You are on page 1of 153

VERZAMELING

VAN WETTEN, BESLUITEN EN REGELINGEN
BETREFFENDE ONS MUNT— EN
BANKWEZEN,
VAN INLEIDENDE AANTEEKENINGEN VOORZIEN
DOOR
Mr. S. G. BINNERTS.
Drukkerij en Uitgeverij
]. H. DE BUSSY
AMSTFRDAM A0. ‘92!
MUNTWEZEN.
Nederland . . . . . . . . . . . . . . . . . .bIz.
Muntwet 1901 . . . . . . . . . . . . . .
Uitvoering Muntwet 1901 . . . . . . . . .
Toezicht en zorg over de zaken der munt . ‚
Uitvoering . . . . . . . . . . . . . . . .
De crisis . . . . . . . . . . . . . . . . .
Nederlandsch Oost-Indië
Suriname . . . . . . .
Curagao
De
INHOUD.
Indische Muntwet 1912 . . . . . . ‚ . . .
Uitvoering „ „
Crisismaatregelen . . ‚ . . . . . . . .
BANKWEZEN.
Nederlandsche Bank. . .
Bankwet . . . . . . .
Statuten . . ‚ . . . . . . . . . . . .
De Javasche Bank . . ‘.;_‘_’;΂"’.‘ . . .
De
De
De
De
De
De
\_
Bankwet . . . . . . . . . . . . . . .
Statuten . . . . . . . . . ‚ . . . . . . .
Surinaamsche Bank . . . . . . . ‚ . . .
Curaqaosche Bank . . . . .
Postspaarbank
Rijksverzekeringsbank . . . . . .
Postchèque- en Girodienst . . . . . . . .
N. U. M.
VOLKSCREDIETWEZEN . . . . . . .
n
13.
23, 24, 26.
27.
31’ 36’ 39-
52‘
61—85.
68.
74’
761 83’ 84-
86.
86.
87l—112.
91.
100.
113—152.
118.
132.
I53‘
153—
I54‘
154.
154.
I55-
VERKLARING DER AFKORTINGEN.
G. = Grondwet.
S. = Staatsblad van het Koninkrijk der Nederlanden.
N. I. S. = „ „ Nederlandsch-Indië.
G. B. = Gouvernementsblad van de Kolonie Suriname.
P.B. (h. h.) = Publicatieblad van Curagao (herdrukte bundel).
A, m.v_B‚ = Algemeene maatregel van Bestuur.
Besl. = Besluit.
Ord. ‚ = Ordonnantie.
Pub]. = Publicatie.
Ver, = Verordening.
Ras. = Resolutie.
MUNTWEZEN.
Nederland.
Regeling ten tijde der republiek: zie P‘1anson, Leerboek der
Staathuishoudkunde I pag. 473 sq. ; MEES, Proeve eener Geschiede—
nis van het bankwezen in Nederland; SCHIMMEL, Geschiedkundig
Overzicht van het muntwezen in Nederland en aldaar vermelde
placaete-n.
Eenheid van munt uitgesproken in de Staatsregelin—g van 1798
(Burgerlijke en Staatkundige Grondrege-Is) art. 59 lid 2:
„Ook zal er ten aanzien van alle muntspeciën, een gelijke munt—
slag‚ door de gantsch-e Republiek, worden ingevoerdâ€,
en in het Besluit van het Vertegenwoordi-ge'nd Lichaam van
8 Augustus 1799 ‘)‚ waar werd besloten om „met vernietiging van
alle vorige provinciale munten, maar eene munt voor de geheele
republiek in werking te brengen, welke lte Am9tendan’n zal worden
opgerichtâ€.
Staatsregeling van 1801 art. 18 handhaaft dit beginsel en eischt
nadere regeling bij wet, terwijl de Conetitutie van 1806 art. 37 van
een Staatsmunt spreek-t.
Grondwet van 1814 art. 41 en 119, met aanvulling overge‘
nomen in Grondwet van 1815 art. 62, 200, 201, dragen toezicht en
zorg over de zaken van de munt op aan een „kollegie‚ onder den
titel van Raden en GeneraalI—mee-sters van de Muntâ€, met „200—
danige instruc’tiën als bij de wet zullen worden vastgesteldâ€, ter-
wijl het „gevuigt en gehalte der mun‘tspeciën zoowel alls derzelver
waarde†door de wet geregeld zal worden. Uitvloeisel van G. 1814
art. 119 is de wet van 11 Juli 1814 (S. 78) ve-rwangen onder G. 1815
art. 201 door de wet van 19 Mei 1819 (S. 31).
1) Dagverhaal der handelingen van het vertegenwoordigend lichaam des
Bataaï¬schen Volks. DI. 5, pag. 673 (110. 576). Zie ook D1. 7. pag. 435 (no.776).
8
De volgens G. 1815 art. 200 vereischte wet kwam, na langdurig
debat over de kwestie of de Franc dan wel de Gulden tot alge-
meene eenheid zou worden verheven, over de verhouding van den
Franc tot den Gulden (oorspronkelijk Fr.. = f 0,47, later Fr. =
f 0,47i) en over de kosten der vermunting, den 28sten September
1816 (S. 50) tot sltand en hul-digde het stelsel van den dubbelen
standaard met een verhouding van 1 : 15.87 tusschen goud en
zilver. .
In' hoofdbeginsel aansluitend bij den vroegeren Generafliîteits—
gulden, nml. als munteenheid den zilveren gulden van 9.613 gr. f 2.
aannemend, vertoonde de wet van 1816 spoedig groote gebreken
o.a. door de Frc. op f 0.47i te stellen terwijl deze volgens ‚het
stelsel slechts f 0.468 waard was, waardoor de gulden werd uit—
gedreven. Hieraan werd door de wet van 25 Februari 1815 (S‘. 8),
waarbij aan den franc in_ de zuidelijke p—rovinciën de wettelijke
koers (volgens art. 14 en 15 wet 1816) werd ontnomen, ingaande
op 14 juni 1825 (zie K. B. van 13 Mei 1825 S. 50‘), een einde
gemaakt.
Tevens was de verhouding van goud tot zilver nm-l. 1 : 15,87
(art. 6 en 2) te hoog door waardedaling van het goud waard-oor
veel goud werd aangemunt instede van zilveren guldens, hetgeen
toch de bedoeling was; de regeening moedigde dit nog aan door o.a.
aan de Brusselsche maatschappij ter bevordering van de Nationale
Nijverheid voor het privilegi-e van goud—aanmuntin-g, hetwelk zij
in 1823 had gekregen, een premie te verl-eenen van ruim vijf ton l 1)
Zelfs werd bij de wet van 22 December 1825 (S. 80) het gouden
vijfgu’lden-stuk ingevoerd.
Teneinde de verwarring in ons muntwezen te verhelpen, werd nu
bij K. B. van 15 April 1836 No. 68 een commissie benoemd, om
den koning „van oonsider’atiën en advies†te dienen, welke tevens
werd opgedragen wijzigingen in de bestaande verordeningen voor
te stellen.
In haar rapport raadde deze commissie den zÃlv;cren standaard
aan, terwijl het advies hierover van de Raden en Generaalmeesters
der Munt wel één standaard verkieselijk achtte, doch den gouden
aanbeval. ’
Ondanks deze adviezen, handhaafde het wetsontwerp van
“ Verslag van al het verrigte tot herstel van het Nederlandsche Muntwezen.
Dr. A. VR01.IK7 Utr. 1853.
9
1 December 1838 de beide standaarden, zij het met verzwakking
van den gulden tot 9,450 gr. f. 2., welk ontwerp den 22ste Maart
1839 (S. 6) tot wet weud verheven. Hierdoor werd de verhouding
tusschen goud en zilver tot 1 : 15,60 teruggebracht, en 200 meer
aan de marktverhouding aangepast.
Toch verbeterd-e de toestand hierdoor niet veel, daar nog steeds
geen zilver werd aangemunt, mede doordat het voor hermunting
uitgetrokken fonds voor andere geheime uitgaven was gebruikt ‘).
Tevens dubieende men steeds tusschen de 2 standaarden en voerde
nu eens de vermeerderde Mexicaansche zilverproductie, dan weer
de toenemende Russische goudopbrengst als argument aan.
‘De Regeering evenwel wensohte de wet kradhtig uit te voeren.
De wet van 22 Mei 1845 (S. 23) kwam ‚tot stand „om het fonds
voor het muntwezen te regelen en aan te vullenâ€, terwijl 28 Oct.
van hetzelfde jaar een ontw. van wet ‚werd ingediend „nopens de
inwisseling der nog in omloop zijnde provinciale en generaliteits-
mun.tspeciënâ€, welk ontwerp 18 Dec. 1845 S. 90 tot wet werd ver-
heven. Naar aanleiding daarvan werden bij vele K. Bn. (zie 1846
S. 5, 7, 10, 12, 22, 49‘, 64 en 1848 S. 4 en 58) de oude muntsoorten
buiten werking gestelld.
A1ls tijdelijk hulpmiddel voor de inwisseling werd de regeering
gemachtigd, muntbÃljetten uit te geven, welke niet langer dan tot
eind Dec. 1847 geldig zouden zijn.
Wegens genoegzame vordering van de hermunting der oude
zilveren muntspeciën werden bij Besl. van 30 Apr. 1847 S. 20 de
biljetten van f 20.— per 1 Juni 1847 ingetrokken. Bij de wet van
26 Nov. 1847 S. 65 werd evenwel vastgesteld, dat een bedrag van
f 21,000,000.—— tot ult. Dec. 1848 in omloop mocht blijven. De
Besln». van 13 Mei 1848 S. 19 en 13 Nov. 1848 S. 78 trokken resp.
de bilj. van f 500,— en f 100.— per 1 Juli 1848 en die van f 10.—
en f 5.— per 31 ‘Dec. 1848 ‚in.
Een geheel nieuwe regeling bracht de wet van 26 Nov. 1847 S’.
69, met den enkelen, zilveren standaard en als eenheÃd de zilve-
ren gulden van 9.450 gr. f. 2., terwijl het goud als negotiepenning
gehandhaafd bleef. _Vrije aanmunting was voor standpen‘nin’gen
toegestaan (art. 18). De uitvoering werd geregeld bij de wetten
van 17 Sept. 1849 S. 45 (inwisseling oude zilveren muntstukken) en
1) Zie ACKERSDIJCK. Nederlands Muntwezen. Utr. 1845, pag. 18.
10
S. 46 (inw. gouden muntstukken) en de K. Bn. van 5 Oct. 1849
S. 51, 12 Nov. 1849 S. 57, 13 Sept. 1850 S. 60, waarbij resp. de 3,
1 en ‘/, guldens, de 25 centstukken en de 10 en ‘5 centstukken buiten
koers werden gesteld ende inwisseling vastges'tdld, terwijl het
K. B. van 9 juni 1850 S. 30 den. gouden 10 en 5 guldenstukken,
naar de wet van 1816 geslagen, de hoedanigheid van standpen—
ningen ontnam.
Intusschen bracht de wet van 1 juni 1850 S. ‘25 een nieuwe
regeling inzake toezicht en zorg over de zaken der munt, tot nu toe
beheerscht door de wet van 19 Mei 1819 S. 31.
Als hulpmiddel bij het int-nekken d-er gouden muntstukken
(S. 1849: 46) was de regeering gemachtigd tot uitgifte van 30
_milllioen gulden aan muntbiljetten, welke tot ‘ull=t. Dec. 1852 geldig
zouden zijn ( art. 4). Toen er nu behoefte bleek te bestaan aan een
betaalmiddel, grooter dan dien bij art. 2 der wet van 26 Nov. 1847
S. 69 aangewezen rijksdaald-er, werd bij de wet van 26 Apr.‘1852
S. 90 een rentelooze staatsschuld „daargesteld,†—ten bedrage van
hoogstens 10 millioen gulden; de bewijzen dezer schuld droegen
den naam van muntb‘ilje‘tten en zouden in coupures van 10, 50 en
100 gulden worden uitgegeven. Daar deze echter niet tijdig klaar
zouden zijn om de per u‘lt. Dec. 1852 v‘ervallende biljetten, uitge-
geven krachtens de wet van 17 Sept. 1849 S. 46, ‚te vervangen,
werd bij de wet van 18 ‘Dec. 1852 S. 211 machtiging verleend om
een bedrag van 10 millioen der laatstgenoemde biljetten nog tot
ult. Dec. 1853 in conpures van 10 en 100 gulden in omloop te laten.
Het Besl. van 30 Aug. 1853 S. 33 stelde den uiterlijken vbr-m vast
voor de nieuwe muntbilj. (wet 1852 S. 90) en regelde de uitgifte,
nader bepaald bij Besl. van 14 Nov. 1853 S. 114, [waarbij tevens
de intrekking de-r oude biljetten (wet 1849 S. 46) werd vastgesteld
per 5 Dec. 1853], gewijzigd bij Besl. van 13 Mrt. 1879 S. 42 (nieuwe
vorm voor de bilj. van 10 gullden).
Bij de wet van 24 Dec. 1856 S. 129 werd de inwisseling der ver-
jaande biljetten, uitgegeven krachtens de wetten van 1845 en 1849
tot uiterlijk ’u-l‘t. Dec. 1858 toegestaan welke termijn bij de wet van
26 Dec. 1863 S. 200 nog mot uit. Dec. 1873 werd verlengd.
1De wet van 27 April 1884 S. 98 bracht een herziening der be—
palingen betreffende de muntbÃrljeiten en stelde het maximum be—
drag op vijftien milllioen gulden; de wet van 1852 S. 90 werd inge-
trokken, doch de krachtens deze wet uitgegeven bi-lj. bleven tot
nadere aankondiging van kracht (art. 7).
11
Het Besl. van 12 Sept. 1885 S. 182 regelde den uiterlijken vorm
met handhaving van het Besl- van 1879 S. 42 voor de bilj. van
10 ‘gull‘d‘en (voor deze werd bij Besl. van 3 Jan. 1894 S. 2 een nieuwe
vorm bepaald).
Het B‘esl. van 12 Nov. 1885 S. 192 stelde vast een bedrag van
10 millioen gulden aan bilj.van f 10.— en vijf milîl‘i‘oen gulden aan
bilj. van f 50.-—-‚ ‚bij de Besln. van 17 Febr. 1896 S. 28, 16 Mrt.
1899 S. 78 en 24 Mei 1901 S. 110 resp. gewijzigd in 11 ‘m.‘m. en 4
mm, 12 m.rn. en 3 mm. en 14 mm. en 1 mm. gu‘lden.
Bij de wet van 31 Dec. 1903 S. 336 werd de wet van 1884 inge-
trokken en tevens de krachtens deze en de wet van 1852 uitge-
geven muntbiljetten, een en ander in verband met het gewijzigd
octrooi der Ned. Bank. (Zie later). ’
[De Latijnsche Muntunie, de daling der zilverprijzen en de nei-
ging van Duitseh‘land in de 70er jaren om tot den gouden stan‘
daard over te gaan, deed inùusschen de ‘oommissie van 30 Oct.
1872 tot stand komen, met het doel „om te onderzoeken, welke na‘
deelen voor Nederland te duchten waren tengevolge van de maat—
regelen in den laatsten tijd in de naburige rijken op het gebied
van het muntwezen genomen.†Deze adviseerde tot den gouden
standaard over te gaan.
‚Daar de zilverprijs bleef dalen en er gevaar ontstond voor over—
matige aanmunting van zilver met daaruit voor-tspruitende depre-
ciatie, werd bij de wet van 21 ‘Mei 1873 S. 61 de regeering ge-
machtigd, om, in afwijking van art. 18 der wet van 1847 S. 69 tot
schorsing of beperking der zilveraanmunting, anders dan voor
rekening van ‘ en staat. tot uiterlijk 1 Nov. 1873 over ‚te gaan. Het
KB. van 27 Mei 1873 S. 77 schorsbe tot 1 Aug., bij KB. van 19
Juli 1873 S. 110 tot 1 Nov. verlengd. De wet van 26 Oct. 1873
S. 148 verlengde de sc'honsingsbevoegdheid tot 1 Mei 1874 (zie KB.
van 26 Oct. 1873 S. 151 :tot 1 Febr. 1874 en 15 Jan. 1874 S. 5 : tot
1 Mei 1874); toen daarna de zilveraanmunting weer was vrij ‘ge—
laten werd daarvan zoozeer gebruik gemaakt, 1) dat bij de wet van
3 Dec. 1874 S. 191 wederom tot 1 Juli 1875 de bevoegdheid tot
schorsing werd gegeven (zie KB. van 11 Dec. 1874 S. 208: tot
1 April 1875_ en 16 Mr;t 1875 S. 28 : tot 1 Juli 1875).
‘) Doordat de Ned. Rank hierbij voorging, is door particulieren slechts
voor ongeveer 7 millioen (van de 32 millioen) gulden in dit tijdvak aangemunt.
12
Ons muntwezen kwam hierdoor echter in een onmogelijke positie
daar een st-andpenning feitelijk ontbrak. Na advies van de Amster-
damsche Kamer van Koophandel en de voornaamste groote bank—
instell-lingen werd toen, tot tijdelijke voorziening omtrent het munt-
wezen, bij de wet van ‚6 juni 1875 S. 117 naast het zilver, het
gouden tienguldenstuk met een fijn gewicht van 6.048 G. als
standpening ingevoerd, met vrije aanmunting (art. 5), waardoor het
nog heden geldende stelsel van den hinkenden standaard zijn
intrede deed.
Deze wet moes-t volgens art. 7 voor 1 Jan. 1877 worden herzien,
terwijl tot dat tijdstip de bevoegdheid tot zilveraanrnunting ver-
boden bleef; 9 Mei 1876 werd een ontwerp van wet ingediend om
het Ned. muntwezen blijvend te regelen op grondslag van den
enkelen, gouden standaard — dit ontw. kon het echter door de ge-
opperde bezwaren niet tot wet ‚brengen. Dientengevolge rwerd bij
de wet van 30 ‘Dec. 1876 S. 272 genoemde termijn tot 1 Jan. 1878
verlengd; bij de wet van 9 Dec. 1877 S. 215: „totdat daaromtrent
nader bij de wet zal zijn voorzienâ€.
Bij de wet van 28 Mrt. 1877 S. 43, uitgewerkt bij de Besln. van
18 Apr. en 5 Mei 1877 S. 84 en 97 en 17 Juni 1877 S. 149 werd
toen, in afwachting van een volledige regeling, de koperen pas-
munt (geslagen ingevolge de wetten van 1816 en 1847) door bron-
zen vervangen; de intrekking der oude koperen munt regelde het
Bes-1. van 15 Oct. 1883 S. 143 (per 31 Dec. 1883) en van 30 Jan.
1884 S. 24 (verlengd tot ult. April 1884).
Tevens werden maatregelen genomen tegen eventueel verdere
depreciatie van het zilvergeld,_ in verband met de belangrijke ver-
mindering van den goudvoorraad bij de Ned. Bank waardoor uit-
putting van buitenlandsch remise4ntidldel dreigde. De wet van 27
Apr. 1884 S. 97 toch machtigde den minister van Financiën om, als
hij het met het oog op den toestand van ons muntwezen noodzakelijk
achtte, een bedrag van ten hoogste 25 millioen gulden in Ned. rijks-
daalders te doen versmelten tot baren en deze, door tusschenkomst
van de Ned. Bank te verkoopen, een en ander na advies van de
betrokken Afd. van den Raad van State. 1)
Bij de wet van 28 Mei 1901 S. 132 werden de wetten tot regeling
1) Zie Muntadvies van VROLIK en PIERSON dd. 30 Sept. 1882, afgedrukt
bij SCHIMMEL pag. 286.
13
van het Ned. Muntwezen door een nieuwe wet vervangen, welke
op 1 Januari 1902 inwerking trad (Besl. van 6 Dec. 1901 S. 238).
De wet van 31 Dec. 1906 S. 376 veranderde het zilveren 5 cent-
stuk in nikkel (uitgevoerd bij Besl. van 30 Aug. 1907 S. 245: de
oude per 31 Dec. 1907 buiten omloop, bij Besl. van 1 Febr. 1908
S. 65 verlengd tot uit. Mrt. 1908), terwile de wet van 31 Dat. 1912
S. 324 het gouden vijfje invoende, weder zilver—aanmunting uit
banen van Staatswege toeliet, wegens de behoefte van Indië (art.
3“), en o.a. het nikkelen wijfcentstuk van de wet van 1906 im—trok
(art. 12), het tijdstip nader te bepalen — zie Be‘s1. van 21 Jan. 1914
S. 23 : per 30 Juni 1914, bij Besl. van 10 Dec. 1914 S. 556 ver-
lengd tot 1 Juli 1915 en ‘bij Besl. van 9 Sept. 191-5 S. 389 tot
1 Juli 1916.
De 200 gewijzigde wet van 1901 werd bij Besll. van 26 Nov. 1912
S. 354 bek-end gemaakt:
Tekst van de Muntwet 1901.
Artikel 1.
De rekeningseenheid van het Nederlandsche muntstelsel is de
gulden.
De gulden is verdeeld in ’h-onderd centen.
Artikel 2.
’s Rijks munten zijn:
A. met de hoedanigheid van wettig betaalmiddel:
I. tot ieder bedrag:
a. in goud:
het tienguddenstuk;
het vijfgutldenstuk;
b. in zilver:
de rijksdaalder of twee en een halve gulden;
de gulden;
de halve gulden;
II. tot beperkt bedrag, de vplgende pasmunten:
a. in zilver:
het vij f-en—rtwintig-cetitstuk;
het tien-cen’tstuk;
b. in nikkel:
de stuiver of het vij-f-centstuk;
14
0. in brons:
de twee—en-een—halve-cent;
de cent; ’
de halve—cent.
B. zonder de hoedanigheid van wettig betaalmiddel:
‘de gouden ’dukaa‘t.
Artikel 3.
Het staat ieder vrij gouden tientguldenstukken en dukaten te
doen slaan aan ’s Rijks Munt, wanneer werkzaamheden voor het
Rijk het niet verhinderen.
Rijksdaalders, guldens en halve guldens kunnen slechts worden
aangemunt voor rekening van het Rijk, ter vervanging van zilve—
ren munten, die van Rijkswege aan den omloop worden of zijn
onttrokken.
De pasmunt wordt uitsluitend voor rekening van het Rijk ge-
slagen. ‘
Voor de ‘aanmunting van zilveren pasmunt mogen alleen Rijks-
munten gebezigd worden.
Van het, in het tweede en vierde lid van dit artikel gestelde ver-
bod om rijksdawlders, guldens, halve guldens en zilveren pasmunt
aan te munten anders dan uit zilver door versmelting van Rijks—
munten verkregen, kan door Ons afwijking worden toegestaan,
wanneer de behoeften der circulatie zulks noodig maken. De som-
men benoodigd voor den aankoop van zilver worden op de be-
grooting van Rijksultgaven gebracht, welke door de wet wordt
vastgesteld.
Artikel 3bis.
De winst op aanmuntingen verkregen, wordt, na aftrek van de
kosten van aanmunting, besteed ‚tot aankoop van inschrijvingen
in een of meer van de Grootboeken_ der Nationale Schuld, welke
inschrijvingen worden overgeschreven onder een hoofd van reke-
ning, 1-uidende: „Fonds ‚uit de zuivere winsten, verkregen uit aan—
mruntingen voor rekening van het Rijkâ€. De renten van de ten name
van het fonds ingeschreven Nationale Schuld worden aan het
fonds toegevoegd.
De ten name van genoemd fonds staande Grootboek.inschrij—
vingen kunnen uitsluitend worden vervreemd tot verkrijging van
zoodanige bedragen als n-oodig zijn tot dekking van de ten laste
van het Rijk komende verliezen door de ontmrunting of vermunting
van muniten geleden. De opbrengst van de v-ervreemde Grootboek-
in‘schrijvingen wordt verantwoord onder de middelen tot dekking
van de uitgaven van den dienst welke met de verliezen der ont—
munting of vermunti-ng wordt belast.
Van de bedragen, welke ingevolge het eerste lid van dit artikel
besteed zijn tot aankoop van Grootboeki-nschrijwingen en van de
bedragen, waarover volgens het tweede lid is beschikt, wordt jaar—
lijks eene rekening door Ons aan de Staten-Generaal overgelegd.
15
Artikel 4.
Onze Minister van Financiën is gemachtigd om, wanneer en in
zoover als hij het met het oog op den toestand van het Nederland--
sche munwezen noodzakelijk acht, een bedrag van ten hoogste vijf
en twintig millioen gulden in Nederlandsche rijksdaa'lders te doen
versmelten tot baren en die baren, door tusschenkomst van de
Nedenlandsdhe Bank, te verkoopen.
Alvorens van deze machtiigi.ng gebruik te maken, wint Onze
voonnoernde Minister de voorlichting in van de afdeeling van den
Raad van State, die tot hetI Departement van h(lezen Minister in be—
trekklin-g staat.
Het advies door ’s Raads aï¬deeling uitgebracht, wordt zoodra
’slands belang zulks toelaat, aan de Staten—Generaal medegedeeld.
De op grond van dit artikel aan den omloop onttrokken rijks—
daalders kunnen niet door andere zilveren munten vervangen
worden. -
Artikel 5.
Niemand is verplicht zilveren pasmunt tot een hooger bedrag
dan van tien gulden, nikkelen pasmunt tot een hooger bedrag dan
van een gulden of bronzen pasmunt tot een hooger bedrag dan
van vijf en twintig cent aan te nemen. ‘
Artikel 6.
De in artikel 2 genoemde munten hebben een gehalte, gewicht
en middellijn, benevens eene op ‚het gehalte en op het gewicht toe-
gestane ruimte, zoowel boven als onder, gelijk bepaald is als volgt;
9I
Gewicht
Gehalte
M U N T S O O R T _ Middellijn
wettelijk ruimte wettelijk ruimte
duizendsten duizendsten gram duizendsten millimeters
10 gulden . . 900 1,5 6,720 2 22,5
Goud 5 gulden. . ‚ 900 1,5 3,360 2,5 18,0
dukaat. . . . 983 1,0 3,494 2 21,0
21], gulden . 25,000 4 38,0
gulden. . . 720 3,0 10,000 5 28,0
Zilver 1) 1/2 gulden . . 5,000 6 22,0
25 cent . . . 640 4,0 3,575 10 19,0
10 cent . . 1,400 15 15,0
' | 250 nikkel ,o nikkel vierkant met zijden van
Nikkel 5 cent. . . k 4,500 _ 18 m.M. behoudens de
750 koper 10 01)“ afronding der hoeken.
i millimeters
1
2 /2 cent. . 950 koper 10 koper 4,000 één op hon_ 23,5
Brons cent. ‚ . . . 40 tm 5 tm 2,500 derd stukken 19,0
1/2 cent . . 10 zink 5 zink 1,250 14,0
I
1) Bij de wet van 27 November 1919 S. 786 aldus gewijzigd, daarvoor gehalte van 21/2 gulden, gulden en 1/2 gulden: 945.
17
Artikel 7.
De beeldenaar der gouden tiengmldenstukken is:
op de voorzijde Ons borstbeeld, ‚tot omschrift voerende: Onzen
door het woord Koning (Koningin) voorafgegane naam en de
spreuk: God zij met ons;
op de keerzijde het wapen des Rijks met de Koninklijke Kroon,
tusschen de waarde-aanduiding 10 G., wijders het jaartal, het op-
schrift: K0ningrijk der Nederlanden, benevens het muntteeken en
het muntmeestersteeken.
Deze stukken worden in' den ring gemunt en hebben een kartel-
rand.
Artikel 7bis.
De beeldenaar der gouden vijf-gu‘ldenstu-kken is:
op de voorzijde ‘On‘s borstbeeld, tot ocrnschrift voerende: Onzen
door het woord Koning (Koningin) voonafgeganen naam;
op de keerzijde het,wapen des Rijks met de Koninklijke Kroon,
tusschen de waardeaanduiding 5 G., wijders het jaartal en het op-
schrift: Koningrijk der Nederlanden.
Deze stukken worden in den ring gemunt en hebben een kartel-
rand.
Artikel 8.
De beeldenaar der rij-ksdaá’lders, guldens en halve guldens is:
op de voorzijde Ons borstbeelld, tot omschrift voerende Onzen
naam, met de woorden: Koning (Koningin) der Nederlanden.
op de keerzijde het wapen des Rijks met de koninklijke Kroon,
tusschen de waardeoandmiding 2‘/, G., 1 G., 1/2 G., tot omschrift
rroerende: Munt van het Koningrijk der Nederlanden, benevens
het jaartal, lhet muntteeken en het muntmeeotersteeken.
Deze stukken worden in den ring gemunt.
De rij‘ksdaailder en de,gulden hebben tot randsohrift: God zij
met ons. ‘
‘De halve gulden heeft een kantelrand.
Artikel 9.
De beeldenaar der zilveren pasmun-t is:
op de voorzijde Ons borstbeeld, met een omschrift gelijk aan dat
der rijksdaalders, guldens en halve guldens;
op de keerzijde de waarde-aanduiding 25 cents en 10 cents,
tusschen twee eikentakken, benevens het jaartal, het muntteeken
en het munltmeestersteeken.
De stukken worden in den ning gemunt en hebben een kartel—
rand.
Artikel 9bis.
De beeldenaar der nikkelen pasmun-t is:
op de voorzijde: de woorden Koningrijk der Nederlanden, waar-
binnen een oranjetak;
op de keerzijde: de waarde-aanduiding 5 c. en het jaartal.
2
18
De stukken hebben den vorm van een vierkant; de hoekpunten
zijn afgerond.
Artikel 10.
De beeldenaar der bronzen pasmunt is:
op de voorzijde de gekroonde leeuw, houdende het zwaard en
den pijlbundel, op een met blokken bezaaid veld, binnen een parel-
rand, daaromheen het omschrif't: Koningrijk der Nederlanden, met
het jaatal, benevens het munttee-ken en het muntmeestersteeken;
op de keerzijde de waarde‘aanduid‘i‘ng 2‘/‚ cent, 1 cent, 1/2 cent,
tusschen twee oranjetakken.
Deze stukken worden in den ring gemunt en hebben een kartel-
rand.
Artikel 11.
De bedldenaar van den gouden dukaat is:
op de voorzijde een geharnaste man tusschen de cijfers van het
jaartal, met het omschrift: ConcordÃa res parì’ac crescunt, ‘bene—
vens het mun-tteeken en het muntmeestersteeken;
op de keerzijde binnen een versierd vierkant: M0: am‘: rog:
Belgii ad legem imperÃi.
De stukken worden gemunt op den vrij-en stempel en hebben een
kabelrand.
Artikel 12.
Bij Koninklijk besluit worden de kantoren aangewezen, waar de
pasmunt tegen rijksdaalders, guldens en halve guldens kan worden
ingewisseld, mits het aangeboden bedrag niet minder zij dan vijftig
gulden in zilveren, of tien gulden in nikkelen of bronzen pasmunt.
Artikel 13.
’s Rijks Munt is niet verplicht partijen goud aan te munten in
tienguldenstukken en vijfguldensüukken beneden driehonderd kilo-
gram en in dukaten beneden honderd kilogram.
Artikel 14.
Het munttloon kan voor gouden t-ienguldenstukken niet hooger
worden gesteld dan op vijf gulden per kilogram werks.
Artikel 15.
In de Staatscourant wordt door Onzen Minister van Financiën
jaarlijks medegedeeld hoeveel van elke muntsoort in het afge-
loopen jaar:
a. voor rekening zoowel van bijzondere personen als van het
Rijk is aangemunt;
b. van Rijkswege is ingetrokken.
Artikel 16.
Munten. welke anders dan door slijting in gewicht zijn vermin-
derd, worden in ’s Rijks schatkist niet aangenomen.
Niemand is gehouden ze aan te nemen.
19
Artikel I 7.
De munten die vermoed worden va’l‘sch‘, vervallscht of opzette-
lijk geschonden te zijn, kunnen door elken houder aan den munt-
meester van ’s Rijks Munt ter beoordeeling worden opgezonden.
De ambtenaren. met ontvangsten voor de kassen van openbare
lichamen of instellingen betast, zijn tot de bedoelde opzending van
dergelijke in hunne handen komende munten verphi‘cht, nadat zij,
desgevraagd, een ontvangbewijs aan den houder hebben uitgereikt.
De genoemde met ontvangsten beflaste ambtenaren geven van de
aanhouding onverwijld kennis aan den officier van justitie, en gaan
veertien dagen daarna tot de opzending aan den muntmeester over,
tenzij het aangehouden muntstuk inmiddels door den officier van
justitie ten behoeve van eenig strafrechterlijk onderzoek opge— ‘
vorderd zij.
Ingeval de uitspraak van den mnntmeester het vermoeden be-
vestigt, worden de ‚ter beoordeeling ontvangen munten d“00r dien
ambtenaar doorgesneden en aan den inzender teruggegeven.
Op uitdrukkelijk veï¬l-angen van den justitie—ambtenaar door
Wim de inzending is geschied kan een munt, bedoeld in het vorig
lid, ongeschonden worden teruggegeven.
Alleen tegen vergoeding van de nominale waarde kan de munt-
meester, zoo hij dit wenschelijk acht en de officier van justitie er
zich niet tegen verzet, een stuk terughouden.
Ingeval de uitspraak het vermoeden niet bevestigt, worden de-
zelfde of andere gave munten teruggegeven.
Artikel 18.
Van Rijkswege worden ingetrokken en vermunt:
0. alle gebrekkig bewerkte munten;
17. alle munten, niet begrepen onder die bedoeld bij artikel 17,
vierde lid, welke door den omloop zoozeer zijn afgesleten, dat hun
beeldenaar geheel of gedeeltelijk onzichtbaar is, of die door andere
oorzaken voor den omlloop ongeschikt zijn geworden;
c. de tienguhdenstuldken, wijfguflde‘ns'tukk‘en, rijlesdaalders, gul-
dens en halve guldens, die door slijting in den omloop ‘in gewicht
zijn gedaald:
de tienguldenstu-kken en vijfgulden—
stukken ............................. .. 5 duizendsten of meer;
„ rijksdaa‘lders ....................... .. 15 ‚, „ „
,‚ guldens ............................... .. 30 ‚, „ „
halve guldens ...................... .. 40 ,‚ „ „
17
beneden hun wettelijk gewicht.
De wijze van intrekking wordt bij algemeenen maatregel van
bestuur geregeld.
Artikel 18bÃs.
’De invoer van in Duitschland of België gangbare munt van
zilver of onedel metaal is verboden.
20
[Deze bepaling geldt niet indien het ingevoerde niet meer be-
draagt dan, in zilver, veertig mark of’ vijftig francs, in onedel
metaal, tien mark of twaalf en een halve francs.
Artikel 19.
Het is verboden vreemde zilveren, nikkelen, bronzen of koperen
munten in betaling te geven.
Deze bepaling geldt niet voor bij algemeenen maatregel van be-
stuur aan te wijzen gemeenten. Onverminderd echter blijft ook
daar ieders bevoegdheid om wettige betaalmiddelen te eischen.
Artikel 20.
Het is aan de in artikel 17, 2de lid, bedoelde ambtenaren, alsook
aan pachters en. onderpaobters van inkomtsten van openbare licha—
men of instellingen, verboden bij ontvangsten, die zij als zoodam'g
doen, vreemde munten in betaling aan te nemen.
Deze bepaling geldt niet voor de gemeenten, bedoeld in art. 19,
2de lid.
Artikel 21.
Overtreding van eene der verbodsbepalingen van de artikelen
1811219, 19 en 20 wordt gestraft met geldboete van ten hoogste vijf
en zeventig gulden.
Indien tijdens het plegen der overtreding nog geen twee jaren
zijn verl-oopen sedert eene vroegere veroordeeling van den schul-
dige wegens overtreding van een der bepalingen dezer wet onher-
roepelijk is geworden, wordt hij gestaft met geldboete van ten
hoogste vijfhonderd gulden.
Artikel 22.
(De bij deze wet strafbaar gestelde feiten worden beschouwd als
overtredingen.
Met het opsporen van de overtredingen van artikel 18bis zijn,
behalve de bij artikel 8 van het Wetboek van Strafvordering aan-
gewezen personen, belast de ambtenaren van de invoerrechten en
accijnzen. ‘ ‚
Overgangsbepaling.
Artikel 23.
Ter verwisseling van munt-en, die in Duitschland en van munten,
die in België in de publieke kassen worden aangenomen, wordt,
overeenkomstig bepalingen vast te stellen bij algemeenen maat-
regel van bestuur, in bij dien maatregel aan te wijzen gemeenten
gelegeheid gegeven gedurende een tijdperk van ééne maand na het
in werking treden dezer wet.
‘De verwisseling geschiedt tot door Ons te bepalen koersen, doch
op geen hoogeren voet dan van 59 cent voor de mark, 47‘/,r cent
voor den frank.
21
Slotbepalingen.
Artikel 24.
Waar in wetten of Koninklijke besluiten het woord „stand—
penningen†is gebezigd, worden daaronder verstaan munten met
de hoedanigheid van wettig betaalmiddel tot ieder bedrag.
Artikel 25.
Deze wet kan worden aangehaald als „de Muntwet 1901â€. Zij
treedt in werking op een nader door Ons te bepalen dag.
Met dien dag worden buiten werking gesteld de wetten van
26 November 1847 (Staatsblad No. 69, van 6 juni 1875 (Staatsblad
No. 117),van 28 Maart 1877 (Staatsblad No. 43), van 9 December
1877 (Staatsblad No. 215) en van 27 April 1884 (Staatsblad No. 97).
De overeenkomstig die wetten geslagen munten, welke niet reeds
buiten omloop zijn gesteld, blijven op den bestaanden voet gangbaar
zoolang bare buit-enomÃloopstellling niet bij de wet ‘wordt bevolen.
Artikel 7 der wet van 31 December 1906 (Staas‘blad No. 376).
De zilveren 5 centstukken, overeenkomstig de wet van 26 No-
vember 1847 (Staatsblad No. 69) geslagen, worden op het tijdstip
en op de wijze bij algemeenen maatregel van bestuur te bepalen,
buiten omloop gesteld, nadat tot inwisseling daarvan gedurende
ten minste drie maanden gelegenheid is gegeven.
Tot het tijdstip dier buitenomloopstelling blijven deze munten
behoudens de bepalingen van artikel 5 en 12 der Muntwet 1901
wettig betaalmiddel. -
Artikel 12 der wet van 31 October 1912 (Staatsblad No. 324).
‘De nikkelen 5 centstukken, overeenkomstig de wet van 31 Decem-
ber 1906 (Staatsblad No. 376) geslagen, worden op het tijdstip en op
de wijze bij al-gemeenen maatregel Van bestuur te bepalen, bu‘iten.
omloop gesteld, nadat tot inwisseling daarvan gedurende ten minste
drie maanden gelegenheid is gegeven.
Tot het tijdstip dier buitenomloopstelling blijven deze munten,
behoudens de bepalingen van artikel 5 en 12 der muntwet 1901,
wettig betaalmiddel.
Artikel 13 der wet van 31 October 1912 (Staatsblad No. 324).
Deze wet treedt in werking op den dag harer afkondiging, met
dien verstande, dat gouden vijfguldenstukken niet worden aange-
munt voor een nader door Ons te bepalen tijdstip.
Behooflt bij Koninklijk besluit van den 26 November 1912 (Staats-
blad No. 354). M__ b k d
g e en ,
De Minister van FinancÃrn‚
KOLKMAN.
22
In verband met de ingetreden stijging der zill-verprijzen werd bij
de wet van 27 Nov. 1919 S. 786 tot wijziging van de „Mun-twet
1901†en van de „Indische M.untwet 1912†o.a. het gehalte der
zilveren munten verminderd (zie ant. 6 der Mun=twet van 1901).
Tevens werd bij deze wet vastgesteld:
Slotbepalingen,
Artikel 3.
De rijksdaalders, guldens en halve guldens, geslagen overeen-
komstig de wettelijke bepalingen, zooals die luidden voor den in
het volgend artikel genoemd-en dag, blijven op den bestaanden voet
gangbaar totdart zij, volgens de bij algemeenen maatregel van be-
stuur vast te stellen regelen, buiten omloop zijn gesteld.
Ar‘t‘ikel 4.
Deze wet treedt in werking met 1 Januari 1920.
De maatregel genoemd in art. 3 kwam ‚tot stand bij Bes]. van
15 April 1920 S. 184 waarbij werd bepaald als volgt:
Artikel I.
De rijksdaallders, guldens en halve guldens, bedoeld in artikel 3
der wet van 27 November 1919 (Staatsblad No. 786), tot wijziging
van de „Munwet 1901†en van de „Indische Muntwet 1912", worden
buiten omloop gesteld op de tijdstippen, welke onderscheidenlijk
worden vastgesteld door Onzen Minister van Financiën voor
Nederland en door Onzen Minister van Koloniën voor Neder—
Landsch-IndÃë, voor Suriname en voor Curagao.
Artikel 2.
‚De in het vorig artikel bedoelde rijksdaallders, guldens en halve
guldens zullen onderscheidenlijk in Nederland, 'in Nederlandschfl
Indië, in Suriname en in Curagwo 'tot elk! bedrag kunnen ingewisseld
worden gedurende twee maanden na het tijdstip, dat, volgens het
bepaalde in artikel 1, voor Nederland en voor elk dier Koloniën is
vastgesteld. Deze inwisseling geschiedt in Nederland aan de kan-
toren der betaalmeesters en van de ontvangers der directe belas-
tingen, invoerrechten en accijnzen, en in de Kolloni'ën bij de daartoe
door den Gouverneur-Generaal of door den Gouverneur aan te
wijzen landskassen ‘in die Kolonie. 1)
1) cf. voor Suriname de Publ. van 8 juli 1920 G. B. 42 en voor Curagao
de Publ. van 29 Mei 1920 P. B. 29.
23
Artikel 3.
Dit besluit treedt in werking met ingang van den tweeden dag
na dien der dagteekening van het Staatsblad, waarin het is ge-
plaatst.
’s Gravenhage, den I5den April 1920.
WILHELMINA.
De Minister van Financiën,
DE VRIES.
De Minister van Koloniën,
DE GRAAFF.
Uitgegeven den zeven en twintigsten April 1920.
De Minister van Justitie,
HEEMSKERK.
Ter uitvoering van de „Muutwet 1901†diene het volgende:
De aanwijzing van art. 12 geschiedde bij Besl. van 17 Dec. 1901
S. 268, gew. bij de Besln. van 6 Febr. 1905 S. 37 en 25 Febr. 1907
S. 59:
BESLUIT van den I7den December 1901,
houdende aanwijzing der kantoren, waar
de Pasrnunt tegen rijksdaalders, guldens
en halve guldens kan worden ingewisseld.
WIJ' WILHELMINA, enz.
Gelet op artikel 12 der Mun-twet 1901‘;
Hebben goedgevonden en verstaan:
Artikel I.
De kantoren, waar de Nederlandsche pasmunt, mits voor niet
minder dan eene waarde van vijftig gulden .in zilveren of van tien
gulden in bronzen en nikkelen pasmuint tegen rijksdaalders, guldens
en halve guldens inwisselbaar zal zijn, worden aangewezen:
a. de ‚Ned-erla‘nd‘sche Bank te Amsterdam; ‘
b. de kantoren der betaalmeesters; ‚
c. de kantoren der directe belastingen, invoerrechten en accijn-
zen der 1ste, 2de en 3de klasse, gevestigd in plaatsen, waar geen
betaalmeesterskantoor gevestigd is;
d. de kantoren der registratie en domeinen, gevestigd in plaat-
sen waar geen kantoren zijn bedoeld onder letters b en c.
De aanwijzing der kantoren onder letters 6 en d bedoeld, geldt
slechts voor zoover de vereischte grove zilveren munten aldaar
voorhanden zullen zijn.
24
Artikel 2.
‘De regeling van de dagen en uren, waarop de bij art. 1 aange—
wezen kantoren voor het daarbij omschreven doel zullen geopend
zijn, geschiedt door Onzen Minister van Financiën.
’s Gravenhage, den 17den December 1901.
WILHELMINA.
De Minister van Financiën,
HARTE VAN TECKLENBURG.
Uitgegeven den dertigsten December 1901.
De Minister van Justitie.
J. A. LOEFF.
De A. m. v. 8. genoemd in art. 18 kwam tot stand bij Besl. van
12 Dec. 1901 S. 265, gew. ‚bij de Besln. van 9 Sept. 1909 S. 306 en
16 Dec. 1912 S. 4342
BESLUIT van den 12den December 1901.
regelende de wijze van intrekking van
munten, die ingevolge artikel 18, Iste
lid, der Muntwet 1901 moeten worden
ingetrokken en vermunt. '
WIJ WILHELMINA, enz.
Gezien artikel 18 der Muntwet ‚1901 (we-t van 28 Mei 1901
(Staatsblad No. 132) ;
Hebben goedgevonden en verstaan:
‚ten aanzien van de intrekking van voor den omloop ongeschikte
munten ‚te bepalen als volgt:
Artikel I.
Van Rijkswege worden ingetrokken:
a. alle gebrekkig bewerkte munten;
b‚ alle munten niet begrepen onder die bedoeld bij artikel 17,
4de lid, der Muntwet 1901, welke door den omloop zoozeer zijn
afgesleten dat hun beeldenaar geheel of gedeeltelijk onzichtbaar is,
of die door andere oorzaken voor den omloop ongeschikt zijn ge-
worden;
c. de tienguldenstukken, vijfguldenstuklren, rijksdaalders, gul-
dens en halve guldens die door slijting ‚in den omloop in gewicht
zijn gedaald:
de bienguldenstukken en vijfguldenstukl<en, 5 duizendsten of
meer,
de rijksdaalders, 15 duizendsten of meer,
de guldens, 30 duizendsten of meer,
de halve guldens, 40 duizendsten of meer,
beneden hun wettelijk gewicht.
25
Antikel 2.
De ontvangers der directe belastingen, invoerrechten en accijn—
zen, die der registrabie ‚en domeinen, benevens de directeuren der
post—, der tel-egraaf- en der post- en telegraafkantoren geven de
door hen ontvangen munten„ die naar hunne zienswijze vallen in
de omschrijving van artikel 1 van dit besluit, niet meer uit, maar
nemen die eenmaall ’s maands op in eene gewone storting bij den
betaalmeester, echter afgescheiden van alle andere waarden, en
maken op het borderel van storting daarvan afzonderlijke melding.
Artikel 3.
De betaalmee-sters geven eveneens de door hen ontvangen mun—
ten, die naar hunne zienswijze vallen onder de omschrijving van
artikel 1 van dit besllwit, niet meer uit, maar brengen die met de
ingevolge artikel 2 van dit besluit bij hen gestonte munten, na be-
komen lastgeving van Onzen Minister van Financiën over bij den
mumtmeester van ’s Rijks Munt.
Artikel 4.
Een ieder is bevoegd munten, welke zijn-s inziens vallen in de
omschrijving van artikel I van dit besluit, op te zenden aan den
_ mumtmeester van ’s Rijks Munt ter beoordeeling.
Indien deze bevindt, dat de stukken ingevolge anikel 18, 1ste lid,
der mun‘twet 1901 moeten worden ingetrokken, geeft hij andere
gave munten daarvoor in de plaats; in het tegenovergestelde ge‘
V3Jl geeft hij de ingezonden stukken terug.
Artikel 5.
De Mun:tmeester onderzoekt alle munten hem toegezonden
ingevolge de artikellen 3 en 4 van dit besluit. ‘D’ie welke niet he-
hoeven te worden ingehouden, brengt hij, behoudens het bepaalde
bij artikel 4, 2de lid, weder in omloop, de andere houdt hij onder
zijne berusting om te gelegener tijd vermunt te worden.
Artikel 6.
Dit besluit treedt in werking op den tweeden dag na de dag-
teekening van het Staatsblad en van de Staatscourant, waarin het
geplaatst is.
Het Loo‚ den Ièden ‘December 1901.
\NILHELMINA.
De Minister van Financiën,
HARTE VAN TECKLENBURG.
De Minister van Waterstaat,
Handel en Nijverheid,
"DE MAREZ OIJ‘ENS.
Uitgegeven den dertigsten December 1901.
De Minister van Justitie,
]. A. LOEFF.
26
‘Den A. m. v. B. bedoeld in art. 19 bracht het Besl. van 24 Dec.
1901 S. 274 lgew. bij de Besln. van 15 Febr. 1907 S. 51, 2 juni
1908 S. 193, 16 Dec. 1908 S. 412, 13 Mei 1910 S. 134 en 8 Aug.
1910 S. 251. —ingetrokken en opnieuw geregeld bij Besl. van
29 Juni 1911 S. 198, gew. bij de Besln. van 14 Dec. 1912 S. 433,
5 Aug. 1913 S. 344, 25 Juni 1914 S. 292 en 191Dec. 1914 S. 565,
’ luidende:
BESLUIT van den 29sten Juni 1911, waar-
bij, met intrekking van het, laatstelijk bij
Koninklijk besluit van 8 Augustus 1910
(Staatsblad No. 251) gewijzigde Konink-
lijk besluit van 24 December 1901
Staatsblad No. 274). de gemeenten zijn
aangewezen, waar de bepaling van ar-
tikel 19, Iste lid, der Muntwet 1901 niet
geldt.
WIJ' WILHELMINA, ENZ.
Hebben goedgevonden en verstaan te bepalen:
Artikel I.
