You are on page 1of 7

Economie: Modellen H1 t/m H4, begrippenlijst

www.lweo.nl

De economie kenmerkt zich door perioden van op- en neergang, vette jaren worden afgewisseld met magere jaren.
Economen spreken ook wel over de conjunctuurcyclus. Als het een tijdlang slecht gaat in een economie spreek je van
een crisis. Zo'n crisis gaat meestal gepaard met dalende productie, dalende inkomens en werkloosheid. In deze lesbrief
gaan we uitgebreid in op de verklaring van crises en op het vinden van oplossingen. In de eerste twee hoofdstukken
gebeurt dat vooral beschrijvend en in de hoofdstukken drie, vier en vijf gebeurt dat aan de hand van een economisch
model. In zo'n model wordt getracht de economische werkelijkheid te vereenvoudigen waardoor de meest belangrijke
verbanden naar voren komen.

Inleiding op hoofdstuk 1
Een crisis is een periode waarin de groei van de productie wordt verstoord. Zo'n crisis wordt vaak veroorzaakt door het
wegvallen van de bestedingen. Normaliter komt dit om de zoveel tijd steeds weer voor in de economie, deze op- en
neergang in de economie veroorzaakt door schommelingen in de bestedingen wordt de conjunctuurcyclus genoemd. Als
het goed gaat met de economie spreek je van een hoogconjunctuur die vaak gepaard gaat met overbesteding waardoor
de prijzen de neiging hebben om te gaan stijgen. Er is dan ook vaak veel werk en de arbeidsmarkt is meestal
gespannen waardoor ook de lonen meestal in zo'n situatie stijgen. De goede economische cijfers leiden bij ondernemers
vaak tot overmoed waardoor er vaak teveel geïnvesteerd wordt. Deze investeringen leiden dan tot overcapaciteit. Om
het tij te keren gaan ondernemers vaak over op massaontslagen waardoor de bestedingen inzakken. De economie komt
dan in een laagconjunctuur terecht, die gepaard gaat met flinke onderbesteding. Om niet met onverkoopbare voorraden
te blijven zitten wordt de productie flink ingekrompen, hetgeen zelfs tot een langdurige negatieve economische groei
(depressie) kan leiden.
In dit hoofdstuk wordt deze materie uit de doeken gedaan en geïllustreerd met voorbeelden uit de actualiteit.

Inleiding op hoofdstuk 2
Als je iemand een verklaring hoort geven voor het bestaan van economische crises, is dat vaak terug te voeren tot een
theorie. Soms zie je ook elementen van verschillende theorieën. Daarom komen in dit hoofdstuk twee opvattingen over
de crisis aan bod die al lang stand houden: de klassieke theorie en de theorie van Keynes.
De klassieke theorie zoekt de verklaring voor werkloosheid volledig aan de aanbodkant van de economie. Werkloosheid
is structureel en wordt veroorzaakt doordat er te weinig productiecapaciteit is om de gehele beroepsbevolking aan het
werk te krijgen. Werkloosheid die optreedt als gevolg van een productie die lager is dan de productiecapaciteit kan
volgens deze theorie niet optreden omdat het marktmechanisme constant zorgt voor een volledige bezetting van de
productiecapaciteit. Conjunctu-rele werkloosheid kan dus eigenlijk niet optreden want loondalingen zorgen er
automatisch voor dat mensen aan het werk komen.
Keynes merkte echter op dat deze loondalingen niet alleen een kostendaling tot gevolg hadden maar ook een afname
van de koopkracht van de lonen en daarmee van de bestedingen. Hierdoor bleven bedrijven met onverkochte voorraden
zitten. Om deze voorraden kwijt te raken verlaagden zij hun prijzen en hun productie met als gevolg dat er nog meer
mensen op straat kwamen te staan; zo ontstond conjuncturele werkloosheid. Deze vicieuze cirkel kon alleen door
overheidsingrijpen worden doorbroken. Als er onderbesteding is ontstaat er conjuncturele werkloosheid en dan moet de
overheid de economie stimuleren om de vraaguitval te compenseren.

Inleiding op hoofdstuk 3
In hoofdstuk 2 is behandeld dat Keynes de conjunctuurbeweging verklaarde vanuit de verandering van de effectieve
vraag ten opzichte van de (normale bezetting) productiecapaciteit. Met deze theorie kon hij de grote werkloosheid in de
jaren dertig niet alleen verklaren, maar ook de aanbeveling doen om de crisis door vraagstimulering te bestrijden.
