfurt waren overeengekomen. Elke internationale kreeg een gelijkwaardige vertegenwoordiging in het EVO-bureau en de mandaten werden opgenomen op basis van een rotatiesysteem, waardoor elke internationale bij beurtrol elk leidinggevend mandaat kreeg toegewezen. Maar betwistingen tussen de CMOPE en de SPIE, als resultaat van de moeilijke

102

verhoudingen tussen een paar van de protagonisten - Adams (ACOD-B) en Jarvis (NUT-Engl.) meer bepaald - leidden regelrecht naar een nieuwe breuk. Op 15 november verlieten de leden van de SPIE op hun beurt de Algemene Vergadering en wensten nadien niet zonder meer op hun stappen terug te keren. De CMOPE en het WVOP besloten daarop samen verder te werken in het besef dat de ontwikkelingen in het onderwijsbeleid van de EG in een stroomversnelling geraakten en dat het fataal zou geweest zijn mocht het EVO in die omstandigheden de rol lossen. Norman Goble (CMOPE) en Louis Van Beneden (WVOP) namen het op zich om het comité maximaal verder te engageren en namen daartoe de nodige initiatieven. De deur bleef open voor de SPIE -afgevaardigden, maar er de riem afleggen omdat zij niet opdaagden, was geen optie. Beide organisaties slaagden er samen in om het EVO, ondanks die moeilijke periode, te versterken en vooral op het inhoudelijke vlak degelijk onderbouwde standpunten te formuleren, die nadien overigens door de SPIEorganisaties probleemloos werden onderschreven. Op 13 november 1984 werd de eenheid hersteld. De drie internationales hadden een nieuwe, evenwichtige overeenkomst bereikt en het EVO kon nu definitief, eendrachtig, verder. Het rotatiesysteem van de mandaten bleef van kracht. In die moeilijke crisisjaren 1978-1984 hebben de WVOP-afgevaardigden, Coen Damen, Hans Bähr (VBE-D), Sef van Wegberg (KOV-Nl) en nadien zijn opvolger Nico Snel, en ondergetekende, een rol van betekenis blijven opnemen die door de collega’s van de andere internationales, nadien, ruiterlijk werd erkend en gewaardeerd. Ook in de daarop volgende jaren 1985-1990 bleef het WVOP zijn verantwoordelijkheid in het bureau consequent aanvaarden, ook nadat Coen Damen was opgevolgd door Roger Denis, Nico Snel door Cees van Overbeek. De EVO-geschiedenis leert bij welke belangrijke thema’s het comité in die periode betrokken was.

Fundamentele bijsturingen
De historiek van het EVO deinde mee op de golven van de Europese ontwikkelingen. Elke uitbreiding van de Gemeenschap, later de Europese Unie, zorgde voor nieuw fundamentele debatten op het politieke niveau, waarbij economisch- en handelsprofijt de bovenhand behield op de ontwikkeling naar een Europese constructie die meer macht, aanzien en politieke betekenis kreeg op het wereldforum. Het EVO werd bij elke aanpassing van verdragsteksten en bij elke uitbreidingsgolf voor nieuwe, complexere opdrachten geplaatst. Ook in de EVO-rangen leefde er een grote verscheidenheid van opvattingen over de bevoegdheden van de Gemeenschap/Unie. Bij elke uitbreiding vergrootte die verscheidenheid van opinies en dat maakte er de taak van het comité niet gemakkelijker op. De plaats en de rol van het WVOP in het EVO evolueerde mee. Oorspronkelijk had het WVOP een relatief sterke representativiteit in het EVO m.n. een meerderheidsvertegenwoordiging in twee van de zes constituerende landen. Die positie werd niet direct bedreigd in de eerste uitbreidinggolven van zes naar negen en nadien naar twaalf lidstaten. Ook in Oostenrijk vertegenwoordigde de WVOP-organisatie immers de meerderheid en in Spanje had het evenzeer leden. Niet echter in de andere landen die toetraden. Geleidelijk aan werd het WVOP getalsmatig herleid tot het zwakkere broertje van de club en zag daardoor zijn politieke relevantie afgezwakt. De latere

103

uitbreidingen tot vijftien en resp. vijfentwintig en zevenentwintig lidstaten veranderde die situatie nog wezenlijker, ook al had het WVOP, vooral na 1995, opnieuw een sterkere representativiteit weten te realiseren. Ondertussen hadden de SPIE en de CMOPE in 1993 zichzelf opgeheven en waren ze opgegaan in een eenheidsstructuur: de EI. Zowel de opeenvolgende uitbreidingen als de fusie van twee van de drie constituerende internationales noodzaakten structurele en statutaire aanpassingen die de positie van het WVOP zeker niet verbeterden. Elke aanpassing maakte een nieuwe onderhandeling tussen de betrokken internationales noodzakelijk vooraleer voorstellen in dat verband aan de Algemene Vergadering werden voorgelegd. Tot 1993 waren die onderhandelingen fair en objectief verlopen en met respect voor de rol van het WVOP in het verleden. Zo kwam men telkens tot resultaten waarmee het WVOP zich kon verzoenen. Nadien keerde het tij in belangrijke mate. Daarover dadelijk meer. Vooral in de tachtiger jaren was de betekenis van de WVOP-inzet erg betekenisvol. Het was een periode waarin de verhoudingen tussen SPIE en CMOPE regelmatig op scherp kwamen te staan. Dat betrof o.m. hun tegengestelde visies op de opdracht van de UNESCO en het feit dat de deur van de TUAC en van de paritaire commissie bij de ILO voor de CMOPE, als organisatie, door de SPIE op slot werd gehouden. Later getuigden verantwoordelijken van beide organisaties publiek dat het WVOP jarenlang de evenwichtsfactor was geweest die de samenwerking in het EVO, en dus het bestaan zelf van dit comité, ondanks hun onderlinge betwistingen, had mogelijk gemaakt. Afgevaardigden van het WVOP bleven zich op seminaries en colloquia van het EVO als voorzitters, inleiders of rapporteurs van sectievergaderingen engageren. De meeste lidorganisaties waren er regelmatig bij vertegenwoordigd en hadden er, vaak steunend op de interne voorbereidende debatten van het WVOP, een waardevolle inbreng. Dat werd zo opvallend dat, toen de verhoudingen tussen het WVOP en de EI enigszins bekoelden, bij de laatstgenoemde stemmen opgingen om te gispen dat het WVOP onevenredig meer voordeel haalde uit EVOinitiatieven dan hun eigen leden. Sommige verantwoordelijken vonden er zelfs een argument in om de werking van het EVO wat terug te schroeven. Feit blijft dat het WVOP nooit inspanningen heeft geschuwd om een waardevolle bijdrage te leveren aan de uitbouw van een doeltreffende EVO-werking. Het was geen toeval dat de eerste voltijds vrijgestelde secretaris-generaal van het EVO gedurende een hele periode zijn bureau had op het WVA/WVOP-secretariaat waardoor het WVOP-adres meteen ook het correspondentieadres van het comité werd. Niet iedereen vond dat ‘politiek’ zulke gelukkige oplossing voor het secretariaatsprobleem, al was ze financieel de voordeligste. Toen in 1993 de fusie van de SPIE en de CMOPE tot stand kwam en de EI het levenslicht zag waren velen er van overtuigd dat het kleine WVOP vlug de witte vlag zou hijsen of toch zeker op relatief korte termijn vanzelf zou verdwijnen. De tanende maar toch nog relatief gunstige situatie van het WVOP in het EVO werd er nog verder door verzwakt. Tegenover de overgrote meerderheid van leden van de nieuwe internationale was het WVOP het marginale broertje dat, omwille van het verleden, nog wel enige tijd geduld werd. Toen het echter, als gevolgd van de aansluitingen van een aantal belangrijke organisaties uit Oost- en Centraal Europa, van 1995 af, getalsmatig een sterke ontwikkeling kende, werd het WVOP opnieuw, en zeker niet door iedereen verwacht, als een geduchte concurrent ervaren. Ook al werd ook die evolutie in het EVO door structurele aanpassingen

104

ondervangen, o.m. door de materies van de Europese Unie en deze van het grotere Europa in afzonderlijke structuren te behandelen en het EVO-bestuur als een verlengde van de resp. regionale comités van de twee internationales te organiseren. Dat maakte een en ander er niet gemakkelijker op voor het WVOP. De consequenties van de opeenvolgende statutenwijzigingen van het EVO in 1993, 1996, 1997, 2001 en 2003 weerspiegelen de evolutie overduidelijk. Van vrienden in de EI -besturen kregen de WVOP-verantwoordelijken te horen dat sommigen er niet voor terugschrokken om oude demonen uit de kast te halen om te waarschuwen tegen de gevolgen van een te grote betrokkenheid van ‘les chrétiens’ bij het EVO. Het WVOP liet zich daar niet door opjagen en volgde consequent de uitgezette lijnen. Dit kwam o.m. tot uiting in de constructieve benadering van het WVOP van een mogelijke integratie in de EI mits respect te krijgen voor zijn eigenheid en voor de basisprincipes inzake syndicaal pluralisme en in relatie met realiteiten in het niet-officieel onderwijs, die het verdedigde. Het opheffen van het WVOP als zodanig en de integratie van de leden in de EI was het resultaat van een doelbewuste, principiële keuze die het WVOP-engagement in het EVO in geen enkele mate wilde verminderen. In het EVO-bestuur hebben naast de hiervoor reeds geciteerde collega’s ook Helmut Skala (GÖD-Oostenr.) , Evert De Jong (CNV-ond, Nl) en Gust van Dongen (COC-B) jarenlang namens het WVOP, succesvol bestuursmandaten opgenomen.

Evoluerende visies op Europa
Het ontwikkelende onderwijsbeleid in de Europese Unie plaatste het WVOP voor bijzondere uitdagingen omwille van de beperkte middelen en mogelijkheden waarover het beschikte. Dank zij de inzet van actieve en betrokken lidorganisaties is het er toch in geslaagd de evoluties niet te missen. Kleinschaligheid bleek vaak eerder een troef dan een handicap omdat de organisaties van de kaderleden het tot hun een opdracht rekenden om een deel van de noodzakelijke inhoudelijke opvolging voor hun rekening te nemen. Naarmate de thema’s specialisatie vergden waren er steeds vrijwilligers die door hun betrokkenheid ook de collega’s van de andere lidorganisaties motiveerden om mee te denken en te discussiëren. De impact van de WVOP-inbreng op de initiatieven van het EVO viel daardoor niet te onderschatten. Vanzelfsprekend waren de werkzaamheden van en in het EVO evenzeer sterk bevruchtend voor de WVOP-acties zowel op het Europese als, indirect, op het mondiale vlak. Vanaf 1985 begon de Europese Gemeenschap grote programma’s te ontwikkelen die later ook in verdragsteksten werden verdisconteerd. In 1985 werden de Eenheidsacte en het Europa van de burgers op het spoor geplaatst. Het Europees Hof van Justitie bracht het hoger onderwijs in het toepassingsveld van het Verdrag. Projecten als COMETT en ERASMUS, later ook PETRA, FORCE, LINGUA, e.a. volgden. Na de implosie van het Oostblok kwam er een periode van samenwerkingsprogramma’s met de landen uit die regio, die voor de ontwikkelingen in het WVOP evenmin mochten verwaarloosd worden. Niet minder belangrijk werd de sociale dialoog die toen voor het eerst op gang kwam. Een en ander mondde in 1992 uit in het Verdrag van Maastricht waardoor, naast het beroepsonderwijs en hoger onderwijs, het totale onderwijsveld onder de toepassing van Verdragsbepalingen kwam te vallen. Merkwaardig genoeg maakten de onderwijsbepalingen, die door de auteurs als grendels werden bedoeld om teveel Europese invloed op de nationale beleidsvoering te weren,

