You are on page 1of 31

6

Thema 1
sport en spieren
intro
Goud voor Tia!
Tia Hellebaut werd in 2008 met een sprong over 2,05 m nieuw
olympisch kampioene in het hoogspringen. Een dag na de zilveren
estafette meisjes zorgde Hellebaut voor de tweede gouden Belgische
atletiek medaille bij de vrouwen ooit op de Spelen, de 139ste medaille
voor ons land.
Een dergelijke prestatie vraagt, naast een buitengewone cordinatie, voldoende energie om
het lichaam in een fractie van een seconde op een hoogte van meer dan 2 m te krijgen; een
korte, hevige krachtexplosie dus. Tia Hellebaut gebruikte daarvoor de witte vezels in haar
beenspieren. Ze voorzag die van energie door de hydrolyse van ATP, dat op zijn beurt gevormd
wordt bij de splitsing van glucose in de glycolyse. Wat dit allemaal betekent en meer ont-
dek je in dit thema.
1 Drie soorten spieren
Alle bewegingen in ons lichaam worden veroorzaakt door spieren. We onderscheiden drie
soorten spieren. Ze verschillen in bouw en functie.

De dwarsgestreepte spieren of skeletspieren nemen on-


geveer 40 % van het lichaamsgewicht in. De meeste ver-
binden verschillende beenderen van ons skelet, waaraan
ze vastzitten via pezen. Wanneer de spieren samentrek-
ken (contractie), bewegen die beenderen ten opzichte
van mekaar en kunnen ze kracht uitoefenen. Dat samen-
trekken gebeurt als reactie op een bewust commando
(behalve bij refexbewegingen): het zijn willekeurige
spieren.
Dwarsgestreepte spieren vertonen typische dwarse
strepen vandaar de naam en bestaan uit lange,
cilindervormige spiercellen. Ze spelen een hoofdrol in dit
hoofdstuk.

Gladde spieren hebben geen dwarse strepen, wat met-
een hun naam verklaart. Ze zijn te vinden in de wanden
van bloedvaten, de darm, de baarmoeder, de huid en de
klieren. Ze zijn heel anders van bouw dan skeletspieren
en bewegen onafhankelijk van de wil.
Hellebaut in actie tijdens de fnale
(foto: Belga)
Lichtmicroscopische opname van een
overlangse doorsnede van een skelet
spier. Let op het dwarse streeppatroon.
Microscopische foto van glad spier
weefsel
i
n
k
i
j
k
e
x
e
m
p
l
a
a
r
7

De hartspieren zijn bijzondere spieren: ze vertonen dwarse


strepen zoals de skeletspieren, maar bestaan uit kortere, vaak
vertakte vezels.
Hun samentrekking is onwillekeurig (net als bij de gladde spie-
ren) en maar goed ook: het zou vrij vermoeiend zijn als je je
hart voor elke slag een commando moest geven.
Hartspiercellen met kernen en dwars streeppatroon
Ons lichaam bevat drie soorten spieren:

skeletspieren vertonen een typisch dwarsgestreept patroon en maken willekeurige


bewegingen van het skelet mogelijk.

gladde spieren vertonen dat dwarsgestreepte patroon niet en zorgen voor bewegin
gen van de organen, onafhankelijk van de wil.

de hartspier is dwarsgestreept maar bestaat uit een ander soort vezels dan skelet
spieren. Ze zorgt, onafhankelijk van de wil, voor de samentrekking van het hart en
pompt het bloed door het lichaam.
2 Bouw en werking van een skeletspier
2.1 Cellen, vezels en fbrillen
Een dwarsgestreepte spier is samengesteld uit duizenden
cilindervormige spiervezels, veelkernige spiercellen die wel
10 keer dikker zijn dan gewone lichaamscellen en bovendien
fenomenaal lang, wel tot 30 cm. Deze spiervezels ontstaan
door versmelting van honderden embryonale spiercellen,
waarbij slechts n uitwendig membraan overblijft. Zon
veelkernige cel wordt ook wel een syncytium genoemd.
Omdat deze structuur anders is dan bij onze andere cellen,
krijgen de verschillende celonderdelen een naam die wat af-
wijkt van de gewone namen. We gebruiken vaak het voor-
voegsel sarco-, wat afkomstig is van het Grieks en in die
taal vlees betekent.
Een skeletspier is opgebouwd uit spiervezels. Een aantal spier
vezels vormt samen een spierbundel. De spierbundels vormen
samen de buik van de spier.
Spiervezels, spierbundels en de spier als geheel zijn omgeven
door een laag bindweefsel die uitloopt in de pezen. De pezen
vormen de verbinding van de spier met het skelet.
Een skeletspier (dwarsgestreepte spier)
is opgebouwd uit spiervezels.
i
n
k
i
j
k
e
x
e
m
p
l
a
a
r
8
Iedere spiervezel is omgeven door een membraan: het sarcolemma. Net als de membraan
van een individuele cel is het sarcolemma selectief doorlaatbaar: sommige stoffen wor-
den doorgelaten, andere niet.
Het cytoplasma van een spiervezel heet sarcoplasma. In het sarcoplasma spelen zich be-
langrijke stofwisselingsprocessen af, zoals de oxidatie van sachariden en vetten. Het voor-
naamste deel daarvan het aerobe gedeelte gaat door in de mitochondrin (zie module 1).
Spiervezels bevatten grote aantallen mitochondrin, en dat is logisch: die organellen zor-
gen immers voor het grootste deel van de energie die een cel verbruikt.
In het sarcoplasma worden ook reservestoffen opgestapeld, zoals glycogeen en vet-
druppeltjes.
Het endoplasmatisch reticulum van de spiercel, dat we in deze cellen het sarcoplasma
tisch reticulum noemen, bestaat uit verschillende functionele delen: sommige spelen een
rol bij de overdracht van een zenuwprikkel naar de spier en het uitlokken van de contrac-
tie; andere delen bevatten ribosomen en staan in voor de opbouw van eiwitten. De infor-
matie die nodig is voor de opbouw van die eiwitten zit in de celkernen.
Eiwitten zijn zeer belangrijke bestanddelen van de spier omdat ze zorgen voor de con-
tractie. De voornaamste daarvoor zijn actine en myosine. Een ander belangrijk eiwit is
myoglobine, dat de spier haar rode kleur geeft en zorgt voor de zuurstofopname.
Elke spiervezel wordt omgeven door een laagje bindweefsel: het endomysium, ook wel ve-
zelschede genoemd. Meerdere spiervezels samen (tot 150) vormen een spierbundel, die
omgeven wordt door een laag bindweefsel die we de bundelschede noemen. Alle spierbun-
dels samen vormen de buik van de spier. Die wordt nog eens omgeven door een laag bind-
weefsel: de spierschede. Aan de uiteinden van de spier vormt dat bindweefsel de pezen.
Bij een sterkere vergroting zien we dat elke spiervezel bestaat uit een aantal 1 m dikke
spierfbrillen, ook myofbrillen genoemd, die onder de microscoop een regelmatig patroon
van lichte en donkere banden vertonen; vandaar de naam dwarsgestreepte spieren.
De lichte banden in een spierfbril noemen we I-banden (isotrope banden), de donkere A-
banden (anisotrope banden). In het midden van elke I-band vinden we een donkere lijn: de
Z-band. Het 2,5 m lange stuk tussen 2 Z-banden noemen we een sarcomeer.
Het sarcomeer is de functionele eenheid van een spiercel, en herhaalt zich in de lengte-
richting talloze keren.
Spierfbrillen zijn opgebouwd uit een
aaneenschakeling van sarcomeren.
Let op de donkere Aband en de lichtere
Ibanden.
Lichtmicroscopische opname van een overlangse doorsnede van een
skeletspier. Let op de donkere Abanden, lichtgekleurde Ibanden en de
dunne Zband in het midden van elke Iband.
i
n
k
i
j
k
e
x
e
m
p
l
a
a
r
9
Bij een nog sterkere vergroting zien we dat elk sarcomeer opgebouwd is uit dikke en dun-
ne eiwitflamenten. De dikke flamenten zijn opgebouwd uit het eiwit myosine en liggen
in de A-banden. De dunne flamenten bestaan uit het eiwit actine en lopen van de Z-band
tot in de tussenruimte van de myosineflamenten. In feite moet je dit ruimtelijk zien: elk
myosineflament is op de plaats waar beide flamententypes voorkomen omgeven door
zes actineflamenten.
2.2 Glijdende eiwitten
Binnen een sarcomeer kunnen de actineflamenten aan weerskanten tussen de in het mid-
den gelegen myosineflamenten glijden. Bij een contractie schuiven deze eiwitten in elkaar
door chemische interactie; bij de ontspanning schuiven ze weer uit elkaar door de elastici-
teit van de weefsels en door eventuele trekkrachten aan het uiteinde van de spier.
Zijdelings vertonen de myosineflamenten uitstulpingen (hoofdjes genoemd) die zich
binden aan de daarnaast gelegen actineflamenten wanneer de spier samentrekt. Boven-
dien buigen ze dan meteen in de richting van het centrum van het sarcomeer, waardoor
de vastklevende actineflamenten ook in die richting worden meegetrokken. Zolang de
spier samentrekt, vertoont elk van die hoofdjes een zich steeds herhalende cyclus van
binden, buigen en loslaten, waarbij het actine telkens wat verder vastgegrepen wordt.
Myosineflamenten dragen zeer veel van deze hoofdjes, die elk apart slechts een kleine
kracht en een kleine verplaatsing veroorzaken.
Een spiervezel is opgebouwd uit spierfbrillen. Elke spierfbril bestaat uit een aaneenschakeling van sarcomeren. Let op
de donkere Aband en de lichtere Ibanden.
De donkere Aband bestaat uit dikke myosineflamenten, de lichtere Iband uit dunnere actineflamenten. Bij samen
trekking van de spier schuiven de actineflamenten tussen de myosineflamenten, zodat de spier korter wordt.
i
n
k
i
j
k
e
x
e
m
p
l
a
a
r
10
Door het steeds weer herhalen van de cyclus door de vele actieve (en asynchrone) hoofd-
jes schuiven de actineflamenten verder en verder naar het centrum van het sarcomeer,
waardoor de spier inkort. Wanneer de spier tegengehouden wordt zodat ze niet kan
inkorten, zal ze kracht ontwikkelen door de optelsom van alle minieme krachten van de
aparte actieve hoofdjes.

