Begaafdheidsprofielscholen

in het
voortgezet onderwijs

Verslag van het CPS-project
2004-2009




Hoogbegaafdheid
CPS, Onderwijsontwikkeling en advies

Amersfoort, februari 2010



Greet de Boer

Deze uitgave van CPS Onderwijsontwikkeling en advies is tot stand gekomen in opdracht van het ministerie van
Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (OCW). Voorafgaand aan deze uitgave zijn een startnotitie
‘Begaafdheidsprofielscholen’ (2004) en een ‘Werkdocument Begaafdheidsprofielscholen’ (2005) verschenen.

Aan verschillende activiteiten binnen het project hebben meerdere externe deskundigen en CPS-consultants
een bijdrage geleverd. Mede door hun inzet zijn de doelstellingen van het project gerealiseerd.

Deskundigen die een bijdrage hebben geleverd, zijn:
Drs. Winny Bosch-Steijns
Drs. Agnes Burger-Veltmeijer
Dr. Lianne Hoogeveen
Prof. Dr. Alexander Minnaert
Prof. Dr. Ton Mooy
Dr. Willy Peters
Platform Autisme
Drs. Margriet van Rooy
Drs. Marieke Schuurman
Drs. Heleen Wientjes

CPS-consultants die een bijdrage hebben geleverd, zijn:
Dr. Diana Aarntzen
José Backbier
Drs. Greet de Boer, projectleider
Karen van den Broek
Zeger van Hoffen
Drs. Gert Kamphof
Drs. Evert Vos
Leonie Wagenaar
Marja Westerhof, projectsecretaresse


Het verslag ‘Begaafdheidsprofielscholen in het voortgezet onderwijs’ is geschreven door:

• Drs. Greet de Boer (Principal consultant en projectleider CPS), Amersfoort
• Veronique van der Waal (Journalistieke producties & tekstcreatie), Hoevelaken


De video ‘Leren van Hoogbegaafden: een zoektocht’ is in opdracht van CPS samengesteld door:

• Polly den Tenter in samenwerking met Vision Plan



Bestelwijze: Het verslag ‘Begaafdheidsprofielscholen in het voortgezet onderwijs, 2004-2009’ is aan te
vragen bij: CPS Onderwijsontwikkeling en advies, tel: 033 – 453 43 43.
© 2010, GdB, CPS Amersfoort 2

Inhoud

Inleiding

1. Begaafdheidsprofielscholen
1.1 Doelstelling project: achtergrond en aanleiding
1.2 Projectactiviteiten: fasering, werkwijze en financiering
1.3 Deelnemende scholen
1.4 Vereniging van Begaafdheidsprofielscholen

2. Kwaliteitscriteria en het Zelfbeoordelingsinstrument
2.1 Basiskwaliteit
2.2 Zelfbeoordelingsinstrument
2.3 Vragenlijst scholen en resultaten

3. Ontwikkeling naar het begaafdheidsprofiel
3.1 Ontwikkelingen op scholen
3.2 Visitatie: opzet, werkwijze en bevindingen
3.3 Afsluiting project eerste fase
3.4 Voorlopige conclusies en vervolg

4. Voortgang
4.1 Plan van aanpak 2010-2013

Bijlagen

1. Het Zelfbeoordelinginstrument Begaafdheidsprofielschool (ZBI); definitieve versie januari 2010
2. Overzicht financiële planning
3. Hand-outs PowerPoint startbijeenkomst
4. Format en voorbeeld actieplan
5. Format en voorbeeld jaarverslag
6. Hand-outs PowerPoint intervisiebijeenkomst
7. Voorbeeld zorgstructuur
8. Flyer communicatieproject
9. Informatie ten behoeve van visitatie
10. Voorbeeld visitatierapport van een school
11. Vragenlijst scholen 2009
12. Overeenkomst dienstverlening tussen instellingen
13. Hand-outs PowerPoint overleg samenwerking Begaafdheidsprofielscholen
14. Concept samenwerkingsovereenkomst Begaafdheidsprofielscholen
15. Kaart Nederland met locaties Begaafdheidsprofielscholen
16. Voorbeeld Certificaat Begaafdheidsprofielschool VO
© 2010, GdB, CPS Amersfoort 3











© 2010, GdB, CPS Amersfoort 4
Inleiding

In de periode 2004-2009 heeft het door het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap
geïnitieerde en gefinancierde CPS-project ‘Begaafdheidsprofielscholen VO’ zijn beslag gekregen. In dit
verslag beschrijven we welke doelstellingen dit project voorstond en welke activiteiten zijn opgezet
en uitgevoerd om deze doelen te bereiken. Verder gaan we in op hoe scholen bij deze activiteiten zijn
betrokken en de wijze waarop zij aan dit project inhoud en vorm hebben gegeven. Het project
‘Begaafdheidsprofielscholen VO’ ging tussen 2004 en 2009 gepaard met ups en downs. De oorzaak
hiervan moet gezocht worden in het feit dat het realiseren van onderwijs en begeleiding afgestemd op
de specifieke (sociaal-emotionele en didactische) behoeften van hoogbegaafde leerlingen niet iets is
‘dat een school er zo maar even bij doet. Daarvoor zijn vragen rondom zorg, didactiek en organisatie
te complex’ (de Boer & Kamphof, 2005)
1
.

Om scholen te ondersteunen in de ontwikkeling naar het begaafdheidsprofiel zijn richtlijnen of
kwaliteitscriteria ontwikkeld. Deze staan beschreven in het Zelfbeoordelingsinstrument (ZBI) ter
beoordeling van het begaafdheidsprofiel van scholen. In het ZBI zijn gedurende de gehele
projectperiode wijzigingen aangebracht, gevoed door ervaringen van scholen tijdens de uitvoer.
De definitieve versie van dit document is in de bijlagen opgenomen (zie bijlage 1).

Scholen die participeerden in het project hebben zich gecommitteerd met de in het ZBI vastgelegde
richtlijnen of kwaliteitscriteria. In een samenwerkingsovereenkomst tussen CPS en deze scholen zijn
de condities voor deelname beschreven. In actieplannen verwoordden de deelnemende scholen hun
voornemens om op termijn te voldoen aan de kwaliteitscriteria waarna zij het begaafdheidsprofiel
mogen voeren. Voor het uitvoeren van deze kwaliteitsverhogende activiteiten kregen de scholen een
stimuleringsbijdrage uit de projectgelden.

Het project ‘Begaafdheidsprofielscholen’ is in de beschreven periode nauwlettend gevolgd door het
onderwijsveld en heeft tevens enige kritiek te verduren gekregen, omdat de deelnemende scholen niet
direct aan alle criteria konden voldoen. Met hun ambitie om het begaafdheidsprofiel te willen voeren,
riepen de scholen van meet af aan hoge verwachtingen op bij ouders van hoogbegaafde kinderen.

In het werkdocument ‘Begaafdheidsprofielscholen’ (de Boer & Kamphof, 2005) is te lezen dat de
ontwikkeling van Begaafdheidsprofielscholen in een bredere ontwikkeling past. Hiermee wordt gedoeld
op de in Nederland ook bestaande zogenoemde cultuurprofielscholen en LOOT-scholen.
Begaafdheidsprofielscholen vormen daarmee een derde loot van de stam van profielscholen.
De in 2004 gestarte ontwikkeling naar Begaafdheidsprofielscholen voortgezet onderwijs paste goed bij
het toentertijd door het ministerie van OCW ingezette beleid: meer initiatief bij de school en minder
sturing en regels vanuit Den Haag.
Scholen werd gestimuleerd om kleur te bekennen waar het ging om het richten van de aandacht op
specifieke groepen leerlingen. “Scholen die, naast hun algemene functie, een specifieke functie
vervullen naar doelgroep(en), zoals sport, cultuur, internationale contacten en (hoog)begaafdheid.”
De gedachte hierachter is dat zodoende enerzijds kan worden voorkomen dat leerlingen met

1
Boer, G.C. de & Kamphof, G.J. (2005). Begaafdheidsprofielscholen. Amersfoort: CPS.
© 2010, GdB, CPS Amersfoort 5
specifieke begaafdheden en talenten afstromen naar een lagere vorm van onderwijs en anderzijds dat
hun specifieke talenten niet of nauwelijks tot ontwikkeling komen (de Boer & Kamphof, 2005).
Daarnaast nam de vraag toe naar scholen die zich wilden specialiseren in onderwijs aan en begeleiding
van (hoog)begaafde leerlingen of leerlingen met ‘gifted intelligence’ (Knorth e.a., 2005
2
). En, werd
aanvankelijk de zorg voor hoogbegaafde leerlingen door scholen onderschat of zelfs gezien als een
luxeprobleem, de laatste jaren raakt men er steeds meer van overtuigd dat deze leerlingen door hun
kenmerken en behoeften specifieke aandacht vragen van scholen.

Bij de start van het project kenden we in Nederland al meerdere scholen die activiteiten ontwikkelden
die speciaal waren afgestemd op hoogbegaafde leerlingen. Hierbij werden verschillende modellen of
onderwijskundige aanpakken gehanteerd, passend bij de school. Ook binnen vergelijkbare modellen
bleken er grote onderlinge verschillen tussen scholen. Dit betekende onder andere dat voor ouders en
ook leerlingen vooreerst niet duidelijk werd welke aanpak nu het beste past bij de specifieke
kenmerken van hoogbegaafde leerlingen.
Daarnaast waren er meerdere individuele initiatieven zoals particuliere scholen, staatsexamens en
uitdagende trajecten, vaak geleid door ouders (de Boer & Kamphof, 2005). Omdat veel van deze
maatregelen, ook degene waarmee successen werden geboekt, grotendeels op toevalligheden
berustten − een enthousiaste, betrokken docent; een werkgroep hoogbegaafdheid; een zorgteam of
kernteam; hulp van ouders en belangenorganisaties; een startsubsidie van de overheid − kon de
continuïteit niet worden gegarandeerd. Slechts een relatief klein aantal scholen had een structureel
aanbod ontwikkeld en was in staat continuïteit in onderwijs en begeleiding te bieden. Het gevolg
hiervan was dat de kans op het ontstaan van problemen bij (hoog)begaafde leerlingen relatief groot
was
3
(Guldemond e.a, 2003). Feitelijk bestond er behoefte aan een (nog) betere doordenking van het
onderwijs aan en de begeleiding van hoogbegaafde leerlingen.
De volgende vragen waren daarbij actueel:

a. ‘Ontwikkelingsvragen van scholen: welke didactische aanpakken zijn effectief gebleken, welke
organisatievormen horen daarbij, waar is welke scholing te verkrijgen en zijn er middelen
waarop een beroep kan worden gedaan?,
b. Praktische vragen gesteld door ouders en leerlingen: om welke scholen gaat het en hoe is de
spreiding over het land; zijn er regelingen voor bereikbaarheid? Of vragen over welke
diagnosestelling nodig is en waar welke aanpak wordt voorgestaan,
c. Verantwoording van het beleid naar en door de overheid: zijn de beschikbaar gestelde middelen
wel efficiënt en effectief ingezet en hoe kan voldoende spreiding over het land worden
gerealiseerd?’

Leeswijzer
In dit verslag beschrijven we op welke wijze aan het CPS project Begaafdheidsprofielscholen in de
periode 2004-2009 vorm en inhoud is gegeven. In hoofdstuk 1 wordt een overzicht gegeven van de
doelstelling van het project, activiteiten die hebben plaatsgevonden om de doelen te realiseren, de
planning in tijd en de selectie van scholen. Tevens is in dit hoofdstuk een korte schets opgenomen van
de 1e tranche scholen. Hierbij is gebruik gemaakt van informatie uit de actieplannen van de scholen,

2
Knorth, E.J., Minnaert, A.E.M.G. & Ruijssenaars, A.J.J.M., 2005. Verschillen onderscheiden. Utrecht: Agiel.
3
Guldemond, H., Bosker, R.J., Kuyper, H. & Werf, M.P.C. van der, 2003. Hoogbegaafden in het voortgezet
onderwijs. Groningen: Gion.
© 2010, GdB, CPS Amersfoort 6
het visitatierapport en voortgangsgesprekken die op de scholen hebben plaatsgevonden. Het hoofdstuk
wordt afgesloten met informatie over de totstandkoming van de Vereniging van
Begaafdheidsprofielscholen.
In hoofdstuk 2 staan we stil bij de kwaliteitscriteria en het Zelfbeoordelingsinstrument. Dit
zogenoemde ZBI heeft gedurende de gehele projectperiode een belangrijke rol gespeeld in de
gesprekken met scholen over de geplande ontwikkelingen en de beschrijving daarvan in de
actieplannen van de school. Dit ZBI vormde eveneens een belangrijk leidraad voor het voeren van de
visitatiegesprekken.
In hoofdstuk 3 staan we stil bij ontwikkelingen die binnen scholen hebben plaatsgevonden met het
doel op termijn te voldoen aan de kwaliteitscriteria van het begaafdheidsprofiel. Hierin beschrijven
we ook welke schooloverstijgende bijeenkomsten hebben plaatsgevonden om scholen te ondersteunen
bij het verkrijgen van de gevraagde deskundigheid op bijvoorbeeld het gebied van de zorg en
zorgstructuur. Ook aan bod komt de opzet en werkwijze tijdens de visitaties, de afsluiting van het
project, voorlopige conclusies en aanbevelingen voor vervolg.
In hoofdstuk 4 tenslotte is het plan van aanpak voor de 2e projectperiode, die loopt van 2010 – 2013,
weergegeven.
Aan het eind van het verslag is een groot aantal bijlagen te vinden. Hierin zijn meerdere PowerPoint
presentaties te vinden, een voorbeeld van een actieplan en jaarverslag van scholen, het
samenwerkingscontract tussen CPS en de scholen, en de definitieve versie van het
Zelfbeoordelingsinstrument ter beoordeling van het Begaafdheidsprofiel van scholen VO.
© 2010, GdB, CPS Amersfoort 7
© 2010, GdB, CPS Amersfoort 8
1 Begaafdheidsprofielscholen

1.1 Doelstelling project: achtergrond en aanleiding
Al in 2003 is in kringen van de overheid en scholen de mogelijkheid besproken om te komen tot
zogenoemde Begaafdheidsprofielscholen. Dit in navolging van de zogenaamde cultuurprofielscholen en
LOOT-scholen (Landelijk Overleg Onderwijs en Topsport). Binnen deze nog in te richten scholen zou
aandacht voor hoogbegaafde leerlingen een structureel onderdeel van de schoolontwikkeling moeten
worden, met aandacht voor vele aspecten zoals schoolbeleid en –organisatie, visie op onderwijs,
didactische aanpak, zorg en communicatie.
In ‘Hoe kan onderwijs meer betekenen voor jongeren’
4
onderkent ook de Onderwijsraad het belang
van aanpassingen binnen het onderwijs en het creëren van ruimte binnen de bestaande wet- en
regelgeving zodat leerlingen met verschillende talentgebieden, waaronder cognitief getalenteerde of
hoogbegaafde leerlingen, tot hun recht kunnen komen.

In de eerste helft van 2004 zijn gesprekken gevoerd met scholen, organisaties, wetenschappers en de
overheid over de inrichting van een traject dat tot deze Begaafdheidsprofielscholen moest leiden.
Tevens had het ministerie van OCW een (vergelijkend) onderzoek opgestart om na te gaan wat in de
praktijk van het onderwijs werkt
5
. Welke onderdelen zou een onderwijsarrangement moeten bevatten
zodat ook hoogbegaafde leerlingen uitdagend en bij de leerling passend onderwijs in een veilige
leeromgeving wordt geboden? Hiermee ontstaan mogelijk nieuwe inzichten in eisen die gesteld
moeten worden aan onderwijs afgestemd op hoogbegaafde leerlingen. Dit levert mogelijk eveneens
ingrediënten op voor de realisering van Begaafdheidsprofielscholen. Dit zijn scholen die hun onderwijs
aan en begeleiding van hoogbegaafde leerlingen zorgvuldig afwegen en realiseren in beleid, het
dagelijks handelen in de klas, de keuze van het curriculum, de zorgstructuur en de communicatie met
(hulp)instanties buiten de school.

Tegen deze achtergrond is CPS gevraagd een (project)voorstel te schrijven om de voorgestelde
ontwikkeling te realiseren. De doelstelling van het project Begaafdheidsprofielscholen, zoals
gecommuniceerd met de opdrachtgever, is:

“Het realiseren van een landelijk dekkend netwerk van scholen voor voortgezet onderwijs die
kwalitatief hoogwaardig onderwijs en begeleiding bieden aan de specifieke doelgroep van
(hoog)begaafde leerlingen, waarbij de continuïteit van deze voorziening gegarandeerd wordt”.

