Onze filosofie?

Doelstellingen.

-

Inzicht geven in de eigenheid van de filosofische reflectie. De verwondering over het fenomeen mens denkend cultiveren. De bereidheid bevorderen tot verantwoord kritisch denken en. handelen De bekwaamheid bevorderen om met anderen een ernstig, inhoudelijk gesprek te voeren. Interesse wekken voor het waarderen van teksten en van andere cultuuruitingen met een filosofisch karakter. 1

Wat is filosofie?

1. Inleiding
Beschrijven wat filosofie inhoudt is zoiets als zeggen welke vorm water heeft, je kan filosofie niet zomaar afgrenzen. Het eigene aan filosofie is dat het alles in vraag stelt, het is een anders benaderen van het denken, interpreteren en (be) oordelen. We bezinnen ons niet enkel over onszelf maar tevens over de wereld en onze verhouding ertoe. De kritische houding is belangrijk scherper en met veel onderscheid te denken over de complexiteit van dingen. Filosofie gaat over alles, het enige vak waarbij de vraag naar zichzelf deel uitmaakt van het vak zelf. Door te blijven vragen, redeneren, twijfelen, beoordelen en verwonderen over hoe de dingen werkelijk zijn. De verwondering is het scharnierpunt, zowat de oervorm van de filosofie, een toestand van waarneming en of denken zonder al te weten wat je er mee aan moet, als een beweging langs en cirkel zonder einde. Filosoferen kan zich ontwikkelen tot een spiraalvormige beweging tot een hoger of dieper niveau. Het geheel is aanzienlijk meer dan de som der delen, de verschillende delen gaan mekaar bevruchten. Filosoferen is een verregaand creatief proces, motivatie en betrokkenheid vloeien als het ware uit de aanzet van nieuwsgierigheid. Filosoferen kan vanuit een innerlijke dialoog of in een dialoog met meer personen of in groep. Filosofie kan een kader scheppen voor een kritische levenshouding die bijdraagt tot de kwaliteit van je leven. De filosoof is pas filosoof op het moment dat hij filosofeert.

2

De werkelijkheid zoals ze zich aan ons voordoet, is niet vanzelfsprekend. Stel dat men bij je geboorte een roze bril bij je zou inbouwen en niemand zou je hier iets over vertellen. De wereld zou er voor jou roos uitzien en je zou daar ook niet aan twijfelen. Je hebt immers nooit iets anders gekend. Dit gedachte-experiment toont aan dat de werkelijkheid misschien niet is zoals wij denken. Het zegt natuurlijk niet dat dit zo is…. Wel wordt de werkelijkheid van haar vanzelfsprekendheid ontdaan. (In de medische wereld erkent men het fenomeen van de zogenaamde indigokinderen, deze kinderen zien vanaf de geboorte mensen met hun bijhorend aura en denken dat alle mensen zo zien.) Opdracht: “Wat is filosofie” Is filosofie in één inhoud te vatten ...................................................................................................... .................. Waarom is dit zo? ……………………………………………………………………………………………… ……………………………………………………………………………………………… ……………………………........

2. De allegorie van de grot (Plato)
Een allegorie is een verhaal waarin aan de hand van een beeld / metafoor een inzicht uitgelegd wordt. De allegorie: “Stel je eens mensen voor in een ondergrondse grot, met een lange toegang die openstaat naar het daglicht en langs de hele breedte van de spelonk loopt. Van jongs af zijn ze daar aan benen en hals gekluisterd, zodat ze niet van hun plaats weg kunnen. Ze kunnen alleen maar voor zich uit kijken, want de boeien maken het hen onmogelijk het hoofd naar links of rechts te draaien. Het licht, dat krijgen ze van een vuur dat boven hen, heel in de verte en achter hun rug brandt. Tussen het vuur en de gevangenen in, in de hoogte, loopt een weg. Langs die weg is een muurtje opgetrokken, precies een van die schotten zoals marionettenkunstenaars er voor de spelers plaatsen en waarboven ze hun poppen vertonen. Stel je nu voor dat er langs het muurtje mensen stappen met allerhande voorwerpen, die boven het vuurtje uitsteken. De geketende grotbewoners hebben en van zichzelf en van elkaar nooit iets anders te zien gekregen dan de schaduw, die

3

door het vuur getekend wordt op de rotswand voor hen. Ook van de voorwerpen die langs gedragen worden, zien ze alleen de schaduwen. Veronderstel nu dat de gevangenen met elkaar konden praten. Ze zouden namen geven aan wat ze zien, de werkelijkheid van bestaande dingen zelf benoemen. Ze zouden nooit iets anders voor de werkelijkheid kunnen houden, dan de schaduwen van de voorwerpen. Waarin zou voor deze mensen de bevrijding uit de boeien en de onwetendheid bestaan indien het hen als volgt zou vergaan. Als één van hen werd bevrijd van zijn boeien, en ertoe gedwongen werd om op te staan en op te kijken naar het licht.

