You are on page 1of 5

Nr.

18 september 2004 pagina 1


Het spreken in gelijkenissen staat in verband met de geheimenissen van het koninkrijk.
Het Woord van de Gerechtigheid
Want, ieder, die nog van melk leeft, is onervaren in het woord van de gerechtigheid (St. vert.): hij is
nog een kind (Hebr. 5:13).
Het woord van de gerechtigheid staat in contrast tot de eerste beginselen van de uitspraken van God
(Hebr. 5:12). Het woord van de gerechtigheid duidt daarom op diepere waarheden waarin God handelt op
basis van Zijn gerechtigheid met ons.
Het Woord van de Gerechtigheid wil een bijdrage leveren om christenen vertrouwd te maken met de
vaste spijs (Hebr. 5:14) van het woord van God om geestelijke volwassenheid mogelijk te maken. Bijbelse
waarheden die nauwelijks worden onderwezen en van cruciaal belang zijn om het einddoel van het geloof
(1 Petr. 1:9) te bereiken, zullen in het bijzonder onderwerp van aandacht zijn.
Het Woord van de Gerechtigheid wordt geredigeerd door Roel Velema
e-mail: roel@velemaweb.nl
website: http://roel.velemaweb.nl/nl/wvdg/wvdg.aspx
Het Doel van de Gelijkenissen
En de discipelen kwamen en zeiden tot Hem: Waarom spreekt Gij tot hen in gelijkenissen?
(Matt. 13:10).
Na het uitspreken van de gelijkenis van de zaaier tot de scharen door de Here, rees de vraag bij de
discipelen: Waarom spreekt Gij tot hen in gelijkenissen?
Deze vraag is van zon belang dat die ook besproken wordt in Marcus 4:10-12 en Lucas 8:9-10.
In antwoord op de vraag van de discipelen zei de Heer: Omdat het u gegeven is de geheimenissen
van het Koninkrijk der hemelen te kennen, maar hun is dat niet gegeven (Matt. 13:11).
Het spreken in gelijkenissen staat daarom in verband met de geheimenissen of verborgenheden van het
koninkrijk.
In Matths 12:22-37 zien we dat de weerstand van de Farizeen tegen de Here J ezus tot een
climax kwam. De werken van de Heer werden toegeschreven aan de duivel, een zonde die noch in
deze eeuw, noch in de toekomende eeuw zal worden vergeven (Matt. 12:32). Dit was het moment
dat het koninkrijk der hemelen van Isral werd weggenomen (vgl. Matt. 21:43), en de Heer gericht in
gelijkenissen begon te spreken, iets wat Hij daar voor slechts incidenteel had gedaan (vgl. Luc. 5:36-
39).
Het koninkrijk werd weggenomen van Isral en gegeven aan de Gemeente van Christus (Matt.
21:43). Vanaf dat moment kregen de gelijkenissen betrekking kregen op de Gemeente van Christus en
niet langer op Isral. Dit geeft ook een antwoord op de vraag waarop de gelijkenissen in Matths
24:43-25:30 betrekking hebben. Ze kunnen alleen betrekking hebben op de Gemeente van Christus.
Matths 24-25, de profetie op de Olijfberg, is een rede over de laatste dingen met betrekking tot de
J oden, de Grieken (de volkeren) en de gemeente van God (vgl. 1 Cor. 10:32).
Nr. 18 september 2004 Het Woord van de Gerechtigheid pagina 2
Een gelijkenis heeft tot doel om naast een bestaande waarheid, aanvullende waarheid te
plaatsen, om de bestaande waarheid verder te verduidelijken.
Matths 24:4-31 is de J oodse sectie van de rede, Matths 24:32-25:30 de christelijke sectie en
Matths 25:31-46 de sectie met het oog op de volkeren.
Wat is een gelijkenis? Een gelijkenis of een parabel is een literair genre, waarin een waarheid
wordt verduidelijkt in een aanschouwelijk, menselijk verhaal. Een gelijkenis heeft vaak de bedoeling
te moraliseren.
Gelijkenissen vinden we vooral in de Bijbel. Toen Multatuli zijn bekende parabel van de J apanse
steenhouwer schreef, deed hij dit in bijbelse taal.
Het woord gelijkenis is in het Grieks parabole en afgeleid van het Griekse werkwoord
paraballoo. Het werkwoord betekent bij (iets of iemand) werpen, plaatsen naast. Het Griekse
para betekent naast en balloo betekent gooien of werpen.
Een gelijkenis heeft daarom tot doel om naast een bestaande waarheid, aanvullende waarheid te
plaatsen (te werpen), om de bestaande waarheid verder te verklaren. De gedachte is niet om die
waarheid te verbergen, maar om die waarheid te verduidelijken.