Dwarsgestreepte spieren zijn opgebouwd uit lange spiervezels. Die zijn bij elkaar ge
voegd tot spierbundels, die samen de samentrekbare buik van de spier vormen. Zo
wel de aparte spiervezels als de spierbundels en de spier als geheel zijn omgeven door
bindweefsel, dat uitloopt in de pezen. Door die pezen is de spier verbonden met het
skelet.

Spiervezels zijn op hun beurt opgebouwd uit spierfbrillen, die een typisch patroon van
lichte en donkere banden vertonen. Elke spierfbril is opgebouwd uit een reeks sarcomeren.
Het sarcomeer is de functionele eenheid van de spier: het bestaat uit actine en myosi
neflamenten, die ten opzichte van elkaar kunnen verschuiven. Wanneer een spier sa
mentrekt, schuiven de actineflamenten tussen de myosineflamenten: op die manier
wordt de spier korter en oefent ze kracht uit.
3 energie voor de spieren
3.1 De universele energiedrager in de cel: ATP
Bij alle chemische reacties in de cel waarbij energie opgenomen of vrijgemaakt wordt,
komen we ATP tegen. ATP is de afkorting van adenosinetrifosfaat. Het is een zogenaamde
nucleotide; dat wil zeggen dat het bestaat uit een organische base (in dit geval adenine),
een sacharide (ribose) en een of meer fosfaatgroepen (in dit geval drie). De verbinding van
adenine en ribose heet adenosine: je kan dus ook zeggen dat ATP een verbinding is van
adenosine met drie fosfaatgroepen.
ATP of adenosinetrifosfaat is een heel belangrijke molecule in het lichaam omdat ze tussenkomt in haast alle reacties
waarbij er een overdracht van energie gebeurt.
Het bijzondere zit in de bindingen waarmee de tweede en de derde fosfaatgroep aan de molecule gebonden zitten: dat
zijn energierijke fosfaatbindingen.
De drie fosfaatgroepen bezorgen ATP zijn speciale eigenschappen. Twee van de drie zijn
aan de molecule gebonden via een zogenaamde energierijke fosfaatbinding. Dat wil zeg-
gen dat er veel meer energie nodig is om die binding te vormen dan voor de binding van
een normale fosfaatgroep. Dat heeft te maken met het feit dat een fosfaatgroep vrij
omvangrijk is, en bovendien negatief geladen bij de zuurtegraad in de cel. Daardoor is
het niet zo moeilijk om de eerste fosfaatgroep te binden aan een molecule, maar veel
moeilijker om daar nog een tweede en zeker een derde aan te binden. De binding van de
derde vraagt meer dan dubbel zoveel energie als die van de eerste. Omgekeerd komt er
ook extra energie vrij wanneer een dergelijke binding verbroken wordt.
i
n
k
i
j
k
e
x
e
m
p
l
a
a
r
11
Fosfaatgroepen kunnen van ATP losgemaakt worden door hydrolyse (zie module 1):
ATP + H
2
O ADP + P
i
+ 31 kJ
ADP staat voor adenosinedifosfaat: adenosine met twee fosfaatgroepen. P
i
is het anorga-
nisch fosfaat.
ADP kan nog een fosfaatgroep afstaan, maar dat levert minder energie op:
ADP + H
2
O AMP + P
i
+ 21 kJ
AMP staat voor adenosinemonofosfaat: adenosine met nog n fosfaatgroep.
Ook de laatste fosfaatgroep kan afgesplitst worden. Dat is echter geen energierijke fos-
faatgroep.
AMP + H
2
O adenosine + P
i
+ 14 kJ
Je ziet dat er vooral veel energie vrijkomt bij het afsplitsen van de derde fosfaatgroep. Die
reactie wordt dan ook het meest gebruikt om reacties waarvoor energie nodig is aan te
drijven. We spreken in zon geval van gekoppelde reacties: de energie die vrijkomt bij het
splitsen van ATP wordt overgedragen op de reagentia van een andere reactie. Daardoor
reageren die makkelijker.
3.2 ATP en spiercontractie
ATP is ook nodig voor de samentrekking van de spieren, zoals voor zoveel andere energie-
vragende processen.
Wanneer een spier door een zenuw geprikkeld wordt, zijn er heel wat tussenliggende
stappen vooraleer de actine- en myosineflamenten aan het werk gaan (elektrische im-
pulsgeleiding, ionenverplaatsingen, vormveranderingen van regulerende eiwitten enz.).
Een late en zeer belangrijke stap is het vrijgeven van energie ter hoogte van de myosine-
hoofdjes door ATP-splitsing in ADP en fosfaat.
Onder invloed van die energie gaan de hoofdjes, die normaal loodrecht op de myosine-
molecule staan, zich buigen in een hoek van 45 . Daardoor worden de actineflamenten
naar het midden van het sarcomeer getrokken, waarbij zoals eerder gezegd de spier kor-
ter kan worden en kracht kan uitoefenen.
3.3 Hoe komen de spieren aan ATP?
Een spier heeft altijd een beetje ATP in voorraad om aan de meest dringende energiebe-
hoefte te voldoen. ATP wordt daarbij gehydrolyseerd door myosine:
ATP + H
2
O ADP + P
i
+ 31 kJ
Dit voorraadje is echter zeer beperkt: een noodvoorraadje zeg maar, hoogstens genoeg
voor het opwekken van 5 kJ aan energie. Dat volstaat voor een inspanning van 2 3 se-
conden. Wil je een langere inspanning leveren, dan moet je een energiebron vinden die je
toelaat je ATP-voorraad aan te vullen. Dat gebeurt in verschillende stappen, uit verschil-
lende bronnen. Die bronnen verschillen in de snelheid waarmee ze aangesproken kunnen
worden, in hun vermogen (de energie die per tijdseenheid vrijkomt), en in hun capaciteit
(d.w.z. de totale tijd dat ze aangesproken kunnen worden).

Een eerste bron van extra ATP is creatinefosfaat (CP). Creatinefosfaat is een organische
molecule die ook een energierijke fosfaatbinding bevat. Het kan dit fosfaat overdragen
op ADP, waardoor ATP ontstaat.
creatinefosfaat + ADP creatine + ATP
Dit systeem kan meteen in actie treden: de voorraad ATP kan op deze manier dus zeer
snel aangevuld worden.
myosine ATP-ase
myosine ATP-ase
creatinekinase
i
n
k
i
j
k
e
x
e
m
p
l
a
a
r
12
De hoeveelheid creatinefosfaat in de spieren is echter beperkt: voldoende voor 15 kJ
energie. Dat is voldoende voor een inspanning van 10 20 seconden. Belangrijk aan deze
vorm van energielevering is dat de energie zeer snel ter beschikking gesteld wordt, en
dat er geen afvalproducten ontstaan zoals melkzuur. Ook het opnieuw aanvullen van de
voorraad creatinefosfaat na de inspanning gaat snel: na ongeveer 1 minuut is de voor-
raad terug op peil.

Als de inspanning langer duurt dan 20 seconden, treedt een ander mechanisme in wer-
king: de glycolyse, wat omslachtiger ook wel de lactische anaerobe fase genoemd.
Glycolyse betekent letterlijk splitsing van glucose, en dat is kort samengevat ook wat
er gebeurt. Uit een molecule glucose met 6 koolstofatomen ontstaan via een aantal
reacties twee moleculen met 3 koolstofatomen: pyrodruivenzuur of pyruvaat. Bij deze
omzetting ontstaan ook 2 moleculen ATP. Deze reeks reacties gaat door in het cyto-
plasma, buiten de mitochondrin.
glucose 2 pyrodruivenzuur + 2 ATP
Zolang de zuurstoftoevoer naar de spier niet voldoende is, blijft de energielevering be-
perkt tot de glycolyse. Het gevormde pyrodruivenzuur wordt dan omgezet in melkzuur
(= lactaat).
pyrodruivenzuur + 2 H melkzuur
In deze omstandigheden kan een maximale inspanning 45 90 seconden volgehouden
worden. Bij een langere inspanning wordt er zoveel lactaat gevormd dat de werking
van de spieren in het gedrang komt. Je krijgt een gevoel van uitputting en de spieren
voelen pijnlijk aan.
Na het stoppen van de inspanning wordt het lactaat grotendeels weggevoerd door
het bloed, waar het opgevangen wordt door de lever, het hart en de nieren. Die orga-
nen kunnen lactaat als energiebron gebruiken. Het duurt 15 minuten voor ongeveer de
helft van het lactaat is verdwenen, en ongeveer 45 minuten voor het helemaal weg is.
De glucose die nodig is voor de glycolyse is afkomstig van de hydrolyse van glycogeen,
dat in de spier opgeslagen ligt. Dat is een voordeel, omdat het dan niet via het bloed
aangevoerd moet worden. Bij een langdurige inspanning wordt ook glycogeen uit de
lever afgebroken tot glucose, die dan via het bloed de spieren bereikt.
Het lactaatsysteem is belangrijk omdat het een snelle vorming van ATP mogelijk maakt.
Bij een sportprestatie van gemiddelde duur (400 m, 800 m ) is het de voornaamste
bron van energie.