Na de Tweede Wereldoorlog hebben navolgers van Keynes deze theorie verwerkt in modellen. Een economisch model is
een vereenvoudigde weergave van de economische werkelijkheid. In zo'n model legt men verbanden tussen
economische grootheden die men het belangrijkst vindt en laat men bijzaken weg. In dit hoofdstuk bekijken we het
model van een gesloten economie zonder overheid, er is dus alleen een particuliere sector bestaande uit gezinnen en
bedrijven. Op drie manieren wordt het model gepresenteerd: in een tabel, in een algebraïsch model en in een grafiek.
Bovendien wordt het model bekeken vanuit de evenwichtsvoorwaarde W = EV en vanuit de evenwichtsvoorwaarde S =
I. In feite wordt hetzelfde model dus zes keer aan de orde gesteld. Er wordt verder uit de doeken gedaan hoe
onevenwichtigheden (EV < W of EV > W) automatisch tot inkomensevenwicht leiden en dat het bereiken van
bestedingsevenwicht alleen maar mogelijk is als de overheid ingrijpt in de economie door bij onderbesteding de
economie te stimuleren en bij overbesteding de economies af te remmen. De multiplierwerking van de autonome
bestedingen kan de overheid daarbij flink helpen.
Het model wordt op het eind van het hoofdstuk uitgebreid met een aanbodkant waardoor het mogelijk wordt
onderscheid te maken tussen conjuncturele en structurele werkloosheid.

Inleiding op hoofdstuk 4
Tot nu toe is slechts een model met één sector behandeld: de gesloten economie zonder overheid, waarin alleen de
particuliere sector in het binnenland voorkomt.
In de economische werkelijkheid is het handelen van de overheid zeer belangrijk. In de theorie van Keynes kreeg de
overheid dan ook een centrale rol toebedacht als instantie die de conjunctuurgolven zou moeten dempen door middel
van het veranderen van de belastingen en de overheidsuitgaven (begrotingspolitiek).

24295359.doc
Afzet Het feitelijke of verwachte aantal producten dat een producent kan verkopen.
Bestedingsinflatie Stijging van het algemeen prijspeil veroorzaakt door overbesteding.
Bezettingsgraad De mate waarin de productiecapaciteit van een land of van een onderneming wordt benut.
Conjunctureel De vraagkant (de bestedingen) betreffend. Deze bepaalt de economische ontwikkeling op korte termijn bij een
gegeven productiecapaciteit.
Conjunctuur De toename en afname van de groei van het nationaal inkomen. De conjunctuurontwikkeling (hoogconjunctuur en
laagconjunctuur) wordt wel uitgedrukt als de fluctuatie van de groei van het (reële) nationale inkomen ten opzichte
van de trendmatige groei.
Conjunctuurcyclus De opeenvolging van perioden met toe- en afnemende groei (hoog- en laagconjunctuur) van het nationale
inkomen. Een volledige conjunctuurcyclus van dal tot dal of van top tot top wordt met conjunctuurgolf aangeduid.
Conjunctuurmodel (korte termijnmodel) Model dat de ontwikkeling van de effectieve vraag beschrijft waarbij wordt
verondersteld dat de productiecapaciteit gegeven en constant is. Wordt ook wel aangeduid met keynesiaans model.
Conjunctuurwerkloosheid Werkloosheid die een gevolg is van het tekort schieten van de bestedingen ten opzichte van de
productiecapaciteit (onderbesteding) waardoor het beschikbare arbeidspotentieel niet volledig kan worden benut.
Depressie Een periode van langdurige laagconjunctuur waarbij er tevens sprake is van een negatieve groei van het nationale
inkomen.
Effectieve vraag Het beslag op de binnenlandse productiecapaciteit: bestedingen van gezinnen (C), bedrijven (I), overheid (O)
en buitenland (uitvoer: E) minus invoer (M): C + I + O + E - M.
Groei Kan in diverse betekenissen worden gebruikt, zoals:
- Productiegroei: de jaarlijkse toeneming van de gemeten nationale reële productie.
- Economische groei: de toeneming van de behoeftebevrediging/afneming van de schaarste.
Hoogconjunctuur Fase in de opgaande conjunctuurgolf: de groei van het nationale inkomen overtreft de trendmatige groei.
Investeren Het aanschaffen van kapitaalgoederen door bedrijven (particuliere investeringen) en overheid
(overheidsinvesteringen).
