Verdieping Poëzieonderwijs

Ik leer je liedjes van verlangen,
en aan je apenstaartje hangen







07-04-14
Stenden Hogeschool
1
Inhoudsopgave
Inleiding 2
Hoofdstuk 1: Het huis lijkt wel een schip! 4
1.1 Over poëzie en poëzieonderwijs 4
1.2 Kinder- en jeugdpoëzie: vroeger en nu 5
1.3 Poëzieonderwijs en beginnende geletterdheid 6
1.4 Poëtische teksten leren schrijven 7
1.5 Soorten gedichten 9
1.6 Rijm, ritme, metrum en beeldspraak 11
1.7 Over de compositie van gedichten 13
1.8 Over de inhoud van gedichten 14
1.9 Overige aantekeningen 15
1.10 Beschouwing 15
Hoofdstuk 2: Dichten doe je zo 17
2.1 Inleiding 17
2.2 Alle woorden zijn welkom 18
2.3 Leesluisteren 19
2.4 Beschouwing 19
2.5 Koen, maak je mijn schoen? 20
Hoofdstuk 3: Gedichten voor in de klas 21
Bloemlezing 22
Hoofdstuk 4: Kinderen en mezelf gedichten leren schrijven 44
4.1 Materiaal verzamelen 43
4.2 Materiaal Bewerken 44
4.3 Schrijven van het gedicht 44
4.4 Verbeteren 45
4.5 Gedicht voor je beste vriend 46
Conclusie 52
Verantwoording en literatuurlijst 53
Bijlage 1: Relevante leerlijnen poëzieonderwijs 54
fragment omslag: Bette Westera
2
Ik was veel kleiner…
Ik was veel kleiner dan de stad
en schrok nog van bedelaars
waar altijd iets niet meer aan zat.
De winkels waren hemelhoog met
witte bergen onderbroeken, waarin
gegraaid werd van het zoeken tot
handen hadden. Ik vergat de weg
die ik niet had geleerd en
liep verkeerd. een vrouw gerimpeld
van bestaan, vroeg of ik met haar op
wou gaan, want anders viel zij om.
We liepen samen krom,
als een gezinnetje van zotten.
Zij wist de weg, ik droeg haar oude botten.
Joke van Leeuwen

Inleiding

In deze verdieping ga ik onderzoeken hoe ik poëzie een belangrijkere rol in mijn
taalonderwijs kan geven. Kinderen vinden het woord- en klankspel vaak erg
interessant. Soms gaat het ze ook boven de pet, maar juist daarom is
poëzieonderwijs zo belangrijk. Ze leren taal te zien als iets waarmee gespeeld
kan worden, een mysterie dat wonderlijke vormen kan aannemen en je dingen
kan laten zeggen die je nooit voor mogelijk had gehouden. Dat speelse en
kunstige is, paradoxaal genoeg, juist een gevolg van abstracte regels en
wiskundige of muzikale structuren. Als kinderen bij gewoonte leren knutselen
met deze abstracties en daar hun eigen ideeën en fantasieën in kunnen uiten,
leren ze niet alleen een liefde voor taal, maar krijgen ze ook een rijkere beleving
van gewone teksten en wellicht een rijkere spreektaal. Ze zien woorden die elk
ander kind ziet, maar pas als de poëzie is gaan leven in het kind, zien ze dat deze
zelfde woorden zoveel andere dingen hadden kunnen zeggen.

De boeken dit ik gekozen heb voor dit onderzoek zijn zowel gericht op
volwassenen als op kinderen. Vier van deze boeken gaan niet over poëzie-
educatie, maar zijn dichtbundels of cursussen. Het boek van Jacques Vos “Het
huis lijkt wel een schip” zal in eerste instantie mijn belangrijkste leidraad
vormen wat betreft dichtonderwijs. In het eerste hoofdstuk geef ik een
samenvatting van het boek. Ik vind dat als je van plan bent goed poëzieonderwijs
te geven je zelf ook enige dichtvaardigheid moet bezitten. Daarom ga ik voor het
tweede hoofdstuk het boek “Dichten doe je zo” van Yke Schotanus en de
poëziecursus van Willem Wilmink lezen en samenvatten. In het derde hoofdstuk
ga ik gedichten verzamelen die me aanspreken en bruikbaar zijn in de klas. In
hoofdstuk vier ga ik mijn eigen poëziedidactiek formuleren. Aan de hand van de
stapjes die ik geef ga ik een eigen gedicht schrijven. Zo laat ik zien hoe zoiets
3
opgebouwd kan worden. In dat hoofdstuk zal ook zichtbaar worden waar de
ruimtes liggen om meer algemene taalonderwerpen binnen poëzieonderwijs te
behandelen.
4
De Grimvis

Weet je wat een Grimvis is?
Dat is een hele grote vis
Reusachtiger dan een walvis is,

en die Grimvis leidt een woest bestaan
in de diepte van de oceaan
waar hij geweldig tekeer kan gaan.

Hoofdstuk 1

Het huis lijkt wel een schip

Dit boek van Jacues Vos is geweldig om te lezen. Alle aspecten van het
poëzieonderwijs worden helder en op een interessante manier gebracht. Het is
ook doorspekt met prachtige gedichten. Ik ga eerst voor elk hoofdstuk een korte
samenvatting geven, dat zijn eigenlijk de aantekeningen die ik heb gemaakt
tijdens het lezen. Daarna geef ik een beschouwing van de belangrijkste dingen
die ik heb geleerd van dit boek.

1.1 Over poëzie en poëzieonderwijs
 “In verhalen en gedichten wordt in de meeste gevallen menselijk
handelen weergegeven.” P.11
 “Verhalen en gedichten kunnen de lezer inzicht verschaffen in het
menselijke, wat het betekent mens te zijn.”
 De drie benaderingen van kinder- en jeugdliteratuur: pedagogische,
literaire en kindgerichte benadering P.12
 Pedagogische benadering:
o “Kinderen zouden op een bepaald moment uit verhalen en
gedichten troost kunnen putten, bijvoorbeeld doordat ze in een
verhaal of gedicht met een door henzelf beleefd probleem worden
geconfronteerd”
o “Verhalen en gedichten zouden ook kunnen bijdragen aan een
beter begrip voor andere mensen.”
 Literair-esthetische benadering: P.13
o “Bij de literair-esthetische benadering krijgt de vorm de meeste
aandacht”
o “Het wordt ook belangrijk gevonden dat het verhaal of gedicht een
diepere betekenis kent, de tekst moet op meer dan één niveau
gelezen kunnen worden.”
 Kindgerichte benadering:
o “Bij de derde benadering gaat het er vooral om dat verhalen en
gedichten voldoen aan kinderlijke behoeften: humor, spanning,
emoties.”
 In het boek wordt gebruik gemaakt van elk van de genoemde
benaderingen. P.14
5
 “Een dichter kan (en mag) zich in een gedicht niet alleen onttrekken aan
de regels van de zinsbouw en de woordvolgorde. Hij kan ook op een
bijzondere manier omgaan met de woorden, soms zelfs (op basis van
bijvoorbeeld associaties) nieuwe woorden maken.” P.16
 “Een goede dichter is zuinig met zijn woorden, laat alle overbodige ballast
weg.”
 “De muzikaliteit van gedichten wordt bepaald door onder ander:
klankgebruik, metrum, ritme en … rijm.”
 Bij een vrije opdracht creatief schrijven schuilt het gevaar dat kinderen
een “maniertje” ontwikkelen en dat leidt “niet zelden tot voorspelbare
producten”.
 “Kinderen moeten bij het poëzieonderwijs met kennis van zaken leren,
kennis verkrijgen van de middelen die een dichter ter beschikking staan,
bijvoorbeeld: klanken en ritme herkennen, vergelijkingen opmerken, een
gedicht als een haiku herkennen en inzicht krijgen in de rol van
alliteraties.” P.17
 Poëzieonderwijs mag zich niet alleen beperken tot uitsluitend
vormkwesties. “Een leerkracht die serieus werk wil maken van de
literaire vorming van de kinderen in zijn groep beschikt niet alleen over
kennis van zaken (de leerstof), maar ook over kind-kennis.” Hij houdt niet
alleen rekening met wat zij cognitief, maar ook wat zij emotioneel
aankunnen.
 De vijf aanwijzingen van Jan van Coillie vond ik erg aansprekend: P.18
o “Laat je enthousiasme voor een gedicht blijken”
o “Breng vaak en veel gedichten in de klas”
o “Laat kinderen zelf ontdekken”
o “Je hoeft niet met elk gedicht iets te doen”
o “Stel je werkvorm in dienst van het gedicht”

1.2 Kinder- en jeugdpoëzie: vroeger en nu
 Een klassieker is “Proeve van kleine gedigten voor kinderen” van
Hieronymus van Alphen uit 1778. P.19
 In de loop van 19
e
eeuw werd langzaamaan steeds meer rekening
gehouden met de belevingswereld van het kind en kwam er iets minder
nadruk te liggen op het moralistische of lerende element. Dit had ook de
keerzijde dat de wereld van het kind soms te veel werd geïsoleerd van de
wereld van volwassenen. P.20
 Kinderpoëzie nam een nieuw wending in de jaren 50 met de opkomst van
de Paroolgroep, waar ook Annie M.G. Schmidt deel van uitmaakte. Zij
maakten gebruik van tamelijk traditionele vormen, het nieuwe zat hem
vooral in de inhoud. P.21
 Mooi gedicht: P.23
o Het ruisen van de zee
o
o Soms denk ’s nachts in bed:
o Hé,
o ik hoor het ruisen van de zee.
o
o Maar die is te ver weg
6
o en ’t is alleen de snelweg
o die zich (vooral in de nacht
o van vrijdag op zaterdag) doet horen
o
o als een eindeloze golfslag
o aan mijn oren
o
o Hans Andreus
 Een andere groep dichters die pionierswerk heeft verricht, is
Stratenmakeropzeeshow-groep. Zij werkten in eerste instantie voor de
televisie. Ook zij kozen principieel voor solidariteit met kinderen. Willem
Wilmink en Hans Dorrestijn maken deel uit van deze groep.
 De poëzie van de Blauw Geruite Kiel-groep is opener, kent een minder
strak metrum en houdt zich meer bezig met verwondering en het
geheimzinnige dan met maatschappelijk onderwerpen. Omdat deze
poëzie iets minder toegankelijk is wordt het soms ook wel gezien als
overgangspoëzie naar de poëzie voor volwassenen. P.26

1.3 Poëzieonderwijs en beginnende geletterdheid
 In de kleutergroep al beginnen met poëzie is heel belangrijk voor de
literaire vorming. P.29
 “Kennis van en inzicht in literatuur begint niet op school, maar op schoot.”
 Er zijn twee belangrijke ontwikkelingen in jonge kinderen: P.30
o Ze leren dat een prentenboek of een gedicht door iemand gemaakt
is die niet in het lokaal of thuis aanwezig is.
o Ze leren stil te staan bij vormaspecten van taal, ze gaan spelen met
woorden.
 Poëzieonderwijs voor kleuters heeft de volgende doelstellingen:
o De kinderen leren hoe ze gedichten kunnen herkennen.
o Ze ervaren dat sommige gedichten gebaseerd zijn op een spel van
klank en ritme.
o Ze ervaren dat veel gedichten een inhoud hebben waarop je kunt
reageren.
o Ze ervaren dat het lezen van of het luisteren naar poëzie plezierig
kan zijn.
 In de kleuterbouw moet je vaak inspelen op concrete situaties en daar een
gedicht bij proberen te vinden. De schrijvers vinden dat de bloemlezing
“Ik geef je niet voor een kaperschip Met tweehonderd witte zeilen” in
geen enkele basisschool mag ontbreken. P.31
 “Zo maar” een gedicht voorlezen is een prima werkvorm. Je kunt het
gedicht meerder keren voorlezen.
 Een dramales aan een gedicht koppelen is een goed idee als het om een
verhalend gedicht gaat. P.32
 In de kleutergroep besteedt je extra aandacht aan het verschijnsel rijm.
P.33
 Werkvormen in de kleuterbouw (ik noem er enkele):
o Rijmende raadsels en versjes voordragen. Schrijf de teksten op een
flap, zodat de kinderen kunnen zien dat rijmende klanken
corresponderen met dezelfde letters.
7
o De leerkracht biedt zinsparen met gepaard rijm aan. Kinderen
vullen het laatste woord van de tweede regel in.
o Leerkracht geeft een zinnetje. Leerlingen bedenken een rijmende
tweede zin. P.34
o Serie woorden die rijmen. Eén woord rijmt niet.

