You are on page 1of 8

Wat is standaardtaal?

(http://taaladvies.net/taal/advies/tekst/85/#de_taal_als_een_ui)

Taal en variatie

Een taal is geen vastliggende, maar een voortdurend veranderende verzameling klanken,
woorden, uitdrukkingen en grammaticale constructies. Veranderingen zijn het meest
opvallend op het niveau van woorden. Nieuwe woorden ontstaan (zoals sms'je, chatten),
andere woorden verdwijnen (zoals pesjonkelen 'met Allerzielen gaan bidden in de kerk om de
ziel van een overledene uit het vagevuur te redden' of gordijnmis 'berisping van een man door
zijn vrouw toegediend achter de bedgordijnen').

Ook de uitspraak en de grammatica van een taal veranderen, al gaat dat meestal wat trager.
Als gevolg van die veranderingen is er een groot verschil tussen het Nederlands van nu en het
Nederlands van de renaissance en dat Nederlands verschilt op zijn beurt wezenlijk van het
Nederlands uit de vroege middeleeuwen.

Naast die variatie in de tijd is er op elk moment ook variatie binnen een taal. De meeste talen
kennen heel wat verschillende variëteiten: taalsystemen die genoeg overeenkomst vertonen
om tot één taal - in ruime zin - te worden gerekend, maar genoeg verschillen om van elkaar
onderscheiden te kunnen worden. Dat geldt ook voor het Nederlands. Men onderscheidt - in
de taalwetenschap en in het dagelijkse spraakgebruik - verschillende Nederlandse dialecten,
regiolecten (taalvariëteiten van bepaalde regio's), sociolecten (taalvariëteiten van bepaalde
sociale klassen), groepstalen, enz. en de standaardtaal. Al die variëteiten zijn bruikbaar in een
of meer specifieke gebruiksdomeinen. Zo kan een Oost-Vlaming in een Merelbeeks café
tegen een toogmakker zin (1a) uitspreken:

(1a) Ek verkuup verscheilende sorten alme, gelijk tournaviezn, liern, okkers, moar uuk dingn
veur de lochting, gelijk kurtwoaens en rikkn.

De toogmakker zal een dergelijke zin perfect normaal vinden en het gesprek voortzetten in het
Merelbeekse dialect.

Stel nu dat dezelfde Oost-Vlaming een reclamefolder opstelt waarin hij dezelfde informatie
wil meegeven aan zijn potentiële klanten. Wellicht zal de formulering dan luiden zoals in zin
(1b):

(1b) Ik verkoop verschillende soorten gereedschap, zoals schroevendraaiers, ladders, emmers,


maar ook zaken voor de moestuin, zoals kruiwagens en harken.

Er is geen haar op het hoofd van de verkoper dat eraan denkt de folder op te stellen in het
Merelbeeks. Veel mensen zouden hem maar een vreemde vogel vinden, als ze al begrepen wat
er in de folder stond. De verkoper zal dus zijn best doen om de tekst op te stellen in de
standaardtaal.

Net zo kan een jongere tegen zijn vrienden zeggen dat hij zin heeft om eens stevig te boozen
en te shaken of eens goed scheef te gaan, terwijl hij tegen een leerkracht wellicht zal zeggen
dat hij 's avonds een pintje (in Vlaanderen) of een biertje (in Nederland) wil drinken en wil
dansen of veel zal drinken.
De meeste taalgebruikers beheersen, zonder dat altijd zelf te beseffen, een aantal
taalvariëteiten en ze wenden die kennis aan om het taalgebruik aan te passen aan de plaats
waar ze zich bevinden, de gesprekspartner(s) of de doelgroep, de context en tal van andere
factoren.

Standaardtaal

De standaardtaal is, net als de andere taalvariëteiten, een variëteit die geschikt is om gebruikt
te worden in bepaalde situaties. We verstaan onder de Nederlandse standaardtaal het
Nederlands dat algemeen bruikbaar is in het publieke domein, d.w.z. in alle belangrijke
sectoren van het openbare leven, zoals het bestuur, de administratie, de rechtspraak, het
onderwijs en de media. Anders uitgedrukt: de Nederlandse standaardtaal is het Nederlands dat
algemeen bruikbaar is in contacten met mensen buiten de eigen vertrouwde omgeving (in
zogenaamde secundaire relaties). Woorden, uitdrukkingen, uitspraakvormen of constructies
die standaardtaal zijn, zijn dus in principe zonder problemen bruikbaar in de genoemde
sectoren en situaties, zoals dat kan met zin (1b).