105

precies hefbomen voor meer Europese samenwerking en meer Europese invloed. Voor het WVOP, zoals uiteraard voor het hele EVO, betekende dit alles vanzelfsprekend een exponentiële toename van op te volgen dossiers. Van 1993 tot 1999, de periode vóór de belangrijke Europese Top van Lissabon in 2000, werden onderwijs en leren tot speerpunten van het Europese streven naar een kennismaatschappij (Witboek november 1995). Een tweede generatie programma’s werd op het getouw gezet, gegroepeerd in SOCRATES en LEONARDO DA VINCI. Voor het hoger onderwijs kwam het Bologna-proces op gang dat het hoger onderwijs in latere jaren grondig zou herstructureren. Voor het WVOP kwam het er op aan om zeker zijn nieuwe lidorganisaties uit Oost- en Centraal-Europa voldoende te informeren over en te begeleiden bij die nieuwe ontwikkelingen. Door hen geleidelijk ook bij de werking van het EVO te betrekken werd dit veelomvattend objectief, ondanks de beperkte mankracht van het WVOP, toch een succesvol gebeuren. Vanzelfsprekend heeft vooral de Top van Lissabon ingrijpende gevolgen gehad omdat het alle betrokkenen voor de uitdaging plaatste om onderwijs en vorming in het hart van het Europese streven van de economische en sociale strategie voor het jaar 2010 te plaatsen. Wat te verwachten van de open coördinatiemethode die, formeel zonder verplichting, de lidstaten toch voor de noodzaak plaatste om hun beleid af te stemmen op de Europees vastgelegde lijnen? Hoe de lidorganisaties bewust maken van de mogelijkheden en de gevaren van die methode? Hoe de achterban van die leden overtuigen dat wat zij nationaal als beleidsoptie kregen opgediend in feite van Europese inspiratie was? Zou Europa een GATS-akkoord voor het onderwijs aanvaarden? Traditioneel stelden alle lidstaten dat het onderwijs hun autonome nationale bevoegdheid was en bleef. Formeel bleef dat het geval maar dat de inspiratie meer en meer van hun afspraken in Europa kwam werd vaak zedig verzwegen. Dat hing overigens samen met de verschillende visies op de rol en de bevoegdheden die men Europa wenste toe te kennen. Ook de meerderheid van de Europese burgers liet het afweten. Ook dat had onvermijdelijk gevolgen voor de opstelling van de onderwijsvakbonden. Pas na Maastricht 1992 ontdekte die burger hoe radicaal het huis vertimmerd was, de spelregels veranderd en hoe grondig de soevereine staatsmacht al was uitgehold. Tot dan toe was euroscepticisme een puur Brits product. Nauwelijks geschikt voor export, tenzij misschien naar Denemarken. De zes stichtende leden van de Unie Frankrijk, Duistland, Italië en de Benelux – leken immuun voor een benadering die, zo werd toen voor waar aangenomen, alleen op een eiland dat de nostalgie naar de Falklands en de imperiale tijd koesterde, kon gedijen. De publieke opinie kantelde en er kwam een nieuwe politieke dynamiek op gang. De Europese integratie begon aan een rumoerig en controversieel hoofdstuk. Duitsland, Nederland, Frankrijk herontdekten de geborgen schoot van de natie – een fictie -, maar daarom niet minder populair – en het comfort van de nationale democratie. De leidraad werd ook daar: eerlijke concurrentie en het heilig consumentenbelang primeren. Nukkigheid van een toenemend aantal betrokkenen bracht het duidelijk signaal dat er iets fundamenteel schortte aan het sociale draagvlak van de Unie en er zich bij gevolg een correctie van het beleid, zeker van het sociale beleid, opdrong. Dat kwam er echter niet bij gebrek aan Europese bevoegdheden en de manifeste onwil om over het sociale Europa te praten. Veel meer dan rommelen

106

in de marge kon niet, geconfronteerd met eigengereide veto’s. Voor de onderwijssector werd eenzelfde afwijzende houding zichtbaar. Om het met de woorden van een gerenommeerde Europese journalist te stellen: ‘De bron van alle dissidenties en meningsverschillen is het onvermogen om de Europese identiteit als een hefboom voor integratie in te zetten. Elk debat over Europese identiteit vuurt de tegenspraak aan en activeert eeuwenoude breuklijnen, die de oude demonen weer tot leven dreigen te brengen. Identiteit is een gecontamineerd begrip, want hopeloos besmet door natiestaten, etnische en religieuze scherpslijpers’. Dat bleek helaas ook het geval in de rangen van de onderwijsvakbonden verenigd in het EVO. De Europese doctrine, de doelen en ambities werden bijgesteld. De verbeelding verloor het van de feiten. Zijn begrippen als een ‘socialer Europa’ ook aan een grondige revisie toe? Kan men nog spreken van een Europees gestuurd onderwijsbeleid? De Europese vakbeweging, ook de onderwijsvakbeweging, blijft er voor pleiten het sociale Europa meer vorm en inhoud te geven, maar wordt ook in eigen rangen afgeremd door eurosceptici die blijven dromen van Europa als een louter vrije marktgegeven, waaraan dan wel sociale voorwaarden kunnen worden opgelegd. Andere ambities worden naar de koelkast verwezen. De nieuwe lidstaten uit Oost- en Centraal Europa lijken meer heil te verwachten van een op zijn Amerikaans gestuurde markteconomie dan van de gecorrigeerde markteconomie die het ‘oude’ Europa als objectief poneerde. Er zit sleet op de Europese solidariteit, een aanduiding dat de nationale staten het solidaire en sociale Europa nog strenger willen rantsoeneren. Ondertussen worden de duimschroeven van de nationale regeringen voortdurend aangedraaid. Met de eenheidsmarkt, de euro, het Europees rentebeleid, de begrotingsnormen, de fiscale concurrentie wordt de manoeuvreerruimte om een sterk sociaal beleid te voeren almaar kleiner. De Duitse filosoof Peter Sloterdijk stelde het als volgt: ‘De vraag waar alles om draait in Europa, mocht het ooit wakker worden, is niet wie er tot het eigenlijke Europa behoort en op grond van welke criteria en tradities, maar welke rol de Europeanen op de beslissende momenten van hun geschiedenis spelen; welke ideeën hen bewegen en door welke illusies ze worden geactiveerd; hoe Europa aan zijn stuwende geschiedenis kwam en hoe het deze op gang hield’. Het WVOP heeft in het verleden naar bestvermogen getracht om een solidair Europa helpen tot stand te brengen waarbij voor het onderwijs en de onderwijsvakbonden een belangrijke opdracht is weggelegd. De jongste jaren is het Europese vuur wat gedoofd en is een direct Europees engagement van de bonden lang niet meer zo vanzelfsprekend als vroeger. Misschien vinden nieuwe generaties verantwoordelijken spoedig, daartoe door de voortdurende mondiale en Europese evoluties gedwongen, toch nog tijdig inspiratie en bemoediging in wat hun voorgangers, in niet altijd even gemakkelijke omstandigheden, toch betrachtten en voor elkaar kregen, gedreven door solidariteit en ambitieuze idealen.

107

Hoofdstuk 12

ACCENTEN

108

Het zou onbegonnen werk zijn om de thema’s en interessegebieden op te lijsten die in de loop van de geschiedenis door het WVOP geagendeerd werden. Men zou om te beginnen er de onderwijsagenda van diverse intergouvernementele organisaties kunnen uit aflezen. Vooral de UNESCO, de ILO, de EU, de Raad van Europa en de OESO zouden prominent figureren in die opsomming. Vanzelfsprekend was er ook de agenda van het WVA die een bijzondere aandacht vergde. Eigen statutaire, organisatorische en relationele activiteiten ontbraken evenmin. Onmiskenbaar zijn er echter een drietal invalshoeken die zelden in de reflecties ontbraken en die als rode draden doorheen al die activiteiten en initiatieven liepen.

Om de altijd actuele problemen van het onderwijsambt en de arbeidsvoorwaarden van het onderwijspersoneel te duiden bleef de Aanbeveling betreffende de status van het onderwijspersoneel (UNESCO/ILO, 1966) al die jaren het referentiedocument bij uitstek. Dertig jaar later kwam daar ook de Aanbeveling over het statuut van het onderwijspersoneel in het hoger onderwijs (UNESCO/ILO, 1997) bij. Dat er een directe en veelzijdige relatie bestaat tussen het onderwijs en de economie is wel overduidelijk. Van de zeventiger jaren af hebben economische paradigma’s ook de toon gezet voor het onderwijsbeleid. Dat dit gebeurde over de grenzen van landen en regio’s heen, vanuit vaak eenzijdig gestuurde beleidsconcepten, noodzaakte dat de onderwijsvakbeweging permanent aandacht had voor de ontwikkelingen die zich daarbij voordeden om er ook passend op te kunnen reageren. Door de vakbondsopdracht ruimer te interpreteren dan datgene wat te maken heeft met de loutere beroepsuitoefening, maar ook bijzondere aandacht te vragen voor de maatschappelijke relevantie van het onderwijs voor de uitbouw van een rechtvaardigde samenleving, maakte de oriëntering op een brede waardenschaal onontbeerlijk. Iedereen via het onderwijs alle kansen garanderen op zelfontplooiing om zich zo op een verantwoorde en verantwoordelijke wijze te kunnen inschakelen in de gemeenschap, lag daar aan ten grondslag. Omdat het WVOP op dit vlak sterkere accenten legde dan anderen op de levensbeschouwelijke en humanistische dimensies van de persoonlijkheidsvorming, verbond het zijn mensvisie met een maatschappijvisie die nadruk legt op een solidariteit, betrokkenheid en medeverantwoordelijkheid voor allen.

Op de volgende pagina’s willen op deze drie thema’s nader ingaan om de acties van het WVOP beter te kunnen duiden.

Een sleuteldocument
Het internationaal instrument dat voor de werkzaamheden van het WVOP, van meet af, en tot het einde toe, richtinggevend is geweest, was ‘De aanbeveling UNESCO-IAO betreffende de status van het onderwijspersoneel (05.10.1996)’ die door beide organisaties gemeenschappelijk werd uitgewerkt en goedgekeurd. Dit gemeenschappelijk karakter ligt voor de hand wanneer men de doelstellingen van beide organisaties in relatie met het onderwerp onder de

109

loep neemt. Als UNO-instelling voor het domein van opvoeding, onderwijs en cultuur is de UNESCO o.m. rechtstreeks bedrijvig rond al datgene wat te maken heeft met de opleiding en de beroepsvervolmaking van het onderwijspersoneel. De Internationale Arbeidsorganisatie IAO, sinds 1946 erkend als gespecialiseerde organisatie van de Verenigde Naties, houdt zich bezig met de arbeidsvoorwaarden en de materiële situatie van de werknemers, ook met deze van het onderwijspersoneel. Om het ontstaan, het doen en laten van het WVOP, gedurende zijn bestaan te kunnen duiden is het niet overbodig de geschiedenis van dit belangrijk instrument in herinnering te brengen. Gedurende de eerste jaren na de tweede wereldoorlog heeft de Internationale Arbeidsorganisatie geen specifiek internationaal instrument i.v.m. de situatie van het onderwijspersoneel uitgewerkt. Niettemin waren een aantal algemene conventies met verstrekkende betekenis die voor alle werknemers van belang zijn, dus ook voor het onderwijspersoneel. Het betreft meer bepaald conventie 87 op de syndicale vrijheden en de bescherming van de syndicale rechten (1948) die hen vrije aansluiting bij een syndicale organisatie garandeert ter verdediging van hun belangen. Dit recht wordt nog extra beklemtoond in conventie 98 (1949) die het recht op organisatie en collectief overleg bekrachtigt. Belangrijk was echter dat er, wat deze laatste conventie betreft, een beperking was ingeslopen, m.n. dat het overheidspersoneel uit de toepassing ervan werd geweerd. Het zou nog tot in 1979 duren vooraleer men voor de openbare sector over een internationale norm betreffende arbeidsrelaties zou kunnen beschikken, m.n. conventie 151. Het onderwijspersoneel als zodanig viel slechts partieel onder de toepassing van conventie 98 voor zover het personeel uit de privésector betreft. Het is pas vanaf 1979 dat de conventie 151 een verruimde toepassing bracht voor alle onderwijskrachten die hun beroep uitoefenen in overheidsinstellingen in het kader van de beschikkingen van het overheidspersoneel. Voor de specifieke situatie van het onderwijspersoneel werd niets conventioneel geregeld.

Een richtinggevende tekst
In 1947, ter gelegenheid van de 2de Algemene Conferentie van de UNESCO in Mexico, werd in het programma ingeschreven dat een ‘charter van het onderwijspersoneel’ moest worden uitgewerkt. De directeur-generaal werd er mee belast de leerkrachtenorganisaties te vragen projecten terzake voor te bereiden. Dergelijke aanpak kan allicht merkwaardig genoemd worden. Maar wie zich opnieuw in de geest van die periode inleeft, zal zich herinneren dat leerkrachtenorganisaties in die tijd in de eerste plaats professionele organisaties waren. De evolutie van lerarenverenigingen tot onderwijsvakbonden is een geleidelijk proces geweest dat pas na de 2de wereldoorlog voorgoed op gang kwam en zelfs vandaag nog niet overal voltooid is. In 1948, tijdens de 3de Algemene Conferentie van de UNESCO in Beiroet werd dat mandaat opnieuw bevestigd en kreeg het Internationaal Onderwijsbureau (BIE) - in samenwerking met de UNESCO - de opdracht de nodige informatie te