Als gemeenten, waar het ingevolge artikel 19, 2de lid, der Munt_
wet 1901 geoorloofd is, vreemde munten in betaling te geven,
worden aangewezen:
a. voor zilveren, nikkelen en koperen munten van het Duitsche
Rijk:
in de provincie Groningen:
de gemeenten Beerta, Nieuwcschans, Bellingwolde en Vlagt—
wedde;
in de provincie Drenthe:
de gemeen-ten Schoonebeek, Coevorden en Sleen;
in de provincie Overijssel:
de gemeenten Losser en Lonneker;
in de provincie Gelderland:
de gemeenten Dinxperlo, Gendringen, B’ergh, Zevenaar, Herwen
en Aerdt, 1Millingeìi, Ubbergen en Groesbeek;
b. voor zilveren, nikkelen en koperen munten van het Konink-
I'ljÃk België:
in de provincie Zeeland:
de gemeenten Cadzand, Retranchement, Bede, St. Kruis, Philip-
pine, Sas van Gent, Westdorj>e‚ ZuÃddorpe, Overslag, Koewacht,
St. Janssteen, Clinge en Grauw en Langendam;
in de provincie Noordbrabant:
de gemeenten Ossendrecht, Putten, Huybergen, Ginneken,
Chaam, Baarle-Nassan, Reusel, Borkel en Soerendonk;
27
6. voor zilveren munten van het Koninkrijk België:
in de provincie Zeeland:
de gemeenten Sluis, 1]zendijke en Hulst;
in de provincie Noordbrabant:
de gemeenten Rosendaal, Hilvarenbeek, Luyksgestel en Budel;
d. voor zilveren, nikkelen en koperen munten van het Duitsche
Rijk:
de gemeente Vaals in de provincie Limburg.
Het Loo, den 29s‘ten juni 1911.
WILHELMINA.
De Minister van Financiën,
KOLKMAN.
Uitgegeven den zevendeu juli 1911.
De Minister van Justitie,
E. R. H. REGOUT.
De, door het gewijzigd octrooi van de Ned. Bank noodzakelijk
gewonden, intrekking der muntbiljetten, geschiedde bij de wet van
31 Dec. 1903 S. 336, per 1 April 1909, bij de wet van I julli 1909
S. 252 verlengd tot I Oct. 1909 en van 15 Juli 1912 S. 239 tot
1 Jan. 1923.
Het toezicht en de zorg over de zaken der munt, waarvoor nog
steeds de wet van 1 juni 1850 S. 25 gold, werd, na een wijziging ’
bij de wet van 2 januani 1899 S. 11, bij de wet van 28 Mei 1901
S. 130 opnieuw geregeld, wehke op 1 Jan. 1902 in werking trad
(Besl. van 6 Dec. 1901 S. 239); met de wijziging van de wet van
1 juli 1909 S. 253, in werking op 1 Oct. 1909 (Besl. van 24 Sept.
1909 S. 321) duidt deze wet als volgt:
WET van den 28sten Mei 1901,
h_0nalende _ bepalingen omtrent het toe;-
2icht en deJ zorg over de zaken der Munt.
WIJ WILHELMINA, ENZ.
Anhikel 1.
Het toezicht en de zorg 0Wer de zaken der Munt zijn opgedragen
aan Onzen Minister van Financiën.
Artikel 2.
‚ Alle munten van het Rijk en van zijne koloniën en. bezittingen
worden aan ’s Rij‘ks Munt geslagen.
De voorwaarden, waaronder voor rekening van anderen dan het
Rijk aan ’5 Rijks Munt kan worden gemunt en medailles kunnen
worden geslagen, worden bij algemeenen maatregel van bestuur
vastgesteld.
23
Artikel 3.
Alle stempels voor de munten van het Rijk en van zijne koloniën
en bezittingen worden aan ’s‘Rij1ks Munt vervaardigd.
In bijzondere gevallen kan van deze bepaling worden afgeweken.
De voorwaarden, waaronder voor rekening van anderen dan het
Rijk stempels kunnen worden vervaardigd, worden bij algemeenen
maatregel van bestuur vastgesteld.
Artikel 4.
Onder het opperbeheer van Onzen Minister van Financiën,
wordt het bestuur van ’s Rijks Munt in zijn vollen omvang gevoerd
door den muntmeester.
De inrichting van den dienst van ’s Rijks Munt wordt, met
inachtneming van de bepalingen dezer wet, geregeld bij algemeenen
maatregel van bestuur.
Het voontdurend toezicht op de stipte naleving aan ’s Rijks
Munt van de wettelijke bepalingen het muntwezen betreffende als—
mede op het verbruik aan muntmatèniaal aan ’s Rijks Munt en de
daarmede in verband staande werkzaamheden worden opgedragen
aan eene, van de ovenige afdeelingen van ’s Munt geheel
afgescheiden en onafhankelijke afdeeling „controle“. Onverminderd
het bepaalde in artikel 7 dezer wet, staat deze afdeeling recht-
streeks onder de bevel-en van den muntmeester.
Bij afwezigheid van den muntm-eester kan door Ons in de tijde-
lijke waarneming van diens functiën worden voorzien.
Artikel 5.
De uitvoering van het muntwerk en de vervaardiging der stem—
pels mogen niet worden aanbesteed aan een of meer ambtenaren
van het muntwezen.
Artikel 6.
Het is aan de ambtenaren van het muntwezen verboden voor
eigen rekening goud «te doen aanmunten, handel in edele metalen
of in voorwerpen, daarvan vervaardigd, te drijven of op eenige
wijze daaraan deel te nemen.
Artikel 7.
Geen nieuwverva’ardigde munten mogen van ’-s Rijks Munt
worden afgeleverd tenzij van het onderzoek en de goedbevinding
proces—‘verbaa‘l is opgemaakt door den muntmeester.
Dit proces-verbaal wordt niet opgemaakt dan nadat hetzij bij
onderzoek door twee ambtenaren van de afdeeling contröle die
daartoe door Onzen Minister van Financiën zijn aangewezen en
in zijne handen den door Ons vastgestelden eed hebben afgelegd,
\is gebleken, dat die munten aan de wettelijke eisohen van gewicht
en gehalte voldoen, hetzij door de Commissie voor het Muntwezen,
na onderzoek eene verklaring ‚is afge-gev‘en, dat de munten aan die
eischen voldoen.
De Commissie voor het wuntwezen gaat tot het evenbedoelde
29
onderzoek niet over dan ingevolge opdracht van Onzen Minister
van Financiën wanneer de muntrneester zulks wenschelijk acht op
grond dat hij zich niet kan vereenigen met de resultaten van het
onderzoek door de ambtenaren der contrôle.
De door die ambtenaren aan den muntmeester van hunne be-
vindingen uitgebrachte rapporten worden door laatstgenoemde aan
Onzen Minister van Financiën overgelegd.
Artikel 8.
Behalve het reeds genoemde wordt den muntmeestor opgedragen
het onderzoek van alle munten die als verdacht van valschheid,
vervalsohing of schennis aan hem zijn opgezonden, alsmede de uit-
spraak in gesichillen van allooi en essaai, aan ’s Rijks Munt ge-
leverd muntmateriaal betreffende.
De muntmeester onderzoekt jaarlijks een aantal munten, die
anders dan van ’s Rijks Munt bij betaalmeesters zijn ingekomen.
Artikel 9.
Vóór den 1sten April van elk jaar wordt door den muntmeester
omtrent de werkzaamheden aan ’s Rijks Munt in- het afgeloopen
kalenderjaar verslag uitgebracht.
Dit verslag wordt voorzien van zoodanige opmerkingen als de
aard der zaak zal vereischen, aan Onzen Minister van Financiën
ingezonden om aan Ons te worden overgelegd, en door Ons aan de
Staten—Generaal medegedeeld.
Artikel 10.
Voor benoeming tot essaieur van ’s Rijks Munt of van de controle
bij ’s Rijks Munt komen alleen in aanmerking zij die als e-ssaieur
zijn geëxamineerd en van eene akte van toelating zijn voorzien
door eene commissie van drie leden, waarvan de muntmeester lid
en voorzitter is. De beide andere lede-n dier commissie worden door
Ons benoemd.
Deze bepaling geldt niet voor hen, die onder de werking van
art. 7 der wet van 1 juni 1850 (Staatsblad No. 25), gewijzigd bij
de wet van 2 januari 1899 (Staatsblad No. 11), het daarbedoeld
examen met goed gevolg hebben arfgelegd.
Artikel 11.
Er is eene commissie voor het muntwezen, bestaande uit drie
leden, door Ons te benoemen. Bij de benoeming wordt tevens aan-
gewezen wie der leden voorzitter en secretaris der commissie zijn.
De benoeming geschiedt voor drie jaren. De aftredenden kunnen
herbenoemd worden.
Aan het lidmaatschap is geen vaste bezoldiging verbonden. Aan
de leden wordt door Ons, behalve vergoeding van reis— en ver—
blij fkosten, vacatiegeld toegekend.
Artikel 12.
De Commissie voor het Muntwezen doet in januari van elk
jaar monsters onderzoeken, genomen van iedere in den loop van
30
het vorige jaar nieuw vervaardigde en door den muntmeester goed—
gekeurde partij munten. Bovendien onderzoekt zij tenminste een-
maal per jaar een aantal munten die ‘in het afgeloopen jaar nieuw
zijn vervaardigd en van ’s Rijks Munt zijn afgeleverd.
De wijze waarop de monsters genomen en onderzocht worden
en hetgeen verder ter uitvoering van het bepaalde in het vorige lid
noodig is, wordt geregeld bij algemeenen maatregel van bestuur.
De commissie brengt jaarlijks aan Ons verslag uit van. hare be—
vindingen, en voegt daaraan zoodanige opmerkingen toe, als zij in
belang van het muntwezen wenschelijk oordeelt.
Dit verslag wordt door Ons aan de StatemGeneraal mede-
gedeeld. 1)
Artikel 13.
In alle burgerlijke en strafgedingen, waarvan de beslissing af-
hangt van die van een gesoh»ilpunt omtrent valschh-eid, vervalsching
of schennis van munten of omtrent allooi en essaali, moet de munt-
meester als deskundige over dit gesehilpunt gehoord worden.
De berichten van den muntmeeslter moeten de gronden behelzen
waarop zij rusten en ondenteekend zijn.
Voor die berichten worden geene kosten berekend dan die van
zegel en registratie, voor zoover die verschuldigd zijn.
_ Artikel 14.
Wanneer de beslissing van een burgerlijk geding afhankelijk is
van die van een gesoh‘ilpunt als in het vorige antikel bedoeld, be-
veelt de rechter, hetzij op verzoek van een der partijen, hetzij
ambtshalve, bij interlocutoir vonnis, dat het bericht van den munt-
meester worde ingewonnen.
Op dit deskundig onderzoek zijn de bepalingen der achtste
Afdeeling van ‚den derden Titel van het eerste Boek, wetboek van
Burgerlijke Rechtsvordering van toepassing, voor zooveel daarvan
niet bij dit of het voorgaande artikel dezer wet is afgeweken.
Artikel 15.
Deze wet treedt in werking op een nader door Ons ‚te bepalen
tijdstip.
Op dit tijdstip treedt buiten werking de wet van 1 juni 1850
(Staatsblad No. 25), gewijzigd bij de wet van 2 Januari 1899
(Staatsblad No. 11).
Gegeven ‘te Raben—Steinfeld, den 28sten Mei 1901.
WILHELMINA.
De Minister van Financiën,
PIERSON.
Uitgegeven den vijftienden Juni 190I.
De Mini.s‘ter van Justitie,
CORT v. D. LINDEN.
1) of. bijlagen Handelingen 2de Kamer der Stat.—Gen. zitting 1920—’21,n0.427.
81
Uitvoering dezer wet:
De voorwaarden van art. 22 werden geregeld bij Bes‘l. van 19 Dec.
1901 S. 271, gew. en aangevuld bij de Besln. van 17 April 1907
S. 86, 23 Sept. 1909 S. 320 en 7 Juli 1911 S. 202.
Ingetrokken en opnieuw geregeld bij het Bes]. van 20 Jan. 1913
S. 35, gew. en aangev. bij de Besln. van 6 Maart 1914 5. 143,
12 Sept. 1917 S. 586, 27 Febr. 1919 S. 53 en 16 Oct. 1919 S. 604:
BESLUIT van den 20sten Januari 1913,
regelende de voorwaarden, waaronder
voor rekening van anderen dan het Rijk
aan ’s Rijks Munt kan worden gemunt,
medailles kunnen worden geslagen en
muntstemj’els of medaillestempel: kunnen
worden vervaardigd.
WIJ' WILHELMINA, ENZ.
Hebben goedgevonden en verstaan:
te bepalen als volgt:
I. Munten.
Artikel I.
‚Het staat ieder vrij gouden tien-guldenstuleken, vijf-gulden-
stukken en du.katen te doen slaan aan ’s Rijks Munt, wanneer de
werkzaamheden voor het Rijk het niet verhinderen.
’s Rijks Munt is niet verplicht partijen goud aan te munten in
tien-guldenstukken en vij f‘gull‘denstu’kk—en ben-eden driehonderd
kilogram en in dmka1ten beneden honderd kilogram.
Artikel 2.
Aanvragen tot het doen aanmunten van mie‘n—gu‘l‘denstuleken, vijf—
guldenstukken of dukaten moeten worden gericht aan den munt-
meester, onder opgave van de soort en hoeveelheid, welke men
wenscht te doen aanmunten.
De aanvrager ontvangt ten spoedigste bericht wanneer de aan—
mu;nting zal kunnen plaats vinden en wanneer het goud aan ’s Rijks
Munt moet worden geleverd. Binnen 3 dagen ‘na ontvangst van dit
bericht deelt de aanvrager de-n mun‘tmeeslter mede, of ‚hij tot de be-
doelde aanmu=nting wenscht over te gaan.
Artikel 3.
Het te vermunìten goud wordt vrachtvrij in ’s Rijks Munt ge-
leverd, hetzij in baren, wegende ten minste 2‘/‚ KG. en ‚ten hoogste
13 K.G. en van ‚een minimum gehallt-e van 0,994 fijn goud, hetzij,
behoudens de bepaling van artikel 9, in vreemde munten.
Gouden baren moeten vergezeld zijn van de daarbij behoorende
essaai-biljetten en gewichtsstaten.
32
Artikel 4.
Onmiddellijk na ontvangst wordt het gewicht van het ingekomen
muntmateriaal bepaald. Bij deze weging kan de leveraar of zijn
gemachtigde tegenwoordig zijn. Van de uitkomsten doet de munt-
meester onmiddellijk mededeeling aan den leveraar.
Alle gewichten worden opgegeven in decigrammen; onderdeelen
hiervan worden verwaarloosd.
Artikel 5.
Na de weging worden uit elke baar minstens 2 kapsels genomen.
—Voor de gehalte—bepalingen, welke op elk dezer kapsels verricht
worden is de leveraar een essaailoon van f 1,50 per baar verschul—
digd, te voldoen bij de inzending der baren.
Tenzij de leveraar bij de inzending der baren verklaard heeft
dat hij gehalte—bepaling van elke baar afzonderlijk wenscht, kan de
muntmeester, zoo hij dit wen-schelijîk acht, het gemiddeld gehalte
van de gezamenlijke baren, op de daaruit genomen kapsels, doen
bepalen. In dit geval is de leveraar een essaailoon van _f 1,— per
baar verschuldigd.
De muntmeester heeft het recht, zoo gewenscht, de bar-en vóór
het gehalte—onderzoek om te smelten.
Gehalten worden opgegeven in tienduizendste deelen.
Artikel 6.
Baren, welke wegens brosheid of te lichte kleur van het metaal
door den muntmeester ter vermunting ongeschikt worden geacht,
moeten door den leveraar worden teruggenomen.
Artikel 7.
Na afloop van de gehalte—bepalingen door de afdeeling „Alge-
meene Zaken†van ’.s Rijks Munt verricht, wordt den leveraar per
aangeteekenden brief mededeeling der uitkomsten gedaan, onder
bijvoeging eener opgave van de hoeveelheid fijn goud in de baren
vervat. Verklaart de leveraar niet binnen 3 dagen na afzendsing
dezer mededeeling, dat hij de baren terugvenlangt of dat hij be-
zwaar heeft tegen de uitkomsten der gehalte—bepalingen, dan
worden de baren geacht ‘ter vermunting te zijn afgegeven. Baren
beneden het in artikel 3 voorgeschreven minimum-gehalte moeten
door den leveraar worden teruggenomen.
Artikel 8.
Verklaart de leveraar, dat hij bezwaar heeft tegen de uitkomsten
der gehalte—bepalingen, als in het vorig artikel bedoeld, dan draagt
de muntmeester een nader onderzoek op aan de afdeeling „eontrôle“
van ’s Rijks Munt. Na afloop van dat onderzoek doet de munt-
meester uitspraak in het geschil. Voor dit nader onderzoek worden
geen kosten in rekening gebracht. De uitspraak wordt den leveraar
per aangeteekenden brief toegezonden,
De leveraar kan de baar of de baren, waarover uitspraak is ge-
33
daan, terugnemen, mits hij zich, binnen 5 dagen na afzending der
uitspraak, hieromtrent verklare. Is deze verklaring binnen den
gestelden tijd niet bij den muntme'ester ingekomen, dan worden de
baar of de baren geacth ‘ter vermunting te zijn afgegeven.
Artikel 9.
De volgen-de vreemde munten worden, volgens het brut-ogewicht
door den muntmeester vast te stellen. en tegen de daarbij vermelde
gehalten, ster vermunting aangenomen:
Sovereigns (Engeland) . ....................................... .. 0,9165
20 en 10 markstùkken (Dot-schland) ......................... .. 0,8995
20 en 10 francstukken (Latijnsche muntumie) ............. .. 0,8995
Eagles (Vereenigde Staten van Noord-Amerika) ....... .. 0, “
20 en 10 kronens‘tukken (Oostenrijk«Hongarije) .......... .. 0,899s
Oude Imperialen (Rusland) ..................................... .. 0,916
Nieuwe Imperiajlen (Rusland) .................................. .. 0,8995
Andere vreemde munten worden vóór de gehalte—bepaling aan
’s Rijks Munt tot baren versmoïten, waarbij de leveraar of zijn ge—
machtigde kan tegenwoordig zijn. Voor deze bewerking is een be-
drag van f 0,25 per K.\G. verschuldigd. De baren kunnen ter ver-
munting worden aangenomen volgens de bepalingen van artikel
4 tot 8.
Artikel 10.
Nadat het goud ter ,vermunting zal zijn afgegeven deelt de
muntmeesater den Ileveraar mede het aantal muntstukken, dat daar—
uit kan worden vervaardigd, het bedrag van het muntloon en het
tijdstip, waarop over de nieuwe gemunte specie zal kunnen worden
beschikt. '
Eene overblijvende hoeveelheid goud, geringer dan n-oodig is
voor’ één stuk der aangemunte specie, wordt verrekend tegen een
prijs van f 1648 per K.G. fijn.
Artikel 11.
De speciën worden afgeleverd in zakken, dragende het zegel van
"\ IJ
den muntmees‘ter en dat van de afdeeling „contro.e van ’s Rijks
Munt.
Artikel 12.
Bij aanmuntingen voor pantculieren bedraagt het muntloon voor:
a. dukaten .................................. .. f 11,80 per K.G. werks;
b. 10«guldenstukxken .................... .. ‚, 5,— „ ‚, ,‚
c. 5—guldenstukken:
f 10,— per K.G. werks voor hoeveelheden tot 500 K.G.;
f 9,— per ‘K.G. werks voor hoeveelheden grooter dan 500 K.G.
tot 1000 K.G.;
f 8,— per K.G. werks voor hoeveelheden grooter dan 1000 K.G.
tot 2000 K.G.;
f 7,— per K.‘G. werks voor hoeveelheden gnooter dan 2000 KG.
tot 3000 KG.
3
84
f 6,— per K.G. werks voor hoeveelheden grooter dan 3000 KG.
In het muntloon zijn begrepen de kosten van het me‘taaxl tot bijzet
benood:igd en van de verpak‘kirng‘ in zakken.
De verschuldigde bedragen moeten vóór den aanvang van den
muntslag bij ‘den muntmeester worden gestort.
Artikel 13.
Bij aanmunting ten behoeve van de Koloniën word-en de volgende
muntloonen aan het Staatsmuwtbedrijf vergoed:
a. voor gouden munten de in het vorig artikel vastgestelde be-
dragen per K.G. werks;
b. voor:
1. rijksdaalders. . . . . . . . . . . . f 1.10 per K,G. werks
2. guldens. . . . . . . . . . . . . . „ 1.35 ‚‚ ‚‚ „ .
3. halve gulden . . . . . . . . . . . ‚‚ 2.10 _‚‚ ,‚ ‚‚
4. 25 centstukken of 1/4 guldens Cura;ao ,‚ 2.60 ‚, ,‚ „
5' 10 n n‚1 10 n n n n n n
6. 5 „ Am’erland. ‚‚ 0.70 ‘„ ,‚ „
7‘ 21/2 n n n 0'85 n †r
8' I n ;1 n I'30 n n ‚‘7
9. 1 2 „ ‚ ‚‚ . . . .' . „ 2.60 „ „ „
10. 1/4 guldens Nea’cr1andsclz-Ina'zë . „ 3.— ‚, „ „
II‘ 10 77 n n » n n n
12. 5 centstukken ‚, „ ,‚ 0.60 „ „ „
13' 21/2 _ n n ’1 n n n n
14' I 77 77 77 7! 77 77 ‘77
IS' 1/2 n n n n 77 n n
Voor het geval], dat het metaal benood‘igd voor den muntslag van
wikkelen, bronzen of koperen pasmunt aan ’s Rijks Munt geleverd
wordt in den v‘or’m van muntp‘laatjes, bedragen de loonen per K.G.
werks voor: ’
5 centstukken À’ea’erland . . . . . . f0.53
21/2 „ ‚‚ . . . . . . „ 0.56
1 ‚‚ „ . . . . . . „ 0.83
1/2 „ „ . . . . „ 1.51
5 „ 1V:der/andsclz-lndië. „ 0.32
21/2 v n n ' ' ' n 0'31
I ‚’1 n ‚‘> ' ‚l 0'39
1/2 n n n ' ‘ ' n O'78
Voor het geval, dat het voor den munztslra=g van nikkelen, bronzen
of koperen pasmunt benoodigd meltaa‘l aan ’s Rijks Munt geleverd
wordt ’in den vorm van ingetrokken specie of îin anderen vorm,
dan hetzij van bladen ’otf reepen van de vereischte samenstelling.
he’tzij van muntplaatjes, bedragen de muntloonen per K.‘G. werks
voor:
35
51 centstukken A"ederland . . . . . . f 1 . 5 5
2 /2 „ „ . . . . . . „ 1 .65
11 i.‘ n n 2 ' I 0
/2 11 Y 71 ' ' ' ' ' ' ' IJ 5 „ Aeder/andn/z-lnrÃzi" . . . „ 1.50
21/2 n n n n 1 ' 2 5
I ’7 IJ n ‘ ' n I '40
1/2 n n n ' ' n 2 '2 5
Artikel 14.
In de in het vorig artikel vastgestelde mun‘tloonen zijn begrepen:
a. voor de gouden speci'e'n de kosten van het metaal tot bijzet
benoodtigd en van de verpakking in zakken;
b. voor de zilveren speciën en voor de Ne‘der’landsche 5—cen_t—
stukken de kosten der verpakking in zakken;
1:. voor de overige nikkelen spec-iën en voor de bronzen en
kop-eren speciën de kosten der verpakking in vaten met één grooten
zak, inhoudende tenminste f 2000,— nominaal voor de nikkelen
speciën en f 400.— nominaal voor de bronzen en koperen speciën.
Artikel 15.
Verschillen tusschen het wettelijk en het werkelijk gewicht en
gehalte der ten behoeve van de koloniën vervaardigde en afge—
leverde munten komen ten bate of ten laste van het Rijk.
Artikel 16.
Voor het uitvoeren van muntingen voor rekening van buiten-
landsche Regeeringen is Onze bijzondere machtiging noodig.
De voorwaarden, waaronder eene zoodanige m=unting kan
worden ondernomen, worden door Ons ‚in elk bijzonder geval vast—
gesteld.
II. StemPels en medailles.
Artikel 27.
Ons besluit van 19 December 1901 (Staatsblad No. 271), zooals
dat is gewijzigd laatstelijk bij ‘Ons besluit van 7 juli 1911 (Staats—
blad No. 202), wordt ingetrokken.
’s Gravenhage, den 20sten Januari 1913.
WILHELMINA.
De Mini.rter van Financiën,
KOLKMAN.
De Minister van Koloniën,
DE WAAL MALEFIJT.
Uitgegeven den acht en twintigstcn januari 1913.
De Minister van Justitie ad interim,
HEEMSKERK.
36
De voorwaarden van art. 31 werden geregeld bij Bes]. van 31 jan.
1906 S. 11, ingetrokken en opnieuw vastgesteld bij Beslï. van 29 Dec.
1911 S. 390.
De A. 111. v. B. ‚genoemd in ant. 12 der ongewijzigde wet van
1901 S. 130 kwam tot stand bij Besl. van 13 Dec. 1902 S. 219, gew.
bij Besl. van 30 April 1907 S. 90.
In verband met de wijziging van 1909 S. 253, ingetrokken en
opnieuw geregeld bij Bes]. van 19 Mrt. 1910 S. 88:
BESLUIT van den 19den Maart 1910, tot
uitvoering van artikel 12, 2de bid, der
wet van 28 Mei 1901 (Staatsblad No.
130), houdende bepalingen omtrent het
toezicht en de zorg over de zaken dcr
Munt, zooals die wet is gewijzigd bij de
wet van I Juli 1909 (Staatsblad No. 253).
WIJ' WILHELMINA, ENZ.
Hebben goedgevonden en verstaan te bepalen:
I. van de monsters bedoeld in antikell 12, 1ste |lid‚ der wet van
28 ‚Mei 1901 (Staatsblad No‚ 130), zooals die is gewijzigd bij de
wet van 1 Juli 1909 (Staatsblad \No. 253).
Artikel I.
Van elke opbrengst nieuw vervaardigde munten wordt door een
der twee in artikel 7 der vorenaangehaalde wet bedoellde ambte-
naren ten behoeve van het onderzoek door de Commissie voor ‘het
Muntwezen het volgend aantal stukken afgezonderd:
a. bij gouden of zilveren munt 4 stukken;
b. ‚bij wikkelen, bronzen of koperen munt 10 stukken of naar
verhouding zooveel stukken meer per opbrengst als noodig is om
ten minste 500 stukken van de geheele aa:nmunting te verkrijgen.
Deze stukken worden, na goedkeuring der opbrengst, in eene
door de ‘in het 1ste llli‘d bedoelde ambtenaren gemeenschappelijk ge-
sloten proefbus geborgen. Voor elke muntsoort wordt eene afzon-
denlijke bus genomen. Aan die bussen wordt eene door de voren-
bedoelde ambtenaren onderteekende verklaring gehecht, vermel-
dende de ingesloten munrtsoort alsmede het aantal zich in iedere
bus bevindende muntstukken.
‚De proefbussen worden in eene, door de vorenbedoelde ambte-
naren gesloten, kast bewaard.
Artikel 2.
De Commissie voor ‚het Muntwezen komt op een of meer dagen
in de maand janu>ani van elk jaar, na oproeping door -den voor-
zitter, bijeen in een der llokalen van ’s Rijks Munt.
37
Artikel 3.
In de eerste bijeenkomst der Commissie ontvangt de voorzitter
de in art. 1 bedoelde proefbussen.
Artikel 4.
Nadat de Commissie zich oventuigd heeft van den goeden staat
der sluiting, gaat zij over tot het opeten van de proefbussen en
ste'lt ‘het aantal muntstukken vast, dat zich in iedere bus bevindt.
‚ Arikel 5.
De inhoud van iedere bus wordt gewogen en het gemiddeld ge-
wicht van één stuk voor elke muntsoort vastgesteld.
Artikel 6.
Daarna neemt de Commissie uit elke bus:
bevattende gouden munten, een of meer monsters van 10 stukken;
bevattende grove zilveren munten, een of meer monsters van 25
stukken; ‘
bevattende zilveren pasìnnnt‚ een of meer monsters van 100
stukken.
Van elk dezer monsters bepaalt zij het gemiddeld gehallte.
Bevat eene bus‘ minder dan bovengenoemd aantal stukken, dan
wordt voor de vaststehling van het gemiddeld gehaflte de geheele
inhoud gebruikt;
11. van het onderzoek der munten die in het afgeloopen jaar
nieuw zijn vervaardigd en van ’s Rijks Munt zijn afgeleverd.
Artikel 7.
Na den aanvang van ieder jaar zendt Onze Minister van
Financiën aan de Commissie eene opgave van de soorten en de
hoeveeflheden der in het af-geloopen jaar nieuw vervaardigde en
van ’s Rijks Munt afgeleverde munten.
Artikel 8.
Na. ontvangst van de in het vorig artikel bedoelde opgave, deelt
de Commissie aan Onzen Minister van Financiën mede de soorten
en van iedere soort de hoeveelheid der in de opgave vermelde
munten, welke zij aan een onderzoek wensch-t te onderwerpen.
Artikel 9.
Voor zooveel de in het vonig artikel bedoelde mededeeling
munten betreft welke zijn vervaardigd ten behoeve van de koloniën
of bezittingen van het Rijk, brengt Onze Minister van Financiën
die mededee‘ling ter kennis van Onzen Minister van Koloniën.
Onze voornoemde Ministers dragen zorg, dat de door de Com-
missie ten onderzoek gewensch‘te munten 200 spoedÎg mogelijk, in
behoorlijk gesloten en verzegelde verpakking, aan ’s Rijks Munt
worden afgeleverd. Van die aijlevening wordt door Onzen Minister
van Financiën aan de Commissie benicht gezonden.
38
Artikel 10.
Na ontvangst van het in het vorig artikel bedoelde bericht, komt
de Commissie in een der lokalen van ’s Rijks Munt bijeen en ont—
vangt u:it handen van den muntmeester de overeenkomstig het vorig
artikel verpakte munten.
‚Artikel 11.
Nadat de Commissie zich overtuig-d heeft van den goeden staat
der sluiting en verzegeling, gaat zij over tot het openen der door
haar ontvangen pakketten en handelt met de zich daarin bevind-ende
munten als in de artikelen 4, 5 en 6 van dit besluit is bepaald voor
de in die artikelen bedoelde munten.
Slotbepalingen.
Artikel 12.
’De Commissie maakt van hare verrichtingen en bevindingen
proces-verbaal op, dat door alle leden wordt ondenteekend.
Artikel 13.
Voor bare onderzoekingen is de Commissie bevoegd gebruik te
maken van de lokalen en hulpmiddelen van ’s.Rijks Munt.
Artikel 14.
Ons besluit van 13 December 1902 (Staatsblad No. 219), 200als
dat is gewijzgd bij Ons besluit van 30 Apr‘il 1907 (Staatsblad
No. 90), wordt ingetrokken.
’s Gravenhage, den 19den Maart 1910.
‘ WILHELMINA.
De Minister van Financiën,
KOLKMAN.
De Minister van Koloniën,
DE WAAL MALEFIJT.
Uitgegeven den zesden April 1910.
De Minister van Binnenlandsche Zaken.
tijdelijk belast met het beheer van
het Dejmrtement van Justitie,
HEEMSKERK.
De instructie genoemd ‘‚in ant. 42 der ongewijzigde wet van 1901 .
S. 130 kwam tot stand bij Besl. van 3 Dec. 1901 S. 234 gew. bij
Besln. van 13 Febr. 1907 S. 50 en 13 April 1908 S. 110 —-
in verband met de wijziging van 1909 S. 253, ingetrokken en
opnieuw geregeld bij Be‘sl. van 23 Sept. 1909 S. 318:
39
BESLUIT van den 23sten September 1909,
houdende regeling van de inrichting van
den dienst ‘van ’s Rijks Munt.
WIJ WILHELMINA, ENZ.
Hebben goedgevonden en verstaan:
Vast te stellen de volgende voorschriften tot regeling van de
inrichting van den dienst van ’s Rijks Munt.
I. Algemeene bepalingen.
, Artikel 1.
De dienst van ’s Rijks Munt wordt verdeeld over de volgende
afdee=lingen :
I. Al-gemeene Zaken;
Muntfabricage;
Stempel— en medaillefabricage;
Postst empelf abnica ge ;
Con'trôle.
S’“F“.’°P
Artikel 2.
Onverminderd hetgeen in de artikelen 43 sub 1, 2 en 4, 44 tot
en met 48 en 50 tot en met 54 van dit besluìt omtrent gewichts- en
geha‘ltebepaiingen, omtrent het afzond-eren van munten of ander
materiaal voor onderzoek en omtrent het verzegelen, na verpak—
king, der nieuw vervaardigde specie, aan de afdeeling „Contròle“
of aan ambtenaren van die afdeeling ‘is opgedragen, staan de in
het vorig artikel bedoelde afdeelingen onder de bevelen van den
muntmeester.
Artikel 3.
Wanneer zulks in bijzondere omstandigheden naar ‘.het bordeel
van den muntmeester -n-oodig is, kan deze een deel der werkzaam—
heden van eene afdeeling tijdelijk aan eene of meer der andere
afdeelingen opdragen; deze bepaling is niet van toepassing op de
afdee‘ling ‚,Contròle". ’
Andere dan de in dit besluit genoemde werkzaamheden en onder-
zoekingen kunnen ten behoeve van ’S Rijks Munt of van het munt—
wezen door den muntmeester aan de afdeelingen of aan hare
ambtenaren worden opgedragen.
II. Van den muntmeesteî’.
Artikel 4.
De muntmeester =leg-t bij de aanvaarding zijner betrekking in
handen van Onzen Minister van Financiën den eed van zuive-
ring af, voorgeschreven bij het Koninklijk besluit van 31 October
1828, No. 103, in Ihet formulier llett-er A, alsmede den navolgenden
ambtseed:
„Ik zweer (beloof), dat ik het mij opgedragen ambt met getrouw—
heid 2311 vervullen.
„Z00 waarlijk helpe mij God Allmachtig( dat beloof ik)â€.
40
Artikel 5.
De muntmeester is gehouden Onzen Mnister van Financiën voor
te lichten omtrent alle punten, het muntwezen betreffende, die aan
zijn oordeel worden onderworpen.
Hij heeft de bevoegdheid aan Onzen Minister van Financiën
alle zoodanige voorstellen te doen of beschouwingen mede te deelen,
als waardoor ‚hij vermeent de hem toevertrouwde belangen of die
van het muntwezen te bevorderen.
Hij houdt zich op de hoogte van -den toestand der muntcirculatie
en VCI‘I'ÌC1'IJÎ de werkzaamheden, die hem in het belang van eene be-
hoorlijke eirculatie van ’s Rijks munten en eene gelijkmatige ver-
deeling der aanmuntingen voor rekening van het Rijk, door Onzen
Minister van Financiën worden opgedragen.
Artikel 6.
Voor afwezigheid van 4 dagen of langer buiten de gemeente
Utrecht behoeft de muntmeester verlof van Onzen Minister van
Financiën.
Artikel 7.
Met inachtneming van de bepalingen van dit besluit, stelt de
muntmeest-er, onder goedkeuring van Onzen Minister van Financiën
de voor de uitvoering van het werk noodige instructiën der onder
hem staande ambtenaren vast.
Hij benoemt, schorst en ontslaat de losse werklieden.
Artikel 8.
Den muntmeester ‘is de handhaving van de goede orde in de ge-
bouwen van ’sRijks Munt opgedragen.
Hij zorgt, dat alle onder hem staande ambtenaren stiptelijk en
getrouw hunne plichten vervullen en dat door hen niet gehandeld
worde in strijd met artikel 6 der, bij de wet van 1 Juli 1909 (Staats—
blad No. 253) gewijzigde, wet van 28 Mei 1901 (Staatsblad
No. 130).
Wanneer een ambtenaar, onder hem geplaatst, zich aan wan-
gedrag, ontrouw .of oneerlijkheid schuldig maak-t, kan hij dien
ambtenaar in zijne functiën schorsen.
Hij geeft hiervan onmiddellijk kennis aan Onzen Minister van
Financiën, met opgaaf der gronden, welke tot de schorsing geleid
hebben. Schorsing, als in dit artikel bedoeld, heeft geen stilstand
van bezoldiging tengevolge, tenzij zulks ‘in elk bijzonder geval door
Onzen Minister van Financiën wordt bepaald.
Artikel 9.
Door den muntmeester kan aan de onder hem staande ambte—
naren verlof worden verleend voor ten hoogste 14 dagen. Langer
verlof kan door Onzen Minister van Flinanciën worden gegeven.
Bij ontstentenis of afwezigheid van een dier ambtenaren kan de
mun-tmeester de tijdelijke waarneming van diens werkzaamheden
41
aan een der overige ambtenaren opdragen, met dien verstande, dat
de ambtenaren der afdeeling „Contròle“ niet dan met goedkeuring
van Onzen Minister van Financiën kunnen belast worden met de
waarneming der werkzaamheden van een ambtenaar eener andere
afdeeling.
Bij ontstentenis of afwezigheid van een der twee, in artikel 7
der bij de wet van 1 Juli 1909 (Staatsblad No. 253) gewijzigde
wet van 28 Mei 1901 (Staatsblad No. 130), bedoelde ambtenaren
der afdeeling „‘Co‘11‘tròleâ€, worden diens werkzaamheden vervuld,
hetzij door den ander dier twee ambtenaren, hetzij door een, door
Onzen Minister van Financiën aangewezen, beëdigden piaatsver-
vanger. Van ontstentenis of afwezigheid, als in dit ‘l;Ëd bedoeld,
wordt door den muntmees‘t-er aan Onzen Minister van Financiën
kennis gegeven.
Artikel 10.
De muntrneester is belast met het toezicht over en de zorg voor
de gebouwen en den inventaris van ’sRijks Munt.
Artikel 11.
De muntmeester draagt zorg, dat alle opdrachten, betreffende
den aanmaak van munten, stempels en medaille—s, zorgvuldig en
met bekwamen spoed worden uitgevoerd.
Hij waakt voor een zuinig beheer en zorgt voor eene nauw—
lettende controle op het munt— en medaillemateriaal.
Artikel 12.
De muntmeester draagt zorg, dat geen nieuw vervaardigde
munten van ’s Rijks Munt worden afgeleverd, tenzij van‚het onder—
zoek en de goedbevinding dier munten door hem proces-verbaal
is opgemaakt overeenkomstig het bepaalde in artikel 7 der bij de
wet van I‘ Juli 1909 (Staatsblad No. 253) gewijzigde wet van 28 Mei
1901 (Staatsblad No. 130).
Artikel 13.
De muntmeester doet aan Onzen Minister van Financiën maande—
delijks opgave van de soorten en de hoeveelheden der in de afge—
loopen maand opgebrachte en door hem goedgekeurde munten en
der afgeleverde medailles.
Bij die opgaven worden gevoegd de rapporten door de twee in
artikel 9, 3de lid, bedoelde ambtenaren van de alfdeeling „Contròle“
met betrekking tot de in die opgaven vermelde munten uitgebracht.
Artikel 14.
Alle munten, die den muntmeester zijn toegezonden, omdat zij
op grond van het bepaallde bij artikel 18 der Muntwet 1901, moeten
worden ingetrokken en vermunt, worden door hem in ontvangst
genomen, geverifieerd en beoordeel—d.
Artikel 15.
De muntmeester doet uitspraak over alle munten, die als ver—
42
dacht van valschheid, vervalselming’ of opzettelijke schennis, zijn
aangehouden en aan zijn onderzoek onderworpen, snijdt. indien de
uitspraak het vermoeden bevestigt, de stukken door, en zendt 2e
aan den inzender terug, een en ander onverminderd de bepalingen
van het 5de en 6de Lid van artikel 17 der Muntwet 1901.
Artikel 16.
De_ muntmeester doet uitspraak in geschillen van al‘l‘ooi en
es-saa1. ‘
Evenzeer doet hij de uitspraken, bedoeld in artikel 25 der laatste—
lijk bij de wet van I Julli 1909 (Staatsblad No. 253) gewijzigde wet
van 18 September 1852 (Staatsblad No. 178) omtrent den waar—
borg en de belasting der gouden en zilveren werken.
Artikel 17.
Van de ontvangst van pakketten, houdende voorwerpen, waar—
over een uitspraak venlangd wordt, geeft de muntmeester kennis
aan de inzenders.
Artikel 18.
Indien voor het in te stellen onderzoek gevorderd wordt, dat
van de ingezonden voorwerpen een gedeelte wordt afgenomen of
de gedaante dier voorwerpen door versmelting of anderzins ver—
andere, wordt zulks in de uitspraak, door den muntmeester uit te
brengen, vermeld.
. Artikel 19.
De uitspraak bevat de gronden, waarop zij berust. De munt‘
meester zorgt, dart zijne uitspraken binnen den kortst m-ogelijken
tijd worden uitgebracht, uiterlijk :binnen veertien dagen, nadat de
te onderzoeken stukken zijn ontvangen.
Mocht het tengevolge van bijzondere omstandigheden onmogelijk
worden bevonden de uitspraak ‘bin1nen dien tijd uit te brengen, dan
is de muntmeester verplicht van dat uitstel en van de omstandig-
heid, die daartoe aanleiding heeï¬t gegeven, aan de inzenders der te
onderzoeken voorwerpen mededeeling te doen.‘
Na beëindiging van het onderzoek worden de onderzochte voor—
werpen met de uitspraak van den munttmeester aan de inzenders
teruggezonden.
‚De bepalingen van dit en de beide vorige ar-tikell-en zijn niet van
toepassing, indien de muntmeester, ingevolge de artikelen 13 of 14.
der, bij de wet van I juli 1909 (Staatsblad .No. 253) gewijq‘igde wet
van 28 Mei 1901 (Staatsblad No. 130), :in een burgerlijk of een
strafgeding als deskundige wordt gehoord. ‘
Artikel 20.
Na afloop van elke maand zendt de muntmeester. aan Onzen
Minister van Financiën een tabel van all de uitspraken, als bedoeld
in artikel 15 in de vorige maand door hem uitgebracht.
Ook deeilt hij aan Onzen voornoemden Minister alles mede, wat
43
in een=ig opzicht ter kennis van het Departement van Justitie moet
worden gebnacht.
A tikel 21.
De muntmeester draagt zorg, dat een of meermaflen ’sjaars de
balansen en gewichten van ’!S\lekS ‚Munt aan een onderzoek
onderworpen en hunne afwijkingen vastgesteld of opgeheven
worden. ’
Artikel 22.
De mun=tmeester draagt zorg, dat ‚het Rijksmagazijn van schei—
middelen in voldoende orde en van alles behoorllijk voorzien ge-
houden worde en aan de aanvragen van de essa‘i‘eurs van den waar—
borg ten spoedigste worde voúdaan.
Artikel 23.
De muntmeeäter bewaart alle stempels en letterbllokjes aan
’s Rijks Munt voorhanden, geeft deze naar behoefte uit en is ver-
antwoordelijk voor een richttig gebruik.
Hij ziet toe op de vervaardiging van alle stempels en letter-
blokjes, voor zoover deze aan ’s Rijks Munt geschiedt, en op de
vernietiging van de aan den Staat toebehoorende stempels en
lettenblokjes, die voor den dienst zijn afgekeurd. Van dit a‘l'les
worden door hem nauwkeurige staten gehouden. '
Artikel 24.
De muntmeester draagt zorg voor de instandhouding, ramg—
schikking en catalogÃs-eering van ;het munt— en med‘aìillllecabin‘et
aan "5 Rijks Munt. .ienin worden opgenomen twee stukken van
elke aanmunting en een afslag in brons van eiken aan ’s Rijks Munt
afgeslagen medaillestempe‘l.
Artikel 25.
De muntmeester doet zoowell door de afdeeling „Contròle“ als
door de afdeeling ,‚Aigemeene Zaken" op gewicht en, 200 noodig‚
op gemiddeld gehaC-te onderzoeken alle îter versmelting aan ’s Rijks
Munt voor rekening van het Rijk of zijne koloniën en bezittingen,
aangevoerde of vandaar te verzenden munt- of medaille metalen,
munten en medaiflles.
El‘k rapport omtrent bevonden gewicht en gehalte wordt ge-
teekend door den ambtenaar, die (het onderzoek heeft verricht.
Artikel 26.
Alle -ter versmelting inkomende munten en muntmaterialen, niet
bedoeld in het vorig artikel, doet de munitmeester op gewicht, en
zoo noodig, op gehalte onderzoeken door de afdeeling „Allge’m-eene
Zaken". Mocht hierover een geschil ontstaan met den inzender.
dan draagt de muntmees-ter een nader onderzoek op aan de afdee‘ling
„Contrôleâ€. Door den muntmees‘ter wordt uitspraak in het geschil
gedaan.
44
Artikel 27.
De muntmeester leg-t van elke ’aa’nmu‘nting voor het Rijk of zijne
koloniën of bezittingen eene rekening af aan de A‘lgemeene Reken-
kamer.
Artikel 28.
Uiterlijk op den tienden dag van iedere maand zendt de munt—
meester aan de Algemeene Rekenkamer over de voorafgaande
maand een staat van ontvangsten en een van uitgaven, beiden in
tweevoud, vermeldende:
I. voor zooveel den staat van ontvangsten betreft:
a.‚ de nominale waarde van de voor rekening van het Rijk, van
zijne koloniën of bezittingen vervaardigde en goedbewond-èn
munten;
b. de nominale waarde van de door Onzen Minister van
Koloniën, door de Nederlandsche Bank, door ‚het Agentschap van
het Ministerie van Financiën, en door betaalmeeslters bij hem over-
gebrachtte munten, daaronder begrepen de uitsluitend ‚in Neder-
lan-dsch-Indlë gangbare munten;
c. de opbrengst van het metaal, vervat in de bij hem overge-
brachte, uit Nederlandsch-IndÃë afkomstige valsche munten;
II. voor zooveel den staat van uitgaven betreft:
a. de nominale waarde van de door ‘hem naar ’sLands kassen,
naar de Nederlandsche Bank of naar de koloniën of bezittingen
verzonden munten;
b. de nominale waarde van de sub Ib bedoelde munten, welke
door hem zijn versmolten;
c. de su-b Ic bedoelde opbrengst, welke door hem in ’s Rijks kas
is gestort.
De hiervoren bedoelde staten gaan vergezeld van de =kwitantiën
door den muntmeester wegens door hem verzonden of afgegeven
munten ontvangen.
Artikel 29.
De muntmeester is gemachtigd tot den onderhandschen verkoop
van het metaal, vervat ‘in bij ‚hem overgebrachte, uîi’t N ederlund.rch-
Indië afkomstige valsche munten.
Artikel 30.
Jaarlijks in de maand Februari zendt de muntmeester aan de
Alge1neene Rekenkamer:
I. eene rekenin , betreffende de in elk der maanden van het
laatstverloopen kalenderjaar door .hem gedane ontvangsten en
uitgaven;
2. eene verantwoording betreffende het in het laatstverloopen
kalenderjaar door hem ontvangen m-unt- en medaillemateriaal.
Deze verantwoording vermeldt tevens in welken vorm het aan—
wezige munt— en. medaillemateriaa'l voorhanden is, welk fabrieks-'
verlies in het laatstver‘loopen kalenderjaar geleden is op den aan-
45
maak der nieuwvervaardigde munten en medailles, alsmede de
winst of het verlies, veroorzaakt door afwijking van het wettelijk
gewicht en gehalte dier munten.
Bij deze verantwoording worden gevoegd de rapporten omtrent
gewicht en gehalte, bedoeld in artikel 25 van dit besluit, voor
zoover deze rapporten niet reeds bij de rekeningen betreffende
aanmuntingen, bedoeld ‚in artikel 27, waren overgelegd.
Artikel 31.
Door den muntmeester wordt zekerheid ‚ten behoeve van den
Staat gesteld tot het door Onzen Minister van Financiën te be-
palen bedrag.
Artikel 32.
Voor I Juli van elk jaar zendt de muntmeester aan Onzen
Minister van Financiën eene begrooting van ontvangsten en uit—
gaven, ’s Rijks Munt betreffende, over het volgende dienstjaar.
111. Van de afdeeling „Algemecnc Zakenâ€.
‘ Artikel 33.
De afdeeling ,.,Algemeene Zaken†is belast met de behandeling
van alle bij den muntm-eester inkomende of van dezen uitgaande
stukken, met de boekhouding, {net het houden der kas, met het
opmaken van rekeningen en verantwoordingen, met de expeditie
van medailles, medai’lle—, ijk—, waarborg—, zegel— en poststempels.
met gehaùte—onderzoe-kingen ten dienste der munlt— en medaille-
ï¬abricage, met gewichts‘ en, 200 noodig, gehaltebepalingen van
alle bij ’s‘Rijks Munt inkomende of wiandaar af te leveren munt-
of medaillemetalen, munten of medailles, met de zorg voor de
bibliotheek, lhet archief en het munt- en medaillekabinet.
IV. Van de afdecling ‚,llÃuntfabrÃcageâ€.
Artikel 34.
‘ De afdeeling „Mun‘tf‘a‘br‘icage“ :is belast met de verwerking in
haar vol‘l-en omvang van muntmatteriallen tot nieuwe munten.
V. van de afdeeling ,‚Stemjwl- en medaillcfabricageâ€.
Artikel 35.
De afdee‘ling „Stempel- en medaillefabrioage†is belast ‚met het
ontwerpen en vervaardigen van medaill‘les, van munt-, medaille—.
ijk-, waarborg— en zegelstempels, zoowel ten dienste van het Rijk
als van zijne kolonië-n en bezittingen, en van bijzondere personen
of instellingen.
VI. Van de afdeeling „Poststemflelfabricageâ€.
Artikel 36.
De afdeeling „Poststempelfabricage†is belast met de vervaardi—
ging van stempels voor den dienst der posterijen en telegrafie, zoo—
wel hier te lande als in de kolon-iën en bezittingen.
46
VII. Van de afdeeling „Contrôleâ€.
Artikel 37.
‘De afdeeling „Contrôle†is van de overige afdeelingen van
’s Rijks Munt geheel afgescheiden en onafhankelijk. Zij is belast
met het voortdurend toezicht op de stipte naleving aan ’s Rijks
Munt van de wettelijke bepalingen, het muntwezen betreffende,
alsmede op het verbruik van munt— en medaillemateriaal aan
’s Rijks Munt.
Artikel 38.
De afdeeling ‚,Contròle†is belast met de ontvangst van alle bij
den muntmeester inkomende ‘m‘un‘t— of medaillemetalen en met de
expeditie der nieuwvervaardigde muntspeciën.
Artikel 39.
Geene munten van Nederland of van zijne -koloniën of bezit-
tingen, noch cisailles worden on=tmunt dan onder toezicht van de
afdeeling „Contròïeâ€.
