You are on page 1of 19

Verslag aan de Koning 1

CONTOUREN VAN EEN
FEDERAAL REGEERAKKOORD

BART DE WEVER, INFORMATEUR



Verslag aan de Koning 2

Brussel, 25 juni 2014


Sire,

Met het oog op de vorming van een nieuwe federale regering, hebt U mij op 27 mei een
informatieopdracht toevertrouwd. De reikwijdte daarvan werd door U als volgt omschreven: "Een
informatieopdracht om na te gaan onder welke voorwaarden snel een regering tot stand gebracht
kan worden".

Gelet op Uw wens om snel een regering tot stand te zien komen, heb ik in het kader van mijn
opdracht hoofdzakelijk gesprekken gevoerd met vertegenwoordigers van de belangrijkste politieke
partijen. Sedert woensdag 28 mei sprak ik met onder anderen Elio Di Rupo en Paul Magnette (PS),
Charles Michel (MR), Wouter Beke en Kris Peeters (CD&V), Gwendolyn Rutten (Open Vld), Bruno
Tobback (sp.a), Benoît Lutgen (cdH), Wouter Van Besien (Groen), Olivier Deleuze en Emily Hoyos
(Ecolo), Gerolf Annemans (VB), Peter Mertens en David Pestieau (PVDA-PTB), Olivier Maingain (FDF),
Mischaël Modrikamen (PP) en Ben Weyts (N-VA).

Daarnaast had ik contact met de volgende administraties en instellingen, om na te gaan welke
uitdagingen en prioritaire beleidsdoelstellingen zij definiëren voor de nieuwe regering: Nationale
Bank van Belgiê (NBB); Federaal Planbureau; FOD Sociale Zekerheid; FOD Werkgelegenheid, Arbeid
en Sociaal Overleg; FOD Volksgezondheid, Veiligheid van de Voedselketen en Leefmilieu; POD
Maatschappelijke Integratie, Armoedebestrijding, Sociale Economie en Grootstedenbeleid; FOD
Financiën; FOD Budget en Beheerscontrole; FOD Economie, KMO, Middenstand en Energie; POD
Wetenschapsbeleid; FOD Binnenlandse Zaken; FOD Justitie; FOD Buitenlandse Zaken, Buitenlandse
Handel en Ontwikkelingssamenwerking; Ministerie van Defensie; FOD voor Informatie- en
Communicatietechnologie (Fedict); FOD Mobiliteit en Vervoer; FOD Personeel en Organisatie;
Rijksdienst voor Sociale Zekerheid; Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening; Rijksdienst voor Pensioenen;
Sociale Inlichtingen- en Opsporingsdienst; Kruispuntbank voor de Sociale Zekerheid; Rijksinstituut
voor Ziekte- en Invaliditeitsverzekering; Rijksinstituut voor de Sociale Verzekeringen der
Zelfstandigen; Rijksdienst voor Kinderbijslag voor Werknemers; Pensioendienst voor de
Overheidssector; Federaal Agentschap voor de Veiligheid van de Voedselketen; Federaal Agentschap
voor Geneesmiddelen en Gezondheidsproducten; de Federale Politie; Fedasil; Belgacom; Regie der
Gebouwen.

Het verslag van mijn werkzaamheden dat ik U aanbied, begint met een bondige beschrijving van de
sociaaleconomische toestand van ons land. Daarna komen achtereenvolgens de recente Europese
aanbevelingen aan bod en de kernthema’s die, naar ik meen, de basis kunnen zijn voor het beleid van
de te vormen federale sociaaleconomische herstelregering. In een laatste deel trek ik enkele
persoonlijke conclusies.





Bart De Wever
Informateur


Verslag aan de Koning 3


Sociaaleconomische toestand en vooruitzichten


Bijna zes jaar na het begin van de bankencrisis en de daaruit voortvloeiende economische crisis, zijn
de gevolgen ervan voor de reële economie nog steeds zicht- en voelbaar.

Zoals in andere Europese landen, is de economische bedrijvigheid in België vanaf het tweede
kwartaal van 2013 beginnen aan te trekken. Zoals de Nationale Bank er in haar jaarverslag op wijst,
groeide de economie als gevolg van het negatieve overloopeffect van de krimp in 2012 evenwel met
amper 0,2 %. Het herstel was te zwak om voor een opleving van de werkgelegenheid te kunnen
zorgen. Deze laatste slonk met nog eens 11.000 eenheden en aan het einde van het jaar was de
werkloosheidsgraad opgelopen tot 8,4%.

Hoewel België een van de weinige landen van het eurogebied is waar de bedrijvigheid opnieuw het
peil van vóór de crisis heeft bereikt, heeft die crisis sporen nagelaten in het productiepotentieel, de
werkgelegenheid en de overheidsfinanciën. Bovendien, zegt de Nationale Bank nog, wijzen het
verloop van de lopende rekening en van het concurrentievermogen, alsook de lage potentiële groei
op “fragiliteit in het creëren van welvaart”.

Er zijn de laatste jaren pensioen- en arbeidsmarkthervormingen ingeleid en maatregelen genomen
om de mededinging in de netwerkindustrieën te verscherpen en de concurrentiekracht van de
bedrijven te verbeteren. Niettemin blijven volgens de Nationale Bank, in een moeilijke budgettaire
omgeving, de uitdagingen groot en moet de toekomst verder worden voorbereid in een context die,
zelfs zonder de crisis, rekening moet houden met de toenemende mondialisering, de
klimaatverandering en, vooral, de kosten van de vergrijzing die in België bijzonder hoog zijn.

Naast andere belangrijke opdrachten, zoals de voorzetting van de hervorming van justitie en politie,
de verdere bijsturing van het asiel- en migratiebeleid, en het streven naar een meer efficiënte
overheid ten dienste van de burgers en de bedrijven, wachten het op 25 mei verkozen parlement en
de te vormen regering enkele bijzonder grote uitdagingen. Te vermelden zijn onder meer: de
beheersing en vermindering van de arbeids- en energiekosten en, meer algemeen, de noodzaak om
de algehele competitiviteit te versterken; de verhoging van de te lage werkzaamheidsgraad door
meer mensen aan de slag te krijgen; de verlenging van de loopbaan van werknemers en ambtenaren,
waarvan de duurtijd in België significant onder die van andere EU-landen ligt; een versterking van de
koopkracht door de fiscale en parafiscale druk, vooral op arbeid, te verlichten; de vergrijzing met
haar impact op de duurzame financiering van het pensioenstelsel en op de organisatie van een meer
efficiënte en toegankelijke gezondheidszorg; het toenemend armoederisico van kinderen vooral in
(het groeiend aantal) huishoudens met een lage werkintensiteit, en het hoge armoederisico van
eenoudergezinnen en niet-EU-burgers.

Onder invloed van de crisis zijn de sociale uitgaven aanzienlijk gestegen. In 2007 vertegenwoordigden
de uitgaven voor sociale uitkeringen 25,5% van het bruto binnenlands product (bbp), in 2013 was dat
al 26,4%. De houdbaarheid van de sociale bescherming wordt beschreven door de Studiecommissie
voor de Vergrijzing. Voor de periode 2012-2018 bedragen de budgettaire meerkosten 0,8% van het
bbp. Over de periode 2012-2060 wordt de totale meerkost van de vergrijzing geraamd op 5,4% van
het bbp.

