You are on page 1of 214

Jan Heeling Over

stedebouw

Ee ktoc

...

de grondsl van

de sfedeho undige

COLorON

Uitgave

In opdracht van

Auteur Eindredactie

Produktie

Vormgeving Tekstverwerking Druk Bindwerk

Cip gegevens Trefwoorden

Copyright © 2001

ISBN

Niets van deze uitgave mag verveelvoudigd en/of open boar gemaakt worden door middel van druk, fotokopie of op welke andere wijze dan ook. zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de uitgever.

Delft Universily Press Prometheusplein 1 I 2628 ZC Delft

Telefoon (015) 27 83254 I Fax (015) 27 81661 E-mail dup@tudelft.nl

Afdeling Stedebouwkundig Ontwerpen

Faculteit Bouwkunde I Technische Universiteit Delft Telefoon (015) 2784430

E-mail StedebouW©bk.tudelft.nl

Prof.ir. Jan Heeling e.a.

Prof.ir. Henco Bekkering I Ir. John Westrik

Publikatieburo Bouwkunde I Faculteit Bouwkunde

Technische Universiteit Delft I Berlageweg 1 I 2628 CR Delft

Telefoon (015) 2784737 I Fax (015) 2783030 I E-mail pb@bk.tudelft.nl Henk Berkman I Publikatieburo Bouwkunde

Danielle Hellendoorn

Drukkerij NKB I Bleiswijk

Molier /Spiegelenberg

Koninklijke Bibliotheek I Den Haag

Stadsplattegrond, formele ordening, historische continu"iteit, openbare ruimte, stedebouwkundig ontwerpen.

Faculteit Bouwkunde I Jan Heeling

90-407-2146-7

14 september 2001

De redacteuren hebben getracht aile illustraties van een bronvermelding te voorzien, helaas zijn zi], in enkele gevallen, er niet ingeslaagd deze te achterhalen.

Het merendeel van de in dit boek geplaatste artikelen zijn in hun oorspronkelijke vorm overgenomen, dus niet conform de nieuwe spelling.

·stedebouw

Een zoektocht naar de grondslagen van de stedebouwkundige ontwerpdiscipline

INIiIOUD

Inhoud

Jan Heeling, stedebouwkundige en hoogleraar stedebouwkundig ontwerpen.

Henco Bekkering en John Westrik 7

Stedebouw als formele ordening Jan Heeling en Henco Bekkering

Eerder gepubliceerd in PLAN nr. 2, 1981

13

Beelden voor het landschap, dragers voor het den ken

Jan Heeling en Ronald Ackerstaff Eerder gepubliceerd in Wonen/TABK nr. 20, 1982

45

Over vormconcepten

Jan Heeling, Ronald Ackerstaff en Henco Bekkering

Eerder gepubliceerd in Stedebouw en Volkshuisvesting nr. 20, 1982 65

Kop van Zuid: commentaren

Jan Heeling en Henco Bekkering Eerder gepubliceerd in de Architect nr. 1, 1983

75

Over stedebouw Jan Heeling

Eerder gepubliceerd in de reader Symposium TUE, 1983

79

Bestemmingsplan buitengebied Weststellingwerf Jan Heeling

Eerder gepubliceerd in het werkdocument, Ruimtelijk Ontwerpen voor het

structuurplan, PPD-Zuid-Holland, 1984 87

Planologen: de moraaltheologen van Nederland Jan Heeling

Eerder gepubliceerd in Stedebouw en Volkshuisvesting, nr. 3, 1985 99

Miin moeder was een stopper Jan Heeling

Eerder gepubliceerd in Stedebouw en Volkhuisvesting, nr. 7, 1985 103

Is architectonische kwaliteit te meten?

Jan Heeling

Eerder gepubliceerd in Architectuur en Bouwen, nr. 3, 1986

105

INHOUD

Historische continu'iteit Jan Heeling

Eerder gepubliceerd in Architectuur en bedrijf, 1990

J08

Met een bestemmingsplan weet je waar je aan toe bent Jan Heeling

Eerder gepubliceerd in Stedebouw en Volkshuisvesting, nr. 9, 1988 1 r 9

Stu urman op de wilde vaart Jan Heeling

Intreerede als hoogleraar stedebouwkundig ontwerpen, TU Delft, 1991 121

Veranderingen ziin de driivende krachten in de ruimteliike ordening

Jan Heeling

Eerder gepubliceerd in stadsontwerp Groningen, TU Delft, 1991

137

De stedebouwkundige plaHegrond is het fundament van de ruimtelijke kwaliteit

Jan Heeling

Eerder gepubliceerd in Het platteland is dood, leve het platteland, BNA,

Drenthe 1 994 r 45

Interview met Jan Heeling

Ivan Nio en Arnold Reijndorp

Eerder gepubliceerd in Groeten uit Zoetermeer, NAi, 1997

lSI

Een zoektocht naar de grondslagen van de stedebouwkunde

Jan Heeling

Eerder gepubliceerd in Stedelijke Transformaties, DUP, TU Delft, 1998 157

De stad is al eeuwen duurzaam Jan Heeling en John Westrik

Eerder gepubliceerd in ARCHIS, nr. 2, 1999

185

De kwartiermakers Jan Heeling

Uittreerede als hoogleraar stedebouwkundig ontwerpen TU Delft, 2001 197

5

In het den ken over stedebouw is het voor Jan Heeling van belang dat het stedebouwkundig ontwerpen wordt gezien als een zelfstandige ontwerpdiscipline: zowel zelfstandig ten opzichte van de architectuur (zie Stuurman op de wi/de vaart) als autonoom ten opzichte van de planologie (zie Plano/ogen; de moraalthe%gen van de ruimteliike orden;ng), terwijl de stedebouw en de landschapsarchitectuur in ziin ogen meer overeenkomen dan ze verschillen (zie Bee/den voor het landschap, dragers voor her denken).

Daarnaast ziet Jan Heeling stedebouw als een technische discipline, op handelen gericht.

De stedebouwkundige houdt zich bezig met her maken van fysiekruimtelijke constructies. Ook het onderscheid fussen publiek en privaat speelt een grote rol in het denken van Jan Heeling. De stedebouwkundige

dient in eerste instantie het publieke belang, terwijl de architect primeir het private belang dient.

.HI-IIDING I STEDEI!JOUW VOLGE"'S JAN HEELING

5tedebouw volgens Jan Heeling

Op grond van deze constateringen komt Jan Heeling in zijn artikelen begin jaren tachtig tot de conclusie dot de zelfstandige positie van de stedebouwkundige ontwerpdiscipline ligt in de formele ordening van de stad en onderdelen daarvan. Dit is een reactie op de op dot moment zeer dominante positie van de functionele ordening die bleef steken in functionele diagrammen waarmee de zogenaamde "vlekkenplannen" werden gemaakt: het art. ll-bestemmingsplan uit de Wet op de Ruimtelijke Ordening.

De theoretische reflextie op de stand van de discipline en op de resultaten van het stedebouwkundig werk in zijn bureau - Stedebouwkundig Bureau ir. P. Oom en ir. J. Heeling, later Heeling

Krop Bekkering. Stedebouwkundigen en Architecten- werd bewust als project ingezet toen rond 1980 de werkdruk in de Nederlandse ruimtelijke ordening plotseling weg viel. Dit was deels het gevolg van de economische malaise, maar het vak was met de vlekkenplannen en woonerven ook wei op een dieptepunt aangeland. De maatschappelijke interesse verschoof naar het milieu. Daardoor kwam dwingend de vraag aan de orde waar de stedebouwkunde nu eigenlijk over ging.

Ook anderen, zoals een aantal SAR-architecten (Frans van der Werf en Henk Reyinga) en Carel Weeber hebben in het tijdschrift PLAN antwoorden gegeven op deze vraag door net als Jan Heeling de formele kant van de stedebouw te benadrukken met als doel de inhoud van de plannen weer vorm te kunnen geven.

Volgens Jan Heeling speelt bij een formele ordening het vormconcept een belangrijke rol, waarbij hi] de stelling inneemt dot de gekozen ordening een vrije keuze is van de ontwerper. Over de stellingname ontstaat discussie in de Nederlandse vakbladen met onder meer Wim Quist en Hans van Dijk.

mNLllDING I SVEDEBOUW YOLGENS IAN HIlILDNG

Een vormconcept is een denkbare formele ordening volgens

Jan Heeling en dient als drager voor het denken. Het kan niet anders worden gesteld dan in de tekentaal. Een vormconcept dient een ruimtelijk oplossend vermogen te bezitten. Het onderscheid tussen de contextuele benadering en de kunstgreep heeft indertijd veel stof doen opwaaien {de Pollepel voor Nieuw Pekela}. Later hebben de najagers van metaforen (zoals t.b.v. de wijk Kattenbroek) dit argument overgenomen. Maar bij Jan Heeling is een kunstgreep een door de ontwerper bedacht thema, waarmee greep gekregen wordt op het ontwerp.

Het is willekeurig van aard en wordt gesteld in de bestaande taal van de tekening. De kunstgreep wordt met name ingezet als er geen bruikbare formele samenhang in de bestaande situatie kan worden afgelezen.

Het is niet zo dat formele ordening aileen op de lagere schoolniveaus aan de orde is. Formele ordening en de daarbij behorende ruimtelijke concepten dienen juist ook op de hogere schaalniveaus toegepast te worden. Het gaat om de niveaus van stad, stad en regio en hoger. Het vormconcept dat gebruikt is in het structuurplan Groningen is hier een illustratief voorbeeld van.

Pas halverwege de jaren negentig geeft Jan Heeling nadere invulling aan het begrip formele ordening, vanuit zijn positie als hoogleraar Stedebouwkundig ontwerpen, Theorie en Methoden aan de Faculteit Bouwkunde van de Technische Hogeschool Delft, door het begrip stadsplattegrond te introduceren als een ontwerpproduct.

De positie van het ontwerp van de stadsplattegond is in het onderzoek naar de grondslagen van de stedebouwkunde, verder uitgewerkt in de inmiddels bekende vierdeling van de werkvelden van de stedebouwkunde:

8

INLIIDING I STIDIBOUW VOLOIHI JAN HEELING

1. De ruimtelijk-functionele organisatie van de stad en het land

2. Het ontwerp van de stadsplattegrond

3. Het ontwerp van de openbare ruimte

4. De regels voor het bouwen

Het is daarbij niet de bedoeling van Jan Heeling terug te grijpen op de stadsplattegrond van voor de tijd van de functionalistische stedebouw; zoals het plan Zuid van Berlage in Amsterdam. Het gaat erom dat de stedebouwkundige niet het stadsbeeld ontwerpt maar ruimtelijke condities schept die tot vele stadsbeelden kunnen leiden, afhankelijk van de verschillende te formuleren bouwopgaven nu en in de toekomst.

Het stelsel van openbare ruimten is daarbij van cruciaal belang, omdat enerzijds de ruimtelijk-functionele organisatie van de stad zich in belangrijke mate daarbinnen afspeelt en daardoor wordt aangestuurd en anderzijds het een continue factor oplevert in de stedelijke dynamiek die het gevolg is van de veranderingen in de stedelijke functies en een zich wijzigend gebruik, zonder dat daarbij de stadsplattegrond ingrijpend wordt gewijzigd. Door Jan Heeling wordt hiervoor het begrip historische continu"lteit gebruikt: er blijft altijd meer hetzelfde, dan er verandert [zie artikel over Historische continuYteit).

Daarmee zorgt de stadsplattegrond voor duurzaamheid in de Stedebouw. Het gebouwde programma is voortdurend aan slijtage onderhevig, terwijl een goed ontworpen stadsplattegrond eeuwen mee kan gaan, waarbij "goed" betekent dat de veranderingen in het gebruik van de gebouwen en de openbare ruimte kan worden opgenomen in de stadsplattegrond.

9

BNLEaDING I ST!DEBOUW YOLGENS JAN HEELING

Wil de stadsplattegrond in staat zijn om een aantal maatschappelijke vraagstukken, die een specifieke ruimtevraag met zich mee brengen, op te vangen, dan zal er nog behoorlijk gesleuteld moeten worden om dergelijke plattegronden te ontwikkelen. Het gaat daarbij om vraagstukken als toenemende (auto)mobiliteit en de toenemende vraag naar immer meer ruimte van de gebruikers.

Ook het verdwijnen van de dominante positie van de centrale stad gepaard gaande met de opkomst van de netwerkstad, (zoals b.v. de Deltametropool) zal ertoe lei den dat de stadsplattegrond op cruciale knooppunten enorme schaalsprongen moet kunnen opvangen (denkt by. aan stations, transferia) zonder dat de consluiting met de rest van de stadsplattegrond verloren gaat.

Er valt veel te verwachten van het meervoudig ruimtegebruik, zowel bij de te bebouwen gebieden als bij de openbare ruimte.

Dit betekent dat de stadsplattegrond op crudale knooppunten in meerdere lagen ontworpen zal worden.

Een bedreiging voor de stadsplattegrond vormt de uitholling van het publieke domein, doordat de economisch sterke functies in private gebieden en gebouwen worden ondergebracht (denk aan shoppingmalls, luchthaven terminals, stations, enz.).

Het is van belang dat de overheden zich bewust blijven dat investeren in de openbare ruimte een voorwaarde is om op termijn steden en stedelijke gebieden te laten functioneren.

Het werkverband Stedebouwkundig Ontwerpen aan de Faculteit Bouwkunde van de Technische Universiteit Delft neemt zich voor het door Jan Heeling ge'initieerde onderzoek voort te zetten in de hierboven beschreven richting, de neerslag van de ideeen zijn bijeengebracht in dit boek .•

10

Stedebouwkunde kan onderscheiden worden in een functioneel-technisch deel en een form eel deal. Onder formeel wordt verstaan: datgene wat met vorm te maken heeft. In dit errikel wordt nadrukkelijk eenzijdig ingegaan op het formele deel van de stedebouwkunde. Dil gebeurt niet omdat functioneel-technische kwesties niet van belong zeuden zijn, maar omdat het forme Ie aspect - dot bepalend is VOOI' het beeld van de open bare ruimte - in de vekdiseussle gedurende een lange periode ondergeschikt is gehouden een andere especten, Ook vanuit de erehlteetuur is de epenbere ruimte tot restruimte gedegradeerd. Het erfike] valt uiteen in een theeretiseh deel, dot als een geheel gelezen ken worden, en een deel dat bestaat uit iIIustraties van elgen plennen en andere geeigende veerbeelden, De lezer werdt uitgenodigd zelf verbend te leggen tussen de twee delen.

Oorspronkelijk gepubliceerd in PLAN nr 2, 1981, samen me! Henco Bekkeri ng Aon de tolslondkoming van dit orlikel werkten ook mea:

Ronald Ackerstcj], Arthur Blenk, Dorien Boosson, Hans Krop, Tjolling Visser, Carel Zuhorn.

S'II'EDEBOUW ALS FORMIEILE GRDENING

eb rdeni

r

De plennen ziin eerst ontstaan. De theorie is een reflexie op het bureauwerk van de laatste jaren. Het is dan ook niet een sluitende theorie, hoewel het geheel wei theoretisch ofwel "denkboar" van aard is. Het is de momentopname van ens onderzoek van het bureau. De getoonde ontwerpen verkeren in versc:hillende stadia. Sommige hebben de eindstreep van acceptatie niet bereikt, maar ziin wei functioneel in het verheel. No een uiteenzetting over de formele ordening van het openbare gebied worden drie thema's besproken die wij bii het ontwerpen belangrijk vinden vervolgens vaak hanteren. Aan het eind worden enkele stellingen geformuleerd die tot doe I hebben een vekdiseussle ult fe lekken,

Tot slot komt een aantal ontwerpplcmnen uitvoeriger in beeld dan bij het theoretiscl'le gedeelte mogelijk was.

De Scheene, WolvegCl, 1979- maql.llelte vClnuit het neerden

Bron: Arthur Blonk

Stedebouwkunde heeft in sterke mate betrekking op het openbare gebied, de gemeenschappelijke ruimte tussen de objecten: de gebouwen. Een stedebouwkundig on twerp zal op elk schaalniveau de formele samenhang van het openbare gebied en de doorbi] behorende inrichting bepalen: verharding, bomen, andere groenelementen, water, enz. Vanuit de optiek van het gemeenschappelijk belang zullen in het stedebouwkundig ontwerp voorwaarden gesteld worden aan de aangrenzende objecren.

Die voorwaarden hebben meestal betrekking op de situering, de omvang, de ligging van de toegang e.d. Ook is het mogeliik dot voorwaarden gesteld worden aan de "huid": de school, het ritme en de kleur van het object. Deze voorwaarden zijn deels beperkend deels genererend van aard.

Als de ontworpen stedebouwkundige ruimte opgevat wordt ols een reeds bestaande situatie, geeft het irnpulsen aan de vormgeving van de aangrenzende objecten.

Het stedebouwkundig lezen van situaties heeft een eigen karakter. Hetzelfde geldt voor het lezen en tekenen van stedebouwkundige ontwerpen. Objecten worden vereenvoudigd, een verzameling van objecten wordt tot een geheel teruggebracht en de openbare ruimte benadrukt. Een duidelijk voorbeeld is de Pianta di Roma, de Nolli-koart van Rome uit 1748 (ofb. 2).

De moderne bewerkingen tonen de openbare ruimten, zowel buiten ols binnen, het deel van de stad dot niet door de monumenten wordt beheerst, en de monumenten op zichzelf (afb. 3).

14

2 Fragment 'Pianta eli Rome', Giambattista Nolli, 1748 Bron: Lotus 19 /1978

$'!iiDIBOUW ALS FOIltMELE ORDIIINDNG

Aan het Hoge der Aa in Groningen staan toevallig drie panden naast elkaar waaruit veel te lezen is als ie er op een speciale manier naar kijkt (db. 4). Links een keurig woonhuis, niet mooi, met een regelmatige gevelindeling. De voordeur heeft extra nadruk gekregen. Tussen de ramen op de bovenverdieping zijn pilasters aangebracht. De gevel wordt afgesloten door een kroonliist. De architect heeft met de door hem gekende en beheerste middelen tot uitdrukking gebracht: zo ziet een woonhuis eruit.

Rechts staat een pakhuis. De hoofdvorm is geliik aan die van een woonhuis. De gevel is symmetrisch van opbouw. In de top een hijsbalk waaronder de luiken en de deur. Aan weerszijden hiervan kleine ramen voor lichttoetreding. Binnen een strenge en sobere ordening is een herkenbaar pakhuis gemaakt.

Het middelste huis, waarom het gaat, is intrigerend, complex, onregelmatig en mooi op een bepaalde manier. De opdrachtgever yond het kennelijk nodig in een gebouw het bovenste deel tot pakhuis te bestemmen en het onderste deel tot woonhuis. Yoor het pakhuisdeel was een hijsbalk nodig, geplaatst in de top met daaronder de luiken. Het lijkt aannemelijk dat functionele overwegingen geleid hebben tot het ondersteunen van de huisconstructie op het gevelvlak, met een compade ronde omhulling van het draaimechanisme binnen de geringe constructiehoogte van de kap en een onderbreking van de kroonlijst ten behoeve van de hijskabel. De plaats van de luiken wordt bepaald door deze

kabel.

