You are on page 1of 72

STATEN VAN  CURACAO 

ontv.:MAY 1 6 2014
No.:
STATEN V AN CURA<;AO 
ZITIINGSJAAR 2013 - 2014 -050
LANDSVERORDENING van de houdende vaststelling van
regels ter bevordering van de openbare orde, rust en veiligheid, en ter
bescherming van de gemeenschap (Landsverordening openbare orde)
No.1 AANBIEDING
De Gouverneur van Cura<;ao biedt aan de Staten ter goedkeuring Dan een
ontwerp-Iandsverordening houdende vaststelling van regels ter bevordering van
de openbare orde, rust en veiligheid, en ter bescherming van de gemeenschap
(Landsverordening openbare orde)
De Minister van JLlstitie,
De Minister van Verkeer, Vervoer
en Ruimtelijke Planning,     .
vi "
   
1'1-
- 2 -
De Minister van Economische Ontwikkeling,
De Minister van Sociale Ontwikkelin&
Arbeid en W
STATEN VANCURA<;AO
ZITTINGSJAAR2013- 2014-050 
LANDSVERORDENINGvan de
houdende vaststelling van regels ter bevordering van de
openbare orde, rust en veiligheid, en ter bescherming van de
gemeenschap(Landsverordeningopenbareorde)
No.2 ONTWERP
INNAA M VANDE K0 N IN G!
o eGouv erneu r van Cura~ a0,
In overweginggenomenhebbende:
dat ingevolge artikel 1, tweede lid, van de Algemene overgangsregeling
wetgeving en bestuur Land   u r a ~ a o l de Eilandsverordening bevordering
openbare ordeen bescherming gemeenschap2is vervallen en het wenselijk is
te voorzien in een vervangende regeling ter bescherming van de openbare
orde,rusten veiligheid,enterbeschermingvan degemeenschap;
Heeft, de Raad van Advies gehoord, met gemeen overleg derStaten,
vastgesteldonderstaandelandsverordening:
§1. ALGEMENEBEPALINGEN
Artikel1
In deze landsverordening en de daarop berustende bepalingen wordt
verstaanonder:
a.  afvalstoffen: alle voorwerpen ofstoffenwaarvande
houder zich ontdoet, voomemens is zich
te ontdoen of moet ontdoen, behalve ten
behoevevan hergebruik;
Ab.201O, nr.87
2 Doorlopendetekstgepubliceerd in Ab.1980, nr. 19.
I
b. ambtenaar van politie: opsporingsambtenaar als bedoeld in
artikel 184 van het Wetboek van
Strafvordering;
c. binnenstad: het gebied bestaande uit de wijken
Punda, Otrobanda, Pietermaai en
Scharloo, begrensd in het zuiden door de
territoriale zee en in het noorden door de
Sint Anna Boulevard en de Romulo
Betancourt Boulevard;
d. eigenaar: beheerder en voorts een ieder, die
krachtens enig zakelijk recht, beschikking
over enige zaak heeft;
e. evenement: elk voor het publiek toegankelijke
verrichting van vermaak of ontspanning
in de ruimste zin van het woord,
waaronder een muziek-, dans-, toneel- of
zangui tvoering;
f. huisdieren: honden, katten en pluimvee;
g. openbare weg: aile straten, wegen, stegen, gangen,
paden, pleinen, kaden, bruggen, stoepen,
trottoirs, plantsoenen of andere gronden
of plaatsen, die al of niet voor de publieke
dienst bestemd, feitelijk voor een ieder
toegankelijk zijn en, voor zover de bij de
betrekkelijke artikelen bedoelde fei ten
daarop kunnen plaats hebben, ook aile
watervlakten;
h. vee: eenhoevige of herkauwende dieren en
varkens.
Artikel2
1. Aan een vergunning of ontheffing kunnen voorschriften of beperkingen
worden verbonden.
2. Een vergunning of ontheffing kan worden geweigerd, indien verlening
van de vergunning of ontheffing strijdig is met het belang van de
openbare orcie, rust of veiligheid, of met de welstand volgens bij
ministeriele regeling met algemene werking, vast te stellen regels.
3.  Een  vergunning  of  ontheffing  kan  worden  ingetrokken  of  gewijzigd, 
indien: 
a.  de  verstrekte  gegevens  na  de  verlening  zodanig  onjuist  of onvolledig 
blijken  dat  op  de  aanvraag  een  andere  beslissing  zou  zijn  genomen, 
indien bij  de beoordeling daarvan de juiste gegevens verstrekt waren; 
b.  als  blijkt  dat  de  vergunningsvoorwaarden  niet  in  acht  worden 
genomen,  waarbij  de  aard  en  de  ernst  van de  niet-nakoming  en  het 
aantal keren dat dit is  geschied  meewegen voor een beslissing; 
c.  de  vergunning in strijd  met wettelijke voorschriften is gegeven; 
d.  de vergunninghouder zulks schriftelijk verzoekt. 
Artikel  3 
1.  Voor  de  afgifte  van een  vergunning  of ontheffing  zijn  leges  verschuldigd 
vast te  stellen  bij  landsverordening. 
2.  Bij  ministeriele  regeling  met  algemene  werking  kunnen  nadere  regels 
worden  gesteld  met  betrekking  tot  het  aanvragen  van een'vergunning  of 
ontheffing,  alsmede  met  betrekking  tot  het  behandelen  van een  aanvraag, 
en het model voor een vergunning of ontheffing. 
Artike14 
1.  Met  rijtuigen  bestemd v ~ ~   het vervoer van personen, worden in  deze 
landsverordening gelijk gesteld rijtuigen bestemd voor het vervoer van
zaken. 
2.  Indien een  rechtspersoon eigenaar is  in de zin  van deze  landsverordening, 
dan zijn de leden van het bestuur van die rechtspersoon naast de 
rechtspersoon hoofdelijk aansprakelijk voor een verplichting of een 
verbod, in  enige bepaling van deze  landsverordening ten  aanzien van
eigenaars voorkomende. 
§ 2.  MAATREGELEN TER BEVOROERING VAN  DE 
OPENBARE OROE,  RUST,  VEILIGHEID  EN  REINHEID 
Artikel5 
1.  Bij  openbare feesten,  vermakelijkheden,  optochten, orkaan, brand en andere 
buitengewone  omstandigheden  moet  ieder  zich  onderwerpen  aan  de 
voorschriften  in  het  belang  der openbare  orde,  rust  of veiligheid,  bij  iedere 
gelegenheid door de Minister van Justitie vastgesteld. 
2.  Het  is  verboden  een  plaats  te  betreden  die  in het  kader  van  het  onderzoek 
naar een mogelijk strafbaar feit  door het bevoegd gezag is afgezet. 
Artikel6 
1.  Het  is  verboden  zonder of  in  afwijking  van  een  voorafgaande schriftelijke 
vergunning  van  de Minister  van Justitie op de openbare weg optochten  te 
houden,  te  leiden,  te organiseren of daaraan deel  te  nemen. 
2.  Een  vergunning  als  bedoeld  in  het  eerste  lid  kan  te  allen  tijde  worden 
i  nget rokken. 
Artikel7 
1.  Degene  aan  Wle,  bij  gelegenheid  van  een  volksverzameling,  optocht  of 
betoging op de openbare weg door  de ambtenaar  van  politie gelast  wordt 
zich  te  verwijderen,  is  verplicht  aan  deze  last  onmiddellijk  te  voldoen  en 
wei  langs  de  weg  of  in  de  richting  door  de  ambtenaar  van  politie 
aangewezen. 
2.  Na  het  eindigen  van  openbare  vermakelijkheden,  of  waar  een  grote 
volksmenigte  samengestroomd  is  of  zich  bijeen  bevindt,  of  wanneer  de 
orde  of  rust  verstoord  of  bedreigd  wordt,  is  ieder  op  de  openbare  weg 
verplicht  gevolg  te  geven  aan de  bevelen  van  de  ambtenaar  van  politie  in 
het  belang van het verkeer op die weg ter  plaatse gegeven. 
Artikel8 
Personen die op of aan  de openbare weg staande,  op stoepen of treden  zittende 
of  zich  heen  en  weer  bewegende,  door  enigerlei  houding,  handeling  of 
vertoning de aandacht van de  voorbijgangers tot zich trekken,  zijn,  als hun door 
de  ambtenaar  van  politie  gelast  wordt  zich  daarvan  te  onthouden  of  zich 
vandaar te  verwijderen,  verplicht onmiddellijk aan deze last  te  voldoen. 
Artikel9 
Personen  die  op  of  aan  de  openbare  weg  staande,  op  stoepen  of  treden 
zittende of  zich  heen  en  weer  bewegende,  door enigerlei  houding,  handeling 
of  vertoning  aan  weggebruikers  of  omwonenden  naar  het  oordeel  van  de 
ambtenaar van  politie of een door de Minister  van Justitie,  in  het kader van de 
naleving  van deze  landsverordening aan  te  wijzen  persoon, overlast of hinder 
veroorzaken,  zijn  verplicht op een  daartoe strekkend  bevel  van de  ambtenaar 
van  ambtenaar  van  politie  of een  door  de  Minister  van  Justitie,  in  het  kader 
van  de  naleving  van  deze  landsverordening,  aan  te  wijzen  persoon,  hun  weg 
te  vervolgen of zich  in  de door deze aangewezen richting te  verwijderen. 
ArtikellO 
Het is  aan  personen  van  wie  redelijkerwijze  kan  worden aangenomen,  dat  zij 
zich  aan  prostitutie  of  andere  ontucht  overgeven,  verboden  met  kennelijke 
ontuchtige bedoelingen op of aan de openbare weg of op een  van  de openbare 
weg  waarneembare  plaats  iemand  door  handelingen,  houding,  gebaren, 
woorden,  geluiden of op enigerlei andere wijze aan te  lokken. 
Artikelll 
Het  is  verboden  de  geregelde  gang of de  volgorde  van  een  begrafenisstoet, een 
marcherende troep of een optocht te  belemmeren of te storen. 
Artikel12 
Het  is,  behalve  ter  uitvoering  van  een  van  overheidswege  opgedragen  taak, 
verboden  zonder  of  in  afwijking  van  een  vergunning  van  de  Minister  van 
]ustitie op de openbare weg of aan de huizen inzameJingen  van geld  te  houden. 
Artikel13 
Het  is  verboden  zonder  de  nodige  voorzorgsmaatregelen  genomen  te  hebben 
explosieven te  gebruiken  of door middel  van ontploffing stenen  te  springen op 
plaatsen,  waar  zulks  voor  naburige  erven  of  voor  voorbijgangers  schadelijk  of 
gevaarlijk kan zijn. 
Artikel14 
1.  Het  is  verboden  zonder  of  in  afwijking  van  een  vergunning  van  de 
Minister  van  Verkeer,  Vervoer  en  Ruimtelijke  Planning  explosieven  te 
gebruiken of door  middel  van ontploffing stenen te springen. 
2.  Wordt  er  ten  behoeve  van  de  overheid  onder  toezicht  van  de 
Uitvoeringsorganisatie  Openbare  Werken  stenen  gesprongen,  dan  is  de 
vergunning,  bedoeld  in  het  eerste  lid,  niet  vereist,  doch  geeft  het  hoofd 
van  de  Uitvoeringsorganisatie  Openbare  Werken,  alvorens  met  de 
werkzaamheden  te  beginnen, daarvan kennis aan de minister. 
Artikel15 
1.  Het is  verboden  zonder of in afwijking van een vergunning van de 
Minister van Verkeer,  Vervoer en Ruimtelijke Planning: 
a.  in,  op,  aan  of  over  de  openbare  weg  iets  hoegenaamd  te  planten,  te 
plaatsen,  te  spannen,  te  hangen,  vast  te  hechten,  uit  te  spreiden,  uit  te 
slaan,  te  drogen,  te  luchten,  te  slepen of te  hebben; 
b.  op  de  openbare  weg  voorwerpen,  stoffen,  of  water  te  werpen,  uit  te 
storten of te  doen afvloeien; 
c.  goederen,  puin,  afbraak,  kalk,  aarde,  klei,  zand,  mest  of 
bouwmaterialen  op  de  openbare  weg  neder  te  leggen  of  te  hebben, 
behalve  wanneer en  v ~ ~   zolang dit  voor geregeld  voortgezet  laden of 
lossen  noodzakelijk  is; 
d.  de  openbare  weg  tot  werkplaats  te  bezigen,  te  overdekken,  bij  het 
bouwen of verbouwen  van  percelen  ten  gebruik in  te  nemen. 
2.  Het  is  verboden  zonder  of  in  afwijking  van  een  vergunning  van  de 
Minister van Economische Ontwikkeling: 
a.  op  of  aan  de  openbare  weg  standplaats  in  te  nemen,  waarbij  onder 
stand plaats  wordt  verstaan  een  vaste  plaats  voor  het  te  koop 
aanbieden,  verkopen  of  afleveren  van  waren  dan  wei  het  aanbieden 
van diensten, al  dan niet gebruik  makend  van zaken; 
b.  op  of  aan  de  openbare  weg  stand plaats  in  te  nemen  met  een 
carrosserie of een  voertuig dat  uitsluitend  dan  wei  mede  voor  het  ten 
verkoop  in  voorraad  hebben  of  voor  de  verkoop  van  eet- of 
drinkwaren  is  ingericht, en vanuit die  carrosserie  of dat voertuig  deze 
waren aan het publiek  te  koop aan te  bieden of te  verkopen. 
Artikel 16 
1.  Het is  verboden  handelsreclame op of aan een onroerende zaak  welke van 
de  openbare  weg  af  zichtbaar  is,  aan  te  brengen  dan  wei  als  eigenaar  of 
gebruiker  van  die  onroerende  zaak  die  reclame  in  stand  te  houden  of  de 
aanwezigheid daarvan te  gedogen. 
2.  Het eerste  lid  is  niet  van toe passing op: 
a.  handelsreclame  voor zaken,  welke  worden  vervaardigd of  verhandeld 
dan  wei  voor  bedrijven,  welke  worden  uitgeoefend  op  of  in  de 
onroerende  zaak,  voor  zover  de  Minister  van  Verkeer,  Vervoer  en 
Ruimtelijke  Planning  niet  in  een  aanschrijving  aan  de  eigenaar  of 
gebruiker  van  de  onroerende  zaak  he eft  verklaard,  dat  de 
handelsreclame  naar  zijn  mening  de  welstand  op  ontoelaatbare  wijze 
schendt.  Deze  aanschrijving  wordt  niet  verzonden  alvorens  vier 
weken  zijn  verlopen  nadat  de  minister  de  eigenaar  of  de  gebruiker 
schriftelijk  mededeJing heeft gedaan van zijn bezwaren. 
b.  handelsreclame,  aangebracht op een  bord  met een oppervlakte van  ten 
hoogste  1,5  m
2
,  tot  het  te  koop  of  te  huur  aanbieden  van  een  of  meer 
gebouwen of terreinen. 
3.  De  minister  kan  van  het  verbod,  bedoeld  in  het  eerste  lid,  aileen 
ontheffing  verlenen,  indien  de  handelsreclame  waarvoor  de  ontheffing 
wordt  verzocht,  de  welstand  niet  op  ontoeJaatbare  wijze  schendt  volgens 
bij  ministeriele regeling met algemene werking vast  te  stellen regels. 
4.  Het  is  verboden  ideele  propaganda  in  verband  met een  op  handen  zijnde 
verkiezing  voor  de  leden  van  de Staten op of aan  de  openbare  weg aan  te 
brengen  of  in  stand  te  houden,  buiten  de  periode  gelegen  tussen  de  dag 
van  kandidaatstelling  en  acht  dagen  na  die  waarop  de  stemming  is 
gehouden,  en  voor  zover  dit  niet  leidt  tot  beschadiging  van  bomen  of 
objecten  bestemd  voor  of  gebruikt  ten  behoeve  van  het  publiek  of 
schending van een beschermd stadsgezicht. 
5.  Het is  verboden ideeJe  propaganda als  bedoeJd in  het  vierde  lid  en overige 
ideele  propaganda op of aan een onroerende zaak  welke  van de openbare 
weg  af zichtbaar  is,  aan  te  brengen  dan  wei  als eigenaar of gebruiker  van 
die  onroerende  zaak  die  reclame  in  stand  te  houden  of  de  aanwezigheid 
daarvan te  gedogen,  indien deze strijdig is  met de openbare orde. 
Artikel  17 
Het is  behaJve  ter  uitvoering  van  werken  ten  behoeve  of  onder  toezicht  van  de 
overheid  verboden  zonder  of  in  afwijking  van een  vergunning  van  de  Minister 
van Verkeer,  Vervoer en Ruimtelijke Planning de bestrating of wegbedekking op 
te  breken of te  beschadigen of in de openbare weg te  graven. 
Artikel18 
Het  is  verboden  de  verlichting  bij  de  voorwerpen  of  de  plaatsen,  bedoeJd  in 
de  artikelen  15  en  17,  aangebracht  gedurende  de  tijd  gelegen  tussen 
zonsondergang en zonsopgang te  doyen of te  verplaatsen. 
Artikel19 
Het  is  verboden  een  van  openingen . voorziene  put,  kelder,  regenbak  of 
soortgelijk  reservoir  te  hebben,  dat  niet  op  zodanig  deugdelijke  wijze  is 
gesloten dat er geen gevaar voor  personen of dieren kan ontstaan. 
Artike120 
1.  Het  is  verboden  afval  of  resten  van etenswaren,  bussen,  papier of andere 
voorwerpen  of  stoffen  neer  te  leggen,  te  werpen  of  zichtbaar  achter  te 
laten op of aan de openbare weg. 
2.  Degene,  door  wie  of  op  wiens  last  enige  werkzaarnheid  op  of  aan  de 
openbare weg  verricht  wordt,  is  verplicht  hetgeen  tengevolge  daarvan op 
de  openbare  weg  achterblijft,  onrniddellijk  na  afloop  op  te  ruirnen  of  te 
doen opruimen. 
3.  Degene  die  op  of aan  de  openbare  weg  waren aan  het  publiek aflevert,  is 
verplicht  hetgeen  van  die  waren  of  van  haar  verpakking  In de 
onmiddellijke  orngeving  van  de  plaats  van  aflevering  langs  of  op  de 
openbare weg achterblijft,  onrniddellijk op  te  ruimen. 
Artikel21 
Het  is  verboden  zander  of  in  afwijking  van  een  vergunning  van  de  Minister 
van  Justitie  voorwerpen  op  de  openbare  weg  uit  te  stallen  of  uitgestald  te 
hebben  of  aan  de  openbare  weg  aan  de  buitenzijde  van  gevels,  deuren  of 
vensters ter uitstalling op te  hangen,  te  bevestigen of opgehangen of bevestigd 
te hebben. 
Artikel22 
Het is  verboden zonder of in afwijking  van een  vergwming van de Minister van 
Economische Ontwikkeling op of aan de openbare weg te  venten,  waarbij onder 
venten  wordt  verstaan  het  niet  gebonden  aan  een  vaste  plaats  te  koop 
aanbieden,  verkopen of afleveren van goederen dan wei diensten. 
Artikel23 
Het is  verboden op de openbare weg: 
a.  schadelijke of gevaarlijke  voorwerpen of stoffen  te  verkopen,  te  koop  aan  te 
bieden of ten  verkoop in  voorraad te  hebben; 
b.  bij  het  venten,  bij  het  omraepen  of  bij  het  verspreiden,  aanbevelen, 
aankondigen  of  bekend  maken  van  gedrukte  of  geschreven  stukken  of 
afbeeldingen,  zodanig  te  rae pen,  rand  te  gaan  of  te  rijden  met  zodanige 
reclamemiddelen  of  zadanige  geraasrnakende  middelen  dat  daardoor  de 
openbare  orde  verstoord  of bedreigd,  of  de  goede  zeden  aanstoot  gegeven 
wordt. 
Artikel24 
Het is  verboden: 
a.  in  vensterbanken,  op  de  rand  van  balkons,  op  bordessen  of  in  goten 
voorwerpen  te  plaatsen of  te  hebben,  zonder dat deze  tegen  het  vallen op 
de openbare weg beveiligd zijn; 
b.  aan  hekken,  omheiningen,  muren,  deuren,  vensters,  bomen  of  palen 
voorwerpen  op  te  hangen,  te  bevestigen of  te  hebben  indien  deze  gevaar 
opleveren op de openbare weg te  vallen. 
Artikel25 
Eigenaars  van  bomen  of  struiken,  waarvan  de  takken  over  de  openbare  weg 
hangen of groeien,  zijn  verplicht,  ter  pJaatse,  waar  zulks  het  verkeer  belemmert 
of  gevaar  oplevert,  op  eerste  aanzegging  door  of  vanwege  de  Minister  van 
Verkeer,  Vervoer en RUimtelijke  Planning zodanige takken  te  snoeien. 
Artikel26 
1.  Het  is  verboden  afvalstoffen  over  te  dragen  of  ter  inzameling  aan  te 
bieden aan  een ander dan de  door de Minister van Gezondheid, Milieu  en 
Natuur  aangewezen  inzameldienst,  tenzij  deze  beschikt  over  een  geldige 
vergunning als  bedoeld in  het tweede lid,  dan weI  anders dan op een door 
de inzameldienst aangewezen stortplaats of overslagstation,  te storten. 
2.  Het  is  een  ander  dan  de  inzameldienst  verboden  zonder  of  in  afwijking 
van  een  vergunning  van  de  Minister  van  Gezondheid,  Milieu  en  Natuur, 
van  derden  afvalstoffen  in  te  zamelen.  De  houder  van  een  vergunning 
draagt deze tijdens  het  inzamelen steeds  bij  zich en  toont deze op  verzoek 
van degenen bij  wie hij  inzamelt. 
3.  Het is verboden: 
a.  fecalien  of andere  afvalstoffen  op  open  of  gesloten  erven  te  storten  of 
te  verbranden; 
b.  mest-,  vuilnis- of ashopen op open of gesloten erven aan  te  brengen of 
te  hebben; 
c.  anders  dan  tijdens  of  onmiddellijk  voor  of  na  het  verrichten  van 
werkzaamheden  puin,  afbraak,  kalk-,  klei- of  zandhopen  op  open  of 
gesloten erven aan te brengen of te  hebben; 
d.  vee  te  begraven; 
e.  huisdieren  in  het openbaar te  doden. 
4.  Onverminderd  het  eerste  en  derde  lid  is  het  verboden  op  of  aan  de 
openbare weg: 
a.  fecalien  of andere afvalstoffen te storten of te  verbranden; ' 
b.  metalen  te  bewerken  anders  dan  ten  behoeve van een  aantoonbare 
bedrijfsmatige activiteit;
c.  anders  dan  tijdens  of  onmiddellijk  voor of  na  het  verrichten  van
werkzaamheden  puin,  afbraak,  kalk-,  klei- of  zandhopen  aan  te 
brengen of te  hebben; 
d.  enig  vee of  huisdier  te  verbranden  of  te  begraven,  of  het  lijk  te 
plaatsen. 
5.  Bij  ministeriele  regeling  met  algemene  werking,  kunnen  nadere  regels 
worden gesteld  ter uitvoering van dit artikel. 
Artikel27 
Het  is  verboden op  een  terrein,  bij  een  ander  in  gebruik  of  op  eens  anders 
terrein  te  plaatsen,  te  werpen,  te  verbranden,  uit  te  gieten  of te  ]aten  vallen  of 
vloeien een  voorwerp of  stof,  waardoor  dat  terrein  of  de  lucht  kan  worden 
verontreinigd. 
Artikel28 
1.  Het is  verboden zonder of in afwijking van een schriftelijke vergunning 
van de Minister van Gezondheid,  Milieu en Natuur: 
a.  vee te  houden; 
b.  meer dan 25  stuks pluimvee te  houden, of 
c.  een  pluimveefokkerij  te  drijven. 
2.  De  vergunning  wordt niet gegeven dan onder de  voorwaarden na  overleg 
met  de  directeur  van de  Uitvoeringsorganisatie  Geneeskundige  en 
Gezondheidszaken te  stellen en verva]t een jaar  na een daartoe strekkende 
schriftelijke aanzegging door de minister. 
