You are on page 1of 50

Lecture 1

Cellen in het zenuwstelsel


Ramon y Cajal
- Het zenuwstelsel bestaat uit discrete cellen
- Neuronen hypothese: neuronen zorgen voor het functioneren van het brein

Golgi
- Het zenuwstelsel bestaat uit een netwerk van onderling verbonden
vezels; een zenuwstelsel

Cellen van het zenuwstelsel:
- Dendrieten
- Informatie van andere neuronen verkrijgen
- Cellichaam (Soma):
- Kerngebied; bevat de nucleus (celkern)
- integreert de informatie
- Axon
- Informatie overdragen die naar andere cellen moet
- Neuronen
- Zorgen ervoor dat wij info kunnen waarnemen, verwerken en handelen
- Glial Cells (glue")
- Hulp neuronen
- Meerdere doelen;
- het verlenen van structurele steun, voedingsstoffen
en bescherming
- De meeste gedragen zijn door groepen van honderden duizenden neuronen
- Neuronen veranderen steeds van vorm;
verkleinen, vergroten (=neuroplasticiteit)
- De meeste neuronen gaan je hele leven lang mee en worden nooit vervangen
- Mensen zijn wel in staat nieuwe zenuwcellen te vormen

Basisstructuur en functie
- Dendrieten hebben uitsteeksels, deze uitsteksels vergroten het contactoppervlak, dit
zijn dan ook de gebruikelijke contactpunten met axonen
- Axon Hillock (axon heuvel)
- een kruising van de soma en axon waat he actiepotentiaal begint
- Axonen
Axon collateral: vertakking van een axon
End foot: een knopje op de punt van een axon dat informatie overdraagd
Ook wel een terminal button" genoemd. Eindigd presynaptisch
- Synaps, synaptische spleet
- Een kloof tussen het ene en het andere neuron
- Meestal tussen de end foot van een axon van het ene neuron en
het dendritische uitsteekel van het andere neuron
Informatie stroom binnen een neuron:
Dendriet -> cellichaam -> axon -> end foot -> dendriet
Sensorische neuronen:
- Brengen informatie naar het centrale zenuwstelsel





Interneuronen:
- Verbinden sensorische en motorische activiteit binnen het
centrale zenuwstelsel
Motorneuronen:
- Sturen signalen van de hersenen naar de spieren

Excitatie en inhibitie:
- Elk neuron ontvangt duizenden exciterende en inhiberende signalen
per seconden door alle synapsen en dendritische uitsteeksels
- Neuronen sommen deze signalen op en reageren gepast door actief
of juist niet actief te worden (actiepotentiaal)
Glial Cells
- klein en ovaalvormig; gevonden in de wanden van ventricles
- scheidt cerebrospinal fluid uit (CSF)
- Astrocyten
- stervormig en symmetrisch
- stucturele ondersteuning voor neuronen
- transporteert substanties tussen neuronen en capillairen
- Te veel: Tumor
- een massa weefsel dat ongecontroleerd groeit onafhankelijk van
omheenliggende structuren
- Microglia
- fagocyten: ruimen afvalcellen, defensieve functie
- Oligodendroglia cell
- Glial cell in het centrale zenuwstelsel die axonen myeliseert
- Myeline: gliale coating om axonen heen
- Schwann cell:
- Glial cell in het periere zenuwstelsel dat axonen myeliseert
- functie: voeden, isoleren, ondersteunne, absorbren, perifere
neuronen repareren
- Ziekte: Multipele scelerosis
- Mankement in het zenuwstelsel met myelineverlies rond axonen als gevolg
- Hoe Glial cells een rol spelen in herstel:
1. Als een perifeer axonis afgesneden sterft deze af
2. De Schwann cellen krimpen eerst en delen dan, hierbij vormen ze glial cells
langs het vormalige axon zijn pad
3. De neuron scheidt axon-sprouts uit, deze vinden het pad van de Schwann-cell
en vormen een nieuwe axon
4. Schwann cellen kapselen de nieuwe axon in, waarbij myeline gevormd wordt


Delen van een cel:
celkern:
- Bevat chromosomen
- dubbele helix structuur die de gehele DNA keten van het organisme bevat
- 4 basen; Adenine, Thymine, Guanine en Cytosine
- Menselijke cellen bevatten 23 chromosomenparen, geslachtscellen bevatten
23 chromosomen (geen paren!)
- Genen
- Bevatten stukken DNA
- Blauwdrukken voor maken van eiwitten
- ketens van nucleotiden bepalen welke aminozuren er gebruikt worden om
een bepaald eiwit te vormen
- Transcriptie
- De vroege fase van eiwitsynthese waarin de dna strengen ontvouwen
en een aanvullende streng van mRNA gevormd wordt
- Endoplasmatisch Reticulum (ER)
- Bevat ribosomen; hier wordt eiwit gesynthetiseerd
- Translatie:
- Latere fase van eiwitsynthese waarin het mRNA van de celkerm
naar het ER gaat
- mRNA wordt vertaald in een bepaalde reeks aminozuren om eiwit te vormen
- Aminozuren: een centraal koolstofatoom gebonden aan een waterstof atoom,
een aminogroep (NH), een carboxyl groep (COO) en een zijketen
- Eiwitten: Aminozuren worden met elkaar gelinkt dmv een peptideketen
- polypeptide keten: een reeks eiwitten
- Celmembraan:
- Scheidt intercellulaire vloeistof van extracellulaire vloeistof
- reguleert beweging van substanties in en uit de cel
- Eiwitten in het membraan verweven zorgen ervoor dat
substanties in en uit de cel kunnen
- fosfolipide laag:
- Hydrofiele kop: fosfor
- Hydrofobe staat: lipiden (vetten)
- kanaal: Opening in een in het membraan-verwoven eiwit die de
doorgang van ionen regelt
- poort: Een eiwit verwoven in het celmembraan dat substanties op
sommige momenten toestaat door het membraan te gaan
- Golgi lichamen:
- verpakken eiwitten in membranen en geven een soort label" dat
aangeeft waar deze eiwitten heen moeten
- Mitochondria:
- Verkrijgt, bewaart en maakt energie vrij
- Vesicles
- Bevatten NT
- Microtubules
- Skelet
- transporteert vesicles naar waar ze binnen of buiten de cel heen moeten


Menselijke somatische cellen hebben 23 paren chromosomen
- Een kopie van de moeder (X) en van de vader (Y)
- Autosomen: paren 1 t/m 22
- Geslachtschromosomen: paar 23

Genen:
- Allelen
- Een paar genen dat op een bepaalde plek op een bepaald chromosoom voorkomt die
hetzelfde karakteristiek bestuurd. Veranderen de vorm van een gen; een genenpaar bevat 2
allelen
- Homozygoot: Het hebben van 2 dezelfde allelen voor een karakteristiek
- heterozygoot: het hebben van 2 verschillende allelen
- Dominant allel: het allel dat tot uitdrukking komt
- recessief allel: het allel dat niet tot uitdrukking komt
- genotype: Set van alle genen dat een organisme bezit
- fenotype: De verschijning van een organisme dat voortkomt uit de interactie tussen
genen van de een met de ander en met de omgeving. Dit is een karakteristiek van een
organisme, zoals oogkleur
- Ondanks dat 2 organismen genetisch equivalent zijn (een eeneiige tweeling)
is er toch verschil in het fenotype zonder de basenparen van het DNA te
veranderen; epigenetica. Genen kunnen geblokkeerd worden of niet wat
voor variatie zorgt in eiwitten
Huntington's Chora:
- Autosomaal defect dat voor motorische en cognitieve verstoringen zorgt
- Veroorzaakt door een toename in het aantal CAG herhalingen op chrom. 4

Tay-Sachs ziekte
- Zeldzaam genetisch defect. Een fout een chrom. 15 door verlies van genen in de hersenen
die enzymen coderen die nodig zijn voor het afbreken van vette substanties
- Verschijnt 4-6 maanden na de geboorte met fysieke veranderingen tot gevolg
en patinten worden vaak niet ouder dan 5 jaar
Genetische afwijkingen zijn vaak veroorzaakt door een deel van een chromosoom, al dan niet het
hele chromosoom, ipv n enkel allel.
- Syndroom van Down
Een chromosomale afwijking met een aantal abnormaliteiten tot gevolg. Dit wordt veroorzaakt
doordat het 21
e
chromosomenpaar een extra chromosoom heeft.

Genetisch modificeren:
- Een gen toevoegen of verwijderen uit een genoom:
- Een gen wordt kunstmatig toegevoegd of verwijderd uit een genoom
in de vroege ontwikkeling en wordt doorgegeven en misschien uitgedrukt
in daaropvolgende generaties. Het nieuwe gen kan van dezelfde diersoort
als de drager komen, maar ook van andere diersoorten
Klonen: Een nakomeling produceren die genetisch identiek is aan een ander dier
- Selectief voortplanten:
Direct de genetische uitdrukking manipuleren: ofwel door een gen te blokkeren,
ofwel door een gen te deblokkeren. Invloeden van buitenaf kunnen ervoor zorgen
dat een blokkade van genen verdwijnt of juist ontstaat

















Lecture 2
Functionele organisatie van het centraal zenuwstelsel
Sensorische functies Reflect en integratieve
functies
Motorische functies
Somatisch
zenuwstelsel

Pijn, tast, geluid,
evenwicht, licht
Reflexcentrum
integratiecentrum
UMN + LMN,
Basale ganglia
cerebellum
Vegetatieve
zenuwstelsel


Smaak,
interosensoren, reuk
Reflexcentrum,
integratiecentrum
Hormonen
OS + PS



PZS Centraal zenuwstelsel PZS

Hersenfuncties
Reflexmatig
- Visuele waarneming
- Auditief systeem
- Motorisch systeem

Intrinsiek
- Neurocognitie
- Emotie/motivatie
- Slaap

Connectomics is het in kaart brengen van de verbindingsstructuur van het brein op verschillende
schalen;
- Macroschaal: focust op interregionale verbindingen
- Mesoschaal: een wat fijnere focus op neuronen en projecties
- Microschaal: alle details van alle synaptische verbindingen reconstrueren

Een werkend zenuwstelsel is een interactie tussen chemische en elektrische activiteit van groepen
van neuronen
Bij alle zoogdieren is het macroscopisch vertebraten basisplan gelijk, microscopisch zijn ze ook niet te
onderscheiden
Terminologie
Woord Betekenis Tegenovergestelde Betekenis
Anterior Voor Posterior Achter
Ventral Buik Dorsal Rug
Rostral Bek Cauda Staart
Frontal Voorkant Occipital Achterkant
Superior Boven iets (t.o.v) Inferior Onder iets
Proximal Dichtbij iets Distal Ver van iets







Doorsneden
Coronal Dwarsdoorsnede (vanaf voren gezien deelt het de voorkant niet zichtbaar in 2en)
Horizontal horizontale doorsnede (vanaf voren gezien deelt het de voorkant zichtbaar in 2en, de
snijlijn ligt horizontaal)
Sagittal middendoorsnede (vanaf voren gezien deelt het de zichtbaar voorkant in 2en)


Horizontaal Axiaal transversaal

Verticaal Frontaal Coronaal
Lateraal Sagitaal (Mid-sagitaal = mediaal)

Anatomische termen
Naam Wat het is
Gray matter (grijze stof) Cellichamen (met dendrieten, axonen en synapsen)
White matter (witte stof) gemyeliniseerde axonen
Cortex Buitenste laag van cerberale helften en cerebellum
Sulcus Groeve (grote sulcus = fissure)
Gyrus richel van de cerberale cortex, het deel dat je op het
oppervlak kunt zien.
Nucleus (kern): Subcorticale verzameling van neurale cellichamen
Ganglion (bal): een massa neuronen binnen of buiten het CZS

Witte stof
Binnen het CZS:
Fasciculus Een bundle zenuwvezels, centraal of perifeer
Capsule Een grote, platte regio grijze stof
Peduncle (stam, voet) De bundel die de 2 grote gebieden van het brein
samenvoegd
Tract Bundels axonen die allemaal dezelfde oorsprong en
bestemming hebben.

Buiten het CZS:
Root Het CZS dat in of uit axonen loopt, dorsale (sensorische) en
ventrale (motorische) roots vormen samen een gemengde
rugzenuw. Craniale zenuwen hebben ook roots, maar deze
worden gewoon zenuwen genoemd
Nerve Bundel axonen (die geen root zijn) buiten het CZS
Ramus een vertakking van een zenus

Richtingsnamen:
Afferent ernaar toe
Efferent er vandaan
Deze termen zijn altijd relatief en kunnen gebruikt worden om jezelf te orienteren.