110

verzamelen over de beroepsopleiding en de status van het onderwijspersoneel wereldwijd om tot de redactie van het beoogde charter te kunnen overgaan. Tussen 1951 en 1963 hebben zowel de UNESCO als het Internationaal Onderwijsbureau (IOB/BIE) een aantal comparatieve studies uitgewerkt en werden aanbevelingen gestuurd naar de onderwijsministers van de lidstaten van de UNESCO. Ook het IAB (Internationaal Arbeidsbureau) was niet bij de pakken blijven zitten. In 1952 werd in de Consultatieve Commissie voor bedienden en intellectuele werknemers de vraag gesteld om een onderzoek op te zetten rond de sociale en economische situatie van het leerkrachten. Dit gebeurde in die commissie omdat er geen geëigende vaste commissie voor het onderwijspersoneel bestaat in de schoot van het Internationale Arbeidsbureau. In 1954 werd, tijdens de 3de zitting van dezelfde Consultatieve Commissie, de vraag herhaald. Bovendien werd er voor gepleit om een expertencommissie op te richten die, in nauwe samenwerking tussen UNESCO en IAB, zou functioneren. Dat bracht de lang verhoopte doorbraak. In 1957 kwam deze expertencommissie voor het eerst samen. Zij heeft een aantal conclusies geformuleerd i.v.m. opleiding, promotie, arbeidsduur, betaald verlof, werkvoorwaarden, weddeschalen, burgerrechten en op het recht van vereniging. In 1963 werd datzelfde werk nog grondiger aangepakt en heeft de Raad van Beheer van de IAO principieel beslist om, in samenwerking met de UNESCO, te komen tot een internationaal instrument met betrekking tot de sociale, economische en professionele problemen van het onderwijspersoneel en hun opleiding en beroepsvervolmaking, dit binnen de bepalingen en de mogelijkheden van deze internationale organisaties. Bovendien werd benadrukt dat alles in het werk moest worden gesteld om de toepassingen ervan te kunnen waarborgen. Het was deze ontwikkeling die er het ICV toe aanzette het initiatief te nemen om een geëigende structuur voor de onderwijsbonden van zijn leden op te richten. Daarover leest u meer in hoofdstuk 3. Na een lange voorbereiding, met een duidelijke inbreng van diverse internationale en nationale organisaties van leerkrachten, werd in 1966 in Genève een commissie samengeroepen die een ontwerp uitwerkte dat voorgelegd werd aan de Buitengewone Intergouvernementele Conferentie die van 21 september tot 5 oktober in Parijs plaats greep. (5 oktober werd in 1993 uitgeroepen tot ‘Internationale Dag van de leerkracht’ omdat op die datum in 1966 de Aanbeveling officieel werd goedgekeurd). 76 lidstaten hebben er aan deelgenomen naast afgevaardigden van de UNO, IAO, ... en 17 andere internationale organisaties als waarnemers. Van de kant van het onderwijspersoneel was de rol van de CMOPE bij dit alles zeer belangrijk geweest omdat deze organisatie algemeen als internationale professionele organisatie werd erkend en niet als een loutere syndicale organisatie. Deze realiteit heeft decennia lang de relaties in de internationale vakbondswereld van het onderwijs sterk beïnvloedt zoals wij in hoofdstuk 10 toelichten. De internationale vakbondskoepels, waarbij het ICV, hadden vooral hun invloed laten gelden voor de IAO-inbreng. Zo ontstond de aanbeveling die een richtinggevende factor is gebleven voor de ontwikkeling van het internationaal onderwijssyndicalisme en die, zoals hiervoor

111

al aangestipt, de oprichting van het WVOP heeft mogelijk gemaakt en bespoedigd. Een Aanbeveling goedkeuren is één zaak; ze doen toerpassen een andere. Niet alleen de onderwijsbonden wisten zich voor een belangrijke uitdaging geplaatst, ook de UNESCO en de IAO stelden uitdrukkelijk, elk via hun eigen wegen en kanalen, werk te zullen maken van de implementatie ervan. Belangrijk blijft het aan te merken dat een aanbeveling strikt genomen geen juridische verplichtingen oplegt aan de lidstaten. Dit in tegenstelling tot de conventies. Dat maakte de opdracht niet eenvoudiger. Wel is het zo dat lidstaten zich verplichten de bevoegde nationale instanties te informeren over de inhoud van de aanbeveling en verslag uit te brengen over de gevolgen die er in het onderwijsbeleid van hun land werden aan gegeven. De Raad van Beheer van de IAO, in november 1966, en de Algemene Vergadering van de UNESCO in dezelfde maand, hebben hun respectieve lidstaten uitgenodigd de aanbeveling toe te passen en over de toepassing ervan regelmatig te rapporteren. Fundamenteel was dat daartoe een Gemeenschappelijke Expertencommissie (CEART) werd opgericht om er over te waken dat de aanbeveling inderdaad werd opgevolgd. Dit bleek al vlug een zeer moeizaam en erg geleidelijk proces te zullen worden waarvoor heel wat initiatieven moest uitgewerkt worden, niet in het minst door de internationale en nationale onderwijsbonden. Hun respectieve verantwoordelijken aansporen om de geest en de leest van de Aanbeveling politiek te helpen vertalen in hun beleidsbeslissingen werd een permanente opdracht. Het WVOP liet zich daarbij niet onbetuigd. Publicaties, informatiecampagnes, seminaries, stellingen, rapporten, … namen van jaar tot jaar toe. Dat het resultaat van continentale en nationale initiatieven niet altijd in evenredigheid was met de inspanningen die werden geleverd was vrij frustrerend, maar toch werd de inspanning volgehouden. De Gemeenschappelijke Expertencommissie vergaderde voor het eerst in 1968, stelde een vragenlijst op en contacteerde lidstaten. Het eerste rapport van deze commissie (1970), leerde dat, in tegenstelling tot de afspraken, de leerkrachtenorganisaties lang niet overal betrokken werden bij het beleid dat de factoren die hun beroepsuitoefening conditioneren. Niet of nauwelijks in de meeste ontwikkelingslanden maar evenmin, zoals normaal mocht verwacht worden, in een aantal ontwikkelde landen. Alle inspanningen ten spijt bleven de opeenvolgende rapporten van de expertencommissie, in de jaren nadien, naast positieve ontwikkelingen, nog meer negatieve tendensen aantonen. Zij werden op die manier tot barometers die de (negatieve) klimaatswijzigingen in het onderwijs wereldwijd in kaart brachten. Lang niet alle landen uit de geïndustrialiseerde wereld volgden, zoals gezegd, consequent de richtlijnen op, al was de toepassing ervan er wel het verste gevorderd. Vooral voor de ontwikkelingslanden bleken de doelstellingen te hoog gegrepen wat al spoedig de vraag deed rijzen of ev. aanpassingen dienden overwogen te worden, gelet op de gewijzigde sociaaleconomische context. Op elk WVOP-congres, op regionale congressen en seminaries stond de Aanbeveling en haar toepassing vooraan in de bekommernissen. Het Congres van Houffalize (1981) wijdde aan een ev. bijsturing een groot gedeelde van de congresdebatten om te besluiten dat, liever dan aanpassingen, de bevordering van de haalbaarheid van de doelstellingen moest worden

112

nagestreefd omdat het gevaar niet denkbeeldig was dat een aanpassing een verminking zou betekenen. De aanbeveling kreeg nog een grotere betekenis van het moment af dat, voor het eerst in 1981, door de IAO, een paritair comité over de arbeidsvoorwaarden van het onderwijspersoneel werd samengeroepen op de zetel van de IAO in Genève. Nadien werd het opnieuw 10 jaar wachten vooraleer een 2de Paritair Comité kon georganiseerd worden. Het bleef moeilijk om aan de samenkomsten van een paritair comité een continuïteit te geven. De moeizame samenstelling van de werkgeversdelegatie, bestaande uit regeringsvertegenwoordigers en vertegenwoordigers van de privésector, lag daar aan de oorsprong van. Hoe geraakte die heterogeen samengestelde delegatie tot coherente stellingnamen, gelet op de verscheidenheid van belangen die werden vertegenwoordigd en het verschil in statuut en bevoegdheid. Niettemin kwamen die Paritaire Comités toch tot valabele conclusies die nadien hun invloed op het beleid in diverse landen bewezen. Hun niet dwingend karakter maakte het natuurlijk niet eenvoudig om voldoende druk op de overheden te kunnen uitoefenen. Alle problemen ten spijt bleef en blijft de Aanbeveling van 1966 een richtinggevend document. Het WVOP heeft er bij het ontwikkelen van zijn acties en het uitzetten van zijn strategieën een belangrijk instrument blijven van maken dat menige initiatieven, acties en stellingnamen, internationaal en nationaal, ondersteunde en inspireerde. Ter voorbereiding van elke samenkomst van het expertencomité schreef het WVOP een rapport uit dat in de latere conclusies van het comité overduidelijk sporen naliet. Na lang aandringen kregen de onderwijsinternationales, waarbij het WVOP, vanaf 2000 de gelegenheid hun visie rechtsreeks toe te lichten t.a.v de expertencommissie. Een afgevaardigde van de expertencommissie werd telkens op het WVOPcongres uitgenodigd en voerde er het woord. Daarbij werden de rol van het WVOP i.v.m. de verspreiding en de promotie van de aanbeveling, en zijn impact op de stellingnamen van het comité, uitdrukkelijk geprezen. Een essentieel moment werd ook het tot stand komen van een geëigende Aanbeveling van UNESCO en IAO over de situatie van het onderwijzend personeel van het hoger onderwijs (1997). Deze belangrijke sector viel immers niet onder de toepassing van de aanbeveling van 1966. Bij voorbereiding eerst en de bevordering van de toepassing en opvolging nadien heeft het WVOP zich evenmin onbetuigd gelaten. Er bestond al een aparte aanbeveling voor het personeel uit de sector van het wetenschappelijk onderzoek. Onderwijzend personeel viel niet onder de toepassing daarvan. Dat dergelijk instrument meer dan noodzakelijk was geworden wordt sprekend geïllustreerd door de ontwikkelingen die het hoger onderwijs en het wetenschappelijk onderzoek in steeds sterkere mate hebben geconditioneerd. De massificatie en diversificatie van het hoger onderwijs, de internationalisatie en de enorme toename van samenwerkingsprojecten tussen de universiteiten en de andere instellingen van het hoger onderwijs onderling, over de grenzen van landen en continenten heen, naast de groeiende impact van veelvormige relaties die met de wereld van de industrie en de research werden uitgebouwd, bleven vanzelfsprekend niet zonder gevolgen voor het statuut en de arbeidsvoorwaarden van het betrokken personeel. De regelrechte competitie tussen de instellingen die daar o.m. het gevolg was ontketende een rush naar de beste professoren, studenten, onderzoekcentra, … De vermarkting van zeer vele universitaire opdrachten maakte de instellingen vaak schatplichtig aan de

113

wensen en verwachtingen van een veelheid van opdrachtgevers, die het profijtbeginsel als uitgangspunt voor hun betrokkenheid voorop stellen. De verschillen tussen openbare en privé-instellingen zijn overal sterk verwaterd wat niet zonder gevolgen bleef voor het beheer en het beleid, niet in het minst voor het personeelsbeleid. Universiteiten en hogescholen worden vandaag gezien als waardevolle instrumenten om de cultuur, de waarden, de taal en de belangen van de landen, religies, culturele en taalgroepen te bevorderen die hen sponsoren. Dit alles resulteerde in een veel grotere precariteit van de tewerkstelling en in een groter gevaar tot instrumentalisering van het hoger onderwijs, met als gevolg een verhoogde bedreiging voor de academische vrijheid. Juist deze aspecten bekleden een centrale plaats in de aanbeveling van 1997. Het refereren naar de principes die in het Aanbeveling van 1997 staan verwoord is in die context een krachtig instrument voor de onderwijsvakbonden om de rechten en verwachtingen van hun leden te bepleiten op het lokale, het nationale en het internationale forum. In de rapporten, stellingnamen, contacten, … t.a.v. ondermeer de expertencommissie, heeft het WVOP, na de goedkeuring ervan door de beleidsinstanties van de UNESCO en de IAO, er daarom steeds uitdrukkelijk naar verwezen. Ook tijdens commissievergaderingen en tijdens zijn tussenkomsten in de plenaire zittingen van zowel de Internationale Arbeidsconferenties van de ILO als de Algemene conferenties van de UNESCO, werd nooit nagelaten, refererend naar dit document, aandacht te vragen voor de problematiek van het personeel in het hoger onderwijs.