Als hij bij alles wat hij doet, pijn zou voelen, en als de schittering van het licht het hem onmogelijk zou maken die dingen te onderscheiden waarvan hij daareven de schaduwen zag, dan zou hij in verlegenheid geraken wanneer men hem zou zeggen dat hij nu veel dichter bij de werkelijkheid staat. Hij zou niet kunnen geloven dat wat hij tot nu toe zag, slechts schaduwen van schijndingen zijn. In een eerste en natuurlijke reactie zal hij de pijn van het licht willen mijden en zich terug naar de schaduwen wenden. En als iemand hem met geweld tegenhoudt, en hem door de ruwe en steile gang voortduwt naar buiten in het zonlicht, zal hij nog meer lijden. Zeker in het begin zullen zijn ogen zo vol lichtstralen zijn dat hij niet in staat is om ook maar iets te zien van wat wij nu de werkelijkheid noemen. Hij heeft immers de gewenning nodig. Na verloop van tijd zal hij de schaduwen en de dingen van elkaar kunnen onderscheiden. Hij zal de hemellichamen kunnen waarnemen en zelfs de zon kunnen aanschouwen zoals ze is. Dan zal hij daarover beginnen te redeneren en tot het besluit komen dat het de zon is die aan de jaargetijden en de jaren hun uitzicht geeft. Hij zal ontdekken dat de zon alles in de zichtbare wereld regeert, dat ze in zekere zin de oorzaak is van alles wat hij en zijn medegevangenen gewoon waren te zien. Door al deze ervaringen zal hij zichzelf nu gelukkig achten en de andere beklagen. Onderstel nu dat er in de grot de gewoonte bestaat onderling bepaalde eerbewijzen en lofwoorden en zelfs prijzen uit te loven voor wie van hen het scherpst de langstrekkende schaduwen kan waarnemen, eveneens de volgorde waarin de schaduwen voorbijtrekken kan voorspellen, dan zal de gewezen grotbewoner door deze lofbetuigingen en prijzen niet meer bekoord worden. Hij zal liever alles lijden dan zich

4

door de ‘meningen’ van de grotbewoners te laten leiden. Veronderstel tenslotte dat de bevrijde uit eigen wil weer in de grot zou afdalen om zijn ervaringen mee te delen aan de onwetenden en met hen die altijd gevangen zijn gebleven een wedstrijd aangaat. Hij zou een mal figuur slaan. Het zou een heel poosje kunnen duren vooraleer zijn ogen zich aan de duisternis hebben aangepast. Men zou zeggen dat zijn tocht naar boven hem de ogen heeft gekost en dat het dus de moeite niet loonde om zelfs maar een poging te doen naar boven te gaan. En, wanneer nu iemand, bijvoorbeeld hij die teruggekeerd is, hen probeerde te bevrijden en naar boven te brengen, zouden ze hem dan niet van kant maken als ze hem in handen konden krijgen??

Teken hier je eigen versie van de grot met de geketende mensen.

1A. De vastgekluisterde mensen

1. De vastgeketende mensen in Plato’s allegorie menen dat de

schaduwen die zich voor hen op de muur afspelen, de werkelijkheid uitmaken. Ze hebben immers nooit iets anders gezien. Dit brengt ons meteen bij het onderscheid tussen schijn en werkelijkheid. Is wat we zien werkelijkheid of slechts schijn? De cruciale vraag is echter: ..…………. ………………………………………………………………………………Wie zegt

5

immers dat de ontdekte “ware” werkelijkheid niet wederom slechts schijn is?
2. De Geketende mens is de onkritische mens, die niets in vraag stelt,

die altijd de dingen neemt zoals ze er op het eerste gezicht uitzien. Zijn houding leunt dicht aan bij die van het dogmatisme, d.i. het aannemen van ideeën, theorieën…(dogma’s) op basis van gezag / autoriteit, zonder ze kritisch te onderzoeken.