Artikel 40.
De afdeeling „Contröle“ controleer“: het gewicht en, 200 noodig,
het gemiddelde gehalte van:
I. alle bij ‘den mun-tmeester, voor rekening van het Rijk of
zijne kolon1ièn en bezittingen, inkomende of van ’s Rijks Munt af
te leveren m‘unt— of medai‘llemetalen, munten of medailles;
2. alle munten, me-daillles, munt- en medaillemetalen, g‘oud‘- of
zi‘lverhoudende stoffen, welke in bewerking worden gegeven, uit
de munt— of medai‘lleÃabricage ìte‘ruggeleverd worden of van de
eene werkzaal in de andere worden gevoerd;
3. lhet in ’s Rijks Munt aanwezige munt— of medaillemateriaal,
munten of medailles, wanneer dit door den muntmeester wensche—
lij’k wordt geacht.
Artikel 4I.
Het onderzoek naar gewicht en gehalte van elke partij nieuw—
vervaardigde en voor het onderzoek opgebrachte munten, alsmede
naar gehalte of samenstelling van. ‘ter verwerking bestemd medaille-
metaal, nikkelen- of bronzen munltrmat‘er‘i‘aa‘l, geschiedt persoonlijk
door de twee in artikel 9, 3de lid, bedoelde ambtenaren van de
afdeeling „Contròle“. _
De hierbedoelde onderzoekingen geschieden overeenkomstig de
artikelen 42 .tot en met 54 van dit besluit.
Artikel 42.
De nieuw vervaardigde munten worden ’tot onderzoek opge-
bracht op zoodanige tijdstippen als door den muntmeester zullen
worden bepaald.
Elke opbrengst bestaat zooveel mogelijk uit de volgende aan-
tallen stuk-ken der verschillende muntsoorten:
47
10 guldenstukken of dukaten . . . . . . . . 10.000 stukken
Rijksdaalders. . . . . . . 40.000 „
Guldens of halve guldens . . . . . .. . . . 50.000
25 centstukken of 1/4 guldens Nm'er/amÃsc/z-
Indië of Cura;aa . . . . 100.000
10 centstukken of 1/10 guldens-A‘ederlaîidfchl
Indië of Curn;aa . 100.000
5 centstukken of 1/20 guldens Nederlann’st/x—ln l'1ë 100.000 „
21_/2 of 1 centstukken . . . . . . . . . . . . 100.000 ‚‚
1/2 centstukken . . . . . . . . . . . . 200.000 „
21/2 „ 1Vederlandrc/z-lnrlz'è . . . . . . 80 000 .‚
I ,‚ „ ‚‚ . . . . . . 120.000 „
1/2 „ ‚, . . . . . . 160.000 „
77
elk aantal vermeerderd met zooveel stulkken als voor verschil—
lende gehalte—onderzoekingen zullen worden vereisoht.
Artikel 43.
Van elke opgebrachte partij munten worden door een der in
artikel 9, 3de lid, bedoelde ambtenaren afgezonderd:
1. voor het gewielttsonderzoek, bedoeld in artikel 41 : ‘/„„ste
deel bij gouden munt, 1/‚„„s-te deel bij grove zilveren munt, 1/,„,‚,Ste
deel bij ziveren pasmunt, twee hondend-tallen bij nikkelen of
bronzen munt, twee vijftig—tallen bij koperen munt;
2. voor het gehalteonderzoek bedoeld in artikel 41:
a. bij gouden munt 4 stukken;
b. bij grove zilveren munt 4 stukken;
c. bij zllveren pasmrunt 8 stukken;
3. voor het onderzoek naar het gemiddeld gehalte der aan-
munting:
a. bij gouden munt: 1/„„„ste deel;
b. bij zilveren munt een z-oodanig gedeelte dat van de aanmun-
ting in haar geheel ten minste 1000 stukken worden verkregen;
4. voor het onderzoek door de Commissie voor het muntwezen:
a. bij gouden of zilveren munt 4 stukken;
b. bij nikkelen, bronzen of koperen munt 10 stukken, of naar
verhouding zooveel stukken meer per opbrengstals noodig is om
ten minste 500 stukken van de geheele aanmunting te verkrijgen.
Artikel 44. —
De in artikel 43 sub 1 bedoelde stukken worden door één der i1
artikel 9, 3de ‘lìd, bedoelde ambtenaren stuk voor stuk gewogen.
Indien bij goud één stuk, bij grove zilveren munt 2 stukken. bij
zilveren pasmunt 4 stukken gevonden worden buiten de wettelijke
ruimte, wordt hiervan kennis gegeven aan den muntmeester. Deze
laat de geheele partij stuk voor stuk n‘awegen, de stukken buiten
de ruimte uitschieten en de aldus uitgezoohte partij opnieuw op—
brengen.
Dit gewichtsonderzoek wordt herhaald, zoolang het noodig
blijkt. '
48
De stukken, die buiten de wettelijke ruimte zijn bevonden, worden
onder toezicht van de afdeeling „Contrôle“ ontmunt.
Artikel 45.
Van de in artikel ‘43 sub 2 bedoelde stukken wordt door één der
in artikel 9, 3de lid, bedoelde ambtenaren het gehalte bepaald en
wel;
0. bij gouden munt op elk stuk afzonderlijk;
17. bij grove zilver-en mu-nst op elke twee stukken;
6. bij zilveren pasmu-nt op elke vier stukken.
Eene gehalt-ebepaling berust op minstens twee proeven.
\Nanneer de uitkomsten eener gehaltebepaling liggen buiten de
wettelijke ruimte, wordt het onderzoek herhaald.
Indien de eerste bevinding wordt bevestigd, wordt hiervan mede-
deel‘ing gedaan aan den muntmees:ter. Deze laat de partij onder
toezicht van de afdeeling „Contròle†ontmunten, tenzij hij een
onderzoek wenschdlijk acht als bedoeld in artikel 7, 3de lid, der bij
de wet van 1 Juli 1909 (Staatsblad -No. 253) gewijzigde wet van
28 Mei 1901 (Staatsblad No. 130).
Artikel 46.
De in artikel 43 sub 3 bedoelde stukken worden in eene, door
de in artikel 9, 3de (lid, bedoelde ambtenaren gesloten, kast ge—
borgen. Na afloop van eiken munts'lag wordt van de gezamenlijke
stukken of van ten minste duizend, indien het aantal meer dan
duizend bedraagt het gemiddeld gel1alte bepaald, z-oowel door een
der hiervoren bedoelde ambtenaren als door een der ambtenaren
der afdeeling „Algemeene Zakenâ€.
Het gemiddelde der uitkomsten zal geacht worden het ge’
middelde gehalte te zijn van de geheele partij, waarvan de s‘tukken
afkomstig waren.
Artikel 47.
De in artikel 43, sub 4, bedoelde stukken worden, na goed—
keuring der opbrengst, in eene door de in artikel 9, 3de lid, be-
doelde ambtenaren, gesloten proefbus geborgen. Voor elke munt—
soort wordt eene afzonderlijke bus genomen. ‘De bussen worden
in eene door de voornoemde ambtenaren gesloten kast bewaard.
Artikel 48.
Na ontvangst aan ’s [Rijks Munt van muntnikkel of munt—brons.
wordt de zending zoo mogelijk in partijen van hoogstens ongeveer
10000 kilogram verdeeld. Van elk dier partijen neemt een der in
artikel 9, 3de lid, bedoelde ambtenaren een monster van ten
minste 500 gram, bestaande uit ten minste 25 hoeveelheden van
verschillende gedeelten der partij afgezonderd metaal.
Het verkregen metaal wordt fijn verdeeld, gemengd en daarna
door één der twee voornoemde ambtenaren bepaald lhet koper- en
het nikkelge‘halte van het muntnikkel, het koper- en het tingehalte
49
van het ‘mun‘tb‘r’ons. Het gehalte aan zink bij mun.tbrons wordt door
aftrek gevonden. De samenstelling der ‘bestanddeelen wordt in halve
procenten nauwkeurig opgegeven.
Wanneer de uitkomst eener gehall:tebepaling Iliglt buiten de wette—
lijke ruimte, wordt het onderzoek op een nieuw monster, als boven
genomen, herhaald. Indien de eerste bevinding wordt bevestigd.
wordt hiervan kennis gegeven aan den muntmeester. Deze keurt
de partij af en zendt ze aan den leverancier terug.
Artikel 49.
Tijdens den duur van het onderzoek eener partij muntn-ikkel of
muntbrons mag met de bewerking ervan geen aanvang worden
gemaakt.
Artikel 50.
Indien door de afdeeling „Muntfabnioage“ muntni-kkel of munt-
brons mocht worden vervaardigd, wordt hiemede gehandeld over—
eenkomstig het bepaalde ‘in artikelen 48 en 49.
Artikel 51.
Indien schroot of ingetrokken specie van ‘mu‘ntn‘i’kke'l of munt—
bnons aan ’s Rijle Munt wordt versmollten ter vervaardiging van
nieuw muntmateriaal, wordt dit tijdig aan den chef der afdeeling
„Contrôle“ mede-gedeeld.
Op ‘het nieuw verkregen metaall wordt ten minste éénmaal tijdens
eene aanmunting een onderzoek naar de samensteëlfling ingesteld op
de wijze alls in artikel 48 omschreven.
Artikel 52.
Van elke opgebrachte partij munten van muntnikk-el, muntbrons
of koper worden voor het gewichtsonderzoek afgezonderd twee
honderdtallen bij nikke‘len of bronzen munt, twee vijftigtallen bij
koperen munt.
Deze honderd— of vijflhigtallllen worden door één der ‚in artikel
9, 3de flid‚ bedoel-de amb‘tearen gewogen. Zij mogen geen grooter
veflschil dan één stuk boven of ben-eden het normaalllgewicht van
100 of 50 stukken opleveren. Is ‘dt'ìt we‘l het geval, dan wordt hier—
van —aan den muntmeester mededeeling gedaan en de opbrengst
aan de muntfabnicage teruggegeven.
De stukken, die buiten de wettelijke ruimten zijn gevonden,
worden onder toezicht van de af’deelling „Contròle“ ontmunt.
Artikel 53. ‘
Wanneer gebleken is dat eene opgebrachte pantij munten aan de
wettelijke €IÑSC‘hCII van gewicht en. gehalte voldoet, wordt door de
afdeeling „Contrôle’“ overgegaan tot het ter aflevering verpakken
der goedgekeurde munten.
In elken zak of ander verpakkigsmìddel wordt ‚het volgende
aantal stukken gebracht:
50
Dukaten ................................................. .. 1000 stukken.
10 guldenstukken ..................................... .. 500 ‚,
Rijksdaalders ........................................... .. 200 „
Guldens .................................................. .. 500 ,‚
Halve guldens ......................................... .. 500 „
25 centstukken en ‘/‚ guldens Nederlandse/i—
Indië en Curagao- .................................. .. 1000 ‚,
10 centstukkem en 1/10 guldens Nedc‘1'landsc’h—
Indië en Curagao .................................. .. 1000 „
5 centstukke‘n .................. .. 1000 ,‚
‘/,„ guldens Nederlandsch4ndÃë ................. .. 2000 „
2‘/2 centstu-kken ...................................... .. 1000 „
I centstukken ........................................... .. 1000 „
1/l „ . .......................................... .. 2000 ‚,
De 2‘/„ 1 en ‘/, cent-stukken Nederlandsch—IndÃë worden gestort
in eenen zak, of ander verpakkingsmiddel, inhoudende een bedrag
van f 400 nominaal.
Afwijkingen van de hierboven genoemde aantallen kunnen door
Onzen Minister van Financiën worden bevolen, indien dat
in het belang der circulatie wenschelijk is.
De verpakking wordt verzegeld met het zeng van ‚den munt-
meester en met dat der afdeeling „Controle“. De inhoud wordt op
de verpakking of eene aangehechte strook vermeld.
Artikel 54.
Indien aan ’s Rijks Munt medaillegoud of —zilver wordt ver—
vaardigd, wordt door de afdeeling „Contròle†een onderzoek inge-
steld naar het gewicht en gehalte der pantij.
Voor het geha-lteonderzoek wordt ééne gehaltebepaling verricht
door één der in artikel 9, 3de lid, bedoelde ambtenaren. Ligt de
uitkomst dezer bepaling buiten de ruimte voor medaillemetaal
toegestaan, dan wordt het onderzoek herhaald. Indien de eerste
bevinding wordt bevestigd, wordt hiervan mededeoling gedaan aan
den muntmeester, die de partij laat omsmel‘ten en daarna opnieuw
opbrengen.
Wanneer eene partij aan de gestelde eischen van gehalte vol-
doet, wordt elk afzonderlijk stuk van een onderscheidingsteeken
voorzien, door de afdeeling „Contrôleâ€. Deze ziet tevens toe, dat
voor de vervaardiging van medailles van edel metaal geen ander
dan het alsvoren gemerkte metaal wordt geblezigd.
Artikel 55.
Wanneer eene opgebrachte partij munten, muntnikkel, munt-
brons of medaillemotaal aan de wettelijke eischen van gewicht en
gehalte voldoet, wordt hierover door de in artikel 9, 3de lid, be—
doelde ambtenaren aan den muntmeester een door hen geteekend
rapport uitgebracht, vermeldende de uitkomsten van de gewichts-
en de gehaltebepalingen.
51
Alle gehalltebepalingen worden door de ambtenaren der afdeeling
„Contfôle†vernic‘ht volgens 1de aan "s Rijks Munt gebruikelijke
methoden, zoo noodig overeenkomstig d‘en stand der wetenschap
gewijzigd. Wijziging in de methode mag niet plaats hebben dan na
voorafgaande mededeeling aan den muntmeester.
Artikel 56.
Ons besluit van 3 December 1901 (Staatsblad No.. 234), zooals dat
is gewijzigd bij Onze besluiten van 13 Februari 1907 (Staatsblad
No. 50) en van 13 April 1908 (Staatsblad No. 110), allsmede Ons
besluit van 5 Februari 1902, No. 26, zooals dat is gewijzigd bij Ons
besluit van 25 Februari 1907, No. 33, worden ingetrokken.
A‘tikel 57.
Dit ‚besluit treedt in werking op den tweeden dag na de dag-
teekerving van het Staatsblad en van de Staatscourant, waarin het
geplaatst is.
Onze Minister van Financiën is belast met de uitvoering van dit
besluit, dat gelijktijdig in het Staatsblad en in de Staatscourant
zal worden geplaatst en waarvan afschrift zal worden gezonden
aan den Raad van State.
Het Loo, den 23sten September 1909.
WILHELMINA.
De Minister van Financiën,
KOLKMAN.
Uitgegeven den negen en iwintigsten September 1909.
De Minisz‘ar van Justitie,
NELISSEN.
’s Rijks Munt werd aangewezen als staatsbedrijf, in den zin der
wet van 16 Febr. 1912 S. 85, bij de wet 31 Oct. 1912 S. 331:
WET van dan 3Isten October 1912,
houdende aanwijziging van ’s Rijks
Munt als Staatsbedrijf.
WIJ' WILHELMINA, ENZ.
A‘lzoo Wij ‚in overweging genomen hebben, dat het wensche‘lijk
is den tak van dienst van ’sRijks Munt aan te wijzen als Staats-
bedrijf in den zin der wet van 16 Februari 1912 (Staatsblad
No. 85);
Zoo is het, dat Wij, den Raad van State gehoord, en met gemeen
overleg der Staten—Generaal, hebben goedgevonden en verstaan,
gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze:
52
Artikel 1.
‘De tak van Staatsdi-enst van ’s Rijks Munt wordt voor zooveel
betreft het dienstjaar 1913 en volgende dienstjaren aangewezen
als Staatsbedrlf in den zin d-er wet van 16 Februari 1912 (Staats-
blad No. 85).
Artikel 2.
De uitgaven wegens werken of ‘leverantì'e'n [ten dienste van
’s Rijks Munt bedongen bij ‚in 1912 aangegane contracten en waar’
voor gelden op de begrooting voor 1912 zijn ui=tgetnokken, worden
voorzoover de oplevering in 1913 mocht plaats hebben, gebracht ten
last van de begrooting van het Sltaats‘bedrijf van ’s Rijks Munt
over 1913.
Gegeven |te ’s Gravenhage, den 31sten Ootober 1912.
WILHELMINA.
De Minister van Financiën,
KOLKMAN.
Uitgegeven. den negentiendem November 1912.
De Minister van Justitie,
E. R. H. REGOUT.
De regelen ten aanzien van I\de loonen der werklieden bij
’s Rijks Munt, zijn laatstellij‘k vastgesteld bij Bes’l.’van 7 Juli 1920
S. 353 gew. bij lBesl. van 18 Januari 1921 S. 33.
De C risis.
In het begin van den wereldoorlog noopt-e de financieele en
monetaire crisis tot «ingrijpende maatregelen:
Bij Besl. van 31 Juli 1914 S. 333, ondertee-kend door ‚het geheele
kabinet, werd de uitvoer van gouden munt en goud-muntmateriaal
verboden: ‘
BESLUIT van dan 31stcn Juli 1914,
houdende „verbod van den uitvoer van
gouden munt’ en g0ud-mmztmateriaal.
W1J WILHELMINA, ENZ.
Op de voordracht van Onzen Minister van Binnenlandsche
Zaken, tijdelijk Voorzitter van den Raad van Ministers;
"Gelet op de zeer buitengewone omstandigheden, waaronder ge-
heel Europa en ook Nedenland verkeert;
Gezien een verzoek van de Nederlandsche Bank, dat van
Regeeringswege maatregelen- z‘ull’len worden genomen om te be—
letten, d‘at onder die buitengewone omstandigheden de goudvoor-
raad in Nederland op bedenkelijke wijze naar het buitenland zou
kunnen wegvloei-e-n; -
53
Hebben goedgevonden en verstaan:
te bepalen, dat de uitvoer van gouden munt en goudmunt-
materiaal tijdelijk wordt verboden, behoudens in de bijzondere ge-
vaillen, waarin van dit verbod door Ons ontheffing zal worden
verleend.
C)nze Minister van Financiën is belast ‚met de uitvoering van
dit besluit, hetwelk in het Staatsblad en in de Staatscourant zal
wonden geplaatst.
’sGravenhage, den 3Isten Juli 1914.
WILHELMINA.
De Minister van Bnitenlandsche Zaken,
J. LOUDON.
De Minister van Justitie,
B. ORT.
De Minister van Binnenlandse/1e Zaken,
CORT v. D. LINDEN.
De Minister van Marine,
J. J. RAMBONNET.
De Minister van Financiën,
BERTLING.
De Minister van Oorlog, ‘
Bosnoom.
De Minister van Waterstaat a.i.,
TREUB.
De Minister van Landbouw,
Nijverheid en Handel,
TREUB.
De Minister van Koloniën,
Tn. B. PLEYTE.
Uitgegeven den een en dertigsten Juli 1914.
De Minister van Justitie,
B. ORT.
Dit Besl. kreeg kracht van wet door de wet van den 3den Aug.
1914 S. 344, houdende verbod tot wit- en vervoer van sommige
artikelen, luidende:
WIJ' WILHELMINA, ENZ ........ ..
Antikel 3.
Door het in werking ‚treden dezer wet verkrijgt het Koninklijk
besluit van 31 Juli 1914 (Staatsblad No. 333) houdende verbod van
uitvoer van gouden munt of goudm-untmateriaal kracht van wet
van het oogenblik zijner afkondiging af.
54
Door het wantrouwen in bankpapier, hetwelk tot vasthouden
van specie aanleiding gaf, alsmede de.beperkende bepalingen op
terugbetaling van spaarbankgeld-en en de plotselinge behoefte aan
gereed geld voor abnonmalle betalingen (mobilisatieuitgaven, inslaan
van levensmiddelen =enz.) ontstond een groote schaarschte aan
rui-lm‘iddelen van geringer-e waande dan f 10.—.
Door de wet van 6 Aug. 1914 S. 377 tot uitgifte van zilverbons
‘wend »lïìl‘€lîlll voorzien:
WET van dan 6den Augustus 1914,
tot uitgifte van zilverbons.
WIJ‘ WILHELMINA, ENZ.
Allen, die deze zullen zien of hooren lezen, salut! doen te
weten:
Alzoo Wij ‚in overweging genomen hebben, dat ‘ten gevolge van
de zeer buitengewone omstandigheden, waarin het iland verkeert,
een uiterst omvangrijke vraag naar zilveren munt is ontstaan,
aan welke vraag niet kan worden voldaan uit den bij de Neder—
landsehe Bank aanwezigen zilvervoorraad;
dat hierin niet tijdig door z»illveraanmunlting kan worden voor—
zien, zoodat het noodzakelijk is zonder eenig verwijl eene tijdelijke
hu-lpmunt in te voeren in afwachting van het gereed komen van de
noodige zilveren munten;
Z00 is ‘het, dat Wij, de—n Raad van State gehoord, en met ge—
meen ovenleg der Staten—Generaal, hebben goedgevonden en ver-
staan, gelijk goedvinden en verstaan bij deze:
Artikel 1.
Onder de benaming van zilv.erbons wordt muntpapier uitge-
geven, ventegenwoordigende eene waarde‘van een gulden (f 1)‚
twee en een lhalven gulden (f 2,50) of vijf gulld-en (f 5), tot een
gezamenlijk bedrag van ten hoogste vijf en twintig mi-llioen
gulden (f 25,000,000).
De vorm en de hoeveelheid van elke soort der uit te geven
zilverbons wordt door Ons vastgesteld en ter kennis van het
publiek gebracht.
Arikel 2.
De zilvenbons hebben de hoedanigheid van wettig betaalmiddel.
Zij worden, met inachtneming van ‘het bepaalde in artikel 8 dezer
wet, op het tijdstip en op de wijze, door Ons te bepalen, inge-
trokken, nada‘t tot hunne zinwisse‘ling voldoende gelegenheid is
gegeven.
Artikel 3.
Door Onzen Minister van Financiën wordt iedere maand in de
Staatscourant mededeeling gedaan van het bedrag der uitgegeven
zilverbons.
55
Artikel 4.
Wegens het verlies van zi=lverbons wordt in geen geval eenige
vergoeding verleend.
Artikel 5.
Wanneer zilverbons onbruikbaar zijn geworden, kunnen zij, mits
zij nog kenbaar zijn, ‘na daartoe van Onze Minister van Financiën
verkregen machtiging, tegen nieuwe bons worden ingewisseld.
Artikel 6.
De ingetrokken zilverbons worden door Onzen Minister van
van Financiën ‚ter vernietiging ‘bij de A‘lgemeene Rekenkamer
overgebracht. Iedere maand wordt van het aantal en de soort der
in den loop der vortigé maand ov-ergebrachte zúlverbotns door
Onzen voornoemden Minister in de Staatscourant mededeeling
gedaan.
Artikel 7.
De uitgifte van de in deze wet bedoelde zilverbons wordt niet
aangemerkt als uitgifte van muntpapier, als bedoeld in artikel
IIbis, derde lid onder No. I, en artikel 22, zesde ’l‘id ‚einder No. 2,
van het aan de Nedenland‘sch‘e Bank verleend octrooi.
Artikel 8.
Tot de intrekking der zillverbons moet zoo spoedig mogelijk
worden overgegaan en in elk geval, wanneer daartoe door de
Nederlandsche Bank een voldoende hoeveelheid zilver ter beschik—
king van de Regeering wordt gesteld.
Artikel 9.
Deze wet treedt in werking op den dag harer afkondiging.
Gegeven te ’s Gravenhage, den 6den Augustus IgI4.
WILHELMINA.
De Minister van Financiën,
BERTLING.
De Minister van Landbouw,
Nijverheid en Handel,
TREUB. ‘
Uitgegeven den zesden Augustus 19I4.
De Minister van Justitie,
B. ORT.
De vorm en de hoeveelheid van elke soort (art. 1) werd vast—
gesteld ‘bij Bes]. van 6 Aug. 1914. S. 378 t. w.:
een bedrag van f 10000.000 zilverbons van f 1.—
10.000.000 „ „ ,‚ 2.50
5.000.000 ‚‚ ‚, „ 5.—
†77 ’l â€
‚‘7 ?1 l’ 7)
56
gewijzigd bij Bes]. van 1 Sept. 1914 S. 439 ‚in:
een bedrag van f 10.000.000 zilverbons van f 1.——
12.000.000 „ „ „ 2.50
„ „ „ „ 3.000.000 „ ‚ ‚‚ „ 5.—
daar spoedig bleek dat aan de bons van f I.— en f 2.50 boven die
van f 5.— de voorkeur werd gegeven.
Herhaaldelijk is deze materie gewijzigd:
77 77 ‚'1 77
Zilverbon van f 5.—
Ingetrokken bij Bes]. van 20 Mrt. 1915 S. 158 per 25 Maart 1915
—- met mogelijkheid van inwisse‘ling bij betaalmeesters enz. tot en
met ‘3 April 1915 -— welke termijn bij Bes]. van 21 April 1915 S.
204 werd venlengd tot 31 Dec. 1915.
‘De mogelijkheid van inwisse‘ling werd verlengd:
bij Bes]. 9 Febr. 1916 S. 65 tot 31 Dec. 1916
„ ‚‚ ‘= „ 19‘7 5- 214 ‚‚ 3‘ ‚‚ 1917
,‚ „ 8 juli 1918 S. 349 ‚‚ 31 „ 1919
„ „ 10 jan. 1920 S. 16 „ 31 „ 1020
„ „ 11 Febr. 1921 S. 59 „ 31 „ 1921
Zilverbon van f 2.50
De bij Bes]. van 6 Aug. 1914 S. 378 vastgestelde vorm werd bij
Bes]. van 31 Maart 1915 S. 174 per 6 April 1915 ingetrokken —-
met mogelijkheid van inwisselin-g bij betaalmeesters enz. tot en
met 15 April 1915 -— welke termijn bij Bes]. van 21 April 1915
S. 204 werd verlengd tot 31 December 1915.
[De mogelijkheid van :inwisseling werd verlengd tot 31 Dec. 1921
bij de Besln. genoemd onder de zilverbon van f 5.——.
Tevens werd bij vermeld Bes]. van 31 Maart 1915 S. 174 een
1ieuwe vorm vast-gesteld (bedrag van uitgifte 10 millioen gulden).
Bij Bes]. van 14 juni 1918 S. 357 werd met handhaving van het
oude type (voortaan genoemd: type van de eerste soort) een nieuwe
vorm vastgesteld.
Dit type van de eerste soort werd bij Bes]. van 15 Febr. 1919
S. 42 per 1 Maart 1919 ingetrokken —— met mogelijkheid van
inwisseling tot en met 15 Maart 1919 — welke termijn
bij Bes]. van 24 Mrt. 1919 S. 135 werd verlengd tot 31 Dec. 1919,
„ ,‚ „ 10 jan. 1920 S_. 16 tot 31 Dec. 1920 en
‚, „ „ 11 Febr. 1921 S_59 „ 31 „ 1921.
Zilverbon van f 1.—
De bij Bes]. van 6 Aug. 1914 S. 378 vastgestelde vorm werd bij
Bes]. van 31 Maart 1915 S. 174, per 6 April 1915 ingetrokken —
met mogelijkheid van ’inwi‘sse'ling bij betaalmeesters enz. tot en
met 15 April 1915 -— welke termijn werd verlengd tot 31 Dec.
1921 :bij de Besln. genoemd onder de zilverbon van f 5.—.
Bij Bes]. van 22 Apnil 1916 S. 168 werd ‚een nieuwe vorm vast—
gesteld (bedrag van uitgifte 10 m:Î]ltlî0en gulden —— tevens werd het
bedrag der uit te geven bons van f 2.50 op 15 millilioen gulden
gebracht).
M-et handhaving van dit type (voortaan genoemd: type van de
eerste soort) werd bij Bes]. van 19 Febr. 1920 S. 82 een nieuwe
vorm vastgesteld.
Het type van de eerste soort werd ingetrokken bij Bes]. van
28 Jan. 1921 S. 46 per 1 Maart 1921 —— met mogelijkheid van in-
wisseling bij betaalmeesters tot en met 31 Mrt. 1921 —— welke
termijn bij Bes]. van 15 April 1921 S. 674 tot en met 31 Dec.
1921 werd venlengd.
Vermeld dient nog dat bij de wet van 30 Dec. 1916 S. 592 het
maximum der uit te geven zilverbons werd verhoogd tot
f 40 millioen, terwijl] het Bes]. van 16 Febr. 1917 S.‚ 219 het bedrag
van uitgifte voor bons van f 2.50 en f I.— elk op f 20 milliioen
bepaalde. De wet van 25 Juli 1918 S. 476 verhoogde het maximum
verder tot f 60 milllioen, welk bedrag door Bes]. van 5 Aug. 1918
S.‘ 510 als volgt werd verdeeld:
f 32 millioen aan bons van f 2.50 en
28
††77 ‚‘7 " 771' ‘
Behalve het instituut der zilverbons, werd bij Bes]. van 10 Dec.
1914 S. 556 de termijn van inwisseling van de 5—centstukken ge-
slagen overeenkomstig de wet van 31 Dec. 1906 S. 376, welke bij
de wet van 31 Oct. 1912 S. 324 in verband met het Bes]. van
21 Jan. 1914 S. 23, per 30 Juni 1914 waren ingetrokken, tot 1 Juli
1915 en bij Best]. van 9 SepÃt. 1915 S. 389 tot 1 Juli! 1916 verlengd,
een en ander in verband met de zilversehaarschte.
Het Bes]. van 21 Oct. 1915 S. 436 verbood de uitvoer van
nikkelen ‘en bronzen pasmunt:
58
BESLUIT van den 21sten October 1915,
houdende verbod van uitvoer van nikke-
]en en bronzen pasmunt van het Konink-
rijk der Nederlanden.
WIJ WILHELMINA, ENZ.
Overwegende, dat het in het belang van den Staat noodig is.
den uitvoer van nikkelen en bronzen pasmunt van het Koninkrijk
der Nederlanden te verbieden;
Gezien de Wet van 3 Augustus 1914 (Staatsblad No. 344);
Hebben goedgevonden en verstaan te bepalen:
Eenig artikel.
De uitvoer van nikkelen en bronzen pasmunt van het Konink-
rijk der Nedenlanden is verboden van den dag der afkondiging
van dit Besluit.
Wij behouden Ons voor dit verbod tijdelijk op te heffen of in
bijzondere gevallen daarvan ontheffing te doen verleenen.
’s Gravenhage, den 21sten Oct-ober 1915.
WILHELMINA.
De Minister van Oorlog,
Bosnoo1u.
De Minister van Financiën,
TREUB.
De Minister van Landbouw,
Nijverheid en Handel,
POSTHUMA.
Uitgegeven den een en twintigsten October 1915.
De Minister van Justitie,
B. ORT.
Verder werden bij de wet van 12 Jan. 1918 S. 14 bepalingen
vastgesteld tegen het oppotten en versmelten van munten:
WET van den 12den Januari 1918,
tot vaststelling van be‚imlingen in het
belang van den omloop van ’sRijks
munten.
WIJ WILHELMINA, enz.
Alzoo Wij in overweging genomen hebben, dat in de tegen-
woordige buitengewone omstandigheden bepalingen dienen te
worden vastgesteld ‚in het belang van den omloop van ’s Rijks
munten;
Zoo is het, dat Wij, den Raad van State gehoord en met gemeen
overleg der Staten—Generaal], hebben goedgevonden en verstaan,
gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze:
59
Artikel I.
Ieder, die ’s Rijks zilveren, ni-kkelen of bronzen munten ‚tot een
bedrag van meer dan vijfhonderd gulden voor zooveel zilveren
munten betreft en tot een gezamenlijk bedrag van meer dan twintig
gulden voorzooveel nikkelen en bronzen munten betreft, voor zich
zelve‘n of voor anderen in voorraad heeft, is verplicht:
1. van hoeveelheid en soort dier munten op de door Onzen
Minister van Financiën bekend te maken tijdstippen de door dezen
verlangde opgave naar waarheid te doen bij den burgemeester der
gemeente, waar die munten zich bevinden;
2. op schriftelijke vordering van Onzen Minister van Finan-
ciën, of op diens last van den burgemeester eener gemeente, de
genoemde munten, die hij boven het in den aanhef van dit artikel
vermelde bedrag in voorraad heeft, ter plaatse door dien Minister
te bepalen, ter omwisseling tegen ander wettig betaalmiddel aan
te biede‘m.
Ieder is ‘\"erpliclì‘t op Ischriftelijke vordering van Onzen Minister
van Financiën, of op diens last van den burgemeester eener ge—
meente, naar waarheid de van hem verlangde opgave te doen van
hoeveelheid en soort der munten, als in het eerste lid van dit
artikel bedoeld, welke hij voor zich zelven of voor anderen in
voorraad heeft.
’ Artikel 2.
De burgemeesters zijn verplicht bij de uitvoering van artikel
1 !hunne medewerking te v-erleenen.
Artikel 3.
Indien de verplichtingen, in artikel I bedoeld, rusten op eene
naamlooze vennootschap, eene we-derkeerige verzekerings— of
waarborgmaatschappij, eene coöperatieve of andere rechtspersocm—
lijkheid bezittende vereeniging of eene stichting, wordt de straf-
vervolging -ingesteld en de straf uitgesproken tegen de leden van
het bestuur.
‘ Artikel 4.
Hij, die, behoudens in de bijzondere gevallen, waarin daartoe
door Onzen Minister van Financiën vergunning is verleend.
’s Rijks zilveren, ‘ni‘kkelen of bronzen muntdn anders dan van
Rijkswege overeenkomstig ‚het bepaalde in art. 18 der Muntwet
1901, Ilîaaìtste‘lijk gewijzigd bij de wet van 31 October 1912 (Staats--
blad No. 324), versmellt of op andere wijze voor den omloop onge—
schikt maakt, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste
één jaar.
De munten, met betrekking tot welke het strafbaar feit is ge-
pleegd, en het metaal door middel van het strafbaar feit uit de
munten verkregen, kunnen worden verbeurd verklaard.
Artikel 5.
Hij, die eene opgave niet of niet tijdig doet of wel niet of niet
60
tijdig voldoet aan een vordening, een en ander als bedoeld in
artkel I, wordt gestraft met hechtenis van .ten hoogste ldrie maan-
den of geldboete van ten hoogste drie duizend gulden.
Hij, die in strijd met het bepaalde in artikel 1 opzettelijk eene
onjuiste opgave doet, word-t gestraft met gevangenisstraf van ten
hoogste zes maanden :of geldboete van ‚ten hoogste zes duizend
gulden.
\De munten,‚ met betrekking tot welke het .strafbaar feit wordt
gepleegd, kunnen, voor zoover zij den schuldige toebehooren, met
hare verpakking worden verbeurd verklaard.
Artikel 6.
De “bij deze wet strafbaar gestelde feiten worden beschouwd
als misdrijven, met uitzondering van die stnafbaar gestel-d ‚in artikel
5, eerste lid, welke als overtredÃngen worden aangemerkt.
Artikel 7.
Met het opsporen_van 1de feiten, bij deze wet strafbaar gesteld,
zijn, behalve de bij artikel 8 van het Wetboek van Strafvorderin-g
aangewezen personen, belast de marechaussee, alle ambtenaren
van Rijks— en gemeentepolitie, de ambtenaren der invoerrechten
en accijnzen, de ambtenaren, bekleed met militair gezag, aange-
wezen krachtens arbikel 7 der wet van 23 Mei 1899 (Staatsblad
No. 128), alsmede alle andere ambtenaren daartoe aangewezen
door Onzen Minister van Financiën.
Artikel 8.
De ambtenaren, in het vorig artikel bedoeld zijn, mits voorzien
van hunne aanstelling, te allen tijde bevoegd tot inbeslagneming
van alle munten en voorwerpen, welke tot ontdekking der waar-
heid kunnen dienen of welker verbeurdverklaring kan worden
bevolen.
Artikel 9.
Deze wet treedt in werking met ingang van den dag na dien
harer afkondiging. '
Artikel 10.
Zoodra de tegenwoordige buitengewone omstandigheden hebben
opgehouden te bestaan, zal aan de Staten—Generaal een voorstel
van wet worden gedaan, waarbij de intrekking van deze wet zoo-
mede de overgang tot den normallen toestand worden geregeld.
Gegeven te ’s—Graven‘hage, den 12den Januari 1918.
WILHELMINA.
De Minister van Financiën,
TREUB.
Uitgegeven ‘den negentienden Januari 1918.
De Minister van Justitie,
B. ORT.
Tenslotte mag hier nog genoemd worden de bovenvermeld-e wet
van 27 Nov. 1919 tot verlaging van het gehalte der zilveren
munten.
61
Nederlandsch Oost-Indië.
Zie voor de oude regelingen: Encycloï¬aedie van Ned. Indië
pag. 793 en volg. en de aldaar aangehaalde literatuur.
In het begin der 19e eeuw was het muntwezen in Ned. Oost-Indië
in een zeer verwarden toestand; veelsoortig en gedeprecieerd geld
was er in omloop, speciaal koper (de oude duiten der 0. I. Cie.) ‘)-;
het goede geld deed ‘a‘gtio en verdween. Dlilt verergerde nog toen
de, in 1828 opgerichte. Java-sche Bank, ondanks haar heftig ver—
zet, gedwongen werd (zij werd zelfs bedreigt] met intrekking van
het octrooi) tegen depô't van duiten, zoogenaamde koper—certifi—
caten witte geven tot een bedrag van f 3‚m0,000.—‚ welke bij
Bes‘l. van den Gouverneur—Generaal] van 4 Januari 1834 tot alge-
meen wettig betaalmiddel \\’erd‘en verheven (f 5.— zilver = f 6.——
koper).
Het koper«depôt werd zelfs door de Rege_ering voor haar dienst
gebruikt, zoodat er van dekking geen sprake meer was (het ver—
zet van de Javasche Bank acht-te men „onkiesoh en ongepastâ€)
en het agio-doende goede geld geheel uit dan omloop verdween.
Het K. B. van 12 Juni 1839 N.—]. S. 37, hetwelk de Ned. gulden
van de wet van 22 Mrt. 1839 S. 6 tot standpeni1ing van Ned.—Indië
verklaarde heeft dit niet kunnen verhinderen.
Redding bracht de G.‘G. Rocnussex door bij Pub]. van 4 Febr.
1846 N.—I. S. 3 te bepalen dat er van Regeeringswege zullen
worden ‚uitgegeven en tot wederopzegging toe verkrijgbaar ge—
steld, recepissen groot f I.-—, f 5.——, f 10.—, f 25.—-‚ f100.— en
f 500.— en zulks tegen intrek-king, respectievelijk van 120, 600, 1200.
3000, 12000 en 60000 duiten, welke recepissen bij Pub]. van 26 Mrt.
1846 N .’I. S. 10 tot wettig betaallmiddel werden verheven en den
Ned. zilveren gulden (zilver—recepissem) zouden vertegenwoor-
digen. De Javasc‘he Bank werd :bij Bes]. van d-enzelfden datum
N .—I . S. 11 gemachtigd deze recepissen op ihare biljetten dit te be-
talen, terwijl de koper-certificaten werden ingetrokken (f 1.20
1) cf. Mr. G. VISSERING: Muntwezen en Circulatiebnnken in Ned. Indië.
62
koper = f 1.-— zilver). De beteeken=is dier recepi-ssen lag in het
feit, dat het Gouvernement daartegen 10 maand‘s dato wissels op
het Dept. van Kol. te ’s Hage beschikbaar stelde en aldus het
mutntwezen van Ned. Indië op dat van Nederland deed steunen
(eerste toepassing van de zoogenaamde „Gold (hier zilver)—
Exchange—Standard").
Hierdoor verbeterde de toestand belangrijk.
De Grondwet van 1848 art. 59' eischte voor deze materie een
wet, welke 1 Mei 1854 S. 75 N.-I. S. 62 tot stand kwam en de
Ned. f 1.—, f 2.50 en f 0.50 van de wet van 1847 tot standpen-
n-ingen voor Ned.-Indië maak1te; alleen de pasmunt bleef een
andere:
Zilver: f 0,25, f 0,10 en f 0,05, niet verplicht te aanvaarden tot
een hooger bedrag dan f 10.—;
Koper: f 0.01 en f 0.005, niet verplicht te aanvaarden tot een
hooger bedrag dan f 2.—; (het 21} centstuk werd lingevoerd bij de
wet van 20 Apï¬ill 1855 S. 12 N.—I. S. 42, waarbij tevetns het ge-
wicht der koperen pasmunt werd vastgesteld en de dubbele, heele
en halve duiten binnen 5 jaar ingetrokken werden, achtereen-
volgens voor de onderscheidene deelen van Ned.—Indië te
regelen); ’) zie voorden beeldenaar en. de middellijn K. B. van
23 Juni 1855 N.-I. S. 59).
.De recepissen werden binnen 3 jaar buiten omloop gesteld 2)
(art. 16), welke ter-mijn :bij de wet van 24 Dec. 1857 S. 173 tot
zeven jaar werd verlengd terwijl bij de wet van 15 Sept. 1866 S.
149 N.-I. S. 134 de per 1 Sept. 1863 verjaarde recept‘l‘ssen (volgens
art. 17 verjaardam. zij 2 jaar na den termijn van inwissel-ing) nog
tot 1 Sept. 1867 inwisselbaar werden gesteld.
Het maximum -der uit te geven pasmunt moest binnen 3 jaar bij
de wet worden bepaald (art. 10).
Als zoodanig stelde de wet van 24 ‚Dec. 1857 S. 173 vast:
1) Zie voor buiten Java en Madura de Ord. van 3 Sept. 1858, N.I.S. 102,
30 Juni 1859, N.I.S. 40, 3 Sept. 1859. N.I.S. 64, 16 Nov. 1859, N.I.S. 95a,
26 Dec. 1859, N.I.S. 111.
’) Ord. van 28 Mei 1858 N.l S. 64 de ree. van f 1.— en f 5.—.
n v 20 Dec' l858 u 136 " u u n 10‘—1 f25'—".f loc"—
en f 500.-— buiten java en Madura.
„ „ 17 Sept. 1860 ‚, 86 de ree. van f100.-— en f500.— voor
java en Madura.
‚‚ „ 29 April 1861 „ 30 de ree. van -f 10.-— en f 25.— voor
Java en Madura.
63
Voor zilver een bedrag van f 12,000‚000.—‚ bij de wet van
21 juli 1890 S. 125 verhoogd tot f 17,000,000.—; ‚
voor koper een bedrag van f 10,000,000.—‚ bij de wet van
3i Dec. 1897 S. 289 verhoogd tot f 15,000,000.—.
De wet van 11 jan. 1901 S. 31 trok b0velngenoemd art. 10 en
de daaruit voortvloeiende wetten in.
(Zie voor deze mat-er'ie nog de wetten van 22 juni 1862 N.-I. S.
106 en 26 Dec. 1863 N.—I. S. 57).
Bij de wet van 27 Nov. 1873 S. 180 werd art. 12 van de wet van
1854 zoodanig gewijzigd, dat voortaan de G.—G. bij Ord. zou kunnen
bepalen welke zilveren vreemde munt:speciën in ’s Lands kassen
zouden worden toegelaten, welk recht voor dien aan de Kroon toe-
kwam. 1)
Toen in 1875 Nederlamd tot den gouden standpenning overging
bleef in Indië 1de zilveren gu:lden van de wet van 1847 gelden.
Bij de wet van 28 Maart 1877 S. 42 N.—I. S. 112 werd hierin
voorzien en ‚het gouden tientje ook in Indië als shandpennilng inge-
voerd, waardoor de theorie aan de practijk werd aangepast.
In strijd met art. 3 van de wet van 1855 (zie boven) werden eerst
bij de wet van 22 Juli 1899 S. 178 N.‚-J. S. 229 maatregelen ge-
nomen om aan den omloop van duiten op Java en Mariura een
einde te maken, waarbij werd bepaald:
Artikel I. ‚
I. Het is verboden op Java en Madura duiten van welke soort
ook, of koperen plaatjes, al of niet gestempeld, geschikt om voor
duli‘tem‘ te worden aangezien, en zin het algemeen koperen munt-
speciën, mie‘t behoorende tot de in Nedenlandsoh-Indië wettige
koperen pasmunt, in betaling te geven of te nemen, te vervoeren
of te bezitten.
2. .De Gouverneur-Generaal bepaalt voor de verschillende ge-
westen of gedeelten van gewesten op de genoemde eilanden,
wanneer dit verbod in werking treedt. 2)
Artikel 2.
Gedurende een door den G.—G. te bepalen termijn... .... .. wordt
aan ‚houders van dubbdle, heele en ‘hallv’e duiten ....... .. gelegenheid
gegeven om die mulnten in te wisselen tegen Wettiig betaalmiddel
in de verhouding van zes duiten voor vijf cents, mits het aange—
boden bedrag is drie duiten of een veelvoud daarvan“)
1) Zie de vele Ord. betreffende de Mexic. dollar in de jaren 1874 en volg.
2) cl'. Ord. van 18 Sept. 1899 N.I.S. 256. 3) cf. Besl. van 18 Sept. 1899 N.1‚S. 258
| 1 Nov. 1899 „ 289. „ ‚, 11 Nov. 1899 ‚‚ 290
26 Jan. 1900 ‚, 51. ‚, „ 26]a11. 1900 ‚‚ 52
†7Ì
†77
64
Artikel 3.
.... .. Ook voor vreemde, mits op 1 Juni 1899 :in omloop zijnde
duitsoorten (kan) de bij artikel 2 bedoelde gelegenheid .tot inwisse—
ling (gegeven worden). '
Artikel 4.
De G.-G. is bevoegd .... .. premiën uit te loven voor de aan-
bieding ter inwisseling van belangrijke bedragen duiten door één
persoon.
’ Artikel 5.
Het in artikel 1 bedoelde verbod van vervoer of bezit geldt lniiet
voor munten, be’h-oorend-e tot of bestemd voor eene muntver-
zameling.
Artikel 6.
1. Het is verboden wettige ‚N‘ederlan‘dsch-Imdiische koperen
muntspeciën anders dan ten behoeve van of vanwege het Gouver-
nement op Java en Madura in te voeren.
2. Van dit verbod zijn uitgezonderd koperen muntspeoiën .... ..
door de opvarenden van .... .. aandoende ‘soh‘e‘pen .... .. aan wal .... ..
gebracht tot een bedrag van niet meer dan f 1,— (één gulden)
per hoofd.
3. Het is mede verboden koperen en bronzen muntspeciën, die
elders dan in Nederlandsch-J‘ndië wettig zijn, duiten van Welke
soort ook, koperen plaatjes al of niet gestempeld, geschikt om voor
duiten te worden aangezien, alsmede platen koper of brons, van
muntteekens te voorzien of blijkbaar ‚tot vermunting bestemd, op
Java en Madam in te voeren.
4. De G.-G. is bevoegd om verbodsbepalingdn bij dit artikel
zijn gesteld voor Java en Madnra‚ uit te vaardigen voor andere
gewesten of gedeelten van gewesten. 1)
Artikel 7.
De strafbepallilngeh- tegen overtreding van de art. 1 en 6 worden
door Ons of krachtens Onze machtiging door den G.—G. vast-
gesteld. 2)
Artikel 8.
Artikel 15 der wet van 1 Mei 1854 S. 75 vervalt.
Deze Wet trad op 1 October 1899 in werking (Ord. van 18 Sept.
1899 N.-I. S. 254).
1) cf. Ord. van 9 Sept. 1907 NI.S‚ 388 voor de Westerafd. van Borneo.
2) Vastgesteld bij Ord. van 18 Sept. 1899 N.[.S. 255 voor art. 6 1 en 3,
gew. bij Ord. van 21 Nov. 1902 N.I.S. 423.
Vastgesteld bij Ord. van 18 Sept 1899 257 voor art. 11, gew. bij
Ord. van 21 Nov. 1902 N.I.S. 423.
65
Bij de Ord. van 22 juni 1899 N.-I. S. 191 wenden strafbepalingen
vastgesteld tegen het vervaardigen van duiten, gew. bij de Ord.
van 21 Nov. 1902 N.—I. S. 423.
Door de nauwe'betrekkingen van een deel van Ned.—Indië
(speciaal de Oostkust van Sumatra 1) en de Westkust van Borneo)
met den overwal, waren ‚in die streken een groot aantal vreemde
munten in omloop, terwijl de Ned.—1nd. munten en de biljetten der
J'avasche Bank daar nauwelijks waren doorgedrongen. Ondanks
de vele geopperde bezwaren werd de muntzuiverimg ook hier ten
slotte ten uitvoer gelegd. Hiervan zij vermeld:
De Ord. van 16 jan. 1904 N.—I. S. 87 waarbij de invoer van
British trade dollars en van Mexican dollars ‘wer‘d verboden in
het gouvernement Atjoh‘ en OnderlzoorÃgheden alsmede in de resi-
dentie WesterafdeelÃng van Borneo, en de Ord. van 21 Odt. 1904‘
N.—I. S. 415 waarbij een dergelijk verbod voor de residentie
_Palembang werd uitgevaardigd.
Deze Ord. werden ingetrokken bij de Ord. van 24 Nov. 1904
N‚-I. S. 456 waarbij genoemd verbod voor geheel Ned.—Indië werd
toepasselijk verklaard. Bij de Ord. van 3 jan. 1906 N.—I. S. 3ì werd
de invoer van Straitsdollars, zoomede van dollanpasmunt in de
residentie PVestcrafdceling van Borneo verbod-en (ingaande 1 Mei
1906, zie Besl. van 3 Jan. 1906 N.-I. S. 4), welk verbod bij de
Ord. van 16 Aug. 1907 N.-I. S. 351 werd uitgebreid tot alle zilve-
ren muntspeciën, bekend onder den naam van dollar eln dollar—
pasmunt, met uliltzon‘dening van den nieuwien venklleimden Strairts-
dollwr en de daarbij behoorenmle dollarpasmunt.
|De Ord. van 23 Juli 1906 N.-I. S. 346 verbood voor deze
afdeeling het in betaling geven of nemen, het vervoeren of be-
zitten van dollar en dollarpa1smunt (ingaande 1 Dec. 1906, zie
Besl. van 23 juli 1906 N.-I. S. 347), waarvan bij de Ord. van
9 Sept. 1907 N.—I. S. 387 werd-en uitgezonderd de munten aan de
javasche Bank toebehoorend‘, terwijl daarbij tevens de inwisse—
ling van bestuurswege werd gewetltigd ‚terugwerkend vanaf
1 Dec. 1906).
In dit verband zij nog vermeld de Ord. van 1 Nov. 1906 N.—I. S.
