Inkt Moet Vloeien!

© Samenstelling Patrick Bernauw, Frank Pollet, Anja Van Geert – 2012

Kaftontwerp Katrien Van Schuylenbergh

Inkt Moet Vloeien! is een uitgave van Academie voor Podiumkunsten in
samenwerking met Muza vzw, Aalst


Alle informatie met betrekking tot de cursus Literaire Creatie vind je op
www.aalst.be/apk

Niets uit deze uitgave mag worden verveelvoudigd en/of openbaar
gemaakt door middel van druk, fotokopie, microfilm of welke andere
wijze ook, zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de
auteurs.
Inkt Moet Vloeien!
10 Jaar Literaire Creatie
in de Academie voor Podiumkunsten, Aalst






































Literatuur is een jeukende plek die met het schrijven erger wordt.
Frank Pollet
IN DEN BEGINNE…


Ergens in het begin van deze eeuw kwamen er enkele
knappe koppen bijeen om te bedisselen welke nieuwe cur-
sus ze de bewoners van Aalst en aanpalende heerlijkheden
zouden kunnen aanbieden om hen cultureel, muzikaal,
theatraal of dansend aan hun trekken te laten komen.
‘Allee, wat hebben we nog niet?’ vroeg die lange.
‘Een cursus mondharmonica?’ zei die breedgeschouderde.
‘A ja, da’s misschien nog een gedacht.’ De smalle was al
aan het lachen.
‘Zwijgt, ‘t is godgeklaagd’, mompelde dienen met zijn lang
haar.
‘Allee, ge moogt ons Heer daar niet bijsleuren’, zei dienen
met zijnen witte baard.
‘Een cursus tapdansen misschien, voor volwassenen?’ Het
was een gedacht van die met haar krollekes.
‘Neen neen, oei neen, doe dat niet, dat komt nooit goed.’
De heftigste van den hoop was er direct tegen.
‘Ik zeg het u,’ viel dienen met zijn lang haar bij, ‘godgekl…’
‘Tsssss!’ (den Baard)
‘Ja maar, weet ge dan iets beters?’ vroegen ze allemaal in
koor.
Den Baard, wie enig theatraal inzicht niet vreemd was,
hield twee tellen zijn adem in en zei toen: ‘Een schrijfcur-
sus.’
Ineens werd het stil. Dat was het, vaneigens!
Er waren er al geweest die hun volk leerden lezen, leerden
vloeken, leerden voetballen en basket spelen, maar leren
schrijven, ho maar, zo enen hadden we hier nog niet ge-
had. Tot nu. Dat zou eens rap gaan veranderen.
En alzo geschiedde…
In september zat den Baard met vijf gloednieuwe frisopge-
blonken discipelen rond zich, klaar om epistels te schrijven
en boeken te vullen.
Helaas, den Baard had minder geluk, het nieuwe literaire
geweld had hem dusdanig van zijn sokken geblazen (we
steken het graag daar op) dat hij een tijdje het bed moest
houden en zelfs het ambt van Leerkracht aan de Academie
voor Podiumkunsten moest neerleggen. Maar zie, daar
kwam, uit een of ander boerengat in het Dwaasland, die-
nen met zijnen staart. Hij schaarde de discipelen rond
zich, sprak hen streng toe met de woorden: ‘Hier gaat ge-
schreven worden! Tegen volgende week vier regels.’
En aldus geschiedde.






























ANJA VAN GEERT
‘WÁT JULLIE SCHRIJVEN INTERESSEERT MIJ GEEN BAL!’


Met dit zinnetje probeer ik elk jaar alle grond onder de
voeten van nieuwe cursisten Literaire Creatie te doen be-
ven. En het lukt. Alle ogen zijn meteen gericht op Kwatta.
Je ziet er enkelen ogenblikkelijk spijt hebben van hun in-
schrijvingsgeld. Voorhoofden rimpelen. Poëzie is op dat
moment nog een momentopname, een snelle expressie van
wat velen vermoeden de allerindividueelste emotie te zijn.
Wat was er toch met Kloos loos? Ik vermoed dat hij zoop.
‘Hóé jullie schrijven, interesseert me des te meer’, voeg ik
er na enkele seconden aan toe. De cursisten zijn opgelucht,
maar beseffen op dat moment nog niet dat veel later wan-
neer ik hen een zoveelste gedicht voorleg en vraag wat hen
opvalt, ze nog steeds eerst naar inhoud zullen hengelen.
We zijn misvormd. Het onderwijs heeft vele generaties
geleerd alleen maar verstandige antwoorden te bedenken
op vragen als: wat staat hier, begrijp je dit, kun je dat
uitleggen, wat heeft de dichter hiermee bedoeld… Terwijl
dit de meest zinloze vragen zijn als het om literatuur gaat.
Uiteindelijk is een goede tekst meer dan de som van woor-
den en zinnen, en kun je een uitstekend gedicht nooit ten
volle met je ‘reguliere’ verstand begrijpen. Het duurt vaak
jaren om dat in te zien, om tot de onthutsende vaststelling
te komen dat een mens neergebliksemd kan worden door
één enkele zin. Waar zijn verstand eventueel helegans bij
te kort schiet. Alles van waarde is weerloos. Toen gij
schreeuwde en uw vel beefde vatten mijn beenderen
vuur. Nu hij weet wie zijn lichaam is, hangt hij er ook aan
vast. Ambrosia wat vloeit mij aan.
Wat betekent het?
Wattefuk.
Soms, heel soms, schrijft een mens op een gezegende dag
zo’n onopvallend opvallende zin, zo’n kleine maar veelom-
vattende frase. Als de schrijver daarvan een (oud-)cursist
van me is, ben ik heel gelukkig…


FRANK POLLET, schrijver, docent Literaire Creatie
BESTE LEZER


Niets is wat het lijkt.

Dat is wat ik deze week, in mijn eerste echte les literaire
creatie, heb geleerd. Een stuk tekst, gedicht of proza kan
door de auteur opgeladen zijn met een specifieke bood-
schap, maar dat is slechts bijkomstig. Niet wat de schrijver
wil zeggen, is van belang. Maar hoe hij het zegt.
Tot zover mijn preek van de week. Van die les is me naast
de regels der enjambementen en haiku’s nog iets opgeval-
len. Namelijk de mapjes van Frank. Ik vermoed dat we te-
gen de lente van volgend jaar allemaal stapels papier met
ons mee zullen zeulen naar het cultureel centrum van
Aalst, netjes geordend volgens auteur en onderwerp.
Tegenwoordig kan men daarvoor in winkels voor kantoor-
benodigdheden kiezen uit een brede waaier.
Maar ik betwijfel of je Frank begin september in dergelijke
zaken zou zijn tegengekomen, want terwijl ik minutenlang
debatteerde over welk merk en kleur van mapjes ik zou
kiezen, zat Frank ongetwijfeld rustig met een Duvel in de
hand op zijn terras, in het zonnetje.
Waarom ik daar zo zeker van ben? Ken je die kartonnen
waarmee bakken bier overtrokken worden, vastgezet op de
vier flesjes in de hoek? Ja? Wel, haal die kartonnen er
voorzichtig af, vouw ze netjes in twee (met de merknaam
naar binnen) en het ideale klasseermapje is geboren.
De verspreiding van dit lumineuze idee heeft mij wel een
Duvel gekost, maar die prijs betaal ik graag. Zo tegen begin
september, volgend jaar.

Nee, niets is wat het lijkt…






ANNE BAATHS
KLAARGEMAAKT


Open de oester
voorzichtig.

Haal het vlees
eruit en vang het
vocht zorgvuldig op.

Snij de prei!




