Bewerkingen Nolli-kClart, Rodrigo Perez de Aree

Bron: Letus 19 / 1978

4

Drie pandan aan het liege der Aa, Gmnin91en

Fete: Arthur Blenk

STIDIBOUW AlS ,OaMIILE ORDININO

Ze worden geflankeerd door kleine raampjes, twee boven, daaronder vier; symmetrisch in aantal, asymmetrisch in plaatsing. De voordeur is asymmetrisch geplaatst in de gevel omdat het perceel te smal is voor een middengang. De gevelopeningen van het woongedeelte zijn regelmatig in de gevel geplaatst. De voordeur is extra benadrukt door lijsten, bovenlicht, stoep en dergelijke. Twee betekenissen - woonhuis en pakhuis - zijn in elkaar geschoven tot een geheel en reken maar dat de architect heeft moeten sjoemelen om dit formeel voor elkaar te krijgen. Dit lezen en tekenen is een afspiegeling van het ordenen van de ontwerper. leder mens is, in alles wat hij doet, ordenend bezig. Ordening geschiedt vanuit de eigen leef - en denkwereld [zie bv. Fokke Sierksma - Religie, sexualiteit en agressie). Daarbij worden bepaalde bedoelingen benadrukt. Een ontwerper leest en tekent een structuur, een samenhang naar eigen inzicht. Dat is een ontwerpkeuze. Hij is vrij elke denkbare ordening te kiezen, maar hij moet wei kiezen. De mate van vanzelfsprekendheid, de overtuigingskracht van de ordening is bepalend.

Er heeft in de geschiedenis van de stedebouw een grote verscheidenheid aan ordeningsprincipes bestaan. Bij het ordenen spelen tegenstellingen een opvallende rol: individu versus gemeenschap, kunstmatige versus natuurlijk, gelijkwaardig versus hierorchisch.

Het ordenen met ruimte

Het doel van het ordenen met ruimte is het vinden van een patroon, een samenhang, een structuur. Daarbij wordt de informatie van visuele indrukken en associaties gerangschikt.

Deze ordening met ruimte kan op elk schaalniveau plaatsvinden: de stad, de buurt of het landschap. Het bovenschikken van een gedeelte van een openbare ruimte tot een samenhangende structuur vinden wij nodig, omdat dit orientotie en herkenning oplevert. Het geheel wordt overzichtelijk. Wij noemen zo' n samenstel van ruimten een "drager". Hoewel de drager een geheel vormt, kan hij opgebouwd worden uit onderdelen die verschillend van aard zijn. Functies die een openbaar karakter hebben vormen een kenmerkend onderdeel van de drager.

In de gegroeide situatie van het Drentse esdorp Zuidlaren ligt een aantal met eikebomen beplante openbare ruimten. Deze brinken liggen tussen vrij onaanzienlijke en grillig gesitueerde dorpsbebouwing waarin hier en daar een grote boerderij staat (afb. 5).

16

Door de wijze waarop de brinken in elkaar overgaan en door de continuiteit van de inrichting met hoge bomen, vormen zij een samenhangend U-vormig stelsel. Overal in de dorpskom kan men zich hierop orienteren, ook 01 is sinds het ontstaan van de brinken de dorpskom aanzienlijk gegroeid en zijn de brinken kleiner geworden. In Oost-Groningen hebben de veenontginingen geleid tot rationele kanalenstelsels ten behoeve van de olvoer van het veen. No de afgraving is langs de kanalen agrarische bebouwing tot stand gekomen. later tussengevoegde niet-agrarische bebouwing heeft geleid tot concentraties in de lintbebouwing.

Om te voorkomen dat in zulke gebieden de wegverbinding langs het hoofdkanaal leidde tot de aanleg van teveel bruggen over de wijken (de brede sloten die het land insteken) werd voor het waterverkeer op enige afstand een tweede kanaal gegraven, het Boerendiep. Ondanks het voortdurend verder groeien van een ploots als Stadskanaal, waardoor aanzienlijke uitbreidingen buiten het lange lint noodzokelijk werden, is het lint bepalend gebleyen voor het beeld (afb. 6) en daarbij in staat gebleken vergaande fundieveranderingen op te nemen.

De assen in het centrum van Parijs (afb. 7) zijn brede insni]dingen in de dichtgegroeide middeleeuwse stad om over grote afstanden verbindingen tot stand te brengen tussen bestaande en nieuwe elementen in de stad; niet aileen hrncfionele verbindingen, maar ook visuele. Door de grote moat van de open ruimten en de helderheid en consistentie von hun inrichting, maken de assen, ook vanuit de tussenliggende delen van de stod, orientotie mogelijk. Zij vormen de ruimtelijke dragers voor een groot dee I van het centrum van Parijs.

In Groningen zijn no het slechten van de wallen aan het eind van de negentiende eeuw de vrijgekomen gronden aan de zuidzijde van de stad benut voor het bouwen van burgerbehuizing gesitueerd aan singels. Deze singels zijn ontworpen als een middenstrook waarin twee rijen hoge bomen staan met aan weerszijden bestrating. Waar zij de invalswegen naar het stadscentrum kruisen zijn medaillons oangelegd met dichtere boombeplanting.

De bebouwing longs de singels is niet uniform. Aan de stodszijde vormt de vrij hoge en gesloten bebouwing duidelijke wanden, onderbroken door grote vrijstocnde villa's rond de medaillons.

S'i'ii!DE.BOU'W ALS fORM!!LE ORIDIIINING

5

Brinleen Zuicllaren Bron: Aerophoto Eelde

OverzichtsKaart Stadskanaal, 1980

De essen in ket centrum van Pari is Bron: Bocon - Design of Cities

17

S'i'!DIiIB@UW ALS IFORMELS ORDENING

De zuidzijde daarentegen heeft een open karakter met vrijstaande gebouwen, terwiil de bebouwing zelfs over hele stukken ontbreekt. Daardoor is er uitzicht op het water en de gebieden aan de overzijde. Het beeld wordt niet in de eerste plaats bepaald door de begrenzing van de stedelijke ruimte, maar door de inrichting en door de relatie met de omgeving.

Omgekeerd vormt van buitenaf gezien de rug van hoge bomen de drager voor een heel stadsdeel (afb. 8, 9).

Voor de forensenplaats Zuidhorn in Groningen is in het begin van de jaren zeventig een grote uitbreiding opgezet. Binnen het systeem von een verdeelweg, die tussen groepen woningen doorvoert, is in het globale bestemmingsplan uitsluitend vanuit de optiek van het verkeer een weg vastgelegd, van begin tot eind homogeen van karakter (afb. 10). Bij de uitwerking van de opeenvolgende deelplannen is het lineaire element van de weg steeds meer uitgegroeid tot de ruimtelijke droger van de woonwijk, doordat van het ene gedeelte naar het volgende de ruimten van karakter veranderen. Verwijzingen naar de omgeving zijn in het ontwerp een rol gaan spelen in de vorm van gerichte doorzichten en veranderingen in het proliel, Vanuit de omgeving is de weg ols ruimtelijk element herkenbaar gemaakt door vorm te geven aon de plekken woor verschillende route bij elkoor komen (ofb. 11, 12, zie ook afb. 25, 27).

8 Zuidelijk gedeelte 'Pian van aanleg en uitbreiding der gemeente Graningen op de no Slechting der Vestingwerken vrijgekomen Terreinen, Bert Brouwer, 1878

Bran: Gemeente Archief Graningen

9 Zuideliike singels in Graningen Bran: Aerophoto Eelde

10 Zuidhorn West, 1972 - globaal bestemmingspiclll'l

Bij het ontwerp voor een vergelijkbaar grote uitbreiding ten zuiden van Zuidlaren, Zuid Es 2, is het maken van een ruimtelijke drager uitgangspunt geweest (afb. 13, zie ook afb. 18, 19).

De bestaande oude tolweg met boombeplanting, die tussen een weg in het oosten en een bos in het westen ligt, is verstrekt om de functie van drager te kunnen vervullen. Waar de hoofdontsluitingsroute de tolweg kruist is een brinkachtige ruimte ontworpen.

Het geheel van de drager met begin, midden en eind heeft verder vorm gekregen in de verruiming langs de oostelijke weg en de grate schegvormige ruimte, die door het bos in het westen wordt begrensd.

5TEDEBOUW ALI IFOHMII!LI ORDENING

11 Schets zuidelijk gecleelte, 1976

12 Uitwerking noordelijk gedeelte vercleelweg, 1978

13 Zl.Iid Es 2, Zuidlaren, 1978/'79- maquette

Fete: Arthur Blenk

STE!DEBCUW ALI FORMIi&.E ORDENING

Het ontwerp voor De Scheene ten noord-oosren van Wolvega kent een duidelijke hierorchie van grote samenhangende ruimten die de hele uitbreiding dragen (ofb. 14). De geometrisch gevormde openbare ruimte (driehoek en cirkel], de lineaire elementen die deze met elkoar verbinden, en de inrichting met bomenrijen en - groepen geven vorm aan de twee hoofdtoegangen tot het plangebied. Zo worden tevens vanuit het hart van de nieuwe woonwijk verbonden gelegd met de kom van Wolvega en met het omringende landschap. De hoofdvorm van het plan Meinga in Grouw is op het niveau van het hele dorp tot stand gekomen

(afb. 31). Ais afgeleide van deze hoofdvorm zijn vier ruimtelijke knooppunten ontstaan, die door een stelsel van lineaire elementen met elkaar in verband worden gebracht (afb. 15). Dit semenhangend netwerk dot uitstijgt boven de schaal van de woonstraten maakt de wijk tot een geheel, terwijl tegelijk een indeling in van elkaar te onderscheiden buurten wordt bereikt.

Het omgaan met bestaande gegevens

Bestaande gegevens kunnen van zeer verschillende geaardheid zijn. Zi] kunnen cultuur-historisch, landschoppelijk of infrastructureel zijn: een terp, een bomenrij, een sloot, een hoogspanningsleiding. Daornaast worden ook maotschappelijke foctoren als bestaande gegevens opgevat: een bouwstroom van een lype woningen, een eigendomssituatie, de voorkeur van een bestuurder of van een inspraakgroep. Bestaande gegevens hebben een toevallig karakter, maar zijn speciliek voor een bepaalde plaats en tijd. Door ze in een ontwerp op te nemen wordt ook het resultaat specifiek voor een bepaalde plaats en tijd. Het blij zijn met bestaonde gegevens is een houding: het willen omgaan met beperkingen. Dat kan zo ver gaan dat er, indien geen of onvoldoende bestaande gegevens voorhanden zijn, kunstmatig elementen worden ingevoerd, bedacht (zie bi] "kunstgreep").

Soms zijn er te veel gegevens. Dan moet gekozen worden welke zullen afvallen. Deze inschikkelijke houding berust op de afwijzing van een blauwdruk vooraf, gebaseerd op een onrwerpconcept. Het geeft voldoening wanneer de bestaande gegevens als vanzelfsprekend in het ontwerp zijn opgegaan en er een geheel mee vormen.

In de gekozen voorbeelden ligt de nadruk achtereenvolgens op het omgaan met cultuur-historische en landschappelijke gegevens (De Heide 2d en Zuid Es 2) en met een infrastructurele voorziening (Krommestede). Een verzameling van bestaande gegevens,

14 De Scheene, Wolvega, 1979- schetsontwerp globaal bestemmingsplan

zools die bij een opgave kan worden aangetrofFen, vormt het laatste voorbeeld (Meinga). In het kleinschalige coulissenlandschap aan de zuidrand van Wolvega was de opgave een woonbuurt te ontwikkelen: De Heide 2d. Het on twerp is geheel ondergeschikt gemaakt aan de bestaande houtwallen (afb. 16, zie ook db. 63). Daartussen is een zo efficient mogelijke verkaveling ontworpen. De houtwallen zijn zodanig in het ontwerp opgenomen dat het niet meer duidelijk is wat het eerst was: het ontwerp of de landschappelijke inrichting. De Drentse esdorpen liggen vaak op de overgang tussen es en beekdal. Zowel de essen als de beekdalen worden agrarisch gebruikt, terwijl de tussenliggende veldgronden (oorspronkelijk woest gebied) het meest geschikt werden en worden geacht om te bebouwen. Vroeger waren de redenen daarvoor functioneel van aard, nu worden de veldgronden als landschappelijk en cultuurhistorisch nog het minst kwetsbaar gezien. Hierdoor ontstaat een uiteengelegde dorpsbebouwing.

16 De Heide 2d, Wolvega, 1979

STEDIBOUW At! 'ORNiELI ORDENING

~""Z;i;' '-';~';;;.,: ~,::;', ... ~'~-".

15 Meinga, Grouw, 1978/'79- schetsontwerp uitwerking

17 Meinga, Grouw, 1978/'79 - vroege sehets

Verkloring:

1 Rijksweg 5 Sportvelden

2 Prinses 6 Sporthol

Morgrietkonoal 7 Boerderij erf

3 Zonddepot 8 Bestoonde school

4 Bestoonde 9 Gemeentehuis

bebouwing 10 Volkstuinen

21

STIiDEBOUW Aloe FORMELS CRDIH8HG

In Zuidlaren zijn de nieuwe uitbreidingen gesitueerd op de veldgronden tussen het oostelijke beekdal en de zuidelijke es en doorna ten zuiden van die es: Zuid Es 2 (afb. 18, 19, 13).

Op de oorspronkelijke veldgronden bevinden zich ook nu nog veel verspreide bosjes en een enkel wat groter bosmassief. Binnen de begrenzing van het plangebied van Zuid Es 2 in de vorm van bos, de es en een weg ligt een oude tolweg met een lineaire boombeplanting. Omdat de hoofdopzet van de uitbreiding uit deze bestaande gegevens is ontwikkeld, is deze sterk situatiegebonden. Het ontwerp op zichzelf ontleent zijn karakteristiek aan de aanwezige cultuur-historische en landschappelijke gegevens.

Door het daarin in te passen ontstaat een nieuw geheel met de dorpskom van Zuidlaren.

Diagonaal door het beschikbare terrein voor de nieuwe uitbreiding Krommestede in Noordwolde (Friesland) ligt een rioolpersleiding (afb. 20, 21). Dit gegeven is niet opgevat als belernmering, maar geaccepteerd als impuls voor het ontwerp, dat

18 Zuidlaren

Bron: Topografische Dienst

(mede) daaraan zijn kwaliteit ontleent. Een vroegere schets voor Meinga in Grouw is een voorbeeld van het aftasten van de bestaande gegevens zoals dat voorafgaat aan de ideevorming voor een ontwerp (afb. 17). Aangegeven is de begrenzing van het plangebied in de vorm van de rijksweg en het Prinses Margrietkanaal, de golvende lijn van het zanddepot in de hoek daartussenin, de rand van de bestaande bebouwing en een sportveldencomplex met een sporthal. Vervolgens is een aantal bijzondere elementen binnen en buiten het gebied ingetekend: een oud boerderijerf, een bestaand schoolgebouw en het gemeentehuis dat door zijn hoge kap op grote afstand een orientotiepunt kan zijn. Bij het opzetten van dit lijnenspel is naast de bestaande elementen nog een element uit het programma van eisen opgenomen: een volkstuinencomplex als regelmatig patroon. Als uit zo'n verzameling op het papier een tekening ontstaat die verbanden vertoont, kunnen dooroon de motieven (in de dubbele betekenis] voor het verdere ontwerpen worden ontleend.

!Tllj!)EIIOUW ALI FORMIELE ORDINING

19 Zuid Es 2, Zuidlaren, 1978/,79 - landschappeliike inpassing, biigewerkte kaart

20 Noordwolde (Friesland) - gebied Krommestede met riooipersleiding

21 Kremmesrede, Noordwolde, 1979 - schetsontwerp

23

SYIDEBOUW AE.S FCI!lMll:i1\.1l! O~DmNING

Historische c::ontil'uil"teit

Het benadrukken van historische confinuifeit ligt in het verlenqde van het bewust omgaan met bestaande gegevens. Bestaande gegevens zijn tijd- en plaatsgebonden. Het begrip historische continufteit heeft een bredere inhoud. Het houdt de erkenning in dot het aanwezige, dot uit het verleden is overgebleven in landschappen, nederzettingen en de gebouwen die daarvan deel uitmaken, betekenis had in het verleden en teen andere) betekenis heeft in het heden. Daarnaast wordt het verband erkend tussen de theorieen en ontwerpen uit het verleden en die uit het heden waarin uitspraken gedaan worden over de formele aspecten van de stedebouwkunde. In de mens is een opeenstapeling van informatie aanwezig waar hij niet omheen kan, informatie die is verkregen uit opvoeding en opleiding binnen een gegeven culturele context. Dit rechtvaardigt de keuze voor een manier van ontwerpen die leidt tot een keten vanuit het verleden over het heden naar de toekomst. De keuze om te ontwerpen met aandacht voor historische continuiteit heeft een vorm van efficiency. Er wordt gebruik gemaakt van de emotionele binding die ontstaat in het omgaan met historische situaties. Onnodige breuken worden voorkomen.

Door het ontwerp worden verleden, heden en toekomst in een nieuwe formele samenhang gebracht, en krijgt deze reeks zin. Hierbij hoort een vorm van historisch onderzoek die op deze werkwijze is gericht.

Op de plaats van de huidige Markt in Dokkum lag oorsprcnkelijk geen open boar stedelijk gebied maar een kloostertuin met een ommuring waarin een toren was opgenomen (db. 22). Toen de kloostertuin zijn functie had verloren en de muur en de toren waren verdwenen, kwam een onduidelijk gebied vrij dat (natuurlijk steeds "tijdelijk") een functie kreeg ols veemarkt, parkeerterrein en dergelijke. Nu men definitief gekozen heeft voor een openbare ruimte is er tevens aandacht om daar vorm aan te geven. In de getoonde oplossing (afb. 23) wordt een transformatie van het stedelijk weefsel voorgesteld woorbi] tegen de achterkanten van de bestaande bebouwing ruggelings nieuwbouw is gesitueerd, zodat nieuwe gesloten bouwblokken ontstaan.

Vervolgens is op de plaats van de oude toren een nieuwe gesitueerd, zodat een geleding van de open ruimte ontstaan.

Daarbij is van het aanzienlijke hoogteverschil gebruik gemaakt om een hoog plein voor de kerk te leggen met daarnaast een lager ge!egen veel groter marktplein. Uitgaande van de hisrorische context worden naar aanleiding van de functieverandering

22 kleestereemplex Dokkum - fragment vogelvluchtkaart, Nicolaas van Geelkerken, 1616

Uit: H. Halbertsma, Dokkum

23 Eerste project veer de Markt in Dokkum, 1977 - maquette Foto: Will Oosterwijk

24 I'ragmen~ minuteplan Zuidhorn, ca. 1830 (Schipsloot boyan)

de ontwerpstappen genomen. Een onder voorbeeld van het voortbouwen op een historische ontwikkeling is de beeindiging van de Schipsloot in Zuidhorn. Op het oude minuteplan is te zien dot de Schipsloot tot in het centrum van het dorp liep (afb. 24). Toen het vervoer over water minder belangrijk werd en de druk van de zich uitbreidende dorpskom toenam, werd het water steeds verder teruggedrongen. Op het gedempte trace werden wegen of plantsoenen aangelegd.