In Marcus 4:30 lezen we:
Hoe zullen wij het Koninkrijk Gods afbeelden, of onder welke gelijkenis zullen wij het brengen?
[ St. vert.: met wat gelijkenis zullen wij het vergelijken].
Letterlijk staat er in de Griekse tekst: met welke vergelijking (Gr. parabole) vergelijken wij het (Gr.
paraballoo).
Een gelijkenis is eenvoudig een aanvullende waarheid geplaatst naast een bestaande waarheid om de
bestaande waarheid uit te leggen. Als iemand de bestaande waarheid verwerpt, heeft de aanvullende
waarheid geen betekenis voor hem. Anderzijds, als iemand de bestaande waarheid begrijpt, zal de
aanvullende waarheid bruikbare informatie verschaffen. De Schriftgeleerden in het Nieuwe Testament
verwierpen de bestaande waarheid en de discipelen begrepen de bestaande waarheid. In beide gevallen
bepaalde dit hoe hun begrip van de gelijkenissen was.
Gelijkenissen komen niet alleen voor in het Nieuwe Testament, maar ook in het Oude Testament
(Richt. 9:7-15; 2 Sam. 12:1-4; J es. 5:1-7). In het Nieuwe Testament komen gelijkenissen pas in het
volle voetlicht nadat Isral het koninkrijk der hemelen had verworpen. In het evangelie naar Matths
komen ze pas voor n Matths 12:22-37. Direct na de climax van Matths 12:22-37, zien we dat
de Heer in Matths 13:1 het huis verlaat, dat wil zeggen, Hij keert zich af van het huis van Isral en
begint in gelijkenissen te spreken. De eerste gelijkenis, de gelijkenis van de zaaier, moet daarom
betrekking hebben op de gemeente van Christus met het oog op vrucht voor het komende koninkrijk,
en niet met betrekking tot Isral en het komende koninkrijk. Alle zeven gelijkenissen in Matths 13
hebben daarom te maken met het komende koninkrijk van Christus.
(Veel christenen denken abusievelijk dat de zeven gelijkenissen in Matths 13 te maken
hebben met een huidig koninkrijk in mysterievorm. Zij geloven dat zij het koninkrijk
binnengaan ten tijde van hun wedergeboorte en dat Christus Zijn koninkrijk uitbreidt in de
harten van de gelovigen. Deze christenen baseren hun binnengaan in het koninkrijk der
hemelen op Colossenzen 1:13, 14: Hij heeft ons verlost uit de macht van de duisternis en
overgebracht in het Koninkrijk van de Zoon van Zijn liefde, in wie wij de verlossing hebben,
de vergeving van de zonden.
Echter, het is momenteel niet mogelijk voor christenen het koninkrijk der hemelen binnen
te gaan, want de satan en zijn engelen heersen in dit koninkrijk, terwijl Christus en Zijn
mede-erfgenamenpas in de toekomst bezit zullen nemen van dit koninkrijk.
Nr. 18 september 2004 Het Woord van de Gerechtigheid pagina 3
De aanvullende waarheid in de gelijkenissen omspant steeds de tijd vanaf het wegnemen
van het koninkrijk van Isral tot en met de gebeurtenissen rond de bruiloft van het Lam.
Het Griekse werkwoord voor overbrengen in Colossenzen 1:13 is methistemi. Het
werkwoord betekent verplaatsen [een berg verplaatsen (1 Cor. 13:2)]; [overbrengen in het
koninkrijk (Col. 1:13)], of uitzetten, ontzetten [ontzetten uit een functie (Luke 16:4)].
Om te begrijpen wat overgebracht in het Koninkrijk in Colossenzen 1:13 betekent,
moeten we Hand. 13:22 bestuderen waar ook het Griekse werkwoordmethistemi voorkomt.
Hand. 13:22 gaat terug naar het boek 1 Samul, waar Saul werd verworpen [hij werd
uitgezet, ontzet] en David gezalfd om koning van Isral te zijn: en nadat Hij deze
verworpen [uitgezet, ontzet] had, verwekte Hij hun David als koning, wie Hij ook dit
getuigenis gaf: Ik heb David, de zoon van Isa, gevonden, een man naar mijn hart, die al mijn
bevelen zal volbrengen.
Saul behield echter zijn koningschap tot zijn dood en zijn verwerping [uitzetting] was
slechts Gods aankondiging dat zijn dagen als koning waren geteld. Saul zou, ergens in de
toekomst, opgevolgd worden door David die de troon dan zou bestijgen.
Nadat Saul was verworpen, maar nog steeds op de troon zat, zalfde Samul David tot
koning. Maar David besteeg niet direct de troon. Saul, alhoewel verworpen, bleef heersen. en
David zag zichzelf, niet door God, maar door mensen verworpen.