1.4 Poëtische teksten leren schrijven

Dit is het belangrijkste hoofdstuk van het boek, dus ik zal er uitgebreide
aantekeningen van maken.

 Gedicht:
o Mijn zoon, zo ge dichter wil worden,
o gewen uw pen om te delgen.
o
o Hebt ge zeven woorden geschreven,
o gij zult er zes met de ban slaan.
o
o Ida Gerhardt
 Drie taalfuncties: P.38
o Communicatieve functie
o Conceptuele functie (gedachten ordenen)
o Expressieve functie
 Poëzie schrijven (expressieve functie) is net zozeer een ambacht als
andere vormen van schrijven die horen bij de eerste twee taalfuncties.
 De vier fasen van het algemene schrijfproces. Deze vier fases zullen
hierna verder uitgewerkt worden met betrekking tot het
poëzieonderwijs. P.39
o 1. Verzamelen van materiaal
o 2. Bewerken van materiaal (ordenen en selecteren, wat is
belangrijk?)
o 3. Schrijven van de tekst op basis van het verzamelde en bewerkte
materiaal (kennis van tekstsoorten nodig)
o 4. Correctie en herschrijven van de tekst (heb ik mijn schrijfdoel
bereikt? ook: zinsbouw, grammatica, spelling, alinea’s)
 Voor elke fase is instructie en oefening nodig.
 In poëzieonderwijs wordt soms onterecht meer aandacht aan het proces
dan aan het product geschonken. Maar ook een gedicht moet aan
bepaalde eisen voldoen, net zoals zakelijke teksten.
 FASE 1
 “Het materiaal voor een poëtische tekst bestaat in de eerst plaats uit
woorden. Om kinderen te leren woordmateriaal te verzamelen, bestaat
een groot aantal mogelijkheden.” P.40
o Associatieoefeningen (het ene woord roept het andere op)
o Beginwoord en allerlei woorden die daarbij horen
o Kettingassociatie; bij elk woord bedenk je weer een nieuwe
associatie die niet met het beginwoord te maken hoeft te hebben.
8
o Vragen stellen over een woord; wat zie je?; welke kleuren zie je?;
welke geluiden hoor je?; wat hangt er boven je? wat kan er gaan
gebeuren?
o Telkens een aantal op elkaar rijmende woorden opschrijven.
o Woorden laten opschrijven die klanken weergeven.
o Bij een aantal woorden zo veel mogelijk tegenstellingen noteren.
o Bij bepaalde begrippen woorden laten geven voor de gevoelens die
deze woorden oproepen.
 Je kunt ook met auditieve of visuele prikkels werken; muziek of beeld
roept ook allerlei associaties op. P.41
 Mooi gedicht:
o een gedicht voel je
o van binnen als een liedje
o je neuriet het
o en dan schrijf je het op
o
o Groep 4, BS Acaciahof
 “Kinderen kunnen in het werk van professionele dichters op zoek gaan
naar “mooie woorden” (of woordcombinaties), woorden voor bepaalde
stemmingen of ervaringen en dergelijke.”
 FASE 2 en 3
 “De kinderen moeten weten wat voor soort tekst van hen wordt
verwacht.”
 Vragen die je als leerkracht het kind moet leren zichzelf te stellen: P.42
o Wat voor soort gedicht ga ik schrijven?
o Wil ik een rijmend gedicht schrijven of juist niet?
o Ga ik deze keer een lang gedicht schrijven of juist kort?
o Wat wordt het onderwerp van mijn gedicht?
o Welke woorden zouden mooi in het gedicht passen?
o Welke woorden kan ik beter niet gebruiken?
o Welke woorden kan ik in een zin bij elkaar zetten?
o Welke zinnen horen duidelijk bij elkaar?
o Heb ik eigenlijk al genoeg woorden?
 De structuur van een gedicht is een lastig onderdeel, als leerkracht kun je
helpen door een voorbeeldstructuur te geven.
 FASE 4
 “Onderzoek heeft uitgewezen dat herschrijven bij veel kinderen tot een
duidelijke verbetering van de productieve schrijfvaardigheid leidt.”
 “Kinderen moeten ervaren dat een goede tekst niet in één keer op papier
wordt gezet.”
 “Kinderen kunnen veel leren van het beoordelen van elkaars werk. Het
leren beoordelen is ook een vaardigheid die een plaats heeft binnen het
poëzieonderwijs.”
 Je kunt kinderen leren met een aandachtspuntenlijstje leren werken.
Punten die op dit lijstje kunnen voorkomen: P.43
o Wat vind je het bijzondere aan dit gedicht?
o Wat vind je bijvoorbeeld mooi gezegd?
o Welke woorden of welke zinnen vallen je heel speciaal op?
Waarom?
9
o Begrijp je alles of zou je van de dichter nog wel wat uitleg willen
krijgen?
o Gebruikt de dichter te vaak dezelfde woorden?
o Heb je voorstellen om die woorden door andere te vervangen?
o Lopen alle zinnen mooi?
o Zou de dichter in bepaalde zinnen woorden moeten schrappen?
o Loopt een zin soms beter door er juist een woord aan toe te
voegen?
o Vind je de rijmwoorden mooi gekozen?
o Waar zou je een ander rijmwoord hebben gekozen?
o Heb je daarvoor suggesties?
o Staan de zinnen in het gedicht in een goede volgorde?
o Hoe zou je deze volgorde kunnen verbeteren?
 Het lijstje leert kinderen ook kritisch met het eigen werk om te gaan.
 (einde uitleg fases)
 Het is zonde om de geschreven teksten niet te bewaren; het is een goed
idee om voor ieder kind een leesdossier aan te leggen. Hierin kunnen ze
ook allerlei andere schrijfopdrachten en ideeën voor toekomstige
gedichten en verhalen in bewaren.
 Aan het einde van het hoofdstuk worden drie prachtige lesvoorbeelden
voor verschillende leeftijden gegeven.

1.5 Soorten gedichten
 “De samenhang tussen het lezen en schrijven van poëzie is immers een
belangrijk uitgangspunt van het poëzieonderwijs.” P.48
 Mooi gedicht, voorbeeld van regelmatige opbouw:
o Zomer
o
o Het land is warm
o De weg is wit.
o
o Het duin is leeg.
o De zee is stil.
o
o De zon is grijs
o De dag is heel.
o
o Gerrit Krol
 Twee groepen gedichten: vormvaste poëzie en vrije poëzie.
 Vormvaste poëzie houdt zich aan “poëtische conventies”. Denk aan: rijm,
metrum, regelmatige strofenbouw, en het gebruik van vaste vormen als
een sonnet, kwatrijn, rondeel, ballade, haiku of elfje. P.49
 In het “Lexicon van literaire termen” staat een overzicht van wel 133
dichtvormen! Bijvoorbeeld: neepkluit, gril, telestichon, ekfrasis,
epicedium, planh, villanella, amoebaeum.
 Een verhalend gedicht kan vormvast of vrij zijn; een liedtekst is vaak een
verhalend gedicht.
 Vijf groepen gedichten: P.50
o ‘echte’ gevoels- en liefdeslyriek.
10
 Sonnet
 Rondeel
o lof- feest- en klaagliederen
 psalmen en gezangen
o hekelende of satirische gedichten
 hekeldicht
 puntdicht
 gedichten waar de dichter partij kiest voor de kinderen die
te lijden hebben onder het gedrag van gezaghebbers
o ludieke, speelse lyriek
 nonsenspoëzie
 light verses
 gedichten die leunen op klank en ritme (vooral voor jonge
kinderen)
 limerick
 Bohomil

 Bohomil
 is een dwerg
 zijn kamer
 een noot
 zijn spaargeld
 een cent
 zijn hoed
 een snipper
 zijn enig verlangen:
 met zijn beentjes hangen
o gedichten waarbij de grafische elementen belangrijk zijn
 concrete poëzie (inhoud wordt zichtbaar)
 gedichten gemaakt met behulp van krantenkoppen
 Onderdeel van het poëzieonderwijs is het zingen van liedjes en liederen.
P.51
 “Het werkplan voor poëzieonderwijs moet garanderen dat kinderen met
veel soorten gedichten in aanraking komen.”
 “Daarmee wil echter niet gezegd zijn dat we van hen een soort jonge
literatuurwetenschappers maken.” P.52
 Voorbeeld van een gedicht waarin de emotie in de voordracht belangrijk
is (vrolijk, neutraal, triest) en het verschijnsel sfeer in naar voren komt:
P.53
o Shampoo in mijn haar
o bellen aan mijn oren
o toeter op mijn kop
o molentjes erop
o nog even
o snippers scheuren
o slinger om mijn nek
o zo
o en nu een eindje fietsen
11
o dat vindt de wind zo leuk
o ik ook
o
o Jan ’t Lam
 Het is soms goed om kinderen een aanzet te geven voor het schrijven van
een gedicht zoals: P.54
o Ik ben blij dat
o ik …
o
o Je kijkt zo donker
o ben je …
 Je kunt kinderen stimuleren door mee te doen aan wedstrijden voor
kinderpoëzie of gedichten te plaatsen in de schoolkrant. P.57