Naarmate de duur van de inspanning toeneemt (vanaf 2 3 minuten) zal ook het aan-
deel van de aerobe energielevering toenemen, op voorwaarde tenminste dat er vol-
doende zuurstof aanwezig is. Het pyruvaat dat bij de glycolyse gevormd werd, wordt
dan opgenomen in de mitochondrin en ondergaat daar een lange reeks reacties waar-
bij het volledig afgebroken wordt tot CO
2
en water. Die reacties leveren bovendien
genoeg energie op voor de vorming van 36 moleculen ATP.
2 pyruvaat + 5 O
2
6 CO
2
+ 4 H
2
O + 36 ATP
Deze vorming van ATP is een condensatiereactie:
ADP + P
i
ATP + H
2
O
Ook vetzuren, die ontstaan bij de hydrolyse van vetten, kunnen
in dit systeem ingeschakeld worden om energie te leveren.
Het aandeel van sachariden en vetten in de energielevering
is afhankelijk van de intensiteit en de duur van de inspan-
ning: als de intensiteit groot is, worden er relatief veel sa-
chariden verbruikt. Naarmate de inspanning langer duurt,
zullen er meer vetten verbruikt worden.
Spiercellen bevatten grote aantallen
mitochondrin.
i
n
k
i
j
k
e
x
e
m
p
l
a
a
r
13
Om je gewicht onder controle te houden, wil je vooral vetten verbruiken: daarvoor hoef je
dus geen zware inspanningen te leveren, maar je kan ze het best wel zo lang mogelijk volhou-
den.
Het grote voordeel van het aerobe systeem is natuurlijk dat er een grote hoeveelheid
ATP gevormd wordt. 95 % van de energie die uit glucose kan vrijgemaakt worden (36 van
de 38 ATP-moleculen) komt tijdens deze fase ter beschikking. Bovendien komen er geen
afbraakproducten vrij die vermoeidheid in de hand werken. In de sport zal het aerobe sys-
teem daarom vooral geschikt zijn voor langdurige inspanningen.
In de loop van de tijd komen de verschillende energiesystemen dus na elkaar in actie in
een bepaalde volgorde, elk met hun eigen voor- en nadelen. In onderstaande tabel vind je
een overzicht.
(Met vermogen bedoelen we de hoeveelheid energie die per seconde kan afgegeven worden.
Met capaciteit bedoelen we de periode dat de inspanning kan volgehouden worden)
Naargelang de duur en de intensiteit van je sport gebruik je andere energiesystemen:
voor een korte krachtexplosie (bv. hoogspringen) haal je je energie uit het ATP dat je altijd
in voorraad hebt. Duurt die krachtexplosie langer (zoals bij 100 m sprint) dan spreek je
ook je creatinefosfaatvoorraad aan. Bij nog langere inspanningen gebruik je de glycolyse
(vanaf een seconde of 10) of het aerobe gedeelte van de ademhaling (vanaf 2-3 minuten).
Dat laatste kan wel alleen als de toevoer van zuurstofgas naar je spieren groot genoeg is.
Je hoeft natuurlijk niet heel je sportprestatie lang dezelfde energiebron te gebruiken:
bij het wielrennen gebruik je gedurende de rit (een langdurige, niet zo intense inspan-
ning) het aerobe systeem. Bij de spurt heb je echter extra kracht nodig: dan schakel je de
glycolyse in.

Een spier trekt samen door toedoen van ATP: een molecule die dienst doet als univer
sele energiedrager in de cel. De energie zit in energierijke fosfaatbindingen: wanneer
die verbroken worden (door hydrolyse) komt er meer dan dubbel zoveel energie vrij als
bij het verbreken van een gewone fosfaatbinding.

De spier gebruikt energie uit ATP om de actineflamenten naar het midden van het
sarcomeer te schuiven: de spier wordt dan korter en oefent kracht uit.

Als de eigen ATPvoorraad op is, kan een spier op drie manieren aan nieuwe ATP komen:

door overdracht van fosfaat van creatinefosfaat op ADP

door het anaerobe gedeelte van de ademhaling of glycolyse

door het aerobe gedeelte van de ademhaling.

Deze drie systemen komen na elkaar in actie. Het CPsysteem is geschikt voor heel
korte inspanningen, de glycolyse voor iets langere (vanaf een seconde of 10) en de
aerobe ademhaling voor nog langere (vanaf 2 3 minuten).
Systeem Energiebron Tijdstip Tijdsduur Vermogen Capaciteit Melkzuur Sport
ATP ATP Onmiddellijk 2-3 s Groot Klein Neen Hoog-
springen
CP CP Onmiddellijk 7-10 s Groot Klein Neen 100 m
sprint
Glycolyse Glycogeen Na 10 s 10-90 s Groot Vrij klein Ja 400 m
Aeroob Glycogeen +
vetten
Na 2-3 min. onbeperkt Klein Groot Neen 10 000 m
lopen
i
n
k
i
j
k
e
x
e
m
p
l
a
a
r
14
4 Drie soorten spiervezels
Goede marathonlopers zijn meestal zwakke sprinters, en een goede sprinter maakt weinig
kans om een marathon te winnen. Dat heeft alles te maken met de bouw van hun spieren,
en meer bepaald met de soorten spiervezels waaruit hun spieren opgebouwd zijn.
Haile Gebrselassie (Ethiopi) wint de marathon
van Berlijn in 2008 in een nieuwe wereldtijd van
2 uur, 3 minuten en 59 seconden.
Sprinters bij de start
In ons lichaam komen er drie soorten spiervezels voor: witte,
rode en gemengde. Ze hebben verschillende eigenschappen
en samen zorgen ze ervoor dat onze spieren in de meest
verschillende omstandigheden effcint kunnen werken. Het
verschil tussen een sprinter en een marathonloper zit vooral
in de verhouding tussen het aantal witte en rode vezels in
hun spieren.
De verschillende soorten spiervezels verschillen in de kracht die ze kunnen ontwikkelen,
in de snelheid waarmee ze kunnen werken, in hun weerstand tegen vermoeidheid De
tabel biedt een overzicht van de eigenschappen van de verschillende soorten vezels.
Wit Gemengd Rood
Myosine ATP-ase Snel Snel Traag
Snelheid Snel Snel Traag
Kracht Groot Middelmatig Klein
Diameter Middelmatig Groot Klein
Mitochondria Weinig Veel Veel
Myoglobinegehalte Laag Middelmatig Groot
Uithouding Zeer laag Middelmatig Groot
Ademhaling Anaeroob Aeroob Aeroob

Witte vezels (ook wel snelle glycolytische vezels genoemd) hebben een grotere diame-
ter dan de rode, en trekken sneller en krachtiger samen. Hun myosine ATP-ase werkt
sneller dan dat van rode vezels. Ze worden gebruikt bij snelle, krachtige bewegingen.
Hun witte kleur komt door het lage myoglobinegehalte en de beperkte aanwezigheid
van haarvaten.

Rode vezels (ook wel langzame oxidatieve vezels genoemd) hebben een kleinere diame-
ter, trekken trager en minder krachtig samen en worden eerder gebruikt bij langzame,
nauwkeurige bewegingen. Hun myosine ATP-ase werkt trager dan dat van witte vezels.
Lichtmicroscopische opname van een dwarse doorsnede door een skeletspier (40 x).
Let op het onderscheid tussen de rode vezels (langzame vezels) en witte vezels (snelle vezels).
i
n
k
i
j
k
e
x
e
m
p
l
a
a
r
15
Hun rode kleur hebben ze van de grote hoeveelheid myoglobine die ze bevatten. Myo-
globine is een eiwit dat zuurstofgas kan binden: dat zuurstofgas is nodig voor de (ae-
robe) energieopwekking in de spiercellen. Rode vezels bevatten meer mitochondrin dan
witte.

Gemengde vezels (ook wel snelle oxidatieve vezels genoemd) bevatten minder myo-
globine dan rode vezels en trekken sneller samen. Hun afmetingen liggen tussen die
van witte en rode vezels.
Gemiddeld genomen bevat ons lichaam 50 % rode vezels, 35 % gemengde vezels en
15 % witte vezels. Deze verdeling verschilt naargelang de spier; zo bevatten de rugspie-
ren (die langdurige inspanningen moeten leveren om het lichaam recht te houden) in
verhouding meer rode vezels dan de dijspieren, die vooral korte, krachtige bewegingen
moeten uitvoeren.
De spiervezelsoorten hebben elk hun voor- en nadelen:

Witte vezels vormen ATP door glucose om te zetten in melkzuur via de glycolyse. Daar-
voor is geen zuurstofgas nodig. De glucose is afkomstig uit de grote hoeveelheden
glycogeen die de vezels bevatten. Omdat die glucose niet door het bloed moet aange-
voerd worden, kunnen witte spiervezels zeer snel reageren.
Het nadeel is dat ze snel vermoeid raken omdat het vrijkomende melkzuur hun werking
belemmert.

Rode vezels zijn beter doorbloed dan witte en kunnen veel zuurstofgas binden door het
myoglobine dat ze bevatten. Dankzij dit zuurstofgas kunnen ze glucose aeroob oxide-
ren tot CO
2
en H
2
O, wat veel meer ATP oplevert.
Rode vezels trekken langzaam samen omdat ze het ATP slechts langzaam splitsen. Het
grote voordeel van rode vezels is dat ze een veel groter uithoudingsvermogen hebben
dan witte omdat ze geen melkzuur produceren.
De verhouding tussen de aantallen witte en rode spiervezels is aangeboren. Marathon-
lopers bezitten tot 80 % rode vezels, sprinters tot 60 % witte. Training verandert daar
niet veel aan; je ontwikkelt de afmetingen en prestaties van de rode of witte vezels naar-
gelang het soort training, maar niet hun aantal.

Spieren bestaan uit drie soorten spiervezels: witte, rode en gemengde.


Witte spiervezels halen hun energie vooral uit de glycolyse. Daarom zijn ze vooral
geschikt voor korte inspanningen. Ze zijn sterker dan rode spiervezels.
Rode spiervezels zijn minder krachtig dan witte. Omdat ze vooral het aerobe gedeel
te van de ademhaling als energiebron gebruiken, zijn ze vooral geschikt voor lange
inspanningen.