1B. De zich bevrijdende mens Het zich bevrijden uit de ketens en uit de ondergrondse grot kan je herkennen als de activiteit van het filosoferen. Filosoferen is een activiteit die een volledige inzet eist en die tijd nodig heeft. In de allegorie kan de geketende mens wanneer hij zich bevrijdt en naar het licht draait, niets onderscheiden. Hij is verblind en zijn ogen doen pijn. Hij kan niet geloven dat wat hij tot dan zag, slechts schijndingen zijn en wil aanvankelijk ook het licht vermijden. De gang waar hij door moet is ruw en stijl. Eens buiten moet hij zijn ogen de tijd geven om aan het licht te wennen. Pas na verloop van tijd zal hij de werkelijkheid kunnen zien zoals ze is. In werkelijkheid is het filosoferen echter een permanent verder zoeken en verder denken op weg naar dit uiteindelijke punt in de waarheid waar wij nooit mee zullen samenvallen. Opdracht: “Wat is het verschil tussen schijn en werkelijkheid? ………………………………………………………………………………………… ………………………………………………………………………………………… Wat voor activiteit is filosoferen dan wel? Filosoferen is uiteraard een denkende activiteit. Met name een denken waarbij men stilstaat bij de dingen en wel zo dat hun vanzelfsprekendheid doorbroken wordt. Dit is een kritisch denken, d.w.z. een denken waarbij werkelijkheid van schijn onderscheiden wordt. Filosoferen is denken over de werkelijkheid. Niet over één aspect of fragment van de werkelijkheid, zoals bv. De fysica doet. De fysica bestudeert slechts het fragment van de werkelijkheid dat onderworpen is aan de natuurwetten. De filosoof denkt na, niet over

6

de fysische, chemische, biologische…werkelijkheid, maar over de werkelijkheid als werkelijkheid. Dus de werkelijkheid in haar geheel / totaliteit en in haar samenhang. 1C. De houding van de vastgekluisterden Wie in de grot is achtergebleven gelooft degene die zich heeft kunnen bevrijden niet. Zo komen we bij een nieuw kenmerk van de filosofie. Filosofie kan ontnuchterend of zelfs shockerend zijn. In de tekst wordt gesuggereerd dat ze zelfs tot agressie kan leiden. Vanwaar die halsstarrige negativiteit? Mensen houden graag vast aan bepaalde denkbeelden waar ze zich comfortabel bij voelen. De filosoof houdt de mens echter een spiegel voor waarin deze denkbeelden vaak slechts illusies blijken te zijn. Een mooi historisch voorbeeld hiervan is Galileo Galilei, de wetenschapper die ontdekte dat de aarde rond de zon draait en niet andersom, en de “repressieve” houding die de kerk heeft aangenomen tegenover hem.

1D. Filosofie een houding Zullen wij ooit dé waarheid vinden en tot absoluut ware kennis kunnen komen. De dynamiek van de filosofie bestaat er echter juist in dat wij steeds op wet zijn naar dit punt, dit onderweg zijn is de filosofisch houding die erin bestaat steeds te blijven doorvragen. Je kan de houding van de filosoof vergelijken met die van een kind dat zijn ouders onophoudelijk bombardeert met een spervuur van waaromvragen. Telkens vader of moeder een vraag beantwoord heeft, staat het kind al klaar met een nieuwe vraag die peilt naar het waarom van het gegeven antwoord. Zo is ook filosoferen doordenken. Het is op zoek gaan naar de fundamenten, naar de diepste wortels van de werkelijkheid. Daarom wordt de filosofie fundamenteel en radicaal genoemd. Plato gebruikt in zijn allegorie “het licht dat alle schaduwen mogelijk maakt”, als beeld voor het diepste fundament van de werkelijkheid. Opdracht: Bestaat er zoiets als een absolute waarheid? Hoe komt dat? ..................................................................................................... .............................................................................................................