1.6 Rijm, ritme, metrum en beeldspraak
 Een belangrijk kenmerk van poëtisch taalgebruik is ‘herhaling’. Hierbij
kan gedacht worden aan allerlei rijmvormen, metrum/ritme en vormen
van beeldspraak. P.59
 Rijmende klanken komen altijd voor in beklemtoonde lettergrepen.
 “Rijm in gedichten is een erfenis uit de periode waarin poëzie er meer
was om gehoord dan om gelezen te worden.”
 Een gedicht waarin zowel eindrijm, halfrijm (klinkers), alliteratie en
herhaling van eerdere rijmklanken in voorkomt: P.60
o pijltjes
o
o witte winter
o wollen wanten
o warme jas
o waar gisteren
o nog gras was
o zie ik pijltjes
o in de sneeuw
o poes volgt de pootjes
o van een spreeuw
o mijn adem is een wolkje
o witte schreeuw
o vliegt door de lucht
o
o vlug vogel vlucht
o
o Hans en Monique Hagen
 Bij ritme geef je elke versregel in een gedicht evenveel accenten.
 Bij metrisch ritme (metrum) is er sprak van een vaste opeenvolging van
beklemtoonde en onbeklemtoonde lettergrepen.
 Bij beeldspraak is een mogelijke techniek om de woordgroep ‘is net als’ in
een zin weg te laten. Een stap verder is om het basiswoord weg te laten en
alleen de metafoor op te schrijven.
12
 Personificatie is een vorm van beeldspraak die berust op vergelijking.
Levenloze zaken, voorwerpen of abstracties worden bedeeld met
menselijke eigenschappen: P.61
o Het huis is gaan slapen, ik lig in mijn bed
o maar mijn oren houden de wacht.
 Het is niet de bedoeling dat je kinderen deze technische zaken “leert”,
maar dat je ze min of meer spelenderwijs laat ervaren bij het schrijven of
lezen van poëzie.
 Ritme en metrum kun je bijvoorbeeld onderwijzen door klappen en
bewegen te koppelen aan poëzie.
 Rijmoefeningen: P.65
o Geen … zonder …
o geen … zonder …
o ---
o Zoals … hoort bij …
o hoor … bij …
o ---
o Een … is geen …
o een … is geen …
o ---
o Rijmsommen:
o 2 x 4 = 8
o Wat heb ik lang gewacht
o ---
o Rijmende vragen:
o Heb je niets vergeten?
o Ik zou het niet weten
o ---
o Gekleurde streepjes zetten onder rijmklanken
o Eindrijm weglaten en door kinderen laten invullen
 Enjambement: zin afbreken op ongebruikelijke plaats.
 Voorbeeldgedicht vergelijkingen: P.68
o Lamp
o
o het leven is een veer
o zei opa
o het springt
o maar steeds meer neer
o oud zijn maakt me moe
o
o het leven is een lamp
o zei opa zacht
o een puntje licht
o het knippert af en toe
o en eerdaags brandt het door
o
o Hans Hagen
 Vragen in een les vergelijkingen:
o Welke vergelijkingen zie je?
13
o Wat wordt met wat vergeleken?
o Kun je vertellen waarom de dichter deze zaken met elkaar
vergelijkt?
o Vind je het mooie, originele vergelijkingen?
o Kun je ook uitleggen waarom?

1.7 Over de compositie van gedichten
 Mooi gedicht: P.69
o Ga midden in je kamer zitten.
o Doe je ogen dicht.
o
o Zie met dichte ogen jezelf zitten
o op de plattegrond van je kamer.
o
o Zie met dichte ogen jezelf zitten
o op de stadsplattegrond.
o
o Zie met dichte ogen jezelf zitten
o op de kaart van Nederland.
o
o Zie met dichte ogen jezelf zitten
o op de globe.
o
o Bedenk waar, wanneer en waarom
o je je ogen weer opent.
o
o Jos van Hest
 Sommige gedichten hebben dezelfde structuur als zakelijke teksten en
verhalen: begin, middenstuk en slot.
 Grappig gedicht, geschreven door een kind:
o Feest in mijn pen
o
o Er is feest in m’n pen en gezang.
o Ze zingen dan:
o ‘pennen krassen schrijven,
o we willen hier blijven!
o Als ze dan zingen
o komen letters uit mijn pen springen.
o Er komen verhalen, gedichten, letters,
o zinnen, woorden, spetters.
o Alles op mijn blad papier,
o allemensen, wat een zootje hier.
 “Bij het lezen van een verhaal worden we geconfronteerd met onder
andere personen, handelingen van deze personen, de ruimte (plaatsen)
waar deze handelingen plaatsvinden en aanduidingen van de tijd die met
het handelen verloopt.” P.70
 Al deze kenmerken kun je apart behandelen bij het poëzieonderwijs.
 Mooi gedicht: P.71
o Inhalen
14
o
o morgen haal ik hem in
o morgen sterft hij voor de vierde keer
o ben ik dan groter
o word ik ouder
o wordt mijn grote broer mijn kleine
o – mijn ogen vind ik
o in de spiegel
o maar waar zijn de zijne
o
o Hans Hagen
 In een gedicht kun je ook een dialoog weergeven.
 Een leerkracht moet regelmatig wijzen op de manier waarop een gedicht
is opgebouwd. P.72
 “Het is bijvoorbeeld bekend dat nogal wat kinderen moeite hebben met
het schrijven van een goed slot van een gedicht.”
 Dichters baseren een gedicht nogal eens op een tegenstelling.
 Schema voor een tijdgedicht:P.74
o Opstaan
o
o Elke ochtend, tegen zeven
o …
o
o Elke ochtend, klokke zeven
o …
o
o Elke ochtend, over zeven
o …

1.8 Over de inhoud van gedichten
 ik kruip wel eens weg
 achter muren en heggen
 want er zijn dingen
 die je niet kunt zeggen

 Els Pelgrom
 “Veel gedichten gaan óók ergens over, al kost het vaak wat meer moeite
precies het onderwerp of het belangrijkste thema te nomen.” P.90
 “Volgens hem (Remco Ekkers) kunnen we in kinder- en jeugdpoëzie
dezelfde onderwerpen aantreffen als in de poëzie voor volwassenen.”
 “In kinder- en jeugdpoëzie kan best over moeilijke onderwerpen
geschreven worden, maar het perspectief moet wel bij het kind of de
jongere liggen.” P.91
 Veelvoorkomende onderwerpen in kinderpoëzie:
o De kinderwereld van alledag
o Grappige en zonderlinge verhaaltjes
o Dromen en wensen
o De dierenwereld
15
o De natuur
o Humor en nonsens
 Kinderen hoeven niet altijd hun reactie onder woorden te brengen.
Zwijgen na het lezen van een gedicht is vaak een adequate reactie.

1.9 Overige aantekeningen
 Het is een goed idee om een poëziehoek in het klaslokaal in te richten.
Hieraan plaats je als leerkracht zelf mooie, leuke of grappige gedichten en
kunnen kinderen hun eigen gedichten tonen. P.109
 Voorwaarde voor expressief voorlezen van gedichten is dat kinderen het
gedicht - misschien alleen op hun eigen manier - begrijpen. P.110

1.10 Beschouwing

Dit boek heeft me enthousiast gemaakt voor het poëzieonderwijs. Het heeft een
fijne balans tussen technische en inhoudelijke aspecten van het dichten. Jacques
Vos laat precies zien hoe je de dichtvaardigheid steentje voor steentje kunt
opbouwen.

De eerst stap is om zomaar, plotsklaps of op voorspelbare momenten, gedichten
voor te dragen; mooie, leuke, diepe en grappige gedichten. De wereld van taal,
klank en onverwachtse betekenissen spreidt zich dan uit en het kind voelt zich
verwelkomd door deze mysterieuze woorden.

En dan vraagt het kind zich af: kan ik dit ook? En de leraar beseft dan dat zijn
moment gekomen is, gooit alles in de strijd en toont: dichters zijn mensen net als
jij. Hier, neem een woord, bedenk eindeloos veel dingen die erbij horen, heel veel
woorden die net zo klinken op het einde, en noem de namen van alle dingen die
je zou zien, horen, proeven, voelen en reuken als je jouw woord in het echt zou
tegenkomen. Alles mag je denken! En alles wat je mooi vindt gooi je op een berg.
Maak er maar een zin van. Is het een zin die je zou kunnen zingen? Zing dan met
je hele hart en verder! Op de maat! Is het een zin die je een glimlach geeft? Geloof
me, schrijf er nog eentje, en je zult rollen op de grond. Is het een zin waarvan je
denkt, als niemand dát maar lezen zal? Wees niet bang, in gedichten kun je
verstoppen wat niemand weten wou. Hier, ik heb armen vol met woorden, maar
jij – jij drijft op zeeën vol met zinnen. Neem een slok en je zal weten wat je
schrijven kan.

Vos zet voor mij de deur ook open om het dichten aan allerlei andere
vaardigheden te koppelen. Ik denk dat er geen betere manier is om kinderen de
betekenis van een woord zo sterk te laten ervaren dan tijdens het dichten. Ze
stellen zich eerst alle manieren voor waarop je dat woord kan gebruiken, dan
proberen ze vele metaforen te ontdekken, vervolgens kunnen ze juist alle
tegenovergestelde woorden gaan vinden, alle dingen die dit woord nooit zal
tegenkomen. En dan ben je nog niet eens begonnen met alle klankvergelijkingen.
Als je dan vervolgens dit hele stelsel van woorden kunt gaan koppelen aan
personages die van alles ondernemen, of je probeert binnen dit stelsel van
woorden een eigen herinnering of gevoel tot uiting te brengen. Je merkt dat je
van alles met de tijd kunt doen, dat een wens waarvan je misschien niet eens
16
wist dat je die had opeens op papier getoverd kan worden. Ik kan me geen betere
manier om vreugde in taal en communiceren te vinden dan door poëzie.

Als dichter wordt je ook beloond als je kennis en interesse in de wereld hebt.
Dichten gaat erover dat je een zo groot mogelijke context terug brengt tot iets
kleins. En als je toch die hele wereld weet op te roepen heb je een goed gedicht.
Een andere vaardigheid die ook geprikkeld kan worden door dichten is de
rekenvaardigheid, met name als het over ritmische gedichten gaat en over
herhalende elementen.

In zou graag manieren willen vinden om taalonderwijs en poëzie met elkaar te
verbinden. Ik denk dat het duidelijk zal worden die samensmelting vrij natuurlijk
ontstaat. In volgende hoofdstukken waarin ik de poëziedidactiek zoals ik die zélf
in de praktijk wil gaan toepassen volop de ruimte biedt om de wat schoolsere
taalonderwerpen te verweven met poëzie. Het is natuurlijk wel zo dat kinderen
al een bepaalde bekendheid met dichten moeten hebben voordat je ook andere
taalonderwerpen door middel van dichten kunt behandelen. Het meest
interessante is dit: een van de wonderlijke wetten van de kunst is dat wanneer je
een beperking oplegt de mooiste dingen ontstaan. Mijn doel is dus niet om niet
alleen het dichten te exploiteren om haar didactisch potentieel, maar juist de
poëzie tot leven te brengen door haar langs de smalle paden en diepe krochten
van het taalcurriculum te leiden.
17
Vis
Visje wil iets zeggen,
visje kijkt me aan.
Visje tuit zijn lippen,
maar ik kan hem
niet verstaan -
nooit en nergens kan ik horen
wat visje van me wil:
ik ben waterwoordendoof
visje mensenstemmenstil.
Pieter van der Vorm
Hoofdstuk 2
Dichten doe je zo
Ik wil mij als leraar ook zelf bekwamen in het dichten. Van het boek van Jacques
Vos heb ik al heel veel geleerd en de technieken en methodes die daarin
gepresenteerd worden kan ik zelf ook heel goed gebruiken. Om mijn poëtische
gereedschapskist te vergroten lees ik het boek “Dichten doe je zo” van Yke
Schotanus. Het is een boek bedoeld voor volwassenen en hoop hiermee meer
verdieping in te vinden. Ik moet wel zeggen dat ik geen enkel gedicht in dit boek
aansprekend vind. Poëzie is sowieso een persoonlijke zaak en ik merk dat ik in
het algemeen maar weinig gedichten erg goed of aansprekend vind. Ik heb veel
blogs van dichters en poëzieverzamelaars bezocht tijdens mijn speurtocht voor
deze verdieping en heb ontdekt dat zelfs onder liefhebbers dit een
veelvoorkomende houding is; naar de echte pareltjes moet hard worden gezocht.
Hier kom ik nog op terug in het volgende hoofdstuk waarin ik mijn eigen
bloemlezing van de kinderpoëzie tentoonstel.
Ik ga dit boek niet zo grondig samenvatten als het boek van Jacques Vos en noem
alleen de dingen die van toegevoegde waarde zijn, omdat ik al veel geleerd heb
over dichten in het boek van Vos. Deze samenvatting bestaat ook vooral uit
interpretaties of voortborduursels die ik zelf bedacht heb tijdens het lezen. Ik
bespreek aan het einde van dit hoofdstuk ook nog kort het boek “Koen maak je
mijn schoen?” van Willem Wilmink, een cursus poëzie bedoeld voor kinderen.
2.1 Inleiding
 Een definitie van poëzie of van ‘goede’ poëzie is niet te geven.
 Godfried Bomans schreef: ‘Schrijven is schrappen’. P.22
 Poëzie is een ‘taalbouwsel’ dat niet het verlengstuk van een auteur is of
een directe uitdrukking van zijn gevoelens of ideeën, maar op zichzelf
staand. P.27
 Je moet er rekening mee houden in hoeverre de associaties die je als
schrijver maakt ook door de lezer gevolgd kunnen worden. P.35
18