De (para)fiscale druk in België bedraagt meer dan 45% van het bbp, het tweede hoogste cijfer in de
EU. België is zowat de kampioen inzake lasten op arbeid; alle internationale instellingen zien dit als

Verslag aan de Koning 4
dé hoofdoorzaak voor onze tanende concurrentiepositie en de achteroplopende jobcreatie in de
private sector. Sinds de Loonnormwet van 1996 is de loonkostenhandicap, ondanks
regeringsmaatregelen, nog verder toegenomen.

Een en ander heeft een negatieve impact op de overheidsrekeningen. België heeft een
begrotingsobjectief goedgekeurd om het structureel tekort te beperken tot -1,4 % van het bbp voor
2014. Dit komt overeen met een nominaal tekort van -2,15 % van het bbp. De budgettaire realiteit
leert echter dat het monitoringcomité en de Europese commissie voor 2014 een tekort van 2,7%
verwachten. Dit terwijl in april nog werd uitgegaan van een begrotingstekort dat zou uitkomen op
2,2%. Hierdoor moet nog dit jaar een verschil van bijna 1,3 miljard euro structureel worden
weggewerkt. Vanaf 2015 zou, volgens het stabiliteitsprogramma, het structureel saldo elk jaar
moeten verbeterd worden met bijkomend 0,7 % van het bbp. Alleen al tegen 2015 moet 5,9 miljard
euro worden bespaard om de begrotingsdoelstellingen te halen.

Nog volgens de Nationale Bank zouden de tekorten voornamelijk – en in 2014 zelfs uitsluitend –
geconcentreerd zijn bij de federale overheid. De sociale zekerheid zou (dankzij de toenemende
alternatieve financiering) in 2014 een licht overschot vertonen, maar vanaf 2015 zou ze ook deficitair
worden. De rekeningen van de Gemeenschappen en Gewesten zouden in 2014 opnieuw in evenwicht
afsluiten, maar in 2015 en 2016 zouden ze bij ongewijzigd beleid tekorten laten optekenen. Dit
laatste is een rechtstreeks gevolg van de zesde staatshervorming die de Gemeenschappen en
Gewesten verantwoordelijk maakt voor een belangrijk deel van de sanering van de
overheidsfinanciën.

De Nationale Bank merkt op dat een “zeer omvangrijk consolidatieprogramma” van 10 miljard euro
vereist is om terug te kunnen aanknopen met een structureel begrotingsevenwicht (13 miljard euro
indien medium-term budgetary objective (MTO) van 0.75% wordt bereikt). Het zal de taak zijn van de
regering om te beslissen over het te volgen begrotingstraject, binnen het kader uitgetekend door en
in nauw overleg met de Europese Unie.

Aanvullend kan verwezen worden naar het Economisch Tijdschrift van de Nationale Bank van juni
2014 waarin wordt opgemerkt:

“Bij ongewijzigde ontvangsten, zou het scenario waarin de nominale uitgaven worden
gestabiliseerd, leiden tot een begrotingssurplus dat aanzienlijk groter zou zijn dan de voor 2017
aanbevolen doelstelling. Daartoe zouden echter maatregelen met een zeer hoog onmiddellijk
rendement moeten worden genomen. Het scenario waarin de uitgaven in reële termen worden
bevroren, zou in 2017 leiden tot een begrotingsevenwicht, wat betekent dat in dit scenario ten
belope van 0,6 % bbp extra ontvangsten zijn vereist.”

In hetzelfde artikel wordt gesteld:

“De gezondmaking van de overheidsfinanciën in België moet in de eerste plaats berusten op
een afremming van de groei van de primaire uitgaven. Deze laatste zijn sedert het begin van
het millennium immers fors gestegen in verhouding tot het bbp. Ze liggen ook hoger dan in de
meeste andere landen van het eurogebied, in het bijzonder wat de sociale uitkeringen, de
bezoldigingen van het overheidspersoneel en de subsidies betreft. (…)
Uitgaven om de arbeidsmarktparticipatie aan te moedigen zijn vanuit dit oogpunt zeer
doeltreffend. Werken ondersteunt immers niet enkel de economie, maar biedt ook de beste
garantie tegen armoede en sociale uitsluiting. De investeringen en de uitgaven voor onderzoek,
waarvoor België internationaal gezien niet goed scoort, moeten dan weer maximaal worden
gevrijwaard en zelfs, zo mogelijk, worden gestimuleerd vanwege hun nut voor het
groeipotentieel.

Verslag aan de Koning 5
Ten slotte dienen die inspanningen te worden aangevuld met hervormingen van de
pensioenstelsels waarbij de gemiddelde loopbaanduur verder wordt verlengd. Gelet op de
vertraging waarmee die hervormingen zich doen gevoelen, zouden ze best zo snel mogelijk
worden uitgetekend en goedgekeurd. Tevens dienen maatregelen te worden genomen om de
toename van de uitgaven voor gezondheidszorg onder controle te houden. Enkel op deze
manier kan het stelsel van sociale bescherming zowel adequaat als betaalbaar worden
gehouden.”

Ten slotte is er de overheidsschuld. Na een onafgebroken daling sinds 1993, tot 84,2% in 2007, nam
de schuld vanaf 2008 opnieuw toe. De schuldgraad zou, zonder rekening te houden met de aan de
gang zijnde herkwalificatie door Eurostat, volgens de NBB in 2014 groeien tot 101,7% bbp en zou
verder blijven stijgen tot 101,9% bbp in 2015. In 2016 zou ze zeer licht teruglopen tot 101,5% bbp.



Verslag aan de Koning 6


Europese aanbevelingen


Het beleid in ons land wordt in belangrijke en toenemende mate bepaald door de Europese Unie. Het
past dan ook te verwijzen naar de aanbevelingen dd. 7 juni 2014 van de Raad over het nationale
Hervormingsprogramma 2014 en over het Stabiliteitsprogramma 2014. Daarin wordt aanbevolen dat
ons land in de periode 2014-2015 actie onderneemt om:

“1. Na het corrigeren van het buitensporige tekort, krachtigere begrotingsmaatregelen voor
2014 te nemen gelet op het zich aftekenende verschil van 0,5% van het bbp op basis van de
voorjaarsprognose 2014 van de Commissie die wijst op het gevaar van aanzienlijke afwijking
ten opzichte van de stabiliteits- en groeipactverplichtingen. In 2015 de begrotingsstrategie die
de vereiste aanpassing van 0,6% van het bbp in de richting van de
middellangetermijndoelstelling moet waarborgen, waarmee ook aan de schuldregel zou
worden voldaan, aanzienlijk te versterken. Daarna, totdat de middellangetermijndoelstelling is
verwezenlijkt, de voorgenomen jaarlijkse structurele aanpassing in de richting van de
middellangetermijndoelstelling voort te zetten, overeenkomstig het vereiste van een jaarlijkse
structurele aanpassing van ten minste 0,5% van het bbp, en een grotere aanpassing te
realiseren als de economische omstandigheden meezitten of zulks nodig is om aan de
schuldregel te voldoen, teneinde de hoge schuldquote van de overheid op een duurzaam
neerwaarts traject te brengen. Te zorgen voor een evenwichtige bijdrage van alle
bestuursniveaus aan het nakomen van de begrotingsregels, met inbegrip van de regel inzake
structureel begrotingsevenwicht, door middel van een bindend instrument waarvan een
uitdrukkelijke uitsplitsing van de doelstellingen in een planningperspectief op middellange
termijn deel uitmaakt.