ANNE BAATHS
ON-ZIN


Aan het einde van een
zin schrijven we meestal een
punt! Het is alleen

jammer dat het begrip
‘zin’ niet precies gedefinieerd
kan worden en





























ANNE BAATHS
LILITH – fragment ULLSWATER, THE LAKE DISTRICT - 1984


‘Ik kan het niet. Ik wil het niet!’
Een bevel van grootmeester Samuel weigeren, is een bevel
van Heer Baphomet weigeren. Met betraande ogen kijkt
Lilith naar het woedende gezicht van Samuel. Haar vader
staat er naast. Zijn gezicht vertoont geen enkele emotie.
Lilith zoekt haar moeder tussen de vrouwen die links van
haar staan. Ze zien er allen hetzelfde uit, met hun lange
rode mantels waarvan de kap hun gezichten in duisternis
hult. Drie perfect symmetrische rijen, van telkens elf
bewegingloze vrouwen. De belangrijkste vrouwen zoals
Birgit en Amber, de vrouwen van Samuel, staan vooraan.
Zij dragen de kandelaars met de zwarte kaarsen. Behalve
deze kaarsen en de altaarkaarsen is er geen ander licht in
de ondergrondse tempel. Toch vindt Lilith haar moeder
moeiteloos. Ze staat in de derde rij, bij de laagste
vrouwen en de nieuwkomers. Haar moeder is geen
nieuwkomer. Zij behoort tot de laagste klasse, omdat ze
haar dochter niet in toom kan houden. Toch weet Lilith
dat haar moeder het haar niet kwalijk neemt.
Zonder woorden smeekt deze moeder haar
fragiele maar opstandige dochter nu, om te doen wat van
haar geëist wordt. Aarzelend kijkt Lilith naar het zware
mes dat ze met beide handen vasthoudt. Dan kijkt ze naar
het dier op de offersteen voor haar. Achter de steen zit
Heer Baphomet op zijn troon. Tussen zijn hoorns brandt
een fakkel. Het beeld jaagt haar nog steeds angst aan.

‘Sluit haar op! Ik reken later wel met haar af.’
Samuel rukt ruw het mes uit Liliths handen. Ze voelt hoe
twee harde handen zich rond haar schouders klemmen.
Buiten waait al dagenlang een ijzig koude wind en Lilith
wenst dat ze de tijd had gekregen om haar slippers weer
aan te trekken. Scherpe steentjes snijden in haar voeten,
terwijl de twee mannen haar aanmanen om sneller te
lopen. Zij willen de rest van het ritueel niet missen.
Het hok bestaat uit niet veel meer dan stokken,
prikkeldraad en golfplaat. Een zwaar kettingslot benadrukt
op groteske wijze de functie van het krot. Alfred opent de
deur en duwt Lilith hardhandig naar voren. De mannen
haasten zich terug naar de tempel en laten het meisje
achter in haar donkere, ijskoude gevangenis.
Het is nieuwe maan. Het enige licht buiten is het flauwe
schijnsel van de TL-lampen van de grote gemeenschappe-
lijke keuken en refter. Lilith weet dat hier vaak ratten
rondlopen, omdat het strafhok vlak naast de stortplaats
ligt. Haar hart klopt in haar keel, terwijl ze probeert te
ontdekken of deze enge beesten er nu ook zijn.
Lilith kent het hok goed en ze vindt moeiteloos de stapel
vodden in de hoek. Ze schopt met haar voet tegen de hoop
en hoort bekend geritsel. Nog voor ze kan wegspringen,
voelt Lilith iets ruws langs haar enkel glijden. Een gil ont-
snapt haar, meer van walging dan van schrik. Moedeloos
zakt ze neer op de hoop vieze vodden en probeert de stank
te negeren. Haar ogen wennen langzaam aan het duister
en ze kijkt naar de wolkjes die uit haar mond komen. De
wind heeft vrij spel in haar halfopen cel en het duurt niet
lang voor haar voeten en wangen prikken van de kou. Ze
stopt haar voeten zoveel mogelijk onder de vodden en trekt
de kap van haar rode mantel ver over haar gezicht.
Niet veel later hoort ze de mensen uit de tempel komen.
Het gelach van enkele kinderen weerklinkt in de nacht.
Lilith spitst haar oren om te horen of ze voetstappen haar
kant hoort uitkomen, maar algauw wordt het weer stil. Ze
hoort enkel nog wat mannen die in een discussie
verwikkeld lijken.
Ze heeft het nu zo koud, dat haar tanden onbeheerst in
haar mond klapperen. Van ellende begint ze te huilen, tot
het snot uit haar neus druipt en ze van uitputting in slaap
valt.

Het is al ochtend als Lilith wordt gewekt door de fluiste-
rende stem van haar broer Seth. Hij duwt een bundeltje
tussen de houten tralies. Op haar knieën kruipt ze naar
hem toe en neemt het uit zijn hand. Nog voor ze iets kan
zeggen, is hij weer verdwenen. Ze kruipt snel weer terug
naar de voddenhoop en opent het pakje. Er zit een kleine
homp brood in. Nog niet de helft van de portie die ze
normaal krijgt, maar ze weet dat Seth het brood uit eigen
mond heeft gespaard en eet het dankbaar op. Haastig, zo-
dat niemand de tijd krijgt om haar te betrappen. Dan loopt
ze naar de twee emmers in de andere hoek. Een emmer is
leeg, om haar behoefte in te doen, en in de andere emmer
zit een bodem water met daarop een dunne ijslaag. Ze
vindt een steen en slaat een gat in het ijs. Met haar hand
schept ze wat water en slurpt het op. Het water smaakt
vreemd, maar haar mond is zo droog dat het haar niets kan
schelen. Dan trekt ze haar mantel uit en legt hem zorg-
vuldig neer zodat hij niet vies kan worden. Haar dunne
bruine jurk tilt ze op en ze hurkt boven de lege emmer.
Terwijl ze haar behoefte doet, hoort ze voetstappen nade-
ren. Nog voor Lilith klaar is, ziet ze het lelijke gezicht van
Samuel voor de tralies verschijnen. Zijn lichtblauwe ogen
kijken haar ijskoud aan.
‘Zo Lilith. Ik neem aan dat de nacht je tot rede heeft
gebracht. Maar je hebt Heer Baphomet zwaar beledigd
gisterenavond en hiervoor moet je boeten. Het wordt tijd
dat je leert gehoorzamen. Je blijft hier tot aan de volgende
nieuwe maan. Dan mag je als teken van berouw een offer
brengen tijdens onze ceremonie.’
Samuel verdwijnt even snel als hij gekomen is.
Lilith moet niet hopen op een vroegere vrijlating en besluit
te doen wat nodig is om deze beproeving te overleven. Ze
begint wat twijgjes tussen de houten tralies los te trekken
en als ze enkele stevige stukken heeft, neemt ze een vod en
wikkelt die rond haar rechtervoet. Zelfs door het vuil kan
ze zien dat haar voet blauw is. Met de twijgjes bindt ze de
lap vast. Tevreden kijkt ze naar het resultaat en doet
hetzelfde met de andere voet. Dan krult ze zich op tussen
de vodden en ze dekt zich toe met haar mantel.







CHRISTINA CEUPPENS
BADKAMER BLUES


daar kom ik haar wel es tegen
in tedere dampen, onfatsoenlijk jong

dan knipoogt ze, aarzelend en jacuzzi-blauw
herinnering monkelt om haar mondhoeken

te vroeg sopt ze het waas van herkenning af
ongenaakbaar, met tijdloze ogen

zo strijkt ze al mijn rimpels glad
hult me in comme des garçons
kleedt me met een glimlach
























KATRIEN COPPENS
BEELDENSTORM


met hamer, sikkel en ander alaam
bestormt men de kathedraal
speurt naar dubbele bodems in doofpotten

vindt geen rechtvaardige rechters
alleen een gebroken kelk
glas-in-loodscherven van verloren kinderzielen

misschien onder de lange rokken van Judas
versteend kijkt hij de andere kant op
daar zal geen haan naar kraaien

misschien in de crypte waar Christus kreunt
onder een tweede kruis van spijt over zijn woorden
laat de kinderen tot mij komen





















KATRIEN COPPENS
HERFST


in de achtertuin van de zomer
waar spinnen de dagen
dichter aan elkaar weven

schuifelt het zachte wezen
van oktober binnen
een ree met mist in de ogen

een vijvergodin glimlacht
haar marmeren tanden bloot
bloost boven haar laatste loof

























KATRIEN COPPENS
MUZIEK VOOR DOVEN


Strakke kabels
onderstrepen de horizon
vijf keer.