7

............................................................................................................. ............................................................................................... 1 E. Wat maakt dat de mens gaat filosoferen Volgens Plato is de verwondering de drijvende kracht achter de filosofie. De mens is in staat even te stopen met voorthollen om te kunnen stilstaan bij de dingen. Hij kan zich verwonderen dat de dingen zijn zoals ze zijn (of niet zijn wat ze lijken te zijn). Filosoferen is deze houding systematisch cultiveren. Ook dit is een kentrek die de filosoof deelt met het kind. Kinderen zijn onvoorstelbaar nieuwsgierig en kunnen urenlang met allerlei dingen “verwonderd” bezig zijn. De drijfveer kan ook ontstaan uit vertwijfeling, uit een ervaring van zinloosheid. Wie heeft nog niet ervaren hoe je begint na te denken over de zin van het leven, de dood, van heel de werkelijkheid…bv. Wanneer je iemand verliest waaraan je gehecht bent. Is iedereen dan filosoof? Want iedereen verwondert zich wel eens en denkt wel eens verder dan zijn neus lang is. Niet al dat denken is echter filosofisch. Je kan de ene gedachte na de andere willekeurig laten opkomen. Een plezierige bezigheid maar filosoferen is iets anders. Bij filosoferen gaat het om systematisch, d.w.z. stap voor stap, gericht nadenken. Die tendens tot systematiek is trouwens eigen aan het radicaal en fundamenteel karakter van de filosofie. Je kan dichter tot de fundamenten van de werkelijkheid doordringen door er stap voor stap en gericht naar te graven.

Enkele vragen om zelf verder te filosoferen…. o Wat is het doel van de filosofie?..... De vlieg de weg tonen om uit de vliegstolp te geraken. o Als je filosofeert, ben je dan een groot kind? o Vergelijk Plato’s allegorie van de grot met het gedachteexperiment van de roze bril.

8

3. Een kritisch mensbeeld
Ieder van ons heeft een of andere opvatting over de mens. Deze opvatting bepaalt hoe we handelen als we met anderen omgaan. In elke vorm van contact tussen mensen ligt er een visie van of op de mens aan de basis. We leven vanuit vooronderstellingen zonder dat we er ons continu van bewust zijn. Eigenlijk zou je kunnen zeggen dat we deze overtuigingen niet hebben maar dat we ze zijn. Doorheen ons opgroeien en ontwikkelen zijn ze deel uit gaan maken van ons volledige denken, voelen en handelen. (Wie opgroeide in een gezin met diep christelijke waarden zal hierdoor beïnvloed worden net als iemand die opgroeide in een gezin met vrijzinnige waarden. Het handelen en denken van deze mensen zal waarschijnlijk verschillend zijn.) Meestal zullen we pas wanneer er op het werk, thuis of waar dan ook problemen worden ervaren dieper beginnen nadenken over ons mensbeeld. Maar ook zonder dat er specifieke problemen zijn is het vruchtbaar en misschien wel noodzakelijk een reflectie te maken over ons mensbeeld. Het bepaalt immers ons hele handelen met betrekking tot onszelf en naar anderen toe. Opdracht: “Een kritisch mensbeeld”

9

Probeer zelf een voorbeeld te geven van een opvatting over de mens die het handelen en denken kan beïnvloeden. ………………………………………………………………………………………………… …………………………………………………………………………………………………

3.A. De verbinding tussen de vraag naar de mens en de vraag naar de wereld Een uitgesproken eigenschap van de mens is dat hij afstand van zichzelf kan nemen om zich te bevragen over: wie of wat ben ik, wat is de zin van het bestaan, welk is mijn doel in dit leven, enz. Deze vragen zijn een geheel met de vraag naar de wereld aangezien de mens in de wereld leeft, zich hiervan bewust is en er een (zinvolle) plaats tracht in te nemen. Wie zichzelf afvraagt wat de mens is betekent dus ook zich afvragen welk de plaats is van de mens in de gehele werkelijkheid. Aan de andere kant is er voor de mens slechts sprake van de wereld in zoverre deze door de mens beleeft en waargenomen wordt. De wereld kan dus enkel besproken worden vanuit de eigen menselijke ervaring.

3.B. Historisch overzicht van de vraag naar de mens in een notendop De vraag van de mens naar zichzelf en zijn plaats in de wereld is in de loop der tijden op veel verschillende wijzen gesteld en beantwoord. Ook vandaag trachten filosofen antwoorden te vinden op deze vraag. Om deze antwoorden te kunnen begrijpen kan het nuttig zijn de vroeger gevonden antwoorden te bekijken. 1. De Presocratici. (Voor Socrates) De westerse filosofie ontstond in Griekenland in de 6e eeuw voor Christus, dit waren de zogenaamde natuurfilosofen. Zij bestudeerden de natuur (fysis) en zochten naar haar oorsprong, haar beginsel (arche) waaruit alles ontstaan is en dus ook te herleiden moest zijn. Hun wetenschap was kosmologie, wetenschap (logos) van de kosmos. Kosmos betekende orde of harmonie. De Grieken zagen de wereld als een harmonisch en geordend geheel. De mens werd gezien als een onderdeel van deze geordende wereld.
10

