You are on page 1of 16

Maar de verdere ontwikkeling en bespreking van de Rabbijnse wet dankt

ook veel aan de categorien en de formuleringen, zelfs de terminologie


van Islamitische juristen. Een duidelijke uitoefening is in de praktijk van
responsa, de Rabbijnse teshuvot en de Islamitische fatwa. De vroegste
nog bestaande voorbeelden van de twee zijn ruwweg eigentijds, maar
hier kunnen we een gemeenschappelijke bron vinden in de responsa
prudentium van de Romeinse juristen, die er veel eerder waren n ofwel
en waarschijnlijk ten grondslag liggen aan beiden. In de literatuur van de
filosofie en zelfs van de theologie kan men zonder aarzeling zeggen dat
de invloed van de Islam naar het Jodendom vloeide en niet andersom.
Het bewustzijn van een theologie van religieus geformuleerd geloof op
basis van filosofische principes, was vreemd voor de Joden van Bijbelse
en Talmoedische tijden. De opkomst van een Joodse theologie vond
bijna geheel plaats in Islamitische landen. Het was het werk van
theologen die zowel de concepten en de woordenschat (hetzij in het
Arabisch of samengevoegd in het Hebreeuws) van de Islamitische kalam
gebruikten. Dit illustreert een andere belangrijke invloed, de
lexicologische (Leer van de woordenschat en de betekenis van de
woorden) invloed van het Arabisch op het Hebreeuws. Arabisch en
Hebreeuws zijn natuurlijk verwante talen met een grote
gemeenschappelijke basis. Het ontlenen of nabootsen van lexicologisch
materiaal van de ene naar de andere was dus makkelijk. Opgeleide
Joden in Islamlanden in de middeleeuwen waren geheel bekend met
beide talen. Een zeer groot deel van de filosofische en
wetenschappelijke woordenschat van het middeleeuws Hebreeuws,
waarvan een groot deel is overgegaan in het modern Hebreeuws, werd
gevormd door caique of geleende vertaling uit het Arabisch. Om n
voorbeeld te geven: de Hebreeuwse murkav, verbinding, is duidelijk een
geleende vertaling van het Arabische murakkab. Er zijn vele andere
soortgelijke totstandkomingen. Dit roept de grotere vraag van de
Arabische invloed op Hebreeuwse filologie op (De historische en/of
vergelijkende taal- en literatuurwetenschap). Joden die het Hebreeuws
bestuderen om een beter begrip van de Hebreeuwse Bijbel te krijgen,
volgden veel procedures bedacht door Moslims die het Arabisch
onderzochten met een parallel doel om de heilige tekst van de Koran te
bestuderen. De oorsprong , de groei en ontwikkeling van grammatica en
lexicografie, de wens en het streven om een authentieke tekst vast te
stellen, zijn opmerkelijk gelijk in de twee religies , en de vraag rijst
onvermijdelijk of er een verband tussen te activiteiten van de Masoreten
(Massora collectie van commentaar op de Hebreeuwse tekst van het
Oude Testament, dat is nageleefd tussen de 7e en 10e eeuw voor
Christus (beschouwd als de autoriteit op het gebied uitspraak en
grammatica) en hun zorg voor de tekstvaststelling van de Hebreeuwse
Bijbel, en de parallelle en waarschijnlijk vroegere Moslim inspanning om
een gezaghebbende tekst van de Koran vast te stellen. De Moslim
invloeden op het Jodendom gingen verder dan de wereld van denken en
geleerdheid en benvloede zelfs de rituelen en aanbidding van de
synagoge. Dr. Naftali Wieder publiceerde enkele jaren geleden een
opmerkelijke studie over Islamitische invloeden in de Joodse aanbidding.
Dit is overigens n van de weinige wetenschappelijke Hebreeuwse
werken vertaald in het Arabisch. In de literatuur en de kunsten is de
Islamitische invloed op de Joden enorm, en het is bijna volledig n
richting. Hebreeuwse pozie , in de middeleeuwse gouden eeuw , volgt
zeer nauw op de intonatie en techniek van Arabische pozie en
inderdaad het hele systeem van symbool en toespeling. Hoewel
geschreven in een niet-Islamitische taal en schrift, behoren
middeleeuwse Hebreeuwse pozie en veel van de proza literatuur tot
dezelfde culturele wereld als Arabisch en de andere literaturen van de
Islam. Islamitische invloed op Hebreeuwse pozie is niet beperkt tot de
Joden van de Islamitische wereld; het is zelfs verspreid via Spanje naar
de Provence. In de beeldende kunst, hebben het Jodendom en Islam
bepaalde gemeenschappelijke opvattingen over de vertegenwoordiging
van de mens en zelfs dierfiguren, en beide werden benvloed door de
resulterende richting van artistieke expressie. Er zijn opvallende
gelijkenissen tussen de Islamitische kunst en Joodse kunstwerken niet
alleen geproduceerd in Islamitische landen, maar, net als bij pozie, ook
in het Christelijke Europa, waar bijvoorbeeld Joodse boekverlichting
enerzijds en Joodse Synagoge architectuur aan de anderzijds
herkenbare Islamitische invloeden tonen. Een vergelijking tussen de
Joden van het Christendom en de Joden van de Islam laat zien in
hoeverre de Joodse minderheden de zeden en de normen van de
dominante gemeenschappen overnamen, ook op het gebied van intieme
persoonlijke en religieuze betekenis. Een duidelijk voorbeeld is de wet
over het huwelijk. Een van de duidelijkste en meest opvallende
verschillen tussen het Christelijk en Islamitisch gebruik is dat terwijl de
Islam polygamie toestaat, maar geen bijvrouwen (concubines), verbiedt
het Christendom beide. In de Christelijke wereld namen de Joden
monogamie over en praktiseerde dit tot op het punt dat het een
wetsregel werd; in de Islamitische wereld beoefende de meeste Joodse
gemeenschappen polygamie of stonden het in ieder geval toe, tot zowat
de dag van vandaag. Een ander zeer opvallend verschil is in de