In die tijd sloten velen zich aan bij David en kwamen in dezelfde verworpen positie als
David: verworpen, verbannen en vervolgd.
De mannen die het koninkrijk van Saul hadden verlaten en zich bij David hadden
aangesloten, veranderden van positie op dezelfde wijze als in Colossenzen 1:13. In die tijd
bestond er geen koninkrijk onder David, en er is in deze tijd geen koninkrijk onder Christus,
waarin christenen zijn geplaatst. In de dagen van David bekleedde Saul de troon, zoals de
satan momenteel de troon bekleedt. David verwachtte de troon, zoals Christus ook de troon
verwacht. En de mannen die met David in zijn verwerping deelden, wachtten een plaats in het
koninkrijk van David. Op dezelfde wijze wachten de mede-erfgenamen van Christus een
positie in het toekomstige koninkrijk der hemelen.
Hand. 13:22 vormt daarom de type van Colossenzen 1:13, de antitype. En de type en de
antitype moeten in de Schrift altijd met elkaar overeenstemmen.
Het overbrengen in Colossenzen 1:13 is daarom een verplaatsing van de macht en het
gezag van de satan naar de verworpen positie van de Koning die de satan zal vervangen. Het
heeft niets te maken met het verplaatsen in een positie waarin de Koning al macht en gezag
uitoefent. Dat is onmogelijk, omdat de huidige bediening van Christus die van Hogepriester is
in de hemelse tabernakel. Pas na deze bedeling zal Christus de taak uitoefenen van Koning-
Priester naar de ordening van Melchizedek, nadat Hij het koningschap heeft aanvaard
(Openb. 19:6).
Christus is momenteel geen Koning, en er bestaat momenteel niet zoiets als Zijn
koninkrijk uitbreiden of in Zijn koninkrijk werkzaam zijn, want in de antitype was er ook
geen koninkrijk van David aanwezig dat uitgebreid kon worden door erin werkzaam te zijn.)
Gelijkenissen hebben tot doel om bestaande waarheid te verduidelijken door aanvullende waarheid.
Dat is ook de reden dat de Heer gelijkenissen gebruikte. Hoewel in het Oude Testament gelijkenissen
werden gebruikt, worden ze in het Nieuwe Testament in het bijzonder door de Heer gebruikt om
aanvullende waarheid te geven. Die aanvullende waarheid omspant dan steeds de tijd vanaf het
wegnemen van het koninkrijk van Isral tot en met de gebeurtenissen voor de rechterstoel van
Christus en rond de bruiloft van het Lam.
De gelijkenissen in de evangelin hebben betrekking op Isral of op de Gemeente (afhankelijk van
het tijdstip ten opzichte van Matths 21:43) in verband met het koninkrijk der hemelen.
Nr. 18 september 2004 Het Woord van de Gerechtigheid pagina 4
De weg van onze vooruitgang is de weg van het kruis.
Gelijkenissen worden geplaatst naast bestaande waarheid, en daarom kan uit de gelijkenissen met
hetzelfde gezag lering worden getrokken als uit de types.
We moeten echter beseffen dat de type altijd vergeleken moet worden met de antitype, en dat de
bestaande waarheid altijd moet overeenstemmen met de aanvullende waarheid van de gelijkenissen.
In Matths 13:18-23 legt de Heer de gelijkenis van de zaaier uit zonder dat de tekst vermeld dat
de discipelen hier om hadden gevraagd. Dit in tegenstelling tot de gelijkenis van de zaad in de akker,
waar de discipelen vroegen: Maak ons de gelijkenis van het onkruid in de akker duidelijk (Matt.
13:36). Na de verkondiging van alle zeven gelijkenissen in Matths 13, stelde de Heer zelf de vraag:
Hebt gij dit alles verstaan? Zij zeiden tot Hem: Ja (Matt. 13:51). Maar het is duidelijk dat zij tot
de kruisiging van de Heer blijk gaven het niet goed te begrijpen. Toch waren voor hen de gelijkenissen
een begin van het kennen van de geheimenissen van het koninkrijk. De gelijkenissen waren in het
bijzonder voor hen die de bestaande waarheid reeds begrepen. Velen uit de scharen begrepen de
bestaande waarheid niet en waren daarom ook niet in staat de gelijkenissen te begrijpen. De Heer
sprak de gelijkenissen niet uit om mensen in de war te brengen, maar om hen leren naardat zijn
konden horen (Marc. 4:33a), en zonder gelijkenis sprak Hij niet tot hen, maar afzonderlijk aan
zijn discipelen verklaarde Hij alles (Marc. 4:33b,34).