‘t Zijn sterke palen
die hen dragen
door een vergeten land.

En elke vroege herfst
zitten er zwaluwen op
te wachten, als noten van een symfonie.

De negende was van hen.























RITA CORTHALS
OPEN EN BLOOT


Steve is een geboren naturist.
‘Jij bent dat ook,’ zegt hij.
Maar ik voel mij toch slecht op mijn gemak nu ik voor het
eerst een weekend in zijn naturistencamping ga doorbren-
gen. Het goede nieuws is dat je in zijn club niet verplicht
bent zonder kleren te lopen. Je moet alleen kunnen ver-
dragen dat anderen dat doen. Op dat gebied kan ik wel het
een en ander hebben.
Denk ik.
We komen bij het grote hek dat ik moet opendoen om de
auto binnen te laten: ‘My God, hoe doen de mensen dat
hek hier open en toe, terwijl iedereen op straat hen kan
zien?’
‘Gewoon de haak opheffen en daarna weer in het slot laten
glijden,’ zegt Steve.

We rijden via een landweggetje een elfenbos in met wilde
bloemen waar konijntjes zonder op te kijken knabbelen
aan het gras. Mijn mond hangt al open nog voor ik mijn
eerste blote heb gezien. De auto kuiert langs welverzorgde
en duidelijk diepbeminde sites waar caravans bloeien in de
schaduw van oude bomen. Handen wapperen achter de
raampjes en Steve zwaait terug. Een uitgebloeide caravan
doet eventjes zijn ogen open wanneer de autolichten
reflecteren in zijn ruit en lijkt te kreunen wanneer de auto
voor de deur stopt.
‘We zijn er,’ zegt Steve.
Nog voor ik goed en wel binnen ben, is hij al uitgekleed.
Met een smile van hier tot ginder trippelt hij rond en
tsjilpt: ‘En dit is de slaapkamer, en hier het toilet, en als je
het koud krijgt, kan ik het in een, twee, drie warm maken,
en hier kan je je kleren leggen en dit is mijn bureautje…’

Ja ja. En is dat niet de lelijke kleien paddenstoel die ik
thuis in de vuilnisbak heb gegooid?
En de kandelaar die een arm kwijt is, de wasmand zonder
hengsels, de tent die regen doorlaat, de broek die te klein
geworden is en het tafelkleed met de tabaksgaten dat ik bij
de vodden heb gesmeten?

‘Zal ik je nu het zwembad en de douches tonen?’ zingt het
vogeltje. ‘En zullen we ondertussen even goedendag zeg-
gen aan John? Het is een jaar geleden dat ik hem nog ge-
zien heb.’
We wandelen door het bos dat de camping liefdevol om-
armt. Het pad is goed onderhouden en wiegelt dwars door
een bluebell-zee. Ik schuifel naakt en verlegen achter de
fladderende Steve aan maar vergeet al gauw dat ik mij ge-
neer: dit sprookje is werkelijk adembenemend.
Wanneer we weer bij een rij caravans komen, kan ik me
niet goed meer concentreren omdat ik straks kennis ga
maken met zijn blote beste vriend, ik bedoel zijn bovenste
beste vriend. Ik kan eigenlijk aan niets anders meer den-
ken.
In de verte staat een witte vlek naar ons te zwaaien.
‘John,’ vertaalt Steve. ‘Aah, there he is, my dear fellow-
friend,’ en hij zwaait terug. Hij haast zich naar het figuurtje
dat alsmaar sneller dichterbij komt. Hun hand is al uitge-
stoken voor de groet nog meters voor ze elkaar bereiken.
En als ze dan eindelijk samen komen, ben ik verbaasd,
werkelijk verbaasd, dat ze elkaar de hand schudden en niet
de penis.














RITA CORTHALS
DE MEESTE DROMEN...


‘Thank you for the ride’, zeg ik, en ik overhandig een taxi-
cheque. De chauffeur neemt hem zwijgend aan. Hij is al
aan het bellen met een volgende klant. Waarom spreek ik
nu Engels? Komt het door de zwarte huidskleur van deze
chauffeur of door zijn gebrekkig Frans? Never mind. Hij
geeft me een afschrift van de cheque. Zorgvuldig steek ik
dit weg in het zijzakje van mijn tas. Ik zwaai het mercedes-
portier open en gooi de zwarte draagtas over mijn schou-
der. Ik wandel naar de ingang van de luchthaven. Veel
spullen heb ik niet meegenomen. Ik verblijf tenslotte maar
één nachtje in Trieste. Normaal gezien had mijn baas,
Geert, hier nu moeten lopen. Maar hij moest naar de raad
van bestuur van ons bedrijf. En daar profiteert bibi hier nu
van. Ik heb er altijd van gedroomd om ooit naar de
hoofdzetel te kunnen gaan. It’s a dream come true. De deu-
ren van het luchthavengebouw schuiven open. Even kijken
op het grote zwarte bord met aankomst- en vertrektijden
hoe het staat met mijn vlucht. In het rood staat er
‘Cancelled’ naast enkele vluchten. Ze gaan naar Schotland
en Ierland. Daar zit Grimsvötn voor iets tussen. De vlucht
naar München gaat gelukkig door. Ik moet van Zaventem
naar München en dan van München naar Trieste. Nog
even mijn heentickets gaan ophalen. Maar hoe? Voor de
eerste keer in mijn drieëndertigjarig bestaan ga ik met een
e-ticket op reis. Ha, daar staan de automaten. Handig als
ik ben, is dat hier waarschijnlijk in ‘no time’ gefixed. Yep.
Identiteitskaart scannen, op toetsen drukken en klaar is
Klara. Ja, zo zou het moeten. De automaat weigert echter
resoluut dienst. Ik doe waarschijnlijk iets verkeerd. Maar
wat? Een hostess steekt een handje toe. Thanks, Barbie.
Met twee velletjes papier in mijn handen stap ik richting
douane. Wat heb ik nare herinneringen aan de laatste keer
dat ik daar doorheen moest. Ik voelde me toen echt een
crimineel. Er was enorm veel volk. Het moest allemaal snel
gaan. Sneller dan we konden. Schoenen uit. Broeksriem
uit. Vlug alles in plastic bakjes gooien die op een rolband
doorheen een scanner schuiven. ‘Opschieten!’ Opgejaagd
als vee. Wat een hel. Gelukkig is er vandaag weinig volk. Ik
hoef mijn schoenen zelfs niet uit, en ook mijn ringen mag
ik aanhouden. Ik kan op mijn gemak mijn spullen in de
bakjes deponeren en even later weer recupereren zonder
dat een man of vrouw in uniform in mijn oren zit te
roepen. Heel relaxed doorkruis ik vervolgens lange gangen
met roltrappen op zoek naar mijn gate. 57A, dat is ze. Er
zit nog niemand te wachten. Ik ben de eerste. Ruim op tijd.
Voor geen geld ter wereld wil ik het evenement van mijn
leven missen. Ik ga zitten. Hier zit ik nu te wachten onder
een grote glazen koepel, tussen zoemende roltrappen en
voorbijgaande zwijgende mensen. Mensen in alle maten.
Korte, lange, dikke, dunne, in kostuum en kravatte, in
short en T-shirt, met lange en korte rokken. Ik sla het
komen en gaan van al deze creaturen gade. Je ziet zo wie er
op zakenreis gaat. Blackberry in de aanslag, laptop in
bijhorende tas, gladgestreken pakken. Zelf probeer ik er
ook professioneel uit te zien met mijn speciaal voor deze
gelegenheid gekochte deux-pièces. Enkele collega’s zullen
wel jaloers zijn dat ik zo’n snoepreisje naar Trieste heb
gekregen, en dat ik ginder tussen al die belangrijke namen
mag flaneren. Hoe trots zullen mijn ouders wel niet zijn. Ik
ben al in de wolken nog voor het vliegtuig opstijgt.
Het is maar beter dat ik geen weet heb van de boodschap
die op datzelfde moment zo’n 800 kilometer verder in de
luchthavenhal van München door de luidsprekers weer-
galmt: ‘Ladies and gentlemen, flight number 2290 from
Munich to Trieste has been cancelled due to technical
problems. We truly apologize for the inconvenience. For
more information, please contact the service desk.’