Dat wil niet zeggen dat de standaardtaal een vaststaande, statische vorm heeft. Wat tot de
standaardtaal gerekend wordt, verandert door de tijd en er is op elk moment ook binnen de
standaardtaal nog eens variatie. Soms bestaan er twee of meer woorden, uitdrukkingen of
constructies om (min of meer) hetzelfde uit te drukken (bijvoorbeeld eb en laagwater) en
sommige woorden kunnen op verschillende manieren uitgesproken worden (bijvoorbeeld de
uitspraak van ansjovis met de klemtoon op de eerste of op de tweede lettergreep). De concrete
realiseringen van zulke variabele verschijnselen – dus de verschillende woorden, constructies,
uitspraakvormen – noemt men varianten. De variatie in de standaardtaal is vaak geografisch
of stilistisch bepaald.

Geografische variatie binnen de standaardtaal is duidelijk merkbaar tussen België en


Nederland. Een Nederlander heeft het over een pinpas, een Belg over een bankkaart, een
Nederlander die het niet meer ziet zitten, noemt zijn therapeut een [terapuit], terwijl een Belg
het over een [terapeut] heeft en een constructie als Er kwam een auto aangereden wordt veel
vaker gebruikt in de zuidelijke helft van het taalgebied dan in de noordelijke, waar vaker Er
kwam een auto aanrijden te horen is. Hoewel er dus variatie is, worden al de bovenstaande
taalvormen tot de standaardtaal gerekend. Net zo is er variatie binnen de standaardtaal tussen
het oosten en het westen van het taalgebied, tussen Limburg en Zeeland, enzovoort.

Een goed voorbeeld van stilistische variatie is het verschil tussen geschreven en gesproken
standaardtaal. Een zin als Aangezien wij aanstaande week vijf jaar gehuwd zijn, nodigen wij u
alsook uw partner uit op een diner in onze woonst is goed mogelijk in een formele geschreven
uitnodiging, maar is niet echt gepast in een gesprek.

Dé standaardtaal als een objectief gegeven vaststaande norm bestaat dus niet. Ook binnen de
standaardtaal is er variatie binnen het taalgebied, hoewel die een stuk minder groot is dan de
variatie tussen de verschillende dialecten, regiolecten, jongerentalen, etc.
De taal als een ui

We kunnen het Nederlands (en de meeste andere talen) met zijn variëteiten weergeven in de
vorm van een ui, met verschillende lagen. Hoe meer naar buiten een laag zich bevindt, hoe
groter de stilistische en geografische variatie in die laag is.

Om te beginnen is er een kern, de standaardtaal zonder meer, die bestaat uit woorden,
uitdrukkingen, klanken, vormen en constructies die algemeen bruikbaar zijn in het publieke
domein in het hele taalgebied en in alle situaties. Denk daarbij aan woorden als appel, hond,
mooi, maar en spelen of uitdrukkingen als iemand de hand boven het hoofd houden of van
een mug een olifant maken.

Zoals we hierboven al zeiden, is er binnen die standaardtaal al enige variatie. Denk daarbij om
te beginnen aan het verschil tussen gesproken en geschreven standaardtaalgebruik. De
woorden echter en maar zijn beide bruikbaar in het publieke domein, maar echter zal vooral
in geschreven taalgebruik opduiken, terwijl maar zowel in geschreven als in gesproken
taalgebruik wordt gebruikt.

Daarnaast moeten we voor het Nederlands nog rekening houden met de bijzondere situatie dat
ons taalgebied bestaat uit twee grote deelgebieden: Nederland en Vlaanderen (Suriname laten
we hier voorlopig buiten beschouwing; zie verderop). Voor het grootste deel is de
standaardtaal in beide gebieden identiek, maar het behoeft geen betoog dat er ook verschillen
zijn. Vooral op het gebied van de uitspraak zijn die verschillen bij sprekers meestal meteen
duidelijk. Maar zoals we hierboven al aangaven, is er ook op het vlak van de woordenschat en
de grammatica variatie. Hoewel veel van die verschillen meteen in het oog springen, staan ze
een principiële eenheid van het taalgebied niet in de weg. De standaardtaal is voor het grootste
deel gelijk in Nederland en België en de verschillen die voorkomen zijn vaak gradueel. In een
aantal gevallen echter komen er varianten voor die ofwel alleen maar in België ofwel alleen
maar in Nederland een standaardtalig karakter hebben. Het gaat dan om varianten die ofwel
algemeen bruikbaar zijn in het publieke domein in Nederland, maar niet in België, en
omgekeerd om varianten die algemeen bruikbaar zijn in het publieke domein in België, maar
niet in Nederland.