Lecture 3
Hoe communiceren en passen neuronen zich aan?
- Chemlsche boodschap"
- Verschillende neurotransmitters
- Adaptatie: De rol van synapsen in leren en geheugen

Otto Loewi (1921)
- Kikkerhart experiment
- De rol van de vagus zenuw en van de neurotransmitter acetylcholine in het vertragen van
de hartslag
- Accelerator zenuw: Versneld hartslag
- Adrenaline: Een chemische boodschapper die zich als een hormoon gedraagd door het
lichaam te mobiliseren als er bijvoorbeeld gevaar dreigt, fungeert als een
neurotransmitter in het CZS
- Noradrenaline: Een neurotransmitter die in het brein en in de sympatische verdeling van
het ANS voorkomt

Neurotransmitter
- Een chemische stof die vrijkomt uit een neuron en richting een target gaat waar deze een
inhiberend of exciterend effect heeft
- Endfeet -> neurotransmitter -> synaptische wervelkolom
- Buiten het CZS circuleren neurotransmitters in bloedstromen als hormonen
- Hypothalamus -> hypofyse -> hormonen -> via bloedvaten naar doelorganen

Structuur van synapsen
- Presynaptisch membraan: Sluit moleculen met chemische boodschappen in
- Synaptische spleet: kleine ruimte die de presynaptische terminaal en de postsynaptische
dendritische uiteinde scheidt
- Postsynaptisch membraan: bevat receptor moleculen die gevoelig zijn chemische
boodschappen
- Postsynaptische receptor: een plek waarop een neurotransmittermolecuul bindt
- Storage granule (korrel): een relatief groot deel dat synaptische blaasjes vasthoudt
- Synaptisch blaasje: een ronde korrel die neurotransmitters bevat
- Mitochondrin: Organel die de cel van energie voorziet
- Microtubule (tubule=buisje): een transportsysteem die substanties naar het axon
terminaal draagt

De meerderheid van de synapsen in het zenuwstelsen van een zoogdier zijn chemisch, dit zijn echter
niet de enige;
- Elektrische synaps: Gefuseerde presynaptische en postsynaptische membraan die een
actiepotentiaal direct van de ene neuron naar de andere neuron gaat
- Chemische synapsen vergroten de flexibiliteit in neuron-neuron communicatie

Criteria voor neurotransmitter:
1. Het synthetiseren en opslaan in het axonuiteinde
2. transporteren naar presynaptisch membraan en komt vrij als reactie op een actiepotentiaal
3. In staat op receptoren op de doelcelmembraan te activeren, deze bevinden zich op het post-
of pre- synaptische membraan
4. gedeactiveerd (anders blijft hij bezig)



Neurotransmitter:
1. Synthese: er worden blokken van een transmitter gemporteerd in het uiteinde waar de
neurotransmitter wordt gesynthetiseerd en in blaasjes verpakt wordt
2. Vrijkomst: Als reactie op een actiepotentiaal wordt de transmitter vrijgemaakt over de
membraan bij de exocytose
3. Receptor actie: de transmitter kruist de synaptische spleet en bindt aan en receptor
4. Inactivatie: de transmitter wordt teruggebracht naar het uiteinde of gedeactiveerd in de
synaptische spleet

Neurotransmitters worden op 2 manieren gevormd:
1. Synthese en opslag:
Axonuiteinde: bouwstenen van voedsel worden in de cel gepompt via transporters,
deze transporters zijn eiwitten die in het celmembraan verwerkt zitten
Cellichaam: De NT wordt gevormd volgens de instructies vanuit het DNA
De NT wordt in microbuisjes naar het axonuiteinde begeleidt.

2. Vrijkomst van neurotransmitter:
Bij het zenuwuiteinde opent het actiepotentiaal poorten voor calciumkanalen mbv
spaning
Calcium gaat in het uiteinde en bindt aan het eiwit calmodulin waarbij een complex
gevormd wordt
Door dit complex legen sommige blaasjes hun inhoud in de synaps.

3. Activatie van receptorgebieden
Na te zijn vrijgekomen diffuseert de neurotransmitter over de synaps en activeert
receptoren op het post- of pre- synaptische membraan
Transmitter geactiveerde receptoren: een eiwit verwoven in het membraan van een
cel die een bindingsplaats voor een specifieke neurotransmitter heeft
Actie:
Depolariseert het postsynaptische membraan wat een EPSP veroorzaakt
Hyperpolariseert het postsynaptische membraan wat een IPSP veroorzaakt
Start andere chemische reacties die ofwel een inhiberend ofwel een exciterend effect
hebben of ze benvloeden het neuron op andere manieren
Autoreceptor:
Een zelf-receptor in een neuraal membraan die reageert op de neurotransmitter dat
het neuron zelf vrijmaakt, dit heeft als functie om het vrijkomen van NTs te
onderdrukken (inhiberen)

4. Deactivatie van het NT
4 manieren;
o De NT diffuseert weg van de synaptische spleet
o Afbraak door enzymen in de synaptische spleet
o Heropname in het presynaptische neuron voor opvolgend hergebruik
o Opname door aangrenzende glial cellen
Type I Synaps Type II Synaps
Exciterend Inhiberen
Komen vaan voor op dendrieten Komen vaak voor op cellichaam
Groot actief gebied Klein actief gebied
Grote spleet Kleine spleet
Ronde blaasjes Platte blaasjes
Dicht materiaal op membranen Dun materiaal op membranen
Lr zl[n zo'n 30 verschlllende soorLen neuroLransmlLLers geidenLlflceerd
Sommige hiervan zijn op de ene plek inhibitoir terwijl ze excitoir op de andere plek zijn
Meer dan een NT kan actief zijn op een enkele synaps
Er is geen simpele een-op-een relatie tussen een bepaald neurotransmitten en bepaald gedrag; het
werkt veel complexer
3 groepen neurotransmitters:
1. Kleine molecuultransmitters
- Snel werkende neurotransmitters
- Gesynthetiseerd in het axonuiteinde uit producten afkomstig uit voeding
- Voorbeelden: acetylcholine, dopamine, norepinephrine, serotonine, glutamaat, gamma-
aminobutyric acid, glycine, histamine
- Precursor: vis, ei, pindas, aandel, avocado, banaan, zuivel
- Beperkingen van de aanmaak:
o Elk enzym dat beperkt in voorraad is, als er niet genoeg enzymen zijn vindt de
synthese langzamer plaats
- Aminozuren:
o GABA; de belangrijkste inhibitoire transmitter
o Glutamaat; de belangrijkste excitatoire transmitter

2. Peptide transmitters
- Een multifunctionele aminozuurketen die zich gedraagt als een neurotransmitter
- Wordt gesynthetiseert vanuit mRNA volgens de cel zijn DNA codering
- Bindt niet aan ion kanalen, heeft dus geen direct effect op de spanning van het
postsynaptisch membraan
- Voorbeelden: Opoden (endorfine, enkefaline, dynorphine), insuline

3. Transmitter gassen
- Wordt in de cel gesynthetiseerd indien het nodig is
- Passeert de celmembraan heel eenvoudig omdat het gassen zijn
- Voorbeelden: stikstofoxide (NO), viagra, koolstofmonoxide (CO)

Soorten receptoren:
1. Ionotrope recetor; een in het membraan ingebed 2-delig eiwit
- Heeft een bindingsplek voor een neurotransmitter
- Een porie die de ionstroom reguleert, is in staat om de membraanspanning direct en
snel te veranderen
- Voorbeelden: GABA
A
, gluLamaaL 's
2. Metabotrope receptor; een ingebed membraan eiwit
- Heeft een bindingsplek voor neurotransmitters, maar geen porie
- Gelinkt aan een G-eiwit die andere receptoren of second messengers kan benvloeden
met als gevolg dat weer andere cellulaire processen worden benvloed
- G-eiwit: Familie van guanyl nucleotide-bindende eiwitten gepaard aan metabotrope
receptoren die, als ze geactiveerd worden, binden aan andere eiwitten
- Voorbeelden: mGlu, GABA
B
, NA, A, Hi, DA

Second Messenger
- Geactiveerd door een NT (de first messenger)
- ls een molecuul dle een 'boodschap'draagL om een blochemlsch proces op gang Le
brengen



- Voorbeelden:
o Aangepaste ionenstroom in een membraankanaal
o Formatie van nieuwe ionkanalen
o Productie van nieuwe eiwitten
Het somatische zenuwstelsel
- Cholinergic neuron:
o Een neuron dat acetylcholine gebruikt als hoofd NT
o Exciteert (depolariseert) skeletale spieren om samentrekkingen te veroorzaken
- ACh receptor
o Een ionotropische receptor waar de ACh ervoor zorgt dat de stroom van ionen
door de receptorporie geactiveerd wordt
- ACh en het somatisch (motorisch) zenuwstelsel
o ACh is ht neuron voor alle motor-neuron axonen die het ruggenmerg verlaten
o De Renshaw loop maakt ook gebruik van ACh
o De ACh antagonist curare blokkeert cholinergische receptoren me als gevolg dat
de ademhalen en beweging verstoord worden
o Sympatische verdeling (fight or flight): weinig ACh, veel norepinephrine
o Parasympathische verdeling (rest and digest): Alleen ACh, geen nor.
Het centraal zenuwstelsel
- Activatie systeem
o Neurale paden cordineren hersenactiviteit door een enkele neurotransmitter
o 4 activerende systemen in het CZS
Cholinergisch, dopaminergisch, noradrenergisch en serotonergisch
o Cellichaen bevinden zich in een kern in de hersenstam en hun axonden zijn
verdeeld over een wijde regio van de hersenen
Cholinergisch Dopaminergisch Noradrenergisch serotonergisch
Actief in behouden van
electroencephalografisch
Patroon van de cortex
Actief in het
handhaven van
normaal motorisch
gedrag
Actief in het
handhaven van
emotionele toon
Actief in het behouden
van het
electroencephalografisch
patroon
Er wordt van gedacht dat
het een rol speelt in het
geheugen door neuron
excitabiliteit te
handhaven
Verlies van DA
gerelateerd aan stijve
spieren en de
dyskenesie bij de
ziekte van Parkinson
Verminderde NE
activteit gerelateerd
aan depressie
Veranderingen in
serotonine activiteit
gerelateerd aan
obsessief-compulsieve
kwalen, tics en
schizofrenie
Sterfte van
cholinergische neuronen
en afname in ACh in de
neocortex wordt in
verband gebracht met
Alzheimer
Dopamine is
verantwoordelijk
voor het geven van
een
belonend/plezierig
gevoel
Verhoogde NE
activiteit gerelateerd
aan manie
Verlaagd serotonine
gehalte gerelateerd aan
depressie
Er wordt van gedacht
dat deze NT het
meest wordt
benvloed bij
verslavende drugs

Verhoogde DA
activiteit kan
gerelateerd zijn aan
schizofrenie

Rol van synapsen in het leren en het geheugen
- Leren: relatief permanenten veranderingen in gedrag als gevolg van ervaringen
- Habituatie:
o Leergedrag waarbij een respons naar een bepaalde stimulus verzwakt doordat
deze herhaaldelijk gepresenteerd wordt
o Bijvoorbeeld: terugtrekken van kieuwen bij een zeeslak
- Sensitisatie:
o Leergedrag waarbij de reactie op een stimulus wordt versterkt als herhaalde
presentaties van die stimulus omdat deze ongewoon of sterker dan normaal zijn
o Voorbeeld: het terugtrekken van de kieuwen als reactie op intense stimulatie van
de staart van een zeeslak
- Associatief leren (klassieke conditionering)
o Verband tussen 2 of meer ongerelateerde stimuli die een reactie in het gedrag
opwekken
- Lange termijn potentiaal (LTP)
o Een sterke losbarsting van elektrisch stimulatie toegepast op het presynaptisch
neuron produceert een toename in de amplitude van de EPSP in het
postsynaptische neuron
o Als opgenomen in de hippocampus door Bliss en Lm in 1973
o Als reactie op stimulatie van een synaps, verhoogde amplitude van een
excitatoire postsynaptische potentiaal die voor uren-dagen aanhoudt (of zelfs
langer)
o Neurochemie van LTP:
Glutamaat reageert op 2 verschillende types receptoren op het
postsynaptisch membraan
o AMPA
Reageert normaal op glutamaat
o NMDA
Kanalen met dubbele poorten
Wordt normaal gebokkeerd door Mg
2+
ionen
NMDA receptoren zijn betrokken bij associatief
leren
2 gebeurtenissen moeten vlak na elkaar
gebeuren om de NMDA receptoren op
tijd te openen
o Activatie bij glutamaat van het
presynaptisch neuron (zwakke
elektrische stimulus)
o Depolarisatie van postsynaptisch
membraan, die Mg
2+
ionen
verdringen van de porie (sterke
elektrische stimulus)
o Sterke/zwakke stimuli zijn
gepaard
Langetermijn depressie
o Een andere vorm van synaptische plasticiteit
o Neuron wordt minder actief ten gevolge van
herhaaldelijke stimulatie
o NMDA receptoren zijn hierbij betrokken
o Vereist Ca
2+
:
Afgenomen responsiviteit van AMPA receptoren
Afgenomen aantal AMPA receptoren
o Leren bij de synaps
Welke neurale processen zijn essentieel voor de hardnekkige, lange
termijn veranderingen van leren?
Ca
2+
komt in het postsynaptische neuron en activeert een second
messenger
cAMP verandert de genuitdrukking in de kern die de synaps
fysiek verandert
o structurele veranderingen in de synaps
o formatie of verlies van synapsen











































Lecture 4
Psychopharmacologie:
- de studie die onderzoekt hoe drugs het zenuwstelsen en gedrag aantasten

Classificatie van psychoactive drugs
- substanties die als werking hebben dat ze de emotionele toestand, gedachten of gedrag
benvloeden en wordt gebruikt om psychologische en psychiatrische ziektes te bestrijden

Routes van drugs ion het zenuwstelsel
- Blood-brain barrier
o Helpt voorkomen dat de meeste substanties (o.a. drugs) niet het brein via de
bloedbaan in kunnen komen
o Endotheliale cellen in capillairen zitten door het hele lichaam verspreid en niet
dicht bij elkaar, dit maakt het eenvoudig voor substanties om in en uit de
bloedbaan te gaan
o Endothelialen cellen in het brein zitten echter welk dicht bij elkaar en de
aanwezigheid van astrocyten zorgen er samen voor dat de meeste substanties uit
het brein blijven
- Orale inname van drugs is het meest complex aangezien de drug dan vele barrieres moet
doorstaan wil het bij de gewenste plek komen en effect hebben
- Methodes als inhalatie of injectie hebben een veel snellere opname omdat er daarbij
weer minder barrieres zijn voor de drug
- Afbraak van drugs
o Drugs worden afgebroken in de nieren, lever en darmen
o Drugs worden dan uitgescheiden (na de afbraak) via urine, schijt, zweet, borst
melk, en uitgeademde lucht
o Sommige substanties kunnen niet verwijderd worden, deze kunnen bij
herhaaldelijke inname opstapelen in het lichaam en toxische gevolgen hebben