perceptie van het martelaarschap en de omstandigheden waarin het een
plicht wordt. Er is een Joods-Christelijke traditie van martelaarschap - en
dit is n geval waar men deze nogal overbelaste uitdrukking Joods-
Christelijk gebruikt - volgens welke de gelovige beter afstand kan doen
van zijn leven in plaats van zijn religieuze overtuigingen. Joden eren nog
steeds de oude Joodse martelaren: Hannah en haar zonen, Rabbi Akiva
en zijn metgezellen en vele anderen. Dezelfde traditie werd gehandhaafd
door de Christenen en ook, zonder gebrek aan kansen, door de Joden in
Christelijke landen. Christendom was een religie die martelaren zowel
creerde als verstrekte. In de Islamitische wereld gaven zowel de
Moslims als hun onderdanen, met misschien wel de gedeeltelijke
uitzondering van de Sjiieten, een wat meer ontspannen beeld. In een
reeds aangehaalde vers, bepaalt de Koran dat er geen dwang is in de
godsdienst, welke werd uitgelegd als mensen die niet kunnen of mogen
worden gedwongen hun geloof te veranderen, tenzij ze natuurlijk
heidenen en afgodendienaren zijn, in welk geval zij dan geen aandacht
verdienen. Maar er waren weinig of geen heidenen of afgodendienaren
in de centrale landen van de Islam, waar de belangrijkste traditie werd
gevormd en waaruit het gemeenschappelijke historische geheugen zich
ontleent. Voor Christenen en Joden onder Islamitische heerschappij,
kwam de kwestie van gedwongen bekering en dus van het
martelaarschap zelden aan de orde. Voor de Moslims zelf, kwam het pas
eeuwen later aan de orde. De Islam beschikt echter over het begrip van
martelaarschap, wat inderdaad wordt gempliceerd door een woord met
dezelfde betekenis. De Islamitische term voor martelaar is shahid, vanuit
het Arabisch wat getuigen betekend, en komt dus overeen met het
Griekse martyros. Het gewone Arabische woord voor een getuige in de
juridische zin is shahid, van dezelfde oorsprong. Maar een Moslim
shahid is iets heel anders dan een Joodse of Christelijke martelaar. De
shahid is iemand die sterft in de strijd en vecht in de heilige oorlog voor
de Islam. Omdat de heilige oorlog een religieuze verplichting is voor de
gelovigen, en diegenen die voldoen aan die plicht en worden gedood
worden beschouwd als martelaren in de technische Islamitische
betekenis van het woord, en komen in aanmerking voor de beloningen
van het martelaarschap. De Joods-Christelijke notie van martelaarschap,
te lijden en te getuigen voor zijn geloof in plaats van het geloof af te
zweren, is niet onbekend bij de Islam. Het lot van de Medina Joodse
stam van de Banu Qurayza, die de dood accepteerde in plaats van hun
geloof af te zweren, is een deel van de semi - gewijde biografie van de
profeet en is omgeven met respect, soms grenzend aan bewondering.
Maar dit werd niet gezien als een voorbeeld voor Moslims te volgen, als
het niet om een andere reden was, want in de vroege vormende eeuwen
van de Islamitische geschiedenis was de vraag niet aan de orde en
werden de Moslims niet op de proef gesteld. In de zeldzame gevallen
waarin Moslims onderworpen werden aan religieuze dwang, was dat
binnen het geloof in plaats van buiten, en ontstond uit pogingen van n
of andere school die de Islamitische Leer uitsprak en op de rest oplegde.
In een dergelijke situatie was het normaal om een lankmoediger kijk aan
te nemen op de naleving ervan, en de Leer groeide en werd algemeen
aanvaard dat het toegestaan was om zijn ware geloof te verbergen
zolang men het in eigen hart en geest bewaarde, dat het redelijk was
zich aan te passen aan de heersende doctrines om te overleven, zodat
te zijner tijd, wanneer de omstandigheden gunstiger waren, men hun
ware geloof zou kunnen hervatten en verkondigen. Zodra dit principe
werd aangenomen, was het in staat zich uit te breiden. Eeuwen later,
met de Islamitische terugtocht uit Spanje en Itali, werden Moslims
geconfronteerd met een nieuwe en veel grotere bedreiging voor hun
geloof, niet alleen de druk van een rivaliserende Islamitische Leer, maar
de vastberaden vervolging van een concurrerende religie. Sommigen
kozen martelaarschap of verbanning. Anderen pasten zich aan en
bewaarde hun eigen religie in het geheim, zolang dat mogelijk was. Deze
reactie op de vervolging is natuurlijk bekend in de Joodse geschiedenis
en staat bekend als marranise, de praktijk van de Spaanse en Portugese
Maranen die getroffen waren door de bekering tot het katholicisme, maar
hun Joodse geloof behielden en in zekere mate zelfs in het geheim
aanbeden, totdat zij in een andere tijd of meer algemeen een andere
plaats kwamen, waar het mogelijk was om openlijk terug te keren naar
hun eigen geloof. Belangrijk is dat het fenomeen van marranisme in de
Joodse geschiedenis zich vrijwel beperkt tot de landen van de
Islamitische beschaving of invloed. De opmerkelijke voorbeelden zijn de
Joden van Spanje en Portugal na de verdrijving. Andere voorbeelden zijn
geattesteerd in Islamitische landen van Noord-Afrika naar Iran en
Centraal-Azi. Het is bijna volledig onbekend bij de Joden van het
Christendom die aan oneindig veel grotere vervolgingen leden, in een
nieuwsgierige overeenstemming met hun vervolgers, voor de dood
kozen of verbanning in plaats van onderwerping. Sommige
middeleeuwse Joodse auteurs, onder wie de grote Maimonides,
probeerde zelfs om een theoretische rechtvaardiging voor dit contrast te
bieden en voerde op theologische gronden aan dat terwijl een Jood
marteling en dood moet lijden in plaats van te spreken van een
Christelijke geloofsbelijdenis, hij zich kan bekering tot de islam om te