Concreet houdt dit in dat:
A. Begaafdheidsprofielscholen herkenbaar zijn als scholen die kwalitatief hoogwaardig onderwijs en
begeleiding bieden aan de doelgroep van hoogbegaafde leerlingen. Er is een reeks van
kwaliteitscriteria ontwikkeld waaraan alle profielscholen voldoen. Scholen kunnen deze op eigen
wijze in de praktijk invullen. Dit betekent dat de kwaliteitskenmerken een dynamisch karakter
zullen hebben in de zin dat er groei en ontwikkeling op van toepassing is,

4
Onderwijsraad, 2004. Hoe kan onderwijs meer betekenen voor jongeren.
5
Mooij, T., Hoogeveen, L., van Hell, J. & Verhoeven, L., 2004. Succescondities voor onderwijs aan
hoogbegaafde leerlingen: Eerste interim-verslag van het empirisch longitudinaal onderzoek. Nijmegen:
Radboud Universiteit, ITS/CBO/Orthopedagogiek.
© 2010, GdB, CPS Amersfoort 9
B. er binnen Nederland sprake is van een landelijke dekking. Dit betekent dat een aantal van circa
25 scholen voor voortgezet onderwijs het begaafdheidsprofiel voeren. Met een dergelijk aantal
kan, mits voldoende gespreid en breed toegankelijk, de bereikbaarheid voor ouders en leerlingen
gewaarborgd worden. Met ‘breed toegankelijk’ wordt gedoeld op brede scholengemeenschappen
voor wat betreft het onderwijs dat wordt aangeboden en de denominatie van de school. Tevens
zullen deze 25 scholen als taak krijgen om hun expertise met betrekking tot hoogbegaafdheid in
te zetten ten behoeve van andere scholen in de regio,
C. er zodanig processen en structuren zijn ingericht die voldoende garanties geven dat de
voorziening, zoals onder punt A en B geformuleerd, continuïteit heeft.

De gestelde doelen kunnen alleen gefaseerd bereikt worden, waarbij sprake is van een onderlinge
afhankelijkheid. Zo zijn voor de ontwikkeling van kwaliteitscriteria scholen nodig die een en ander
toetsen aan de praktijk. Tegelijkertijd zijn deze scholen ook bezig zich te ontwikkelen naar het
begaafdheidsprofiel om vervolgens op het moment van certificering getoetst en beoordeeld te kunnen
worden aan de hand van deze criteria.

1.2 Projectactiviteiten: fasering, werkwijze en financiering
In het ‘Werkdocument Begaafdheidsprofielscholen’ (de Boer & Kamphof, 2005) zijn de opzet, fasering
en activiteiten van het project beschreven. Gedeeltes hieruit zijn integraal overgenomen in dit
verslag.

De ontwikkeling naar Begaafdheidsprofielscholen betekende primair een ontplooiing binnen scholen.
Naast de ontwikkeling op schoolniveau speelde de vorming van een landelijk organisatie die moest
bijdragen aan de kwaliteitsverbetering en borging van deze schoolontwikkeling. Praktisch gezien ging
het in eerste instantie om een (tijdelijke) projectorganisatie die de eerste initiatieven nam en een
‘lichte vorm van regie’ voerde op zaken als:
- de ontwikkeling van richtlijnen of kwaliteitscriteria voor het begaafdheidsprofiel,
- het streven naar een zodanige spreiding over het land dat altijd binnen een redelijke afstand een
school met dit profiel bereikbaar is,
- het organiseren van de gewenste vorm van samenwerking tussen de scholen,
- belangenbehartiging naar de overheid en eventuele andere instellingen/organisaties.

Op enig moment diende de projectorganisatie haar taken over te dragen aan de definitieve
samenwerkingsorganisatie van scholen. Zoals te verwachten was daar na twee jaar voldoende basis
voor. Enerzijds werd toen helder welke scholen het begaafdheidsprofiel zouden gaan voeren.
Anderzijds was op dat moment ook in voldoende mate uitgekristalliseerd welke (gevarieerde) invulling
het profiel kan hebben en welke wensen scholen hebben op het gebied van samenwerking.

Projectactiviteiten
A. Het ontwikkelen van het begaafdheidsprofiel
Ten behoeve van de nog in te richten Begaafdheidsprofielscholen is in het voortraject een aantal
kwaliteitscriteria ontwikkeld. Bij de totstandkoming hiervan zijn verschillende bronnen
© 2010, GdB, CPS Amersfoort 10
geraadpleegd, zoals directies van scholen, mensen uit de opleiding en wetenschap en
(buitenlandse) studies
6
. Deze kwaliteitscriteria zijn lopende het project doorontwikkeld, getoetst
in en aan de praktijk en zijn uitgangspunt geweest bij de visitatie en certificering van de
profielscholen.

De kwaliteitscriteria of profielkenmerken die zijn beschreven in het ‘Zelfbeoordelingsinstrument’
ter beoordeling van het begaafdheidsprofiel van de school hebben verschillende functies, zoals:
- het stimuleren van de interne schoolontwikkeling. Door als basis te dienen voor een
zelfbeoordeling wordt duidelijk welke sterke en verbeterpunten de school heeft. Kortom, wat
de ontwikkelagenda is van de school,
- het bevorderen van de onderlinge samenwerking en afstemming van profielscholen. Met
eenzelfde set aan kwaliteitscriteria of profielkenmerken wordt de onderlinge communicatie
bevorderd en ontstaan mogelijkheden van visitatie,
- het versterken van de herkenbaarheid naar de omgeving, ouders, leerlingen en
(toeleverende) scholen. Dit moet hen zicht geven op wat in ieder geval van elke profielschool
verwacht mag worden.

In bijlage 1 van dit verslag is de definitieve versie van het Zelfbeoordelingsinstrument
Begaafdheidsprofiel (ZBI) opgenomen (januari 2010).

B. Landelijk dekkend netwerk van Begaafdheidsprofielscholen
Voor het creëren van een landelijk dekkend netwerk van Begaafdheidsprofielscholen zijn scholen
geworven en geselecteerd die zich in een periode van twee, uiterlijk drie jaar wilden ontwikkelen
tot Begaafdheidsprofielscholen. Hierin is onderscheid gemaakt in een aantal scholen per tranche:
de eerste tranche startte in 2004 met zes scholen. In de daarop volgende schooljaren is het aantal
scholen uitgebreid met telkens negen scholen. De laatste tranche ging in 2006 van start. Hiermee
komt het totaal aantal scholen op 24. CPS heeft hiertoe voor de verschillende scholen de volgende
activiteiten ondernomen:
1. Het maken van een schooldiagnose en het samen met de school opstellen van een actieplan
aan de hand van het door de school ingevulde Zelfbeoordelingsinstrument,
2. Het stimuleren van de uitvoering door facilitering. Afspraken tussen school en CPS zijn
vastgelegd in een samenwerkingscontract (zie bijlage 12),
3. Het monitoren van actieplannen en het geven van feedback aan de scholen door
schoolbezoeken en uitwisselings- c.q. studiebijeenkomsten,
4. Het toetsen van de ontwikkeling van scholen aan de criteria tijdens de visitatie van de school.

C. Continuïteit
Met continuïteit wordt een werkend systeem voor collegiale uitwisseling en samenwerking
bedoeld voor kwaliteitsverbetering en borging van het begaafdheidsprofiel. Tevens zal dit
systeem, dat samen met de scholen is opgezet, de doorontwikkeling van de criteria moeten
garanderen. In paragraaf 1.4 van dit verslag wordt hierop nader ingegaan.


6
Clements, H. & Ricks, E., 2003. The Challenge Award, Provision for Able, Gifted and Talented
Pupils: A Self-Evaluation Framework for Schools and LEAs. Oxford: NACE.
© 2010, GdB, CPS Amersfoort 11
D. Planning en fasering
Tijdpad


Activiteiten


Sept. −
Dec.

2004
Jan. −
Juli

2005
Aug. −
Dec.

2005
Jan.

Juli
2006

Aug. −
Dec.

2006
Jan. −
Juli

2007
Aug. −
Dec.

2007
Jan. −
Juli

2008
Aug.

Dec.
2008
Jan. −
Juli

2009
Aug. −
Dec.

2009
Ontwikkelen
kwaliteits-
criteria
begaafdheids-
profiel
In eerste
aanzet
beschik-
baar
Defini-
tieve
vorm
Werving en
selectie scholen

Opstellen
schooldiagnose
en actieplan
1
e

tranche

2
e

tranche

3
e

tranche

Werving
scholen
o.v.b.
Stimulering
uitvoering
Advisering
individuele
scholen

Tijdens het gehele traject heeft CPS per school ondersteuningstijd gereserveerd om de voortgang met
de school te bespreken volgens de door de school aangegeven activiteiten. Tevens zijn jaarlijks voor
de deelnemende scholen enkele gezamenlijke bijeenkomsten belegd, bedoeld voor studie, collegiale
uitwisseling en consultatie.
Toetsen aan
criteria door
visitatie
1
e

tran-
che
van
6
scho
-len
Sept.
Certifi-
cering
1
e

tranche
2
e

tranche
van 7
scholen
Mrt.
Certifi-
cering
2
e

tranche
2
e
en 3
e

tranche
van 9
scholen
Apr.
Certifi-
cering
2
e
en 3
e

tranche
van 9
scholen
Nog 3
scholen
niet
gecerti-
ficeerd
en 1
e

tranche
weer
visi-
teren
Evaluatie,
tussen-
rapportages en
voortgang

Twee keer per jaar zijn door CPS tussenrapportages opgesteld, gebaseerd op de voortgang per
individuele school en de lopende projectactiviteiten, waaronder het systeem voor collegiale
uitwisseling en de te ontwikkelen kwaliteitscriteria voor het begaafdheidsprofiel.

In bijlage 2 is een overzicht opgenomen van de financiële planning gerelateerd aan de projectplanning
en -activiteiten.

1.3 Deelnemende scholen
In de doelstelling wordt gesproken over scholen die ‘breed toegankelijk’ zijn. Bij de voorbesprekingen
over het project ‘Begaafdheidsprofielscholen’ heeft de opdrachtgever in dit verband onder andere de
voorkeur uitgesproken van brede scholengemeenschappen boven bijvoorbeeld zelfstandige gymnasia.
De motivering hiervoor is dat door verschillende omstandigheden meerdere hoogbegaafde leerlingen
van een basisschool niet het advies krijgen voor vervolgonderwijs dat past bij hun mogelijkheden. Op
toetsen die worden gebruikt om keuzes te maken voor vervolgonderwijs, presteren onderpresteerders
niet op het niveau van vwo/gymnasium, maar eerder op havo- of zelfs vmbo-niveau. Door vooral brede
scholengemeenschappen te stimuleren zich te ontwikkelen tot Begaafdheidsprofielschool − en
daarmee op termijn expertise te verkrijgen om hoogbegaafde leerlingen, die niet als zodanig zijn
binnen gekomen op de school, tijdig te signaleren −, kunnen ook deze leerlingen nog een kans krijgen
‘op te stromen’. Veel complexer is dit op bijvoorbeeld categoriale gymnasia. Immers, hier worden
toelatingseisen gehanteerd die het toelaten van leerlingen beperkt.

© 2010, GdB, CPS Amersfoort 12
Bij de start van het project hadden meerdere scholen, waaronder gymnasia, al met subsidiegelden van
de overheid kennis en ervaring opgedaan om het onderwijs aan en de begeleiding van hoogbegaafde
leerlingen te optimaliseren.
7
Daarom is ervoor gekozen te streven naar een evenredige verdeling van
verschillende typen scholen in het te ontwikkelen netwerk van Begaafdheidsprofielscholen. Zodoende
zijn in dit netwerk de volgende typen scholen te onderscheiden:

1. Zelfstandig gymnasium
Stedelijk Gymnasium Nijmegen, Stedelijk Gymnasium Leeuwarden, Preadinius Gymnasium
Groningen, Stedelijk Gymnasium Schiedam en Utrechts Stedelijk Gymnasium.
2. Lyceum
Theresialyceum Tilburg en Porta Mosana h/v Maastricht.
3. Dalton onderwijs
Stedelijk Dalton Zutphen, Dalton-Vatel Voorburg en Stedelijk Dalton Alkmaar.
4. Brede scholengemeenschap
Hondsrug College Emmen, Vechtdal College Hardenberg, Bonhoeffer College in Enschede, Grotius
College Heerlen, Pallas Athene College Ede, Christelijk Nassau Veluwe College Harderwijk,
Bisschoppelijk College Weert, Gertrudis College Roosendaal, Plein College Eckart Eindhoven,
Nehalennia Middelburg, Thomas a Kempis College Zwolle en RSG Magister Alvinus Sneek.
5. Nieuw onderwijsconcept
IJburg College Amsterdam.

Bij de selectie van scholen is eveneens gekeken naar scholen die al op enige wijze kennis hadden
ontwikkeld door het uitvoeren van andere projecten op de eigen school. Zo zijn scholen als het
Stedelijk Gymnasium Nijmegen, het Hondsrug College in Emmen, Dalton-Vatel in Voorburg en Porta
Mosana in Maastricht gevraagd zich door te ontwikkelen naar Begaafdheidsprofielschool.

Het betrekken van de scholen bij het project is, zoals eerder aangegeven, in fasen gebeurd. Dit had
enerzijds te maken met het aanvankelijk nog niet geheel hebben doorontwikkeld van de
kwaliteitscriteria, waardoor voor scholen niet duidelijk was welke ontwikkeling binnen de eigen school
in gang gezet moest worden en waaraan zij moesten voldoen. Aan de andere kant had dit een
praktische reden: een te groot aantal scholen zou meer inzet vragen op het gebied van ondersteuning
en monitoring. Gekozen is voor het werken vanuit drie tranches van scholen. In een tijdsbestek van
drie jaren zijn scholen gevraagd en geselecteerd voor deelname. Aan deze selectie ging een
oriënterend gesprek met de school vooraf waarna de school een zelfbeoordeling aan de hand van het
Zelfbeoordelingsinstrument uitvoerde. Na het hierop volgende diagnosegesprek, door een CPS-
consultant met de schoolleiding en inhoudelijk betrokkenen van de school, stelde de school een
actieplan op en werden afspraken tussen de school en CPS vastgelegd in een samenwerkingscontract
(zie bijlagen).

In een aantal gevallen is een school waarmee wel een oriënterend gesprek was gevoerd niet
geselecteerd voor deelname. Dit betreft het St. Bonifatius College in Utrecht, het Amstelveen College
in Amsterdam en het Krimpenerwaard College in Krimpen aan de IJssel. In alle gevallen nam een

7
Mameren-Schoehuizen, I. van, Groensmit, M. & Jansen, I., 2006. Zie je me wel, motiveren van begaafde
leerlingen in het VO. Nijmegen: Stedelijk Gymnasium.
© 2010, GdB, CPS Amersfoort 13
tweede school deel aan de selectieprocedure. In Utrecht ging de voorkeur uit naar het Utrechts
Stedelijk Gymnasium, omdat deze school beschikt over veel kennis over en ervaring met de specifieke
kenmerken en behoeften van hoogbegaafde leerlingen. De school neemt ook deel aan het POP- en
TOP-project van meerdere zelfstandige gymnasia. In Amsterdam werd het IJburg College geselecteerd
vanwege het nieuwe onderwijsconcept dat deze school voorstaat. Hiermee treedt een school toe tot
het netwerk van Begaafdheidsprofielscholen die vernieuwende ideeën over onderwijs kan inbrengen.
In het laatste geval is gekozen voor het Stedelijk Gymnasium in Schiedam. De reden hiervoor was dat
de school al over meer aantoonbare kennis beschikte en bovendien ervaring had met het bieden van
onderwijs en begeleiding aan hoogbegaafde leerlingen met een stoornis in het autisme spectrum (ASS).
Deze specifieke kennis is vanuit het oogpunt dat meerdere hoogbegaafde leerlingen een stoornis in het
ASS hebben noodzakelijk voor een netwerk van scholen dat zich profileert voor deze specifieke groep
leerlingen.

Ook zijn tijdens het traject scholen ‘afgevallen’ vanwege onvoorziene ontwikkelingen op de school of
omdat de school niet langer kon voldoen aan de gestelde eisen vanuit het samenwerkingscontract met
CPS. Het betreft hier het Goese Lyceum uit Goes en het Goois Lyceum uit Bussum. Op het Goese
Lyceum bleken andere ontwikkelingen op de school de aandacht te vragen, wat ten koste ging van de
inspanningen die de school moest plegen om te voldoen aan het begaafdheidsprofiel. De school heeft
zelf aangegeven niet langer te kunnen participeren in het project. Op het Goois Lyceum was sprake
van wisselingen in de schoolleiding. Mede hierdoor bleek het voor de school niet mogelijk een breder
draagvlak te creëren onder het docententeam voor het realiseren van ‘passend onderwijs’ voor
hoogbegaafde leerlingen. De school kon ook niet meer voldoen aan de verplichtingen vanuit het
samenwerkingscontract. De projectleiding heeft na meerdere gesprekken met betrokkenen uit de
school de samenwerkingsrelatie beëindigd. Hiermee is het totaal aantal scholen dat participeert in het
project 23 geworden.

Voor de verschillende tranches zijn startbijeenkomsten georganiseerd door en bij CPS. Op deze
bijeenkomst kregen scholen informatie over het project, het Zelfbeoordelingsinstrument, het
actieplan en het samenwerkingscontract (zie bijlage 3). Onderstaand is een overzicht opgenomen van
de scholen die per tranche zijn geselecteerd. Voor de eerste tranche scholen is eveneens een korte
beschrijving gegeven. Voor uitgebreide informatie van alle scholen verwijzen we graag naar de
website van de Vereniging van Begaafdheidsprofielscholen (www.begaafdheidsprofielscholen.nl).
Op deze site is van alle scholen de eigen website te vinden die toegang geeft tot de wijze waarop de
school invulling geeft aan het begaafdheidsprofiel.