2. Het belastingsysteem in zijn geheel evenwichtiger en billijker te maken en in te zetten op een
grootschalige fiscale hervorming die gericht is op het verlichten van de belastingdruk op arbeid,
het vereenvoudigen van het systeem als geheel, het efficiënter maken van de btw, het
verruimen van de belastinggrondslagen, het verminderen van het aantal aftrekmogelijkheden,
het dichten van achterpoortjes in de wetgeving en het geleidelijk laten uitdoven van subsidies
met schadelijke milieugevolgen.

3. De toekomstige stijging van de overheidsuitgaven in verband met de vergrijzing, met name
voor pensioenen en langdurige zorg, te beheersen door meer inspanningen te leveren om de
kloof tussen de werkelijke en de wettelijke pensioenleeftijd te verkleinen, de mogelijkheden om
vroeger met pensioen te gaan vervroegd af te bouwen, actief ouder worden te bevorderen, de
wettelijke pensioenleeftijd en de duur van de loopbaan aan te passen aan de ontwikkeling van
de levensverwachting, en de langdurige institutionele zorg kostenefficiënter te maken.

4. De arbeidsmarktparticipatie te verhogen, met name door de negatieve financiële prikkels om
te gaan werken te beperken, de toegang tot de arbeidsmarkt te bevorderen voor outsiders
zoals jongeren en personen met een migratieachtergrond, de beroepsmobiliteit te vergroten,
en discrepanties tussen aangeboden en gevraagde vaardigheden en het probleem van
vroegtijdig schoolverlaten aan te pakken. Overal in het land de partnerschappen tussen de
overheid, openbare arbeidsbemiddelingsdiensten en onderwijsinstellingen te versterken om in
een vroeg stadium gepersonaliseerde bijstand aan jongeren te verlenen.


Verslag aan de Koning 7
5. Het concurrentievermogen te herstellen door de hervorming van het
loonvormingsmechanisme, met inbegrip van de loonindexering, voort te zetten in overleg met
de sociale partners en conform de nationale praktijken, om ervoor te zorgen dat de
loonevolutie aansluit bij de productiviteitsontwikkelingen op sectoraal en/of bedrijfsniveau en
bij de economische toestand, en voorziet in daadwerkelijke automatische correcties waar zulks
nodig is; door de mededinging te versterken in de detailhandelssectoren, excessieve
beperkingen op het verlenen van diensten, met inbegrip van professionele diensten, te
elimineren en het gevaar van verdere stijgingen van de energiedistributiekosten in te dijken;
door innovatie te stimuleren via geharmoniseerde steunregelingen en minder administratieve
barrières; en door een gecoördineerd onderwijs- en opleidingsbeleid te voeren dat de
hardnekkige discrepanties tussen aangeboden en gevraagde vaardigheden en de regionale
verschillen inzake vroegtijdig schoolverlaten aanpakt.

6. Het nodige te doen om de 2020-doelstellingen voor het terugdringen van de emissies van
broeikasgassen van niet-ETS-activiteiten, in het bijzonder van gebouwen en het vervoer, te
halen. Erop toe te zien dat de bijdrage die van het vervoer moet komen, aansluit bij de
doelstelling om de verkeerscongestie te verminderen. Duidelijke afspraken te maken over de
verdeling van de inspanningen en lasten tussen de federale en de regionale entiteiten.”

De nieuwe regering dient uitvoering te geven aan deze Europese aanbevelingen.

Verslag aan de Koning 8


Prioritaire principes op basis waarvan een federale regering kan gevormd worden


Uit alle beschikbare cijfers en parameters blijkt dat onze welvaart en ons welzijn onder druk staan en
dat de sociaaleconomische realiteit ons dwingt om ernstige en structurele maatregelen te nemen.
Dat bleek onlangs opnieuw met de aankondiging van de saneringsplannen bij de winkelketen
Delhaize.

Ons land heeft nood aan een krachtig sociaaleconomisch herstelbeleid om de overheidsfinanciën
grondig te saneren en de begroting opnieuw in evenwicht te brengen, teneinde terug economische
groei mogelijk te maken en onze sociale zekerheid ook op lange termijn veilig te kunnen stellen.
Ambitieuze maatregelen zijn niet alleen nodig, maar zijn ook haalbaar. De verkiezingsvrije periode tot
de zomer van 2019 – afgezien van de gemeente- en provincieraadsverkiezingen van oktober 2018 –
biedt een window of opportunity om dergelijke ambitieuze maatregelen te nemen.

De sociaaleconomische uitdagingen kunnen worden samengevat in tien algemene principes en
doelstellingen, die de basis kunnen vormen van een federaal regeerakkoord. Over deze algemene
principes blijkt een consensus te bestaan en is er voldoende convergentie om in een volgende fase
na te gaan in welke mate verdere overeenstemming te vinden is. Deze principes zijn al vermeld in het
voortgangsrapport dat ik U op dinsdag 17 juni heb voorgelegd.

Om ons sociaaleconomisch model, met zijn hoge graad van welvaart en welzijn, te kunnen veilig
stellen, moeten meer mensen aan de slag en moeten we ook langer werken. Bijgevolg is het
noodzakelijk om:

1. De werkzaamheidsgraad te verhogen
2. De koopkracht te vrijwaren

Deze twee doelstellingen zullen we enkele kunnen realiseren wanneer de economie opnieuw kan
groeien en er meer jobs worden gecreëerd. Bijgevolg moet de focus ook liggen op:

3. De competitiviteit versterken
4. Een toekomstgericht klimaat- en energiebeleid voeren

De uiteindelijke doelstelling van het sociaaleconomisch herstelbeleid is niet enkel onze welvaart
verhogen, maar ook en bovenal ons welzijn garanderen. Hervormingen zijn in de eerste plaats dus
nodig om:

5. De sociale zekerheid veilig te stellen
6. De armoede aan te pakken

Om een duurzaam herstelbeleid te garanderen en ook de toekomst van onze (klein)kinderen veilig te
stellen, is het noodzakelijk de overheidsfinanciën gezond te maken en te houden:

7. Begroting op orde binnen een Europese context

Naast deze belangrijke sociaaleconomische prioriteiten, zijn er drie beleidsdomeinen die een
bijzondere aandacht verdienen, gelet op hun specifiek maatschappelijk belang:


Verslag aan de Koning 9
8. Een veilige en rechtvaardige samenleving (politie, justitie)
9. Het samen-leven versterken (migratie)
10. Efficiënt(er) bestuur

In deze nota licht ik de tien doelstellingen waarover convergentie bestaat nader toe. Daarbij worden
tegelijk mogelijke wegen en instrumenten aangegeven die tot de realisatie van die doelstellingen
kunnen bijdragen. Deze instrumenten zijn tijdens mijn informatieopdracht voorgesteld door één of
meer gesprekspartners en zouden het onderwerp kunnen vormen van de eigenlijke
coalitieonderhandelingen.


