You are on page 1of 56

Thema moestuin

Les 1: delen van de bloem
Lesduur: 50 minuten
Kerndoelen:
De leerlingen kunnen bloemen in hun omgeving zoeken.
De leerlingen kunnen een bloem aandacht bekijken.
De leerlingen kunnen de delen van de bloem benoemen namelijk bloem, blad, stengel en wortel.
De leerlingen kunnen een bloem tekenen.

Leerplandoelen:
Mens en natuur:
7.5 Kinderen ontdekken dat er tussen mensen onderling, dieren onderling en planten onderling veel
gelijkenissen bestaan.
Dat houdt in dat ze:
 Basisbegrippen om de uitwendige bouw van een plant te verschrijven, correct kunnen
hanteren: wortel, stengel, blad, bloem… p. 107
Materiaal:
Bloemen, kwartet, werkblad, vergrootglazen, filmpje
http://www.educatief.diekeure.be/mundoleerling/uploads/oefentoetsen/focusthema7-
4/4_ik_ken_de_delen_van_een_plant.html











Fasen
Beginsituatie
De leerlingen weten wat bloemen zijn en komen hier regelmatig mee in contact. De delen van een
bloem is nieuwe leerstof voor hen. Deze leerstof moeten ze pas op latere leeftijd beheersen. Deze les
is een vereenvoudigde versie over de delen van de bloem en een eerste kennismaking. Het ervaren
en zelf ontdekken staat centraal. De leerlingen vanuit een andere bril laten kijken naar een bloem.
Fase 1: instap
De leerkracht gaat samen met de leerlingen naar buiten om bloemen te plukken. Er worden eerst
duidelijke afspraken gemaakt. De leerkracht vermeld ook dat je eigenlijk geen levende dingen uit de
grond mag trekken omdat deze dan dood gaan, maar dit vandaag voor één keer mag omdat ze over
de bloem gaan leren. De leerlingen moeten voorzichtig te werk gaan en respect hebben voor de
natuur.
Fase 2: kern
2.1 vergrootglazen
De leerlingen gaan terug naar de klas en daar mogen ze per 2 een bloem bekijken door een
vergrootglas. Ze moeten letten op de details en beschrijven aan de buur wat ze zien. We kiezen deze
werkvorm omdat de leerlingen dan in gesprek gaan over het onderwerp en elkaar zo ook zaken
bijleren. Ze bekijken de bloem en proberen de delen die ze al herkennen te benoemen.
2.2 delen van de bloem
De leerlingen tekenen de bloem zo gedetailleerd mogelijk over. Ze hebben specifieke aandacht voor
de delen namelijk de bloem, stengel, blad en wortel. Deze zaken moeten er zeker opstaan. Ze
tekenen de bloem ook zo waarheidsgetrouw mogelijk over. Ze plakken de delen daarna op de juiste
plaats.
2.3 kwartet
De leerlingen spelen per 4 kwartet. Het is de bedoeling dat ze vier delen van dezelfde bloem
verzamelen. In het spel zit een blauwe, groene, paars en rode bloem en hiervan moeten ze het blad,
bloem, stengel en wortel verzamelen. Door deze werkvorm oefenen de leerlingen al spelenderwijs de
begrippen.
Fase 3: afsluiter
De leerlingen drogen de bloem die ze geplukt hebben. Ze drogen deze tussen een telefoonboek. Een
paar weken later kleven ze deze bloem voorzichtig op en benoemen ze nog een keer de delen. Zo
wordt de leerstof nog een keer herhaald en visueel gemaakt.



Bijlagen
Bijlage 1: werkblad delen van de bloem
delen van de bloem

teken je bloem zo goed mogelijk over.

































knip deze woorden uit en kleef ze op de juiste plaats.

























bloem

blad

stengel

wortels
Bijlage 2 bordschema delen van de bloem
delen van de bloem

teken je bloem zo goed mogelijk over.





























Bijlage 3 kwartet





















































Thema moestuin
Les 2: seizoen de lente
Lesduur: 50 minuten
Kerndoelen:
De leerlingen kunnen een lied meezingen.
De leerlingen kunnen voorwerpen ordenen in seizoenen.
De leerlingen kunnen vertellen over de lente.