De verschillende tranches bestonden uit de volgende scholen:

Eerste tranche:
1. Stedelijk Gymnasium Nijmegen
Het SGN is een school met jarenlange ervaring op het gebied van onderwijs aan hoogbegaafde
leerlingen. Met subsidie van de overheid heeft deze school samen met andere zelfstandige
gymnasia tevens veel kennis en ervaring ontwikkeld in het omgaan met onderpresterende
hoogbegaafde leerlingen. Met het POP en TOP heeft de school inmiddels vele leerlingen
kunnen helpen omgaan met hun onderpresteren. Als onderwijsmodel heeft deze school
gekozen voor het Enrichment-model van Renzulli. Als enige school in Nederland hanteert het
© 2010, GdB, CPS Amersfoort 14
SGN dit model inmiddels op niveau III. De school organiseert regelmatig conferenties over
haar aanpak en wisselt kennis en ervaring uit met scholen in het buitenland, waaronder
Duitsland en Oostenrijk. Tevens is de school betrokken bij meerdere activiteiten die in de
regio Nijmegen plaatsvinden, zoals ontwikkelingen rond het Leonardo-concept en de
afstemming tussen po, vo en wo. De school werkt al vele jaren samen met het CBO en met de
Radboud Universiteit in Nijmegen.

2. Hondsrug College in Emmen
Ook het Hondrug College heeft een lange geschiedenis als het gaat om het onderwijs aan
hoogbegaafde leerlingen. De school werkt vanuit een vwo+ klas concept dat in het verleden
met subsidie van de overheid is gestart. Met de deelname aan het project
Begaafdheidsprofielscholen heeft de school het vwo+ en de zorgstructuur in het vwo
doorontwikkeld. De school kende van oudsher een zorgstructuur ‘aan de onderkant’, welke
niet was doorgevoerd naar havo/vwo. De school heeft te maken gehad met wisselingen in de
schoolleiding, wat de algehele communicatie en coördinatie over het begaafdenbeleid van de
school niet ten goed is gekomen. Regelmatig hebben ouders vragen over de afstemming van
het begaafdenbeleid binnen de school, dat sterk lijkt gefocust op de vwo+ afdeling. Het
ontwikkelen van een breed draagvlak onder docenten en flexibele trajecten voor leerlingen
(ook als ze niet op het vwo+ zitten) zijn daarmee aandachtspunten voor de school. Het
Hondsrug College is actief in het regionale netwerk van het noorden. Hierin zitten behalve de
Begaafdheidsprofielscholen van de noordelijke provincies andere scholen voor voortgezet
onderwijs die hun onderwijs afstemmen op de behoeften van hoogbegaafde leerlingen.
Tevens heeft het Hondsrug College samen met de andere scholen voor voortgezet onderwijs
in Emmen een plusaanbod voor basisschoolleerlingen.

3. Vechtdal College in Hardenberg
Het Vechtdal College heeft de mogelijkheid voor scholen om meer autonoom te worden
aangegrepen om een vwo
Xtra
-afdeling, gericht op meer- en hoogbegaafde leerlingen, te
ontwikkelen. In het brugjaar is een speciale klas ingericht, waarbij gekeken wordt waar
competenties van leerlingen zitten en hoe daarbij kan worden aangesloten. Een kernteam
neemt hierin het initiatief. In de hogere leerjaren zitten de vwo
Xtra
-leerlingen in de reguliere
lessen en volgen zij door middel van de ‘les uit’-kaart eigen activiteiten. Er is onder de
docenten een breed draagvlak voor investering in de meer- en hoogbegaafde leerlingen.
Aandachtspunt voor de school is de onderlinge afstemming en communicatie over het
versterken van de vwo
Xtra-
activiteiten en om hiervoor een structuur te ontwikkelen die
continuïteit garandeert. De school heeft een actieve rol in het netwerk van het noorden.
Tevens speelt de school een rol in het stimuleren van een passend aanbod voor meer- en
hoogbegaafde leerlingen op de nevenvestiging van de school in Dedemsvaart.

4. Bonhoeffer College in Enschede
“Het Bonhoeffer College heeft als centraal thema in haar beleid opgenomen dat we elke
leerling onderwijs op maat willen bieden. Dit blijkt uit diverse ontwikkelingen binnen de
school. De belangrijkste zijn: het project maatwerk op de locatie Geessinkweg, de
ontwikkeling tot technasium van de locatie Bruggertstaat, de bouw van de
scholingsboulevard voor de bovenbouw van het vmbo (in samenwerking met het Stedelijk
© 2010, GdB, CPS Amersfoort 15
Lyceum en het ROC Oost Nederland) en de ontwikkeling van het begaafdheidsprofiel op de
locatie Van der Waalslaan. Binnen dit begaafdheidsprofiel verwachten wij hoogbegaafde
leerlingen onderwijs op maat te bieden. Dat betekent dat de locatie naast een
onderwijsprogramma dat uitdagend is voor deze leerlingen, deze leerlingen indien
noodzakelijk de zorg kan bieden die zij nodig hebben.”
Met name de ontwikkeling van een passende zorgstructuur is een speerpunt geweest voor de
school bij het besluit deel te nemen aan het CPS-project ‘Begaafdheidsprofielscholen’. De
school heeft een convenant gesloten met de Universiteit Twente ten gunste van de
hoogbegaafde leerlingen in de bovenbouw, tweede fase. In het brugjaar wordt gewerkt
vanuit een vwo+ klas. Door te werken vanuit het zogenaamde Compacten en Verrijken
ontstaat er ruimte voor verrijking (verdieping en verbreding). In de hogere leerjaren is er
zowel in de vwo- als in de gymnasiumklassen een plusstroom, waarbij gestreefd wordt naar
het flexibiliseren van het programma passend bij de leerling. De school neemt veel initiatief
in het optimaliseren van de communicatie met de omgeving.

5. Pallas Athene College in Ede
Het Pallas Athene College is een groeiende school nadat zij eerder, in de jaren ’90,
geconfronteerd werd met een ernstige terugloop van leerlingen. Inmiddels heeft de school
een steeds duidelijker profiel gekregen. De ontwikkeling naar Begaafdheidsprofielschool
maakt hiervan onderdeel uit. Centraal in dit profiel staat het zogenaamde ‘eigen tempo’ voor
leerlingen die versneld het vwo doorlopen. Deze versnelling, die het meest nadrukkelijk
gestalte krijgt in de overstap van 2 naar 4 vwo, wordt gecombineerd met een verbreding op
terreinen als cultuur, research of sport. Daarnaast lijkt door de sterke nadruk op de ‘eigen
tempo’-leerlingen of de leerlingen in de huidige ‘sprintklas’ de aandacht voor hoogbegaafde
zorgleerlingen minder in beeld te zijn. Aandachtspunt voor de school is flexibilisering van de
aangeboden programma’s, waarbij meer ruimte is voor specifieke individuele behoeften van
hoogbegaafde (zorg)leerlingen en een integrale aanpak binnen alle leerjaren en vakken.

6. Grotius College in Heerlen
Het Grotius College staat bekend als een school die veel aandacht heeft voor
leerlingbegeleiding. Dit heeft er onder andere toe geleid dat de school, voordat deze toetrad
tot het project Begaafdheidsprofielscholen, al de nodige ervaring had opgedaan in het
realiseren van bijzondere begeleidingstrajecten, ook voor hoogbegaafde leerlingen. Met de
ambitie door te ontwikkelen naar Begaafdheidsprofielschool heeft de school flink
geïnvesteerd in het optimaliseren van de zorgstructuur voor hoogbegaafde leerlingen met
name naar de bovenbouw, het versterken van de Plusstroom voor alle hoogbegaafde
leerlingen, de professionalisering van docenten, het borgen van alle ontwikkelingen in de
daarvoor beschikbare documenten als schoolplan en zorgplan en het vervullen van de
expertiserol in de regio. De school is actief in een netwerk rond hoogbegaafdheid in het
zuiden en LVO (Limburg Voortgezet Onderwijs).

Tweede tranche:
1. Christelijk Nassau Veluwe College in Harderwijk,
2. Goese Lyceum in Goes: deze school is afgevallen,
3. Preadinius Gymnasium in Groningen,
© 2010, GdB, CPS Amersfoort 16
4. Stedelijk Gymnasium Leeuwarden (voorheen Piter Jelles Gymnasium),
5. Theresialyceum in Tilburg,
6. Gertrudis College in Roosendaal,
7. Dalton-Vatel in Voorburg,
8. Bisschoppelijk College in Weert,
9. Stedelijk Dalton College in Zutphen.

Derde tranche:
1. Utrechts Stedelijk Gymnasium,
2. Goois Lyceum in Bussum: deze school is afgevallen,
3. Nehalennia in Middelburg (in de plaats gekomen van het Goese Lyceum, niet gecertificeerd),
4. Thomas a Kempis College in Zwolle (nog niet gevisiteerd),
5. RSG Magister Alvinus in Sneek (onder voorwaarden gecertificeerd),
6. IJburg College in Amsterdam (niet gecertificeerd),
7. Plein College Eckart in Eindhoven,
8. Stedelijk Dalton College in Alkmaar (voorlopig voor één jaar gecertificeerd),
9. Porta Mosana h/v in Maastricht.

De scholen gezamenlijk geven, zoals zichtbaar op de kaart van Nederland in bijlage 15, de gevraagde
landelijke dekking, met dien verstande dat er enkele gebieden zijn waar in de toekomst nog scholen
benaderd zullen worden om ook het begaafdheidsprofiel te gaan voeren.

1.4 Vereniging van Begaafdheidsprofielscholen
In de doelstelling staat dat “continuïteit van de voorziening gegarandeerd wordt”. Met als
concretisering “dat er zodanige processen en structuren zijn ingericht die voldoende garanties geven
dat de voorziening continuïteit heeft”. Vanaf de start van het project is dit telkenmale met de scholen
gecommuniceerd en ook is gevraagd binnen eigen kringen alvast na te denken welke vorm hiervoor het
meest geschikt lijkt. Op 10 februari 2006 heeft bij CPS in Amersfoort een directieoverleg van de
aspirant Begaafdheidsprofielscholen plaatsgevonden. Dit overleg stond in het teken van de organisatie
van de samenwerkingsvorm Begaafdheidsprofielscholen (zie bijlage 13). Voorafgaand aan het
directieoverleg hebben in een kleiner verband verkennende gesprekken plaatsgevonden over
samenwerkingsvormen die geschikt lijken om de genoemde continuïteitsdoelstelling te realiseren. De
resultaten hiervan zijn gepresenteerd tijdens het genoemde directieoverleg. Het resultaat van dit
gesprek is dat gezamenlijk is besloten tot het oprichten van een Vereniging van
Begaafdheidsprofielscholen. Met enkele afgevaardigden van scholen zijn verschillende vervolgstappen
gemaakt, wat heeft geresulteerd in een verenigingstatuut, een logo (zie hieronder) en een bestuur.







© 2010, GdB, CPS Amersfoort 17
Met het samenstellen van een bestuur, bestaande uit een voorzitter, secretaris en penningmeester, is
een begin gemaakt met het gezamenlijk zoeken naar taken en verantwoordelijkheden van de scholen
die lid zijn/worden van de Vereniging van Begaafdheidsprofielscholen. Er zijn bestuurs- en Algemene
Ledenvergaderingen (ALV) belegd, waarbij aanvankelijk de projectleiding vanuit CPS aanwezig was. De
verdeling van taken en verantwoordelijkheden tussen de vereniging en CPS vroegen de nodige
aandacht, met dien verstande dat CPS als projectleider verantwoordelijkheid bleef houden naar de
opdrachtgever. Bij de visitaties is bij de tweede en derde tranche scholen een grotere rol toebedeeld
aan bestuursleden, die steeds de voorzittersrol vervulden. Overige taken, zoals het regelen van
uitnodigingen voor studie- en uitwisselingsbijeenkomsten, het bepalen van de frequentie, inhoud en
aard van de bijeenkomsten, vroegen over en weer de nodige aandacht. Inmiddels is het aantal
bestuursleden uitgebreid met schoolleiders die zich meer richten op inhoudelijke kwesties en daarmee
de verantwoordelijkheid voor inhoudelijke aspecten uit het project en het begaafdheidsprofiel voor
hun rekening nemen. Daarmee zijn deze vertegenwoordigers van de scholen nauwer betrokken bij
inhoudelijke besprekingen met de projectleiding vanuit CPS en kunnen de overige bestuursleden hun
aandacht richten op logistieke zaken. Voor het vervolg zullen er op bestuursniveau nadere afspraken
gemaakt moeten worden over bijvoorbeeld hoe te handelen bij kritische vragen en opmerkingen van
ouders over scholen, of hoe om te gaan met scholen die zich onvoldoende conformeren aan de
gestelde kwaliteitseisen en daarmee mogelijk de Vereniging van Begaafdheidsprofielscholen
benadelen.

© 2010, GdB, CPS Amersfoort 18
2. Kwaliteitscriteria en het Zelfbeoordelingsinstrument (ZBI)

2.1 Basiskwaliteit
Ten behoeve van de in te richten Begaafdheidsprofielscholen is in de aanvang van het project een
aantal kwaliteitscriteria ontwikkeld om daarmee een zekere basiskwaliteit vast te stellen, waaraan
scholen die het profiel gaan voeren, moeten voldoen. Op basis van studies en een consultatieronde
onder scholen, opleiding en wetenschap, waarbij gesproken is over zowel specifieke behoeften van
hoogbegaafde leerlingen, kwaliteitszorg en de implementatie van vernieuwingstrajecten binnen
scholen, is de volgende indeling in kwaliteitscriteria tot stand gekomen (uit: ‘Werkdocument
Begaafdheidsprofielscholen’, CPS 2005; bijlage 1):

1. Organisatie en beleid: hierbij gaat het om zaken als visie op onderwijs en in het bijzonder op
onderwijs aan hoogbegaafde leerlingen, helderheid van doelstellingen, plan van aanpak,
organisatie van flexibele leerarrangementen en examenregelingen, docenten als coach en tutor,
adoptierelaties met bedrijven en vervolgopleidingen, enz.,
2. Onderwijs en leren: hierbij gaat het om zaken als flexibiliteit van de organisatie en het rooster,
het realiseren van individuele leerarrangementen en een leercontinuüm, de beschikbaarheid van
ICT, leermiddelen en voorzieningen, deskundigheid van het docententeam,
3. Zorg en begeleiding: omdat ook hoogbegaafde leerlingen leer- en gedragsproblemen kunnen
ervaren en mede daardoor onder hun feitelijke mogelijkheden kunnen gaan presteren, het
zogenaamde ‘onderpresteren’, is het essentieel dat een Begaafdheidsprofielschool beschikt over
de expertise van een schoolpsycholoog, de juiste materialen (testen, signaleringslijsten,
handelingsplannen) om deze ‘zorg’-leerlingen optimaal te kunnen diagnosticeren en begeleiden/
coachen; een zorgstructuur waarin de taken en verantwoordelijkheden van een zorgcoördinator,
leerlingbegeleider en schoolpsycholoog of orthopedagoog, mentor en docent binnen de school
alsmede de taken en verantwoordelijkheden van instanties buiten de school, maar binnen het
samenwerkingsverband zijn beschreven en gerealiseerd,
4. Heldere communicatie met ouders, leerlingen en omgeving over verwachtingen en
(on)mogelijkheden, het werken met leercontracten waarin doelen, verwachtingen en
verantwoordelijkheden van betrokkenen zijn verwoord,
5. Kwaliteitsverbetering en borging: de wijze waarop intern en in samenwerking met andere
profielscholen de doelen geformuleerd en bijgesteld en resultaten gevolgd worden,
6. Profijt voor andere leerlingen: met het treffen van maatregelen ten behoeve van het profiel
begaafdheid ontstaan er ook voor de overige leerlingen binnen de school legio mogelijkheden om
individueler onderwijs te krijgen, bijvoorbeeld door de flexibele roosters en aangepaste
examenregelingen, de uitgebreide zorgstructuur en de samenwerking met scholen binnen het
samenwerkingsverband en de vervolgopleidingen.

2.2 Zelfbeoordelingsinstrument (ZBI)
Het Zelfbeoordelingsinstrument (ZBI) heeft gedurende de gehele projectperiode een centrale rol
gespeeld bij zowel de selectie als de schoolanalyse en –diagnose, het ontwikkeltraject dat de school in
ging en de visitatie en de eindbeoordeling en kwalificatie van de school.
© 2010, GdB, CPS Amersfoort 19
Het analyse-instrument biedt scholen zowel de mogelijkheid kritisch naar de eigen school te kijken als
wel doelen en activiteiten te formuleren teneinde op termijn te voldoen aan de gestelde criteria. Het
ontwikkelen en definitief vormgeven van het ZBI heeft, zoals te verwachten, enige tijd in beslag
genomen.

In het tweede projectjaar is bij bovengenoemde thema’s in samenspraak met de eerste tranche
scholen een opzet met standaarden en indicatoren ontwikkeld. Zodoende is een eerste werkversie van
het ZBI ontstaan. Dit instrument heeft, op enkele aanpassingen na, gedurende de projectperiode tot
en met juli 2009 een belangrijke functie gehad bij de verschillende activiteiten binnen het project en
de scholen. Immers, alle indicatoren gezamenlijk geven aan wat het begaafdheidsprofiel inhoudt voor
scholen, waarbij scholen de ruimte krijgen op eigen wijze vorm te geven aan de pedagogische en
didactische situatie voor de (hoog)begaafde leerlingen. Hierdoor ontstaat er mogelijk een grote
differentiatie in aanpak, maar dat stimuleert de keuzemogelijkheid van ouders en leerlingen voor een
bepaalde aanpak en geeft scholen de mogelijkheid van elkaar te leren.