Bij training ontwikkel je de spiervezels die je voor jouw specifeke sporttak nodig hebt.
Je ontwikkelt daarbij wel hun grootte en kracht, maar niet hun aantal.
i
n
k
i
j
k
e
x
e
m
p
l
a
a
r
16
5 Prestaties en hartritme
Het niveau waarop je het best traint, hangt af van het doel dat je precies nastreeft: wil
je gewoon in conditie blijven, wil je je gewicht onder controle houden of streef je top-
prestaties na?
De Italiaanse biochemicus Conconi vond een eenvoudige methode om het niveau van
sportinspanningen in te schatten en dus doelgerichter te kunnen trainen.
5.1 De hartcyclus
In rust slaat het hart ongeveer 70 keer per minuut. Elke hartslag bestaat uit een reeks ge-
beurtenissen die voortdurend herhaald wordt: de hartcyclus.
Fasen van de hartslag
A Boezems trekken samen, kamers ontspannen
B Boezems ontspannen, kamers trekken samen
De cyclus begint wanneer de hartspier nog inactief is. De voorkamers (= boezems of atria)
worden dan gevuld met bloed, waarbij tegelijk ook al de kamers (ventrikels) doorheen de
hartkleppen gedeeltelijk gevuld worden (zie fguur A). De voorkamers trekken dan samen
om nog meer bloed van de voorkamers naar de kamers te stuwen.
Daarna trekken de kamers samen (zie fguur B), waardoor het bloed in de grote slagaders
gestuwd wordt (aorta en longslagader). Ten slotte ontspant heel het hart zich en vullen
de voorkamers zich weer met bloed.
De verschillende hartkleppen zorgen ervoor dat het bloed in de juiste richting wordt ge-
stuwd.
Harttonen ontstaan door het dichtklappen van de hartkleppen. Een 1ste toon is te horen
wanneer de kleppen tussen boezems en kamers dichtklappen (bij het samentrekken van
de kamers) en een tweede toon door het dichtklappen van de kleppen naar de aorta en
longslagaders (als de kamers zich ontspannen). Heel dit proces kan je volgen door je pols-
slag op te nemen: je voelt daar het slaan van je hart in je polsslagader. Dat voelen doe je
best met je middel- en ringvinger, niet met je duim: je zou het kloppen van de slagader
daarin kunnen verwarren met die van je polsslagader. Tel het aantal slagen in 15 seconden
en vermenigvuldig dat getal met vier: dat geeft je het aantal slagen per minuut. Herhaal
je telling een paar keer en bereken het gemiddelde.
Elke polsslag stemt overeen met een samentrekking van de hartkamers: een systole. De
periode tussen twee systolen, wanneer het hart zich vult met bloed, noemen we een
diastole.
i
n
k
i
j
k
e
x
e
m
p
l
a
a
r
17
5.2 Inspanningsniveau en hartritme
Naarmate je je harder inspant (meer ver-
mogen levert) vragen je spieren meer
zuurstofgas, dus meer bloedtoevoer. Je
hart reageert daarop door sneller te slaan,
en dus meer bloed naar de spieren te
pompen. Als je je hartritme registreert bij
toenemende inspanning, stel je vast dat
dat hartritme rechtlijnig stijgt in functie
van het ontwikkelde vermogen, tot op
een bepaald inspanningsniveau. Vanaf dat
inspanningsniveau verloopt de stijging
van het hartritme minder snel; de krom-
me vlakt geleidelijk af. We noemen dat
inspannings niveau het afbuigpunt (Vd).
vermogen (W) 212 226 241 252 266 274 282 298 317 348
HF (slagen/min) 139 148 154 161 164 169 174 179 182 184
De waarden zijn gebaseerd op de prestatie van een topsporter
5.3 Sportprestaties en melkzuur
Voor een effcinte werking van de spieren mag de hoeveelheid melkzuur die vrijkomt bij
de energieopwekking niet te groot worden: melkzuur benvloedt de spierwerking immers
nadelig. Het veroorzaakt een gevoel van uitputting en pijn in de spieren, zodat bij een te
hoge melkzuurconcentratie de inspanning wel gestaakt moet worden.
Melkzuur remt ook de werking van de enzymen die de spier doen functioneren, en be-
schadigt de spiercellen. Ten slotte vermindert een teveel aan melkzuur de cordinatie.
Bij een korte inspanning (gewichtheffen, hoogspringen, sprint, 400 m lopen ...) is dat niet
zon probleem omdat er zich in de korte tijd dat de inspanning duurt niet genoeg melk-
zuur kan opstapelen om een nadelig effect te hebben. Atleten die deze sporttakken beoe-
fenen, gebruiken vooral de (al dan niet lactische) anaerobe manier van energieopwekking,
omdat die veel kracht oplevert. Ze trainen dat systeem dan ook speciaal.
Bij langdurige inspanningen kan er wel melkzuur
geproduceerd worden. Het is belangrijk dat er
niet teveel gevormd wordt, en dat de melkzuur-
concentratie beneden een bepaalde grens blijft
(algemeen 4 mmol/l, maar sterk afhankelijk van
de persoon). De training is daar ook naar aange-
past; we zeggen dat je voor langdurige inspan-
ningen moet trainen onder de aeroobanaerobe
drempel, of onder de grens tussen aerobe en
anaerobe energievoorziening. Dat betekent dat
we trainen op het maximale inspanningsniveau
dat de zuurstof toevoer toelaat. Wordt die grens
overschreden, dan wordt een deel van de glu-
cose anaeroob omgezet, met de vorming van
melkzuur tot gevolg.
loopintensiteit (%) 28 47 60 71 76 83 89 92
HF (slagen/min) 1,6 1,7 2,0 3,0 4,0 5,6 7,8 9,8
120
130
200 220 240 260 280 300 320 340
140
150
160
170
180
190
vermogen (W)
HF (slagen/minuut)
2
0
20 0 40 60 80 100
4
6
8
10
loopintensiteit (%)
melkzuurconcentratie
(mmol
.
l
-1
)
i
n
k
i
j
k
e
x
e
m
p
l
a
a
r
18
De aeroob-anaerobe drempel kan je bepalen door de melkzuurconcentratie in het bloed
te meten bij steeds toenemende inspanning. Tot een bepaald inspanningsniveau blijft de
melkzuurconcentratie ongeveer constant, omdat het gevormde melkzuur meteen ver-
werkt wordt in het aerobe gedeelte van de ademhaling. Vanaf een bepaald inspannings-
niveau is de opnamecapaciteit van het aerobe systeem echter te klein: er blijft altijd een
beetje melkzuur over en de concentratie ervan in het bloed neemt snel toe. Het inspan-
ningsniveau waarbij dat gebeurt, noemen we de aeroob-anaerobe drempel.
5.4 Verband tussen hartritme en melkzuurproductie:
de Conconi-test
Het opvolgen van de melkzuurconcentratie in je bloed is misschien de beste methode om
je optimale inspanningsniveau te bepalen, maar niet de meest praktische: ze veronder-
stelt immers dat je op regelmatige tijdstippen bloed afneemt en er de melkzuurconcen-
tratie in meet. Gelukkig zijn er andere methoden die minder omslachtig zijn.
Een van de meest bekende is de methode van Conconi. Conconi ontdekte dat het inspan-
ningsniveau waarbij je hartritme minder snel begint toe te nemen (het afbuigpunt) ook het
niveau is waarbij de melkzuurconcentratie in je bloed begint toe te nemen (de aeroob-anae-
robe drempel). We zeggen dat er een goede correlatie is tussen de melkzuurkromme en de
hartslagkromme.
120
130
180 200 220 240 260 280 300 320 340 360
140
150
160
170
180
190
9
8
7
6
5
4
3
2
200
vermogen (W)
melkzuurconcentratie
(mmol
.
l
-1
)
HF (slagen/min)
Vd
vermogen (W) 200 214 227 234 246 250 265 276 297 300 325 328 350
HF (slagen/min) 146 149 152 159 164 168 171 175 177
lataatconc.
(mmol l
1
)
1,9 2,2 3,0 4,4 5,8 7,6
De waarden zijn gebaseerd op de prestatie van een topsporter
Je kan dus je anaerobe drempel ook bepalen aan de hand van je hartslagfrequentie. Hoe
hoger de inspanning waarbij je hartslagkromme afbuigt, hoe hoger je anaerobe drempel,
en dus: hoe beter je conditie.
Een Conconi-test wordt afgenomen op een atletiekpiste van 400 m, met merktekens op
200 m en 400 m. De test start na een opwarming van 10 15 minuten. De atleet draagt
een hartslagmeter. Bij de test zelf loopt de atleet een aantal keren na elkaar 200 m, tel-
kens een beetje sneller (bv. te beginnen bij 70 s voor 200 m), en dit tot hij niet sneller meer
kan. Bij elke ronde wordt de hartslagfrequentie geregistreerd.
i
n
k
i
j
k
e
x
e
m
p
l
a
a
r
19
We zetten de hartslagfrequenties uit tegen de snelheid en bepalen het afbuigpunt. Dat
afbuigpunt geeft een beeld van de trainingstoestand. Iemand met een zeer slechte con-
ditie heeft zijn afbuigpunt bv. al bij 9 km/h, een topsporter bij 18 of 20 km/h.
Ook om de optimale trainingsintensiteit te bepalen kan je uitgaan van de hartslag-
frequentie. We bepalen eerst de maximum hartslagfrequentie (HF
max
) met een inspan-
ningstest het best onder medisch toezicht of door middel van een schatting. De
maximum hartslagfrequentie is afhankelijk van de leeftijd en kan geschat worden aan de
hand van onderstaande formules:
HF
max
= 226 leeftijd voor vrouwen
HF
max
= 220 leeftijd voor mannen
Als algemene regel kan je stellen dat het uithoudingsvermogen verbetert als er getraind
wordt bij minimum 55 % van de maximale hartfrequentie. Die intensiteit blijkt de mini-
male prikkel te zijn om de conditie te verbeteren bij ongetrainde personen. Voor getrainde
mensen ligt deze drempel hoger, namelijk op circa 65 % van de maximale hartfrequentie
(ACSM-richtlijnen, 1998).
Een andere manier om de minimale oefenhartfrequentie te bepalen, is via de formule van
Karvonen:
HF
minimaal
= HF
rust
+ 0,40 (HF
max
HF
rust
) voor mensen met een zittend leven
HF
minimaal
= HF
rust
+ 0,50 (HF
max
HF
rust
) voor getrainde personen
Om een trainingseffect te krijgen moet dus niet zo intensief getraind worden. Een trai-
ning aan 65 % van de maximale hartfrequentie is immers een training die lange tijd kan
aangehouden worden metweinig of geen moeite. Tijdens zulke trainingen kan je ook nog
rustig een praatje slaan en raak je zeker niet buiten adem.

De hartcyclus begint wanneer het hart nog in rust is: het vult zich dan met bloed. In een
tweede stap wordt het bloed van de voorkamers naar de kamers geperst, doorheen de
hartkleppen. Daarna trekken de kamers samen waardoor het bloed in de grote slagaders
gestuwd wordt. Ten slotte ontspant heel het hart zich weer.
Harttonen ontstaan door het dichtklappen van de hartkleppen.