Leerplandoelen:
Mens en natuur:
7.1 Kinderen genieten van hun aanwezigheid in de natuur en van de wisseling der seizoenen en uiten
dat op diverse manieren. P. 106
7.6 Kinderen zien in dat mensen, dieren of planten op een eigen manier trachten in leven te blijven.
P. 108
7.7 Kinderen zien in dat organismen aangepast zijn aan een leefwijze in een bepaald milieu. P 108

Materiaal:
Liedje, prenten, zonnebril, badpak, slee, sjaal, muts, voetbal, pet, lam,slippers, sandalen, botten,
quiz, werkblad













Fasen
Beginsituatie
De leerlingen weten dat er vier seizoenen bestaan en kunnen deze ook opnoemen. Vanuit hun
voorkennis kennen ze de belangrijkste en meest opvallende kenmerken van elk seizoen.
Fase 1: instap
1.1 Luisterfase
De leerkracht zingt het lied van de lente voor. De leerkracht stelt enkele gerichte vragen over het lied
zodat de leerlingen aandachtig moeten luisteren. Mogelijke vragen:
- Over welk seizoen gaat het lied?
- Welk dier komt er voor in het lied?
- Hoeveel keer wordt het hele lied gezongen?
- …
De leerkracht deelt een aantal prenten uit. De leerlingen moeten deze op de juiste moment in de
lucht steken terwijl de leerkracht het lied voorzingt. Dit zorgt er weer voor dat de leerlingen gericht
moeten luisteren. De luisterfase is zeer belangrijk. Pas als deze fase helemaal doorlopen is, kan er
verder worden gegaan naar de volgende fase.
1.2 aanleerfase
De leerkracht zingt zin voor zin voor en de leerlingen zingen deze zin na. Telkens als ze een zin
hebben geleerd, wordt heel het lied gezongen en mogen de leerlingen meezingen met de tekst die ze
al kennen.
1.3 verankeringsfase
In deze fase kennen de leerlingen het lied al en is het de bedoeling dat ze het volledig zelfstandig
kunnen zingen. Hiervoor kan je allerlei werkvormen gebruiken zoals de jongens tegen de meisjes, in
verschillende groepen, in een kring, klappen op het ritme, bewegingen op de tekst, enzovoort.
Fase 2: kern
2.1 demonstratietafel
Vooraan in de klas staat een demonstratietafel met allerlei attributen. De werkvorm die tijdens deze
fase gebruikt wordt, is gebaseerd op ren je rot. De leerkracht steekt een voorwerp in de lucht en de
leerlingen moeten in de juiste hoek gaan staan. Elke hoek stelt een seizoen voor. Voorbeelden van
voorwerpen kunnen zijn: zonnebril, badpak, slee, sjaal, muts, voetbal, pet, lam,slippers, sandalen,
botten,… Aan de hand van de voorwerpen wordt de voorkennis van de leerlingen geprikkeld. De
leerkracht voert met de leerlingen een gesprek over de voorwerpen. Mogelijke vragen:
- wanneer gebruik je een slee?
- Is het warm of koud als je een zonnebril draagt?
- Waarom draag je een zonnebril?
2.2 quiz
De leerlingen worden in ploegen van 4 personen verdeeld. Elke ploeg krijgt een antwoordenblad. De
leerkracht leest de vragen voor en de leerlingen schrijven het juiste antwoord op. Als de quiz
afgelopen is, worden de vragen overlopen en geeft de leerkracht extra uitleg waar nodig.
Fase 3: afsluiter
Het liedje wordt nog eens klassikaal gezongen.






















Bijlagen
Bijlage 1 liedjestekst
De lente is weer in't land
Zie de bloemetjes aan de waterkant.
Hé, kijk! Daar vliegt een kanariepiet
"Twiet, twiet, twiet" zingt 'ie want
de lente is weer in't land
Zie de bloemetjes aan de waterkant.
Hé, kijk! Daar vliegt een kanariepiet
"Twiet, twiet, twiet" zingt 'ie want
de lente is weer in't land
Zie de bloemetjes aan de waterkant.
Hé, kijk! Daar vliegt een kanariepiet
"Twiet, twiet, twiet" zingt 'ie want...
http://www.youtube.com/watch?v=hZxLTKPCTps&feature=related


















Bijlage 2 prenten











Bijlage 3 quiz

Les 3: vogelverschikker maken
Lesduur: 100 minuten
Kerndoelen:
De leerlingen kunnen samenwerken.
De leerlingen kunnen een deel van een groter werk knutselen.

Leerplandoelen:
BEELD:
14 Het beeldaspect ‘compositie’ ervaren en toepassen
14.7 Een werkstuk creëren als onderdeel van een groepswerk. p. 33

12 Het beeldaspect ‘vorm’ ervaren en toepassen
12.5 Een vorm zodanig versieren dat het karakter ervan wordt versterkt. p.31

WERELDORIËNTATIE:
Mens en techniek
6.13 Kinderen kunnen een constructieactiviteit of een bereiding correct uitvoeren. p. 100

Materiaal:
Emmer, oude kleren, bezemsteel, bloempot, wol, verf, stoffen, knopen, flesdopjes, verfborstels,
mengpotjes, schilderschorten, tafellakens, ijzerdraad, schaar, velpon, lijmpistool,…