Artikel29 
Het  is  verboden  dieren  te  houden  op  een  v ~ ~   de  omgeving  schadelijke  of 
hinderlijke wijze. 
Artikel30 
1.  Het is  verboden op de openbare weg: 
a.  bloed  of  ingewanden  van dieren  of  stank  verspreidende  stoffen  te 
vervoeren  anders dan op  voldoende  wijze  afgedekt en op andere uren 
dan  tussen des avonds tien  uur en des morgens vijf uur; 
b.  puin,  afbraak,  kalk,  aarde,  klei,  zand,  mest,  zaagsel,  krullen, 
spaanders,  los  stro,  pakhooi,  as,  slijk  of  andere  afvalstoffen  anders  te 
vervoeren dan  in  vervoermiddelen, die  zodanig  zijn  ingericht  en 
worden  gebruikt  dat  het  storten  of  wegstuiven  van de  inhoud 
voorkomen wordt; 
c.  suikergoed,  brood  en  andere  eetwaren,  bestemd  om  ongekookt  of 
ongeschild  genuttigd  te  worden,  anders  dan  behoorlijk  en  zindelijk 
gedekt  te  vervoeren, te  koop  aan  te  bieden of  ten  verkoop  in  voorraad
te  hebben. 
2.  Het  verbod, bedoeld  in  het eerste  lid,  onder c,  geldt  v ~ ~   wat  het  te  koop 
aanbieden en het ten verkoop  in  voorraad hebben betreft, ook indien zulks 
aan de openbare weg geschiedt. 
Artikel31 
1.  Het is  verboden anders dan conform  zedelijkheidsnormen deugdelijk  dan 
wei  voldoende gekleed  in  het openbaar te zwemmen of  te baden. 
2.  Het is  verboden  binnen een afstand  van 200  meter  ter  weerszijden  van de 
brug "Koningin  Emma der Nederlanden"  te  zwemmen of te  baden zonder 
vergunning van de Minister van Justitie. 
Artikel32 
Het  is  verboden op  of  aan  de  openbare  weg,  buiten  de  door  de  Minister  van
Justitie  als  openbare  toiletten  aangewezen  piaatsen,  datgene  te  verrichten, 
waartoe zulke inrichtingen bestemd zijn. 
Artikel33 
1.  Het is  verboden op de openbare weg: 
a.  anderen hinder of overlast aan  te  doen,  het  verkeer enig  beletsel  in  de 
weg  te  leggen of zich  op een  daarvoor  hinderlijke  wijze  te  bewegen of 
te  bevinden; 
b.  te  vechten,  te  schreeuwen,  stenen  of  andere  voorwerpen  voort te 
schoppen,  straatvuurtjes  te  stoken,  in  bomen  of  palen,  op  hekken, 
muren,  afsiuitingen,  op  een  in  beweging  zijnd  rijtuig,  motorrijtuig  of 
handkar  te  klimmen,  daaraan  te  hangen  of  lopende  achter  of  terzijde 
daarvan vast  te  houden,  tegen  kiosken,  paviljoenen of  muziektenten  te 
leunen,  daarop  te  klimmen,  daaraan  te  hangen  of  op  enig  gedeelte 
daarvan  te zitten,  te liggen of te staan; 
c.  straatafsluitingen of afsluitingen die  met vergunning of op  last  van  het 
bevoegde gezag geplaatst zijn,  weg  te  nemen,  te  verplaatsen of omver 
te  halen; 
d.  vee door het afsteken  van  vuurwerk of anderzins te  doen schrikken; 
e.  vee of rijwielen enige hinder of enig beletsel in de weg te  leggen; 
f.  met kaarten, geld, dominostenen of dobbelstenen of om geld  te spelen. 
2.  Het  is  verboden  op  de  openbare  weg  te  plaatsen,  te  werpen,  uit  te  gieten 
of te  laten vallen of vloeien een voorwerp of stof waardoor: 
a.  de weg kan worden  verontreinigd  of beschadigd; 
b.  aan  de  gebruikers  van  de  weg  schade,  hinder  of  letsel  kan  worden 
toegebracht. 
3.  Het  is  verboden op of aan de openbare  weg een  voertuig te  plaatsen  of  te 
hebben dat: 
a.  rijtechnisch  in  onvoldoende staat van onderhoud  verkeert; 
b.  waarvoor geen geldig goedkeuringsbewijs als  bedoeld  in artikel 95 
van de Wegenverkeersverordening   u r a ~ a o 2000

is  afgegeven; en 
c.  waarvoor geen geldig bewijs  van  verzekering als  bedoeld  in artikel 
11,  eerste  lid,  van  de  Landsverordening 
aansprakelijkheidsverzekering motorrijtuigen

is  afgegeven; of 
d.  anders in een  kennelijk  verwaarloosde toestand  verkeert. 
Artikel34 
1.  Indien  de  rechthebbende  op  of  de  beheerder  van  een  inrichting,  een 
perceel  of  perceelsgedeelte of enige andere  ruimte,  niet zijnde een woning 
die als  zodanig in gebruik is,  waarover hij  de beschikking heeft,  toestaat of 
gedoogt, dat daarin of van daar middelen als  bedoeld in  de artikelen 2,  2a, 
3,  3a  of 4  van  de  Opiumlandsverordening 1960  zonder dat  daartoe  de op 
grond  van  die landsverordening  vereiste  verI oven  zijn  verstrekt  worden 
gebruikt,  bereid,  bewerkt,  verwerkt,  gekocht  of  verkocht,  besteld, 
afgeleverd,  verstrekt,  vervaardigd  dan  weI  aanwezig zijn,  kan de  Minister 
van  Justitie,  indien zulks  naar  zijn  oordeel  in  het  belang  van  de  openbare 
orde  of  ter  voorkoming  of  beperking  van  overlast  of  aantasting  van  het 
woon- of  leefklimaat  is  vereist,  de sluiting  van  die  inrichting,  dat  perceel 
of  perceelsgedeelte of die ruimte bevelen. 
2.  De  minister  maakt  de  sluiting  bekend  door  het  aanbrengen  van  een 
afschrift  van  zijn  bevel  op  of  nabij  de  toegang  of  toegangen  van  de 
.1 P.B.  2013.  41  (G.T.). 
-l  P.B .  [977,  4. 
inrichtin&  het  perceel  of  perceelsgedeelte  of de  ruimte.  De  sluiting  treedt 
in  werking op het moment dat bedoeld afschrift is  aangebracht. 
3.  Een  ieder  is  verplicht  toe  te  laten  dat  het  in  het  tweede  lid  bedoelde 
afschrift  wordt  aangebracht  en  aangebracht  blijft,  zolang  de  sluiting  van 
kracht is. 
4.  Het  is  de  rechthebbende  op  en  de  beheerder  van  een  inrichtin&  een 
perceel of  perceelsgedeelte of enige andere ruimte als  bedoeld  in  het eerste 
lid  verboden  daarin  bezoekers  of  betreders  toe  te  laten  of  daarin  te  laten 
verblijven,  zolang de sluiting van kracht is. 
5.  Het  is  een  ieder  verboden  een  overeenkomstig  het  eerste  lid  gesloten 
inrichting,  perceel  of  perceelsgedeelte  of enige andere  ruimte  te  betreden 
of  als  bezoeker  daarin  te  verblijven  of  zich  als  betreder  daarin  op  te 
houden. 
6.  Onder  bezoekers  of  betreders  worden  voor  de  toe passing  van  het  vierde 
en  het  vijfde  lid  niet verstaan: 
a.  de  levenspartner  en  kinderen  van  de  rechthebbende  of  beheerder, 
alsmede diens elders  wonende  bloed- en aanverwanten of die  van  zijn 
levenspartner  in  de  rechte  lijn  onbeperkt,  in  de  zijlijn  tot  en  met  de 
derde graad; 
b.  personen  wier  aanwezigheid  in  de  inrichting,  het  perceel  of 
perceelsgedeelte  of  de  ruimte  wegens  dringende  redenen  strikt 
noodzakelijk  is. 
7.  De  sluiting  kan  op  aanvraag  van  de  belanghebbende  door  de  minister 
worden  opgeheven  wanneer  later  bekend  geworden  feiten  en 
omstandigheden  hiertoe  aanleiding geven en  naar zijn  oordeel  voldoende 
garanties  aanwezig  zijn  dat  geen  herhaling  van  de  feiten  of  gedragingen 
die tot sluiting hebben geleid,  zal  plaatsvinden. 
Artikel35 
Onverminderd  de  Opiumlandsverordening  1960  is  het  verboden  op  of  aan  de 
openbare  weg  met  de  daaraan  gelegen  portieken,  galerijen,  arcaden  of  nissen 
post  te  vatten  of  zich  daar  heen  en  weer  te  bewegen,  alsmede  zich  op  of  aan 
openbare  wegen  in of op een  voertuig  te  bevinden  of daarmee  heen  en  weer of 
rond  te  rijden,  indien  redelijkerwijze  kan  worden  aangenomen,  dat  zulks 
geschiedt  om  middelen  als  bedoeld  in  de  artikelen  2,  2a,  3,  3a  of  4  van  de 
Opiumlandsverordening  1960,  of  daarop  gelijkende  waar  al  dan  met  tegen 
beta ling af te  leveren,  aan  te  bieden of te  verwerven,  daarbij  behulpzaam  te  zijn 
of daarin te  bemiddelen. 
Artikel36 
1.  Het  is  verboden  op  of  aan  wegen,  die  door  de  Minister  van  Justitie  zijn 
aangewezen  indien  de  openbare  orde  dat  in  verband  met  het  openlijk 
gebruik  van  of handel  in  middelen  als  bedoeld  in  de  artikelen  2,  2a,  3,  3a 
of  4  van  de Opiumlandsverordening  1960,  naar  zijn  oordeel  noodzakelijk 
maakt, aan een verzameling van meer dan vier personen deel  te  nemen. 
2.  Het  in  het  eerste  lid  gestelde  verbod  geldt  niet  als  de  verzameling 
personen  geen  verband  houdt  met  het  openlijk  gebruik  van of  de  handel 
in  middelen  als  bedoeld  in  de  artikelen  2,  2a,  3,  3a  of  4  van  de 
Opiumlandsverordening 1960. 
3.  Een  ieder,  die  zich  bevindt  in  een  verzameling  van  personen  als  in  het 
eerste  lid  bedoeld,  is  verplicht  op  een  daartoe  strekkend  bevel  van  een 
ambtenaar van  politie of van een ander door de  minister,  in  het kader van 
de naleving van deze landsverordening, aan  te  wijzen  persoon,  zijn  weg  te 
vervolgen of  zich  in de door deze aangewezen richting te" verwijderen. 
Artikel37 
Het  is  verboden,  op  of  aan  de  openbare  weg,  op  een  voor  het  publiek 
toegankelijke  plaats  of  in  een  voor  publiek  toegankelijk  gebouw,  middelen  als 
bedoeld  in  de artikelen 2,  2a,  3,  3a  of 4  van  de Opiumlandsverordening  1960  te 
gebruiken,  toe  te  dienen,  dan  wei  voorbereidingen  daartoe  te  verrichten  of  ten 
behoeve van dat gebruik voorwerpen of stoffen voorhanden te  hebben. 
Artikel38 
Het  is  verboden  om  injectiespuiten  of  onderdelen  daarvan  zoals  naalden, 
reservoirs,  zuigers  of  daarop  gelijkende  voorwerpen  op  of  aan  de  openbare 
weg dan weI  in afvalbakken achter te  laten. 
Artikel39 
1.  De  Minister  van  Justitie  kan  in  het  belang  van  de  openbare  orde  aan 
degene  die  zich  gedraagt  in  strijd  met  de  artikelen  35,  36,  37  en  38,  een 
verbod  opleggen  om  zich  gedurende  een  in  dat  verbod  genoemd  tijdvak 
van 24  uur  te  bevinden op  in dat verbod aangewezen  plaatsen,  waar of in
de  nabijheid  waarvan de genoemde gedragingen  hebben  plaatsgehad. 
2.  De  minister  kan  in  het  beJang  van  de openbare  orde  aan  degene  aan  wie 
eerder een  verbod  als  bedoeld  in  het eerste  lid  is  opgelegd  en  ten  aanzien 
van  wie  binnen  zes  maanden  na  het  opleggen  van  dit  verbod  wordt 
geconstateerd,  dat  hij  zich  opnieuw  gedraagt in strijd  met  de  in  het eerste 
lid  genoemde  artikelen,  een  verbod  opleggen  om  zich  gedurende  een  in 
dat  verbod  genoemd  tijdvak  van  ten  hoogste  veertien  dagen  te  bevinden 
op  in  dat  verbod  aangewezen  plaatsen,  waar  of  in  de  nabijheid  waarvan 
de genoemde gedragingen hebben  plaatsgehad. 
3.  De  minister  beperkt  het  verbod,  genoemd  in  het  eerste  of  tweede  lid, 
indien  dat  in  verband  met  de  persoonlijke  omstandigheden  van 
betrokkenen noodzakelijk  is. 
Artikel39a 
1.  Het  is  verboden  op  of  aan een openbare plaats,  die  door de Minister  van 
Justitie  is  aangewezen  omdat  het  belang  van  de  bescherming  van  de 
openbare  orde  dit  naar  zijn  oordeel  nodig  maakt,  deel  te  nemen  aan een 
groep  van  meer  dan  vier  personen,  waarvan  redelijkerwijs  kan  worden 
aangenomen,  dat  deze  groep  een  bedreiging  voor  de  openbare  orde  met 
zich meebrengt. 
2.  De  aanwijzing  van  een  openbare  plaats,  als  bedoeld  in  het  eerste  lid, 
wordt  gegeven  voor  ten  hoogste  zes  maanden,  welke  termijn  telkenmale 
kan  worden verlengd. 
3.  Degene  die  zich  bevindt  in  een  groep  als  bedoeld  in  het  eerste  lid  is 
verplicht  op  een  daartoe  strekkend  bevel  van  een  ambtenaar  van  polit-ie 
direct  zijn  weg  te  vervolgen  of  zich  in  de  door  hem  aangegeven  richting 
te  verwijderen. 
Artikel39b 
1.  Een  ieder  is  verplicht  op  een  daartoe  strekkend  beschikking,  schriftelijk 
genomen  door  of  namens  de  Minister  van  Justitie  in  het  belang  van  de 
openbare  orde,  zich  te  verwijderen  en  verwijderd  te  houden  uit  een  door 
deze aangewezen gebied  gedurende de  tijd  die  in de beschikking genoemd 
is. 
2.  Het  eerste  lid  is  niet  van  toepassing  op  personen,  die  in  het  aangewezen 
gebied: 
a.  zich bevinden in  een mid del van openbaar vervoer; 
b.  aldaar  werkzaam  zijn  dan  wei  aldaar  staan  ingeschreven  bij  een 
onderwijsinsteUingi 
c.  volgens  de  basisadministratie  persoonsgegevens  aldaar  woonachtig 
zijn. 
3.  Een  beschikking als bedoeld  in  het eerste lid  is  slechts geldig gedurende een 
in  beschikking genoemde periode van ten  hoogste 12  weken. 
Artikel40 
Het  is  verboden  op  of  aan  de  openbare  weg  voorwerpen,  waarin  zich 
afvalstoffen  bevinden: 
a.  te  plaatsen  of  te  hebben  anders  dan  behoorlijk  afgedekt  en  anders  dan 
onmiddellijk  tegen  het perceel of de wand; 
b.  op een  andere dag  dan die  waarop de inzameldienst volgens  het  normale 
schema  het afval  ophaalt,  te  plaatsen of  te  hebben,  tenzij  de  inzameldienst 
een wijziging  in  het schema publiekelijk bekend  heeft gemaakt; 
c.  te  hebben  op  zondag  of  op  een  met  de  zondag  gelijk  gestelde  dag  als 
bedoeld in  de Arbeidsregeling 2000; 
d.  te  doorzoeken, om te  halen of uit te  storten; 
e.  te  plaatsen of te  hebben,  indien  die  voorwerpen,  reeds  voor  hetzelfde doel 
gebruikt  zijnde,  niet  zodanig  zijn  gereinigd,  dat  zij  geen  stank 
verspreiden. 
Artikel41 
1.  Het is  verboden op de  openbare w   ~ op andere dan door de Minister van 
Onderwijs,  Cultuur,  Wetenschap  en  Sport  aangewezen  plaatsen  vliegers 
op  te  laten of enig balspel  te  spelen. 
2.  Het is  verboden  vliegers op te  laten of in  de lucht  te  houden: 
a.  binnen  een  afstand  van  3  kilometer  van  de  grens  van  het 
luchtvaartterrein; 
b.  indien  daardoor  schade  kan  ontstaan  aan  bovengrondse  telefoon- of 
elektrische leidingen; 
c.  tussen zonsondergang en zonsopgang; 
d.  indien de lengte  van de uitgevierde  lijn  langer is  dan 100 meter; 
e.  door middel  van een nylonlijn. 
Artikel42 
1.  Het is  verboden  vuurwapens of windbuksen af te  schieten,  behoudens op 
of in krachtens vergunning van de Minister van Justitie,.daartoe bijzonder 
ingerichte schietbanen, die alvorens in  gebruik  te  worden genomen door 
de  Minister van Justitie moeten zijn goedgekeurd. 
2.  Het gebruik van  de schietbanen geschiedt onder de door de Minister van 
Justitie  te  stellen  voorwaarden. 
Artike143 
Het  is  verboden  zonder  of  in  afwijking  van  een  schriftelijke  vergwming  van 
de  Minister  van  Justitie  in  overeenstemming  met  de  Minister  van 
Gezondheid,  Milieu  en  Natuur wilde of exotische  dieren  te  verhandelen  of  te 
hebben,  indien zij  schadelijk of gevaarlijk voor de omgeving kunnen zijn. 
Artike144 
1.  Het is  verboden: 
a.  op de openbare weg  voorwerpen,  langer dan drie  meter, anders dan in 
horizon tale stand en  daarbij  zodanig te  dragen, dat elke  uiteinde op de 
schouder of in  de hand  van een drager rust; 
b.  op  daken,  buiten  aan  gevels,  muren  of  wanden  van  aan  de  openbare 
weg  grenzende  gebouwen  of  getimmerten  enig  werk  te  verrichten  of 
aan de openbare  weg  te  bouwen, gebouwen,  muren of getimmerten af 
te  breken, zonder dat op een van die weg zichtbare  plaats aan of bij  het 
gebouw,  de  muur  of  het  getimmerte  ter  hoogte  van 2,5  a  3  meter 
boven  de  begane  grand  een  rode  driehoek  met  gelijke  zijden  van  ten 
minste  0,3  meter  uithangt  en  overeenkomstig  bij  vergunning  van  de 
Minister  van  Verkeer,  Vervoer  en  Ruimtelijke  Planning  te  steJlen 
voorwaarden  zodanige  maatregelen  zijn  genomen  dat  gevaar  voor 
voorbijgangers uitgesloten  is  en tussen zonsondergang en  zonsopgang 
bovendien  behoorlijke verlichting ter  plaatse is  aangebracht; 
c.  op  of  aan  de  openbare  weg  voorwerpen  te  hijsen,  neer  te  laten  of  te 
werpen,  zonder  dat  beneden  een  meerderjarig  persoon  staat,  die 
voorbijgangers tijdig waarschuwt; 
d.  over de openbare  weg openslaande deuren,  vensters,  luiken  of  bladen 
anders dan  behoorlijke  plat  tegen  de  muur of  wand  vastgezet  open  te 
laten staan; 
e.  aan  de  openbare  weg  in  de  binnenstad  metalen  pinnen  of  puntige, 
stekende,  scherpe  of  snijdende  voorwerpen  te  plaatsen  of  te  hebben 
op,  aan  of  tegen  hekken,  palen  of  afsluitingen,  muren  of  percelen 
zodanig dat zij  over de openbare weg uitsteken; 
f.  afsluitingen,  muren,  percelen  of  houtwerk  aan  de  openbare  weg 
staande  binnen  een  verticale  afstand  van 2  meter  boven  de  begane 
grond  te  beschilderen  of  te  teren,  zonder  maatregelen  te  nemen  om 
zawel bij  dag als  bij nacht  voorbijgangers  te  waarschuwen,  zalang  het 
beschilderde of geteerde nog niet droog is; 
g.  van  daken  op  de  openbare  weg  in  de  binnenstad  afstromend 
hemelwater  te  laten  afvloeien,  anders  dan  door  goten,  leidingen  of 
afvoerbuizen,  die  niet  hoger  dan  een  halve  meter  boven  de  openbare 
weg  verheven  zijn  of  uitmonden,  en  overeenkomstig  bij  vergunning 
van  de  Minister  van  Verkeer,  Vervoer  en  RUimtelijke  Planning,  de 
directeur  van  de  uitvoeringsorganisatie Openbare  Werken  gehoord,  te 
stellen  voorwaarden  maatregelen  te  hebben  genomen,  dat  de 
wegbedekking niet door het neerstortend  water beschadigd  wordt; 
h.  condenswater  op  de  openbare  weg  te  laten  vloeien  anders  dan  door 
leidingen  die  niet  hoger  dan een  halve  meter  boven  de  openbare  weg 
eindigen, onverminderd artikel 33,  tvveede  lid. 
2.  Degene op wiens  last  werkzaamheden, als bedoeld  in  het eerste  lid,  onder 
b,  c en  f, plaats  hebben,  is  verplicht  te  zorgen,  dat  de  daarin  opgenomen 
voorschriften  nagekomen worden. 
Artikel45 
1.  Het  is  verboden  zander  of  in  afwijking  van  een  evenementenvergunning 
van  de  Minister  van Justitie  openbare  vermakelijkheden  te  geven  of  voor 
het  publiek  toegankelijke  bijeenkomsten  tot  ontspanning  of  vermaak  te 
houden. 
2.  Het eerste  lid geldt niet  voor de houder  van een  vergunning als bedoeld in 
de  Vergunningslandsverordening  die  beschikt  over  de  toestemming, 
bedoeld  in  artikel  52  van  die  landsverordening,  mits  een  te  houden 
evenement" valt  binnen  de  voorschriften  en  beperkingen  verbonden  aan 
deze toestemming. 
3.  Het  is  verboden  deel  te  nemen aan  een  danspartij  gehouden  in  strijd  met 
het eerste lid. 
4.  Onverminderd  artikel  2,  tweede  lid,  kan  de  minister  een 
evenementenvergunning  weigeren,  indien  na  verlening  van  een  eerdere 
evenementenvergunning vast is  komen  te  staan dat de  vergunninghouder 
zich  niet  aan  de  vergunningsvoorwaarden  in  het  kader  van  de  openbare 
orde, rust of veiligheid  heeft gehouden. 
Artikel46 
1.  Het  is  verboden  zonder  of  in  afwijking  van  een  evenementenvergwming 
van de Minister van Justitie op de openbare weg: 
a.  muziek- of  zanguitvoeringen  of  vertoningen  te  geven,  muziek  te 
maken of te  zingen; 
b.  vuurwerk  af  te  steken  of  daarmede  te  werpen,  buskruit  of  andere 
ontplofbare stoffen aan  te  steken of op andere wijze  te  doen  ontploffen 
fakkels of teertannen te  branden en vuur aan te  leggen of te  hebben; 
c.  voordrachten of  toespraken te  houden; 
d.  zich  te  bevinden geheel of gedeeltelijk vermomd of gemaskerd. 
2.  Het  verbod  onder  b  geldt  ook  ten  aanzien  van  de  daarin  bedoelde  feiten, 
indien zij  aan de openbare weg plaats hebben. 
3.  Het  verbod  onder  d  geldt  niet  ten  aanzien  van  kinderen  beneden  de 
leeftijd  van tien jaren. 
Artikel47 
1.  Het  is  verboden  zander  of  in  afwijking  van  een  evenementenvergunning 
voor  buitenlandse  artiesten  van  de  Minister  van  Justitie  een  artiest  die 
geen  ingezetene  van  Cura<;:ao  is  te  laten  optreden  of  daartoe  gelegenheid 
te  geven. 