Tijdens het project zijn er verschillende perioden onderscheiden voor scholen. Bij de selectie voor
deelname maakten scholen kennis met de kwaliteitscriteria en maakten ze aan de hand van het ZBI
een eerste analyse van de huidige feitelijke situatie op de school.

Vervolgens gaven ze aan voor welke onderdelen ze voor één schooljaar actie wilden ondernemen. Dit
werd uitgewerkt en beschreven in het al vermelde actieplan of ontwikkelplan (zie bijlage 4), dat
onderdeel uitmaakte van de samenwerkingsovereenkomst met CPS (zie bijlage 12).

Aan het eind van elk schooljaar werd door de school een verslag of rapportage opgesteld waaruit
zichtbaar werd op welke onderdelen de scholen progressie heeft geboekt (zie bijlage 5). Dit gaf de
school ook weer aan in het opnieuw ingevulde ZBI. Deze procedure heeft zich enkele malen herhaald,
met als resultaat dat de meeste scholen na twee schooljaren konden voldoen aan een groot aantal van
de kwaliteitscriteria. Voor de criteria waaraan de school nog niet of slechts gedeeltelijk voldeed,
werden nieuwe afspraken gemaakt met de projectleiding en binnen de samenwerkingsvorm met de
andere Begaafdheidsprofielscholen. Hiermee wordt benadrukt dat er ruimte blijft tot verder
ontwikkelen.

Tot slot heeft het ZBI een belangrijke rol gespeeld bij de visitatiegesprekken die met scholen zijn
gevoerd aan het einde van de ontwikkelperiode van de school. Ook dan stuurde de school met de
overige documenten een ZBI mee, waarin de feitelijke situatie van dat moment werd aangegeven.

Tijdens de projectperiode is het ZBI op verschillende momenten punt van discussie geweest met
scholen. Zo waren sommige scholen de mening toegedaan dat enkele van de indicatoren niet op hun
situatie van toepassing waren, omdat zij op een andere manier werkten dan wel vonden dat zij
daaraan niet hoefden te voldoen. Bijvoorbeeld het inzetten van objectieve gekwalificeerde testen om
de hoogbegaafde leerlingen te identificeren, het maken van structurele afspraken met een
orthopedagoog of psycholoog, deelname aan intervisiebijeenkomsten, adoptierelaties met bedrijven
en vervolgopleidingen, het werken met een portfolio, het betrekken van ouders bij het onderwijs aan
de hoogbegaafde leerlingen, enz. In de gesprekken die hierover met scholen zijn gevoerd, soms
individueel soms binnen verenigingsverband tijdens intervisie- en uitwisselingsbijeenkomsten, is steeds
© 2010, GdB, CPS Amersfoort 20
beargumenteerd vanuit de specifieke behoeften van hoogbegaafde leerlingen, aangevuld met kennis
vanuit de theorie waarom bepaalde indicatoren nadrukkelijk onderdeel uitmaken van het
begaafdheidsprofiel. Scholen die al meer kennis en ervaring hadden met het afstemmen van het
onderwijs voor en de begeleiding van hoogbegaafde leerlingen hadden van meet af aan minder moeite
met de gestelde kwaliteitscriteria. Bij deze scholen hadden vragen meer betrekking op hoe ze gewend
waren zaken binnen de eigen school te organiseren. Duidelijk werd wel dat het begaafdheidsprofiel
van scholen verschillende ontwikkelingen vraagt. Deze liggen zowel op het terrein van kennis over
deze specifieke groep leerlingen als kwesties die spelen op het niveau van schoolontwikkeling en
implementatie van een vernieuwing. In de contacten gaven scholen wel aan dat het ZBI veel
ondersteuning biedt bij het opzetten van schoolbeleid hoogbegaafdheid en dat het instrument wat dat
betreft compleet is.

De definitieve versie van het ZBI, zoals opgenomen in bijlage 1 van dit verslag, heeft dezelfde
indicatoren als de werkversie. Op grond van ervaringen is een aantal indicatoren toegevoegd. Tevens
zijn alle indicatoren waarop geen eenduidig antwoord gegeven kon worden dusdanig aangepast dat dit
nu wel het geval is. Bijvoorbeeld:

Thema 1: Organisatie en beleid
Standaard 1: Er is een visie op onderwijs en leren van hoogbegaafde leerlingen:
Indicator 1: In het schoolplan is de visie op onderwijs in het algemeen en voor hoogbegaafde
leerlingen in het bijzonder beschreven.
Is gewijzigd in:
1. In het schoolplan is de visie van de school op onderwijs beschreven.
2. In het schoolplan is de visie van de school op onderwijs voor hoogbegaafde leerlingen beschreven.

Thema 2: Onderwijs en leren
Standaard 2: Er is sprake van een variatie in instructie, didactiek, werk- en groeperingsvormen:
Indicator 1: Docenten zijn competent in het toepassen van instructie en didactiek passend bij de leer-
en denkstrategieën van hoogbegaafde leerlingen.
Is gewijzigd in:
1. Alle docenten die lesgeven aan hoogbegaafde leerlingen stemmen hun instructie en didactiek af
op de leer- en denkstrategieën van deze leerlingen.

Thema 2: Onderwijs en leren
Standaard 4: Er is een klimaat waarin waardering is voor het leveren van (intellectuele) prestaties:
Indicator 1: Er is een sfeer waarin de mentor/docenten de leerlingen − ook bij goede resultaten −
uitdagen hun talenten te ontplooien.
Indicator 2: De sfeer tussen leerlingen onderling is zodanig, dat het leveren van prestaties, versnellen
of verdiepen volledig geaccepteerd wordt.
Zijn gewijzigd in:
1. Er is bij het hele team bereidheid om talent de ruimte te geven.
2. Er is een sfeer waarin de school/alle docenten de leerlingen uitdagen hun talenten te ontplooien.
3. De sfeer tussen alle leerlingen onderling is zodanig, dat het leveren van (intellectuele) prestaties
op onderdelen volledig geaccepteerd wordt.
4. De sfeer tussen alle leerlingen onderling is zodanig, dat het versnellen op onderdelen volledig
geaccepteerd wordt.
5. De sfeer tussen alle leerlingen onderling is zodanig, dat het verdiepen en verbreden op
onderdelen volledig geaccepteerd wordt.
© 2010, GdB, CPS Amersfoort 21

Met de huidige aanpassingen kan worden vastgesteld wat daadwerkelijk gerealiseerd is binnen de
school en op welke onderdelen nog verdere actie moet worden ondernomen. Het een en ander is
tevens het resultaat van veldraadplegingen tijdens intervisie en uitwisselingsbijeenkomsten met
betrokkenen uit de deelnemende projectscholen en gesprekken met collega-consultants van CPS.
Daarnaast is tijdens het traject door scholen voorgesteld het ZBI te digitaliseren. Door nu de
indicatoren steeds slechts betrekking te laten hebben op één aspect kan dit eveneens gemakkelijker
worden gerealiseerd. De opdracht tot digitaliseren is inmiddels uitbesteed.
Gezocht wordt nog naar een manier om hierin tevens per thema een kwalificatie aan te brengen.

2.3 Vragenlijst scholen en resultaten
Aan het einde van de projectperiode 2004-2009 is de scholen die deelnemen aan het project gevraagd
een vragenlijst in te vullen (zie bijlage 11). Deze vragenlijst is samengesteld aan de hand van de
indicatoren van het ZBI. Voor elk thema dat hierin wordt onderscheiden is een aantal vragen opgesteld
met als doel helder te krijgen welke aspecten in meer of mindere mate door scholen zijn gerealiseerd.
De vragen zijn directief geformuleerd en ook de door de school te geven reactie is directief. Dit om
helder te krijgen welke aspecten van het begaafdheidsprofiel scholen meer tijd kosten om te
realiseren.
Hieronder wordt per onderscheiden thema een overzicht gegeven van de vragen en de reacties hierop
door de scholen. Van de 23 scholen die zijn aangeschreven hebben zestien scholen het formulier aan
CPS teruggestuurd. De zes scholen die niet hebben gereageerd zijn: Pallas Athene College in Ede, RSG
Magister Alvinus in Sneek, IJburg College in Amsterdam, Stedelijk Dalton in Alkmaar, Stedelijk
Gymnasium in Leeuwarden en Preadinus Gymnasium in Groningen.

Thema 1: Organisatie en beleid

Vragen:
1. Heeft de school een duidelijke beleidsstructuur vastgesteld over het onderwijs aan hoogbegaafde
leerlingen?
2. Zijn de theoretische uitgangspunten van wat de school verstaat onder hoogbegaafdheid
vastgelegd?
3. Zijn taken en verantwoordelijkheden met betrekking tot onderwijs en zorg aan hoogbegaafde
leerlingen verankerd binnen de organisatie?
4. Zijn er voldoende financiële middelen gereserveerd om continuïteit van het begaafdheidsprofiel
te garanderen?
5. Is er in het onderwijsaanbod sprake van voldoende verbreding naast het reguliere aanbod?
6. Is er in het onderwijsaanbod spraken van voldoende verbreding naast het reguliere aanbod?
7. Heeft de school voldoende capaciteit om het verbredingsaanbod structureel te realiseren?
8. Is binnen het professionaliseringsbeleid van de school continuïteit in deskundigheidsontwikkeling
van het team gegarandeerd?

© 2010, GdB, CPS Amersfoort 22
Tabel 1: Organisatie en beleid N=1











Vraag Score ja Score nee Score
ja/nee
1 15 1
2 12 4
3 14 2
4 10 5 1
5 11 4 1
6 10 6
7 14 2
8 13 3

Uit de antwoorden blijkt dat bijna alle scholen beleid hebben vastgesteld over het onderwijs en de
begeleiding van hoogbegaafde leerlingen. Tevens zijn binnen de meeste scholen de taken en
verantwoordelijkheden hierin duidelijk en is er voldoende capaciteit om het een en ander te
realiseren. Ook het professionaliseringsbeleid lijkt voldoende zekerheid te bieden voor continuïteit.
Vragen kunnen worden gesteld of er voldoende aanbod is voor hoogbegaafde leerlingen naast het
reguliere programma. Verschillende scholen geven aan dat de financiële middelen mogelijk niet
voldoende zijn om continuïteit te garanderen.

Thema 2: Onderwijs en leren

Vragen:
9. Is er binnen het docententeam draagvlak voor het begaafdheidsprofiel van de school?
10. Heeft elke vaksectie een docent die geschoold is in het lesgeven aan hoogbegaafde leerlingen?
11. Zijn er binnen het team grote verschillen tussen docenten op het gebied van kennis en ervaring
met het lesgeven aan hoogbegaafde leerlingen?
12. Stelt de school docenten voldoende in de gelegenheid hun onderwijs af te stemmen op specifieke
behoeften van hoogbegaafde leerlingen?
13. Geven docenten aan zich voldoende competent te voelen om hoogbegaafde leerlingen in hun
leerontwikkeling te begeleiden?
14. Is er sprake van een doorlopend aanbod voor hoogbegaafde leerlingen van leerjaar 1 t/m het
examen?
15. Heeft de school een leerling-registratiesysteem waarmee de leerontwikkeling van hoogbegaafde
leerlingen kan worden geregistreerd?
16. Is er sprake van een schoolklimaat waarin leerlingen mogen excelleren op uiteenlopende
talentgebieden?
17. Zijn docenten in staat tijdens hun lessen leerlingen aan verschillende taken te laten werken?
18. Kunnen alle docenten die ook lesgeven aan hoogbegaafde leerlingen instructie afstemmen op hun
specifieke leerstrategieën?
19. Hebben docenten voldoende kennis en inzicht om ook hoogbegaafde leerlingen continuïteit in hun
leerontwikkeling te bieden?
20. Kunnen docenten ermee omgaan dat hoogbegaafde leerlingen soms meer van een onderwerp
weten dan zijzelf?
21. Zijn docenten voldoende toegerust om hoogbegaafde leerlingen binnen hun vakgebied een eigen
leerroute te laten volgen?
© 2010, GdB, CPS Amersfoort 23
22. Zijn docenten in staat het integrale karakter van het begaafdheidsprofiel vorm te geven binnen de
eigen lessen?

Tabel 2: Onderwijs en leren N=16

Vraag Score ja Score nee Score
ja/nee
9 14 1 1
10 6 10
11 14 2
12 13 3
13 7 9
14 8 6 1
15 13 3
16 16
17 11 2 3
18 4 9 3
19 6 7 3
20 12 3 1
21 7 6 2
22 5 6 4






















Op vraag 21 en 22 is één blanco reactie.

Scholen geven aan dat er draagvlak is binnen het docententeam, dat docenten voldoende gelegenheid
krijgen het onderwijs af te stemmen op hoogbegaafde leerlingen, maar dat docenten aangeven zich
nog niet voldoende competent te voelen om aan deze leerlingen les te geven. Scholen erkennen dat
niet in elke vaksectie een docent geschoold is en ook dat docenten nog niet over voldoende kennis
beschikken om hun instructie af te stemmen op hoogbegaafde leerlingen en hen continuïteit in hun
leerontwikkeling te bieden. En al mogen leerlingen op alle scholen wel excelleren, er is nog niet op
alle scholen sprake van een leercontinuüm tot en met het examen. Volgens de scholen zijn docenten
wel in staat tijdens de lessen leerlingen aan verschillende taken te laten werken. Echter, invulling
geven aan het integrale karakter van het begaafdheidsprofiel vraagt nog enige aandacht.

Thema 3: Zorg en begeleiding

Vragen:
23. Heeft de school een zorgplan waarin de zorg en begeleiding voor hoogbegaafde leerlingen
expliciet is beschreven?
24. Heeft de school voldoende financiële middelen gereserveerd ten behoeve van de zorg en
begeleiding van hoogbegaafde leerlingen?
25. Wordt er voor de identificatie van hoogbegaafde leerlingen gebruik gemaakt van specifieke op
deze leerlingen gerichte gekwalificeerde testen?
26. Is er bij de toelating van hoogbegaafde leerlingen sprake van een zogenoemde ‘koude’
overdracht?
27. Is er bij de toelating van hoogbegaafde leerlingen ook sprake van een ‘warme’ overdracht?
28. Spelen ouders een belangrijke rol bij de identificatie en selectie van hun hoogbegaafde kind?
29. Is er op de school voldoende specifieke deskundigheid aanwezig om risicofactoren van
hoogbegaafde leerlingen tijdig te herkennen?
© 2010, GdB, CPS Amersfoort 24
30. Heeft de school specifieke functionarissen in dienst voor de signalering en begeleiding van
hoogbegaafde onderpresterende leerlingen?
31. Kunnen hoogbegaafde leerlingen van alle leerjaren een beroep doen op de begeleiding van een
‘persoonlijk mentor’?
32. Nemen specialisten van de school deel aan voor hen geschikte scholings- en intervisiedagen
(minimaal twee keer per jaar)?
33. Is er bij het docententeam acceptatie dat ook hoogbegaafde leerlingen specifieke zorg- en
begeleiding nodig kunnen hebben?

Tabel 3: Zorg en begeleiding N=16
Vraag Score ja Score nee Score
ja/nee
23 13 1 2
24 14 2
25 15 1
26 4 12
27 15 1
28 12 3 1
29 13 3
30 13 3
31 12 3 1
32 15 1
33 14 1 1

Uit de tabel komt naar voren dat de meeste scholen inmiddels een zorgplan hebben waarin de zorg
voor hoogbegaafde leerlingen is beschreven. Voor de identificatie van hoogbegaafde leerlingen wordt
gebruik gemaakt van gekwalificeerde testen. Er sprake van een ‘warme’ overdracht, maar scholen
lijken in mindere mate te kunnen beschikken over informatie uit ‘koude’ overdracht. Hierop zou
doorgevraagd moeten worden, omdat bekend is dat veel scholen onder andere gebruik maken van de
CITO-scores bij de aanname van leerlingen. De meeste scholen geven aan specialisten binnen de
school te hebben ten behoeve van de begeleiding van hoogbegaafde leerlingen, die ook deelnemen
aan scholingsdagen. Binnen het docententeam onderkent men de zorgbehoefte van hoogbegaafden.

Thema 4: Communicatie met ouders, leerlingen en omgeving

Vragen:
34. Zijn ouders van (hoog)begaafde leerlingen zijn goed geïnformeerd over het begaafdheidsprofiel
van de school?
35. Vindt er regelmatig overleg plaats met de ouders van de hoogbegaafde leerlingen in alle leerjaren
over de vorderingen van hun kind?
36. Is er een klankbordgroep voor ouders van hoogbegaafde leerlingen?
37. Hebben ouders een actieve rol in het meedenken over en het ontwikkelen van voor hoogbegaafde
leerlingen uitdagende activiteiten?
38. Wordt het profiel van de school intern duidelijk met alle betrokkenen gecommuniceerd?
39. Wordt het profiel van de school extern duidelijk door alle betrokkenen uitgedragen?
40. Heeft de school goede contacten met meerdere externe instanties inzake buiten-curriculaire
activiteiten?
© 2010, GdB, CPS Amersfoort 25
41. Ervaart de school door het begaafdheidsprofiel concurrentie met andere scholen en initiatieven in
de regio?
Tabel 4: Communicatie met ouders, leerlingen en omgeving N=16
Vraag Score ja Score nee Score
ja/nee
34 14 2
35 13 2 1
36 9 7
37 8 8
38 12 3 1
39 11 5
40 11 4
41 4 12










Op vraag 40 is één blanco reactie.