overleven. Het grote verschil was dat terwijl de Joden de Islam erkende
als een strikte monothesme gelijk zij erop na houden, hadden ze wat
twijfels over het Christendom welke ze deelden met de Moslims. Voor
degene die beide verklaringen niet geloofden, was het minder meineed
te getuigen dat Mohammed de profeet van God was, dan te getuigen dat
Jezus de Zoon van God was. Deze onderscheidingen, terwijl er geen
twijfel bestond op basis van een onvolkomen begrip van de Christelijke
Leer, waren niettemin van belang bij het vormgeven van interreligieuze
attitudes. Een ander punt waarop het Jodendom en de Islam dichter bij
elkaar waren dan elk van hen tot het Christendom, was de kwestie van
de spijswetten. Islamitische spijswetten zijn niet zo streng als die door de
Rabbijnse wet worden opgelegd. De versoepeling van een aantal van
deze beperkingen is specifiek in de Koran vermeld en inderdaad werd de
bereidheid om kameelvlees te eten soms gebruikt als een test van de
oprechtheid van een Joodse bekeerling, veeleer de manier waarop het
eten van varkensvlees was opgelegd aan Joodse bekeerlingen tot het
Christendom. De Moslims echter deelde het Joodse verbod op het
varken en enkele mindere kwalijke zaken. Belangrijker is dat zij het besef
deelden, onbekend in het Christendom, dat sommige voedingsmiddelen
waren toegestaan en andere verboden door de goddelijke wet. Dit kan
zelfs praktische consequenties hebben. Moslims werd door de meeste
religieuze autoriteiten toegestaan Joods vlees te eten, een zaak van enig
belang wanneer men in het buitenland reisde in landen waar er Joodse
gemeenschappen woonden, maar geen Moslims. Joden van hun kant
echter, terwijl het hen niet was toegestaan Moslims vlees te eten,
hadden toch veel grotere affiniteit met de algemene Islamitische
houding. De belangrijkste uitzondering was de Sjiitische Islam die, door
zijn nadruk op rituele reinheid en op het vervuilende effect van contact
met een dhimmi die voedsel bereide of zelfs door een Jood aangeraakt
was afwezen als onrein, laat staan dat ze de rechtmatigheid van Joods
vlees toestonden. Als we vergelijken maken met de Islamitische houding
tegenover Joden en de behandeling van de Joden in de middeleeuwen
met de positie van Joden te midden van hun Christelijke buren in het
middeleeuwse Europa, zien we enkele opvallende contrasten. Zelfs de
vijandelijkheden van de twee grootste gemeenschappen verschillen
aanzienlijk. In de Islamitische samenleving is vijandigheid jegens de
Jood niet theologisch. Het is niet gerelateerd aan een specifiek
Islamitische Leer, noch aan enig bijzondere omstandigheid in de
Islamitische heilige geschiedenis. Voor Moslims is het geen deel van de
barensween van hun religie zoals het voor Christenen is. Het is eerder
de gebruikelijke houding van de dominante aan de ondergeschikte, van
de meerderheid op de minderheid, zonder extra theologische en daarom
psychologische dimensie wat Christelijk antisemitisme zijn unieke en
bijzondere karakter geeft. Mede door het niet - ideologische karakter van
de vijandigheid tegen Joden, deels ook vanwege de Joodse minderheid
in Islamitische landen, in tegenstelling tot die van het Christendom, n
van de vele minderheden in een divers en pluralistische samenleving,
vielen ze veel minder op. Dit is over het algemeen een voordeel. Over
het algemeen schonken moslimpolemisten weinig aandacht aan de
relatief onbelangrijk Joden. Voor zover ze zich vaardigden om de
vervangen religies te bespreken, ze zijn veel meer bezig met de
Christenen die, als de dragers van een concurrerende evangeliserende
religie en meesters van een rivaliserend universeel Rijk, bood een
serieus alternatief en dus een potentile bedreiging voor de Islamitische
dispensatie en de Islamitische oecumene (bijvoeging vertaler:
Oecumene is afgeleid van het Griekse woord , oikoumen dat
wil zeggen de bewoonde wereld. Met deze term wordt gewoonlijk een
groeien naar religieuze eenheid aangeduid, verwant met het irenisme. In
de brede betekenis kan dit gezien worden als een streven naar
wereldwijde religieuze eenheid, een eenheid van alle christelijke kerken).
De Joden boden geen politieke bedreiging voor de Islamitische
wereldorde, geen religieuze uitdaging voor het Islamitische geloof, noch
concurreerden ze, zoals de Christenen, met de Moslims voor de loyaliteit
van de nog onbekeerde heidenen. Ondanks de veroordeling van Joden
en het Jodendom in de Koran, en in beide zowel nabeschouwing als de
hadith, was de anti-Joodse polemiek zeldzaam, en indien het
tevoorschijn kwam bleek het bijna altijd het werk van Joodse
bekeerlingen tot de Islam te zijn die hun eigen verandering van geloof
rechtvaardigden en hun nieuwe geloofsgenoten feiten en argumenten
gaven om te gebruiken tegen hun oude geloof. Ongeveer hetzelfde kan
worden gezegd over Christelijke bekeerlingen die, vanwege hun grotere
aantallen en het belang, een veel grotere indruk achterlieten. De ideen
en houdingen gebracht door Christelijke bekeerlingen tot de Islam, was
een zekere vijandigheid jegens de Joden, die soms islamitische
geschriften over dit onderwerp benvloede. Professor Moshe Perlmann,
die van deze literatuur een uitgebreide studie heeft gemaakt, merkt op
dat: Het lijkt erop dat een zeer grote beslissende mate waarmee
Islamitische polemiek tegen Joden en het Jodendom ontstaan en gevoed
werd door Christelijke bronnen, deels pre - Islamitische, welke uitmondt
in het Islamitische milieu met de massale bekering van de Christenen.