2.  Beholldens  in  bij  rninisteriele  regeJing  met  cllgemene  \verking  door  de 
Minister  van  Justitie  en  de  Minister  van  Social e  Ontwikkel ing,  Arbeid  en 
We lzijn,  bepaalde  gevallen,  worden  in  de  periode  van  1 dece mber  tot  en 
met  de  eerste  wocnsdag  na  de  dag  waarop  de  Carnavalsoptocht  wordt 
gehouden, geen  vergunn i ngen  verleend. 
Artikel48 
De  deelnemers aan een optocht, waarvoor geen vergunning is verleend, zijn 
verplicht op de eerste  vordering van de ambtenaar van politie uiteen te gaan. 
Artike149 
1.  Het  is  verboden  danspartijen,  muziekuitvoeringen  en  andere 
feestelijkheden  of  vermakelijkheden,  die  niet  als  openbaar  of  voor  het 
publiek  toegankelijk  kunnen  worden  aangemerkt,  voort  te  zetten,  nadat 
degene  die  zodanige  feestelijkheid  of  vermakelijkheid  houdt  of  geeft  een 
schriftelijk  met  reden  omkleed  verbod  dat  daarmede  wordt  voortgegaan, 
bereikt  heeft,  welk  verbod  de  Minister  van  Justitie  heeft  uitgevaardigd 
omdat  daardoor  de  openbare  rust,  orde  of  veiligheid  verstoord  of 
bedreigd  wordt,  of  de goede  zeden  aanstoot  gegeven  wordt,  of op  grond 
dat  de  toestand  van  een  in  de  buurt  aanwezige  zieke  zulks  vordert,  in 
welk  laatste  geval  een  schriftelijke  verklaring  van  een  geneeskundige 
mede moet worden vertoond. 
2.  Het  is  verboden  bij  de  danspartijen,  muziekuitvoeringen  en  andere 
feestelijkheden  of vermakelijkheden,  bedoeld  in  het eerste  lid,  alsmede  bij 
het  op  enigerlei  wijze  ten  gehore  brengen  van  enige  vorm  van  muziek  of 
zang  hetzij  in  een  al  dan  niet  afgesloten  ruimte  hetzij  in  de  buitenlucht, 
zodanig  geluid  voort  te  brengen  dat  daardoor  schade  of  overlast  voor 
omwonenden ontstaat. 
Artikel50 
1.  Het  is  verboden  zonder  of  in  afwijking  van  een  vergunning  van  de 
Minister  van  Justi tie  een  niet  openbare  of  niet  voor  het  publiek 
toegankelijke  danspartij  te  houden,  waartoe  bezoekers  tegen  vergoeding 
in  geld  toegelaten worden. 
2.  Een  vergunning als bedoeld in het vorige  lid  wordt geweigerd: 
a.  indien  het  oogmerk  van  de  danspartij  is  persoonlijk  geldelijk  gewin 
voor zichzelf of voor een ander te  verkrijgen; 
b.  indien de aanvrager in enig opzicht van slecht levensgedrag is; 
c.  indien  er  gegronde  redenen  bestaan  om  te  verwachten  dat  van  de 
vergunning  gebruik  zal  worden  gemaakt  in  strijd  met  de  openbare 
orde of goede zeden; 
d.  indien  de  aanvrager  reeds  viermaal  in  de  peri ode  van  een  jaar  een 
vergunning is  verleend. 
3.  In  afwijking  van  het  tweede  lid,  onder  d,  kan  de  minister  aan 
rechtspersonen met volledige rechtsbevoegdheid,  werkzaam  ten algemene 
nutte  in  de  periode  van  een  jaar  ten  hoogste  negenmaal  een  vergunning, 
als bedoeld in  het eerste lid  verlenen. 
Artike151 
1.  Het is  verboden  zonder vergunning  van de Minister  van Justitie  personen 
beneden  de  leeftijd  van  vijftien  jaren  toe  te  laten  tot  een  danspartij  als 
bedoeld in artikel 45  of artikel 50. 
2.  Degene,  die  met  inachtneming  van  artikel  45  of  van  artikel  50  een 
danspartij  houd t,  is  verplicht  te  zorgen,  dat  personen  beneden  de  leeftijd 
van  vijftien  jaren  niet  daartoe  worden  toegelaten,  tenzij  een  vergunning 
als bedoeld in  het eerste lid  is  verkregen. 
Artikel52 
Het  is  verboden  een  danspartij,  tot  het  houden  waarvoor  ingevolge  deze 
landsverordening  een  vergunning  nodig  is,  na  des  nachts  drie  uur  te  laten 
voortduren of na  bedoeld  uur daaraan deel  te  nemen. 
Artikel53 
Bij  ongeregeldheden,  wanordelijkheden,  rumoer  of  burengerucht  zijn  de 
houders  van  een  danspartij,  waarvoor  i!",gevoJge  deze  landsverordening  een 
vergunning  nodig  is,  op  eerste  vordering  van  ambtenaren,  met het opsporen 
van  overtredingen  van  deze  landsverordening  be last,  verplicht  de  danspartij 
te staken en zijn  de deelnemers daaraan  verplicht uiteen  te  gaan. 
Artikel54 
Op de eerste  vordering  van ambtenaren  met  het  opsporen  van  overtredingen 
van  deze  landsverordening  belast,  zijn  de  houders van  een  in  strijd  met  deze 
landsverordening  gehouden  danspartij  verplicht  die  te  staken  en  de 
deelnemers daaraan verplicht uiteen  te  gaan. 
Artikel55 
De  artikelen  50  tot  en  54  blijven  buiten  toepassing  ten  aanzien  van  wettelijk 
erkende,  bij  het  in  werking  treden  van  die  artikelen  bestaande  verenigingen 
en  ten  aanzien  van  danspartijen  te  houden  in  gebouwen,  behorende  tot  die 
verenigingen. 
Artikel56 
Het is  verboden, zonder of  in  afwijking van een vergunning van de Minister 
van Gezondheid, Milieu en Natuur: 
a.  enig werk  te  verrichten,  dat geraas of andere  hinder van ernstige aard 
veroorzaakt of schadelijke of walgelijke lucht verspreidt,  indien zulks op 
de naburige erven of op de openbare weg waargenornen kan worden; 
b.  in  de open gaanderijen  van de  huizen aan de openbare weg vuur aan te 
leggen of te  hebben. 
Artike157 
1.  Het is  verboden: 
a.  enig  aanplakbiljet,  reclameplaat,  ander  drukwerk  of  geschrift 
hoegenaarnd op eens anders eigendorn aan  te  plakken,  te  bevestigen of 
aan  te  brengen  zonder  toestemming  van  de  eigenaar  of  de  huurder. 
Deze  bepaling  is  niet  toepasselijk  op  gerechtelijke  akten  en  andere 
stukken,  waarvan  de  aanplakking  door  of  op  last  van  openbare 
ambtenaren krachtens wettelijk  voorschrift geschiedt; 
b.  zonder  daartoe  gerechtigd  te  zijn,  niet  eigen  muren,  schuttingen, 
hekken,  stoepen,  deuren,  ramen  of  vensters  te  besmeren,  te  bekrassen 
of daarop te  schrijven of te  tekenen; 
c.  tussen  zonsondergang  en  zonsopgang  op  of  aan  de  openbare  weg  te 
liggen of zonder daartoe gerechtigd  te  zijn  tegen enig perceel  te  leunen 
of op de stoepen of  treden te  zitten of post te  vatten. 
2.  Onverminderd  de  artikelen  33,  46  en 56,  is  het  verboden een  vuur  aan  te 
leggen,  aan  te  doen  leggen  of  aan  te  houden,  indien  daardoor  schade, 
hinder of overlast voor anderen kan ontstaan. 
Artikel58 
Het is  verboden holle voorwerpen, waarin of waartussen  hemelwater zich  kan 
verzamelen,  op  of  tegen  hekken,  palen,  afsluitingen of  percelen  te  bevestigen 
ofbeveshgd  tehebben. 
Artikel59 
1.  Het is  verboden  hetzij  in de  woning of  in  het  bij  een  woning  behorend erf 
hetzij  in  het  besloten  lokaal  of  erf  bij  een  ander  in  gebruik  orde,  rust  of 
veiligheid  verstorende handelingen te  plegen. 
2.  Het  is  verboden  zich  wederrechtelijk  te  bevinden  op  of  in  een  voertuig, 
vaartuig of luchtvaarttuig, bij  een ander in  gebruik. 
Artike160 
Het is  verboden: 
a.  zich  tot  een  begraafplaats  toegang  te  verschaffen  anders  dan  ter  daartoe 
aangewezen plaats, tenzij op last van de beheerder; 
b.  op  een  begraafplaats  bij  gelegenheid  van  het  begraven  of  vervoeren  van 
lijken de orde te  verstoren. 
Artikel61 
1.  De  eigenaar  of  gebruiker  van  lokalen  of  percelen,  niet  voor  bewoning 
bestemd  zijnde,  is  indien  daarin  niemand  van  18.00  tot  8.00  uur 
onafgebroken  aanwezig  pleegt  te  zijn,  verplicht  aan  de  Minister  van 
Justitie  of  een  door  hem  aan  te  wijzen  ambtenaar  schriftelijke  opgave  te 
doen  van  de  naam,  het  adres,  en  zo  mogelijk  het  telefoonnummer  van 
tenminste  een onmiddeUijk  bereikbare persoon, die  in  het bezit  is  van  de 
sleutels van  het lokaal of perceel. 
2.  De  eigenaar  of  gebruiker,  bedoeld  in  het  eerste  lid,  is  verplicht  elke 
verandering  in  de  door  hem  bij  zijn  schriftelijke  opgave  verstrekte 
gegevens  terstond  schriftelijk  op  te  geven  aan  de  Minister  van  Justitie  of 
door deze aangewezen ambtenaar. 
§ 3.  HET RIJDEN,  HET VERVOEREN  EN 
LOS  LOPEN  VAN DIEREN 
Artike162 
1.  Het is  verboden: 
a.  vee onbeheerd op of los  langs de openbare weg te  laten  lopen; 
b.  vee  op het  terrein,  bij  een ander  in  gebruik,  zonder diens toestemming 
los  te  laten  lopen. 
2.  Het  vee,  bedoeld  in  het eerste  lid,  wordt vanwege de Minister  van Justihe 
in  bewaring genomen en indien het binnen acht dagen na  mededeling aan 
de  rechthebbende  of  na  openbare  bekendmaking  vanwege  de  Minister 
van Justitie  niet door de  rechthebbende is opgeeist,  verkocht. 
3.  Bij  teruggave  van  het  in  bewaring  genomen  vee  worden  de  gemaakte 
kosten ingevorderd. 
4.  Bij  verkoop  worden  uit  de  opbrengst  betaald  de  kosten  van  verkoop  en 
van  bewaring  alsmede  de  kosten  die  zijn  gemaakt  tot  opsporing  van  de 
rechthebbende. 
5.  De  overblijvende gelden worden in de  landskas gestort en ter beschikking 
van de rechthebbende gesteld. 
6.  Vee  dat  los  over  de  openbare  weg  loopt,  mag  door  de  ambtenaar  van 
politie worden afgemaakt,  zo  het  vangen gevaar oplevert. 
Artike163 
Het is verboden  niet-uitvliegend  pluimvee op de openbare weg te  laten  lopeno 
Artikel64 
Het  is  verboden  zonder  of  in  afwijking  van  een  vergunning  van  de  Minister 
van Justitie  wilde dieren over de openbare weg te  laten gaan of te  vervoeren. 
Artikel65 
Het  is  verboden  uitvliegend  pluimvee  te  houden  of  te  doen  of  laten  houden 
binnen  een  door  de  Minister  van  Verkeer,  Vervoer  en  Ruimtelijke  Planning 
vastgestelde afstand  vanaf een vliegveld  of luchthaven. 
Artikel66 
Onverminderd artike126, eerste  lid,  onder d  en e,  en het tweede  lid,  onder c,  is 
het  verboden  een  kadaver  of  dergelijk  walgelijk  voorwerp  te  brengen  of te 
hebben op of in een  verzameling van vuilnis of van  dergelijke stoffen,  dan wei 
op of in  een vuilnisemmer,  ton,  kist of dergelijke. 
Artike167 
Het is  verboden: 
a.  op  de  openbare  weg  een  trekdier  te  besturen,  dat  gewond  of  door  een 
uiterlijk  waarneembare ziekelijke  aandoening  is  aangetast,  tenzij  het  dier 
in  die  toestand  is  geraakt  tijdens  het gebruik dat er van gemaakt werd op 
het  ogenblik  dat  het  feit  geconstateerd  werd  en  het  nog  niet  mogelijk  is 
geweest het buiten gebruik  te  stellen; 
b.  een  stuk  vee  op de openbare  weg  te  laten  gaan,  wanneer  redelijkerwijs  te 
. voorzien  is,  dat  het  tengevolge  van verwonding  of  zwakte  zlJn 
bestemming niet zal kunnen bereiken; 
c.  op  de  openbare  weg  vee  te  vervoeren  met  de  kop  buiten  het 
vervoermiddel  of  in  liggende  houding  in  zuik  een  aantai,  dat  de  bodem 
van  het  vervoermiddel  niet  elk  stuk  vee  voldoende  en  behoorlijke 
ligplaa ts  verschaft; 
d.  op  de  openbare  weg  een  rijtuig  te  besturen,  indien  het  vervoerde, 
daaronder  begrepen  de  bestuurder  en  andere  inzittenden,  zich  niet  in 
evenwicht bevindt of wegens de  zwaarte bovenmatige inspanning  bij  het 
trekdier vergt; 
e.  op  de  openbare  weg  een  rijtuig  of  een  trekdier  te  besturen,  indien  enig 
deel  van  het  tuig,  wegens  hardheid,  onvoldoende  breedte  of  afmetingen 
bij  het dier verwondingen,  vervelling of schaving  veroorzaakt. 
Artikel68 
1.  Het is  verboden een hond  vast  te  [eggen,  te  doen  vastleggen of vastgelegd 
te  hebben  of  te  houden,  tenzij  de  hond  is  voorzien  van  een  halsband, 
waarvan  de  lengte  en  breedte  zodanig  zijn  dat  de  band  voor  hem  niet 
schadelijk  is  en  op  zodanige  wijze  is  vastgelegd  dat  hij  zich  ongehinderd 
kan  bewegen. 
2.  Binnen  het bereik  van de vastgelegde  hond  moeten zich een schaduwrijke 
plek  of  ruimte  bevinden  waar  het  dier  beschutting  heeft  tegen 
weersomstandigheden. 
Artike169 
1.  Het is  verboden anders  dan kortstondig  vee  vast  te  zetten  dan  weI  in een 
koraal  of  stal  te  hebben,  indien  het  niet  afdoende  wordt  beschut  tegen 
weersomstandigheden zoals zon en regen. 
2.  Het  is  verboden  katten  vast  te  leggen,  vast  te  zetten,  vastgelegd  of 
vastgezet te  hebben, dan weI  te  doen of  laten  vastzetten. 
§ 4. PERCEELNUMMERS, STRAA  TNAAMBORDEN, 
WAARSCHUWINGSBORDEN EN 
VERKEERSTEKENEN 
Artikel70 
1.  De eigenaar van een gebouw of getimmerte is  verplicht te  zorgen, dat: 
a.  het  voorzien  is  van  een  duidelijk  zichtbare,  bi;  de 
Uitvoeringsorganisatie  Ruimtelijke  Ordening  en  Planning  tegen 
beta ling  verkrijgbare  plaat,  welke  het  nummer  vermeldt  door  die 
ambtenaar voor het betrokken of getimmerte bepaald. 
b.  de  plaat  zo  spoedig  mogelijk  op  een  van  de  openbare  weg  zichtbare, 
daarvoor  geschikte  plaats  van  het  gebouw  of  getimmerte  wordt 
aangebracht,  welke  ter  hoogte  van  ten  minste anderhalve  meter en ten 
hoogste drie meter boven de begane grond  is gelegen; 
c.  het op de plaat aangebrachte nummer in goed  leesbare staat blijft. 
2.  Bij  vernummering  van  het  perceel  mag  het  oude  nummer  mits 
doorgestreept  nog  zichtbaar  blijven  gedurende  de  tijd  van  een  jaar,  te 
rekenen  van de dag,  waarop  het nieuwe nummer aangebracht is. 
3.  Indien  een  woning  zelfstandig  tot  huisvesting  wordt  ingericht  dient  het 
een plaat,  vermeldende een afzonderlijk nummer,  te  verkrijgen. 
Artikel71 
1.  Bij  bouw,  herbouw,  verbouwing,  splitsing  of  vereniging  van  percelen,  is 
het de eigenaar  verboden  een gebouw of getimmerte  in  gebruik  te  nemen 
of  op  enige  wijze  in  gebruik  te  geven,  alvorens  dit  voorzien  is  van  het 
door Uitvoeringsorganisatie Publieke Zaken aangewezen nummer. 
2.  De  eigenaar  is  verplicht  te  zorgen,  dat  tijdens  het  verrichten  van 
werkzaamheden  aan  het  perceel  het  nummer  d uidelijk  leesbaar  blijft 
aangeduid. 
Artikel72 
1.  Het is verboden het  nummer,  krachtens de artikelen 70  en 71  aangebracht 
van  het  perceel  te  verwijderen  of een  ander  nummer  aan  te  brengen of  te 
hebben. 
2.  Bij  of  krachtens  landsbesluit,  houdende  algemene  maatregelen,  worden 
nadere  regels  gesteld  met  betrekking  tot  de  naamgeving  van  openbare 
ruimten en de nummering van  percelen. 
Artikel73 
1.  Eigenaars  zijn  verplicht  toe  te  laten  dat  door  of  vanwege  het  bevoegde 
gezag  straatnaamborden,  waarschuwingsborden  of  verkeerstekenen  aan 
hun gebouw of getimmerte of op hun erf worden aangebracht. 
2.  Het  is  verboden  het  aldus  aangebrachte  bord  of  teken  te};X.,ijzigen, 
onzichtbaar of onkenbaar te  maken,  te  verwijderen of aldaar een bord  met 
de  naam  van  een andere openbare  weg of een ander  waarschuwingsbord 
of verkeersteken aan te  brengen of te  hebben. 
§ 5.  TOEZICHT EN  HANDHAVING 
Artikel74 
1.  Met  het  toezicht  op de naleving  van de  regels  gegeven  bij  of  krachtens deze 
landsverordening, zijn  belast de  personen aangewezen in  artikel  184  van het 
Wetboek  van  Strafvordering,  alsmede  de  bij  landsbesluit  aangewezen 
ambtenaren of personen.  Een  zodanige aanwijzing wordt bekendgemaakt in 
de Cura<;aosche Courant. 
2.  De  personen,  bedoeld  in  het  eerste  lid,  zijn  uitsluitend  voor  zover  dat  voor 
de vervulling van hun taak redelijkerwijze noodzakelijk is,  bevoegd: 
a.  al1e  inlichtingen  te  vragen; 
b.  inzage  te  verlangen  van  aile  boeken,  bescheiden  en  andere 
informatiedragers  en  daarvan  afschrift  te  nemen  of  deze  daartoe 
tijdelijk  mee te  nemen; 
c.  goederen  aan  opneming  en  onderzoek  te  onderwerpen,  deze  daartoe 
tijdelijk  mee  te  nemen en daarvan monsters te  nemen; 
d.  aile  plaatsen,  met  uitzondering  van  woningen,  zonder  uitdrukkelijke 
toestemrning  van  de  bewoner,  te  betreden,  vergezeld  van  de  door  hen 
aangewezen personen; 
e.  schepen  en  stilstaande  voertuigen,  alsmede  de  lading  daarvan  te 
onderzoeken; 
f.  woningen  of  tot  woning  bestemde  gedeelten  van  vaartuigen  zonder 
uitdrukkelijke toestemrning van de bewoner binnen te treden. 
3.  Zo  nodig,  wordt  de  toegang  tot  een  plaats  als  bedoeld  in  het  eerste  lid, 
onderdeel d,  verschaft met behulp van de sterke arm. 
4.  Op  het  binnentreden  van  worungen  of  van  tot  woning  bestemde  gedeelten 
van  vaartuigen  als  bedoeld  in  het  derde  lid,  onderdeel  f,  is  Titel  X  van  het 
Derde  Boek  van  het  Wetboek  van  Strafvordering  van  overeenkomstige 
toepassing,  met  uitzondering  van  de  artikelen  155,  vierde  lid,  156,  tweede 
lid,  157,  tweede  en derde  lid,  158,  eerste  lid,  laatste  zinsnede,  en 160,  eerste 
lid,  en met dien verstande dat de machtiging,  indien het betreft de krachtens 
het  eerste  lid  aangewezen  personen,  wordt  verleend  door  de  procureur-
generaal. 
5.  Bij  landsbesluit,  houdende  algemene  maatregelen,  kunnen  regels  worden 
gesteld  met betrekking tot  de wijze  van taakuitoefening van  de  krachtens dit 
artikel aangewezen ambtenaren en personen. 
6.  Een  ieder  verleent  aile  medewerking  aan  de  ambtenaren  en  personen, 
bedoeld in  het eerste lid. 
Artikel75 
1.  De  betrokken  minister  is  bevoegd  op  kosten  van  de  overtreder  van  een 
bepaling  gegeven  bij  of  krachtens  deze  landsverordening  te  doen 
wegnemen,  te  beletten  of  in  de  vorige  toestand  te  herstellen  hetgeen  in 
strijd  met  die  bepalingen  is  of  wordt  gehouden,  gemaakt  of  gesteld, 
ondernomen  of  weggenomen.  Een  beslissing  tot  toepassing  van 
bestuursdwang wordt op schrift gesteld en geldt als een beschikking. 
2.  Met  uitzondering  van  spoedeisende  gevallen  wordt  van  de 
bevoegdheden, bedoeld in  het eerste lid,  geen gebruik gemaakt, dan nadat 
van  de  belanghebbende  schriftelijk  is  gevorderd  binnen  een  redelijke 
termijn  te  doen  datgene  waartoe  hij  bij  of  krachtens  deze 
landsverordening is gehouden. 
3.  De  betrokken  minister  is  eveneens  bevoegd  tot  het  in  de  vorige  toestand 
herstellen  van  schade  toegebracht  aan  overheidswerken,  voor  rekening 
van  degene  door  wiens  toedoen  de  schade  is  veroorzaakt,  alsmede  tot  het 
treffen  van  maatregelen  ter  voorkoming van  meerdere schade. 
4.  De  kosten  we gens  schade  toegebracht  aan  overheidswerken,  alsmede  de 
kosten  wegens  de  te  nemen  of  genomen  maatregelen,  worden  door  een 
daartoe  door  het  bevoegd  gezag  aangewezen  persoon  geraamd  en 
vermeld  in  een  proces-verbaal  dat  aan  degene  die  de  schade  heeft 
toegebracht wordt toegezonden. 
Artikel76 
1.  De  overtreder  is  de  kosten  verbonden  aan  de  toe passing  van 
bestuursdwang  verschuldigd,  tenzij  de  kosten  redelijkerwijze  niet  of  niet 
geheel  te  zijnen laste behoren te  komen. 
2.  De  beschikking,  bedoeld  in  artikel  75,  eerste  lid,  vermeldt  dat  de 
toepassing van bestuursdwang op kosten  van de overtreder plaatsvindt. 
3.  Indien  de  kosten  geheel  of  gedeeltelijk  niet  ten  laste  van  de  overtreder 
wilen worden gebracht, wordt zulks in  de beschikking vermeld. 
4.  Onder  kosten,  worden  tevens  begrepen  de  kosten  verbonden  aan  de 
voorbereiding  van  bestuursdwang,  v ~ ~   zover  deze  kosten  zijn  gemaakt 
na  het  tijdstip  waarop  de  termijn,  bedoeld  in  artikel  75,  tweede  lid,  is 
verstreken. 
5.  De  kosten  zijn ook  verschuldigd,  indien de  bestuursdwang door opheffing 
van de onrechtmatige situatie niet of niet voUedig is  uitgevoerd. 
Artikel77 
1.  De  betrokken  minister  kan  van  de  overtreder  bij  dwangbevel  de 
verschuldigde  kosten,  verhoogd  met  de  op  de  invordering  vallende 
kosten,  invorderen. 
2.  Het  dwangbevel  wordt  op  kosten  van  de  overtreder  bij 
deurwaardersexploit  betekend  en  levert een executoriale  titel  op  in  de  zin 
van het Wetboek  van  Burgerlijke Rechtsvordering. 