Investering Het bedrag dat een onderneming besteed aan de aanschaf van kapitaalgoederen (productiemiddelen zoals
machines, gebouwen, voorraden).
Kapitaalgoederen De fabrieken, machines, gereedschappen, grondstoffen en voorraden eindproduct die bij de productie
worden ingezet. Onderscheiden worden vaste kapitaalgoederen (die meer dan een productieproces meegaan zoals
gebouwen) en vlottende kapitaalgoederen (die tijdens een productieproces verbruikt worden zoals grondstoffen).
Knelpuntsfactor De schaarse productiefactor die volledige bezetting van de overige productiefactoren belemmert en die de
feitelijke omvang van de productiecapaciteit bepaalt.
Koopkracht De hoeveelheid goederen die je met je inkomen (of een euro) kunt kopen.
Laagconjunctuur Fase in de neergaande fase van de conjunctuurgolf: de groei van het nationale inkomen is kleiner dan de
trendmatige groei. In plaats van laagconjunctuur wordt vaak gesproken van recessie.
Macro economie Onderdeel van de economische wetenschap waarbij het economisch proces wordt bestudeerd op basis van
totaal grootheden (aggregaten), bijvoorbeeld alle consumptieve bestedingen in een land worden als één grootheid
gehanteerd. Het gaat hierbij vooral om de ontwikkeling van het nationale inkomen en de daarmee samenhangende
grootheden.
Objectieve methode Meting van het nationale inkomen door sommering van de toegevoegde waarde van bedrijven en
overheid.
Onderbesteding De bestedingen zijn kleiner dan de productiecapaciteit. Dat kan tot prijsdalingen aanleiding geven en gaat
gepaard met conjuncturele werkloosheid.
Productiecapaciteit De maximale omvang van het goederen- en dienstenpakket dat in een economie of in een bedrijf in een
jaar kan worden voortgebracht.
Productiefactoren Arbeid, ondernemersactiviteiten, natuur(lijke hulpbronnen) en kapitaal.
Productiemiddel Arbeid, ondernemersactiviteiten, natuur(lijke hulpbronnen) en kapitaal.
Recessie Fase in de neergaande fase van de conjunctuurgolf: de groei van het nationale inkomen is kleiner dan de
trendmatige groei. De term recessie is een veel gebruikte term voor laagconjunctuur.
Ruime arbeidsmarkt Het aanbod van arbeid (de beroepsbevolking) is zo groot vergeleken met de vraag naar arbeid (door
werkgevers) dat werkzoekenden geen of slechts moeizaam een baan kunnen vinden.
Structureel De aanbodkant (de ontwikkeling van de productiecapaciteit van de economie) betreffend. Deze bepaalt de
economische ontwikkeling op lange termijn.
Structuur Heeft betrekking op de aanbodkant van de economie, de productiecapaciteit.
Structuurmodel (groeimodel) Model waarin de verklaring van de toeneming van de nationale productie (per inwoner) onder
invloed van de groei van de productiecapaciteit op langere termijn centraal staat.
Structuurwerkloosheid Werkloosheid die ontstaat aan de aanbodkant van de economie: er zijn te weinig banen om iedereen
te kunnen laten werken. Structuurwerkloosheid wordt onderscheiden in kwantitatieve en kwalitatieve
structuurwerkloosheid.
Subjectieve methode Meting van het nationale inkomen door sommering van de inkomens van de subjecten.

24295359.doc
Aanbodeconomie Een stroming in de economische theorie die de aandacht vooral richt op de knelpunten die zich voordoen bij
de beschikbaarheid en de kwaliteit (productiviteit) van de productiefactoren, dus op de omvang en de ontwikkeling
van de productiecapaciteit van een land. Deze stroming wordt ook wel met supply side economie aangeduid.
Aanbodfactoren De hoeveelheid (beschikbaarheid), de kwaliteit (productiviteit) en de ontwikkeling van de productiefactoren
waardoor de omvang en de groei van de productiecapaciteit bepaald wordt.
Aanbodoverschot De aangeboden hoeveelheid op een markt is groter dan de gevraagde hoeveelheid, bijvoorbeeld als gevolg
van een minimumprijs.
Aanbodtekort De aangeboden hoeveelheid is kleiner dan de gevraagde hoeveelheid, bijvoorbeeld als gevolg van een
maximumprijs.
Aangeboden hoeveelheid De hoeveelheid die van een goed op een markt wordt aangeboden bij een gegeven prijs en een
gegeven (prijs)aanbodlijn.