LIVES IN EDEN
SPROOKJES


We zitten samen in de tuin, Tom en ik. Samen op de bank
bij de vijver. Samen in de zon. Zonder woorden. Het is al
langer dat de woorden het moeilijk hebben om zinnen, ge-
sprekken te vormen. Het is dan ook niet de stilte die me
voorbereidt.

Tom kucht en zegt: ‘Ik heb hier lang over nagedacht.’
Ik kijk hem aan. Hij kijkt mij niet aan. Stokstijf zit hij daar,
zijn ogen op de grond gericht.
Zijn houding doet me denken aan een kind dat zich schrap
zet om een standje in ontvangst te nemen.
‘Je zal wel gezien hebben dat ik de laatste tijd meer afwezig
was.’

Ik blijf hem aankijken.
Hij blijft wegkijken.
Ik zwijg.
Hij spreekt:

‘Lise, ik wil een nieuw leven, ik kan dit niet meer.’

Met ‘dit’ bedoelt hij: een leven met mij.

Tot die dag, de dag dat het woord ‘samen’ verdween, had ik
geloofd in een ‘en ze leefden nog lang en gelukkig, samen’.

The end?









LIVES IN EDEN
TOKYO, 1999


Dertig poedelnaakte vrouwen staarden haar nieuwsgierig
aan. Aarzelend bleef zij in de deuropening staan, en keek
de helverlichte ruimte in. De gesprekken verstomden.
Marika gaf haar een duwtje, en stuntelend, zich geen raad
wetend met haar eigen blote lijf, stapte zij het publieke bad
binnen.
Drie rijen, met op regelmatige afstand van elkaar een
kraantje, houten vouwstoeltje en plastieken kom, een af-
loop. Alles héél netjes en ordelijk. Ze keek snel rond, en
zag dat de vrouwen doorgingen met hun reinigingsritueel,
maar haar vanuit de hoek van hun amandelogen gadesloe-
gen. Ze volgde Marika’s voorbeeld, en stalde haar sham-
poo, zeep en washandje voor zich uit. IJverig zeepte ze zich
in, dankbaar dat het schuim haar naaktheid bedekte en
even een soort van beschermlaag vormde tegen de nieuws-
gierige blikken.
Lang duurde deze adempauze niet, want de volgende stap
bestond erin het plastieken teiltje te vullen, het water over
het lichaam te pletsen, en dit te herhalen tot alle zeep-
sporen weg waren. Mmm, het voelt wel lekker aan, dacht
Cassandra. Een beetje stouter nu keek ze rond, vergeleek
de lichamen van de Japanse vrouwen met het hare.
Dikke haren, zonder uitzondering. Hier zag je nooit vettige
haardossen, alsof de meisjes hier elke dag hun haar was-
ten. Gezond glanzend, steil of vrolijk krullend. Modieus
geknipt, of klassiek opgestoken, maar altijd perfect. De
kleur van hun huid varieerde, van lichtbruin met gele glans
tot bruin, maar allemaal glad, zonder ontsierende haren.
Allen waren ze klein en slank. Met kleine stevige borsten,
behalve de oudere vrouwen. Maar geen van hen had over-
gewicht. Daar zal het eetpatroon wel ergens een rol spelen,
bedacht Cassandra. Haar onderzoek werd onderbroken
doordat Marika haar in de richting van een stenen bad
duwde, en het voorbeeld gaf door er zelf in te stappen.
Marika was sinds haar aankomst in Japan haar begeleid-
ster. Ze trainde, als één van de weinige meisjes, karate in
dezelfde dojo als Cassandra, en ze was als ‘vrijwilliger’
aangeduid om haar wegwijs te maken in de Japanse
leefwereld. Marika was enkele jaren ouder, en woonde in
een piepklein éénkamerappartementje vlakbij de oefen-
zaal. Ze verdiende de kost door het naaien van kimono’s
thuis, wat haar de gelegenheid gaf ook overdag te trainen.
Ze was zeer ambitieus, streng en gedisciplineerd.
Cassandra was eigenlijk een beetje bang van haar.
Cassandra stapte achter Marika het stomende bad in. Zo-
dra ze echter haar voet in het water had gestoken, trok ze
er hem met een ruk en een gil weer uit. Afkeurend keken
de vrouwen haar aan: blijkbaar had ze met haar lawaai één
van die onuitgesproken regels overtreden. Dapper pro-
beerde ze opnieuw, maar het duurde toch een poosje voor
ze helemaal ondergedompeld was.
Langzaam ontspande ze zich. Dromerig liet ze de hitte en
de aparte sfeer op zich inwerken. Toen voelde ze heimwee,
voor het eerst sinds ze in Japan was.
Heimwee naar haar ouders, zussen en vrienden. Naar haar
onbezorgde leventje, het gekende patroon, zelfs naar de
sleur die haar enkele maanden geleden deed beslissen iets
helemaal anders te gaan doen dan wat iedereen van haar
verwachtte.
Heimwee ook naar de privacy van haar luxe badkamer,
thuis.















CHANTAL DE CRAECKER
NAAKTE WAARHEID - fragment


Duizelig zakte Cassandra ineen op de keukenstoel. Ze keek
naar het dagblad dat voor haar op de keukentafel lag.
Grote koppen schreeuwden: ‘Zoon van Japans machtigste
man aangehouden voor moord.’
Gefascineerd staarde ze naar de onduidelijke zwartwit
foto. Ze zag vooral grijs. Grijs haar, gedistingeerd. Grijs
gezicht, getrokken en getekend. Ondanks alles bekeek ze
de foto met een zekere gretigheid. Gevoelens die ze zo lang
met succes had verdrongen, kwamen boven. Misselijk ma-
kende beelden gleden door haar hoofd; ze bukte zich en
kotste haar ontbijt uit op de keukenvloer.
Verward hing ze in haar stoel, duwde een losgekomen
haarsliert achter haar oor. Haar hart klopte onregelmatig,
haar keel leek dichtgeknepen; ze hijgde alsof ze kilometers
gelopen had. Denk aan je yogalessen, dacht ze. Dankbaar
voelde ze na enkele buikademhalingen haar paniekaanval
wegebben. Zuchtend bekeek ze het halfverteerd ontbijt dat
aan haar voeten lag. ‘Komaan man, aan de slag’, comman-
deerde ze zichzelf.
Even later, ondergedompeld in een heet bad, kwam ze tot
rust. ‘Geen reden tot paniek’, mompelde ze. Energiek
schrobde ze haar lichaam met de harde badborstel, alsof ze
daarmee ook de herinneringen weg kon wrijven. Rood-
gloeiend leunde ze weer achterover, ademde diep de gepar-
fumeerde stoom in.
De stevige muur die haar jarenlang had beschermd, brok-
kelde af. Hulpeloos liet ze, voor de eerste keer in jaren en
terwijl de tranen over haar wangen in het badwater rolden,
de herinneringen binnen komen.