458 houd-ende verbod van invoer, bezit, vervoer of verkoop in Ned.-
1) Zie het Rapport over den geldsomloop ter Oostkust van Sumatra, afge-
drukt in Mr. G. VISSERXNG: Muntwezen en Circulatiebauken in Ned. Indië,
\ pag. 101 en volg.
6
66
Indlië van zilveren schijven of platen, al of niet voorzien van een
Stempel en geschikt om na s‘termpeling, overstempeling of eem'ge
andere bewerking voor wettige munt te worden aangezien, en de
Ord. van 13 Nov. 1906 N.—I. S. 472 waarbij de uitvoer van Straits-
dollars ui‘t eenige streken van Ned-Indië naar andere dan de
Strai:ts Settlements werd verboden, alsmede de Ord. van 16 Nov.
1907 N..—I. S. 465 houdende verbod van verspreiding van druk-
werken, stukken metaal of andere voorwerpen ‘in een vorm, die
ze op bankpapier of op mun‘bspecie doet gelijken.
De Ord. van 26 Jan. 1907 N.—I. S. 74 verbood den invoer van
zilveren munltspeoiën, bekend onder den naam van dollar en
dol‘larpasmunt en nog niet genoemd in de Ord. van 1904 N.—I. S.
456 in het op den vasten wa.l van Sumatra gelegen deel van de
Afdc’elÃng Bengkalis’, terwijl de Ord. van denzdlfden datum N.-I.
S. 75 het verbod, verva‘t in de Ord. van 1906 N.—J. S. 3146 op deze
streken moepa‘sselijk verklaarde (ingaande 1 Mei 1907, zie Bes].
van 26 jan. 1907 N.‘I. S. 76; zie ook nog Bes‘l. van 7 Sept. 1907
N.—I. S. 384).
.De ()nd. van 10 jan. 1908 N.-I. S. 20 verbood den invoer van
den nieuwen verkleinden Straitsdollar en de daarbij behoorende
pasmunt in de residentie Oostkust van Sumatra, met uitzondering
van de tot de Afdeeling Bengkalls van dat geweslt ‘behooren‘d‘e
eilanden, ’terwijl de Ord. van 10 Jan. 1908 N.—l. S. het verbod,
vervat in de Ord. van 1906 N.-I. S. 346 voor deze streken toe-
passelijk verklaarde.
Deze 2 laatstgenoemde verbodsbepaÃlingen werden bij de Ord.
van 12 Juni 1908 N.—I. S. 404 en 405, van 11 Aug. 1908 N.-I. S.
506 en 5C47 en van 15 Sept. 1908 N.—I‚ S. 560 en 561 resp. toepasse-
lij|k verklaard voor de residentie Taj>amoeli, het op den vasten wal
vam Sumati‘a gelegen deel van de residentie Riouw en Onder-
h00ï¬'gheden en de residentie Djambi, îterwijl de Ord. van 29 Juli
1908 N.-I. S. 478 en van 12 Nov. 1908 N.—I. S. 640 dergelijke be-
palingen voor de Onderafdeelllilng Tamiang van het gouvernement
Atjèh en Onderhoorigheden en voor laatstgenoemd gouvernement
toepasselijk verklaarden.
(Zie nog de wijzigingen van de Or‘d. van 29 Juli 1908 N.—I. .S‘.
479).
Bij de Ord. van 27 April 1909 N.—I. S. 256 werden al deze Ord.
ingetrokken en de inhoud herzien, verscherpt en opnieuw ge-
rege‘hd, luidende aldus:
67
Ten eerste: Verboden is:
u. de invoer in. het gebied van Nederlandsch-Indlië van zilve-
ren muntspeoiën, bekend onder den naam van dollar, of gedeelten
daarvan, alsmede van dollarpasmunt;
_ b. het :in betaling geven of nemen, vervoeren of bezitten van
dergelijke muntstukken in:
de residentie Westerafdee‘ling van Borneo;
de residentie D jam‘bi;
de residentie Oostkust van Sumatra, met uitzondering van de
tot de afdeelling Bengkalis van dat gewest behoorende eilanden;
de op den vasten wal van Sumatna gelegen gedeelten van de
resëide-ntiën Riouw en Onderhoorigheden en Tapanoelli;
de onderafdeeling Tamiang der afdeeling Oostkust van Atjeh
van het gouvernement Astjèl’l en Onderhoor‘igheden.
Ten tweede: (1) Het in artikel 1 sub a.. bedoed verbod is niet
van toepassing op den invoer in Nederand1seh-Indië valn:
1". nieuwe verkleinde Straitsddllars en de daarbij behoorende
pasmunt, behalve voor zooveel betreft het gouvlernement
Atjèh en Onderhoorighed‘en en de overigens in artikel I sub
b genoemd-e gewesten of gedeelten daarvan;
2.. dollars en dollarpasmulnrt, welke door opvarenden van schepen
die Nederlandschd11disohe roeden, lhavens of andere plaatsen
aandoen, aldaar aan wal worden gebracht tot een gezamen-
lijk bedrag van nliet meer dan 10 (tien) dollars “per hoofd.
behalve voor zooveel betreflt de in artikel 1 sub b vermelde
gewesten of gedeelten daarvan.
(2) Het in artikel 1 sub b bedoeld verbod van vervoer of be—
zit geldt niet voor munten, aan de javasohe ’Bamk toebehoorende,
alsmede, voor munten, behoorende tot of bestemd voor eene munt—
verzame‘ling, noch voor munten, vervormd tot en uitsluitend ge-
bezigd als versiersol.
Ten derde: (1) Overtreding van de verbodsbepalingen in artikel
I wordt gestraft mlet gevangenisstraf, dan wel ten arbeidstellling
aan de publieke werken voor den kost zonder loon, van 1 dag tot
3 maanden, of geldboete van één tot één honderd gulden als hij
Inlander
2. Poging wordt gestraft met dezelfde straf als op de over-
treding is gesteld.
3. ‘De aangehaalde dollarmunt, waarmede de overtreding is ge-
pleegd of gepoogd “is die te plegen, wordt verbeurd verldlaard.
Het aantal wijzigingen in de muntwert, alsmede de vele Ord.
maakte een codificatie der muntbepalli-nge‘n zeer gewenscht. 1)
Deze kwam tot stalnd bij de wet van 31 Oct.'1912 S. 325 N.-I. S.
1) Zie Mr. G. VISSERING: Muntwezen enz. pag. 208 en volg.
68
610, waarbij o.a. de zilveren stuiver lin een nikkelen werd ver-
anderd, luidende na de wijzigin _van 27 November 1919 S. 786
(art. 4, vierde lid): 7' 1‘ ’î“ 5"}
WET van den 31 sten October 1912,l°"°’4
houdende nadere regeling van het “‘“
1Vederlandsch-Indische muntwezen. [loco/“yâ€
WIJ WILHELMINA,ENZ. .
Alzoo Wij in overweging gehomen hebben, dat het wenschelijk
is de wetten tot regeling van het Nederland‘sch-‘Indische munt-
wezen door eene nieuwe wat te vervangen;
Zoo ‘ÌlS het, dat Wij den Raad van State gehoord, en met gemeen
overleg d-er Staten-Óeneraal, hebben goedgevonden en verstaan,
gelijk Wij goedvlinden en versltaam bij deze:‘
Artikel 1‘
De rekeningseenheid van het muntstelsel ‘in Nederlandsch—IndÃë
is de gu‘lden.‘
De gulden 1is verdeeld ‘in honderd centen.
Artikel 2‚/Îe‘«v/‘ 11‘; ""r ‚« 7.}. "y! € f9"/‚
VVettige munten in Nederlandseh—Indzë zijn: _7f 9197
A. met de hoedanigheid van wettig betaalmiddel:'
I. tot ieder bedrag:
a. lin goud:
het tianguldenstul<;
het vijfguldenstuk;
b. in zilver:
de rijksdaald-er of twee en een halve gulden;
de gulden;
de halve gulden; .
11. tot beperkt bedrag, de volgende pasmunten:
a. in zilver:
lhOî stuk van 1/4 (een vierde) gulden;
het stuk van ‘/„ (een tiende) gulden;
b. 1in nikkel:
het vijfcentstuk;
c. iin koper:
het twee- en een halve centstuk;
de-cerrt;
de halve cent;
B. zonder de hoedanigheid van wettig betaalmiddel:
de gouden dukaat.
Artikel 3.
Rijksdaalders, guldens en halve guldens kunnen slechts voor
rekening van den Lande worden aangemunt, ter vervanging
69
van Nederlandsche of Nederlandsch—Indische wet’ï¬ige zilveren
muniten, [die aan den omloop worden of zijn onttrokken.
Aanmunting van pasmu‘n’t voor Nedeï¬lamdsch-Indië geschiedt
alleen voor rekening van den Lande.
Voor de aanmunting van zilveren pasmunt mogen alleen Neder—
]andsche of Nederlandsch-Indische Wettuige munten gebezigd
worden.
Van het ln helt eerste en in het derde lid van dit ar’üi‘kel gestdlde
verbod om rijksdaalldens, gulldelns, hall-ve guldens en zilveren pas-
m-unt aan te munten anders dan uit zilver door versmelting van
Nederflan’dsche of Nedeï¬landsch-lìndische wettige munten ver-
kregen, kan door Ons, op voordracht van Onze Ministers Van
Koloniën en van Financiën, afwijking worden toegestaan, wan-
neer de behoeften der circulatie zulks noodig maken. De sommen,
benoodigd voor den aankoop van zilver, worden op de begrooting
van Nederlandsch—Indië gebracht, welke door de wet wordt vast-
gesteld.
aftrek van de kosten van aanm nting, besteed tot aankoop van
inschrijvingen ‚in een of meer v n de Grootboeken der Nationale
Schuld, welke inschrijvingen orden overgeschreven onder een
hoofd van rekenling, 1u=ildendez ‚Fonds uit de zuivere winsten, ver-
kregen uit aanmu‘nìtingen voor rekening van Nederlandsch-lndië."
De renten van de ten name v n het fonds ingeschreven Nationale
Schuld worden aan het f‘o‘n s toegevoegd.
Wanneer het aangaan va leeningen ‘ten laste van Nederlandsch-
Indië wettelijk zal zijn ger geld, kunnen de ‘in het vorige lid be-
doelde winsten ook worde besteed tot aankoop van schuldvorde—
ringen, deel uitmakende a‘n zoodanige leenlin‘gen‚
De ten name van g oemd fonds staande Grooltbbekinschrij-
vingen en de schuldvor erìngen, krachtens het vorig lid van dit
antikel aangekooht, ku en uitsluitend worden vervreemd tot ver-
krijging van zoodanlg bedragen als noodig zijn tot dekking van
de ten laste van den, ande komende verliezen door de ontmun-
:ting of vermunting v 11 munten geleden. -.De opbrengst van de ver-
vreemde Grootboe/rnschrijvlngen en schuldvorderingen wordt
verantwoord onder ’de middelen tot dekking der uitgaven van den
dienst welke me de verliezen der oiî‘t‘muntîing of vermunting
Wordt belast.
Indien Onze
inister van Financiën gebruïi-k maakt va1n de in
artikel 4 der - n‘tw‘e‘t 1901 gegeve1n machtiging, wordt in het, op
de daar bedoel e ontmunt'Ãng geìleden verlies, voor zoover dit het
gevolg van onmunting van Zilveren munten met een wettelijk
gehalte van 45 duizendsten, door Nederlandsoh—Indië bijgedragen
in verhoudi van de hoeveelheid zilver, welke voor rekening vaîn
—Imdlië is aangekocht tot de hoeveelheid, welke door
70
Nederland en Nederllarndsoh-Indië tezamen ‚is aan ekoeht. Voor-
zoover het verlies het gevolg is van on‘tmun“l g van zilveren
munten met een wettelijk gehalte van 720 d zendsten, draagt
Nederlîandschd‘ndië in dezelfde verhouding : _] in een zoodanig
deel van dat verlies als overeenkomt met ‘ t verlies, dat zou
geleden zijn indien de opbrengst van het uit, deze 0ntmunhing ver-
kregen zilver 9‘5/,20 maal de werkelijke topb’ ngst had bedragen. In
het meerdere, op de ontmuntïing van i‘lvere‘n munten met een
wettelijk gehalte van 720 duizendsten gel en ver-lies draagt Neder—
landsch-lndië ‘bij in verhouding van de ominale waarde der zllve-
ren munlten met dat gehallte, welk voor rekenling van Neder—
landseh-Indiië zijn aangemunt, ‘to‘t d nominale waarde die-r mun-
ten, welke voor rekening van Ne erland en Nederlandseh-Ilndië
tezamen zijn aangemunt. De aan rakelijkhe‘ild van Nederlandsch-
Indië vdlgems de eerste twee z.i en van dit lid, is echter beperkt
tot het verlies, geleden op de omtmunting van een zoodanig be—
drag aan mulnten als noodig "s ter verkrijging van eene hoeveel—
heid zilver, ‘in gewicht g 1jkstaande mail de hoeveelheid zilver,
welke voor aanrnuntinge voor rekening van Nederlan-d‘sch—Indië
is aangekocht. Bij de to passing van het bepaalde in den vonigen
zin wordt aangenome , dat de hoeveelheid zlilv-er, verkregen uit
munten met een wet lijk gehalte van 720 duizendsten, "“/„0 maal
de werkelijk verkr en hoeveelheid bedraagt.
Van de bedrag welke ingevolge het eerste en tweede lid van
dit artikel wor lII’ besteed tot den aankoop van Grootboek‘irnschrij—
vingen ‘ot' sc 1ldvordeï¬ingen en van de bedragen w1aarover vol-
gens het der -e ‘lid is beschikt, wordt jaarlijks eene berekening door
Ons aan de Staten—Generaal overgelegd.
Artikel 5.
Het tiengulde-nstuk, het ‘vijf‘gullden‘stuk, de gouden dukaat, de
rijksdaalder, lde gulden en de halve gulden, genoemd ‘in artikel 2,
zijn de muntstukken van dien naam, zooalls zij zijn verordend bij
de Muntwe‘t 1901.
Artikel 6. 96 v" 8‘/ €_‚ä_\ ‚
‘De in artikel 2 genoemde pasmunten hebben een gehalte, vge-
wicht en middellijn, benevens eene op het gehalte en op het ge- \
vwioht toegestane rwimte, zoowel boven als onder, gelijk bepaald
is als volgt:
4â€! 77-’7J4/7°/‚/J‘/v7,
%/Û 20—1-/7i/Z‚C/'1"3N
Ã/.fl. S_’ L' I? , FI-‘lî \/Ãlv ‘
61:4 . 44/2’74'M‘ ?)—/"î r‘? r,‘/ ‘«-r
7fâ€7‘/‘//4
71
"_
/‘—
Gehalte Gewicht
MUNTSOORT Middellijn
wettelijk ‚ ruimte wettelijk j ruimte
duizendsten duizendsten gram duizendsten millimeters
l/4 guldensluk . ) _ 3,|80 10 19.0
1 720 Zilver 2
/10 11 u ' ' ‘l‘ [ì250 15 1530
250 nikkel“ 10 nikkel één op
5 centstuk ‚ . . . . 5.000 honderd 21.0
750 koper [0 koper stukken“ _v_m___‘v__‚_ij__
V__‚_‚ ._à ‚.-\ H | _‚-„‚_
21/‚ nts k . . 12.500 ‚‚ 3II’L‘
‘ ‚‚/—‘ een op
cent r /_ ‘ \4‘, “Vijftig 2335
1/2 1 I 2,300 stukken 1770
Arikel 7.
De beeldenaar der zilveren pasmunt is:
op de voorzijde ’s Rijks wapen tusschen de waarde-aanduiding
‘/‚ .... .. G., 1/10 .... .. G., het omsohnif-t NBDERL.-INDIE benevens
het jaartal, het muntteeken en het muntmeestersteeken, en op de
keerzijde de waarde-aanduiding ‚in de Maleisohe en Javaansche
talen.
De stukken worden "in den ring gemunt en hebben een kartel—
rand.
Artikel 8.
De beeldenaar der nikkel‘e‘n pasmunrt is:
op de voorzijde Ide Koninklijke kroon, de waarde-aanduiding
5 ot., het opschrift NEDERLAND‘SCH INÌDIE en het jaartal, en
op de keerzijde de waande—aandwiding |in de Malleische en Javaan-
sche talen.
De stukken worden in den ring gemunt, hebben een gladden
rand en in het midden eene ronde opening.
Artikel 9.È/Ötw . ác"‚/ //.7. ‚’;J 6, /ï¬Ã¡/‚ //‘/y‚‘
De beel‘denaar der koperen pasmun is:
op de voorzijde ’s Rijks wapen ‘in een kring, tusschen lhet jaartal
en voorts hierboven in het omschrift NEDERLANDSCH ‘IN‘DIE;
onder de waande-aanduiding: 2‘/2 cent, -i—-een5 ‘/‚ cent en -ter
wederzijde het muntteeken en het munrtmeestersteeken; op de keer-
zijde, de waarde—aanldulildfing in de Maleische taal op liet veld om
in de javaansche taal voor het omschnift.
‚De stukken worden ‚in den ring gemunt en hebben een gladden
rand.
Artikel 10.
Telken jaren wordt in de Staatscourant en in de Javasche
Courant medegedeeld hoeveel van elke muntsoort:
/1Ä6177Ã".7
ú€ ä(:eûélwm‚e 0<‘‚e 3‘aw164’ F“J' ’1“"â€" ’T
ef’ û€ n.mz z ‘/’0<-‘ ’‚7"’ ‘K/Ülkús ‚en/v 0‘1‚IJ/‚«; ‘
'/ C!‘/ d'é‘i“
eî>:r«e‚‘x=r Ã/t‘m‘xm’mxr //—y"’û‚a"‚ /1‘ 7/â€M 7â€â€˜ ’ "F "
p,„„îrë‚gprevv Ë‚‘‚ /n=î M‘fN/‘ÜFËT/‘(l 7Fe‘irszvj
cp /jé„“—’g Zy'0“ m= \â€ï¬‚lEfl€‘flflfl/flldf ’‚1‚‘‚‘‚‚
7‘4/Je‘ dP‘rïsì‘ "640 e'n "m 46 74v 44mr;„
chxrnnì‘r-‘IZ
06 J‘îuuuenv IJvc’ie’2evv ‚‘‚v „‚_-N /;; ,‘‚.‚‚‚7—‘
S‘ €“I‘Iüìvl‘
_ ‚‚.‚‚—... AAAI/ÃŒ ‚_—„ I’»/HGI' Hr'flflé'ï¬ "
111!
‚’/v ar‘ /‘PJ<F/‘ffï¬Ã¬â€˜
7444 vook v‘n‘"‘
‚ #e—fl’î’
A
72
a. voor rekening van den Lande is aangemunt;
b. van regeeringswege in Nedenl-andschdmdiê is ingetrokken.
Artikel II, Sf moìIm-T l'}"j‚l‘fJ C, .7‘?°‚1‚ 'i.ry1
Niemand is verplicht zilveren pasmunt tot een hooger bedrag
‘_ dan van tien gulden, nikkelen pasmunt tot een hooger bedrag dan
/t„ &b.44„_ van vijf gulden of kopererfpasmunt tot een lhooger bedrag dan
van twee gul-den aan te nemen.
Antikel 12.7{w’b‘1 wij 7}. ijiC/;o/‚ ‘7‘fw
Door den Gouverneur—‘Generaal worden de landskassen aange-
wezen, waar de pasmant tegen rijksdaa‘lders, guldens en halve
guldens kan worden ingewissdld.
Z00 noodig stelt hi' tevens voor elke kas vast het aan zilveren,
nikk‘ele‘nl‘en koperenï¬asmunt aan te bieden bedrag, beneden het-
—6‘‚‘ ‚Q‘LM‘... welk geen inwissel:ing zal kunnen geschieden.
Artikel 13.
Munten, welke anders dan door sllijt‘ing in gewicht zijn vermin-
derd, worden in "s\Lands kassen niet aangenomen.
Niemand ‘is gehouden ze aan te nemen.
Artikel 14.
De munten, die vermoed worden vailsch, vervallscht, opzettelijk
beschadigd of opzevï¬telijk geschonden te zijn, kunnen door elken
houder aan den- Directeur van F inandiën ter beoordeeling worden
opgezonden.
De ambtenaren, met ‘011tv‘a‘n‘gste‘în voor de kassen van openbare
lichamen of instellingen belast, in wier h.anddn dergelijke munten
komen, zijn verplicht, nadat zij desgevraagd een 0ÃŒntvangbewijs
aan den houder hebben uitgereikt, die munten onverwijld op te
zelnden aan den officier van justitie bij den raad van justitie,
binnen wiens rechtsgebied hun ‘kas gevestigd is, indien de aan—
houding ’is geschied, bij een Europeaan of daarmede gelijkgestelde,
en aan het hoofd van plaatselijk bestuur, binnen w1iens ressort hun
kas gevestigd is, indien de aanhouding is geschied bij een
Inlander of daarmede gelijk-gestelde. De officier van justitie of
het hoofd van plaatselijk bestuur overwegen of de aangehouden
muntstukken benoodìigd zijn voor eenig strafrechterlijk onderzoek
en zenden ze, 200 dit niet het geval is, aan den Directeur van
Financiën.
Ingeval de uitspraak van den Directeur van Financiën het ver-
moeden bevestigt, worden ide ter beoordeelï¬ng Ontvangen munten
door of vanwege dien Departements—c‘hef doorgesneden en aan den
inzender teruggegeven.
Op uitdrukkelijk veï¬langen van den officier van justitie of het
het hoofd van plaatselijk bestuur, door Wien de inzending is ge—
schied, kan een munt bedoeld in het vorig lid, ‚in onveranderden
staat worden teruggegeven.
"‘s
73
Alleen tegen vergoeding van de nominale waarde kan de Direc-
teur van Financiën, zoo hij dit wenschelijk acht en de betrokken
ambtenaar van gerechtelijke politie (oï¬fÃicier van justitie, hoofd
van plaatselijk bestuur) er zich niet tegen verzet, een stuk terug—
houden.
Ingeval de uitspraak het vermoeden niet bevestigt, worden de-
zelfde of andere gave munten teruggegeven.
Artikel 15.
Van Regeeringswege worden ingetrokken en vermrunt:
a. alle gebrekkig bewerkte munten;
b. alle munten, niet begrepen onder die bedoeld bij antikel 14,
derde lid, welke door den omloop zoozeer zijn afgesleten, dat hun
beeldenaar geheel of gedeeltelijk onzichtbaar is, of die door
andere oorzaken voor den omloop ongeschikt zijn geworden;
c. de tienguldenstukken, vijfgdldenstukken, rijksdaalders, gul-
dens en halve guldens, die door slijting in den omloop in gewicht
zijn gedaald:
de tiengu‘ldenstukke-n en vijfguldenstukken 5 duizendsten of
meer;
de rijksdaalders 15 duizendsten of meer;
„ guldens 30 „ „ „ halve guldens 40 „ „
beneden hun wettelijk gewicht.
De wijze van intrekking wordt bij ordonnantie geregeld‘)‘
Artikel 16.
Het is verboden andere zilveren, nikkelen, bronzen of koperen
munten in betaling te geven of te nemen dan de munten in artikel
2 dezer wet bedoeld.
ÃDeze bepaling geldt niet voor de gedeelten van Nederlan-dsch-
Ihd‘iê bij ordonnantie aan te wijzen, en voor zoodanige munten
‘aìl‘sldlan bij die ordonnantie aangegeven, met dien venstande echter,
dat ook in die gebiedsdeelen onverminderd blijft ieders bevoegd-
heid om wettige betaalmiddelen ’t‘e e=ischen, en het aldaar aan de
‚in den aanhef van het tweede lid van artikel 14 dezer wet bedoelde
ambtenaren verboden :is bij ontvangsten, die zij als zoodanig doen.
andere dan de munten, in artikel 2 dezer wet bedoeld, in betaling
aan te nemen. ")‘
Artikel 17.
De strafbepalinge’n tegen overtreding van artikel 16 worden bij
‚ordonnantie vastgesteld. ‘} - '
“7 Zie de Ord. van 7 juli 1913 N15. 446.
J†n 77 †n 7 ’7 19|3 77 445'
74
Artikel 18.
Waar in algemeene verordeningen het woord „standpenningen“
is gebezigd, worden daaronder verstaan munten met de hoedanig-
heid van wettig betaalmiddel tot ieder bedrag.
Artikel 19.
Deze wet kan worden aangehaald als „Indische Mumtwet 1912.â€
Zij treedt in werking [op een nader bij ond’onnalnt’ie te bepalen
dag. 1)
Met dien dag wordt buiten werking gesteld de wet van 1 Mei
1854 (Staatsblad No. 75), zooals die laatstelijk is gewijzigd bij de
wet van 11 januari 1901 (Staatsblad No. 31).
De krachtens de wet van 1854 (Staatsblad No. 75) en de wijzi—
gingswetten van 20 April 1855 (Staatsblad No. 12), 28 Maart 1877
(Staatsblad No. ‘42) en 11 Januari 1901 (Staatsblad No. 31) in
omloop gebrachte munten met uitzondering van de zilveren
1/2„‘guldenstukken, blijven op den bestaan-den voet gangbaar,
zoo‘lang hare builtenomloopstelling niet bij de wet wordt bevolen.
De zilveren l/„egulden-stukken worden op het tijdstip en op de
wijze bij ordonnantie te bepalen buiten omloop gesteld, nadat tot
inw'i‘sseling daarvan gedurende ten minste drie maanden gelegen—
heid zal zijn gegeven. Tot het tijdstip dier buitenomlloopstelling
blijven deze munt-en, behoudens de bepalingen van de artikelen 11
en 12 dezer wet, wettig betaalmiddel. "‘)‘
Gegeven te ’s Gravenhage, den 31sten October 1912.
— WILHELMINA.
De Minister van Koloniën,
’D1‘: WAAL MALEFIJT.
Uitgegeven den zestienden November 1912.
vDe M inis‘tc’r van Justitie,
E. R. H. REGOUT.
/
‚ ‚’_„‚ ‚_ % ‚ ..._..
De Ord. bedoeld in art. 16, 2de lild, kwam 7 juli 1913 N.-I. S.
445 tot stand, waarbij o.a. werd bepaald:
Het in het eerste lid van artikel 16 van de „Indische Munt-
wet 1912†bedoel-d verbod geldt niet voor de na te noemen gedeel-
ten van Nederlandsch—Indië en voor de hieronder voor elk ge-
deelte aan te geven munten, te weten voor:
a. het gouvernement S1‚lmatraâ€s Westkus‘t in het geheele gewest
voor koperen muntspeciën bekend onder den naam van „duiten“
en in de XII KoÃò, onderafdeeling Moearälaboeh, afdeeling XIII
en IX KoÃä van het gewest voor ziillveren m-untspediën bekend
onder den naam van „dollar“ alsmede van „dollar-pasrrmn â€;
11 Op 1 November 1913, zie de Ordl van 7 Juli 1913 N.I.S. 444.
‘)a Zie de Ord. van 7 juli 1913 N.I.S. 447.
75
b. de res‘idenltie Tapanoeli in het geheele gewest voo'r koperen
muîn‘tspeoiën bekend «onder den naam van ,‚‘dwiten†en op de tot
het gewest :behoorende eilanden voor zillveren muntspeciën be—
kend onder den naam van ‚,dolilar†alsmede van „dollarpasmunt“;
c. de reäidenùie< Benk0elen voor koperen muntspeciën bekend
onder ‘den naam van „duiten“;
d. de residentie LamPongs‘che districten voor koperen munit—
speciën bekend onder den naam van „kluiten“;
e. de ‘tot de ’af‘deeiliing Bengkali‘s van de residentie Oostkust
van Sumatra behoorende eilanden voor zilveren muntspecië‘n ‘be-
kend onder dien naam van „dollar“ alsmede van ‚‚dollarpasmuntâ€;
f. ‘het gouvernement Atjeh en Onderhooa’ighcden, met uitzonde—
niin‘g van de onderafdeelling’Tamiang der afdeellling Oostkust van
Atjeh, voor munïtspee‘iën bekend onder den naam van „dollar-
centenâ€;
g‘ de ‚tot de residentie Riouw en Onderhoorigheden beîli‘oorenîde
eilanden voor zilveren muntspeciën, bekend onder den naam van
„dollar†alsmede van „dollarpasmunt“;
h. de resÑde‘n‘ï¬ie Zuider— en Oostcrafdeeling van Borneo voor
koperen muntspeciën bekend onder de‘n naam van „duiten“;
i. de residentie Menado voor zxillveren munltspediën bekend
onder den naam van „oude Compagnies dubbelltjes" dn van kope-
ren muntspeciën bekend onder d-en naam van „du‘ifüenâ€;
j. llet gouvernement Celebes en Onderhoorigheden voor zilve-
ren. muntspeeiën bekend onder ìden’naam van „oude Compagnies—
dubbeltjes†en voor koperen muntspeoiën bekend onder den naam
van „kepengs†en van „duiten“;
k. de afdeelîng Aroe—eilanden en de onderafdeelling Oost—
Ceram, Ceramlaoet en Goram (afdeeling Ceram) der residentie
AmboÃna voor koperen muntspeoiën bekend onder den naam van
„duiten“ ;
l. de ‚tot de residenstîie Ternate en Onderhoor'rÃgheden behoorende
Soela—eÃlana’en voor koperen muntspeciën bekend onder den naam
van „duiten“ ;
m. de tot de ‘resi‘den‘flile Timer en OnalerhoorÃgheden behoorende
eilanden Soembawa en Flores respectievelijk voor koperen munt-
speeiën bekend onder den naam van „kepengs“ en voor koperen
m-untspeoiën -bekenÃd onder den naam van „duitemâ€;
n. de residentii“e Bali en Lombok voor koper-en munltspeciën ‘be-
kend onder den naam van ‚‚kepengsâ€.
De Ordonnantie treedt in werking op I November I913.
76
Met de'muntzuiveri‘ng in de sub i., j. en Z. genoemde streken
werd een aanvang gemaakt bij de Ord. van 18 juli 1914 N.‘I. S.
508 en 509, waarbij resp. het in betaling geven of nemen, ver-
voeren of bezitten en den invoer van ‘de daarbij vermelde munten
werd verboden (ï¬le nog Besl. van 18 juli 1914 N.—I. S. 510).
De uitvoering hiervan is echter door den oorlog opgehouden en
bij B‘esl. en Ord. van 8 Aug. 1914 N.—I. S. 546 en 547 werd het
inwerking-treden van genoemde Ord. opgeschort.
In dit verband zij nog vermeld de Ord. van 27 April 1916 N.—I.
5.354,18 juni 1918 N.-I. S. 317 en 10 Sept. 1919 N.‚—I. S. 613 waar—
bij werd bepaald, dat het in art. 16 lid 1 van de „Indische Muntwet
1912†vermeld verbod, tot 31 ‚Dec. 1919, terugwerkend vanaf
1 November 1913, niet geldt voor de We’sterafdeeliag van Borneo
voor koperen muntspeoiën, bekend onder den naam van „duiten“
en .,dollarcentenâ€.
O0k Indië is niet van crisismaatregelen ten aanzie‘_n van het
muntwezen verschoond gebleven. Zoo werden bij de Ord. van
5 Aug. 1914 N.—I. S. 537 de bankbiljetten der javasche bank tot
wettig betaalmiddel verheven, terwijl bij de Ord. van 18 juli 1919
N.—I. S. 408 de uitgifte van zilverbons werd geregeld.
Deze Ord. luidt, na de wijziging van 10 jam. 1920 N.-I. S. 8,
waarbij de zilverbon van f 0.50 werd ingevoerd en het gezamen-
lijk bedrag tot f 60,000,000.— werd opgevoerd, van 8 Nov. 1920
N.—I. S. 805 en 8 jan 1921 N.-I. S. 19, aldus:
Artikel I .
Muntbiljetten zullen worden uitgegeven, vertegenwoordigende
eene waarde van twee en een ’halven gulden (f 2.50), een gulden
(f 1.—) en een halven gulden (f 0.50), tot een gezamenlijk bedrag
van ten hoogste zestig millioen gulden (f 60,000,000.—).
De mulntbliljetten van twee en een halven gulden en van een
gulden worden uitgegeven in twee soorten.
Artikel 2
De muntbiljetten van twee en een halven gulden der eene soort
Zijn ten naastenbij 12.7 centimeter lang en 7.6 centimeter breed
en hebben den volgenden uiterlijken vorm:
77
(VOORZ U DE).
NEDERLANDSCH—I‘NDIE.
MUNTBILJET.
GROOT.
Wordt in betaling aangenomen door
de Javasche Bank en aan alle lands-
kassen. Inwisselbaar ‘in zilver na aam—
kondigi=ng.
2‘/‚ (Portret van H. M. de Koningin). 2‘/2
Geregistreerd :
President en Directeuren De Directeur van Financiën
van de Javaisohe Bank (Handteekening).
(HandteekenÃngen).
TWEE EN EEN HALVE GULDEN.
WETTIG BETAALMIDDEL.
De voorzijde is in olijÃkzleur gedrukt op wìitten ondergrond. Het
portret van H. ‘M. de Koningin is gevat iin een ‘ovaall in het midden
van het biljet op olijfk‘leunigen ondergnond, aan de bovenzijde
waarvan het woord „Groot“ is geplaatst, aan de onderzijde, onder
eene versiering de woorden „Twee en een hallven Gulden†en
„Wettig betaalmidde’lâ€.
Allle deze woorden komen w‘it dit op olijfkle—ur-ig veld.
Het portret is in het midden geflankeerd door de cijfers 2‘/,‚
geplaatst in een versier-d veld. Het geheel is omgeven door een
rand van versieringen, in de vier hoeken waarvan de cijfers 2‘/,
zijn aangebracht; de bovenste cijfers hebben eene grootere af—
metäing dan de onderste.
(ACHTERZIJDE).
‚De achterzijde is ‘in bruin gedrukt op ‘w‘ittten ondergrond en
vertoont ‘in het midden het Nederlands'che wapen, geflankeerd
door de cijfers 2‘/2. Boven het wapen staat het woord „Neder-
la-ndsch—Indiëâ€, onder het wapen de woorden „Twee en een halve
gulden†in wit op bruin veld.
Het geheel, dat een eenigsz‘ins kleiner veld heeft dan de voor-
zijde, is eveneens omgeven door een versierden rand met de cijfers
2‘/2 in de vier hoeken, overal van gelijke grootte.
De biljetten zijn gedrukt op pflanch‘ett-e-papi‘er, en dragen op de
voor- en achterzijde twee serie’letters en een volgnummer van
000001 tot en met 100000.
Zij zijn voorzien van een datum van uitgifte en van de stempels
der handteekeningen van den Directeur van Financiën en
van President en Directeuren van de Javasche Bank.
De muntbiljetten van twee en een haiven gulden der andere
soort worden gedrukt op papier, waariin blauw-groene vezels zijn
verwerkt; deze biljetten zijn ten naastenbij 12.7 centimeters lang
en 7.3 centimeters breed en hebben den volgende uiteï¬lijken vorm:
78
(VOORZI-JDE).
Serie. No.
NEDERLANSCH-IN‘DIE.
MUNTBILJET.
GROOT TWEE EN EEN HALVE GULDEN.
Wondt ter betaling aangenomen door de Javasohe Bank en aan
alle Landskassen. Invvrisselbaar ‚in zilver na aankondiging.
Geregistreerd: Batavia 1920.
President en Directeuren De Directeur van Financiën.
van de Javasche Bank. (HandteekenÃng).
(Handteekeningen)‚
De woorden ,‚Nelderladsch—I=ndiië" en .‚Murntbiljet†zijn in bruin
gedrukt, welke kleur ook de ondergrond vormt van ‚den rand. De
overige voormelde woorden, evenals de ser’i-ellet-ters en het nummer
zijn in zwart gedrukt.
In den rand, welke onder en boven ongeveer IIÃ m.m. en rechts
en links ongeveer 21i mm. breed is, zijn ter rechter- en ter linker-
zijde cartouches aangebracht in elk waarvan met hoekige bruine
cijfers voorkomt 2.50. De linker cartouche en cijfers zijn met een
paarse kleur, de rechter met een bruiine kleur overdrukt.
Overigens is de rand geheel gevuld met gegudlllocheerd orna-
ment, waarovenheen gele, groene en grijze kleuren zijn verwerkt.
Het rechthoekige middenvak waarin de h‘oogergenoemde bruine
en zwarte tekst is gedrukt, is geheel bedekt met een doorloopende
versiening van slingerlijnen in grijs en met een veld van gele
stippen, waarin viermaal voorkomt 2.50 in geel omtroksken cijfers.
De witte marge is ongeveer 4 m.m. breed.
(ACHTERZIJDE).
De achterzijde is gedrukt in een bruine kleur en vertoont in de
versiering, weÃlke ten naastenbij 65 bij 117 mm. meet, de volgende
omschrijving :
„Het namaken of vervalsehen van muntbiljetiten met het oog-
merk om die als echt en onverva:lscht uit te geven of te doen uit-
geven, wordt g-estraf‘t met gevangenisstraf van ten hoogste vijftien
jarenâ€, waaromheen aan de bovenzijde voorkomen de woorden
„Ne‘d‘e‘rü‘andee‘hdndiëâ€, aan de onderzijde de woorden „Twee en
een halve gulden†en’ aan beide korte zijden de woorden: „Wettig
beìtaalmidd †terwijl in de vier ‚hoeken in hoekige cijfers 2,50
voorkomt.
Artikel 3.
De muntbiljetten van een gulden der eene soort zijn ten naasten-
bij 12.7 centimeters lang en 7.6 centimeters breed, en hebben den
volgenden uiterlijken vorm:
79
(VOORZIJDE).
NED‘ERLANDSCH—INDIE.
MUNTBILJET.
GROOT.
Wordt in betaling aangenomen door
de Javasohe Balnk en aan alle lands-
kassen. Inwisselbaar in zi'lver na aan-
kondiging.
I (Portret van H. M. de Koningin). 1
Geregistreerd:
President en Directeuren ‘ De Directeur van Financiën.
van de ]avasc‘he Bank. (HandteekenÃng).
(Handteekeningen).
EEN GULDEN.
WET’DIG BETAALMIDDEL.
‚De voorzijde ‘is in zwart gedrukt op witten ondergrond.
Het portret van H. M. de Koningin is gevat in‘ een ovaal in
het midden van het biljet op zwant-e=n ondergrond, aan de boven—
zijde waarvan hert woord „Groot†is geplaatst, aan de onderzijde,
onder eene vensúening de woorden „Een Gullde‘n†en „Wetùig be-
taalmiddelâ€. Alle deze woorden komen w‘it uit op zwart veld.
Het portret is ‘in het midden geflankeerd door het cijfer I, ge«
plaatst in een versierd veld.
Het geheel is omgeven door een rand van versieringen, in de
vier hoeken waarvan het cijfer 1 is aangebracht; het bovenste
cijfer heeft eene grootere afmeting dan het onderste.
(ACHTERZIJDE).
De achterzijde is in blauw gedrukt op witten ondergrond en ver-
toont in het midden het N-edeï¬la=ndsohe wapen, geflankeerd door
het cijfer 1. Boven het wapen staat het woord „Nederlandsch-
Indiëâ€; onder het wapen de woorden „Een Gulden†in wit op
blauw veld.
Het geheel, dat een eenigszï¬ns kleiner veld heeft dan de voor-
zijde, is eveneens omgeven door een versierden rand met het cijfer
I in de vier hoeken, overall van gelijke grootte.
De biljetten zijn gedrukt op planchette—papier en dragen op de
voor— en achterzijde twee seri‘ell‘eltrter‘s en een v‘dlgnummer‘van
000001 tot en met 100000.
Zij zijn voorzien van een datum van uitgifte en van de stempels
van de h‘aìnd‘teeken‘in‘gen van den Directeur van Financiën
en van President en Directeuren van de ]avasohe Bank.
De muntbiljetten van een gulden der andere soort worden ge-
drukt op papier, waarin bllauw—groen-e vezels zijn verwerkt; deze
biljetten zijn ten naaste-nbij 12.9 centimeters lang en 7.3 centi—
meters bree’d en hebben den volgenden uiterlijken vorm:
80
(VOORZIJDE)
Senie. No.
NEDERLANDSCH-I NDIE.
MUNTBILJET.
GROOT EEN GULDEN.
Wordt ter betaling aangenomen door de Javasct1e Ban-k en aan
alle Landska-ssen. Inuö)sselbaar in zilver na. aankondiging.
Geregistreerd: Batavia 1920.
President en Directeuren De Directeur van Financiën.
van de Javasche Bank. (Handteekening).
(Handteekeningen).
Deze woorden zijn gedrukt in zwart en het volgnummer in rood
op een ondergrond van grijze door elkaar geslingerde lijnen, waarop
tevens in met geel omtrekken letters van ongeveer 13 mm. hoogte
in het midden ‘is afgedrukt „Een guldenâ€.
De blauw gedrukte ra!nd om den tekst ‘is rechtìs ongeveer 15 mm.
breed en bevat in het ‘l‘ink‘ergedeeilte‚ dat een breedte heeft van
ongeveer 27.5 m.rm., een achthoeleig middenstuk waar-in een in wit
uitgespaard cijfer I. In de rechter boven- en onderhoek komt
eveneens — maar kleiner — een op ornament uitgespaarde witte
1 voor. Onder en boven is de rand smaller dan aan de zijkanten.
Op den blauwe’n rand komen hier en daar geil-e pllekken voor en de
marge buiten den rand is tot aan den kant van het papier bedrukt
met ‘sliin‘gerîlijn-e‘n in dezelfde blauwe kleur als van ‘den rand.
(ACHTERZIJDE).
De ach-terzijde is mede met blauw bedrukt, en evenals aan de
voorzijde tot aan den kant van het papier. In het midde!mstuk van
bruine kleur, waaromheen een witte rand met in blauwe letters:
„Nedenlalndsohdndië“ en „wott1ig Betaalmid‘de‘lâ€, komt het vol-
gende voor: „Het namaken of vervaJlschen van muntbiljetten met
het oogmerk om dit als echt en ‘onv‘ervalscht uit te geven of te
doen uitgeven wordt gestraft met. gevangenisstraf van ten hoog—
ste vijflüien jarenâ€.
Dlilt middenstuk is aan beide zijden geflankeerd door de woorden
„Een gulden†‘in vertiikalle niohtiing. Een in wit uitgespaard cijfer
1 komt in de vier hoeken voor.
Door het blauw van de achterzijde is op vele pflaatsen eene
bruine tee-kenlilng gewerkt, bovendien is het papier aan deze zijde
voor een groot gedeelte ‘ov‘erid'e‘kt met blauwe stippen van donker-
der kleur dan de overige teekeni—ng.
Artikel 3a.
De muntbiljeüten van een halven gulden zijn ten naastenbij 10.4
centimeters lang en 6.85 centimeters breed en hebben den volgen-
den uiterlijkem vorm:
81
(VOORZIJDE).
‘/, NEDERLANDSCH—INDIE. ‘/,
MUNTBILJET.
Wordt in betaling aangenomen
door de Javasche Bank en aan
alle landskassen.
Inwissel‘baar in zilver na aan-
kondiging.
(HET NEDERLANDSCHE WAPEN)
Geregistreerd: . 19...
President en Directeuren ‚ De Directeur van Einanoië
van de Javasche Bank,
GROOT
1/2 EEN HALVE GULDEN 1/2
WETTIG BETAALMIDDEL
_ Deze woonden en het wapen zijn gedrukt in zwart op een door-
loopende gnoene versiering, terwijl op den geelbruinen ondergrond
vele malen voorkomt „een halve gulden†in een bocht en het cijfer
1/,. Relndorn is een onbedrukt-e witte rand van ongeveer een halve
centimeter breedte.
(ACHTERZIJDE)
‚De achterzijde vertoont lin bleek mosgroene kleur op witten
grond een versierd vierkant van gelijke grootte als dat op de voor-
zijde. In het midden bevindt zich helt Nedenlandsche wapen, gevat
in een cirkel, aan de bovenzijde zijn in witte letters op don-keren
grond geplaatst de woorden:
NEDERLANDSCH-INDIE
MUNTBILJET
en aan de onderzijde in donkere lettens op vwi‘tîten grond de
woorden:
WETTIG BETAALMIDDEL
EEN HALVE GULDEN
terwijl aan de vier hoeken, in het ornament opgelost, het cijfer ‘/,
voorkomt. Rondom is een onbedrukte w'iìhte rand van ongeveer een
halve centimeter breedte.
De biljetten zijn gedrukt op simlillipapier of op papier, waarin
blauw—groene vezels zijn verwerkt “en dragen op de voorzijde twee
seriele-tters en een volgnummer van 00001 tot en met 99999.
Zij zijn voorzien van een datum van uitgifte en van de stempels
der ‘han‘dteek‘en‘in‘gen van den Directeur van Financiën en van
President en Directeuren van de Javasche Bank.
Artikel 4.
‘De munrtbilje-tten hebben de hoedanigheid van wettig betaal—
middel.
Zij worden met inachtneming van het bepaalde in artikel 10
van deze ordonnantie op het tijdstip en op de wijze, door den
6
82
Gouverneur—Generaal te bepalen, ingetrokken, nadat tot hunne
invuirsseling voldoende gelegenheid is gegeven.
Artikel 5.
De muntbi‘ljetten zu‘llen in omloop worden gebracht door de
Javasohe Bank voor zooveol daaraan behoefte blijkt te bestaan.
Artikel 6.
Door d-en Directeur van Financiën wordt iedere maand in de
Javasche C 0urant mededeeli-ng gedaan van het bedrag der uitge-
geven muntbilljehten.‘
Artikel 7.
Wegens het verlies van muntbiljetten wordt in geen geval
eenige vergoeding verleend.
Artikel 8.
Wanneer muntbiJljoüten onbruikbaar zijn geworden, kunnen zij,
mits zij nog kenbaar zijn, na daantoe van den ‚Directeur van Finan-
ciën verkregen machtiging, tegen nieuwe biljetten worden inge—
vwì‘ssel‘d.
Artikel 9.
De ingetrokken muntbìiljetten worden door den Directeur van
Financiën ter vernietiging bij de A‘lgeme‘ene Rekenkamer over-
gebracht.
Iedere maand wordt van het aantal en de soort der in den loop
der vorige maand ovenge=brachte muntbiljetten door den Directeur
van Einanciën in de Javasche Courant mededeeiling gedaan.
Artikel 10.
Tot de intrekking ider muntbiìlje‘trten moet zoo spoedig mogelijk
worden overgegaan, wanneer voldoende zilverge'ld daarvoor aan-
wezig is.
Artikel II.
‘Deze ordonnantie treedt in werking met ingang van den dag na
dien harer afkoridiging.
‘En opdat niemand [hiervan onwetendheid voorwende zal deze
in het Staatsblad van Nederiandsch—Indië geplaatst en, voor 200-
veel noodig, in de Inlandsohe en Chineesche talen aangeplakt
worden. Gelast en beveelt voorts, dat alle hooge en ‘lage Colleges
e'n AmbtenaIre-n, Of-fcieren en Justicie>ren, ieder voor zooveel
hem aangaat, aan de stipte naleving idezer de hand te zullen
houden zonder ooglu;iking of aanzien des persoons.
Gedaan te Batavia, den 18den juli 1919
]. VAN LIMBURG STIRUM.
De Algemeene Secretaris,
G. R. ERDBRINK.
Staatsblad No. 408
Uitgegeven den 18den Ju'li 1919
De Algemeene Secretaris
G. R. ERDBRINK.
(Besluit van den Gouverneur-Generaal van 18 juli 1919 No. Ia).
83
Ten slotte zij nog vermeld de Ord. van 16 Aug. 1919 N.—I. S. 5112
1919 No. 511. Muntwezen. Bepalingen in het belang van den
omloop van de wettige zilveren munten.
IN NAAM DER KONINGIN!
De Gouverneur—Generaal, enz.
Heeft goedgevonden en venstaan:
Anhikel I.
Ieder, die wettige zilveren munten tot een bedrag van meer dan
vijf honderd gulden voor zich zelven of voor anderen in voorraad
heeft, is verplicht: .
I. Van hoeveelheid en soort dier munten, op de door den
Directeur van Financiën bekend te maken tijdstippen, de door dezen
verlangde opgaven naar waarheid te doen bij het Hoofd van
plaatselijk bestuur, in wiens reSsont die munten zich bewinden;
2. op schriftelijke von'dening van den Directeur van Financiën
of, op diens last, van het betrokken Hoofd van plaatselijk bestuur,
de genoemde munten, die hij boven het in den aanhef van dit
artikel vermelde bedrag in voorraad heeft, ter plaalbse door dat
Depantementshoofd te bepalen, ìter »omw’isselirng tegen ander
wettig betaalmiddel aan te bieden.
Ieder is verplicht op schnifltelijke vordering van den Directeur
van Financiën of, op diens last, van het betrokken Hoofd van
plaatselijk bestuur, naar waarheid de van hem verlangde 'opgave
te doen van hoeveelheid en soort der munten, als in het eerste lid
van dit artikel bedoeld, welke hij voor zich zelven of voor anderen
in voorraad heeft.
Artikel 2.
Indien de verplichtingen, in artikel 1 bedoeld, rusten op eene
naamlooze vennootschap, eene wederkeer‘ige verzekerings- of
waarîb‘orgniaaìtscha‘ppij, een coöperatieve of andere rechtspersoon-
lijkheid bezittende vereeniging of eene stichting, worden die ge-
acht te zijn opgelegd aan de leden van het bestuur, alsmede aan
hem of hem die met de vertegenwoordiging of waarneming van de
belangen der bedoelde lichamen binnen Nederlandsoh—Indië belast
is of zijn.