Individuele verschillen in response op drugs
- Leeftijd
o Oudere wezens zijn gevoeliger voor drugs dan jongere wezens
Minder effective barrieres en minder effectieve eliminatie van drugs
- Lichaamsgrootte
o Kleinere wezens zijn gevoeliger voor drugs
Minder vloeistoffenin het lichaam om de drugs in op te lossen
Om deze reden zijn vrouwen gevoeliger voor drugs; zij hebben relatief
kleiner dan mannen
Activiteit van drugs bij synapsen
- De meeste psychoactive drugs hebben hun effect door de chemische reacties die
plaatsvindt in synapsen te benvloeden
o Agonist: een stof die de werking van de neurotransmissie in een synaps
stimuleert
o Antagonist: een stof die de werking van de neurotransmissie in een synaps
blokkeert







- Drugs kunnen de chemische processen in een van de 7 hoofdfasen benvloeden:
o Synthese
o Opslag
o Vrijkomst
o Interactie met de receptor
o Inactivatie
o Heropname
o Afbraak
- Drugs worden vaak geclassificeerd op basis van de meest bekende werking van die drug;
o Sedative hypnotics & antianxiety agents
o Antipsychotic agens
o Antidepressants
o Nacrotic analgesics
o Psychomotor stimulants
o Psychedelics and halucinogens

Tolerantie
- Verminderde respons op een drug na frequente inname
- Grotere dosis nodig voor het initele effect
Cross-tolerance
- De respons op een drug is verminderd doordat er tolerantie is opgebouwd tegen een
soortgelijke drug
- Impliceert dat de 2 drugs hetzelfde deel van het zenuwstelsel als target hebben
o Zowel barbituates en benzodiazepines benvloeden de inhibitoire
neurotransmitter GABA

Sedative hypnotics & antianxiety agents
- De GABA receptor
o Excitatie van deze receptor zorgt voor een toestroom van Cl
-
ionen die het
neuron hyperpolarizeren

o De GABA
A
receptor heeft 3 bindingsplekken
GABA
Sedative-hypnotic site:
Benvloedt de Cl
-
toestroom direct
Antianxiety site:
Bevordert de bindende effecten van GABA
Het effect is afhankelijk van de hoeveelheid aanwezige GABA
o Dit maakt een OD lastiger

Enkele voorbeelden van drugs:
- Babituates
o Sedative hypnotics & antianxiety agents
o Zorgt voor verdoving/diepe slaap
o Ook in staat om voor anesthesie, coma of de dood te zorgen
- Benzodiazepines
o Sedative hypnotics & antianxiety agents
o Verovend middel
o Wordt vaak maar tijdelijk gebruikt (stress onderdrukken na de dood van een
naaste)
o Anti-epileptische drugs, spierontspanners

Antipsychotic agents
- Grotere verdover (neuroleptic)
o Drug die de D
2
dopamine receptor (metabototropisch) blokkeert
o Voornamelijk gebruikt om schizofrenie te behandelen
o Men begrijpt het mechanisme van de therapeutische werking nog steeds niet
Direct effect van het verlagen van motorische activiteit
Een korte tijd na inname is er een afname van schizofrenie symptomen
Bijwerking: de controle over bewegingen wordt verhinderd
o Voorbeelden:
Zowel amfetaminen en cocane blokkeren de heropname van dopamine
en bevorderen symptomen van schizofrenie
Amfetamine bevordert de vrijkomst van dopamine en bevordert hiermee
ook de symptomen van schizofrenie
Chlorpromazine is een drug die symptomen van schizofrenie blokkeert,
het bezet de dopamine site op de D
2
receotir waarmee voorkomen wordt
dat deze receptor geactiveerd wordt door dopamine

Antidepressants
- Depressie: een gemoedstoestandsverstoring (mood disorder) die zich als volgt kenmerkt:
o Langdurige gevoelens van waardeloosheid en schuld
o Verstoring van normaal eetgedrag
o Slaapstoornissen
o Algemeen vertraagd gedrag
o Regelmatige gedachten over zelfmoord
o Komt voor bij 6% van de volwassen bevolking
o Komt vaker voor bij vrouwen dan bij mannen
- 3 klassen antidepressiva:
o Monoamine oxidase (MAO) inhibitors
Belemmert het MAO enzym van het afbreken van neurotransmitters als
dopamine, noradrenaline en serotonine

o Tricyclische antidepressiva
De eerste generatie antidepressiva met een chemische structuur die zich
kenmerkt door 3 ringen die serotonine en noradrenergische heropname
in de transporter eiwitten blokkeren
o 2
e
generatie antidepressiva:
vergell[kbare werklng als 1CA's, maar selecLlever ln heL effecL op de
serotonine heropname transporter
Selective serotonin reuptake inhibitors (SSRIs):
Blokkeren de heropname van serotonine in het presynaptisch
terminal
Fluvoxamine = Fevarin
Fluoxetine = Prozac
Paroxetine = Seroxat
Sertraline = Zoloft

- Gemoedstoestand stabilisator: Lithium
o Prophylaxis en inhibitie van manische toestanden en manisch-depressive
toestanden in het algemeen


Narcotic Analgesics
- Drugs:
o Sleep-inducing (narcotisch, verminderd bewustzijn)
o Pijnstillende werking
- Opiaten:
o Verkregen van opium, wordt geextraheerd uit de zaden van de opium papaver
o Zuivere stoffen gewonnen uit de plant:
Codene: ingredint van hoest medicijnen en pijnstillers
Morfine: krachtige pijnstiller
Herone: Opiaat-drug gesynthetiseerd uit morfine; dringt sneller door de
BBB met als gevolg dat het een hele snelle pijnstillende werking heeft
o Opiaten kunnen verslavend zijn
o Endorfine: Peptide hormoon dat zich gedraagd als NT en kan geassocieerd
worden met pijnstillende gevoelens en genot

Stimulants:
- Gedrags stimulants
o Bevorderen motorisch gedrag en verhogen een persoon zijn gemoedstoestand
en alertheid
o Cocane
Verkregen uit bladeren van de coca plant
Verslavend
Blokkeert heropname van dopamine
Vergelijkbar stoffen als lidocaine worden gebruikt als locale
verdovingsmiddelen; blokkeren Na
+
, Cl
-
en K
+
kanalen
o Amfetamine
Dopamine agonist: maakt de dopamine vrij in de synaps en blokkeert ook
de heropname van dopamine
Enkele gebruiken:
Aanvankelijk als astma behandeling
Hulpmiddel voor bij het studeren
Verhogen van alertheid en productiviteit
Hulpmiddel voor bij gewichtsverlies
o Ritalin (concerta)
Bevordert de vrijkomst van dopamine en noradrenaline en heeft een
inhiberende werking op de heropname
ADHD
o Caffene
Vergroot de metabolische activiteit van cellen
Heeft een inhiberend effect op het enzym dat normaal gesproken de
second messenger cyclic AMP afbreekt
Verhoging van cAMP leidt tot een verhoogde glucose productie binnen
de cellen met als gevolg dat er meer energie beschikbaar is en dat de
cellulaire activiteit verhoogd is
Psychedelica:
- Benvloeden sensorische waarnemingen en cognitive processen
- 4 hoofdtypes:
o Acetylcholine psychedelica
o Noradrenergetische psychedelica
o Tetrahydocannabinol (THC)
o Serotonine psychedelica
Hoe wordt er tolerantie ontwikkeld tegen drugs zoals alcohol?
- Metabolische tolerantie
o Het aantal benodigde enzymen om alcohol af te breken neemt toe
- Cellulaire tolerantie
o Activiteit van hersencellen kan aanpassen waardoor het effect van de alcohol
geminimaliseerd wordt
- Aangeleerde tolerantie
o Mensen leren met de werking van alcohol omgaan en kunnen het daardoor laten
lijken alsof ze niet dronken zijn

De rol van dopamine in drugmisbruik
- Ratten zullen een knop indrukken om electrische stimulatie van het mesolimbische
dopamine systeem te krijgen en droppen als het dopamine systeem geblokkeerd is
- Drugs die misbruikt worden lijken dopamine agonisten te zijn; ze zorgen voor een
vrijkomst van dopamine of verlengen de tijd dat deze beschikbaar is in de synaps
- Drugs die niet misbruikt worden zijn dan ook vaak dopamine antagonisten (blokkeren het
effect van dopamine)

Fases van verslaving:
- 1. Plezier activatie; de gebruiker vindt het een leuke ervaring
- 2. Associatief leren; genot wordt gelinkt aan cues geassocieerd met de ervaring van de
drug
- 3. Incentive salience: drug-gerelateerde cues worden sterk gewild, de cues zelf wekken
lust op om de drug te gebruiken
- Het willen en het leuk vinden kan afkomstig zijn uit verschillende delen van het brein;
o Willen: mesolimbisch dopamine systeem
o Leuk vinden: opioide neuronen














Lecture 7
Het maken van een beweging
- Het doel wordt visueel waargenomen
- De parietale ortex ontvangt informatie van de visuele cortex en veteld waar de hand is
tov het lichaam
- Frontaal kwab gebiede plannen de beweging en sturen een signaal om de beweging te
maken
- Motor neuronen in het ruggenmerg brengen de informatie over naar de spieren
- De hersenstam zorgt voor een stabiele positie terwijl de beweging wordt uitgevoerd
- Sensorische receptoren in de vingers nemen waar wat er gegrepen wordt
- Parietale cortex ontvangt een bericht van de sensorische receptoren op die vingers
- Basale ganglia selecteert de bewegeing en bestuurt de spierkracht. Het cerrebellum zorgt
voor de nodige correcties
Frontaal kwab gebieden
- Premotorische cortex organiseert de keten van bewegingen
- Prefrontale cortex plant de beweingen
- Motorische cortex produceert bepaalde bewegingen
Volgorde: prefrontale cortex plant -> premotorische cortex -> motorische cortex voert de
acties uit

Primaire motorische cortex (M1)
- M1 heeft een somatotopische representatie voor verschillende lichaamsdelen, het
gebied van de benen zit dicht bij de middenlijn
- Homunculus: elke topografische representatie van het lichaam door een neuraal gebied.
Nieuw onderzoek suggereert dat er meerdere homunculi zijn
- Grotere representatie voor het aansturen van bijvoorbeeld je vingers, terwijl die van de
rugspieren juist kleiner is. Dit heeft als gevolg dat de sensorische receptoren op je vingers
gevoeliger zijn dan bijvoorbeeld de rugspieren
- Deze kaart van het brein is plastisch; dit houdt in dat je brein in staat is om te herstellen
van schade of nieuwe vaardigheden aan te leren
- Naarmate een beweging beter getraind is, zal het beter gerepresenteerd worden in de
primaire motorische cortex
- Hoe worden de signalen in M1 gecodeerd?
o Hypothese 1: kracht
De activiteit van de M1 neuronen hangt af van de hoeveelheid kracht die
geleverd moet worden, het heeft niks te maken met de verplaatsing van
de hand
o Hypothese 2: richting
De activiteit van de M1 neuronen hangt af van de richting van de
beweging
- Michael Graziano: elektrische stimulatie bij niet-menselijke primate wekt herkenbare
acties op
o De bewegingscategorien zijn gecodeerd in de neurale activiteit in M1
- De motorische cortex heeft 3 types organisatie: het lichaamsdeel dat bewogen moet
worden, de richting en/of de kracht van de beweging en de functie van de beweging






Laterale Corticospinale baan
- Een baan die de M1 en PM verbindt via de hersenstam naar het ruggenmerg
- Deze kruist in de medulla en projecteert de laterale neuronen in de ventrale horn
- Stuurt distale spieren aan (bijvoorbeeld handen)
- Is niet volledig ontwikkeld bij geboorte
- De rechter M1 projecteert naar de linkerzijde van het ruggenmerg, dit komt doordat ze
kruisen

Ventrale corticospinale baan
- De baan kruist niet tot het ruggenmerg
- In het ruggenmerg worden verbindingen gemaakt met mediale neuronen aan beide
kanten
- Zorgt voor het aansturen van proximale/axiale spieren
- Deze spieren worden voornamelijk voor houding gebruikt

Motor Neuronen
- De corticospinale baan is verbonden met motorneuronen die zich bevinden in het
ventrale gebied van de grijze massa van het ruggenmerg
- Alle motorneuronen die een spier aansturen zijn samen gegroepeerd in clusters die
parallel lopen aan de lange axis van het ruggenmerg in een of meerdere segmenten, deze
groepering wordt de motor neuron pool genoemd
- De motorneuronen in de ventrale horn zijn somatotopisch georganiseerd
- Het axonterminaal maakt aan de axon terminaal een chemische transmitters vrij
(acetylcholine)
- Acetylcholine bindt aan transmittergevoelige kanalen aan het einde en opent deze
- ACh gevoelige kanalen zorgen dat Na
+
erin kan en dat het K
+
eruit kan waardoor er
depolarisatie plaatsvindt
- Hierdoor activeren na+ kanalen die gevoelig zijn voor spanning wat een trigger van een
actiepotentiaal als gevolg heeft waardoor de spieren samentrekken

Basale Ganglia (BG)
- De motorische corLex heefL een goed programma" nodlg voor beweglngen. ueze
worden gekozen voor de BG
- Bevindt zich binnenin de hersenen, rondom de thalamus
- Directe verbinding: als de putamen input ontvangt van de cortex, zullen ze de Gpi
inhiberen, de Gpi zelf inhibeert de Thalamus
o Als de Gpi dus is genhibeerd, wordt de Thalamus weer minder genhibeerd
o Doordat de Thalamus weer minder genhibeerd wordt, stuurt de thalamus een
bewegingsplan naar de motorische cortex, met oa een keten van bewegingen en
de hoeveelheid benodigde kracht, vanaf daar kan de motorische cortex dan de
signalen doorsturen naar het ruggenmerg
o Actievere putamen -> minder actieve Gpi (inhibitie) -> actievere Thalamus
(minder inhibitie door Gpi) -> signaal kan terug naar de cortex
o Parkinson patinten hebben een te sterke inhibitie op de Thalamus met als
gevolg dat bewegingen maken lastiger is







- Indirecte verbinding: oa de GPe en de STN zijn hierbij betrokken
o Normaal gesproken inhibeert de GPe de STN
o Dit wordt opgeheven door de putamen, hierdoor exciteert de STN de GPi, wat
meer inhibitie van de Thalamus tot gevolg heeft.
o De Thalamus stopt met de cortex om motorische acties toe te staan en dus uit te
voeren of het geeft aan dat er meer kracht nodig is om de beweging te beginnen
o PunLlngLon's dlsease: te weinig inhibitie van de thalamus wat spontane
bewegingen (chorea) tot gevolg heeft. Dit wordt ook het gilles de la tourette
genoemd.