De dominante economie

Het naoorlogse streven naar de welvaartsstaat beoogde o.m. een gelijkere inkomensverdeling te realiseren. Een groter onderwijsaanbod moest inkomensverschillen kleiner maken. Via democratisering naar grotere kansengelijkheid! Onderwijsverantwoordelijken in rijke en arme landen leken overtuigd van het belang van vorming en onderwijs voor nationale ontwikkeling. Een wereldwijde expansie van het onderwijsaanbod, versterkt door demografische ontwikkelingen, was er het gevolg van. Aan de basis van die visie lag niet de potentiële vraag naar geschoolde arbeidskrachten, maar wel het betrachtingniveau van individuen en groepen. Het gevaar van een onevenwicht tussen vraag en aanbod op de arbeidsmarkt voor geschoolden dreigde. Vooral in de ontwikkelingslanden en, na de economische crisis van 1973, ook meer en meer in de geïndustrialiseerde landen werd men zelfs geconfronteerd met het groeiende probleem van de geschoolde werkloosheid. Vanzelfsprekend is een gezonde economie een basisvoorwaarde om de middelen te kunnen genereren die een land nodig heeft om de organisatie van het leven in gemeenschap te bekostigen en elk individu de kans te geven in zijn eigen levensonderhoud te voorzien. De wijze waarop dat gebeurt veronderstelt echter dat keuzes worden gemaakt, dat prioriteiten worden afgelijnd. Die keuzes zijn niet neutraal maar gebaseerd op vaak uiteenlopende, ideologisch gekleurde

114

beleidsvisies. Visies die onderling verschillen op basis van het mens- en wereldbeeld dat men voorstaat en verdedigt. De economie is geen exacte wetenschap. Economische en financiële maatregelen dienen daarom op hun rechtvaardigheid- en billijkheidsgehalte getoetst te worden. Als de sociale consequenties van een beleid tot meer ongelijkheid leiden en elementaire gemeenschapsvoorzieningen bedreigen, die precies die ongelijkheid willen wegwerken, loopt het fout. Dat was wat toen gebeurde. Van dan af immers hebben economisten het voortouw genomen, ook inzake het onderwijsbeleid. Het rendement van de investeringen voor onderwijs werden afgewogen tegen het rendement van alternatieve aanwendingen van de schaarser wordende overheidsmiddelen. Vooral in de kringen van de Wereldbank en het IMF (Internationaal Monetair Fonds) werd deze benadering gepropageerd. Naarmate de schuldencrisis verergerde werden aan de debiteurs drastischer besparingsmaatregelen opgelegd, structurele aanpassingsprogramma’s (SAP’s), die perfect in het kosten-batenschema pasten. Niet in het minst op onderwijsuitgaven. De gevolgen waren in vele landen desastreus voor de tewerkstelling, de belangen, de arbeidsvoorwaarden van het onderwijspersoneel. Kansenongelijkheid nam toe in plaats van af. In de geïndustrialiseerde landen was het de OESO die deze neoliberale boodschap verspreidde. Het waren inderdaad vooral neoliberalen en monetaristen die vooral na de eerste oliecrisis op de proppen kwamen en die zich inspanden om de interpretatie van de wereldcrisis te beperken tot een zuiver materieel, economisch, technocratisch en fout geïnterpreteerd moderniseringsproces, oordeelde het WVOP-congres van Caracas in 1989. Het hoeft niet te verbazen dat het congres stelde - trouw aan zijn basisopstelling - dat het de crisis als een globale crisis beschouwde, een crisis die alle aspecten van het maatschappelijk leven van de mens, de werknemers en de volkeren, raakte. Naast een economische en sociale interpretatie was daarom evenzeer een politieke, culturele, ethische en spirituele interpretatie noodzakelijk. Wat hield die neoliberale boodschap in ? Wij kunnen neoliberalisme best omschrijven als een geheel van opvattingen die zich aanvankelijk hebben kunnen verspreiden als een kritiek op de welvaartsstaat. Te kostelijk, werd gesteld, met als resultaat het daaruit voortvloeiende overheidstekort. De te hoge belastingen waren daar een gevolg van. Een ‘profitariaat’ werd erdoor in het leven geroepen. De verzwakking van de concurrentiekracht was er evenzeer een schadelijk gevolg van. De politieke kentering naar het neoliberale denken zal altijd verbonden blijven met de namen van Ronald Reagan en de Margaret Thatcher en, her en der in de wereld, met die van hun navolgers en imitatoren. Neoliberalen gaan ervan uit dat alle handelen eigenlijk economisch handelen is, en dat mensen berekend handelen uit eigenbelang. Zij beschouwen de mens daarom niet zozeer als een burger, zelfs niet als een consument, maar als de ondernemer van zijn eigen leven. Zij willen dat economisch handelen mogelijk maken door zoveel mogelijk markten te creëren. Scholen, spoorwegen, openbaar vervoer, postbedeling, ziekenhuizen, de ziekteverzekering moesten allemaal als een markt worden georganiseerd. In de scholen wordt het lesgeven een product, de leerlingen en de ouders worden klanten, de directeur wordt manager, de lokale inplanting wordt een markt, …. Met die woordenschat wordt ook een manier van denken en doen geïntroduceerd, waardoor de school en het lesgeven meer op een marktgebonden activiteit gaan lijken. Financiële middelen worden

115

niet meer gebruikt om diensten te laten aanbieden door de overheid, zelfs niet om rechtstreeks de diensten te financieren, maar worden, bijvoorbeeld via vouchers of cheques, aan de consumenten gegeven die zo een markt voor die diensten doen ontstaan. In verschillende landen werd overwogen de subsidies voor scholen te vervangen door vouchers voor de ouders die daarmee, als soevereine consumenten, kunnen shoppen voor de opleiding van hun kinderen. Voorstanders van zo’n liberale aanpak zijn van oordeel dat men op die manier de ouders meer macht geeft, terwijl men zware bureaucratieën vermijdt en de macht fnuikt van de vervelend geachte beroepsgroepen van leraars en van belangengroepen of groepen van scholen. Als dat plan in vele landen niet of slechts heel gedeeltelijk werd doorgevoerd, is dat omdat men vreesde het onderwijs op die manier toch onvoldoende te kunnen reguleren. Zou zo’n onderwijsmarkt de ongelijkheid niet vergroten? De zeer grote ongelijkheden, de beschamende niveaus van analfabetisme, en de gebrekkige levensstijl van grote groepen mensen in een land met een verregaand geprivatiseerd onderwijssysteem als de VS, deden velen toch twijfelen aan de wenselijkheid van zo’n privatisering en marktcreatie Opvallend is ook dat naarmate, onder neoliberale impuls, zogezegd zelfregulerende markten werden gecreëerd, er ook steeds meer controlerende instanties kwamen. Meer markt, meer regels en regeltjes en meer controles op het naleven van de regeltjes en controles op de controleurs. Dat bleek al vlug in de praktijk, ook in het onderwijs. Dat heeft het leven van veel mensen veranderd en verzuurd. Veel meer mensen worden nu frequent geconfronteerd met evaluaties, controles, visitaties en ook de controleurs moeten worden gecontroleerd. De controles van controles noemt men dan audit. Leerkrachten ervaren ze vaak meer als tijdrovende en arbeidsbelastende plaagstoten dan als middelen om de onderwijspraktijk te verbeteren. De oorspronkelijke pleitbezorgers van dit beleidsmodel verwezen kwistig naar Friedrich von Hayek en de Chicago-economen. De beleidsfilosofie en de beleidspraktijk die op het neoliberale denken zijn gegroeid, werden vanaf de negentiger jaren ruim overgenomen door andere politieke strekkingen, onder meer ook gepromoot door Bill Clinton en Tony Blair, getheoretiseerd in de Derde Weg en zelfs ten dele opgenomen in het idee van de actieve welvaartsstaat. De onderwijsbonden werden voor de realiteit geplaatst dat diegenen waarvan zij verwachten dat ze hun visie zouden delen, meezongen in het neoliberale koor. Het maakte er hun taak niet gemakkelijker op. Moesten scholen niet meegaan in de sterk veranderende wereld? Vanzelfsprekend. Waren de leermethoden op scholen wereldwijd niet blijven steken in traditionele patronen? Ervaringen met onderwijsstelsels in alle continenten laten moeilijk een andere conclusie toe, al mag die vaststelling zeker niet veralgemeend worden. Maar of dit betekent dan men zonder meer methoden en strategieën uit de bedrijfswereld kan overplanten om tot beter onderwijs te komen is een dwaling. Onderwijs moet meer zijn dan een talentenjacht in functie van economische ontwikkeling. De humanistische waarden die het onderwijs traditioneel op het oog had blijven van onschatbare waarde. Die dreigen weg te spoelen door een overdreven aandacht voor rationeel opgebouwde leerprocessen die eenzijdig mikken op kennisoverdracht, het bijbrengen van competenties en eng geïnterpreteerde attitudevorming.

116

Het neoliberale verhaal was verkeerd. Het steunde op een belachelijk ouderwetse opvatting over de natuur van de mens. Het is ongevoelig voor ongelijkheid. Blind op vele vlakken. De internationale onderwijsvakbeweging heeft zich van het begin af tegen deze desastreuze beleidsfilosofie gekeerd. Het WVOP liet zich daarbij niet onbetuigd. Het congres van Caracas waarschuwde in 1989 al voor de schadelijke gevolgen ervan voor het streven naar een solidaire gemeenschap die kansengelijkheid als één van haar voornaamste prioriteiten poneert. Vooral het beleid van de Wereldbank, het Internationaal Monetair Fonds en, in de geïndustrialiseerde landen, de OESO werden op de korrel genomen. De grotere gevoeligheid voor markteisen in termen van ‘management’ werd niet zonder slag of stoot onderschreven. Efficiëntie en inventiviteit leken de hoogste streefdoelen te worden, dereguleringen gingen gepaard met een sterkere onderwijscontrole die wel verlegd werden naar onderliggende niveaus, die vooral mikten op een versterking van de gezagstructuren van schooldirecties en diverse inspectiekaders, die in managementcursussen begrippen als kwaliteitscontrole en kwaliteitsbegrippen ingestoomd kregen. Lokale autonomie zonder democratische betrokkenheid van onderuit moest worden bevochten. Schaalvergrotingen op niveau van het beheer ging gepaard mat schaalverkleining op het niveau van de directe beleidsverantwoordelijkheid. Jarenlang moesten de onderwijsbonden pleiten voor meer tewerkstellingsmogelijkheden ondanks teruglopende budgetten, moest de strijd aangebonden worden tegen de erosie van de maatschappelijke status van het leraarschap, die er een gevolg van was. Een hervorming van lerarenopleiding, her- en bijscholingskansen stonden van dan af permanent op de beleidsagenda om de vele ontwikkelingen te kunnen bijhouden. De impact van de nieuwe informatie en communicatietechnologie was ingrijpend. De impact van internationaal gestuurde ontwikkelingen nam spectaculair toe. Bleef de besluitvorming essentieel op het nationale niveau gesitueerd, de inspiratie en sturing kwam van hogere niveaus. Afspraken op Europees niveau bijv. werden als nationaal beleid opgediend. In OESO – en UNESCO-verband werden stellingen en engagementen onderschreven waarover men nadien verantwoording verschuldigd was. Allemaal thema’s en ontwikkelingen die op de opeenvolgende WVOP-congressen voor verhitte debatten zorgden en in scherpe stellingnames uitmondden. Rond de eeuwwisseling vroeg het probleem van de vermarkting van het onderwijs extra aandacht. In 1994 had de Wereldhandelsorganisatie (WHO) een Algemeen Handelsakkoord voor Diensten goedgekeurd (vooral gekend onder zijn Engelse en Franse acroniemen GATS en AGCS) waarin ook het onderwijs ingeschreven stond als een te liberaliseren dienst. Onder impuls van internationale instanties, politieke en economische machtscentra, die de realisatie van een wereldomvattende vrije markt op het oog hebben, was ook de onderwijssector meer en meer als een via internationale afspraken te commercialiseren dienst beschouwd. De enorme consequenties waren voor alle waarden en objectieven die traditioneel via onderwijs worden nagestreefd, een regelrechte bedreiging. Bovendien was het onmiskenbaar dat het probleem van de broodnodige betere financiering van onderwijs steeds acuter werd. Sponsoring, privéfinanciering, partnerships privé/openbaar, … werden steeds nadrukkelijker gepromoot. De sterkste motor in dat kader bleek echter het voormelde GATS-akkoord dat de lidstaten van de WHO op korte termijn voor belangrijke beslissingen plaatste. De Europese Unie, die namens de lidstaten aan de besprekingen daarover deelnam, werden door hen onder druk gezet. Sommige landen waren pro de opening van de wereldwijde

117

onderwijsmarkt, de meeste andere lidstaten waren van genuanceerd tegen tot afwijzend. Die laatsten voelden overigens ook de weerstand van o.m. de onderwijsvakbonden in de rug en kozen voor pragmatischer, ‘nationale’ oplossingen voor het financieringsprobleem. De onderwijsbonden dienden uitdrukkelijk rekening te houden met drie onlosmakelijke dimensies van de vermarktingsproblematiek: - het mondiale perspectief, specifiek de GATS-onderhandelingen en de consequenties daarvan op regionaal en nationaal niveau; - het regionale perspectief, rekening houdend met de impact van regionale intergouvernementele economische samenwerkingsverbanden zoals o.m. de EU in Europa, de NAFTA in Noord-Amerika, de Mercosur in Latijns-Amerika, de ASEAN in Azië, … - het nationaal perspectief met diverse marktgerichte ontwikkelingen waarvan hiervoor al sprake. De kwestie was al lang niet meer of er marktwerking moest komen in het onderwijs maar hoe. Het WVOP nam ook daarover stelling op zijn regionale en mondiale congressen. Een reeks van initiatieven: bestuursvergaderingen, seminaries, colloquia, vormingscursussen, … in alle continenten werden op het getouw gezet om de nationale verantwoordelijken te informeren en te motiveren om deze ontwikkelingen gepast te kunnen opvolgen en beantwoorden. De toenemende mondialisering van de economie verscherpte de problematiek en verplichtte de onderwijsvakbeweging, zich consequent in te schakelen in de globale beweging voor een sociaal rechtvaardige globalisering. De deelname aan sociaal- economische fora op alle niveaus was daar een logisch gevolg van. Het vigerende model van globalisering heeft geleid tot de de-industrialisering van hele regio’s, tot de achteruitgang van de infrastructuren, tot slecht functionerende maatschappelijke structuren en heeft spanningen veroorzaakt door ongecontroleerde en ongereguleerde processen van economie, maatschappijvorming en migratie op gang te brengen. Het idee van een duurzame ontwikkeling die het milieu voor de komende generaties moet beschermen, is vervangen door het idee van vrije handel als het wondermiddel voor elk probleem. De absoluut vrije markt en zelfs niet de sociaal gecorrigeerde vrije markt die men in West-Europa voorstond. De gevolgen voor het onderwijs en de leerkrachten zijn ingrijpend. De onderwijsvakbeweging stond en staat daar voor enorme uitdagingen. Het engagement voor de realisatie van de Millenniumdoelstellingen, acties als Education for All, het Global forum for education, de strijd tegen kinderarbeid, e.a. illustreert dat de onderwijsvakbeweging haar verantwoordelijkheid ter zake niet verwaarloost. Gedurende heel de periode waarin het WVOP actief was bleef het geconfronteerd met de uitdaging om de problemen van de mondiale ontwikkelingen voor het onderwijs, en meteen ook de leerkrachten, de hoogste prioriteitsorde te doen toekennen. Het moest daarbij permanent opboksen tegen de realiteit die wij op het congres van Caracas in 1989 al scherp had gegispt: “Het onderwijsbeleid en de onderwijssystemen worden geconditioneerd door een breed en complex geheel van politieke voorwaarden die te maken hebben met een aantal