Artikel 3.
Hij, die behoudens in de bijzondere gevallen, waarin daartoe
door den Directeur van Financiën vergunning is verleend, wettige
zilveren munten versmelt of op andere wijze voor den omloop
ongeschikt maakt, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten
hoogste drie maanden.
‚De munten, met betrekking tot welke het strafbaar feit wordt
gepleegd, en het metaal door middel van het strafbaar feit uit de
munten verkregen, kunnen voor zoover zij den veroordeelde toe—
behooren‚ worden verbeurd verklaard.
84
Artikel 4.
Hij, die eene opgave niet of niet tijdig doet of wel niet of niet
tijdig voldoet aan eene vordening, een. en ander allìs bedoeld in
artikel 1, wordt gestraft met hechtenis van ten hoogste drie
maanden of geldboete van ten hoogste vijf honderd gulden.
Hij, die in strijd met het bepaalde in artikel 1 opzettelijk eene
onjuiste opgave doet, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten
hoogste zes maanden of geldboete van ten hoogste ze‘sdwizend
gquden.
De munten, met betrekking tot welke het strafbaar feit
wordt gepleegd, lkunnen voor zoover zij Iden veroordeelde toebe—
hooren, met bare verpakking worden verbeurd verklaar-d.
Artikel 5.
De bij deze ordonnantie strafbaar gestelde feiten worden be-
schouwd als mlisdrijven, met uitzondereing van die omSchreven in
het eerste lid van artikel 4, welke als ov-entre-ding worden aan-
gemerkt.
Artikel 6.
Deze ordonnantie treedt in werking met ingang van den dag na
dien harer afkondiging.
Gedaan te Tjipanas, d-en Ióden Augustus 1919.
J. v. LIMBURG STIRUM.
De Algemeene SeceretarÃs,
’ G. R. ERDBRINK.
Uitgegeven den twee en twintigsten Augustus 1919.
De Algemeene Secretaris,
G. R. ERDBRINK.
(Besluit van den Gouverneur-Generaal van 16 Augustus 1919
No. 102).
En de Ord. van 24 Sept. 1919 N.J. S. 665:
1919 No. 665. Muntwezen. Bepalingen in het belang van den
omloop van de wettige betaalmiddelen.
IN NAAM DER KONINGIN!
IDE GOUVERNEUR—GENERAAL, enz.
Heeft goedgevonden en verstaan:
Artikel 1.
Het is verboden bij 1de wisseling van wettige betaalmiddelen
agio te berekenen of .I΀ betalen.
Artikel 2.
Het is verboden mun‘tbi—lje‘tte‘n voor minder dan de nominale
waarde in betaling te nemen of te geven.
85
Artikel 3.
(1) Overtreding van de verbodsbepa;lingen ‘in de vorige artike—
len wordt gestraft met hechtenis van ten hoogste drie maanden of
geldboete van ten» hoogste vij fhonderd gulden.
(2) De wettige betaallmiddellen, bedoeld ‘in de voorgaande twee
anüikelen, met betrekking tot welke het strafbaar feit word ge—
_pleegd, kunnen voor zoover zij den veroordeelde ‘t-oebelioorem‚
worden verbeund verklaard.
Anhikel 4. .
‘De bij deze ordonnantie strafbaar gestelde feiten worden als
oventredimgen beschouwd.
Artikel 5.
Deze ordonnantie treedt ‘in werking met ingang van den dag na
dien h-arer afkondi-g‘ing.
Gedaan te Tjipanas, üen 24sten September 1919.
_I. v. LIMBURG STIRUM.
De Algemeene Secretaris,
G. R. ERDBRINK.
Uitgegeven den Zesden October 1919.
De eerste Gouvernement! Secretaris,
(In. WELTER.
(Besluit van den Gouverneur-Generaal van 24 September 1919
No. 141).
Zie nog voor het vraagstuk van scheiding van het rnuntwmen:
Mr. G. VISSERING, Muntwezen enz. Hfst. IX en Koloniaal Tijd—
schrift 1921 pag. 35 en volg, alsmede de aldaar vermelde lliteraîtuur
Onlangs iis ter ‘bestudeerin‘g van dit vraagstuk een Staatscommis-
s-ie ingesteld met Mr. G. VISSERING als voorzitter.
/?10/'ù; —‚ 46(q11f‘40fr4‘4‘044/4
/JF 6(=zyoq‚yf /’f/‘‚)‚ /ÃÃŒ(J ' /(;/‘
‘7//
p; /s‘‚‚vûo
‘01"! f„
r_ A481P.B.12); ‘ ' y
“ / P. B. ‚1; Besl. 15 8eth 1897
’1aw7‘wé'l (Al.
86
Suriname. 1)
Oude regelingen: Ene. van N. W.—I. pag. 484; G. J. FABIUS:
Het Bankwezen in Ned. W.—l.; Procl. 24 \Mei 1821 G. B._I (Publ.
21 Mei 1822 G. B. 5); Publ. 25 Oct. 1826 G. B. 4 (Publ. 16 Jan.
1828 G. B. 1); Publ. 9 Mrt. 1829 G. B. 2 (Publ. 5 Juni 1829 G. B.
7 en 8); Wet 1 Dec. 18 . 126 G. B. 18 : 12 (K. En. 3 Febr.
10 Aug. 1854 G. B. 12, ubl. 28 Dec. 1854 . . 13); Publ. 14 Febr.
1855 G. B. 5; KB. 4 Aug. 1874 G. B. 30; Wet 28 Juni 1881 S.
120 G. B. 13; Wet 24 Dec. 1886 S. 233, G. B. 5 (G. .1 7 : 23.
Hund'ige regeling: Muntwet, t 1 uli 1909 S. 212, G. IL61,
gew. wet 27 Mrt. 1915 S. 166. G. B. 37 (Uitv. Besl. 4 Oct. 1909
G. B. 62; Vern. 20 Jan. 1910 G. B. 21, 22, 23); Res. 28 Apr. 1910
G. B. 24. Zilverbons: Ver. 6 Apr. 1918 G. B. 25, ‘ge‘w. 19 Oct. 1920
G. B. 71 (Besln. 6 Apr. 1918 G. B. 27, 1 Nov. 1918 G. B. 78, 21 Mei
1920 G. B. 26, 23 Nov. 1920 G. B. 89, Id Dec. 1920 G. E. 100).
Uit‘vocr'uerbod zz'le"erz Bes]. 5 Jan. 1920 ‘G. B. 1 (Ver. 18 Aug. 1914
G. B. 49).
Curaqao.
Oude regelingen: Ene. N. W.-I.; G. _Ã. FABIIJS, Het bankw.;
Economist 1913 pag. 765; Publ. 13/14 Aug. 1822 P.B.h.b. 60;
KB. 10 Mei 1826 P.B.h.b. 104; Publ. 6 Febr. 1828 P.B.h.b. 119;
P‘ubl. 28 Mei/22 Juni 1831; Publ. 8 Juni/20 Juli 1838 P. B. h. b.
Dec. 18 S. 126, P. B. 18 : 21 (K. B. 3 Febr. 1854
. 1 . .. 16; Wet 24 Dec. 1886 S.
Febr. 1889 P. B. 2; Be ‚31 an. 1
P. B. 13.
Huidige regeling: Muntwet: Wet 23 Mei 1899 S. 126 P. B. 22
gew. bij wetten 2 Jan. 1900 S. 5 P. B. 4 en 27 Mrt. 1915 S. 167
P. B. 32 (Uitv. K. B. 22 Apr. 1901 P. B. 16 [K. B. 9 Oct. 1901
P. B. 38, K. B. 25 Apr. 1912 P. B. 33], K. B. 4 Juni 1901 P. B.
18); K. B. 22 Apr. 1901 P. B. 17 Uitvoerverbod goud en zilver:
Ver. 15 Mnt. 1918 P. B, 14 gew. 6 Febr. 1920 P. B. 7. Oppott.en en
versmelten: Ver. 6 Febr. 1920 P. B. 8.
7:1
1) Door gebrek aan beschikbare ruimte moet bij verschillende regelingen
met verwijzingen worden volstaan.
/‘ ÚIJ z ' /"“‘“. â€Jì&/?‚‚ ú,‘9‘ ‚'S'!‘ ‘.‚‚5
á‘«‘. 6 60d'pw- w‘./ (‚4‘-‚ b’./r‚_f /;/ì,- ‚77
{9 ‘/J<, c.„.
a" álhw
4’ GMJ‘
„(gal
//e'4 f"“
1! huwf
BANKWEZEN.
De Nederlandsche Bank.
„Om den Koophandel, aÃls den zenuw van dezen Staat, op te
beuren uit het verval, waarin voorgaande tijden en omstandig—
heden d-enzelven hebben gebracht†en „om in de ge-reede omloop
van geld en gel‘dswaarde .... .. te voorzienâ€, werd bij Souverein
Besluit van 25 Maart 1814 No. 105 S. 40, houdende het Octrooi
en reglement, de Nederland-sche Bank opgericht, als een „com-
pagnieschap zonder firmaâ€, met een kapitaal van f 5,000,000.—,
hetwelk bij Besl. van 27 Maart 1819 S. 14 werd verdubbeld. „Ter
meerdere geruststelling van ’s Lands ingezetenen†nam het Rijk
voor f 500,000.— daarin deel, met de mogelijkhdid van uitbreiding
tot een millioen (art. 8). Volgens art. 1 werd haar voor 25 jaar
het monopolie van biljettenui-tgifte verleend, terwijl de Tweede
Afdeeding van genoemd besluit verschillende bepalingen aan-
gaande de operatiën bevatte o.a. dat de interest der bele-eningen
nimmer 5 % ‘te boven mocht gaan (art. 24).
Bij Besl. van 21 Aug. 1838 S. 29 werd het octrooi voor 25 jaar
verlengd, terwijl art. 34 bepaalde dat er een Bijbank te Rotter-
dam zal worden opgericht en correspondenten of gecommitteerden
in de hoofdplaatsen der prov‘inoiën en andere belangrijke steden
konden worden aangesteld.
Het Besl, van 9 Juni 1852 S. 124 bracht een‘ige wijzigingen in de
bepalingen betreffende de belegging van het reservefonds en de
voorwaarden voor de beleeningen, terwijl tevens aan de bank de
verplichting werd opgelegd om op den eersten van elke maand in
de S t. Crt. een opgave te plaatsen van het bedrag tder ‘oml‘oope‘nde
bankbiljetten, der gezamenlijke saldo’s van rekeningen-courant
en der aan de Bank toebehoorende munt en muntma1teriaal en
jaarlijks de stand van het kapitaal en van het reservefonds open—
baar te maken. Het doen van meerdere open-bare med-ede-elinge-n
werd aan het oor-deel der directie, ‘in overleg met commissarissen
overgelaten. Hierdoor werd voor het eerst „eenig licht ontstoken ’
in het duister, dat ‘bot hiertoe de operatiën der bank omhulde". ‘)
1) Zie Staatkundig en Staathuishoudkundig jaarboekje jrg. 1864 pag‘ 273-
88
Toen in 1863 de verlenging van het afloopend octrooi aan de
orde kwam ontspon zich een heftige strijd over de kwestie of het
„gevierd monopolie†diende gehandhaafd te worden dan wel tot
het vrije bankstelsel moest worden overgegaan. ‘)
Het resultaat was, dat bij de wet van 22 Dec. 1863 S. 148 het
octrooi wederom voor 25 jaar werd verlengd, doch tevens aan de
bank de vlerpliohting werd opgelegd om voor of met 1 Jan. 1865 een
Bijban‘k te Rotterdam op te richten, alsmede Agentschappen en
Correspondentschappen in venschúllflende plaatsen ‘d-es Lands. In
elke provincie moest tenminste één Agentschap worden gevestigd
en Correspondentschappen naar behoeften (art. 5).
Tevens werd ‘het kapitaal tot f 16,000,000.— verhoogd.
Verder werd de Bank de verplichting opgellsegd toï¬ -kostelooze
waarneming der f‘un-otiën van Agent van ’s Rijk1s schatkist te
Amsterdam met mogelijkheid van uitbreiding tot Rotterdam en
de overige plaatsen waar Agentschappen ware-n gevestigd, terwijl
bovendien de geheelle dienst van ’1sRij‘ks schatkist aan haar 2011
kunnen worden opgedragen (art. 10).
‘De verkorte balans moest wekelijks in de St.Crt. worden ge-
publiceerd, terwijl de verhouding, waarin de opeischbare schuld
door munt en mun-tmat'eriaal gedekt moet zijn bij K.B. zou worden
vastgesteld. 2)
Verder werd nog wijziging gebracht in de bepaiingen betref-
fende de benoeming der directie en een 1K-oninklijk Commissaris
ingesteld, w‘i‘en‘s bezoldiging -ten Ilaste der bank kwam. Uit vrees
voor te grooten invloed van den staat op de gestie der bank werd
met den Minister van Financiën een overeenkomst gesloten, be-
krachtigd bij de wet van 24 Juli 1871 S. 86, waarbij de bank, tegen
1) Zie Staatkundig en Staathuishoudkundig jaarboekje jrg. [864 pag. 279
e.v en daar aangehaalde geschriften. Zie ook nog: G. V. GERRITSIJ.N, De
Nederlandsche Bank, pag. 289 en volg.
2) Bij K‚B. van 16 April 1864 S. 18 werd bepaald: dat het gezamenlijk
bedrag der mnloopcnde bankbiljetten‚ bankassignatiën en rekening-courant-
saldo’s bij de Ned. Bank steeds voor twee vijfde gedeelte zal moeten zijn
gedekt door munt of muntmateriaal; met dien verstande, dat onder munt-
materiaal alleen begrepen wordt zilver en goud en dat het zilver niet hooger
geschat wordt dan op f 104.75 en het goud niet hooger dan op f 1550.—
per Ned. Pond ï¬jn. Het K.B. van zo Juni 1880 S. 113 stelde vast dat het
goud en het zilver niet hooger mochten worden geschat dan re=p. f 1,647.50
en f 80,— per K.G. fijn. Het K.B. van 31 Juli 1914 S. 334 reduceerde de
verhouding tot een vijfde gedeelte. .
89
jaarlij-ksche betaling van f 100,000.—-, de opdracht van den ge—
heelen dienst van ’s Rijks schatkist afkocht. Deze som is gedurende
achttien achtereenvolgende jaren aan het Rijk uitbetaald.
Bij de wet van 7 Aug. 1888 S. 122 werd het octrooi wederom,
ditmaal voor 15 jaar, verlengd. Het kapitaal werd op f 20,000,000
gebracht. Aan den staat werd een win‘st‘aanideel toegekend, als—
mede een rentel-oos voorschot van f 5,00ó,000.—. Tevens werd aan
de bank de kostelooze uitoefening van den kassiersdienst der
Rijksposüspaarbank opgedragen. Verder werd haar de bevoegd—
heid toegekend buitenlandsche wissel-s aan te koopen, mits niet
langer dan 14 dagen het bedrag van het beschikbaar metaalsalld0
te boven gaande. In verband ‚met het aandeel van den staat werd
tevens de winstverdeeling gewijzigd.
De wet van 31 Dec. 1903 S. 335 verlengde het octrooi voor een
volgende 15 jaar. Aan den staat werd een renteloos voorschot
van f 15,000,000.— toegekend, terwijl ‚het winstaandeel werd ver-
groot, in verband waarmede de bepalingen betreffende de winst—
verdeeling werden gewijzigd. Behalve met het kassiersschap van
de Rijkspos‘tspaarbank, zou de bank ook nog voor andere instel—
lingen met een zooidanige taak kunnen worden belast.
In verband met de intrekking der muntbilljetten werd haar ver-
gund bankbiljetten van f 10.— uit te geven, terwijl de bezoldiging
van den Kon. Commissaris ‚ten laste van den staat werd gebraoh’t.
Bij de WClt van 18 Juli 1904 S. 189 werd, met ingang van 1 Oct.
1904, aan de biljetten der bank, zoolang zij als oirculatiebank
werkzaam zou zijn, de hoedanigheid van ’w‘e‘t‘tllg betaalmiddel toe-
gekend, met uitzondering voor betalingen door de bank zelve
te doen.
Hier zij nog vermeld, dat de bank zich tegenover de regeening
heeft verbonden om, bij stijging der wisselkoersen op het buiten-
land boven de pariteit der goudwaand‘e, haren goudvoorraad, 200-
lang zij daartoe bij mac‘hte zal zijn, voor uitvoer beschikbaar te
blijven stellen op den voet van f 1653,44 per K.G. fijn voor
baren en tot hiermede overeenkomende prijzen voor gouden munt-
speciën. 1)
Bij het uitbreken van den oorlog 2) werd het octrooi gewijzigd
bij de wet van 3 Aug. 1914 S. 345 luidende:
1) Zie jaarverslag 1903/1904 pag. 18. Door het nitvoerverbod van goud
vervielen deze bepalingen.
‘ 2) Zie ook nog noot 2 op blz. 88.
90
WET van den 3den Augustus 1914,
tot wijziging van het octrooi der Neder-
landsche Bank.
WIJ WILHELMINA, ENZ.
Alzoo Wij in overweging genomen hebben, dat de hoogst buiten—
gewone omstandigheden, waar-onder het land verkeert, dringend
noodzakelijk maken wijziging te breng-en in de wet houdende
voorzieningen omtrent de Nederlandsche Bank;
Zoo is het, dat Wij, den Raad van State gehoord, en met ge-
meen ovenleg der Staten—Generaal, hebben goedgevonden en ver-
staan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze:
Artikel 1.
(1) In geval van oor-log of oorlogsgevaar kan — met afwijking
van art. 13 der wet van 22 December 1863 (Staatsblad No. 148),
gewijzigd en aangevuld bij de wet van ‘7 Augustus 1888 (Staats—
blad No. 122) en bij de wet van 31 December 1903 (Staatsblad
No. 335) —— bij algemeenen maatregel van bestuur de verplichting
der Nederlandsche Bank tot betaling harer biljetten worden opge-
schort.
(2) Een algemeene maatregel van bestuur, als bedoeld in het
eerste lid, bepaalt den termijn, gedurende welken ‘hij zal gelden.
Die termijn kan door Ons worden verlengd, zoo dikwijls dit, naar
On‘s oordeel, noodig is.
(3) De algemeene maatregel, bedoeld in het: eerste lid, wordt
ingetrokken, zoodra naar Ons oordeel de oorlog of het oorlogs—
gev>aar‚ op grond waarvan hij werd uitgevaardigd, geëindigd of
geweken is.
Artikel 2.
Met afwijking van het bepaalde in artikel 3d—er wet van
26 April 1852 (Staatsblad No. 92), gewijzigd bij de wet van 23 juni
1893 (Staatsblad No. 111), wordt de afkondiging van een alge—
meenen maatregel van bestuur, als bedoeld in het eerste lid van
artikel 1, gerekend in het geheele Koninkrijk bekend te zijn ter—
stond nadat die maatregel gelijktijdig in het Staatsblad en. in de
Staatscourant zal zijn geplaatst.
Artikel 3.
Deze wet :is verbindende terstond na ‘hare afkondiging.
Gegeven te ’s-Gravenhage, den 3den Augustus 1914.
WILHELMINA.
De Minister van Financiën,
BERTLING.
De Minister van Landbouw,
Nijverheid en Handel,
TREUB.
Uitgegeven den derden Augustus 1914.
De Minister van Justitie,
B. ORT.
91
Van deze bevoegdheid werd echter geen gebruik gemaakt.
Nadat overeenkomstig art. 2 het octrooi bij Besl. van 14 Febr.
1917 S. 216 was opgezegd, werd het bij de wet van 25 Juli 1918
S. 475 wederom voor 15 jaar verlengd.
Het winstaandeel van den. staa1t werd vender verhoogd. Er werd
bevoegdheid verleend om bijzondere reserves en een pensioenfonds
voor het personeel te vormen, terwijl de beperking op den aankoop
van bniton‘l-andsche wissels kwam te vervallen. Verder werd wijzi-
ging gebracht ‘in de bepalingen betreffende de directie en een
Commissie van advies lingeste‘ld, terwijl ook de winstverdeeling
wijziging onderging. Tevens werd de bevoegdheid toegekend om,
na Kon. machtiging, de houders w'lan bankbiljetten op te roepen
deze ‚ter betaling aan te bieden, ten einde oude series ‚te kunnen
intrekken. 1)
Bij KB. van 28 Sept. 1918 S. 553 werd de tekst der bankwet
opnieuw bekend gemaakt:
BEPALINGEN, waaronder de Neder-
landsche Bank krachtens de wetten van
22 December 1863 (Staatsblad No. 148),
van 7 Augustus 1888 (Staatsblad No.
‘122), van 31 December 1903 (Staats—
blad No. 335), van 3 Augustus 1914
(Staatsblad No. 345) en van 25 Juli 1918
(Staatsblad No. 475) gerechtigd is als
circulatlebank werkzaam te zijn.
Artikell 1.
(1) Geen circulatiebank kan worden opgericht en geen bu‘i‘ten—
landsche circulatiebank mag hare bankbiljetten hier te lande in
omloop brengen anders dan knachtens eene bijzondere wet en op
den voelt en de voorwaarden bij zoodanige wet ’te stellen.
(2) Onder c-ireulatiebank wordt verstaan elke in=niohting, be-
stemd om bankbiljetten. ulit te geven of in omloop ‘te brengen.
Artikel 2.
(1) Het tijdperk, waarvoor de Nederlandseh-e Banlk, krachtens
artikel 2 d‘er wet van 122 December 1863 (Staatsblad No. 148),
artikel 1 der wet van 7 Augustus 1888 (Staatsblad No. 122) en
artikel 1 der wet van 31 December 1903 (Staatsblad No.. 335), in
verband met Ons besluit van 14 Februari 1917 (Staatsblad No.
216), gerechtigd is om als -circulatiebank werkzaam te zijn, wordt,
‘) Zie KB. van 6 Dec. 1919 110. 55 voor biljetten eerder dan I Jan. 1890
uitgegeven ljaarverslag 1919/20 pag. 28). ’
92
te rekenen van den 3lsten Maart 1919, verlengd met vijftien jaren,
dus tot en met den 31sten Maart 1934, en wel onde; de bij die
wetten en bij de wet van 3 Augustus 1914 (Staatsblad No. 345)
gemaakte bepalingen, voorzoover daarvan bij deze wet niet wordt
afgeweken.
(2) ‘Dat tijdperk wordt geacht, telkens opnieuw met één jaar
verlengd te zijn, tenzij door Ons of door de Bank, door opzegging,
van ongeneigdheid tot die verlenging blijk zij gegeven; welke op-
zegging echter het recht om als oircwlatiebank werkzaam te zijn,
niet eerder kan doen eindigen dan na verloop van vijf jaren,
ingaande op den, na den dag der opzegging, eerst verschijnenden
eersten April.
Artikel 3.
De Neder‘landsche Bank is eene naamlooze vennootschap.
Artikel 4.
De inhoud dezer wet zal ten grondslag liggen aan de acte van
oprichting der Nederlandsohe Bank als naamlooze vennootschap.
Artikel 5.
(1) ‚De hoofdzetel der Nederlandsche Bank blijft te Amsterdam.
(2) Vóór of met 1 januari 1865 vestigt zij te Rotterdam eene
BÃjbank en elders agentschappen en correspondentschappen.
(3) In elke provincie zal minstens één agentschap zijn.
(4) Het aantal c0rrespondentschappen regelt zich naar de be-
staande behoeften.
(5) .-De inrichting en de werkkfling der Bijbank en der agent-
schappen worden aan Onze goedkeuring onderworpen.
Artikel 6.
(1) Het maatschappelijk kapitaal der Nederlandsche Bank be-
draagt twlintig millioen gulden, ten volle gestort.
(2) Het kan met toestemming van de Bank bij de wet worden
vergroot.
Artikel 7.
Alleen Nederlanders kunnen stemgerechtigde aandeelhouders
zijn.
Artikel 8.
(1) De Bank vormt een reservefonds, ten bedrage van een
vierde van haar maatschappelijk kapitaal.
(2) Het reservefonds is, behoudens het bepaalde bij het tweede
lid van art. 31, bestemd tot aanvulling van mogelijke verliezen op
het maatschappelijk kapitaal.
Artikel 9.
(1) Met goedkeuring van Onzen Minister van Financiën, is de
Bank bevoegd, bijzondere reserves te vormen.
(2) Telken jare wordt, bij het vaststellen van de balans, onder
93
goedkeuring van Onzen Minister van Financiën, beslist of de in
het vorig lid bedoelde reserves worden aangehouden dan wel ge-
heel of gedeeltelijk worden toegevoegd aan de winsten van het
afgesloten boekjaar.
Anitkel 10.
De Bank is bevoegd een pensioenfonds voor haar personeel te
vormen. De wijze, waarop het fonds wordt gevormd, de stortingen
in het fonds en de overigens met betrekking tot het fonds te stell-
1len regelen worden vastgesteld bij een reglement, hetwelk aan
Onze goedkeuring wordt oinderworpen.
Artikel I 1.
(I) [De werkkring der Bank omvat:
1°. het uitgeven van bankbiljetten en het afgeven van assigna-
tiën op fhare kantoren en van assignatiiën en chèques op hare
correspondenten ;
2°. het diconteeren- van: a. wisselbrieven, assìgnatiën en pro-
messen met1twee of meer so‘lidwi-r verbondenen en geen langeren
looptijd dan de gebruiken des handels medebrengen; 17. binnen zes
maanden afl-osbare schu‘ldbn‘ieven onder solidaire medeverb'intenis
van den discontant;
3°. het -koopen en verkoopen van telegrafisehe uitbetalingen,
ohèques, wisselbnieven en ander handelspapier, buitenslands be-
taatl‘baar;
4°. ‘het beleenen van effecten, goederen, cee‘len, munt, munt—
materiaal en waarden als bedoeld onder 2°. en 3°.; onder beleenen
‘is mede begrepen het geven van voorschot in r-ekenúngcourant op
onderpand van waarden, welke in beleening mogen genomen
worden;
5°. den ‘handel in edele metalen, het doen vermunten daarvan
en het essayeeren en aff»ineeren van ertsen en metalen;
6°. het houden van rekeningcourant voor hare rekeninghouders,
waaronder begrepen het uitvoeren van opdrachten tot overschrij-
ving (giro), lhet houden van verrekenlingen met of tusschen
anderen (dlearing) en het incasseeren ten behoeve van hare
rekeninghouders ;
7°. het in bewaring nemen van effecten, goederen, ceelen,
akten, kostbaarheden en andere voorwerpen van waarde, op de
voorwaarden, door de Bank (in het openbaar aan te kondigen.
(2) Met Onze goedkeuring, d-en Raad van State gehoord, kan
de Bank, in het algemeen belang, andere werkzaamheden ver-
richten dan de hlierboven onder 1°. tot en met 7°. genoemde. Onze
besluiten, houdende goed‘keu’ning .alls vorenbedoeld, worden in het
Staatsblad en ‘in de Staatscourant gepllaatst.
Artikel 12.
(1) De Bank verleent niemand eenig crediet of voorschot in
blanco; onder erediet of voorschot in blanco is niet begrepen het
94
toevertrouwen in haar eigen belang van gelden ‘of goederen aan
la‘smhebîbers, die niet bij haar \in vasten dienst zijn, of aan den Post-
cl1èque en Girodienst.
(2) Bij executie van goederen, effecten of ander onderpand,
aan de Bank tot zekerheid voor de nakomiimg van jegens haar aan—
gegane verplichtingen verstrekt, is zij bevoegd die goederen,
effecten of dat ander onderpand, geheel of gedeeltelijk, in te
koopen lt€T nadere tegeldemakrlng.
Artikel 13.
‚ (1) De Bank is bevoegd haar reservefonds en een vijfde deel
‚van haar maatschappelijk kapitaal te beleggen.
(2). Deze belegging gesc'hìÃedt volgens regelen, vastgesteld door
de gemeenschappelijke vergadering van directie en commissa-
rissen ‘der Bank. ’
Artikel 14.
(1) De Ne=denlandsche Bank blijft zich belasten met de koste-
looze bewaring der algemeene Rijkskas te Amsterdam.
(2) Zij belast zich evenzeer kosteloos met de waarneming der
functiên van Rijkskassier aldaar, alsmede te Rotterdam en in alle
plaatsen, waar zij agentschappen heeft of vestigt.
(3) Wegens een en ander is zij verantwoordelijk aan den
Minister van Financiën en rekenplichtig aan de A-lgemeene Reken-
kamer.
(4) Indien Onze Mi-mìster van Financiën diîtt noodig acht, belast
zij zich bovendien kosteloos met 'het kasstierschap van de Rijks—
postspaarbank en van andere bij de wet of door Om in het leven
geroepen instellingen, alsmede met de bewaring van alle gelds-
waanden van het Rijk en die linst-ellingen en van de door het Rijk
en die instellingen in pand genomen waarden.
Artikel I 5.
(1) De Nederlandsche Bank verleent kosteloos hare hulp en
medewerking tot de intrekking van de muntbiljetten.
(2) De wijze waarop zij de haar in dit en in het vorig artikel
opgelegde verplichflingen vervult, wordt door Ons, de Directie der
Bank gehoord, vastgesteld.
Artikel 16.
(1) Bij uitzondering op hetgeen bij het eerste lid van artikel 12
is bepaald, is de Bank verplicht aan den Staat, telkens wanneer de
Minister van Financiën dit tot tijdelijke vems‘terlding van ’s Rijks
Sohatkliist noodig ach‘t, voorschotten in rel<eningcourant te ver—
strekken, op voldoend onderpand van schatkistbiljetten, waarvan
de uitgifte of Ibeleenin‘g bij de wet zal zijn toegestaan.
(2) Deze voorschotten worden door de Bank renteloos ver-
strekt, dooh mogen tegelijkertijd gezamenlijk niet meer dan vijf-
tien millioen gulden bedragen.
95
(3) ‚De verplichting tot het verstrekken dier voorschotten
houdt op:
I. wanneer de Staat na I October 1904 besluiten modht munt-
papie-r uit te geven;
2. zoodra en voor zoolang als liet beschik-baar metaalsalldo der
Bank beneden tien millioen gulden is gedaald. Zij vervalt ‘in 200—
ver dit saldo door die voorschotten beneden dat bedrag dalen zou.
Artikel 17.
(I) De vorm en de hoegrootheid d’e-r uit te geven bankbiljetten
worden door de directie der Bank ter ‘kennliìs van ’het publiek
gebracht.
(2) Zij geeft geene biljetten uit tot een lager bedrag dan f 10.—
(t‘ien gulden).
Artikel 18.
(1) De biljetten ider Bank zijn dagelijks op vertoon betaalbaar
bij de Hoofdbank, ‚de Bijbank en de agentschappen, met uitzonde—
ring van de dagen, vermeld in artikel 154 van het Wetboek van
Koophandel.
(2) De betaling bij de agentschappen kan echter worden uitge-
steld, totdat speclie van de Hoofd-bank zal kunnen ontvangen zijn.
(‚3) De biljetten der Bank zijn vrijgesteld van het recht van
zegel.
Artikel 19.
(1) In geval van oorlog of oonlogsgevaar kan bij algemeenen
maatregel van bestuur de verplichting der Nedextl‘an‘cl’sche Bank tot
betaling harer b<Ìljette-n worden opgeschort. ’
(2) Een allgemeene maatregel van bestuur, als bedoeld in het
eerste lid, bepaalt den termijn, gedurende lvelken hij zal gelden. Die
termijn kan door Ons wonden verlengd, zoo dikwijls dit, naar Ons
oordeel, noodig is.
(3) De algemeene maatregel, bedoeld in het eerste lid, wordt
ingetrokken, zoodra naar Ons oordeel de oorlog of het: oorlogs-
gevaar, op grond waarvan hij werd uitgevaardigd, geëindigd of
geweken ‚is.
Antli‘kel 20.
Met afwijking van het bepaalde ‚in artikel 3 der wet van
26 April 1852 (Staatsblad No. 92), gewijzigd ’bij de wet. van
23 juni 1893 (Staatsblad No. 111), wordt de afkondiging van een
algeme-enen maatregel van bestuur, als bedoeld in het eerste lid
van artikel 19, gerekend in het geheele Koninkrijk bekend te zijn
terstond nadat die maat-regel gelijktijdig in het Staatsblad en in de
Staatscourant zal zijn geplaatst,
Artikel 21.
(1) De houder van een bankbiljet is bij uitsluiting gerechtiigd
om de uitbetaling der daarin wìtgedtrukte geldsom van de Bank te
vorderen.
96
(2) Wegens verlies of vernietiging van bankbiljetten behoeft
door de Bank geene vergoeding verleend te worden.
(3) Bij verdenking wegens misdrijf of op schriftelijk aan-zoek
der belanghebbenden, staat het der directie vrij qu-iteel‘ing en af—
t-eekening der biljetten te vorderen van hem, die ze ter inwisseling
aanbiedt.
(4) De bepalingen van artit. 227—4229 van het Wetboek van
Koophandel zijn niet van toepassing op bankbiljetten.
Artikel 22.
(1) De directie der Bank kan, na daartoe Onze machtiging te
hebben verkregen, houders van door haar uitgegeven biljetten
oproepen om dezen ter betaling aan te bieden. ‘)
(2) Wij stellen, bij het veil-eenen van die machtiging, de-n ter-
mijn vast, binnen welken de aanbieding moet geschied-en.
(3) De oproeping wordt tenminste éénmaal geplaatst in de
Nederlands’che Staatscourant.
(4) Na den in het tweede lid bedoelden termijn worden de, in
de oproeping vermelde, biljetten uitsluitend door het hoofdkantoor
der Bank uitbetaald. nadat bij onderzoek is gebleken, dat aan de
aanvrage tot uitbetaling moet gevolg worden gegeven.
(5) Tien jaren na meergenoemden’ termijn wordt ‘het’ bedrag der
opgeroepen doch niet opgekomen biljetten aan de winst van het
loopende boekjaar toegevoegd. De daarna nog opkomende bil-
jetten worden, na onderzoek als in het vorig lid bedoeld, betaald
ten laste van de winst- en verliesrekening.
(6) Indien de Bank, vóór het einde van het, lin het vonig lid
bedoelde, tijdvak van tien jaren, het recht mocht hebben verloren
om als circulatiebank werkzaam te zijn, wordt het in het vorig -lid
bedoelde bedrag tussohen den Staat en de Bank in dezelfde even-
redigheid verdeeld als zou geschied zijn indien dat bedrag ware
toegevoegd aan de winst van het laatste boekjaar, waarvoor de
Bank gerechtigd was als oirculatiebank werkzaam te zijn. De na
die verdeeling nog opkomende biljetten worden, na onderzoek als
in het vierde lid be‘d‘oeld, door den Staat betaald.
(7) Na verloop van dertig jaren sedert het einde van den in
het tweede lid bedoelden termijn, IllS het recht om uitbetaling van
de opgeroepen biljetten te vorderen, vervallen.
Artikel 23.
De verhouding, waarin het gezamenlijk bedrag van bankbil-
jetten, bankassignatìiën en rekening-courant saldo’s door munt of
muntmateriaal moet zijn gedekt, wordt bepaald bij Koninklijk be—
sluit, op voordracht van de directie der B-anlk te nemen. Dit besluit
wondt in het Staatsblad geplaatst, en, voor zooveel noodig, van
tijd tot tijd gewijzigd.
1) Zie K. B. van 6 Dec. 1919 no. 55: biljetten van vóór 1 jan. 1890.
97
Arlkel 24.
(I) De directie der Bank bestaat uit een president, een secre-
taris en tenminste twee directeuren.
(2) ‘De beslissing over liet aantal directeuren berust bij de ge-
meenschappelijke vergadering van directie en commissarissen.
Artikel 25.
(I) De president en de secretaris worden door Ons, telkens voor
zeven jaren, benoemd. In eene gemeenschappelijke vergadering
van de dlireclle ende commissarissen wordt voor elke benoeming
eene aanbevelingslijst van twee personen opgemaakt en Ons aan—
geboden, t-en einde daarop door ‘Ons zooveel acht kunne geslagen
worden, als Wij zullen vermeenen te behooren.
(2) De directeunrn worden, telkens voor den tijd van vijf jaren,
benoemd door de stemgereclhtigde aandeelhouders, uit eene voor—
dracht van drie p-ersonen, opgemaakt door de directie en de com—
missarissen in eene gemeenschappelijke vergadening.
3) Alle leden der directie zijn bij hunne aftreding terstond op-
nieuw benoembaar.
(4)»Op voorstel van. eene gemeenschappelijke vergadering der
dîreotlîe en commissarissen kan de president zoowel als de secre—
taris door Ons zin de waarneming zijner betrekking worden ge-
schorst of daaruit ontslagen. Ingeval eene schorsing wordt voor—
gesteld, geschiedt tevens een voorstel betreffende de tijdelijke
vervulling.
(5) Op gelijk voorstel kunnen ook de overige leden der directie,
door de stemgerechtigde aandeellhoulders worden ontslagen.
Artikel 26.
De gemeenschappelijke vergaderÃing van directe en commissa—
rissen kan plaatsv’ervamgernde directeuren benoemen voor den tijd
en onder de regelen en de voorwaarden, door die vergadering
bij de benoeming vast te stellen.
Artikel 27.
(1) Naast de directie is er eene commissie van advies, bestaande
uit vijf personen.
(2) De stemgerechtigde aandeelhouders kiezen de leden dezer
commissie uit eene voor-dacht van twee personen voor elke open-
gevallen plaats. De raad van commissarissen maakt deze voor—
dracht op. D-e leden der commissie hebben ieder z1'ltting gedurende
vijf' achtereenvolgende jaren; na afloop van dien termijn zijn zij
niet dadelijk herkiesbaar.
(3) Voor de eerste maal hebben de leden zitting onderscheiden-
lijk gedurende één, twee, drie, vieren vijf jaren. Zij zijn niet dade—
lijk herkiesbaar. Het ‚lot bepaalt het jaar, waarin deze leden
volgens rooster aftreden.
(4) Bij tussehentijdsche vacature benoemt de raad van commis-
sarissen tijdelijk een nieuw lid ter vervulling van deze vacature.
98
Het aldus benoemde lid heeft zitting tot de eerstvolgende, ge-
wone, algemeene vergadering van aandeelhouders, welke de be-
noeming all of niet bekrachtigen kan.
(5) Bij "tussc-hentijdsche vacature treedt de nieuw benoemde in
den duur van zitting van dengene, wiens plaats hij vervult.
(6) Leden der commissie mogen tevens ÃŽllid zijn van den raad
van commissarissen.
(7) De commissie vergadert op gezette tijden met de directie
en wordt door de directie gehoord omtrent belangrijke aange-
Iegenhelden, een en ander volgens een reglement, vastgesteld door
de gemeenschappelijke vergadering van directîie en commissanissen.
Dit reglement wordt aan Onze goedkeuriing onderworpen.
(8) Indien de directie meent te moeten afwijken van het gevoelen
der commissie omtrent de in het vorig lid‘ bedoelde, belangrijke
aangelegenheden, (doet zij daarvan onverwijld mededee‘l‘ing aan den
raad van commissarissen.
Artikel 28.
Er zijn minstens vijï¬Ã¹ien eomnnissanssen. Zij worden door de
stemgerechtigde aandeelhouders gekozen.
Artikel 29.
(1) Van Regeeringswege wordt toezicht op handelingen der
Bank uitgeoefend door een Koninklijken Commissaris, door Ons
te benoemen en te ontslaan.
(2) De Koninklijke Commissaris heeft het recht, alle vergade-
ringen van aandeelhouders en van commissarissen bij te wonen en
aldaar eene raadgevende stem uit te brengen.
(3) ‘De directie der Bank is gehouden, hem telkens op zijne aan-
vrage al die inlichtingen te verstrekken, welke hij tot behoonlijke
uitoefening van zijn toezÃi’cht noodg acht.
(4) De verdere instructie van den Koninklijken Commissaris
wordt door Ons bij besluit vastgesteld.
(5) Zijne bezoldiging komt ‘ten laste van den Staat.
Antiikel 30.
De directie der Nedenlanlsche Bank doet eenmaal ’s’w‘eeks, door
plaatsing in de Nederlandsche Staatscourant, mededeeling van
eene verkortte balans ‘in een door Ons goed te keuren vorm.
Artikel 31.
(1) De winsten der Bank blijven ten beloope van drie en een
half percent van het maatschappelijk kapitaal uitsluitend ten haren
voordeele‚
(2) Mochten de winsten in eenig jaar minder dan drie en een
half percent van dat kapitaal bedragen, dan wordt hetgeen er aan
ontbreekt uit het reservefonds aangevuld, mits dit fonds niet be-
neden vijftien percent van het maatschappelijk kapitaal dale.
(3) Bedragen l e winsten meer dan drie en een hallf percent van
het maatschappelijk kapitaal, dan gaat van dit meerdere eerst
‘99
tien percent in het reservefonds, totdat dit het bij art. 8 bepaalde
bedrag heeft bereikt. Van het overschot wordt 3 pot. als tantièmes
aan directie, commissie van advies en commissarissen uitgekeerd.
Indien de directie bestaat uit meer dan vier loden, bedraagt de
zooeven bedoelde uitkeering 3‘/2 pot. van het overschot. Het
meerdere wordt voor'een vierde door de Bank en voor drie vier-
den door den Staat genoten totdat het wlinstaandeel der Bank,
behalve de vereischteì aanvulling van het reservefonds, en de uit-
gekeerde tantièmes, zeven ten honderd van het maatschappelijk
kapl’ltaal bedraagt. Van de dan nog overblijvende winst ontvangt
de Bank een achtste en de Staat zeven achtsten.
(4) Als grondslag voor de verdeeling (der winsten strekt de
jaaï¬lijksehe balans der Bank, zooals die door hare commissarissen
is vastgesteld, voor zoover zij in overee‘nstemmling is met de be-
palingen ‘der wet en van de statuten der Bank.
(5) Geschillen over de vraag, of de balans met die bepalingen-
in overeenstemming is, worden door dr‘ie scheidsliede‘n in het
hoogste ressort beslist. Van die scheidslieden wordt één door den
Minister van Financiën en één door de directie ‚der Bank gekozen
en de derde door de Recht-bank te Amsterdam benoemd. Aandeel—
houders der Bank kunnen daartoe niet gekozen of benoemd
worden.
(6) Het aandeel van den Staat in de winsten der Bank vervalt:
1". wanneer aan een ander dan de Nederlandsche Bank mocht
worden toegestaan bankbiljetten dit te geven en in omloop te
brengen;
2°. wanneer de Staat ‚na I October 1904 besluiten mocht munt-
papier uit te geven.
Artikel 32.
De rente, verkregen uit de in artikel 13 bedoelde belegging,
wordt onder de winsten der Bank opgenomen. Vóór— of achter—
uitgang van de waarde der door die belegging verkregen bezit-
tingen wordt ten bate of ten laste van het reservefonds gebracht.
OvergangsbePalÃngcn.
Antikel 33.
Indien het verplichte res‘ervefonds der Ba‘nk bij het einde van
het tijdperk, waarvoor artikel 2 dezer wet de Bank het recht geeft
als circulatiebank werkzaam te zijn, blijken mocht meer te be-
dragen dan op den 3Isten Maart 1889, volgens de balans over het
boekjaar 1888/89, en dat tijdperk niet weder wordt verlengd, komt
dat meerdere voor de helft ten voordeele van den Staat en blijft
lust voor de wederhelft ten bate van de ‘bank.
Artikel 34.
(1) Indien bij liet einde van het, in het vorig artikel bedoelde,
tijdperk, niet opnieuw aan de bank het recht wordt verleend als
circulatieba-nk werkzaam te zijn, vindt eene nadere waardeschalt-
10î)
ting plaats van de onroerende goederen en ‚het kantoormeubilair
der Bank. Deze schatting geschiedt door drie deskundigen, van
wie een door Onzen Minister van Financiën, één’door de directie
der Bank en één door de rechtbank te Amsterdam wordt benoemd.
(2) Een voordeelig of een nadeelig verschtitl 1tusschen de uit-
komst der îltl heli vonig lid bedoelde schalt‘ti‘ng en de balanswaarde
wordt gebracht (ten ‘bate of ‘ten laste van de winst- en verlies-
nekening over het laatste boekjaar, waarvoor de Bank gerechtigd
is als circulatiebank werkzaam te zijn.
Slotbepalingen.
Artikel 35.
De statuten van de Bank worden, behoudens Onze goedkeuring.
met de bepalingen dezer wet in overeenstemming gebracht.
Artikel 36.
Het geheel der bovenstaande bepalingen kan worden aangehaald
als „Bankwet 1919â€, met bijvoeging van jaargang en nummer van
het Staatsblad, waarin Ons besluit is geplaatst.
. Artikel 37.
Deze wet treedt in werking met den eersten April 1919.
Behoort bij Koninklijk besluit van 28 September 1918 (Staats-
blad No. 553).
Mij ‘bekend,
De Minister van Financiën,
DE VRIES.
‘De statuten, als grondslag waarvan de bankwe‘t van 1863 heeft
gediend, luiden na de telkens aangebracht-e ‘w‘ijzlitgtigen, als volgt:
STATUTEN
VAN
DE NEDERLANDSCHE BANK.
Goedgekeurd bij Koninklijk Besluit van 3 Maart 1864, No. 56; gewijzigd bij
Kon. Besluiten van 3! December 1887, No. 34; van 27 December 1888,
No. 20; van 5 Maart 1904, No. 7 en van 6 Maart 1919, No. 86.
Naam, Dnm’, Zetel. Kapitaal.
Artikel I.
(1) De vennootschap draagt den naam: De Nedenlandsche
Bank. Zij is een naamlooze vennootschap, opgericht overeenkom—
stig de bepalingen van de Nederlandsche wetgeving. De termijn,
waarvoor zij lÑS aangegaan, wordt verlengd tot het einde van een
tijdvak van 75 jaren, ingaande I April 1919.
(2) De Nederlandsche Bank wordt in de volgende arflikelen bij
verkorting genoemd de Bank.
101
Artikel 2.
De volgende artikelen van deze statuten zijn vastgesteld en
worden ten uitvoer gelegd met inachtneming van de wettelijke
bepalingen, welke omtrent versclnilìle‘nde onderwerpen, den werk—
kring en de inrichting der Bank betreffende, zijn vastgesteld bij
de Bankwe-t 1919 (Staatsblad 1918, No. 553).
Artikel 3.
(‘I) ‚De hoofdzetel der Bank is te Amsterdam. Te Rottìterdam is
eene Bijbank en elldetr-s zijn Agentschappen en Correspondent-
schappen gevestigd.
(2) In elke provincie zal ten mÊn-ste één Agentschap zijn.
(3) Het aanrtall Oorrespondenttsohappm wordt geregeld naar de
bestaande behoeflten.
(4) Het reglement betreffende de ‘inrüchrtinig en den werkkning
der Bijban=k en der Agentschappen wortdlt aan de goedkeuring des
Koni‘n gs onderworpen.
Artikell ‘4.
Het maatschappelijk kapitaaÃl bedraagt f 20,000,000.— ten v.0ùle
gestort. Het is verdeeld. ‚in twintig duizend aandeeten, e‘1k groot
duizend gulden, en bij de eerste uitgifte, diooh flater niet meer,
splitsbaar in halve, vierde en achtste aandeelen. Het kapitaal kan
ingevolge een daartoe strekkende we’rt met toestemming der Alge-
meene Vergadering van Aandeelhoudens worden vergroot.
Artikel 5.
De Bank vormt een r’eservefonds ‘te‘n. bednage van een vierde
van ‘haar maatschappeÃlijk kapitaal.
Artikel 6.
(I) Met goedkeuring van den Minister van Fina'nciën, is de
Bank bevoegd, bijzonldere reserves te vormen.
(2) Telken jare wordt, bij !het vaststellen van de balans, onder
goedkeuring van den ‘Minister van Financiën, beslist of de in het
vonig lid bedoelde reserves worden aangehouden dan wel geheel
of gedeeltelijk worden toegevoegd aan de winsten van het afge—
sloten bookj aar.
Artike'l 7.
De Bank is bevoegd een p‘un-sioenfond-s voor haar personeel te
vormen. De wijze, waarop het fonds wordt gevormd, de Stortingen
in het fonds en de overigen-s met betrekking ltot het fonds te
stellÃlen regelen, worden vastgesteld bij een reglement, ìh‘etweìlk
aan de goedkeuring des »Konï¬ngs wordt onderworpen.
Artikel 8.
(1) Alle aandeel-en in de Bank staan op naam en zijn‘door—
loopend genummerd. De daarvan af te geven bewijzen zijn door
den President, twee Direoteuren en den Secretaris onderteekend,
en voorzien van uitdeelingsbewijzen en talon.
102
(2) ‘De .houder van een daarvoor toereikend getal onderdeelen
van aandeelen kan in de plaats daarvan een geheel aandeel ver-
krijgen. Het nieuwe bewijs vermeldt de nommers en onderdeelen
van 110mmers der bewijzen, die het vervangt.
Artikel 9.
(1) Eigendomsovergang van aande-elen heeft plaats ten aandien
der Bank door overschrijving in het register van aandeelen te
Amsterdam.
(2) Van dit register berust een dubbel bij de Bijbank.
(3) De overschrijving geschiedt bij eigendomsoverdracht onder
de leven-den op een daartoe strekkenld schriftelijk verzoek van den
vennoot en dan verkrijger; bij eigendomsovergang door versterf
na voldoend bewijs van het recht des verkrijge’rs. Bij verandering
van staat van den vennoot, bij verpand-ing, vruchtgebruik of onder
bewindstelli-ng heeft daarvan aanteekening plaats in het register,
op een daartoe strekkend schriftelijk verzoek van den belang-
hebbende met overlegging der bewijsstukken.
(4) Geene overschrijving van aandeelen, noch aanteekening in
hart register heeft plaats, alvorens de bewijzen van aa‘r.deel bij de
Directie zijn ingeleverd, ten einde een en ander daarop te ver-
melden.