2. De Sofisten. (Ten tijde van Socrates, fysis) De vraag naar de mens komt heel wat later op een indirecte manier aan bod. Socrates en zijn tijdgenoten gaan onderzoeken wat ethisch handelen is. Aangezien hun referentiepunt nog steeds de fysis, de kosmos is, komt er nog geen direct inzicht in het wezen van de mens. Juist handelen wordt gezien als een soort microkosmos in de macrokosmos. Ethisch handelen is dus handelen volgens de universele rede(lijkheid) (logos), die in de hele werkelijkheid en dus ook in de mensen aanwezig is.

3. De Stoa (Stoïcijnen) Een denkrichting die ontstond in de 3e eeuw voor Christus. Volgens de Stoa moet de mens tot het inzicht komen dat alles onafwendbaar is en instemmen met de universele wet van de kosmos. Zo kan hij zich gaan verbonden voelen met heel de kosmos. De klemtoon ligt voor hen op de gelijkheid van alle mensen en ze zijn met elkaar verbonden door de (goddelijke) rede.

4. De Joods-christelijke traditie Hier zijn alle mensen gelijk, uniek en geschapen naar Gods beeld als bekroning op de gehele schepping. De mens is aangesteld en gemandateerd als de koning van al wat geschapen is, hij moet dus nog wel verantwoording afleggen aan God.

5. Vanaf de Renaissance (15e-16e eeuw)

De band met God wordt stilaan losser en de mens komt meer centraal te staan. Typerend voor die periode is een radicaal humanisme (leer die de menselijke waardigheid verdedigt) In deze periode wordt de mens gezien als een rationeel en autonoom subject welk zelf bron is van alle kennis. Hierdoor kunnen de

11

positieve wetenschappen ontstaan en krijgt de mens vat en controle over de werkelijkheid. Kennis wordt macht en door de samenhang, de natuurwetten van de werkelijkheid te kennen, kan de mens deze ook manipuleren in de techniek. De mens wordt nu zijn eigen heer en meester van de werkelijkheid. Zo kan hij bijvoorbeeld licht maken in het donker.

6. De opkomst van de wetenschappen. De mens vindt zijn eigen centrale plaats in het universum. Tegelijk wordt deze centrale plaats onderuit gehaald door de ontwikkeling van de wetenschap. Copernicus en Galilei komen erachter dat de zon niet rond de mens draait maar andersom, de mens is dus niet het centrum van het heelal! De veroordeling van Galilei in 1633 laat zien hoe fundamenteel deze gedachte toen voor het zelfbeeld van de mens was. Even later zien de opkomende wetenschappen de wereld als een grote machine die door God werd gebouwd en geen tussenkomst van buitenaf meer nodig heeft. Voltaire vergelijkt de wereld met een groot uurwerk en God is een soort van horlogemaker. Al wat gebeurt verloopt volgens natuurwetten, hierdoor wordt alles ook voorspelbaar. De mens voelt zich in zo’n wereldbeeld niet zo goed, zijn vrijheid wordt immers ingeperkt wanneer alles op een voorspelbare en noodzakelijk manier verloopt en hij slechts één van de vele schakeltjes zou zijn in dat grote raderwerk.

7. Darwin verschijnt ten tonele. In de 19e eeuw zet Darwin de uniciteit van de mens helemaal op de helling. Volgens Darwin is de mens een ontwikkelde diersoort die afstamt van de aap en bijgevolg niet naar Gods beeld geschapen.

8. Marx, Freud en Nietzsche doen er nog een schepje bovenop. Deze meesters van het wantrouwen ondergraven tenslotte de menselijke autonomie. De mens blijkt geen rationeel wezen te zijn welk in vrijheid zijn eigen denken en handelen in vrijheid bepaalt. Marx haalt hiervoor de sociaal-economische factoren aan terwijl
12

Freud het onderbewuste vooropstelt, eros en tanatos (geslachtsdrift en doodsdrift)

9. Het structuralisme. In de jaren 60 groeit hieruit het structuralisme, deze stroming zegt dat de mens niets anders is dan een knooppunt van structuren en relaties binnen verschillende systemen, die zelf op zich functioneren. In zo’n systeem staan de elementen met elkaar in verbinding waardoor ze mekaar onderling bepalen en beïnvloeden. De mens wordt dus ook bepaald vanuit zijn relatie tot andere elementen en heeft dan ook enkel een rol in het systeem. Zo wordt de mens herleid tot een functioneel element of pion in het sociaal, politiek, technologisch en economisch systeem. De mens is vanaf hier volledig uit het centrum weggehaald!