Cerebellum
- Kleine hersenen; bevatten evenveel neuronen als de cortex
- Bevindt zich achter de hersenstam
- Verticaal gezien is het cerebellum op te delen in 3 kwabben:
o Anterieure kwab
o Posterieure kwab
o Flocculus
- Op te delen in 3 gebieden
o Vermis (wormpje)
o Intermediate cerebellum
o Lateral cerebellum
- Vermis en intermediaal cerebellum worden samen ook wel het mediale cerebellum
genoemd
- Het cerebellum heeft een homunculair ipsilaterale organisatie. De mediale delen sturen
de romp aan en de laterale delen sturen de ledematen en vingers/tenen aan
- Het cerebellum heeft te maken met het verbeteren (bijvoorbeeld door bij te sturen) van
je bewegingen
- Als er een beweging vanuit de motorische cortex komt, wordt er een bewegingsinstructie
naar het cerebellum gestuurd vanuit de motorische cortex door de pons
- Het cerebellum vergelijkt dit signaal met de feedback van de daadwerkelijke beweing die
via het ruggenmerg binnenkomt
- De informatie voor de gecorrigeerde beweging wordt dan naar de Thalamus gestuurd
- De Thalamus geeft op zijn beurt weer aan de motorische cortex door hoe de beweging
aangepast moet worden

Het neurale systeem voor motorische bewegingen
- Hierarchisch georganiseerd en lopen parallel
- Corticale motorische gebieden beinvloeden het ruggenmerg direct door aflopende
systemen in de hersenstam
- De BG en het cerebellum hebben invloed op de cortex door neuronen in de Thalamus

Somatosensorisch systeem
- Het motorisch systeem is verantwoordelijk voor beweging, maar dit gaat niet zonder tast
- Het somatosensorisch systeem geeft informatie over lichamelijke sensaties door het
volgende te gebruiken:
o Nociceptoren, voor temperatuur en pijn
o Haptische receptoren, voor aanrakingen en druk
o Proprioceptoren, voor hetmeten van standen van het lichaam, de lengte van je
spieren, de stand van je gewrichtshoeken (joint receptors)
- Sommige receptoren reageren kort op een stimulus (adapteren snel)
- Sommige receptoren blijven reageren op een stimulus (weinig adaptatie)

Lecture 8
Geluid
- Geluid verplaatst zich door een medium (bijvoorbeeld lucht)
- Doordat geluid zich door de lucht (of een ander medium) verplaatst, gaat deze stof
oscilleren
- In een vacuum is er geen geluid omdat er geen medium aanwezig is, het is immers een
vacuum
- Geluid wordt door mensen met het oor waargenomen
o Het geluid gaat via het oor naar het brein, onderweg wordt het omgezet in een
elektrisch signaal
- Luide geluiden worden door grote golven van samengedrukt lucht gemedieerd (hoge
amplitude)
o De amplitude van de geluidsgolven wordt uitgedrukt in decibel (dB)
o Zachte geluiden hebben een kleine amplitude
- Trage geluiden hebben een lage frequentie, deze frequentie is uitgedrukt in Hz
o Het geluid dat een mens waar kan nemen ligt tussen de 20-20000 Hz
o Een hoge frequentie geluid is geproduceerd als de spreker snel spreekt
o Geluiden met n enkele frequentie worden ook wel een zuivere toon genoemd,
de meeste geluiden zijn complex en bestaan uit meerdere zuivere tonen

Het auditore systeem
- Geluidsgolven gaan via het oor naar de hersenen vanaf het oor wordt het audiosignaal
omgezet in een elektrisch signaal
o Deze gaan via de hersenstam naar de auditore cortex

Het oor
- Het oor kan ruwweg opgedeeld worden in 3 delen; het buitenoor, middenoor en
binnenste oor
o De functies vanaf het perspectief van een ingenieur;
Buitenoor: Gerichte microfoon
Middenoor: versterker
Binnenoor: frequentieanalyse en neurale codering
- Als geluid het oor binnenkomt, legt het de volgende route af:
o De pinna vangt de geluidsgolven op, waardoor ze afgekaatst worden in het
oorkanaal, hier raken de het trommelvlies
o De ossicles in het middenoor zetten de trillingen om in trillingen die door een
vloeibaar medium lopen
Er is hier een soort versterkend effect; de zwakke trillingen worden over
een groot gebied bij het trommelvlies omgezet in sterkere trillingen.
Na deze omzetting lopen de trillingen de cochlea in, door het cochlea
vloeistof
De drukgolven in de cochlea zorgen ervor dat de haarcellen in de cochlea
voor neurale activiteit zorgen
De vloeistof in de cochlea is endolymph
Drukgolven de vanuit het ovale raam komen worden overgebracht door
het basilair membraan naar het ronde raam, dat als outlet voor de
opgebouwde druk dient





o Het orgaan van Corti in de cochlea vangt de trillingen van de haarcellen op het
basilair membraan op, een mechanosensorische array
Als het basilair membraan buigt worden de haarcellen (cilia) ook
gebogen
Een gevolg van het trillen van de haartjes is dat ionkanalen open gaan,
waardoor k
+
ionen in de cel kunnen stromen waardoor de cel
depolariseert
Er komt een neurotransmittor vrij aan de uiteinden van de zenuwen van
het auditore zenuw waarbij elektrische signalen naar het brein gestuurd
worden
o Elke frequentie van het geluid wordt op een bepaalde haarcel op het basilaire
membraan gecodeerd; een tonotopische representatie
De golf die het oor ingelopen is loopt de hele cochlea door totdat deze
geluidsgolf aangekomen is bij het corresponderende haartje
De toonhoogte bepaalt dus wel haartje het geluid opvangt, maar niet
hoeveel impulsen het corresponderende haartje afvuurt
De snelheid waarmee de impulsen worden afgevuurd hangt van de
luidheid van het geluid
Door een luid geluid zal het basilair membraan sterker trillen dan bij een
zwak geluid, dus een sterker geluid depolariseert ook sterker
Elk haartje op het basilair membraan codeert dus de geluidsterkte van
een bepaald geluid

Multidimensionaal geluid waarnemen
- Het oor is een 1D sensor (een microfoon op n bepaalde plek)
o Hoe kan het auditief systeem dan localizeren door geluiden waar te nemen?
o Een mens heeft 2 oren, de input van beide oren wordt vergeleken
Er is een tijdsverschil tussen de 2 aankomsttijden van het geluid
Het brein meet deze verschillen en probeert op basis hiervan een
inschatting te maken hoe ver het geluid weg is
o Een andere manier waarop het brein geluid lokaliseert is de intensiteitverschillen
tussen beide inputs
Het hoofd fungeert als een soort auditief scherm; de geluidssterkte
wordt gemanipuleerd doordat het hoofd ervoor zit (akoestische
schaduw)
Door deze verschillen te verwerken kan de richting (in hoeverre de
geluidsbron links of rechts van de ontvanger zit) worden vastgesteld
De pinna onderscheidt of geluid van boven of onder komt
Het aanpassen van de oorschelp zorgt voor een (tijdelijke) disorintatie
bij de ontvanger; hij/zij kan na het aanpassen van de vorm van de
oorschelp niet meer goed geluiden lokaliseren
Na een tijdje zal de ontvanger weer aanleren om met zijn nieuwe
oorschelp geluid te kunnen lokaliseren
Het visuele systeem helpt het auditieve systeem om te leren lokaliseren
Cocktail party effect: het brein is in staat een specifieke stem te
herkennen en eruit te pikken, ondanks dat er heel veel andere geluiden
tegelijk binnenkomen





- Het auditieve systeem in het brein
o De olijfkern is de eerste plek waar de signalen van beide oren samenkomen en
waar deze vergeleken kan worden
Vanaf hier wordt de informatie verstuurd naar:
De inferieure colliculus; deze is betrokken in het orienteren van
bewegingen naar geluid
De mediale geniculate nucleus (MGN) van de Thalamus naar de
primaire auditieve cortex die betrokken is bij geluidswaarneming
- Soorten gehoorschade
o Conductiev: Het geluid kan niet overgedragen worden vanaf het buitenoor naar
het middenoor, dit is een mechanisch defect
Extreem luid geluid kan het trommelvlies of de ossicles beschadigen
Een infectie zorgt ervoor dat het middenoor gevuld is met vloeistof
Oorsmeer
o Sensorineuraal: problemen met de structuur in het binnenoor of aan het
auditieve zenuw
Extreem luid geluid beschadigd het Orgaan van Corti
Bepaalde drugs kunnen de haarcellen op het basilaire membraan
beschadigen
Het verjaren kan ook tot problemen leiden
Een tumor op een bepaalde plek kan hier ook voor zorgen
o Centraal: schade aan auditieve paden vanaf de cochlea, wordt veroorzaakt door
een defect in het CZS
Bijvoorbeeld door een tumor in de centraal auditieve paden
- De auditieve cortex
o De primaire auditieve cortex (A1) is het eerste corticale gedeelte dat geluid
verwerkt
Het basilair membraan is topografisch op A1 gebracht: aan het ene einde
lage toonhoogten, aan het andere uiteinde de hoge toonhoogten
Verder is er nog een kolom-achtige organisatie voor verschillende
geluidslocaties
Een kolom representeert een bepaalde frequentie op een bepaalde
locatie
o Geluiden worden na de A1 verder verwerkt door secundaire corticale gebieden
(A2). In de linker hersenhelft wordt A2 het meest actief door geluiden die
onderdeel zijn van woorden
o Een verder gebied in de linker hersenhelft is het gebied van Wernicke, beter
bekend als de posterieure spraak zone. Deze verwerkt geluid om er bestaande
woorden uit te maken
Dit gebied is ook betrokken bij het verbaal begrijpen en het associeren
van objecten met het geluid van een woord
Een object kan herkend worden door het geschreven woord, een plaatje
van dit object
Het geluid van dit object wordt pas begrepen nadat het verwerkt is in A1






o ulL gebled sLaaL ln verblndlng meL broca's gebled, dlL gebled ls beLrokken bl[
verbale expressie, de productie van geluiden en motorlsche programma's om Le
praten
Het broca gebied stuurt signalen van de facial area van de motorische
cortex die samentrekt, de juiste spieren produceren dan het gewenste
geluid
Een lesie van Wernicke/Broca gebied kan ertoe leiden dat een persoon
niet meer in staat is taal te begrijpen (en spreken)
Broca aphasia: het subject kan de juiste woorden of grammatica
niet uitspreken, maar wel de taal begrijpen
Wernicke aphasia: het subject kan de taal niet begrijpen, maar
wel woorden spreken (vaak pure bullshit, omdat hij de taal niet
begrijpt)
- Evenwicht
o Het vestibulaire zenuw houdt de positie en beweging van het hoofd in de gaten,
waardoor wij als mensen een evenwicht hebben, het helpt om bewegingen te
coordineren en om lichaamshouding aan te passen
o In elk oor is er een vestibulair orgaan die het volgende bevat;
3 semicirculaire kanalen: detecteert de rotatie van het hoofd
Als het hoofd draait drukt de vloeistof tegen de cupula aan
In de cupula zitten cilia van haarcellen
Het buigen van deze cilia, wat veroorzaakt wordt door het
bewegen van de vloeistof, leidt tot receptor potentialen in de
haarcellen en actiepotentialen in de cellen en deze vormen de
vestibulaire zenuw
o De depolarisatie in de haarcellen gebeurd op soortgelijke
wijze als bij de auditieve haarcellen)
De richting waarin de cilia buigen bepaalt of de haarcel
gedepolariseerd wordt of gehyperpolariseerd
Otolithe organen: detecteert oa zwaartekracht
De utricle en de saccule bevatten ook haarcellen, deze zijn
ingebed in en gelatine achtige stof die kleine calciumcarbonaat
kristallen bevatten (otoconia)
Als de kop is vertaald, dan drukken de getaline en otoconia tegen
de haarcellen, wat invloed heeft op de snelheid waarmee
actiepotentialen worden afgevuurd in de cellen die de
vestibulaire zenuw vormen














Lecture 9
(neuro)cognitie
- Een term gebruikt om de (Neurale) denkprocessen te beschrijven

Dorsale Pad
- Een belangrijk gebied in het dorsale pad is de V5
o De v5 is gespecialiseerd in het analyseren van visuele beweging
o Ook wel de MT genoemd
Patinten met een lesie in de MT zijn niet in staat om de beweging van
objecten te waarderen
Psychometrische curve
- Een curve waarmee het aantal hits van een bepaalde taak wordt waargenomen
o VB: Het steeds bekijken van een zwart veld met witte bolletjes, het is de taak om
te kijken of een omhooggaande beweging in de bolletjes waargenomen wordt
Naarmate er minder bolletjes bewegen wordt het steeds lastiger waar te
nemen
Zie slide 6 van lecture 9
Naarmate de coherentie van de stippen toe neemt (het aantal
bewegende stippen) zal het aantal actiepotentialen ook toenemen
Een kromme van bijvoorbeeld het aantal bewegende stippen uitgezet
tegen het percentage punten dat beweegt wordt een neurometrische
kromme genoemd
De neuronen bepalen de perceptie; manipulatie van een enkel neuron
kan al verstoorde perceptie tot gevolg hebben
Meerdere neuronen werken als een geheel samen met o.a. complexere
gedachten tot gevolg
Als je de neurometrische en psychometrische krommen naast elkaar zou
zetten van dezelfde taak, zullen deze ongeveer dezelfde kromme hebben