3.  Ged urende  zes  weken  na  de  dag  van  betekening  staat  verzet  tegen  het 
dwangbevelopen. 
4.  Het  verzet schorst de  tenuitvoerlegging. Op  verzoek  van  de  minister,  kan 
de  rechter de schorsing van de  tenuitvoerlegging opheffen. 
Artikel78 
De  kosten  verbonden aan  de  toepassing  van  bestuursdwang zijn  bevoorrecht 
op  de  zaak  ten  aanzien  waarvan  zij  zijn  besteed  en  worden,  na  de  kosten, 
bedoeld  in  artikel  284,  eerste  lid,  van  Boek  3  van  het  Burgerlijk  Wetboek,  uit 
de opbrengst van de zaak betaald. 
Artikel79 
1.  Met  opsporing  van  de  in deze  landsverordening  strafbaar  gestelde  feiten 
zijn,  naast  de  in  artikel  184  van  het  Wetboek  van  Strafvordering  bedoelde 
personen,  belast  de  daartoe  bij  landsbesluit  aangewezen  personen.  Een 
zodanige aanwijzing wordt bekend gemaakt in  De Curac,:aosche Courant. 
2.  Bij  landsbesluit,  houdende  algemene  maatregelen,  kunnen  regels  worden 
gesteld  met betrekking  tot  de  vereisten  waaraan de  krachtens  het eerste  lid 
aangewezen personen dienen te  voldoen. 
Artikel80 
De  feiten  bij  deze landsverol"dening strafbaar gesteld  zijn  overtredingen. 
Artikel81 
1.  Overtreding van enige bepaling van deze landsverordening wordt gestraft 
met  hechtenis  van  ten  hoogste  twee  maanden  of  geldboete  van  ten 
hoogste de tweede categorie. 
2.  Indien  tijdens  het  plegen  van  de  overtreding  nog  geen  jaar  is  veriopen, 
sedert  een  vroegere  veroordeling  van  de  schuldige  "vegens  gelijke 
overtreding  onherroepelijk  geworden  is  of  vrijwillig  voldaan  is  aan  de 
voorwaarde  door  de  bevoegde  ambtenaar  van  het  Openbaar  Ministerie 
krachtens  artikel  1:161  van  het  Wetboek  van  Strafrecht  gesteld,  kan 
hechtenis  of  geldboete  tot  het  dubbele  van  het  maximum  gesteld  in  het 
vorige  lid  worden opgelegd. 
3.  Bij  een  veroordeling  wegens  overtreding  van  enige  bepaling  van  deze 
landsverordening als bedoeld  in  het tweede  lid,  kunnen  de  voorwerpen  in 
de desbetreffende bepaling genoemd,  waarmee de overtreding is  gepleegd 
of  door  mid del  van  overtreding  verkregen,  worden  verbeurd  verklaard, 
voor zover zij  aan de  veroordeelde  toebehoren,  met uitzondering evenwel 
van  d ieren en  vervoermiddelen. 
§6.  SLOT- EN OVERGANGSBEPALINGEN 
Artikel82 
1.  Artikel  15,  onderdeel a,  is  niet  van  toepassing  op  voorwerpen als  bedoeld 
in  dat  artikel,  aanwezig  op  het  tijdstip  van  inwerkingtreding  van  deze 
landsverordening,  gedurende  een  jaar  na  die  datum,  mits  de  eigenaar  of 
gebruiker van het voorwerp binnen drie maanden na de  inwerkingtreding 
van deze landsverordening, ontheffing van  het verbod aanvraagt. 
2.  Artikel  16,  eerste  lid,  is  niet  van  toepassing  op  handelsreclame,  aanwezig 
op  het  tijdstip  van  inwerkingtreding  van  deze  landsverordening 
gedurende  een  jaar  na  die  datum,  mits  de  eigenaar  of  gebruiker  van  de 
onroerende  zaak  binnen  drie  maanden  na  de  inwerkingtreding  van  deze 
landsverordening ontheffing van het verbod aanvraagt. 
3.  De  beschikking  tot  weigering  van  een  ontheffing  vermeldt  binnen  welke 
termijn  een  voorwerp  als  bedoeld  in  het  eerste  lid,  of  handelsreclame  als 
bedoeld  in  het  tweede lid,  wordt verwijderd. 
4.  Beschikkingen  gegeven  krachtens  het  Landsbesluit  van  22  maart  2011 
(2011/028249),  zoals  verlengd,  voor  zover nog geldend  op  het  tijdstip  van 
inwerkingtreding  van  deze  landsverordening,  gelden  als  gegeven 
krachtens deze landsverordening. 
Artikel83
De Eilandsverordening leges, precariorechten en retributies Curac;ao
s
wordt
gewijzigd als voigt:
1. In artikel 33 wordt "artikel 18, onder b van de Eilandsverordening
BevorderingOpenbareOrdeenBeschermingGemeenschap(A.B.1980, no.
19)" vervangendoor:artikel22 vandeLandsverordeningopenbareorde.
2. In artikel 34 wordt "Eilandsverordening Bevordering Openbare Orde en
Bescherming Gemeenschap (A.B. 1980, no. 19)" vervangen door:
Landsverordeningopenbareorde.
3. In artikel 35, aanhef, worden "artikel 36 van de Eilandsverordening
BevorderingOpenbareOrdeenBeschermingGemeenschap(A.B.1980, no.
19)" vervangen door: artikel 45 van de Landsverordening openbare orde
enhetwoord"eilandsverordening" door:landsverordening.
4. In artikel 36, eerste lid, wordt "artikel 37, sub a en c van de
Eilandsverordening Bevordering Openbare Orde en Bescherming
Gemeenschap (A.B. 1980, no. 19)" vervangen door: artikel 46, eerste lid,
onderdelena ofc, vandeLandsverordeningopenbareorde.
5. In artikel 36, tweede lid, wordt "artikel 40 van de Eilandsverordening
BevorderingOpenbareOrdeenBeschermingGemeenschap(A.B. 1980, no.
19)" vervangendoor:artikel50vandeLandsverordeningopenbareorde.
6. In artikel 37, aanhef, wordt "Eilandsverordening Bevordering Openbare
Ordeen BeschermingGemeenschap (A.B. 1980, no. 19)" vervangen door:
Landsverordeningopenbareorde.
7. Artikel37, onderdeelj, komtte luiden:
J. hethoudenvaneensterrit, puzzel- ofspeurtocht... . ..... Naf. 100,-. 
8. In artikel 39, eerste lid, aanhef, wordt "Eilandsverordening Bevordering
Openbare Orde en Bescherming Gemeenschap (A.B. 1980, no. 19)"
vervangendoor:Landsverordeningopenbareorde.
9. In artikel 39, eerste lid, onder c, wordt "artikel 1 onder z van de
Wegenverkeersverordening Curac;ao" vervangen door: artikel 1,
onderdeele, vandeWegenverkeersverordeningCurac;ao2000;
10. In artikel 39, derde lid, wordt "artikel 10 lid 1 sub e van de
Eilandsverordening Bevordering Openbare Orde en Bescherming
Gemeenschap (A.B. 1980, no. 19)" vervangen door:artikel 15, tweede lid,
vandeLandsverordeningopenbareorde.
5 A.B. 1992. 20.
11.  In  artikel  40  wordt  "Eilandsverordening  Bevordering  Openbare  Orde  en 
Bescherming  Cemeenschap  (A.B.  1980,  no.  19)"  vervangen  door: 
Landsverordening openbare orde. 
12.  In  artikel  44,  aanhef  wordt  "Eilandsverordening  Bevordering  Openbare 
Orde  en  Bescherming  Cemeenschap  (A.B.  1980,  no.  19)"  vervangen  door: 
Landsverordening openbare orde. 
Artike184 
Deze  landsverordening  wordt  aangehaaJd  als:  Landsverordening  openbare 
orde. 
Artikel85 
Deze  landsverordening  treed t in  werking  met  ingang  van  de  eerste  dag  van 
de kalendermaand  na  de datum van bekendmaking. 
Cegeven te  Willemstad, 
De Minister van Justitie, 
De Minister van Verkeer,  Vervoer 
en Ruimtelijke Planning, 
De Minister van Cezondheid, Milieu 
en  Natuur, 
De Minister van  Economische Ontwikkeling, 
De  Minister van Sociale Ontwikkeling, 
-Arbeid  en Welzijn, 
De Minister van Onderwijs, Cultuur, 
Wetenschap en Sport, 
Uitgegeven de 
De Minister van Algemene Zaken, 
STATEN VAN C U R   ~   O
ZITTINGSJAAR 2013 - 2014 _05

LANDSVERORDENING houdende vaststelling van regels ter bevordering van
de openbare orde, rust en veiligheid, en ter bescherming van de gemeenschap
(Landsverordening openbare orde)
No.3 MEMORIE VAN TOELICHTING
I.  ALGEMEEN DEEL
1. llliciding
lngevolge Additioneel artikel r bij de Staatsregeling van Cura<;ao en artikel 1 van
de Algemene overgangsregeling wetgeving en bestuur Land Cura<;ao (r.B. 2010,
no. 87) zijn aUe regelingen vim de Nederlandse Antiilen en bet eilandgebied
Cura<;ao naar het Land Cura<;ao overgegaan, met uitzondering van de
regelingen die zijn opgenomen 10 de bijLagen behorende bij de
landsverordening. De Eilandsverordening Bevordering Openbare Orde en
Bescherming Gemeenschap is ten onrechte opgenomen in voormeLde bijlagen en
op grond van artikel 2, tweede lid, van voormeLde regeling vervaJlen. Met deze
ontwerp-landsverordening wordt beoogd deze omissie te herstellen.
Onderhavige ontvverp-landsverordening strekt ertoe om de materie geregeld in
de Eilandsverordening Bevordering Openbare Orde en Bescherming
Gemeenschap, opnieuw vast te stellen. Tevens is van de gelegenheid gebruik
gemaakt om het vooralsnag geldende beleid omtrent evenementen ""' dar
artiesten optreden die geen ingezetenen zijn, wette!ijk te verankeren.
De wettelijke regelingen van andere verordeningen zoals de
Vergunningslandsverordening, de Landsverordening toelating en uitzetting en
de Hinderverordening, gelden onverkort naast deze landsverordening.
2. Hoofdlijnen vnn het ontwerp
De eerste prioriteit bij het vaststellen van onderhavig ontwerp betreft het
opnieuw vaststellen van het vergunningenstelsel dat het gebruik Vdn de
openbare ruimte reguleert. Dit vergunningenstelsel client ter bevordering van de
openbare orde, rust en veiligheid.
Onderhavig ontwerp heeft niet de strekking om de regeling van de openbare
orde en veiligheid op moderne leest te schoeien, maar een regeling tot stand te
brengen die de ruimte biedt de noodzakelijke modemisering gedegen voor te
bereiden.
Er zijn noodzakelijkerwijs wei een aantal wijzigingen aangebracht, mede naar
aanleiding van de ad viezen van de Raad van Advies. De wijzigingen houden in
de eerste plaats verband met de nieuwe staatkundige verhoudingen per 10
oktober 2010 en het opheffen van de dubbele bestuurslaag.
Daarbij zijn enkele wijzigingen aangebracht die verband houden met de
verstedelijking van Cura<;:ao en de wenselijkheid rtieuw beleid te introduceren
wat betreft samenscholingen en de toepassing van bestuursdwang. Wat betreft
de verstedelijking zullen bepalingen die v66r 10 oktober 2010 beperkt waren tot
het stadsdistrict bij inwerkingtreding van de landsverorderting gelden in het
hele grondgebied, met uitzondering van enkele bijzondere voorschriften die
specifiek gelden voor de binnenstad.
Wat betreft samenscholingen zijn twee nieuwe arhkelen ingevoegd die gericht
zijn op het beperken van de samenscholing van personen die mogelijk een
inbreuk op de openbare orde en veiligheid zou kunnen betekenen.
Wat betreft de voorkoming van illegaal storten van afval zijn twee bepalingen
van de ook vervallen Eilandsverordening vaste en chemische afvalstoffen
'
opgenomen.
Wat betreft de toe passing van bestuursdwang is een regeling aan het ontwerp
toegevoegd, ter bevordering van een effectiever optreden tegen overtredingen.
In het ontwerp wordt ook vast beleid met be trekking tot het optreden door
buitenlandse arhesten bij evenementen tijdens de periode van 1 december tot en
met de eerste woensdag na de dag waarop de camavalsoptocht wordt
gehouden, geformaliseerd. Het beleid was en blijft vooralsnog restrictief.
Aangezien rtiet aile situaties kunnen worden voorzien, is flexibiliteit ingebouwd
voor gevalJen vastgesteld bij ministerieJe regeling met algemene werking.
3. Adviezen Raad van Advies
In deze paragraaf worden de adviezen van de Raad van Advies van 18 april
2012 (RvA no. RA/44-11-LV) en 22 januari 2014 (RvA no. RA/31-13-LV)
besproken. Mede naar aanleiding van deze adviezen zijn diverse aanpassingen
in het ontwerp aangebracht. Tenzij specifiek wordt ingegaan op het advies van
2014, betreffen de volgende onderdelen het advies van 2012. Dit advies heeft
immers geleid tot ingrijpende wijzigingen in het ontwerp.
I lngevolge
"
de plaatsing op de negatieve lijst (bijlage B bij de Aigemene overgangsregeling
wetgeving en bestuur Land Cura<;:ao), is deze eilandsverordening met ingang van 10 oktober
20 IO. vervallen.
1
0
Buitenlandse artiest
De Raad van Advies heeft ten aanzien van verschillende onderdelen die het
vergunningsstelsel voor buitenlandse artiesten regelt, geadviseerd am de
betreffende bepalingen te herzien of te heroverwegen. De definitie van
buitenlandse artiest is geschrapt. Artikel 47 is verkort en de
verantwoordelijkheid voor regulering van de ontheffing is neergelegd bij
Minister van Justitie en de Minister van Sociale Ontwikkeling, Arbeid en Welzijn
gezamenlijk.
2
0
Evenement
De Raad adviseert ten aanzien van de bepalingen omtrent de
evenementenvergunning te verduidelijken of het hebben van een vergunning als
bedoeld in artikel 52 van de Vergunningslandsverordening de organisator van
een evenement vrijstelt van de verplichting te beschikken over een
evenementenvergunning. De Raad verwijst onder meer naar hotels en
restaurants.
Artikel 52 van de Vergunningslandsverordening verbiedt het zonder
schriftelijke toestemming van de Minister van J ustitie in een voor het publiek
toegankelijke lokaliteit vertoningen of andere verrichtingen ten vermake van het
publiek te maken, te geven of toe te laten, of gelegenheid tot dansen te geven of
dansen toe te laten.
Dit artikel van de Vergunningslandsverordening beschermt, gelijk onderhavige
landsverordening, de openbare orde en zedelijkheid . Het ad vies van de Raad
van Advies tot heroverweging van artikel 45 43 in het licht van de
Vergunningslandsverordening heeft geleid tot de volgende aanpassing van het
ontwerp. [n artikel 45 43 is in een nieuw tweede lid opgenomen dat het verbod
niet geldt voor de houder van een vergunning als bedoeld in de
Vergunningslandsverordening, die beschikt over een toestemming als bedoeld
in artikel 52 van die landsverorden.ing, mits een te houden evenement valt
binnen de voorschriften en beperkingen verbonden aan deze toestemming. Deze
kwalificatie is noodzakelijk ter bescherming van de openbare orde, veiligheid en
zedelijkheid.
Indien de organ.isator van het evenement n.iet tevens vergunninghouder is, dient
de organisator van het evenement een vergunnmg als bedoeld in artikel 45 43
van de onderhavige landsverordening aan te vragen. De organisator en de
beheerder van de plaats of ruimte waar het evenement zal worden gehouden,
dienen zich er van te vergewissen dat het houden van het evenement zich
verhoudt met de vergunning en artikel 52 van de
Vergunningslandsverordening.
Gelet op het voorgaande wordt tevens voorgesteld artikel 47, derde lid, te
schrappen en in plaats daarvan het nieuwe artikel 45, tweede lid, van
overeenkomstige toepassing te verklaren op evenementen waar buitenlandse
artiesten optreden.
30 Bebouwde kom en stadsdistrict
De Raad adviseert artikel 14, eerste lid, artikel 28, eerste lid, artikelen 40, 41 en 42
te heroverwegen wat betreft de beperking van de daarin opgenomen verboden
tot het stadsdistrict. Deze beperking is deels opgeheven door de werking van de
verboden uit te breiden naar het gehele grondgebied van het eiland.
In artikel 44, onderdeel e, is "eerste district" geschrapt en is de reikwijdte van
onderdelen e en g van het artikel beperkt tot de binnenstad.
Het ad vies van de Raad met betrekking tot arhkel 5 is niet overgenomen. De
voorschriften waamaar wordt verwezen in artikel 5 betreffen de handhaving
van de openbare orde, rust en veiligheid. Deze taak komt ingevolge artikel 6,
onderdeel c, van de Landsverordening ambtelijk-bestuurlijke organisatie toe aan
de Minister van Justitie. Artikel 5 betreft de voorschriften die ter plekke worden
gegeven ter behoud van de openbare orde, rust en veiligheid. Deze
voorschriften staan los van eventuele voorschriften en beperkingen verbonden
aan een vergunning verleend door een andere minister maar op basis van deze
landsverordening.
Het advies van de Raad met betrekking tot artikel 22 was aanleiding tot verdere
wijziging van het ontwerp ten aanzien van het onderwerp venten.
In de Eilandsverordening Bevordering Openbare Orde en Bescherming
Gemeenschap gold een verbod op venten door meisjes jonger dan zestien jaar. In
onderhavig ontwerp is het verbod uitgebreid naar minderjarigen. De Raad heeft
gead viseerd het verbod te handhaven, maar te beperken tot jeugd igen tot
zestien jaar, dus tot en met vijftien jaar.
Bij nader inzien wordt voorgesteld de bepaling te veralgemeniseren en niet te
beperken tot jeugdigen. Bescherming van jeugdigen in deze landsverordening is
niet noodzakelijk gelet op het volgende. Venten is een vorm van arbeid. Hoewel
straatventers niet vallen onder de werking van de Arbeidsregeling 2000, heeft
die landsverordening wei betrekking op kinderen en jeugdigen. In artikel 18 van
de Arbeidsregeling 2000 is het verbod op kinderarbeid geregeld. Dit verbod
heeft ingevolge de defirutie van kind in artikel 2, eerste lid, onderdeel c,
betrekking op personen die de leeftijd van vijftien jaar nog niet hebben bereikt.
Dus personen tot en met veertien jaar.
Voor jeugdigen geldt dat zij geen nachtarbeid mogen verrichten. Jeugdigen zijn
personen van vijftien, zestien of zeventien jaar.
Naast de Arbeidsregeling 2000 geldt ook de Leerplichtlandsverordening. Deze
landsverordening regelt in artikel 2, eerste lid, onderdeel b, dat de persoon die
het gezag voert over een jongere of met de feitelijke verzorging over deze is
belast, zorg draagt dat de jongere de lessen voigt die voor deze zijn bestemd.
Deze plicht eindigt met het door de jongere bereiken van de achttiende
verjaardag of het behalen van een van de diploma's genoemd in artikel 3,
tweede lid, onderdeel b.
Gelet op het voorgaande wordt de oorspronkelijke doelstelling van artikel 22
zoals het eerst luidde in de Eilandsverordening Bevordering Openbare Orde en
Bescherming Gemeenschap, namelijk het beschermen van jeugdigen tegen
onverantwoorde arbeid, voldoende beschermd door de Arbeidsregeling 2000 en
de Leerplichtlandsverordening.
Het is echter wei wenselijk het venten in het algemeen aan een
vergunningsplicht te verbinden. Hiertoe is artikel 22 van de onderhavige
ontwerp-landsverordening dan ook ruimer geformuleerd dan In de
oorspronkelijke eilandsverordening het geval was. In Iijn met de
Landsverordening ambtelijk-bestuurlijke organisatie is de verantwoordelijkheid
voor het reguleren van het venten neergelegd bij de minister be last met
economische ontwikkeling.
De Raad adviseert de artikelen in het on twerp te heroverwegen, waarin de
werking van een verbod wordt beperkt tot het stadsdistrict. De artikelen 14,
eerste lid, 28, eerste lid, 40, 41 en 42 zijn nader bestudeerd. Geconcludeerd is dat
in aIle gevallen de beperking van het verbod tot het stadsdistrict heden ten dage
niet gerechtvaardigd is gezien de verstedelijking van het eiland. Mede naar
aanJeiding van het advies van januari 2014 is de werking van deze verboden
uitgebreid naar het gehele grondgebied van Cura«;ao.
De Raad adviseert artikel 46, eerste lid, aanhef en onderdeel d, te heroverwegen,
waarin het is verboden zich zonder vergunning op de openbare weg te
bevinden gekleed in de klederen der kUlme, waartoe men niet behoort. Het
verbod geldt niet voor kinderen jonger dan tien jaar. Gelet op het advies van de
Raad is het onderdeel in zijn geheel opnieuw beoordeeld en in het bijzonder in
het licht van artikel12, eerste lid, van de Staatsregeling van Cura<;ao.
De erkenning van het recht op eerbieding van de persoonlijke levenssfeer stoelt
op artikel 8 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens.
Inmenging van het openbaar gezag bij de uitoefening van dit recht is niet
toegestaan, tenzij bij de wet daarin is voorzien en de inmenging noodzakelijk is
in een democratische samenleving in het belang van de nationale veiligheid, de
openbare veiligheid, of het welzijn van het land, ter voorkoming van
wanordelijkheden en strafbare feiten, de bescherming van de gezondheid of de
goede zeden of voor de bescherming van de rechten en vrijheden van anderen.
Indien de voorgenomen verboden tegen het licht van artikel 8 van het EVRM
worden gehouden, kan worden geconc!udeerd dat een verbod om gekleed te
gaan in de kleding van het andere geslacht, niet wordt gedekt door een van de
gronden genoemd in dat artikel. Het verbod geheel of gedeeltelijk vermomd of
gemaskerd over de openbare weg te gaan, kan noodzakelijk zijn in het belang
van de openbare veiligheid en ter voorkoming van strafbare feiten en is d us
behouden.
De Raad adviseert artik'el 74 te heroverwegen gelezen in samenhang met artikel
1, onderdeel a. In artikel 1, onderdeel a, wordt de definitie van ambtenaar van
politie gegeven. In de versie van artikel 74 waar het advies van de Raad van
2012 betrekking op had, werd in artikel 74 de bevoegdheden van de
opsporingsambtenaren geregeld.
Inmiddels is dit artikel vervangen door een nieuw geformuleerd artikel 76,
waarin de gebruikelijke formulering voor het opdragen van de opsporing aan de
personen, genoemd in artikel 184 van het Wetboek van Strafvordering, wordt
gebruikt.
Naast het opdragen van de opsporing van mogelijk strafbare feiten, wordt in
artikel 74 de opdracht tot het houden van toezicht gegeven. Het houden van
toezicht geschiedt door de ambtenaren of personen bij landsbesluit aangewezen.
De functie van artikel 1, onderdeel a, is een andere dan die van de artikelen 74
en 76. De definitie van ambtenaar van politie wordt in de tekst van de
landsverordening gebruikt om de algemene politie aan te duiden die de
bevoegdheid heeft op te treden bij de feitelijke handhaving van de openbare
orde. Een persoon geconfronteerd met een opdracht in dit kader gegeven, dient
deze opdracht uit te voeren. Oit kan bijvoorbeeld betekenen dat een persoon een
bepaalde plek dient te verla ten.
De Raad vraagt aandacht voor de regeling van de rechten verschuldigd voor de
diverse vergunningen vereist ingevolge de ontwerp-Iandsverordening. Oat er
rechten zijn verschuldigd en de hoogte van deze rechten, was door het
eilandgebied Cura<;:ao geregeld in de Eilandsverordening leges, precariorechten
en retributies Cura<;:ao 1992 in plaats van in de Eilandsverordening Bevordering
Openbare Orde en Bescherming Gemeenschap. Voortzetting van deze
systematiek verdient vooralsnog de voorkeur. Wei is volledigheidshalve in
artikel 3 een grondslag opgenomen voor het heffen van leges voor de afgifte van
een vergunning of ontheffing. De tarieven voor de leges worden bij
landsverordening geregeld, nameliJk de bestaande Eilandsverordening leges,
precariorechten en retributies Cura<;:ao 1992.