118

belangrijke kernproblemen die zich aan elke gemeenschap opdringen. Vele hedendaagse economisten hebben, vanuit een strikt reductionistisch standpunt, de maatschappelijke betekenis van het onderwijs van een aantal dimensies beroofd, wellicht omdat zij de economische dimensies dominanter achten. Vermits het vooral economisten waren die, over de grenzen van landen en continenten heen, de onderwijspolitiek proberen te sturen, zowel in de geïndustrialiseerde landen als in ontwikkelingslanden, kregen hun standpunten een stijgend belang in de vakbondsanalyses. De economisten hebben de filosofen en de pedagogen naar het tweede plan verwezen. Hun invloed op het gevoerde beleid is zo groot geworden dat de repercussies op de maatschappelijke verhoudingen in en rond het onderwijs, op het statuut van de leerkrachten, zowel financieel, maatschappelijk als arbeidsvoorwaardelijk, op onderwijsinhouden- en finaliteiten, in vele gevallen determinerend zijn”. Dat was toen het geval en dat is zo gebleven tot op vandaag. Gelukkig is het bewustzijn gegroeid, ook bij de instanties van de familie van de Verenigde Naties dat deze situatie niet kan blijven evolueren zoals dat in de afgelopen decennia het geval was. Een wereldwijde mobilisatie om de mens opnieuw centraal te stellen in het beleid is daar een bewijs van. Uiteindelijk komt het er op neer dat men respect vraagt voor elementaire mensenrechten. Mensenrechten worden al te gemakkelijk als een evidentie beschouwde. De wereldgemeenschap moet veel meer inzetten op mensenrechteneducatie, van kinderen en volwassenen. Mensenrechten zijn de hoogste normen in onze samenleving; ze bepalen de grenzen van toelaatbaar gedrag, door overheden als privépersonen. De papieren rechten van de Universele Verklaring moeten geactiveerd worden door mensen. De onderwijsvakbeweging heeft zeker bijgedragen om die bewustwording te stimuleren. Het WVOP heeft daar, met de middelen en mogelijkheden waarover het beschikte, een bescheiden maar betekenisvolle bijdrage toe geleverd.

Een “waardenvolle” onderwijsvakbond

Als er één onderwijsinternationale geweest is die haar acties en haar streven permanent op een brede waardeschaal oriënteerde, dan is dat zeker het WVOP geweest. Dat lag inherent verbonden met de basisprincipes die het WVA in zijn beginselverklaring verankerde en die het WVOP ook als richtsnoeren voor zijn opstelling onderschreef. De verdediging van elke persoon in al zijn dimensies, als werknemer, als individu en als sociaal wezen, spiritueel en materieel, was voor het WVA/WVOP primordiaal. Daartoe werd een maatschappelijk project voorgestaan dat zich niet beperkte tot een eng syndicale opstelling (in de betekenis van de behartiging van vooral materiële belangen). Overal een democratische samenleving bevorderen veronderstelde vanzelfsprekend dat men ook in eigen schoot een echt democratisch beleid moest realiseren. Dat had o.m. tot gevolg dat aan de continentale organisaties een ruime autonomie werd toegekend. Het WVA stelde zich daarmee tot doel, onafhankelijk van welke externe macht ook, het belang

119

van de werknemers te verdedigen door overal in de wereld hun reële noden en eigen betrachtingen als uitgangspunt te nemen. Dit veronderstelde dat rekening werd gehouden met de specifieke uitdagingen waarmee zij in hun eigen leef- en werksfeer worden geconfronteerd. Een uitdaging met vergaande organisatorische en programmatorische consequenties. Voor het WVA moest de economie in de eerste plaats in dienst van de mensen staan en niet de mensen in dienst van de economie. De werknemer is niet zonder meer tot een productiefactor te herleiden maar blijft een persoon die recht heeft op een waardig bestaan, op kansen voor ontwikkeling en zelfontplooiing, die gerespecteerd wordt voor wat hij betekent voor de uitbouw van de samenleving, ook maar niet alleen in het arbeidsproces, maar evenzeer in familiaal en sociaal verband. Dergelijk syndicalisme bepleiten wilde een bijdrage leveren tot de reële ontvoogding en ontwikkeling van allen, zeker van de minstbedeelden en de meest gediscrimineerde groepen in de samenleving: vrouwen, migranten, werklozen, marginalen, … Het verdedigt het zelfbeschikkingsrecht van de volkeren, hun ongebondenheid tegenover economische, politieke en militaire machtsblokken. Het WVA verwierp daarom zowel kapitalistische onderdrukking als marxistische staatscontrole en elke andere vorm van dictatuur. De strijd voor de mensenrechten in het algemeen, de vakbondsrechten en democratische vrijheden in het bijzonder, overal ter wereld, stond hoog in het vaandel geschreven. Dit alles veronderstelt concrete actie, wereldwijde solidariteit, ijveren voor vrede en ontwapening, echte dialoog en echte onderhandelingen i.p.v confrontaties op basis van machtsargumenten. In de lijn van deze WVA-opstelling formuleerde het WVOP zijn doelstellingen met betrekking tot het onderwijs en het onderwijspersoneel. Het legde daarbij de nadruk op de rechten en vrijheden op het gebied van onderwijs, die door de internationale gemeenschap in basisdocumenten werden vastgelegd. Voor de verdediging van de belangen van het onderwijspersoneel refereerde het WVOP vanzelfsprekend naar de normen die internationale bekrachtigd werden door de instellingen van de Verenigde Naties en de regionale intergouvernementele instanties. Maar niet alleen daarnaar.

Het onderscheid tussen waarden en normen.
Voor een goed begrip van de WVOP-opstelling past het hier aan het onderscheid tussen normen en waarden te herinneren. Waarden hebben structureel andere kenmerken dan normen, zodat een automatische koppeling van waarden aan normen eerder verwarrend werkt dan verhelderend. Waarden scheppen ruimte, normen brengen beperkingen aan; waarden geven aan wat in abstracte zin goed, gewenst, waardevol wordt bevonden; normen geven meestal veel concreter aan wat onjuist en ongewenst wordt geacht. Waarden bepalen geen specifieke gedragingen, normen geven wel concrete richtlijnen voor gedrag. Ook al onderschrijven mensen dezelfde waarden, toch kan hun feitelijk gedrag, dat op die waarden is georiënteerd, zeer ver uiteenlopen. Bij normen is het nuttig onderscheid te maken tussen enerzijds rechtsnormen, die voor iedereen verplichtend zijn en anderzijds bepaalde sociale en morele normen, die geen wettelijke bekrachtiging kennen en die beperkt blijven tot bepaalde sociale groepen. Omdat conflicten over waarden en normen in een samenleving onvermijdelijk zijn, zijn stabiele manieren om die conflicten op een zodanige manier op te lossen dat de samenleving niet intern wordt verscheurd, van uitermate groot

120

belang. De democratische rechtstaat en de daarin tot uitdrukking gekomen waarden en normen bieden dit stabiele en gemeenschappelijke kader. Aanvaarden dat wij onder redelijke mensen van mening kunnen verschillen over wat redelijk en goed is, is een inzicht dat we een van de grootste verwezenlijkingen van onze beschaving kunnen noemen: de harde grondslag van verdraagzaamheid. Dialoog, discussie en debat zijn voorwaarden om over voorkeuren te praten en te oordelen. Essentieel zijn de bereidheid en de mogelijkheid tot dialoog. Het is deze visie die het WVOP inspireerde bij zijn tussenkomsten en de motivering voor de bereidheid om met andere organisaties en instanties de dialoog aan te gaan ook al baseerden zij zich op andere normen en waarden bij het uitwerken van hun basisopstelling. In hoofdstuk 7 hebben wij daarom toegelicht hoe het WVOP zijn waardenpatroon in zijn contacten en stellingnames met anderen toelichtte en onderbouwde. Het was vanzelfsprekend geen toeval dat op het laatste WVOP-congres in februari 2006 in Sevilla precies de waardenproblematiek en de consequenties die de principes van onderwijsvrijheid en het recht op onderwijs voor allen verbinden, extra onder de aandacht werden gebracht. In een periode waarin het waardendebat weer erg actueel werd en het WVOP opteerde om zich te integreren in een eenheidsbeweging, de EI, was dit niet meer of niet minder dan een consequent bevestigen van de beginselen die altijd aan de basis van de WVOP-opstelling hadden gelegen. Het was meer dan betekenisvol dat de resolutie die het congres er goedkeurde daarbij uitdrukkelijk verwees naar o.m. de Universele Verklaring van de Rechten van de mens (1948), het Internationaal verdrag betreffende de economische sociale en culturele rechten (1976), de Universele verklaring van de UNESCO over culturele diversiteit (2001), de aanbeveling van de Raad van Europa over democratisch burgerschap (2002), … Daarmee werd immers herhaald dat de opstelling van het WVOP steeds perfect in harmonie was geweest met het instrumentarium dat de internationale gemeenschap wat dat betreft in belangrijke teksten heeft vastgelegd. Het feit dat ook verwezen werd naar de Ethische Code, goedgekeurd door het EI -congres, en naar de gemeenschappelijke principeverklaring WVOP/EI (2004), beklemtoonde meteen dat de WVOP-leden deze lijn wensten door te trekken na hun integratie in de eenheidsorganisatie die de EI wil zijn. De inspiratie bleef evenwel onveranderd en mikte op meer dan het afstemmen op formeel vastgelegde normen alleen. Om het debat daarover, ook EI -rangen, te bevorderen werd vanuit de WVOP/EIgroep nog een discussiedocument aangeboden waaruit wij hierna, afsluitend, een paar belangrijke overwegingen willen in herinnering brengen, omdat zij de geest en leest illustreren die aan de WVOP-opstelling ten gronde lagen.

Het actuele waardendebat
In UNO en UNESCO- teksten wordt de laatste jaren onomwonden over een globale waardencrisis gesproken. Wie via zoekrobotten het internet raadpleegt leert vlug de weg naar vele internationale en nationale onderzoeken, fora, conferenties, studiegroepen,… ontdekken, die de waardenproblematiek vanuit diverse invalshoeken op de agenda hebben gezet en waarvan internationale gouvernementele en niet-gouvernementele organisaties initiatiefnemer en motor zijn.

121

Opvallend is de bijzondere aandacht die daarbij uitgaat naar de verhoudingen tussen de ideologische, religieuze en culturele stromingen en instanties enerzijds en de rol van onderwijs, vorming en de ethische dimensie van het wetenschappelijke onderzoek anderzijds. Een paar opvallende vaststellingen daarbij: Technologische vooruitgang, welvaartsstijgingen, … gaan niet altijd gepaard met ethische ontwikkeling en verbetering van de levenskwaliteit om in echte harmonie te leven. De vooruitgang inzake informatie, technologische ontwikkelingen, verbruik en competitiviteit, mondialisering, cultureel pluralisme wordt te weinig vanuit het waardenperspectief geduid. De economische mondialisering vergroot de kloof tussen landen en volkeren, tussen arm en rijk in de gemeenschappen. Onrust en onbehagen zijn daar een te verwachten gevolg van. Globaal mag worden vastgesteld dat de samenleving zowat overal ruwer is geworden, een ieder-voor-zich-maatschappij waarin respect en verdraagzaamheid ver te zoeken zijn. Ook economen hebben nu het belang ontdekt van zaken als sociaal kapitaal, middenveld, waarden als vertrouwen en solidariteit en zelfs fatsoen. Allerlei instanties formuleren hun waarden in mission statements, banken gaan ethisch bankieren, bedrijven ontwikkelen een eigen (globale waardenvisie) waarin werknemers zich moeten leren herkennen en die ze mee moeten helpen realiseren. Nu de moderne mens ontdekt dat vooruitgang stiekem steunde en steunt op iets anders dat lang verborgen bleef: stilzwijgend doorgegeven in voortlevende tradities, gewoonten, houdingen, waarden, hoe men dat ook wil noemen. Wanneer ze in het gedrang dreigen te komen en meteen ook de vooruitgang ondermijnen, beseft men hoe belangrijk ze zijn. Een bepaalde idee van politiek is vandaag bijzonder invloedrijk m.n. dat politiek een rationele, wetenschappelijk-technische ondersteunde organisatie is van de samenleving in dienst van de burger als ’cliënt’. Binnen deze visie zijn sociale groepen met een eigen identiteit of gemeenschappelijke belangen eigenlijk hinderlijke elementen. Dit geldt zowel ten aanzien van vakbonden als van godsdiensten en andere zingevingstructuren. Wat telt in deze politiek is de vrijheid van het individu om zijn privé-doeleinden na te streven. De wet wordt niet langer primair gezien als de weergave van de zeden van een gemeenschap, maar als een geheel van regels die de samenleving moeten omvormen tot een neutrale ruimte voor het vrije initiatief van ‘losse’ individuen. De wet weerspiegelt niet langer gemeenschappelijke waarden, maar is erop gericht deze actief te vervangen door ‘universele normen’ in dienst van ‘vrijheid en vooruitgang’. De wet holt voortdurend vooruit op de maatschappelijke realiteit. Dat geldt ook op supranationaal vlak. Tolerantie wordt vaak verward met onverschilligheid. De internationale gemeenschap heeft de jongste jaren op brede schaal initiatieven ontwikkeld om over alle tegenstellingen heen een dialoog te bevorderen die kan bijdragen tot meer wederzijds begrip, tot meer tolerantie en respect, als essentiële bijdragen om, naast het terug valoriseren van traditionele waarden - die in de crisis hun wortels dreigen te verliezen -, ook nieuwe waarden als het streven naar vrede, de strijd tegen racisme, openheid voor een menselijke mondialisering en ecologisch bewustzijn willen promoten. De interculturele en interreligieuze dialoog wordt sterk aangemoedigd en ondersteund. De conclusies ervan vinden hun weg in officiële stellingnamen van wereldorganisaties en hun regionale componenten. De betrokkenheid van de organisaties van het