2.2 Alle woorden zijn welkom
 Abstracte containerbegrippen zoals ‘pijn’, ‘vrijheid en ‘gevoel’
pretenderen een hoop, maar zeggen meestal weinig. P.36
 Hoe specifieker hoe universeler. P.38
 Grammaticaal knutselen: P.60-76
o Accentueren
 Woordvolgorde aanpassen
 Woord- en zinsaccenten op een ritmische manier
organiseren
o Contrasteren
 Bijvoeglijke en zelfstandige naamwoorden die een
tegenstelling van elkaar zijn
 Paradoxen: verschillende betekenislagen
 Sonnet erg geschikt voor een tegenstelling: 8 regels (rijm) 6
regels tegenstelling (rijm). Andere schema’s mogelijk: 4,4
wending 2; 3,3,3, wending, 2.
o Gelijkstellen
 Twee schijnbaar tegenstelde zaken hetzelfde laten lijken.
 Opsomming is een krachtig middel.
 Parallisme, twee opsommingen met dezelfde structuur
 Chiasme: twee zinnen opgebouwd uit dezelfde
woordgroepen, alleen is de volgorde omgedraaid
o Comprimeren
 Je moet heel voorzichtig te werk gaan als je de grammatica
aan gaat tasten.
o Emotioneel laden en vervreemden
o Meerduidig maken
 Spreekwoorden een nieuwe rol toebedelen.
 Onduidelijk maken op welk van de personages een
beschrijving slaat.
 Interpunctie weglaten
o Ontregelen
 Vreemde grammatica consequent in je gedicht gebruiken.
 Onzinwoorden gebruiken, of in gestamel vervallen.
 Grote stijlbreuken of inhoudelijke overgangen creëren.
 Logica en verwachtingen doorbreken.
 Je kunt ook juist heel dicht tegen de praattoon gaan aanzitten in een
gedicht, waardoor de subtiele nuances opeens veel meer opvallen. P.77
 Opmerkingen over woordkeus: P.79
o Zelfst. Nw.: hoe specifieker hoe beter.
o Bijv. Nw.: pas op dat zinnen niet te lang en stroperig worden, let op
ritme.
o Werkw.: gebruik woorden die acties beschrijven en beeldend zijn.
o Voegwoorden: met mate gebruiken, pas op met ‘maar’.
o Lidwoorden / bez. vnw.: schuiven met deze woorden kan hele
nieuwe betekenissen geven.
o Uitroepen en tussenwerpsel zijn in poëzie veel krachtiger dan in
spreektaal, ‘o’ heeft een speciale positie binnen de poëzie.
19
o Nieuwe samenstellingen: je kunt er ingewikkelde, lange
woordgroepen mee voorkomen en het heeft vaak poëtische kracht.
Van werkwoorden zelfstandige naamwoorden maken of
andersom.
o Woordspelingen
o Dialectwoorden, woorden uit een andere taal, jargon

2.3 Leesluisteren
 Door metrum en ritme kun je zorgen dat een gedicht ‘loopt’. P.89
 Bij metrum kijk je naar alle klemtonen, bij ritme alleen naar de
belangrijkste accenten en speelt interpunctie en zinsafbreking ook een
rol. P.92
 Eigenlijk is bij metrum alleen belangrijk of er een of twee
onbeklemtoonde lettergrepen tussen elke klemtoon zitten. P.97
 ‘Medeklinkerdichtheid’ heeft invloed op ritme. P.108
 Klinkerlengte: sommige klinkers duren langer dan andere.
 Hoe moeilijker de grammaticale constructie, hoe trager het ritme.
 Binnenrijm in een woord en medeklinkerrijm verhogen het ritme.
 Halfrijm binnen een versregel is ook een mooie vorm van rijm. P.110
 Andere rijmvormen: P.117
o Pauzerijm: laatste woord rijmt op het eerste.
o Middenrijm: twee woorden in verschillende regels rijmen op
elkaar.
o Voorrijm: de beginwoorden van regels rijmen op elkaar
o Slagrijm: dezelfde rijmklank komt heel kort achter elkaar
meerdere keren terug.
o Dubbelrijm: meerdere lettergrepen rijmen op elkaar
o Volrijm: beklemtoonde lettergrepen als eindrijm.
o Schrikkelrijm: onbeklemtoonde en beklemtoonde lettergrepen
rijmen op elkaar.
o Zwakrijm: onbeklemtoonde lettergrepen rijmen op elkaar.
o Rijk rijm: Het rijmwoord klinkt of is hetzelfde als het woord
waarop het rijmt.
o Oogrijm: rijmt alleen op het oog, maar niet als je ze uitspreekt.
o Stafrijm of alliteratie
 Halfrijm, oogrijm, schrikkelrijm, zwak rijm en rijk rijm hebben een slechte
naam binnen de poëzie. Zwakrijm kan wel mooi zijn als de
onbeklemtoonde lettergrepen interessant zijn. Halfrijm kan als je het
consequent toepast. P.124

2.4 Beschouwing
Dit boek heeft me geholpen om de complexiteit van gedichten en de
mogelijkheden die er zijn om te spelen met taal te zien. Ik vond het niet een heel
leuk boek om te lezen, omdat ik zo mijn twijfels heb over de poëtische
kwaliteiten van de schrijver, maar het zal zeker helpen om gedichten te schrijven
en te begrijpen.

20
2.5 Koen, maak je mijn schoen?
Dit boekje (104 pagina’s veel illustraties) was inzichtelijk, omdat ik hier een goed
voorbeeld kreeg van hoe je poëzie kunt onderwijzen. Willem Wilmink, zelf
natuurlijk een voortreffelijk dichter, maakt het ook interessant door alles uit te
leggen aan de hand van gedichten. Dat is ook de belangrijkste les denk ik, zorg
dat je altijd veel en goede gedichten bij de hand hebt. Eigenlijk komen alle
belangrijke poëtische elementen wel voorbij, alleen er wordt vooral op gewezen
in bestaande gedichten; het boek geeft het kind weinig handvaten en aansporing
om zelf aan de slag te gaan. En hoewel ik de meeste gedichten wel interessant
vond, denk ik dat voor kinderen veel van de gedichten niet aansprekend zijn. Hij
gebruikt namelijk veel volwassenpoëzie, dus ik denk dat het doel van het boek
niet zozeer een cursus schrijven, maar een cursus begrijpen is. Het is tegelijk ook
een geschiedenisles, omdat Wilmink gedichten uit zoveel verschillende periodes
aandraagt. Uitleggen is één kant van poëzieonderwijs, maar ik wil kinderen ook
graag enthousiast maken voor het schrijven.
21
Zinnenverzinzin
Soms kun je zinnenverzinzin hebben:
zin om de zinnen die zingen vanbinnen
naar buiten te spinnen als spinnen hun webben.
Zodra je begint is er al een begin,
Een zinnenvanbinnenverzinzinzin.
Joke van Leeuwen

Hoofdstuk 3

Gedichten voor in de klas

Voor deze verdieping heb ik zó veel gedichten gelezen. Eerst raakte ik een beetje
teleurgesteld, omdat ik maar zelden echt iets moois vond. Ik heb een
verzamelbundel van Toon Tellegen (‘Daar zijn woorden voor’) en van Willem
Wilmink (‘Ik snap het’) gelezen, daar stonden een paar gedichten in die ik echt
mooi vond voor in de klas. Ook heb ik de bloemlezing van Gerrit Komrij,
‘Nederlandse Kinderpoëzie in 1000 en enige gedichten’, deels doorgenomen,
maar daar miste ik vaak de echte vonk. Het is gelukkig toch goed gekomen toen
ik op internet een aantal verzamelaars vond die prachtig rijke, originele en leuke
gedichten bij elkaar hebben gezocht. Blijkbaar ben ik dus toch niet de enige met
de smaak die ik heb, ik denk dat ik er gewoon wat anders tegenaan kijk dan de
nogal literaire of geschiedkundige bloemlezingen die ik heb gezien.

Ik heb nu veel gedichten waar ik zelf ook echt van hou en die ik in de klas kan
gebruiken. Eigenlijk zou ik voor elk gesprek een heel lesidee kunnen schrijven,
want er zitten vaak enorm veel aanknopingspunten in. Dit hoofdstuk kun je zien
als een door mij samengestelde bloemlezing. Het is niet nodig om alles te lezen.



22

Vogels
Vogels fladderen in het rond.
Blaadjes vallen op de grond.
Het vogelhuisje zit vol.
De vogels hebben hun buikje bol.
Iedereen is blij.
De vogels vliegen vrij.
Floor, 7 jaar

Papa, waar ben je nou?

Lieve papa, waar ben je nou?
Ik mis je, ik zoek je.
Ik loop mijn benen dood om jou te zoeken.
Plaats na plaats. Dorp na dorp.
Er komt geen einde aan.
Mama is al heel lang weg,
dus ik sta er in mijn eentje voor.
Ik wil niet meer alleen zijn,
ik wil jou niet alleen zoeken.
O papa, ik hoop dat je nog leeft.
Mijn fluit klinkt niet zo vrolijk meer
als ik er nu op speel.
De vrolijke klanken zijn uit de wereld verdwenen.
Ik wil je zien, ik wil je terug.
O papa, al leefde die man nog…
dan was je hier bij mij.
Lieve papa, waar ben je nou?
Kom snel terug, omdat ik van je hou.