Fasen
Beginsituatie
De leerlingen hebben al in de moestuin gewerkt. De leerlingen weten ook wat een vogelverschrikker
is. Deze activiteit wordt met het eerste en zesde leerjaar uitgevoerd. De leerlingen van het zesde
leerjaren kunnen die van het eerste leerjaar helpen en mee begeleiden.
Fase 1: instap
De leerkracht vertelt aan de leerlingen dat ze hun zaden en planten moeten beschermen tegen
vogels en ze daarom iets gaan knutselen. De leerkracht laat de leerlingen even reageren en
voorstellen geven. Zo komen ze op het idee om een vogelverschrikker te knutselen. De leerkracht
laat eerst enkele voorbeelden zien zodat de leerlingen inspiratie kunnen opdoen.
Fase 2: kern
De leerlingen worden in groepen verdeeld. Er zal een groep aan het hoofd werken. Een groep aan het
bovenlichaam en een groep aan het onder lichaam. Die van het zesde leerjaar zijn de leiders en
zorgen ervoor dat de leerlingen van het eerste leerjaar mee helpen.
Fase 3: afsluiter
De leerlingen gaan gezamenlijk de vogelverschrikker in de moestuin plaatsen.














Bijlagen
Bijlage 1 Rudy de vogelschrikker













Les 4: hoekenwerk
Lesduur: 50 minuten
Kerndoelen:
De leerlingen kunnen samenwerken.
De leerlingen kunnen oefeningen tot 10 maken.
De leerlingen kunnen een stappenplan volgen.
De leerlingen kunnen voorwerpen voor in de tuin benoemen.
De leerlingen kunnen memory spelen.
De leerlingen kunnen kwartet spelen.

Leerplandoelen:
WISKUNDE
Bewerkingen:
B9 De correcte resultaten bij de elementaire optellingen paraat kennen. p. 50
B10 Optellen volgens standaardprocedures en de optellingen verwoorden en noteren. p. 50
B12 De correcte resultaten bij de elementaire aftrekkingen paraat kennen. p. 51
B13Optellen volgens standaardprocedures en de aftrekkingen verwoorden en noteren. p. 51

NEDERLANDS
Luisteren en lezen:
Str.3 Bij het uitvoeren de aandacht voor het luister of leesdoel behouden. p.64
Str.3.1 De manier van lezen of luisteren aanpassen aan het doel. p. 64

WERELDORIËNTATIE
Mens en techniek:
6.13 Kinderen kunnen een constructieactiviteit of een bereiding correct uitvoeren. Dat houdt in dat
ze: een eenvoudig visueel voorgesteld plan zelfstandig uitvoeren. p.100

Materiaal:
Kleurplaat, stappenplan, bloempot, potgrond, zaden, memory, kwartet, kleefplaten








Fasen
Beginsituatie
De leerlingen hebben al een aantal lessen gekregen over het thema moestuin. Tijdens deze les gaan
de leerlingen al spelenderwijs om met de leerstof.
Fase 1: instap
De leerkracht legt al de hoeken uit en overloopt met hen de afspraken. Hiervoor werkt de leerkracht
met een stoplicht. Als het licht op groen staat, zijn de leerlingen goed bezig en mogen ze blijven
verder doen. Springt het licht op oranje dan moeten ze stiller worden en springt het licht op rood dan
moeten ze onmiddellijk stoppen en alles neerleggen.
Hoek 1: wiskundige kleurplaat
 De leerlingen krijgen een legende en een kleurplaat. Ze moeten sommen maken en de
uitkomst noteren. De uitkomst komt overeen met een bepaalde kleur. Het vakje kleuren ze
in.
Hoek 2: Bloemen planten
 De leerlingen planten een zaadje in een potje aan de hand van een stappenplan.
Hoek 3: Prent: Moestuin
 De leerlingen krijgen een plaat voor zich en woorden. Ze moeten de woorden op de juiste
plaats kleven. (hek, gieter, zand, bloem, gras, zon, pad, boom…)
Hoek 4: Moestuinmemory
 De leerlingen spelen memory. Ze zoeken het woord en de prent die samen horen.
Hoek 5: Kwartet
 De leerlingen spelen het kwartet van de delen van de bloem.

Fase 2: kern
De leerlingen vervullen de opdrachten van elke hoek en na 10 minuten schuiven ze door.










Bijlagen
Bijlage 1 verkeerslicht


















Bijlage 2 kleurplaat


Bijlage 3
Stappenplan
5.
1.






6.
2.








3.












moestuin



gieter



schop



tomaat



sla



kruiden



zaden



wortel



radijs

moestuin


























hark



laarzen



boer



boerin



vogelverschrikker


Bijlage 5


























Les 5: van zaad tot plant
Lesduur: 50 minuten
Kerndoelen:
De leerlingen kunnen aandachtig luisteren naar een verhaal.
De leerlingen kunnen een zaadje planten.
De leerlingen kunnen verschillende tuinmaterialen benoemen.
De leerlingen kunnen de functie van verschillende tuinmaterialen opnoemen.