CHANTAL DE CRAECKER
HET ONVERMOGEN – een fragment


Max en ik staan hand in hand naast de kist van Dirk flink
te wezen. Mensen geven me een handdruk, prevelen iets
onverstaanbaars en aaien Max over de bol. Voor degenen
die me willen omhelzen, deins ik terug. Er zijn er die voor
Max neerhurken en met hem een praatje maken. Max
vraagt steeds opnieuw: ‘Wie was dat, mama?’ maar ik heb
niet de kans om te antwoorden. De rij mensen lijkt einde-
loos.
Tijdens de dienst vertelt Paul over Dirk en bedankt de
aanwezige mensen, in naam van de familie. Een vriend van
Dirk haalt wat herinneringen op. Na zijn woorden kijkt de
begrafenisondernemer naar mij, maar ik schud haast
onmerkbaar mijn hoofd. Wat ik zelf nog aan Dirk te zeggen
heb, hoeft niemand ooit te horen.
Max leunt tegen me aan en geeuwt, maar op het ogenblik
dat de kist wordt weggehaald, trekt hij grote ogen en knijpt
hij in mijn hand. Dood gaan, begraven worden, cremeren.
Brenda heeft het hem allemaal uitgelegd. Ze is er zoveel
beter in dan ik. Ze stelde ook voor om zelf met hem naar
Dirk toe te gaan, maar ze kon me niet overtuigen. Het is
beter zo. Ik wil niet dat Max ‘s nachts wakker wordt en dat
vreselijke beeld voor ogen ziet.
Vóór de as op de strooiweide wordt uitgestrooid, overhan-
digt de begrafenisondernemer me een klein metalen doos-
je.
Later aan tafel valt het me weer op met wat een gemak een
rouwmaaltijd overgaat in een gezellige boel. De kinderen
spelen tikkertje in de zaal, ooms en tantes, neven en nich-
ten, broers en zussen halen herinneringen op. Er wordt ge-
lachen.
Ik moet ingrijpen. Deze mensen – van wie ik de helft niet
eens ken – moeten tot de orde worden geroepen. Dit is
geen feest. Dit is de rouwdienst van een jonge man. Mìjn
man, Dirk De Bruin, pas achtendertig! Ik sta met een ruk
op van mijn stoel en open mijn mond, maar er komt geen
geluid.
‘Voel je je wel goed?’ vraagt Vic, die naast me aan tafel zit.
Ik geef geen antwoord, grijp mijn handtas en haast me de
zaal uit. Vic volgt me en roept voortdurend mijn naam,
maar ik stap snel door. In de gang houdt hij me tegen en
neemt me in zijn armen.
‘Hé, Greetje. Sst maar. Ik ben het.’
Ik leg mijn hoofd op zijn schouder en heel even denk ik dat
niets me kan overkomen. Net als vroeger, want ik heb een
lieve, grote broer die me beschermt.
‘Laat je nu eindelijk eens gaan, Greet. Je weet toch dat je je
voor mij niet sterker moet voordoen dan je bent.’
Ik maak me los.
‘Het gaat alweer. Ik red het wel.’
Vic houdt me een schone zakdoek voor, maar ik moet hem
niet. Mijn ogen zijn kurkdroog. Hij haalt zijn schouders op
en zucht. ‘Ik wou dat ik je op de een of andere manier kon
helpen, zus.’
Ik bijt op mijn lip. ‘Dat kan je ook. Ik wil hier weg.’
‘Hoezo, je wil hier weg? De rouwmaaltijd is toch nog niet
afgelopen? Er is nog niemand naar huis.’
‘En dan?’ Ik steek mijn kin vooruit. ‘Er moet iemand de
eerste zijn’, zeg ik, en ik hoor zelf hoe kinderachtig dit
klinkt. Vic fronst zijn voorhoofd.
‘Wees lief en ga Max voor me halen, Vic. Ik wil met hem
naar zee. Het is zo een mooie dag. Het zou zonde zijn om
hier nog de hele tijd binnen te zitten.’
Hij schudt ongelovig het hoofd.
‘Naar zee? Je man is net gecremeerd?’
Ik pak hem vast bij zijn bovenarmen en smeek hem bijna.
‘Vic, alsjeblieft. Vertrouw me nu maar. Ik ga echt geen
domme dingen doen, maar ik kan hier niet langer blijven.’
Hij aarzelt en mompelt binnensmonds. Straks zal hij
zichzelf vervloeken omdat hij me weer niets kon weigeren.
‘Oké,’ zucht hij tenslotte, ‘ik haal Max voor je en zoek wel
naar een aanvaardbare uitleg voor jullie afwezigheid.’
Ik tover een flauw lachje tevoorschijn en geef hem een kus
op zijn voorhoofd.
‘Je bent een schat. Ik wist dat ik op je kon rekenen.’

Anderhalf uur later loop ik met Max aan de hand op de
pier. Mijn vrije hand omklemt het blikken doosje in mijn
jaszak. In de auto vroeg Max waarom we naar zee gingen
in onze mooie kleren en zonder zijn schepje en emmertje,
maar ik heb het hem allemaal uitgelegd.
De zee gaat wild tekeer onder onze voeten en er staat een
hevige wind. Aan het einde van de pier hurken we neer en
doen we wat we in de auto hebben afgesproken.
Ik neem het doosje plechtig uit mijn jaszak en samen ste-
ken we het zo ver we kunnen door de houten omheining.
Dan tellen we tot drie en openen we het doosje.
De as waait onmiddellijk weg.
Wanneer het al een beetje donker wordt, zit ik nog steeds
op een bank met Max op schoot naar de golven te kijken.
Ik heb hem toegedekt met mijn lange, zwarte jas en mijn
kin rust op zijn blonde hoofd.
Max, denk ik, het kind dat Dirk zo graag wilde.





















KARINE DE GUCHT
DE KROKODILWACHTER – een fragment


Als het daarnet een paringsdans was, dan is dit de
overgang naar het paren. Na een schuchter voorspel wrijft
haar fijne lichaam weer over het mijne als een tong op een
ijsje. Mijn mond dekt haar nek, haar mond mijn oren, mijn
handen haar kruin, haar handen mijn borst en onze
onderlichamen elkaar. De muziek geldt niet langer als alibi
voor bepotelen. Mijn borsthaar lonkt naar haar. Maite’s
bovenste knoopjes hebben het begeven en ik blaas mijn
longen leeg in de tunnel tussen haar deinende borsten.
Mijn handen vinden de hare en we knijpen onze
verstrengelde vingers wit. Ik wrik ze los en steek mijn
handen langs haar natte rug onder haar kleed. Daar blijven
mijn voelsprieten niet. Met een zwaai draai ik Maite om,
haar rug tegen mijn borst, mijn handen op haar buik, een
pink door het kleed in haar navel.

‘Vamos’, en ze drukt me een natte kus op de mond.
We sukkelen tot onder een eucalyptusboom. Ik duw haar
rug tegen de stam. De mijne drukt langs haar opgetrokken
been op haar schaamstreek. Onze tongen worden pikken,
onze monden vagina’s. Ik til Maite op, steek mijn gezicht
eindelijk tussen haar borsten en schud mijn hoofd. Ze
giechelt mijn baltsgedrag weg en vlucht als een loopse
hinde. Interval naar het hotel. Op de hoeken herhalen we
ons hitsig spel. Het hijgen van het hollen loopt over in het
hijgen van het smakken. Ons hart geeft van katoen. Voor
de laatste rechte lijn houdt ze halt. Ze haalt een spiegel
boven, legt een haarstreng plat, trekt haar kleed recht en
dekt het toe met haar vest. Comme il faut. Er is geen
beginnen aan mijn ragebol, pooierhemd en spadrillen.

‘Hier zijn de sleutels en voor mevrouw is er nog een
boodschap van meneer Pavón.’

‘Jouw kamer of de mijne, Bert.’
‘Neem die van jou maar. Ik speel op verplaatsing.
Trouwens, ik zou vroeg vertrekken.’
‘Prima, blijf nu hier in de lift even van mijn lijf, dat ik die
boodschap kan lezen.’
‘Heet hij Pavón?’
‘Nee, hij gebruikt andere namen. Er steekt systematiek in.’