Geschreven door een kind (ongelofelijk, het is waar)

ik heb groene oren
paarse tenen
gele lippen
en gouden benen

23
ik heb zilveren haar
roze ellebogen
blauwe billen
en gele ogen

maar ik ben, een heel normaal kind
ik ben alleen wat kleurenblind

Rosalie, 11 jaar


De eendjes
Kom, zeiden vanmorgen de eendjes ontroerd,
dat jongetje heeft ons zo dikwijls gevoerd,
we doen het nu anders, we draaien het om.
Nu gaan we het jongetje voeren. Kom!
Ze kochten wat boter, ze kochten wat brood,
ze hadden ook ieder een mand aan hun poot,
ze kochten wat muisjes en toen nog wat sjam,
en gingen naar ‘t jongetje toe met de tram.
Het jongetje wou net de voordeur uitgaan,
toen hij daar op straat twintig eendjes zag staan.
Dag, jongetje, zeiden ze, ga maar naar binnen.
We komen je voeren; we gaan zo beginnen.
Toen moest hij gaan zitten. Hij kreeg een servet.
Ze sneden het brood en ze smeerden het vet.
Ze gaven hem stukjes van ‘t brood om de beurt,
met sjam (appel-bessen) en muisjes (gekleurd).
Hè, zeiden de eendjes, wat leuk is dat nou,
je hebt ons gevoerd, nu voeren we jou.
Zo, zeiden de eendjes, nou heb je genoeg.
Kom jij eens ‘n keer weer bij ons, ‘s morgens vroeg?
Annie M.G. Schmidt

Toejeweetwel
24
Wil je met me naar
toejeweetwel,
toejeweetwel?
Wil je met me naar
toejeweetwelwaar?
Ja, ik wil met jou
naar hoeheettut,
naar hoeheettut.
Ja, ik wil met jou
naar hoeheettutnou.
Gaan we samen in de dinges
en de weetnietmeerzovlug,
even in de komwatwasset
en dan weer naar huis terug
Joke van Leeuwen

momentopname
soms is het stil
als alle auto’s slapen
de honden dromen
de t.v. is dood
ik luister naar
de adem in mijn keel
buiten staan de bomen
open en bloot
uit vrije wil
sterren te rapen
heel
even maar
bergman

Fruit
Zullen we fruitschaal spelen?
Perzik jij,
ik abrikoos.
Zachtjes aaien langs je huid
25
en word je dan niet boos?
Nemen we allebei een hapje,
niemand zeggen,
sappig,
vlug.
Leggen we daarna onszelf
omgedraaid terug.
Edward van de Vendel

De oude reiger

Dit wordt zijn laatste jaargetijde,
de anderen zijn op reis.
Hij lijkt het lijdzaam te verbeiden,
uitkijkend over dode weiden,
behoedzaam stappend over ‘t ijs.
Totdat hij godverlaten krijst.
Willem Wilmink

Gekleurde geuren
Soms hebben geuren kleuren.
Neem bijvoorbeeld mij nou:
Na een bad ruik ik licht blauw.
Roze geurt mijn tante,
rood ruik ik als ze me zoent.
Groen hangt om geraniums,
oranje om een gepoetste schoen.
Paars snoof ik eens op
toen ik naast een opa stond.
Wie een toverbal eet ademt
gekleurde wolkjes in het rond.
Uit een doos kleurpotloden
komen ongelogen
honderd kleine regenbogen.
26
Bas Rompa

Vakantieherinnering
We zijn naar een huisje in Friesland geweest,
aan een weiland, lekker buiten,
waar je vogels kan horen fluiten:
BLIE BLIE TUU TUU BLIE TI TOE.
De supermarkt waar ik boodschappen doe,
heeft nieuwe kassa’s gekregen.
Laatst werkten ze alle negen:
BLIE BLIE TUU TUU BLIE TI TOE.
Fetze Pijlman

Op twee slakken
Twee slakken waren al sinds jaren
op weg van Groningen naar Haren.
Ten slotte kwam geheel ontdaan
de oudste bij het eindpunt aan.
Hij slikte en sprak diep bewogen:
‘Mijn broer is uit de bocht gevlogen.’
Riemke en Maurits Kok

Oud behang
In je kamer is je rare
oud gescheurd en vies behang.
Je lag er jaren naar te staren
in je bedje, urenlang.
Al die kreukels, door je gepeuter
al die scheuren in de muur.
Eerst als peuter, dan als kleuter
schiep je een kunstwerk op den duur.

27
Met jouw viltstift, jouw geklodder,
kwam er ook een soort konijn
door je sloddervos-gemodder.
Moest je muur zo’n rotzooi zijn?
En die vlek van limonade
waar jij dan een aap in ziet
waar je vader naar moet raden
maar hij ziet het lekker niet.
Al die stickers, die je later
op de gaten hebt gedaan
al die plaatjes, ach nou gaat er
nieuw behang op, ‘t zal mooi staan.
Ik zal niet zeuren, het wordt keurig
ja, daar kan je van opaan.
Het staat fleurig, toch is het treurig,
dat je viltstift-konijn,
je limonade-aap
en je scheuren en stickers
nu weg zullen gaan.
Karel Eykman

Hebben slakken een deurbel?
hebben slakken een deurbel?
heeft een mol een toilet?
dragen vissen pantoffels?
kijk jij onder je bed?
kunnen grassprieten bloeden?
past verband om de maan?
kijken kippen verdrietig?
waar komt regen vandaan?
kun je kwallensoep eten?
hebben schelpen een wang?
kan de zee opgevouwen?
is de juf wel eens bang?
28
kunnen baby’s al lezen?
loopt een boek altijd af?
hoeveel bladzijden zijn er?
waarom bestaat straf?
zijn mijn ogen de ramen?
is mijn vel dan de muur?
zijn mijn wimpers gordijnen?
is een zeehondje duur?
slijt je tong door te praten?
kunnen woorden ook op?
blijft mijn hoofd altijd denken?
stop!
Mary Heylema

Twee nachten
als alle mensen op de wereld
echt allemaal en tegelijk
dezelfde kant op lopen
tolt de aarde dan
iets sneller rond
en mijn hoofd wat minder
ik wil dat graag
omdat ik veel te lang moet wachten
tot ik je overmorgen weer zal zien
ik weet
twee nachten duurt twee nachten
maar het lijken er wel tien
Hans Hagen

Als ik niet bang was
Als ik niet bang was
zou ik het durven
Als ik het zou durven
29
zou ik slagen
Als ik zou slagen
zou ik het kunnen
Als ik het zou kunnen
zou ik het willen
Als ik het zou willen
zou ik het kunnen.
Als ik het zou kunnen
zou ik slagen.
Als ik zou slagen
zou ik het durven.
Als ik het zou durven
dan was ik niet bang.
Mark Insingel

Ooit…
Ooit, zei Fokke,
altijd scherven,
altijd brokken,
ooit zal ik iets vinden
om al het geluk
aan vast te binden.
Aan een gouden sleutelbos
of aan een lint
van hagewinde.
Dan laat ik het nooit meer los.
En je zal wel zien,
zei Fokke,
dan maak ik
nooit meer brokken.
30
Geert de Kockere

Er staat een taart in een etalage
Er staat een taart in een etalage,
een grote witte taart.
Wat moet ik doen?
Ik moet aan geld komen,
ik moet een steen door dat raam gooien,
ik moet jarig zijn,
ik moet zorgen dat die juffrouw binnen,
die met die rode lippen,
verliefd wordt op mij -
ik doe mijn ogen dicht,
druk mijn neus tegen het glas,
prevel:
taart, grote witte taart, vlieg ongeschonden door dit raam…
of moet ik zelf bakker worden, banketbakker d’excellence?
Toon Tellegen

Levensverhaal
Toen hij geboren was begon het al:
zijn moeder had de bijsluiter verloren.
Nooit wist hij waartoe dit
of dat dienen moest. Hoewel
hij toch kan raden
liep het steeds verkeerd.
Zijn vrienden durfde hij niets vragen:
in hun jeugd hadden die goed
hun eigen voorschriften gelezen
en die toen verbrand.

31
Iedereen hield alles maar geheim
en deed volmaat wat hij niet kon;
ze lachten hem al op de speelplaats uit:
een tegenstrijdigheid, verlamd
en huilend in de zon.
Pieter Ghyssaert

Hoor je wel?
Het kraakt en het tikt
bij ons in het huis.
Het zoemt en het ruist
in het oude fornuis.
Mijn kamerdeur piept,
Mijn bed zucht en steunt.
Het behang fluistert zacht
als je er tegen leunt.
We hebben ook muizen,
ondanks de kat.
‘s Nachts als we slapen
gaan ze op pad.
Je hebt bij ons thuis nooit
rust voor je oor.
Maar dat ligt ook aan mij,
want ik kwebbel maar door.
Hans Kuyper

De laatste trein
De lichten zijn overal uitgedaan.
Mensen en dieren zijn slapen gegaan,
behalve het paard in de Spoorweglaan.
Het staat in het gras van de nacht.
Het staat in het donker en wacht.
32
Luister, daar komt nog een trein voorbij,
over de spoordijk, vlak achter de wei.
De machinist kijkt al en mindert vaart.
Hij leunt wat naar buiten en roept: Dag paard!
Hij zwaait met zijn pet en hij lacht.
En dáár heeft het paard op gewacht.
Harriët Laurey

De pad en de roos
Een pad die op een tuinpad zat,
riep: ‘Wat een mooie bloemen!
Op zoveel schoonheid zal ik mij
nooit kunnen beroemen!’
Toen sprak een witte roos: ‘Wees blij
dat jij nog iets bewondert.
Ik vind mezelf ook meer dan fraai,
maar ‘t wordt alleen ontzettend saai
wanneer je niets echt mooi meer vindt,
jezelf dan uitgezonderd.’
Hans Andreus

Weet je wat
Weet je wat, dacht een man
ik ga medelijden hebben met mijzelf,
een medelijden zo groot als een steen,
als een rots, als een wolkenkrabber!
En als ik eenmaal zoveel medelijden heb met mijzelf
dan ga ik mijzelf troosten.
Hij wreef zich in zijn handen,
floot een liedje,
liep door zijn kamer heen en weer.
De zon scheen door de ramen.
Dat ga ik doen, dacht hij,
en hij ging zitten
en boog zijn hoofd.
33
Toon Tellegen

Zo stom…
Zo stom, het begon
met die rotknoop in mijn veter
en toen mijn rits, zat vast
wou niet meer naar beneden
bijna in mijn broek geplast
Liep onderweg ook nog
de ketting van mijn fiets,
het hele end me rot gerend
maar helemaal voor niets
Zo stom, vroeg juf waarom
ik te laat gekomen was,
geloof maar niet dat ze dat
geloven zou, dus loog ik maar
dat ‘k me verslapen had
mocht ik van haar zomaar
gaan zitten, zonder straf
kreeg zelfs een complimentje
omdat ik zo eerlijk antwoord gaf
Zo stom
Jan ’t Lam

Een dag in de lente
Nu zit de zon
als een duif op het dak
met melk in de krop
en verte onder de vleugels.
Mijn moeder blinkt
haar gezicht in een koperen kan
en draait de zonnen rond mijn hoofd
Ik lig warm en stil in het gras
als een duivejong in het nest
Voor het eerst zie ik de haartjes
op mijn arm. Ik voel ze groeien.
34
Armand van Assche

Het mannetje Regenpiet
Dat mannetje dat je hier zo ziet,
dat is het mannetje Regenpiet.
Wat zeg je nu? Je kent hem niet? O ja, je kent hem stellig!
wanneer de wind een beetje draait
en weer eens uit het westen waait,
dan gaat dat mannetje huilen, want hij vindt het ongezellig.
Zijn tranen rollen naar omlaag,
dan komt er weer een regenvlaag,
wat regent het weer hard vandaag, we gaan een beetje schuilen.
Hier valt een drop en daar een drop,
zet nu je paraplu maar op,
het kleine mannetje Regenpiet is weer eens aan het huilen.
Maar draait de wind van west naar oost,
dan is het mannetje weer getroost,
dan kijkt hij ook niet meer zo boos, dan lacht hij je weer tegen.
Dan zitten wij weer in de zon
en drinken thee op het balkon,
en zeggen: Hè, gelukkig is het uit met al die regen.
Soms roep ik wel eens: Huil nou niet,
wees niet zo treurig, Regenpiet,
waarom heb jij toch zo’n verdriet, je moet je tranen stelpen!
Dan roept hij knorrig naar benee:
Sofie, bemoei je d’r niet mee,
ik huil nog wel een uur of twee, ik kan het heus niet helpen.
Annie M.G. Schmidt