122

middenveld (vakbonden, mensenrechtenorganisaties, vredesbewegingen, ecologische bewegingen,…) worden daarbij als onontbeerlijk beschouwd. Aan de school en aan het onderwijs wordt vaak een bijzondere taak toegekend bij de overdracht van algemene waarden en normen. Dit is in zoverre juist dat in de verschillende onderdelen van het onderwijs, met name in de lessen, waarden worden aangeleerd. Maar ook in het algehele klimaat op school, in de gedragsregels die er bestaan en in de discipline die wordt aangeleerd, heeft het onderwijs een belangrijke morele en pedagogische taak. Deze taak hoeft niet te worden ondergebracht in een apart vak ‘waarden en normen’, maar dient wel in het bestuur en beheer van de school en in de beoordeling van de kwaliteit van het onderwijs expliciet aan de orde te komen. De specifieke overdracht van belangrijke waarden van de rechtsstaat, de democratie en burgerschap dient deel uit te maken van bestaande vakken zoals geschiedenis en maatschappijleer. In lerarenopleidingen, vooral voor het voortgezet onderwijs, dient meer tijd en aandacht te worden besteed aan gedragsregels en de handhaving ervan, alsook aan het omgaan met morele vraagstukken in de klas.

Rol van de onderwijsvakbeweging
Het leven en samenleven steunt op gedeelde waarden, gemeenschappelijke aangevoelde behoeften, gevoelens van verbondenheid, gedeelde kennis en vaardigheden. Een samenleving is geen contract. Vroeger was cultuur traag, ingebed in de taal, meegegeven door ouders en via dure, schaarse boeken. Vandaag is cultuur snel en alomtegenwoordig, in belangrijke mate bijgebracht tijdens het kwart van het leven dat steeds meer mensen op school doorbrengen. De waarden waarop een solidaire vakbondswerking in de onderwijssector steunt maken er een bevoorrechte partner van in het waardendebat in het algemeen en het waardendebat rond onderwijs en vorming in het bijzonder. Op het internationale, en bij afleiding ook op het nationale vlak, heeft de onderwijsvakbeweging zich, zoals hiervoor al herinnerd, vooral gemanifesteerd op het vlak van de verdediging van de normen, rechten en vrijheden zoals die vertaald liggen voornamelijk in de internationale instrumenten van de UNO, de UNESCO en de IAB. Nu de rol van de vakbonden, zoals de rol van andere zingevinginstanties en de rol van het onderwijs zelf in het vrije marktdenken bedreigd worden blijft dit meer dan een prioritaire noodzaak. Met andere instanties van de internationale familie heeft zij traditioneel ook samenwerking en betrokkenheid nagestreefd. Nu, veel explicieter dan voorheen, het debat op alle niveaus niet alleen over normen gaat maar, niet minder, over de waarden die ze onderbouwen, wordt de verantwoordelijkheid van de onderwijsvakbeweging nog belangrijker. Om als volwaardige partner aan het internationale waardendebat te kunnen deelnemen, bestaat meer dan voorheen behoefte aan een coherente visie op wat in de mondiale relaties leeft en beweegt. Dit is des te meer het geval omdat de leraren en het onderwijs vandaag met nieuwe uitdagingen wordt geconfronteerd die niet eenduidig in bestaande normen en conventies vallen te vatten. Het betreft uitdagingen die de kern zelf van onderwijs en opvoeding van toekomstige generaties raken, maar evenzeer het referentiekader waarbinnen het beleid ten aanzien van de leraren wordt gesitueerd. Het debat raakt hen daarom rechtstreeks in hun professionalisme, in hun vorming, hun deontologie, hun academische vrijheid, hun maatschappelijke rol en het ermee verbonden

123

prestige, … Het interculturele en interreligieuze debat o.m. verdient daarom preferentiële aandacht van een organisatie die alle leraren, over alle verschillen van opinie, religie, levensbeschouwing, ras of stand heen, wil vertegenwoordigen, omdat het in hoge mate het wezen van onderwijs, opvoeding en vorming raakt. Precies gelet op die grote verscheidenheid van opinies, ervaringen, levensbeschouwingen en maatschappijvisies tussen de leraren en hun organisaties is de noodzaak van een interne dialoog onontbeerlijk. Dat is bovendien de beste garantie dat de standpunten die de onderwijsvakbewegingen namens haar leden inneemt niet gekleurd zijn door neutrale eenzijdigheid maar berekend op de diversiteit van de leden die in haar hun vertrouwen hebben gevestigd. Op die manier kunnen gedeelde waarden, gemeenschappelijke aangevoelde behoeften, gevoelens van verbondenheid, gedeelde kennis en vaardigheden er de relevantie alleen maar verhogen. Deze ‘opdrachtverklaring’ voor de onderwijsvakbeweging van vandaag ligt in de lijn van de visie op waarden en normen die het WVOP gedurende heel zijn bestaan heeft voorgestaan. Het komt de voormalige WVOP-leden toe die visie te blijven verdedigen in de context van de initiatieven die de EI op dat gebied zal opzetten of ondersteunen.

Hoofdstuk 13

124

Uitgeleide DE NALATENSCHAP VAN HET WVOP
(Herwerkte en ingekorte versie van een toespraak in Berlijn (D) op 21 juli 2008 naar aanleiding van de ontbinding van de WVOP/EI-groep)

In de geschiedenis van het WVOP, die wij in deze uitgave uitschreven, was het onbegonnen werk om de betekenis van de inzet van vier generaties vakbondsverantwoordelijken voor en door het WVOP voldoende te kunnen belichten. Toch loonde het de moeite om dit ook in deze eerder beperkte omvang te pogen, omdat die geschiedenis ons, paradoxaal genoeg, misschien evenveel kan leren over de toekomst als over het verleden. Het was de bedoeling van de auteur op die manier erkentelijkheid uit te drukken voor wat velen in en door het WVOP hebben gerealiseerd en voor het vele dat velen via die inzet jarenlang enorm verrijkt, gemotiveerd en gestimuleerd heeft. In dit in vele opzichten afsluitend hoofdstuk beperken wij ons tot het stellen van enkele vragen en het formuleren van een eerste voorlopig antwoord erop. De argumentatie waarop dat antwoord steunt staat uitvoeriger verwoord in de voorafgaande hoofdstukken. Misschien zullen latere onderzoekers in een en ander inspiratie vinden om een omvangrijker en steviger gedocumenteerd oordeel over de betekenis van het WVOP uit te schrijven. 1. Was het WVOP een solospeler, gefocust op zijn eigen gelijk, of heeft het de samenwerking met anderen, over alle tendensen en ideologieën heen, bevorderd zonder daarbij zijn eigenheid te verliezen? 2. Heeft het WVOP in zijn acties en zijn opstelling voldoende aangevoeld welke wijzigende invloeden en belangen de situatie van het onderwijs en van de leerkrachten beïnvloedden in de loop der jaren? 3. Is het WVOP er in geslaagd gedurende de enkele decennia van zijn bestaan een meerwaarde te realiseren voor het onderwijssyndicalisme en dus voor de verdediging van de belangen van het onderwijspersoneel? 4. Rendeerde die inzet wereldwijd en heeft het WVOP zijn objectieven in dat verband weten waar te maken?

125

Ten slotte: 5. Heeft de boodschap van het WVOP nog betekenis voor de toekomst? Voorafgaand deze vraag: Waarom was het zo nodig om het WVOP op te richten en wanneer gebeurde dat? Tijdens het officiële stichtingscongres, op 5 september 1970, werd er aan herinnerd dat de organisatie op dat ogenblik al op een voorgeschiedenis kon bogen. Dateerden de eerste gesprekken over de oprichting van een ev. onderwijsbond van het toenmalige ICV al van 1958, het zou tot 8 januari 1963 duren vooraleer een Internationale Raad van Vakorganisaties uit de onderwijssector werd opgericht in de schoot van en dus als een afdeling van INFEDOP. De eerste bedoeling was erkenning krijgen van de ILO om te kunnen zetelen in het expertencomité dat in die periode een tekst voorbereidde die, in 1966 de ‘Aanbeveling ILO- Unesco over de positie van het onderwijzend personeel’ zou worden. Op Europees niveau hadden de onderwijsinitiatieven van de Raad van Europa en niet in het minst de oprichting van de EEG ook bij alle verantwoordelijken de overtuiging van de noodzaak van een specifieke onderwijsinternationale doen groeien, dus ook bij het WVA, om de mondiale ontwikkelingen te kunnen blijven volgen. Van 1970 af werd het WVOP, de nieuwe benaming van de vroegere raad, als autonome vakorganisatie van het WVA aanvaard. Zoals dat het geval was voor de meeste andere leerkrachtenorganisaties werd toen de opvolging van de onderwijsproblematiek, stricto sensu, eerder van professionele organisaties verwacht. Zich beperken tot het louter syndicale werkveld was voor het WVOP echter een utopie in een context waarin internationale leerkrachtenorganisaties geleidelijk een stem verwierven op het internationale onderwijsforum. Dat deed het toen niet en later evenmin. Meteen kunnen wij al een antwoord formuleren op de eerste vraag die ik bij het begin stelde: was het WVOP een solo-speler? 5 voorbeelden ter staving van een conclusie: 1. Reeds in 1972 werden er al gesprekken gevoerd tussen het WVOP en de SPIE om te onderzoeken of het oprichten van een gemeenschappelijke syndicale organisatie niet haalbaar zou zijn om op die manier meer gewicht in de schaal te kunnen werpen in het internationale debat, in tegenstelling tot de professionelen. Vooralsnog zonder succes. Wel kwam een succesvol Gemeenschappelijk Front tot stand tussen WVOP en SPIE enerzijds en de internationales van de openbare diensten en de openbare nutsvoorzieningen (post, telefonie, telegrafie, ...) van het WVA en van het IVVV. In 1975 kwam die structurele samenwerking op onderwijsvlak er toch en wel door de oprichting van een gemeenschappelijk vakbondscomité in Europa: het EVO. De CMOPE (en de FISE) zochten aansluiting maar die deur werd gesloten gehouden precies met het

126

argument dat de leden van de CMOPE lang niet allemaal vakbonden waren. Voor de FISE speelden ideologische motieven. 2. Vooraleer de integratie van de CMOPE-organisaties toch mogelijk werd (in 1980) zijn er een aantal confronterende initiatieven noodzakelijk geweest om die aansluiting mogelijk te maken . Het WVOP heeft daarbij een sleutelrol gespeeld. In de geschiedenis van het EVO die in 2007 van de persen liep wordt die essentiële rol verder toegelicht. 3. Het WVOP was ook de algemeen erkende promotor van een ruimere samenwerking tussen de vier onderwijsinternationales; naast WVOP en SPIE dus ook de CMOPE en de FISE). Om de 2 jaar werd door de vier een gemeenschappelijk document uitgeschreven voor de Internationale onderwijsconferentie van de BIE/UNESCO die in die jaren een grote impact had op het onderwijsgebeuren wereldwijd. Meer, in 1976 kon in Kopenhagen, een gemeenschappelijke conferentie over lerarenopleiding en beroepsvervolmaking worden georganiseerd. Een directe ontmoeting tussen de onderwijsvakbonden van oost en west in volle koude oorlog. Een merkwaardige ervaring voor alle deelnemers. In 1986 kwam er zelfs en gemeenschappelijke vergadering van de besturen van de vier samen in Brussel. Het was niet toevallig dat die vergadering doorging op het WVOPsecretariaat. 4. Toen na de implosie van het Warschau-pact en het onafhankelijk worden van de vroegere Sovjetrepublieken, de poort naar het westen open ging, was het in het WVOP dat vele onderwijsvakbonden uit die regio, vanaf 1995, hun aansluiting bij het internationale vakbondswerk vonden, op het ogenblik dat andere deuren voor hen nog gesloten bleven op grond van politieke overwegingen. Tussen de organisatie van de GOS-landen en het WVOP kwam er zelfs een samenwerking tot stand die uitmondde in vormingsseminaries, vertegenwoordigingen, contacten, en een samenwerkingsakkoord, ... 5. Officieel omwille van visa-problemen - maar allicht speelden er nog wel andere motieven - liet een 10-koppige delegatie van de onderwijsvakbond van China het af weten om aanwezig te zijn op het WVOP- congres in Albena in 2002. Het antwoord op de eerste vraag is onbetwistbaar: het WVOP heeft zich nooit aan samenwerking onttrokken en heeft wel degelijk een belangrijke bijdrage geleverd tot de versterking en een betere structurering van het onderwijssyndicalisme. Dat het daarbij steeds respect vroeg en kreeg voor zijn eigenheid en zijn specifieke opstelling zal niemand betwisten. Dat het voor dat standpunt geleidelijk ook meer begrip en waardering heeft ondervonden zowel bij de partners als bij de intergouvernementele instanties heef ongetwijfeld bijgedragen tot meer verdraagzaamheid en een beter inzicht in wat lidorganisaties beroerde en onderscheidde, zowel nationaal als internationaal. De tweede vraag betrof de actualiteitswaarde van de WVOP-standpunten. Het zou te gemakkelijk zijn gewoon te verwijzen naar de congresthema’s van de opeenvolgende WVOP-congressen. Wie vandaag echter de congresstukken, vanaf