Bij langdurige inspanningen kunnen je spieren het best niet te veel melkzuur produceren.

Bij toenemende inspanning blijft de melkzuurconcentratie in je bloed constant, tot op


het niveau waarop je lichaam het melkzuur niet snel genoeg meer kan verwerken bij
gebrek aan voldoende zuurstoftoevoer. Dat niveau noemen we de aeroobanaerobe
drempel.

In rust slaat het hart ongeveer 70 keer per minuut. Bij toenemende inspanning neemt
je hartritme toe tot op een bepaald punt: vanaf daar vermindert die toename. We noe
men dat punt het afbuigpunt.

De Italiaanse biochemicus Conconi ontdekte dat het afbuigpunt (Vd) samenvalt met de
aeroobanaerobe drempel (AT) en baseerde daarop een conditietest.

Je maximale hartritme hangt af van je leeftijd.


Training heeft al effect als je traint bij een hartritme van 55 65% van je maximale
hartritme.
i
n
k
i
j
k
e
x
e
m
p
l
a
a
r
20
6 het belang van training
Een gevolg van training is dat de hartslagfrequentie bij een bepaalde inspanning geleide-
lijk vermindert. Geleidelijk aan moet de intensiteit tijdens het trainingsprogramma dan
ook opgedreven worden om de minimumhartfrequentie te bereiken.
Hoe meer je boven de minimumhartfrequentie gaat trainen, hoe groter de conditie-
verbetering zal zijn. Maar naast een minimale drempel is er ook een maximale drempel: de
anaerobe drempel. Trainen boven deze drempel verbetert het uithoudingsvermogen niet
merkbaar. Waar deze bovenste of anaerobe drempel zich precies bevindt, is individueel
verschillend en sterk afhankelijk van iemands trainingstoestand. Bij zeer goed getrainde
atleten gaat dit tot 95 % van de maximale hartfrequentie. Gemiddeld ligt deze drempel
tussen 70 en 90 % van de maximale hartfrequentie.
De effecten van regelmatig sporten:

toename van het hartvolume. Het hartvolume, dat normaal schommelt tussen 600 en
800 ml, kan door training toenemen tot 900 tot 1300 ml. Daardoor neemt het slag-
volume en het hartdebiet toe. We spreken in dit geval van een sporthart.

daling van de hartslagfrequentie in rust. Duursporters hebben in rust een hartslag-


frequentie van 40 50 slagen per minuut. Bij niet-sporters is die frequentie 70
80 slagen per minuut.

betere doorbloeding van de spieren (hartspier en skeletspieren) door het ontstaan van
extra haarvaatjes. Daardoor wordt de zuurstofvoorziening van de spier verbeterd.

toename van de hoeveelheid myoglobine in de spier. Daardoor kan de spier meer zuur-
stof opnemen en krijgen de mitochondrin in de spiercellen meer zuurstof, waardoor
de celademhaling verbetert.

toename van het aantal mitochondrin in de spiercellen

als gevolg van een verbetering van het aerobe ademhalingsproces worden minder gly-
cogeenreserves aangesproken en wordt er minder melkzuur geproduceerd.

Training is effectief vanaf een bepaald minimaal inspanningsniveau. Er is echter ook


een maximaal inspanningsniveau waarboven training weinig zin heeft of zelfs schade
lijk is.

Het trainingseffect is het gevolg van een groot aantal biologische factoren die vooral
het aerobe functioneren van de spieren stimuleren.
i
n
k
i
j
k
e
x
e
m
p
l
a
a
r
21
7 gewichtsbeheersing door sport
Sport is niet alleen voor topsporters. Sport doe je niet alleen omdat het steeds sneller, ho-
ger of verder moet; je kan ook sporten om je algemene conditie te verbeteren, je gewicht
te helpen beheersen ... En wat meer is: om die effecten te bereiken, hoef je niet per se een
echte sport te beoefenen; gewone dagelijkse bezigheden werken op dezelfde manier.
Wat telt, is dat je in beweging blijft.
Overgewicht komt steeds meer voor, ook bij jongeren. De voornaamste oorzaak is dat
we te veel en te energierijk eten, en dat we te weinig bewegen. Behalve het feit dat je je
er oncomfortabel bij voelt, zijn er risicos aan verbonden: hart- en vaatziekten, diabetes,
overbelasting van je gewrichten ...
Overgewicht ontstaat doordat er iets mis is met je energiebalans: je neemt meer energie
op dan je verbruikt. De overmaat wordt in je lichaam opgeslagen als vet.
Je kan die balans op twee manieren opnieuw in evenwicht brengen: door je opname van
energie te verkleinen of door je verbruik te vergroten, bijvoorbeeld door sport.
Het probleem met diten is vaak dat ze moeilijk vol te houden zijn (de strengere versies
toch). Ook komen de kilos er na het diten sneller terug bij dan ze verdwenen zijn (het
gevreesde jojo-effect). Sport kan daar een aantal niet te versmaden voordelen tegenover
stellen: bovenop de controle over je gewicht krijg je een verbeterde conditie cadeau,
zowel psychisch als fysiek. Bij het sporten produceren je hersenen immers endorfne, het
zogenaamde gelukshormoon: daardoor ga je je ook psychologisch beter voelen.
Voor een goede gezondheid zou je per week minstens 8500 kJ moeten verbruiken bij
lichaamsbeweging. Dat kan echte sport zijn, maar ook dagelijkse bezigheden zoals je ka-
mer opruimen, de tuin harken ...
Probeer elke dag (of toch bijna) wat lichaamsbeweging te nemen: het best kan je min-
stens 1250 kJ per keer verbruiken. Oefeningen die een voortdurende inspanning vereisen
of waarbij grote spiergroepen gebruikt worden (zoals stevig wandelen, fetsen ...) vergen
meer energie dan inspanningen met onderbrekingen, of inspanningen waarbij kleine
spiergroepen gebruikt worden.
In de tabel volgen enkele voorbeelden van activiteiten met de energie die erbij verbruikt
wordt. Ze gelden voor een persoon van 70 kg op recreatief niveau. Let wel: het energie-
verbruik dat gegeven wordt, is het totale energieverbruik. Om na te gaan hoeveel energie
je extra verbruikt, moet je er je basisenergieverbruik van aftrekken (BMR, zie module 1).
Die bedraagt voor jongeren van 18 tussen de 240 en de 350 kJ per uur, afhankelijk van
geslacht, lengte en gewicht.
Activiteit Totaal energieverbruik (kJ/h)
Wandelen 840-1260
Dansen en lichte aerobics 850-1700
Turnen 850-2100
Harken 950
Fietsen 1050-2950
Opruimen 1100
Step-aerobics 1250-2100
Zwemmen 1250-3000
Tennis 1700-2100
Joggen 2500-3800
Langlaufen 2500-3800
Spitten 3000
i
n
k
i
j
k
e
x
e
m
p
l
a
a
r
22
Het is beter gedurende een langere tijd een lichte inspanning te doen dan een zware inspan-
ning gedurende een korte tijd. Bij een lichte inspanning worden immers relatief meer vetten
verbrand dan bij een zware: bij 60 65 % van de HF
max
komt 65 % van de energie uit vet, en
35% uit sachariden; bij 75 80 % van de HF
max
komt maar 45 % van de energie uit vetten, en
55 % uit sachariden. Vooral het vetverbruik is belangrijk voor het gewichtsverlies.
Praktisch gezien komt het erop neer dat je voor gewichtscontrole het best traint bij 60
70 % van de HF
max
. Bij een persoon van 20 jaar oud komt dat neer op een hartritme van
120 140 slagen per minuut. Een intensere inspanning levert geen grotere vetafbouw
op. Door de afbraak van de glycogeenvoorraad ontstaat wel een hongergevoel, zodat de
kans groot is dat je je gewichtsverlies snel gaat goedmaken door te beginnen eten. Bij een
intensere inspanning is de kans op spierpijn en blessures bovendien groter, zodat je de
training misschien vroegtijdig moet afbreken.
Wil je in een later stadium extra aan je conditie gaan werken in plaats van alleen aan je
gewicht, dan kan je de hartslagfrequentie waarbij je traint opdrijven tot 70 80 % van de
HF
max
: 140-160 slagen per minuut voor een 20-jarige.
Door sport verbeter je niet alleen je conditie, ze kan je ook je gewicht helpen beheersen.
Belangrijk daarbij is dat je langdurig aan een relatief laag inspanningsniveau traint: dan is
de afbraak van vetten het meest effcint.
8 Prestatiebevorderende middelen en methoden:
gezonder zonder?
Doping is het toedienen van stimulerende middelen
om betere prestaties te leveren. De oude Grieken lust-
ten er al pap van. Zij gebruikten al kracht- en presta-
tieversterkende middelen om deel te nemen aan de
Olympische Spelen.
Topsport zonder doping? Het lijkt een utopie. Top-
sporters en hun omgeving zijn heel gewiekst in
het vinden van middeltjes die hen zonder al te veel
inspanning een voordeel opleveren ten opzichte van
de concurrentie. Vaak zijn ze ook de dopingcontroles
een stapje voor. Met maskerende middelen kunnen ze
de uitslag van bloed- en urineonderzoeken behoorlijk
benvloeden.
Het Internationaal Olympisch Comit (IOC) heeft een lijst opgemaakt met maar liefst 300
soorten doping, die onderverdeeld kunnen worden in verschillende groepen verboden
middelen en verboden methoden. De stoffen die het vaakst als doping in het nieuws ko-
men hebben te maken met twee effecten: het kweken van meer spieren en die spieren
effcinter maken.
i
n
k
i
j
k
e
x
e
m
p
l
a
a
r
23
8.1 Meer spieren kweken
Uiteraard word je sterker als je meer spiermassa kweekt; tenminste als die spieren van
goede kwaliteit zijn. Producten die je daarbij kunnen helpen, zijn anabole steroden (ana-
bool = opbouw-bevorderend; sterode = afgeleid van cholesterol). Het gaat dan vooral
over het mannelijke geslachtshormoon testosteron en afgeleide producten.
Testosteron is de reden waarom mannen meer spiermassa hebben dan vrouwen. Het
zorgt voor een toename van de eiwitproductie, en dus van de spiergroei. De afgeleide
producten doen hetzelfde, vaak zelfs nog sterker. Ze worden gebruikt om meer kracht
te ontwikkelen. Dat komt natuurlijk van pas in alle sporttakken, maar vooral in typische
krachtsporten als gewichtheffen, kogelstoten en speerwerpen.
Er zijn grote gezondheidsrisicos verbonden aan het gebruik van anabole steroden:
lever functiestoornissen en leververval, hartafwijkingen, een depressieve stemming, een
hogere agressiviteit en meer seksuele driften. Bij mannen leidt het toedienen van deze
middelen tot verkleining van de testikels. Bij vrouwen is er juist sprake van virilisatie of
vermannelijking (o.a. mannelijke beharing en een gestoorde menstruele cyclus).
Sporters die betrapt worden op het gebruik van testosteron beweren vaak dat ze gewoon
zelf op een natuurlijke wijze veel testosteron produceren. Bij een dopingtest kan je ech-
ter onderscheid maken tussen lichaamseigen en synthetisch testosteron: zo vallen de
dopingzondaars dan toch door de mand.
Testosteron is een sterode hormoon.
Er zijn nog andere hormonen met een gelijkaardige werking, zoals groeihormoon (HGH).
Dat is het hormoon dat aangemaakt wordt in je hypofyse, en waarvan je extra veel pro-
duceert in je puberteit: het veroorzaakt dan je groeispurt. Groeihormoon dat als doping
toegediend wordt, is voorlopig niet opspoorbaar in het bloed.
8.2 Spieren effcinter laten werken
Uit wat voorafging, zal je wel onthouden hebben dat het (vooral bij duursporten) belang-
rijk is dat de spieren goed van zuurstofgas worden voorzien. Dat zuurstofgas komt in de
spieren via het bloed, meer bepaald via de rode bloedlichaampjes. De redenering is simpel:
hoe meer rode bloedlichaampjes je bloed bevat, hoe meer zuurstof het naar je spieren
kan transporteren. Om aan meer rode bloedlichaampjes te komen, zijn er verschillende
mogelijkheden.