In de grote uitbreiding van het dorp is aanleiding gezien om dit historisch element met eigentijdse middelen ruimtelijk te beeindigen {afb. 25}. Het ontwerp vormt tegelijkertijd een duidelijk orientatiepunt op de plek waar een aantal routes voor langzaam verkeer en de belangrijkste weg voor het autoverkeer bij elkaar worden gebracht {afb. 26, 27, zie ook afb. 10, 12}. Een en onder wordt ondersteund door een daarop afgestemde architectuur, waardoor de bebouwing zich onderscheidt van die in de omgeving. (Dit project werd ontwikkeld in samenwerking met Architekten- en Ingenieursbureau ir. E.J. Jelles in Amsterdam).

STEDEBOUW ALS IrORMEILE ORDENIMG

25 Zuidhorn west met Schipsloot en verdeelweg

26 Zuidhorn west - situotie beeindiging Schipsloot, 1978 (ism Jelles)

27 :Zuidhorn west - lsemesrie

SVEDSBOUW ALS FORMiLII ORDIININO

Middelen

Ontwerpen is zowel ordenen als vormgeven. De door ons gebruikte beeldende middelen zijn veelal geometrisch van aard, met zo nu en dan een schuchtere stop in de richting van vrije vormen, en met gebruikmaking van associaties. Ontwerpthema's worden niet eenduidig gehanteerd. Ze worden aangetast, "onaf" gelaten. Functionele redenen vormen de aanleiding tot het maken van een ontwerp. Om er greep op te krijqen maken we dikwijls gebruik van twee middelen. Het ene is "contextueel" van aard, het andere kan worden gekarakteriseerd als een kunstgreep.

Het nieuwe paleis dat in de achttiende eeuw in Cornpieqne (Frankrijk) werd gesitueerd aan de noordwestelijke rand van de middeleeuwse stad, is een duidelijk voorbeeld van de laatste mogelijkheid. Het complex moest zowel een onderdeel van de stad gaan uitmaken ols, via een landschapstuin, in relatie worden gebracht met het omringende gebied. Naar de stadszijde is een classicistische gevel gekeerd, met een hof en een voorplein gericht op het centrum en door een stelsel van uitwaaierende assen verbonden met de rest van de stad. Scheef op deze gevel is bovenop de stadsmuur een andere vleugel gebouwd, eveneens met een symmetrisch front. Vandaar uit is een glooiende tuin aangelegd met een lange zichtas die overgaat in het landschap. Uit deze twee grote gebaren is de onregelmatige, niet-klassieke vorm van het complex ontstaan: het is een afgeleide van de dubbele context en "knoopt" de twee werelden aan elkoor (afb. 28).

28 Compie9lne - stad en kastee~ Bron: Rowe & Koetter - Colloge City

29 Paleis veer de Soviets, prijsvraagernwerp van Auguste Perret,

1931 - situatie

Bron: A d'A/1932

30 Vogelvluchtperspedief Bron: Champigneulie - Perret

In zijn prijsvraagontwerp uit 1931 voor het nieuwe Paleis van de Soviets in Moskou aan de Wolga stelt Auguste Perret een correctie voor op de formele samenhang van de stad (afb. 29, 30)

De functies die in het gebouw moesten worden ondergebracht vragen niet om deze vorm. Wei vraagt een gebouw met een dergeliike openbore functie een stedelijk plein, Perret heeft ervoor gekozen het complex te voegen, terwijl hij binnenin een strak geometrisch plein opnam, dat het complex op de schaal van de stad als geheel in relatie brengt met de Wolga en het Kremlin.

Met het ontwerp voor de uitbreiding Meinga in Grouw hebben wij de formele samenhang van het dorp, zoals die in onze interpretatie bestaat, verstrekt (afb. 31).

Het oude dorpscentrum wordt geabstraheerd tot een ronde vorm, vanwaar de overige delen naar het zuiden en westen uitwaaieren als cirkelsegmenten, die van elkaar worden gescheiden door wegen of waterlopen.

o

// .

',> .

"

{JC .. '-

STIliDIlIBOUW AI.S iFORMfil.1li ORDENING

.. .,p.

32

Licchtmisdyk, Menaldum, 1979

31 Meinga, Grcuw, 1978/'79 - fcrmele samenhang met bestaande derp, biigewerkte kaart

STEDEBOUW At' FCRMELIii ORDI!!NINGL

Vervolgens is Grouw, dot ingeklemd ligt tussen het Pikmeer, het Prinses Margrietkanaal, de rijksweg en industrieterreinen, in zuidelijke richting "afgerond" door in de oksel tussen rijksweg en kanaal een tweede cirkel te maken ols pendant van het dorpscentrum. Ook aan deze nieuwe cirkel is een waaierend segment toegevoegd, waardoor Grouw tot een sluitend geheel wordt gemaakt. In het drop Menaldum, nabij Leeuwarden, is ols onderdeel van een vooroorlogs ontwerp van de toenmalige stedebouwkundige een om de terp gebogen weg aangelegd met een aantal radiale zijstraten. Daarop is in de jaren vijftig aangesioten en, hoewel het oorspronkelijk idee slechts gedeeltelijk is gerealiseerd bepaalt het wei de context voor het driehoekige terrein van de volgende dorpsuitbreiding, Ljochtmisdyk. Het ontwerp hiervoor (donker gearceerd in afb. 32) maakt de in aanzet aanwezige structuur af tot waar deze wordt beeindiqd door de oude uitvalsweg van het dorp naar het noordwesten.

In Dronrijp, een forensenplaats bij Leeuwarden, ontstond de noodzook tot een uitbreiding die in omvang ver boven de dorpskom uitstijgt (afb. 33). Om de overgang van het beschermde dorpsgezicht via grillige achterkanten naar het open land niet teniet te doen was het onmogelijk direct op het oude dorp aan te sluiten. Ais kunstgreep is een scheidslijn getrokken, een strakke bomenrij waarmee afstand kan worden genomen. Hieraan kan op eenvoudige wijze een nieuwe woonwijk worden gekoppeld. Bovendien wordt door de contrastwerking de overgang van oud naar nieuw benadrukt.

Een andere kunstgreep is de "pollepel" voor Nieuwe Pekela (afb. 34). De huidige hoofdontsluiting van het dorp staat dwars op het kanaal. Op de kruising met de wegen langs het kanaal zijn moeilijk oplosbare verkeersproblemen ontstaan. De bedoeling

28

33 Over:z:ichtskaart Dronrijp met westelijke uitbreiding, 1977/'78

35 fer Maars 5, Stadskanaal, 1977- sehetsentwerp

STEDiI!BOUW ALS ilORMELE ORDENIOOG

. II!

is verder naar het oosten een nieuwe weg aan te leggen.

Bij de zuidelijke afslag moet dan een nieuwe toegang tot het dorp worden gemaakt. Op de schaal van die wegen en het veenkoloniale landschap is een zware cirkelvormige bomenrij ontworpen, een soort poort met een hal erachter waar de afslag van de grote weg in ligt. Daarmee wordt de nieuwe entree herkenbaar gemaakt. Door het inleidende cirkelmotief een steel te geven, ontstaat de drager voor een hele uitbreiding, de pollepel.

Het "ei" in het ontwerp voor de wijk Ter Maars 5 in Stadskanaal (afb. 35) is een hulpmiddel om een al vastgelegde weg in de vorm van een opengebogen Ute verbinden aan de lineaire struduur waardoor het gebied gekenmerkt wordt. De samenhang wordt verstrekt door nog een toegevoegde rodiool.

De kunstgreep die ten grondslag ligt aan de zuidoosrehjke rand van de wijk, die tevens een begrenzing van heel Stadskanaal is, is ontstaan uit een associatie. Er wordt verwezen naar een overgang tussen stad en land zoals die bi] versterkingen vorm kreeg door middel van bastions. De maat en de onderlinqe afstand van de "bastions", die bestaan uit verhogingen met daarop bebouwing of bossages, hebben een ritme dat is afgestemd op de snelheid van het verkeer op de provinciale weg. In het ontginningslandschap van de penitentiaire inrichtingen in Veenhuizen was de opgave voor het person eel een woonbuurt toe te voegen can de versprei-

~me.nle N1EuwE PEKE.lA ~

strvktuursc.hetS _

~~"~~~~~~~~~~

34 'De pollepel', Nieuwe Pekela, 1978

36 Paddepoelcomplex Riiksuniversiteit Groningen, 1976 - maqueHe vClII1uit het neerdeesten

Foto: Will Oosterwijk

5TEDEBOUW A!l.S 'ORMEL! ORDIiINING

de lintbebouwing. In het rechthoekige patroon is rond Mm van de kruispunten een zekere concentratie van voorzieningen ontstaan.

Het te bebouwen yak in het landschap sluit daarop aan. Om de nieuwe woonbuurt cls het ware op deze voorzieningen te richten is de eerste ontwerpbeslissing geweest het trekken van een diagonaal (afb. 36). Als associatie bestond daarbij het beeld van een barokke as. In de uitwerking zijn verwijzingen daarnaar opgenomen, maar het thema wordt nadrukkelijk "onaf" gelaten.

Het wordt asymmetrisch vervormd, aangetast. Het grootste gebaar, ontstaan op de schaal van het landschap, is daardoor in de uitwerking meer in overeenstemming gebracht met het eenvoudige bouwprogramma voor een complex rijksdienstwoningen

(db. 37).

Het buiten de stad gelegen Poddepoelcomplex van de universiteit van de universiteit in Groningen is opgezet volgens een concept uit de jaren vijftig. Vrijstoonde gebouwen van verschillende hoogte zijn gesitueerd in het groen en vertonen weinig onderlinqe samenhang. De tussenliggende gebieden worden ervaren als te groot en te open. Het enige wat voorlopig nog gebouwd zal worden zijn standaard-universiteitsgebouwen: een middengang met aan beide zijden kantoorvertrekken. In het ontwerp is de kunstgreep toegepast om deze lineaire elementen te krommen, zodat er een bi] het gebouw behorende buitenruimte ontstaat, terwijl de elementen zo zijn gegroepeerd, dat het complex tot een semenhangend geheel wordt gemaakt (afb. 38).

voor de verdere uitbouw van het plaatsje Sauwerd bi] Groningen zijn als kunstmatig uitgangspunt twee van de kaart en de luchtfoto

37 Eerste ontwerp weonkem Veenhuizen, 1976 - concept

38 Schetsontwerp Veel1liluizen

39 Sauwerd, 1978 - concept

40 Hollum, Ameiand, 19791'80 - schersentwerp

afgelezen vierkanten gekozen. Ten westen van de terp is de vierkante omgrachting van een verdwenen state nog herkenbaar en aan de oostzijde ligt een soortgelijk verdraaid vierkant in de bestaande verkaveling (afb. 39).

Bij het ontwerp voor een uitbreiding van Hollum op Ameland is ervoor gekozen een derde concentratie van massa (bebouwing en bomen] te maken naast de twee die in het bestaande dorp kunnen worden herkend. Aan wat gelezen wordt als een driehoek en een cirkel is een vierkant toegevoegd (afb. 40).

Stellingen:

.. Elke ordening is denkbaar. Een gekozen ordening is een vrije keus. De ordening is "goed" als hij overtuigt.

.. Er is onderscheid tussen een ontwerptekening en een bestektekening. Een bestektekening is een intermediair tussen ontwerp en uitvoering. Een ontwerptekening maakt de formele keuze en oplossing van hel probleem zichtbaar. Hierbij wordt gebruik gemaakt van de tekentaal. De spreek- en schrijftaal kunnen niet in de plaats treden van de tekentaal.

De tekentaal heeft zijn eigen wetmatigheden. De formele ordening dient als tekentaal gelezen te worden.

.. lowel stedebouw als architectuur zijn specifieke kundigheden. lowe I in de stedebouwals in de architectuur zijn de formele aspecten van belang.

.. Tengevalge van de opdrachtverschillen is er een belangentegenstelling tussen de stedebouwkundige en de architect.

De stedebouwkundige behartigt naar zijn aard het algemeen belang, wat dat dan ook moge zijn. De architect behartigt naar zijn aard het deelbelang, wat dat ook moge zijn. Vaak ervaart de architect de invloed van het algemeen belang als overheersend, terwijl de stedebouwkundige de invloed van het deelbelang als overheersend ervaart.

.. lowel stedebouwkundige als architect weten dat zij uiteindelijk van elkaars kwaliteiten afhankelijk zijn. Om een gemeenschappelijke kwaliteit te kunnen bereiken, zal het niet voldoende zijn om te volstaan met het maken van een functioneel diagram; een formeel stedebouwkundig ontwerp dient voorof te gaan aan het formele ontwerp van de architectuur.

.. Het erkennen van historische confinuiteit betekent dat "hetgeen doorgegeven word!" steeds weer onderzocht wordt op zijn functie en betekenis in verleden, heden en toekomst.

De keuze voor bewaren, bevriezen of terugbrengen tot het "oriqineel" is mogelijk en denkbaar, maar niet vanzelfsprekend de enig juiste.

• Er is een zeker geloof dat vorm uit functie voigt. Uit elke functie zijn vele vormen af te leiden. Er is wei verband tussen vorm en functie: vorm geeft functie zin.

S TED E B 0 U W A L S FeR M EL E. 0 It DEN I N G

41

Schets met bestaande gegevens

veer de uitbreiding Meinga in Greuw, 1978/'79

31

SYEDEBOUW oAtS fORME'. GROENING

Sluitsteen, Leeuwarden, 1977

In 1977 schreef de gemeente leeuwarden een besloten prijsvraag uit voor de linnaeusstraat en omgeving, een gebied binnen de ringweg dat ingeklemd ligt tussen een park en de sportterreinen van Cambuur (afb. 42). Aanleiding tot de prijsvraag was de noodzaak om kort na de oorlog gebouwde dupiexwoningen te saneren. Ons bureau heeft een historische analyse gemaakt van het gebied tussen de binnenstad en de ringweg. Daarvoor zijn vele plannen gemaakt, die allen slechts gedeeltelijk werden uitgevoerd. De analyse heeft aangetoond hoe in de tijd een loppendeken ontstond waarin een restgebied overbleef dat vrijwel geen verbanden vertoonde met de omgeving: een van de achtergronden van het snelle verval. Ons ontwerp - gemaakt in samenwerking met en op uitnodiging van Architectenbureau Kok en Oldewening bv in leeuwarden - vormt als het ware de sluitsteen waarmee de gegevens uit de omgeving aan elkaar worden gekoppeld. Hoofdelementen is een stadsstraat met aan de zuidzijde een lang bouwlichaam waarin gestapelde woningen zijn opgenomen, om een ruimtelijke begrenzing te maken voor het grote sportcomplex en een stedelijke bebouwingsdichtheid te bereiken. Deze straat heeft op het knikpunt een verwijding en eindigt op een plein met een gebouw dat boven de omgeving uitsteekt en de bestaande en nieuwe ruimten aan elkaar knoopt.

Dit gebouw bevat behalve woningen ook winkels en kantoorruimten. Ten noorden van deze straat zijn met inachtname van het bestaande stratenpatroon nieuwe bouwblokken ontworpen met woningen van eenzelfde maat en schaal als de bestaande.

De bouwblokken bevatten binnengebieden waar het parkeerprobleem is opgelost en waar rustige speelmogelijkheden zijn.

Het ontwerp bevat 260 woningen.

32

42 Situatie veer sanering - donker gearceerd: gebouwd russen 1945 en 1950; licht: na 1950

43 Situatie met reconstructievoorstel

44 Vogelvluchtperspectief vanuit het oosten

STEDI!BOUW AB.S 'ORMELI ORDEN~NG

,

6'12

sluitstocn

46

Stedebouwkundige piattegrond

4

5 J -"9(,*';"'1:. tts9~' .

7

Q

9

45 Profielen

33

SYEDiiBOtJIW AtS FOIiMIL! ORDiNING

Meingo, Grouw, 1978 /'79

Aan de schetsen en tekeningen is afleesbaar hoe het onlwerp voor de grote zuidelijke uitbreiding van Grouw in drie stadia tot stand is gekomen. Ten gevolge van de ingesloten ligging van het dorp is het onlwerp voor deze uitbreiding tevens een afrondingsplan voor het hele dorp. Om daar vorm aan te kunnen geven is het bestaande op een bepaalde manier gelezen, waaruit de hoofdvorm van de uitbreiding is onlwikkeld (afb. 47,49,51).

Vervolgens is binnen deze vorm een geleding aangebracht door de knooppunten die uit de hoofdvorm ontstonden tot een samenhangend ruimtelijk nelwerk te verbinden. Daardoor zijn de verbanden gelegd met de onderdelen van het grote geheel: de omringende buurten (afb. 49, 51). Aan de knooppunten is vorm en inhoud gegeven door daar bijzondere functies te situeren (scholen, entree sportvelden, gestapelde woningbouw (afb. 53).

Uit deze werkwijze van groot naar klein ontstaan woonbuurten die aan hun randen steeds andere woonsituaties bieden.

Bij de verdere uilwerking is ervoor gezorgd dat deze buurten een neutrale ordening vertonen van (tot op zekere hoogte) gelijkvormige woonstraten (afb. 54). In detail zijn deze straten niet aan elkaar gelijk, door verschillen in beeindiging (open of gesloten) en door variatie in lengte en inrichting, zodat de individuele woonsituatie steeds herkenbaar is, ook in de samenhang met het grote geheel. Het plan biedt ruimte aan ongeveer 600 woningen, waarvan 335 in het uitgewerkte gedeelte.

34

47 Schets nr. S

48 Schets nr, 6

49 Schets nr, 9

50 Schets nr, 19 - hoofdvorm en geleding Meinga

54

Schetsontwerp uitwerking

52 Profieien

eGGS

('~,

ccN

~.

STEDEBOUW ALS PORMILII GRDENING

51

Formele samenhang Meinga met het bestaande clorp, bijgewerkte kaart

53 Detail uitwerking centrale /kneep: met school en kleine wceneenheden

35

STEDEBOUW ALS FORMELI ORgiNING

De Sc::heene, Wolvega, 1979

Ten noordoosten van de kom van Wolvega ligt aan de overzijde van de spoorlijn een voor het grootste gedeelte door groen en bebouwing omsloten compartiment in het landschap, waarin een grote uitbreiding gerealiseerd moet worden. De opgave was deze wijk in verband te brengen met het dorp en met het omringende landschap. Bij de ontwikkeling van het plan van buiten naar binnen zijn in de eerste schetsen voor de randen van het gebied de belangrijkste openingen en toegangen vastgelegd. De westelijke rand wordt gevormd door een rijksweg. De route vanuit het noorden naar Wolvega wordt gekenmerkt door een opeenvolging vanuit het open landschap naar steeds duidelijker omsloten en steeds kleinere ruimten. Die reeks krijgt een voortzetting in het ontwerp {afb. 55, 61 J. Over de borrierre van de spoorlijn heen (de zuidwestelijke rand van het plcnqebied] worden relaties met de kom gelegd door een zichtas op het stationsgebouw, waarin een route voor voetgangers en fietsers is opgenomen, en door de situering van een aantal bijzondere fundies: een sportveldencomplex in aansluiting op een bestaande sporthal, een schoolgebouw, en wat hogere bebouwing in de vorm van gestapelde kleine woningen en kantoren (afb. 56). De zuidrand van het gebied wordt gevormd door een concentratie van bebouwing rondom een zuivelfabriek. Om te voorkomen dat de nieuwbouw gevoelsmatig "achter" het bestaande zou komen te liggen, is als thema een poort gedefinieerd met doorachter een loan die diep het plangebied invoert (ofb. 57).