(5) ‚De ‘D‘ireoh’ie heeft de bevoegdheid overschrijving of aan—
teeken‘ing te weigeren, wanneer de noodli’ge bescheiden ontbreken
of onvoldoende zijn, en is in geen geval voor de geldigheid der
gedane overschrijving of aanteeken‘ing aansprakelijk.
(6)1De Directie heeft de bevoegdheid om van Iden dag af,
waarop de gewone en buitengewone algemeene vergaderingen van
aandeelhouders zijn ’bij'een—g‘ehoepen, tot en met den dag na die
vergaderingen, het register van aandeelen voor overschrijving on-
toegankelijk te verklaren.
(7) Voor elke overschrijving of aanteek-ening wordt één per
‘mÎll’l-e betaald van het nominaal bedrag.
(8) Nadere bepalingen omtrent de inrichting van ‚het register
en de overschrijving der aandeelen wordenV voor zoovîe-el noodig.
bij een afzonderlijk reglement gemaakt.
Artikel 10.
(1) Het stemrecht in de Bank wordt uitgeoefend door aandeel-
houders, die Nederlanders zijn. Een tot en met vijf aandeelen geven
recht op één stem, zes tot en met tien aandeelen op twee stem-
men, elf tot en met twintig aandeelen op drie stemmen, éénen—
twintig tot en met dertig aandeelen op vier stemmen, één-en—
dertig tot en met veer-tig aandeelen op vijf stemmen, éénenveertig
aandeelen en daarboven op zes stemmen.
(2) Ten aanzien van het stemrecht wordt elk bedrag van
duizend golden aan onderaandeelen gelijk gesteld met een geheel
aandeel.
103
(3) Gehuwde mannen kunnen opkomen voor hunne vrouwen,
vaders en voogden voor minderjarigen, cunators en bewindvoer-
‚ders voor de aan ‘hunn‘e zorgen toevertrouwde personen en boedels,
en voor rechtspersonen het daartoe aangewezen lllid van het Bestuur.
(4) Het stemrecht kan ook door lasthebbers worden uitge-
oefend die, met inachltnemìng van artikel] 54 van ‚het Wetboek van
Koophandel, zelve themgenechtiigde aandeelhouders zijn en ‘ha‘nde-
len krachttens schriftelijke volmacht, ‘w‘ellke ten minste vijf dagen
vóór de vergadering bij de Hoofdbank, de Bijbank of een der
Agentschappen moet worden ingeteverd.
(5) Niemand kan echter, hetzij voor zich of voor anderen, of
ook voor zich en anderen gezamenlijk, meer dan zes stemmen wit-
brengen.
Werkkring dcr Ba,nk.
Artikel II.
(1) De werkkring der Bank omvat:
1°. Het uitgeven van bankbiljetten en het afgeven van assig-
natiën op hare kantoren en van assignatiën en chèques op hare
Correspondenten;
2‚'“. het dlisconlteeren van: a. wisseli‘brîieven, assigna)ijiën en pro-
messen ‚met twee of meer solidair verbondenen en geen langeren
looptijd dan de gebruiken des handels medebrengen; b. binnen zes
maanden aflosbare sehutdbriev:en onder soüidarire medeverbintenis
van den IdÃsconftanlt;
3°. het koope-n en verkoopen van ‘t‘eiegraflische uitbetalingen,
ohèques, wjisselbrieven en ander handelspapier, buitenlands be—
taallbaar;
4". het beleenen van effecten, goederen, ceelen, munt, munt-
mateniaall en waarden als bedoeld onder 2° en 3°; onder beleenen
is mede begrepen het geven van voorschot in rekening—courant
op onderpand van wtaarden, welke in beleening mogen genomen
worden; ‘
5°. Iden fl1andefl in edele metalen, het doen vermunten daarvan
en het essayeeren en afï¬Ã®rfleeren van ertsen en methaden;
6°. het houden van rekening-courant voor hare rekeninghouders
waaronder begrepen het uitvoeren van opdrachten tot overschrij—
ving (gino), het houden van ve’rreke—niingen met of tusschen
anderen (cl=earing) en (helt incasseeren ten behoeve van hare
rekeninghouders ;
7°. het in bewaring nemen van effecten, goeder-en, cee‘len,
akten, kostbaarheden en andere voorwerpen van waarde, op de
voorwaanden door de Bank in het openbaar aan te kondigen.
(2) .Met goedkeuring des Konings, den Raad van State gehoord,
kan de Bank, in het algemeen belang, andere werkzaamheden ver—
richten dan de hierboven onder 1“ tot en met 7° genoemde. De
Koninklijke besluiten, hould‘ende goedkeuring al‘ns vonenbedoeld,
worden in [het Staatsblad en in de Staatscourant geplaatst.
104
Artikel 12.
(I) De Bank verleent niemand eenig credie‘t of voorschot in
blanco; onder credieìt of voorschot in blanco is niet begrepen het
toeweï¬trouwen iin haar eligen belang van gelden of goederen aan
lasthebbers, die niet bij haar in vasten dienst zijn, of aan d‘ï¬ln Post—
Ohèque- en Ginodlienstt.
(2) Bij execuitiie van goederen, effecten of ander onderpand aan
de Bank tot zekerheid voor de nakoming van jegens haar aange-
gane verpliioh‘tï¬ngen verstrekt, is zij bevoegd de goederen, effecten
of dat ander onderpand geheel of gedeelteilijk in ‘te koopen ter
nadere tegeldemaking.
Anùikel 13.
(1) De' Bank is bevoegd haar r-eservefonds en een vijfde deel
van haar maalùschappellijk kapütaa’l te ‘bîîileggen.
(2) Deze belegging geschied-t volgens regelen, vastgesteld door
de gemeensdha-ppellijke vergadering van Directie en Cormnlissa-
rissen der Bank.
Artikel 14.
Omtre!nt alle verniehtinge der Bank met personen of vennoot-
schappen wordt, voor zooveell noodigI stipte geheimhouding door
het 'l)©äül.llltf der Bank ‘en‘ zijne onderhoorigen bewaard.
Bestuur dcr Bank.
Arniìkiel 15.
(1) De Directie! der Ban-k bestaalt uit een President, een Secre-
ta;ris en ten nflnslte twee ‘Diu‘eûteuren. -
(2) De beslissing over het aantal Directeuren berust bij de ge—
meenschappelijke vergadering van Directie en Commissarissen.
Artikel 16.
(I) De Pnesi-dent en de Secretaris worden door den Kogning,
telkens voor zeven jaren. benoemd. In een gemeenschappelijke
vergaderìitng van de ‘Direotúe en die Commissarissen wordt voor
elke benoeming een aan‘beveil’ings‘lijst van twee personen opg —
maakt en den Koning aangeboden, ten einde daarop door Hem
zooveeìl acht kunne geslagen wordm, als Hij za(l vermeenen te
behooren.
(2) De Directeuren worden, telkens voor den tijd van vijf jaren.
benoemd door stemgereohlbigde aandeelhouders, uit een voordracht
van drie personen, opgemaakt door de Directie en Commissa—
rissen in een gemeenschappelijke vergadering.
(3) Allll|€l leden der Directie zijn bij hnnne aftred‘ing terstond
opnieuw benoembaar.
(4) Op v00r5lte!l van een gemeenschappeiijke vergadermg van
Direotie en Commissarissen kan de President zoowel als de Secre—
taris door den Koning in de waarneming zijner betrekking worden
geschorst, of daaruiilt ontslagen. Ingeval een schorsing wordt
105
voorgesteld, ge-sc‘hield‘t (tevens een voorstel betreffende de tijdelijke
vervull‘lirng.
(5) Op gelijk voorstel kunnen ook’de overige leden der Directie
door de Slte1ngerechxhigde aandeelhouders worden geschorst of
ontslagen.
Artikel 17.
(1) Tot leden der Directie, voor zoover zij door stemgerechtigde
aandeelhouders benbemd worden, zijn ‘alllleen =ben»oembaar Neder-
landers, ‚’in het volle ‘g-en‘0‘t hunner burgerlijke rechlten.
(2) De leden der Dliredtie moeten bij de aanvaardllng hunner
betrekking op het register der Bank bekend staan ‚alle eigenaars,
ieder van vijf geh‘ceìle‘ aandeede-n, die gedurende den tijd hunner
functiën niet van hunnen naam mogen worden afgeschreven.
(3) Zij hebben hunne woonplaats te Amsterdam. Op voorstel
der Directie kan de Raad van Commissarissen van deze verplich—
t|ÃŽng ontheffing verleenen.
Artikel 18.
De vaste tractemenlten van de leden d-er Directie worden onder
goedkeuring de-s Konings vastgesteld door den Raad van Commis-
sanissen.
Antrikell 19.
De Directie vertegenwoondlig‘t de vennootschap in ‚en buiten
rechte. Zij is belast met hî|t beheer van de eigendommen der Bank
en met het beelüuur van alle werkzaamheden der Bank. Zij is ‚tot
alle handelingen, daarvoor noodlig bevoegd, voor zoover die be—
voegdheid bij deze Sltaltulten niet beperkt ‘is.
Artikel 20.
(1) Alle ak‘ten en ve=rbüntenissen worden namens de Directie
door den President en :den Secretaris onderteekend.
(2) De 1DireotÃe is echter bevoegd om voor bijzondere onder-
werpen de =onderteeken‘ing aan den Secretaris al‘lle’eìn of aan een
of meer daartoe bepaald aan te wijzen beambten op te dragen.
Artikel 21.
Bij omtsstentenás, ziekte of verhindering van den President
worden diens functiën waargenomen door (den oudstte lin diensttijd
der aanwezige Directeuren. Bij ontstentenis, zieklte of verh1innde—
ring van den Secretaris worden diens fu.nctiën waargenomen door
den, daartoe door de Diredti-e aangewezen Direciteur.
Artikel 22.
(I) De gemeenschappelijke vergadening van Directie en Com-
missarissen kan plaatsvervangende Directeuren benoemen. voor
den tijd, en onder de regelen en de voorwaarden door dlÌe verga—
dering bij de benoeming vast te stellen.
’ (2) Art. 17, lid 2 en 3 en artikel 18 zijn op hen niet toepasselijk.
106
Artikel 23.
‘Het Bestuur der .Bijbank, de Agenten, de Correspondenlten en
alle beambten der Bank worden door de ;Dlireotie aangesteld en
ontslagen.
Artikel 24.
De orde en wijze van uitoefening van de werkzaamheden der
Directie in het bijzonder van dlle, welke beitrekloing hebben op de
bewaring en de constrôle der onderscheidene waarden bij de Bank
berustende, worden bij huishoudelijk reglement vast-gesteld.
Arrtlikel 25.
1) Naast de Directie is er eene commissie van advies, bestaande
uit vijf personen.
(2) De stemgerechtigde aandeelhouder-s kiezen de leden dezer
commissie uit eene voordrachlt van twee personen voor elke open-
gevallen pl‘aait’s. De Raad van ‘Co’m’miîssa‘ilissen maakt: deze voor-
dracht op. ‘De leden der commissie hebben ieder zitting gedurende
-vijf achtereenvolgende jaren; na afloop van dien termijn zijn zij
niet dadelijk henkiesbaar.
(3) Voor de eerste maal hebben de leden z‘i‘titi‘ng onderscheiden—
lijk gedurende één, twee, dnie, vlier en vijf jaren. Zij zijn niet
dadelijk herkiesbaar. Het lot bepaalt het jaar, waarin deze leden
volgens rooster aftreden.
(4) Bij tusschenrtijdsche vacature benoemt de Raad van Com—
missarissen tijdelijk een nieuw ‘lid lt-er vervulling van deze vacature.
Het aldus benoemlde lid heeft zîlttúng tot de eerstvolgende, gewone‚
algemeene vergaderiing van aandeelhouders, welke de benoeming
al of niet bekrachtigen kan.
(5) Bij tusschentijdsohe vacature treedt de nieuw benoemde in
den duur van zitting van dengene, wliens plaats hij vervuüt.
(6) Leden Ider commissie mogen tevems ‘lid zijn van den Raad
van Commissadissen.
(7) ‘De Commissie vergadert op gezette tijden met de Directie
en wordt door de Direotlie gehoord omtrent belangrijke aange-
legenheden, een en ander volgens een reglement, vastgesteld door
de gemeenschappelijke v-erga‘dening van Directie en Commissa—
rissen. D‘1i‘t reglement wordt aan de go‘ed‘keuring des Konings
onderworpen.
(8) Indien de Directie meent te moeiten afwijken van het ge-
voelen der commissie omtrent de ï¬n het vorig lid bedoelde, belang—
rijke aangelegenheden, doet zij daarvan onverwijld med-edeeling
aan den Raad’ van Commissarissen.
(9) De vaste tractementen van de leden dezer commissie worden
onder goedkeuring des Konings vastgesteld door den Raad van
Co-mmiì-sisarliìssen.
Commissarissen en Koninklijke Commiss‘arÃs.
A1*tikel 26.
(1) De Raad van Commîssarissen, belast met het toezicht op
107
het beheer der Bank, bestaalt uit ten minste vijftien Commissarissen.
(2) ‘De rleden van dien Raad worden voor vijf jaren door de
vergadering van stemgereoht-igde aandedlhoudlers gekozen.
(3) Jaarlijks itreeÃdlt een vijfde van hen met I juilli af. De aftre-
dend‘en zijn terstond weder verkiesbaar. Bij vervulling in een
tusschentijdsch-e vacahu.re komlt de mi‘eu‘w‘beînoem‘de, wat den duur
van zijn mandaat beltreft, in de plaats van zijn voorganger.
Artikel 27. .
Ieder aandeelhouder, m'1lts Nedenlander, in ‚het volle genot
zijner burgerlijlke rechten en ‚op het register ider Bank bekend
staan-de als eigenaar van ‘ten‘ minste één geheel aandeel, ‘i‘s tot
Commissaris verkie's‘baar.
Artikel 28.
(I)’ Het toezicht op het beheer der Bank en het opnemen der
jaarlijzksche rekening ‘is aan den Raad- van Commisarissen opge—
dragen. De Raad vergadert lte Amsterdam, zoo dikwijls de Presi-
denlt dier Bank, ‘of de door den Raad uit zijn midden ben!oemde
voorzii-‘Üter, zulks noodig oordeeflt. Vergaderd zijnde, hetzij in Rade.
hetzij in eene door den Raad ingestelde Comnriss‘ie, hebben Com-
missarissen het recht, telkens wanneer zij dit geraden oordeelen,
van de Directie inllidhtùingen en open‘leggng valn a‘lll‘e bescheiden.
de Bank betreffende, te vragen, en zoodanige opmerkingen te
maken als zij doell‘ma‘tlig achtten.
(2) Op verzoek van vijf Commissarissen is de President—
Commissanìs gehouden eene vergadering van Commissanissen uit
te schrijven.
(3) De Raad van Commissarissen kan den President der Bank.
één of meer der andere leden van de Directie, of één of meer
leden van de Commissie van Avdiies uitnoodigen zijne vergadering
bij te wonen.
Artikel 29.
‘De orde en de wijze van uitoefening van de werkzaamheden
van den Raad van -Commissaï¬issen worden bij huishoudelijk
reglement vastgesteld.
Artikel 30.
Behalve vergoeding van reis- en verblijfkosten genieten Com-
missanisse=n gezamienlijk jaanlijks een vaste som, welke door de
vergadering van aandeelhouders zal worden vastgesteld, benevens
een bij artikel 41 bepaald gedeelte der z‘uiivere winst, waarvan de
algemeene regelen van verdeeling bij reglement, door den Raad
van Commissarissen op te maken, zullen worden vastgesteld.
Artikel 31.
(1) Van regeeringswege wordt toezicht op de handelingen der
Bank uitgeoefend door een Koninklijken Commi5saris, door den
Koning te benoemen en -te ontslaan.
(2) De Koninklijke Commissaris heeft het recht alle ver-gade-
108
ringen van aandeelhouders en van Commissarissen bij te wonen,
en aldaar een raadgevende stem uit te brengen.
(3) De Directie |Cll€f Bamik is gehouden hem telkens op zijre
aanvrage al die inlichtingen te verstrekken, welke hij tot behoor—
lijke uitoefening van zijn moezidh’t noodig acht. Hij heeft ook het
recht de vergaderingen bij te wonen van de Commissie uit de
Commissarissen, aan welke het voorbereidend onderzoek der jaar—
lijksche balans wordt opgedragen en tot het nemen van inzage
van ‚alle bescheiden, die door de Directie tot dat einde aan Com—
missarissen worden voorgelegd.
(4) ‚De instructie van den Koninklijken Commissaris wordt door
den Koning ‘bij besluit vastgesteld.
(5) Zijne bezoldiging komt ten laste van den Staat.
Gemeenschaï¬elijke Vergadering van de Directie en
van de Commissarisscn.
Artikel 32.
(1) De President der Bank kan te allen tijde een gemeen-
schappelijke vergadering van de Directie en van de Commisarissen,
tem einde daarin ‘aìl‘le zoodanige voorste'llen en punten, het beheer
der Bank niet betreffende, in overweging [te brengen, als hij in
het belang der Bank dienstig zal oordeelen.
(2) Een gemeenschappelijke vergadering ‘t0—t beslissing over een
voorstel betreffende schorsing of ontslag van den Pres1dent der
Bank wordt bijeengeroepen door den oudste in diensttijd der aan-
wezige dìirec‘teurem, die in deze vergadering ook het voorzitter-
schap bekleedt.
(3) De Koninklijke Commissaris heeft het recht de gemeen*
schappelijke vergaderingen bij ‘te wonen, en aldaar eene raad—
gevende stem uit te brengen.
Artikel 33.
(1) Behoudens het bepaalde in het tweede =1id van artikel 32,
beldleedt de President der Bank het voorzitterschap dier vergade—
ring. De functiën van Secretaris worden door den Se‘cretaris der
Bank waargenomen.
(2) De gemeenschappelijke vergadering stelt haar ‘hwishoudelijk
reglement van orde vast. Hare besluiten worden door den Presi—
dent en den Secretaris onderteekend.
Artikel 34.
(1) Onverminderd het bepaalde bij artikel 32, bestaan de werk—
zaamheden der gemeenschappelijke vergadering in:
I". Het opmaken ‚der aanbwolingslijst en der voordracht voor
de keuze van de leden der Directie.
2°. Het vaststellen van de aan ’s-Konún-gs goedkeuring te onder-
werpen reglementeu1 en van ‘ ‘e reglementen genoemd in de artike—
len 9, 24, 29 en 33. De laatstgenoemde reglementen worden bij
afschrift aan den Minister van Financiën med‘e‘ge‘deeìl‘d.
109
3°. Het besluiten tot vestiging of opheffing van Agentschappen.
4“. Het vaststellen der bezoldiging van het Bestuur der Bijbank
en van de Agen'ùen.
5“. Het vaststellen. van de ‘algemeene regelen voor de wijze van
belegging valn het; rese.rveï¬onds en van een vijfde gedeelte van
het kapitaal.
6". Het besluiten tot bijeenroepinlg ecner buitengewone alge—
meene vergadering van aandeellhouders. ‘
7°. Het vaststellen der wijze van vereffening bij ontbinding de
vennootschap. ’
Algemeene V ergaderÃng van Aandeelhouders.
Artikel 35.
De alg-emeene vergadering van aandeelhouders wordt gehouden
te Amsterdam, onder voorzitterschap van den President der Bank.
Artikel 36.
(I) De gewone algemeene vergadering wordt bijeengeroepen
minstens veenùien dagen te voren door aankondiging in de N eder-
landsche Staatscourant en andere door de Directie aan te wijzen
dagbladen. De punten waarover zal worden gehandeld, worden bij
de Hoofdbank, de Bijbank en die Agentschappen ter inzage gelegd.
(2) Van het verhandeìlde wordt aan'teeke-ning gehouden door
den Secretanis der Bank. '
(3) Deze aanteekeningen worden door onder-teekening van den
President, drie lleden der vergadering en den Secretanis he—
krachtigd.
(4) Behoudens de uitgezondende gevallen beslist de vergade—
ring al’l-e onderwerpen bij meerderheìd van stemmen der stemge—
rechtigde aandeelhouders. Bij staking van stemmen wordt het
voorstel als verworpen beschouwd, Bij keuze van personen wordt
bij gesloten briefjes en bij vols'trelk'te meerderheid gestemd.
(5) Wanneer na twee vrije stemmingen niemand de volstrekte
meerderheid verkrijgt, wordt bij eenvoudige meerderheid gekozen
tusschen de personen, die de meeste stemmen op zich hebben ver-
eenigd. Bij staking der stemmen beslist het lot.
Artikel 37.
(1) De gewone algemeene vergadering wordt jaarlijks gehouden
uiterlijk op den eersten Juli, ten einde:
1°. Aan te hooren het verslag door den President te doen van
hetgeen in ‚het afgeltoopen boekjaar ‚is voorgevall‘len, en van de
winsten en verliezen der vennootschap, alsmede het vaststellen der
uútdeeling aan de aandeelhouders.
2". te voorzien in de vacatures in de Directie, den Raad van
Commissanissen, en de Commissie van Advies, en eventueel te
bekrachtigen het mandaat van een lid van de Commissie van
Advies, dat in de inmiddels ontstane vacature tijdelijk door den
Raad van Commissarissen zal zijn benoemd.
110
3â€. te beraadslagen en te beslissen over de aan de orde zijnde
voorstellen.
(2) Alle voorstellen’ van stemgerechtigde aandeelhouders moeten
vóór primo April schriftelijk en door vijf hunner onderteekend,
aan de ‘Directie zijn medegedeeld, ten einde door deze, kor‘telijk,
onder de punten ‚ter behandeling te worden opgenomen.
Artikel 38.
(1) Buitengewone vergaderingen van aandeelhouders worden
bijeengeroepen :
1°. Qp een besluit der gemeenschappelijke vergadering van de
Directie en de Commissarissen.
2“. Op een schriftelijk verzoek van ten minste twintig stemge-
rechtigde aandeelhouders, tezamen vijftig stemmen uitbrengende,
waarin het voorstel wordt medegedeeld.
(2) Mocht de Directie binnen één maand na de indiellling van dit
verzoek niet tot bijeenroeping der vergadering zijn overgegaan,
dan zijn de verzoekers zelve daarth bevoegd.
(3) De regels van bijeennoepin-g ‚en van beraadslaging, voor de
gewone vergaderingen vastgesteld, gelden overigens ook voor de
buitengewone.
Artikel 39.
Gee;ne andere voorstellen komen in behandeling dan die door de
Directie voor de aandeelhouders ter inzage zijn gelegd.
Balans en Reserve.
Artikel 40.
(1) Met den laatsten dag van de maand Maart van ieder jaar
worden de boeken der Bank afgesloten, en wordt daaruit een
balans opgemaakt, welke zoo spoedig moge-lijk met de bescheiden
aan Commissarissen wordt voorgelegd.
(2) Deze zullen de balans binnen één maand na de voorlegging
door de ‚Directie onderzoeken en schriftelijk van hunne goed- of
afkeuring doen blijken.
(3) Bij afkeuring worden de bestaande bedenkingen ter kennisse
van “e ‘Dir‘ecti‘e gebracht, en 200 ze in der minne niet worden
opgelost, beslist daaromtrent eene commissie van vijf stemgerech-
tigde aandeelhouders, Iwaarvan twee door de Directie en twee
door de Commissarissen worden benoemd. De keuze van den vijfde
geschiedt door de vier eerstbetnoemden.
(4) De vastgestelde balans strekt der Directie tot volledige
kwij‘ting.
Artikel 41.
(1) De winsten der Bank blijven ten ‘be‘loope van 3‘/‚ pCt. van
het maatschappelijk kapitaal uitsluitend te har-en voordeele.
(2) Mochten de winsten in eenig jaar minder dan 3‘/, pCt. van
dat kapitaal bedragen‚ dan wordt hetgeen er aan ontbreekt, uit
111
het reservefonds aangevuld, mits dit fonds niet beneden 15 pCt.
van het maatschappelijk kapitaal dale.
(3) Bedragen de winsten meer dan 3‘/z pCt. van het maat—
schappelijk kapitaal, dan gaat van dit meerdere eerst 10 pCt. in
het reservefonds, totdat dit het bij artikel 5 dezer statuten bepaalde
bedrag heeft bereikt. Van het overschot wordt 3 pCt. als -taìntièmes
aan Directie, Commissie van Advies en Commissarissen uitge-
keerd. Indien de Directie bestaat uit meer dan vier leden, bedraagt
de zooeven bedoel-de uitkeering 3‘/, pCt. van het overschot. Het
meerdere wordt voor een vierde door de Bagnk en voor drie vierden
door den Staat genoten totdat het winstaande‘el der Bank, behalve
de vereisohte aanvulling van het reservefo,nds, en de uitgekeerde
tantièmes, zeven ten honderd van ‚het maatschappelijk kapitaal
bedraagt. Van de dan nog overblijvende winst ontvangt de Bank
een achtste en de Staat zeven achtsten.
(4) De algemeene vergadering van aandeelhouders beslist of en
hoeveel boven de 3‘/2 pCt. van het maatschappelijk kapitaal aan
de aandeelhouders zal worden uitgekeerd.
(5) Als grondslag voor de verdeeling der winsten strekt de
jaarlijksche balans der Bank, zooals die door hare Commissa—
rissen is vastgesteld, voor zoover zij in overeenstemming is met
de bepalingen der Wet en van de statuten der Bank. ‘
(6) Geschillen over de vraag, of de balans met die bepalirgen
in overeenstemming is, worden door drie sch-eidslieden in het
hoogste ressort beslist. Van die scheidslieden wordt één door den
Minister van Financiën en één door de Directie der Bank ge—
kozen en een derde door de rechtbank te Amsterdam benoemd.
Aandeelhoudens der Bank kunnen daartoe niet gekozen of benoemd
worden.
(7) Het aandeel van den Staat in de winsten der Bank vervalt:
1°. wanneer aan een ander dan de Bank mocht worden toege—
staan, bankbiljetten uit te geven en ’in omloop te brengen;
2". wanneer de Staat na 1 October 1904 besluiten mocht, munt‘
papier uit te geven.
Arikel 42.
Telkens wanneer het reservefon-ds tot 25 % van het maat-
schappelijk kapitaal gekilommen is, wordt er uit de winst niets
meer bijgevoegd.
Artikel 43.
Het reservefonds en het pensioenfonds staan onder beheer der
Directie. Het reservefonds is, behoudens hetgeen in artikel 41
dezer Statuten is bepaald, bestemd tot aanvulling van mogelijke
verliezen op het maat-schappelijk kapitaal.
Artikel 44.
(1) De rente, verkregen uit de in artikel 13 bedoelde belegging,
wordt onder de winsten der Ban-k opgenomen. Vóór— of achteruit-
112
gang van de waarde, der door die belegging verkregen bezittingen
wordt ten bate of ten laste van het -neservefonrls gebracht.
(2) Indien (het verplichte reservefonds der Bank bij het einde
van het tijdperk, waarvoor artikel 2 der Bankwet 1919 (Staats—
blad 1918 No. 553) der Bank ‘) ‚het reoht geeft als circulatiebank
werkzaam te zijn, blijken mocht meer te bedragen dan op den
3Is‘ten Maart 1889, volgens de balans over het boelkjaar 1888/1889,
en dat tijdperk niet wed-er wordt verlengd komt dan meerdere voor
de helft ‚ten voordeele van den Staat en blijft het voor de weder—
helft ten bate van de Bank.
Verandering van Statuten, Voortzetting en Ontbinding der
Vennootschap, Owrgangsbej:alingen.
Artikel 45.
(I) Verandering der statuten kan alleen plaatshebben in een
buitengewone algemeene vergadening van aandeelhouders, bij be-
sluit van drie vierden der uitgebrachte stemmen, terwijl in de be—
doelde vergadering ten minste de helft van het maatschappelijk
kapitaal moet vertegenwoordigd zijn. ‘
(2) Het voorstel tot verandering wordt op de wijze bij artikel
36 bepaald, vooraf bekend gemaakt.
(3) Bijaìld-ien de helft d-er aandeel-en niet in die vergadering is
vertegenwoordigd, wordt het nemen eener besllissing uitgesteld,
en een tweede algemeene vergadering bijeengeroepen, welke be—
sluit bij meerderheid van drie vierden der uitgebrachte stemmen.
(4.) Alles behoudens de Koninklijke bewill=iging, indien en voor
zoover deze volgens de wet vereisoh't mocht zijn.
Artikel 46.
(1) Uiterlijk ééne maand voor het ver-strijken van het in artikel
I, Iste ‘lid dezer statuten bepaalde tijdvak van 75 jaren, wordt
eene algemeene vergadering gehouden, waarin bij gewone meerder-
heid ’ van stemmen (behoudens de-svereisoht de Koninklijke be-
wi‘lliging) tot-voortzetting der vennootschap kan worden besloten.
(2) Een besluit om gebruik te maken van de bij artikel 2, 2de
lid der Bankwet ‘1919 (Staatsblad 1918 No. 553) bedoelde be-
voegdheid tot opzegging wordt genomen met eene meerderheid
van ten minste drie vierden der uitgebrachte stemmen.
Artikel 47. .
(1) Behoudens de bepaling van artikel 47 van het Wetboek
van Koophandel kan de vennootschap, molang het bepaalde bij
artikel 2, 2de lid, der Bankwet 1919 (Staatsblwd 1918 No. 553)
niet is toegepast, niet tussch-e‘ntij-ds worden ontbonden.
(2) Het besluit tot ontbinding tusschentijds wordt genomen met
eene meerderhelid van ten minste drie vierden der uitgebrachte
stemmen.
‘ Het woord omieuw†van art. oud is vervallen.
_ „ l 44
113
De Javasche Bank.
Ter voldoening aan „de van meer dan eenen kant gedane aan—
zoeken tot het daarstellen, op het eiland Java, van eene particu-
liere Bankâ€, wend bij Bes]. van 11 ‚Dec. 1827 No. 28 N.-I. 5. 111-
aan de compagniesohap zonder firma „De ]ava.sche Bankâ€, ge—
vestigd te Batavia, octrooi vi:rleerd voor den tijd van 10 jaar, in—
gaande: 1 Jan. 1828. Het „fonds“ der Bank werd bepaald op
f 4.000.0f00.—, doch art. 8 bepaalde, dat zoodra een bedrag van
f 2.000.000.— zou zijn besproken, de bank dadelijk geconstitueerd
zou worden en met hare operatiën een aanvang zou gemaakt
worden. Doordat de regeering voor een millllloen gulden deelnam
kon dit reeds ‘bij Bes]. van 24 jan. 1828 N.—I. S. I geslohiedem.
Bij het samenstellen van het octrooi was men te rad-e gegaan
met het octrooi van de Ned. Bank.
Aan de bank werd de bevoegdheid toegekend bankbiljetten uI’t
te geven‘) van f 1000.—. f 500.——, f 300—, f 200.—, f 100.—,
f 50.— en f 25.—‚ terwijl „200 de uitgifte van kleiner bankpapier
mogt worden wensohelijk geoomdee-ld" (art. 32) de directie daar—
toe een gemotiveerd voorstel zou kunnen doen, Het geheele be-
loop der uit te geven bankbiljetten zou zich regelen naar het
kapitaal of ‚f-on‘ds der bank, alle beleeningen, escompbes, gedepo—
neerde gelden, muntspeciën en verleende credieten daaronder ‘be—
grepen (art. 33). ’
Zoolang de bark aan hare verplichtingen zou blijven voldoen,
zouden de bankbiljetten als we‘tùig betaalmiddel op ]a‘v‘a en Madura
wonden erkend. ’
Het bestuur werd opgedragen aan een vasten president en
secretaris, door den G.-G. te benoemen, en drie directeuren, jaar--
lijks te Ikiezen door de algemeene vergadering van stemgerechtigde
dee-lhebbers.
Door het ontbreken van desbetreffende bepalingen werd de
verhouding tusschen dekking en de in omloop gebrachte ba‘nk-
biljetten uit ‚het oog verloren. Tevens verminderde «de toevloeiing
1) Zie Besl. van 18 Dec. 1827, N.I.S. H7, waarbij werd bepaald dat de
bankbiljetten steeds integraal in gouden en zilveren specie verwisselbaar
zouden zijn.
11-i
van edele metalen in belangrijke mate door de invoering van het
cultuurs’telsel, dat de kolonüiale producten aan de Indische» markt
onttrok, terwijl de nog aanwezige voorraad door remises weg-
vloeide. De specie—voorraad der bank kromp gestadig in, hetgeen
nog werd versneld— door de overmatlige uitgifte van kopergeld,
hetwelk het goede geld uit den omloop verdreevf. Om tegemoet te
komen. aan de bezwaren bij betaling van groot-e bedragen in
koperen munt werd de bank, ondanks îheftig verzet, (zie Munt-
wezen) gedwongen tegen de-pôt van duiten, koper-certiï¬caten af
te geven 1) tot een bedrag van f 3,000,000.—‚ welke tot wettig
betaalmiddel werden verheven.
Ook in ‘hare cre-dietverleening was de bank nliet gelukleig. Door
gebrek aan ervaring, hetgeen de directie bij aanvaardling van haar
taak openhartig erkende, werd aan dubieuze debiteuren credi-et
verleend zoodat zelfs in 1841 tot een kapitalisatlie van het meeren—
deel der uitstaande vordering-en moest worden overgegaan.
Een en ander bracht de bank in een hopeloozen toestand. Aan
veráillvering der biljetten kon niet meer worden gedacht en de
val der bank wane onvermijdelijk geweest, indien niet bij Pnbl.
van 29 Maart 1845 N.—I. S. 10 aan de bank werd verboden om
gedurende den» tijd van een jaar venwússeflingen van door haar
uitgegeven biljetten aan toonder tegen specie te doen, terwijl aan
alle col'legiën van justitie ge'i‘n‘terd’ï‘ceerd werd om gedurende dat—
zcllfde tijdvak kennis te nemen van reclhtsvorderlìlngen, de strekking
hebbende om de Bank tot zoodanige verwisseling te noodzaken.
Hiendoor was de bank voonloopig uìit den brand.
IDoor verbetering van het muntwezen brak ook voor de bank
een gunstiger tijd aan en kon, mede door meerdere oplevqing van
den particulieren handel, haar bedrijf op gezonderen grondslag
worden opgetnokken. -
Inrtusschen was bij Besl. van 17 Juli 1837 N.J. S. 33 het octrooi
met eenig‘e wijzigingen, ’) voor 10 jaar verlengd.
Tijdens dit octrooi werden de ziÃlverrecepissen ingevoerd, welke
de bank, daartoe gemachtgd door het Besd. van 26 Maart 1846
N.-I. S. 11, op hare biljetten mocht uitbetalen.
Het Besl. van 3 Maart 1848 N.-I‚ S. 12 verlengde het octrooi
wederom voor 10 jaar. Hierbij werd de uitkeer‘img van een deel
1) Publ. van 23 Aug. 1832, N.l.S. 37.
2) O.a. aangaande de kopercertiï¬caten (art. 41 en volg.)
115
der overwinst aan liefdadige instellingen, door den G.—G. aan te
wijzen„ geschrapt en een reservefonds ingesteld, ìhetwe'lk in" be—
paalde fondsen en hypotheken 1) mocht belegd worden. Tevens
werd bepaald dat de uli’tgifîte de-r biljetten een door ‚den G.—G. te
bep’alen bedrag niet zou mogen overschrijden. Bij Besl. van 24 Juli
1856 werd dit bedrag op f 6.000.000.— bepaald.
De Bes]. van 28 Maart 1858 N..-I. S. 33 en 22 Nov. 1859 N.-I.
S. 98 verlengden ‚het octrooi wederom voor resp. 2 en 10 jaar. Bij
laatstgenoemde Besl. werden voor het eerst bepalingen betreffende
de dekking der bankbiljetten opgenomen. Art. 30 bepaalde dat
geen uitgifte van bankbiljetten 20u plaats hebben, tenzij de bank
minstens 3/10 van het uit te geven bedrag besohïikib‘aa‘r‘ ’hebbe in
wettige betaalmiddelen, terwijl de hoogste som, aldus uitgegeven,
door den G.-G., op ’s Konings ‚machtiging, naar omstandigheden
z-ou word-en bepaald (art. 31). Boven deze som was de u:itgifte
slecht-s veroorloofd‘, indien het volle bedrag daarvan in wettige
betaalmiddelen bij de bank ‘beschlikbaar zij.
Bij Besl. van 7 Febr. 1860 werd :het maximum der uitgifte vast—
gesteld op f 7.000.000.—. Een verdere verhoog-ing werd afhanke-
lijk gesteld van de verbooging van het. kapitaal tot f 4,0b0..000.—,
hetgeen binnen een jaar diiende plaats te vinden (art. 6). Toen deze
haar beslag ‚had gekregen werd het maximum tot f 10000000.—
opgevoerd en achtereenvolgens lbij de Besln. van 24 Oct. 1862,
12 Dec. 1864, 23 Juni 1866 en 26 Sept. 1866 tot resp. f 12, 15, 18
en 20 millioen, een en ander echter niet dan met tegenzin der
regeering en onder de voorwaarde dalt het kapitaal andermaal met
f 2.000.000.—— zou worden verhoogd.
Van de wijzigingen in 1859 tot stand gekomen zij nog vermeld,
de invoering van het bankbiljet van f ’10.-—, alsmede de reeds ge-
noemde kapitaalsverhooging door kapitaliseering van het reserve—
fonds ad f 1.000.000.— en uitgifte van f 1.000.000.—- nieuwe aan-
deelen. Tevens venoor‘loofde art. 27 om ‘/‚ deel van het gestorte
kapitaal te beleggen in Ned. en Ned.—‘Ind. Staatssohul‘d‘ en hypo’
th‘eken, dit laatste om de bezwaren, verbonden aan het opzeggen
van f 1.000.000.—— aan hypotheken, (noodzakelijk door kapitali—
seering van het hoofdzakelijk daarin belegde reservefonds) te
ontgaan 2)
1) Zie Besl. van 17 Dec. 1853.
2) 7.ie N. P. van DEN BERG: Het Octrooi der ]avasche Bank.
116
Nadat het Besl. van 31 Maart 1865 N.—I. S. 30 het bankbiljet
van f 5.-— ‚had ingevoerd, werd bij Besl, van 6 Maart 1870 N .—I .
S. 34 het octrooi wedeer voor 10 jaar verlengd. Hierbij werden
de bepalingen betreffende de inrichting der directie gewijilgd en
een permanente raad van commissarissen ingesteld, alsmede een
Gouve1‘nemen-tscomm-issaris, door den G.-‘G. ’te benoemen. Tevens
werd wederom een reservefonds ingesteld, hetwelk ‘i|n hypotheken
en schuldbri-even van Ned. en Ned.—Indië zou worden belegd. De
bevoegdheid om ‘/‚ van het gestort kapitaal daarin te beleggen
werd echter ingetrokken. 1) Hierop werd bij Bes]. van 20 Nov.
1871 N.-1. S. 183 teruggekomen en tevens het maximum tot ‘/,
deel van het gestorte kapitaal opgevoerd.
Overeenkomstig het verlangen der regeering werd het kapitaal
tot f 6.000.000.— verhoogd.
Verder werden de aan de regeering toegekende voondeelen be-
langrijk uitgebreid. Vermeldde het octrooi van 1859 nog slechts het
provisie—vrij uitbetalen en ontvangen van gelden (art. 25) en ‘be-
leenÃng van producten tot een maximum van f 2.000.000.—— tegen
een rente van 4 % (art. 35), art. 9 van het octrooi van 1870
spreekt van het kosteloos uitvoeren van commissiën door het
gouvernement opgedragen en vermindert de voor de beleening in
rekening te brengen rente tot 2‘/, %. 2)
In de bepalingen betreffende de dekking der bankbiljetten kwam
slechts een geringe wijziging nml. dat van het gereserveerde be—
drag in munt en muntmateniaa‘l 3/, uit zilveren standpenningen
moest bestaan.
De definitieve regeling van deze materie kwam eerst tot stand
bij de Besln. van 18 Maart 1875 N.—I. S. 75 en 76( nadat het Besl.
van 19 Sept. 1874 N‚-I. S. 220 het maximum der uitgifte tot
f 25.000.000.— :had opgevoerd) waarbij, met terzijdestelling van
elk maximum, de G.-G. werd gemachtigd, onder goedkeuring des
Konings, de verhouding tusschen de _in omloop zijnde bankbiljetten,
assìgnaties en rekening-courant saldo’s en de voorraad munt cn
muntmateriaal vast te stellen, welke verhouding op 2/5 werd be—
1) Zie de Ord. van 6 Maart 1871, N I.S. 25, waarbij werd bepaald dat de
bank zich binnen 5 jaar van alle hypothecaire vorderingen moest ontdoen.
’) Zie hierover N. P. VAN 1nm BERG: Het Octrooi der javnsclt_e Bank
pag. 19 en volg.
117
paa‘ld. Door deze regeling is de bank in staat geweest aan de crisis
van 1884 het hoofd te bieden.
De Ord. van 25 Maart 1880 N.—I. S. 70 venlengde het octrooi
voor één jaar, in verband met de constitue-erin-g tot N. V. in den
zin van het Wetb. van Koophandel. ‘
Bij KB. van 16 Oct. 1880 N.—I. S. 226 werd het octrooi wederom
voor 10 jaar verlengd. Hierbij werd de mogelijkheid van bel-eg‘
ging in bepaalde fondsen en hypotheken uitgebreid tot 1/2 van het
gestorte kapitaatl. ’
Het K. B. van 6 Jan. 1891 ve-rllerngde het octrooi voor den tijd
van 15 jaar waarbij laatstgenoemde belegging voor het geheele
maatschappelijke kapitaal werd toegestaan. Tevens werd de moge—
lijkheid geopend in Nederland een kantoor te vestigen, alsmede
het koopen en verkoopen van wisselbrieven, buiten Ned.-Indië
betaalbaar, onder de operatiën d‘er bank opgenomen, 1) evenwel
met de beperking, dat de som der hierin belegde gelden nooit
langer dan gedurende een tijdperk van 2 maanden het bedrag van
het beschikbaar metaa'lsalldo mocht te borven gaan (art. 10). Verder
werden de voordeelen aan de re-geering toegekend uitgebreid o.a.
door venhoogimg van ;het max. der ‘beleen‘i-n‘g tot f 5.000.000.—,
terwijl een pensioen en onderstamdfonds werd ingestelld.
Bij K. B‚ van 2 Jan‘. 1906 N‚’I‚ S. 107 werd het octrooi wederom
voor 15 jaar verilenlg-d, waarbij de aan de regeering toegekende
voordeelen andermaal werden vergroot o.a.. door een verplichte
uitkeenìng aan de Koloniale kas (art. 14) en de opdracht van het
kassiersclrap der Pos‘tspaarbank. Verder werden de operatiën ‘be-
langrijlk uitgebreid (art. 7), 2) o.a. het in buitengewone omstandig—
heden verstrekken van hypotheca-ir c=redìet (art. 7x). Het K. B. van
17 Jan. 1908’N.-1. S. 76 3) verminderde de beperkimg van den
aankoop van buitenlandsche wissels en bepaalde dat de daarin be—
legde gelden, nooit langer achtereen dan gedurende een tijdperk
van zes maanden het bedrag van het dubbele van het beschikbaar
metaalsaldo te boven mochten gaan (art. 10). Tevens werden de
bepalingen betreffende de verplichte meaaldekking verruimd
(art.
1) Hierdoor kon het zoogen. Gold-excliange-systeem consequent worden
doorgevoerd.
2) Zie hiervoor de EranumÃrz‘ 1906 pag. 77 en volg.
3) Zie hierover het twistgeschrijf in de 7awzánde van 18/11 1908 en de
repliek van den Heer STIGTER in de _‘Ãavaùcdc van 22 en 23 Febr. 1909.
118 ’
De voorgestelde wijzigingen aangaande het reservefonds werden
aangehouden en kwamen bij K B. van 7 Mei 1909 N.—I. S. 363
tot stand. Daarbij werd bepaald dat het ‘bedhag van het reserve-
fonds tot dat van het geplaatst maatschappelijk kapitaal kan
‘ worden opgevoend (art. 13), terwijl bij buitengewone omshandig-
heden een extra reserve tijdelijk ‘kan worden aangelegd.
Bij het uitbreken van den oorlog, werd behalve vermindering
van de verplichte m‘e’taaìldle‘lekiin‘g (zie art. 20) en opname van de in
art. 7 sub X vermelde transacties onder de operatiën der bank,
aan de bankbiljetten de hoedanigheid van wettig betaalmiddel
toegekend. (Ord van 5 Aug. 1914 N.-I. S. 537).
De tekst van het octrooi luidt aldus:
KONINKLIJK BESLUIT
van den 2" Januari 1906, No. 26.
(Staatsblad van Nederlandsch-Indië 1906 No. 107).
Gewijzigd bij Koninklijke Besluiten van 17 Januari 1908 No. 47
(Staatsblad van Nederlandsch-IndÃë 1908 No. 76) en van
7 Mei 1909 No. 36 (Staatsblad van Nederlandsch-
Indië 1909 No. 363).
houdende het Octrooi van
DE JAVASCHE BANK.
WIJ WILHELMINA, ENZ.
Alzoo Wij in overweging genomen hebben dat ‚het octrooi,
laatstelijk bij Koninklijk besluit van 6 Januari 1891 No. 6 (Indisch
Staatsblad No. 49) aan de Java-sche Bank verleend, ‘bij besluit van
den Gouverneur—Generaal van Nederla-ndsch—Indië van 29 Januari
1904 No. 22 (Indisch Staatsblad No. 107) is opgezegd en dat het
wenschelijk is haar met ingang van I April 1906 een nieuw octrooi
te verleenen;
Op de voordracht van Onzen Minister van Koloniën van
I November 1905, La. A2, No.. 44;
Den Raad van State gehoord (advies van 12 December 1905‚
No. 14);
Gezien het nader rappont van Onzen voornoemden Minister van
28 December 1905, Afd. A2, No. 1;
Hebben goedgevonden en verstaan:
119
Artikel 1.
(1) Geene oirculatiebank kan in N-ederlandsch-In-dië worden
opgericht of gevestigd en geen‘e bankbiljetten mogen in Neder—
landsch-‘I‘n‘dië worden uitgegeven of in omloop gebracht dan
krachtens een besluit van Ons en op den vgoet en de voorwaar—
den bij zoodamig besluit te 'bepallen.
(2) Onder eirculabiebank wordt verstaan elke inrichting die.
hetzij uitsluitend, hetzij als een deel harer operatiën, bankbiljetten
uitgeeft of in omloop brengt.
Artikel 2..
(1)! De _Ãavasche Bank blijft na het eindige'n van het bestaande
octrooi, onder de volgende bepalingen, en voor een tijdperk
van 15 jaren, dus tot en met den 31sten Maart 1921 gerechtigd
om alle circulatiebank ‚in Nederlandsch-In-dië werkzaam te zijn.
(2) Dat tijdperk wordt ge‘aoh‘t telkens op nieuw met één jaar
verlengd te zijn, tenzij door den Gouverneur-Generaal, ingevplge
Onze machtiging, of door de Bank, door opzegging, van onge-’
neigdheid tot die verlenging zij blijk gegeven; welke opzegging
echter het recht om als circula-tiebank werkzaam te zijn niet eerder
kan doen eindigen dan na verloop van vijf jaren, ingaande op den,
na den dag ‘der opzegging eerst verdehijnenden 1sten April. 1)
Artikel 3.
De Javasche Bank is eene naamlooze vennootschap.
Artikel 4.
(1) In den vorm voorgeschreven bij artikel 38, Wetboek van
Koophandel, wordt de bestaande naamlooze vennootschap „de
Javasche Bank" verlengd met inachtneming van den inhoud van
dit beslluit.
(2) Zij onderwerpt zich aan ontbinding, wanneer Wij oordee-
len dat zij niet beantwoordt aan het oogmerk harer instelling.
Artikel 5.
(1) De hoofd2etel der Javasohe Bank is gevestigd te Batavia,
en kan zonder goedkeuring van den Gouverneur-Generaal niet
worden verplaatst, 2)
(2) De Javasohe Bank heeft en vestigt ‘in Nederlandsch—Indië
agentschappen en oorrespondentsehappen op die plaatsen, Welke op
voorstel of na ingewonnen advies h331‘61‘ Directie, door den Gouver-
neur—Generaal zijn of zullen worden bepaald, — te Amsterdam
een bijkantoor — en voorts correspondenten op die plaatsen buiten
Nederlands'ch—Indië, waar zij door den Gouverneur—Generaal, de
Bankdirectie gehoord, voor de beihoofllijke uitoefening van haar
bedrijf zullen worden noodig geacht.
1) Bij Besluit van den G.G. van 27 Maart 1918 No. 1, N.I.S. 163 werd
het octrooi opgezegd.
3") Aldus gewijzigd in 1909 N.I.S. 363.
120
(3) Zij zal behalve op Java, ook op Sumatra, Borneo en Celebes
moeten gevestigd of vertegenwoordigd zijn.
(4) De inrichting en werkkring der agentschappen en van hît bij-
kantoor te Amsterdam worden onderworpen aan de goedkeuring
van den ‘Gouv‘erneur-Generaal.
(5) Tijdelijke [Slll‘l’tl’llg' of opheffing van reeds bestaande of later
te vestigen agentschappen of correspon-dentschappen mag niet ge-
schieden, zonder daarth verkregen machtiging x1an den Gouver-
11eur-Generaal.
Artikel 6.
(1) Het maatschappelijk kapitaal der Bank bedraagt zes millioen
gulden;ten volle gestort.
(2) Naar gelang van de ui-tbreidÎng der operatiën, kan door den
Gouverneur—Generaal, ingevolge Onze machtiging, met toestem—
ming der Bank te allen tijde worden bepaald, dat tot \’1îr‚grooting
van het kapitaal zal worden overgegaan.
Artikel 7.