Leerplandoelen:
Mens en natuur:
7.1 Kinderen genieten van hun aanwezigheid in de natuur en van de wisseling der seizoenen en uiten
dat op diverse manieren. p. 106
7.6 Kinderen zien in dat mensen, dieren of planten op een eigen manier trachten in leven te blijven.
p. 108
7.9 Kinderen ontdekken en zien in dat elke mens, dier en elke plant een ontwikkeling doormaakt. p.
110

Materiaal:
Verkleedkleren, vergrootglazen, werkblad, bloemen, filmpje, hark, schop, tractor, kruiwagen, zaden,
gieter,
http://www.schooltv.nl/beeldbank/clip/20031127_cndpclipsb35boon













Fasen
Beginsituatie
De leerlingen komen regelmatig in contact met de natuur. Zij hebben er hier ook al enkele keren les
over gekregen. Zo kennen ze ondertussen de seizoenen en de delen van de bloem. In deze les komt
vooral het praktische deel aanbod. De kinderen leren een zaadje planten in de schoolmoestuin.
Fase 1: instap
De leerkracht verkleedt zich als Boer Jan en komt de klas binnen. Daar begint Boer Jan zijn
levensverhaal te vertellen: Hallo iedereen. Ik ben Boer Jan. Ik woon op een boerderij met heel veel
dieren. Ik heb paarden, koeien, ganzen, konijnen en nog veel meer dieren. Ik moet elke dag hard
werken op mijn boerderij. Ik moet vroeg opstaan zodat ik al mijn dieren eten kan geven, de koeien
kan melken en hun hokken kan verschonen. Ik heb niet alleen een boerderij, maar ook een moestuin.
Weten jullie wat dat is een moestuin? (Laat de kinderen nu even antwoorden). Een moestuin is een
groentetuin. Het is een tuin waar je groenten, fruit en kruiden kweekt. Je steekt een zaadje in de
grond, je geeft het water en na een tijdje komen daar dan planten uit. Als je je tuin goed verzorgd
dan kan je de groenten eten en dus elke dag verse groenten eten. En verse groenten zijn super
gezond. De juf heeft mij dus naar hier gehaald om jullie te komen helpen. Het leek haar een goed
idee om ook op school een moestuin te maken. Ik ben een expert in moestuinen en daarom kom ik
jullie dus meehelpen. Ik heb allemaal materiaal mee genomen dat je gebruikt op de boerderij en in
de moestuin. We zullen dat eerst allemaal eens samen bekijken.
Fase 2: kern
2.1 demonstratietafel
Op de demonstratietafel liggen allemaal voorwerpen zoals een kruiwagen, een hark, een gieter, een
schop, zaden,… De leerkracht overloopt samen met de leerling elk voorwerp. Ze benoemen het en
beschrijven voor wat het dient.
Voorbeeld: De leerkracht duidt een gieter aan en vraagt aan de leerlingen wat dit is. De leerlingen
zullen zeggen dat het een gieter is. Daarna vraagt de leerkracht aan de leerlingen waarvoor een
gieter dient. De leerlingen zullen zeggen om planten water te geven.
2.2 zaden planten
Het is nu de beurt aan de leerlingen zelf om een zaadje in de moestuinbak te planten. De leerkracht
maakt eerst duidelijk afspraken en legt de stappen uit. Deze tekent hij eventueel ook op het bord.
Stappen:
 Maak een kuiltje
 Leg het zaadje erin
 Doe er zand over
 Water geven.
Al de leerlingen gaan naar buiten en in kleine groepjes planten ze om de beurten hun zaadje.
Fase 3: afsluiter
3.1 filmpje
De leerlingen bekijken een filmpje over de versnelde groei van een plant. Op deze manier wordt het
groeiproces visueel gemaakt.
























Les 6: bodemsoorten
Lesduur: 50 minuten
Kerndoelen:
De leerlingen kunnen verschillende bodemsoorten benoemen.
De leerlingen kunnen bodems die waterdoorlaatbaar zijn onderscheiden van de bodems die niet
waterdoorlaatbaar zijn.
De leerlingen kunnen aandachtig kijken naar een experiment.