Uit de reacties van de scholen blijkt dat ouders goed worden geïnformeerd over het
begaafdheidsprofiel van de school en dat ouders op de hoogte worden gehouden van de vorderingen
van hun kind. Ouders hebben nog beperkt een actieve rol op de scholen, met name als het gaat om
meedenken over uitdagende activiteiten. Het begaafdheidsprofiel lijkt geen nadelige invloed te
hebben op de concurrentiepositie met scholen in de regio.

Thema 5: Kwaliteitsverbetering en borging

Vragen:
42. Is de interne schoolontwikkeling betreffende de continuering van het begaafdheidsprofiel geborgd
in beleid?
43. Is er binnen het team sprake van draagvlak om het profiel voor nu en in de toekomst te
continueren?
44. Is de school op de hoogte van de laatste ontwikkelingen op het gebied van hoogbegaafdheid in het
algemeen en hoogbegaafde kinderen/leerlingen in het bijzonder?
45. Staat de school positief tegenover het doorontwikkelen van het begaafdheidsprofiel?
46. Levert de school een actieve bijdrage aan het landelijk netwerk van Begaafdheidsprofielscholen?
47. Werkt de school intensief samen met de andere scholen in het netwerk van
Begaafdheidsprofielscholen?
48. Deelt de school haar kennis en ervaring met andere scholen in de regio?

Tabel 5: Kwaliteitsverbetering en borging N=16

Vraag Score ja Score nee Score
ja/nee
42 15 1
43 14 1 1
44 13 3
45 16
46 16
47 9 7
48 15 1









© 2010, GdB, CPS Amersfoort 26

Scholen geven aan dat de ontwikkeling die zij hebben doorlopen binnen het begaafdheidsprofiel is
geborgd in het beleid. Alle scholen die de vragenlijst hebben ingevuld geven aan positief te staan
tegenover het doorontwikkelen van het begaafdheidsprofiel op de eigen school en dat ook het team
hier achter staat. Scholen zouden meer kunnen samenwerken binnen het netwerk van
Begaafdheidsprofielscholen.

Thema 6: Profijt voor andere leerlingen

Vragen:
49. Is er binnen de school ook aandacht voor andere talenten van leerlingen naast de
hoogbegaafdheid van leerlingen?
50. Hebben andere leerlingen binnen de school de mogelijkheid op talentgebieden deel te nemen aan
activiteiten voor hoogbegaafde leerlingen?

Tabel 6: Profijt voor andere leerlingen N=16

Vraag Score ja Score nee Score
ja/nee
49 16
50 13 3




Alle scholen geven aan dat er binnen de school ook aandacht is voor andere talenten naast de
hoogbegaafdheid van leerlingen. Ook zouden andere leerlingen mee kunnen doen aan de voor
hoogbegaafde leerlingen ontwikkelde activiteiten. Dit laatste vraagt om navraag bij de scholen, omdat
uit andere observaties naar voren is gekomen dat dit slechts op een enkele school het geval is. Bij de
meeste scholen die het begaafdheidsprofiel voeren zijn de specifieke (leer)activiteiten voorbehouden
aan de groep hoogbegaafde leerlingen en niet toegankelijk voor leerlingen uit andere afdelingen.
© 2010, GdB, CPS Amersfoort 27
© 2010, GdB, CPS Amersfoort 28
3. Ontwikkeling naar het begaafdheidsprofiel

3.1 Ontwikkelingen op scholen
Zoals aangegeven in paragraaf 1.2 zijn de aanstaande Begaafdheidsprofielscholen sterk gegroeid
gedurende het traject. Geen van de scholen, ook niet de scholen die al jaren ervaring hadden in het
bieden van ‘maatwerk voor talent’, voldeed bij de start van het project aan de gestelde
kwaliteitscriteria. Alle scholen die zijn geselecteerd, hebben een grote ontwikkeling doorgemaakt. Dat
geldt zeker voor de scholen die vanuit een ‘nul’-situatie instapten. Willen scholen ook op termijn
blijven voldoen aan de criteria, dan blijft een kritische houding naar de eigen feitelijke situatie in
relatie tot het begaafdheidsprofiel een aandachtspunt en zal er sprake blijven van het
doorontwikkelen op thema’s.

CPS heeft tijdens de projectperiode scholen ondersteund en geadviseerd bij de schoolspecifieke
ontwikkeling. Een eerste stap hierin werd gemaakt nadat het diagnosegesprek op de school had
plaatsgevonden op grond van de zelfbeoordeling en -analyse van de school met behulp van het ZBI.
Samen met de school werd gekeken waar prioriteiten lagen en hoe daarmee om te gaan in combinatie
met andere ontwikkelingen die op de school actueel waren. ‘Groot denken, klein beginnen’, was
hierbij het motto. Een en ander werd vastgelegd in het actie- of ontwikkelplan van de school, waarin
doelen werden vertaald in activiteiten en tastbare resultaten en waarin werd aangegeven wie daarbij
betrokken werden. Afhankelijk van specifieke vragen van de school was CPS bij deze ontwikkeling in
meer of mindere mate betrokken. Op een aantal scholen is vanuit CPS een scholingstraject voor
docenten uitgevoerd, of hebben bijvoorbeeld meerdere gesprekken plaatsgevonden naar aanleiding
van vragen over het opzetten van de zorgstructuur. Vanuit het project vond in ieder geval jaarlijks een
‘rondje langs de scholen’ plaats. Aan de hand van het actieplan en de tot dan toe gerealiseerde
doelen werden de voortgang en haalbaarheid van de gestelde doelen besproken en werden eventuele
wijzigingen aangebracht.

Naast deze schoolspecifieke ondersteuning is vanuit CPS een aantal studie- en intervisiebijeenkomsten
geïnitieerd. Deze bijeenkomsten hadden enerzijds tot doel op onderdelen te streven naar
gezamenlijke kennis en kwaliteit en anderzijds om scholen meer met elkaar in contact te brengen,
kennis en ervaring te delen, knelpunten en successen te bespreken, te leren van elkaar. Thema’s die
op deze bijeenkomsten aan bod zijn gekomen en die vaak werden verzorgd door externe deskundigen,
waren vooral gericht op specifieke kenmerken van hoogbegaafde leerlingen en problemen die deze
leerlingen in een schoolse leersituatie kunnen ontwikkelen, indien er onvoldoende afstemming
plaatsvindt op hun sociaal-emotionele en didactische behoeften. Zo zijn onder meer de volgende
thema’s behandeld:
‐ Identificatie van hoogbegaafde leerlingen en diagnostische testen die hiervoor kunnen worden
gebruikt (zie bijlage 6),
‐ Leerling-besprekingen volgens de ‘direct effect-methode’ aan de hand van casuïstiek,
‐ Hoogbegaafdheid en autisme spectrum stoornissen (ASS),
‐ Onderpresteren: herkennen, diagnosticeren en begeleiden,
‐ Het motiveren van leerlingen,
‐ Het opzetten van een zorgstructuur (zie bijlage 7),
© 2010, GdB, CPS Amersfoort 29
‐ Interpretatie van de indicatoren uit het ZBI,
‐ Schoolspecifieke aanpakken, zoals POP en TOP.

De bijeenkomsten werden goed bezocht en boden, zoals uit de reacties van de aanwezigen bleek,
noodzakelijke aanvullingen op de complexe opdracht die uit het begaafdheidsprofiel voortkomt.
Scholen werden zich er steeds meer van bewust dat het begaafdheidsprofiel veel vraagt van een
school. Dit wordt veroorzaakt door het gegeven dat het profiel alleen kan landen in een organisatie als
er draagvlak is bij het gehele team en binnen alle geledingen van de school.
Bij scholen die sterk afhankelijk bleven van slechts enkele enthousiaste docenten of een
zorgcoördinator stagneerde de ontwikkeling. En, scholen met een te eenzijdig georiënteerde aanpak −
bijvoorbeeld alleen plusklas-achtige activiteiten, een versneld curriculum of een te sterke focus op de
onderbouw of zorgleerlingen − kunnen op termijn niet voldoen aan de integrale aanpak die het
begaafdheidsprofiel voorstaat. Zaken als een doorlopende, ononderbroken leerontwikkeling van
leerjaar 1 tot en met het examen, deskundigheid bij alle docenten die lesgeven aan hoogbegaafde
leerlingen en individuele flexibele leertrajecten passend bij de ‘eigen-aardigheden’ van hoogbegaafde
leerlingen, worden hierdoor ernstig bemoeilijkt en in een aantal gevallen niet gerealiseerd. Dit zijn
thema’s die met de scholen gezamenlijk en individueel besproken zijn en die ook voor de
doorontwikkeling van het begaafdheidsprofiel veel aandacht blijven vragen willen de scholen zich
kunnen onderscheiden van scholen die het profiel niet voeren en de kwaliteit kunnen bieden die het
profiel veronderstelt.

Veel aandacht is ook uitgegaan naar de borging van kennis, inzicht en verworvenheden in daarvoor
geschikte documenten. In het kader van het te voeren profiel is en blijft het belangrijk dat een en
ander geborgd is in functionarissen binnen de school en dat de school bewaakt dat nu aanwezige
kennis en ervaring aanwezig blijft. Op een enkele school na is hierin door alle scholen veel energie
gestoken met het gewenste resultaat. In de meeste scholen zal hiervoor in de vervolgactiviteiten van
het project nog de nodige inspanning moeten worden gepleegd. Zo zullen op deze scholen alle
docenten die lesgeven aan hoogbegaafde leerlingen dienen te beschikken over de noodzakelijke kennis
over uitingsvormen van hoogbegaafdheid, ontstaan van onderpresteren, denk- en leerstrategieën die
hoogbegaafde leerlingen geneigd zijn in te zetten, moeten zij onderpresteerders kunnen herkennen en
begeleiden, enzovoort. Ook is verdere scholing en verdieping nodig bij zorgcoördinatoren en in een
aantal gevallen zelfs bij de door de school in te zetten orthopedagoog of psycholoog. Intervisie en
studiebijeenkomsten waarover eerder is geschreven kunnen hieraan bijdragen.

Een belangrijk aandachtspunt in het begaafdheidsprofiel is de wijze waarop de school met de ouders
van de hoogbegaafde leerlingen communiceert. Ouders kunnen over het algemeen goede informatie
over hun kind aandragen en dat geldt zeker voor ouders van hoogbegaafde kinderen. Er zijn
voorbeelden bekend van leerlingen die door een school niet geïdentificeerd werden als zijnde
hoogbegaafd, met een laag advies binnenkwamen vanuit het primair onderwijs en daarmee ook niet
geselecteerd werden voor de extra activiteiten voor deze leerlingen binnen de school, terwijl ouders
te kennen gaven dat hun kind toch echt meer kan en zelfs hoogbegaafd is. Ook kunnen ouders vaak
goed uitleggen wat hun kind nodig heeft om bijvoorbeeld wel goed te kunnen presteren of wat
docenten beslist niet moeten doen om hun onderpresterende hoogbegaafde kind bij een taak te
betrekken. Van bijna alle scholen zijn situaties bekend waarin de school er niet in is geslaagd een
© 2010, GdB, CPS Amersfoort 30
hoogbegaafde (onderpresterende) leerling een leertraject aan te bieden waarmee de leerling zich
positief verder kon ontwikkelen. Bij meerdere scholen blijkt het inhoud en vorm geven aan flexibele
individuele leertrajecten nog ‘een brug te ver’.
Ouders kunnen daarnaast ook betrokken worden bij het meedenken over geschikte uitdagende
(leer)activiteiten en mogelijk zelfs bij de uitvoering van een aantal activiteiten. Op de meeste scholen
is met name dit voorlopig nog een ontwikkelpunt. Scholen informeren ouders meestal al wel in allerlei
folders en de schoolgids welke activiteiten zij organiseren voor hoogbegaafde, meerbegaafde, slimme
of snelle leerlingen of leerlingen die meer aan kunnen. In het enthousiasme het begaafdheidsprofiel te
gaan voeren. traden scholen in een aantal gevallen erg snel naar buiten. Dit riep hoge verwachtingen
op bij met name de ouders, maar legde ook de lat hoog voor de verschillende functionarissen binnen
de school. Vanuit CPS is als reactie hierop een flyer ontwikkeld (zie bijlage 8), die in de startperiode
van het project kon worden ingezet door scholen, om bekendheid te geven over het project en
waarmee de scholen naar buiten toe konden communiceren. Hiermee werden de verwachtingen die de
omgeving kon hebben zo realistisch mogelijk weergegeven om daarmee kregen scholen de tijd zich te
ontwikkelen en aan de verwachtingen die het profiel oproept te voldoen. Na verloop van tijd is de
communicatie met de omgeving een belangrijk aandachtspunt geworden. In de kwaliteitsstandaarden
wordt van scholen gevraagd een expertisefunctie voor de omgeving van de school te vervullen. Dit
houdt onder andere in het versterken van de communicatie naar scholen in de regio, zodat deze
scholen weten welk profiel de school voert. Ook kunnen scholen in de omgeving de deskundigheid van
de Begaafdheidsprofielschool inschakelen ten behoeve van eigen hoogbegaafde leerlingen. Omdat de
ontwikkeling van het profiel eerst schoolintern vorm en inhoud moet krijgen alvorens men naar buiten
kan treden en de ontwikkeling schoolintern de nodige tijd vergt, is ook dit een belangrijk thema waar
in het vervolg nog in geïnvesteerd moet worden.

Zoals ook eerder aangegeven in dit verslag beschreven de scholen de schoolspecifieke ontwikkeling
van een schooljaar in een jaarverslag, waarin eveneens werd aangegeven op welke wijze de
beschikbare stimuleringsbijdragen waren besteed. In dit jaarverslag werd zichtbaar of de gestelde
doelen, zoals beschreven in het actieplan, waren gerealiseerd en op welke wijze dit zichtbaar was
binnen de school en documenten. In een aantal gevallen bleek het voor scholen niet steeds eenvoudig
om de ontwikkeling op een dusdanige wijze te beschrijven dat duidelijk werd wat concreet de
opbrengst was van het betreffende schooljaar. Bij het jaarverslag werd opnieuw gevraagd het ZBI in te
vullen. Het jaarverslag en dit ZBI waren vervolgens weer uitgangspunt voor de doelen en plannen van
het daarop volgende schooljaar.

3.2 Visitatie: doel, werkwijze en bevindingen
De visitatie van een school vond steeds plaats nadat een school gedurende twee tot drie jaar een
ontwikkeling had doorlopen teneinde te voldoen aan de kwaliteitscriteria zoals deze zijn beschreven in
het ZBI. De visitatie vormt daarmee tevens de afsluiting van een periode waarin intensief is gewerkt
om binnen de verschillende geledingen van de school onderwijs en begeleiding af te stemmen op de
specifieke behoeften van hoogbegaafde leerlingen en dit te borgen binnen de organisatie.

Doel van de visitatie is:
- vaststellen dat de school voldoet aan de kwaliteitscriteria voor Begaafdheidsprofielscholen, zoals
weergegeven in het ‘Werkdocument Begaafdheidsprofielscholen’ uit 2005 (basisniveau),
© 2010, GdB, CPS Amersfoort 31
- het geven van een ontwikkelingsperspectief voor de school; conclusies en aanbevelingen.
Toelichting: feitelijk ligt de nadruk op het laatste. Het ligt niet in de rede dat een school door de
visitatiecommissie een certificaat/kwalificatie onthouden wordt, uitzonderingen daar gelaten.

Werkwijze
Samenstelling en taak visitatiecommissie:
Voorafgaande aan de visitaties van de scholen is steeds eerst een planning gemaakt welke met de
betreffende scholen werd gecommuniceerd, waarna de planning definitief werd. Vervolgens werd
overgegaan tot het samenstellen van een visitatiecommissie en werden afspraken gemaakt over de
verdeling van de taken hierbinnen. Deze commissie bestond uit meerdere personen, te weten:
‐ vanuit CPS: voorzitter(projectleider) en secretaris,
‐ vanuit de profielscholen: vertegenwoordigers van twee scholen.
Afgesproken is aanvankelijk dat de samenstelling vanuit CPS constant zou zijn. De projectleider is bij
elke visitatie betrokken en dit wordt aangevuld met een CPS-consultant die de rol van secretaris op
zich neemt. Vanuit de scholen worden vertegenwoordigers wisselend samengesteld vanwege het
collegiale karakter dat de visitaties ook op termijn voorstaan.
De functies binnen de commissie waren: voorzitter, secretaris, lid/leden worden per commissie
onderling afgesproken, waarbij het voorzitterschap op termijn is overgenomen door een
vertegenwoordiger uit het verenigingsbestuur. De commissie heeft als taak met meerdere
personen/geledingen binnen de school te spreken, namelijk:
‐ schoolleiding,
‐ zorgcoördinator, coördinator hoogbegaafdenbeleid, psycholoog/orthopedagoog,
‐ docenten die wel en niet lesgeven aan hoogbegaafde leerlingen,
‐ leerlingen,
‐ ouders.
Ook worden lessen bezocht. Bezoek door de commissie vindt op de te visiteren school plaats.
Voorafgaande aan de visitaties heeft op CPS een korte training plaatsgevonden (zie bijlage 9) om
commissieleden voor te bereiden op de uit te voeren visitaties.