De operatiën der Bank bestaan:
1. In het in disconto nemen:
a. van wisselbrie-ven, assignatiën en orderbriefjes, met twee of
meer solidair verbondenen, met geen langer looptijd dan de
gebruiken ‘de‘s handels medebrengen en in geen geval van
langer dan zes maanden;
b. van binnen vier maanden afl-osbare schuldbnieven of rente-
bewijzen, van Nederlandsch-lndische—‚ Nederlandsche— of
vreemde schuld, ‘en van Soortgelijke stukken van bijzondere
lichamen of vennootschappen, altijd onder solidaire medever—
bintenis van den discontant;
c. van in Nederlandsch—Indië voor vendu—rendementen afgege—
ve‘n mandaten of ordonnantiën op ’s Lands kassen;
II. in het ‚in beleenlng nemen van-, dan wel V\erleenen van
credieten of voorschotten in Rekening—Courant tegen onder—
pand van:
a. effecten, hetzij Staatsschulden, hetzij aandeelen ‚in- of obliga—
ties van bijzondere lichamen of maatschappijen;
b. goederen, waren en koopmanschappen, munt en muntmateriaal
benevens de deze vertegenwoordigende afscheep— en/of op—
sla1gdocumenten of cedullen ;
c de sub 1 genoemde waande-n;
III. in de tijdelijke uitzetting in prolongatie van eventuëel te
Amsterdam overtollige middelen;
IV. in het koopen en verkoopen van wlsselbrieven, buiten
Nederlandsoh-Indië betaalbaar, met geen langer looptijd dan de
gebruiken des handels medebrengen, en
0. met twee of meer solidair verbondenen, of
121
b. getrokken tegen credietbrieven of onder verband van wfscheep-
documenten ; ‚
V. in den handel Ãin muntmateriaal en uitheemsche munt en
bankpapier en het essayeeren van erts en metalen;
VI. in het ontvangen en weder uitbetalen van gelden in reke—
wig—courant, en voorts in het incasseeren van waarden, 200 voor
publieke inrichtingen als voor bijzondere personen en lichamen;
VIL. |in het in bewaring nemen van gelden en andere waarden,
desvcr-langd met bijbehoor-ende administratie, en het verhuren van
brandkasten of andere ruimte in hare gebouwen;
VIII. In het overmaken van gelden, zoowell met telegrafisch
advies als door het afgeven van zichtwissels of assignaties tusschen
hare Indische kantoren onderling en tusschen deze kantoren en
haar bijkantoor te Amsterdam. Trekking tegen voorkomende credit—
saldi bij correspondenten ‘mag slechts geschieden telegraphlisch of
op zicht;
IX. in het beleggen van het maatschappelijk kapitaal in Neder—
landsche- of Nederlandsoh-Jnd-ische Staatsschuld en in andere te
Batavia, te Amsterdam of op andere voorname plaatsen in Europa
dagelijks verhandelbare schuldbe-wijzen, of in eerste hypotheken op
onroerende goederen in Nedenlandsch-Indië;
X. In buitengewone omstandigheden, ter îbeoordeeling van den
Gouverneur—Generaal en voorzoover Hem noodig voorkomt. onder
door Hem te stellen voorwaarden, in het in ‘be‘leen‘ing nemen van_
dan wel verleene-n van credï¬eten of voorschotten in reken‘ìng—
couran-t tegen onderpand van hypothecaire vorderingen en andere
voor‘overdracht of bel‘ee‘n‘i’ng vatbare en bij geschrifte aangegane
inschuüden. ‘)
Artikel 8.
(1) De beleeningen worden voor niet langer dan drie maanden
gesloten, met uitzondering van die op oi1derpanden te geven door
het Gouvernement, goud, zilver, juweelen en muntspeei‘én. welke
voor zes maanden mogen worden aangegaan.
(2) Het in beleenìng voor te schieten bedrag wordt, in elk hij-
zonder geval, door de Directie bepaald.
(3) Bij daling van prijzen gedurende den loop der beleening
wordt het voorgeschoten bedrag in evenredigheid verminderd of
het pand vermeerderd.
Artikel 9.
Voor de termijnen en de bedragen der credieten of voorschotten,
bedoeld in g 11 van artikel 7, gelden de voorschriften van artikel 8.
Artikel 10.
(I) De som der op den voet van ê IV van artikel 7 in buiten
2) Besluit ‘van den G.G. van 5 Augustus 1914 No. 3x waarbij genoemde-
werkzaamhedeu onder de operatiën werden opgenomen.
122
Nederlandschdndië betaalbaar papier belegde gelden, mag nooit
langer achtereen dan gedurende een tijdperk van zes maanden het
bedrag van ‚het dubbele van het beschikbaar metaalsaldo der Bank
te b0\'en gaan. ‘)
In buitengewone omstandigheden, ter beoordeeling van den
Gouverneur—Generaal en voor zoover hem noodig voorkomt, mag
dit bedrag worden vergroot tot eene limiet alsdan door hem te
bepalen.
(2) De in g X van artikel 7 bedoelde operatiën mogen een be-
drag van vier millioen gulden niet te boven gaan met dien ver-
stande, dat slechts tot een maximum van twee millioen gulden kan
worden verstrekt tegen onderpand van hypothecaire vorderüngen
en evenzeer slechts tot dat maximum tegen onderpand der andere
in die ä bedoelde vorderingen.
Antikel II.
‘ (1) Het gezamenlijk bedrag der beleggingen, bedoeld in g IX
van artikel 7, overschrijdt nimmer het gestort kapitaal der Bank.
(2) De lijst der ‚schul-dbewijzen in diezelfde paragraaf bedoeld,
wordt door de Directie en den Raad van Commissarissen, in eene
gemeenschappelijke vergadering vastgesteld en zoo noodig van tijd
tot tijd herzien. _
Voor- of achteruitgang van de waarde der aan de Bank toebe—
hoorende effecten wordt ten bate of ten laste van het in artikel 13
bedoelde reservefonds gebracht.
(3) In hypotheken ten behoeVe der Bank wondt nimmer meer
belegd dan één derde van het gestort kapitaal der Bank.
(4) Onder het maximum bedoeld in het ‘eerste en derde lid van
dit artikel, is de waande begrepen der door de Bank, krachtens het
voorlaatste lid van artikel 12, aangekochte vaste goederen, die bij
haar beleend zijn geweest.
(5) Geen hypotheek mag te boven gaan het twee derde gedeelte
‘van de getaxeerde waarde van het pand, noch anders dan met een
opzeggingstermijn van uiterlijk zes maanden worden gesloten.
(6) De GÃ’uverneur-Generaal kan, de Directie der Bank gehoord,
ingevolge Onze machtiging, beperking van het ‘in het eerste of ‘het
derde lid van dit artikel bedoeld maximum gelasten, of wel ver—
klaren, dat een of meer der voormelde beleggingen hebben opge-
houden tot de operatiën d-er Bank te behooren.
Artikel 12.
(1) De Bank houdt zich met geene andere operaties bezig dan
de in artikel 7 genoemde,
(2) Behoudens hetgeen in het vierde ‘lid van artikel 16 bepaald
is omtrent het geven van voorschotten in rekening-courant op
onderpand van NederlaÃndsch—Indische schatkistbiljetten verleent zij
aan niemand, wie het ook moge zijn, crediet of voorschot in blanco.
1) Aldus gewijzigd in 1908 N.I.S. 76.
123
(3) Zij neemt geen deel in eentige handels-‚ nijverheids- of andere
onderneming.
(4) Zij kan hare eigen aandeelen niet inkoopen of beleenen.
(5) Onverminderd de bepaling van artiike’l 7 g IX, koopt zij
geene effecten, goederen, waren of koopmanschappen, dan alleen
in bijzondere gevallen, -ter vermijding van schade, zoodanige onder-
panden van beleeningen, waarvan de aflossing achterwege lis ge—
bleven, evenwel onder de bepaalde verplichting, zoodanige be-
naderde onderpanden niet als geldbelegging ‚te behouden, doch zoo
spoedig mogelijk van de hand te zetten tot den eersten een-igszins
bijkomenden prijs.
(6) Met uitzondering van de vasti:gheden wereischt voor haar
bedrijf, koopt of bezit zij geene vaste goederen dan alleen die.
welke bij haar be=leend zijn, ingeval de aflossing der daarop
rustende hypothecaire schuld achterwege is gebleven, behoudens
de verplichting van wederverkoop uiterlijk binnen twee jaren,
ten-zij de Gouverneur—Generaal in bijzondere gevallen, op voorstel
der Bankdi-rectie, dien termijn mocht wensohen ‚te verlengen,
(7) Zij schiet geene gelden voor onder verband van schepen.
Ant-ikel 13.
(I) De Bank bezit een reservefonds, dat, vloor zoover zulks door
toepassing der bepalingen van dit en volgende artikelen kan ge—
schieden, wordt gebracht en gehouden op het bedrag van het ge—
plaatste maatsc'happelijk kap'itaai.
(2) Voor zoover de gelden van het reservefonds worden belegd,
geschiedt dit op gelijken voet als in paragraaf IX van artikel 7 is
bepaald voor het maatschapelijk kapitaal. De renten, van die be—
leggingen gekweekt, worden onder de winsten d-er Ban-k opge—
nomen.
(3) Voor of achteruitgang van de waarde der gekochte effecten
wordt ten ‘bate of ‘ten laste van het reserveÃonds gebracht.
(4) In buitengewone omstandigheden kan, op voorstel van eene
gemeenschappelijke vergadering van Directlie en Commissarissen
der Bank, door de algemeene vergadering van stemgerechtigde
deelhebbers, na verkregen machtiging van den Gouverneur—Gene-
raal, besloten worden, dat tijdelijk eene ‘ex’traarese‘rve wordt aan—
ge‘legd. Daarbij worden dan tevens bepaald de omvang dezer extra-
reserve en de duur, waarvoor zij ten hoogste mag worden gevormd
en welk bedrag daarvoor uit de winst van het boekjaar na de
uitkeering, ingevolge ‘l‘i‘d I van het volgend artikel, zal worden
bestemd; tot verienging van dlien duur of wijziging van het bedrag
dezer extra-reserve, kan op gelijke wijze worden besloten.
(5) Na opheffing of ìaf»lloop wordt het beschikbaar gebleven
saldo dezer extra-reserve bij de winst van het zloopend boekjaar
gevoegd. 1)
1) Aldus gewijzigd in 1909 N.I.S. 363.
124
Artikel 14.
(1) De in ‘een‘ig boekjaar venkregen winsten blijven, na aftrek
van hetgeen eventuëel voor extra—reserve bestemd is, ten bedrage
van zes percent van ‚het geplaatste maatschappelijk kapitaal uit—
sluitend ‘ten voordeele van de deelhebbers.
(2) .Moch‘ten de winsten in eenig boekjaar minder dan zes percent
van dat kapitaal bedragen, dan wordt hetgeen er aan ontbreekt
uit het reservefonds aangevuld, mits dit fonds nliet ben-eden vijftig
percent van het geplaatste maatschappelijk kapitaal dale.
(3) Bedragen de winsten meer dan het eventuëe'l voor extra—
reserve bestemd bedrag en zes percent \1an het geplaatste maat—
schappelijk kapitaal, dan wordt van dit meerdere:
1". Vijftien (15) percent uitgekeerd aan tantièmes aan den Raad
van Commissarissen, de Directie en het overige personeel der
Bank, naar den maatstaf van onderscheidenlijk 3 %, 6 % en
6 %;
2. f 30.000.— (dertig duizend gulden) of zoovee‘l minder als er
van ‚het meerdere mocht overblijven, uÌtgekeerd aan het
Pensioen- en Onderstandfonds der Bank, voor zoover en tot
zoolang dat fonds nog niet het cijfer zal hebben bereikt dat
ter nakoming der verplichtingen noodig zal blijken krachtens
eene berekening door een door Directie en Commissarissen in
gemeenschappelijke vergadering te benoemen deskundige op
het gebied van levensverzekering, elke 5 jaren en voor het
eerst per ultimo Maart 1911 op te maken.
(4) Het daarna nog van de Winst overblijvende wordt, voor 200-
ver en zoolang het reservefonds minder dan f 2.000.000.— be-
draagt, als volgt verdeeld:
‘/‚ aan het reservefonds,
1/3 aan de deelhebbers,
‘/, aan de Koloniale kas.
(5) Voor zoover en zoolang ‚het reservefonds f 2.000.000.—
of meer doch minder dan het bedrag van ‚het geplaatste maat—
schappelijk kapitaal bedraagt, wordt hetgeen van de winst over—
blijft, na de uitkeeringen, bedoeld in lid I en lid 3 van dit aritkel,
verdeeld als volgt:
2/„ aan het reservefonds,
a/n aan de deelhebbers,
‘/, aan de Koloniale kas.
(6) Heeft het res-ervefonds het bedrag bereikt van het geplaat-
s‘t‘e maatschappelijk kapitaal, dan wordt het anders voor het reserve—
fonds afgezonderde 2/„ gedeelte tusschen de Koloniale kas= en de
deelhebbers bij gelijke helften verdeeld.
(7) Buitengewone verliezen kunnen door de Directie, in overleg
met den Raad van Commissarissen, ten laste van het reservefonds
worden gebracht, na goedkeuring van de algemeene vergadering
van stemgerechtigde deelhebbe-rs en na verkregen machtiging
van den Gouverneur-Generaal, 1)
1) Aidus gewijzigd in 1909 N.I.S. 363.
125
Artikel 15.
(1) Als grondslag voor de in artikel 14 bedoelde verdeeling der
winsten, strekt de jaarlijksche balans der Bank, zooals die door
den Raad van Commissarissen is goedgekeurd en voorzoover zij
in overeenstemming is met de bepalingen van dit besluit en van
de statuten der Bank.
(2) Die door ‚den Raad van Commissarissen goedgekeurde balans
wordt geacht door den Gouverneur—Generaal te zijn goedgekeurd,
indien binnen één maand na de ontvangst geene bezwaren
tegen die balans schriftelijk bij de Directie zijn ingebracht.
(3) Over die bezwaren wordt in het hoogste ressort beslist door
drie scheidsli-eden, met ondenling goedvinden door den Gouverneur-
Generaal en de Directie der Bank gekozen of, bij gemis aan over—
eenstemming, door den Raad van justitie te Batavia, ‘te‘n verzoeke
van de meest gereede partij benoemd.
(4) De keuze of de benoeming zal zooveel mogelijk vallen op.
personen, die geen aandeelhouders der Bank zijn.
(5) Het aandeel van het Gouvernement van Nederlandsch-Indìë
in de winst der Bank vervalt, wanneer aan een ander dan de
javasche Bank mocht worden toegestaan bankbiljetten uit te geven
en in omloop te brengen, dan wel het Gouvernement muntpapier
mocht uitgeven.
Artikel 16.
(I) De bank belast zich binnen de grenzen van haren werkkring
kosteloos met het uitvoeren van commissiën door het Gouvernement
aan haar opgedragen.
(2) Voorts belast zij zich met de kost-elooze bewaring der Alge—
meene Landskas en, eveneens kosteìloos, met de functiën van
G0uv‘ernementskassier, zoo te Batavia als op alle plaatsen, waar
zij agentschappen heeft of vestigt. Voor een en onder is zij ver—
antwoordelijk aan den Gouverneur-Generaal en rekenplichtig aan
de Algemeene Rekenkamer in Nederlandsch-Indië.
(3) De Bank is tevens gehouden tot de kostelooze overmaking
van gelden ten behoeve van den Lande tusschen het Hoofdblureau
en hare Agentschappen en tusschen die Agentschappen onderling.
Voor overmakingen tegen ‚den par-ikoers tusschen Nederland en
Nederlandsch—Indië, en naar of van hare correspondentschappen.
gelden bijzondere bepalingen, door den Gouverneur-Generaal in
overleg met de Directie der Bank vast te stellen.
(4) De Bank zal aan het Gouvernement, telkens wanneer de
Gouverneur—Generaal dit tot ‚tijdelijke Versterking van ’s Lands
kassen noodig acht, voorschotten in rekening—courant verstrekken
op voldoend onderpand, dat ook kan bestaan in Nederlandsche
schatkistbiljetten of in Nederlandsch—Indisohe scha(tkistbiljetten.
zullende evenwel deze laatste niet in ondenpand mogen worden
gegeven, dan nadat het aangaan van l-eeningen ten laste van
126
Nederlandsch-Indië en de uitgifte van Nederlandseh-Indische
schatkistbiljetten wettelijk zullen geregeld zijn. 1)
De verplichting tot het verstrekken van die voorschotten houdt
op, zoodr=a en voor zoolang als het beschikbaar metaalsaldo der
Bank beneden drie millioen gulden is gedaald. 2) ‘
(5) Deze voorschotten mogen tegelijkertijd gezamenlijk niet meer
dan vijf millioen gulden (‘f 5.000.000.—) bedragen en worden ver—
strekt tegen een rente niet hooger dan twee en een half percent
’s jaars.
(6) De Bank belast zich in Nederlandsoh-Indië .kostellocs met het
kassiersc:hap der Postspaarbank en met de bewaring van de aan
die instelling toebehoorende of door deze in pand genomen. waarden.
Artikel 17.
(1) De Bank mag biljetten. uitgeven, verwisselbaar in wettige
betaalmiddelen, doch tot geen lager bedrag dan van f 5.—.
(2) Het bedrag, de inhoud en de inrichting dier biljetten
worden door de Directie. evenwel wat het bedrag betreft na be—
komen goedke’uring van den Gouverneur-Generaal, bepaald en be-
kend gemaakt door aankondiging ‚in het officieel nieuwsblad“; zij
zijn dagelijks op de door de Directie- d‘er Bank vastgestelde uren
bij het Hoofdbur-eau der Bank en bij -hare Agentschappen op ver—
toon betaalbaar, met uitzondering van-de dagem, waarop de Gouver-
nements—bureaux gesloten zijn en van de dagen, waarop het 200-
genaamde Mohammedaansch Nieuwjaar (Garebeg Poeasa) en het
Chineesch Nieuwjaar vallen.
(‘3) De betaling bij die agentschappen kan echter worden uitge-
steld totdat specie van het Hoofdbureau zal kunnen ontvangen zijn.
(4) De Gouverneur—Generan kan de Bank ontheffen van de
verplichting tot betaling van =‚hare biljetten bij de agentschappen,
die gevestigd zijn op plaatsen, door hem aangewezen of nader aan
te wijzen.
(5) De Bank is verplicht tegen overneming van standpenning‘en
aan ‘het Gouvernement biljetten te leveren tot zoodan'ig bedrag als
zal worden verlangd.
(6) De biljetten der bank zijn vrij van zegel.
Artikel 18.
(1) De houder van een biljet der ]avasche Bank is uitsluitend
gerechtigd om de betaling der daanin uitgedrukte geldsom van de
Bank te vorderen. ’
(2) Wegens verlies of vernietiging van Bankbiljetten behoeft
door de Bank geene vergoeding verleend te worden.
(3) Voor gedeelten van biljetten behoeft door de Bank geene
vergoeding verleend te worden dan onder zoodarnige waarborgen
1) cf. Ord. van 18 Nov. 1920 NO. Ia.
2) Vóór 1909: f 6.000.000.
127
als de Direct-ie noodig zal oordeelen ter voorkoming van schade
voor de Bank.
(4) Bij verdenking wegens misdrijf of op schriftelijk aanzoek
van belanghebbenden, staat het der Bank vrij kwitantie en
afteekening der biljetten te vorderen van hem, die ze’t‘er inwis—
seling aanbiedt.
(5) De bepalingen van de artikelen 226, 227 en 228 van het
Wetboek van Koophandel zijn niet van toepassing op de bank—
biljetten.
(6) Geene door de Bank uitgegeven en nog niet bij haar ter be—
taling aangeboden biljetten kunnen ingetrokken en buiten omloop
gesteld worden, dan Ikralch’te.ns eene machtiging van den Gouver-
neur—Generaal, die bij het verleenen van die machtiging ook den
termijn vaststelt voor de inwisseling ‘toe‘ te staan.
De intrekking wordt in :het officieel nieuwsblad bek-end gematakt.
(7) Na den bepaalden termijn worden de alzoo buiten omloop
gestelde biljetten alleen aan het Hoofdbuneau der Bank inge—
wisseld na behoor-lijk onderzoek, dat echter niet langer dan drie
maanden mag duren.
(8) Twee jaren na genoemde termijn kan het bedrag der buiten
omloop gestelde, doch dan nog niet ter inwisseling aangeboden
biljetten door de Directie, in overleg met den- Raad van Commis-
sarissen, in de balans worden afgevoerd van het hoofd ‚Bank-
biljetten in omloop" en gevoegd bij het Reservefonds.
(9) De daarna nog opkomende biljetten, behoorende tot de inge—
trokken en buiten omloop gestelde seriën, wonden na het onder—
zoek, bedoeld in het zevende lid van dit artikel, ingewisseld en
betaald ten laste v‘an ‚het Reserv-efonds of van de W-inst- en Ver—
1iesrekening, ter beoordeeling der Directie.
(10) Van zoodanige latere inwisselingen wordt aan ‚het einde
van elk boekjaar afzonderlijk melding gemaakt in het verslag van
den President.
(11) Biljetten, die -in de kassen der Bank terugvloeien en die zij
wegens beschadiging of om andere redenen niet meer voor weder—
uitgifte geschikt oorde'elt, worden van wege de Bank gemerkt op
zoodanige wijze als door de Directie zal worden bepaald en bekend
gemaakt door aankondiging in ‘het officieel nieuwsblad.
(12) Zoodanig gemerkte biljetten zijn waardeloos, en behoeven
door de Bank niet betaald te worden, indien zij door diefstal of
anderszins weder in omloop mochten komen.
Artikel 19.
Behalve bankbiljetten en de zichtwlssels of assignatiên, bedoeld
in g VIII van artikel 7, ml die Javasche Bank geen papier uitgeven.
Artikel 20.
(I) De verhouding, waarin het gezamenlijk bedrag van bank-
biljetten, rekening-courant saldi en andere van de Bank dadelijk
opeischbare vorderingen door munt of muntmateriaal moet zijn
19.8
gedekt, wordt door den Gouverneur—Generaal, ingevolge Onze
m‘achtiging, bepaald en in het Staatsblad van Neddrlandsch—IndÃë
bekend gemaakt. Zij kan, voor zooveel noodig, van tijd tot tijd
worden gewijzigd. ‘)
(2) Van de in de eerste alinea bedoelde verplichte metaaldekking.
moet ten minste drie vierde in Nederlandsch-Indië aanwezig zijn;
ten minste de helft van de in de eerste alinea bedoelde verplichte
dekking moet bestaan uit Nederl'an-dsch—Indische en in Neder-
lan’dsch’In-dië aanwezige stan-dp‘ennin-gen.
(3) De Gouverneur-Generaal kan voor een termijn van ten
hoogste drie maanden van de laatstbedoelde verplichting om ten
minste de helft van de verplichte metaaldeklcing te doen bestaan
uit Nederla=ndsch-Indische standpenningen, dispensatie verleenen.
wanneer He-m de noodzakelijkheid daarvan wordt aangetoond. 2)
Artikel 21.
‘(1) De Directie der javasc-he Bank bestaat uit een President en
twee Directeuren, van welke een als Secretaris fungeert.
(2) Voorts zijn er een eerste (en een tweede Plaatsvervangend
President en een eerste en een tweede Plaatsvervangend Directeur.
Artikel 22.
(1) De Raad van Commissarissen, bestaande uit vijf leden, ge—
kozen door de stemgerechtigd-e aandeelhouders, is belast met het
toezicht op de handelingen der [Directie en met het onderzoek naar
de juistheid van de jaarlijksche rekening.
(2) De Raad van Commissarissen is bevoegd tot benoeming van
een Gedelegeerde en een plaatsvervangend gedelegeerde in Neder—
land, welke aldaar, met uitzondering van de goedkeuring der
jaarlijksche rekening, dezelfde bevoegdheden zullen hebben als in
Nedenlandsch—Indië de Raad van Commissarissen.
(3) H-unne Instructie en belooning worden door den Raad van
Commissarissen vastgesteld en onderworpen aan de goedkeuring
van den Gouverneur—Generaal.
Artikel 23.
(1) Om tot President, Plaatsvervangend President, Directeur of
Plaatsvervangend Directeur der Javasche Bank te worden benoemd,
moet men zijn Nederlander, zijn woonplaats vestigen dáár waar
het hoofdbureau is, in het genot van zijne burgerlijke en staat-
kundige rechten zijn, en in de Bank deelnemen, de President voor
minstens dertig, de Directeuren ieder voor mistens twintig en de
Plaatsvervangende Presidenten en Directeuren ieder voor minstens
twee aandeelen, die, zoolang zij hunne betrekking vervullen, onver-
vreemdbaar zijn,
1) Besluit van 8 juli 1906 N.I.S. 324: verhouding
‚‚ ‚‚ 5A‘1g- ‘9I4 „ 538= ‚‚
2) Aldus gewijzigd in 1908 N.I.S. 76.
2/s
1/5
|| Il
129
(2) ‘De President en de Directeuren mogen geene andere bezol-
digde posten, ambten of bedieningen hoegenaamd bekleeden.
(3) Als zoodanig worden echter niet beschouwd voor President
en Directeuren, de ambten, die de Rege-ering hun mocht opdragen
of doen opdragen;
voor de Directeuren het ambt van Commissaris of Gedelegeerde
van Commissarissen bij naamlooze of commanditaire vennoot-
schappen.
(4)Een Directeur mag echter zulk eene betrekking niet aan—
vaarden dan met goedkeuring van den President en zijn mede-
D-irecte-ur (of eventueel hunne plaatsvervangers).
(5) Twee Directeuren mogen niet gelijktijdig Commissaris zijn
bij dezelfde vennootschap.
(6) President en Directeuren mogen ook geen handel drijven
of bij eenige handelsoper-atie belang hebben, anders dan als houders
van aandeelen in of obligatiën van naamlooze— of commanditaire
vennootschappen.
(7) Zij mogen elkander niet bestaan in of binnen de.n der-den
graad van bloedverwantschap of zwagerschap. Na hunne b-e—
noeming in den verboden graad van zvvwgerschap geraklende,
kunnen zij hunne bediening niet behouden zonder vergunning
van den Gouverneur—Generaal.
(8) Alvorens in functie te treden, leggen de President, de
Plaatsvenvangende Presidenten, de Directeuren en de Plaats-
vervangende Directeuren in handen van den Gouverneur—Generaal
den eed (belofte) van zuivering af, tevens zwerende (belovende)
om in al hunne handelingen in hunne v\oormelde hoedanigheden
die zaken der Bank voor te staan en zich in alle opzichten naar de
statuten der Bank, de bepalingen van het huishoudelijk reglement
en verdere instructiën te zullen gedragen.
Een gelijke eed (belofte) wordt door de Agenten en de andere
beambten ter vergadering van de Directie in handen van den
President afgelegd, dan wel elders in handen van eene door
de Dineetie gedelegeerde autoriteit of persoon.
(9) In geval van ontstentenis, ziekte of verhindering van den
President, worden diens functieën waargenomen door den eersten
Plaatsvervangend President en bij diens ontstentenis, ziekte of
verhindering, door den tweeden Plaatsvervangend President.
(10) In geval van ontstentenis, ziekte of verhindering van een
of meer der Directeuren, treedt de eerste Plaatsvervangend
Directeur en 200 noodig ook de tweede Plaatsvervangend Directeur
in functie.
Artikel 24.
(I) De President der Bank wordt door den Gouverneur—Gene—
raal, onder Onze nadere goedkeuring, telkens voor den tijd van
vijf jaren, benoemd.
(2) In eene gemeenschappelijke vergadering van de Directie en
9
130
de Commissarissen wordt voor de benoeming eene aanbevelings—
lijst van twee personen opgemaakt, welke den Gouverneur—Generaal
wordt aangeboden, ten einde daarop door hem zooveel acht kunne
worde geslagen, als hij zal vermeenen te behooren.
(3) De Plaatsvervangende Presidenten, de Directeuren en de
Plaatsvervangende Directeuren worden door den Gouverneur-
Generaal mede voor den tijd van vijf jaren benoemd uit eelne
voordracht van twee of meer personen, opgemaakìt in eene ge-
m‘eenschappelijke vergadering van de Directie en de Commissa—
rissen. .
(4) De aftredende is weder benoembaar.
‘(»5)‚ Tenzij op eigen verzoek, kunnen \de President, Plaatsver—
vangend-e Presidenten, Directeuren en Plaatsvervangende Direc-
teuren tusschentijds niet worden ontslagen dan op eene met redenen
omkleed, aan den Gouverneur—Generaal in te dienen voordracht
van den Raad van Commissarissen.
(6) Bij eindiging van het Octrooi in den loop van eenig in dit
artikel bedoeld vijfjarig tijdvak van benoeming, eindigt tevens die
benoeming van rechtswege, tenzij een nieuw octrooi wordt verleend.
(7) De bezoldiging van den President en die van elk der
Directeuren wordt door den Gouverneur—Generaal vastgesteld.
(8) De bezoldiging van de Plaa-tsvervangende Presidenten en
van de Plaatsv‘ervangende Directeuren wordt in eene gemeen—
schappelijke vergadering van de Directie en dan Raad van Com—
missarissen vastgesteld.
- Artikel 25.
(I) Van Gouvernementswege wordt toezicht op de handelingen
der Bank uitgeoefend door een Gouvernements-Commissaris, door
den Gouverneur—Generaal te benoemen en te ontslaan.
(2) De G0uv'ernements*Commissaris heeft het recht alle ver-
gaderigen van stemgerechtigde aandeelhouders, van den Raad van
Commissarissen en van de Directie met den Raad van Commissa-
rissen bij te ‘wonen en daarbij eene raadgevende stem uit te
brengen.
(3) Zelfs indien hij aandeelhouder is, heeft hij noch als 200—
danig, noch als gemachtigde, stemrecht in de vergaderingen door
hem als Gouvernements—Commissaris bij-gewoond.
(4) De Directie der Bank is gehouden hem telkens op zijne
aanvrage al die inlichtingen te verstrekken, welke hij tot behoor—
lijke uitoefening van zijn toezicht noodig acht.
(5) De instructie van den Gouverenernents-Commissaris wordt
door den Gouverneur—Generaal vastgesteld.
(6) De eventuëele bezoldiging van den Gouvernements—Com-
missaris komt niet ten laste van de Javasche Bank.
Artikel ‘26.
De Directie doet eenmaal ’s weeks eene kosteloos in het officieel
nieuwsblad op te nemen mededeeling van :den staat der Bank of
131
van eene verkorte balans, in een door haar ontworpen en door den
Gouverneur-Generaal goedgekeurden vorm.
Artikel 27.
(1) Indien het Reservefonds bij het einde van het tijdperk, walar-
voor artikel 2 de javasehe Bank op nieuw het recht geeft om als
Oirculatieba-nk werkzaam te zijn, blijken mocht meer te bedragen
dan op den 3Istlen Maart 1891, volgens de balans over het boek-
jaar 1890/91, en dat tijdperk niet weder wordt venlengd, komt dat
meerdere voor de helft ten voordeele van de Koloniale Kas en
blijft het voor de wederhelft ten babe der Bank.
(2) Indien bankbiljetten aan de Javasche Bank ter betaling
worden aangeboden, waarvan het bedrag ingevolge het achtste lid
van artikel 18 bij het reserveï¬o‘nds .i‘s g‘ev‘oegd, en die biljetten door
haar worden betaald na verdeeling van het reservefonds overeen—
komstig lid 1 van dit artikel, zal het Gouvernement van Neder—
landsch—Indië verplicht zijn om.de helft van het aldus betaalde aan
de ]avasche Bank terug te betalen.
Onze Minister van Koloniën ‚is belast met de uitvoering van dit
besluit, waarvan afschrift zal worden gezonden aan den Raad
van State.
"S—GRAVENHAGE, den 2den Januari 1906.
WILHELMINA.
De Minister van Koloniën‚
D. FOCK. Accord‘een‘t met het Origineel:
De Secretaris—Generaal
bij het Departement van Koloniën,
A. E. ELIAS.
En opdat niemand hiervan onwetendheid voorwende, beveelt de
Gouverneur-Generaal van Nederlandsch-Indië, de.n Raad van
Nederlandseh—Indië gehoord, dat deze in het Staatsblad van N eder-
landseh-Indië worde geplaatst en dat daarvan. voor zooveel noodig,
vertalingen in de Inlandsohe en Chineesc‘he talen worden aan-
geplakt.
Gelast verder alle hooge en lage Colleges en Ambtenaren,
Officieren en Jus-ticieren, ieder voor zooveel hem aangaat, aan de
stipte naleving van het bovenstaand Koninklijk besluit de hand
te houden, zonder oogluiking of aanzien :des persoons. '
Gedaan te Buitenzorg, den I4en Februari 1906
_Ã. B. VAN HEUTSZ.
De wde Algenz-eene Secretaris,
De GROOT.
In verband met de aanstaande octrooi’s wijzï¬gintg kwam de presi—
dent der ‚Ãavasche Bank naar Nederland. In de terza.ke gehouden
besprekingen werd met den Minister van KOLon‘iën tot overeen—
stemming gekomen. (Iaarverslag 1920/21 pag. 58).
132
Bij notarieele acte van 22 Maart 1881 werd de javasche Bank
als N. V. in den zin van het Wetb. van Kooph. geconsüitueerd,
nadat het ontwerp der statuten bij Gouv. B-esl. van 16 Maart 1881
No. 16 was goedgekeurd.
Deze luiden, herhaaldelijk gewijzigd, laatstelijk bij Gouv. Besl.
van 16 Nov. 1909, aldus:
STATUTEN
DER
JAVASCHE BANK.
Goedgekeurd bij Gouvernements Besluit van 18 Maart 1906 No. 20;
gewijzigd bij Gouvernements Besluiten van 29 januari 1908
No. 50 en van 16 \ovem'ber 1909 No. 25.
HOOFDSTUK I.
Duur, Z etcl, Kapitaal.
Artikel 1.
(1) Na een en dertig Maart negentienhonderd en zes blijft de
Javasche Bank gedurende een tijdperk van vijftien jaren, aan-
vange-nde met den eersten April negentienhonderd en zes en
eindigende met ultimo Maart negentienhonderd een en twintig,
bestaan als eene naamlooze vennootschap van koophandel onder
de benamig van „De Javasche Bank†overeenkomstig de bepa-
lingen van ‚het octrooi, haar verleend bij Koninklijk besluit van
twee januari negentienhonderd en zes, nummer 26 (Staatsblad van
Nederlandsch—Indië nummer 107), van het Wetboek van Koop—
handel en van deze statuten.
(2) Dat tijdperk wordt, met inachtneming van het bepaalde bij
art. 43 dezer statuten, geacht stilzwijgend telkens opnieuw met
een jaar verlengd te zijn gedurende den tijd, welken de vennoot—
schap het recht heeft om alsnog als oircu'latiebank werkzaam
te zijn.
(3) De vennootschap onderwerpt zich aan ontbinding, wanneer
bij Koninklijk besluit is te kennen gegeven, dat zij niet beantwoordt
aan het oogmerk harer instellling.
Artikel 2.
(1) De hoofdzetel der Jav‘as‘che Bank is gevestigd te Batavia,
en kan zonder goedkeuring van den Gouverneur-Generaa'l niet
worden verplaatst.
(2) De Javasc‘he Bank heeft en vestigt in Nederlandstch-I-ndiê
agentschappen en correspondentschappen op die plaatsen, welke
op voorstel of na ingewonnen advies harer directie door den Gou—
verneur‘Gener‘aaÃl zijn of zullen worden bepaald, — te Amsterdam
een bijkantoor —— en voorts correspondenten op die plaatsen buiten
Nederlandschdndië, waar zij door den Gouverneur—Generaal, de
" 133
Bankdirecti-e gehoord, voor de behoorlijke uitoefening van haar
bedij f zullen worden noodig geacht.
(3) Zij zal behalve op Java, ook op Sumatra, Borneo en Celebes
moeten gevestigd of vertegenwoordigd zijn.
(4) De inrichting en werkkring der agentschappen en van het
bijkantoor te Amsterdam worden onderworpen aan de goedkeuring
van den GouverneuwGeneraal. '
(5) Tijdelijke sluiting of opheffing van reeds bestaande of later
te vestigen agentschappen of correspondentschappen mag niet
‘ geschieden, zonder daartoe verkregen machtiging van den Gou-
verneur—Generaal.
Artikel 3.
(I) Het maatschappelijk kapitaal der Bank bedraagt zes millioen
gulden, verdeeld in volgefourneende heele en halve aandeelen van
vijfhonderd en twee honderd vijftig gulden, met dien verstande,
dat twee halve aandeelen dezelfde rechten geven als een heel
aandeel.
(2) Naar gelang van de uitbreiding der operatiën, kan door den
Gouverneur—Generaal, ingevolge Koninklijke machtiging, met toe—
stemming der Bank overeenkomstig het bepaalde bij artikel 32
dezer statuten, te allen tijde worden bepaald, dat tot vergrooting
van het kapitaal zal worden overgegaan.
(3) Het bedrag en de voorwaarden van zoodanige vergrootìng,
in het bijzonder of en, zoo ja, op welke wijze de bestaande deel-
hebbers voorrang op de nieuwe aandeelen zullen kunnen doen
gelden, de koers van uitgifte der nieuwe aandeelen, mits niet onder
pari, en de bestemming van het eventueel meerdere boven pari,
worden gelijktijdig en op gelijke wijzen vastgesteld. -
Artikel 4.
(1) De aandeelen der Bank staan op naam en zijn. ingeschreven
op een bij het H‘00fdiblll’6‘êlll te houden register, waarvan een dubbel
berust bij het bijkantoor te Amsterdam.
(2) Behoudens voor die aandeelen, die op een en dertig Maart
negentienhonderd en zes reeds ten name van meerdere eigenaren
zijn ingeschreven, erkent de Bank slechts één eigenaar voor elk
('hee'l of half) aandeel; overschrijving van een aandeel geschiedt
slechts ten name van één eigenaar.
(‘3) Eigendomsovergang van aandeelen is ten aanzien der Bank
alleen geldig door overschrijving in het register van aandeelen.
(4) Die overschrijving geschiedt in Nederland-sch—Indië bij het
Hoofdbure‘au en in Nederland bij het bijkantoor te Amsterdam;
bij ei-gendo-msovengang onder de levenden, op schriftelijke verkla—
ring van den vennoot en de verkrijger, bij eigendomsovergang door
versterf op voldoend bewijs van het recht wan den verkrijger. Bij
verandering van staat van den vennoot, bij verpanding. vrucht-
gebruik of andere beperking in de vrije beschikking, heeft daarvan
aanteekening plaats in het register volgens eene schriftelijke ver-
134 "
klaring van den belanghebbende met overlegging van de bewijs—
Stukken.
(5) Geene overschrijving van aandeelen, noch aant-eekening van
daarop gevestigd vruchtgebruik heeft plaats. dan nadat alvorens
de bewijzen van aandeel zijn ingeleverd, ‚ten einde een of ander
daarop te vermelden. _
(6) De overschrijving of aanteekening kan geweigerd worden
wanneer geene bescheiden zijn overgelegd of de overgelegde, naar
het oordeel der Bank, onvoldoende zijn; in geen geval is de Bank
voor de geldigheid of de gevolgen der gedane overschrijving of
aanteekening aansprakelijk
(7) De eigenaar van twee halve aandeelen kan die ten zijnen
koste tot een heel aandeel doen vereenigen en zich daarvan een
nieuw bewijs van aandeel doen afgeven.
(8) Voor ieder aandeel wordt, voor het eerst tijdig vóór de be-
taeülbaarstelling van het dividend over het boekjaar negentien-
honderd en zes — negentienhonderd en ‚zeven, voor den eigenaar
een stel dividendbewijzen benevens een talon ter verkrijging van
verderedividendbewijzern bij het Hoofdbureau der Bank beschik-
baar gesteld; deze stukken dragen het nummer van het aandeel
waartoe zij behooren.
(9) ‘De directie is bevoegd om, op verzoek en op kosten van be-
llanghebbenden en onder de noodige waarborgen„ onbruikbaar
gewordene, verlonene, gesto’lene of vernietigde bewijzen van aan-
deel, dividendbewijzen en ‚.talons, te vervangen door nieuwe
stukken, door de uitgifte van welke nieuwe stukken de oude
waarde-loos w-0nden.
(10) Nadere bepalingen omtrent die in dit artikel behandelde
onderwerpen en de betaling der dividendbewijzen worden, voor
zooveel noodig, bij een afzonderlijk reglement gemaakt.
Artikel 5.
(I) Het stemrecht ‚in de Javasche Bank wordt uitgeoefend door
die deelhebbers, die ingezetenen van Nederlandsch-Indië of Neder-
landers zijn en voor het aantal aandeelen, waarvan zij in het
register der Bank gedurende de laatste zes maanden bekend staan
als eigenaar. ‘
(2) Minstens twee tot en met vier aandeelen geven recht op één
stem, vijf tot en met zeven aandeeúen op ‚twee stemmen, acht tot
en met elf aandeelen op drie stemmen, twaalf tot en met vij ftien
aalndeelen op vier stemmen, zestien tot en met negentien aandeelen
op vijf stemmen, twintig aandeelen en daarboven op zes stemmen.
(3) Gehuwde mannen kunnen opkomen voor hunne vrouwen,
vaders en voogden voor minderjarigen, curators en bewindvoer-
ders voor de aan hunne zorg toevertrouwde personen en boedels,
bestuurders voor zedelijke lichamen en maatschappijen.
(4) Het stemrecht kan worden uitgeoefend door lasthebbers,
van eene schriftelijke vdlrnach't voorzien, mits zelv-en stemgerech-
135
tigde aandeelhouders en geen leden der directie of commissarissen
zijnde.
(5)
Niemand kan voor zich zelf meer dan zes stemmen, of voor
zich en anderen gezamenlijk of in welke andere hoedanigheid ook,
meer dan acht-tien stemmen uitbrengen.
HOOFDSTUK II.
OPeratiën der Bank.
Artikel 6.
De operatiën der Bank bestaan:
1.
II.
111.
W.
VI.
in het in disconto nemen:
a. van wisselbrieven, assignatiën en orderbriefjes, met twee
of meer solidair verbondenen, met geen langer looptijd
dan de gebruiken des handels medebrengen en in geen
geval van langer dan zes maanden;
van binnen vier maanden aï¬losbare sch-uldbrieven of
rentebewijzen, van Nedenlandsoh—Indische, Nederland-
sche of vreemde schuld, en van soontge-lijk'e stukken van
bijzondere lichamen ‘of vennootschappen, altijd onder
solidaire medeverbintenis van den discon‘tant;
van in Nedeflandsch-Indië voor vemdurendementen af-
gegeven mandaten of ordonnanciën op "s Lands kassen;
in het in be'leening nemen van-‚ dan wel verleenen van cre-
dieten of voorschotten in rekening—courant tegen onder-
pand van:
C.
a. effect-en, hetzij staatsschulden, hetzij aandeelen in— of
obligatiën van bijzondere lichamen of maatschappijen;
b. goederen, waren en koopmanschappen, munt en munt-
materiaa‘l benevens de deze vertegenwoordigende af-
scheep- en of opslagdocum-enten of c-e-dul‘len;
c. de sub I genoemde waarden;
in de tijdelijke uitzetting in prolongatie van eventueel te
Amsterdam overtollige middelen ;
in het koopen en verkoopen van wisselbrieven, buiten
Nederlandseh—Indië betaalbaar, met geen langer looptijd
dan de gebruiken des handels medebrengen, en
a. met twee of meer solidair verbondenen, of
b. getroldken tegen credietbrieven of onder verband van
afscheepdocumenten ;
. in. den handel in muntmateriaal en uitheemsche munt en
bankpapier en het essayeeren van ertsen en metalen;
in het ontvangen. en weder uitbetalen van gelden in reke-
ning-courant en voorts in het in-casseeren van waarden, 200
voor publieke inrichtingen als voor bijzondere personen en
lichamen;
186
VII. in het ‚in bewaringn-emen van gelden en andere waarden,
desverlangd met bijbehoorende administratie, en het ver-
huren van brandkasten of andere ruimte in bare gebouwen;
VIII. in het overmaken van gelden, zoowel met telegrafisch ‘a‘d—
vies als door het afgeven van zichtwissels of assignaties
tusschen ‘har-e Indische kantoren onderling en tusschen deze
kantoren en haar bijkantoor te Amsterdam. Trekking tegen
voorkomende credit«saldi bij correspondenten mag slechts
geschieden telegrafisch of op zicht;
IX. in het beleggen van het maatschappelijk kapitaal in Neder—
landsche of N edenlandsch-Indische staatsschuld en in andere
te Batavia, te Amsterdam of op andere voorname plaatsen
in Europa dagelijks verhandelbare schuldbewijzen, of in
eerste hypotheken op onroerend-e goederen in Nederlandsch—
Indië;
X. in buitengewone omstandigheden, ter beoordeeling van den
Gouverneur‘Generaa‘l en voor zoover Hem noodig voor‘
komt, onder door Hem te stellen voorwaarden, in het in
beleening nemen van— dan wel verleenen van credieten of
voorschotten in rekening—courant tegen onderpand van
hypothecaire vorderingen en andere voor overdracht of be—
leening vatbare en bij gesohrifte aangegane inschulden.
Artikel 7.
(1) De beleeningen worden voor niet langer dan drie maanden
gesloten, met uitzondering van die op ondenpanden te geven door
het Gouvernement, goud, zilver, juweel-en en mun-tspeciën, welke
voor zes maanden mogen worden aangegaan.
(2) Het in beleening voor te schieten bedrag wordt, in elk bij-
zonder geval, door de directie bepaald. -
(3) Bij daling van prijzen gedurende den loop der beleening
wordt het voorgeschoten bedrag in evenredigheid verminderd of
het pand vermeerderd.
Artikel 8.
Voor de termijnen en de bedragen der credieten of voor-
schotten, bedoeld in paragraaf II van artikel 6, gelden de voor—
schriften van artikel 7.
Artikel 9.
lD€ som der op den voet van ä IV van artikel 6 in buiten
Nederlandsch—Indië betaalbaar papier belegde gelden, mag nooit
langer achtereen dan gedurende een tijdperk van 6 maanden het
bedrag van het dubbele van het beschikbaar me‘taa‘lsaldo der Bam-k
te boven gaan. In buitengewone omstandigheden, ter beoordeeling
van den Gouverneur—Generaal en voor zoover ‚hem noodig voor-
komt mag dit bedrag worden vergroot tot een limiet alsdan door
hem te bepalen.
137
(2) De in paragraaf X van artikel 6 bedoelde operatiën mogen
een bedrag van vier millioen gulden niet te boven gaan, met dien
verstande, dat slechts tot een maximum van twee millioen gulden
kan worden verstrekt tegen onderpand van hypothecaire vorde-
ringen, e-n evenzeer slechts tot dat maximum tegen onderpand der
andere in die paragraaf bedoelde vorderingen.
(3) Het gezamenlijk bednag der beleggingen, bed-Oeld in para—
graaf IX van artikel 6, oversdhrijdt nimmer het gestort kapitaal
der Bank. ’ '
(4) ‚De lijst der schuldbewijzen in diezelfde paragraaf bedoeld,
wondt door de Directie en den Raad van Commissarissen in eene
gemeenschappelijke vergadering vastgesteld en 200 noodig van
tijd tot tijd herzien. Vóór- of achteruitgang van de waarde der
aan de Bank toebehoorende effecten wordt ten bate of ten laste
van het in artikel 38 bedoelde reservefonds gebracht.
(5) In hypotheken ten behoeve der Bank wordt nimmer meer
belegd dan één/derde van het gestort kapitaal der Bank.
(6) Onder het maximum, bedoeld in het derde en vijfde lid van
dit artikel, is de waarde begrepen der door de Bank, krachtens het
voorlaatste llid van artikel 10, aangekochte vaste goederen, die
bij haar beleend zijn geweest.
(7)Geen hypotheek mag te boven gaan het twee/derde gedeelte
van de getaxeerde waarde van het pand, noch anders dan met een
opzeggingstermijn van uiterlijk zes maanden worden gesloten.
(8) De Gouverneur—Generaal kan, de directie der Bank gehoord,
ingevolge Koninklij'ke machtiging, beperking van het in het derde
of het vijfde ‘lid van dit artikel bedoeld maximum gelasten, of wel
venklaren, dat een of meer der voormelde beleggingen hebben
opgehouden tot de opera-tiën -der Ban-k te behooren.
Artikel 10.
(I) De Bank houdt zich met geene andere operaties bezig dan
de in artikel 6 genoemde.
(2) Behoudens hetgeen in het vierde lid van artikel 11 bepaald
is omtrent het geven van voorschotten in rekening’couran’t op
onderpand van Nederlandsch—Indische schatkistbiljetten, verleent
zij aan niemand, wie het ook zijn moge, crediet of voorschot in
blanco.
(3) Zij neemt geen deel in een-ige handels—, nijverheids- of
andere onderneming.
(4) Zij kan hare eigen aandeelen niet inkoopen of beleenen.
(5) Onverminderd de bepaling van arilke‘l 6 paragraaf IX,
koopt zij geene effecten, goederen, war-en of koopmanschappen,
dan alleen in bijzondere gevallen, ter vermijding van schade, zoo-
dan-i-ge onderpanden van beleeningen waarvan de aflossing achter-
wege is gebleven, evenwel onder de bepaalde verplichting, zoo—
danige benaderde onderpanden niet als geldbelegging te behouden.
138
doch 200 spoedig mogelijk van de hand te zetten tot den eersten
eenigszins bijkomenden prijs.
(6) Met uitzondering van de vastigheden vereisch't voor haar
bedrijf, koopt of bezit zij geene vaste goederen dan alleen die,
welke bij haar 1beleend zijn, ingeval de aflossing der daarop
rustende hypothecaire schuld achterwege is gebleven, behoudens
de verplichting van wederverkoop uiterlijk binnen twee jaren,
tenzij de Gouverneur—Generaal in! bijzondere gevallen, op voorstel
der Bankdirectie, dien termijn modht wensdhen te verlengen.
(7) Zij schiet geene gelden voor onder verband van schepen.
Artikel 1 1.
(1) De Bank belast zich binnen de grenzen van. haren werk-
kring kosteloos met het uitvoeren van Commissiën door het
Gouvernement aan haar opgedragen.