Deze argumenten werden vervolgens deels onderdeel van de anti-
Joodse kennis van oudheid en werden vernieuwd door Joodse
bekeerlingen. Er was een voorraad van argumenten voor de Islam en
tegen de oudere godsdiensten , een door Joodse en Christelijke
bekeerlingen geleverde voorraad aan Islam. Waar specifieke
verwijzingen naar Joden en het Jodendom staan in Islamitische
religieuze geschriften, zijn ze meestal nogal negatief. Gezien de
overwegend vijandige voorstelling van de Jood in zowel de Koran en de
hadith, en de voornamelijk Christelijke bron van een groot deel van de
informatie over de Joden die later werd overgenomen, is dit niet
verwonderlijk. Er zijn uitzonderingen. Zo stelt de 10
de
eeuwse Baghdadi
theoloog al- Baqillani in een werk van de Islamitische zaak tegen andere
religies en filosofien, welke een bespreking omvat van het Jodendom.
Zijn behandeling van de Joodse geschriften en overtuigingen is kort,
maar goed gedocumenteerd. Het is ook vrij van scheldwoorden en is
integendeel hoffelijk zelfs respectvol in toon. In een tijd waarin
theologische verschillen in en tussen religies meestal grote passies
wekte, uitgedrukt in krachtige taal, is zulke matiging opmerkelijk. Wat
misschien nog opmerkelijker is, is dat in de klassieke oudheid er slechts
n serieuze aanval op het Jodendom geschreven is door een
belangrijke auteur die ons opviel. Dit is een verhandeling door de
geleerde, eren- socioloog en literator Ibn Hazm (994-1064), een
dominante figuur in de intellectuele geschiedenis van het Islamitische
Spanje die bekend staat vanwege zowel een charmant boek over
hoofse- en potische liefde en een belangrijke verhandeling over de
religies van de wereld. De laatste laat zijn harde en intolerante houding
niet alleen tegenover niet - Islamitische religies zien, maar ook in de
richting van die vormen van Islam die verschilde van zijn eigen.
Daarnaast schreef Ibn Hazm een anti - Joodse verslag welke een
pamflet, naar verluidt geschreven door Samuel Ibn Nagrella waarin hij de
Islam aanviel, weerlegde. Ibn Hazm had Samuels verslag niet gezien,
als het inderdaad ooit heeft bestaan, en daarom weerlegde hij op basis
van een eerdere Moslim weerlegging. Het boek heeft een zeer vijandige
inhoud en toonaarde en stond zeker niet los van Ibn Hazm 's wrok
jegens Samuel Ibn Nagrella (993-1056), die van een opmerkelijk
succesvolle carrire genoot als staatsman en generaal in dienst van een
Islamitische heerser en, als een geleerde, dichter en
gemeenschappelijke leider onder de Joden. Het is moeilijk te zeggen
hoeveel invloed Ibn Hazm 's tirade had op de middeleeuwse Islamitische
opinie. Het is zeker belangrijk dat dit het enige bekende boek in zijn soort
is. In Ibn Hazm s belangrijkste verhandeling over religies, besteedt hij
meer ruimte aan het Jodendom dan het Christendom. In deze
wanverhouding, zeker te wijten aan de bijzondere omstandigheden van
het Zuiden van Spanje in zijn tijd, is hij vrijwel alleen. De meeste
schrijvers besteden veel meer aandacht aan de Christenen, niet alleen
zoals reeds gezegd, door hun aantal en belang, maar ook omdat, als
een vast onderdeel van de bureaucratie en de intelligentsia van de
steden in het Midden- Oosten, waren ze beter bekend en meer
vertrouwd bij Moslimgeleerden. Waar we een meer positieve houding
vinden van Islamitische auteurs die de Joden en het Jodendom
bespreken, is het soms de context van rationalistische of zelfs
sceptische gedachte, soms van Soefimystiek. Voor zowel de scepticus
als de mysticus was het verschil tussen de godsdiensten niet van groot
belang. Voor de n waren ze allemaal even onjuist, voor de andere
bijna even waar. Meer in het algemeen had, onder de stedelijke
middenklasse in tijden en plaatsen met een hoge beschaving, een meer
tolerante en liberale houding de overhand en werd uitgedrukt in de
literaire bronnen. De verspreiding van rationalistische relativisme en
mystieke panthesme hebben beide ongetwijfeld bijgedragen aan dit
resultaat. Dit alles hielp bij het creren, in eerdere maar niet latere
Islamitische periode, van een soort symbiose tussen Joden en hun buren
die geen parallel kent in de Westerse wereld tussen de Hellenistische en
moderne tijden. Joden en Moslims hadden uitgebreide en intieme
contacten inhoudend sociale en intellectuele genootschappen-
samenwerkingsverband, onderlinge contacten, zelfs persoonlijke
vriendschap. Met uitzondering van bepaalde mystieke dichters die op de
eenheid van alle religies aandringen, was er geen neiging aan de
Islamitische kant gelijkheid toe te geven; maar er was toch een houding
van leven en laten leven en zelfs een zeker respect voor de bezitters en
zenders van oudere culturen en openbaringen. Dus bijvoorbeeld in de
11
de
eeuw somde Toledo, een Moslim qadi, in een boek over de
Categorien van de Staten de acht landen op, die hebben bijgedragen
aan de groei van de wetenschap onder de mensheid. Ze zijn: de
Indianen, Perzen, Chaldeen, Grieken, Romeinen (een term die de
Byzantijnen en Oosterse Christenen in het algemeen omvat),
Egyptenaren (wat de oude Egyptenaren betekent), Arabieren (waaronder