Artikel 83 van het on twerp regelt wijziging van de Eilandsverordening leges,
precariorechten retributies Cura<;:ao 1992. Oaarbij zijn enkel de verwijzingen
naar de Eilandsverordening Openbare Orde en Bescherming Gemeenschap
vervangen door verwijzingen naar onderhavige landsverordening.
Ten aanzien van de memorie van toelichting merkt de Raad van Advies op dat
de aanduiding van de vervallen eilandsverordening als Aigemene
politieverordening 1952 niet juist is. Oit gelet op onderdeel 4 van net
verbeterblad bij de Eilandsverordening van de 13eie december 1979 tot wijziging
van de Aigemene politieverordening 1952 (Ab. 1979,31). In het verbeterblad zijn
diverse inhoudelijke wijzigingen van de vastgestelde eilandsverordening
opgenomen. Een verbeterblad dient enkel tot het verbeteren van fouten die zijn
opgetreden bij de bekendmaking van een regeling. Ous fouten die zijn ontstaan
bij het opmaken van de tekst voor opname in het blad waarin de bekendmaking
wordt  gedaan.  Een  verbeterblad  dient  niet  voor  het  alsnog  aanbrengen  van 
additionele wijzigingen na  vaststelling  van de regeling. 
Nu  de  Raad  van  Advies  blijkbaar  een  coulante  interpretatie  van  de  gang  van 
zaken toentertijd  voor staat,  houdt de  regering in  onderhavig geval  de citeertitel 
Eilandsverordening Bevordering Openbare orde en Bescherming Cemeenschap, 
aan. 
De  Raad  stelt  voor na  te  gaan  of  de  ministers  genoemd  in  het  slotformulier  de 
landsverordening  dienen  te  ondertekenen.  De  Raad  gaat  hierbij  uit  van  het 
standpunt  dat  het  aantal  ondertekenaars  dient  te  worden  beperkt.  Hoewel  dit 
uitgangspunt zich  verhoudt  met  Aanwijzing  153,  is  in  onderhavig geval  sprake 
van  een  bijzondere  situatie.  De  onderwerpen  geregeld  in  onderhavig  ontwerp 
behoren tot  de verantwoordelijkheid  van  meerdere  ministers.  Bij  herziening  van 
de  landsverordening  zou  het  zo  kunnen  zijn  dat  deze  onderwerpen  uit 
onderhavig  ontwerp  worden  gehaald  en  apart  worden  geregeld.  Celet  op  de 
staatkundige  vernieuwingen  is  het  wenselijk  te  onderstrepen  dat  de 
verantwoordelijkheid  voor de  uitvoering  van  deze  landsverordening  tijdelijk  bij 
verschillende ministeries ligt en niet enkel bij  de Minister van Justitie. 
De  overige opmerkingen van de Raad  van Advies zijn  zonodig verwerkt. 
4. Fillanciiilc collsequenties
Celet  op  de  aard  van  de aangelegenheden  die  in  dit  ontwerp  worden geregeld 
heeft  vaststelling  van dit ontwerp geen (negatieve) financiele consequenties voor
het  Land  Curac;ao.  De  meeste  taken  waren  reeds  voorzien  bij  het  opzetten  van 
de  ambtelijke  organisatie  voor  Land  Curac;ao.  Oat  de  regeling  per  abuis  op  de 
negaheve  [ijst  bij  de  Algemene  overgangsregeling  wetgeving  en  bestuur  Land 
Curac;ao  is  geplaatst,  doet  hier  niet  aan  af.  Voorts,  is  het  handhaven  van  de 
openbare orde en  veiligheid  een  kemtaak  van de overheid  en  wordt  bekostigd 
uit  de  begroting  van  het  Ministerie  van Justitie  in  het  bijzonder  wat  betreft  de 
korpspol i  tie. 
II ARTIKELSGEWIJS DEEL
In  d it  deel  van  toelichting  word t  noodzakelijkerwijs  niet  ingegaan  op  a lie 
bepalingen  van  de  ontwerp-landsverordening.  De  meeste  bepalingen  zijn 
overgenomen van de vervallen Eilandsverordening Bevordering Openbare Orde 
en  Bescherming  Cemeenschap.  Voor  zover  er  significante  wijzigingen  zijn 
aangebracht  of  nieuwe  bepalingen  zijn  toegevoegd,  wordt  het  een  en  ander 
hieronder kort toegelicht. 
De  algemene  bepalingen  van  de  Eilandsverordening  Bevordering  Openbare 
Orde  en  Bescherming  Cemeenschap  stonden  dchteraan  In de 
eilandsverordening (artikelen 64 tot en met 69) en zijn aan het begin van het
ontwerp opgenomen als artikelen 1 tot en met 4.
In de definitiebepaling zijn begrippen gehanteerd in de Eilandsverordening
Bevordering Openbare Orde en Beseherming Gemeensehap overgenomen,
aangezien die in de ontwerp-landsverordening regelmatig worden gebruikt. Ten
opziehte van de Eilandsverordening is het begrip stadsdistriet gesehrapt. In de
regeling werden ook de begrippen "bebouwde kom" en "binnenstad"gebruikt,
zonder te zijn gedefinieerd. Het begrip bebouwde kom wordt niet langer
gebruikt in het on twerp en voor binnenstad is een definitie toegevoegd.
Ten slotte, is een definitie van afvalstoffen toegevoegd ten behoeve van de
regeling tot voorkoming van het illegaal storten van afvalstoffen. Deze definitie
is gekoppeld aan de handeJing en niet aan de aard van het voorwerp of de stof.
De definitie is ge·inspireerd door de riehtlijnen van de Europese Unie voor het
beheer van afvalstoffen. Gelet op de mogeJijkheid dat stoffen en voorwerpen
kunnen worden hergebruikt, worden stoffen en voorwerpen waarvan iemand
zieh ontdoet ten behoeve van hergebruik, niet aangemerkt als afvalstoffen.
Stoffen en voorwerpen die de oorspron.kelijke functie hebben vervuld kunnen
immers dienen als grondstof voor een (geheel) nieuwe functie.
In het kader van de beheersing van afvalstoffen is tevens van beJang dat de
definitie van "openbare weg" tevens wateroppervlakten omvat.
In artikel 2 is een grondslag opgenomen voor het stellen van voorsehriften en
beperkingen bij het verstrekken van een vergunning of ontheffing, alsmede het
kunnen weigeren, intrekken of wijzigen van een vergunning of ontheffing. Het
inkaderen van deze bestuurlijke bevoegdheden is wenselijk ter bevordering van
de rechtszekerheid van de burger. Het kunnen intrekken of wijzigen van een
vergunning zijn bovendien instrumenten voor handhaving van de bepalingen
gegeven bij of kraehtens de landsverordening en de voorschriften en
beperkingen verbonden aan een vergunning. Deze bevoegdheid wordt
ingevolge Aanwijzingen 102 en 103 uitdrukkelijk op het niveau van
landsverordening geregeld.
In artikel 3 is een grondslag opgenomen voor het bij ministeriele regeling met
algemene werking stellen van regeJs voor de procedure voor het aanvragen van
vergunningen en ontheffingen, en het behandelen van deze aanvragen.
De Eilandsverordening bevatte in artikel 66 een juridisehe fietie, waarbij het
handelen in afwijking met een vergunning werd geacht een handeling zonder
vergunning te zijn. Ingevolge Aanwijzing 47 is een juridisehe fietie in een
wettelijke regeling onwenselijk. De verboden in het ontwerp zijn dan ook
uitgebreid naar het handelen zonder of ill nfwijkillg van een vergunning.
Artikel 5 biedt een brede grondslag voor het feitelijk beheersen van een situatie
waar de openbare orde en veiligheid in het geding kunnen zijn. Uit de
opsomming voigt een oplopende ernst van de situatie. Het artikel benadrukt dat
de burger in deze situaties de aanwijzingen van het bevoegd gezag dient op te
volgen.
In het tweede lid is een specifieke situatie geregeld, namelijk die waarin er
sprake is van een plaats delict. Een plaats delict is een plaats waar er mogelijk
een strafbaar feit is gepleegd, of die van belang is in het kader van de opsporing
naar een mogelijk strafbaar feit. Het is in dat geval essentieel dat mogelijk
bewijsmateriaal wordt veiliggesteld ten behoeve van het sporenonderzoek. Het
is dan niet wenselijk als burgers de plaats kunnen betreden, bijvoorbeeld om
foto's te maken. De tegenhanger van het verbod voor de burger om de plaats te
betreden, is de bevoegdheid voor het bevoegd gezag om de plaats af te zetten.
Deze bevoegdheid wordt geregeld in de algemene instructie van de procurellr-
generaal aan de opsporingsambtenaren te geven op basis van artikel 11 van de
Rijkswet op het openbaar ministerie van Curac;ao en Sint Maarten, Bonaire, Saba
en Sint Eustatius.
Artikel7
In dit artikel wordt de bevoegdheid van de politie geregeld tot feitelijk optreden
bij samenscholingen van personen. Een ambtenaar van politie is bevoegd om
ook bij een betoging de openbare orde en rust te handhaven. Artikel 7 dient ter
lIitvoering van artikel 11, tweede lid, van de Staatsregeling van Curac;ao, op
basis waarvan de vrijheid van vergadering en betoging kan worden beperkt in
het belang van het verkeer, en ter bestrijding of voorkoming van
wanordelijkheden.
[n artikel 15 wordt het gebruik van de openbare weg gereguleerd. Ingevolge de
splitsing van bevoegdheden over verschillende ministeries is het artikel gesplitst
in twee led en.
Artikel 16 is een bijgewerkte versie van artikel 12 van de Eilandsverordening
Bevordering Openbare orde en Bescherming Gemeenschap. Het oorspronkelijke
artikel is in lijn gebracht met artikel 9 van de Staatsregeling van Curac;ao.
Artike19 van de StaatsregeJing spiegelt aan artikel 10 van het Europees Verdrag
voor de Rechten van de Mens (EVRM). Uit artikel 9 van de Staatsregeling voigt
een verbod op preventieve censuur. Artikel 9 maakt een duidelijk onderscheid
gemaakt tussen ideele propaganda en handelsreclame. Onder handelsreclame
verstaat de Staatsregeling reclame voor commerciele doeleinden.
De vrijheid van meningsuiting is essentieel voor het goed functioneren van een
democratische rechtsstaat. De overheid kan echter de uitoefening van dit
grondrecht beperken, indien dit noodzakelijk is in een democratische
samenJeving. Artikel 10 van het EVRM geeft de gronden die kunnen leiden tot
beperking. Deze gronden worden toegepast in het vierde en vijfde lid van artikel
16 van het on twerp.
In het vierde lid wordt een verbod gegeven op het op of aan de openbare weg
aanbrengen of in stand houden van ideele propaganda in verband met
Statenverkiezingen, buiten een periode rond de verkiezing voor de leden van de
Staten. Het verbod betreft de openbare weg en geldt niet voor particuliere
gronden. Deze beperking verhoudt zich met de gronden genoemd in artikel 10
van het EVRM, in het bijzonder de openbare veiligheid.
Wat overige ideele propaganda betreft, beperkt het vijfde lid deze vorm van
meningsuiting conform artikel 10 van het EVRM. In het vijfde lid wordt het
verboden ideele reclame op prive eigendom aan te brengen of te gedogen,
indien deze strijdig is met de openbare orde. Het begrip openbare orde vat in
casu de gronden voor beperking van het recht op vrije meningsuihng zoals
neergelegd in artikel 10 van het EVRM samen. Deze gronden zijn de
bescherming van de nationaJe veiligheid, de territoriale integriteit of openbare
veiligheid, het voorkomen van wanordelijkheden en strafbare feiten, de
bescherming van de gezondheid of de goede zeden, de bescherming van de
goede naam of de rechten van anderen, de voorkoming van de verspreiding van
vertrouweJijke mededelingen, of met het waarborgen van het gezag en de
onpartijdigheid van de rechterlijke macht.
De eerste twee leden van artikel 26 zijn ontleend aan de vervallen
EiJandsverordening chemische en vaste afvalstoffen". Deze bepalingen vormen
de basis voor de voorkoming van illegale vuilstort. Tevens is het verbod op het
storten van afval uitgebreid naar een verbod op het verbranden van afval. Deze
verboden gelden niet aileen op of aan de openbare weg, maar ook op erven en
terreinen in gebruik of in eigendom. Dit in verband met de mogelijke overlast
voor omwonenden.
Artikel 26 is op verschillende punten uitgebreid om ook overlast door
verbranding van afvalstoffen tegen te gaan.
Zoals in de toelichting op de definities is aangegeven, wordt onderstreept dat
het verbod neergelegd in artikel 26, vierde lid, ook geldt met betrekking tot
watervlakten.
Tevens is een verbod op het bewerken van metalen op of aan de openbare weg
opgenomen, anders dan ten behoeve van een aantoonbare bedrijfsmatige
achviteit. Deze bepaling is opgenomen met het oog op het fenomeen dat
koperen leidingen worden gestoten. Deze bepaling geeft aan toezichthouders de
specifieke bevoegdheid op te treden warmeer zij een situatie aantreffen, waarbij
metalen op of aan de openbare weg worden bewerkt. De betrokken personen
zullen dan moeten aantonen dat er sprake is van een aantoonbare bedrijfsmatige
acti viteit. Bijvoorbeeld het instaileren van hekwerk. Indien geen bewijs kan
worden gegeven dat de activiteit bedrijfsmatig van aard is, dan kan, mede naar
aanleiding van de omstandigheden, een opsporingsonderzoek worden
ge'iniheerd naar een mogelijk overtreden van het verbod. Dit onderzoek kan
leiden tot een onderzoek naar de oorsprong van het metaal.
Artikel 37a en 37b beogen de Minister van Justihe de bevoegdheid te verlenen
aan iemand een gebiedsontzegging op te leggen. Een gebiedsontzegging omvat
, A.B. 1995,47.
een bevel zich te verwijderen en verwijderd te houden uit een door de minister
aangewezen gebied gedurende een bepaalde tijd. Een gebiedsverbod kan
worden opgelegd voor maximaal twaalf weken. De Minister van Justitie kan
deze bevoegdheid mandateren aan de Korpschef of ander leidinggevende
ambtenaar.
Deze bevoegdheden kunnen worden toegepast bij herhaalde overlast waarbij
emstige vrees bestaat voor verdere ordeverstoring. Het geldt aileen voor
ernstige vormen van aanhoudende overlast waarbij het inzetten van lichtere
instrumenten niet het gewenste effeet zal hebben.
Handhaving van de openbare orde en veiligheid geniet hoge prioriteit.
Onacceptabele overlast wordt aetief tegengegaan. De focus ligt daarbij op
preventie. Voorkomen is immers beter dan genezen. Desondanks blijven
overlastsituaties in bepaalde delen van het eiland aanhoudend aandacht vragen.
Artikel 39a betreft een verbod gericht aan een groep van meer dan vier personen
om zich (zonder doel) op een nader aangewezen plek op te houden. Dit verbod
betreft een gebiedsgebonden samenscholingsverbod. Een openbare plaats word t
in de Landsverordening openbare manifestaties, gedefinieerd als een plaats die
krachtens bestemming of vast gebruik openstaat voor het publiek, waaronder
niet wordt verstaan een gebouw of besloten plaats als bedoeld in artikel 6,
tweede lid, van de Staatsregeling. Een voorbeeld is een groep hangjongeren op
een speelplek die overlast veroorzaken. Van oudsher ontmoeten jongeren elkaar
op straat. Het ontstaan van hangplekken heeft verschillende redenen. Jongeren
willen alledaagse zaken delen, maar sommigen mogen hun vrienden ni et thuis
uitnodigen. Ze zoeken elkaar dan op een openbare plek op. Soms wordt er
drank of drugs gebruikt. Op een hangplek voelen de jongeren zich minder
beperkt. Het rondhangen wordt vaak afgewisseld met andere activiteiten, zoals
het op onveilige manier rijden op motoren (fever) en handel in drugs.
De afgelopen jaren zijn er met de nodige inventiviteit van de politieleiding
diverse maatregelen genomen om de veiligheid in het uitgaansgebied te
vergroten. Ondanks aile inspanningen zullen deze ordeverstoringen zich
regelmatig voordoen. Dit in de vorm van onveilige gedraging (fever),
bedreigingen, uitlopende in vechtpartijen, wederspannigheid tegenover de
politie, vernielingen van straatmeubilair, schelden en agressie tegen onschuldige
voorbijgangers. Het gaat vaak om daders die zich bij herhaling schuldig maken
aan verstoringen van de openbare orde en die binnen een groep als initiator of
katalysator optreden. Het betreft veelal delieten die worden gepleegd onder
invloed van alcohol of drugs. Dit leidt ertoe dat de sfeer in het uitgaanscentrum
verhardt.
Het gedrag van de daders heeft een grote negatieve invloed op de openbare
orde en veiligheid tijdens uitgaansavonden. Het is wenselijk om deze daders
voor een bepaalde tijd de toegang tot het uitgaansgebied te kunnen ontzeggen.
Binnen de groep overlastgevende personen in het uitgaansgebied of de
binnenstad bevindt zich een beperkte groep personen (o.a. motorrijders of
autobestuurders) die vaak beginnen met het plegen van overlastgevende feiten.
Anderen nemen dit gedrag over. De overlast ontstaat of neemt af, indien de
initiator wei respectieveljjk niet aanwezig is. Er is dan ook behoefte om deze
veelvuldige daders voor enige tijd uit het uitgaansgebied te kunnen weren.
Het betreft doorgaans een beperkt aantal identificeerbare daders die het initiatief
neemt en een leidende rol heeft. Daamaast kunnen drugsrunners, straatdealers,
zwervers en alcohol isten indi vid ueel of in groepsverband de openbare orde
verstoren. Een persoonsgebonden gebiedsverbod op grand van artikel 39b, kan
ook in die gevallen effectief zijn om de overlast in de buurt terug te brengen.
Hoewel artikel 43 het houden van wilde of exotische dieren reguleert, is de
grondslag van dit artikel niet zozeer de bescherming van het welzijn van de
dieren, maar de bescherming van de gemeenschap. Hierin is het element van
openbare veiligheid vervat. Aangezien beide belangen overlappen is de
regulering een gezamenlijke verantwoordelijkheid van de Minister VelD Justitie
en de Minister van Gezondheid, Milieu en Natuur. Hierbij wordt ook
overwogen dat laatstgenoemde minister verantwoordelijk is voor de uitvoering
van de Landsverordening grondslagen natuurbeheer en -bescherming ter
implementatie van het CITES-verdrag
J
.
Dit artikel zal in de praktijk van weinig betekenis zijn, aangezien de invoer van
exotische dieren reeds vergunningsplichtig is.
Artikel 45 regelt de vergunningsplicht voor evenementen. Uit de definitie van
evenement opgenomen in artikel 1, onderdeel d, voigt dat een evenement een
voor het publiek toegankelijke verrichting is. Dus elk optreden of
georganiseerde activiteit waar het publiek naar toe kan gaan, is een evenement
als bedoeld in artikel 43. Artikel 43 regelt evenementen die niet op of aan de
openbare \,veg worden gehouden, maar wei op een voor het publiek
toegankelijke plaats. Bijvoorbeeld een stadion, hotel of discotheek.
In het tweede lid is geregeld dat de evenementenvergunning niet geldt voor de
houder van een vergunning als bedoeld in de Vergunningslandsverordening die
tevens beschikt over de toestemming, bedoeld in artikel 52 van die
landsverordening. Wei is het hebben van deze toestemming geclausuleerd in
dier voege, dat de eventuele voorschriften of beperkingen verbonden aan de
toestemming, het voorgenomen evenement ook dekken. Op deze wijze wordt
voorzien dat de administratieve lasten gemoeid met de uitvoering van de
regeling worden beperkt.
. ; Op 3 maart 1973 te Washington gesloten Overeenkomst inzake de internationale handel in
hedreigde in het wild levende dier- en plantsoorten, met bijlagen (Trb. 1975, 23)
Ter volledigheid wordt opgemerkt dat artikel 45 geen be trekking heeft op
bijeenkomsten waar godsdienst of een levensovertuiging in gemeenschap met
anderen wordt beleden. Artikel 8, eerste lid, van de Staatsregeling van Curac;:ao
erkent het recht van een ieder om zijn godsdienst of levensovertuiging
individueel of in gemeenschap met anderen te belijden, behoudens ieders
verantwoordelijkheid volgens landsverordening. Deze be perking houdt echter
niet in de mogelijkheid van regulering door middel van een vergunningsplicht.
In artikel 8, tweede lid, van de Staatsregeling van Curac;:ao delegeert de
grondwetgever de bevoegdheid aan de wetgever om bij landsverordening regels
te stellen ter bescherming van de gezondheid, in het belang van het verkeer en
ter bestrijding of voorkoming van wanordelijkheden, indien het recht, bedoeld
in het eerste lid, wordt uitgeoefend buiten gebouwen of besloten plaatsen. Oeze
regels zijn neergelegd in artikel 4 van de Landsverordening Openbare
Manifestaties. Maar ook hier is geen sprake van een vergunningsplicht, maar
een meldingsplicht.
Mede naar aanleiding van het advies van de Raad van Advies is artikel 47
aangepast. In het eerste lid is een verbod opgenomen tot het laten optreden van
een buitenlandse artiest of aan deze gelegenheid te geven op te treden, zonder of
in afwijking van een vergunning van de Minister van Justitie. De
vergunningsplicht geldt voor de persoon die de artiest laat optreden of
gelegenheid geeft op te treden. Oit betreft in het algemeen een promotor die de
artiest naar Curac;:ao brengt of de beheerder van de plaats waar het optreden
wordt gegeven.
Het tweede lid sluit de periode van 1 december tot en met de woensdag na de
dag van de carnavalsoptocht uit, behalve in die gevallen geregeld bij ministeriele
regeling met algemene werking. De regering acht het wenselijk gedurende deze
periode evenementen met buitenlandse artiesten te beperken mede gelet op de
reeds verhoogde belasting op het apparaat belast met de handhaving van de
openbare orde en rust in verband met de vele activiteiten die inherent zijn aan
deze periode. In het licht van de economische ontwikkeling van Curac;:ao is
echter ook enige flexibiliteit wenselijk. Oeze flexibiliteit wordt mogelijk gemaakt
door bij ministeriele regeling met algemene werking gevallen vast te stellen,
waarin de ministers ontheffing kan kunnen geven van het verbod verwoord in
het tweede lid. Het vaststellen van een algemeen verbindend voorschrift ter
regeling van de gevallen waarin wei een vergunning wordt gegeven, biedt de
nodige rechtszekerheid aan personen die een buitenlandse artiest willen laten
optreden in de desbetreffende periode.
In artikel 70 wordt de handhaving van de voorschriften gegeven in de artikelen
68 en 69 geregeld. Het artikel voorziet in handhaving door het opnemen van een
verbod op het verwijderen van nummers aangebracht op een perceel in
overeenstemming met de artikelen 68 en 69.
In het tweede lid is een grondslag opgenomen om bij of krachtens landsbesluit,
houdende algemene maatregelen, regels te geven met betrekking tot de
nummering van percelen en de naamgeving voor openbare ruimten zoals
pleinen, parken en straten. Deze regeling dient als onderdeel van het
adressenproject van het Ministerie van Verkeer, Vervoer en Ruimtelijke
Planning.
In artikel 74 is de standaardbepaling voor toekenning van
toezichtbevoegdheden opgenomen. Deze bepaling is ge·introduceerd bij de
invoering van het huidige Wetboek van Strafvordering door de Nederlandse
Antillen in 1997. Bij de aanwijzing van ambtenaren en personen die als
toezichthouder kunnen optreden kan worden gedacht aan ambtenaren van de
diverse inspectiediensten binnen de ministeries, maar ook aan het personeel van
de Kustwacht voor Aruba, Cura<;ao en Sint Maarten, alsmede voor de openbare
liclLamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba gelet op het feit dat de feiten zich ook
op watervlakten kunnen voordoen.