Leerplandoelen:
Mens en natuur:
7.21 Kinderen kunnen onder begeleiding natuurkundige verschijnselen onderzoeken en hun zelf
geformuleerde voorspellingen toetsen.
Dat houdt in dat ze: bij het opzetten van een experiment volgende stappen onder begeleiding
toepassen: voorspelling maken, waarnemingen en vaststellingen formuleren, resultaten
interpreteren en een besluit formuleren. P. 116

Materiaal:
Trechter, grote bak, potgrond, fijn zand,steen, klei, water, werkblad, voeldoos
http://www.schooltv.nl/beeldbank/clip/20031204_grondsoort01 ’














Fasen
Beginsituatie
Deze les is een verkenningsles. De leerstof over de verschillende bodemsoorten moet pas gekend zijn
in het zesde leerjaar. Tijdens deze les is het de bedoeling dat de leerlingen op een speelse manier al
een keer in contact komen met verschillende bodems.
Fase 1: instap
Vooraan in de klas staat een voeldoos. In de voeldoos zit een bodemsoort. Er mogen enkele
leerlingen komen voelen. De andere leerlingen kijken langs de andere kant mee hoe de leerlingen
voelen aan de bodem. De leerlingen die aan het voelen zijn, moeten raden wat er in de voeldoos zit.
Deze werkvorm wordt herhaald tot al de bodemsoorten aan de beurt zijn geweest.
Fase 2: kern
2.1 demonstratietafel
Op de demonstratietafel staat een trechter en een grote bokaal. De leerkrachten voert de
experimenten uit en zorgt ervoor dat elke leerling goed kan kijken.
Experiment 1: De leerkracht vult de trechter met fijn zand. Hij vertelt dat hij zo dadelijk water in de
trechter gaat gieten. Hij vraagt nu aan de leerlingen om een voorspelling te maken over wat er gaat
gebeuren. De leerkracht vraagt: ‘Zal er water door de trechter komen of niet? Als je denkt van wel
dan steek je je duim omhoog, als je denkt van niet dan steek je je duim omlaag.’ De kinderen steken
hun duim in de lucht. De leerkracht voert het experiment uit en voert daarna een korte
nabespreking. Mogelijke vragen:
 Wie kan er vertellen wat hij of zij gezien heeft?
 Wat is er met het water gebeurd?
 Wat is er met het zand gebeurd?
 Laat fijn zand goed of slecht water door?

Experiment 2: De leerkracht vult de trechter met klei. Hij vertelt dat hij zo dadelijk water in de
trechter gaat gieten. Hij vraagt nu aan de leerlingen om een voorspelling te maken over wat er gaat
gebeuren. De leerkracht vraagt: ‘Zal er water door de trechter komen of niet? Als je denkt van wel
dan steek je je duim omhoog, als je denkt van niet dan steek je je duim omlaag.’ De kinderen steken
hun duim in de lucht. De leerkracht voert het experiment uit en voert daarna een korte
nabespreking. Mogelijke vragen:
 Wie kan er vertellen wat hij of zij gezien heeft?
 Wat is er met het water gebeurd?
 Wat is er met de klei gebeurd?
 Laat klei goed of slecht water door?

Experiment 3: De leerkracht vult de trechter met potgrond. Hij vertelt dat hij zo dadelijk water in de
trechter gaat gieten. Hij vraagt nu aan de leerlingen om een voorspelling te maken over wat er gaat
gebeuren. De leerkracht vraagt: ‘Zal er water door de trechter komen of niet? Als je denkt van wel
dan steek je je duim omhoog, als je denkt van niet dan steek je je duim omlaag.’ De kinderen steken
hun duim in de lucht. De leerkracht voert het experiment uit en voert daarna een korte
nabespreking. Mogelijke vragen:
 Wie kan er vertellen wat hij of zij gezien heeft?
 Wat is er met het water gebeurd?
 Wat is er met de potgrond gebeurd?
 Laat potgrond goed of slecht water door?
Experiment 4: De leerkracht vult de trechter met steen. Hij vertelt dat hij zo dadelijk water in de
trechter gaat gieten. Hij vraagt nu aan de leerlingen om een voorspelling te maken over wat er gaat
gebeuren. De leerkracht vraagt: ‘Zal er water door de trechter komen of niet? Als je denkt van wel
dan steek je je duim omhoog, als je denkt van niet dan steek je je duim omlaag.’ De kinderen steken
hun duim in de lucht. De leerkracht voert het experiment uit en voert daarna een korte
nabespreking. Mogelijke vragen:
 Wie kan er vertellen wat hij of zij gezien heeft?
 Wat is er met het water gebeurd?
 Wat is er met de steen gebeurd?
 Laat steen goed of slecht water door?
2.2 werkblad
De leerlingen krijgen een werkblad met trechters op. Het is de bedoeling dat ze de juiste bodemsoort
in de trechter tekenen en daarna de juiste duim inkleuren. Als de bodem goed water doorlaat, dan
kleuren de duim die omhoog staat. Als de bodem slecht water doorlaat, dan kleuren ze de duim die
omlaag staat.
Fase 3: afsluiter
De leerlingen kijken een filmpje over de verschillende bodemsoorten. Hier wordt de leerstof nog een
keertje herhaald.
http://www.schooltv.nl/beeldbank/clip/20031204_grondsoort01 ’






Bijlagen
Bijlage 1


bodem

1. Welke bodem laat goed water door en welke
niet. teken en kleur.

klei







fijn zand



aarde












steen


























Les 7: moestuinlied
Lesduur: 50 minuten
Kerndoelen:
De leerlingen kunnen een lied zingen.
De leerlingen kunnen de bewegingen op het lied uitvoeren.