36

55 Schets nr. 3 - westelijke rand: riiksweg

56 Schets nr, 4 - zlIidwesteliike rand: spooriiin

51 Schets nr. 5 - entree oostzijde

58 Schets nr. 15 - richtingen

Deze schetsen, tezamen met een aantal andere gegevens als de bestaande verkavelingsrichting, geluidhinderzones en verkeersontsluiting, leidden tot een aontal richtingen in het onlwerp, die in het middengebied tot een samenhongend geheel zijn gebracht.

De geometrisch gevormde openbare ruimten (driehoek en cirkel] vormen de hoofdelementen von de ruimtelijke drager van de wijk (afb. 58, 62, 14). Daarbij hebben de openingen en toegongen, die in de schetsen voor de randen waren vostgelegd, een voortzetting gekregen in diepe doorzichten de wijk in (zie ook afb. 1). Binnen de in dit onlwerp voor een globaal bestemmingsplan als neutrale vlekken aangegeven woongebieden zullen ongeveer 960 woningen gebouwd.

62 Maquel1e

Fete: Arthur Blenk

STlilDEBOUW ALS FCRMilL.1! ORDENING

59 Schets nr. 16 - ontstaan van her concept

60 Schets nr. 18 - concept-entwerp

61 Oven:ichtskaClrt, biigewerkt

37

S'II'EDEElOUW ALS ,eRMIL!! CRDIl!N;(MG

Krommestede, Noordwolde (Friesland), 1979

In het beschikbare terrein worden de belangrijkste aanknopingspunten geboden door de verkavelingsrichting, de plekken waar (tussen de bestaande bebouwing door) een aansluiting kan worden gemaakt, en de rioolpersleiding die het gebied diagonaal door snijdt (afb. 63, 64, 67, zie ook afb. 20). Naar het noorden, in de hoofdrichting van de bestaande verkaveling, zijn straten gelegd die zicht bieden over het open land of op elementen daarin. Een van deze straten, die de voortzetting vormt van een straat in het wiikie ten zuiden van het on twerp, heeft een ruimer profiel, qedeeltelijk met water erin. Naar het westen, dwars op de verkavelingsrichting, zijn grote openingen gemaakt om een vervlechting met het landschap tot stand te brengen. Vanuit het hart van het plan, de kruising van de diagonaal met de eerder genoemde straat, is een tegenrichting ge'introduceerd die de verbinding legt naar een bestaande school en naar het dorpscentrum. In het hart is een terrein gereserveerd voor een bijzondere functie.

Het uitgewerkte plan biedt plaats aan ongeveer 300 woningen (afb.68).

63 Schets nr, :3

64 Schets nr, 5

65 MaqueHe v(llnuit het zuidwesten Foto: Arthur Blonk

STEDEIBOUW AL$ FORMEL! CROENING

66

Bestac:mde sitlJatie

67 StrudulJlrvoorstel

68 Schetsontwerp lJitwerking

STilDifiDOUW "loS paRMELE OIiDIENINO

Sauwerd, 1978

Het idee voor de toekomstige uitbreiding van Sauwerd bij Groningen is afgelezen van de luchtfoto en de kaart (afb. 69).

Ten westen van de dorpskom op de terp is de vierkante omgrachting van een verdwenen state nog herkenbaar door de verdraaiing ervan ten opzichte van omringende verkavelingsrichtingen. Ten oosten van de terp vertoont de verkaveling een soortgelijk verdraaid vierkant.

40

69 Luchlfoto

Bron: Topografische Dienst

70 Concept

71 Pwindpe uitwerklng

STIEDIBOUW ALI FORMELE ORDENING

72 Schetsontwerp uitwerking

73 Profieien

S'fJ'MDEBOUW ALS FORMBLIil ORDENliKO

HolluM, Ameland, 1979 I '80

Bij het onlwerp voor de uitbreiding van Hollum op Ameland is aan de Iwee concentraties van massa (gebouwen en bornen] in het bestaande dorp een derde toegevoegd om te voorkomen dat ols gevolg van de omvang van de nieuwe uitbreiding een onevenwichtig geheel ontstaat. Aan wat gelezen wordt ols een driehoek en een cirkel is een vierkant toegevoegd (afb. 75, 76).

Het vierkant bestaat uit een neutraal raster van straten met bomenrijen, dat de bedoeling heeft een vrij willekeurige invuliing te krijgen van vrijstaande en halfvrijstaande woningen. III

74 AClli1lvliegfoto v(lnuit het xuidoosten Bron: Aerophoto Eelde

75 De drie ceneentrefies

76 Aanmsten van het raster

77 Schetsontwerp

,

EBOUW S TID

A L 5

FORMELE

ORDIliNING

,

78

de situotie Bestoon

. no uitbreiding Situotte

79

43

el dr

Met dit ertikel willen we een bijdrage leveren aan de discussie over sredebeuw en landschapsal"chiteduur in Nederland. Her erfikel is een pleidooi veor een ereetieve menier van analyseren van her landschap, om vervolgens, door moddel van het enrwikkelen van ceneepren, te kemen tot vormgeving aan het Ic:mdschap op een hoog schaalniveau. Deze eencepten kunnen, door hun kunstmatig en "vanzelfsprekend" kerektee, stu rend werken op her proces van de ruimteliike ordening. Bij !let ontwikkelen van

deze ceneepten ken dankbaai" gebruik gemaakt worden ven de gegevens die

in het landschap aanwe:z:ig ziin. Dot vl"aagt van de lendsehepserehitecten een andere benadering dan de tradnfienele, vergelijkbaar met de concepruele benadering van kunstenoers cds Christo, Richard Long en Robert Smithson. Richard Long: "Ik ben in het algemeen ge"interesseerd in het gebruiken vCln het landschap, OJ) andere menieren dan de traditionele weer gave en het vesre ge:z:ichtspunt".

Zijn werk maakt duidelijk dat, door middel van een eenvoudige kunstmatige ingreep, een deel van de omgeving een andere betekenis gegeven ken warden (aEb. 1).

IlEELDEN VOOR HET LANDSCHAP DRAGERS VOOR HEY OENKIiN

r

dsc

o

Bij de architecten en stedebouwers lijkt de vakdiscussie een nieuw hoogtepunt te bereiken en lijken de verlaten stellingen weer betrokken te worden. Bij de tuin- en landschapsarchitecten echter lijkt, behalve ongerustheid, niets dan rust te heersen.

Die ongerustheid is terecht. Het Nederlandse landschap staat onder grote druk. Het beleid speurt naarstig naar middelen het grondgebruik in goede banen te leiden, natuur- en landschapbehouders groeperen zich, de boeren willen vooruitgang boeken, de recreant moet in "de natuur" vertoeven en de financiering van dit alles wordt een steeds groter probleem. Wat is de houding van de landschapsarchitect, degene wiens took hetis een mening te hebben over hoe er met het landschap omgegaan moet worden, hoe er vorm aan gegeven moet worden?

Richard Long: Reflections in the Little Pigeon River, Great Smoky Mountains, Tennessee, 1970. Bran: Richard Long en Vic Abbemuien, 1979

Oorsprankelijk gepubliceerd in Wonen/TABK, nr 20, 1982 samen met Ronald Ackerstaff. Behalve de auteurs werkten aan de besproken ontwerpen mee: ir, L.J. Coops, ir. R.A. Blank, ir. J.G.eM. Krap, ing. W.M.F. Moret en ir, IJ. Visser.

45

BEELDEN VOOR HET LANDSCHAP DRAGERS VOOR HET DENKEN

De symptomen van zijn houding zijn weinig hoopgevend. Tegenover de "londschopsbedreiqende" deelbelangen {urbanisatie, recreatie, landbouw, infrastructuurJ die een claim leggen op het landschap, worden "Iandschapsbeschermende" deelbelangen gesteld (behoud, bescherming, herstel en ontwikkeling van waarden]. Deze twee krachten werken elkaar niet aileen tegen; soms roepen ze elkaar zelfs op en vormen dan een koppel met een dubbele vernietigingskracht. Een voorbeeld waar dit toe kan leiden is de Limburgse Mergellandroute. De smalle holle wegen in het Limburgse Mergelland werden zo gewaardeerd dat ze behouden dienden te blijven, maar vooral bekeken. Een ANWB Mergellandroute was het logische gevolg. De zondagsdrukte nam echter zodanige vormen aan dat de wegen wat sma I werden gevonden, met aile gevolgen van dien. Het landschap werd bedreigd door aantasting en behoudzucht. Een ander symptoom van deze houding is dat de tegenstelling stad versus landschap of zelfs cultuur versus natuur de gedachten lijkt te bepalen. We maken ons zorgen over de aantasting of de verkleining van het landelijk gebied, en dan vooral van de natuurlijke waarde daarvan. Het is echter even goed te verdedigen dat het stedelijk gebied te lijden heeft van landelijke invloeden.

De uit een vluchtige, landelijke romantiek opgetrokken architectuuruitingen en de "natuurlijke" inrichting van stedelijke recreatiegebieden (de Houtrakpolder bijvoorbeeldJ illustreren dit.

Het benadrukken van tegenstellingen en het op verschillende manieren omgaan met de verschillende componenten waaruit de omgeving is opgebouwd, is het gevolg van een houding die niet verder gaat dan het behartigen van deelbelangen en het bedenken van oplossingen voor deelproblemen. Verklaarbaar is deze houding weI. De maatschappij heeft een sterke behoefte te koesteren en te behouden wat (emotioneelJ gewaardeerd wordt. Minder gewaardeerde onderdelen van het landschap worden met een minder liefdevolle houding benaderd. De landschapsarchitecten hebben zelfs een hele industrie van onderzoeksmethoden en technieken ontwikkeld die het hen mogelijk moet maken het landschap te beschrijven:

III funetienele analyses

de enige functie die het landschap lijkt te hebben is het gebruik, wat dat ook moge zijn;

III samenhang landschap-geomorfologie

verklaringen van de verschijningsvorm van het landschap vanuit zijn ontstaansgeschiedenis;

46

BEELDEN VaOR HET LANDSCHAP DRAGERS VaOR HET DENKEN

II mens-pleats theorieen

het aangeven van het verband tussen de verschijningsvorm en de occupatie van het landschap;

II uitgebreide karterings- en dassificatiessystemen de klassieke wijze van beschrijven van fenomenen;

III ecologische theorieen

rheorieen over de ontwikkeling van levensgemeenschappen, de biotische en abiotische factoren en hun wederzijdse beinvloeding. Er zijn wei pogingen gedaan, om met behulp van de ecologie, de problematiek van de ruimtelijke ordening in een theoretisch kader te plaatsen (bijvoorbeeld door de Amerikaanse ecoloog Owen), maar dit heeft geen bruikbaar instrumentarium opgeleverd voor het beleid. Het toepassen van rheorieen die uit de natuurwetenschappen zijn "geleend" op maatschappelijk processen is overigens een kunstmatige daad; legitiem, dat wei, mits het kunstmatig karakter ervan wordt onderkend. De moeilijkheid met deze methoden en technieken is echter dat ze veelal slechts beschrijving en verklaringen geven van bestaande situaties. Daardoor hebben ze een terugredenerend karakter. De voorspellende waarde ervan, (als we dit doen weten we, uit ervaring, dat er dat zal gebeuren) wordt op zi]n hoogst gebruikt om mogelijke verliezen te benoemen. Door het terugredenerend karakter van de gebruikelijke theorieen, en het feit dat ze vaak gehanteerd worden bi] uitsluiting van andere, wordt weinig ruimte gelaten voor nieuwe ontwikkelingen. Deze cuituurpessimistische houding belemmert de beheersing van het proces van veranderingen.

Het concept ols sturingsmechanisme

Klimaat, geologische processen, occupatie of gebruik van het landschap zorgen voor een continu proces van veranderingen.

Het landschap kan beschouwd worden als een patroon dat de weerslag is van dit proces. ledere ingreep in het landschap heeft daardoor een historische context en heeft samenhang met verleden, heden en toekomst. Willen we niet kiezen voor een reservaat dan zullen we plaats moeten maken voor veranderingen.

Dit betekent dat we zullen moeten inspelen op een lopend proces en moeten kiezen voor historische continuWeiten en aileen door waar het in dit proces zinvol is kiezen voor conservering of bevriezing. In Nederland is het proces van verandering vergevorderd. Er is geen sprake meer van nctuurlijke londschappen, integendeel: zelfs het in stand houden van een stukje "noruurlijk landschap" is een kunstmatige daad. Door veranderingen

47

BEELDEN VOOR HET LANDSCHAP DRAGERS VOOR HET DENKEN

ontstaan verschillen. Een landschap wordt gekenmerkt door de aard en de hoeveelheid van deze verschillen (= verscheidenheid).

Ais we nivellering van onze omgeving willen tegengaan, geen vervlakking willen, moet de verscheidenheid aan soorten, vormen en milieus zichtbaar en beleefbaar blijven. Deze verscheidenheid kan uitgangspunt zijn voor toekomstige ontwikkelingen. De aard en de mate van verscheidenheid zijn echter sterk afhankelijk van het schaalniveau waarop het landschap beschouwd wordt.

Voordat uitspraken gedaan kunnen worden over de gewenste aard en mate van verscheidenheid, moet dus eerst bepaald worden op welk schaalniveau deze verscheidenheid relevant is [zie ook T. de Jong, Milieudifferentiatie, Delft, 1978). Ook het beleid in de ruimtelijke ordening heeft last van een visie die gericht is op deelbelangen. Waar dit op beleidsniveau toe leidt blijkt wei uit de Relatienota, het Structuurschema Natuur- en Landschapsbehoud en de normen van bijvoorbeeld het Drentse Welstandstoezicht.

Beleid is het tegen elkaar afwegen van deelbelangen en op basis van deze afweging het maken van keuzen. De bestuurder, die uiteindelijk verantwoordelijk is, kan de afweging pas maken als daar een stap aan vooraf is gegaan, die behalve verschillen en strijdigheden, een "samenhang" laat zien. De samenhangende visies die geformuleerd worden blijken echter vaak niet meer te zijn dan de optelsom der delen. Omdat de ruimtelijke ordening zo complex is, de procedures zo langdurig zijn en het aantal belangengroeperingen zo groot is, is het gewenst dat in een vroeg stadium overeenstemming wordt bereikt over een beeld van de ruimte waarin veranderingen kunnen plaatsvinden. Dit beeld noemen we een concept. Het concept geeft de "ruimtelijke samenhang" aan, het geeft aan in welke ruimtelijke context er plaats gemaakt wordt voor veranderingen. Uitgaande van een bepaalde manier van beschouwen, gaat aan dit beeld een idee vooraf dat associatief of zelfs "willekeurig" kan zijn. Dat idee hoeft niet te bestaan uit morele uitspraken of begrippen als maatschappelijke relevantie en politi eke haalbaarheid; het kan een creatieve analyse van het landschap zijn, die gebruik maakt van het aanwezige materiaal. Ais zo' n concept overtuigend is en onafhankelijk van de deelbelangen, er als het ware "boven staat", is dat voor de bestuurder natuurlijk mooi meegenomen. Hij krijgt een instrument in handen om de onderhandelingen mee in te gaan en om beslissingen aan te toetsen. Het concept is dan niet een plan dat ten doe I heeft zichzelf te verwezenlijken, maar het is een sturingsmechanisme, een "drager van gedachten". Het wordt verteld in de tekentaal en is daardoor voorstelbaar. Veel is nog mogelijk,

48

8EELDEN VOOR. HET LANDSCHAP DRAGERS VOOR HET OENKEN

mits passend binnen het concept. De uitwerking van zo'n concept moet uiteraard maatschappelijk relevant, uitvoerbaar, moreel verantwoord en dan ook nog politiek haalbaar zijn: dat is de onmisbare handbagage van de vakman. landschapsarchitecten zullen, naast de gebruikelijke theorieen en analyses, (weer) moeten leren omgaan met concepten die kunstmatig van aard zijn en die overtuigen. Deze concepten kunnen een eersfe stop zijn in de reeks van handelingen die de problemen dichter bij een oplossing moeten brengen.

Kunstmatige eeneepren uit her verleden

Aan de hand van een aantal voorbeelden kan ge"lliustreerd worden dat het gebruiken van concepten door ontwerpers (met welk doel dan ook) niet nieuw is, integendeel. De toelichtingen doorbi] maken duidelijk wat de, vaak letrerlijke, betekenis is van de begrippen die hierboven zijn gehanteerd.

Pcliauo Caprarola (1547) en Vilia Albodrandini (1598)

De villa's en paleizen die in de Renaissance buiten Rome werden gebouwd moesten de politieke, kerkelijke en wereldrijke macht van hun eigenaren weerspiegelen. Zi] hadden de plicht de bezoeker of de argeloze wandelaar daarvan te overtuigen. Het vijfhoekige paleis boven aan het amandelvormige dorp Caprarola bi] Vitebo was een van de vele buitenverblijven van de families Farnese (afb. 2). Het is zo gesitueerd en vormgegeven dat het bestaande dorp tot een schakel tussen villa en landschap werd. Aan een bestaande situatie is een nieuwe betekenis gegeven. Het paleis laat zich zien ols de "kroon op het werk".

Bij de Villa Aldobrandini in Frascati is het [uist de villa die ols schakel tussen tuin en landschap fungeert, doordat de tuin op de helling achter het huis is aangelegd (db. 3/4).

Palazza Caprafoia, Viterbo, Italie, Giacomo Baroni, gebouwd vanaf 1547. De kreen op het werk

3

Villa Aldobrandini

De villa gezien vanaf het plein boven het station

4

Villa Aldobrandini

Frascati, ltolie, Giacomo della Porta en Carlo Madreno, gebouwd vonol 1598. Huis en tuin op de helling met uitzicht op Rome

station

markt

villa

tuin

basco

BEELOEN VOOR HET LANDSCHAP DRAGERS VOOR HET D£NKEN

Door de ingreep worden de samenstellende delen huis, tuin, dorp en tot een nieuwe eenheid gemaakt, er wordt een nieuwe "semenhang" tot stand gebracht.

In het verband van dit betoog is het niet zozeer de maatschappelijke relevantie van deze voorbeelden die leerzaam is, maar de vertaling die de ontwerper aan zijn opdracht heeft gegeven.

Stourhead, Wiltshire (1735)

De visuele en ruimtelijke samenhang komt op een andere, bijna alledaagse manier tot uitdrukking in de tuinen van de zogenoemde "Engelse landschapstijl". Binnen, of soms zelfs gedeeltelijk buiten, een landschappelijk of "natuurlijk" aangelegde entourage wordt een "web" gesponnen van visuele en symbolische verbanden. De bevestigingspunten van het "web" bestaan uit historiserende en romantische maaksels, die verwijzen naar het ge"ldealiseerde arcadische landschap rond het oude Rome (afb. 5).