We kunnen de kern van de ui, of de verzameling die we standaardtaal noemen, geografisch


beschouwd voorstellen als twee deelverzamelingen (Nederland en Vlaanderen) met een
enorme doorsnede en twee kleinere stukjes standaardtaalgebruik, het ene typisch voor
Nederland, het andere typisch voor België. Figuur 1 illustreert de situatie van de standaardtaal
in het Nederlandse taalgebied.
Figuur 1

In een tweede laag van de ui bevindt zich het taalgebruik dat op de grens zit tussen
standaardtaal en geen standaardtaal. Het gaat daarbij meestal om taaluitingen die in min of
meerdere mate typisch zijn voor bepaalde streken of stilistische omstandigheden, maar niet in
die mate dat alle standaardtaalsprekers ze verwerpen als ongewoon of ongepast of dat geen
enkele standaardtaalspreker ze hanteert. Sommige standaardtaalsprekers gebruiken bepaalde
taalelementen uit dat grensgebied, andere gebruiken ze niet, maar vallen er niet over, nog
andere vinden ze niet kunnen. Afhankelijk van het aantal standaardtaalsprekers dat dergelijke
varianten gebruikt, bevinden die zich dichter of verder van de kern. Op het vlak van de
woordenschat gaat het bijvoorbeeld in België om woorden of uitdrukkingen als frigobox en
allergisch zijn aan. Ook op het vlak van de uitspraak en de grammatica zijn er gevallen
waarbij men een bepaalde uitspraak of een bepaalde constructie op de grens kan situeren. De
uitspraak van het zogenaamde Poldernederlands ([blaajf baaj maaj]) in Nederland is daarvan
een goed voorbeeld.

Ten slotte is er de buitenlaag van de ui: het taalgebruik dat met zekerheid buiten de
standaardtaal valt. Dergelijke taaluitingen zijn stilistisch of geografisch te gemarkeerd. Dat
betekent dat standaardtaalsprekers ze doorgaans niet zullen gebruiken en als ze gebruikt
worden in een context waarin standaardtaal wordt verwacht, vallen dergelijke uitingen meteen
op als ongewoon of ongepast. Denk daarbij aan woorden als astreen ('binnenkort'),
blaffeturen ('vensterluiken'), boks ('lange broek'), bekommering ('ongerustheid, bezorgdheid
over') een grammaticale constructie als Hun hebben goed gespeeld of de uitspraak van het
Platamsterdams of het Iepers.

Figuur 2 illustreert de taal als een ui.

Figuur 2

Zoals reeds gezegd is taal (en dus ook de standaardtaal) niet statisch. Binnen de grote cirkel
van het taalgebruik is er voortdurend beweging van de rand naar het centrum en omgekeerd.
Een nieuwe uitspraak, een nieuw woord of een nieuwe grammaticale constructie duikt meestal
op in de rand. Soms dringt zo'n nieuwigheid door tot in de standaardtaal, soms blijft ze
langere tijd hangen op de grens en soms verdwijnt ze weer uit het taalgebruik. Omgekeerd
kunnen woorden die standaardtaal zijn langzaamaan minder en minder gebruikt worden,
waardoor ze opschuiven in de richting van de rand. Individuele taalverschijnselen hebben ook
niet voor iedereen identiek dezelfde plaats binnen de cirkel. Wat voor de ene
standaardtaalspreker perfect aanvaardbaar is, is dat voor een andere (nog) niet. Een woord als
tijger wordt door iedere standaardtaalspreker gebruikt en geaccepteerd, een woord als astreen
door geen enkele. Een constructie die op weg lijkt binnen te dringen in de standaardtaal, maar
voorlopig nog niet door iedereen wordt aanvaard is bijvoorbeeld het nijlpaard wat ik gisteren
gezien heb. Het is ook niet ondenkbaar dat de in Nederland verspreid voorkomende
constructie Hun hebben goed gespeeld alvast in Nederland op weg is naar het centrum, dus
naar (de kern van) de standaardtaal.

Wie bepaalt wat standaardtaal is? Wie het bovenstaande leest, zou kunnen denken dat de
standaardtaal een bewust geconstrueerde taal is, die men voor het gemak gemaakt heeft om
een taal te hebben die in het hele taalgebied bruikbaar is. Dat is niet het geval. De
standaardtaal is geen geconstrueerde taal, maar een levende taalvariëteit, die vanzelf tot stand
komt door een samenspel van maatschappelijke factoren en die gesproken en geschreven
wordt door mensen met een zeker prestige in de samenleving. Die groep mensen wordt de
spraakmakende gemeente genoemd.