Moslims in het algemeen) en Joden. De Joden zijn dus in goed
gezelschap en het hoofdstuk aan hen gewijd is vriendelijk van toon en
kwa inhoud goed genformeerd. In de vroege tijden in de qadi notities,
onderscheiden de Joden zich niet in de filosofie, maar waren vooral
bezig met het bestuderen van de Heilige Wet en het leven van de
profeten. In dit laatste onderwerp waren ze als beste van iedereen op de
hoogte en waren dus een belangrijke bron van informatie voor
Moslimgeleerden. Isral was de bakermat van de profetie en het was
onder dit volk dat het apostolaat voor het eerst verscheen. De
meerderheid van de profeten, merkt hij op, waren Joden. De rest van het
hoofdstuk is gewijd aan Joodse wetenschappers en geleerden in
Islamitische landen, eindigend met tijdgenoten van de auteur in het
Islamitische Spanje. Hoewel deze bewonderende informatie van Joodse
prestatie vrijwel uniek is in de klassieke Islamitische literatuur, zijn er
discussies over de Joodse religieuze overtuigingen en sektarische
verdeeldheid en ook van de chronologie en kalenders, onderwerpen die
moslimgeleerden leken te interesseren. Deze interesse werd zonder
twijfel gewekt door de Koran verwijzingen naar Bijbelse personen en
gebeurtenissen, waarvan sommige zo hun weg vonden naar de
klassieke Islamitische geschiedschrijving. De oude Joodse helden en
profeten waren, zo gezegd, het recht gegeven van toegang tot de Islam
door de Koran en sommige Moslimgeleerden ging zelfs zo ver om
vollediger informatie van andere bronnen waaronder Joodse, om de
korte en soms cryptische Koran toespelingen, aan te vullen. Zo'n
zoektocht, inzake de studie van afgeschafte geschriften en vervangen
religies, vereist enige intellectuele durf en er waren dan ook weinigen die
het ondernamen. Echter genoeg deden het om het islamitische leren
kennis te laten maken met een zekere mate van Bijbelse en Rabbijnse
informatie. Terwijl de vroegere universele geschiedenis meestal
enigszins rekening hield met de profeten voor Mohammed, is het niet
voor de late Middeleeuwen dat we aansluitende geschriften vinden van
de Joodse geschiedenis. Twee werken zijn vooral belangrijk bij de
grotere universele geschiedenis, geproduceerd door Arabische en
Perzische auteurs in de latere middeleeuwen. Rashid al-Din (1247-
1318), zelf een Jood bekeerd tot de Islam die in zijn universele
geschiedenis een beschrijving van de geschiedenis van de kinderen van
Isral, gebaseerd op het Oude Testament en aangevuld, voor de post -
Bijbelse periode, door gespecificeerd apocriefe materialen. In
tegenstelling tot de meeste andere Islamitische schrijvers over de oude
Isralitische geschiedenis, heeft Rashid al -Din niet zijn beschrijving
geindigd met de vernietiging van de Tweede Tempel in het jaar 70,
maar verwijst kort naar de opstand van Bar Kochba en zijn
onderdrukking: Toen kwam Hadrianus en vernietigde deze plaats en
nam de mensen met al hun bezittingen in gevangenschap. Hij eindigt
zijn verhaal met een opsomming van de Byzantijnse en Romeinse
Keizers die de heerschappij voerde over Palestina tot aan de Arabische
verovering. Een andere belangrijke Islamitische historicus Ibn Khaldun
(1332-1406), voegt ook een verslag bij van de kinderen van Isral in zijn
overzicht van de geschiedenis van het universum; het is afgeleid van
een Arabische vertaling, gemaakt door een Jemenitische Jood, van de
Hebreeuwse Kroniek van Josippon, en vrij gebaseerd op de geschriften
van Josephus. Sommige documenten van de Kroniek van Rashid al -Din
bevatten illustraties, met de bedoeling voorvallen af te beelden in de
geschiedenis van de oude Isralieten. Uitbeeldingen van Joden, zoals
van andere specifieke etnische of religieuze elementen, zijn uiterst
zeldzaam. Echter, over het algemeen kregen de Joden weinig aandacht
van Islamitische auteurs of historici en theologen, en zoals positieve
reacties zeldzaam zijn, zo zijn ook de aanvallen. Terwijl de Joden onder
Islam niet onderworpen werden aan beroepsmatige beperkingen, zoals
we in Europa vinden, was er een tendens, voor een verscheidenheid aan
redenen, voor Joden een voorkeur voor sommige beroepen en vermeed
men andere. Er waren duidelijke hindernissen voor een militaire of
bureaucratische loopbaan; getalenteerde en geschoolde Joden vonden
toen andere beroepen, waarbij ze soms een heel belangrijke rol
speelden maar nooit een overheersende rol. Er is een oud Arabisch
gezegde dat de Jood tot grootheid stijgt met ofwel het medicijnfles of de
geldbuidel in zijn hand. Dit drukt een algemeen verifieerbare historische
waarheid uit, dat de twee manieren voor een ambitieuze Jood was om
succes te hebben, hetzij door de uitoefening van de geneeskunde of de
omgang met geld. De voordelen van deze twee beroepen zijn duidelijk.
Met betrekking tot geld hadden de Moslims een hele reeks
verbodsbepalingen en belemmeringen over de omgang met geld en
edele metalen, en werden gezien als gevaarlijk voor hun onsterfelijke
ziel. Een gevolg van dit gevoel was dat in de Islamitische wereld deze
zaken grotendeels werden overgelaten aan Christenen en Joden.