In de artikelen 75 tot en met 78 is een basisregeling voor de toepassing van
bestuursdwang opgenomen. Anders dan de dreiging van een strafrechtelijke
veroordeling, heeft het toepassen van bestuursdwang een lik-op-stuk effect, dat
in de praktijk effectief is om ongewenst gedrag te beeindigen en herhaling te
voorkomen. De kosten die worden gemaakt bij de toe passing van
bestuursdwang komen voor rekening van de overtreder. Artikel 77 geeft de
bevoegdheid deze kosten in te vorderen van de overtreder.
Artikel 75, derde en vierde lid, bevatten een bijzondere vorm van
bestuursdwang gericht op de bescherming van de publieke voorzierungen.
Gelet op de aard van onderhavige regeling, namelijk het vervangen van de ten
onrechte ingetrokken Eilandsverordening Bevordering Openbare Orde en
Besmerming Gemeenschap, en de aanstaande herziening van de bepalingen, is
vooralsnog het strafrechtelijk instrumentarium ongewijzigd overgenomen.
Artikel 82 bevat een overgangsregeling voor voorwerpen als bedoeld in artikel
IS, eerste lid, en handelsreclame geplaatst in de periode tussen 10 oktober 2010
en de datum van inwerkingtreding van onderhavige landsverordening. De
overgangsregeling regelt dat het verbod niet wordt gehandhaafd, mits de
houder of eigenaar ontheffing vraagt binnen drie maanden na inwerkingtreding
van de landsverordening.
De wijzigingen van de Eilandsverordening leges, precariorechten en retributies
zijn beperkt tot de wijzigingen die noodzakelijk zijn die direct samenhangen met
onderhavig ontwerp.
De citeertitel zoals geregeld in artikel 84 is in overeenstemming met Aanwijzing
147 kemachtig geformuleerd.
Willemstad, 1!e MEl 201\
De Minister van Justi tie,
De Minister van Verkeer, Vervoer
en Ruimtelijke Planning, a.... i...,
De Minister van Economische Ontwikkeling,
De Minister van Sociale Ontwikkeling,
Arbeid en eIz'jri,
Raad van Advies van  
Onderwerp:  Ontwerplandsverordening  houdende  vaststelling  van  regels  ter  bevordering 
van  de  openbare  orde,  rust  en  veiligheid,  en  ter  bescherming  van  de 
gemeenschap  (Landsverordening  bevordering  open bare  orde  en 
bescherming gemeenschap) 
(zaaknummer 2013/050752 e.a.) 
Advies:  Met  verwijzing  naar  uw  adviesverzoek  d.d. 7  oktober  2013, ontvangen  op  14 
oktober  2013,  om  het  oordeel  van  de  Raad  van  Advies  inzake 
bovengenoemd  onderwerp  en  de  behandeling  hiervan  in  de  vergadering  van 
de  Raad  van  Advies d.d.  20 januari 2014,  bericht de Raad  u als voigt. 
Bestudering  van  het  ontwerp  en  de  bijbehorende  memorie  van  toelichting 
alsmede  de  overige  bij  het  adviesverzoek  gevoegde  stukken  geeft  de  Raad 
aanleiding tot  het  maken van  de volgende opmerkingen. 
I.  Aigemeen 
1.  Het onderhavige ontwerp en  de toetsing daarvan 
1°. Het doel van de op 27 december 2011 aan de Raad voorgelegde ontwerp-
landsverordening bevordering openbare orde en bescherming gemeenschap
De  Eilandsverordening  Bevordering  Openbare  Orde  en  Bescherming 
Gemeenschap  (A.B.  1980,  no.  19)  (hie rna:  EBOOBG)  staat  op  de 
zogenoemde  "negatieve  lijst"  van  de  Aigemene  overgangsregeling  wetgeving 
en  bestuur  Land  Cura9ao  (A.B.  2010,  no.  87) .  Dit  betekent  dat  deze 
eilandsverordening  per  10  oktober 2010  is  vervallen  en  geen  gelding  heeft  in 
het  land  Cura9ao.  Hierdoor  is  Cura9ao  wat  dit  onderwerp  betreft  in  een 
rechtsvacuum  terecht gekomen. 
Op  18  april  2012,  RvA  no.  RAl44-11-LV,  heeft  de  Raad  advies  uitgebracht 
over  een  ontwerplandsverordening  bevordering  openbare  orde  en 
bescherming  gemeenschap  Cura9ao,  die  op  27  december  2011  ter 
advisering aan de  Raad  was  voorgelegd door de  regering. 
Volgens  de  memorie  van  toelichting  (tweede  pagina)  bij  die 
ontwerplandsverordening  was  het  de  bedoeling  om  de  per  10  oktober  2010 
vervallen  EBOOBG  zoveel  als  mogelijk  opnieuw  vast  te  stellen.  In  de 
memorie van  toelichting  was  . drukkelijk gesteld dat de  modernisering van 
Aan  Hare  Excellentie 
de Gouverneur van  Cura9ao 
Fort Amsterdam  1 
Cura9ao 
RvA  no.  RAl31-13-LV 
KABINET VAN  DE 
VAN  CUfW;AO 
. JAN  2 2 20:1
V,len': LV - 1 002
Doorgez.ndttl: L-t 
Doesier: ·,e ifN) 0 A
Archileclenweg  1. Curac;ao. Tel: (5999)  461  678.  Fax  (5999)  465 2676.  e-mail:  rvadvies@gobiernu.cw 
www.raadvanadvies.cw 
dit  onderwerp  in  een  latere  fase  aan  de  orde  zou  komen,  direct  na  de  vaststelling  van  de 
betreffende landsverordening. 
2°. Het doel van de onderhavige ontwerplandsverordening
Uit  de  memorie  van  toelichting  (pagina  1,  laatste  tekstblok  en  pagina 2,  eerste  tekstblok)  bij 
de  onderhavige  ontwerplandsverordening  (hierna:  ontwerp)  blijkt  dat,  na  ongeveer twee  jaar 
nadat de  eerste ontwerplandsverordening over een  regeling  over dit onderwerp aan de Raad 
v ~ ~   advies  is  voorgelegd,  de  eerste  prioriteit  van  het  ontwerp  is  het  vergunningenstelsel 
voor  het  gebruik  van  de  open bare  ruimte  opnieuw  in  het  leven  te  roepen  en  dat  het 
uitdrukkelijk  niet de bedoeling  is  de  regeling  te  moderniseren,  maar wederom  om  zo spoedig 
mogelijk  een  tijdelijke  regeling  tot  stand  te  brengen.  Wei  zijn  ten  opzichte  van  de 
ontwerplandsverordening  waarover  de  Raad  d.d.  18  april  2012  advies  heeft  uitgebracht 
wijzigingen  aangebracht  in  het  ontwerp,  onder  meer  naar  aanleiding  van  genoemd  advies 
van  de  Raad  (memorie van  toelichting,  pagina 2,  tweede tekstblok). 
3 o. Algemeen oordeel van de Raad over het ontwerp en de toetsing van het ontwerp door
de Raad
De  Raad  vindt  dat  het  ontwerp  zodanig  verouderd  is  dat  er  binnen  afzienbare  tijd  een 
gemoderniseerde  landsverordening  dient  te  worden  vastgesteld.  De  Raad  wijst  er  onder 
meer  op  dat  het  toezicht- en  sanctiestelsel,  zoals  in  het  antwerp  is  geregeld,  ver 
achtergebleven  is  bij  de  ontwikkelingen  op  dat  gebied.  Er  kunnen  bijvoorbeeld  geen 
bestuurlijke  boetes  worden  opgelegd  bij  overtreding  van  een  verboden  handeling.  De  Raad 
is  van  oordeel  dat  bij  de  modernisering  van  de  landsverordening  voldoende  aandacht  moet 
worden  besteed aan  dit onderwerp. 
Hoewel  er  ruim  drie  jaar  is  verstreken  na  het  vervallen  van  de  EBOOBG  moet  vastgesteld 
worden  dat  er  nog  steeds  geen  actualisering  van  deze  landsverordening  heeft  plaatsgehad. 
Uit de  memorie van  toelichting  is  evenmin  op te  maken  binnen  welke  periode  de  regering de 
actualisering beoogt af te  ronden. 
De  Raad  is  zich  ervan  bewust  dat  het  eerdergenoemde  rechtsvacuum  waarin  Curac;:ao 
verkeert  niet  kan  voortduren.  Ondanks  de  omstandigheid  dat  diverse  aspecten  die  voor  de 
modernisering  van  de  LBOOBG  vereist  zijn  in  het  antwerp  ontbreken,  waaronder  de  nodige 
toezicht- en  sanctiemechanismen,  heeft  de  Raad  ervoor  gekozen  am  in  beginsel,  en  als 
daar  redenen  voor  zijn,  slechts  in  detail  in  te  gaan  op  de  wijzigingen  ten  opzichte  van  de 
eerste  ontwerplandsverordening  waarover  de  Raad  d.d.  18  april  2012,  RvA  no.  RN44-11-
LV,  advies heeft uitgebracht. 
2. Voorlichting
Het  ontwerp  heeft  onder  meer  tot  gevolg  dat  voor  diverse  handelingen  en  situaties  met 
onmiddellijke  ingang  een  vergunning  of  ontheffing  is  vereist.  Om  die  reden  dient  op  brede 
schaal  voorlichting te  worden  gegeven  aan de bevolking zodat dezedaarnaar kan  handelen. 
De  Raad  adviseert  de  regering  om  de  datum  van  inwerkingtreding  van  de  onderhavige 
landsverordening  zodanig  te  kiezen  dat  er  voldoende  tijd  is  om  de  bevolking  te  informeren 
over :;;an :lsverarden;ng
• 
RvA no. RN31-13-LV 
2
II.  Inhoudelijke opmerkingen met betrekking tot he! ontwerp 
1.  Het ontwerp 
a.  Definitie "stedelijk gebied" (artikel  1 van  het ontwerp) 
Nieuw  in  het  ontwerp  is  de  definitie van  het  beg rip  "stedelijk  gebied"  (artikel  1,  onderdeel  g, 
van  het  ontwerp).  In  dit  artikelonderdeel  staat  dat  "stedelijk  gebied"  nader  aangeduid  wordt 
bij  landsbesluit,  houdende algemene maatregelen. 
Aangezien  diverse  handelingen  en  situaties  in  het  stedelijk  gebied  verboden  zijn  zonder 
vergunning,  zie  bijvoorbeeld artikel  28, eerste  lid,  onderdeel  b,  van  het ontwerp,  adviseert de 
Raad  de  regering  bedoeld  landsbesluit  op  dezelfde  datum  als  de  onderhavige 
landsverordening  in  werking te  doen treden. 
b.  Verschuldigdheid retributies en  leges  (artikel 3 van  het ontwerp) 
Ingevolge  artikel  3,  eerste  en  tweede  lid,  van  het  ontwerp  is  een  retributie  verschuldigd  voor 
"het in behandeling  nemen van  een  aanvraag" en  zijn  leges verschuldigd  voor "de afgifte  van 
een vergunning of  ontheffing". 
De  Raad  stelt  vast  dat de  verschuldigdheid  van  de  leges  in  artikel  80  van  het ontwerp  wordt 
gebaseerd  op  de  Eilandsverordening  leges,  precariorechten  en  retributies  CuraQao  1992 
(hierna:  Legesverordening).  Artikel  1,  onderdelen  a  en  c,  van  de  Legesverordening  kent 
definities  van  de  begrippen  "leges"  en  "retributie".  Deze  definities  komen  niet  overeen  met 
het  gestelde  in  artikel  3,  eerste  en  tweede  lid,  van  het  ontwerp.  Volgens  de  Raad  dienen 
artikel  1  van  de  Legesverordening  en  artikel  3  van  het  ontwerp  op  elkaar  te  worden 
afgestemd. 
De  Raad  vindt  artikel  3  van  het  ontwerp  overigens  overbodig  naast  de  artikelen  1 en  2  van 
de  Legesverordening.  Artikel  2  van  de  Legesverordening  bepaalt  dat  ten  bate  van  het  land 
CuraQao  leges,  precariorechten  en  retributies  worden  geheven  naar  de  grondslagen  en 
tarieven  vermeld  in  de  in  de  Legesverordening  opgenomen  artikelen,  hetgeen  de  wettelijke 
grondslag  is  voor  het  heffen  van  de  betreffende  leges.  Bovendien  vraagt de  Raad  zich  af  of 
er  naast  het  heffen  van  leges  op  grond  van  de  Legesverordening  nog  ruimte  is  voor  het 
opleggen  van  een  retributie,  zoals  is  bepaald  in  artikel  3,  eerste  lid,  van  het  ontwerp.  Het  is 
namelijk niet duidelijk in  welke gevallen ingevolge  het ontwerp een  retributie verschuldigd is. 
De  Raad  adviseert  de  regering  artikel  3,  eerste  en  tweede  lid,  van  het  ontwerp  te 
heroverwegen  met inachtneming van  het bovenstaande. 
c.  Ministeriele  regeling  met  algemene  werking  en  welstandseisen  (artikel  16  van  het 
ontwerp) 
In  artikel  16,  derde  lid,  van  het  ontwerp  staat  dat  de  welstand  niet  op  ontoelaatbare  wijze 
mag  worden  geschonden  volgens  bij  ministeriele  regeling  met  algemene  werking  vast  te 
stellen  regels. Ook in  het tweede lid van  artikel  16  en  in  artikel  2,  tweede  lid,  wordt verwezen 
naar de welstand. 
De  Raad  adviseert  de  regering  bedoelde  ministeriele  regeling  met  algemene  werking  op 
d e   ~ d ~ jhaVige landsverordening in  werking Ie .:oen Ireden. 
RvA  no. RAl31-13·LV 
3
d. Het plaatsen of hebben van afval in verband met het ophalen door de reinigingsdienst
(artikel40)
De reinigingsdienst van Cura«ao, SelikorN.V., maaktregelmatig publiekelijk bekend dat het
afval op een andere dag dan het normaleschema aangeeft, zal worden opgehaald. Dit doet
zich voortergelegenheidvan feestdagen.
Om die reden adviseertde Raad de regeringaan artikel 40, onderdelen ben c, hetvolgende
toe te voegen :"tenzij de reinigingsdienstdatpubliekelijkheeftaangekondigd".
e. Gronden tot wejgering. intrekking of wijziging van een evenementenvergunning (artikel
45, vierde lid, van hetontwerp)
1°. Onderverdeling weigeringsgronden ten opzichte van intrekkings- en wijzigingsgronden
In artikel 45, vierde lid, van het ontwerp worden de gronden genoemd voor een weigering,
intrekkingofwijziging van een evenementenvergunning.
De Raad vraagt zich af of het voldoende duidelijk is welke gronden gelden voor een
weigering van een evenementenvergunning en welke voor de intrekking of wijziging
daarvan. De Raad wijst bijvoorbeeld op artikel 45, vierde lid, onderdeel a, dat slechts als
weigeringsgrond kan dienen maar niet als intrekkings- of wijzigingsgrond. Daarnaast zijn de
gronden, genoemdin de onderdelen een 9van genoemdartikellid, slechts geschiktom een
evenementenvergunningin te trekken ofte wijzigen.
Voor de duidelijkheid overde vraag welke bepalingen dienen als weigeringsgrond en welke
alsintrekkings- of wijzigingsgrond moetendezenaarhetoordeelvan de Raad in hetontwerp
gescheiden wordenvermeld.
De Raad adviseert de regering in het ontwerp de weigeringsgronden voor een
evenementenvergunningapartte vermeldenvan de intrekkings- en wijzigingsgronden.
2°. De verhouding tussen de artikelen 45en 2 van het on twerp
In artikel 2, tweede lid, van het ontwerp dat geheel nieuw is, zijn de weigeringsgronden
genoemd v ~ ~ r een vergunning. Naar het oordeel van de Raad vallen hier ook
evenementenvergunningen onder omdat die daarvan niet zijn uitgesloten. Omdat artikel 45,
vierde lid, van het ontwerp eveneens weigeringsgronden bevat voor een
evenementenvergunningis hetaan te bevelen om, metverwijzingnaaraanwijzing66 van de
Aanwijzingen voorde regelgeving, in hetontwerp de verhoudingtussen artikel 2, tweede lid,
en artikel45, vierde lid, aan te geven.
De Raad adviseert de regering het ontwerp aan te passen met inachtneming van het
bovenstaande.
f. Evenementenvergunningvoorbuitenlandseartiesten (artikel47van hetontwerp)
1°. Artikel47 van het ontwerp en de toelichting daarop
Het verbod omeen buitenlandse artiest die geen ingezetene van Cura«ao is, te laten
optreden of daartoe de gelegenheid te geven (artikel 47, eerste lid), wordt in de memorie
vantoelichting (pagina's1en 2) alsvoigttoegelicht.
In de inleiding van de memorie van toelichting (pagina 1) staat dat van de gelegenheid
gebruik is gemaakt om vooralsnog het geldende beleid omtrent evenementen waarbij
artiesten optreden die geen ingezetenen zijn, wettelijk Ie verankeren. Er zal een restrictief
beleid worden gevoerd ~ o o r wat betreft optredens van buitenlandse artiesten gedurende de
  ~
'7) 
RvAno. RA/31-13-LV
4
periode  van  1 december tot  en  met de  Aswoensdag  (pagina 2,  derde tekstblok,  memorie van 
toelichting). 
Verder  staat  er  dat  een  nadere  precisering  van  de  verdeling  van  bevoegdheden  tussen  de 
ministeries  ertoe  leidt  dat  de  verantwoordelijkheid  hiervoor  wordt  gelegd  bij  de  minister 
belast  met  arbeid,  omdat  het  optreden  van  de  artiesten  een  vorm  van  arbeid  is  en  de 
toelating  tot  afhankelijk  is  van  de  toestemming  van  het  bevoegde  gezag  om  te 
werken. Dit  is volgens  de  memorie van  toelichting  (pagina  3,  voorlaatste  tekstblok)  gelijk als 
bij  het  proces  van  regulering  van  arbeid  door  vreemdelingen  als  bedoeld  in  de 
Landsverordening  arbeid  vreemdelingen  (hierna:  LAV).  De  verantwoordelijkheid  voor 
regulering  is  neergelegd  bij  de  Minister van  Sociale  Ontwikkeling,  Arbeid  en  Welzijn  (hierna: 
SOAW)  in  he,t verlengde  van  de  LAV. 
2°. Opmerkingen van de Raad op artikel 47 van het ontwerp en in relatie met de toelichting
op artikel47
In  artikel  47,  eerste  lid,  staat  dat  de  Minister  van  Justitie  bevoegd  is  tot  verlening  van 
een  evenementenvergunning  voor  opt red ens  door  buitenlandse  artiesten.  In  de 
toelichting  op  artikel  47  (pagina  11  van  de  memorie  van  toelichting)  staat  echter  dat  de 
evenementenvergunning  wordt  afgegeven  door  de  minister  belast  met  arbeid.  De 
memorie  van  toelichting  en  het  ontwerp  moeten  naar  het  oordeel  van  de  Raad  in 
overeenstemming met elkaar worden  gebracht. 
In  de  artikelsgewijze  toelichting  op  artikel  47  van  het  ontwerp  (pagina  11  van  de 
memorie  van  toelichting)  staat  dat  het  verboden  is  op  te  treden  zonder  een  vergunning 
van  de  minister belast  met  arbeid  en  dat  genoemd  artikel  onverminderd  de  bepalingen 
van  de  LAV geldt.  Volgens  de  toelichting  is  deze beperking  ingevoegd ter verduidelijking 
van  de  relatie  tussen beide  landsverordeningen. 
De  Raad  stelt vast dat er in  artikel47 geen  beperking  zoals  bedoeld is  opgenomen. 
Uit  artikel  47  en  de  gegeven  toelichting  daarop  kan  de  Raad  niet  eenduidig  opmaken 
welke  artiesten  onder  het  verbod  van  artikel  47,  eerste  lid,  vallen.  In  dat  artikellid  gaat 
het om  buitenlandse artiesten  die geen  ingezetenen  zijn. 
Gezien  de  hierboven  aangehaalde  tekst  van  de  memorie  van  toelichting,  dat  van  de 
gelegenheid  gebruik  is  gemaakt  om  vooralsnog  het  geldende  beleid  omtrent 
evenementen  waar artiesten  optreden  die  geen  ingezetenen  zijn  wettelijk te  verankeren, 
gaat  de  Raad  ervan  uit  dat  het  in  artikel  47  gaat  om  artiesten  die  geen  ingezetenen  zijn 
van    ongeacht  of  zij  een  lands kind ,  de  zogenoemde  "yu  di  tera",  (hierna: 
artiest)  dan  wei  een  vreemdeling  (hierna:  niet  - artiest)  zijn. 
Hiervan uitgaande merkt de Raad  het volgende op. 
Ingevolge  artikel  1,  aanhef  en  onderdeel  e,  van  de  LAV  jo  artikel  1  van  de 
Landsverordening  toelating  en  uitzetting  is  de  LAV  slechts  van  toepassing  op  niet  -
artiesten.  Omdat  de  artiest  die  in  het  buitenland  woont  dan  niet 
wordt  getroffen  door het verbod van  artikel 47,  eerste  lid,  is  het  noemen  van  de  LAV  als 
instrument  om  optredens  van  buitenlandse  artiesten  te  reguleren  naar  het  oordeel  van 
de  Raad  niet  geheel juist.  De  aan  de  Minister van  SOAW  gegeven  verantwoordelijkheid 
voor de  regulering van  een  en  ander is  naar de mening  van  de  Raad  dan ook onterecht. 
(/ 1'
RvA no.  RA/31-13-LV 
5
De  Raad  is  bovendien  van  mening  dat  de  LAV  niet  als  instrument  kan  dienen  voor  de 
regulering  van  evenementen  in  het  kader  van  de  LBOOBG  omdat daarbij  aspecten  van 
openbare orde  een  rol  dienen te  spelen  en  geen  arbeidsrechtelijke. 
De  Raad  vindt  artikel  47.  eerste  lid.  van  het  ontwerp  en  de  toelichting  daarop  niet 
duidelijk wat betreft de  doelgroep waarvoor het verbod  geldt. 
In  de  toelichting  op  artikel  47  (pagina  11  van  de  memorie  van  toelichting)  leest  de  Raad 
dat  de  lokale  artiesten  in  de  betreffende  periode  het  leeuwendeel  van  hun  inkomsterr 
verdienen  voor een  jaar en  dat de regering  in  die  periode het optreden  van  buitenlandse 
artiesten  wil  beperken. 
In  zijn  advies  d.d.  18  april  2012.  RvA  no.  RN44-11-LV  (pagina  6.  eerste  tekstblok). 
heeft  de  Raad  er  al  op  gewezen  dat  uit  deze  motivering  voor  het  opnemen  van  artikel 
47  blijkt  dat  dit  artikel  geen  betrekking  heeft  op  de  bescherming  van  de  belangen  waar 
de  onderhavige  landsverordening  op  ziet.  maar  op  de  bescherming  van  de  lokale 
arbeidsmarkt.  Daarbij  heeft  de  Raad  aangegeven  dat  bescherming  van  de  lokale 
arbeidsmarkt niet behoort tot  de  belangen  die de  onderhavige  landsverordening dient te 
beschermen.  Dat  de  verantwoordelijkheid  voor  de  nadere  precisering  van  de  verdeling 
van  bevoegdheden  tussen  de  ministeries  wordt  gelegd  bij  de  minister  die  belast  is  met 
arbeid  is  naar  het  oordeel  van  de  Raad  ook  om  deze  reden  niet  juist.  Naar het  oordeel 
van  de  Raad  hoort deze thuis bij  de  Minister van Justitie. 
Indien  er  redenen  zijn  om  het  aantal  evenementenvergunningen  te  beperken  in  de 
periode  1  december  tot  en  met  de  dag  na  Aswoensdag,  dan  adviseert  de  Raad  de 
regering  te  bezien  of  het  aantal  uit  te  geven  evenementenvergunningen  gemaximeerd 
kan  worden  om  redenen  die  wei  te  maken  hebben  met  de  openbare  orde.  Een  reden 
voor  maximering  zou  kunnen  zijn  dat  de  beschikbare  capaciteit  op  Curayao  van  onder 
meer  de  politie  en  hulpverleningsdiensten  beperkt  is  waardoor  aan  het  aantal 
evenementen een  bovengrens zou  moeten worden  gesteld. 