Te hanteren bronnen:
Om een goed beeld te kunnen krijgen van de school en de wijze waarop de school invulling geeft aan
het begaafdheidsprofiel werd scholen gevraagd voor de visitatiecommissie de nodige informatie aan te
leveren, te weten:
- meerdere documenten en schriftelijke bronnen zoals: schoolplan en schoolgids, zorgplan,
documentatie waarin het profiel van de school wordt beschreven, eventueel voorbeelden van
handelingsplannen en leerling-materiaal.
Bij het bestuderen van deze informatiebronnen ligt de nadruk op de huidige situatie met oog voor het
ontwikkelproces waarin de school zich bevindt.

Resultaat van de visitatie:
- Een visitatierapport met bevindingen, oordelen (conclusies) en aanbevelingen (zie bijlage 10),
- De school krijgt de mogelijkheid om het rapport op feitelijke onjuistheden te controleren
daarna wordt een definitief rapport vastgesteld,
© 2010, GdB, CPS Amersfoort 32
- Omzetten van de aspirant-status in de definitieve status: certificaat voor drie jaren, waarna
opnieuw een visitatie ter beoordeling van de kwaliteit van de school plaatsvindt.

Toekomstperspectief:
- De verantwoordelijkheid voor kwaliteitsontwikkeling en -borging komt uiteindelijk te liggen bij de
op te richten vereniging,
- De profielscholen zelf zullen in volgende visitaties een steeds nadrukkelijker rol vervullen. De
aanwezigheid van een extern deskundige wordt wenselijk, zo niet noodzakelijk geacht vanwege
een zekere mate van objectiviteit.

Bevindingen
Van de 23 scholen die deelnemen aan het project zijn 22 scholen gevisiteerd en 19 scholen officieel
gecertificeerd. Het Stedelijk Dalton Alkmaar is voorlopig voor de periode van één jaar gecertificeerd
vanwege het grote aantal ontwikkelpunten. RSG Magister Alvinus is voorlopig onder de voorwaarde
binnen een gestelde tijd aan een aantal ontwikkelpunten te voldoen gecertificeerd. De visitaties
waren in alle gevallen goed voorbereid door zowel de scholen als de visitatiecommissies. De door de
scholen aangeleverde documentatie was over het algemeen goed geordend, maar veelal nog niet
compleet. Soms ontbrak het zorgplan of was slechts een gedeelte uit het schoolplan toegestuurd,
waardoor niet duidelijk werd of hoogbegaafdheid beleidsmatig verankerd was in de schoolorganisatie.
In een aantal gevallen werden stukken nagestuurd. De gesprekken die met verschillende geledingen
binnen de school werden gevoerd verliepen in een prettige, positieve en collegiale sfeer. De meeste
scholen waren er ook in geslaagd een redelijk representatieve groep ouders bereid te vinden in
gesprek te gaan met de commissie.
Aan het eind van elk visitatiebezoek deed de commissie een kort verslag van de gesprekken en
voorlopige bevindingen. Slechts in twee gevallen kon de commissie niet tot een positief advies
overgaan. En een enkele school is slechts voor één jaar gecertificeerd. Na het visitatiebezoek werd
een rapport opgesteld en, nadat de school op inhoudelijke onjuistheden had gereageerd, vastgesteld.
Uit alle visitaties is een aantal zaken naar voren gekomen die we hieronder kort weergeven.

Organisatie en beleid
Het beschrijven en vastleggen van de beleidsstructuur van de school betreffende het onderwijs aan en
de begeleiding van hoogbegaafde leerlingen vraagt nog enige aandacht. Duidelijkheid over
theoretische uitgangspunten en consequenties voor de school als geheel en voor het
hoogbegaafdenbeleid in het bijzonder is hiervoor noodzakelijk. Over het algemeen is een schoolplan in
deze te vaag en te algemeen gehouden. Voor wat betreft het begaafdheidsprofiel liggen er
ontwikkelpunten voor scholen.

Onderwijs en leren
Dat hoogbegaafde leerlingen sneller leren en informatie verwerken dan minder begaafde leerlingen
mag als bekend worden verondersteld. Ook dat ze soms over meer kennis dan de docent beschikken of
slechts heel weinig oefening nodig hebben om zich iets eigen te maken. En ook dat ze ‘anders leren’,
soms geheel eigen strategieën en leerwijzen ontwikkelen, is bekend. Toch bleek in de gesprekken met
vooral docenten dat dit niet altijd leidt tot de gewenste en noodzakelijke aanpassingen binnen het
curriculum. Sommige docenten houden erg vast aan de methode en zaken ‘die elke leerling moet
© 2010, GdB, CPS Amersfoort 33
doen, dus ook een hoogbegaafde leerling’. Ook al weet die leerling meer over het betreffende thema
dan de docent. Verder bleek dat docenten zich vaak niet voldoende competent achten om ook les te
geven aan hoogbegaafde leerlingen, zijn ze onvoldoende toegerust en voelen ze zich
handelingsverlegen. Tevens gaven docenten aan onvoldoende te weten van het ontstaan, herkennen,
motiveren en begeleiden van hoogbegaafde onderpresteerders. En blijken zaken als ‘topdown’ leren of
leren vanuit verschillende denkniveaus voor menig docent grotendeels onbekende materie.
Een docent is voor alle leerlingen, ook voor hoogbegaafde leerlingen, heel belangrijk voor zowel het
welbevinden als de leerontwikkeling. En daarmee is ook de deskundigheid(sbevordering en scholing)
van alle docenten die hoogbegaafde leerlingen in hun lessen hebben essentieel voor het kunnen bieden
van kwalitatief hoogwaardig onderwijs. Docenten moeten zich voldoende competent (kunnen) voelen
om deze leerlingen te kunnen instrueren en motiveren. In het vervolg van het project wordt hier zeker
aandacht aanbesteed.

Zorg en begeleiding
Begaafdheidsprofielscholen hebben vooral ook tot doel het aantal vragen over hoogbegaafde
zorgleerlingen te doen afnemen. Bij de start van het project was het aantal hoogbegaafde leerlingen
dat vroegtijdig de school verliet relatief hoog te noemen. Ook het aantal onderpresterende leerlingen
dat op enig moment afstroomde naar een lagere vorm van onderwijs was te groot. Met het stimuleren
van scholen die hun onderwijs en begeleiding meer afstemmen op de specifieke onderwijs- en
zorgbehoeften van deze leerlingen zou hierin verbetering kunnen optreden. Met name de
zorgstructuur, waarin de identificatie van hoogbegaafde leerlingen geregeld is, risicofactoren van
leerlingen worden gecommuniceerd en deskundige begeleiding binnen de school wordt geboden door
daarvoor opgeleide functionarissen, neemt hierbij een belangrijke plaats in (zie ook bijlage 7). Tijdens
de visitatiegesprekken viel de grote betrokkenheid op van zorgcoördinatoren en specialisten binnen de
school bij de hoogbegaafde (zorg)leerling. Zij wisten melding te doen van bijzondere individuele
trajecten die op hun school waren gerealiseerd. Dit bleek echter voor de meeste scholen meer
uitzondering dan regel. Duidelijk werd dat het realiseren van individuele handelingsplannen, waarbij
de leerling centraal staat, op veel scholen op veel weerstand stuit. Soms omdat niet de juiste diagnose
kan worden gesteld, de noodzakelijke kennis hiervoor ontbreekt, de leerlingbegeleiding onvoldoende
ingebed is in de organisatie, docenten onvoldoende zijn toegerust om uitvoering te geven aan
handelingsplannen, of het leertraject dat voor hoogbegaafde leerlingen is ontwikkeld te weinig
flexibiliteit kent.

Communicatie met ouders, leerlingen en omgeving
In dit verslag is enkele malen gewezen op het belang dat gehecht wordt aan een goede communicatie
met ouders, leerlingen en omgeving. Tevens is aangegeven dat de ontwikkeling naar het
begaafdheidsprofiel bij aanvang vooral een schoolinterne ontwikkeling is. Hiermee willen we aangeven
dat scholen tijd nodig hebben om aan alle standaarden en indicatoren te kunnen voldoen. In paragraaf
3.1. is al beschreven dat met name de communicatie met ouders voor de meeste scholen nog de
nodige aandacht vraagt.

Profijt voor andere leerlingen
In de visitatiegesprekken is gevraagd op welke wijze scholen leerlingen die niet tot de groep van
(hoog)begaafden behoren maar wel bijzondere belangstelling of capaciteiten hebben, op
(vak)onderdelen kunnen laten profiteren van deze activiteiten. Op de meeste scholen is er wel
© 2010, GdB, CPS Amersfoort 34
aandacht voor uiteenlopende talentgebieden, maar is het nog niet vanzelfsprekend dat activiteiten
specifiek voor een groep leerlingen ook worden benut ten gunste van andere leerlingen. Als reden
wordt vaak aangegeven dat dit organisatorisch geen haalbare kaart is.

Kwaliteitsverbetering en borging
Scholen geven er blijk van zich in te willen zetten voor zowel de kwaliteitsverbetering als de borging
binnen de eigen school en binnen de Vereniging van Begaafdheidsprofielscholen. Zoals te verwachten
neemt de ene school hierin een duidelijker positie in dan de andere. En met een nog ‘jonge’
vereniging zal deze standaard naar verwachting vooral in het vervolg zijn concretisering krijgen. Dan
zal ook nader gekeken moeten worden naar wat het effect van het profiel is op de school als geheel,
de deskundigheid van docenten en specialisten binnen de school, het welbevinden en leren van
hoogbegaafde leerlingen, keuzes van ouders en vragen van scholen in de omgeving en scholen binnen
het netwerk van Begaafdheidsprofielscholen.

De officiële certificering van elke tranche scholen heeft steeds plaatsgevonden tijdens een feestelijke
bijeenkomst. Tijdens deze feestelijke bijeenkomst presenteerden de scholen zich aan elkaar met
enkele high-lights uit het begaafdenproject van de school. Op 28 september 2006 is de eerste tranche
van zes scholen op het Vechtdal College in Hardenberg uitgenodigd. 7 maart 2008 was de eer aan de
tweede tranche van zeven scholen. Deze certificering vond plaats op het Stedelijk Dalton in Zutphen.
De laatste groep van acht scholen zijn op 15 april 2009 uitgenodigd op het Stedelijk Gymnasium in
Schiedam. De gekwalificeerde scholen worden telkens voor een periode van drie jaar gecertificeerd
(zie bijlage 16). Na die drie jaren moet een school opnieuw aantonen het begaafdheidsprofiel te
mogen voeren.
Voor de eerste en tweede tranche scholen geldt dat ze in 2009 en 2010 opnieuw gevisiteerd moeten
worden teneinde te kunnen beoordelen of ze hun kwalificatie kunnen behouden. Bij deze visitaties zal
de Vereniging van Begaafdheidsprofielscholen zelf het initiatief nemen en samen met de eventuele
inzet van een externe deskundige oordelen over de kwaliteit van de gevisiteerde school. CPS draagt
hiermee haar taken over aan de vereniging.

3.3 Afsluiting project eerste fase
Op 16 november 2009 is het CPS project Begaafdheidsprofielscholen 2004-2009 officieel afgesloten
tijdens de Landelijke Netwerkdag van het Scholennetwerk Hoogbegaafdheid VO van CPS. Deze
landelijke netwerkdag, die jaarlijks vanuit het Landelijk Informatiepunt Hoogbegaafdheid VO (CPS
Onderwijsontwikkeling en advies) wordt georganiseerd, heeft tot doel de krachten te bundelen en
ervoor te zorgen dat scholen op de hoogte zijn van landelijke ontwikkelingen en van elkaars
inspanningen en resultaten op het gebied van speciale onderwijsprogramma’s voor hoogbegaafde
leerlingen, oftewel om te leren van elkaars ervaringen. Het landelijke scholennetwerk is op initiatief
van CPS in 2002 gestart. Destijds was de belangstelling hiervoor erg groot vanwege een grote vraag
naar mogelijke aanpakken voor hoogbegaafde leerlingen. De Begaafdheidsprofielscholen zijn alle
gerekruteerd uit de scholen die sinds 2002 deelnemen aan dit netwerk. En met de ontwikkeling naar
Begaafdheidsprofielscholen heeft deze groep scholen in het landelijk scholennetwerk van meet af aan
een belangrijke rol gespeeld vanwege hun expertisefunctie voor de verschillende regio’s. Tijdens de
landelijke netwerkdagen die gedurende de projectperiode van 2004-2009 zijn georganiseerd hebben
de (aspirant) Begaafdheidsprofielscholen verschillende malen een bijdrage geleverd aan het
© 2010, GdB, CPS Amersfoort 35
programma. Met de afsluiting van de eerste fase van het project is alle (aspirant)
Begaafdheidsprofielscholen verzocht op deze netwerkdag een presentatie te verzorgen over een
aspect van het profiel binnen de eigen school. Zodoende konden enerzijds de
Begaafdheidsprofielscholen zich aan elkaar presenteren en anderzijds andere aanwezige scholen
kennismaken met de resultaten van het project. De dag werd gehouden in Congrescentrum De Werelt
in Lunteren en bezocht door circa 100 mensen.

Het programma luidde als volgt:
09.30 uur Inloop, koffie, verstrekken materialen e.d.
10.00 uur Opening, welkom door dagvoorzitter Greet de Boer (CPS)
10.20 uur Lezing door Lianne Hoogeveen (CBO Nijmegen)
11.00 uur Koffiepauze
11.15 uur Eerste ronde workshops vanuit twaalf Begaafdheidsprofielscholen
12.15 uur Lunchbuffet en uitwisseling scholen landelijk scholennetwerk hoogbegaafdheid
13.15 uur Film Begaafdheidsprofielscholen (Polly den Tenter/ Hans Lips, Vision Plan)
14.00 uur Tweede ronde workshops vanuit twaalf Begaafdheidsprofielscholen
15.00 uur Pauze
15.20 uur Evaluatie van de dag, vervolgactiviteiten begaafdheidsprofiel
16.00 uur Sluiting

Hieronder een verslag van de netwerkdag door journalist/tekstschrijver Veronique van der Waal:

Opening door dagvoorzitter Greet de Boer (CPS)
Drs. Greet de Boer, principal consultant en projectleider, deelde met de aanwezigen haar zorg over
het toenemende aantal vragen dat binnenkomt bij de helpdesk van het Landelijk Informatiepunt
Hoogbegaafdheid, waar zij projectleider van is. Veel vragen van ouders kunnen volgens De Boer
worden voorkomen als scholen efficiënter met ouders communiceren en zij ouders daarnaast beter
(actief) betrekken bij alles wat er op het gebied van hoogbegaafdheid op school gebeurt.
Deskundigheidsbevordering is eveneens een thema dat in de ogen van De Boer hoog op de agenda
moet (blijven) staan van alle Begaafdheidsprofielscholen. CPS ondersteunt scholen hierbij door
bijvoorbeeld een driedaagse training ‘Afstemmen op hoogbegaafde leerlingen’ aan te bieden.
In het kader van deskundigheidsbevordering is het volgens De Boer een goed teken dat er
tegenwoordig veel aandacht is voor de docent, bijvoorbeeld ook tijdens de World Gifted conferentie
2009 in Vancouver. Om meer zicht te krijgen op competenties van docenten in relatie tot het
onderwijs aan en de begeleiding van hoogbegaafde leerlingen zal De Boer in 2010 een onderzoek
starten aan de Rijksuniversiteit Groningen (RUG). Ze beloofde de deelnemers op de hoogte te houden
van de vorderingen hiermee.
Onderzoek en ontwikkeling was het laatste punt dat De Boer aanstipte tijdens haar openingswoord.
Aan aandacht voor talentontwikkeling in de brede zin van het woord en de nadruk op excellentie en
toptalent ontbreekt het volgens De Boer bij scholen niet. Met het CPS-project
Begaafdheidsprofielscholen is er nu ook in toenemende mate aandacht voor de derde pijler die
passend onderwijs voor hoogbegaafde leerlingen mogelijk maakt, te weten de begeleiding van
hoogbegaafde zorgleerlingen.

© 2010, GdB, CPS Amersfoort 36
Lezing door Lianne Hoogeveen (CBO Nijmegen)
Het thema van de beknopte lezing die Lianne Hoogeveen aan het begin van de landelijke netwerkdag
hield, was ‘De docent en de hoogbegaafde leerling’. Hoewel er volgens Hoogeveen geen gebrek is aan
goede scholen en programma’s, gaat het toch vaak mis bij het onderwijs aan en de begeleiding van
hoogbegaafde leerlingen. De reden hiervoor moet volgens Hoogeveen gezocht worden bij de docent.
De kernvraag is volgens haar dan ook: hoe inspireer je de leraar?

“De middelmatige leraar vertelt,
De goede leraar verklaart,
De betere leraar toont aan,
De ware leraar inspireert.”
(William Arthur Ward)

De toehoorders werd gevraagd om hun favoriete leraar of lerares op een aangereikt vel papier te
tekenen. Daarbij moesten zij twee kenmerken noemen van deze persoon die hen in het bijzonder
aanspraken. Toen de tekeningen even later plenair werden besproken, werden de volgende positieve
eigenschappen genoemd:
- luisteren,
- inspireren,
- humor (respect voor leerlingen),
- intelligent, intellectueel eerlijk,
- emotioneel stabiel,
- lerend (is inspirerend),
- oprecht geïnteresseerd,
- gelooft in individuele verschillen,
- geduldig.
Hoogeveen hield de aanwezigen voor dat een inspirerende docent het verschil kan maken en dat het
daarom belangrijk is om als de docent te inspireren, zodat hij of zij dit kan overbrengen op de
(hoogbegaafde) leerlingen. Hoogeveen sloot af met praktische informatie (websites) over waar scholen
mogelijk inspiratie kunnen opdoen.