Dit alles laat het belang zien van geestelijk onderscheidingsvermogen om het koninkrijk der
hemelen te berven. Veel christenen weten veel van de Bijbel, maar zullen uiteindelijk het koninkrijk
der hemelen missen vanwege hun gebrek aan geestelijke onderscheidingsvermogen.
Geestelijk onderscheidingsvermogen heeft met het hart van de gelovige te maken (vgl. Matt. 13:
15,19). Als we werkelijk een hart hebben voor de Here, zal dat ook tot geestelijke onderscheidings-
vermogen leiden.
In J esaja 6:9-10 lezen we:
Met het gehoor zult gij horen en gij zult geenszins verstaan, en ziende zult gij zien en gij zult het
geenszins opmerken; want het hart van dit volk is vet geworden en hun horen zijn hardhorend
geworden, en hun ogen hebben zij toegesloten, opdat zijn niet zien met hun ogen, en met hun oren
niet horen, en met hun hart niet verstaan en zich bekeren, en Ik hun zou genezen.
De reden dat het volk Isral de woorden in Jesaja 6 en Matths 13 niet begreep, had met hun
geestelijke ogen, hart en oren te maken.
Wat voor Isral geldt, geldt ook voor christenen. Wij dienen geestelijke ogen en geestelijke oren te
hebben om geestelijke zaken te onderscheiden. Problemen komen als wij ons oor lenen aan andere
zaken en ons oog afwenden van de Here (Hebr. 12:2). Als onze eigen ambities, belangen en neigingen
in de plaats komen van die van de Heer, zullen we merken dat ons hart toegesloten blijft voor de
woorden van de Heer en wat Hij door gelijkenissen ons wil leren.
Alles begint met toewijding. Wie niet bereid is een gekruisigd leven te leiden en de woorden van de
Heer te gehoorzamen, zal merken dat het woord van God gesloten blijft voor nieuw licht. De Heer zal
ons nooit meer toevertrouwen als we niet voortdurend de weg gaan om ons eigen leven de plaats van
het kruis te geven. Dit alleen opent de weg dat we leren naardat we kunnen horen. De weg van onze
vooruitgang is de weg van het kruis, opdat de Heer steeds meer woning in ons zal maken (Ef. 3:17).
Nr. 18 september 2004 Het Woord van de Gerechtigheid pagina 5
Alleen een onverdeeld hart kan het koninkrijk der hemelen onderscheiden.
De weg van het kruis was de weg van de Vader voor de Heer, en het is de weg van Christus voor de
gelovige. Dit was ook de reden dat de discipelen de gelijkenissen deels wel begrepen en de scharen
niet.
De discipelen hadden alles prijsgegeven en waren Christus gevolgd (Matt. 19:27). Hun ogen, oren
en hart waren volledig voor de Heer, en daarmee waren zij in een positie om de gelijkenissen te
begrijpen.
Alleen een onverdeeld hart kan het koninkrijk der hemelen onderscheiden. Maar zelfs als we
vruchtdragen voor het koninkrijk, bestaat er de mogelijkheid om deels honderd,-deels zestig-, deels
dertigvoudig vrucht te dragen. Er zijn gradaties in toewijding aan de Here. Laten we ons daarom
opnieuw toewijden aan de Heer om Hem in alles te verheerlijken en ons uit te strekken naar
honderdvoudige vrucht en de Heer vragen ons geestelijk onderscheidingsvermogen te geven.
Laten we ernst met de Heer maken, totdat we uit het diepst van ons hart kunnen zeggen: Heer, ik wil
niets voor mijzelf, ik wil alles voor U.
De Heer is het grootste voorbeeld van ogen, oren en hart die zijn toegewijd. In de verzoeking in de
woestijn (Matt. 4:1-11) werd Zijn oog niet verleid door alle koninkrijken die de satan Hem liet zien
(Matt. 4:8). Hij hoorde wat de satan zei, maar Zijn oor was een gekruisigde oor, omdat Hij volledig
was toegewijd aan de Vader.
Wie Christus geboden bewaart, laat zien dat Hij Christus liefheeft, en wie Christus liefheeft zal
Zijn geboden bewaren (J oh. 14:21,23). Het gevolg is dat de Vader die gelovige zal liefhebben en
Christus hem zal liefhebben en Zichzelf aan hem of haar zal openbaren. Hetzelfde geldt voor de
gelijkenissen. Wie Christus geboden bewaart, kan ook inzicht verwachten in de gelijkenissen van het
koninkrijk der hemelen. Waarheden rondom Gods koninkrijk openen zich naarmate wij een hart
hebben voor de Here en Zijn woord gehoorzamen. Dit is het doel van de gelijkenissen van het
koninkrijk der hemelen.