5 hoofddelen van de cerberale cortex
- Primaire sensorische gebieden
o De eerste plek waar sensorische informatie aankomt
- Hogere orde sensorische gebieden
o Hogere ordere visuele, auditieve en somatosensorische gebieden liggen bij hun
respectievelijke primaire gebieden.
o Hier wordt de sensorische informatie verder verwerkt
- Associatieve gebieden
o In de associatieve gebieden worden:
Verschillende modaliteiten gecombineerd
Aandacht wordt verplaatst
Er vindt planning plaats
Dingen worden herinnerd
Andere complexe cognitieve processen vinden plaats
- Premotorische gebieden
o hogere orde moLorlsche gebleden dle commando's versLuren naar de prlmalre
motorische gebieden
- Primaire motorische gebieden
o Luren vla heL ruggenmerg commando's naar de spleren




Dorsale en ventrale paden
- Het dorsale pad
o Eindigt de posterieure parietale cortex, analyseert visuele informatie om
bewegingen aan te sturen van ruimtelijke locaties.
o ulL wordL heL where" pad genoemd (of heL how" pad)
- Het ventrale pad
o Projecteert naar de inferieure temporale cortex identicifeert wat de stimulus is
om waar te nemen en objecten (bijvoorbeeld gezichten) te herkennen
o WordL ook wel heL whaL" pad genoemd
- Patinten meteen lesie in de parietale associatieve cortex
o Kunnen geen visuele stimuli of bewegingen hier naartoe maken
o Objecten kunnen wel normaal herkend worden
- Een verwoeste temporele associatieve cortex
o Visual agnosia
o Verlies van kennis over objecten (wat kan ik er mee? Wat is het?)
o Toch in staat deze te localiseren en hun locaties beschrijven vanuit het geheugen

Parietale-occipitale-temporale (PTO) associatieve gebieden
- Betrokken bij de samenstelling van ruimtelijke representaies van objecten in de ruimte
door tast, zicht en geluid (multisensorische integratie)
- De linkerkant speelt een belangrijke rol in taal, het geluid van woorden, geschreven
woorden, braille (tast)
- De PTO gebieden zijn belangrijk mbt het erbij houden van de aandacht
- Visuele gebieden van hogere orde scheiden fragmenten in objecten en zorgen voor focus
op n specifiek object terwijl de andere genegeerd worden

Aandacht
- Het selectief verkleinen of focussen van de focus van gedachten of sensorische stimuli
- Perceptie is zonder aandacht beperkt
- Selectieve aandacht
o Metafoor: met een zaklamp in een donkere kamer schijnen, je neemt alleen dat
waar waar het licht op valt (met je ogen)
o Aandacht dient als een filter; het beperkt wat het brein ingaat
o PeL reLlna en de vlsuele corLex zlen heL hele plaaL[e, maar waL ln heL whaL"-pad
komt wordt door aandacht bepaald
o Neuronen kunnen aangeleerd worden om selectief te reageren op informatie
binnen hun receptieve veld
- 2 soorten aandacht:
o Ruimtelijke aandacht
Je kan zelf je aandacht richten op een bepaalde ruimtelijke locatie
o Feature-based attention
Je kan zelf je aandacht focussen op een bepaald attribuut zoals
orintatie, kleur, vorm, beweging, etc.
- Neglect
o Parietale associatieve gebieden zijn betrokken bij ruimtelijke aandacht
o Als er geen aandacht gegeven kan worden leidt dit tot een gebrek in bewustzijn
Dit wordt neglect (verwaarlozing) genoemd
o Een lesie in de parietale associatieve gebieden in de rechter hersenhelft leidt
ertoe dat objecten links verwaarloosd worden
De patint heeft niet door wat er in een helft van de wereld/het lichaam
gebeurd, het tegenovergestelde deel van het deel waar de lesie zit
o Een lesie in de linker parietale associatieve gebieden resulteert niet in
verwaarlozing van dingen rechts
Verwaarlozing na een lesie rechts suggereert dat dingen links weergeven
worden in de rechter parietale associatieve delen
Dat er geen verwaarlozing voor rdingen rechts is suggereert dat dit intact
gerepresenteerd wordt in de linker parietale gebieden
Dat er geen verwaarlozing is van dingen aan de linker of rechter kant na
een lesie aan de linkerhelft suggereert dat de rechter parietale gebieden
een representatie van zowel dingen links als rechts hebben
o Sommige patinten die leiden aan unilateraal neglect ervaren ook links
representational neglect, wat hun beelding en werking van het geheugen
benvloedt
o Er is behouden visuele kennis en de mogelijkheid om te visualiseren vanuit
verschillende perspectieven, maar het mentale beeld mist details van de linkhelft
van de ruimte bij neglect patinten (Bisiach & Luzzatti)
o Extinctie
Neglect van informatie aan een kat van het lichaam waar het
tegelijkertijd gepreenteerd wordt met soortgelijke informatie aan de
andere kant van het lichaam
De detectie is correct als de stimulus gesoleerd gepresenteerd wordt, als
er echter 2 stimuli tegelijk aan beide kanten gepresenteerd worden,
wordt er eentje genegeerd
Planning
- Frontale kwabben
o Werking is vergelijkbaar met een dirigent in een orkest
o Het kiezen van een reeks acties, waarbij irrelevante stimuli genegeerd worden,
en herinneren wat je al gedaan hebt
o Mensen met letsel aan de voorkwab zijn niet in staat om hun gedrag te
organiseren
o Wisconsin Card Sorting Test
Neuropsychologische meting van planning en abstract redeneren
Gevoelig voor schade aan de frontale kwab
Cerebrale asymmetrie
- De corpus callosum is een grote zenuwbinding die de 2 hersenhelften verbindt
- Een patint met een doorgesneden corpus callosum en waar een appel links wordt
gepresenteerd
o De patint kan de appel visueel waarnemen en pakken uit een groep andere
objecten met zijn linkerarm (bestuurd door rechterhelft)
o De patient kan de appel niet benoemen omdat deze niet door het taalcentrum
links wordt waargenomen
o Split brain
- Als op elk visueel veld een verschillend object getoond wordt en een split-brain patint
wordt gevraagd om beide handen te gebruiken om het waargenomen object op te
pakken, zal elke hand een ander object pakken
o Dit suggereert dat elke helft in staat is om onafhankelijk te reageren







- Elke helft is beter in bepaalde taken
o Dominant:
Opeenvolgende taken (lezen, schrijven, spreken, analytisch denken)
Gazzanige noemt de llnkerhelfL de lnLerpreLer" vanwege zl[n
taalcapaciteit
o Niet dominant
Taken die parallelle verwerking vereisen (geometrie, muziek, ruimtelijke
taken, intutieve takn
o Verschillen tussen seksen zijn er ook
Mannen beter in ruimtelijke-relatie soort taken en mentaal-rotatie
soorten taken
Vrouwen beter in korte-termijn geheugen, verbaal vloeiender
Bewustzijn
- Tennissers zijn in staat om een bal met 200 km/h weg te slaan, zijn ze zich hier bewust
van?
o Nee, een (getrainde) tenniser moet zo snel reageren waardoor hij geen tijd heeft
om te bal waar te nemen, dit komt pas na het maken van de slag
o Het brein maakt onderscheid tussen snelle motorische besturing (dorsale pad) en
bewuste waarneming (ventrale pad)
- Bewustzijn is waarschijnlijk een proces dat voortkomt uit neurale circuits in plaats van
individuele neuronen
- Bewustzijn is waarschijnlijk een product van alle corticale gebieden, hun bindingen en
cognitieve operaties

Imitatie en begrijpen
- Gebieden rond BA 44 worden geactiveerd als zowel een doelgerelateerde actie als het
aanvangen van een soortgelijke actie worden waargenomen
- Neuronen in deze gebeden worden mirror-neurons genoemd en kunnen zowel voor het
imiteren van acties gebruikt worden als het begrijpen van de betekenis van deze acties
- Het spiegelneuron systeem wordt gezien als de overeenkomst tussen actie en observatie
o Oftewel de link tussen waarneming an actie
o Is dit systeem in staat om andere ervaringen als tast en emoties tussen iemand
die handelt en iemand die observeert te koppelen?

Sociale neurowetenschappen
- Hoe brengt het brein sociale interactie tot stand
- Het gevoel van jezelf en zelfregulatie (de mogelijkheid om impulsen en emoties te
besturen)
- Een beeld vormen bij de mentale toestand van anderen
- Neuroeconomics: breinactiviteit bestuderen terwijl mensen beslissingen make, wat
reflectieve en reflexieve neurale paden laat zien











Lecture 10
Emoties en motivaties

Onbewuste emoties en motieven maken het lastig om te zeggen dat het gedrag van de mens volledig
door vrije wil bepaald wordt

Neuroanatomie van emotie en motivatie
- Hypothalamus
- Limbisch systeem
- Frontaalkwabben

Emotie
- Cognitieve interpretatie van subjectieve gevoelens
- Veel gevoelens en cognities blijven onbewust

Motivatie
- Gedrag dat nut en een doel lijkt te hebben

De oorzaak van emoties en motivaties: Drive
- Drive: hypothetische toestand die een organisme motiveert om bepaald gedrag aan te
gaan
- Aannames bij motivaties vanuit de drive theorie:
o Zodra een gedrag start is, zal het doorgaan tot alle energie in zijn voorraad op is
o Er zijn verschillende opslagruimten van energie voor verschillende gedragen
o Metafoor: beschouw de drive als een reservoir die gevuld kan worden met een
vloeistof (de actie-specifieke energie; bijvoorbeeld de drang van een kat om een
prooi aan te vallen) en deze energie bouwt zich langzaam op in dit reservoir.
Zodra er een sensorische stimulus (in het geval van de kat bijvoorbeeld een muis)
wordt waargenomen, opent dit reservoir en komt het specifieke gedrag vrij.
- Jouw gedrag tegenover een stimulus verschilt
- De kracht van jouw gedrag verschilt
- Niet alleen biologisch noodzakelijk; ook niet nuttige dingen en speelgedrag

Gedrag voor het onderhouden van het brein
- Sensorisch verlies: beperkte sensorische input, subjecten hebben over het algemeen een
vrij lage tolerantie voor verlies en dit kan oa leiden tot hallucinaties
- Het brein heeft stimulaties nodig; een reden dat we gedrag aangaan is om het brein te
stimuleren, afwijkingen van een gewenste toestand leiden tot gedrag (bijvoorbeeld
honger hebben leidt tot eten)

Neurale circuits en gedrag
- Onderzoekers zijn nog niet in staat om drives en brein activiteit te linken
- Veranderingen in gedragd correleert met veranderingen in hormoonconcentraties en
cellulaire activieit
o Voorbeeld: hoe vaak een haan paart correleert met de hoeveelheid testosteron

Waarom katten vogeltjes doden
- Katten doden vogels, zelfs als ze geen honger hebben. Er is dan dus eigenlijk geen
motivatie mbt overleven om de vogel dan te doden
- Het doden van een vogel voelt belonend voor de kat door activiteit in neurale circuits, de
kat voelt zich dus goed als hij een vogeltje heeft gedood
- Dit moordzuchtige gedrag is bij katten aangeboren, niet geleerd
Evolutionaire psychologie
- Een vakgebied dat toepassingen van natuurlijke selectie zoekt om de oorzaak van
menselijk gedrag te verklaren
- Gedragen bestaan omdat bepaalde neurale circuits door natuurlijke selectie zijn
overgedragen
- Innate Releasing Mechanism (IRM): een hypothetisch mechanisme dat door bepaalde
sensorische stimuli getriggerd wordt en deze hebben tot gevolg dat een organisme
gemotiveerd wordt tot bepaald gedrag
- IRM zijn genetisch bepaald, maar kunnen enigszins door de omgeving gemanipuleerd
worden
- Er zouden dus logischerwijze ook sensorische stimuli bij mensen moeten zijn die de
mensen tot bepaald gedrag aanzetten
o Voorbeeld: het gedrag om voor kinderen te zorgen en de affectieve reactie van
een persoon als hij een baby ziet zijn ook aangeboren, cues die een baby
karakteriseren triggeren dit gedrag
Enkele cues die een baby karakteriseren:
Relatief groot hoofd in verhouding tot rest van lichaam
Kleine neus
Ronde lichaamsvorm
Zachte huid

Andere invloeden op gedrag
- Afkeer tegen een bepaalde smak
o Er wordt een associatie gemaakt tussen een bepaalde smaak/geur en ziekte
o Dit heeft afkeer tegen voedsel met deze geur en/of smaak tot gevolg
o Dit is aangeleerd en niet vanaf de geboorte al aanwezi
- Ontwikkeling
o Structurele veranderingen hebben ander gedrag tot gevolg
o De volgende veranderingen gaan gepaard met een toegenomen aantal neurale
bindingen
Motorische vaardigheden
Taal
Het vermogen om problemen op te lossen