1. WERKZAAMHEIDSGRAAD VERHOGEN

Ons land staat voor de dwingende opdracht om de werkzaamheidsgraad, in het bijzonder in de
private sector, te verhogen. Dat betekent niet alleen dat meer mensen aan het werk moeten, maar
ook dat de mensen langer zullen moeten werken.

Een verlenging van de reële beroepsloopbaan is immers een absolute voorwaarde om, in het licht
van de vergrijzing, de duurzame financiering van de pensioenen en de gezondheidszorg te
verzekeren. Een hogere werkzaamheidsgraad is niet enkel nodig ter wille van een solide sociale
zekerheid, werken verhoogt de eigenwaarde en het zelfvertrouwen van een persoon en is de beste
garantie om uit de armoede weg te raken en te blijven.

Daarbij kan worden gewerkt op één of meer van volgende sporen:

1.1. Een ander loopbaanmodel: flexibele arbeidsmarkt, werkbaar werk,…

Om een loopbaanverlenging te realiseren, zal een ander loopbaanmodel ontwikkeld moeten worden,
zodat we werk, gezin en zorg beter op elkaar kunnen afstemmen. In dit kader zouden onder meer
volgende elementen het voorwerp kunnen uitmaken van coalitieonderhandelingen:

- De tijdspaarrekening, de werkrekening of het ‘rugzakje’: een systeem waarin werknemers tijd
en/of geld kunnen opsparen. Ze kunnen die tijd en/of dat geld gebruiken om hun loopbaan
tijdelijk te onderbreken, om een periode tussen twee jobs te overbruggen (aanvulling op de
werkloosheidsuitkering), om het wettelijk pensioen aan te vullen.

- Een meer flexibele arbeidsmarkt, met onder meer een hogere mobiliteit tussen de publieke
en private sector, mogelijkheden voor telewerk,….

- Een verloning die meer dan vandaag aansluit op de competenties en minder gebaseerd is op
leeftijd of anciënniteit.

- Maatregelen om levenslang leren aan te moedigen en stages tijdens en na de schoolse
opleiding, met respect voor de bevoegdheid en verantwoordelijkheid van de deelstaten.

1.2. Een versterkte activering van werkzoekenden

Het activeringsbeleid moet worden voortgezet en versterkt. Onder meer volgende elementen
kunnen in dit kader worden besproken:

- De werkloosheidsverzekering moet meer dan vandaag een échte verzekering zijn tegen het
inkomensverlies bij ontslag. Tegelijk moeten we de betrokkenen aanzetten om werk te

Verslag aan de Koning 10
zoeken en te aanvaarden, waarbij in eerste instantie de werkloosheidsval moet worden
aangepakt.

- Tegelijk maakt het beleid de omslag naar een versterkte investering in de activering van,
controle op en, waar nodig, sancties ten aanzien van werkzoekenden. In dat verband wijzen
verschillende gesprekspartners op de nieuwe bevoegdheid die de Gewesten op dit vlak
hebben verworven met de zesde staatshervorming.

- Wie ondanks een intensieve activering langdurig werkloos blijft, kampt doorgaans met een
aantal andere problemen die de stap naar betaalde arbeid onmogelijk maken. Het huidige
systeem leidt ertoe dat die mensen niet langer betrokken blijven bij de arbeidsmarkt, sociaal
geïsoleerd raken en hun eigenwaarde verliezen. In het kader van de
coalitieonderhandelingen zal worden nagegaan onder welke voorwaarden de plicht om
gemeenschapsdienst te verrichten dat zou kunnen verhelpen.

- De impact van de activerende prikkel die door de vorige regering werd ingevoerd in de vorm
van een sterkere degressiviteit van de werkloosheidsuitkering kan verder worden bestudeerd
en geëvalueerd. Daarbij wordt ook nagegaan in welke mate de ‘werkloosheidsval’ wordt
tegengegaan.

1.3. Vervroegde uittrede ontmoedigen

We moeten onze sociale zekerheid garanderen in het licht van de toenemende kosten van de
vergrijzing. Daarom is het van essentieel belang om de komende jaren meer mensen langer aan het
werk te krijgen en te houden.

- In dit kader is het absoluut noodzakelijk dat de federale regering een akkoord sluit over een
structurele pensioenhervorming, en hierover ook in overleg treedt met de sociale partners.
Het recente rapport van de Commissie Pensioenhervorming 2020-2040 biedt hiervoor een
belangrijke wetenschappelijke basis.


2. KOOPKRACHT VRIJWAREN

Meer dan vandaag, moet wie werkt en spaart daarvoor aangemoedigd worden en daar de vruchten
van kunnen plukken. Ter zake kunnen onder meer volgende suggesties besproken worden:

- We kunnen de prikkel om te werken verhogen door werken meer lonend te maken en, dus,
door de marginale en gemiddelde belastingdruk (werknemersbijdragen en
personenbelasting) op bruto arbeidsinkomens te verminderen. Bijzondere aandacht kan
worden besteed aan middelen om de koopkracht te verhogen voor mensen met een laag of
gemiddeld loon. Daarbij moet er over gewaakt worden dat dergelijke maatregelen geen
impact hebben op de loonkosten. Cruciaal is dat de werkloosheidsval wordt aangepakt en elk
gewerkt uur ook effectief lonend wordt gemaakt. Voorstellen die in dit verband door de
gesprekspartners worden geformuleerd zijn onder meer het werken via de belastingvrije
som, een sociale werkbonus, het verlagen van bepaalde tarieven in de personenbelasting,
het gelimiteerd vrijstellen van belastingen voor bepaalde lonen,…

- De roerende voorheffing op kapitaalinkomsten is weinig overzichtelijk en samenhangend.
Een harmonisering van de tarieven en van de belastbare grondslag dringt zich op. De fiscale
vrijstelling voor spaarboekjes kan behouden blijven. Door de vrijstelling voor inkomsten uit
sparen te veralgemenen, kunnen we rechtszekerheid bieden en het spaargeld “activeren”

Verslag aan de Koning 11
zodat het zijn weg kan vinden naar ondernemingen en naar waardevolle maatschappelijke
projecten.

- Burgers hebben recht op een eenvoudige en rechtszekere fiscaliteit. Een fiscaal pact lijkt
daarvoor een geschikt instrument.


3. COMPETITIVITEIT VERSTERKEN

De concurrentiekracht van België staat onder druk. Vooral de hoge loonkosten tasten onze
concurrentiepositie aan. Ook de energieprijzen en de bedrijfsbelastingen zijn, in internationaal
perspectief, hoog.

De vraag naar een sterk en proactief beleid vanwege de Belgische federale regering met als doel de
competitiviteit te herstellen, de publieke financiën veilig te stellen en het investeringsklimaat
structureel te verbeteren, weerklonk opnieuw toen de Europese Centrale Bank (ECB) onlangs
negatieve depositorentes invoerde.