Paraplu
Ik heb een zwarte paraplu
die een hekel heeft aan regen.
Bij de eerste druppels: sodeju
stribbelt hij al tegen.
35
Ik trek, ik duw, ik geef een ruk
dat ding wil maar niet open.
Ik heb vandaag niet veel geluk,
ik moet door de regen lopen.
Ik heb een zwarte paraplu
die bij een bui begint te dreinen,
maar vrolijk opengaat als nu
de zon opeens zou schijnen.
Hij wil geen paraplu meer zijn
want dat is niemand voor zijn lol.
Mijn plu is gek op zonneschijn,
hij is in zijn hart een parasol.
Rob Krispijn

Vroeg wakker
Hoe vind je dat?
Het enige kind dat wakker was
in de hele stad, dat was ik.
De rest van de kinderen kwam later pas
maar het allereerste was ik.
Ik kon niet meer slapen
en ik ben opgestaan.
Ik keek achter het gordijn door de ramen
de straatlichten waren nog aan.
En de stoplichten op de hoek
die wilden nog niets doen.
Ze deden niet uit, ze deden niets aan
ze deden geen rood, ze deden geen groen.
Er was ook geen groot mens te zien
geen mevrouw of meneer.
Eén vogeltje zong heel hardop
want nu durfde hij veel meer.
Karel Eykman

36
De tijd
Waarom moeten hele uren
twee halve uren duren?
Waarom begint er na een dag,
als je een nacht lang wacht,
een nieuwe dag?
Wat is er nou voor aardigheid
aan het tellen van de tijd?
Eén uur.
Halftwee.
Maandag.
Dinsdag.
Ik doe niet langer mee.
Maart.
April.
Zomer.
Winter.
Ik doe wat ik wil.
Mijn tijd raakt nooit meer op.
Ik zet gewoon de wijzers stop.
Etenstijd?
Bedtijd?
Tijd om op te staan?
Ik trek de stekker
uit de wekker.
Ik hoor geen klok meer slaan.
Ik maak een einde aan de strijd.
Ik ga zwemmen in de tijd.
Arend van Dam

Een winkel vol boeken
Er kwam in een winkel vol boeken een hond
die keek even rustig het winkeltje rond
hij vroeg aan de juffrouw – zeg heeft u misschien
een boek over poesjes – dat zou ik graag zien
Natuurlijk meneer, zei de juffrouw verrast
‘t staat daar op die plank – bovenaan in de kast
37
heeft u -vroeg de hond- ook een trapje voor mij?
Dan klim ik erop want ik kan er niet bij
Hij pakte het boek en liep daarna weer t’rug
maar keek het niet in – hield het steeds op zijn rug
toen ging hij ermee naar de juffrouw en zei:
het is een cadeautje – cadeautje voor mij
Marianne Busser / Ron Schröder

In een koffertje
droeg ik het donker
door de deurtjes,
door de poortjes,
langs de randjes,
langs de boordjes
naar het einde van de dag.
Daar deed ik dan
het koffertje open
en liet het donker
zacht de nacht in lopen.
Geert de Kockere

Tent
We lagen, we zaten
we dronken en aten
we lachten en praatten
en praatten en praatten
hadden niet in de gaten
dan onze buren
door de millimetermuren
alles konden horen
ook het rood van onze oren.
Erik van Os

Onnozeltjes

38
zal ik jou ‘es wat vertellen?
ieder kind heeft negen vellen
één tegen de kou en één voor als ‘t warm is
één voor de regen en één voor als ‘t arm is
één voor de school en één voor de standjes
één hele dikke tegen de grotemensen
en één voor ‘t lawaai en één voor ‘t verdriet
o ja en dan zijn er nog wel méér
maar waarvoor die mogen wezen
dat weten we nog niet
J.C. van Schagen

Verdriet
Verdriet is
drie sokken:
een te weinig,
een te veel
en altijd ergens
een
helemaal alleen
Koos Meinderts

Tien dingen die je kunt doen met dingen uit je neus
Pak ze met een tangetje,
leg ze op hun zij.
Rol ze tot een slangetje,
gooi ze bij de klei.
Kneed ze, boetseer ze,
wrijf ze glad.
Maak een vorm, een worm,
of sla ze plat.
Plet ze op een postzegel
en plak die op een kaart.
39
Smeer ze op een boterham
of druk ze in de taart.
Rol ze tot een bol,
een kogel, een raket.
Schiet ze op de kast,
op het tapijt of het parket.
Week ze tot een papje,
schmink ze op je vel.
Gebruik de rest
als nagellak of gel.
Bak ze, braad ze,
stoof ze in de pan.
Geef ze aan de hond,
of smul er zelf maar van.
Of stop ze, wring ze, prop ze…
(dat is misschien de beste keus)
terug in je neus.
Frank Adam

Dictees
Grouwe gebauwen, louwe thee,
holadio, holadié,
word je broer dominee?
Heel gemakkelijk, zo’n dictee.

Jan vermeid het komietee,
holadio, holadié,
en de mijd bleikt heel tevre,
wat gemakkelijk, zo’n dictee.

Heremejee... ik heb een twee.

A-u, o-u, a-u-w,
o-u-w of dubbel ee,
word je broer moet met dt,
wat een smerig rot-dictee.
40

En ‘t zijn niet alleen dictees
waar ik hier op school voor vrees:
ook elk opstel dat ik schrijf
staat van rooie strepen stijf.

Streep toch niet zoveel meneer,
anders durven wij niet meer,
worden ons leven lang
zelfs voor brieven schrijven bang.

A-u, o-u, a-u-w,
o-u-w of dubbel ee,
d of t of een dt -
stop ermee! Stop ermee!
Willem Wilmink

De la musique avant toute chose
Toen ik die boog daar had geürineerd
en ik het zonlicht er in ving, prees ik intens,
ver van de wijsheid, die mij was geleerd:
Wat schoon kristal is er toch in de mens!
En in extase voor het lieflijke geluid:
Welk een muziek gaat van de mens toch uit!
Pierre Kemp

Verjaardag
Papa, toen ik nog niet was geboren,
Wat deden jullie dan op mijn verjaardag?

Dan was het feest natuurlijk!
Het werd altijd plechtig gevierd.

Ook als ik er niet bij was?
Ja, dan misten we je wel erg,

Maar dan zeiden we: nog twee jaar,
41
Of nog maar één jaar, en dan komt ze.

Toen werd je geboren en we riepen:
Dat is haar! We herkenden je direct.

En honderd jaar geleden?
Ja, toen ook al, twee September!

Dat is altijd je verjaardag geweest,
Vroeger en nu en voor eeuwig.
Rudy Kousbroek

Vakantie
De zee is zout.
De golf is koel.
Het ijs is koud.
De zon is zwoel.

Het strand is groot.
Het strand is klein.
De buik is bloot.
De dag is fijn.
Cyril Lansink


Een man, bonkend op zijn gedachten:
‘Jullie maken mij altijd, altijd verdrietig!’
ging ze te lijf,

en zij deinsden terug, trokken hun kraag op,
maakten hun rug krom,
wat moesten ze doen?
42
en die man liep langs een weg
en troostte zijn gedachten, betuigde zijn spijt aan zijn gedachten,
schaamde zich voor zijn gedachten,
beloofde ze alles, alles,

in het licht van de ondergaande zon.
Toon Tellegen

Eén miljoenste
Half geboren
kon ik nog zoveel kanten op.
Mijn longen konden elke lucht,
mijn tong kon alle talen.
Verschillende verhalen
kon ik nog gaan geloven,
ik kwam net uit de oven.
Ik kwam net uit het badje
en ik wist niet van de tijdklok
op de stop
en ook niet dat ik weg zou spoelen
en dat het de bedoeling was:
één richting op.
Ik was een leeg ideetje
met een beetje vorm.
Ik was de hele wereld
in een bootje in een storm.
En nu
zit ik op zwemles
en vanwege regenweer
draag ik een gele regenjas.
Ik zit in Holland in een klas,
ik spring
in deze regenplas.
Ik ben niet alles meer.
Ik voel me
één miljoenste
van wat ik vroeger was.
Edward van de Vendel

43
ik heb met michiel een erwtenschieter gemaakt
en er mee een oma op de fiets geraakt
en toen viel oma op haar kont
en viel haar gebit uit haar mond

Stijn, 7 jaar

Hoofdstuk 4

Kinderen en mezelf gedichten leren schrijven

In dit hoofdstuk ga ik de technieken die ik heb geleerd proberen toe te passen.
Dat is vooral belangrijk omdat ik zo kan ervaren welke moeilijkheden kinderen
ook zullen hebben bij het bedenken van gedichten. Ik geef dus niet alleen de
eindresultaten hier weer, maar beschrijf elke fase van het proces. Dat zijn dus
fases die aan kinderen stap voor stap geleerd moeten worden. Hieronder nog
een overzicht van wat die stappen volgens mij zijn die doorlopen moeten worden
(niet voor elk gedicht worden alle stappen doorlopen natuurlijk). Dit overzicht is
een eigen weergave en verdieping van de kennis die ik heb opgedaan in het boek
van Jacques Vos en is ook gegrond in de leerlijnen die wat mij betreft betrekking
hebben op het poëzieonderwijs. Dit overzicht van leerlijnen dat ik heb
samengesteld kan gevonden worden in bijlage 1.

4.1 Materiaal verzamelen

 Poëzie - door luisteren of lezen - kunnen begrijpen en leren wat je mooi
en minder mooi vindt. Rijmwoorden kunnen bedenken
 Mooie woorden kunnen selecteren uit bestaande poëzie of andere teksten
 Woorden kunnen ontdekken d.m.v. associatie
 Tegenstellingen kunnen bedenken
 Woorden kunnen bedenken voor iets wat je zelf hebt meegemaakt /
bedacht
 Een woord in een ruimte kunnen plaatsen (bv. bed in een slaapkamer) en
woorden bedenken die bij de ruimte horen
 Een woord aan een personage koppelen (bv. bloemenzee en timmerman)
en daar verder op door associëren
 Een woord in de tijd kunnen plaatsen; alles wat het woord heeft
meegemaakt en nog zal meemaken in de toekomst (bv. . In deze fase
worden alleen nog woorden bedacht en nog geen zinnen geschreven
 Woorden kunnen bedenken voor de gevoelens die een bepaald begrip
oproept. Deze woorden moeten het liefst specifiek en beeldend zijn.
 Geavanceerd:
 Alleen werkwoorden (die bij voorkeur een concrete actie beschrijven)
kunnen bedenken
 Alleen woorden met de klemtoon op de laatste lettergreep (of de eerste of
de middelste)
 Woorden die meerdere betekenissen hebben kunnen bedenken
 Alliteraties kunnen bedenken
44
 Grappige of mooie namen voor personages bedenken
 Kunnen associëren aan de hand van geluiden (muziek), beelden
(fotoboek), geuren, sensaties.
 Woorden kunnen bedenken die iemand uit een ander land, een andere
(sub)cultuur of uit een andere tijd zou bedenken.
 Woorden kunnen bedenken die je zou gebruiken als je een ding zou zijn
(personificatie)
 Woorden verzamelen van de Wikipedia pagina met alle veelvoorkomende
spelfouten:
http://nl.wikipedia.org/wiki/Help:Veelvoorkomende_spelfouten

4.2 Materiaal bewerken

 Leren vergelijkingszinnetjes te maken; … is als … ; … lijkt wel een … ; …
wou dat hij een … was
 Personificaties kunnen bedenken; de boom liep over de wolken, het schip
had dorst / want hij had geen mond
 Samenstellingen leren maken van de eerder gevonden woorden. Hierbij
kan ook geoefend worden met de regels voor het gebruik van een
verbindingsstreepje
 Van werkwoorden zelfstandige naamwoorden kunnen maken of
andersom
 Van te voren leren bedenken wat voor gedicht je gaat schrijven; gaat het
over een eigen belevenis, een gevoel of maak je een verhaaltje? Welke
woorden horen bij dat doel?
 Zoek één woord dat je in de eerste versregel gaat schrijven en zoek één
woord voor de laatste versregel. Zet dan losse woorden ertussenin en kijk
of je het ene woord (’t mag op een vreemde manier) langzaam in het
andere kunt laten veranderen
 Bedenk één of meerdere personages en geef ze elk een aantal woorden
(die je al hebt verzameld) die bij ze horen
 Doe de bovenstaande dingen met de woorden die je klasgenoot heeft
verzameld
 Een werkwoord bij de naamwoorden kunnen bedenken zodat een
naamwoordelijk gezegde ontstaat.
 Kunnen experimenteren met andere grammaticale begrippen uit de
zinsontleding en de woordbenoeming in combinatie met de verzamelde
woorden uit fase 1.