Leerplandoelen:
Muziek:
ET1: muziek beluisteren en ervaren
ET3: Genieten van zingen en musiceren
LP1: Musiceren en experimenteren met de stem, met aandacht voor goede stemvorming.
LP5: Geluiden, klanken en klankeigenschappen herkennen, vergelijken en ordenen.
LP6: Bij het luisteren naar klanken en muziek verschillende notatievormen actief verwerken.
LP7: Het luisteren naar muziek verfijnen door aandacht te schenken aan de muzikale aspecten.

Materiaal:
Lied
http://www.youtube.com/watch?v=KYJaIluO6Jo














Fasen
Beginsituatie
De leerlingen krijgen regelmatig muzische lessen. Bij deze lessen ligt de focus op het meedoen. De
leerlingen zingen enthousiast mee en kunnen de tekst uit het hoofd zingen.
Fase 1: instap
1.1 voorzingen
De leerkracht zingt het lied voor.
Fase 2: kern
2.1 luisterfase
De leerkracht geeft de leerlingen een aantal luisteropdrachten zodat de leerlingen geconcentreerd
naar het lied moeten luisteren. Mogelijke opdrachten:
 Over wat gaat het lied?
 Hoeveel keer wordt het voor gezongen?
 Welke groenten komen er in voor?
2.2 aanleerfase
De leerkracht leert het lied zin per zin aan de leerlingen aan. Als ze een deeltje kennen, mogen ze dit
mee zingen.
2.3 verankeringsfase
De leerkracht leert de leerlingen de bewegingen die bij het liedje horen. Door het liedje veel te
herhalen, zal het beter blijven hangen.
Fase 3: afsluiter
De leerlingen van het zesde en eerste leerjaar zingen het lied voor voor de rest van de school.








Bijlagen
Bijlage 1
Liedjestekst:

Wij gaan bouwen
Aan een moestuin.
Stroop je mouwen
En doe maar mee
Samenwerken
Planten zaaien
Grond bewerken
Dus zing maar mee
Ooh ooh ooh tomaat en ui
Ooh ooh ooh ooh ooh ooh
Ooh ooh ooh radijs en sla
Ooh ooh ooh ooh ooh ooh


















Les 8: de wet van eten en gegeten worden
Lesduur: 50 minuten
Kerndoelen:
De leerlingen kunnen dieren opnoemen.
De leerlingen kunnen dieren uitbeelden.
De leerlingen kunnen een voedselketen tekenen.
De leerlingen kunnen een voedselketen begrijpen.
De leerlingen kunnen een voedselweb begrijpen.

Leerplandoelen:
Mens en natuur:
7.12 Kinderen kunnen illustreren dat er verschillende soorten relaties bestaan tussen mens, dier en
plant.
Dit houdt in dat ze:
De wet van eten en gegeten worden kunnen illustreren aan de hand van minstens twee met elkaar
verbonden voedselketens. P. 111

7.6 Kinderen zien in dat mensen, dieren of planten op hun eigen manier trachten in leven te blijven.
P. 108

Materiaal:
Filmpjes, voedselwebben, voedselketens, krijt, A3 papier
http://klas6b.classy.be/voedselpiramide/
http://www.youtube.com/watch?v=F3wYLXac7gE
http://www.youtube.com/watch?v=myXYB96qfSg
http://www.youtube.com/watch?v=dq8tUdBYebc
http://www.schooltv.nl/video/de-voedselketen-eten-of-gegeten-worden/
https://www.google.be/search?q=voedselketen&source=lnms&tbm=isch&sa=X&ei=A1WAU_HhNZH
8yAPpn4BY&sqi=2&ved=0CAYQ_AUoAQ&biw=1366&bih=624#facrc=_&imgdii=_&imgrc=uERdh3v-
3ItDtM%253A%3BO0fMDR_Y6csAWM%3Bhttp%253A%252F%252Fwww.biologiepagina.nl%252FBrug
klasnieuw%252FGroeneomgeving%252Ffoodchain2.gif%3Bhttp%253A%252F%252Fwww.biologiepag
ina.nl%252FBrugklasnieuw%252FGroeneomgeving%252Fvoedselles.htm%3B400%3B305