De nieuwe federale regering moet het autonome groeivermogen van de Belgische
economie versterken. Enkel door de algehele competitiviteit van onze ondernemingen te versterken
en te bewaken, kunnen we de voor ons land belangrijke exportpositie behouden en verbeteren, de
werkgelegenheid optrekken en onze welvaart en ons welzijn veilig stellen.

De hieronder opgelijste maatregelen kunnen inspirerend zijn voor het te voeren beleid.

3.1. Wegwerken loonkostenhandicap

Ook sinds de inwerkingtreding van de wet van 26 juli 1996 tot bevordering van de werkgelegenheid
en tot preventieve vrijwaring van de concurrentiekracht, zijn de gemiddelde loonkosten blijven
stijgen in verhouding tot onze drie belangrijkste handelspartners (Nederland, Frankrijk en Duitsland).

Om de loonkostenhandicap op korte termijn weg te werken en een nieuwe ontsporing in de
toekomst te vermijden, zouden onder meer volgende maatregelen verder besproken kunnen worden
tijdens coalitieonderhandelingen:

- Het deel van de loonkostenhandicap dat er is bijgekomen sinds 1996 (ca. +4%), moet zo
spoedig mogelijk tijdens deze legislatuur worden weggewerkt. Dit gebeurt door uitvoering
van de reeds genomen beslissingen vervat in het concurrentiepact en bijkomende
soortgelijke maatregelen (bv. verdere loonmatiging). Daarnaast zal er in een gelijkaardige
grootteorde een inspanning geleverd worden via een hervorming van het
indexeringsmechanisme, bijvoorbeeld via maatregelen in een logica van de hervormingen die
de laatste jaren werden doorgevoerd. Dergelijke hervormingen kunnen niet los gezien
worden van de mate waarin en de manier waarop de koopkracht van lonen gegarandeerd
kan worden, met specifieke aandacht voor de laagste inkomenscategorieën (zie voorstellen
met betrekking tot het vrijwaren van de koopkracht). Tevens moet er oog zijn voor het
verbeteren van onze competitiviteit.

- De aanpassing van de Wet van 1996. Deze wet schrijft een bijsturing voor wanneer de
loonkostenontwikkeling in ons land hoger is dan in de referentielanden. Wanneer de wet
haar geloofwaardigheid niet wil verliezen, is een correctie onvermijdelijk (m.n.
afdwingbaarheid garanderen, preciezere internationale vergelijkingsbasis vaststellen).


Verslag aan de Koning 12
3.2. Fiscaal pact met de ondernemingen

Volgende maatregelen kunnen bijdragen aan een eenvoudige, competitieve en rechtszekere
ondernemingsfiscaliteit als middel om een stabieler investeringsklimaat te garanderen. Zij kunnen
aan bod komen in de te voeren coalitiebesprekingen:

- Een grondige vereenvoudiging en harmonisering van de verschillende fiscale procedures.
Deze procedures moeten de administratieve last voor de belastingbetalers drastisch
verlichten en tevens afgestemd zijn op de nieuwe benadering vanuit de administratie:
digitaal en gericht op doelgroepen in plaats van op soort belasting.

- Gelet op de omvang van de "zwarte" en "grijze" economie en de niet te ontkennen
ontwijking en ontduiking van belastingen, is er een unaniem verlangen om de fiscale en
sociale fraude en sociale dumping efficiënt te bestrijden. Binnen de context van een
algemeen fiscaal en sociaal pact is het wenselijk te expliciteren dat wetgeving en controles er
moeten zijn voor iedereen, zonder onderscheid. Tegelijk moeten echter zinloze controles
worden vermeden. Zo zouden inspectiediensten zich in de eerste plaats meer als partner van
de ondernemingen kunnen opstellen, zeker wanneer er sprake is van een eerste overtreding.

- Voor een budgetneutrale hervorming van de notionele intrestaftrek zouden volgende
alternatieven in aanmerking kunnen worden genomen, erover wakend dat de hervorming
onze positie als “hub” voor internationale investeringen niet mag hypothekeren: behoud in
grote lijnen van het stelsel, maar bestrijden van oneigenlijk gebruik en misbruik; dan wel een
algehele uitdoving en de aanwending van de vrijgekomen middelen om de bedrijven op een
andere manier te ondersteunen, m.n. door een (sterk) verlaagd tarief van
vennootschapsbelasting, al dan niet met een mogelijke focus op KMO’s. Aanvullend kunnen
maatregelen worden genomen opdat ons land een aantrekkelijke locatie zou blijven voor
onderzoekscentra, hoofdkwartieren, financieringscentra en andere belangrijke
beslissingscentra.

- Het terugdraaien van,bijvoorbeeld, de verhoogde liquidatiebonus van 10 naar 25%, de
buitensporige ‘309%-boetes’, de belastingverhoging voor ‘voordelen van alle aard’.

3.3. Een modern economisch beleid

Een nog krachtiger beleid moet de productiviteit verhogen en ons industrieel weefsel vernieuwen.
Voor de competitiviteit van een bedrijf zijn immers niet alleen de loonkosten van belang, maar ook
de ontwikkeling van producten en diensten, de zoektocht naar nieuwe afzetmarkten en de
gecreëerde meerwaarde.

Bij coalitiebesprekingen zouden bijvoorbeeld volgende elementen aan bod kunnen komen:

- Met een modern economisch beleid kunnen we ons economisch (vooral industrieel) weefsel
versterken, de concurrentie aanwakkeren, toegang tot de markt bevorderen, en
consumenten verzekeren dat ze kwalitatieve producten kunnen genieten.

- Een belangrijke rol is ook weggelegd voor de Gewesten en Gemeenschappen, die over de
bevoegdheden en instrumenten met betrekking tot innovatie, onderwijs en vorming
beschikken. Een gericht innovatiebeleid moet de soms matige prestaties inzake productmix
van onze bedrijven opkrikken. Ook onderwijs, vorming en opleiding kunnen bijdragen aan
een verhoging van de kwaliteit en een versterking van de concurrentie van onze
economische productie.

Verslag aan de Koning 13


4. TOEKOMSTGERICHT KLIMAAT- EN ENERGIEBELEID

Ter wille van de bevoorradingszekerheid en uit milieuoverwegingen moet worden gestreefd naar een
realistische, betaalbare en duurzame energiemix, die er toe bijdraagt de gevolgen van o.m. vervuiling
en overconsumptie op ons klimaat in te perken. Daarbij kunnen volgende aandachtspunten naar
voren worden geschoven die als basis kunnen dienen voor verdere gesprekken:

- Het beleid zou voldoende, zekere en betaalbare elektriciteit en verwarming moeten kunnen
garanderen voor de gezinnen en de bedrijven. Voorstellen die ter zake circuleren zijn onder
meer het inzetten op een meer transparante energiefactuur voor de eindconsument; een
verdergaande vrijmaking van de energiemarkt; de nood aan een stabiel investeringsklimaat
dat potentiële exploitanten aanzet om hun investeringen in nieuwe productiecapaciteit in
ons land te plaatsen; het bestuderen op welke termijn de nucleaire uitstap gerealiseerd kan
worden in functie van bevoorradingszekerheid en van de energieprijs; en de invoering van
een “energienorm” zodat een internationale vergelijking van de prijzen mogelijk wordt (cfr.
logica van de “loonnorm” in de wet van 1996).