La Cite Industrielle (190 1-1917)

Het beeld dat Tony Garnier voor een ideaalstad opriep, La Cite Industrielle, vertoont niet aileen een duidelijke samenhang met de (fictieve) situatie; een oude stad in een bergachtig Frans rivierlandschap (Lyon eigenlijk); maar ook het onderling verband van de samenstellende delen is overtuigend verbeeld (afb. 6). Wonen en werken vormen een grote haak aan de buitenbocht van de rivier. De oude stad fungeert letterlijk en figuurlijk als schornierpunt tussen deze delen. De verzorgende functies (bijvoorbeel hospitaal) liggen ten noorden van de bandvormige woonstad.

De voorzieningen die veel publiek aantrekken (vliegveld, renbaan, stadion) zijn in de oksel van de haak, tegen de rivierbedding gesitueerd. Dit concept heeft de discussie over de kunstmatigheid van dergelijke ingrepen en de organisatievorm van het stedelijk gebied een nieuwe impuls gegeven.

Masterplan voor Algiers (1942)

Het masterplan dat Le Corbusier voor Algiers heeft ontwikkeld is gebaseerd op een concept dat in de jaren daarvoor is ontstaan (afb. 7). Ais uitgangspunt voor de gedachtengang diende de idee dat Algiers een ontmoetingspunt zou worden tussen de NoordAfrikaanse en westerse culturen.

De kasbah en de moskee werden als belangrijkste vertegenwoordiging van de bestaande cultuur gezien; het nieuw te stichten zakencentrum en het woongebied, een groot aantal unites tegen de zuidelijke berghellingen, ols vertegenwoordiging van de

50

..

i

5

Stourhead in Wiltshire, Engeland. Vanaf 1735 grotendeels ontworpen en uitgevoerd door de eigenaren van het landgoed:

Henry Hoare II en zijn kleinzoon Richard Colt Hoare. Een "web" van ruimtelijke en visuele verbanden.

6

La Cite industrielle, Tony Garnier, 1901-1917

7 Masterplan Algiers (1942), Le Corbusier.

De stad ols antmoetingspunt tussen Naordafrikaanse en Westerse culturen

8 Masterplan Algiers

8EElDEN VOOR HET LANDSCHAP DRAGERS VOOR HET DENKEN

westerse cultuur. De verbinding tussen deze componenten werd gevormd door een bandvormig stadscentrum langs de kust. In de vorm die het plan aannam, werd het verband tussen de componenten onderlinq en het landschap duidelijk ojleesboor.

Het concept was niet bedoeld als een uit te voeren plan, maar als beeldend hulpmiddel bij het nemen van beslissingen: "Cest un dispositif fait de dessins ... imprevisibles de la vie". (Het is een instrument dat bestaat uit tekeningen ... waarmee de overheid aan de onvoorziene dingen van het leven kan tegemoet komen).

51

SEELDEN VDOR HET LANDSCHAP DRAGERS VOOR HET DEN KEN

De inrichting van de Noord-Oostpolder

Toen de drooglegging van gedeelten van de Zuiderzee volop in voorbereiding was heeft de commissie, die was ingesteld om rapport uit te brengen over de landschappelijke en stedebouwkundige vraagstukken, haar uitgangspunten als voigt geformuleerd (afb.9):

'Wie het landschap krijgt te ontwerpen zal niet zelf aile techni-sche zijden der opgaaf kunnen beheerschen. De uitkomst is het gezamenlijk werk van velen. Maar de kunstenaar heeft het met zijn bezielende adem leven te geven. In dezen zin dat vooral hij het is, die in laatste instantie de structuur van het nieuwe land bepaald. Niet de waterstaatkundige, noch de landbouwkundige heeft hier het beslissend woord te spreken. De schepper van het nieuwe land heeft aller eischen in hun onder/ing verband te zien, hun waarde te meien, hun gewicht te wegen en daama den vorm te vinden, waarin ze aile tot hun recht komen. Bij dat werk zal hij enkele gegevens als onwrikbaar hebben te oanvoarden, hij zou dwaas zijn, zoo hij aon de construktie, de breedte der dijken,

met het oog op hun waterbeheersende capaciteit geboden, wilde tomen. Maar hij is het die bijvoorbeeld wegen anders heeft te trekken dan uitsluitend met het oog op het verkeer zou zijn geraden, omdat de iuiste plaatsing van een nederzetting dat verlengt; hij is het, die de grenzen der afbeeldingen heeft te verschuiven, als het verkeer, dat zijn wegen erlangs legf, op redelijke gronden een ander trace vraagt. Aldus het werk gaand wordt hij niet tot een bemiddelaar, een schipper tusschen de verschillende belangen

52

9 De Noord-Oostpolder

lODe Noord-Oostpolder.

Urk en het nieuwe land verbonden met het oude. Emmeloord op het kruispunt van wegen, dooromheen een ring van kleine kernen

BIi!ELDEN VOOR HET LANDSCHAP DRAGERS VOOR HET DENKEN

door; integendeel hij heeft deze tot een hogere eenheid te verbinden; ziin taak is voor alles scheppend. Dit scheppend werk zal den schoonen vorm moeten vinden: bi; het verrichten ervan zal de kunstenaar deze nimmer vergeten. Het is bovenal in de sttucnnn, doeltreffend met het oog op de vele belangen, waarmee hi; heeft rekening te houden, dat de schoonheid tot uiting moet komen; bovenal in het groote, niet in de details in de eerste plaats.

Onvast blijft die structuur wanneer ze met het oog op s/echts €len belang wordt ontworpen; kracht zal ze aan de samenvatting, aan de eenheid ontlenen." (uir: Het toekomstig landschap der Zuiderzeepolders, in opdracht van het Nederlandsch Instituut voor Volkhuisvesting, 1928).

Er is een concept ontwikkeld voor de inrichting van de NoordOostpolder. Een hoofdplaats op het kruispunt van hoofdwegen, die de verbinding vormen met het oude land (afb. 10).

Daaromheen de kleine kernen als een ring van satellieten. De hierorchie van wegen is door het profiel en de beplanting zichtbaar gemaakt. De landbouwgrond is rationeel verkaveld, de boerderijen liggen in groepen van twee tot vier aan de kruispunten van wegen. Hoewel voor de volgende polders andere concepten zijn ontwikkeld, heeft dit concept niet aileen aile toegedachte functies kunnen herbergen, maar het heeft bovendien bewezen veranderingen te kunnen overleven.

Hoiland West

Het plan voor de westelijke rand van Holland van Maas en Wissing (Holland West) is een recent voorbeeld van een conceptuele benadering op een hoog schaalniveau(afb. 11) . Als alternatief voor het groeikernenbeleid wordt een visie aangeboden die gebaseerd is op integratie van wonen, werken en recreeren: "een nieuwe landschapstructuur als aanvulling op het bestaande".

In deze visie is het volgende concept te herkennen: Het bestaande landschap wordt "gelezen" als een aantal opeenvolgende zones; de kuststrook, het duinlandschap, de duinzoom en daarachter de noordrand van het Westland en de Haarlemmermeerpolder. De Oude Rijn met het achterliggende plassengebied mondt in het smalste deel van de duinrand uit in zee en vormt een "poort" (db. 12). Met behulp van de onder te brengen functies, en door gebruik te maken van bestaande verschillen en gradienten in het landschap, wordt het karakter van deze zones versterkt. Vervolgens worden voor de westrand von de Hoorlemmermeer verdere voorstellen voor de inrichting gedaon. Uitwerkingen,

1 'i Uit: Holland West, een structuursehets, Maas, Wissing en Pan lEurohome, 1980

BEELDEN VOOR HET LANDSCHAP DRAGERS VOOR HET DENK£N

............

.. . , . :.':.': .:'

o •••••

• ••• • 0" •••

: : .. ::0, : , .

. , .

•••• 0 ••••• '0' " •• , .,

........... ' " .....

'0' ••••••••••• •••••.•••••••• •• • e· • ........... .. . , ..

vooral die op de laagste schaalniveaus, hadden beter achterwege kunnen blijven. Hier spelen blijkbaar andere belangen een rei en worden de goede bedoelingen van een helder uitgangspunt doeltreffend om zeep geholpen.

Beeldende analyses van het landschap

Aan de hand van een drietal landschapsvisies en een beeld voor het veenkoloniale gebied in Oost-Groningen willen we duidelijk maken hoe een historisch gegroeide situatie zichtbaar gemaakt kan worden, en hoe je daar, bij het oplossen van problemen, mee om kunt gaan. Het zijn concepten die tot doel hebben een beeld te vormen van de ruimte waarin ontwikkelingen plaats kunnen vinden. voor Hefshuizen, Stadskanaal en het Middelzeegebied waren gemeentelijke belangen de beleidsmatige aanleiding. Het beeld voor Oost-Groningen loopt vooruit op de voorbereiding van de Herinrichting van het Drents-Groningse veenkoloniale gebied.

Het is slechts het begin van een ontwerpproces zoals dat bij de andere drie heeft plaatsgevonden. Het is een beeldende analyse, die andere manieren van analyseren niet uit wil sluiten, maar daar juist gebruik van wil maken.

54

12 Het concept van Holland West.

De Oude Rijn en achterliggende plassengebied, tussen Westland en Haarlemmermeer, monden, door een 'poort' in kust- en duinzoomlandschap, uit in zee

BEELDEN VOOR HET LANDSCHAP DRAGERS VOOR HET DENKEN

Hefshuizen

Naast de plannen die door de noord-Groningse gemeente Hefshuizen zelf worden ontwikkeld (uitbreidingen van woonbebouwing, bedrijfsterreinen, sportvelden en dergelijke), wordt de gemeente geconfronteerd met een aantol piannen die op hoar grondgebied betrekking hebben, maar die door buitengemeentelijke instonties worden geinitieerd (ruilverkaveling, Eemshavenontwikkeling, streekplan, plan voor een recreatiesteunpunt). Over deze ontwikkelingen worden op korte termijn standpunten en beslissingen van de gemeente verwacht. Om de gemeente in de onderhandelingen over deze deelbelangen meer houvast te bieden is een landschapsvisie ontwikkeld. Het kwelderlandschap van Hefshuizen maakt deel uit van het waddengebied dat zich uitstrekt van Friesland tot in Denemarken (afb. 13/14). Binnen dit waddengebied treHen we een grete verscheidenheid van landschapslypen con: eilanden, Waddenzee, kuststrook, riviermondingen, voormalige zeearmen, stelsels van kwelderruggen.

Ook binnen dit kwelderlondschop vinden we weer een verscheidenheid aan landschapslypen (lager schaalniveau).

14 Hefshl.li:z:en vanllit het noordoosten (KLM Aerocarto)

13 Hefshlli:z:en, topografische kaart (Topografische Dienst)

U i 1 h u i -=:; e r -H' (J d

BEELDEN VOOR HET LANDSCHAP DRAGICRS VOOR HET DENKEN

Om een beeld te vormen van het landschap is het op drie manieren geanalyseerd:

• geomorfologische analyse

In deze analyse wordt de wordingsgeschiedenis van het landschap beschreven. Langs de Groningse kust strekt zich een oost-westlopende kwelderrug uit. Op deze kwelderrug, die later door bedijkingen beschermd werd, vond de eerste bewoning plaats. Deze kwelderrug bestaat uit drie "Iobben" waarop de dorpen Uithuizen, Uithuizermeeden en Roodeschool gelegen zijn (afb. 16).

Ten zuiden van de kwelderrug ligt het gebied van de Fivel, een voormalige zeearm. Bij het dalen van de zeespiegel werden hier de eerste gronden buiten de kwelderrug ingedijkt. De afwatering vond plaats via de natuurlijke stromen, het Uithuizermaar en het Meedstermaar. Een brokkelig verkavelingspatroon was hier het gevolg van. Ten noorden van de kwelderrug zijn de bedijkingen van latere datum. De opeenvolgende landaanwinningen werden vanaf de nieuwe dijk langs rationele lijnen verkaveld (afb. 17).

56

15 Het concept voor Hefshuizen

16 De kwelderrug bestaat uit drie 'Iobben'

BEElDEN VOOR HEY LANDSCHAP DRAGERS VOOR HEY DENKEN

II visuele analyse

De huidige verschijningsvorm van het landschap wordt geanalyseerd. Daarnaast worden er een aantal"autonome elementen" aangeduid (afb. 18). Dit zijn elementen die een bovenlokale schaal en functie hebben. Zij zijn vaak over een bestaand patroon gelegd en niet in de landschappelijke geaardheid ingepast. Deze elementen zijn: de Waddendijk, het Eemshavencomplex, de Eemshavenweg, de provinciale weg en de spoorlijn.

II analyse van veranderingen

Met behulp van de theorie over verandering, verscheidenheid en schaalniveaus wordt nagegaan welke mogelijkheden de landschapstypen bieden voor toekomstige ontwikkelingen. Met andere woorden: welke veranderingen kunnen zich voordoen en hoe kunnen ze in het landschap worden ingepast. Een analyse dus van de verschillen in potentie en kwetsbaarheid ten aanzien van het opvangen van veranderingen. Daarnaast wordt in deze analyse de aandacht gevestigd op de overhoeken in het landschap (afb. 19). Overhoeken ontstaan vaak als gevolg van autonome elementen. Er blijven gebieden over. Het gebruik van overhoeken hangt af van de maat die ze hebben: volkstuin, ponyweide, crossterrein, stortplaats, industrieterrein. Het zal verstandig zijn voor bepaalde functies die gebieden aan te wijzen die, op grond van hun waardering of ligging, deze functies op den duur zouden aantrekken. Omdat deze gebieden minder gewaardeerd worden, leidt dit minder snel tot confiicten. Zi] hebben een grote potentie voor het opvangen van veranderingen. De overhoeken liggen allen op de kwelderrug. Met de resultaten van deze analyses is een concept gemaakt (afb. 15). Het belangrijkste uitgangspunt hierbij is geweest het handhaven en verstreken van de differentiatie in landschapsvormen van zuid naar noord. De verschillen in milieu en de gradienten daartussen worden hiermee een belangrijk gegeven. In dit concept is een recreatieve fietsroute opgenomen, die door de verschillende landschappen voert en de soms abrupte overgangen hiertussen zichtbaar maakt. De niet agrarische functies worden op de kwelderwal gesitueerd (afb. 20). Uitbreidingen vinden plaats ten noorden en zuiden van de dorpen op of tegen de kwelderwal; zij worden "geent" op de ter plaatse aanwezige landschapskenmerken. Aan de noordzijde zijn ze hoekig en steken het landschap in; aan de zuidzijde sluiten meer afgeronde de vormen aan op de

.. ~

17 Landschap50pbouw: het Maar, de kwelderrug, de latere bedijking en de Waddendijk. Milieudifferentiatie

18 De autonome elementen

19 De overhoeken van de kwelderbrug

57

BEELDEN VOOR HET LANDSCHAP DRAGERS VOOR HET DENKEN

bestaande verkaveling en de aanwezigheid van het Maar. In het gebied ten noorden van de kwelderrug staat de wijdsheid van het landschap centrcol, De typerende verkaveling wordt benadrukt door het aanbrengen van boombeplantingen langs de meest westelijk en oostenlijk gelegen noord-zuid lopende wegen. Hierdoor onstaat een groot open gebied tussen deze wegen en tussen de kwelderrug en de Waddendijk waarin de reeks grote boerderijerven langs een oost-west lopende lijn het hoofdelement vormt. In het gebied ten zuiden van de kwelderwal wordt de openheid, met het patroon van willekeurig verspreide beplantingsmotieven van de boerderijen, zoveel mogelijk gehandhaafd. Het proces van aan elkaar groeien van de dorpen wordt gestopt. Tussen de dorpen ontstaan "filters", waardoor de ruimtelijke en visuele verbanden tussen noord

en zuid blijven bestaan (afb. 21). Toegevoegde beplantingselementen en uitbreidingen van de dorpen versterken de historisch gegroeide geleding.

58

20 De niet-agrarische functies worden op de kwelderrug gesitueerd

21 Het aan elkaar gfoeien van de dorpen wordt gestopt, er ontstaan 'filters

BE ELDEN VOOR HET LANDSCHAP DRAGERS VOOR HET DEN KEN

Stadskanaal

Een van de doelstellingen van de Herinrichtingswet OostGroningen en de Gronings-Drentse Veenkolonien (1979) is het J/treffen van voorzieningen ten behoeve van het landschap en de openluchtrecreatie, alsmede het veiligstellen en ontwikkelen van natuurgebieden en cultuur-historisch elementenJ/. Voorafgaand was in 1978 reeds een landschapsschets voor de zone Stadskanaal-Musselkanaal opgesteld. In 1980 voigt een verdere uitwerking van deze landschapsschets. Bij het tot stand komen hiervan is vrijwel dezelfde werkwijze gevolgd ols voor de landschapsvisie voor Hefshuizen. Oorspronkelijk bestond het gebied uit een uitgestrekt hoogveenpakket tussen het omringende es- en beekdalenlandschap. Het veen waterde af via twee veenstromen, het Pagediep en de Mussel Aa. Langs deze veenstromen bevonden zich de weidegronden. Vanaf de rand van de zandgronden en de beekdalen yond de eerste turfwinning plaats. Voor de grootschalige ontginning van het centrale veengebied is het Stadskanaal gegraven. Langs dit kanaal, dat de hoofdtransportlijn voor het hele gebied was, ontstond op grootste concentratie van bebouwing. Dwars op het Stadskanaal werden de zijkanalen en dwars daarop weer de wijken gegraven (afb. 22). Na de afgraving van het veen werd de landbouw de belangrijkste bron van inkomsten.

De producten werden veelal in de regio verwerkt, wat vestiging van industrieen tot gevolg had. De bevolking nam toe. Aanvankelijk trad verdichting op van het lint langs het hoofdkanaal.

Omdat de verbinding tussen hoofdkanaal en zijkanalen hierdoor bemoeilijkt werd, is later het zogenoemde Boerendiep evenwijdig aan het Stadskanaal gegraven. Toen verdichting van het lint niet meer mogelijk was volgden aanzienlijke uitbreidingen buiten het lint. Was er aanvankelijk sprake van een samenvallen van transport, waterbeheersing en bebouwing, na verloop van tijd voltrok zich een scheiding. Toen het transport meer over de weg dan over het water plaats ging vinden, werden de waterlopen vaak gedempt. Gevolg was dat het water een steeds minder bepalende rol in het landschap ging spelen. Behalve de uitbreidingen van de kernen Stadskanaal en Musselkanaal is een van de grootste toekomstige veranderingen de geplande aanleg, het A.G. Wildervanckkanaal met een provinciale weg erlangs (afb. 23).

Het concept (afb. 24) voor Stadskanaal is gebaseerd op drie gedachten:

1. Het verschil tussen het veenontginningslandschap en het es- en beekdallandschap met haar uitlopers wordt benadrukt.

22 Ontstaan van het veenontginningslandschap tussen hoger gelegen es- en beekdalgronden

59

BEELDEN VOOR HET LANDSCHAP DRAGERS VOOR HET DENKEN

23 Stadskanaal (topografische kaart) en de belangrijkste toekomstige veranderingen

2. Het beloop van de beekdalen wordt met bomenrijen en bosmassieven opnieuw vorm gegeven. Binnen het veenkoloniale gebied worden de nuanceverschillen tussen de kavelrichtingen door bomenrijen geaccentueerd. In het strak verkavelde gebied ten noordoosten van Stadskanaal zijn dit enkelvoudige bomenrijen op regelmatige afstanden. Ten oosten van Stadskanaal ontstaat tussen de beekdalen een meer coulissenachtig landschap. In het gebied ten zuidwesten van Stadskanaal worden aileen de linten langs de zijkanalen benadrukt.