Opdracht: De mens in het de kosmos.

Hoe zie jij de plaats van de mens in het universum? ………………………………………………………………………………………… ………………………………………………………………………………………… ………………………………………………………………………………………… …………………………………………………………………………………………

4. De mens als ontwerper van zijn eigen natuur.

1. Als we op zoek willen gaan naar wat de mens is kunnen we ons

afvragen of er in het geval van de mens wel sprake kan zijn van een natuur…

2. We kunnen vaststellen dat mensen op heel verscheiden wijze

omgaan met wat ze in de natuur tegenkomen. Mensen vormen op veelvuldige wijze de natuur om tot cultuur. Onder natuur verstaan we dan alles wat in de werkelijkheid voorhanden is zonder
13

tussenkomst van de mens (bv. Een bos, je lichaam, geslachtelijkheid…) “Natuur” omvat dus meer dan enkel de aarde met haar fauna en flora… “Cultuur” is dan al wat de mens hiervan maakt (vb. een aangeplant bos, transseksualiteit, een huis…..). “Cultuur omvat dus niet alleen kunst, litteratuur, muziek, film maar ook wetenschap, landbouw, politiek… zeg maar elke vorm van beschaving.

3. De mens doet eigenlijk zijn hele leven niets anders dan zichzelf en

zijn omgeving cultiveren alsof zijn leven ervan afhangt. De mens kan ook niet overleven zonder cultuur. Als een dier geboren wordt is het ongeveer kant en klaar van bij de geboorte. Het blijft voor een relatief korte periode bij de ouders en kan al heel snel zonder hulp verder. Zijn instincten leiden het naar voedsel en naar een partner. In zeker opzicht is een dier volmaakt en bijzonder goed aangepast aan de wereld waarin het leeft door zijn natuurlijke aanleg en instincten. Je zou bijna kunnen stellen dat het zo perfect mogelijk is geprogrammeerd. Als een dier om een of andere reden in een nieuwe omgeving terechtkomt zal het waarschijnlijk sterven omdat het zich niet kan aanpassen. Het beschikt immers niet over het vermogen om de werkelijkheid naar zijn hand te zetten om cultuur te maken.

Mensen zijn in zekere zin niet “kant en klaar” als ze geboren worden. Ze zijn niet aangepast aan hun omgeving. Zo zijn ze bv. Niet voldoende gewapend tegen temperatuurschommelingen, ze hebben kleding en een woning nodig, hun instincten zijn te zwak om het leven aan te kunnen. Het instinct vertelt de mens onvoldoende wat hij moet doen om in zijn behoeften te voorzien. Mensen blijven tot lang na hun geboorte kwetsbaar en hulpeloos.

4. De mens kan enkel overleven als hij erin slaagt zijn omgeving

naar zijn hand te zetten. Daarom zal hij kleren maken, een huis bouwen om zich te beschermen tegen de natuurelementen, wegen uitstippelen, landbouwvelden aanleggen, naties oprichten, wetenschappelijk onderzoek doen… Hij zal hoe langer hoe vindingrijker worden om zijn leven zo praktisch mogelijk uit te bouwen. Wij beschikken vandaag over auto’s, vliegtuigen,
14

landbouwmachines, computers, satellieten, GSM….. We kunnen dus stellen dat cultuur ontstaat uit de menselijke behoefte en noodzaak om in de natuur van alles voor zichzelf te organiseren om te kunnen overleven.