Fasen
Beginsituatie
Fase 1: instap
De leerlingen beelden per twee dieren uit. Er is dus één persoon die een dier uitbeeldt, de andere
raadt het dier. Daarna worden de rollen omgedraaid.
Fase 2: kern
2.1 levende voedselketen
De leerlingen vormen een levende voedselketen met behulp van prenten. Ze moeten op een lijn
gestaan in de volgorde van wie wat eet. De leerkracht begeleidt en stelt vragen:
• Welke dieren zie je?
• Wat eet een vos?
• Welk dier eet een vos?
• Wie weet er wat we gemaakt hebben?
2.2 filmpjes
De leerlingen bekijken een aantal filmpjes over een voedselketen of web. Er wordt uitgelegd wat het
is en hoe je een voedselketen kan tekenen. Na elk filmpje volgt er een korte nabespreking. Mogelijke
vragen:
 Wie kan het filmpje nog een keer kort samenvatten?
 Wie vertelt in eigen woorden wat een voedselketen is?
 Welke stappen moet je volgen om een voedselketen te tekenen?
De leerkracht benadrukt nog een keer de stappen. De pijl van je voedselketen wijst altijd naar het
dier dat het andere dier opeet. De voedselketen begint altijd met een plantaardig organisme
namelijk een plant. Een tip om te onthouden is dat de pijl altijd naar de mond van het dier wijst en
met de mond eet je dingen op.
http://klas6b.classy.be/voedselpiramide/
http://www.youtube.com/watch?v=F3wYLXac7gE
http://www.youtube.com/watch?v=myXYB96qfSg
http://www.youtube.com/watch?v=dq8tUdBYebc
http://www.schooltv.nl/video/de-voedselketen-eten-of-gegeten-worden/
https://www.google.be/search?q=voedselketen&source=lnms&tbm=isch&sa=X&ei=A1WAU_HhNZH
8yAPpn4BY&sqi=2&ved=0CAYQ_AUoAQ&biw=1366&bih=624#facrc=_&imgdii=_&imgrc=uERdh3v-
3ItDtM%253A%3BO0fMDR_Y6csAWM%3Bhttp%253A%252F%252Fwww.biologiepagina.nl%252FBrug
klasnieuw%252FGroeneomgeving%252Ffoodchain2.gif%3Bhttp%253A%252F%252Fwww.biologiepag
ina.nl%252FBrugklasnieuw%252FGroeneomgeving%252Fvoedselles.htm%3B400%3B305

2.3 voedselketen tekenen
De leerlingen krijgen een A3 blad en mogen per twee een voedselketen tekenen. Bij goed weer kan
dit eventueel buiten met krijt gebeuren.
Fase 3: afsluiter
De voedselketens worden opgehangen in de klas en er volgt een korte nabespreking. De leerlingen
vertellen welke dieren ze hebben getekend en gebruiken hierbij de juiste verwoording. Bijvoorbeeld:
gras wordt opgegeten door een muis, een muis wordt opgegeten door een buizerd,…



















Bijlagen
Bijlage 1: prenten









































Les 9: insecten en spinnen
Lesduur: 50 minuten
Kerndoelen:
De leerlingen kunnen insecten en spinnen aandachtig bekijken.
De leerlingen kunnen insecten en spinnen ontdekken in hun omgeving.
De leerlingen kunnen de verschillen tussen spinnen en insecten verwoorden.

Leerplandoelen:
1 De leerlingen beleven de natuur al spelend.
4 De leerlingen tonen een experimentele en explorerende aanpak om meer te weten te komen over
de natuur.
5 De leerlingen kunnen gericht waarnemen met al hun zintuigen en kunnen hun waarnemingen op
verschillende manieren uitdrukken.
6 De leerlingen zien duidelijke overeenkomsten en verschillen in het dierenrijk (uiterlijk, woonplaats,
voedsel, ...).
12 De leerlingen herkennen en benoemen een aantal veelvoorkomende dieren uit de omgeving.
17 De leerlingen kunnen een duidelijk verband leggen tussen de omgeving en het al dan niet
voorkomen van planten en dieren.
19 De leerlingen kunnen bij dieren kenmerken aan-
geven waaruit hun aangepastheid blijkt aan:
omgevingsinvloeden;
bescherming tegen vijanden;
hun voeding.
21 De leerlingen kunnen van dieren, in een besproken biotoop, zeggen wat ze eten.
35 De leerlingen kunnen een element uit de natuur benoemen als plant of dier.
38 De leerlingen kunnen mensen, dieren en planten ordenen aan de hand van eenvoudige,
zelfgevonden criteria

Materiaal:
Allerlei insecten in potten (spin, bij, kever,…), mierenkolonie, wol, lied Sebastiaan de spin,
onderzoekspotjes, vergrootglazen, https://www.youtube.com/watch?v=uifNlPYWrw0, quiz