Die spraakmakende gemeente is dus niet een meerderheid van de bevolking, maar een niet
duidelijk af te bakenen groep gezaghebbende schrijvers en sprekers die in de publieke,
sociaal-culturele sector een belangrijke rol spelen. Denk daarbij aan journalisten, schrijvers,
leerkrachten, radio- en televisiepresentatoren, acteurs, politici. Het taalgebruik van die
toonaangevende groep taalgebruikers wordt door anderen meestal onbewust, maar ook wel
bewust als norm geaccepteerd. Dat taalgebruik krijgt op die manier de status van
standaardtaal. Voorbeelden van het gebruik van de standaardtaal zijn makkelijk te vinden. Je
hoeft ervoor maar een krant open te slaan of naar het radio- of televisiejournaal te luisteren.

De beschrijving van taalvariatie in Taaladvies.net

In taaladviezen op Taaladvies.net komt vaak de vraag naar de correctheid van bepaalde


woorden en uitdrukkingen aan de orde. De onderliggende vraag is daarbij eigenlijk: is een
bepaalde variant standaardtaal of niet? Het antwoord op die vraag baseren we niet op onze
eigen overtuiging van wat we standaardtaal vinden en wat niet. Wel proberen we systematisch
een realistische beschrijving te geven van het standaardtaalgebruik of met andere woorden het
taalgebruik van de spraakmakende gemeente.

Dat dat niet altijd even eenvoudig is, mag duidelijk zijn. Bij zo'n beschrijving wordt verwacht
dat we een indeling maken tussen wat standaardtaal is en wat geen standaardtaal is. Door het
taalgebruik op zo'n ongenuanceerde manier weer te geven, doen we de taalrealiteit geweld
aan: taal is immers een continuüm waarbinnen niet altijd scherpe grenzen getrokken kunnen
worden. Om dat continuüm adequater weer te geven, beschrijven we naast de traditionele
tweedeling 'standaardtaal' en 'geen standaardtaal' ook een grenscategorie. Daarin vallen de
taalvarianten waarvan het ons niet duidelijk is of we ze - op dit moment - met zekerheid tot de
standaardtaal kunnen rekenen of net niet.

Daarnaast houden we ook rekening met de bijzondere geografische situatie binnen de


Nederlandse standaardtaal. We beschrijven zowel het taalgebruik van de spraakmakende
gemeente in Nederland als dat van de spraakmakende gemeente in België. We onderscheiden
dus 'standaardtaal' (in het hele taalgebied), 'standaardtaal in België' en 'standaardtaal in
Nederland'.

We benoemen de varianten op vijf verschillende manieren:


- Varianten die standaardtaal zijn in het hele taalgebied, krijgen in een advies het label
'standaardtaal'. Dergelijke varianten zijn algemeen bruikbaar in het publieke domein in
Nederland en in België. Voorbeelden zijn: hond, van een mug een olifant maken …

(Voor een aantal concepten uit België bestaat er geen woord in Nederland (bv. Arbitragehof,
belfort, waterzooi), en omgekeerd bestaat er voor een aantal concepten uit Nederland geen
woord in België (bv. waterschap, Koninginnedag, balkenbrij). Zulke cultuurgebonden
woorden noemen we ook zonder meer standaardtaal.)

- Varianten die standaardtaal zijn in België, maar niet in Nederland, krijgen in een advies het
label 'standaardtaal in België'. Varianten met dit label zijn in principe algemeen bruikbaar in
het publieke domein in België. Standaardtaal in België zijn bijvoorbeeld wisselstukken,
lidkaart en schepen.

- Varianten die standaardtaal zijn in Nederland, maar niet in België, krijgen in een advies het
label 'standaardtaal in Nederland'. Varianten met dit label zijn in principe algemeen bruikbaar
in het publieke domein in Nederland. Voorbeelden zijn pinpas, fileparkeren, koopavond en
wethouder.

- Van varianten waarvan het ons niet duidelijk is of ze tot de standaardtaal (in België, in
Nederland of in het hele taalgebied) gerekend kunnen worden, geven we de onduidelijke
status expliciet aan en daarbij noemen we andere varianten die in elk geval standaardtaal zijn.
Voorbeelden van varianten met een onduidelijke status zijn lavabo, depannage. Ze bevinden
zich ergens in het grensgebied.