3. Het toekomstige trace van het AG. Wildervanckkanaal wordt dankbaar gebruikt om de ruimtelijke kwaliteiten van het land-

BEELDEN VOOR HET LANDSCHAP DRAGERS VOOR HEY DENKEN

schap te versterken. Er wordt vorm gegeven aan het thema "doorsnijding". Daar waar het kanaal de uitlopers von de beekdalen doorsnijdt, en door tussen in, zijn bosmassievengeprojecteerd. Zij hebben een recreatief en produktief gebruik. Het grootste van deze bosmassieven bevindt zich ten noordoosten van Stadskonaal; een sterrebos, waarvan de kavelgrenzen en de infrastructuur (kanaal + weg, hoogspanningsleiding) de essen vormen. In de buitenbocht van het kanaal bevindt zich een piramidevormig gronddepot, vanwaar men in beide richtingen uitzicht heeft over het kanaal. Langs de rijksweg aan het kanaol ontstaat een ritme van ruimte en massa dat is afgestemd op de snelheid van het verkeer op deze weg.

24 Met concept voor Stadskanaal

BEELDEN VOOR HET LANDSCHAP DRAGERS VOOR HET DENKEN

Middel:z:ee

Tussen leeuwarden en de landelijke gemeente Menaldumadeelligt de voormalige Middelzee, een gedeelte van de Waddenzee, die vroeger diep het Friese land instak. In de zone, die grotendeels tot de gemeente Menaldumadeel behoort, is een proces van grootschalige stedelijke onlwikkeling op gang gekomen. Het vliegveld heeft er een plaats gekregen, woon- en industrieuitbreidingen van leeuwarden zijn er gesitueerd. Het gebied wordt door een groot aantal infrastructurele lijnen doorsneden die de stad leeuwarden met Franeker en Harlingen verbinden (het van Harinxmakanaal, de El 0, de spoorlijn en de hoogspanningsleiding (afb. 26). Zij vormen ols het ware een "brug" tussen het westelijk deel van Friesland en leeuwarden. De expansie van leeuwarden beweegt zich langs deze infrastructurele lijnen. De toekomstige uitbreidingen van leeuwarden in westelijke richting dreigen de zeer grote openheid van het gebied voorgoed teniet te doen. In verband met de gemeentelijke herindeling is sprake van een grenswijziging, waarbij leeuwarden een groter gebied krijgt. Deze situatie wordt door de gemeente aangegrepen een beeld te geven van de aanvaardbare onlwikkelingen is een ruimtelijke visie onlwikkeld (afb. 25). Directe aanleiding hiertoe waren de voorbereidingen van het bestemmingsplan buitengebied voor Menaldumadeel. Aan de westzijde wordt de Middelzee duidelijk gemarkeerd door de oude zeedijk met dorpen en bestaande grote boerderijen. Aan de oostzijde heeft de oude grens van de Middelzee plaats gemaakt voor de "skyline" van leeuwarden. Uitgangspunt van de visie is dat de continu"lteit van het open Middelzeegebied van noord naar zuid gehandhaafd blijft, om zodoende een buffer tussen leeuwarden en het open Friese land te forceren (afb. 27). langs de west-rand van leeuwarden wordt, met gebruikmaking van een bestaande reeks boerderijen, in noordelijke richting een nieuwe rand van de Middelzee gevormd. Zo ontstaat tussen leeuwarden en het landelijk gebied ten westen van de Middelzee een vernauwing van de ruimte, een "sluis", met onderling duidelijk waarneembare randen; de oude zeedijk (de Hoge Dijk) in het westen en de gedeeltelijke groene stadsrand van leeuwarden in het oosten (afb. 28).

De brug van oost-west verbindingen door het gebied blijft bestaan, maar wordt niet benadrukt. Hier en daar wordt zelfs,

ten behoeve van de openheid van de Middelzee, voorgesteld de beplantingen te verwijderen. De intensieve functies (intensieve recreatie) van leeuwarden, binnen haar (nieuwe) grens. De extensieve functies kunnen een plaats vinden ten westen van de Middelzee, in samenwerking met de gemeente Menaldumadeel.

62

26 De Middelzee als buffer tU5sen Leeuwarden en her open Friese land

27 Infrastructuur russen i.eeuwarden en westelijk Friesland els 'brug' over de Middelzee

··f t~·

(C .'

gem. meno!d\JmQdee! \ middelzl:'e

st""tbo<Jwk"""'g~"POGm~".'''''''''1Ihgo-<I'''''''''"

28

De Middelzee blijft open; de renden, WClClr nodig, nieuw vormgegeven; scheic:lil'lg vCln de intensieve en exrensieve stedelijke fUl'ldies

25 Het concept veer Menaldumacleel

BEELDEN VOOR HET LANDSCHAP DRAGER$ VOOR HET DENKEN

Oost-Groningen

Binnen de driehoek Groningen-Emmen-Winschoten liggen de veenkolonien ols een komvormig gebied, begrensd door de Hondsrug, het Westerwoldse en de Woldstreek (afb. 29).

Exploitatief is de turf uit de kom geschept, ten behoeve van de grote steden. Een rationeel patroon van kanalen en wijken bleef achter, als etslijnen op de bodem van de kom {afb. 30}.

De grond werd zo goed mogelijk geschikt gemaakt voor landbouw, de boerderijen op regelmatige afstanden geplaatst. De achtergebleven veenarbeiders vonden werk in de strokarton- en aardappelmeelfabrieken. Nederzettingen, ontstaan als verdichting en verdikking van delen van de linten, liggen ols klontjes op de bodem (afb. 31).

De agrarische industrie is bijna verdwenen, de nooorloqse industrie wankelt. Van de agrarische bedrijven zal na de sanering van het AVEBE-concern een kwart overblijven, als de aaltjes niet toeslaan. De herinrichting is en blijft een ruilverkaveling en past daarmee in de reeks van exploitatieve ingrepen en verandering, die steeds plaats vonden binnen de randen van de kom. Dat is de uitkomst van de analyse. Het doorbreken van de reeks exploitatieve ingrepen; het doen toenemen van de differentiatie van functies en milieus, uitgaande van de potenties van het gebied; het doorbreken van de randen om het dodelijk landschappelijk isolement op te heffen; deze gedachten zijn de eerste bouwstenen van het concept (afb. 32). Richard long hoeft ze niet meer op een rijtje te leggen. •

\

64

29

De veenkelenlen, een komvormig gebied

30

De etslijnen van de bodem

31

De klontjes op de bodem

32

Doorbreken van de randen van dekom

OVER YORMCCNCEP1I'EN

ce

III I. e II' p e III V 0 0 I' D 0 k k u •
A p p I III • e d a m e III S I a d s k a III a a I Uit de inzending van stedebouwkundig bureau Oom en Heeling voor de tentoonstelling "Plan Publiek" is voor dit hoofdstuk een zestal stadsvernieuwings- en reconstructievoorstellen gekozen: reconstructie van de Markt in Dokkum, herinrichting van een winkelstraat en drie ontwerpen voor woonbebouwing op voormalige bedrijfsterreinen in Appingedam en herinrichting van het centrum van

Stadskanaal.

In de projecten ligt de nadruk op het vormgeven van de openbare ruimte: het gemeenschappelijke deel van de

sfed, Begonnen wordt met een aantal theoretische gedachten over het ontwerpen. Daarna worden de zes voorbeelden gepresenteerd. De lezer wordt uitgenodigd daartussen zelf verbanden fe leggen. Om de discussie niet af fe leiden van de vormconcepten op het stedebouwkundige niveau (en omdat een groot deel nog niet is uitgevoerd) beperken wij ons bij de presentatie tot de ontwerptekeningen.

Oorspronkelijk gepubliceerd in Sledebouw en Volkshuisvesling nr 10, 1982; samen mel ir. RA Ackerslaff en ir. H.C. Bekkering. Belrokken bij de onlwerpen waren behalve de auteurs: ir. R.A Block, drs. D. Boasson, ing. P. Boerema, ir. J.G.C.M. Krop en ir. 1. Visser.

Vooraf

Ais je ontwerpt, iets uitdenkt en in tekening brengt, heb je een vormconcept nodig, een beginsel dot je helpt te ordenen.

Vaak worden vormconcepten onbewust gebruikt. Dot is niet zo erg in een tijd met weinig veranderingen en een sterke traditie: je doet het zoals je het geleerd hebt. Ais echter functionele en technische veranderingen optreden, ols maatschappelijke opinies verschuiven, dan ontstaan nieuwe concepten. En ook wei omdat het gewoon leuk is het anders te doen.

Er zijn ontwerpers die beweren dot vormconcepten niet goed zijn.

Het goat niet om de vorm maar om de functie: zij ontwerpen functioneel. Deze uitspraak is, wellicht tegen hun zin, reeds conceptueel van aard. Zij vergeten dot de Functionalisten zich er terdege van bewust waren dot het begrip "functie" eveneens het karakter van een metafoor had, misschien wei uitsluitend.

Een andere opvatting maakt onderscheid tussen vorm en inhoud.

De inhoud wordt aan het concept toegeschreven. Aan het bijvoorbaat 01 bestaande vormconcept wordt een eigen betekenis toegedacht. Er woedt dan een ideologische strijd over de vormconcepten, terwijl deze toch uitsluitend middel zijn. Het nadeel van ideologisch geladen vormconcepten is dot vele lagen van betekenissen meegesleept worden, terwijl het probleemoplossend vermogen met betrekking tot de ontwerpopgave uit het oog verloren dreigt te raken.

Wat is nu een vormconcept? In onze opvatting is het een denkbeeld, een denkbaar beeld, waaraan, waarin of waarmee je denkt. Het kan dus van alles zijn. Meer dan de vraag wat een vormconcept is, is de vraag van belong wat een vormconcept doeL

65

OVER VORMCONCePTI!!M

Wij kiezen hierbi] voor de overeenkomst met een metafoor in de litterotuur. Een metofoor is een overdrochtelijke uitdrukking, die helpt om in een redenering ons von betekenis A noor betekenis B te droqen.' Zo ook een vormconcept. Het is een denkboor beeld dot, onlwerpend, ons droagt van beeld A noor beeld B. Het vormconcept functioneert ols droger von het denken.

Als voorbeeld van een niet-ideoloqisch gel aden metofoor dit citoat uit "Een Fries huilt niet" von Gerrit Krol: "Terug op mijn komer neem ik een nieuw vel popier voor me. Ik moet een poor uur wochten voor er zich oon mij, in de stilte die ik hondhoof, een idee openboort dot de moeite van het opschrijven woard is: ik heb uitgevonden dat een diode de stroom tegenhoudt omdat er stroom op staat. Zonder stroom doet hij niets".2

Nu is een stedebouwkundig onlwerp een ingreep in de bestaande toestand. Deze context vroagt om lezing en interpretatie om er greep op te krijgen.3 Om enigszins inzicht te krijgen is het besturen van het proces van veranderingen in de tijd, in relatie met technische, functionele en maatschappelijke veronderingen een vruchtbare ingong. De verzamelde gegevens en inzichten worden

Midden de Markt, neord beven Bron: Fototheek Topogralische Dienst Delft

Detail, vogelvluchtkaart, Nicoiao5 von Geelkerken, 1616, vcmuit het wesren, Uit: H.Holbertsma, Dokkum

Stephanie de Voogd: "Metoloren. Over ware leugens en onware leiten", Hollands Maanblod,

mei 1981.

Gerrit Krol:"Een Fries huilt nier", Amsterdam 1980, Querido.

Jan Heeling, Hence Bekkering: "Stedebouwals lormele ordening", Plan 1981-2.

2

3

teruggebrocht tot een honteerboor somenhongend vormconcept (weed), veelol in de tekentool gesteld, op een schoolniveou hoger dan dot van de ontwerpopgave. Het geeft het ruimere verbond oan woorbinnen de ontwerpopgove zich ofspeelt [zie schets Appingedom, ofb. 9).4 No dit lezen en interpreteren van de context goat de ontwerper op zoek naar een geschikt vormconcept dat hem van dienst kan zijn bij het vervullen van de ontwerpopgave. Zoals reeds eerder gesteld kan zo' n vormconcept van alles zijn. Het is een vrije keus van de ontwerper, kunstmatig van oard, maar het moet wei werken. Dot betekent dot het gestelde probleem van de ontwerpopgave ermee opgelost kan worden.

De beeldende kracht ervan is noodzakelijk om betrokken partijen bij elkoar te brengen en te overtuigen. De bestaande context heeft betekenis. De nieuwe situatie zal betekenis krijgen. Het vormconcept echter heeft in principe geen betekenis nodig. Het gebruik van geometrische vormen of associatie-beelden als een pollepel of een paperclip is een vormgevende stop zonder betekenis. Het gerealiseerde on twerp in de bestaande context ontleent zijn kwaliteit niet aan de metafysische betekenissen von het gehonteerde vormconcept, maar aan zichzelf (zie Damterrein, Appingedam).

Dokkum, Markt

De markt ligt in het noordelijk deel van de binnenstad van Dokkum aan de rand van het centrum. De vorm vindt zijn oorsprong in de contouren van een middeleeuws kloostercomplex dat na de Reformatie zijn functie verliest. Van de oorspronkelijke bebouwing is aileen de kerk overgebleven. Het van oorsprong in zichzelf gekeerde gebied, waar de wereldlijke bebouwing zich met de rug naar toe heeft gekeerd, wordt openbaar. In de loop der eeuwen verondert het gebruik: kerkhof, veemarkt, parkeerterrein. De voorgestelde reconstructie van het openbare gebied, die inmiddels in uitvoering is, accentueert de verschillen in karakter van de begrenzingen. Het aanwezige hoogteverschil wordt benadrukt (van zuid naar noord 2 meter verval). Door een gemetselde keermuur ontstaat een geleding: twee ruimten, twee sferen. Het hooggelegen kerkplein tussen monumentale gebouwen (kerk en voormalig hotel, zie afb. 4) is bestraat in vierkante velden en vormt het eind van het voetgangersgebied. Het grote evenementenplein is bestraat in zeven bonen met nuanceverschillen in kleur en verband (porkeerstroken) en is, woor de bebouwing weinig morkant is, ornlijst door een dubbele rij linden. Rijen Iosstaonde bolaccacia's aan de rand van het kerkplein boven de keermuur en

OVER Y@RMCONCEP'lEN

3

Ruimtelijk concept vcmuit het neerdwesten

4

Kerk en voormalig hotel, vanuit het noerdwesren

Foto: Arthur Blonk

OVER VORMCOtliCIPTEN

aan de westzijde van het evenementenplein laten de zijgevel van de kerk en de voorgevel van een historisch gasthuis in het zicht.

De keermuur wordt beeindigd door een toiletgebouw waarvan het bakstenen dat het derde niveau van de Markt vormt (podium).

De reclamezuil op de hoek (tevens ventilatieschacht) Fungeert ols blikvanger.

5

Profielen. noord-zuid en cost-west

(, Recenstruesieveerstel

Appingedam

Oorspronkelijk bestond Appingedam uit lineaire bebouwing op

de dijken langs de Damsterdiep, met de achterkanten naar het water. In de bloeiperiode kwamen ten zuiden daarvan een nieuwe street en het Nieuwe Diep tot stand. Tussen deze straat en het Nieuwe Diep was ruimte voor bebouwing van grotere schaal (de kerk, het stodhuis en later de opkomende industrie). Het verschil tussen het ene gebied, met de dichte kleinschalige bebouwing, en dot met grote gebouwen en open ruimten aan het water is kenmerkend voor het centrum (afb. 7, 8 en 9).

Appingedam, Diikstraat

De herinrichting van de hoofdwinkelstraat van Appingedam versterkt het voetgangersgebied. De lange sma lie straat (6 tot 7

meter breed) heeft een licht gebogen verloop met aaneengesloten bebouwing, hier en daar onderbroken door dwarsverbindigen (zie luchtfoto, afb. 7). Een 300 meter lange "leper" van vierkante velden (2.50 meter), bestraat in afwisselende en zich herhalende decoratieve motieven, maakt de straat tot elm geheel. Zijstraatjes worden aangegeven door een hoog opgehangen lichtpunt. In de breedte ontstaan drie zones. De middelste, de loper, is vrij van obstakels en (incidenteelJ toegankelijk voor auto's. De randzones tussen loper en gevels zijn het domein van de winkeliers {uitstallingen en dergelijke}. Toegangen tot de winkels worden gemarkeerd door een "mat" voor de deur waarin de aard van de winkel kan worden aangeduid. Langs de loper worden de matten geflankeerd door hardstenen palen.

Ook andere obstakels staan in de randzones: lantaarnpalen langs de buitenbocht van de loper, zitelementen ter plaatse van dwarsverbindingen, enzovoorts.

OYER YORMI!:ONCIEPY!!!N

8 Struduurbeeld van het eiland: her lineaire centrum, de lessere bebeuwing deeremheen en de grcte fabrieksterreinen

7 Appingedam vanuit het westen Foto: Aerophoto Eelde

9 Bebcuwings!Jotroon met recenstructle veerstellen

OVER YORMCONCEP'II'EN

o

25

50

75

100

z

EB

Appingedam, Molenhorn

Molenhorn is de eerste uit een reeks reconstructievoorstellen voor het centrum Appingedam: sociale woningbouw (43 woningen) op de pi oats van een voormalige verffabriek. Het gebied vormt het begin c.q. het eind van het langgerekte centrum. In het ontwerp is vormgegeven aan een nieuwe toegangsweg, gericht op de kerktoren, met aan beide zijden woonbebouwing. De strook met achterkanten naar het Damsterdiep wordt beeindiqd met een open

10 Axometrie herinrichting Diikstraat

11 Molenhorn

12 MClIqueHe vClInuit her neordwesten, richting kerkreren

Folo: Karel Zwaneveld

OVER VORMCCMCEPTEN

ruimte (parkeren) in samenhang met de situatie aan de overkant.

De bebouwing vormt gesloten blokken (afb. 11 en 12). (woningen: Architectenbureau Klein, Groninqen].

Appingedam, Sorgo

Ook Borga voorziet in socia Ie woningbouw (30 woningen), op de plaats van een voormalige machinefabriek. Voor het ontwerp zijn de kenmerken ontleend aan het gebied waar het deel van uitmaakt: grote gebouwen en open ruimten aan het water.

Er is vormgegeven aan een nieuwe toegang tot het centrum voor voetgangers vanaf een groot parkeerterrein aan de overzijde van het water.

~3 Borge!