Anticyclische begrotingspolitiek De overheid probeert door haar uitgaven en/of inkomsten de conjunctuurcyclus te dempen:
bij onderbesteding een groter begrotingstekort (lagere belastingen, meer uitgaven) en bij overbesteding een
kleiner begrotingstekort (hogere belastingen, minder uitgaven).
Arbeidsmarkt De vraag naar arbeid (door werkgevers) en het aanbod van arbeid (door werknemers). De arbeidsmarkt is een
voorbeeld van een abstracte markt.
Bestedingsevenwicht Situatie waarbij de bestedingen in een land gelijk zijn aan de productiecapaciteit van dat land.
Deflatie Wordt gebruikt in de betekenis van prijsdeflatie: een daling van het algemeen prijspeil.
Effecten De verzamelnaam voor aandelen, obligaties en aanverwante waardepapieren.
Evenwichtshoeveelheid De marktvraag en het marktaanbod bij de evenwichtsprijs.
Evenwichtsprijs De prijs waarbij de marktvraag precies gelijk is aan het marktaanbod.
Evenwichtsvergelijking Hiermee wordt in een model vastgelegd in welk geval er sprake is van evenwicht, bijvoorbeeld Qa =
Qv in een micro-economisch marktmodel.
Gevraagde hoeveelheid De hoeveelheid die van een goed op een markt wordt gevraagd bij een gegeven prijs en een gegeven
(prijs)vraaglijn.
Keynesiaans beleid Naar gelang de conjuncturele omstandigheden vergroot of verkleint de overheid de totale vraag naar
goederen en diensten bijvoorbeeld via het vergroten of verkleinen van haar begrotingstekort (anticyclisch
begrotingsbeleid) of vergroot of verkleint de centrale bank de geldhoeveelheid bijvoorbeeld via de monetaire
kasreserveregeling (geldhoeveelheidsbeleid).
Keynesianen Economen die veronderstellen dat markten niet flexibel werken en dat arbeid en kapitaal beperkt substitueerbaar
zijn zodat evenwicht alleen kan ontstaan als de overheid met name via bestedingsbeleid en monetair beleid de
helpende hand biedt.
Klassieken Economen die veronderstellen dat de markten flexibel werken en dat arbeid en kapitaal substitueerbaar zijn en dat
het marktmechanisme er voor zorgt dat de productiecapaciteit in de loop van de tijd volledig bezet blijft. De
overheid moet zich in deze visie minimaal met de economie bemoeien.
Laagconjunctuur Fase in de neergaande fase van de conjunctuurgolf: de groei van het nationale inkomen is kleiner dan de
trendmatige groei. In plaats van laagconjunctuur wordt vaak gesproken van recessie.
Liberalisme Opvatting dat de rol van de overheid beperkt moet blijven tot het handhaven van de orde en de buitenlandse
politiek.
Markteconomie Een economie waarin het marktmechanisme een overheersende rol speelt hetgeen niet hoeft te betekenen dat
er sprake is van volkomen concurrentie.
Marktevenwicht Situatie waarbij de gevraagde hoeveelheid gelijk is aan de aangeboden hoeveelheid.
Marktmechanisme Het geheel van vraag en aanbod waarbij de prijs als signaal tussen vragers en aanbieders zodanig werkt
dat er evenwicht tussen vraag en aanbod ontstaat. Hierbij kan er sprake zijn van volkomen concurrentie en van
onvolkomen concurrentie.
Marktprijs De prijs die op een markt tot stand komt. Dat kan de evenwichtsprijs zijn maar ook een prijs die daarvan afwijkt
bijvoorbeeld door ingrijpen van de overheid (maximum- of minimumprijs). De verkoopprijs kan van de marktprijs
afwijken doordat de overheid kostprijsverhogende belastingen heft of subsidies verleent.
Onderbesteding De bestedingen zijn kleiner dan de productiecapaciteit. Dat kan tot prijsdalingen aanleiding geven en gaat
gepaard met conjuncturele werkloosheid.
Vraageconomie Een stroming in de economische theorie die de aandacht vooral richt op de knelpunten die zich voordoen bij de
besteding van de verdiende inkomens, dus op de omvang en de ontwikkeling van de bezettingsgraad in een land.
Deze stroming wordt ook wel met demand side economie aangeduid.
Vraagoverschot De gevraagde hoeveelheid is groter dan de aangeboden hoeveelheid, bijvoorbeeld als gevolg van een
maximumprijs.
Vraagtekort De gevraagde hoeveelheid op een markt is kleiner dan de aangeboden hoeveelheid, bijvoorbeeld als gevolg van
een minimumprijs.