5. Omdat de mens eerder een instinctarm wezen is vormt hij niet

enkel de hem omringende natuur om, maar ook zijn eigen natuur. Hoe de mens zich gedraagt, wat hij moet doen en op welke manier is immers niet vooraf “geprogrammeerd” in zijn instinct, het ligt niet vast in zijn biologische natuur. De mens weet zonder dat het hem aangeleerd wordt niet wat te doen om zijn behoeften te bevredigen, gelukkig te worden, pijn te vermijden… Het ligt niet vast in zijn natuur en hij moet het dus allemaal gaan uitzoeken en (tot op zekere hoogte) proberen om zelf te bepalen wat goed voor hem is. Je kan misschien zeggen dat de natuur van de mens erin bestaat dat hij geen volledige natuur heeft en deze zelf moet gaan ontwikkelen. Hij gaat dus op een creatieve manier met zijn eigen en de hem omringende natuur om zodat deze omgevormd wordt tot een eigen natuur.

6. Hoe komt het nu dat de mens in tegenstelling tot de dieren hiertoe

instaat is? Hij heeft een groter hersenvolume, meer intelligentie, een te ontwikkelen geest en kan afstand nemen van de dingen en ze door verbeeldingskracht als iets anders gaan zien. Dieren kunnen dat niet. Een voorbeeld hiervan. Als een hongerige muis graan tegenkomt op haar weg is dat voor haar voedsel. Voor een mens is graan ook voedsel, maar als hij geen honger heeft blijft het graan interessant, want hij kan bv. Met de bloem, vermengd met zout , zoutdeeg maken om figuurtjes mee te vormen. De mens kan dus loskomen – afstand nemen van zijn instinct dat vertelt dat graan enkel voedsel is.

7. Hoe komt het nu dat mensen op zulk een verschillende manier de

natuur omvormen tot cultuur? We hebben allemaal een huis nodig maar we bouwen zelden twee dezelfde huizen, laat staan dat de inrichting ervan hetzelfde zou zijn. Ons huis moet functioneel,

15

nuttig en praktisch zijn, maar ook gezellig en aangenaam om in te leven. Ook ons voedsel heeft tot een oneindig aantal gastronomische variaties geleid. Onze kleding is uitgesproken meer geworden dan enkel maar een bescherming tegen de weersomstandigheden. Cultuur moet dus meer zijn dan een noodzaak tot overleven. Een gedeelte van het antwoord is reeds gegeven. Mensen zijn vrije en creatieve wezens omdat hun gedrag niet vastligt zoals bij dieren. Ze kunnen zelf beslissen hoe ze hun cultuur vorm geven. Hoe ze hun cultuur ontwikkelen is niet instinctief bepaald. Al wat de mens nodig heeft werkt hij uit naar eigen wens.

Maar waar komen dan die verschillen in cultuuruiting vandaan? Eerst en vooral, mensen willen iemand zijn. Niemand voelt zich iemand als hij de hele dag ligt te niksen. “Iemand” zijn vereist blijkbaar dat je op één of andere manier uitdrukt, “veruitwendigd” wie je bent, jezelf individueel en / of als groep herkenbaar maakt.

Ten tweede, mensen zijn op zoek naar zichzelf. Hun identiteit ligt immers niet vast zoals bij de dieren. Als de mens dan zijn identiteit gevonden heeft kan hij zichzelf opnieuw in vraag stellen, m.a.w. opnieuw afstand nemen van zichzelf en zichzelf op een andere manier bekijken. In al wat de mens cultiveert kan de mens zichzelf steeds opnieuw ontdekken. Een kunstschilder ontdekt zich in zijn schilderij, een architect in zijn bouwwerk, de schrijver in zijn boek, de leerkracht in zijn les.

Ten derde, de mens wil vrij zijn, zelf vrij kunnen beslissen wat hij doet, wie hij zal zijn… De mens streeft ernaar om een vrij, zelfbewust, onafhankelijk en onherleidbaar individu te zijn. In zijn veruitwendiging kan hij zichzelf telkens opnieuw ontdekken als zelfstandig individu, dat telkens opnieuw zijn vrijheid op een creatieve manier realiseert.

Opdracht: De mens als creatief, vrij en zelfstandig ontwikkelend individu.

16

Geeft een voorbeeld van hoe de mens zichzelf creatief en zelfstandig ontwikkelend veruitwendigd in onze samenleving. Probeer om in dit voorbeeld het culturele aspect aan te tonen zoals beschreven in de cursus. ………………………………………………………………………………………… ………………………………………………………………………………………… ………………………………………………………………………………………… ………………………………………………………………………………………… …………………………………………………………………………………………

Enkele vragen om zelf verder over te filosoferen.

o Is de mens tijdens zijn leven enkel bezig met overleven?

o Is een muizenhol een cultuurproduct?

17

18