- België moet als loyale partner meewerken aan de uitvoering van de EU-klimaatdoelstellingen
in het kader van de EU2020-strategie. In dat opzicht is bijvoorbeeld te wijzen op het belang
van energie-efficiëntie, op de wens hernieuwbare energiebronnen te stimuleren en op de
mogelijkheid om lasten op arbeid te verschuiven naar lasten op milieuvervuiling.


5. SOCIALE ZEKERHEID VEILIG STELLEN

Onze sociale bescherming is verworden tot een complex geheel, een vereenvoudiging van het
systeem dringt zich op. Dat is ook nodig om op een meer adequate wijze te kunnen omgaan met de
uitdagingen waarvoor onze samenleving staat (globalisering, informatisering, individualisering,
duurzame ontwikkeling,…).

Bij de vrijwaring van de sociale bescherming die ons land gaandeweg heeft uitgebouwd, moet de
aandacht vooral gaan naar de pensioenen, de gezondheidszorg en de aanpak van armoede. Volgende
denksporen kunnen verder besproken komen:

5.1. Pensioenen structureel garanderen

- Met het oog op een duurzame financiering van de eerste pijler (het wettelijk pensioen), zal
de nieuw te vormen regering de begonnen hervorming van onze pensioenstelsels moeten
voortzetten en voltooien, zodat de uitbetaling van de pensioenen ook in de toekomst
verzekerd kan worden. In dit kader is het absoluut noodzakelijk dat de federale regering een
akkoord sluit over een structurele pensioenhervorming, en hierover ook in overleg treedt
met de sociale partners. Het rapport van de Commissie Pensioenhervorming 2020-2040 biedt
hiervoor een belangrijke wetenschappelijke basis.

5.2. Toegankelijke en betaalbare gezondheidszorg op topniveau

Doelstelling van elk federaal beleid moet zijn om een betaalbare en toegankelijke gezondheidszorg
op topniveau te garanderen, ook op lange termijn. Om die doelstelling te realiseren, kunnen één of
meer van volgende wegen bewandeld worden:


Verslag aan de Koning 14
- Verdere hervormingen zouden moeten worden doorgevoerd waarbij tal van processen van
bedrijfsvoering worden gewijzigd teneinde de budgettaire groeinorm meer in lijn te brengen
met de reële economische groei en met de reële noden (zie punt 7.1. Besparingen hieronder)

- In het bijzonder zullen daarbij volgende elementen aanbod komen: een modernisering van
de financiering van ziekenhuizen (onder meer om medische overconsumptie tegen te gaan)
en een optimalisering van het aanbod ziekenhuisdiensten, alsook een grotere
responsabilisering van de betrokken actoren (zorgverleners, instellingen, ziekenfondsen,
geneesheren en patiënten).


6. ARMOEDE AANPAKKEN

- Een ruime consensus blijkt te bestaan over de wenselijkheid de sociale uitkeringen te
herwaarderen op het niveau van de Europese armoedegrens (60% van het equivalent
mediaan inkomen). Daarbij dienen de sociale voordelen die met die vervangingsinkomens
samengaan in aanmerking te worden genomen om op termijn de drempel van het
armoederisico te bereiken. Verschillende gesprekspartners geven aan dat het wenselijk is de
beschikbare middelen bij voorrang, zo niet uitsluitend, aan te wenden om de laagste
pensioenen op te trekken, zowel bij werknemers als bij zelfstandigen. Bij het optrekken van
het leefloon dient aandacht te worden besteed aan het vermijden van inactiviteitsvallen en
dient er dus te worden op toegezien dat in het kader van het gehele regeringsbeleid het
verschil tussen vervangingsinkomen en arbeidsinkomen niet kleiner wordt.

- Andere aandachtspunten zijn: de automatische toekenning van rechten, het garanderen van
een automatische indexering van de uitkeringen, …


7. BEGROTING OP ORDE BINNEN EEN EUROPESE CONTEXT

Het moet duidelijk zijn dat we voor een sanering van de overheidsfinanciën staan die haar weerga
niet kent. Tegelijk zullen we, conform de aanbeveling van de Europese Commissie, moeten blijven
investeren in groeistimulerende maatregelen. Daarbij zou in de coalitieonderhandelingen vertrokken
kunnen worden van volgende vijf basisprincipes:

(1) We moeten prioritair saneren door de uitgaven te beheersen en door maximaal in te
zetten op groei-ondersteunende uitgaven. Zo kunnen we tegelijk het deficit verminderen;

(2) We dienen te kiezen voor een globale verlichting van de (para)fiscale druk, zeker op
werken en ondernemen;

(3) De sociaaleconomische realiteit dwingt ons tot structurele maatregelen, zeker ook gelet
op het feit dat een groot deel van het tekort van structurele aard is. Daarbij zullen eenmalige
maatregelen zoveel als mogelijk vermeden worden;

(4) Het herstelbeleid wordt verder uitgetekend binnen het kader van de hierboven
geciteerde Europese aanbevelingen. De nieuwe regering zal, in overleg met de Europese
Unie, de doelstellingen van het Stabiliteitsprogramma moeten herdefiniëren rekening
houdende met het Europese saneringspad (in 2015: 0.6% bbp besparen, en vervolgens
minstens 0.50% structureel per jaar tot de medium-term budgetary objective (MTO) bereikt
is). Bovendien dient de schuldratio te evolueren zoals gevraagd door Europa;


Verslag aan de Koning 15
(5) De onderscheiden beleidsniveaus nemen verantwoordelijkheid voor de impact van het
eigen beleid. De lasten worden gedragen door de overheid die ze instelt; evenzeer komen de
lusten van het eigen beleid het betrokken bestuursniveau toe. Zo dient de federale overheid
de steden en gemeenten te compenseren wanneer deze ingevolge federaal beleid extra
taken moeten opnemen.

Tegen deze achtergrond is het van groot belang dat het totale pakket maatregelen evenwichtig
wordt samengesteld, dat geen enkel domein wordt ontzien en dat de inspanningen op een sociaal
rechtvaardige wijze over de bevolking gespreid worden. Belangrijk daarbij is dat ook de uitgaven van
de sociale zekerheid onder controle worden gebracht. Deze maken meer dan 75% uit van de primaire
uitgaven van Entiteit I (de federale overheid en de sociale zekerheid). Indien deze buiten
beschouwing worden gelaten, is de besparingsinspanning die door de EU is vastgelegd, niet
realiseerbaar.

Het verdient aanbeveling om tijdens de coalitieonderhandelingen een meerjarenplan voor de
gezondmaking van de overheidsfinanciën op te stellen. Dat meerjarenplan zal een pakket
geloofwaardige maatregelen moeten bevatten. Indien dat niet het geval is, moet worden gevreesd
voor een aantasting van onze groei en concurrentiekracht, alsook voor negatieve reacties van de
financiële markten die de kredietwaardigheid van ons land in het gedrang zouden kunnen brengen,
met alle nefaste gevolgen van dien.