Fasen
Beginsituatie
Fase 1: instap
De leerlingen luisteren naar het lied van Sebastiaan de spin. Ze gaan in een grote cirkel staan en elke
als ze het woord Sebastiaan of spin horen dan moeten ze de bol wol gooien naar iemand anders. Ze
houden altijd wel een stukje touw vast. (Zo maken de leerlingen een levensgroot web zonder dat ze
dit in het begin door hebben.) Mogelijke vragen:
 Wat hebben we gemaakt?
 Voor wat dient een web?
 Welk dier leeft er in een web?
Fase 2: kern
2.1 op ontdekkingstocht
De leerlingen gaan in groepjes van 3 a 4 leerlingen op zoek naar spinnen of insecten. Ze krijgen een
potje waar ze de dieren voorzichtig in kunnen doen. De leerkracht zorgt eventueel al voor een
verzameling spinnen en insecten die hij aan de leerlingen kan laten zien voor het geval de leerlingen
zelf niet zo veel spinnen of insecten vinden.
2.2 observeren
De leerlingen krijgen nu de kans om de dieren te observeren en gedetailleerd te bestuderen.
Mogelijke vragen:
 wat zie je?
 Hoe de spinnen/insecten zich gedragen?
 Hoeveel poten heeft de spin?
 Hoeveel poten heeft een insect?
 Waarom maakt een spin haar web kleverig? (Omdat ze hierdoor vliegjes kan
vangen.)
 Waarom vinden wij dit handig? Omdat deze vliegjes dan niet meer rondvliegen
in ons huis.
 Wie is er een beetje bang van spinnen of insecten en waarom?
 …

2.3 quiz
De leerlingen gaan een spinnenquiz doen. De leerkracht stelt de vragen en als de
leerlingen akkoord gaan, steken ze het groene kaartje omhoof en als ze niet akkoord
gaan het rode kaartje. Mogelijke vragen:

 Een spin heeft zes poten? ROOD KAARTJE, een spin heeft er acht.
 Een spin is dus geen insect, GROEN KAARTJE
 Sommige spinnen kunnen draadjes weven die zo sterk zijn als ijzerdraad?
GROEN KAARTJE, een spin kan draden weven die sterker zijn als staaldraad
van dezelfde dikte.
 Er zijn spinnen die zo giftig zijn dat je ervan kan sterven. ROOD KAARTJE, er
zijn heel giftige spinnen maar sterfgevallen zijn erg zeldzaam.
 In een normaal huis kruipen ongeveer 1500 spinnen? GROEN KAARTJE, dit is
waar, mar je hoeft niet bang te zijn want deze spinnen bijten of steken niet.

Fase 3: afsluiter
De leerkracht heeft een mierenkolonie gemaakt. Hij heeft in de natuur een aantal mieren
gevangen en ze in deze bokaal gezet. De leerlingen kijken naar de mierenkolonie.
Mogelijke vragen:
 Wat zien jullie? (de mieren graven tunnels.)
 Wat gebeurt er dus eigenlijk onder de grond?
 …











































Bijlagen


























Les 10: hoekenwerk: dieren
Lesduur: 100 minuten
Kerndoelen:

Leerplandoelen:
7.8 kinderen ontdekken dat planten, dieren en mensen zich op een of andere manier
voortplanten.

Materiaal:
Kwartet, raad het plaatje, bel, dieren ordenen, werkboek, stappenplan kikker vouwen, groen papier,
verkeerslicht



















Fasen
Beginsituatie
Fase 1: instap
De leerlingen worden in groepen gedeeld en luisteren naar de uitleg van de leerkracht. De leerkracht
vertelt wat de leerlingen in elke hoek moeten doen.
- Hoek 1: kikker vouwen. De leerlingen vouwen aan de hand van een stappenplan
een kikker van papier.
- Hoek 2: kwartet. De leerlingen spelen het kwartet over dierenfamilies.
- Hoek 3: raad het plaatje. Een leerling laat snel een kaartje zien. De andere
leerlingen moeten raden welk dier het was.
- Hoek 4: orden de dieren. De leerlingen krijgen allemaal afbeeldingen van dieren
te zien. Ze moeten ze ordenen in de juiste categorie.
- Hoek 5: zoek het juiste plaatje en zoek het juiste woord. De leerlingen moeten
het woord kunnen koppelen aan de juiste afbeelding. Dit doen ze door de
woorden/afbeeldingen uit te knippen en op te kleven op de juiste plaats.
- Hoek 6: puzzelen + werkboek. De leerlingen moeten het jong bij zijn moeder
kunnen puzzelen. De leerlingen maken de oefening in hun werkboek.
Fase 2: kern
De leerlingen voeren de opdrachten zo zelfstandig mogelijk uit. De leerkracht begeleidt indien nodig.
Fase 3: afsluiter













Bijlagen
Bijlage 1: stappenplan kikker