3°. Advies van de Raad
De  Raad  adviseert  de  regering  artikel  47  van  het  ontwerp  te  heroverwegen  met 
inachtneming van  het  bovenstaande. 
g.  Wjjziging  van  de Legesverordening (artikel  80 van  het ontwerp) 
De  Raad  adviseert  de  regering  artikel  80,  negende  lid,  van  het  ontwerp  te  herformuleren, 
omdat  hieruit niet opgemaakt kan  worden wat  er gewijzigd  wordt  in  de  Legesverordening. 
2. De memorie van toelichting
a.  Pagina 2 (Tijdelijke regelinq) 
Op  pagina  2  staat  in  het  eerste  tekstblok  dat  het  ontwerp  niet  de  strekking  heeftOm  de 
regeling  over  de  open bare  orde  en  veiligheid  op  moderne  leest  te  schoeien  maar  om  zo 
spoedig mogelijk een tijdelijke regeling  tot  stand te brengen. 
Mocht  het  de  bedoeling  zijn  daadwerkelijk  een  tijdelijke  regeling  vast  te  stellen  dan  zal  dit 
vol gens  de  Raad  moeten  blijken  uit  de  tekst  en  de  vorm  van  het  ontwerp.  In  dat  geval 
adviseert  de  Raad  de  regering  aanwijzingen  143  en  144  van  de  Aanwijzingen  voor  de 
RvA  no. RA/31-13-LV 
6
regelgeving in acht te nemen. De Raad adviseert de regering overigens om in de memorie
van toelichting aan te geven binnen welke termijn beoogd wordt een geheel nieuwe regeling
ter zake vast te stellen.
b. Paqina 4
In de tekst in "Onderdeel a" onder "1
0
Buitenlandse artiest" staat "Artikel 47 is verkort en de
verantwoordelijkheid voor regulering is neergelegd bij de Minister van Sociale Ontwikkeling,
Arbeid en Welzijn in het verlengde van de Landsverordening arbeid vreemdelingen".
De Raad adviseert de regering in de memorie van toelichting aan te geven welke
onderwerpen de regulering betreffen waarvoor de Minister van SOAW verantwoordelijk
wordt gehouden.
c. Paqina's 2 en 5 (Onderdeel f)
In de tekst in "Onderdeel f" op pagina 5, van de memorie van toelichting staat dat de
reikwijdte van de in die tekst genoemde artikelen is uitgebreid naar het stedelijk gebied.
De Raad stelt vast dat dit niet het geval is wat betreft de artikelen 14, eerste lid, 40 en 42
van het ontwerp. In deze artikelen zijn de verboden handelingen niet uitgebreid tot het
stedelijk gebied maar tot het gehele gebied van Cura<;:ao.
De Raad adviseert de tekst in "Onderdeel f" op pagina 5 van de memorie van toelichting aan
te passen met inachtneming van het bovenstaande. Dit geldt tevens voor de voorlaatste
volzin in het tweede tekstblok in onderdeel "2. Hoofdlijnen van het ontwerp", op pagina 2 van
de memorie van toelichting.
III. Opmerkingen van wetstechnische en redactionele aard
Opmerkingen van wetstechnische en redactionele aard zijn in een bijlage bij dit advies
opgenomen en worden geacht hiervan integraal onderdeel uit te maken.
Concluderend geeft de Raad van Advies de regering in overweging de
ontwerplandsverordening bij de Staten in te dienen, nadat met het vorenstaande rekening is
gehouden."
Willemstad, 22 jan uari 2014
de Ondervoorzitter, _
o-Scoop
RvA no. RN31-13-LV
7
Bijlage behorende bij  het advies  van  de  Raad van  Advies.  RvA no.  RAl31-13-LV 
Zowel het ontwerp als de memorie van toelichting heeft wetstechnische en redactionele
onvolkomenheden. De Raad noemtdevolgendevoorbeelden.
a.  Het ontwerp 
Artikel9
De Raad adviseert in artikel 9 v66r het woord "politie" de woorden "ambtenaar van" te
schrappen.
Artikel14
De Raad steltv ~ ~   in artikel 14, tweedelid:
a.  hetwoord "uitvoeringsorganisatie"te vervangendoor"Uitvoeringsorganisatie";
b.  de zinsnede "daarvan kennis aan de minister" te vervangen door "daarvan kennis
aan de minister, genoemdin heteerste lid".
Artikel16
De Raadsteltvoorinartikel 16:
a. in hetderde lid de woorden "De minister" te vervangen door"Deminister, genoemdin
hettweede lid" en hetwoord"bedoel"door"bedoeld";
b. in hetvierde lid hetwoord"propaganda"te vervangendoor"ideelepropaganda".
Artikel20
De Raad stelt voorin artikel 20, eerste lid, dezinsnede "of op aan de openbare weg" te
vervangen door"opofaan deopenbareweg".
Artikel21
De Raad stelt voor de puntkomma aan het einde van de tekst van artikel 21 te
vervangen dooreen punt.
Artikel27
De Raadadviseert"hetlucht"tevervangen door"de luchf'.
Artikel30
De Raad steltvoorin hettweede lid de zinsnede"Hetverbodonderc" te vervangen door
"Hetverbod, bedoeld in het eerstelid, onderc,".
Artikel39a
De Raad steltvoor:
a.  in het eerste lid de zinsnede "een bedreiging van de openbare orde" te vervangen
door"een bedreiging voorde openbareorde";
b.  in hettweedeliddewoorden "zoalsbedoeld"tevervangendoor"alsbedoeld";
c.  in het derde lid de zinsnede "als in het eerste lid bedoeld" te vervangen door ",
bedoeldin heteerstelid".
Artikel45
De Raad stelt voor:
a.  artikel45 vierde lid, onderdeelf, te herformulerenomdatdezebepaling nietduidelijk
is;
RvA no. RAl31-13-LV
--
b. artikel 45,vierde lid, onderdeelb, toete voegen aan artikel 45,vierde lid, onderdeel
a, overeenkomstigde formuleringin artikel 45, vierde lid, onderdeeld, van het
ontwerp.
Artikel66 
De Raadsteltvoorin artikel 66 de zinsnede"artikel26, tweede lid, onderden e,"te 
vervangen door"artikel26, eerste lid, onderdene, en hettweede lid, ondere,". 
Artikel70 
De Raadsteltvoorin artikel 70, onderdeel a, "Uitvoeringsorganisatie PubliekeZaken"te 
vervangen doorde"Uitvoeringsorganisatie RuimtelijkeOrdeningen Planning". 
Artikel74 
De Raad stelt voor in artikel 74, vijfde lid, de zinsnede "aan de personen" te vervangen 
door"aan deambtenaren en personen". 
Artikel78 
Voorgesteld wordt in artikel 78, derde lid, de zinsnede "Bij veroordelen wegens 
overtreding"te vervangen door"Bijeenveroordeling wegensovertreding". 
Artikel79 
De Raad steltvoorin artikel 79: 
a. het woord reelametevervangen door"handelsreelame";
b. de zinsnede "binnen drie maanden" te vervangen door"binnen drie maanden na de
inwerkingtredingvan dezelandsverordening".
Artikel80
a. De Raad stelt artikel 80 van het ontwerp in overeenstemming te brengen met
aanwijzing 175dathandeltoverdeindelingvan dewijzigingenvan een regeling.
b. De Raad stelt tevens met artikel 80, derde lid, van het ontwerp het woord
"eilandsverordening" in artikel 35, aanhef, van de Eilandsverordening leges,
preearioreehten en retributies 1992"te vervangen door"Iandsverordening".
e. Omdat de Eilandsverordening Bevordering Openbare Orde en Beseherming
Gemeensehap ingaande 10 oktober 2010 is vervallen, dienen aile verwijzingen
daarnaar vervangen te worden door "de Landsverordening Bevordering Openbare
Orde en Beseherming Gemeensehap". De Raad wijst hierbij onder meer op artikel
40, aanhef, van deLegesverordening. De Raadstelt voorhetontwerp aan te passen
metinaehtnemingvan hetvoorgaande.
Artikel81 
De Raad stelt  
a. de bepaling totvaststellingvan de eiteertitel (artikel 81, eerste lid, van hetontwerp) in
een afzonderlijk artikel in het ontwerp op te nemen, overeenkomstig aanwijzing 73 van
de Aanwijzingenvoorde regelgeving;
b. deinwerkingtredingsbepaling (artikel 81, tweede lid, van hetontwerp) overeenkomstig
aanwijzing 140, eerste lid, onder C, van de Aanwijzingen voor de regelgeving, aan te
passen.
RvA no.RAl31-13-LV II
b.  De  memorie van  toelichting 
Pagina 4 
Voorgesteld  wordt  in  de  tweede  volzin  van  de tekst onder "Onderdeel e"  de woorden  "en 
overlaten" te  vervangen  door "en over te  laten". 
Pagina 9 
Voorgesteld wordt: 
a.  in  de derde volzin  van  het eerste tekstblok onder "Artikel  39a  en  39b" de zinsnede "of 
ander  leidinggevende  ambtenaar"  te  vervangen  door  "een  andere  leidinggevende 
ambtenaar" ; 
b.  in  de  derde  volzin  van  het  laatste  tekstblok  onder  "Uitgaanscentrum,  binnenstad  en 
stedelijk gebied" het  woord "gedraging" te  vervangen  door "gedragingen" . 
• 
'.. ..,. J
RvA  no.  RN31-13-LV  III 
....,.-0"", C-1 AAi ? . ' .............." ../ ..............." ....._ •
\H\D ,.... Yl:'1i1 i't... -,,: .....\
•... ,., 1 ·
Raad van Advies van
G
Aan Zijne Excellentie
deGouverneurvanCura<;ao
Fort Amsterdam 1
:'.,..     8j;;--I
Cura<;ao
RvA no. RAl44-11-LV
    I
Onderwerp: Ontwerplandsverordening houdende vaststelling
van. de openbare orde en ter bescherming van de gemeenschap
(Landsverordening bevordering openbare orde en bescherming
gemeenschap)
(zaaknummer2011/089732)
Advies: Metverwijzing naar uwadviesverzoekd.d.27december2011 om hetoordeel
van de Raad van Advies inzake bovengenoemd onderwerp en de
behandeling hiervan in de vergadering van de Raad van Advies d.d. 16 april
2012, berichtde Raadualsvoigt
Bestudering van het onderhavige ontwerp en de bijbehorende memorie van
toelichting alsmede de overige bij het adviesverzoekgevoegde stukken geeft
de Raadaanleiding tothetmakenvandevolgendeopmerkingen.
I. Aigemeneopmerkingen
1. Deaangebodenontwerptekst
De bij het adviesverzoek overgelegde ontwerptekst bevat kanttekeningen in
dekantlijn op pagina's9en12.
In het advies van de Raad d.d. 14 april 2012, RvA no. RAl03-12-LV, met
betrekking tot de ontwerplandsverordening tot wlJzlgmg van de
Eilandsverordening Passagiersfaciliteitengelden 1988 en de Eilands-
verordening landings- en parkeergelden, heeftde Raad eropgewezen dathet
voorkomt dat de aan de Raad aangeboden teksten van ontwerpregelingen
nietopgeschoondzijnmaaraanduidingenenkanttekeningen bevatten.
De Raadvraagtwederom de aandachtvan de regering hiervoor. Detekst die
de regering teradviseringaan de Raad wil voorleggen moetontdaan zijn van
aile onnodigeaanduidingenen kanttekeningen.
De· Raad verzoekt de regering bij het aanhangig maken van een
adviesverzoek bij de Raad met het vorenstaande rekening te houden.
2. FinancieeladviesenfinanciEHe paragraaf
Uit het adviesverzoek en de daarbij overgelegde stukken blijkt niet, dat met
betrekkingtotdenieuwvoorgestelde regelgeving, advies is ingewonnenbij

7{
)
., . e---.
Architectenweg 1, Curac;:ao, Tel :(59 9) 461 2678, Fax 4652676,e·mail: Nadvies@gobiernu.cw 
/ www.raadvanao/.es.cw 
de Minister van Financien (Sector Financieel beleid en Begrotingsbeheer) op grond van
artikel 10 van de Landsverordening comptabiliteit 2010. Ook is in de memorie van toelichting
geen financiele paragraaf opgenomen zoals wordt voorgeschreven in artikel 11 van de
Landsverordening comptabiliteit 2010. In de brieven van de Sector-directeur Aigemene
Zaken d.d. 1 december 2011 en 16 december 2011 (zaaknummer 2011/089732) is daar al
op gewezen.
De Raad adviseert de regering om de artikelen 10 en 11 van de Landsverordening
comptabiliteit 2010 alsnog in acht te nemen. Ten aanzien daarvan behoudt de Raad zich het
recht voor om een aanvullend advies over het onderhavige ontwerp ("ontwerp") en de
memorie van toelichting uit te brengen.
3. Taetsing van het antwerp
Bij de toetsing van het ontwerp heeft de Raad er rekening mee gehouden dat het ontwerp
beoogt de per 10 oktober 2010 vervallen Eilandsverordening Bevordering Openbare Orde
en Beschenning Gemeenschap ("EBOOBG") zoveel als mogelijk vast te stellen zoals deze
voorheen luidde (memorie van toelichting, tweede bladzijde, onder "2. Hoofdlijnen van het
ontwerp"). Modemisering van deze regelgeving zal volgens de memorie van toelichting
(tweede bladzijde) in een latere fase, direct na de vaststelling van de onderhavige
landsverordening, plaatsvinden. De Raad is derhalve niet in detail ingegaan op de
bepalingen die zijn overgenomen uit de EBOOBG, maar is voornamelijk nagegaan of deze
strijdig zijn met de overige regelgeving van Cura<;ao en jurisprudentie.
II. Inhaudelijke apmerkingen
Het antwerp
a. Definities in artikel 1. eerste lid. van het ontwerp
10. Buitenlandse artiest (artikel 1, eerste lid, onderdeel c)
De Raad vindt de definiering van "buitenlandse artiest" niet duidelijk. Naar de mening van de
Raad zou deze beperkt moeten worden tot een bepaalde activiteit. Wanneer deze definitie
wordt gelezen in samenhang met bijvoorbeeld artikel 47, eerste lid, van het ontwerp dan zou
ook voor het leiden van een kerkdienst door een in het buitenland wonende pastor een
evenementenvergunning moeten worden aangevraagd, hetgeen niet de bedoeling kan zijn.
De Raad adviseert de definitie van "buitenlandse artiest" in artikel1 te herzien.
2°. Evenement (artikeI1, eerste lid, onderdeel e)
De definitie van "evenement" in artikel 1, eerste lid, onderdeel e, in combinatie met artikel 45
van het ontwerp is naar het oordeel van de Raad te ruim . Daar vallen namelijk ook dans- en
zangpartijen onder in onder andere hotels en restaurants, aangezien deze voor het publiek
toegankelijk zijn. Hotels en restaurants beschikken normaliter over een hotel- of
koffiehuisvergunning ingevolge artikel 10 respectievelijk artikel 11 van de
Vergunningslandsverordening (P.B. 1963, no.28). In voornoemde vergunningen is voor het
maken van muziek, het geven van vertoningen of andere verrichtingen ten vermake van het
publiek, of het gelegenheid geven tot het dansen of voor het toelaten van dansen, veelal
reeds toestemming verkregen ingevolge artikel 52 van de Vergunningslandsverordening.
De Raad adviseert in de memorie van toelichting nader toe te lichten of het de bedoeling is
dat voor dergelijke evenementen in de genoemde gelegenheden additioneel een
ttl
, /1
I
1/
RvA no. RAl44-11-LV
2
evenementenvergunning  is  vereist.  Indien  dit  niet  het  geval  is  dan  adviseert  de  Raad  het 
ontwerp op  dit punt aan te  passen. 
3°. Bebouwde kom en stadsdistrict (artikel 1, eerste lid, onderdelen b en j)
De  definitie van  "stadsdistrict" in  artikel  1,  eerste lid,  onderdeel j, van  het ontwerp,  kwam  niet 
voor  in  de  EBOOBG,  wei  de  definitie  van  "bebouwde  kom" .  Volgens  de  definitie  worden 
onder "stadsdistrict" de binnenstad  en  omstreken  begrepen.  Het is  de  Raad  niet duidelijk wat 
daar precies onder valt en  hoe dit zich  verhoudt tot de  "bebouwde kom". 
Hoewel in  de  niet ondertekende brief d.d.  5 december 2011  (zaaknummer 2011/089732) van 
het  Ministerie  van  Justitie,  op  pagina  4,  staat  dat  de  wetstekst  is  aangepast  aan  artikel  1, 
onderdeel  e,  van  de Wegenverkeersverordening C u r a ~ a o 2000  (A.B.  2000,  no.  54)  ('WVV"), 
is  het  de  vraag  of  in  het  ontwerp  voor  de  vaststelling  van  de  "bebouwde  kom"  wordt 
aangesloten  bij  de  bebouwde  kom  zoals  omschreven  in  het  Eilandsbesluit  bebouwde  kom 
(A.B.  2008,  no.  113).  Dit blijk1  niet uit artikel  1,  eerste  lid,  onderdeel b,  van  het ontwerp.  In  de 
memorie  van  toelichting  ontbreek1  een  nadere  toelichting  daarop.  Ten  aanzien  hiervan  wijst 
de  Raad op het volgende. 
De  "bebouwde  kom"  gebaseerd  op  artikel  64,  eerste  lid,  onderdeel  b,  van  de  EBOOBG,  was 
vastgelegd  in  een  tekening  van  de  Dienst  Ruimtelijke  Ontwikkeling  en  Volkshuisvesting 
afdeling  P.K.T.,  tekening  no.  82-74  van  18  ok1ober  1982.  De  tekening  behoort  bij  het 
Eilandsbesluit,  houdende  algemene  maatregelen  van  de  10
de 
mei  1983  ter  uitvoering  van 
artikel  64  lid  1  sub  b  van  de  Eilandsverordening  Bevordering  Openbare  Orde  en 
Bescherming  Gemeenschap  (A.B.  1980,  no.  19).  De  in  die  tekening  als  "bebouwde  kom" 
aangemerkte  gebieden  verschillen  grotendeels  van  de  gebieden  die  als  "bebouwde  kom" 
voorkomen  in  het  Eilandsbesluit  bebouwde  kom  dat  is  gebaseerd  op  de  WVV.  De 
vaststelling  van  de  "bebouwde  kom"  ingevolge  de  WVV  is  gedaan  uit  overwegingen  van 
verkeersveiligheid.  De  Raad  sluit  niet  uit  dat  de  criteria  die  ten  grondslag  liggen  aan  de 
vaststelling  van  de  "bebouwde  kom"  ingevolge  de  onderhavige  landsverordening  andere 
kunnen  zijn. 
De  Raad  adviseert  in  de  memorie  van  toelichting  nader  toe  te  lichten  wat  onder 
"stadsdistrict"  wordt  begrepen  en  aan  te  geven  of  er  reeds  een  landsbesluit,  houdende 
algemene  maatregelen,  bestaat  waarin  de  bebouwde  kom  ingevolge  dit  artikelonderdeel  is 
aangewezen,  en  zo  ja,  de  omschrijving  daarvan.  Daarbij  vraagt  de  Raad  tevens  de  term 
"eerste district" in  artikel 44,  onderdeel e,  van  het ontwerp, toe  te  lichten.  De  Raad  wijst erop, 
dat  zolang  de  "bebouwde  kom"  niet  bij  landsbesluit,  houdende  algemene  maatregelen,  is 
aangewezen,  er  geen  beroep  kan  worden  gedaan  op  diverse  bepalingen  in  het  ontwerp, 
bijvoorbeeld op  artikel 28,  eerste lid,  aanhef en  onderdelen  b en  c. 
b.  Voorschriften door de  Minister van  Justitie vastgesteld  (artikel 5 van  het ontwerp) 
De  Raad  adviseert  artikel  5  aan  te  passen,  in  die  zin  dat  betrokkenen  niet  aileen  de 
voorschriften  die  door  de  Minister  van  Justitie  zijn  vastgesteld  moeten  naleven,  maar  aile 
voorschriften die bij  of krachtens  de onderhavige  landsverordening zijn  gegeven. 
c.  Optochten  op de openbare weg  en  verqunningplicht (artikelen  6 en  48  van  het ontwerp) 
Ingevolge  artikel  6,  eerste  lid,  van  het  ontwerp  is  voor  het  houden  van  een  optocht  op  de 
openbare weg  een vergunning  vereist van  de  Minister van  Justitie. 
De  Raad  wijst  erop  dat  de  Landsverordening  Openbare  Manifestaties  (A.B.  2010,  no. 
87)("LOM")  een  regeling  bevat  terzake  van  de  uitoefening  van  het  recht  tot  vergadering  en 
betoging  als  bedoeld  in  artikel  11  van  de  Staatsregeling van  C u r a ~ a o   Artikel 4  van  de  LOM 
RvA no.  RAl44-11-LV 
3
eist  slechts  een  kennisgeving  aan  de  Minister  van  Justitie  voor  het  houden  van 
vergaderingen  en  betogingen  op  een  openbare  plaats.  In  de  memorie  van  toelichting  bij  de 
LOM  (pagina  6,  derde tekstblok)  staat  hierover het  volgende: "Uitgaande van  de  vrijheid  om 
te  kunnen  betogen  is  het passend om  de  betrokkenheid van  de overheid te beperken tot een 
toetsing  vooraf  op  basis  van  een  melding van  het  voornemen  om  een  betoging,  vergadering 
of samenkomst te organiseren.  De  overheid,  in  de  gedaante van  de  Minister van  Justitie,  zal 
de  melding  beoordelen  aan  de  hand  van  de  belangen  die  beperking  van  de  uitoefening  van 
de betrokken grondrechten  rechtvaardigen.". 
Het eisen  van  een vergunning  in  het  ontwerp voor het houden  op  de  openbare weg  van  een 
optocht  die moet worden  gekwalificeerd  als  een  "betoging"  in  de  zin  van  de  LOM,  staat  dan 
ook  op  gespannen  voet  met de  LOM. Naar het oordeel  van  de  Raad  dient deze  bepaling  te 
worden  herzien. Daarbij dient ook artikel 48 van  het ontwerp te  worden betrokken. 
De  Raad  adviseert  de  artikelen  6  en  48  van  het  ontwerp  te  herzien  met  inachtneming  van 
het bovenstaande. 
d.  Leeftijdcriterium  (artikel 22  van  het ontwerp) 
Artikel  19,  tweede  lid,  van  de  EBOOBG  bepaalt dat  hij,  die opzicht van  welke aard  ook over 
een  meisje  beneden  de  zestien  jaar uitoefent,  verplicht  is  te  zorgen  dat  zij  niet  vent.  In  het 
vergelijkbare  artikel  22,  tweede  lid,  van  het  ontwerp  is  dit veranderd  in  "minderjarigen",  dus 
zowel  meisjes als  jon gens  beneden de achttien jaar. 
De  Raad  adviseert  in  artikel  22,  tweede  lid,  van  het  ontwerp,  de  leeftijd  van  betrokkenen  te 
houden  op  "beneden  de  zestien  jaar",  gelijk  aan  de  leeftijd,  genoemd  in  het  eerste  lid  van 
artikel22. 
e.  De met "zondag" gelijk gestelde dagen  (artikel40 van  het ontwerp) 
In  artikel  23  van  de  Arbeidsregeling  2000  (P.B.  2000,  no.  67)  is  aangegeven  welke  dagen 
feestdagen  zijn. 