7.1. Besparingen

Met het oog op de beheersing en vermindering van de overheidsuitgaven kan verder worden
gebouwd op volgende, niet-exhaustieve lijst van maatregelen:

- De federale overheid kan en moet efficiënter werken. Dat wil zeggen: een betere
dienstverlening verstrekken tegen een lagere kostprijs. Een substantieel deel van de
efficiëntiewinst kan worden gerealiseerd door een selectief personeelsbeleid. Om met
minder personeel een betere dienstverlening te verzorgen, zal in heel wat domeinen de
wetgeving moeten worden vereenvoudigd. De sociale rechtvaardigheid moet blijken uit de
structuur van het beleid en niet uit zijn detail. Het spreekt vanzelf dat de politieke
instellingen bij dit alles het voorbeeld geven.

- Bij het uittekenen van een budgettair traject voor de gezondheidszorg dient verder
onderzocht te worden hoe een beter evenwicht kan worden gerealiseerd tussen de noden en
de economische groei. Belangrijke besparingen zijn mogelijk, waarbij de patiënt maximaal
moet worden ontzien. Enkele ideeën die in dit verband circuleren, kunnen als volgt worden
samengevat: de groeinorm wordt verminderd; na sanering groeit de gezondheidsbegroting in
een tempo dat de draagkracht van de economie en de reële noden in rekening neemt.

Besparingen in de gezondheidszorg kunnen worden gerealiseerd door onder meer: alle
actoren te responsabiliseren; de overconsumptie en misbruiken te bestrijden; opvallende
verschillen in medische praktijkvoering en in de behandeling van aandoeningen weg te
werken; goedkopere geneesmiddelen te gebruiken en/of de prijs van geneesmiddelen te
drukken; het financieringsstelsel van de ziekenhuizen te herzien; de administratieve lasten
voor artsen en medisch personeel te verminderen; de eerstelijnsgeneeskunde te versterken;
meer in te zetten op preventie (gezondheid in plaats van gezondheidszorg);…

- Andere besparingsmogelijkheden in de sociale zekerheid hangen onlosmakelijk samen met
het passief arbeidsmarktbeleid, meer bepaald het verhogen van de werkzaamheidsgraad (cfr.
supra).

Verslag aan de Koning 16

7.2. Ontvangsten

Wat de vraag naar de ontvangsten betreft, kunnen volgende punten de basis vormen van de te
voeren onderhandelingen:

- Zoals eerder in deze nota vermeld, dienen we te kiezen voor een verlichting van de globale
(para)fiscale druk. Daarbij is zeker een verlichting van de fiscale en parafiscale lasten op
arbeid en ondernemen absoluut noodzakelijk. Elk uur werken moet lonend zijn en
ondernemen moet worden beloond.

- Een lastenverschuiving (tax shift) is mogelijk, waarbij de indirecte en/of andere belastingen
zouden kunnen worden verhoogd. Een dergelijke lastenverschuiving moet uiteraard een
werkelijke verschuiving zijn om de lasten op arbeid te verminderen en kan dus geen
verhoging van de algemene belastingdruk inhouden. Met betrekking tot de belasting op
consumptie laat een internationale vergelijking een beperkte ruimte zien om de opbrengst
van de btw en accijnzen te verhogen en nauwer te laten aansluiten bij andere Europese
landen. Een mogelijk spoor is dat van gedragsturende verhogingen. Bij een eventuele
verhoging van de btw mag de weerslag ervan op het indexcijfer van de consumptieprijzen, en
bijgevolg op de loonevolutie, niet uit het oog worden verloren.

Wat de belasting op vermogen en kapitaal betreft, is op te merken dat België al een hoge
vermogensbelasting heeft, in de vorm van onroerende voorheffing, registratierechten en
successierechten. Ook is er het risico op delokalisatie van de belastbare grondslag. Sommige
gesprekspartners willen de mogelijkheid onderzoeken om speculatieve meerwaarden hoger
te belasten.

7.3. Budgetbeheer

Met het oog op een verdere responsabilisering kan, binnen de afgesproken meerjarenbegroting, het
model van de enveloppefinanciering een interessant instrument zijn waarover verder onderhandeld
kan worden.

Daarbij wordt een enveloppe bepaald aan de hand van de door de regering te beslissen inspanningen
die verder worden geconcretiseerd in duidelijke en becijferde afspraken omtrent opdrachten,
middelen en opvolging. De bestuursovereenkomst geeft hieraan een zekere uitdrukking. Dit kan in de
praktijk worden ingevoerd voor de federale overheidsdiensten en zou, waar mogelijk, ook kunnen
gelden voor bepaalde instellingen van openbaar nut.

Dit instrument creëert ruimte voor beheersautonomie en laat een grotere responsabilisering van de
verantwoordelijken toe. Dergelijke hervorming dient samen te gaan met een aangepaste
rapportering, met een duidelijke procedure waarbij leidinggevenden verantwoording afleggen,
gesteund op een uitgebouwde interne controle met een interne audit, en met een grondige
beleidscontrole van output en outcome.

* *
*

Naast deze zeven belangrijke sociaaleconomische prioriteiten, zijn er drie beleidsdomeinen die een
bijzondere aandacht verdienen gelet op hun specifiek maatschappelijk belang. Deze domeinen
worden hierna behandeld.


Verslag aan de Koning 17

8. EEN VEILIGE EN RECHTVAARDIGE SAMENLEVING (POLITIE, JUSTITIE)

Om een veilige en meer rechtvaardige samenleving mogelijk te maken, zal de volgende regering het
beleid inzake politie en justitie verder moeten hervormen.

Op het vlak van de veiligheid zijn volgende maatregelen te overwegen:

- Preventie dient het uitgangspunt te blijven voor het veiligheidsbeleid. De strategische
veiligheids- en preventieplannen zouden verder gebruikt kunnen worden als impuls voor
lokale acties ter voorkoming van criminaliteit, overlast en onveiligheid.

- De organisatie, taken en methoden van de geïntegreerde politie, inlichtingen- en
veiligheidsdiensten, de private sector en hun controlerende instanties zouden verder kunnen
worden afgelijnd en geoptimaliseerd. Privacy blijft hierbij een centrale bekommernis.

- Terrorisme en radicalisme vallen nog efficiënter te bestrijden onder meer door een betere
informatiebeheersing binnen de politie; door een vereenvoudiging van de informatie-
uitwisseling tussen de Dienst Vreemdelingenzaken en zijn partners (waaronder politie en
justitie), en een hogere betrokkenheid van de lokale besturen met o.m. samenwerking en
steun voor de steden waar deze problemen zich centraliseren; door een betere coördinatie
van de (preventieve) maatregelen met betrekking tot gewelddadige radicalisering; en door
de integriteit van identiteitsgegevens te verhogen, bvb. via het ontwikkelen van een
biometrisch paspoort en het verbeteren van de documenten van vreemdelingen.

- De nieuwe hulpverleningszones kunnen worden geoperationaliseerd. De positie van de
civiele bescherming in dit geheel is aan evaluatie toe. De opleidingen zouden kunnen worden
hervormd en de interventieprocedures gestandaardiseerd. De nodige maatregelen kunnen
worden genomen opdat de vrijwillige brandweerlieden hun engagement kunnen combineren
met werk en gezin. Ook kan de performantie en dienstverlening door de noodoproepcentra
112 beter en is het mogelijk om het crisisbeheer bij rampen te optimaliseren.