- Varianten die geen standaardtaal zijn, noemen we in de adviezen dan ook 'geen
standaardtaal'. Dergelijke varianten zijn niet algemeen bruikbaar in het publieke domein van
België en Nederland. Voorbeelden zijn astreen, tas (in de betekenis 'kopje') en Hun hebben
dat gedaan.

Hoe kunt u Taaladvies.net gebruiken?

Op basis van deze beschrijving stellen we u in staat uw eigen keuzes te maken. U beslist zelf
of u een bepaalde variant al dan niet geschikt acht in een specifieke context. In de adviezen
krijgt u in de eerste plaats een antwoord op de vraag of iets standaardtaal is of niet. In
publicaties die gericht zijn op een publiek in het hele taalgebied kunt u bijvoorbeeld beslissen
om varianten met het label 'standaardtaal in België' of 'standaardtaal in Nederland' te
vermijden. In teksten die voor een specifiek Belgisch publiek bestemd zijn, kunt u varianten
met het label 'standaardtaal in België' bewust wel gebruiken, enzovoort. Ook met betrekking
tot de grensgevallen moet u zelf uitmaken of u een variant in de context al dan niet gepast
vindt. Er zijn verder ook omstandigheden te bedenken waarin het gebruik van dialect,
regiolect, jongerentaal of in België van de zogenaamde tussentaal gepaster is dan het gebruik
van de standaardtaal. Denk daarbij bijvoorbeeld aan de Merelbeekse tooghangers. De labels
en de beschrijving van Taaladvies.net kunt u bij het maken van dergelijke keuzes als een
hulpmiddel beschouwen.
Standaardtaal in Suriname

In de bovenstaande beschrijving hebben we het alleen gehad over het Nederlands in


Nederland en België. Er zijn ook in Suriname en in beperkte mate op de Antillen nog sprekers
van het Nederlands. Net zoals we kunnen spreken van 'standaardtaal in Nederland' en
'standaardtaal in België' is het mogelijk in bepaalde gevallen te spreken van 'standaardtaal in
Suriname'. Woorden als ijsappel ('gekoeld ingevoerde en bewaarde appel'), dievenijzer
('hekwerk voor deuren en ramen om inbraak tegen te gaan'), buitenvrouw ('soort minnares') en
pinaren ('het moeilijk hebben, te kort komen') komen daarvoor wellicht in aanmerking.

Het Surinaamse deel van het Nederlandse taalgebied wordt in de adviezen voorlopig buiten
beschouwing gelaten omdat het Nederlands er maatschappelijk heel anders functioneert dan in
België en Nederland. Hoewel het Nederlands in Suriname de officiële taal is, die gebruikt
wordt in het onderwijs, de wetgeving, het bestuur en de administratie, is het er in veel
gevallen niet de moedertaal van de bevolking. De meeste Surinamers hebben als moedertaal
het Hindi, het Javaans, het Chinees of een van de ongeveer twintig talen die in Suriname
gesproken worden. Die moedertaal wordt gesproken met familieleden en met mensen met
dezelfde etnische achtergrond. Daarnaast is er ook nog het Sranantongo, dat door nagenoeg
alle Surinamers gesproken wordt bij contacten tussen personen uit de verschillende etnische
groepen. Het Nederlands wordt in Suriname dus beperkter gebruikt dan in België en
Nederland, al is er wel een groeiende groep mensen die het Nederlands ook als moedertaal
heeft.

Een ander belangrijk kenmerk van het Surinaamse taalgebied is dat het niet grenst aan
Nederland en België. Ook de bijzondere geografie van Suriname en als gevolg daarvan de
bewoning van het land zijn mogelijk van belang voor de situatie van het Nederlands daar.

Een beschrijving van het Nederlands in Suriname moet dus rekening houden met tal van
factoren die niet relevant zijn voor België en Nederland. De situatie van het Nederlands (en
dus ook van de standaardtaal) in Suriname verschilt in die mate van die in België en
Nederland dat het een aparte beschrijving verdient in een aparte tekst.

Vooralsnog zijn in Taaladvies.net ook geen adviezen opgenomen die betrekking hebben op
specifiek Surinaamse kwesties. Het is de bedoeling de taaladviesbank in de toekomst met
zulke gevallen uit te breiden en in bestaande adviezen waar mogelijk ook aan de Surinaamse
taalsituatie recht te doen.

Werkwijze: welke varianten hebben standaardtaalkarakter?