4.3 Schrijven van het gedicht

 Een gedicht kunnen schrijven met rijmschema AA,BB,CC,DD enz.
 Een rijmend gedicht kunnen schrijven vanuit een denkbeeldig of bestaand
personage
 Een gedicht leren schrijven dat bestaat uit alleen maar vragen
 Een gedicht kunnen schrijven dat gebaseerd is op een tegenstelling of
juist een vergelijking
 Een gedicht kunnen schrijven dat een gevoel of een herinnering uitdrukt
45
 Een ritmisch gedicht leren schrijven waarbij je accenten en klemtonen op
een mooie manier weet orkestreren
 Een dialoog tussen twee verschillende personage in dichtvorm leren
opschrijven
 Een gedicht uit drie delen leren schrijven; in het eerste deel beschrijf je de
wens van het eerste personage, in het tweede deel een heel andere wens
van het andere personage (in de tweede fase heb je ze elk hun eigen
woorden gegeven) en in het derde deel zorg je dat de wensen van beide
personages uitkomen.
 Experimenteren met dichtvormen als het elfje, de rondeel of haiku
 Een gedicht geschreven in voltooid verleden tijd waarin geoefend wordt
met het kofschip(taxietje)
 Een gedicht schrijven waarin je je voorstelt dat je op een hele ander plek
leeft, of in een andere tijd of binnen een andere (sub)cultuur. Of stel je
voor dat iemand uit die vreemde wereld jouw leven gaat leven.
 Schrijf een gedicht over een van de veelvoorkomende onderwerpen van
de kinderpoëzie:
o De kinderwereld van alledag
o Grappige en zonderlinge verhaaltjes
o Dromen en wensen
o De dierenwereld
o De natuur
o Humor en nonsens

4.4 Gedicht verbeteren

Dit is voor het grootste deel het aandachtspuntenlijstje dat Vos aan heeft
gegeven.

 Wat vind je het bijzondere aan dit gedicht?
 Wat vind je bijvoorbeeld mooi gezegd?
 Welke woorden of welke zinnen vallen je heel speciaal op? Waarom?
 Begrijp je alles of zou je van de dichter nog wel wat uitleg willen krijgen?
 Gebruikt de dichter te vaak dezelfde woorden?
 Heb je voorstellen om die woorden door andere te vervangen?
 Lopen alle zinnen mooi?
 Zou de dichter in bepaalde zinnen woorden moeten schrappen?
 Loopt een zin soms beter door er juist een woord aan toe te voegen?
 Vind je de rijmwoorden mooi gekozen?
 Waar zou je een ander rijmwoord hebben gekozen?
 Heb je daarvoor suggesties?
 Staan de zinnen in het gedicht in een goede volgorde?
 Hoe zou je deze volgorde kunnen verbeteren?
 Kun je door leestekens/interpunctie te gebruiken het gedicht verbeteren?

46
4.5 Een gedicht over je beste vriend

In dit gedicht ga ik me beperken tot basistechnieken die voor vrijwel elke
poëzieopdracht ingezet kunnen of moeten worden. Ik ga wel voor elke
basistechniek het onderste uit de kan halen, ik verwacht natuurlijk niet dat
kinderen dit zo uitgebreid zullen doen. Het geeft wel aan wat ik als leerkracht in
mijn hoofd wil hebben zitten als ik een dichtopdracht geef; het is dus geen
vrijblijvende opdracht waarbij elk resultaat even goed is. Doordat ik het zo
rigoureus heb aangepakt zie je ook op wat voor vele manieren het creatieve
denken van het kind aangeboord kan worden door zo’n opdracht.

Hetgeen ik hier beschrijf is dus een soort blauwdruk voor elke poëzieles.
Specifieke doelen binnen het taalonderwijs bereik door aan deze blauwdruk
elementen toe te voegen en de opdracht te specificeren. Als kinderen vaak met
deze technieken bezig zijn bouwen ze natuurlijk een voorraad aan woorden en
metaforen op en kunnen ze ook helemaal vrij aan de slag zijn. Het is mijn doel
om in de eerste plaats te zorgen dat kinderen plezier beleven aan het dichten,
zodat ze bijvoorbeeld ook vrij gedichten gaan schrijven als ze eerder klaar zijn
met hun gewone dagelijkse schoolwerk.

Het gedicht zal worden opgebouwd d.m.v. drie associatiestromen: vriend,
plekken waar we komen, en dingen die we samen leuk vinden. Oftewel, persoon-
plek-ding, wat een veelvoorkomende basis zal zijn. Voor elk van deze drie
worden synoniemen, metaforen en tegenstellingen gezocht, ook een
fundamentele drieslag.

Voor het vinden van synoniemen heb ik veel gebruik gemaakt van
synoniemen.net . Voor in de klas zou ik ook graag gebruik willen maken van
synoniemenwoordenboeken en rijmwoordenboeken.

Materiaal verzamelen

Vriend

Synoniemen
vriend – maatje – kompaan – makker – vrind – gabber – kameraad –
bloedbroeder – bondgenoot - hartsvriend

Metaforen (m’n vriend is als een … / m’n vriend lijkt op / doet me denken aan)
een deken - een bank op het plafond* - een hagelbui van limonadeijs* –
teennagels – pepernoten – troosthuiler – oneindig lange zomerdagen – een hele
mooie boom

Tegenstellingen
vijand – waterzus – gadeksel – rotjoch – leugenaar – rivaal - pestkop

* Samenstellingen en woordgroepen horen eigenlijk niet bij de fase waarin je
woorden verzamelt, maar vooral bij metaforen borrelen deze als vanzelf op en
dat is natuurlijk geen enkel probleem!
47
Plekken waar we komen

Bij een term als “plekken waar we komen” ben je niet op zoek naar een volledige
uitwerking van één woord, maar zoek je een opsomming van woorden. Deze
woorden werk je dan alleen oppervlakkig uit.

Opsomming en synoniemen
1. bos / woud / bomenrijk*
2. op zolder / onder het dak
3. verstopt onder een auto / wagen / vierwieler / auto-onderschuiler*
4. hoog in het topje van de boom / takkehoog* / boomzolder* / bovenste
verdieping van de boom*
5. bij zijn oma / grootmoeder / grootje / omaheelal*
6. in een torenflat / woonwolkenkrabber* / boze blokkentoren*
7. in een grote parkeergarage om de hoek / auto-opbergtoren*)
8. slaapkamer / bedkamer
9. op internet / wereld wijde web

* Dit zijn woorden die je ook als metafoor zou kunnen zien, maar zolang het
hetzelfde beschrijft beschouw ik het toch als synoniem. Daarom geef ik bij de
metaforen steeds aan wat de denk stap is. Zo stimuleer je de leerling ook om echt
iets anders dan het oorspronkelijke woord te bedenken.

Metaforen (lijkt wel / is als / doet me denken aan)
1. tuintje / eindeloze speurtochten
2. schuilplaats / geheime plek / onzichtbaarheid / knusse dinertjes
3. moterolieregen / vuur / gevaar / snelste dier op aarde (met vier poten)
4. uitkijkpost / dansen met de wind
5. oudje aan een touwtje / rimpelige liefde
6. niemandsland / huisje van papier
7. alleen zijn / lawaai
8. dromenopbergplek / een dekenzee
9. draadjestelefoon / praten zonder stem

Tegenstellingen
1. parkeerplaats / woestijn
2. in de kelder / douchehokje zonder slot
3. autorijden / fietsen
4. voeten in de aarde / een tunnel onder de grond
5. bij mijn opa / bij een baby’tje op bezoek
6. in een caravan / in een grot / in een hut
7. in de fietsenstalling / de snelweg op een autoloze zondag
8. wakkerwordkamer / tuin
9. gebarentaal / praten / tekenen op je rug

48
Dingen die we samen leuk vinden

Opsomming en synoniemen
1. boomhutten bouwen / maken / stichten
2. moppen tappen / grappen
3. logeren / bivakkeren / samen slapen
4. fietsen / karren / trappen
5. keten / feesten / lol trappen / klieren / de beest uithangen / andere
betekenis: boei / band / ketting / teugel
6. verstoppertje / verbergertje / verduikertje / verschuilertje / andere
betekenis: dichtmakertje / belemmertje / versperrertje
7. in bomen klimmen / bestijgen / klauteren
8. stiekem bespioneren / heimelijk / geheimzinnig / begluren / bespieden /
beloeren / verspieden / afluisteren
9. dansen / huppelen / springen
10. liedjes zingen

Metaforen (lijkt wel / is als / doet me denken aan)
1. hoogtehoutenhuizen / spijkerparadijs
2. onzichtbare lachmachientjes / buik die trilt / niet meer bijkomen
3. zaklantaarn / tent / niet weten waar je bent / geheimen fluisteren
4. rollen / racen / botsen / achtervolging / ontdekkingsreis
5. soldaat zijn / groot zijn /
6. wegvluchten / achtervolging / iets kwijt zijn
7. wolken aanraken / als een vlieg met lijm aan je handen
8. verrekijker / dromen over wie je vroeger was
9. voeten- en armenmuziek
10. ribben trillen / stem laten ruisen / tonen laten suizen

Tegenstellingen
1. huisje van een mol / paleis op de bodem van de zee
2. overlijdensbericht / huilen en niet uit je woorden komen
3. monsters onder m’n eigen bed / ik al slapen, feestje in de tuin
4. slenteren / zwemmen / verlamde benen
5. saaie rekensommen / brave kinderen
6. thuiskomen / bespioneerd worden / op de nek van je vader zitten
7. nooit durven traplopen / een kuil graven
8. iemand alles vragen / opbiechten / omhelzen
9. standbeeld / robot / bevroren /
10. computerstem / pijnlijke stilte / zwijgen

Materiaal bewerken

Voor de tweede fase ga ik twee technieken gebruiken. Eerst ga ik woorden
toewijzen aan allebei de personages; mezelf en m’n beste vriend. Daarna probeer
ik samenstellingen te bedenken.