A, Aldaz, wil zeggen dat hij van op het werk belt. Weet zij
dat hij ongestoord kan bellen. B, Benitez wil zeggen dat hij
van thuis belt en hooguit een gecodeerde boodschap kan
ontvangen. Zo is er C Camargo tot en met P Pavón nu. Belt
hij van ergens nieuw, dan maakt hij er een letter van en
laat hij haar weten waar die voor staat en wat het nummer
is. Ze waren bij de O beland, een nieuw sjiek restaurant op
weg naar de luchthaven. ‘Nu P, geen idee.’
‘Waarom allemaal zo gesofisticeerd?’

Een hete zoen en een minuscuul bh’tje, bengelend voor
mijn neus, sluiten het onderwerp af. Op die manier laat ik
me graag de mond snoeren. We spreken de taal van de
liefde als onze moedertaal. Haar mond bewerkt mijn oren.
Mijn handen dartelen, schuiven onder haar sliprandje tot
op haar kont. Zij verkent mijn lichaam, boven en onder de
textiel. Ik keer haar op haar rug en plant mijn knieën langs
haar dijen. Zittend open ik haar laatste knoopjes, tergend
langzaam. Aan mij de eer het gordijn te openen, het doek
te onthullen. Na de première vlijt ze zich op haar buik. Ik
aanvaard de uitnodiging en neem plaats op haar achterste
voor een korte rugmassage. Ze stoot me zachtjes van zich
af en knielt achter mij. Ze drukt haar borsten tegen mijn
rug en kust mijn nek terwijl ze me onthemdt. Naarmate de
knoopjes lossen, dalen haar vurige zoenen. Neer, moet ik,
neer. Haar handen pompen op mijn borstkas en mijn
handen geleiden haar borsten. Op en neer. Haar handen
duwen en tegelijk rijven en trekken haar vingers mijn
rossig borsthaar in strengen en bosjes. Ik zorg voor golven
in haar gitzwarte bezwete slierten. Even, want ze stapt
prompt uit haar slip en ik volg haar voorbeeld. Naar de
badkamer wil ze. We geven elkaar een hete douche en
spelen als kinderen met het schuim. Als het weggespoeld
is, draai ik snel de kranen dicht. Voor Maite een handdoek
kan pakken, draag ik haar stribbelend en nat naar het bed.
Ik gris de sprei af. Voor haar zijn de deken en het
bovenlaken er teveel aan. Ik lig uitgestrekt, penis haaks op
mijn lijf. Maite haalt haar gerief boven en schuift het
condoom over mijn eikel. Nu mag het snel gaan. Ik vind
een wachtende vagina in haar natte schoot. We pompen
met overgave, een melodie sans gêne. Mijn vogelvrije
vingers kietelen Maite’s harde tepels die voor mijn neus
cirkelen. Dan zijgt ze op mij en verhoogt het naaitempo
van mijn pik.
Ook bij haar kom ik eerst klaar. Ondanks de alcohol heb ik
net genoeg erotische energie over om haar even ver te
krijgen, of me dat te kunnen verbeelden. Gelukkig maar.
We blijven nog even liggen strelen. Dan haal ik het
condoom en het resterende stuk penis uit haar.

‘Dikke zoen, Bert. Wat zijn je plannen voor de volgende
weken?’
‘Ik zou morgenvroeg een bus nemen. Daar lijkt het me nu
te laat voor. Ik wil niet grof zijn.’
‘Luister. Je rept je dadelijk naar je kamer en morgen neem
jij je bus en ik mijn vliegtuig, zoals gepland. We gaan ons
leven niet gecompliceerder maken dan het al is. Het mijne
althans.’
















JOHAN DE WILDE
LAAT ME ERUIT!


Laat me eruit!
Ik schreeuw de longen uit mijn lijf en druk mijn vuisten
tegen de wand. Die geeft een beetje mee, maar niet veel. Ik
ben hier al zo lang. Het is hier broeierig warm, maar toch.
Er moet meer zijn. Dus ja, ik wil eruit! Nu meteen. Zo
vreemd is dat toch niet?
Maar het geluid wordt gedempt. Ze lijken me niet te horen.
Hoe hard ik ook brul en tier, niemand merkt me op. Ben ik
dan niet belangrijk? Willen ze me niet zien?
‘Goedenavond speelman, mijn vader laat vragen…’
Nee, nee, niet dat ver-schrik-ke-lij-ke liedje, alwéér!
Ik druk mijn handen tegen mijn oren in de hoop niet nog
eens een tiental keren getrakteerd te worden op dat gebim-
bam. Stop het, alstublieft zeg!
‘Ach, voel hem eens schoppen, hij vindt het zo leuk als ik
liedjes voor hem zing.’
Ja echt, ik vind het fantastisch, ik wou dat je héééééééél de
dag lang liedjes voor me zong. NOT. Waarom denk je dat
ik zo hard lig te bonken tegen de wand? Omdat het o zo
leuk is? Neen, omdat ik graag zou willen dat je stopt met
dit oorverdovend lawaai. Als ik zou weten waar de uitgang
is, dan kon ik het zelf komen zeggen. Dan zou je wel anders
piepen. Leuke liedjes, wat heb je eraan? Geef mij maar rust
en stilte dus blijf in godsnaam stilzitten. Ik word er nog
eens helemaal knettergek van. Al dat gewiebel de hele tijd.
Jongens toch…
‘Goedenavond speelman, mijn vader laat vragen…’
En wat heb ik een honger. Ik ga nog maar eens schoppen,
misschien begrijpt dat mens dan wel dat het de hoogste
tijd is om te eten.
‘Wat ben je een hevig ventje vandaag!’ hoor ik haar zeggen.
Ik ben helemaal niet hevig, ik heb gewoon honger. Zij loopt
naar de koelkast als ze honger heeft. Dat kan ik niet. Ik
moet wachten tot zij zin krijgt in eten. Dan pas kan ik
meegenieten. Maar wat ik dan allemaal voorgeschoteld
krijg, dat kun je dus aan geen mens vertellen. Ze zouden
het toch niet geloven. Meestal duwt ze hier van die vieze
augurken naar binnen, bweuk. En zou ze al doorhebben
dat ik nu echt wel genoeg hamburgers gezien heb voor de
rest van mijn leven? Verder nog een hele lading chips en
chocolade, niet te doen. En er dan maar versteld van staan
als ze allemaal zeggen dat ze al een mooi buikje heeft
gekregen. Je zou voor minder!
Daar verschijnt die vent weer op het toneel. Hij fluistert
hele rare woordjes in mijn richting. Die zijn heel erg
dichtbij, ik weet niet hoe hij dat doet. Maar die vent is een
beetje vreemd. Als ik hier ooit de uitgang vind, hoop ik
hem niet tegen te komen. Ik weet niet wie hij is of waarom
ze hem zo dichtbij laat komen. De wereld daarbuiten ken
ik niet, wil ik die wel leren kennen? Bij nader inzien is het
hier zo slecht nog niet, misschien moet ik toch maar hier
blijven.
‘Goedenavond speelman, mijn vader laat vragen…’
O mijn god, wat gebeurt er? Alles beweegt hier, ik kan me
ook nergens aan vasthouden. De wand is te glad. Ik glijd
almaar dieper en dieper weg en zie in de verte een licht. De
uitgang,de weg naar het onbekende? Wil ik dat wel? Ik
probeer me te verzetten, maar het lukt niet. Het licht komt
steeds dichterbij. Ik hoor stemmen. Mijn hoofd gaat eerst,
ik kan er niets tegen beginnen.
‘Nog één keertje, schat!’ hoor ik iemand zeggen. Het is de
stem van die rare kwast. Loopt die hier ook nog rond?
Nu ben ik helemaal buiten, alleen mijn rechtervoet heeft
het nog warm. Een man in een groene jas helpt dat voetje
even en legt me dan in de armen van die pierewiet. Dus zet
ik het op een huilen.
‘Hebben jullie al aan een naam gedacht?’ vraagt Groene
Jas aan haar, en aan Pierewiet.
Ze kijkt met betraande ogen naar Pierewiet, die haar blik
blijft vasthouden.
‘Kim,’ zegt ze ontroerd.