Een natuurlijke en eerlijk gezegd niet zon heel effcinte methode is trainen op
grote hoogte: een hoogtestage.
Op grote hoogte zit er minder zuurstofgas in de lucht. Om je lichaam ondanks dat lage
zuurstofgehalte toch te laten functioneren, reageren je nieren met het aanmaken van
erythropoietine (Gr. erythros: rood, poiein: maken), ofte epo. Epo is een klein eiwit dat
werkt als hormoon: het werkt in op je beenmerg, zodat dat sneller rode bloedcellen
gaat aanmaken. Als je dan later terug in de Lage Landen komt om te sporten, heb je een
voordeel ten opzichte van je concurrenten die geen hoogtestage doorlopen hebben:
jouw bloed bevat immers nog een hele tijd meer rode bloedcellen dan het hunne, en
kan daarom meer zuurstof transporteren.
Onnodig te zeggen dat een hoogtestage perfect legaal is.
De Amerikaan Floyd Landis won de
Ronde van Frankrijk in 2006. Later bleek
dat hij testosteron gebruikt had.
Testosteron wordt in de sport gebruikt
om de spiermassa te vergroten.
i
n
k
i
j
k
e
x
e
m
p
l
a
a
r
24

Waarom zou je je echter de moeite getroosten van een hoogtestage als je epo gewoon
kan kopen in plaats van het zelf te produceren? Epo wordt al lang door de farmaceu-
tische industrie gemaakt als geneesmiddel tegen bloedarmoede (anemie). Zoals wel
vaker gebeurt, werd al gauw ontdekt dat het ook wel voor minder prijzenswaardige
doeleinden te gebruiken is.
In het begin werd epo gesoleerd uit de urine van mensen. Deze natuurlijke epo heeft
als nadeel dat hij snel afgebroken wordt in het lichaam, zodat je erg vaak een nieuwe
dosis moet inspuiten. Daarom werd al snel overgeschakeld op recombinante epo: epo
die geproduceerd wordt door bacterin die daar door gentechnologie geschikt voor
gemaakt zijn. Daardoor is het niet alleen mogelijk veel gemakkelijker en veel meer epo
te produceren, wetenschappers kunnen de bacterin ook een chemisch aangepaste
vorm van epo laten produceren, die veel minder snel afgebroken wordt in het lichaam
en dus minder vaak moet worden ingespoten.
In 2008 is men aan de derde generatie toe (CERA), en aan een vierde generatie wordt ge-
werkt. Die is nog veel gesofsticeerder omdat gebruik wordt gemaakt van gentechnolo-
gie bij mensen (of voorlopig nog bij dieren). Men wil als het ware een extra gen voor epo
inplanten in het erfelijk materiaal van een atleet, zodat die op een natuurlijke manier
meer epo gaat aanmaken. Deze techniek is nog in een experimenteel stadium.
Het gebruik van epo gaat gepaard met een groot risico. Een teveel aan rode bloedcellen
maakt het bloed stroperig, waardoor het hart extra belast wordt en de kans op bv. een
trombose toeneemt. De gevolgen kunnen fataal zijn: meerdere atleten zijn al gestor-
ven meestal in hun slaap door epo-gebruik.
Synthetisch (= toegediend) epo kan bij de opsporing biochemisch onderscheiden wor-
den van het epo dat door de atleet zelf geproduceerd wordt.
De Italiaanse renner Riccardo Ricco van het Saunier Duval team
was de eerste renner die betrapt werd op het gebruik van epo van
de 3de generatie (CERA).
Een medewerker van het Franse nationale antidopinglaborato
rium in ChatenayMalabry (net buiten Parijs) test urinemonsters.
Dit bureau is verantwoordelijk voor de controles tijdens de Tour de
France. Vele dopingmiddelen zijn in de urine terug te vinden.

i
n
k
i
j
k
e
x
e
m
p
l
a
a
r
25
context
Hematocriet
Een eerste aanwijzing dat iemand epo gebruikt heeft, is een verhoogde hematocrietwaarde (HT).
Dat is het volume van het bloed dat door de bloedcellen wordt ingenomen, weergegeven als een
fractie of in procenten. De hematocrietwaarde wordt bepaald door een buisje bloed te centrifuge-
ren. Onderin verzamelen dan de rode bloedcellen, daarbovenop de witte bloedcellen en bovenin
de buis het plasma.
Normale waarden:
Mannen: 40 - 54 %
Vrouwen: 37 - 47 %
De normale hematocrietwaarde van vrouwen in de vruchtbare leeftijd is lager dan die van
mannen, omdat vrouwen met de menstruatie ijzer verliezen. Mensen die op grote hoogte le-
ven, zoals Kenianen of Bolivianen, hebben van nature een veel hogere hematocrietwaarde dan
laaglanders.
Zowel zeer hoge als zeer lage hematocrietwaarden brengen gezondheidsrisicos met zich
mee. Mensen met zeer lage hematocrietwaarden lijden aan bloedarmoede. Mensen met zeer
hoge hematocrietwaarden hebben stroperiger (viskeus) bloed waardoor er meer risicos zijn op
hart- en vaatziekten.
Bij het wielrennen en enkele andere sporten wordt een startverbod opgelegd aan sporters met
een te hoge HT-waarde. De grens is daarbij 0,50, maar voor sporters met een van nature hoge
hematocrietwaarde geldt een uitzondering. Dit startverbod is eigenlijk niet bedoeld als schor-
sing, maar voor de gezondheid van de sport(st)er.

Een derde manier om aan extra rode bloedcellen te komen is bloeddoping. Daarbij
wordt bij een sporter 6 tot 8 weken voor een wedstrijd een halve tot een hele liter bloed
afgenomen. De rode bloedlichaampjes worden eruit geflterd en ingevroren bij - 80 C.
Kort voor de wedstrijd krijgt de sporter zijn rode bloedcellen terug: daardoor heeft hij
meer rode bloedcellen dan normaal, want in de tussentijd heeft zijn lichaam nieuwe
rode bloedcellen aangemaakt. De capaciteit van het bloed om zuurstof naar de spieren
te transporteren, is dus sterk verhoogd, wat de sportprestaties ten goede komt.
Het risico bij bloeddoping is hetzelfde als bij epo: de visco-
siteit (= stroperigheid) van het bloed verhoogt, wat de door-
stroming bemoeilijkt. Doordat het bloed vaak niet in ideale
omstandigheden bewaard en toegediend wordt, is er ook
een risico op infectie of vergiftiging.
Als de atleet bloed gebruikt van een donor (homologe bloed-
doping), zoals Vinokoerov in 2007, kan dit makkelijk opge-
spoord worden: de rode bloedcellen van verschillende per-
sonen vertonen immers opspoorbare verschillen. Als hij zijn
eigen bloed gebruikt (autologe bloeddoping) is het moeilij-
ker: voorlopig is daar geen opsporingsmethode voor, maar er
wordt aan gewerkt.
Er bestaan ook kunstmatige zuurstofdragers of middelen die
het plasmavolume vergroten: die zijn eveneens verboden.
Iedereen bewonderde de Kazach Alexander
Vinokoerov van het Astanateam toen die
in de Ronde van Frankrijk van 2007 puike
prestaties neerzette, ondanks zware tegen
slagen. Later werd Vinokoerov gediskwalif
ceerd wegens het gebruik van bloeddoping.
i
n
k
i
j
k
e
x
e
m
p
l
a
a
r
26
8.3 Chemische stoffen als doping
Stimulantia zijn stimulerende middelen die het zenuwstelsel oppeppen.

Een veelgebruikt stimulerend middel is cafene, dat je terugvindt in koffe, cola, thee
en sommige energiedrankjes. Cafene stond tot 2004 op de zwarte lijst van het WADA
(Wereld Anti-Doping Agentschap), maar werd ervan afgevoerd omdat de hoeveelheden
die een risico vormen voor de gezondheid ook de sportprestaties niet bevorderen. Het
laatste woord over cafene is echter nog niet gezegd.