Wet van Say Elk aanbod schept zijn eigen vraag omdat uit productie inkomen wordt gevormd dat vervolgens wordt besteed
aan hetzij consumptiegoederen hetzij kapitaalgoederen.

24295359.doc
Arbeidsaanbod Het aanbod van arbeid wordt uitgeoefend door hen die willen werken en komt tot uitdrukking in de omvang
van de beroepsbevolking. Het arbeidsaanbod kan worden uitgedrukt in personen en in arbeidsjaren.
Arbeidsproductiviteit De productie per persoon per tijdseenheid.
Arbeidsvraag De vraag naar arbeid wordt uitgeoefend door de werkgevers en komt tot uitdrukking in de werkgelegenheid
(arbeidsvolume) en het aantal openstaande aanvragen (vacatures). De arbeidsvraag kan worden uitgedrukt in
personen en in arbeidsjaren.
Autonoom (autonome variabele) Een variabele waarvan de waarde niet wordt bepaald door andere grootheden in het model.
Beleggen (Spaar)geld wordt op een spaarrekening gezet of gebruikt voor de aankoop van effecten (aandelen, obligaties),
onroerend goed et cetera met de bedoeling om er een inkomen mee te verwerven (bijvoorbeeld dividend, rente,
huur).
Belegging Een bedrag dat is besteed aan de aanschaf van effecten (bijvoorbeeld aandelen, obligaties), goederen
(bijvoorbeeld huizen, juwelen) of op een spaarrekening is gestort (bijvoorbeeld termijndeposito) met de bedoeling
om er een opbrengst mee te verkrijgen (bijvoorbeeld rente, koerswinst).
Bestedingseffect van investeringen Verwijst naar het feit dat investeringen onderdeel uitmaken van de (nationale)
bestedingen en derhalve leiden tot productie en dus tot inkomen.
Bestedingsevenwicht Situatie waarbij de bestedingen in een land gelijk zijn aan de productiecapaciteit van dat land.
Breedte-investering Een investering waarbij de verhouding tussen het aantal machines en het aantal mensen gelijk blijft. Het
kan gaan om een uitbreidingsinvestering (er komen meer machines en tegelijkertijd meer mensen) of om een
vervangingsinvestering (een oude machine wordt vervangen door een nieuwe waarbij evenveel mensen nodig
zijn).
Capaciteitseffect van investeringen Verwijst naar het feit dat de uitbreidingsinvesteringen (toename van de vaste
kapitaalgoederen) de productiecapaciteit vergroten.
Conjunctuurmodel (korte-termijnmodel) Model dat de ontwikkeling van de effectieve vraag beschrijft waarbij wordt
verondersteld dat de productiecapaciteit gegeven en constant is. Wordt ook wel aangeduid met keynesiaans model.
Consumeren Het kopen van geproduceerde goederen door gezinnen (particuliere consumptie) en overheid
(overheidsconsumptie) om in bestaande behoeften te voorzien.
Consumptiequote De waarde van de totale particuliere consumptie gedeeld door (of als percentage van) het nationale
inkomen (gemiddelde consumptiequote) of de toename van de totale particuliere consumptie gedeeld door (of als
percentage van) de toename van het nationale inkomen (marginale consumptiequote).
Datum Kan in de economie gebruikt worden voor:
- Gegeven waarop geen invloed kan worden uitgeoefend (zoals de afzetprijs voor de ondernemer bij volkomen
concurrentie).
- Omstandigheid die door de economie niet wordt verklaard (zoals de stand van de techniek).
Definitievergelijking Hiermee worden in een model relaties vastgelegd in de vorm van gelijkheden die ontstaan op basis van
wetenschappelijke inzichten of afspraken, bijvoorbeeld W = Y.
Diepte-investering Er komen modernere kapitaalgoederen waardoor er minder mensen nodig zijn om evenveel of zelfs meer
goederen te maken: de verhouding tussen het aantal machines en het aantal mensen stijgt. Hierbij kan het gaan
om een uitbreidingsinvestering maar ook om een vervangingsinvestering.
Endogeen (endogene variabele) Te verklaren grootheid in een model. Een endogene grootheid kan geïnduceerd of autonoom
zijn.
Ex ante Voorgenomen.
Exogeen (exogene variabele) Verklarende grootheid in een model die de waarde van de endogene grootheden (mede)
bepaalt. De waarde van de exogene grootheden wordt buiten het model bepaald en zijn in het kader van een
bepaald model altijd gegeven.