Heersers die behoefte hebben aan contant geld deden vaak een beroep
op de diensten van dhimmi bankiers, en in staat om op hun beurt gebruik
te maken hun eigen netwerk van geloofsgenoot collega's verspreid over
de verre Islamitische heerschappijen. De mogelijkheid om geld te
bevoorraden op korte termijn en in grote hoeveelheden was een
uitstekende manier om toegang en gunst te krijgen aan het hof. De
uitoefening van de geneeskunde had ook zijn voordelen. Wanneer de
mensen erg ziek zijn, daar de wens om de beste medische behandeling
te krijgen waarschijnlijk zelfs de sterkste religieuze vooroordelen
overwinnen. In de middeleeuwse Islam waren de Joodse artsen, zoals in
sommige andere tijden en plaatsen, niet afhankelijk van publieke
benoeming maar van hun privpraktijk en waren in staat zo ver te gaan
als hun talenten hen zouden brengen. Hun toegang tot andere talen en
dus aan andere instanties van medische literatuur gaf ze soms een
voordeel ten opzichte van hun Islamitische collega's. Een succesvolle
arts kan hoge ambtenaren en zelfs heersers onder zijn patinten
hebben. Door de nauwe en directe toegang tot het centrum van de
macht die deze hem gaf, kon hij wat voordeel voor de Joodse
gemeenschap bereiken waartoe hij behoorde en natuurlijk voor zichzelf,
zijn familie en zijn vrienden. Af en toe vinden we Joodse artsen die een
wat belangrijke politieke rol spelen, maar dit is zeldzaam in de
middeleeuwen en meestal is op een bepaald moment bekering tot de
Islam vereist voordat de beoefenaar zijn positie ten volle kan benutten. In
een samenleving geregeerd door persoonlijk autocratisch bewind, was
toegang tot de heerser een belangrijke, vaak de enige, weg naar posities
met macht en invloed. Maar dit soort macht, zoals de autoriteit van
waaruit deze afkomstig is, was altijd onzeker. Het kon abrupt en pijnlijk
worden beindigd door de dood of afzetting van de heerser, door het
verlies van het voordeel van de favoriete, of door een eenvoudige
verandering in de politieke omstandigheden. Zo'n val , na zo'n stijging,
kunnen vaak catastrofaal zijn voor de familie en de gemeenschap van
de gevestigde exploitant, die met hem rees en daalde. Als geneeskunde
en geld de twee routes waren waarlangs een Jood politieke macht kon
bereiken, waren er andere manieren om een inkomen te verdienen. De
Joodse armen lijken over het geheel uit kleine kunstenaars en
ambachtslieden te hebben bestaan; de Joodse rijken waren kooplieden,
en in de eerdere periode vormde zij een belangrijk onderdeel van de
handelsgemeenschap van het Islamitische Rijk. Als over het algemeen
Joden de neiging hadden om richting Handel te trekken die om n of
andere reden door Moslims als onwelwillend werden beschouwd, waren
er andere gevoelige beroepen, om het woord van professor Goitein te
gebruiken, die Joden veiliger vonden te vermijden. In de brede waaier
van Joodse industrile en commercile activiteiten, terug te vinden in de
Geniza documenten uit het middeleeuwse Egypte, zijn er aanzienlijke
hiaten. De meest opvallende zijn die verband houden met voeding,
transport en oorlog. Joden komen niet voor als distributeurs in de
belangrijke granen zoals tarwe, gerst en rijs, noch zijn zij bezig met het
fokken of verkopen van vee voor voedsel. Zij hadden niets te maken met
de handel in kamelen, paarden en andere rij- en lastdieren. Ze kochten
en verkochten geen wapens, behalve in beperkte mate voor hun eigen
bewakers. Ook in deze stukken is er een verwijzing naar de Joodse
deelname aan de slavenhandel, hoewel Joden een deel in deze handel
in andere tijden en plaatsen speelde. We kunnen alleen maar gissen
naar de redenen voor deze uitsluitingen, die zeker niet universeel zijn in
de Islamitische geschiedenis. Goiteins suggestie dat deze handel in een
strategische betekenis gevoelig is, is misschien wel het antwoord. Het
is zeker veelbetekenend dat terwijl de Joden geen handel dreven met
het Christelijke Europa in deze grondstoffen, ze goed waren
vertegenwoordigd in de handel met India, waar geen grote religieus of
militair conflict bestond. Er was een manier waarop de Jood altijd iedere
en al deze moeilijkheden kon overwinnen en dat was door bekering tot
de Islam. In de loop van de eeuwen waarin Joodse gemeenschappen
leefden onder Islamitische heerschappij, omarmde een aanzienlijk aantal
Joden om de n of andere reden de Islam. Onze informatie over
dergelijke bekeringen is over het algemeen schaars. Joodse schrijvers
staan liever niet stil bij zon pijnlijk onderwerp, terwijl Islamitische auteurs
het nauwelijks het vermelden waard vinden. Voor de Moslims had de
bekering van de Joden naar hun geloof, in tegenstelling tot de
Christenen, geen speciale theologische betekenis. Het was slechts een
deel - een relatief klein deel - van de onvermijdelijke verspreiding van het
ware geloof onder de mensen. Dergelijke informatie als onze, betreft
voor het grootste deel drie situaties: De bekering van de genoemde en
prominente personen, die enkele historische en biografische literatuur
doet ontwaken; bekeringen die aanleiding geven tot juridische geschillen
op het gebied van persoonlijke status en dus wat verslag achterlaat; en
tot slot, de relatief weinige keren wanneer, hetzij door dwang of
aantrekkingskracht, grote aantallen Joden, oprecht of anderszins, het
dominante geloof aannamen. De eerste golf van zulke bekeringen leken
plaats te vinden in de begin jaren van de Islam. Voor sommige Joden in
die tijd leek de komst van de Profeet in Arabi en de oprichting van een
nieuwe wereld macht die de macht van zowel Rome en Perzi ten val
bracht en Jeruzalem en het heilige land van het Rijk en van Byzantijn,
een voorbode van de dreigende vervulling van de Joodse profetien en
de komst van het Messiaanse tijdperk. Fragmenten van Joodse
apocalyptische en andere geschriften van de tijd gaven een indicatie van
de vurigheid en gewekte verwachting door de vroege Arabische
overwinningen. Een piyyut (liturgisch gedicht), waarschijnlijk
samengesteld na de eerste Arabische overwinningen in Palestina maar
vr de verovering van Jeruzalem ofwel of de Romeinse
provinciehoofdstad Caesarea, kan als voorbeeld dienen: Op die dag
wanneer de Messias, zoon van David, voor het onderdrukte volk zal
komen zullen deze tekenen worden gezien in de wereld, en zal worden
doorgegeven: Aarde en hemel zal verwelken, en de zon en de maan zal
worden bezoedeld, en de bewoners van het land zullen stil worden. De
Koning van het Westen en de Koning van het Oosten zullen elkander
kwellen en de legers van de Koning van het Westen zal vast in het land
standhouden. En een Koning zal vanuit het land van Yoqtan gaan zijn
legers zullen het land bemachtigen, de bewoners van de wereld zullen
worden beoordeeld en de hemelen zullen stof regenen op de aarde en
winden zullen zich verspreiden in het Land. Gog en Magog zullen elkaar
uitdagen en angst ontsteken in de harten van de Heidenen. En Isral zal
worden bevrijd van al hun zonden en zal niet meer ver van het huis van
gebed Zegeningen en vertroostingen zullen over hen komen, en zij
zullen worden gegraveerd in het Boek des Levens, de Koningen uit het
land van Edom zal niet meer zijn en het volk van Antiochi zullen
rebelleren en vrede maken en Ma'uziya en Samaria zullen worden
getroost en Acre een Galilea zal barmhartigheid worden gegeven.