OVER YDRMCONCEPIEN

Appingedam, Dam-terrein

Voor het terrein van een autobusfabriek is een ideeenschets gemaakt voor ± 130 woningen, in het kader van de rijksbijdrogen ter verplaatsing van milieuhinderlijke bedrijven. Het ontwerp vormt de oostelijke beeindiging van het eiland. Aan de noordzijde is een gebogen bouwblok ontworpen, dat de waterlijn voigt en verwijst naar de aaneengesloten bebouwing langs de gebogen straten in het centrum. De onderbreking in de wand vormt een poort voor een nieuwe toegangsweg. Aan de zuidzijde zijn blokken woningen met ommuurde tuinen gesitueerd in de open ruimte, waar doorheen zichtlijnen op en over het water gaan.

Een wandelroute in het verlengde van de Dijkstraat voert langs een nieuwe parkeerterrein ten behoeve van het centrum en eindigt op de punt. Een geknikte rij bomen markeert deze route en doormee de zuidrand van het eiland.

Stadskanaal, centrum

In Oost-Groningen hebben veenontgingen geleid tot rationele kanalenstelsels t.b.v. de afvoer van het veen. Na de afgraving ontstaat agrarische bebouwing langs de kanalen. later tussengevoegde niet-agrarische bebouwing leidt tot constructies in de linten. Ondanks aanzienlijke uitbreidingen buiten het lint blijft het Stadskanaal met bebouwing beeldbepalend en blijkt vergaande functieveranderingen op te kunnen nemen. Waar een dwarsstraat

72

15 Axometrie vanuit xuidwesten

14 Dam-terein

tussen het station en de grote naoorlogse uitbreidingen het lint kruist ontstaat het centrum. Moderne centrumfuncties komen ochter de bestaande lintbebouwing, omdat deze meer ruimte eisen dan in het lint beschikbaar is. In het reconstructievoorstel wordt de ligging van het centrum in het lint zichtbaar gemaakt. Het kruispunt met de dwarsas wordt gemarkeerd door een 16 meter hoge gele kubus, die tevens als embleem voor het winkelcentrum dient {afb.20}.

Ter weerszijden wordt over de volle lengte van het centrum het talud langs het water vervangen door een Kademuur [porkeerruimte} en wordt een transparante overkapping boven het fietspad aangebracht {afb. 21}. Tussen de overkapping en de winkelgevels kunnen individuele luifels worden opgehangen (profiel A).

Twee passages dwars op het lint worden aangegeven door een gekleurd veld in de overkapping en een oversteekplaats met een trap naar een plateau aan het water (afb. 22,23 en 24). Door deze ingrepen ontstaat een duidelijk afleesbaar ritme in het lint.

Op de overgangen zijn verbijzonderingen aangebracht. III

OVIER VORMCONCIiPTIiiN

16 Over:a:ichtskaart

73

OVER VORMCONCEPT!N

17. Ritme in het lint

I .--------------------

n .=====-------------

m. + """""'"'" _=.=e""",=+ ---------

74

18 Principeschets

17 Ritme in het lint

19 Profielen A en B

20 Knoop 4: kubus en rups

21 Knopen 3 en 5

22 Knoop 1: bushalte

23 Knoop 2

24 Knoop 6: verhoogde speelplaats bij busstation

Het is op zijn mins! uit%onderlijk, dat vijf stedebouwkundigen het weord veeren ep dit symposium over Stedebouw georganiseerd dool' de TUEindhoven. Dat doet me goed. in de afgelopen jar-en is dat weleens andel's geweest. Het weren met name mensen

ult de alpha-wetenschappen, die 01' wetenschappelijk verentwoerde wijze wisten Ie verrellen wat goed was veer de mens en dus eek veer de ruimtelij-

ke ordening en de stedebouw. Onlangs was er een grote bijeenkomsf, georganiseerd door de Bond van Nederlandse

Stedebouwkundigen. Een thema van

die dag was: "Taak en verentwoerdelijkheid van de stedebouwkundige". Zo'n titel is naar mijn smeek wat te geladen. Ieeh was het nuttig dat de

vraag eens gesteld werd, en niet aileen voor buitenstaanders.

Oorspronkelijk gepubliceerd in de congres-bundel t.b.v. het symposium Stedebouw, gehouden op 15/12/1983 aan de TU Eindhoven.

OVER STEDEBOUW

eb

Ik verklap geen geheim, als ik vertel, dat onder collega's meerdere malen uitgesproken werd: "hoe kan ik nog duidelijk maken wat mijn vakbijdrage is". Maar ook moet gezegd worden, dat anderen de huik naar de wind lieten hangen. Dit alles is in feite niet verwonderlijk. Door de grote bouwexplosie van de laatste decennia was er veel werk aan de winkel. Nieuwe beroepsspecialismen ontwikkelden zich snel en indringend. ledereen bemoeide zich met alles. Daarbij was het bouwen, het maken van nieuwe woonomgevingen, politiek en maatschappelijk in de mode. De stedebouwkundige fungeerde vaak nog aileen ols verkeersagent en procesbegeleider. Hij was een soort coordinator tussen verkeerskundigen, planologen, architecten, groendeskundigen, civieltechnici en kostendeskundigen.

Ik heb dit altijd een ontsporing van het yak gevonden. En nu? De "boom" is over. Er is minder geld en ruimtelijke ordening is uit de mode. De aandacht is gericht op volkshuisvesting en stadsvernieuwing, waarbij stadsvernieuwing bijna synoniem is aan volkshuisvesting. HAT-eenheden fungeren daarbij als universeel kitmiddel,

Gebieden van stad en land resterend uit het goede veri eden worden nog in bescherming genomen. En voor de rest: deregulering. Maar toch! In de vakliteratuur duiken een tweetal nieuwe woorden op. Het woord "beheerll en het woord "structuurplan".

De invulling van die begrippen begint schoorvoetend op gang te komen. Ik ga vandaag deze woorden niet voor u invullen. Wei wil ik een bijdrage leveren door iets te vertellen over mijn opvatting van het yak stedebouw. Achtereenvolgens zal ik aan de orde stellen:

- de kenmerken van het yak stedebouw

- de plaats van de stedebouwkundige in het planningsproces

- toekomstverwachtingen en

- het begrip vormconcept.

79

OYER STEDEBOUW

Omdat niet aile aspecten van de taakopvatting aan de orde kunnen komen, en ze niet allemaal te beredeneren zijn, worden deze vier draden uitgesponnen, maar niet met elkaar vervlochten tot een "loqische redenering".

Wat xiin de kenmerken van het vak stedebouw?

De stedebouwkundige geeft objecten en functies een plaats in de ruimte. Hij maakt onderscheid tussen gebieden die openbaar zijn en gebieden die privaat zijn. Hij geeft aan waar wei en waar niet gebouwd kan worden en hij doet dit alles op grond van een gekozen samenhang, waarvan verwacht mag worden dat het geheel daardoor kan functioneren. Helderheid en beeldende kwaliteit zijn een voorwaarde. De effecten van de wederzijdse beinvloeding van functies en het functioneren van de diverse soorten van transport (onder en boven de grond) worden daarbij in beschouwing genomen. voor dit alles bestaat geen universeel model. Er is ook geen receptenboek. Telkens zal de context van de nederzetting, waarbinnen de handeling moet plaatsvinden, bepalend zijn voor de uitkomst. Het werk van de stedebouwkundige is ordenend, technisch en vormgevend, zowel ten opzichte van het geheel als ten opzichte van de delen. Het is zowel een functionele als een visuele ordening. Een technisch vak dus, op handelen gericht.

Het is een oud vak, ontstaan op het eerste moment dat mensen zich ergens vestigden. De basis voor de huidige stedebouw is in de 1ge eeuw tot stand gekomen. vanaf die tijd is het planningsinstituut een belangrijk onderdeel van het bestuursapparaat geworden.

Onlangs is een informatief boek van Giorgio Piccinato verschenen over de ontwikkeling van de stedebouw in Duitsland in de 2e helft van de 1ge eeuw: "Stodtebou in Deutschland 1871-1914:

Genese einer wissenschaftlichen Disziplin". Hieruit blijkt, dat in de toenmalige vakdiscussie een aantal thema's voortdurend een rol gespeeld hebben: open bebouwing of gesloten bouwblokken - sociale woningbouw - onteigening - en grondspeculatie.

Deze thema's werken door in het toen ontwikkelde instrumentarium:

- het Bebauungsplan, waarbij met name de meer- of minderwaarde van de grond een doorslaggevende rol speelt;

- de Bauordnung, waarin beperkende regels voor het bouwen vastgelegd zijn;

80

OVER STIEDIBOUW

- en de welstand, niet aileen op grond van mooi of lelijk, maar in relatie met de economische waarde van een object onder invloed van zijn omgeving.

Leidende figuren in de vakwereld, zoals Baumeister, Gurlitt en Stubben, waren zo zelfbewust, dat ze voor vakgenoten en studenten handboeken geschreven hebben.

Daarnaast werd er intensief gedebatteerd over hoe de stad er uit zou moeten zien. In 1889 publiceerde Camillo Sitte zijn boek:

"Der Stadtebau nach seinen kunstlerischen Grundsotze''. Hij maakt daarin een onderscheid in "modern" en "artistiek". Hij houdt een pleidooi voor de artistieke opvatting. Een stad moet "wirkungsvoll und malerisch" zijn. Hij is tegen de economische en technische opvatting die uitmondt in een rechthoekig grid-systeem. Hij verwijst daarbij naar de middeleeuwse steden, met hun onregelmatige straten, pleinen en bebouwing, die er zo "notuurliik", zo gegroeid uitzien. Otto Wagner is daarin zijn tegenhanger.

De laatste wint, 4 jaar later, een prijs voor een stadsuitbreiding van Wenen onder het motto: "De meesteres van de kunst is datgene wat nodig is". Daarbij verstaat hij onder wat nodig is: efficiency, economisch nut, en het moderne leven van de moderne mens. Hij benadrukt beweging en transport.

U ziet, er is de laatste honderd jaar niet zoveel veranderd in het vakgebied. Aileen ontbreken de handboeken die Weeber zo graag wil.

Steeds zullen in het debat een aantal begrippenparen een belangrijke rol blijven spelen. Dat zijn de begrippenparen: qemeenschcppeliik-individueel, ruimtelijke ordening-sociale ordening, techniek-natuur en vorm-inhoud. Deze onderscheiding van begrippen dient om twee kanten van een zaak te laten zien, om daarmee opvattingen en standpunten te verduidelijken. Ik denk dat de stedebouwkundige naar zijn aard in dat debat een bepoolde kleur zal hebben, die nodig is om zijn yak uit te kunnen oefenen, om te kunnen handelen. Immers de stedebouwkundige bepaalt met name het gemeenschappelijke, zonder aan het individuele voorbij te gaan, hij stelt een ruimtelijke ordening voor, zonder de sociale ordening uit het oog te verliezen, zijn voorstellen zijn technisch van aard, waarbij de natuur in aanmerking genomen wordt en hij geeft vorm, waaraan de inhoud zijn bestaan ontleent. Ais de nadruk gelegd wordt op de andere begrippen

uit deze begrippenparen: het individuele, de sociale ordening, natuur en inhoud, dan kan het yak stedebouw niet meer bestaan.

81

OVER STEDEIOUW

Welke plaats heeft de stedebouwkundige in het planningsinstituut?

Voor het beantwoorden van deze vraag maak ik gebruik van een schema, dat na vele discussies in ons bureau is ontstaan (afb.l). Zoals u weet is een stedebouwkundig bureau ook een soort planningsinstituut voor gemeenten, die te klein zijn om er zelf een op na te houden. In het bureau streden de vele noodzakelijke disciplines om hun plaats in de organisatie. Dit schema is een soort functionele ordening, die naar mijn mening geldig kan zijn op gemeentelijk niveau, waarschijnlijk op provinciaal niveau en misschien zelfs op rijksniveau. Het gaat uit van een hierorchie van boven naar beneden en van een gelijkwaardigheid in horizontale zin. Hierorchie is nodig om beslissingen te kunnen nemen en met name samenhangende beslissingen. Zonder nu uitvoerig op het gehele schema in te gaan ligt er de opvatting aan ten grondslag dat bij interdisciplinaire planvorming drie disciplines een hoofdrol spelen, te weten: planologie, recht en stedebouw/landschapsbouw {tussen landschapsbouw en stedebouw is meer overeenkomst dan verschil}. Bij de planologie ligt het zwaartepunt op het sociale aspect, bij het recht op de spelregels, het instrumentarium, en bij de stedebouw op het ruimtelijk aspect. Binnen elk hoofdvakgebied zijn in de loop der tijd vele specialismen ontstaan.

Specialismen van het hoofdvak stedebouw zijn stedebouwkundig onderzoek, zowel technisch als visueel, stedebouwkundige ontwerpen, verkeerstechniek en civiele techniek. In de beroepspraktijk is het me opgevallen dat stedebouwkundigen zich in bepaalde mate delen van het vakgebied van planologen en juristen eigen kunnen maken, terwijl omgekeerd planologen en juristen op een afstand blijven van het concipierende en vormgevende werk van de stedebouwkundige. Bij ingewikkelde ruimtelijke vraagstukken is het vaak het ruimtelijk concept van de stedebouwkundige dat de integratie van de diverse deelaspecten op gang brengt. Ik ben zo langzamerhand dan ook tot de overtuiging gekomen dat de stedebouwkundige op elk schaalniveau een erg belangrijke rol vervult, door het maken van vormconcepten.

82

In hoofdvok gebied

ADVISEUR

ALLROUND

g .S! ..!!:f

a.-

Integraal

ADVISERING

Intergrale planvorming

PLANGROEP

SPECIALIST

Landschapsonderzoek

Cultuurtechniek .

Landschapsontwerpen

Landschapsonderzoek

Stedebouwkundig onderzoek
Verkeerstechniek
Civiele techniek
Stedebouwkundig ontwerpen
Stedebouwkundig onderzoek
--------------------- Bestuursrecht

Recht R 0

Soda Ie geografie

Economie

Sociologie

VAKGROEP

OVER STEDEBOUW

a

o

]

83

OVER S'fEDEBOUW

Wat staat ons de komende jaren op het gebied van de ruimtelijke ordening te wachten?

Onlangs heeft prof. Thoenes een boeiend referaat gehouden over de toekomst. Hij is een veel betere futuroloog dan ik ben. Een aantal uitspraken van hem die ik onthouden heb wil ik citeren:

- Het valt fe verwachten dat elke Nederlcndse regering, onaf-

hankelijk van de samenstelling, een herverdeling van de financiele middelen zal toepassen, zoals nu ook gebeurt

- Nederland is in hoge mate suburbaan geworden en dit feit is niet terug te draaien

- Mobiliteit is een belangrijk verworven goed, dat niet gemakkelijk prijs gegeven zal worden

- Mensen in dit land zijn ijverig. Ze willen wat maken. Dat zal niet plotseling ophouden

- Er zijn altijd onverwachte ontwikkelingen "om de hoek", je weet niet welke en je weet niet wanneer.

Tot zover Thoenes.

Ikzelf denk dat een aantal belangrijke ruimtelijke ordeningsproblemen voor ons liggen, die de komende tijd om een oplossing vragen. De zorg voor de binnensteden heeft geen geringe resultaten opgeleverd. Nog steeds staat stadsvernieuwing hoog in het vaandel geschreven. Toch zijn er aanwijzingen, dat de functionele slijtage op den duur ingrijpender gevolgen zal kunnen hebben, dan de physieke slijtage.

In steden en dorpen, maar ook in het landelijk gebied zijn er gebiedsdelen die hun functie verliezen. Deze gebieden zijn toe aan ingrijpende ruimtelijke en functionele transformatie.

Voorbeelden zijn de havengebieden van Amsterdam en Rotterdam, maar ook de Groningse en Drentse Veenkolonien.

Er bestaat een overspannen opvatting dot alles wat gebeurt in de ruimtelijk ordening ge'initieerd en gepland zou moeten worden door de overheid en de planningsinstituten. Ondanks de economische recessie vinden nog steeds ruimtelijke en functionele veranderingen plaats. Mensen en organisaties gaan hun gang.

Het wordt zaak, dat de planningsinstituten concepties ontwikkelen, waarbij dit veelvoud van niet-geplande veranderingen planmatig bij elkaar opgeteld kunnen worden ten gunste van de kwaliteit van de nederzetting. De ruimtelijke ordening heeft zich vaak gericht op delen van een nederzetting, bijvoorbeeld een woongebied of een stadscentrum. Het wordt steeds belangrijker de gehele nederzetting in een concept te vangen, om sturing aan de samen-

84

OYER STEDEBOUW

hang van het geheel te kunnen geven. Het stedebouwkundige werk van de toekomst zol niet meer zo nadrukkelijk zijn zwaartepunt hebben bij nieuwe woongebieden.

Economische recessie wordt gezien als een bedreiging voor de ruimtelijke ordening. Even bedreigend is het doorsukkelen op bestaande concepten die niet meer werken, net zools in zee gaan met nieuwe concepten waarvan de consequenties niet onderzocht zijn. Wat betekent het concept "compacte stod" voor het concept "polynucleaire stad"?

Er wordt denk ik te snel beweerd dat we aan een nieuw instrumentarium toe zijn. Als een schaatser minder goed schaatst, ligt het niet voor de hand direct de schuld aan de schaatsen te geven.

Herbezinning binnende vakgebieden van planologen en stedebouwkundigen zou weleens kunnen opleveren, dat het instrumentarium zo gek nog niet is.

Reeds enkele malen is door mij het begrip vormconcept genoemd.

Wat is nu een vormconcept en wat is de betekenis van het vormconcept van de stedebouwkundige voor de integrale planvorming in de ruimtelijke ordening, en wei op elk schaalniveau?

Een vormconcept is een denkbare formele ordening, die dient als drager voor het denken. Het is veelal gesteld in de tekentaal. Het is een kunstgreep, die zijn geldigheid ontleent aan zijn overtuigingskracht. Dat betekent, dat het vormconcept genererend dient te werken en een probleemoplossend vermogen dient te bezitten.

Indien een mens nadenkt over de complexe werkelijkheid en probeert daar greep op te krijgen op de wetmatigheden van de elektriciteit bedachten ze de overeenkomst met het gedrag van water. De stroomdraad werd als een holle pijp voorgesteld waardoor de elektriciteit stroomde. Weerstand was afhankelijk van de doorsnede en het verval heette potentiaalverschil of spanning.

We weten inmiddels dat een en onder anders in elkaar zit, maar het concept heeft wei hun toemalige problemen opgelost.

De stedebouwkundige stelt evenals de architect zijn vormconcept in de tekentaal. Het is de kracht van een tekening dat je in een oogopslag de gehele bedoelde samenhang overzien kunt, dit in tegenstelling tot een tekst, die zich begripsmatig lineair ontrolt. Vaak wordt de vraag gesteld, waaruit zo'n vormconcept wordt afgeleid. Het wordt nergens uit afgeleid. Het ontstaat uit een ereatieve sprong in het denken. Het enige wat achteraf gebeuren moet, is nagaan of de gestelde problemen er mee opgelost kun-

85

OVER STIDEBOUW

nen worden. Zo niet, dan moet een onder concept bedacht worden. Er goat geen Iogische redenering aan vooraf. Vaak wordt een vormconcept op zijn morele inhoud getoetst. Pas als het de morele toets kan doorstaan zou het legitiem zijn er gebruik van te maken. Ik denk dot dit geen voorwaarde hoeft te zijn. Opvatting en vormconcept moeten niet door elkaar gehaald worden. Het is een middel, niet meer en niet minder, neutraal van aard. In mijn inleiding sprak ik over Camillo Sitte, die de analogie met de antieke en middeleeuwse stad als conceptie hanteerde. Dot mag.