Amfetaminen en cocane zijn drugs die het zenuwstelsel sti-


muleren. Na inname stijgt de hartslag en de bloeddruk; je voelt
je energiek en actief. In de longen gaan de longblaasjes meer
openstaan en de bloedcirculatie in de spieren neemt toe. Zo
krijgen de spieren meer zuurstof en is het lichaam in staat tot
een grotere fysieke prestatie.
De bijwerkingen van dergelijke stimulerende middelen zijn over-
moedigheid, rusteloosheid, angst, duizeligheid, hoofdpijn, beven,
slaapstoornissen, nervositeit, hartritmestoornissen, agressief
gedrag en hallucinaties. Heel wat topsporters stierven door het
gebruik van dit soort middelen, tijdens hun sport of erbuiten.
De medicijnen Modafnil en Rilatine (vitamine R) horen ook in
deze categorie thuis.
Marco Pantani (Il Pirato) won in 1998 zowel de Giro als de Tour.
In 1999 raakte hij betrokken bij een dopingschandaal. In 2004 overleed hij als gevolg van een overdosis cocane.
Narcotica en analgetica zijn medicijnen die pijnstillend werken. Voorbeelden zijn morfne,
codene, methadon en stoffen met een ontstekingsremmende werking (bijvoorbeeld pa-
racetamol). Deze middelen bevorderen de sportprestatie niet, maar ze verminderen wel
de pijn die soms met zware fysieke inspanningen gepaard gaat.
Diuretica zijn vochtafdrijvende middelen die gewoonlijk aan hartpatinten worden voor-
geschreven. Ze zorgen ervoor dat de bloeddruk daalt en dat het hart minder intensief
moet pompen. De middelen bieden de sporter het voordeel dat die minder snel vermoeid
raakt.
Daarnaast worden diuretica vaak gebruikt om het gewicht te verminderen. Voor een
vechtsporter, bijvoorbeeld, kan het belangrijk zijn om in een bepaalde gewichtsklasse te-
recht te komen.
Diuretica kunnen ten slotte ander dopinggebruik dat kan worden aangetoond in de
urine verdoezelen omdat ze de urineproductie verhogen. De bijwerkingen van diuretica
zijn gering. Duizeligheid en een droge mond kunnen tijdelijk optreden.
De lijst van het IOC bevat ook een reeks stoffen waarvoor beperkingen
gelden, zoals alcohol en cannabis. Verder vermeldt de lijst nog een aan-
tal stoffen die de dopingcontrole manipuleren, zoals middelen die de
zuurgraad van urine veranderen en daardoor de detectie van doping
bemoeilijken.
Jacques Rogge, hoofd van het Internationaal Olympisch Comit, zei
ooit in een interview: Misschien is het naef te hopen op dopingvrije
Olympische Spelen. Bedrog plegen zit mensen in het bloed. Wat denk
jij?
Jacques Rogge, voorzitter van het Internationaal Olympisch Comit (IOC)
i
n
k
i
j
k
e
x
e
m
p
l
a
a
r
De meest gebruikte dopingmiddelen hebben te maken met het aankweken van extra
spiermassa (anabole steroden) of het verhogen van de zuurstoftoevoer naar de spieren
door extra rode bloedcellen (epo, bloeddoping). Naast het feit dat het gebruik ervan niet
eerlijk is, brengen de meeste dopingmiddelen gezondheidsrisicos met zich mee.
De kern van de zaak
Drie soorten spieren

Ons lichaam bevat drie soorten spieren:


Skeletspieren vertonen een typisch dwarsgestreept patroon en maken willekeurige be-
wegingen van het skelet mogelijk.
Gladde spieren vertonen dat dwarsgestreept patroon niet en zorgen voor onwillekeurige
bewegingen van de organen.
De hartspier is dwarsgestreept maar bestaat uit een ander soort vezels dan skeletspieren.
Ze zorgt voor de onwillekeurige bewegingen van het hart en pompt het bloed door het
lichaam.
Bouw en werking van een skeletspier

Dwarsgestreepte spieren zijn opgebouwd uit lange spiervezels. Deze zijn samengevoegd
tot spierbundels: zij vormen de samentrekbare buik van de spier. Zowel de aparte spierve-
zels als de spierbundels en de spier als geheel zijn omgeven door bindweefsel dat uitloopt
in de pezen. Door die pezen is de spier verbonden met het skelet.

Spiervezels zijn zelf opgebouwd uit spierfbrillen, die een typisch patroon van lichte en donkere
banden vertonen. Elke spierfbril is opgebouwd uit een reeks sarcomeren. Het sarcomeer is de
functionele eenheid van de spier: het bestaat uit actine en myosineflamenten die ten opzich-
te van elkaar kunnen verschuiven. Wanneer een spier samentrekt schuiven de actieflamenten
tussen de myosineflamenten: op die manier wordt de spier korter en oefent ze kracht uit.
energie voor de spieren

Een spier trekt samen door toedoen van ATP: een molecule die dienst doet als universele
energiedrager in de cel. De energie zit in energierijke fosfaatbindingen: wanneer die ver-
broken worden komt er meer dan dubbel zoveel energie vrij als bij het verbreken van een
gewone fosfaatbinding.

De spier gebruikt energie uit ATP om de actineflamenten naar het midden van het sarco-
meer te schuiven: de spier wordt dan korter en oefent kracht uit.

Als haar eigen ATP voorraad op is kan een spier op drie manieren aan nieuwe ATP komen:
door overdracht van fosfaat van creatinefosfaat op ADP
door het anaerobe gedeelte van de ademhaling of glycolyse
door het aerobe gedeelte van de ademhaling.

Die drie systemen komen na mekaar in actie. Daarom is het CP-systeem geschikt voor heel
korte inspanningen, de glycolyse voor iets langere (vanaf een seconde of 10), de aerobe
ademhaling voor nog langere (vanaf 2-3 minuten).
27
i
n
k
i
j
k
e
x
e
m
p
l
a
a
r
Drie soorten spiervezels

Spieren bestaan uit drie soorten spiervezels: witte, rode en gemengde.


Witte spiervezels halen hun energie vooral uit de glycolyse: daarom zijn ze vooral ge-
schikt voor korte inspanningen. Ze zijn ook sterker dan rode spiervezels.
Rode spiervezels zijn minder krachtig dan witte. Omdat ze vooral het aerobe gedeelte van
de ademhaling als energiebron gebruiken zijn ze vooral geschikt voor lange inspanningen.

Bij training ontwikkel je de spiervezels die je voor jouw specifeke sporttak nodig hebt. Je
ontwikkelt daarbij wel hun grootte en kracht, maar niet hun aantal.
Prestaties en hartritme

De hartcyclus begint wanneer het hart nog in rust is: het vult zich dan met bloed. In een
tweede stap wordt het bloed van de voorkamers naar de kamers geperst, doorheen de hart-
kleppen. Daarna trekken de kamers samen waardoor het bloed in de grote slagaders gestuwd
wordt. Ten slotte ontspant heel het hart zich weer. Harttonen ontstaan door het dichtklap-
pen van de hartkleppen.

Bij langdurige inspanningen kunnen je spieren best niet te veel melkzuur produceren.

Bij toenemende inspanning blijft de melkzuurconcentratie in je bloed constant tot op het


niveau waarop je lichaam het melkzuur niet snel genoeg meer kan verwerken bij gebrek aan
voldoende zuurstoftoevoer. Dat niveau noemen we de aeroobanaerobe drempel.

In rust slaat het hart ongeveer 70 keer per minuut. Bij toenemende inspanning neemt je
hartritme toe tot op een bepaald niveau: daarna vermindert die toename. Het niveau waarbij
dat gebeurt noemt men het afbuigpunt.

De Italiaanse biochemicus Conconi ontdekte dat het afbuigpunt samenvalt met de aeroob-
anaerobe drempel en baseerde daarop een conditietest.

Je maximale hartritme hangt af van je leeftijd.

Training heeft al effect als je traint bij een hartritme van 55-65% van je maximale hart-
ritme.
het belang van training

Training is effectief vanaf een bepaald minimaal inspanningsniveau. Er is echter ook een
maximaal inspanningsniveau waarboven training weinig zin heeft of zelfs schadelijk is.

Het trainingseffect is het gevolg van een groot aantal biologische factoren die vooral het
aerobe functioneren van de spieren stimuleren.
gewichtsbeheersing door sport

Door sport verbeter je niet alleen je conditie, ze kan je ook je gewicht helpen beheersen.
Belangrijk daarbij is dat je langdurig aan een relatief laag inspanningsniveau traint: dan is de
afbraak van vetten het meest effcint.
Prestatiebevorderende middelen