KATRIEN DIERICK
BOON


Mag ik jouw spinazie zijn,
ben jij dan graag de room?
Als ik wild van je word,
hou jij mijn hart in toom?

Ben jij de stervrucht bij het ijs,
het kersje op mijn taart?
Verslind ik jou de hele tijd
van april tot in maart?

Blijf jij het water bij de thee,
de mayonaise bij mijn friet?
Als je honger plots wat kleiner wordt,
verlaat je me dan niet?

Want ik lust geen mojito zonder munt,
geen spekjes zonder ei.
Ik ben jouw koffie in de melk
en het suikertje erbij.
















KATRIEN DIERICK
DONKERSTEEG 2


Reikhalzend hadden mijn vrouw en ik uitgekeken naar
onze nieuwe woning. Wij troffen zorgvuldig alle
voorbereidingen. Wij bezochten de buurt, de straat en het
huis. Als geen ander telden wij de eindejaarsdagen af.
Helaas verdween, zodra we gesetteld waren, de euforie als
sneeuw voor de zon. Ik kon mij niet ontdoen van een
onbehaaglijk gevoel: er was meer…

Over de indeling van de woning viel te discussiëren. Zo
verschafte het raam vanuit het tweede toilet op de eerste
verdieping een uniek straatzicht. Zonde eigenlijk, want het
vormde het ideale sfeerbeeld voor de masterbedroom.
Onze oprit werd immers opgesmukt door een rondpunt
dat bij valavond vaalgeel oplichtte. Pure romantiek. We
maakten van de nood een deugd: het panorama was rust-
gevend en dus ook bevorderlijk voor de stoelgang. De ha-
perende straatlantaarn verstoorde jammerlijk de bezig-
heid. Voor de gezondheid van mijn darmflora nam ik dan
ook contact op met de gemeente. Ik klaagde het euvel aan,
maar de bevoegde instantie ontkende met klem het
bestaan van de lantaarn.
De balievrouw gniffelde: ‘Maar mijnheer, uw woonst is
gelegen in de Donkersteeg. Door de verzanding onder het
asfalt is het onmogelijk aan het eind van uw straat één van
onze pittoreske modellen neer te poten. Te zwakke grond-
structuur. Mijnheer de burgemeester vond het trouwens
ideaal, de straatnaam indachtig.’
Hoe meer ik tegensputterde, des te meer de balievrouw
opgloeide. Het had geen zin. Met Kerstmis in aantocht,
verzoende ik mij met de flikkerende toorts. Ik probeerde er
zo min mogelijk aandacht aan te schenken.

De feestdagen waren prachtig: sneeuw op kerstavond en
een wit tapijt tot Nieuwjaar. Toen de dooi intrad,
bemerkten mijn vrouw en ik tot onze spijt de tol van het
vriesweer. Drie diepe barsten ontsierden de rotonde.
Herstellingen waren noodzakelijk. Ik wendde mij met mijn
beste wensen voor de tweede maal tot de gemeente.
Alweer belandde ik bij de bevallige balievrouw. En alweer:
‘Maar mijnheer, kijkt u gerust zelf. Volgens de plannen
eindigt de straat op een T. Ik herinner mij nog de woorden
van onze burgervader. Een rotonde kost te veel. Het gaat
hier trouwens over de DonkerSTEEG. Dat is geen avenue.’
Voor de zekerheid verifieerde ik of mevrouw zich niet ver-
giste. ‘Donker- of Dondersteeg? Het geeft een wereld van
verschil.’ Bliksemend werd mijn vraag woordeloos beant-
woord.

Zodra ik thuis was, zocht ik brommend mijn heil op het
toilet. Daar zou ik zeker het licht zien! Plotseling volgde de
bevestiging van mijn krampachtige vermoeden.
Een luide knal. De ramen trilden. Scherven werden de
lucht in gekatapulteerd. Asfalt en al stegen onder begelei-
ding van een oorverdovend lawaai de lucht in. Vanuit mijn
kamertje aanschouwde ik ontzet de lancering van een vlie-
gende schotel. Ons feeërieke parkje zweefde op ooghoogte.
Een antenne seinde ritmisch.
Terwijl het ding hoogte nam, tastte ik naar mijn broek.
Weg waren de onbekende overburen, weg was het punt en
weg waren de buikkrampen.
Met spoed verlieten mijn vrouw en ik die nacht de buurt.
Hoe moest ik dit immers uitleggen aan de balievrouw?


Foto (1976): Donkersteeg 2, 1933 Sterrebeek

















JOOST DE SAEDELEER
DE WERELD VOLGENS MEYER


Als zelfverklaarde hoeder van het appartementsgebouw
stelde Herman Meyer, een stevige dertiger, alles in het
werk om het leven in ‘zijn’ blok in goede banen te leiden.
Hij was het alziend oog, een kapitein en pater familias, en
zijn diepste, maar vanzelfsprekend ook onuitgesproken,
wens was om het tot opperste rechter binnen deze mini-
samenleving te schoppen. Hij vond het daarom nodig om
alle bewoners van zeer nabij te volgen, hun komen en gaan
te bestuderen, en alle onregelmatigheden zorgvuldig te
registreren. Want onregelmatigheden hoorden niet thuis
in Meyers wereld. Het uitte zich in alles wat hij deed, en
vooral in de e-mailberichten die hij te pas en te onpas naar
iedereen verstuurde. Die hielden altijd een terechtwijzing
in, een veroordeling van nalatigheid of slordig gedrag, of
een lijst van dwingende suggesties om het leven onder de
bewoners aangenamer en meer geordend te laten
verlopen.

(‘Dit om U te laten geworden dat gisteravond de poort van
de parkeergarage NIET GESLOTEN was. Dit heeft in het
verleden al VEEL SPIJTIGE GEVOLGEN gekend,
zijnde het stelen van een koersfiets van de bewoners van
woning nr. 14!!! Teneinde dit te voorkomen wil ik U dan
ook vragen met aandrang om de poort ten altijd
GESLOTEN TE HOUDEN. Anders zullen we erom
vragen en kunnen we evengoed open deurdag hou-
den!!!!!!’)