Functie Wiskundig geformuleerd verband tussen variabelen.
Gedragsvergelijking Hiermee worden relaties vastgelegd die ontstaan op basis van beslissingen van economische subjecten.
Een gedragsvergelijking zegt zodoende iets over het gedrag van bijvoorbeeld gezinnen of bedrijven, bijvoorbeeld
vraagvergelijking, aanbodvergelijking.
Gesloten economie Men spreekt van een gesloten economie als een land vrijwel geheel zelf in alle behoeften kan voorzien. Er
vindt dan vrijwel geen internationale handel plaats. Bij deze landen wordt wel gesproken van autarkie. De mate
van geslotenheid komt tot uitdrukking in de in- en uitvoerquote (als perunage of percentage).
Gezinsbesparingen Dat deel van het besteedbare inkomen in een jaar dat door de gezinnen in dat jaar niet wordt besteed
voor het doen van uitgaven.
Geïnduceerd (geïnduceerde variabele) Een grootheid waarvan de waarde wordt bepaald door de waarde van andere
grootheden binnen een model.
Inkomensevenwicht Situatie waarbij de ex post bestedingen overeenkomen met de ex ante bestedingen: het nationale
inkomen is precies zo groot dat de productie gelijk is aan de effectieve vraag (aan alle bestedingswensen kan dan
precies worden voldaan).

24295359.doc
Inkomenslekken Het verschijnsel dat de inkomensgroei tengevolge van een bestedingsimpuls zich in afnemende mate
voortplant omdat de inkomensgroei afneemt omdat een deel van het inkomen wegvloeit door belastingafdrachten
(belastinglek), invoer (invoerlek) en besparingen (spaarlek). Naarmate de vraaglekken groter zijn is de
inkomensmultiplier kleiner.
Kapitaalproductiviteit De hoeveelheid product per eenheid kapitaal per tijdseenheid.
Knelpuntsfactor De schaarse productiefactor die volledige bezetting van de overige productiefactoren belemmert en die de
feitelijke omvang van de productiecapaciteit bepaalt.
Korte termijn Analyse waarbij de productiecapaciteit constant wordt verondersteld.
Korte-termijnmodel Model dat de ontwikkeling van de effectieve vraag beschrijft waarbij wordt verondersteld dat de
productiecapaciteit gegeven en constant is. Wordt ook wel aangeduid met keynesiaans model.
Lange termijnmodel Model waarbij de omvang van de productiecapaciteit kan variëren.
Multiplier Getal waarmee (veranderingen van) autonome grootheden moeten worden vermenigvuldigd om (veranderingen
van) endogene grootheden te berekenen. Meestal gaat het om de verandering van het nationale inkomen ten
gevolge van een verandering van de autonome bestedingen.
Multiplierwerking (bij nationaal inkomen) Een stijging van de autonome bestedingen leidt tot een stijging van het nationale
inkomen die een veelvoud is van de oorspronkelijke stijging van de autonome bestedingen. Dat komt omdat
bestedingen leiden tot productie en dus tot inkomen waarbij dat inkomen weer tot nieuwe bestedingen leidt en zo
verder.
Onderbesteding De bestedingen zijn kleiner dan de productiecapaciteit. Dat kan tot prijsdalingen aanleiding geven en gaat
gepaard met conjuncturele werkloosheid.
Oplossingsvergelijking Vergelijking waarbij een endogene grootheid is uitgedrukt in louter exogene en autonome grootheden.
Wordt ook wel de herleide vormvergelijking genoemd. De oplossingsvergelijking wordt verkregen door een model
in algemene gedaante op te lossen. De oplossingsvergelijking levert ook de multiplier(s) voor de desbetreffende
endogene grootheid op.
Productiecapaciteit De maximale omvang van het goederen- en dienstenpakket dat in een economie of in een bedrijf in een
jaar kan worden voortgebracht.
Productietechniek Een bepaalde combinatie van productiefactoren.
Productiviteit De productieomvang gedeeld door de ingezette hoeveelheid van een productiefactor. Meestal gaat het om de
arbeidsproductiviteit.
Spaarlek Het verschijnsel dat de inkomensgroei tengevolge van een bestedingsimpuls zich in afnemende mate voortplant
omdat de inkomensgroei afneemt omdat een deel van het inkomen wegvloeit door belastingafdrachten
(belastinglek), invoer (invoerlek) en besparingen (spaarlek). Naarmate de vraaglekken groter zijn is de
inkomensmultiplier kleiner.