Neuroanatomie van gemotiveerd gedrag (gedrag dat nuttig is en een doel heeft)
- Homeostatisch mechanisme
o Een proces dat zorgt voor het behoud van bepaalde interne eigenschappen
o Zorgt ervoor dat belangrijke functies binnen een bepaalde marge blijven
Het reguleren en constant houden van toestanden in het lichaam en in
het brein
Correcties van kleine afwijkingen mbv negatieve terugkoppeling
(negative feedback loop)
Afwijkingen van een gewenste toestand (bijvoorbeeld temperatuur) kan
als drive beschouwd worden







o Regelgevend gedrag
Gedrag dat nodig is om aan de basisbehoefte van een organisme te
voldoen
Wordt bestuurd door homeostatische mechanismen (hypothalamus)
Voorbeelden:
Temperatuur regeling
Voedsel en water inname
Zout consumptie
Het lozen van afvalstoffen
Slaap
Hormonale processen
Het limbisch systeem en de frontaalkwabben projecteren naar de
hypothalamus
Hypothalamus en de hypofyse sturen informatie naar andere hersenstam
circuits om de homeostase de beheren
Is van essentieel belang voor gedrag dat bijdraagt aan het overleven van
dieren, zoals het opslaan en verbruiken van energie substraten, groei,
ontwikkeling
o Niet regelgevend gedrag
Gedrag dat niet noodzakelijk is om aan de basisbehoeften van een dier te
voldoen
Wordt niet beheerd door homeostatische mechanismen
Wordt vaak aangestuurd vanuit de frontaalkwabben ipv de
hypothalamus
Wordt sterk benvloed door stimuli van buitenaf
Voorbeelden:
Voedselvoorkeur
Nieuwsgierigheid
Lezen
Bij gedragen zoals sex, agressie en het gedrag van ouders is het niet
precies duidelijk of dit regelgevend of niet-regelgevend gedrag is

Beheer van regelgevend gedrag
- De spijsvertering
o De spijsvertering omvat:
Mond
Maag
Galblaas
Alvleesklier
Anus
o 3 typen voedingsstoffen worden uit het voedsel gehaald, elk zijn eigen vorm van
energie opslag:
Lipiden (vetten)
Aminozuren (bouwstenen van eiwitten)
Glucose (suiker)






- Hypothalamus
o Aphagia
Niet in staat zijn om te eten
Kan komen doordat de zin om te eten ontbreekt of door motorische
problemen, vooral met slikken.
Kan ontstaan door een lesie in de laterale hypothalamus
o Hypophagia
Het tegenovergestelde van aphagia; het organisme eet juist teveel ipv te
weinig
Toename in gewicht
Kan veroorzaakt worden door een lesie in de ventromediale
hypothalamus
- Het beheren van eten
o Eetstoornissen leiden vaak tot overgewicht of ondergewicht
Bulimia nervosa: beperkte voedselinname, vaak schuldgevoelens en
weinig zelfvertrouwen
Obesity: excessieve ophoping van lichaamsvet
Anorexia nervosa: overdreven zorg voor overgewicht hebben, wat vaak
leidt tot inadequate voedselinname of teveel trainen met sterk
gewichtsverlies of zelfs uithongering tot gevolg
- Het beheren van drinken
o Perifere dorst theorie: Cannon: dorst wordt veroorzaakt door het gevoel dat je
dorstig bent, voornamelijk door een droge keel
Bewijs: geen speekselklieren leidt tot en droge mond/keel wat weer leidt
dorst
Als het dorstgevoel door een lokale verdoving in de keel is geblokkeerd,
dan zal er niet langer dorst ervaren worden
Het weghalen van de speekselklieren leidt niet tot de hoeveelheid
vloeistof die geconsumeerd wordt
Als de opgenomen vloeistof de maag niet bereikt, zal r meer drinken
geconsumeerd worden, de keel heeft wat dat betreft dus weinig met
dorst te maken
o Soorten dorst:
Hypovolemische dorst
Ontstaat door een verlies het totale vloeistofvolume in het
lichaam
Kan verholpen worden door vloeistoffen te drinken die de
ontbrekende voedingsstoffen bevatten (dus absoluut geen zuiver
water..)
Osmotische dorst
Ontstaat door een toegenomen concentratie opgeloste stoffen
in lichaamssappen
Kan verholpen worden door deze concentratie omlaag te halen;
oftewel er moet meer vloeistof zijn waarin dezelfde concentratie
stoffen is opgelost, dus het kan verholpen worden door zuiver
water te drinken
Dorst wordt gereguleerd door de hypothalamus




Neuroanatomie van gemotiveerd gdrag
- Zie lecture 10 slides 22 t/m 24

Beheer van niet regelgevend (seksueel) gedrag
- Ventomediale hypothalamus
o LuurL de vrouwell[ke 'paarhoudlng'aan (lordosls)
- Preoptisch gebied van de mediale hypothalamus
o Stuurt het seksuele gedrag bij mannen aan, maar niet de seksuele motivatie
- Amygdala
o Stuurt het seksuele gedrag bij mannen aan en mogelijk ook bij vrouwen

Effecten van geslachtshormonen op het brein
- Niet noodzakelijk voor het overleven van het individu
- Activerende effecten op het volwassen brein
o Vrouwelijk seksueel gedrag varieert afhankelijk van de oestrische cyclus
Hoge concentraties oestrogenen gaan gepaard met grotere seksuele
gevoeligheid
Ratten: grotere concentraties oestrogeen leidt tot meer dendritische
stekels op neuronen in de hippocampus
o Mannelijk seksueel gedrag wordt oa bepaald door de concentratie testosteron
Grotere concentratie testosteron leidt tot motivatie om seksueel gedrag
te zoeken

Factorn die de hormoongerelateerde activiteit in de hypothalamus bepalen
- Feedback loops (negatieve/positieve terugkoppeling): bepaalt hoeveel van een hormoon
er wordt losgelaten
- Neurale regulatie: andere breingebieden (bv limbisch systeem en frontaalkwabben)
benvloeden hoeveel hormonen er worden vrijgemaakt
- Responses op basis van ervaringen: ervaringen kunnen de structuur en functie van
neuronen in de hypothalamus veranderen

De laterale regio van de hypothalamus
- Bevat kernen en streken die de lagere hersenstam met de voorhersenen verbinden
(bijvoorbeeld met de mediale voorhersenbundel
- Streken die structure vrbinden in de hersenstam met diverse gebieden van het limbisch
systeem, de basale ganglia en de frontale cortex
- Vezels die dopamine bevatten zij betrokken in het belonen en dragen daardoor bij aan
vele gemotiveerde gedragen

De hypothalamus circuit zijn regelende functie
- Betrokkenheid in gedrag scheppen
- Elektrische stimulatie van verschillende kernen in de hypothalamus zorgen voor
doelgericht gedrag zoals:
o Eten en drinken
o Graven
o Angst tonen
o Roof- en/of aanvals- gedrag
o Reproduceer gedrag




Het limbisch circuit
- Voor plaatjes over het limbisch circuit en plaatjes over de organisatie hiervan, zie slide 32
t/m 34
- De organiserende functie van het limbisch circuit
o Amygdala
Amandelvormige verzameling van kernen die zich in het limbisch
systeem bevindt
Speelt een rol in emotie en soortspecifiek gedrag
Ontvangt input van alle sensorische systemen
Neuronen zijn multimodaal; ze reageren op meer dan een sensorische
modaliteit
Stuurt voornamelijk projecties naar de hypothalamus en hersenstam
Onderlinge projecties naar de prefrontale cortex

Neurobiologie van emotie
- Amygdala
o Betrokken bij angst
o Beinvloed autonomische en hormonale responses via verbindingen met de
hypothalamus
o Benvloedt het bewuste bewustzijn van de gevolgen van gebeurtenissen en
objecten via verbindingen met de prefrontale cortex
o Klver-Bucy syndroom, een gedragsstoornis die gekenmerkt wordt door:
Hyperseksualiteit
Verlies van normale angst reacties
Geen onderscheid tussen eetbare en niet eetbare dingen
Is een gevolg van bilaterale schade aan het mediale deel van de
amygdala

Neuroanatomie van gemotiveerd gedrag
- De frontaalkwabben
o Opgedeeld in 3 gebieden;
Motorische cortex: stuurt fijne bewegingen aan
Premotorische cortex: kiest een toepasselijke keten van bewegingen
Prefrontale cortex:
Betrokken bij het specificeren van het doel naar welke beweging
gemaakt moet worden
Dorsolaterale en inferieure gebieden
Ontvangt en geeft verbindingen van en naar de sensorische
gebieden, sensorische associaties en posterieur parietale cortex
en amygdala, ontvangt van dorsomediale thalamus en van de
VTA
Inferieure gebieden projecteren naar amygdala en de
hypothalamus; dit heeft invloed op het autonoom zenuwstelsel
Dorsolaterale regio projecteert naar sensorische associatie
cortel, cingulaire cortex, basale ganglia en de premotorische
cortex (benvloedt beweging en korte termijn geheugen





Emoties
- Autonomische reacties
o Bijvoorbeeld verhoogde hartslag
o Hypothalamus en geassocieerde structuren
- Subjectieve gevoelens
o Bijvoorbeeld angst, verliefdheid
o Amygdala en delen van frontaalkwabben
- Cognities
o Bijvoorbeeld gedachten over de ervaring
o Cerberale cortex

Neurobiologie van emotie
- De prefrontale cortex en emotioneel gedrag
o Somatische market hypothese: de marker signalen komen voort uit emoties en
gevoelens en deze leiden tot gedrag en het maken van beslissingen. Di is meestal
een onbewust proces
o Schade aan de prefrontale cortex heeft gevolgen op het sociale en emotionele
gedrag van de patint
Niet ln sLaaL om elgen emoLles ervaren/ulL Le drukken en om andermans'
emoties te herkennen
Apathie en verlies van initiatief of drive
Niet in staat om te organiseren, wat slechte keuzes tot gevolg heeft (leidt
dan ook vaak tot baanverlies)





























Lecture 11
Neurologische en psychiatrische stoornissen

Onderzoek naar brein en gedrag stoornissen
- Oorzaken van abnormaal gedrag
o De oorzaken van neurologische stoornissen zijn grotendeels onbekend
Genetische defecten
Afsterven van cellen
Verlies van neurale bindingen
o Er is nog minder bekend over psychiatrische stoornissen, maar genetische
factoren spelen hier waarschijnlijk een belangrijke rol
o Er moet bij deze psychiatrische stoornissen een soort van afwijking in de
breinstructuur of activiteit zijn
o De complexiteit van het zenuwstelsel maakt het lastig om te onderzoeken
o Heninger
Er is geen duidelijk bewijs van een enkel receptorsysteem met een
specifieke relatie tot een specifiek gedrag
o Modellen van stoornissen bij dieren zijn handig, maar geven vaak enkel een
versimpeld model van de neurobiologie van dergelijke stoornissen

Behandelingen voor stoornissen
- Pharmacologische behandelingen
o Vaak gebruikte medicijnen om gedragstoornissen te behandelen
Neuroleptische medicijnen voor schizofrenie
Anxiolytische medicijn voor angst
l's voor depressle
L-Dopa voor de ziekte van Parkinson
o Gedragstoornissen zijn vaak niet te wijten aan een enkele chemische afwijking
o Drugs gaan altijd gepaard met bijwerkingen, dit geldt ook voor bovenstaande
drugs.
o De bijwerkingen kunnen zo erg zijn dat er soms afgevraagd moet worden of de
bijwerkingen erger zijn dan de kwaal
Behandelingen voor gedragstoornissen
- Gedragstherapie
o Behandeling die principes als conditionering toepassen om ongewenst gedrag te
bestrijden
- Cognitieve therapie
o Psychotherapie gebasseerd op het perspectief dat gedachten ingrijpen tussen
gebeurtenissen en emoties. De behandeling van emotionele stoornissen vergt
veranderingen in denkwijze
- Psychotherapie
o raaLLheraple afgeleld van lreud's psychoanalyse en andere psychologische
bemiddelingen
o Vaak gebruikt om farmacologische en psychotherapien te combinren
o Het brein aanpassen leidt niet alleen tot verandering van gedrag; verandering
van gedrag leidt ook tot verandering van het brein






Traumatisch breinletsel
- Hoofdletsels zijn de meest voorkomende vorm van hersenschade bij mensen jonger dan
40 jaar
- 2 belangrijke factoren
o Leeftijd; kinderen (maar ook oudere volwassenen) krijgen sneller hersenletsel
door te vallen
o Geslacht; mannen tussen de 15 en 30 jaar lopen over het algemeen meer risico
op hoofdletsel, vooral als gevolg van ongelukken met gemotoriseerde voertuigen
- Een trauma aan het hoofd kan de bloedtoevoer naar het brein hinderen, zwellingen
veroorzaken en het brein blootstellen aan infecties, met littekens in het weefsel tot
gevolg
- Bewusteloosheid; kan kort of lang duren (coma)
- Specifieke verlechteringen kunnen gevolg zijn van de coup (de plek van inslag) en
coutercoup (de tegenovergestelde kant van de coup) lesies
- Meer algemene verslechteringen kunnen veroorzaakt worden door gespreidde schade
door het hele brein
- Whiplash: microlesies in de hersenstam
- Een hersenschudding wordt veroorzaakt door een klap aan het hoofd
o Directe symptomen: amnesia, geheugenverlies, moeite met concentreren,
hoofdpijn, gevoeliger voor licht en duizeligheid
o Latere symptomen kunnen slaapstoornis, vermoeidheid en depressie zijn
Beroerte
- Een onderbreking in de bloedstroom ofwel door een blokkade in de aders ofwel door een
bloedende ader
- Ischemia
o Tekort aan bloed als gevolg van een beroerte
o Heeft een keten van cellulaire gebeurtenissen tot gevolg die de daadwerkelijke
schade aan de aanvankelijke plek van het letsel en de aangrenzende gebieden
aanrichten
- Diaschisis
o Een neurale schok dat breinschade volgt door te kijken welke verbonden
gebieden die met de plek waar de schade is aangericht tijdelijk ophouden met
functioneren
- Neuroprotectant drugs
o Blokkeert de cascade van post-beroerte neurale gebeurtenissen
- Therapien worden vaak gebruikt om plastische veranderingen ten gevolge van een
beroerte te verminderen
Multiple Sclerose
- Een aandoening die zich kenmerkt door een verlies van myeline voornamelijk in de
motorische tracts en sensorische zenuwen in het CZS
- Terugvallen is niet zeldzaam
- Brain imaging laat discrete lesies zien
- Oorzaak onbekend; vermoedelijke oorzaken zijn een immuun respons van het CZS,
bacterile infectie, factoren uit de omgeving (bijvoorbeeld pesticiden)
o Autoimmune disease: een aandoening die er tot leidt dat het immuunsysteem
zijn vaardigheid verliest om onderscheid te maken tussen vreemde pathogenen
in het lichaam en het lichaam zelf