Workshops: reacties van aanwezigen
“Het is de eerste keer dat ik deze landelijke netwerkdag meemaak en ik moet zeggen dat ik het erg
leuk vind om andere mensen te ontmoeten die ook met het hoogbegaafdenthema bezig zijn. Je krijgt
op een dag als deze minder informatie dan op een congres, maar de workshops bieden een frisse kijk
op zaken en stimuleren een nieuwe manier van denken, waar ik morgen meteen iets mee kan doen.”

“Tijdens deze netwerkdag heb ik mijn kennis opnieuw verder kunnen uitbouwen. De workshops die ik
heb gevolgd waren praktijkgericht, wat ik erg prettig vond. Ik stuitte op een paar interessante ideeën
die aansluiten bij waar onze school op dit moment mee bezig is. Overigens vond ik het wel moeilijk
om uit het grote aanbod slechts twee workshops te kiezen. Op een dag als deze had ik eigenlijk wel
wat meer workshops willen volgen, waarbij je direct diep in de materie duikt. Ik heb mijn keuze nu
vooral gevoelsmatig gemaakt.”

© 2010, GdB, CPS Amersfoort 37
“Hoewel het goed is om iedereen weer eens te spreken, vond ik dat er inhoudelijk dit keer weinig
nieuws onder de zon was. Dat komt misschien ook omdat de twee workshops die ik graag had willen
volgen, niet doorgingen en daar eigenlijk geen goed alternatief voor was.”

“Deze dag bewijst eens en te meer dat je het meeste leert uit de praktijk. Ik heb twee leuke en
zinvolle workshops gevolgd met daarin voor mij een aantal eyeopeners en goede tips om valkuilen te
vermijden.”

“De workshops waren positief, maar de voorbeelden zijn helaas niet toepasbaar in onze eigen
schoolpraktijk. Ik vond de film overigens wel heel erg leuk en herkenbaar.”

“Op een dag als deze mag je ongegeneerd nieuwsgierig zijn en collega’s vragen: hoe doe jij dat dan,
loopt dit of dat wel of niet en wat kost zoiets nou? Het vele onderlinge contact, het delen van
ervaringen en het opdoen van nieuwe ideeën maken deze netwerkdagen bijzonder waardevol, zowel
voor mij persoonlijk als voor onze school.”

Film Begaafdheidsprofielscholen
In opdracht van CPS is een film gemaakt waarin het project ‘Begaafdheidsprofielscholen’ kort wordt
gepresenteerd aan de hand van gesprekken met en beelden van scholen. Deze film is aan het begin
van het middagprogramma getoond. De film maakte duidelijk dat er al veel is gebeurd op scholen,
maar ook dat scholen nog in ontwikkeling zijn. Ook de ambitie van de vereniging om op termijn het
begaafdheidsprofiel als een keurmerk te kunnen zien voor scholen die het profiel voeren, is illustratief
voor de doorontwikkeling en versterking van de kwaliteit.

Slotwoord van Greet de Boer
Het CPS project ‘Begaafdheidsprofielscholen’ zal in de komende vier jaren worden gecontinueerd. Op
grond van de resultaten uit de eerste fase krijgen drie thema’s hierin specifieke aandacht.
Deze drie thema’s zijn: 1) ‘Kwaliteitsverbetering en borging van het begaafdheidsprofiel in scholen’
waarbinnen een effectmeting van het begaafdheidsprofiel op zaken als schoolbeleid, docenthandelen,
gevoelens van welbevinden bij leerlingen, leerresultaten van hoogbegaafde leerlingen, en ouders, die
zal worden uitgevoerd in samenwerking met de Rijksuniversiteit Groningen (RUG) wordt uitgevoerd,
2) ‘Het versterken van de regionale expertisefunctie’ en 3) ‘De instandhouding van het netwerk door
verbreding en/of vernieuwing in (aantal) Begaafdheidsprofielscholen’. Elk jaar zullen naar verwachting
drie scholen nieuw toetreden tot het begaafdheidsprofiel.

3.4 Voorlopige conclusies en vervolg
In dit verslag is het al een aantal keren aangehaald: alle in het project participerende scholen hebben
een grote groei doorgemaakt. Dat niet alle scholen aan het eind van de eerste fase van het project al
op een vergelijkbaar kwaliteitsniveau functioneren is evident. De verschillen tussen scholen van de
drie tranches zijn daarvoor te groot en niet elke school is vanuit eenzelfde startpunt in het project
gestapt. Een enkele school is zelfs vanuit een ‘nul’-situatie begonnen. Tijdens het project is ook
duidelijk geworden dat de kwaliteitsstandaarden en indicatoren, zoals deze zijn beschreven in het ZBI,
weliswaar een compleet ‘plaatje’ bieden waaraan het onderwijs aan en de begeleiding van
hoogbegaafde leerlingen moeten voldoen, maar dat dit veel vraagt van scholen. Het voeren van het
© 2010, GdB, CPS Amersfoort 38
begaafdheidsprofiel houdt meer in dan het inrichten van bijvoorbeeld een ‘plusklas’, het aanschaffen
van extra materialen voor de vakken, het compacten van vakken of juist het aanbieden van extra
vakken. Dit profiel vraagt van scholen onderwijs voor een specifieke groep leerlingen binnen alle
geledingen van de school: in het beleid, in alle leerjaren en vakken, in het curriculum en de
onderwijsinhouden, bij de zorg en de begeleiding, bij docenten die lesgeven aan hoogbegaafde
leerlingen, bij het nader in ogenschouw nemen van ouders en leerlingen en door aanpassingen aan de
specifieke (sociaal-emotionele en didactische) behoeften van hoogbegaafde leerlingen.
Dit zijn zaken waarin meerdere scholen nog onvoldoende zijn geslaagd. Hiervoor zijn verschillende
oorzaken te noemen, zoals wisselingen in het management, vertrek van inspirerende docenten en
functionarissen, onvoldoende draagvlak bij het docententeam, onvoldoende kennis van de ‘eigen-
aardigheden’ van hoogbegaafde leerlingen, te veel vasthouden aan een bepaald onderwijsmodel of
aan een bepaalde aanpak, waardoor de school slechts tegemoet komt aan een bepaalde groep van
(hoog)begaafde leerlingen. Voor het doorontwikkelen van het profiel, maar ook voor de
Begaafdheidsprofielscholen op zich en om in de nabije toekomst te kunnen spreken van een
‘keurmerk’ vraagt een aantal onderwerpen verdere aandacht.
We noemen:
• verankering van de visie en het beleid rond hoogbegaafdheid in de school,
• uitbreiding en flexibilisering van het onderwijsaanbod en (individuele) leertrajecten,
• deskundigheid van docenten die lesgeven aan hoogbegaafde leerlingen,
• deskundigheid van bij de begeleiding betrokken functionarissen,
• versterking van de zorgstructuur ten behoeve van hoogbegaafde zorgleerlingen, met daarbij
aandacht voor procedures betreffende aanname, selectie, begeleiding en communicatie hierover
met ouders,
• communicatie met en betrokkenheid van ouders, met daarin aandacht voor klachtenprocedures
en specifieke vragen van ouders betreffende het begaafdheidsprofiel van de school,
• ontwikkeling van de expertisefunctie in de regio van de school.
Het project krijgt een vervolg. In hoofdstuk 4 wordt het vervolg voor de periode 2010-2013
beschreven. Alle hierboven genoemde punten hebben daarin een plek gekregen. Voor de volgende
projectperiode zal ook gestreefd worden naar uitbreiding van het aantal Begaafdheidsprofielscholen.
Witte plekken kunnen daarmee worden opgevuld. Ook kan zo worden ingespeeld op situaties, waarin
een school aangeeft niet langer te kunnen voldoen aan de kwaliteitscriteria van het
begaafdheidsprofiel dan wel te kennen geeft het profiel niet langer te willen voeren. De Vereniging
van Begaafdheidsprofielscholen zal zich ook als vereniging verder ontwikkelen en daarmee een
belangrijke gesprekspartner worden voor scholen onderling, scholen en overheden in de eigen regio en
op landelijk niveau.

© 2010, GdB, CPS Amersfoort 39
© 2010, GdB, CPS Amersfoort 40
4. Voortgang van het project

Zoals uit het verslag van het project Begaafdheidsprofielscholen voor de periode 2004-2009 duidelijk
mag zijn geworden, zijn er nog meerdere zaken die doorontwikkeling vragen, teneinde het
Begaafdheidsprofiel als een ‘keurmerk’ te kunnen zien.
Voor de periode 1 januari 2010 tot en met 31 december 2013 zijn er vanuit de overheid nog middelen
gereserveerd voor deze doorontwikkeling. Een ontwikkeling die grotendeels bepaald wordt door
kwesties uit de periode 2004-2009 die nadere aandacht vragen van scholen.
In het Plan van Aanpak 2010-2013, zoals dat is ingediend bij het Ministerie van OCW en waarvoor een
beschikking is afgegeven aan CPS, is aangegeven welke thema’s in het vervolg centraal staan.

4.1 Plan van aanpak 2010-2013
Projectcode: […]
Titel project: Begaafdheidsprofielscholen VO
Projectleider: Leonie Wagenaar en Greet de Boer
Begindatum: 01-01-2010
Einddatum: 31-12-2013
Looptijd totale project: 01-01-2010 t/m 31-12-2013


Strategische kern/kennisthema

Actuele ontwikkelingen
In de ‘Kwaliteitsagenda Voortgezet Onderwijs, 2008–2011’, lezen we dat Nederland grote ambities
heeft: “We streven naar maximale kwalificatiewinst en ontplooiing van alle talenten van jongeren. We
streven ernaar dat Nederland als kennissamenleving in de absolute top van Europa en van de wereld
functioneert”.
In deze kwaliteitsagenda worden zes beleidsprioriteiten aangegeven waarvan: Excellentie bevorderen,
betere ontwikkeling van toptalent als 3
e
trend wordt genoemd onder de titel: Er wordt onvoldoende
uit de leerlingen gehaald ‘wat er in zit’, maatwerk vereist.
Verder lezen we dat “In het hoger onderwijs, maar ook in de andere sectoren, is aandacht voor
toptalent en excellentie een belangrijk speerpunt van beleid is”.
En dat “het Nederlandse onderwijs goed tot uitstekend blijkt te zijn voor zwakkere en gemiddelde
leerlingen, maar achter te blijven bij andere landen waar het de absolute top (de bovenste procenten)
betreft. En dat is een probleem, aangezien excelleren op topniveau essentieel is voor een
concurrerende positie in de internationale kenniseconomie (CPB, 2007). Hiervoor is het nodig dat onze
samenleving haar creatieve en innovatieve potentieel zoveel mogelijk weet te benutten. De
ontwikkeling van toptalent staat momenteel hoog op de agenda. “Op excellentie en selectie rust niet
langer een taboe. […] Het egalitaire denken en de zesjescultuur lijken duidelijk op hun retour”. (SCP,
2006a). Zo lang de kwaliteit van het onderwijs voor de ‘onderkant’ en voor de gemiddelde leerling in
elk geval op het huidige niveau blijft (en het voortijdig schoolverlaten wordt teruggedrongen), valt er
in het Nederlandse onderwijs in het geheel winst te boeken door extra prioriteit te geven aan
toptalent en excellentie”, aldus de kwaliteitsagenda VO.

© 2010, GdB, CPS Amersfoort 41
Er wordt lang niet altijd uit leerlingen gehaald ‘wat er in zit’ (Inspectie van het Onderwijs, 2007a), er
wordt talent vermorst. Scholen die een beter leerstofaanbod hebben, die betere zorg bieden en
leerlingen meer weten te motiveren, blijken talenten beter aan te boren. Ook de Onderwijsraad pleit
voor meer maatwerk om onderpresteren en onderbenutting van talent te voorkomen (Onderwijsraad,
februari 2007). Het is nodig dat de leerstof wordt gepresenteerd op manieren die passen bij de
leerlingen, de leerstof en de school. Maatwerk in onderwijsvormen en adequate leermiddelen (of het
nu papieren leermiddelen zijn of via ict worden aangeboden) zijn hierbij kernbegrippen.

Al in 2003 is in kringen van de overheid en scholen de mogelijkheid besproken te komen tot
zogenaamde Begaafdheidsprofielscholen. Dit in navolging van de zogenaamde cultuurprofielscholen en
LOOT-scholen (Landelijk Overleg Onderwijs en Topsport). Binnen deze nog in te richten scholen zou
aandacht voor hoogbegaafde leerlingen een structureel onderdeel van de schoolontwikkeling moeten
worden met aandacht voor vele aspecten als schoolbeleid en –organisatie, visie op onderwijs,
didactische aanpak, zorg en communicatie (2005, CPS).
In de eerste helft van 2004 zijn gesprekken gevoerd met scholen, organisaties, wetenschappers en de
overheid over de inrichting van een traject dat tot deze Begaafdheidsprofielscholen moet leiden. Het
ministerie van OCW heeft tegen deze achtergrond CPS onderwijsontwikkeling en advies gevraagd een
(project) voorstel te schrijven om de voorgestelde ontwikkeling te realiseren (2005, CPS).
In 2004 is het project Begaafdheidsprofielscholen VO met een eerste groep van 6 scholen van start
gegaan, waarbij het doel als volgt is omschreven:

Doel van het project Begaafdheidsprofielscholen is te komen tot een landelijk dekkend netwerk van
scholen voor voortgezet onderwijs die kwalitatief hoogwaardig onderwijs en begeleiding bieden aan
de specifieke doelgroep van (hoog)begaafde leerlingen, waarbij de continuïteit van deze voorziening
gegarandeerd kan worden.
A. Begaafdheidsprofielscholen herkenbaar zijn als scholen die kwalitatief hoogwaardig onderwijs en
begeleiding bieden aan de doelgroep van hoogbegaafde leerlingen. Er is een reeks van
kwaliteitscriteria ontwikkeld waaraan alle profielscholen voldoen. Scholen kunnen deze op een
eigen wijze in de praktijk invullen. Dit betekent dat de kwaliteitskenmerken een dynamisch
karakter zullen hebben in de zin dat er groei en ontwikkeling op van toepassing is;
B. Er binnen Nederland sprake is van een landelijke dekking. Dit betekent dat een aantal van circa 25
scholen voor voortgezet onderwijs het begaafdheidsprofiel voeren. Met een dergelijk aantal kan,
mits voldoende gespreid en breed toegankelijk, de bereikbaarheid voor ouders en leerlingen
gewaarborgd worden. Met ‘breed toegankelijk’ wordt gedoeld op brede scholengemeenschappen
voor wat betreft het onderwijs dat wordt aangeboden als voor wat betreft de denominatie van de
school. Tevens zullen deze 25 scholen tot taak krijgen om hun expertise met betrekking tot
hoogbegaafdheid in te zetten ten behoeve van andere scholen in de regio.
C. Dat er zodanige processen en structuren zijn ingericht die voldoende garanties geven dat de
voorziening zoals onder punt A en B geformuleerd continuïteit heeft.
Deze doelen kunnen gefaseerd bereikt worden. Daarbij is sprake van een onderlinge afhankelijkheid.
Zo is voor de ontwikkeling van kwaliteitscriteria een groep van scholen nodig die één en ander toetst
aan haalbaarheid in de dagelijkse praktijk. Tegelijkertijd zijn scholen bezig zich te ontwikkelen tot
begaafdheidsprofielschool. Op het eerste moment van certificering zullen deze criteria zodanig
uitgekristalliseerd moeten zijn dat toetsing kan plaatsvinden. (Boer, G.C. de & G.J. Kamphof, 2005,
CPS, Werkdocument Begaafdheidsprofielscholen VO).
© 2010, GdB, CPS Amersfoort 42

Inmiddels zijn 21 scholen officieel gecertificeerd tot Begaafdheidsprofielschool en zijn de scholen
verenigd in de Vereniging van Begaafdheidsprofielscholen met een eigen website waarop informatie te
vinden is over de scholen. De laatste drie scholen worden in het komend jaar gecertificeerd en krijgen
tot die periode begeleiding bij het realiseren van gestelde doelen.
Tijdens de afgelopen projectperiode zijn meerdere aspecten naar boven gekomen die extra aandacht
en zorg vragen voor de borging en continuering van de in gang gezette schoolontwikkelingen en de
daarbij gevraagde deskundigheid en regionale spreiding. De onderhavige aanvraag heeft met name
betrekking op de aspecten, waar in het vervolg van het project Begaafdheidsprofielscholen in 2010
t/m 2013 aandacht aan zal worden besteed.