Sparen Het niet voor consumptie gebruiken van een deel van het beschikbare inkomen (gezinsbesparingen) of het niet
voor investeringen gebruiken van niet-uitgekeerde winst (bedrijfsbesparingen). In plaats van sparen wordt ook wel
over reserveren gesproken.
Stroomgrootheid Een grootheid die over een bepaalde periode wordt gemeten: bijvoorbeeld de omvang van de investeringen,
het nationale inkomen.
Structuurwerkloosheid Werkloosheid die ontstaat aan de aanbodkant van de economie: er zijn te weinig banen om iedereen
te kunnen laten werken. Structuurwerkloosheid wordt onderscheiden in kwantitatieve en kwalitatieve
structuurwerkloosheid.
Uitbreidingsinvestering (Netto) investering die dient om de vaste kapitaalgoederenvoorraad te vergroten ter onderscheiding
van de (netto) investering in voorraden.
Voorraadgrootheid Een grootheid die op een bepaald tijdstip wordt gemeten: bijvoorbeeld de kapitaalgoederenvoorraad,
omvang van de beroepsbevolking.
Vraagfactoren De factoren die bepalend zijn voor de omvang van de bestedingen van consumenten, investeerders, overheid
en buitenland: inkomen(sverdeling), prijzen, behoeften, preferenties et cetera.
Vraaglekken Het verschijnsel dat de inkomensgroei tengevolge van een bestedingsimpuls zich in afnemende mate voortplant
omdat de inkomensgroei afneemt omdat een deel van het inkomen wegvloeit door belastingafdrachten
(belastinglek), invoer (invoerlek) en besparingen (spaarlek). Naarmate de vraaglekken groter zijn is de
inkomensmultiplier kleiner.
Werkgelegenheid Is gelijk aan het aantal bezette banen in een land (arbeidsvolume). Deze wordt meestal uitgedrukt in
arbeidsjaren.
Werkloosheid Kan in verschillende betekenissen worden gebruikt:
- Geregistreerde werkloosheid: de bij het arbeidsbureau ingeschreven personen tussen 15 en 65 jaar, die geen
werk hebben en die wensen en in staat zijn op korte termijn betaalde arbeid te doen (gedurende 12 uur of meer
per week).
- Werkzoekenden zonder baan: personen zonder betaald werk die beschikbaar zijn voor een werkkring (ongeacht
het aantal uren). Deze gegevens worden ontleend aan de enquête beroepsbevolking.

24295359.doc
Begroting Overzicht van geraamde ontvangsten en geraamde uitgaven voor een komende periode. Van een begrotingstekort
is sprake als de geraamde ontvangsten kleiner zijn dan de geraamde uitgaven. Zijn de geraamde ontvangsten
groter dan de geraamde uitgaven, dan is er sprake van een begrotingsoverschot.
Belasting Een gedwongen betaling aan de overheid waarvoor de overheid geen individueel aanwijsbare tegenprestatie levert.
Belastingdruk - Gemiddelde belastingdruk
Het totale bedrag aan verschuldigde belasting als percentage van het totale inkomen.
- Marginale belastingdruk
De verschuldigde bedrag aan belasting dat betrekking heeft op de top van het inkomen als percentage van de top
van het inkomen.
Belastinglek Het verschijnsel dat de inkomensgroei tengevolge van een bestedingsimpuls zich in afnemende mate voortplant
omdat de inkomensgroei afneemt omdat een deel van het inkomen wegvloeit door belastingafdrachten
(belastinglek), invoer (invoerlek) en besparingen (spaarlek). Naarmate de vraaglekken groter zijn is de
inkomensmultiplier kleiner.
Belastingquote Het totale belastingbedrag gedeeld door (of als percentage van) het totale nationale inkomen (gemiddelde
belastingquote) of de toename van het belastingbedrag gedeeld door (of als percentage van) de toename van het
nationale inkomen (marginale belastingquote).
Belastingtarief Het percentage dat over de belastinggrondslag moeten worden gehanteerd om het belastingbedrag te bepalen.
Het belastingtarief kan soms bestaan uit een samenstel van percentages zoals bij de omzet- en de
inkomstenbelasting.
Belastingvrije som (bij inkomstenbelasting) Een bedrag dat in mindering gebracht moet worden op het belastbaar inkomen
alvorens het belastingtarief toe te passen. De hoogte van de belastingvrije som is van verschillende factoren
afhankelijk: kostwinnerschap, leeftijd, aanwezigheid van kinderen et cetera. De belastingvrije som is een van de
mogelijkheden om bij de inkomstenbelasting rekening te houden met de draagkracht van de belastingbetaler.