Epilepsie
- Symptomatische beroerte
o Herkenbaar met een specifieke oorzaak als infecties, trauma, tumoren, toxische
chemicalien, hele sterke koorts of andere neurologische stoornissen
- Idiopathische beroerte
o Komt spontaan tevoorschin en in de afwezigheid van andere ziekten in het CZS
- Algemene vs gedeeltelijke epilepsie
o EEG: gegeneraliseerde of lokaal afwijkend gedrag
- Gedrag:
o Het motorische gedeelte kan variren van milde afwezigheid van automatische
bewegingen zoals handwrijven of kauwen tot tonisch-clonische stuiptrekkingen
o Het bewustzijn kan verminderen en gevolgd worden door een periode van
amnesia waarbij ook de beroerte zelf kan horen
- Gegeneraliseerde epilepsies
o GTCS beroerte
Gekarakteriseerd door verlies van bewustzijn en stereotyperende
motorische activiteit
Tonisch stadium: het lichaam verstijft en ademhaling stopt
Clonisch stadium: ritmisch schudden
Postictale depressie: een toestand na de beroerte van verwarring
en verminderde invloed
o Absence beroerte
Van korte duur, een beroerte die zich kenmerkt door verlies van
bewustzijn zonder motorische activiteit behalve het knipperen van de
ogen, het hoofd draaien of rollen met de ogen
- Gedeeltelijke epilepsie
o Focale of gedeeltelijke beroerte
Een soort beroerte die lokaal begint (op een focus) en die kan (maar
hoeft niet) speiden naar aangrenzende gebieden
o Complex gedeeltelijke beroerte
Verlies van bewustzijn
Vind zijn oorsprong in de temporaalkwab
Gekarakteriseerd door subjectieve ervaringen (hallucinaties ed)
Automatismen of herhaald stereotyperende bewegingen
Posturale veranderingen (catatonische of bevroren postuur)
- De behandeling
o Anticonvulsante medicatie
Voorbelden: diphenylhydantoin, carbamazepine (blokkeert na
+
kanalen),
tiagabine (GABA agonist)
Deze medicijnen onderdrukken waarschijnlijk de ontlading van
abnormale neuronen door het neuronale membraan te stabiliseren,
vooral inhibitoire neuronen
o Chirurgische verwijdering van het abnormale weefsel dat de focus van de
beroertes is wordt soms uitgevoerd in ernstige gevallen van een temporaalkwab
epilepsie
o Verschillende soorten stimulatie, zoals DBS (Deep Brain Stimulation)

Neurodegeneratieve stoornis
- De ziekte van Parkinson
o Veroorzaakt door degeneratie van de substantia nigra en het verlies van de
neurotransmitter dopamine
o Ondanks een vaak gemeenschappelijke plek van schade variren de symptomen
sterk tussen de patinten
o Veel symptomen lijken op veranderingen in motorische activiteit die
plaatsvinden als gevolg van oud worden
o Positieve symptomen
Schokken tijdens rust
Spierstijfheid
o Akathesia
Kleine, niet-bewuste bewegingen of veranderingen in postuur;
motorische rusteloosheid
Occulogyrische crisis: het ongewild draaien van het hoofd en ogen naar
een kant
o Negatieve symptomen
Stoornissen in postuur
Stoornissen als de patint bijv op wilt staan
Stoornissen van locomotion
Festination: de neiging om gedrag aan te gaan met steeds
grotere snelheid
Spraakstoornissen
Akinesia (vertraging van beweging)
o Cognitieve symptomen
Verarming van gevoelens, libido, motieven en aandacht. Ook vertraagde
cognitie
o Behandeling
Gedrag: fysieke therapie is soms tot zekere verte effectief
Farmacologisch: medicijnen die het dopamine niveau verhogen
(bijvoorbeeld dopamine agonisten zoals L-Dopa)
Chirurgisch:
DBS: neurochirurgische ingreem om normale bewegingen te
vergemakkelijken waarbij een elektrode is geplaatst in de globus
pallidus of subthalamatische nuclei en verbonden is met een
externe elektrische stimulator die bediend wordt door de patint
Transplantatie: het transplanteren van embryonale dopamine
producerende cellen of multipotentiale stamcellen in de basale
ganglia
Celtherapie
Heeft als doel om een niet goed functionerende breinregio terug
te brengen naar zijn embryonale toestand waardoor deze terug
kan groeien naar een normale regio
Het gebruik van foetale cellen voor implantatie had beperkt
succes; multipotentiale stamcellen van andere gebieden kunnen
een effectievere bron van stam cellen zijn
Het is hierbij de uitdaging om er zeker van te zijn dat de cellen
correct differentieren en de juiste bindingen vormen, wat
functioneel herstel toestaat






- Dementie
o Een verkregen en aanhoudend syndroom van intellectuele verslechtering
o Belangrijke eigenschappen zijn:
Geheugen en andere cognitieve defecten
Verslechtering in sociale en occupationaal functioneren
o Niet-degeneratieve dementies zijn een heterogene groep van stoornisen met
diverse etiologin
o Degeneratieve dementies zijn waarschijnlijk tot op zekere hoogte een graad van
genetische transmissie

o Alzheimer: degeneratief
Meest prevalente vorm van dementie
Ongeveer 65% van de dementies is Alzheimer
Onbekende oorzaak; maar onder andere
Genetische aanleg
Toxische stoffen uit de omgeving
Grote hoeveelheden trace elements
Autoimmuun respons
Een traag werkend virus
Verminderde bloedstroom naar de hersenhelften
Anatomische correlaties
Neuritische plaat
o Extracellulaire amylode, microglia en astrocyten
o Vaak in de cerebrale cortex gelokaliseerd
o Komt ook voor in niet-alzheimer dementie patinten
Neurofibrillaire knopen
o Intracellulaire insluitsels gevormd door bundels van
eiwitten zoals amyloden en neurofilament gerelateerde
eiwitten
o Bevinden zich in de cerebrale cortex en in de
hippocampus
o Ook gevonden in patinten met het syndroom van
Down, ziekte van Parkinson en andere soorten dementie
o Cerebrale atrofie kan in een groot deel leiden tot het verlies van vertakkingen
van dendrieten
Meest benvloedde gebieden: limbische cortex, inferieure temporale
cortex, posterieure parietale cortex
De vroegste en meest ernstige veranderingen zijn in de entorhinale
cortex waargenomen (deel van het limbisch systeem), dit leidt ertoe dat
er geheugenproblemen voorkomen al vroeg in de ziekte
De primaire sensorische en motorische gebieden blijven relatief intact
Psychiatrische stoornissen
- 3 typen psychiatriche stoornissen
o Schizofrenie
Negatieve symptomen:
blunted affect
sociaal ingetrokken




Positieve symptomen:
Wanen
Hallucinaties
Ontwrichte spraak
Ontwricht gedrag
Catatonisch gedrag (stijf/bevroren houding
Type I schizofrenie
Gekenmerkt door positieve symptomen, dit komt waarschijnlijk
voort uit het verminderd functioneren van het dopaminergisch
systeem
Geassocieerd met vrij heftige aanvallen
Goede vooruitgang
Voorkeur naar neuroleptische medicatie (antipsychotica)
Type II schizofrenie
CekenmerkL door negaLleve sympLomen (defecLen" ln heL
gedrag)
Geassocieerd met chronische aandoeningen
Slechte vooruitgang
Slechte respons naar neuroleptica
Cognitieve verslechteringen
Vergrootte ventrikels
Corticale atrofie, met name in de frontale cortex
Neuroanatomische correlaties
Afwijkingen in de auditieve gebieden van de temporaalkwabben
kunnen de auditieve hallucinatiesverklaren
Afwijkingen in het gebied van Wernicke kunnen de
gedachtestoornis verklaren
Grote ventrikelen en dunne cortex in de mediaal temporele
gebieden en afwijkende dendritische velden in het dorsale
prefrontale gebied, de hippocampus en entorhinale cortex
kunnen het geheugendefect verklaren
Afwijkende bloedstroom in de dorsolaterale prefrontale cortex
kan defecten in het uitvoerend functioneren verklaren
Verhoogde dopamine activiteit
Dopamine agonisten kunnen psychotische symptomen tot gevolg
hebben
Neuroleptica zijn dopamine antagonisten
Neuroleptica hebben ook bijwerkingen
o Motorische bijwerking van neuroleptische medicatie
o Kan lang duren nadat een persoon ophoudt met de
medicatie in te nemen
o Oa onvermogen om de tong te stoppen met bewegen
Glutamaat en GABA zijn betrokken bij schizofrenie
o Stemmings stoornissen
Depressie I
Aanhoudende gevoelens van waardeloosheid en schuld
Stoornis in eetgedrag
Slaap verstoringen
Algemeen vertraagd gedrag
Regelmatig nadenken over zelfmoord
Manie I
Verstoorde mentale toestand die gekenmerkt wordt door
excessief vrolijk gedrag
Bipolaire stoornis I
Stemmingsstoornis gekarakteriseerd door afwisselende perioden
van depressie en manie
Depressie II
Neurobiologie: monoamine theorie
o Depressie is veroorzaakt door een tekort aan
monoamiden
o Verhoogde NE en 5-HT receptoren en antidepressiva
verhogen de hoeveelheden NA en 5-HT maar verkleinen
de receptoren
Lagere hoeveelheden van deze
neurotransmitters veroorzaakt bij gezonde
mensen geen depressie
Antidepressiva passen de hoeveelheden van
deze neurotransmitters meteen aan, maar het
duurt enkele weken voor deze medicatie de
depressie vermindert en om het aantal
receptoren te verminderen
Belang van reageren op stress
o De HPA as regelt de productie en vrijkomst van
stressgerelateerde hormonen
o Tijdens een depressie is er vaak teveel uitscheiding van
cortisol (stresshormoon) uit de adrenale kliere
Hoge concentraties cortisol zijn slecht voor
neuronen en chronische hoge concentraties
kunnen leiden tot de dood van neuronen in de
hippocampus
Neuroimaging studies
o Depressie gaat gepaard met verhoogde bloefstroom en
glucose stofwisseling in de:
Orbitale frontale cortex
Anterieur cingulaire cortex
Amygdala
Deze verhogingen worden minder als de
symptomen van depressie afnemen als gevolg
van het innemen van antidepressiva
Behandeling van depressie
o Electroconvulsieve therapie (ECT)
Met behulp van een elektrische stroom worden
aanvallen geproduceerd als behandeling voor
zware depressie
Stimuleert afname van noradrenergetische
receptoren en de productie van neurotrofische
factoren




Problemen
Medicatie nodig om stuiptrekkingen die
voortkomen uit de aanval te voorkomen
ECT leidt tot geheugenverlies met een
cumultatief effect over meerdere
behandelingen
o Elektrofysiologische behandelingen
Transcranial Magnetic Stimulation (TMS)
Alternatief voor ECT in het behandelen
van een depressie
TMS is minder heftig dan ECT
Minder bijwerkingen dan bij ECT
vanwege de magnetische stimulatie die
niet meer diffuus aangebracht hoeft te
worden, zoals bij ECT
o Angststoornissen
6 verschillende types
Algemene angststoornis
Panische stoornis
Post-traumatische stress stoornis
Sociale fobie
Specifieke fobin
Obsessief-compulsieve stoornis
Brain imaging studies
Verhoogd activaties in de cingulaire cortex en de
parahippocampale gyrus
Verhoogde respons op angst uitlokkende stimuli in de amygdala
en prefrontale cortex
Excessieve excitatore neurotransmissie kan angst bevorderen
Farmacologische behandelingen
Benzodiazepinen waren eerst de meest voorkomende
behandellng voor angsL sLoornlssen maar nu worden ook l's
steeds vaker gebruikt voor behandelingen voor angst
Cognitieve gedragstherapie
Behandeling voor obsessief-compulsieve stoornis die de realiteit
van de patinten hun obsessies en noodzakelijk gedrag voor hun
dwang uitdaagd














Lecture 12

Biologisch ritme
- Een ritme dat diverse biologische processen aanstuurt/initieert
- Verbonden met de cyclus van dagen en de cyclus van seizoenen die voortkomen uit de
draaiing van de aarde om de zon
- Dieren die dichterbij de polen leven worden meer benvloedt dan dieren die nabij de evenaar
leven door de seizoenen
- Menselijk gedrag wordt meer bepaald door de cyclus van dagen dan die van seizoenen
- Voorbeelden van gedrag dat bepaald wordt door seizoenen
o Het wegtrekken van vogels
o Winterslaap