Het belang van Begaafdheidsprofielscholen in Nederland
Voor het onderwijs in Nederland in zijn algemeenheid is het opzetten van een begaafdheidsprofiel op
scholen die vanuit hun visie structureel beleid willen voeren op onderwijs aan en begeleiding van
(hoog-)begaafde (zorg)leerlingen een significante stap geweest in de richting van kwalitatief
hoogwaardig onderwijs en het vergroten van de kenniseconomie in den lande.
Al geruime tijd voordat het project Begaafdheidsprofielscholen van start ging is aan de vraag naar
specifiek onderwijs en zorg voor de begaafde (zorg)leerling door verscheidene scholen gehoor
gegeven, maar er was tot dan toe nauwelijks of geen sprake van het vormen van beleid hierop dan wel
het inbedden ervan in het curriculum. Hierdoor was de kans groot dat ondanks alle inzet en
enthousiasme van betrokken docenten en zorgcoördinatoren een ingezette lijn kon verzanden en
specifiek gericht onderwijs en begeleiding slechts in projectvorm mogelijk was, waarbij continuïteit
niet gegarandeerd kon worden.
Met een landelijk dekkend netwerk van 24 Begaafdheidsprofielscholen, waar deze continuïteit wel
geboden wordt, kwaliteit van onderwijs en zorg voor leerlingen geborgd is en verdere
professionalisering en ontwikkeling bijdragen aan die borging, is een plek gecreëerd voor de begaafde
(zorg) leerling en diens behoefte aan passend onderwijs en begeleiding.
Dat de overheid nog steeds belang hecht aan optimale ontwikkeling van talenten van leerlingen blijkt
uit de verscheidene nota’s en plannen die voor de komende jaren gelden. Enkele citaten hieruit:

1. In de herziene Kwaliteitsagenda VO is uitblinken als één van de zes
beleidsprioriteiten geformuleerd.
2. In de programmalijn ‘Passend Onderwijs’ wordt het onderwijs aan getalenteerde
leerlingen als belangrijke factor genoemd.
3. In de programmalijn ‘Doorlopende leerlijnen’ zijn onder de speerpunten
diversiteit in het leerplan en maatwerk (om talenten te herkennen en
onderpresteren te voorkomen) vermeld.
4. Nieuwe plannen en samenwerkingsverbanden, bv. het Plan van Aanpak
Excellentie (PO), Onderwijsbewijs, etc., geven aan dat het onderwerp aan
verdere verdieping en verbreding onderhevig is.

De Begaafdheidsprofielscholen nemen een belangrijke plaats in in het Nederlands onderwijs.
Gedurende de afgelopen jaren hebben scholen in drie tranches een ontwikkeling doorgemaakt tot
Begaafdheidsprofielschool, waarbij de scholen uit de eerste tranche uiteraard verder zijn dan die uit
de derde tranche. Deze investering in tijd, gelden en energie is noodzakelijk geweest: een goed beleid
© 2010, GdB, CPS Amersfoort 43
is niet iets dat er zonder omwegen is, maar ontwikkelt zich. In verschillende fasen en leermomenten
krijgt het onderwijs aan en de begeleiding van (hoog-)begaafde (zorg)leerlingen, passend bij de visie
van de school, gestalte in het curriculum en de zorgstructuur.

De Begaafdheidsprofielscholen zijn nu in een fase beland, waarin dit beleid langzamerhand een zekere
algemeen geaccepteerde vanzelfsprekendheid gaat krijgen, hetgeen voor de eerder genoemde
kwaliteits- en continuïteitsborging van groot belang is.
Er kunnen nu in de doorontwikkeling vervolgstappen worden gezet, die zich zowel op verdere
ontwikkeling van de school zelf in het begaafdheidsprofiel richten, als wel op verruiming van
mogelijkheden in het onderwijs aan hoogbegaafden en de versteviging van de positie van
Begaafdheidsprofielscholen op nationaal en internationaal niveau (bij het laatstgenoemde valt te
denken aan uitwisseling met leerlingen en studenten uit andere landen binnen begaafdheids- en
talentnetwerken, etc.).

In onderstaande strategische doelen en effecten, waaraan drie kernthema’s gekoppeld zijn, worden
mogelijkheden beschreven voor de Begaafdheidsprofielscholen om zich verder in het profiel te
ontwikkelen op de wijze die bij de school en de desbetreffende actieplannen past en waarmee
voldaan wordt aan de kwaliteitseisen die door de overheid aan de profielscholen worden gesteld.

Strategische doelen en effecten
De strategische doelen en effecten voor de periode 2010 t/m 2013 zijn de volgende:
1. De derde tranche van Begaafdheidsprofielscholen wordt in 2010 gecertificeerd. Naast de
profielscholen van de eerste en tweede tranche zijn deze scholen herkenbaar in kwalitatief
hoogwaardig onderwijs en het bieden van begeleiding aan de doelgroep van hoogbegaafde
leerlingen.
De Begaafdheidsprofielscholen voldoen aan de hiervoor ontwikkelde kwaliteitscriteria, waarbij
een schooleigen toepassing in de praktijk en een schoolspecifieke ontwikkeling eveneens van
toepassing is.
2. Doelstelling is een landelijke dekking van 24 Begaafdheidsprofielscholen. Momenteel voldoen 21
scholen aan het profiel. De regionale spreiding is dusdanig dat in bijna alle provincies
Begaafdheidsprofielscholen vertegenwoordigd zijn. Daar waar open gebieden zijn wordt gestreefd
naar dichting, mede door het aantrekken van nieuwe scholen, om brede toegankelijkheid en
bereikbaarheid voor ouders en leerlingen te waarborgen.
3. Continuering van ingezette processen: er wordt een structuur ontwikkeld waarin de kwaliteit en
de verdere ontwikkeling van de Begaafdheidsprofielscholen, alsmede hun regionale (expertise)
functie ondersteund en geborgd worden.

In de hieronder geformuleerde kernthema’s volgt een overzicht van de activiteiten en producten die in
de komende periode zullen plaatsvinden dan wel ontwikkeld zullen worden.

Bovenstaande strategische doelen zijn vertaald in drie kernthema’s:
1. Kwaliteitsborging en kwaliteitsontwikkeling
2. Regionale expertisefunctie
3. Instandhouding netwerk door verbreding en/of vernieuwing in (aantal)
Begaafdheidsprofielscholen
© 2010, GdB, CPS Amersfoort 44

In overleg met het bestuur van de Vereniging van Begaafdheidsprofielscholen wordt, mede naar
aanleiding van de ALV van 26 september 2009, in het eerste jaar de nadruk gelegd op kwaliteitsborging
en kwaliteitsontwikkeling en de instandhouding van het netwerk. De regionale expertisefunctie wordt
in deze eerste fase beperkt tot een pilot en in een later stadium uitgebouwd.

Voor de aansturing en voortgangsbewaking van de ingezette trajecten wordt een stuurgroep ingesteld,
waarin twee afgevaardigden van de Vereniging van Begaafdheidsprofielscholen en één afgevaardigde
vanuit CPS plaatsnemen. Daarnaast wordt een coördinator afstemming (een lid van de vereniging)
belast met de communicatie tussen scholen, vereniging en CPS.

Kernthema 1: Kwaliteitsborging en kwaliteitsontwikkeling
Hierbij gaat het om de volgende aandachtspunten:
a. Inhoudelijke aanscherping en doorontwikkeling:
1. Op welk terrein is verdere professionalisering nodig?
2. Op welke wijze kan de begeleiding van leerlingen verder
geïntensiveerd worden?
3. Hoe kan de inbedding van het begaafdheidsprofiel in de
beleidslijnen van de school maximaal gestalte krijgen?
b. Doorlopende leerlijn: het ontwikkelen en borgen van een leerlijn voor hoogbegaafde
(zorg)leerlingen van de brugklas tot aan het einde van hun examenjaar.
1. Op welke wijze kan een op de leerling afgestemd integraal
onderwijsaanbod en begeleiding in zowel onder- als bovenbouw
worden gerealiseerd?
c. Expertiseontwikkeling:
1. Hoe kan gericht gestalte gegeven worden aan expertiseontwikkeling
in verbredende zin (intern en extern) en
2. Hoe krijgt expertise ontwikkeling vorm in verdiepende zin op gebied
van schoolbeleid? [schoolleiders, (LC-)docenten, projectleiders, etc.]

Ad a.1:
Iedere school geeft in het Zelfbeoordelingsinstrument en in het actieplan aan welke specifieke
professionaliseringsbehoefte er is onder docenten en/of interne begeleiders/specialisten in de school.
Het aantal geschoolde personeelsleden op het gebied van hoogbegaafdheid staat in relatie tot de
behoefte van de school aan menskracht om het profiel op verantwoorde wijze te kunnen voeren. Een
streven naar 2-3 ECHA-opgeleiden per school is wenselijk.

Ad a.2:
De stand van zaken m.b.t. begeleiding en de acties die de school onderneemt om een optimale
afstemming op de behoeftes van (hoog-)begaafde (zorg)leerlingen na te streven vormen de leidraad
voor dit punt.

© 2010, GdB, CPS Amersfoort 45
Ad a.3:
In de opzet van het begaafdheidsprofiel wordt uitgegaan van een integrale aanpak, die in de
beleidslijn terug te vinden is. Gebruik maken van bestaande (zorg-) beleidslijnen is aan te bevelen. In
het beleid is onderwijs aan hoogbegaafde leerlingen niet iets exceptioneels, maar maakt deel uit van
het bestaand curriculum.

Ad b.1:
Afhankelijk van de onderwijsvorm die een profielschool gekozen heeft voor onderwijs aan (hoog-)
begaafde (zorg)leerlingen wordt door de school een leerlijn opgezet, afgestemd op de behoeftes van
de leerlingen, waarin uitdaging, continuïteit en talentontwikkeling geborgd worden en gewaakt wordt
voor onderpresteren.

Ad c.1 en c.2:
Bij interne en externe verbreding van expertise gaat het om kennisdeling, kennisoverdracht en
scholing, (binnen de school en daarbuiten), bezoeken van netwerkbijeenkomsten,
intervisiebijeenkomsten voor inhoudelijke functionarissen, congressen, etc. (waarbij uiteraard in
kennis en inzichten een verdieping plaatsvindt).
Bij de expertiseontwikkeling in verdiepende zin in het schoolbeleid wordt gedacht aan integraal
personeelsbeleid, waarin ruimte is voor een bepaalde vorm van functietoekenning op grond van
expertise in hoogbegaafdheid.

Productopbrengst
1 Professionalisering Scholen hebben in onderling verschil naar fasering en tranche
respectievelijk 25%, 50% of 75% van het docentenbestand dat lesgeeft
aan hb-leerlingen eind 2010 voor alle leerjaren geprofessionaliseerd.
Dit is aantoonbaar in certificaten, portfolio’s, etc.
Voorts heeft de school 1 docent in ECHA-opleiding, zo mogelijk
uitbouwend naar 2 per school.
2 Intensivering van
Begeleiding
Ongeacht de tranche van de school is aan het eind van 2010 per school
tenminste één zorgcoördinator, intern begeleider of specialist leerling-
zorg aanwezig met kennis van specifieke aandachtsgebieden in de
begeleiding van (hoog-)begaafde leerlingen. De school kan aantonen dat
de zorgcoördinator zijn kennis bijhoudt en verdiept (bv. door het
bezoeken van intervisiebijeenkomsten). Tevens heeft de school een
structurele relatie met een orthopedagoog of psycholoog die ook kennis
heeft van diagnostiek hoogbegaafdheid. De school kan aantonen dat deze
psychodiagnost kennis op peil houdt dan wel zich verdiept (minimaal 2x
per jaar deelname aan een intervisiebijeenkomst).
3 Inbedding in de
Beleidslijn
Aan het eind van 2010 hebben scholen passend bij de fase waarin zij
zitten een opzet dan wel uiteindelijk plan voor een inbedding van het
profiel in het beleid van de school.
Er is een aantoonbaar draagvlak binnen de school. De school omschrijft
duidelijk hoe het implementatietraject wordt ingezet, wie
verantwoordelijken en betrokkenen zijn en welke tastbare resultaten
© 2010, GdB, CPS Amersfoort 46
worden beoogd.
4 Doorlopende
Leerlijn
Scholen hebben eind 2010 voor het schooljaar dat volgt een plan
opgesteld waarin de doorlopende integraal opgezette leerlijn tot uiting
komt. Ook hierin is onderscheid te maken tussen de tranches van de
scholen. Bij scholen uit de eerste en tweede tranche, waar het
begaafdheidsprofiel ook in de bovenbouw gestalte krijgt, is deze
integrale leerlijn voor alle leerjaren en vakgebieden per schooljaar 2010-
2011 in ieder geval in pilotvorm operationeel.
5 Expertise Eind 2010 hebben alle scholen een overzicht omtrent verrichte expertise-
acties in verbredende en verdiepende zin, afgestemd op de actieplannen
en zelfbeoordelingsinstrumenten die zij hebben ingevuld.

NB: project 3

Om tot een goede borging van kwaliteit te komen en ervoor te zorgen dat aandachtspunten van de
diverse scholen op dit terrein tot optimale ontwikkeling kunnen komen zijn bovengenoemde twee
aandachtsgebieden van belang. De scholen kunnen een keuze maken uit één van de beide opties,
waarbij een ongeveer evenredig verdeling wenselijk is. In de komende jaren vindt een wisseling van
aandachtsgebied plaats.

Kernthema 2: Regionale expertisefunctie
Op dit moment is de netwerkfunctie die van de Begaafdheidsprofielscholen uit zou moeten gaan nog
te weinig ontwikkeld. Slechts een klein aantal scholen onderhoudt contacten met andere scholen en
deelt expertise. Een daadwerkelijk regionaal netwerk per provincie is nog niet van de grond gekomen.
Om tot een helder beeld te komen omtrent verwachtingen ten aanzien van de scholen onderling en in
hun relatie naar de begeleidende instanties is het noodzakelijk om definities te formuleren over de
inhoud en de vorm van deze expertisefunctie. Daarbij zijn onderstaande onderzoeksvragen van belang:

a. Welke behoeften aan advies en informatie hebben scholen in de regio van een
Begaafdheidsprofielschool?
b. Welke (reële) tijdsinvestering vraagt bovenstaande van een Begaafdheidsprofielschool?
c. Welke condities zijn voorwaardelijk voor een Begaafdheidsprofielschool om de onder het a en b
genoemde gestalte te geven?

De scholen onderzoeken in hun eigen regio welke behoeftes er in die regio zijn, en hoe zij een rol
kunnen spelen in kennisdeling met andere scholen. Om de vorm van analyse op de diverse scholen zo
goed mogelijk op elkaar af te stemmen, worden vragenlijsten ontwikkeld die alle scholen in hun
analyse kunnen gebruiken.

1. Vragenlijst
2. Analyse inzet BP-school (+ verantwoording:
waaruit blijkt inzet, planning daarvan, resultaten,
etc.)
Productopbrengst
3. Analyse behoefte in de regio (+ verantwoording
© 2010, GdB, CPS Amersfoort 47
daarvan, actieplannen op behoefte, etc.)


Kernthema 3: Instandhouding netwerk door verbreding en/of vernieuwing in (aantal)
Begaafdheidsprofielscholen
Ervan uitgaand, dat bij een huidig bestand van 23 Begaafdheidsprofielscholen (waarvan 21
gecertificeerd) op kortere of langere termijn een verloop zal plaatsvinden, is het van belang om
eventuele tekorten of leemtes in de regionale dekking voor te zijn door per jaar in te zetten op drie
‘nieuwe’ Begaafdheidsprofielscholen. Een aantal scholen heeft aangegeven deel uit te willen maken
van het project en staan momenteel ‘in de wacht’. Naast het te verwachten gegeven dat bestaande
Begaafdheidsprofielscholen zullen afvallen, is ook in sommige regio’s de spoeling nog tamelijk dun en
wordt niet in voldoende mate voldaan aan de eis van regionale dekking.
Het streven is om in ieder jaar tussen 24 en 30 Begaafdheidsprofielscholen ter beschikking te hebben.
In 2010 wordt de start van nieuwe profielscholen geïnitieerd.

a. In welke regio(‘s) is er sprake van leemtes dan wel is te verwachten dat er leemtes zullen
ontstaan;
b. Welke scholen VO in bovengenoemde regio’s hebben mogelijkheden en ambities om zich in een
periode van 2 schooljaren te ontwikkelen tot Begaafdheidsprofielschool;
c. Op welke wijze wordt een landelijk spreiding van Begaafdheidsprofielscholen geborgd?

Iedere Begaafdheidsprofielschool vult het vernieuwde Zelfbeoordelingsinstrument in.
Scholen kunnen naar keuze betrokken worden bij het selecteren en begeleiden van nieuwe
Begaafdheidsprofielscholen.

Kennis opbrengst delen/transfer
1. T.a.v. kwaliteitsborging en kwaliteitsontwikkeling:
- Er is een aanpak beschreven waarin de onder kernthema 1 genoemde
aandachtspunten uitgewerkt zijn;
- Er is een start gemaakt met de effectmeting door de RUG waarin de resultaten en
opbrengsten van Begaafdheidsprofielscholen worden onderzocht en beschreven;

2. T.a.v. regionale expertisefunctie: de BP-scholen:
- Er is onderzoeksrapport beschikbaar waarin de resultaten van de onderzoek naar de
behoefte aan de regiofunctie van de BP-scholen is beschreven;
- Er is overzicht beschikbaar van een reële tijdsinvestering die van scholen verwacht
kan worden t.a.v. de regiofunctie;

3. T.a.v. instandhouding netwerk door verbreding/vernieuwing in (aantal)
Begaafdheidsprofielscholen:
- Er zijn drie nieuwe bp-scholen benaderd om deel uit te maken van het netwerk bp-
scholen;
- Er is een voorstel hoe een landelijke dekking voor meer jaren te waarborgen.
© 2010, GdB, CPS Amersfoort 48
- Visitatie van de 1e en 2e tranche – scholen, waarvan de certificeringtermijn is
afgelopen.

Het één en ander komt tot stand in samenspraak met de Vereniging van Begaafdheidsprofielscholen.

De beschreven opbrengsten worden na onderling overleg beschikbaar gesteld via de websites van de
Vereniging van Begaafdheidsprofielscholen en van CPS.


© 2010, GdB, CPS Amersfoort 49

Sign up to vote on this title
UsefulNot useful