Edomieten en Ismal zullen strijden in het dal van Acre tot de paarden
zinken in het bloed en in paniek geraken. Gaza en haar dochters zullen
worden gestenigd en Ascalon en Ashdod worden met angst bevangen.
De sfeer van verheerlijking passeert naarmate het duidelijk werd dat het
Rijk van de kaliefen, weliswaar een aanzienlijke verbetering toont ten
opzichte van het Joodse standpunt over wat eerder gebeurd was, was
nog niet de vervulling van Joodse Messiaanse dromen. Veel Joden
werden bekeerd tot de Islam en identificeerden zich met het nieuwe
geloof en voorrecht; de rest paste zich geleidelijk aan een nieuw bestaan
aan,onder Islamitische heerschappij, en evolueerde in loop van tijd van
een nieuwe symbiose met de Islamitisch Arabische heersers. Joodse
Messiaanse verwachtingen van de Islam stierven niet geheel uit en
verscheen van tijd tot tijd in synkronistische (aanvulling vertaler:
verzoening van verschillende geloven) Messiaanse bewegingen geleid
door Joodse eisers om de titel van Messias. Een daarvan was een
zekere Abu 'Isa van Isfahan, een Joodse valse Messias van het begin
van de 8
ste
eeuw, die, terwijl hij beweerde de Joodse Messias te zijn,
bereid was om de echtheid en geldigheid van zowel het Christendom als
de Islam te erkennen voor de Christenen en Moslims. Dergelijke
bewegingen werden steeds zeldzamer. In de latere eeuwen was de
meest gebruikelijke reden voor grootschalige of massale bekering dwang
of onderdrukking. Soms had een Islamitische heerser, in weerwil van
zowel de Islamitische wet als traditie, de verplichte Islamisering van zijn
Joodse onderdanen verordend en ingevoerd, die reageerden met
bekering, Maranisme of emigratie. Gedwongen bekering van dit soort
was betrekkelijk zeldzaam; wat vaker voor kwam, met name in Noord-
Afrika en in Iran, was een situatie waarin de Joden, onderhevig aan
toenemende vernedering en degradatie en zonder hoop van verlichting,
een ontsnapping zochten voor hun problemen door zich bij de
meerderheid te voegen. Dit middel om te ontsnappen was er altijd en
altijd gemakkelijk en wat ons verrast is niet het ontstaan ervan, maar de
zeldzaamheid. De dichter en filosoof Yehuda Ha - Levi, in zijn
Kuzari,(hebreeuws) spreekt met trots van vooraanstaande mannen
onder ons die deze degradatie konden ontsnappen door een woord licht
gesproken, worden vrije mannen en verzetten zich tegen hun
onderdrukkers, maar doen dat niet uit toewijding voor hun geloof.
Afgezien van dergelijke gelegenheden, verwijst onze informatie over
bekering naar de daden van individuen. Voor een Moslim was het
logisch om te veronderstellen dat een nieuwe rekruut aan zijn geloof
werd aangetrokken door de vanzelfsprekende waarheid - inderdaad, de
term voor een nieuwe Moslim is Muhtadi, letterlijk, iemand die zijn weg
naar de juiste weg heeft gevonden. Voor de bekeerlingen waren de
voormalige geloofsgenoten, die hen zagen als een afvallige of rebel, net
zo natuurlijk te zoeken naar onedele motieven. De niet-religieuze
redenen dat een Jood zou kunnen aansporen zich tot de Islam te
bekeren, zijn vermeld in de 13
de
eeuwse Joodse filosoof Ibn Kammuna:
Hij beweegt door vrees of ambitie, hij is onderworpen aan een zware
belasting of wenst te ontsnappen aan vernedering of is gevangen
genomen, wordt verliefd op een Moslim vrouw of andere motieven als
deze. Ibn Kammuna 's lijst lijkt de meeste gevallen waarin de bekering
niet kan worden toegeschreven aan religieus geloof, te dekken. Angst,
voor vervolging of zelfs discriminatie, moet hebben geleid tot zowel
individuele als groepsbekeringen. Ambitie was duidelijk het motief van
velen die, in de loop van een succesvolle carrire in dienst van een
heerser, het plafond van hun mogelijke vooruitgang bereikten als leden
van een minderheden- geloof. Sommigen waren tevreden om op dat
punt te stoppen; anderen, door bekering, braken door het plafond om
grotere en gevaarlijker hoogten te bereiken. Soms was bekering niet
alleen nodig voor verdere vooruitgang, maar zelfs om het al bereikte
punt, te overleven, en werd gezien als de enige manier om aan de
afgunst en vijandigheid, veroorzaakt door successen uit het verleden, te
ontsnappen. Bekering als alternatief voor straf, een manier om van een
vonnis af te zien van doodstraf, gevangenschap of mindere straffen, is
een gemeenschappelijk kenmerk van de strafrechtelijke procedure. En
het huwelijk, zowel in de middeleeuwen als in de moderne samenleving,
kan wel de meest voorkomende enige oorzaak zijn van verandering van
religie. Onder Islamitische wet, mag een Moslimman een Christelijke of
Joodse vrouw te trouwen. Ze is niet verplicht om een Moslim te worden,
maar haar kinderen moeten als zodanig worden opgevoed. Een niet -
Moslim man mag echter in geen geval trouwen met een Moslim vrouw.
De straf voor een dergelijk huwelijk, of een seksuele relatie, is de dood.