127

deze van het 3de congres van Houffalize (1981) tot het 8ste in Sevilla (2006), er op naleest, zal moeten concluderen dat die niet alleen bijzonder actueel waren maar tot op vandaag nog in hoge mate actueel gebleven zijn. Dat geldt niet in het minst voor de goedgekeurde resoluties die er op geënt werden. Zij waren het resultaat van intens overleg vooraf en werden tijdens de debatten bijgestuurd en aangevuld. Zij vonden nadien hun weg in vele publicaties en stellingnamen van lidorganisaties, bepaalden mee de interventies t.g.v. internationale evenementen als de Jaarlijkse algemene vergadering van de ILO, de Algemene Conferenties van de UNESCO, de stellingnamen t.g.v. de internationale onderwijsconferenties, tijdens de paritaire commissies voor het onderwijspersoneel bij de ILO (in 1980 en 1990), ... Werd in Houffalize vooral gefocust op arbeidsvoorwaarden, op de positie van het onderwijspersoneel, en dus op de aanbeveling UNESCO-IAO van 1966; in Nürnberg (1985) stond ‘De rol van de onderwijsvakbeweging in een veranderende samenleving’ geagendeerd. De analyses van de ontwikkelingen op de diverse maatschappelijke terreinen die daar toen als uitgangspunten werden geformuleerd, hebben in feite de basis gelegd voor de standpunten die op latere congressen werden uitgediept en geanalyseerd. In die zin vormen zij een sleuteldocument voor wie de betekenis van het WVOP in de loop der jaren wil inschatten. Het congres van Caracas in 1989 handelde over ‘Onderwijs en vakbeweging in en doorheen de crisis’. Wereldwijd beleefde de wereldgemeenschap in die tijd een jarenlange crisis die, destijds vooral onder impuls van de WB en het IMF, voor het onderwijs en de leerkrachten in een aantal landen catastrofale gevolgen had. Ook vandaag nog, ondanks gewijzigd beleid, blijft de invloed van de instellingen van Bretton Woods pijnlijk negatief zoals ze zelf in recente rapporten nog moeten toegeven. Om over de GATS-story dan nog te zwijgen. In 1994 volgde het congres van Dakar. Het thema: ‘Onderwijspersoneel geëngageerd voor democratie, cultuur en ontwikkeling’ had voor dat beproefde Afrika toen, maar ook later, een grote betekenis. Te gemakkelijk is elke cultuur geneigd zijn eigen leefwijze als maatstaf te nemen voor elke ‘andere’ cultuur en voor de mensheid als geheel. Gelukkig groeide in de internationale gemeenschap het besef dat elke cultuur uniek en onvergelijkbaar is en uitsluitend op zijn eigen normen kan getoetst worden. Dat besef helpen groeien was de niet geringe ambitie van het Dakar-congres. In 1998 focuste het 7de wereldcongres in Kuala Lumpur op het thema ‘Leerkrachten voor de 21ste eeuw’ vanuit de overtuiging dat het met het onderwijsambt in de wereld fout liep en dat hoofddringend een mentaliteitsverandering moest geprovoceerd worden wil de wereldgemeenschap haar grote objectieven ooit kunnen verwezenlijken. ‘Education for All’, de strijd tegen kinderarbeid, AIDs, e.d. vroegen om verscherpte aandacht en inzet. Zonder een essentiële bijdrage van een overtuigd en voldoende gewaardeerd onderwijskorps een verloren strijd. In 2002 volgde het Albena-congres rond het thema: ‘De leerkrachten, professionelen van het onderwijs en actoren van sociale inclusie’. Een geactualiseerd antwoord op de vraag naar rol en betekenis van de leerkracht en

128

de voorwaarden die moeten voldaan worden om die rol te kunnen waarmaken. Dit in het licht van belangrijke initiatievenn van diverse internationale instanties. Sevilla 2006 bracht een essentieel element van de WVOP-boodschap sterk voor het voetlicht: ‘De uitdaging: kwaliteitsvol onderwijs voor allen en van waardenopvoeding, een essentiële opgave voor de leerkrachten’. Er waren uiteraard niet alleen de congresthema’s. Het WVOP heeft nooit nagelaten om in te spelen op de agenda van de intergouvernementele instanties; heeft zich daarbij steeds als pleitbezorger van de belangen van het onderwijspersoneel opgesteld ook als essentiële algemene onderwijs- en maatschappelijke problemen aan de agenda stonden. Een en ander mondde uit in seminaries, colloquia, debatten, …. Bij wijze van voorbeeld willen wij alleen herinneren aan de inzet voor het Child Labour programma van de ILO, Education for All onder UNESCO-sturing, de Millenniumdoelstellingen van de VN; de GATS van de Wereldhandelsorganisatie, de relatie onderwijs en tewerkstelling van o.m. de OESO en de EU, … Met de bescheiden middelen en de beperkte mankracht waar het WVOP over beschikte werd ontegensprekelijk een sterke aanwezigheid op het internationale forum verzekerd. Wie daartoe bijdroeg verdient ons aller waardering. Betekende dat alles een meerwaarde ?, luidde de 3de vraag. Het antwoord op deze vraag is meervoudig. 1. Door, zoals wij hiervoor al aangaven, een grotere samenwerking te betrachten tussen leerkrachtenorganisaties over de grenzen heen, is het WVOP er in geslaagd om in vele landen kleinere organisaties die, omwille van nationale verhoudingen en/of een specifieke politieke context, niet aan hun trekken kwamen op het internationale vlak, toch een stem te geven in het debat. Via informatie, vorming, tussenkomsten en bemiddeling heeft het WVOP kansen geboden waar velen anders verstoken van zouden gebleven zijn. In landen of regio’s waar een vakbond in de onderwijssector niet erkend of aanvaard werd hebben velen een bestaansrecht verworven dat hen voorheen niet gegund werd. 2. Door een actieve rol op te nemen in het WVA heeft het WVOP ongetwijfeld ook daar structurele aanpassingen mogelijk gemaakt door zowel regionaal als nationaal situaties bij te sturen die voorheen een efficiënte werking gewoon blokkeerden. Omstandigheden die de collega’s schatplichtig maakten aan instanties die weinig voeling hadden met of inzicht hadden in de specifieke onderwijscontext werden geremedieerd. Niet iedereen begreep onmiddellijk dat het onderwijssyndicalisme een dimensie heeft die niet voor andere sectoren geldt. 3. Door in de debatten de stem te doen klinken van leerkrachten en onderwijsvormen die vanuit een ideologische benadering niet op hun waarde of betekenis werden beoordeeld heeft het WVOP hen - steunend op de fundamentele rechten die in de ILO-conventies liggen vervat - een forum gegeven die aan velen voorheen niet gegund was.

129

Is het WVOP er in geslaagd die boodschap wereldwijd te doen klinken? Door een gebrek aan middelen en mensen, door de soms remmende invloeden van WVA-regionales en een niet altijd zelfverzekerde beroepsactie in het WVA, zijn er ongetwijfeld vele kansen teloor gegaan. Toch werd ook veel bereikt. De beslissing om de wereldcongressen, om de vier jaar, in een ander continent te organiseren – dit in tegenstelling met alle andere vakinternationales van het WVA – beoogde ondermeer om in het betrokken continent het onderwijssyndicalisme nieuwe impulsen te geven. Voorbereidende seminaries en congressen moesten het besef van het belang ervan aanscherpen; specifieke thema’s’ en resoluties moesten de actualiteitswaarde voor het betrokken continent nog versterken. Werd dat een succes? In 1989 was er een eerste buiten-Europees Wereldcongres in Caracas/Venezuela / Latijns- Amerika. Ook al was de FLATEC, de regionale van het WVOP in dat continent, al geruime actief, toch bleek een actualisering van structuren en werkmethodes aangewezen. Inhoudelijk leverde de FLATEC altijd uitstekend werk af maar wat de organisatie en werking betrof, bleef nog heel wat te doen. En dat in een continent dat een grote gespletenheid vertoont, enorme tegenstellingen kent die ook de ideologische verschillen tussen organisaties permanent op scherp houdt, wat een samenwerking erg problematisch maakt. De te grote afhankelijkheid van de CLAT, zowel financieel, organisatorisch als administratief maakte het de collega’s ook niet gemakkelijker. Toch werd veel verdienstelijk werk geleverd. Het is bijzonder jammer dat onze Latijns- Amerikaanse vrienden niet samen met de anderen de stap hebben gezet naar een integratie in de EI. De realiteiten en verhoudingen in hun continent hebben daar ongetwijfeld mee aan de basis van gelegen. Het zou echter te kort door de bocht gaan zijn mocht de oorzaak alleen bij hen worden gezocht. Misschien hebben anderen in het WVOP onvoldoende hun specifieke problemen op hun juiste betekenis ingeschat en daardoor niet altijd even gelukkig gereageerd? Afrika. Bij de oprichting van het WVOP was Afrika sterk vertegenwoordigd via de lidorganisaties van de AFROFEDOP. Deze Afrikaanse regionale werd in 1974 al ontbonden ten voordele van de Afrikaanse eenheidsvakbeweging (OUSA). Omdat de andere internationales van de onderwijssector toch autonoom bleven verder werken werd de oprichting van een eigen onderwijsregionale voor het WVOP jarenlang het hernieuwd streefdoel. Het heeft echter heel wat voeten in de aarde gehad vooraleer het zover gekomen is. Eerst stond de FOPADESC, later ODSTA geworden, weigerachtig tegenover dergelijke oprichting. Autonomie van vakregionales stond lang niet op de Afrikaanse agenda. Succesvolle seminaries, zoals o.m. in 1987 in samenwerking met de ILO, kregen de jaren daarna geen vervolg. Ook een wereldbestuur van het WVOP in Lomé kreeg de wagen niet aan het rollen. Pas na het congres van Dakar in 1994 kreeg de regionale, de FEPASE, eindelijk vorm. Na de regionale samenkomst van Bouznika (Marokko) in 1999, gestimuleerd door nieuwe ontwikkelingen in de ODSTA en door een toegenomen representativiteit in de Engelstalige landen van Afrika kreeg de FEPASE meer allure al bleven het gebrek aan middelen en mensen ook hier parten spelen.