Biologische klokken
- Gedrag wordt niet enkel bepaald door externe cues uit de omgeving
- Ritmes zijn endogeen bestuurd (het beheer komt van binnenuit)
- Voorbeelden van biologische klokken
o Het neurale systeem dat gedrag timed
o Zorgt ervoor dat dieren beter gebeurtenissen kunnen anticiperen, zelfs voordat het
daadwerkelijk gebeurd is (de vogels trekken bijvoorbeeld al weg voordat het koud
wordt)
- Periode
o Benodigde tijd om een cyclus van activiteiten te volbrengen
- Circannual rhythm
o Een jaarlijks ritme (winterslaap, wegtrekken vogels)
- Infradian rhythm
o Een ritme dat langer dan een dag duurt (bijvoorbeeld de menstruatiecyclus)
- Circadian rhythm
o Een dagelijks ritme, bijvoorbeeld het slapen van mensen
- Ultradian rhythm
o Een ritme van minder dan een dag, bijvoorbeeld het eten bij mensen
- Free-running rhythms
o PeL llchaam's elgen rlLme ln de afwezlgheld van externe cues
o Zonder input van buitenaf zijn de ritmes bij mensen ongeveer 24,5-25 uur
De slaapcyclus zou dan dus ook iedere dag iets verschuiven

Zeitgeber (tijdgever)
- Een gebeurtenis die in de omgeving plaatsvindt waardoor biologische ritmes getraind
worden
o Licht reset de biologische klok bijvoorbeeld
- Entrainment
o Een adaptief proces waarbij de periode of fase van een biologisch ritme wordt
aangepast
- Jet lag
o Een verstoring in de training van een persoon zijn biologische klok
o Komt bijvoorbeeld voor als je naar een andere tijdzone vliegt



Neurale basis van de biologische klok
- Suprachiasmatic nucleus
o Belangrijkste pacemaker van circadiane ritmes die zich net boven het optische
chiasma bevindt
- Retinohypothalamische pad
o Een neuraal pad bestaande uit subsets van kegelreceptoren in de retina naar de
suprachiasmatische nucleus (SCN) van de hypothalamus. Zorgt ervoor dat licht de
ritmische activiteit van het SCN traint
o Er bestaan ook andere dergelijke pacemakers in de retina en de pijnappelklier, maar
de SCN is de belangrijkste
- Suprachiasmatische ritmes
o Neuronen in het SCN zijn actiever in lichte periodes dan in donkere
o Neuronen in het SCN behouden hun ritmisch-elektrische activiteit zelfs als alle
paden in en uit de SCN afgesneden zijn en ook als het compleet gesoleerd is
o Een endogeen ritme is niet aangeleerd
o Na lesies in het SCN eten dieren niet meer of slapen minder dan voorheen, maar het
ritmische gedrag van deze processen verdwijnt
o Als foetale SCN cellen getransplanteerd worden herstellen de circadiane ritmes zich
- Model voor het circadiane timing systeem
o Licht traint de SCN pacemaker
o Cn pacemaker sLuurL een aanLal slave osclllaLors" een, dle elk een rlLmlsch gedrag
van een bepaald gedrag aanstuurt
o De slave oscillators worden aangestuurd vanuit de SCN pacemaker met behulp van
eiwitten, hormonen en neurotransmitters
- Melatonine
o Een hormoon dat door de pijnappelklier afgegeven wordt tijdens de donkere periode
van de dag-nacht cyclus, beinvloedt dagelijkse en seizoensgebonden ritmes

Slaap en dromen
- Een polygraaf wordt gebruikt om de elektrische activiteit in het brein en lichaam te meten
o ElectroEncephaloGram (EEG)
o ElectroMyoGram (EMG)
o ElectroOculoGram (EOG)
- Beta ritme
o Snelle hersengolf activiteit (15-30Hz)met een patroon van kleine amplituden dat
geassocieerd wordt met wakker worden
- Alfa ritme
o Grote, extreem reguliere hersengolven (7-11Hz) die geassocieerd wordt met
slaperigheid
- Delta ritme
o Langzame hersengolf activiteit (1-4Hz) patroon dat geassocieerd wordt met diepe
slaap, heeft een grote amplitude
- REM slaap
o Patroon van snelle breingolven met een kleine amplitude dat weergeven wordt door
een neocorticale EEG opname tijdens slaap



Een typische nachtrust
- Niet-REM slaap; lichte en diepe slaap
- Slow-wave slaap = niet-REM slaap
- 4 stadia van niet-REM slaap
1. Ondiepe slaap
2. Sleep spindles
3. 20-50% delta
4. > 50% delta
Naarmate de stadia vorderen is de slaap dieper

Slaap stadia en dromen
- Niet-REM slaap
o Een scala aan activiteiten vindt plaats
Oa verlagen lichaamstemperatuur, toename van groeihormoon afgifte
o Dromen komt voor in de niet-REM slaap, maar deze zijn niet zo levendig als in de
REM slaap
o Inconsistente gebeurtenissen bij niet-REM slaap
Praten tijdens slaap
Slaapwandelen
Nachtmerries
- REM slaap en dromen
o Veel oogbewegingen, PGO-spikes
o Atonia
Geen toon; een staat van inactiviteit van spieren die voortkomt uit de
inhibitie van motorneuronen
o Mechanismes die de lichaamstemperatuur regelen stoppen
o Levedige dromen vinden plaats tijdens REM slaap
Iedereen heeft een aantal dromen per nacht
Dromen vinden niet plaats in een echte tijd of ruimte
Droomsessies worden langer naarmate de slaap vordert
- Waar we over dromen
o Psychoanalytische theorien
Sigmund Freud
Dromen zijn een symbolische vervulling van onbewuste wensen
Dromen hebben een manifest (losjes verbonden reeksen van bizarre
beelden en acties) en latent content (de echte betekenis van de
droom
Carl Jung
uromen zl[n ulLdrukklngen van ons collecLleve onbewusLzl[n" (de
historie van het menselijk ras)









Gelijktijdige theorien
Allan Hobson: activatie synthese
o Dromen zijn persoonlijk, maar hebben geen betekenis
o Als reactie op de activatie van de hersenstam genereert de
cortex willekeurige gebeurtenissen van het persoonlijke
geheugen
Annttio Revonsuo: evolutionaire hypothese
o Dromen zijn biologisch gezien belangrijk omdat ze tot
verbeterde prestaties leiden bij het omgaan met
gebeurtenissen in het leven (adaptieve functie)

Wat is de functie van slaap?
- Slaap als passief proces
o Een vroege verklaring dat slaap een passief proces is dat plaatsvindt als gevolg van
een vermindering in sensorische stimulatie
o Dit verklaart niet de complexiteit van slaap
o Geen direct bewijs
Sensorisch verminderings onderzoek toont aan dat mensen juist minder
slapen als ze in gesoleerde gebieden worden geplaatst (dit is vrij
tegenstrijdig met wat je zou verwachten)
- Slaap als biologische adaptatie
o Slaap is een energie-conserverende stategie voor de duistere periode (voor mensen,
met de duiste periode wordt de nacht bedoeld)
Voedsel kan op optimale momenten verzameld worden en de slaap zorgt
ervoor dat de energie behouden wordt voor de rest van de tijd (circadian
hypothesis)
Dieren met ee voedselrijk dieet zijn minder lang bezig met voedsel zoeken en
meer tijd bezig met slapen
Predatoren slapen over het algemeen meer dan prooien
Zowel nachtdieren als dagdieren slapen op de momenten dat ze niet kunnen
reizen, jagen, makkelijk eten vinden of omdat ze meer kans hebben om dan
te overleven tegen predatoren
- Slaap als actieve inhibitie
o Steriade (2003) gelooft niet dat we zoveel tijd van ons leven doorbrengen in een
nutteloze staat van onbewustheid
o Lr zl[n geen lnkomende slgnalen van de Lhalamus (heL breln ls doof en bllnd"),
hierdoor is men klaar voor een gesloten, slaperig brein.Thalamische schakelnuclei
voorkomen de overdracht van informatie van de sensorische systemen naar de
cortex
o De toestand van verminderd bewustzijn geeft synapsen de kansom te herstellen
o Sleep spindles en delta golven tonen aan dat langdurige inhibitoire processen in de
corticale en thalamische neuronen plaatsvindt
o Corticale GABA-ergische interneuronen tonen onverwacht hoge neurale activiteit
tijdens de slow wave slaap






- Slaap als herstelproces
o Mogelijke hypotheses
Chemische gebeurtenissen die energie leveren naar cellen zijn verminderd
tijdens het ontwaken en worden hersteld tijdens de slaap
o Studies naar slaapverlies
Afstoten van DSWS
Geen gemarkeerde fysiologische effecten in de periode dat het getest is
Het leidt tot verminderde cognitieve prestaties, voornamelijk op langdurige,
saaie taken of wanneer de taak constant aandacht vergt
Microslaap
Korte periode van slaap die ongeveer een seconde duurt
Verstorende factor in cognitieve prestaties na slaapverlies

- REM slaap als herstelproces
o REM druk
Participanten tonen een verhoogde neiging om in de REM slaap te gaan in
opvolgende slaapsessies
Dit maakt het moeilijker om de uit de REM slaap te houden
o REM afname
Participanten hebben meer REM slaap in de eerste slaapsessie
o REM slaap verlies studies
Aanwijzingen voor geen nadelige effecten ten gevolge van de afwezigheid
van REM slaap
Antidepressieva verminderen de hoeveelheid REM slap zonder
bewijs van nadelige gevolgen hiervan
Hersenstam schade kan leiden tot het complete verlies van REM
slaap zonder nadelige effecten
Het instrumentaal verwijderen van de REM slaap toont wel nadelige
gevolgen aan, maar dit komt door stress

- Slaap en geheugenopslag
o Slaap speelt een rol in het opslaan en gebeurtenissen in het geheugen organiseren
Cellen in de hippocampus van een rat vuren als het in een bepaalde locatie in
een omgeving is
Groupen van cellen die vuurden tijdens het zoeken van voedsel vuurden ook
in de daaropvolgende slaapsessie; dit is de replay hypothesis
Belang van niet REM slaap voor geheugenopslag











De neurale basis van slaap
- Reticulair activatie systeem en slaap
o Aflopend reticulair activatie system
Grote reticulum (een combinatie van celkernen en zenuwvezels) die door het
centrum van de hersenstam loopt
Stimulatie van de ARAS zorgt voor een ontwakende EEG; schade hieraan leidt
tot een slow wave EEG
Coma
Verlengde toestand van onbewustzijn die op slaap lijkt
Het beheer van slaapwander gedrag wordt geregeld door een diffuus
netwerk van vezels en cellen
- Neurale basis van EEG veranderingen die in verband staan met ontwaken
o Basale voorbrein
Bevat cholinergische cellen die acetylcholine uitscheiden op neucorticale
neuronen die een ontwakende EEG stimuleren als het dier stil en alert is
o Median raphe nucleus (middenbrein)
Bevat serotonine neuronen die door de hele neocortex projecteren. Als deze
gestimuleerd worden produceren neocortische cellen een ontwakend EEG
als het dier in beweging is

NT systemen in het brein (zie slide 39 en 40 van lecture 12 voor bijbehorende afbeeldingen)
- Cholinergisch systeem
o Actief in het beheren van de EEG patroon van de cortex bij het ontwaken
o Speelt vermoedelijk een rol in geheugen bij behoud van neuron excitibiliteit
o De dood van cholinergische neuronen en vermindering in acetylcholine in de
neocortex wordt van gedacht dat het in verband staat met de ziekte van Alzheimer
- Dopaminergisch systeem
o Nigrostriatiale paden
Actief in behoud van normaal motorisch gedrag
Verlies van dopamine heeft te maken met spierstijfheid en dyskenesia in de
ziekte van Parkinson
o Mesolimbische paden
Vrijomt dopamine betrokken met gevoelens van genot en beloning
Hier wordt van gedacht dat dit neurotransmitter systeem het meest
benvloedt wordt door verslavende drugs
Verhoogde dopamine activiteit wordt gerelateerd aan schizofrenie
- Noradrenergisch systeem
o Actief in het behouden van emotionele toon
o Afname in norepinephrine activiteit wordt geassocieerd met depressie
o Toename in NE activiteit wordt geassocieerd met manie
- Serotonergisch systeem
o Actief in behoud van ontwakings EEG patroon
o Veranderingen in serotonische activiteit gerelateerd aan obsessieve-compulsieve
stoornissen, tics en schizofrenie
o Verminderingen in serotonische activiteit geassocieerd met depressie



Neurale basis van REM slaap
- Peribrachiaal gebied
o Cholinergische kern in de dorsale hersenstam speelt een rol in remslaap gedrag;
projecteert op het mediaal pontine reticulum
- Mediale pontine reticulaire formatie
o Kern in de pons betrokken bij REM slaap
o Projecteert naar verscheidene andere gebieden in het brein die REM slaap
gerelateerd gedrag produceren
o Lesies in beide gebieden verminderen REM slaap, cholinergische agonisten herstellen
REM slaap
o Betrokken bij het produceren van PGO (pons, geniculate en occipitale) golven en
oogbewegingen
- Basale voorbrein
o Betrokken bij het produceren van actieve corticale EEG
- Subcoeruleare nucleus en magnocellulaire nucleus van de medulla
o Inhibeert spinale motorneuronen wat leidt tot verlamming van REM slaap en spier
atonia
Slaap stoornissen
- Stoornisen van niet-REM slaap
o Insomnia (slapeloosheid)
Een stoornis van SWS wat leidt tot langdurig onvermogen om te slapen
Meerdere oorzaken
Slaaptherapie e benzodiazepinen
o Drug-afhankelijke insomnia
Een toestand de voortkomt uit continu gebruik van slaapmedicijnen
Tolerantie voor de drug leidt ook tot verlies van ofwel REM ofwel niet-REM
slaap
De gebruiker moet hierdoor een grotere dosering nemen
o Narcolepsie
Slow-wave slaap stoornis waarbij een persoon zonder dat hij/zij er invloed op
heeft in slaap valt (op ongepaste momenten)
Komt mogelijk voort uit mutaties in het gen dat hypocretine/orexine
peptiden produceert
o Slaap apnea
Onvermogen om te ademen tijdens slaap, de persoon moet gewekt worden
om te ademen. De persoon ontwaakt dus best wel vaak