Maar dit concept is niet beter, omdat de middeleeuwse stad goed is. Deze misvatting tref je aan bij de Delftse School, maar ook bijvoorbeeld bij Krier, maar dan ten opzichte van de clossicistische stad.

Omdat het gebruik maken van een vormconcept een onderdeel van het menselijk den ken is, en dus ook van het stedebouwkundige denken, is het van toepassing op elk schaalniveau in de ruimtelijke ordening, hetzij een gehele regio, een gehele stad, een woonwijk of een stroot. Een bekend voorbeeld op nationaal niveau is het concept van de gebundelde deconcentratie, een paradox geent op een tekening. Vormconcepten zijn een voorwaarde om in "blanco" situaties iets tot stand te brengen. Maar ze zijn evenzo nodig in bestaande situaties. Hoewel de concepten die vroeger hebben bestaan door middel van historisch onderzoek opgespoord kunnen worden, is het niet vanzelfsprekend, dot zo'n historisch concept de problemen van vandaag zal kunnen oplossen. Een lezing en interpretatie van de bestaande context, gericht eerder op konstanten dan op hetgeen verandert, zal meer profijt opleveren. Het is duidelijk dat als op conceptueel niveau het probleem opgelost is, er nog veel vormgevend werk verricht moet worden. Dit behoort tot het norma Ie handwerk van de stedebouwkundig ontwerper. II

86

Genoemcle literahlllr

1. G. Piccinata: "Srodtebou in Deutschland 1871 - 1914: Genese einer Wissenschaftlichen Disziplin", 1983, Vieweg, Braunschweig/Wiesbaden.

2. C. Sitte: "Der Stddte-bau nach seinen kunstlerischen Grundsotzen", 1889, Graeser, Wenen.

3. C.E. Schorske: "Fin-de-Siecle Vienna: politics and culture", 1980, Knopf, New York.

Bes

BiS'liEMMINNOSPLAH BUITINGIiBIID WEST5TELLINGWER'

Oorspronkelijk gepubliceerd in he! werkdocument ler voorbereiding op de studiedag ruimtelijk ontwerpen voor he! structuurplan op 09-05-1984, georganiseerd door de afdeling gemeentelijke plannen van de Provinciale Planologische Dienst, Zuid-Hollond.

nge Ilin

Visie

De aanname dot ruimtelijke ordening zinvol is, berust op de opvatting dot differentiatie in het milieu waardevol is. Een tweede aanname is, dot samenhang, of ordening, waardevol is, en waarneembaar: het is een afspiegeling van een cultuur. Op de achtergronden daarvan goon we hier niet in.

Het begrip structuurplan, zoals dot geYntroduceerd is door De Ranitz, houdt het aangeven in van een gewenste samenhang.

Daarbij ligt niet vast waarop die samenhang betrekking moet hebben. Als nu de lading die het begrip in de loop van de tijd heeft gekregen weer wordt vergeten, dan bliift een bruikbaar instrument over dot per geval een geeigende inhoud kan krijgen.

Ontwerpen wordt veelal beschouwd als een activiteit om iets tot stand te brengen dat er nog niet is. Steeds meer, echter, wordt een deels bestaande - deels nieuwe situatie ontworpen. Het is niet zo, dat een geringer aandeel van het nieuwe zou leiden tot minder ontwerpwerk. Ook de interpretatie, de lezing van een bestaande situatie is een ontwerpactiviteit.

In de oproep voor de studiedag ruimtelijk ontwerpen voor het structuurplan, georganiseerd door provinciale planologische dienst wordt uitgegaan van structuurplannen voor de stad.

Op theoretisch niveau is het maken van een structuurplan voor een stad of voor bijvoorbeeld een regio hetzelfde. Ons bureau werkt voor gemeenten in het landelijk gebied, zodat deze inzending een ontwerp betreft voor een hele gemeente: Weststellingwerf in Friesland, met een oppervlakte van circa 230 vierkante kilometer. (fig. 1 en 2)

IBIISTEMMINNGSP8.AN BUITIlNOiliBIED WISI5TELLINGWla,

De "Nota van Uitgangspunten" is de basis voor het bestemmingsplan buitengebied voor deze gemeente, waarin de kenmerkende eigenschappen en de mogelijkheden van het gebied zijn onderzocht. Behalve een uit historische analyse opgebouwd ruimtelijk concept, een ontwerp, is er in de nota ook sprake van een functioneel concept. De in dat gedeelte geformuleerde gedachtengang zien wij als een aanzet. Van het allergrootste belang is dat het schaalniveau waarop elk ontwerp, dus ook een structuurplan betrekking heeft, scherp wordt gedefinieerd. Randvoorwaarden verhouden zich tot het plan als de randen van het papier tot een tekening: ze zijn afgeleid van minstens een schaalniveau hoger.

88

Topografische kaart Weststellingwerf 1:100.000

IESVEMMmNNGSPLAN BUITINGEBIED WESTSVELLDNGWI!IRF

Het structuurplan moet erop gericht zijn bestuurlijk beslissen toetsbaar te maken, opdat een zodanig beheer kan worden gevoerd dat het geheel van (kleine) veranderingen meer wordt dan de som van de onderdelen en dat zij bijdragen aan een verschuiving in de gewenste richting. Het voor de hand liggende schaalniveau voor het structuurplan valt dus samen met dat van een bestuurlijke eenheid, waarbij de randvoorwaarden uit een groter geheel worden afgeleid, c.q. door een hogere bestuurlijke eenheid worden gesteld.

De eerste stap is de keuze van het bij de opgave behorende schaalniveau. De tweede is de bij dat schaalniveau behorende reductie van de bestaande situatie teneinde ruimtelijk en functioneel inzicht te verkrijgen, van waaruit een concept ontwikkeld kan worden dat interne samenhang vertoont.

Een bepaalde "lezinq" wordt opgebouwd uit het onderscheiden van overeenkomsten en verschillen tussen delen van het te bestuderen gebied: gebiedsdeling als kunstgreep. Het zoeken naar overeenkomsten en verschillen, en uiteindelijk het inzicht in hoe een ruimtelijk systeem in elkaar zit en hoe het werkt, wordt aanmerkelijk vereenvoudigd door de analyse van het historisch proces van veranderingen, gericht op het ontdekken van de (relatieve) constanten daarin, in hun onderlinge samenhang.

2 Ligging van de gemeente in de regio

ElE$TIliMMBNNGSPLAN aUITINGlalED WI!IS1'STILILINGWERF

Omdat de werkwijze is gebaseerd op lezing en interpretatie van de bestaande situatie (luchtfoto's, kaarten, veldonderzoek] en van historische kaarten (fig. 3L is dit onderzoek stedebouwkunig van aard. Omdat het obiect van onderzoek ruimtelijk van aard is, is het instrument de tekening: er wordt een formele samenhang gezocht die "bevolt" f die overtuigt.

BIIISTEMMiHNGSPLAN BU!lENGIBIID WESVSYEIL.LINGWERF

Historische kaart Stelling" werf en West-einde

Uit: de "Schotanus" Atlas Friesland

Voorbeeld

Ruimtelijk beeld van Weststellingwerf

Na de analyse van de hoogteligging, de bodemkundige samenstelling en de historische onlwikkeling van het grondgebruik kan een interpretatie gegeven worden van de tegenwoordige ruimtelijke opbouw van Weststellingwerf: het "ruimrelijk beeld", zoals in fig. 4 is gevisualiseerd.

Weststellingwerf ligt op het raakvlak van:

- uitlopers van het Drents Plateau (in fig. 4 door een doorgetrokken lijn gemarkeerdl

BBI1'EMMINNGSPLAN BUITEINGEBIID WESVS'I'ELLINGWEIitF

- het hoogveenontginningsgebied ter weerszijden van Heerenveen

- het laagveengebied dat zich uitstrekt tot in noordwest Overijssel

De zuidwestrand is sterk begrensd door de bedijking van de Noordoostpolder. De gemeentegrens wordt voor een deel door natuurlijke elementen bepaald: de Tjonger en de Linde vormen de noordelijke en westelijke begrenzing. De zuidgrens ligt op een strook voormalig [onroeqonkelijk] hoogveen op de overgang naar het hooggelegen zandgebied van Willemsoord-Frederiksoord. Het meest opvallende onderscheid is dat tussen de hoge zandruggen en de laaggelegen beekdalen die in NO-ZW richting als vingers in elkaar grijpen. Een verfijnder onderscheid is voorts zowel binnen de beekdalen (open grasland, water- en beplantingsrijke natuurgebieden) als in het zandgebied (zandruggen en heideontginningsgebied) te maken.

4

Interpretatie van de tegenwoordige ruimteliike epbouw van Weststeliingwert (her ruimtelijk beeid)

BI!STILMMINNGSPLAN BUI'VEi'iIGi!BiID Wi5TSVmlLINGWliRF

De diverse verschillen en overeenkornsten waardoor del en van het buitengebied gekenmerkt worden ziin opgenomen in fig. 4.

De "noord-zuidverbindinqen" zijn niet benadrukt [spoorlijn

en weg Heerenveen-Steenwijk: verbinding Gorredijk-Havelte, Helomovaart). Het betreft hier autonome elementen die over het gebied zijn gelegd, en die voor het ruimtelijk beeld van secundoir belong zijn.

In het hierna te bespreken ruirntelijk concept bieden zi] wei aanknopingspunten.

Ruimteliik concept

Uit het moreriocl van de voorgaande paragrafen is een ruirntelijk concept afgeleid voor het gebied van de gemeente (fig. 5). Dit hieronder beschreven concept is een "lezinq", een interpretotie van het landschap en de artefaden daarin, waarbij de nadruk ligt op het onderscheiden van overeenkomsten en verschillen tussen gebieden. In een analystisch proces is het geheel uiteengelegd in afzonderlijke elementen, maar in het concept gaat het om de

5

Ruimteliik concept voer gemeente Weststellingwerf

93

BISTEM.MDNNOSPLAN BUIT.NOEIIIED WESTSTELLUNGWIRF

samenhang tussen die elementen. Het concept geeft, op een hoog schaalniveau, aan hoe het gebied in elkaar zit en is toegespitst op (relatief) constante factoren (hoogteligging, bodemsoorten, waterlopen, bevolkingsconcentraties, boscomplexen, en dergelijke). Het houdt een waardering in van de bestaande situatie en vormt een kader waaraan de wenselijkheid van toekomstige veranderingen kan worden getoetst. Het moet daarom (te verwachten) veranderingen op kunnen nemen en er richting aan geven.

VERKLARING r;::::,c::],,,.,

CZJ

C2=:::J """'~O.

Zoals in het voorgaande is aangegeven vormt het gebied in en om Weststellingwerf de overgang van het Drents Plateau naar de voormalige Zuiderzee. Het wordt omsloten door een viertal"massieven" in het landschap: in het noorden Heerenveen en Oranjewoud; in het oosten de staatsbossen van Diever; in het zuiden de opgaande beplanting rond Willemsoord; en in het westen de dijk van de Noordoostpolder. De uitlopers van het Plateau, in de vorm van zandruggen en de lage gedeelten van de beekdalen liggen als de ineengestoken vingers van twee handen naast elkaar.

Op het Drents Plateau is een heide-ontginningslandschap tot stand gekomen met een grillig wegenbeloop en blokverkaveling.

Het is op de kaart van het ruimtelijk concept geabstraheerd tot een vierkantenraster. Bij de overgang van het Plateau naar de zandruggen wordt het grillig patroon steeds meer gestrekt, en ontstonden langs de ontginningsassen van het noordoosten naar het zuidwesten wegdorpen (fig 6). Deze wegdorpen, op de conceptkaart (fig.5) samengevoegd tot lange linten, worden

94

6

Lange lijnen NO-ZW, beken en linten

DESTiMMINNGSPLAN BUUTENGEBIED WmST5TILLINGWIRF

gekenmerkt door de directe relatie van de lintbebouwing met enerzijds de weg, anderzijds het achterliggende land. Hoewel de directe agrarische binding van de boerderi] aan de weg met het land in opstrekkende slagen lang niet meer overal bepalend is, is de structuur van de zandruggen, waarbij de linten steeds stroken land achter de bebouwing "beheersen", nog sterk aanwezig.

De houtwallen langs de kavelgrenzen spelen daar een belangrijke rol in. De linten op de zandruggen worden gekenmerkt door een betrekkelijk grote dichtheid van bebouwing, waarin naast de agrarische en de woonfunctie diverse andere functies voorkomen. Ruimtelijk is de langgerekte vorm van de linten zeer kenmerkend.

Versterking van dit karakter - ook in de del en van de linten die in het buitengebied zijn gelegen - wordt van meer belang geacht dan het weren van functies die niet direct aan het buitengebied gebonden zijn.

De tussen de zandruggen gelegen beekdalen, op de kaart (fig. 5) aangegeven met een horizontale arcering, worden gekenmerkt door een open landschap waarin als gevolg van ontvening natte moerassige gebieden liggen. In het geval van de Lindevallei gaat dit gepaard met een aanzienlijke beplanting. Naar het zuidwesten lopen de beekdalen van Tjonger en Linde uit in open Ioagveengebied de Westhoek. Dit agrarisch gebied, dat zich om het natuurgebied de Meenthe heenbuigt, vormt landschappelijk een voortzetting van het beekdal, met dien verstande dat het een dichtere lintbebouwing heeft.

Op de conceptkaart (fig. 5) is vervolgens de bundel belangrijkste verbindingen dwars op het hiervoor beschreven landschappelijke systeem aangegeven: de spoorlijn en rijksweg (bestaand en nieuwe trace), onderdeel van de route Leeuwarden-Zwolle-Randstad, en reden van het uitgroeien van Heerenveen, Wolvega en Steenwijk. Deze lijnen, met name de spoorlijn met bovenleidingportalen en in de toekomst de hooggelegen delen van de nieuwe rijksweg, hebben een ruimtelijke invloed: zi] gaan ols autonome elementen door en over het landschap heen. Bovendien leidden de goede ontsluitingsmogelijkheden en het feit dat bij de aanleg van nieuwe rijksweg "overhoeken" ontstaan, ertoe dat zich veranderingen kunnen voordoen in het ruimtegebruik (zie ook onder: functioneel concept). Ook de weg Emmeloord-Wolvega-Oosterwolde kan zulke effecten hebben. Een belangrijke dwarsverbinding voor de vaarrecreatie wordt gevormd door de Jonkers- of Helomavaart, onderdeel van de vaarroute tussen de Friese en

"7

Ruimtelijke visie op de toekomstige ontwikkeling in het buitengebied

BIISYEMMINNGSPLAN BUITENGIBtlllD WI5TSTELLiNGWIRF

Overijsselse merengebied. In de beekdalen en de Westhoek worden vooral gewaardeerd de openheid van het landschap, het sterk agrarisch gebruik en in samenhang daarmee de natte gebieden (die natuurgebieden zijn geworden).

Op de zandruggen vormen de structuur van het houtwallenlandschap en de daaruit voortvloeiende beslotenheid, tezamen met de plaatselijk sterke hoogteverschillen waardevolle kenmerken. Dit in combinatie met het gemengde gebruik, dat met name in de linten in directe samenhang met het landschap een rijk functiepatroon heeft opgeleverd. In het heideontginningslandschap is het de beslotenheid in grilliger patronen, die wordt gewaardeerd, en de daaruit voortvloeiende kleinere school.

Functioneel concept:

De beschrijving in hoofdlijnen van de bewoningsgeschiedenis, het ruimtegebruik, de bereikbaarheid van het gebied en de hiermee samenhangende potenties, leiden tot de volgende visie op de toekomstige ontwikkeling van het ruimtegebruik in het buitengebied {fig. 7).

1 . In het grootste gedeelte van het buitengebied is en blijft de landbouw de hoofdfunctie. Het wonen, de recreatie, de nietagrarische bedrijvigheid en de natuur worden als duidelijk ondergeschikt beschouwd. Uitzondering hierop vormen de natuurgebieden waar het natuurbehoud voorop staat en

del en van de lintbebouwing waar genoemde functies ols meer gelijkwaardig worden beschouwd. Veranderingen in de landbouw zijn autonoom, dat wil zeggen niet specifiek voor het gebied en ook niet of nauwelijks te beYnvloeden vanuit het gebied; denk aan schaalvergrotingsprocessen. Functieveranderingen zijn hiervan een afgeleide; uitbreiding van de woonfunctie, al of niet permanent, de niet agrarische bedrijvigheid en de recreatieve bedrijvigheid is waarschijnlijk. Tevens kan een verschuiving optreden in het grondgebruik, namelijk van landbouw naar natuur (onder invloed van de ruilverkaveling).

96

BE5'EMMINNGSPLAN BUITENGIiBIIiiD WESYSTELLINGWERF

2. Er zijn tenminste drie gebieden die aanleiding geven bepaalde veranderingen te bevorderen of in elk geval niet uit te sluiten.

A Het deelgebied onder de Linde leent zich voor het bevorderen van kleinschalige verblijfsrecreatie.

In samenhang daarmee hoeven ook dagrecreatieve elementen niet te worden uitgesloten; hetzelfde geldt voor het recreatief wonen en (ambachtelijke) bedrijvigheid

B De Westhoek: mogelijkheden scheppen, voorzover nog niet aanwezig, voor recreatieve activiteiten, geent op de vaarrecreatie in samenhang met de aanwezigheid van natuurgebieden en de autoroute EmmeloordWolvega.

8

Schetsontwerp bestemmingsplan Buitengebied Weststellingwerf

97

BES'ii'EMMiNNGSPLAN BUITiNGEBIED W!STSTEILL!NGWIRF

C Gebied longs de verbindingslijnen Zwolle-WolvegaLeeuwarden:

- het is evident dot de aanleg van de nieuwe RW 32 zal worden bevorderd;

- deze nieuwe weg kan stimulerend werken op de ontwikkeling van bedrijvigheid; hierbij kan naast de daartoe bestemde bedrijfsterreinen gebruik gemaakt worden van agrarische bebouwing die zijn functie verliest of van "overhoeken" ontstaan door het nieuwe trace;

- de situering van een grootschalig, op zichzelf staand recreatieproject [zools de Tjongervallei) speelt in op de potentie van dit gebied; zo' n project kan als speerpunt fungeren voor de toeristische ontwikkeling van dit gebied;

- in de directe omgeving van Wolvega moet ruimte worden gereserveerd voor het creeren van intensieve en extensieve recreatiemogelijkheden voor de bevolking van Wolvega; in principe lenen zowel het gebied ten zuiden van Wolvega zich hiervoor (relatie met natuurgebied en voorrecreotie], als het oostelijk gebied (relatie met ontwikkeling van De Scheene], en het noordelijk gebied (relatie met vaarrecreatie-Schipsloot).

Het ruimtelijk en functionele concept zijn uiteindelijk ondergebracht in het schetsontwerp bestemmigsplan Buitengebied Weststellingwerf (fig. 8). ..

98