(2) Voorts belast zij zich met de kos‘telooze bewaring ‘der alge-
meene Landskas en, eveneens kosteloos, met de functiën van
Gouvernements kassier, 200 te Batavia als op alle plaatsen, waar
zij Agentschappen heeft of vestigt. Voor een en ander is zij ver-
antwoordelijk aan den Gouverneur—Generaal en rekenplichtig aan
de Algemeene Rekenkamer in Ne‘derlîan‘dsoh—I’ndië.
(3) De Bank is tevens gehouden tot de kostelooze overmaking
van gelden ten beh0eve van den Lande tusschen het hoofdbureau
en hare Agentschappen en tussch-en die Agentschappen onderling.
Voor overmakingen tegen den parikoers tussche:n Nederland
en Nederlandseh—Indië, en naar of van hare eorr’espon‘dentsohap‘
pen gelden bijzondere bepalingen, door den Gouverneur-Generaal
in overleg met de directie der Bank vast te stellen.
(4) De Bank zal aan het Gouvernement, telkens wanneer de
Gouverneur—Generaal dit tot tijdelijke versterking van"s Lands
kassen noodig acht, voorschotten in rekening—courant verstrekken
op voldoend onderpand, dat ook kan bestaan in Nederlandsche
schatkistbilje-tten of in Neder-landsch-Indúsche sohatkistbiljetten
zullende evenwel deze laatste niet in onderpand mogen worden
gegeven dan nadat het aangaan van leeningen ten laste van
Nederlandsch-Indië en de uitgifte van Ned-erlandsch-Indische
schatkistbiljetten wettelijk zullen geregeld zijn. De verplichting
tot het verstrekken van die voorschotten houdt op, zoodra en voor
zoolang als het beschikbaar metaalsaldo der Bank beneden drie
millioen gulden is gedaald.
(5) Deze voorschotten mogen tegelijkertijd gezamenlijk niet meer
dan vÃj f millioen gulden bedragen en worden verstrekt tegen eene
rente niet hooger dan twee en een half percent ’s jaars.
(6) De Bank belast zich in Nederlandsch-«Indië kosteloos met
het kassiersohap der Postspaarbank en met de bewaring van de
aan die instelling toebe-hoorende of door deze in pand genomen
waarden
139
Artikel 12.
(I) De Bank mag biljetten uitgeven, verwisselbaar in wettige
betaalmiddelen, doch tot geen lager bedrag dan Wan f 5 (vijf
gulden). ‘
(2) Het bedrag, de inhoud en de inrichting dier biljetten worden
door de directe, evenwel wat het bedrag betreft na bekomen goed—
keuring van den Gouverneur-Generaal, bepaald en bekend gemaakt
door aankondiging in het officieel nieuwsblad.
(3) Deze biljetten zijn dagelijks op de door de directie der
Bank vastgestelde uren bij het Hoofdbureau der Bank en. bij hare
Agentschappen op vertoon betaalbaar, met uitzonderng van de
dagen, waarop de Gouvernementsbureaux gesloten zijn en van de
dagen, waarop het zoogenaamd Mohamedaansch Nieuwjaar (Gare-
beg Poeasa) en het Ohineesch Nieuwjaar vallen.
(4.) De betaling bij die Agentschappen kan echter worden uit—
gesteld tot dat specie van het Hoofdbureau zal kunnen omt-
vangen zijn. —
(5) De Gouverneur-Generaal ’kan de Bank ontheffen van de
verplichting tot betaling van hare biljetten bij de Agentschappen,
die gevestigd zijn op plaatsen, door Hem aangewezen of nader
aan te wijzen.
(6) De Bank is verplicht tegen overneming van standpenningen
aan het Gouvernement biiljetten te leveren tot zoodanig bedrag
als zal worden verlangd.
Artikel 13.
(I) De houder van een biljet der _Ãavasche Bank is uitsluitend
gerechtigd om de betaling der daarin uitgedrukte geldsom van de
Bank te vorderen.
(2) Wegens verlies om vernietiging van Bankbiljetten behoeft
door de Bank geene vergoeding verleend te worden.
(3) Voor gedeelten van biljetten behoeft door de Bank geene
vergoeding verleend te worden, dan onder zoodanige waar-
borgen als de directie noodig zal oordeelen ter voorkoming van
schade voor de Bank.
(4) Bij v-endenking wegen-s misdrijf of op schriftelijk aanzoek
van belanghebbenden, staat het der Bank vrij kwitantie en
afteekening der biljetten te vorderen van hem, die ze ter inwisse-
ling aanbiedt.
‚(5) ‘De bepalingen van de artikelen 226, 227 en 228 van het
Wetboek van Koophandel zijn niet van toepassing op de bank-
biljetten.
>(6) Geene door de Bank uitgegeven en nog niet bij haar ter
betaling aangeboden biljetten kunnen ingetrokken en buiten om-
loop gesteld wond-en, dan krachtens eene machtiging van den
Gouverneur-Generaal, die bij het verleenen van die machtiging
ook den termijn vaststelt voor de inwisseling toe te staan. De
intrekking wordt in het officieel nieuwsblad bekend gemaakt.
140
(7) Na den bepaalden termijn worden de alzoo buiten omloop
gestelde biljetten alleen aan het Hoofdbureau der Bank ingewisseld
‘na behoorlijk onderzoek, dat echter niet langer dan drie maanden
mag duren. ""‘"‘
(8) Twee jaren na ge-n-oemden termijn kan het bedrag der
buiten omloop gestelde, doch dan nog niet ter inwisseling aange-
boden biljetten door de directie, in overleg met den Raad van
commissarissen, in de balans worden afgevoerd van het hoofd
„Bankbiljetten in omloop†en gevoegd bij het Reserve'fonds.
(9) De daarna nog opkomende biljetten behoorende tot de
ingetrokken en buiten omloop gestelde seriën, worden na het
onderzoek, bedoeld in het zevende lid van dit artikel, ingewisseld
en betaald ten laste van ‘het Reservefonds of van de winst- en
verliesrekening, .ter beoordeeling der directie.
(10) Van zoodanige late-re inwisselingen wordt aan het einde
van elk boekjaar afzonderlijk melding gemaakt in het verslag van
den president.
(11) Biljetten, die ‚in de kassen der Bank terugvloeien en die
zij wegen-s beschadiging of om andere redenen niet meer voor
wederuitgifte geschikt oordeelt, worden van wege de Bank gemerkt
op zoodanige wijze als door de directie zal worden bepaald en
bekend gemaakt door aankondiging in het officieel nieuwsblad.
(12) Zoodanig gemerkte biljetten zijn waardeloos, en behoeven
door de Bank niet betaald te worden, indien zij door diefstal of
anderszins weder in omloop mochten komen.
Artikel 14.
Behalve bankbiljetten en de zichtwissels of assignaties, bedoeld
in paragraaf VIII van artikel 6, zal de java.sohe Bank geen papier
uitgeven.
Artikel 15.
(1) De verhouding, waarin het gezamenlijk bedrag van bank—
biljetten, rekening-00urant-saldi en andere van de Bank dadelijk
opeischbare vorderingen door munt of muntmateriaal moet zijn
gedekt, wordt door den Gouverneur—Generaal, ingevolge Kolhink—
lijke machtiging, bepaald en in het Staatsblad van N ederlandsch—
IndÃ'e' bekend gemaakt. Zij kan voor zooveel noodig van tijd tot
tijd worden gewijzigd.
(2) Van de in de eerste alinea bedoelde verplichte metaaldek-
king moet ten minste drie vierde in Nederlandsch—Indië aanwezig
zijn; ten minste de helft van de ‘in‘ de eerste alinea bedoelde ver-
plichte dekking moet bestaan uit Nederlandsch-«I-ndisohe en in
Nederlandsoh—Indië aanwezige standpenningen. De Gouverneur-
Generaal kan voor een termijn van ten hoogste drie maanden van
de laatstbedoeld-e verplichting om ten minste de helft van de ver-
plichte metaaldekking te doen bestaan uit Nederlandsch«Indische
standpenni-ngen, dispensatie verleenen, wanneer hem de noodzake-
lijkheid daarvan wordt aangetoond.
141
Artikel 16.
De biljetten d-er Bank zijn vrij van zegel.
Artikel 17.
De directie doet eenmaal ’sweeks eene kosteloos in het officieel
nieuwsblad op te nemen mededeeling van den staat der Bank of
van eene verkorte balans, in een door haar ontworpen en door den
Gouverneur—Generaal goedgekeurden vorm.
HOOFDSTUK III.
Bestuur der Bank.
Artikel 18.
(1) De directie der Javasche Bank bestaat uit een president en
twee directeuren, van welke een als secretaris fungeert.
(2) Voorts zijn er een eerste en een tweede plaatsvervangend
president en een eerste en een tweede plaatsvervangend directeur.
(3) De directie vertegenwoordigt de vennootschap in en buiten
rechten. Zij is tot alle handelingen, de Bank en hare operatiën
betreffende, bevoegd, voor zooverre die bevoegdheid bij deze
statuten niet is beperkt.
(4) De directie neemt in alle openbare stukken den titel aan
van: president en directeuren d‘er javasche Bank.
(5) Alle akten en verbintenissen worden namens de directie
door den president en den directeur-secretaris geteekend.
(6) De ‘Directi‘e is bevoegd voor assignatiën, kwîj-tingen en
andere onderwerpen, de onderteekening aan den directeur-secre—
taris alleen of aan daartoe bepaald aan te wijzen beambten op te
dra-gen.
Artikel 19.
(1) Er is een Raad van Commissarissen, bestaande uit vijf leden,
die voor vijf jaren worden gekozen door de stemgerechtigde aan-
deelhouders.
(2) Commissarissen kiezen zich onderling een president en een
secretaris. .
(3) Jaarlijks treedt een der commissarissen met een Augustus
af naar ouderdom van dienst. De aftredenden zijn weder verkies-
baar.
(4) Ingeval van vacature tusschentijds, wordt die aangevuld
door eene verkiezing in eene hiertoe te beleggen buitengewone
algemeene vergadering.
(5) De optredende Valt in de plaats van den uitgevallene, wat
betreft de beurt van uittreding.
Artikel 20.
(I) Het toezicht op de handelingen der directie en het opnemen
en goedkeuren namens de dee-lhebbers der jaarlijksche rekening
en verantwoording der directie aan commissarissen opgedragen.
142
(2)Vergaderd zijnde, hebben zij het recht, telkens wanneer zij
dit geraden oordeelen, van de directie inlichtingen en openlegging
van alle bescheiden, de Bank betreffende, te vragen, en zoodanige
opmerkingen te maken, als zij doelmatig achten.
(3) De Raad van Commissarissen is bevoegd ‚tot benoeming
van een gedelegeerde en een plaatsvervangend gedelegeerde in
Nederland, welke aldaar, met uitzondering van de goedkeuring
der jaarlijksche rekening, dezalfde Bevoegdheden zullen hebben als
in Nederlandsch-Indië de Raad van Commissarissen.
(4) H11jllll’l‘Ë instructie en belooning worden door den Raad van
Commissani-ssen vastgesteld en onderworpen aan de goedkeuring
van den Gouverneur-Generaal.
Artikel 21.
(1) Om tot president, plaatsvervangend president, directeur of
plaatsvervanged directeur der Javasohe Bank te worden benoemd,
moet men zijn Nederlander, zijn woonplaats vestigen daar waar
het Hoofdbureau is, in het genot van zijne burgerlijke en staat-
kundige rechten zijn, en in de Bank deelnemen: de president
voor minstens dertig, de directeuren ieder voor minstens twintig
en de plaatsvervangende presidenten en directeuren ieder voor
minstens twee aandeelen, die, zoolang zij hunne betrekking ver-
vullen, onvervreemdbaar zijn.
(2) "De president en de directeuren mogen geene andere bezol-
dig-d-e posten, ambten of bedieningen hoegenaamd bekleeden.
(3) Als zoodanig worden echter niet beschouwd voor president
en directeuren, de ambten, die de rege-ering hun mocht opdragen.
of doen opdragen; voor de directeuren het ambt van commissaris
of gedelegeerde van commissarissen bij naamlooze of commandi-
taire vennootschappen.
(4) Een directeur mag echter zulk eene betrekking niet aan-
vaarden dan met goedkeuring van den president en zijn mede—
directeur (of eventueel hunne plaatsvervangers).
(5) Twee directeuren mogen niet gelijktijdig commissaris zijn
‘ bij dezelfde vennootschap.
(6) President en directeuren mogen ook geen handel drijven of
bij eenige .handelsoperatie belang hebben, anders dan als houders
’van aandeelen in—, of obligatiën van naamlooze of commanditaire
venootschappen.
(7) Zij mogen elkander niet bestaan in of binnen den derden
graad van bloedverwantsehap of zwagerschap. Na hunne benoeming
in den verboden graad van zwagerschap gerakende, kunnen zij
hunne bediening niet behouden, zonder vergunning van den
Gouverneur—Generaal.
(8) Alvorens in functie te treden, leggen de president, de plaats-
vervangende presidenten, de directeuren en de plaatsvervangende
directeuren in handen van den Gouverneur—Generaal den eed (be-
lofte) van zuivering af, tevens zwerende (belovende) om in al
143
hunne handelingen in hunne voormelde hoedanigheden de zaken
der Bank voor te staan, en zich in alle opzichten naar
de statuten der Bank, de bepalingen van het huishoudelijk regle-
ment en verdere instructiën te zullen gedragen. Een gelijke eed
(belofte) wordt door de agenten en de andere beambten ter ver-
gadering van de directie in handen van den president afgelegd,
dan wel elders in handen van eene door de directie gedelegeerde
autoriteit of persoon.
(9) Ingeval van ontstentenis, ziekte of verhindering van den
president, worden diens functiën waargenomen door den eersten
plaatsvervangend president en bij diens ontstentenis, ziekte of
venhindering‘ door den tweeden plaatsvervangend president.
(10) Ingeval vam ontstentenis, ziekte of verhindering van een
of meer der directeuren treedt de eerste plaatvervangend directeur
en zoo noodig ook de tweede plaatsvervangend directeur in functie.
Artikel 22.
(1) Om tot commissaris te kunnen worden benoemd, moet men
zijn stemgerechtigd deelhebber, ter plaatse van het Hoofdbureau
of daar nabij woonachtig en in het genot van zijne burgerlijke
rechten.
(2) Commissarissen genieten gezamenlijk, als presen-tie’geld, de
in artikel 34 bedoelde remuneratie, onder ‘hen te vendieelen naar
gelang van het aantal vergaderingen, door ieder van hen in het
afgeloopen jaar bijgewoond. ’
Artikel 23.
(1) De president der Bank wordt door dan Gouverneur—Gene-
raal onder ’s K-onings nadere goedkeuring, telkens voor den tijd
van vijf jarctn, benoemd.
(2) In eene gemeenschappelijke vergadering van de directie en
de commissarissen wordt voor de benoeming eetne aanbevelings-
lijst van twee personen opgemaakt, welke den Gouvenne1u’r—Gene—
raal wordt aangebodetn, ten einde daarop door Hern zooveel acht
kunne worden geslagen als Hij zal vermeenen te behooren.
(3) De plaatsvervangende presidenten, de directeuren en de
plaatsvervangende directeuren worden door den Gouverneur-
Generaal mede voor den tijd van vijf jaren benoemd, uit eene
voordracht van twee of meer personen, opgemaakt in eene ge—
meenschappelijke vergadering van de directie en de commissa—
rssen.
(4) Bij stemstaking beslist het lot.
(5) De aftredende ris weder benoembaar.
(6) Tenzij op eigen verzoek, kunnen de president, plaatsv‚’er—
vangende pnesidenten, directeuren en plaatsvervangende direc-
teuren tusschentijds niet worden ontslagen dan op eene, met rede-
nen omkleeede, aan den Gouvereur—Generaal in te dienen voor—
dracht van den Raad van commissarissen.
144
(7) Bij eindiging van het octrooi in: den loop van eenig in dit
artikel bedoeld vijfjarig tijdvak van benoeming, eindigt tevens die
benoeming van rechtswege, tenzij een nieuw octrooi wordt ver—
leend. De bemoemden blijven evenwel, zoo noodig, hunne functiën
uitoefenen, totdat door dee:lhebber.s de wijze van benoeming der
directie zal zijn geregeld en dienovereenkomstig in het bestuur
der vennootschap zal zijn voorzien.
(8) De bezoldiging van dein president en die van elk der direc—
teuren wordt door den Gouverneur-Generaal vastgesteld.
(9) De bezoldiging van de plaatsvervangende presidenten en
van de plaatsvervangende directeuren wordt in eene gemeen-
schappelijke vergadering van de directie en den Raad van com-
missarissen vastgesteld.
Artikel 24.
De directie arresteert de huishoudelijke en andere reglementen,
bepaalt de organisatie van het Hoofdbureau, de inrichting en
werkkring van het bijkantoor te Amsterdam en van de agent—
schappen en corre.spondentschappon, beslist over het doen van
voorstellen tot vestiging van nieuwe of tijdelijke sluiting of op—
heffing van reeds bestaande of later te vestigen agentschappen
en correspondentschappon, een en ander met inachtneming van
het bepaalde bij artikel 2 dezer statuten, regelt de verdeellihg van
het hierna te noemen aandeel ‘in de netto winst onder het pens‘oï¬â€™meel
en benoemt en ontslaat de beheerders van het bijkantoor te
Amsterdam, agenten, correspondenten en de beambten der Bank,
op voordracht van den president.
Artikel 25.
(1) Van Gouve-nnementswege wordt toezicht op de handelingen
der Bank uitgeoefend door een Gouvernements—oommissaris, door
den Gouverneur—Generaal te benoemen en te ontslaan.
(2) De Gouvernements—comrnissaris heeft het recht alle ver—
gaderingen van stemgerechtigde aandeelhouders, van den Raad
van commissarissen en van de directie met den Raad vain com—
missarissen bij te wonen en daarbij eene raadgevende stem uit te
brengen.
(3) Zelfs indien hij aandeelhouder lis, heeft ‘hij moch als zoo-
danig, noch als gemachtigde, stemrecht in de vergaderingen door
hem als Gouvernements-comrnissanis bijgewoond.
(4) De directie der Bank is gehouden hem telkens op zijne aan-
vrage al die inlichtingen te verstrekken, welke hij tot behoorlijke
uitoefening van zijn toezicht noodig acht.
(5) De instructie van den Gouvernernents-commissaris wordt
door den Gouve-rneur—Gemeraal vastgesteld. ’
(6) De eventueele bezoldiging van den Gouvernem‘eurts-commis—
saris komt niet ten laste van de javasche Bank.
‚ 145
HÔOFDSTUK IV.
Vergaderingen.
Artikel 26.
(I) De directie vergadert minstens eenmaal ’s weeks, of 200-
veel meer, als de president zulks noodig oordeelt.
(2) Op verzoek van een der directeuren is de president tevens
verplicht vergaderingen te beleggen.
(3) Van het venhandelde wordt aant-eekening gehouden.
(4) Omtrent de in die bijeenkomsten ter tafel gebrachte onder—
werpen, wordt bij meerderheid van stemmen beslist.
(5) De directie is bevoegd een of meer d‘îîr commissarissen uit
te noodigen, in hare vergaderingen zitting te nemen, om als advi-
seur te worden gehoord.
Artikel 27.
(1) ‚De Raad van commissarissen vergadert zoo dikwerf als de
president der Bank of die van dien Raad zulks noodig acht.
(2) Op verzoek van drie commissarissen, is laatstgenoemde ver—
plicht eene vergadering te beleggen.
(3) Om wettig te vergaderen, wordt de tegenwoordigheid ver-
eisc‘ht van minstens drie cornm1sSarùssen.
(4) Van het verhandelde wordt aanteekening gehouden.
(5) Omtrent de in die bijeenkomsten ter tafel gebrachte onder-
werpen wordt bij meerderheid van stemmen en bij staking, door
die van den president beslist.
Artikel 28.
’(I) Minstens eenmaal in de drie maanden wordt eene gemeen-
schappelijke vergadering van de directie en den Raad van 00m-
missarissen gehouden.
(2) De president der Bank kan te allen tijde eene gemeenschap-
pelijke vergadering beleggen.
(3) Op verzoek van den Raad van commissarissen, is de Pre-si-
dent der Bank evenzeer gehouden die te beleggen.
(4) ‘De president der Bank bekleedt ‘het voorzitterschap dier
vergaderingen en de directeur—secretaris de Ãunctiën van secre-
tari’s.
(5) Omtrent de in die bijeenkomsten ter tafel gebrachte onder-
werpen wordt bij meerderheid van stemmen beslist.
(6) Bij staking van stem-men, beslist die van den president der
B|ank, waar het algemeene belangen, —- die van den president van
den Raad van commissarissen, waar het bijzondere belangen van
leden der directie betreft, behoudens het bepaalde bij alinea 4 van
artikel 23. '
(7) Minstens eenmaal in elk boekjaar wordt in eene gemeen-
schappelijke ‘verg1a‘de‘ni‘ng van de directie en den Raad van com-
missarissen de lijst herzien der schuldbewijzen, bedoeld bij para-
graaf IX van artikel 6 en bij het vierde ’‚l‘id‘ van artikel 9.
10
146
Artikel 29.
(1) De algemeene vergadering van stemgerechtigde deelhebbers
wordt gehouden ten kantore van het Hoofdburea-u onder voor-
zitti-ng van den president ‘d‘e-r Bank.
(2) ‘.De directeur-s’exìretaris houdt aanteekening van het ver—
handelde.
(3) De aanteekeningen worden bekrachtigd door de leden der
directie en evenveel leden van den Raad van commissarissen,
wanneer zij tegenwoordig zijn, terwijl anders het getal van laatst-
genoemden wordt aangevuld uit aanwezige deel.hebbers.
(4) Voor het geval van het verhandelde in eene vergadering
van aandeelhouders een notarieel proces-verbaal wordt opgem!aakt,
is de teokening van den voorzitter met den notaris en .getuigem
voldoende.
(5) De gewone algemeene vergadering wordt bijeengeroepen
minstens veertien dagen ‘te voren, door aankondiging in het offi-
cieel nieuwsblad.
(6) ‚De punten, waarover zal worden gehandeld, worden bij het
Hoofdbureau en de. agentschappen op Java voor deelhebbe-rs ter
inzage gelegd.
(7) Geene andere onderwerpen of voorstellen worden in he-
handeling genomen dan die, waarvoor de algemeene vergadering
is uitgeschreven.
(8) Behoudens de uitgezonderde gevallen, 'beslist de vergadering
omtrent alle onderwerpen bij Meerderheid van stemmen.
(9) Bij staking van stemmen beslist de stem van den president.
(10) Bij keuze van personen wordt met gesloten briefjes ge-
stemd en bij volstrekte meerderheid beslist. Wanneer na twee vrije
stemmingen niemand de volstrekte meerderheid verkrijgt, wordt
bij eenvoudige meerderheid gekozen tusschen de twee of meer
personen, die de meeste stemmen op zich hebben vereenigd. Bij
staking van stemmen beslist het lot.
Artikel 30.
(1) De gewone algemeene vergadering wordt jaarlijks gehouden,
uiterlijk in de maand Juli, ten einde:
1. kennis te nemen van de balans der Bank, onder ultimo Maart
te voren afgesloten en zooals die zal zijn goedgekeurd door
den Raad van commissarissen;
2. aan te hooren het verslag, door den president te doen, van
hetgeen in het afgeloopen boekjaar ‚is voorgevallen;
3. kennis te nemen van het verslag van den Raad van com-
missarÃssen;
4. te vervullen de vacature van cormnissaris, open te vallen
met een Augustus;
5. ‘te beraadplegen en te beslissen over de aan. de orde zijnde
voorstellen.
(2) Alle voorstellen van stemgerechtigde ‘de‘e‘l‘heb‘bers moeten
147
schriftelijk en door minstens vijf h-unn-er onderteekend, aan de
directie worden medegedeeld, die daarvan kennis geeft aan den
Raad van commissarissen en ze kortelijtk onder de punten ter be-
handeling opneemt.
Artikel 31.
(1) Buitengewone algemeene vergaderingen van stemgerech-
tigde deelhebbers worden bijeengeroepen:
1. door den president der Bank;
2. door de directie;
3. op verzoek van den Raad van commissarissen;
4. op een schriftelijk verzoek van minstens twintig stemge-
rechtigde aandeelhouders, te zamen vijftig stemmen uit-
brengende; bij dat verzoek moet een bepaald voorstel ter be—
handeling en stemming worden geformuleerd.
(2) De bijeenr-oeping geschiedt minstens veertien dagen te voren,
op dezelfde wijze als die eener gewone algemeene vergadering.
(3) De regels van beraadslaging voor de gewone algemeene
vergaderingen vastgesteld, gelden ook voor de buitengewone.
Artikel 32.
(I) Buitengewone algemeene vergaderingen van stemgerech-
tigde dee-lhebbers ten doel hebbende:
a‚ we‘randeri‘ng dezer Staltuten;
b. v‘ergrooting van het Kapitaal;
— worden uitgeschreven minstens 2 maanden te voren door de
aankondiging in 'het officieel Nieuwsblad, zoowel in Neder-
landsch—Indië als ‘in Nederland.
Buitengewone algemeene vergaderingen van stemgerechtigde
deellhebbers ‘ten doel hebbende:
c. beslissing omtrent al of niet opzegging, bedoeld bij art. 43
alinea I;
d. beslissing omtrent al of niet voortzetting der vennootschap
volgens ant. 43 alinea 2;
worden op gelijke wijze uitgeschreven, evenwel met een termijn
van minstens 4 maanden te voren.
(2) Behoudens deze en de ondervolgende uitzondering zijn op
de bijeenroeping vìan en de beraadslaging in de in dit artikel
bedoelde vergaderingen toepasselijk de bepalingen van artikel 29
en 31 dezer Statuten.
(3) Omtrent de in dit artikel genoemde onderwerpen wordt be-
sloten met eene meenderheid van drie vierde de.r uitgebrachte
stemmen, minstens een derde van het kapitaal v‘ertegennvoor-
digende.
(‘4) Bijaldien het één derde van het kaipitaalI niet in de ver-
gadering is vertegenwoordigd, wordt het nemen eemor beslissing
uitgesteld tot eene tweede buitengewone a‘lgemeene vergadering,
welke voor de punten onder a en b in lid 1 van dit a.rtkel bedoeld,
minstens één maand Van te voren, voor de punten onder c en d
148
genoemd minstens 4 maanden te voren opnieuw door aankondi-
ging in die off-icieele nieuwsbladen wordt uitgeschreven.
(5) Zoodanìge lalter bijeengeroepen algemeene vergadening be-
slist bij meerderheid van drie vierde der aanwezige stemmen.
HOOFDSTUK V.
Balans, Dividenden en Rescrz’efonds.
Artikel 33.
(1) ‚Met den laatsten dag van de maand Maart van ieder jaar,
aan te vangen met een en dertig Maart negentienhonderd en
zeven, worden de boeken der Bank afgesloten en wordt daaruit
eene balans opgemaakt, welke zoo spoedig mogelijk met de be-
scheiden aan den Raad van commissarissen wordt voorgelegd.
(2) Deze zal de balans binnen de eerstvolgende maand onder-
zoeken en bij een beredeneerd verslag goed- of af‘k‘ejuren‘.
(3) Bij afkeuring worden de bestaande bedenkingen ter kennis
van de directie gebracht, en zoo ze niet in der mlim1e worden
opgelost, beslist daaromtrent eene commissie van vijf stemge—
rechtigde aandeelhouders, waarvan twee door de directie en twee
door den Raad van commissarissen worden benoemd. De keuze
van den vijfde geschiedt door de vier eerst‘benoeunden.
(4) De vastgestelde balans strekt der directie tot volledige
kwijt‘ing.
Artikel 34,
(1) De in eenig boekjaar verkregen winsten blijven, na aftrek
van hetgeen eventueel voor extra—reserve bestemd is, .ten bedrage
van zes percent van het geplaatste maatschappelijk kapitaal, uit-
sluitend ten voordeele van de deelhe‘bbers.
(2) Mochten de winsten in e-enig boekjaar minder dan zes per-
cent van dat kapitaal bedragen, dan wordt hetgeen er aan ont—
breekt, uit het reservefonds aan-gevuld, mits dit fonds niet beneden
vijftig percent van het geplaatste maatschappelijk kapitaal dale.
(3) Bedragen de winsten meer dan het eventueel voor extra-
reserve bestemd bedrag, en zes percent van het geplaatste maat-
schappelijk kapitaal, dan wordt van d‘l‘t meerdere:
1°. Vijftien (15) percent uitgekeerd aan tantièmes aan den Raad
van Commissanissen, de Directie en het overige personeel der
Bank, naar den maatstaf van onderscheidenlijk 3 %, 6 % en
6 % (drie percent, zes percent en zes percent).
2. f 30,000.— (d’entig duizend gulden) of zooveel minder als er
van het meerdere mocht overblijven, uitgekeerd aan het Pen-
sioe‘n— en‘ Onderstandfonds der Bank, voor zoover en tot
zoolang dat fonds nog niet het cijfer zal hebben bereikt, dat
ter nakoming der verplichtingen noodig zal blijken, krachtens
eene berekening door een door Directie en Commissarissen in
gemeenschappelijke vergadering te benoemen deskundige op
149
het gebied van levensverzekering, elke 5 jaren, en voor het
eerst per ultimo Maant 1911 op te maken. ’
(4) Het daarna nog van de winst overblijvende wordt, voor
zoover en zoolang het reservefonds minder dan f 2‘,000,000.—— (twee
millioen gulden) bedraagt, als volgt verdeeld:
1/a (een derde) aan het reservefonds,
1/a (een derde) aan de deelhebbers,
1/3 (een derde) aan de Koloniale kas.
(5) Voor zoover en zoolang het reservefonds f 2,000,000.——
(twee millioen gulden) of meer doch minder dan het bedrag van
het geplaatste maatschappelijk kapitaal bedraagt, wordt hetgeen
van de winst overblijft, na de uitkeeringen, bedoeld in lid I en
lid 3 van dit artikel, verdeeld als volgt:
2/„ (twee negende) aan het reservefonds,
-’/„ (drie negende) aan de deelhebbers,
‘/„ (vier negende) aan de Koloniale kas.
(6) Heeft het reservefonds het bedrag bereikt van het ge-
plaatste maatschappelijk kapitaal, dan wordt het anders voor het
reservefond’s afgezonderde 2/9 (twee negende) gedeelte tusschen
de Koloniale kas en de deelhebbers bij gelijke helften verdeeld.
(7) Buitengewone verliezen kunnen door de Directie, in overleg
met den Raad van Commissarissen, ten laste van het reservefonds
worden gebracht, na goedkeuring van de algemeene vergadering
van stemgerechtigde deelhebbers en na verkregen machtiging van
den Gouverneur—Generaal.
Artikel 35.
(1) Als grondslag voor de in artikel 34 bedoelde verdeeling der
winsten, s‘trelnt de jaarlijksche balans der Bank, zooals die door
den Raad van commissarissen is goedgekeurd en voor zoover zij
in overeenstemming is met de bepalingen van het octrooi en van
de statuten der Bank.
(2) Die door den Raad van commissarissen goedgekeurde balans
wordt g‘eactut door den Gouverneur—Generaal “te zijn goedgekeurd,
indien binnen eene maand na de ontvangst geene bezwaren
tegen die balans schriftelijk bij de directie zijn ingebracht.
(3) Over die bezwaren wondt in‘ het hoogste ressort beslist
door drie scheidslieden‚ met onderling goedvinden door den
Gouverneur—Generaal en de- directie der Bank gekozen of, bij ge-
mis aan overeenstemming, door den Raad van justitie te Batavia,
ten verzoeke van de meest gereede partij benoemd.
(4) De keuze of de benoeming zal zooveel mogelijk vallen op
personen, die geen aandeelhouder der Bank zijn.
(5) Het aandeel van het Gouvernement van Nederlandsch-Indië
in de winst der Bank vervalt, wanneer aan een ander dan de
javasche Bank mocht worden toegestaan bankbiljetten uit te geven
en in omloop ’te brengen, dan wel het Go‘uvïeîrn‘ement muntpapier
mocht uitgeven.
150
Antikel 36.
(1) De Bank bezit een pensioen— en onde-rstandfonds, bestemd
tot het uitkeeren van pensioen of onderstand aan eervol ontslagen
dienaren der Bank en aan hunne weduwen en weezen of aan die
van in den dienst der Bank overleden dienaren.
’(2) Nadere bepalingen omtrent een en ander zijn vervat in een
afzonderlijk reglement, dat slechts met toestemming van den Raad
van commissarissen kan worden gewijzigd.
(3) De gelden van dat fonds worden belegd op gelijken voet als
die van het Rese-rvefonds.
(4) De renten van de beleggingen gekweekt, kom-en (ten bate
van het fonds.
’(5) Vóór— of achteruitgang van de waarde der gekochte effecten
komen ten bate of laste van het fonds.
(6) Een eventueel nadeelig verschil tusschen de inkomsten
(contributiën, nente en de ‘in antikel 34 dezer statuten bedoelde
uitkeering uit de jaarlijksche winst) en de uitgaven van het fonds
over een afgeloopen boekjaar, kan door de directie met toesltem—
ming van den Raad van commissarissen, ten laste van de winst—
en ver-liesrekening der Bank wonden gebracht.
(7) De benadering ‘der met hypotheken bezwaarde ‚goederen kan,
bij gebreke van aflossing d-er schuld, geschieden onder de ver-
plichting bedoeld aan het slot de voorlaatste alinea van artikel 10.
Artikel 37.
(1) .De diviidenden der Bank worden betaald op vertoon en ‚tegen
overgave der in '.het achtste lid van artikel 4 dezer statuten be—
doelde dividendbewijzen en op verlangen der actiehouders, ook in
Nederland volgens den wisselkoers betaalbaar gesteld, na aftrek
van de aan de overmaking en uitbettaling verbonden kosten.
(2) Dividenden, waarover binnen vijf jaren na den dag, waarop
zij betaalbaar zijn gesteld, niet is beschikt, vervallen aan het
Rese‘rvef’onds van de Bank,
(3) Deze bepaling is ook van toepassing op de dividenden van
boekjaren aan de ;in\\‘er‘k‘ingtreding van deze statuten voorafgaande.
Artikel 38.
(1) De Bank bezit een reservefonds, dat, voor zoover zulks door
toepassing der bepalingen van dit en voorgaande antikelen kan
geschieden, wordt gebracht en gehouden op het bedrag van het
geplaatste maatschappelijk kapitaal en bestemd is tot de in deze
statuten omschreven doeleinden.
(2) Voor zoover de gelden van het reservefonds worden belegd,
geschiedt dat op gelijken voet als in paragraaf IX van art. 6 is
bepaald voor het maatschappelijk kapitaal. De renten van die Ibe-
=legging‘en gekweekt, worden onder de winsten der Bank opge—
nomen.
(3) Voor— of achteruitgang van de waarde de’r gekochte effecten,
wordt ten bate of ten laste van het Reservefonds gebracht.
151
(4) In buitengewone omstandigheden kan, op voorstel van eene
gemeenschappelijke vergadering van Directie en Commissarissen,
door de Algemeene Vergadering van stemgerechtig ‘e deelhebbers,
na verkregen machtiging van den Gouverneur-Generaal. besloten
worden, dat tijdelijk eene extra—reserve wordt aangelegd. Daarbij
worden dan tevens bepaald de omvang dezer extra-reserve en de
duur waarvoor zij ten hoogste mag worden gevormd en welk be-
drag daarvoor uit de winst van het boekjaar, na uitkeering inge-
volge lid 1 van artikel 34 zal worden bestemd. Tot verlenging
van dien duur of wijziging van ‚het bedrag dezer extra-reserve,
kan op gelijke wijze worden besloten.
‘(5) Na opheffing of afloop wordt het beschikbaar gebleven
saldo dezer extra—reserve bij de winst van het loopend boekjaar
gevoegd.
(6) De benadering der met hypotheken bezwaarde goederen
kan, bij gebreke van aflossing der schuld, geschieden onder de ver-
plichting bedoeld aan het slot van ‘het voorlaatste lid van
artikel 10.
Arbikel 39.
(1) Indien het Reservefonds bij het einde van het tijdperk, waar—
voor de bank het recht heeft om als circulatiebank wenkzaam te
zijn, blijken mocht meer te bedragen, dan op een en dertig ‘Ma-art
achttienhonderd een en negentig, volgens de balans over het boek-
jaar achttienhonderd negen‘tig/achttienhonderd een en negentig en
dat tijdperk niet weder wordt verlengd, ‘ ‘o‘mt dat m)eerdere voor
de helft ten voordeele van de Koloniale kas ‘en blijft het voor de
wederhelft ten bate der Bank.
(2) Indien bankbiljetten aan de ]avasche Bank ter betaling
worden aangeboden, waarvan het bedrag, ingevolge het achtste
lid van artikel 13 bij het reservefonds is gevoegd en die biljetten
door haar worden betaald na verdeel>ing van het reservefonds
ov‘ereenkomstig lid 1 van dit artikel, zal het Gouvernement van
Nederlandsc‘h—Indië verplicht zijn om de helft van het aldus be-
taalde aan de Javasohe Bank terug te betalen.
HOOFDSTUK VI.
Slotbepalingen.
Artikel 40.
(1) Omtrent alle verrichtingen d‘e‘r Bank met bijzondere per-
sonen of vennootschappen wordt, voor zooveel noodig, stipte ge-
heimhouding door de directie der Bank en ‚hare on-derhoorig‘en
bewaard.
(2) Gelijke geheimhouding wordt aan de commissarissen
opgelegd,
Artikel 41.
De bestaande huishoudelijke en andere reglementen blijven van
kracht totdat zij door nieuwe, ingevolge het bepaalde bij artikel
24, vervangen zijn.
152
Artikel 42.
(1) De tegenwoordige statutenwijziging treedt in werking op
een April negentienhonderd en zes‘; in het bijzonder worden de
onderwerpen geregeld in artikel 33 tot en met 38, voor zooverre
zij het boekjaar negentienhonderd en vijf/negentienhonderd en
zes betreffen, afgedaan overeenkomstig de vóór deze wijziging
geldende bepalingen. ‘
(2) De op een en dertig Maart negentienhonderd en zes reeds
benoemde leden en plaatsvervangende leden van de directie en
leden van de Raad van commissarissen worden in hunne betrek-
kingen gehandhaafd, en wel, voor zoov-erre zij voor een bepaalden
tijd benoemd zijn, gedurende dien tijd.
Artikel 43.
(1) Wanneer zulks mocht worden verlangd door een dergenen
die volgens artikel 31 dezer statuten bevoegd zijn eene buiten—
gewone algemeene vergadering ‚van aandeelhouders bijeen. te
roepen, zal door die vergadering worden beslist, of de vennoot-‘
schap al of niet’gebruik zal maken van haar recht tot opze-ggìng
van het octrooi.
(2) Ingeval volgens het octrooi het recht der Bank om als
circulatiebank werkzaam te zijn te eeniger tijd miocht eindigen,
zal in eene buitengewone algemeene vergadering van aandeel—
houders, te houden minstens één jaar vlóór dat tijdstip, worden
beslist of en, 200 ja, onder Welke bepalingen, de vennootschap zal
worden voortgezet.
(3) Bij besluit tot niet voortzetting zal tevens de wijze van ver—
effening der vennootschap worden vastgesteld.
Artikel 44.
Beh-oulens de toepassing van het bepaalde bij alinea 3 van
artikel I dezer statuten of het geval voorzien bij alinea 2 van
artikel 47 van het Wetboek van Koophandel kan de vtennootschap
niet vóór het einde van het in de eerste twee alinea’s van artikel I
dezer statuten bedoeld tijdperk tusschentijds ontbonden worden.
Artikel 45.
Omtrent zaken, welke bij deze statuten niet zijn geregeld, wordt
beslist door de algemeene vergadering van aandeelhouders.
[Particuliere Westdndische Bank. ' ‘
Opger. Publ. 9’ Mrt. 1829 G. B. 2 (Publ. 5 Juni 1829 -G. B. 7 en
8; Publ. 11 en 15 Sept. 1829 G. B. 14 en 15) Publ. 3 Mei 1831
G. E. 9; K. B. 21 Mrt. 1848 (liquidatie); K. B. 19 Nov. 1870.]
De Surinaamsche Bank.
Opger. K. B. 19 Mei 1864 G. B. 14, octrooi voor 25 j. gew. bij
K. Bn. 11 Sept. 1868 G .B. 12, 25 ‘Dec. 1871 G. B. 1872: 2, 11 Jan.
1875 G. B. 5, 17 Apr. 1878 G. B. 12. Verlengd: Ver. 26 ]u:ni 1889
‘ . 19 (25 j.), 17 Oct. 1914 G. B. 63 (tot 31 Dec. 1914), 16! Dec.
G. B. 77 (1 j.), 22 Dec. 1915 G. B. 82 (1 j.), 28 Dec. 1916
. 90 (1 j.), 29 Dec. 1917 G. B. 101 (1 j.), K. B. ‘2 Juli 1918
B. 56 (10 j.) gew. ‘bij lKon. B11. 8 Jan. 1919 G. B. 27, 24 Juli 1919
B. 60. (zie nog: Ver. 19 Nov. 1890 G. B. 27; Res. 2 Mrt. 1891
G. B.‘8; Ver. 29 Dec. 1917 G. B. 99; Ver. 29 Juni 1918 G. B. 49).
‘Uiìtvoeringsmajatregelen: Res. 3 cht. 1918 G. B. 73 (pari—over-
eenkontst); Besl. 5 Nov. 1918 6. B. 79 en Res. 7 Nov. 1918 G. B.
81 (dekkings‘Percentage); Besl. 5 Nov. 1918 G. B. 80 [zie nog:
Ver. 6 Apr. 1918 G. B. 26 (bankbilj. wettig betaalmiddel)]. Statuten
goedgek. K. B. 9 Nov:. 1864, laatstelijk K. B. 21 Dec. 1918.
B
14
B
ogo
(DC)
De Curaqaosche Bank. 1)
Opger. Publ. 6 Febr. 1828 P. B. h. b. 119; Publ. 28 Mei/22 Juni
1831 P. B. h. b. 158 (verwisseling bankbilj. pî’ooisîion-eel opge—
schort) ing‘e’tr. Bes]. 1 Dec. 1892 P. B. 33; Publ. 10/12 Sept. 1839
P. B. h. h. 223 (instructie Directie).
Nieuw Reglement: Ver. 30 Mei/8 Juni 1907 P. B. 9, gew.
Vern. 26 Apr. 1909 P. B. 15, 27 Juni 1912 P. B. 39, 12 Aug. 1914
P. B. 30, 15 Jan. 1918 P. B. 11, 30 Sept. 1919 P. B. 66, 14 Juni
1920 P. B. 31 (Publ. 4 Juli 1907 P. B. 17 en 29 Jan. 1908 P. B. 3).
N Ãeuwe instructie Directie: Publ. 2/3 Julli‘ 1907 P. B. 16 (zie
nog: Ver. 5 Aug. 1886 P. B. 22).
1) cf. EronamÃst 1885 I pag. 281,v 19|3 I pag. 291 en 11 pag. 497.
154
De Postspaarbank.
NederLand:
Opger. we‘t 25 ‘Mei 1880 S. 88 ‘gew. wert'cen 20 Juli 1895 S. 135,
8 Dec. 1906 S. 319, 1 Juli 1909 S. 211. Gew. tekst: K. B. 15 Dec.
1910 S. 368.
Uitvoering: K. B. 10 Jan. 1881 S. 2 gew. K Bn. 15 ‘Mei 1883
S. 45, 8 Mei 1896 S. 77, 27 Oct. 1905 S. ‘293, 9 Sept. 1907 S. 248,
29 Jan. 1909 S. 20, 11 Febr. 1910 S. 61, 15 Juni 1910 S. 164 —
ingetrokken en opnieuw geregeld bij K. B. 15 Dec. 1910 S. 369
gew. K. B11. 5 Oct. 1917 S. 598, 1 Juli 1918 S. 440, 13 Juni 1919
S. 386, 22 Dec. 1919 S. 820.
N. Oost—Indië:
Opger. (K. B. 16 Oct. 1897 N.—I. S. 296 ‘gew. K. Bn. 9 Jan.
1903 N.-I. S. 20, 2 Dec. 1907 N.-I. S. 1908: 119, 23 Sept. 1910
N.-I. S. 598, 30 Dec. 1915 N.—I. S. 1916; 337 — ingetrokken en
opnieuw geregeld K. B. 12 Juli 1917 N.-I. S. 672.
Reg‘l-ement: Besl. 9 Mrt. 1898 N.-I. S. 102, gew. Besln. 21 Mrt.
1903 N.—I. S. 169, 2 Sept. 1907 N.—I. S. 376, 5 Juni 1908 N.-I. S.
398 —— ingetrokken en opnieuw geregeld Besl. 28 Juni 1912 N .-I. S.
370, gew. Besln. 27 Apr. 1914 N.-I. S. 369, 5 Juni 1916 N.-I. S.
4112, 24 Juni 1916 N.—I. S. 450, 9 Jan. 1918 N.-I. S. 4, 21 Juli 1918
N.-I. S. 553.
Suriname:
Opger. Ver. 11 Juli 1903 G B. 44, gew. Ver. 15 Apr. 1911 G. E.
36; zie Ver. 11 Juli 1903 G. B. 45 en Res. 9 Febr. 1904 G. B. 8.
Uitvoering: Besl. 9 Febr. 1904 ‘G. B. 9 — ingetrokken en op-
nieuw gere:geld Besl. 27 Juni 1911 G. B. 38, gew. Besln. 18 Nov.
1913 G. B. 77, 2 Dec. 1914 G. B. 75.
Curagao.‘
Opger. Ver. 9 Apr. 1904 P. B. 43, ten dienste van alle eilanden.
De Rijksverzekeringsbank.
Organisatie: wet 9 Oct. 1920 S. 780 (.K. B. 10 Dec. 1920 S. 888).
Uitvoering: K. En. 6 Apr. 1921 S. 670 (art. 22), 16 Apr. 1921
S. 675 (art. 19, ‘sub 2), 18 Apr. 1921 S. 678 (art. 19, lid 1).
De Postchèque- en girodienst.
Ingesteld: wet 29 Juli 1916 S. 342 (aanvulling Postwef S. 1908:
316 —0pnieuw S. 1919: 543) .gew. wet 17‚Febr. 1921 S. 66 (K. Bes‘l‚
31 Mei 1921 S. 752).
Uitvoering: K. Bes'l. 1 ’Oct. 1917 S. 594, gew. K. Besln. 28 Juni
S. 436, 16 Dec. 1919 S. 810 — ingetrokken en opnieuw geregeld bij
Besl. 18 Juli 1921 S. 999 (1Gi’robesl-ui‘t 1921).
155
De Nederlandsche Uitvoer Maatschappij.
(Semi-officieele exportbauk).
Opger. wet. 1 Sept. 1917 S. 576, gew. wet 15 Mrt. 1919 S. 122.
Uitvoering: K. Besl. 22 ‘Dec. 1917 S. 726, gew. 15 Mei 1919
S. 243.
Statuten goedgek. K. B. 26 Oct. 1917 No. 6.
Volkscredietwezen.
Nederland:
Pandhuiswet 8 Nov. 1910 S. 321 (wet 16 Pluviöse An. XII en
K. B. 31 Oct. 1826 LUTTENBERG pag. 79).
N. Oost—Indië:
Pand—huisdienst oude regelingen: Ord. 1 Oct. 1849 N.-I S. 52;
Ord. 17 Oct. 1869 N.-I. S. 85; Ord. 11 Nov. 1879 N.—I. ‘S. 304 en
22 Jam. 1880 N.-I. S. 17. Zie Ordn. 14 Mei 1886 N.—I. S. 91, 1 Juli
1891 N.—I. S. 163, 14 April 1894 N.—I. S. 90, 18 Oct. 1896 N.—I. S.
207, 6 Apr. 1899 N.—I. S. 131, 9 Aug. 1900 N.—I. S. 217, 1 Dec.
1902 N..-I. S. 435.
Gouvernementspan-dhuis als proef: Ord. 12 Mrt. 1901 N.-I. S.
131 (Ordn. 14 Dec. 1901 N.-I. S. 461 en 462, 1 Dec. 1902 N.-I. S.
436, 6 Mrt. 1903 N.—I. S. 158 en 159, 29 Aug. 1903 N.-I. S. 305).
Geleidelijke invoering Gouvernementspandhuizen op Java en
Madoera: Ord. 4 Dec. 1903 N.-I. S. 402, buiten Java en Madoera:
Ord. 10 Jan. 1921 N.—I. S. 28. (Besl. 4 Mrt. 1921 N.-I. S. 148).
Nieuw—reglement: Ord. 26 Sept. 1905 N.-I. S. 490 gew. Ondn.
28 Juli 1908 N.-I. S. 477, 24 Sept. 1908 N.—I. S. 576, 16 Febr. 1915
N.—I. S. 196, 12 Aug. 1916 N.—I. S. 548, 20 Aug. 1918 N.—I. S.
589, ’25 Jan. 1919 N.—I. S. 34, 2 Dec. 1919 N.—I. S. 781. (Zie: Ord.
11 Mrt. 1920 N.—I. S. 133, gew. l‘ord. 10 Jan. 1921 N.-I. S. 29-)
Instructie hoofd pa‘n‘dlhu‘i‘sd-i‘enst: Bijbl. N..-I. S. No. 6338, 7659,
7789‚ 9126-
Dienst van het volkscnedietwezen: Besl. G.-G. 22 Febr. 1912
N‚-I. S. 210‘).
Uitvloeisel: CENTRALE KAS opger. K. B. 10 Mei 1912 N.—I. S. 393
gew. K. B. 30 Mei 1918 N.—I. S. 848.
Suriname .'
Zie Publ. 20 O-ct. 1919 G. B. 65.
1) Zie Circ. Dept. Binn. Bestuur dd. 17 Sept. 1912, Verslag Volkscred.
1913. Ec. Star. Ber. 1921 N05. 282 en 283, en de blaadjes uitgegeven door
de Centrale kas.