130

Na veel lobbywerk bij de BATU kon, in 1990, in Azië, de ACT van start. Het congres van Kuala Lumpur (1998) moest ook deze regionale op volle toerental brengen na een erg aarzelend begin en dat ondanks opeenvolgende seminaries en congressen o.m. in Singapore en Bangkok, seminaries in de Filippijnen, Indonesië, India en Pakistan. De te grote druk van de BATU op de besluitvorming en op het gebruik van de beschikbare middelen leidde helaas niet tot de gewenste uitbouw en werking. En tenslotte Oost- en Centraal Europa. Begonnen als een toevallig contact in België, groeide de relatie met de STESU (Oekraïne) uit tot een succesverhaal voor het WVOP. Na de STESU, kwamen ook vakbonden uit Wit-Rusland, Armenië, Polen, Tajikistan, de collega’s uit Roemenië, Bulgarije, Hongarije Tsjechië, Slowakije, Litouwen, … vervoegen. Op die manier kon het WVOP in die regio een grote representativiteit claimen die alle partners erkenden en die de mogelijkheid bood om op een veel grotere schaal de WVOP-standpunten te propageren. Dat kwam vooral tot uiting tijdens het Albena-congres in 2002. Samengevat: de vraag of het WVOP wereldwijd impact heeft gehad op de vakbondswerking in de onderwijssector mag genuanceerd positief beantwoord worden. Genuanceerd omdat teveel hinderpalen op materieel en organisatorisch gebied potentiële kansen en mogelijkheden onbenut lieten. Blijft tenslotte de laatste vraag: Heeft de boodschap van het WVOP nog betekenis voor de toekomst? Wat hield die WVOP- boodschap precies in? In de eerste jaren van zijn bestaan verwees het WVOP stelselmatig naar de beginselverklaring van het WVA wanneer de vraag rees naar zijn specificiteit. De breed- humanistische visie van het WVA kaderde perfect in de onderwijsvisie die de WVOP-leden voorstonden. De nadruk op autonomie t.o.v. alle politieke en ideologische machten en krachten, op zelfbeschikking, democratische besluitvorming, op de verdediging van de door conventies en akkoorden gegarandeerde rechten van het personeel, op de prioriteit voor de derde wereld, op acties voor vrede, solidariteit,.. motiveerden ook het WVOP en vonden hun plaats in zijn statuten. Naar aanleiding van het overleg tussen de vier onderwijsinternationales, in 1986, heeft het WVOP zijn basisprincipes nog preciezer uitgeschreven in een stellingname die op die samenkomst werd gepresenteerd. Het is die principiële tekst die sindsdien in vele WVOP- publicaties als specifieke beginselverklaring werd afgedrukt. Zij legt er de nadruk dat niet alleen de strijd voor materiële verbetering van de arbeidssituatie de acties moet oriënteren, maar evenzeer dat alle dimensies van de leerkracht als mens en als professional het WVOP inspireerden en motiveerden. Meteen wordt verklaard waarom de brede onderwijsproblematiek ook de onderwijsvakbond beroert en engageert. Onderwijs is een sociaal instrument van enorme betekenis voor de ontwikkeling van een rechtvaardige samenleving wereldwijd en verdient daarom steun en waardering van heel de gemeenschap. De verdediging van de mensenrechten sluit daar logisch bij aan; ook de verdediging van de onderwijsvrijheid is daar een consequent gevolg van en a fortiori de vakbondsrechten van alle personeelsleden in alle vormen van onderwijs. Met het bepleiten van vrijheid,

131

kansengelijkheid, solidariteit, de verdediging van kinderrechten, de bevordering van een brede samenwerking rond onderwijsdoelstellingen,.. past die beginselverklaring perfect in het actuele debat over normen en waarden in de samenleving van vandaag. Een debat dat ongetwijfeld ook hét debat van de komende jaren blijft. Wij kunnen vandaag immers niet naast de vaststelling dat vele waarden, die voorheen onze samenleving samenhang boden, vandaag dreigen te verdwijnen of minstens door sommigen in vraag worden gesteld. Als de consensus over die waarden wegdeemstert komt ook de relatie tussen waarden en opvoeding tot waarden onder druk. Hier ligt een breed werkveld open voor het onderwijs en dus ook voor de internationale onderwijsvakbeweging. De basisprincipes van de WVOP- opstelling zoals ze o.m. vertaald liggen in congresresoluties en besluiten, niet in het minst ook in de resoluties die door het congres van Sevilla werden goedgekeurd, blijven daartoe inspiratie en oriëntering bieden. Ook deze uitgave probeerde daartoe een argumentatie aan te reiken. Het komt aan de leden van het nu ontbonden WVOP toe die schat aan ideeën en inzichten niet ongebruikt naar de archieven te verwijzen maar ze aan te wenden voor het debat over morgen. Op die manier blijft de nalatenschap van het WVOP ook voor de toekomst van betekenis.

132

VOORZITTERS van het WVOP

Internationale Raad onderwijs van het ICV 1963 - 1970 WVOP 1970 – 1972 1972 – 1978 1978 – 1982 1982 - 1985 1985 – 2002 2002 – 2006 WVOP/EI-groep 2006 – 2007 Gust van Dongen (COC-België) Theo Knippen (KOV-Nederland) Frans Valvekens (COV-België) Sef van Wegberg (KOV-Nederland) Hans Bähr (VBE-Duitsland) Louis Van Beneden (COV-België) Claudio Corries (SADOP-Argentinië) Jan Poncin (KOV-Nederland)

SECRETARISSEN-GENERAAL van het WVOP

1963 – 1964 1964 - 1972

Eduard Damen Jos Vandecruys (1971-1972) Giuseppe Cumerlato

1972– 1986 1987 – 1996 1996 – 2006

Coen Damen Roger Denis Gaston De la Haye

LIJST VAN GEBRUIKTE AFKORTINGEN

133

AATO (zie ook OPAPE) • All-African Teachers’ Organisation ACT • Asian Confederation of Teachers – regionale van het WVOP voor Azië

ACTRAV • IAO-dienst voor de activiteiten van de werknemers AELE (zie ook EFTA) • Association européenne de libre-échange AFROFEDOP • Regionale van INFEDOP voor Afrika AGCS (zie ook GATS) • Accord général sur le commerce des services AMLATFEDOP • Regionale van INFEDOP voor Latijns-Amerika ASIAFEDOP • Regionale van INFEDOP voor Azië BATU • Brotherhood of Asian Trade Unions - Regionale van het WVA voor Azië BIE (zie ook IBE en IOB) • Bureau international de l’éducation - onderwijsbureau van de UNESCO BIT (zie ook IAB en ILO) • Bureau international du travail BLLV • Bayerische Lehrer- und Lehrerinnenverband CAP (zie ook CBA) • Commission de l’action professionelle – CMT CATC

Confédération africaine des travailleurs croyants

CBA (zie ook CAP) • Commissie Beroepsactie van het WVA CCPTO • Christelijke centrale van het personeel in het technisch onderwijs - België CCPET

Centrale chrétienne du personnel de l’enseignement technique – België

134

CEART • Gemeenschappelijke Expertencommissie UNESCO-BIT betreffende de toepassing van aanbeveling over de status van het onderwijspersoneel CES (zie ook EVV en ETUC) • Confédération européenne des syndicats CIS (zie ook IVV en ITUC) • Confédération syndicale internationale CISL (zie ook IVVV en ICFTU) • Confédération internationale des syndicats libres CISC (zie ook ICV) • Confédération internationale des syndicats chrétiens – later CMT CISC-CISE (zie ook ICV-IROP) • Commission internationale des syndicats d’enseignants de la CISC CLAT • Central Latinoamericana de Trabajadores – regionale van het WVA voor LatijnsAmerika CLASC

Central Latinoamericana de Sindicatos Christianos – voorloper van de CLAT

CLASEP • Coordinadora Lationoamericana de Servidores Públicos – CLAT CMAP (zie ook WCBA) • Commission mondiale de l’action professionnelle - CMT CMT (zie ook WVA en WCL) • Confédération mondiale du travail COV


CSA

Christen Onderwijzersverbond – België

Confédération des syndicats africains

CSC (zie ook TUAC) • Commission syndicale consultative auprès de l’OCDE CSEE (zie ook EVO en ETUCE) • Comité syndical européen de l’éducation CSME (zie ook WVOP en WCT) • Confédération syndicale mondiale de l’ enseignement DBB • Deutsche beambtenbund

DOAWTU (zie ook ODSTA) • Democratic Organisation of African Workers’ Trade Unions –

135

Afrikaanse regionale van het WVA ECOSOC • Economic and social council of the United Nations – de economische en sociale raad van de Verenigde Naties EFTA (zie ook AELE) • European Free Trade Association EI (zie ook IE) • Education International ETUC (zie ook EVV en CES) • European Trade Union Confederation ETUCE (zie ook EVO en CSEE) • European Trade Union Committee for Education EIRAF • Regionale van de IE voor Afrika EVV (zie ook ETUC en CES) • Europees Verbond van Vakverenigingen EZA • Europäisches Zentrum für Arbeitnehmerfragen

FEPASE (zie ook PAFETTU) • Fédération panafricaine des travailleurs de l’éducation – regionale van het WVOP voor Afrika FFW • FIC Federation of Free Workers (Filippijnen)


FIOST

Fédération des instituteurs chrétiens de Belgique

Fédération internationale des organisations syndicales du personnel des transports – VI van het WVA

FIP (zie ook VI) • Fédérations internationales professionnelles – WVA/CMT FISE (zie ook WFTTU) • Fédération internationale des syndicats de l’enseignement FLATEC • Federación Latinoamericana de Trabajadores de la Educación y de la Cultura – regionale van het WVOP voor Latijns-Amerika FMI (zie ook IMF) • Fond monetaire international FNEQ

Fédération nationale de l’enseignement quebecois

136

FOPADESC • Vormingscentrum van de ODSTA – oorspronkelijk: Fondation panafricaine de développement économique, social et culturel FSM (zie ook WFTU) • Fédération syndicale mondiale FVM • Federación Venezolana de Maestros

GATS (zie ook AGCS) • General Agreement on Trade in Services GÖD • GOS Gewerkschaft Offentlicher Dienst – Oostenrijk

Gemenebest van Onafhankelijke Staten

IAB (zie ook ILO en BIT) • Internationaal Arbeidsbureau IAO (zie ook ILO en OIT) • Internationale Arbeidsorganisatie IBE (zie ook IOB en BIE) • International Bureau of Education ICFTU (zie ook IVVV en CISL) • International Confederation of Free Trade Unions ICV (zie ook CISC) • Internationaal Christelijk Vakverbond ICV-IROP (zie ook CISC-CISE) • International Raad van het Onderwijspersoneel van het ICV IERAF (zie ook EIRAF) • Regionale van de EI voor Afrika IFFTU (zie ook SPIE) • International Federation of Free Teachers’ Unions ILO (zie ook IAO, IAB, OIT en BIT) • International Labour Organisation • International Labour Office IMF (zie ook FMI) • Internationaal Monetair Fonds • International Monetary Fund INFEDOP • Vakinternationale van het WVA voor de openbare diensten

137

IOB (zie ook BIE en IBE) • Internationaal Onderwijsbureau van de UNESCO IOESWU (zie ook OISTES) • International Organisation of Education and Science Workers Unions ITF (zie ook VI en FIP) • International Trade Federations - WCL ITUC (zie ook IVV en CIS) • International Trade Union Confederation IVV (zie ook CIS en ITUC) • Internationaal Vakverbond IVVV (zie ook CISL en ICFTU) • Internationaal Verbond van Vrije Vakverenigingen KOV •

Katholieke Onderwijsvereniging – Nederland

NAPTOSA • National Professional Teachers Organisation of South Africa NGO (zie ook ONG) • Niet-gouvernementele organisatie • Non-Governmental Organisation OATUU (zie ook OUSA) • Organisation of African Union Unity OCDE (zie ook OESO en OECD) • Organisation pour la coopération et le développement économique ODSTA (zie ook DOAWTU) • Organisation démocratique syndicale des travailleurs africains – regionale van het WVA voor Afrika OECD (zie ook OESO en OCDE) • Organisation for Economic Co-operation and Development OESO (zie ook OECD en OCDE) • Organisatie voor Economische Samenwerking en Ontwikkeling OISTES (zie ook IOESWU) • Organisation Internationale Syndicale des Travailleurs de l’ Education et de la Culture – organisatie van de onderwijsbonden van de GOS-landen OIT (zie ook ILO en IAO) • Organisation internationale du travail OMC (zie ook WTO) • Organisation mondiale du commerce

138

OMS (zie ook WHO en WGO) • Organisation mondiale de la santé ONG (zie ook NGO) • Organisation non-gouvernementale ONU (zie ook UN en VN) • Organisation des nations unies OUSA (zie ook OATUU) • Organisation de l’unité syndicale africaine PAFETTU (zie ook FEPASE) • Pan-African Federation of Teachers’ Trade Unions – regionale van het WVOP voor Afrika PCO • PECO Protestants-Christelijke onderwijsvereniging – Nederland

De landen van Midden- en Oost-Europa

PNUD (zie ook UNDP) • Programme des Nations Unies pour le développement SADOP • Sindicato Argentino de Docentes Privados SMAP (zie ook WSBA) • Sécrétariat mondial de l’action professionnelle - CMT SPIE (zie ook IFFTU) • Sécrétariat professionnel international de l’enseignement SGEN-CFDT • Syndicats généraux de l’éducation nationale – Confédération française démocratique du travail SAOU • Suid-Afrikaanse Onderwijsersunie STESU • Algemene onderwijsvakbond van Oekraïne TUAC (zie ook CSC) • Trade Union Advisory Committee in the OECD UN (zie ook VN en ONU) • United Nations UNDP (zie ook PNUD) • United Nations Development Programme UNESCO • United Nations Educational, Scientific and Cultural Organisation

139

UNICEF • United Nations Children’s Fund – het kinderfonds van de Verenigde Naties UNO • United Nations Organisation

UPTC • Union panafricaine des travailleurs croyants VBE • Verband Bildung und Erziehung (Duitsland)

VI (zie ook FIP) • Vakinternationales van het WVA VN (zie ook UN en ONU) • Verenigde Naties WB • • World Bank Wereldbank

WCBA (zie ook CMAP) • Wereldcommissie Beroepsactie – WVA WCL (zie ook WVA en CMT) • World Confederation of Labour WCT (zie ook WVOP en CSME) • World Confederation of Teachers WFTU (zie ook FSM) • World Federation of Trade Unions WHO (zie ook OMS en WGO) • World Health Organisation WSBA (zie ook SMAP) • Wereldsecretariaat Beroepsactie - WVA WTO (zie ook OMC) • World Trade Organisation WVA (zie ook CMT en WCL) • Wereldverbond van de Arbeid WVOP (zie ook CSME en WCT) • Wereldvakverbond van Onderwijspersoneel WVV (zie ook FSM en WFTU) • Wereldvakverbond

140