De meest gebruikte dopingmiddelen hebben te maken met het aankweken van extra spier
massa (anabole steroden) of het verhogen van de zuurstoftoevoer naar de spieren door
extra rode bloedcellen (epo, bloeddoping). Naast het feit dat het gebruik ervan niet eerlijk is
brengen de meeste dopingmiddelen gezondheidsrisicos met zich mee.
28
i
n
k
i
j
k
e
x
e
m
p
l
a
a
r
29
Leerstof verwerken
1 In het menselijke lichaam komen drie soorten spieren voor. Welke? Noem minstens twee
verschillen.
....................................................................................................................................................................................
....................................................................................................................................................................................
....................................................................................................................................................................................
2 De contractiele eenheid van een dwarsgestreepte spier is de spiervezel. Elke spiervezel
bestaat uit een cel met meerdere kernen: een ............................................................... .
Vele spiervezels samen vormen een ................................................................., en die vormen samen de
............................................. van de spier.
De pezen, waarmee de spier met het skelet verbonden is, worden dan weer gevormd door
................................................................................................................................................................................................................
3 a Misschien wel de belangrijkste organellen in de spiercel zijn de mitochondrin. Waarom
zijn zij zo belangrijk?
.............................................................................................................................................................................
b Teken een mitochondrion en duid de delen aan.
4 Drie belangrijke eiwitten in de spiercel zijn actine, myosine en myoglobine. Wat is hun
functie?
....................................................................................................................................................................................
....................................................................................................................................................................................
....................................................................................................................................................................................
5 Hoe wordt het dwarse streepjespatroon op een skeletspier gevormd?
....................................................................................................................................................................................
....................................................................................................................................................................................
....................................................................................................................................................................................
6 a Een spier trekt samen door de vormverandering van sommige eiwitten die ze bevat.
Leg uit.
.............................................................................................................................................................................
.............................................................................................................................................................................
i
n
k
i
j
k
e
x
e
m
p
l
a
a
r
30
b Verduidelijk met een fguur.
7 De samentrekking van een spier hangt af van een molecule die ATP heet.
a Waarvan is ATP de afkorting?
.............................................................................................................................................................................
b Wat is er bijzonder aan deze molecule?
.............................................................................................................................................................................
c Hoe laat ze de spier samentrekken?
.............................................................................................................................................................................
.............................................................................................................................................................................
.............................................................................................................................................................................
8 a Op welke drie manieren kan een spiercel haar voorraad ATP aanvullen? Geef telkens een
korte omschrijving, en geef aan of het aerobe of anaerobe processen zijn.
.............................................................................................................................................................................
.............................................................................................................................................................................
.............................................................................................................................................................................
.............................................................................................................................................................................
.............................................................................................................................................................................
.............................................................................................................................................................................
b Welk systeem is het snelst aanspreekbaar?
.............................................................................................................................................................................
c Welk systeem levert het grootste vermogen?
.............................................................................................................................................................................
d Welk systeem heeft de grootste capaciteit?
.............................................................................................................................................................................
9 Noteer voor onderstaande disciplines hoe je aan je energie komt.
a gewichtheffen: ..................................................................................................................................................................
b 110 m horden: ....................................................................................................................................................................
c 400 m: ......................................................................................................................................................................................
d 3000 m: ...................................................................................................................................................................................
e marathon: ..............................................................................................................................................................................
i
n
k
i
j
k
e
x
e
m
p
l
a
a
r
31
10 Wat is het verschil tussen rode en witte spiervezels wat betreft hun snelheid, ontwikkelde
kracht, uithouding en manier van energieopwekking?
....................................................................................................................................................................................
....................................................................................................................................................................................
11 a Witte spiervezels zijn wit omdat ze veel .......................................... bevatten. Waarom is dat
nuttig?
.............................................................................................................................................................................
b Rode spiervezels zijn rood door hun hoge gehalte aan .............................................. . Waarom is
dat nuttig?
.............................................................................................................................................................................
c Rode spiervezels zijn beter doorbloed dan witte. Waarom is dat nuttig?
.............................................................................................................................................................................
d Welke spiervezels zijn het meest gevoelig voor vorming van melkzuur: rode of witte?
Verklaar je antwoord.
.............................................................................................................................................................................
e Een sprinter heeft vooral WITTE/RODE spiervezels in zijn beenspieren, een marathon-
loper vooral WITTE/RODE. Schrap wat niet past en verklaar je redenering.
.............................................................................................................................................................................
.............................................................................................................................................................................
12 Waarom is de vorming van melkzuur in de spieren nadelig voor hun werking?
....................................................................................................................................................................................
13 a Wat is de aeroob-anaerobe drempel?
.............................................................................................................................................................................
.............................................................................................................................................................................
b Wat is het afbuigpunt?
.............................................................................................................................................................................
.............................................................................................................................................................................
c Wat ontdekte de Italiaanse biochemicus Conconi in verband met deze twee gegevens?
.............................................................................................................................................................................
.............................................................................................................................................................................
i
n
k
i
j
k
e
x
e
m
p
l
a
a
r
32
14 a Een langeafstandsloper heeft belang bij een hoge anaerobe drempel of een groot
aeroob vermogen. Wat betekent dat?
.............................................................................................................................................................................
.............................................................................................................................................................................
b Heeft een kogelstoter belang bij een hoge anaerobe drempel? Waarom (niet)?
.............................................................................................................................................................................
15 Als je je gewicht onder controle wil houden door te sporten, kan je beter een lichte inspan-
ning doen gedurende lange tijd, dan een zware inspanning gedurende korte tijd. Leg uit.
....................................................................................................................................................................................
....................................................................................................................................................................................
....................................................................................................................................................................................
16 a Wat is het effect van testosteron of andere anabole steroden?
.............................................................................................................................................................................
.............................................................................................................................................................................
b Wat zijn de risicos?
.............................................................................................................................................................................
.............................................................................................................................................................................
17 a Wat is het effect van epo?
.............................................................................................................................................................................
.............................................................................................................................................................................
b Wat zijn de risicos?
.............................................................................................................................................................................
.............................................................................................................................................................................
18 a Heeft een honderdmeterloper belang bij het nemen van epo? Waarom (niet)?
.............................................................................................................................................................................
.............................................................................................................................................................................
b Bestaan er vormen van doping die een honderdmeterloper nog betere prestaties kun-
nen opleveren? Verklaar je antwoord.
.............................................................................................................................................................................
.............................................................................................................................................................................
c Heeft een marathonloper belang bij het nemen van epo? Waarom (niet)?
.............................................................................................................................................................................
.............................................................................................................................................................................
i
n
k
i
j
k
e
x
e
m
p
l
a
a
r
33
19 a Wat is het verschil tussen epo van de eerste, tweede en derde generatie?
.............................................................................................................................................................................
.............................................................................................................................................................................
b Wat is het voordeel van de meest recente vorm?
.............................................................................................................................................................................
.............................................................................................................................................................................
20 Judokas nemen soms diuretica. Waarom?
....................................................................................................................................................................................
Omgaan met informatie
1 Zoek op het internet een microfoto van een skeletspier (overlangs) en duid de onderdelen
aan.
2 Zoek op het internet of in een anatomie-atlas een fguur van de ledematen met de bijbeho-
rende spieren. Duid de grote buigende spieren (fexoren) en strekkende spieren (extenso-
ren) aan.
a Tot welke groep behoort de biceps?
.............................................................................................................................................................................
b Tot welke groep behoort de hamstring?
.............................................................................................................................................................................
c Tot welke groep behoort de quadriceps?
.............................................................................................................................................................................
3 Mensen met een erfelijk defect aan de mitochondrin in hun cellen ontwikkelen soms een
melkzuuracidose. Zoek op wat dat inhoudt en hoe het precies ontstaat.
....................................................................................................................................................................................
....................................................................................................................................................................................
....................................................................................................................................................................................
4 a Wat is een tachycardie?
.............................................................................................................................................................................
b Wat is een bradycardie?
.............................................................................................................................................................................
i
n
k
i
j
k
e
x
e
m
p
l
a
a
r
34
5 Wat is een sporthart? Wat is het risico als je een sporthart hebt?
....................................................................................................................................................................................
....................................................................................................................................................................................
6 Zoek op het internet op wie Francesco Conconi is. Waarvan is hij, behalve van de naar hem
genoemde test, nog bekend?
....................................................................................................................................................................................
....................................................................................................................................................................................
7 Zoek op het internet de namen en fotos van vijf betrapte dopingzondaars buiten de wie-
lersport. Vermeld telkens welke sporttak ze beoefenden, en op welke vorm van doping ze
werden betrapt.
....................................................................................................................................................................................
....................................................................................................................................................................................
....................................................................................................................................................................................
....................................................................................................................................................................................
....................................................................................................................................................................................
8 a Wat is het WADA?
.............................................................................................................................................................................
b Wat is het UCI?
.............................................................................................................................................................................
c Wat is het ASO?
.............................................................................................................................................................................
i
n
k
i
j
k
e
x
e
m
p
l
a
a
r
35
Practica
1 a Neem een beetje gekookte ham of een reepje kippenvlees van 0,5 cm lang en enkele
mm breed.
b Leg het op een draagglaasje en rafel het uiteen met behulp van twee prepareernaal-
den.
c Laat gedurende een minuut een druppel 1 % methyleengroen of 1 % karmijnazijnzuur
op het stukje vlees inwerken.
d Voeg een druppel water toe en bedek het preparaat met een dekglaasje.
e Onderzoek het preparaat met een microscoop bij een sterke vergroting.
Waarneming
De dunne vezels die je ziet bij de laatste stap zijn spiervezels.
Teken hieronder wat je kan zien.
Geef een korte beschrijving van hoe spiercellen eruit zien.
.............................................................................................................................................................................
.............................................................................................................................................................................
.............................................................................................................................................................................
Duid de kern van een spiercel aan op de foto hieronder.
2 Neem je hartslag in rust op en noteer hem in de tabel. Ren dan zo snel mogelijk de school-
trap op. Meet en noteer opnieuw je hartritme. Als je school meerdere verdiepingen telt
kan je op elke verdieping je hartritme meten. Als er maar n verdieping is herhaal je de
oefening nog twee keer. Je kan natuurlijk ook een andere inspanningsproef kiezen. Na de
inspanning blijf je om de twee minuten je hartritme meten. Je noteert hoe lang het duurt
voor je hart terug aan het rustritme slaat.
i
n
k
i
j
k
e
x
e
m
p
l
a
a
r
36
Inspanning/rust Hartritme
Voor de inspanning
Na 1 trappenloop
Na 2x de trappen
Na 3x de trappen
Na 2 minuten rust
Na 4 minuten rust
Na 6 minuten rust
Rustritme na ....... minuten
De snelheid waarmee je hartritme toeneemt bij de inspanning en de snelheid waarmee het
terugvalt op het rustniveau zijn een aanwijzing voor je conditie. Vergelijk de gegevens van
leerlingen die geregeld sporten met die van leerlingen die zelden of nooit aan sport doen.
Wat valt er op?
....................................................................................................................................................................................
....................................................................................................................................................................................
3 Als je over een atletiekpiste en een hartslagmeter kan beschikken kan je een echte Conconi-
test doen eventueel in samenspraak met de leerkracht LO:
Op een atletiekpiste van 400 m zet je merktekens op 200 en 400 m. De test start na een
opwarming van 10-15 minuten. Je meet je hartritme met behulp van een hartslagmeter.
Bij de test zelf loop je een aantal keren na elkaar 200 m, telkens een beetje sneller, bv. te
beginnen bij 70 s voor 200 m, tot je niet sneller meer kan. Bij elke ronde registreert iemand
je hartritme. Zet in een grafek de hartslagfrequenties uit tegen de snelheid (200 m/t) en
bepaal het afbuigpunt.
v
HF
i
n
k
i
j
k
e
x
e
m
p
l
a
a
r