Alleen door bekering tot de Islam kan een niet-Moslim ontsnappen aan
de gevolgen van een dergelijke relatie in het verleden , of mogelijk
maken in de toekomst. De personen wiens bekering om de n of
andere reden bekend is en beschreven, geven voorbeelden van al deze
motieven, alsmede bekering door geloofsovertuiging. Een aantal
representatieve gevallen kunnen ter illustratie dienen. Zeker is dat de
meest bekende van alle Joodse bekeerlingen tot de Islam onder de
Moslims een Jemenitische Jood was bekend als Ka'b al - Ahbar, Ka'b
van de Ahbar, die waarschijnlijk bekeerd werd in ongeveer 638. Hij zei te
zijn aangekomen in Medina tijdens de heerschappij van de Kalief Umar I
en hem te hebben begeleid naar Jeruzalem in 636. De naam Ka'b kan
het Hebreeuwse Jacob (Ya'qov) of waarschijnlijker Aqiva
vertegenwoordigen; Ahbar is het meervoud van Habre of Hibr, van het
Hebreeuwse Haver. Dit werd gebruikt als titel voor geleerden, onder de
rang van de Rabbijn in de Palestijns Joodse academies. Van Ka'b blijkt
uit Joodse bronnen niets bekend te zijn, maar speelt hij in de Islamitische
literatuur een belangrijke rol als een gezaghebbende verteller van
tradities. Hij stierf in Syri tussen 652 en 656. Volgens Gibb bestaat een
grafsteen met zijn naam nog steeds in Damascus. Over het algemeen
presenteert Ka'b de Islamitische traditie in een gunstig daglicht. Hem
wordt wijsheid en kennis toegeschreven, zulks met inbegrip van zowel
Bijbelse geleerdheid als oude Jemenitische traditie. In aanvulling op wat
hij wist als een geleerde Jood en als een Jemenitische, wordt hij ook
gezien als een autoriteit voor het leven en de tijden van de Kalief ' Umar,
met wie hij op intieme voet was. Terwijl de historische figuur van Ka'b zo
beladen was met mythen en legenden die nauwelijks te onderscheiden
waren, is er genoeg laten zien dat zijn beeld zowel een negatieve als
een positieve kant had in de Islamitische visies. Zijn veelvuldig gebruik
van de Bijbelse en Rabbijnse materie bij het interpreteren en uitwerken
van Islamitische leer, bracht een lading aan pogingen de Joodse
elementen te infiltreren in de Islam. Politiek gezien leverde zijn krachtige
steun voor Kalief Uthman in de strijd die leidde naar de 1
ste
burgeroorlog
in de Islam, hem de afkeuring van Uthmans vijanden en aanklagers .
Een van hen, de radicale ascetische ( opm. vertaler: Monnik) Abu Dhar,
die nu genoot van nieuwe populariteit als een voorloper van het
Arabische socialisme, wordt zelfs gemeld dat hij Ka'b heeft gegeseld
voor deze overtreding. Het thema van Ka'b als een valse bekeerling die
de Islam van binnenuit probeert te ondermijnen en te vernietigen is van
relatief ondergeschikt belang in de klassieke Islamitische literatuur,

De voorafgaande afleveringen zijn te lezen door de cijfers aan te klikken.

1 2 3 4 5 6

Diverse boeken stellen wij u regelmatig gratis ter beschikking.
Een vrijwillige bijdrage aan het Digibieb-project, klein of groot, is zeer welkom.
Met uw bijdrage kunnen wij u blijvend up-to-date onderzoeken verstrekken, en
uw Digibieb aanvullen.

Naam en bankrekeningnummer: J.P. Siepman Sneek ING 3607055 onder
vermelding van: donatie-boeken.

Iets anders. Wij van de werkgroep willen op onze website
www.tolereergeenintolerantie.n l in samenwerking met gelijkgestemde websites zoals
PopNed, E.J.Bron, Filantropius en anderen wekelijks een video column met een
NieuwOnderwerp plaatsen. Ongeveer vergelijkbaar met die van Pat Condell en
Danny Ayalon.
Onze bedoeling is dan ook diverse schrijvers te vragen om een column te schrijven,
die o.a. ikzelf dan voordraag. Ook willen we interviews houden met diverse BNers,
debatten filmen en willen we onze lezingen opnemen, zodat onze lezers die door
omstandigheden niet in staat waren om er bij aanwezig te zijn alsnog in de
gelegenheid stellen het te zien.

Eveneens zijn we van plan om documentaires te maken over diverse
spraakmakende onderwerpen die niet algemeen bekend zijn bij het brede publiek.
Maar ook onderwerpen die juist meer in het daglicht moet komen. Documentaires
worden gemaakt onder de enthousiaste en zeer deskundige begeleiding van Roelf
Jan Wentholt.
Wij zijn dus op zoek naar een videocamera. De Camcorder die wij op het oog hebben
is een Sony HXR NX30. 2e hands is ook prima.
De genoemde camera komt in de diverse testen als beste uit de bus.
In het bijzonder voor de doeleinden waarvoor wij deze camera willen gebruiken.
Helaas hebben wij van de werkgroep niet de financile middelen om zon camera
aan te schaffen. Onze huidige financile middelen worden gebruikt om e-boeken aan
te schaffen.
Kosten Camcorder bedragen 2000,00 met toebehoren.
Daarom vragen wij u dan ook uiterst vriendelijk om financile ondersteuning om dit
project te doen slagen. Iedere bijdrage is welkom, want vele kleine bijdragen worden
gezamenlijk groot.

Helaas zijn we, of gelukkig, geen anti-Isral organisatie, want dan hadden we een
aanvraag kunnen indienen bij n van de NGOs.
Er zijn geen pro-Isral organisaties die o.a. mede gefinancierd worden door de
regering waar men een verzoek ter ondersteuning kan indienen.
Iedere bijdrage van u is daarom dan ook zr welkom. Met uw bijdrage kunnen wij de
benodigde camera en toebehoren aanschaffen en u blijvend up-to-date informatie,
debatten, lezingen/ bijeenkomsten, bevindingen en documentaires in de toekomst
laten zien en horen.

U kunt de zeer welkome bijdrage aan het Video-project overmaken op:
Naam en bankrekeningnummer: J.P. Siepman Sneek ING 3607055 onder
vermelding van: donatie-Video-Camera-Project.

Bij voorbaat, hartelijk dank voor uw gulle gift.
Mocht u vragen hebben, neem gerust contact met ons op:
Mail: yaakov.siepman@live.nl