49
Ik
bomenrijk / auto-onderschuiler / eindeloze speurtochten / dansen met de wind
/ alleen zijn / dromenopbergplek / praten zonder stem / douchehokje zonder
slot / wakkerwordkamer / tekenen op je rug / fietsen / verschuilertje /
klauteren / geheimzinnig / spijkerparadijs / buik die trilt / onzichtbare
lachcadeautjes / zaklantaarn / tent / geheimen fluisteren / ontdekkingsreis /
groot zijn / iets kwijt zijn / wolken aanraken / verrekijker / dromen over wie je
vroeger was / voeten- en armenmuziek / ribben trillen / stem laten ruisen /
tonen laten suizen / huilen en niet uit je woorden komen / zwemmen / saaie
rekensommen / iemand alles vragen

Jij
bloedbroeder – bondgenoot - hartsvriend / een bank op het plafond / een
hagelbui van limonadeijs / teennagels / pepernoten / troosthuiler / oneindig
lange zomerdagen / hoog in het topje van de boom /omaheelal /
woonwolkenkrabber / wereld wijde web / bij een baby’tje op bezoek /
gebarentaal / moppen tappen / als een vlieg met lijm aan je handen

Ik stop er nu mee. Ik heb deze methode nu uitgetest en ik denk dat ik hem niet ga
gebruiken in de klas. Het zou meer een methode moeten zijn voor het vinden van
woorden, voor het bewerken heeft het weinig toegevoegde waarde heb ik het
gevoel.

Samenstellingen
computerpijn / wolkomhelzing / teennagelmakker / stemmensuis / rugpost /
leugengrond /

Schrijven van het gedicht

makker, vriendje, kameraad
hoog in het woud is bomenpraat
we bouwen er een spijkerhuis
ik fluister: hoor het stemgeruis

ik heb een dromenopbergplek
het is op de slaapkamer van m’n vriend
m’n eigen bed is net een afdruiprek
hij fluistert: vriend heeft je hart gescreend

hoogtehoutenhuis
daar loopt een stiekem mens
hee maatje, wat is je grootste wens?
ik: wolken aanraken, een heel lief thuis

jij vertelt mij lachmachientjes
mijn buik rimpelt gek als jouw grootje
50
ik zing ik ben jouw aspirientjes
jij: we rennen weg, vergeet dit hele zootje

ik schater het uit, jij komt niet meer bij
verstoppertje, dans voeten- en armenbrei
wat als ik zou vallen uit dit spijkerparadijs?
ik: dan ben je een hagelbui van limonadeijs

saaie rekensommen, heel erg computerpijn
ik wil iemand vragen hoe alle geheimen zijn
m’n bloedbroeder ging weg met de trein
niemand om mee te fietsen en dat doet pijn

op mijn dromenopbergstek
verkennen we de wereld wijde plek
ik opereer je hart met een computerhand
jij: een heel lief meisje, ik sta in brand

Gedicht verbeteren

Ik vond het veel moeilijker dan ik dacht om een gedicht te schrijven. Ik ben er
een hele dag mee bezig geweest. Ik merkte ook dat het verdraaid lastig is om
rijmwoorden te bedenken. Ik zou kinderen in de bovenbouw stimuleren om een
rijmwoordenboek op internet te gebruiken. Waarschijnlijk is het ook extra lastig
om dat ik de voorbereidende fases zo grondig heb aangepakt. In de klas is het
denk ik goed om niet langer dan 15 minuten aan die fase te besteden. Dan kun je
je misschien elke les op een ander aspect focussen. Het was erg leerzaam voor
me om dit gedicht te schrijven, omdat ik heel veel moeilijkheden ervoer die ik
nog niet kende.

Als leerlingen een gedicht hebben geschreven moeten ze leren hier ook op te
kunnen reflecteren of iemand anders gedicht kunnen beoordelen. Als ik naar
mijn eigen gedicht kijk zie ik nog een paar problemen.

 De derde strofe heeft een apart rijmschema dat verder niet voorkomt, de
eerste en tweede versregel kunnen omgedraaid worden
 Als ik meer nadenk over de rolverdeling van ik en jij wordt het misschien
interessanter; dat ze elkaar allebei evenveel helpen, maar wel anders zijn
 Sommige ik’s zijn misschien wat dubbel, kan misschien vervangen
worden door ‘k
 Misschien is het mooier om overal ik fluister te doen. Of een ander woord
 Misschien kan ik nog een titel bedenken
 Spellingsfouten: armenbrij, limonade-ijs
 Twee extra lettergrepen in de zin “ik vertel je…” is qua ritme mooier
 De vergelijking tussen rimpelige buik en een grootje is niet duidelijk
 De laatste twee versregels van de vierde strofe zeggen niet zoveel
51
 De laatste twee versregels van de vijfde strofe lopen niet echt lekker

Hieronder volgt mijn uiteindelijke versie. Het is me opgevallen op hoeveel
manieren je eigenlijk naar een gedicht kunt kijken. Daar liggen ook veel
mogelijkheden om dichten in te zitten in de taallessen


Maatje

makker, vriendje, kameraad
hoog in het woud is bomenpraat
we bouwen er een spijkerhuis
ik fluister: hoor het stemgeruis

ik heb een dromenopbergplek
m’n eigen bed is net een afdruiprek
jij vond me een dekenzee zonder orkaan
ik fluister: geen droom zal ooit vergaan

daar loopt een stiekem zaklamp mens
onder ons hoogtehoutenhuis
hee maatje, wat is je grootste wens?
jij roept uit: wolken aanraken, een heel lief thuis

je vertelt mij ál je lachmachientjes
mijn buik rimpelt zo gek, net jouw grootje
we zingen liedjes en m’n ribben trillen
jij roept uit: lijkt wel of we vliegen met dit bungalowtje

ik schater het uit, jij komt niet meer bij
verstoppertje, dans voeten- en armenbrij
wat als we vallen uit dit spijkerparadijs?
‘k fluister: dan wordt je een hagelbui van limonade-ijs

saaie rekensommen, heel erg computerpijn
wil iemand vragen hoe alle geheimen zijn
m’n bloedbroeder vertrok met de watertrein
‘k fluister: niemand om mee te fietsen, tril van pijn

in mijn dromenopbergstek
verkennen we de wereld wijde plek
ik opereer je hart met een computerhand
jij zegt zacht: een heel lief meisje, ik sta in brand
52
Conclusie

Ik heb erg veel geleerd van het maken van deze verdieping. Had was ook niet
mogelijk geweest voor mij om goede poëzielessen te geven als ik het niet zo
onderzocht had, want er komt heel wat kijken bij echt goed poëzieonderwijs.
Alleen al m’n ontdekking van zoveel goede gedichten is goud waard.

Om alle mogelijke taalonderwerpen te bespreken die binnen een poëzieles
onderwezen kunnen worden is niet nodig binnen deze verdieping, want elk
onderwerp zal extra voorbereiding opleveren. Het belangrijkste is dat ik de basis
nu begrepen heb en weet hoe ik daar creatief mee kan omspringen.

Ik hoop veel mooie poëzielessen te geven en het allermooiste lijkt het me als
kinderen echt op ontdekkingsreis leren gaan door de mogelijkheden van poëzie.
Ik zelf wil ook meer gaan experimenteren. Ik had nog nooit een echt gedicht
geschreven en vond het erg leuk om te doen. Ik zie ook in dat er nog van alles aan
morrelt en dat het nog lang niet kan tippen aan de pareltjes die ik verzameld heb.
Hopelijk kan ik met flink wat oefening ooit iets schrijven dat opvallend
onopvallend daar tusen kan staan.


53
Tijdsverantwoording en literatuurlijst

 Lezen en samenvatten “Het huis lijkt wel een schip!” : 9 uur
 Lezen en samenvatten “Dichten doe je zo” 5 uur
 Lezen en samenvatten “Koen, maak je mijn schoen?” 2,5 uur
 Lezen “Daar zijn woorden voor” 1,5 uur
 Lezen “Ik snap het” 1 uur
 Gedichten verzamelen op internet: 9 uur
 Schrijven van inhoudelijke gedeeltes verdieping: 8 uur
 Gedicht bedenken en het proces beschrijven: 10 uur
 Afronden en corrigeren: 3 uur

Ik heb gelezen:

Het huis lijkt wel een schip / Jacques Vos
Dichten doe je zo / Yke Schotanus
Koen, maak je mijn schoen / Willem Wilmink
Daar zijn woorden voor / Toon Tellegen
Ik snap het / Willem Wilmink

Veelbezochte websites:

www.snotneusjes.wordpress.com
www.gedichten.nl
http://www.poezie-leestafel.info/joke-van-leeuwen
op google gezocht naar “gedichten door kinderen” en zo losse gedichten
gevonden
54
Bijlage 1: Leerlijnen relevant voor poëzieonderwijs

Leerlijn 1 Lees- en schrijfmotivatie
1.5 Ze ervaren geschreven taal als expressiemiddel.
1.8 Ze waarderen bestaande werken op het terrein van poëzie.
Leerlijn 2 Interactief Leren
2.11 Kinderen construeren in samenwerking met anderen nieuwe kennis.
2.12 Ze kunnen nieuwe kennis overdragen aan anderen.
Leerlijn 2 Technisch Lezen
2.2 Ze herkennen lettergrepen in geschreven woorden.
2.5 Ze maken gebruik van de context van een woord.
Leerlijn 3 Taalgebruik
3.7 Ze kunnen hun gevoelens verwoorden.
3.13 Ze onderkennen dat het belangrijk is dat hun taalgebruik verzorgd is.
3.14 Ze weten hoe ze de effectiviteit van hun taalgebruik kunnen vergroten.
3.15 Ze houden rekening met interculturele verschillen in taalgebruik.
Leerlijn 4 Woordenschat
4.3 Ze leiden nieuwe woordbetekenissen af uit verhalen.
4.6 Kinderen verbreden en verdiepen hun woordkennis.
4.7 Ze hanteren strategieën voor het afleiden van woordbetekenissen.
4.8 Ze hanteren strategieën voor het onthouden van woorden.
4.10 Ze begrijpen figuurlijk taalgebruik.
4.11 Kinderen kunnen hun woordenschat zelfstandig verbreden en verdiepen.
4.14 Ze leggen zelf betekenisrelaties tussen woorden.
4.15 Ze passen figuurlijk taalgebruik toe.
Leerlijn 6 Vertellen en Presenteren
6.7 Ze selecteren bij de voorbereiding relevante informatie.
6.8 Ze formuleren zorgvuldig en expressief.
6.10 Ze houden rekening met de achtergrondkennis van de toehoorders.
6.13 Ze vertellen en presenteren expressief en op een persoonlijke manier.
Leerlijn 6 Informatieverwerving
6.8 Ze zoeken de gewenste informatie op in verschillende informatiebronnen,
zoals woordenboeken, encyclopedieën, week- en dagbladen, tijdschriften,
spoorboeken, reisgidsen, atlassen en internet.
6.11 Ze stellen zichzelf relevante vragen voor, tijdens en na het lezen van een
tekst.
Leerlijn 7 Leeswoordenschat
7.1 Kinderen breiden hun conceptuele netwerken uit, zodat diepe woord
betekenissen ontstaan.
7.2 Ze maken onderscheid tussen vorm- en betekenisaspecten van woorden.
7.6 Kinderen weten dat woorden onderschikkende en bovenschikkende
betekenisrelaties kunnen hebben.
7.7 Ze weten dat woordparen betekenisrelaties kunnen hebben, zoals
tegenstelling en synoniem.
7.8 Ze passen figuratief taalgebruik zelf toe.
7.10 Ze weten hoe ze woorden kunnen opzoeken in naslagwerken
(woordenboek, encyclopedie).
Leerlijn 8 Reflectie op geschreven taal
8.3 Ze maken onderscheid tussen woordsoorten.