Op het vlak van justitie is de nood hoog aan een beleid dat het vertrouwen in de rechtsstaat
versterkt. In dat opzicht kunnen onder meer volgende elementen verder besproken worden:

- Een moderne, rechtvaardige en kordate justitie moet leiden tot een snellere en correcte
rechtspraak en een meer geloofwaardige strafuitvoering. Daartoe is een voorspelbare,
efficiënte en stabiele wetgeving nodig, zou werk moeten worden gemaakt van een
werklastmeting bij alle rechtbanken, moeten extra detentiecapaciteit worden gecreëerd en
moet Justitie open en toegankelijk zijn en getuigen van een menselijke aanpak.
Communicatie, informatie en transparantie naar de burger zijn onontbeerlijk.

- Bij de correcte uitvoering van zijn wettelijke verplichtingen staat ook het Gerecht voor
budgettaire uitdagingen. Daarbij kan onder meer ook worden ingezet op onder meer de
uitbouw van een efficiënt beheerscontrolesysteem, een overkoepelend aankoopbeleid en
facility management, en zal een nieuwe kijk moeten gelden op de uitgavencyclus van de FOD
en het gebruik van de beschikbare IT-applicaties.

- De juridische tweedelijnsbijstand dient hervormd te worden om het systeem betaalbaar te
houden en advocaten degelijk te kunnen vergoeden.


Verslag aan de Koning 18
- Tijdens de vorige legislatuur werden enkele hervormingswetten goedgekeurd: de
hertekening van de rechtbanken in grotere arrondissementen, de mobiliteit van de
magistratuur en gerechtspersoneel, de hervorming van de beheersstructuur en de invoering
van beheersovereenkomsten. Het zal de volgende regering toekomen om deze hervorming
van het gerechtelijke landschap af te werken en te corrigeren waar nodig.

- Bijzondere aandacht zal in elk geval moeten worden besteed aan het versnellen van de ICT-
ondersteuning. Dit is een essentieel onderdeel om een veel efficiëntere Justitie mogelijk te
maken, met rechtspraak volgens veel kortere doorlooptijden. Centraal zullen daarbij moeten
staan: standaardisering, centralisering, herbruikbaarheid van data en functionaliteiten, en
kostenefficiëntie.


9. SAMEN-LEVEN VERSTERKEN (MIGRATIE)

Uit internationaal onderzoek blijkt dat in geen enkel Europees land de houding tegenover migratie zo
negatief is als in België. Om van migratie een positief verhaal te maken, moet de nieuwe federale
regering een visie ontwikkelen en keuzes durven maken. Daarbij moet het asielbeleid in elk geval de
Conventie van Genève ten volle respecteren en onze solidariteit gestalte geven; het migratiebeleid
moet in de eerste plaats gericht zijn op de versterking van de migrant en van onze samenleving.

Volgende instrumenten kunnen aan de realisatie van deze doelstellingen bijdragen:

- De huidige migratiewetgeving is complex. Er is nood aan eenvoudige en eenduidige regels.
De bestaande wetgeving kan worden gerationaliseerd en administratief vereenvoudigd,
zodat snelle en degelijke procedures kunnen worden verzekerd.

- Voor de asielprocedure moet de Conventie van Genève ten volle worden gerespecteerd.

- In vergelijking met het Europees gemiddelde, ligt de focus van onze migratie op de
zogenaamde passieve migratiekanalen (gezinshereniging, asiel, regularisatie). Het lijkt
aangewezen de klemtoon meer te leggen op actieve migratie (arbeids- en studiemigratie)
teneinde tot een gezond evenwicht te komen.

- Een humaan, correct en kordaat terugkeerbeleid moet het sluitstuk zijn. Dat beleid vertrekt
van het principe: vrijwillig vertrek als het kan, gedwongen terugkeer als het moet. Daarbij
zou prioritair kunnen worden ingezet op de verwijdering van criminele illegalen.


10. EFFICIËNT(ER) BESTUUR

De huidige omstandigheden vereisen onmiddellijk een doortastend sociaaleconomisch optreden.
Derhalve wordt gestreefd naar een coalitie met een gewone meerderheid en met een maximale
sociaaleconomische convergentie. Het streven naar een regeringscoalitie die kan steunen op een
bijzondere parlementaire meerderheid met oog op institutionele hervormingen is niet aan de orde.

Het dient evenwel duidelijk te zijn dat het herstelbeleid gepaard moet gaan met een hervorming van
de federale overheid tot een efficiënte, transparante, slagkrachtige en klantvriendelijke organisatie.
De federale overheid kan en moet efficiënter werken. Dit wil zeggen: een betere dienstverlening
verstrekken tegen een lagere kostprijs. Daarbij staat de federale overheid ten dienste van de burger
en van de deelstaten waarmee ze intens samenwerkt.


Verslag aan de Koning 19


Conclusies en aanbevelingen


Aan het eind van mijn informatiewerkzaamheden, is het meer dan ooit duidelijk dat de nieuw te
vormen federale regering, naast andere opdrachten zoals de hervorming van Justitie, het energie- en
klimaatbeleid, en de verdere bijsturing van het migratie- en asielbeleid, voor drie uiterst belangrijke
uitdagingen staat om onze welvaart en ons welzijn veilig te stellen.

Deze uitdagingen vormen in de feiten een drieluik. Enkel wanneer deze punten worden gerealiseerd,
kunnen we onze welvaart en ons welzijn veilig stellen en een duurzame sociale zekerheid
garanderen:

- een échte versterking van het vertrouwen realiseren. De grote onzekerheid die er in de
sociale en economische omgeving heerst, maakt dat te veel bedrijven investeringen
schrappen of elders uitvoeren en dat te veel consumenten bestedingen uitstellen;

- de competitiviteit bevorderen zodat we ons economisch weefsel kunnen versterken en onze
sociale bescherming kunnen verstevigen. Cruciaal hierbij zal het streven naar rechtszekerheid
zijn. Zo zou de nieuwe regering snel een aantal maatregelen kunnen nemen en zich
engageren om daar de rest van de regeerperiode niet meer op terug te komen;

- de sanering van de openbare financiën – dat wil zeggen: het in evenwicht brengen van de
inkomsten en uitgaven, waardoor ook de overheidsschuld afgebouwd kan worden. In dit
verband zou de nieuwe regering een realistisch meerjarenplan voor de gezondmaking van de
overheidsfinanciën binnen de Europese krijtlijnen, kunnen opstellen, zodat mogelijke
negatieve reacties van de financiële markten die de kredietwaardigheid van ons land in het
gedrang zouden kunnen brengen, worden afgewend.

Gelet op de onderscheiden visies en meningen, zal uit de vele voorstellen die ter zake zijn gedaan,
een evenwichtig pakket maatregelen moeten worden samengesteld die ons economisch weefsel
versterken en onze sociale bescherming verzekeren. De standpunten die daarover zijn geformuleerd
en de voorstellen die ter zake zijn gedaan, bevatten verschillende elementen van convergentie.



* *
*