Beleid Het geheel van maatregelen bedoeld om een bepaald doel te bereiken. Werkgelegenheidsbeleid bijvoorbeeld kan
inhouden dat de arbeidskosten worden verlaagd in de hoop dat de werkgevers meer mensen gaan aanstellen zodat
de werkloosheid afneemt. Aan het voeren van een beleid gaan vaak politieke keuzes vooraf.
Beleidsvariant Bij het maken van voorspellingen over de ontwikkeling van onze economie in de komende periode gaat het
Centraal Planbureau uit van de door het kabinet te voeren economische politiek. Daarbij kan het effect van
verschillende soorten overheidsbeleid worden berekend.
Doelvariabele Een grootheid in een model die een gewenste waarde moet bereiken via het manipuleren van de
instrumentvariabelen.
Economische politiek Het overheidsbeleid dat gericht is op het verwezenlijken van de doelstellingen op economisch terrein:
volledige werkgelegenheid, evenwichtige groei, evenwichtige betalingsbalans, stabiel prijsniveau, rechtvaardige
inkomensverdeling.
Financieringstekort Het verschil tussen de uitgaven van de staat (exclusief de aflossing op de staatsschuld) en de ontvangsten
van de staat. Anders gesteld: het financieringstekort is gelijk aan het begrotingstekort minus de aflossing op de
staatsschuld. Het financieringstekort is gelijk aan de toename van de staatsschuld in enig jaar.
Fiscaal Hiermee wordt verwezen naar de belasting(dienst). Een fiscale meevaller betekent bijvoorbeeld dat er minder
belasting hoeft te worden betaald dan werd verwacht. Een 'fiscale maatregel' wil zeggen dat er iets met de
belasting of de belastingtarieven gebeurt.
Instrumentvariabele De grootheid in een model die wordt gemanipuleerd om de doelvariabelen de gewenste waarde te laten
krijgen.
Inverdieneffecten (bij de overheid) Compensatie voor toegenomen overheidsuitgaven bestaande uit dalende
overdrachtsuitgaven en stijgende belastingopbrengsten als gevolg van de groei van het nationale inkomen door die
toegenomen overheidsuitgaven.
Marginaal belastingtarief Belastingpercentage van de hoogste schijf die op een belastbare som van toepassing is.
Overheidssaldo Het verschil tussen de inkomsten van de overheid en de uitgaven van de overheid: het begrotingstekort.
Overheidssector Bestaat uit de rijksoverheid (de Staat: regering en parlement) en de lagere overheden (provincies, de
gemeenten en instellingen zoals waterschappen).
Overheidsuitgaven Bestaan uit overheidsbestedingen (consumptie en investeringen) en overdrachtsuitgaven (exclusief de
overdrachtsuitgaven van de sociale zekerheidsinstellingen).
Particulier spaarsaldo Het particulier spaaroverschot (S-I) is gelijk aan het spaarsaldo van de overige sectoren: (S-I) = (O-B)
+ (E-M).
Procyclische begrotingspolitiek De overheid versterkt door haar uitgaven en/of inkomsten de conjunctuurcyclus: indien de
conjunctuur aantrekt een groter begrotingstekort (lagere belastingen, meer uitgaven) en indien de conjunctuur
stagneert een kleiner begrotingstekort (hogere belastingen, minder uitgaven). Meestal is dit het gevolg van een te
laat nemen van maatregelen om de conjunctuur bij te sturen.
Progressieve belasting De totaal verschuldigde belasting neemt toe als percentage van het inkomen naarmate het inkomen
hoger is: de gemiddelde belastingdruk stijgt. Het begrip progressief wordt hier algemener gebruikt dan in de
wiskundige betekenis.
Proportionele belasting De totaal verschuldigde belasting blijft gelijk als percentage van het inkomen naarmate het inkomen
hoger is: de gemiddelde belastingdruk blijft gelijk.

24295359.doc
Vraaglekken Het verschijnsel dat de inkomensgroei tengevolge van een bestedingsimpuls zich in afnemende mate voortplant
omdat de inkomensgroei afneemt omdat een deel van het inkomen wegvloeit door belastingafdrachten
(belastinglek), invoer (invoerlek) en besparingen (spaarlek). Naarmate de vraaglekken groter zijn is de
inkomensmultiplier kleiner.

24295359.doc