De  Raad  adviseert  in  artikel  40,  eerste  lid,  onderdeel  c,  voor  het  bepalen  van  de  dagen  die 
met  de  zondag  gelijk  gesteld  zijn,  aan  te  sluiten  bij  genoemd  artikel  en  het  tweede  lid  te 
schrappen. 
f.  Van  toepassing  zijnde  bepalingen  in  het  "stadsdistrict"  (onder  andere  artikel  42  van  het 
ontwerp) 
In  diverse  artikelen  in  het  ontwerp  zijn  verboden  opgenomen  die  slechts  gelden  in  het 
"stadsdistrict".  De  Raad  wijst  onder  andere  op  de  artikelen  14,  eerste  lid,  28,  eerste  lid,  40, 
41  en  42  van  het  ontwerp.  De  Raad  sluit  niet  uit  dat  de  in  genoemde  artikelen  gestelde 
verboden  heden  ten  dage  niet  aileen  zouden  moeten  geld en  in  het  "stadsdistrict"  maar ook 
in  andere  delen  van  Curac;ao  waaronder  de  "bebouwde  kom" .  De  Raad  denkt  daarbij  aan 
het  in  artikel  42  gestelde  verbod  om  vuurwapens  of  windbuksen  af  te  schieten,  behoudens 
op  schietbanen  die  v ~ ~   die  activiteiten  vergunning  hebben  verkregen  van  de  Minister  van 
Justitie. 
De  Raad  adviseert  de  in  het  ontwerp  opgenomen  verbodsbepalingen  die  slechts  van 
toepassing  zijn  in  het  "stadsdistrict"  te  heroverwegen  met  inachtneming  van  het 
bovenstaande. 
RvA  no. RAl44-11-LV 
4
g. Verbod om zonder verqunninq op de openbare weq te verschijnen in kleren van het
andere geslacht (artikel 46, eerste lid, aanhef en onderdeel d, van het ontwerp)
Artikel 46, eerste lid, aanhef en onderdeel d, verbiedt onder meer het dragen van kleren van
het andere geslacht op de openbare weg, zonder daartoe een vergunning te hebben
verkregen. De Raad vraagt zich af of deze bepaling moet worden gehandhaafd.
De Raad adviseert de regering artikel 46, eerste lid, aanhef en onderdeel d, van het ontwerp
te heroverwegen.
h. Bevoegdheid tot het vaststellen van beleid (artikelen 45, derde lid, en 46, vierde lid, van
het ontwerp)
Conform het geldende bestuursrecht is een bestuursorgaan met betrekking tot een aan hem
toekomende of onder zijn verantwoordelijkheid uitgeoefende bevoegdheid, altijd gerechtigd
om beleid ter zake die bevoegdheid vast te stellen.
De Raad geeft in overweging de artikelen 45, derde lid en 46, vierde lid, van het ontwerp, als
zijnde overbodig, te schrappen.
i. Evenementenvergunning (artikelen 45,46 en 47 van het ontwerp)
1°. Evenementenvergunning algemeen
In de definitie van "evenementenvergunning" in artikel 1, eerste lid, onderdeel f, van het
ontwerp staat dat deze een vergunning betreft die vereist is voor het houden van een
evenement op grond van de artikelen 45, eerste lid, artikel 46, eerste lid, aanhef en sub a en
artikel 47 van de onderhavige landsverordening. De Raad merkt op dat slechts in artikel 47
van het ontwerp is opgenomen dat betrokkene over een evenementenvergunning moet
beschikken. Gezien de definitie van "evenementenvergunning" en de toelichting op de
betreffende artikelen (memorie van toelichting, derde bladzijde) is het volgens de Raad de
bedoeling deze eis ook te stellen in de artikelen 45 en 46 van het ontwerp, wat niet is
gebeurd.
De Raad adviseert artikelen 45 en 46 te herzien met inachtneming van het bovenstaande.
2°. Evenementenvergunning vaar buitenlandse artiesten
Met het introduceren van een evenementenvergunning voor buitenlandse artiesten in artikel
47 van het ontwerp, naast de evenementenvergunning van de artikelen 45 en 46, is bij de
nadere invulling van "open bare orde, rust, veiligheid en bescherming van de gemeenschap"
een onderscheid gemaakt naar vestigingsplaats van de artiesten die zullen optreden. De
buitenlandse artiest zou gedurende de periode 1 december tot de dag voorafgaande aan
aswoensdag, niet kunnen optreden op Curac;:ao, zelfs niet in lokaliteiten die beschikken over
een vergunning op grond van de Vergunningslandsverordening (P.B. 1963, no. 28), zoals
hotels, restaurants en cafe's. De Raad is van oordeel dat hiermee een wezenlijk ander
criterium wordt gehanteerd dan welke zou moeten volgen uit de behartiging van de
hierboven genoemde belangen. De Raad vindt dat dit criterium geen verband houdt met
"open bare orde, rust, veiligheid en bescherming van de gemeenschap", maar op andere
belangen ziet. Dit blijkt ook uit de toelichting op de tweede bladzijde van de memorie van
toelichting onder "2. Hoofdlijnen van het ontwerp".
In voornoemde memorie van toelichting (tweede bladzijde) wordt enerzijds gesteld dat er
nieuwe regels moeten worden vastgesteld om de lokale artiesten te beschermen tegen
buitenlandse concurrentie gedurende de drukke kerst-, eindejaars- en carnavalsperiode.
Daarin staat verder het volgende: "De buitenlandse artiesten profiteren van de drukke
RvA no. RN44-11-LV
5
periode terwijl zij in de stille periode (bedrijvigheid staat min of meer stil c.q. is nihil) buiten
Curac;ao gevestigd zijn en aldaar hun onderneming voeren. De Curac;aose artiest heeft
gedurende de stille periode moeite om aan inkomsten te komen en zijn bedrijf draaiende te
houden vanwege minder bedrijvigheid buiten genoemde periode. Het beschermen van het
belang van de lokale artiest tegenover de buitenlandse is dusdanig verstrengeld met het
economische belang van onze gemeenschap dat het eiland getroffen wordt in zijn algemeen
belang namelijk het streven naar enige mate van welzijn en voorspoed onder zijn bevolking,
de culturele bevordering van zijn eigen lokale artiesten en de bestrijding van de
werkgelegenheid onder zijn burgers waardoor de Regering economische bescherming dient
te bieden aan de lokale artiesten ter bevordering van het algemeen belang in zijn
gemeenschap.". '
Uit deze motivering blijkt volgens de Raad dat de betreffende bepaling geen betrekking heeft
op de bescherming van de belangen waar de onderhavige landsverordening voor staat,
maar op de bescherming van de lokale arbeidsmarkt. Bescherming van de 10kale
arbeidsmarkt behoort naar de mening van de Raad niet tot de belangen die de onderhavige
landsverordening dient te beschermen. Voorzieningen van die aard moeten worden
opgenomen in regelingen betreffende - de bescherming van - de arbeidsmarkt.
Anderzijds wordt in de memorie van toelichting (tweede bladzijde) aangegeven dat
evenementen tijdens bepaalde feestdagen beperkt moeten worden vanwege de hoge kosten
voor het inzet1en van het justitiEHe apparaat. Daarbij zou het aantal evenementen beperkt
moeten worden zodat de kosten beheersbaar blijven waardoor de bescherming van de
openbare orde, rust en veiligheid beter kan worden gewaarborgd (memorie van toelichting,
tweede bladzijde). Volgens de Raad raakt dit aspect aile evenementen, dus met of zonder
buitenlandse artiesten . Het komt de Raad voor dat er in dat geval van overheidswege eerder
een maximum zou moeten worden gesteld aan het aantal te houden evenementen zonder
daarbij onderscheid te maken naar vestigingsplaats van de artiesten. Het gaat er in de
onderhavige landsverordening immers om dat een goed verJoop van de openbare orde kan
worden gegarandeerd. Het is voor de Raad overigens niet duideJijk hoe gehandeld zal
worden wanneer een groep is samengesteld uit artiesten die op Curac;ao wonen en artiesten
die in het buitenland wonen.
De Raad adviseert artikel 47 van het ontwerp te heroverwegen met inachtneming van het
bovenstaande.
j. Promotor (artikel 47, vierde lid, onderdeel 0, van het ontwerp)
In artikel 1, eerste lid, onderdeel i, van het ontwerp is de term "promotor" als voigt
gedefinieerd: organisator van een evenement, tevens vergunningaanvrager. Gelet op de
definiering gaat de Raad ervan uit dat de organisator van een evenement steeds de
vergunningaanvrager moet zijn, dus degene op wiens naam de vergunning wordt
aangevraagd.
De term "promotor" komt in het ontwerp aileen voor in artikel 47, vierde lid, onderdelen a en
g. In artikel 47 van het ontwerp is echter niet opgenomen dat aileen de promotor in
aanmerking komt voor een evenementenvergunning. Ais het ook de bedoeling is dat de
promotor de enige is die in aanmerking kan komen voor de vergunningen van de artikelen
45, eerste lid, en 46, eerste lid, van het ontwerp, dan dient dit nog geregeld te worden in het
ontwerp. De Raad kan uit het samenstel van bepalingen namelijk niet afleiden dat dit ook
geldt voor de evenementenvergunningen van de artikelen 45, eerste lid, en 46, eerste lid,
van het ontwerp.
RvAno. RAl44-11-LV
6
De Raad adviseert om, met inachtneming van het bovenstaande, na te gaan of in het
ontwerp duidelijk is gesteld dat slechts de organisator van een evenement in aanmerking
komt voor de daartoe te verkrijgen (evenementen) vergunning .
k. Compensatie (artikel 47. vijfde lid. van het ontwerp)
In artikel 47, vijfde lid, van het ontwerp wordt bepaald dat betrokkene geen recht heeft op
compensatie in welke vorm dan ook, indien de evenementenvergunning wordt geweigerd,
ingetrokken of gewijzigd, op grond van de in het vierde lid van dat artikel vermelde gevallen.
De Raad stelt vast dat er bijvoorbeeld geen recht op compensatie is wanneer de intrekking
plaatsvindt vanwege gewijzigde inzichten met betrekking tot de bescherming van de
belangen met het oog waarop het vereiste van de beschikking is gesteld, indien die
zwaarder zouden wegen dan het belang van de aanvrager bij een ongewijzigde beschikking
(artikel 47, vierde lid, onderdeel f).
In dit licht wijst de Raad op de uitspraak van het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van
Aruba, Curagao, Sint Maarten en van Bonaire. Sint Eustatius en Saba ("Hof"), d.d. 25 januari
2011, HLAR 005/10 (UN B00597). Het Hof overweegt daarin onder meer dat
bestuursorganen in de rechtmatige uitoefening van hun bevoegdheden, ingevolge het
rechtsbeginsel van gelijkheid van openbare lasten. gehouden zijn tot compensatie van
onevenredige, buiten het normale maatschappelijke risico vallende en op een beperkte
groep burgers of instellingen drukkende, schade die is ontstaan in een door de uitoefening
van een aan het publiekrecht ontleende bevoegdheid ontstane rechtsverhouding (uitspraak
Hof, pagina 2, bij overweging 2.1.2.).
Uitsluiting van het recht op compensatie in welke vorm dan ook, zoals voorgesteld in artikel
47, vijfde lid, is naar het oordeel van de Raad niet in overeenstemming met genoemd
rechtsbeginsel.
De Raad adviseert artikel 47, vijfde lid, van het ontwerp te heroverwegen met inachtneming
van het bovenstaande.
I. Opsporingsbevoegdheid (artikel 74 van het ontwerp)
In artikel 1, eerste lid, onderdeel a, van het ontwerp, is bepaald dat met "ambtenaren van
politie" de opsporingsambtenaren van artikel 184 van het Wetboek van Strafvordering
(''WvSv'') worden bedoeld. Dit betekent dat ook de buitengewone agenten van politie
opsporingsbevoegdheid hebben, voor zover zij daartoe zijn aangesteld (artikel 184, eerste
lid, onderdeel c, van het WvSv).
De Raad constateert dat in het ontwerp geen buitengewone agenten zijn aangewezen die
belast worden met de opsporing van de in de onderhavige landsverordening genoemde
strafbare feiten. De Raad denkt daarbij aan de ambtenaren van Servisio di Kontrol i
Siguridat (SKS). De Raad vindt dat ook de ambtenaren van SKS opsporingsbevoegdheid
zouden moeten krijgen met betrekking tot de strafbare feiten die genoemd zijn in de
onderhavige landsverordening.
De Raad adviseert artikel 74 van het ontwerp te heroverwegen met inachtneming van het
bovenstaande.
m. Delegatie van regelgevende bevoegdheid aan de minister (artikel77 van het ontwerp)
In artikel 77 van het ontwerp wordt het stellen van nadere regels ter uitvoering van de
onderhavige landsverordening gedelegeerd aan de minister.
Ten eerste is de Raad van oordeel dat delegatie van regelgevende bevoegdheid aan een
minister beperkt dient te zijn tot voorschriften ,van administratieve aard, uitwerking van
RvA no. RAl44-11-LV
7
de
 
I
details van de regeling, voorschriften die dikwijls worden gewijzigd en dergelijke. Daarnaast
is de Raad van oordeel dat delegatie van regelgevende bevoegdheid in de delegerende
regeling zo concreet en nauwkeurig moet worden begrensd. In dit geval is er in feite geen
begrenzing opgenomen, bijvoorbeeld door de te regelen onderwerpen en de doeleinden
waartoe van de delegatie gebruik mag worden gemaakt, in het ontwerp te vermelden.
In dit geval kan de minister, ter uitvoering van de onderhavige landsverordening, nadere
regels stellen over welk onderwerp dan ook en is het niet beperkt tot voorschriften van
administratieve en technische aard.
De Raad adviseert a rti k-eI 77  van het antwerp te heroverwegen met inachtneming van het
bovenstaande. Daarbij dient ook de mogelijkheid van het stellen van nadere regels bij
landsbesluit, houdende algemene maatregelen, betrokken te worden.
III. Overige inhoudelijke opmerking
Legesverordening
In de Eilandsverordening leges, precariorechten en retributies Curac;:ao 1992
("Legesverordening") (A.B. 1992, no. 20) worden leges geheven voor uit te geven
vergunningen ingevolge de EBOOBG. Voor een voorbeeld wijst de Raad op artikel 36 van
de Legesverordening. Hierin staat onder andere dat aan de Afdeling Financien leges ten
bed rage van NAt. 50,-- verschuldigd zijn een vergunning ingevolge artikel 37 sub a en c
van de EBOOBG tot het gebruik van de openbare weg, tot het geven van muziek-, zang-,
dans- en toneeluitvoeringen, daaronder begrepen het maken van muziek door middel van
een geluidsversterker. De leges worden geheven voor vergunningen die zijn aangevraagd
op grond van de vervallen EBOOBG. Om leges te kunnen heffen voor aanvragen om
vergunningen ingevolge de onderhavige landsverordening dient een wettelijke grondslag te
worden getroffen in de Legesverordening.
De Raad adviseert de Legesverordening aan te passen met inachtneming van het
bovenstaande.
IV.  Opmerkingen van wetstechnische en redactionele aard
Opmerkingen van wetstechnische en redactionele aard zijn in een bijlage bij dit advies
opgenomen en worden geacht hiervan integraal onderdeel uit te maken.
Concluderend geeft de Raad van Advies de regering in overweging de
ontwerplandsverordening bij de Staten in te dienen nadat met het vorenstaande rekening zal
zijn gehouden.
Willemstad, 18 april 2012

,

... 
RvA no. RA/44-11-LV

Sijlage behorende bij het advies van de  Raad  van  Advies,  RvA no. RAl44 -11-LV 
Opmerkingen van wetstechnische en redactionele aard 
Zowel  het ontwerp  als  de  memorie  van  toelichting  heeft wetstechnische  en  redactionele 
onvolkomenheden.  De  Raad  noemt de volgende  voorbeelden. 
a.  Het ontwerp 
Aigemeen 
Op  diverse  plaatsen  in  het  ontwerp  komt  de  term  "goed"  of  "goederen"  of  "onroerend 
goed" voor.  De  Raad  wijst  bijvoorbeeld  op  artikel  1,  eerste  lid, onderdeel  d,  artikel  4,  en 
artikel  16,  eerste en  derde lid. 
De  Raad  stelt  voor  deze  termen  respectievelijk  te  wijzigen  in  "zaak",  "zaken"  en 
"onroerende  zaak",  overeenkomstig  de  terminologie  van  Boek  3  van  het  Burgerlijk 
Wetboek. 
De considerans 
1.  Ingevolge onderdeel 4 van  het verbeterblad dat behoort  bij  de  Eilandsverordening tot 
wijziging  van  de  Aigemene  Politieverordening  voor  Curac;ao  1952 (A.B.  1952,  no.  3), 
is  de  citeertitel  van  laatstgenoemde  verordening  gewijzigd  in  "Eilandsverordening 
bevordering openbare orde  en  bescherming gemeenschap". 
De  Raad  stelt  voor  de  considerans  aan  te  passen  met  inachtneming  van  het 
bovenstaande. 
2.  In  de  considerans  dient  het  woord  "ingetrokken"  te  worden  vervangen  door 
"vervallen". 
Artikel1 
1.  In  het eerste lid,  onderdeel  e,  dient "elk" te worden  vervangen  door "elke". 
2.  In  het  eerste  lid,  onderdeel  f,  dient  de  zinsnede  "van  deze  landsverordening"  te 
worden geschrapt. 
3.  In  het  eerste  lid,  onderdeel  g,  dient  "pluimveegedierte"  te  worden  vervangen  door 
"pluimvee". 
Artikel9 
Voorgesteld  wordt  om  in  de  derde  en  vijfde  regel  een  maal  de  woordencombinatie 
"ambtenaar van" te  schrappen. 
Artikel  15 
De Raad  stelt  voor  in  artikel  15,  tweede  lid,  de  zinsnede  " een  onder e bedoeld  voertuig 
of  carosserie"  te  vervangen  door  "een  in  het  eerste  lid,  onder  e  bedoeld  voertuig  of 
carosserie". 
Artikel  17 
In  aansluiting  op  de  terminologie  in  artikel  44,  onderdeel  b,  van  het  ontwerp,  stelt  de 
Raad  voor  in  de  eerste  regel  de  "overheid" te  vervangen  door "de  uitvoeringsorganisatie 
Openbare Werken". 
Artikel  18 
De  Raad  stelt  voor  de  zinsnede  "artikelen  17  en  19"  te  vervangen  door "artikelen  15  en 
17". 
Artikel16
De Raad stelt voor de in artikel 16, derde lid, onderdeel c, opgenomen
overgangsbepaling op te nemen in paragraaf 6"Slot- en overgangsbepalingen" van het
ontwerp.
Artikel22
Voorgesteld wordt om in artikel 22, tweede lid, de zinsnede "dat zij niet vent" te
vervangendoor"dat hij ofzij nietvent".
Artikel25
De Raad steltv ~ ~ r in artikel25 "afte snoeien"tevervangendoor"tesnoeien".
Artikel28
Voorgesteld wordt om in het tweede lid na "strekkende" het woord "schriftelijke" in te
voegen.
Artikel32
De Raad steltvoorin artikel 32v66r"openbare"hetwoord "als"in te voegen.
Artikel33
DeRaad stelt voor in artikel 33, eerste lid,onderdeel f, "artikel 440, 1
0
van hetWetboek
van Strafrecht" te vervangen door"artikel 3:2van hetWetboekvan Strafrecht".
Artikel41
Voorgesteld wordt om in artikel 41, tweede lid, aanhef, de zinsnede "opgelaten te
hebben" te vervangendoor"in de luchttehebben".
Artikel47
De aanhefvan hetvierde lid in combinatie metde onderdelenatot en metfdientter
wille van deleesbaarheidgeherformuleerdte worden.
In het vijfde lid dient de zinsnede "de in het vijfde lid vermelde gevallen" te worden
vervangen door"dein hetvierde lidvermelde gevallen".
Artikel50
Geadviseerdwordt in artikel 50, derde lid,dezinsnede "rechtspersoonlijkheid bezittende
instellingen" in overeenstemming te brengen met de terminologie van Soek 2 van het
Surgerlijk Wetboek en deze te vervangen door "rechtspersonen met volledige
rechtsbevoegdheid".
Artikel57
De Raad adviseert in artikel 57, eerste lid, onderdeel c, hetwoord "tegen"in te voegen
tussen "zijn" en "enig".
Artikel74
1.  In artikel 1,eerste lid, onderdeel ais hetbegrip"ambtenaarvan politie"gedefinieerd.
De Raad steltvoorom in artikel 74, eerste lid, de zinsnede "De ambtenaren methet
opsporen van overtredingen van deze landsverordening belast" te vervangen door
"de ambtenarenvan politie"..
2.  De Raad steltvoor in de laatstevolzinvan artikel 74,tweede-lid;tussen "die"-en "de
bewoners"hetwoord "ondanks" in te voegen.
de 
/         ~ . \' . -
~   I
/
RvAno. R 44-11-LV  II
Artikel79
DeRaad steltvoorartikel 79, eerste lid, in een apartartikelopte nemen.
Ondertekeningvan deonderhavigelandsverordening
Blijkens het slotformulier wordt de onderhavige landsverordening ondertekend door de
Minister van Justitie en medeondertekend door nog vier andere bewindspersonen. De
Raad is van mening dat het aantal medeondertekenaars van een regeling zoveel als
mogelijk beperkt moet worden. Een regeling dient slechts ondertekend te worden door
debewindspersoon of bewindspersonen die belast is of zijn metde behartiging van een
belang dat de betrokken regeling beoogt te dienen. Ondertekening door een
bewindspersoon die belast is met de behartiging van een belang dat bij·de regeling
slechtsvan ondergeschikte aard is, kan achterwegeworden gelaten. Ondertekening van
een regeling brengt namelijk de verantwoordelijkheid voor de voorbereiding en de
inhoudvan de regeling tot uitdrukking.
De Raad stelt voor na te gaan of de in het ontwerp vermelde ministers in het
slotformulierdeonderhavige landsverordening(mede) dienente ondertekenen.
b. De memorie vantoelichting
Aigemeen
Ingevolge onderdeel 4 van het verbeterblad dat behoort bij de Eilandsverordening tot
wijziging van de Aigemene Politieverordening voor Curagao 1952 (A.B. 1952, no. 3) ,is
de citeertitel van laatstgenoemde verordening gewijzigd in "Eilandsverordening
bevordering openbareordeen bescherminggemeenschap".
Op verschillende plaatsen in de tekst wordt "Algemene Politieverordening Curagao
1952" gebruikt, in plaats van "Eilandsverordening bevordering openbare orde en
bescherming gemeenschap". Voor een voorbeeld wijst de Raad op de eerste bladzijde,
eersteen tweedetekstbloken opdederdebladzijde, onder"Artikel 5".
De Raad stelt voor de betreffende teksten in de memorie van toelichting te veranderen
van "Algemene Politieverordening Curagao 1952" in "Eilandsverordening bevordering
openbare orde en bescherminggemeenschap".
Paginanummering
De Raad steltvoorde bladzijdenvan dememorievan toelichtingte nummeren.
Tweede bladzijde
Onder paragraaf "2. Hoofdlijnen van het ontwerp" dient in regel 11 van het eerste
tekstblok"heteiland"te worden vervangen door"hetland"ofdoor"Curagao".
Derdebladzijde
1.  In het eerste tekstblok dient de zinsnede "artikel 47, eerste lid, artikel 48, eerste lid,
aanhefen suba, en artikel 49 vandeze landsverordening"te worden vervangen door
"artikel 45, eerste lid, artikel 46, eerste lid, aanhef en sub a, en artikel 47 van deze
landsverordening".
2.  Het opschrift "Artikel 47, eerste lid, en artikel 48, eerste lid, aanhef en sub a, en
artikel 49" dientte worden vervangen door"Artikel 45, eerste lid, en artikel 46,eerste
lid,aanhefen Sl}D a, en artikel 47".
,
    . .
t   no.RAl44-11-LV  III
I
3 .  In  het eerste tekstblok  onder het  hierboven bij  onderdeel  2  genoemde  opschrift,  dient 
in  de  eerste  regel  "Artikel  47,  eerste  lid,  en  artikel  48,  eerste lid,  aanhef  en  sub  a,"  te 
worden  vervangen  door "artikel  45,  eerste lid,  artikel  46,  eerste  lid,  aanhef  en  sub  a", 
en  in  de  vijfde  regel"Artikel 49" door "Artikel 47". 
·'ft" ft,"".',',",.,.,' nne'·,. e,.o·",··· . Db
zI,
/1
I  / 
RvA  no. RAl44-11-L V  IV