Hij ontpopte zich daarnaast ook tot adviseur van
binnenhuisinrichting en van de opvoeding van de talrijke
kinderen van de bewoners, hij trad op als bemiddelaar als
er ruzie ontstond tussen bewoners op dezelfde gang (wat
regelmatig gebeurde), en was bereid om in persoonlijke
details te snuisteren, uiteraard in het belang van het
algemeen goed. Zijn initiatieven werden meestal niet
bijzonder positief onthaald. Niemand had nood aan
iemand die constant over de schouders meeloerde en
commentaar gaf. In een omgeving waar de gangen en de
hall als te mijden plaatsen beschouwd werden, wou
iedereen vooral met rust gelaten worden. Men kende
elkaar van zien, van elkaar vluchtig te passeren en een
groet te mompelen, van de vage geluiden die ongevraagd
door de dunne muren sijpelden; geluiden die soms te privé
en te persoonlijk zijn. Geen enkele bewoner had de
behoefte om meer te weten te komen, of om banden te
smeden met anderen. Het was goed zoals het was.
Hermans opdringerigheid botste daarom vaak op een
muur van afwijzing. Maar ondanks alles hield hij vol.
Eén van zijn talrijke slachtoffers was een non-
chalante twintiger die op de zesde verdieping woonde, in
het appartement vlak onder dat van Meyer. Op die manier
bevond Meyer zich in een unieke positie om de
levenswandel van zijn benedenbuur te volgen. Maar het
vervulde hem alleen maar met afschuw: het geluid dat
door het plafond en de vloer drong, de geuren die in de
gang hingen als Meyer er passeerde, het uitbundige leven
dat het zijne niet was. Langzaamaan groeide er een diepe
haat in Meyers hoofd, en hij liet het dan ook niet na om de
twintiger – een zekere Adriaan – het leven zuur te maken.
Toen Adriaan op een bepaald moment de deur uitstapte,
botste hij bijna frontaal tegen Meyer, die daar al een uur,
met het oor tegen de deur, de bewegingen achter de deur
in kaart bracht. Zonder inleiding of begroeting duwde
Meyer hem een document in de handen: ‘Ik denk dat je dit
nog eens moet lezen, het is het huisreglement. Vooral de
hoofdstukken over geluidsoverlast en netheid zijn
ontzettend interessant. Ik hoop dat we het hierbij kunnen
houden!’ En weg was hij; Adriaan bleef totaal verbou-
wereerd achter. Hij had Meyer al wel eens gezien, en zijn
gezeur tijdens de raad was bekend genoeg, maar nog nooit
had hij met hem een gesprek gevoerd. Tot zonet had hij
ook gehoopt dat zo te kunnen houden.
Maar na dit onschuldig intermezzo ging het van
kwaad naar erger. Meyer werd geobsedeerd door de
jongeman en wilde hem koste wat het kost uit zijn blok.
Hij kroop en sloop over de vloer om alle geluiden op te
pikken, volgde hem wanneer hij de stad inging en
fotografeerde de bezoekers die Adriaans appartement in-
en uitstapten. Tijdens de vergaderingen met de syndicus,
gooide hij alle materiaal, aangedikt door valse, gore
details, op tafel in de hoop de andere bewoners aan zijn
kant te krijgen. De meesten weigerden mee te stappen in
Meyers waanzin, en negeerden hem dan ook volledig.
Velen waren trouwens ook bang om in het vizier te komen
van die gek.
En toen, toen kwam Meyers kans. Toen hij voor de
zoveelste keer op weg was naar beneden om langs
Adriaans deur te passeren, zag hij dat die juist naar het
einde van de gang liep om het grote raam open te zetten.
De zomers konden de gangen en appartementen danig
opwarmen en vele bewoners probeerden om wat lucht-
circulatie op gang te brengen door alles open te zetten.
Alsof hij over de grond zweefde, naderde Meyer onhoor-
baar en zo snel dat Adriaan, toen hij zich omdraaide om
terug naar zijn appartement te gaan, oog in oog stond met
hem. Adriaan schrok zich rot, en voor hij besefte wie hij
voor zich had, begon Meyer met nauwelijks ingehouden
woede te sissen: ‘Nog altijd geen respect voor andere
bewoners, klootzak? Als ik jou was, zou ik heel goed op
mijn tellen passen, stuk onbenul.’
Bekomen van de eerste schrik kon Adriaan een
lachje niet verbergen: ‘Val toch dood, zielige sukkel!’
‘Ik denk dat je best weggaat,’ blies Meyer, die
Adriaan nu stevig vastpakte.
Toen Adriaan zich losrukte en, het gezeur beu,
langs Meyer de gang wou doorstappen, hield die hem
tegen.
‘Nee, ventje, ik bedoel de andere kant’, zei Meyer
zacht, en hij duwde Adriaan de andere richting uit.
De volgende dag stond er – opnieuw – een apparte-
ment te huur.





BART LIEVENS
TOT


je genezen bent
wil ik bij je blijven,
nog even. Het vuur
aanwakkeren, brood snijden
lichtgebakken, lakens spreiden,
sokken vouwen.

Als de zomer mee aan tafel
zit en jij schaduwen knipt
uit koperlicht, kruipt
alle spinsel uit mijn hoeken.
Ik neem dan een kop
koffie en mijn hoed.























HILDEGARDE LIEVENS
ONTELBAAR


veel namen heeft het kind
dat van vrouw vervuld
in losgeknoopte dagen hurkt
en vergeet hoe het moet groeien.

Vele namen geef ik hem
die nesten bouwt in verse aarde,
voor wie de raven vluchten
als hij zwart verweeft met bloedend licht.

November aan het kruis
genageld, verwintert tot december
met de paarse pathos van
verteerde lichamen.






















HILDEGARDE LIEVENS
P
A
R
T


Ik hoor je soms
over de treden struikelen,
elke stap blind getrouwd
met het gewicht van eelt
dat onder je voeten schuift.
Langs de leuning vingertoppen
blauw geschuurd vezelhout
waarin de worm zich brandt
aan de klaver van zure zomers
en de winter hapert
aan de stekels van altijd.

Verschrikt veer ik
guret
in mijn slakkenhuis.
De dampende nacht splijt
de raaklijn van vragen
en katapulteert het antwoord.















HILDEGARDE LIEVENS
DE MEEST ONTHULLENDE VAN DE ZEVEN HOOFDZONDEN


Op maandag kreeg ik plots een huilende Haeck aan mijn
voordeur. Hij zag er verfomfaaid uit en, hoewel ik al vaak
ondervonden had dat hij na de werkuren onmenselijk aso-
ciaal kon zijn, begon hij honderduit tegen me te vloeken en
te schreeuwen. De tranen stroomden bij beken over zijn
wangen terwijl hij het ene zakdoekje na het andere vol-
snoot en ze op mijn salontafeltje deponeerde.
Harry Haeck en ik werkten samen in een Scapa-winkel in
de stad. We beschouwden onszelf als behoorlijk goede
vrienden, grotendeels doordat zijn vrouw geregeld met mij
ging lunchen en hij mij beschouwde als een manier om
haar te controleren. Naar mijn weten was alles gecontro-
leerd.
Hoewel ik van mening was dat iemand van het mannelijke
geslacht zich in alle situaties moet kunnen beheersen, voel-
de ik me genoodzaakt een tegemoetkoming te doen.
‘Harry, kalmeer, ga zitten en haal diep adem.’ Ik wees hem
een zetel aan, nam plaats in de andere en leunde achter-
over. Hij deed wat ik zei, staarde even naar zijn bevende
handen en keek me toen doordringend aan. ‘Ze is zwan-
ger.’
Drie woorden waren er nodig om mijn lunch weer naar
boven te laten komen. Hij bleef me aanstaren tot ik, toch al
ongemakkelijk met de situatie, de ellebogen op mijn
knieën zette. ‘Fantastisch!’ riep mijn mond uit, in de hoop
dat mijn geest in het enthousiasme zou volgen. Maar voor
ik verdere kreten van vreugdevolle verbazing kon uiten,
schudde Harry moedeloos het hoofd. ‘Ze is zwanger.’
En toen: ‘Godverdomme, Bianca is zwanger.’ Het feit dat
hij me geen verdere uitleg verschafte, begon danig op mijn
zenuwen te werken. Ik zag de witte woede op zijn gezicht
nog dieper worden en in mijn hoofd ging een schelle
alarmbel hevig te keer.
‘Verdomme, ik ben vertrokken voor ik haar iets zou
aandoen! Ik ben zo kwaad! Nee, razend ben ik, buiten zin-
nen gewoon!’ Hij sprong op en ijsbeerde door mijn
woonkamer, de handen op de rug en de tanden knarsend
als op steen.
‘Je wil dus geen kind?’ informeerde ik onzeker, maar
opnieuw schudde Harry zijn hoofd. Hij bleek niets anders
meer te kunnen.
‘Natuurlijk wil ik wel een kind, maar...’
Hij brak de zin af en vloekte opnieuw.
‘Jezus, Harry, wees redelijk, je bent gewoon bang. Waarom
zou dit niet fantastisch kunnen zijn?’ Sloeg mijn stem daar
over?
Hij zweeg lange tijd, hij leek me opzettelijk op stang te
willen jagen. Uiteindelijk ging hij zitten en stond weer op,
ijsbeerde eindeloos rond mijn tafel en mompelde aldoor.
Ik kreeg het er koud van, mijn hart bonkte in mijn keel
alsof de hele wereld het moest horen. Wat als hij... nee, dat
kon niet, geen enkele echtgenoot kwam er na de eerste
keer al achter dat zijn partner was vreemdgegaan... en
zeker niet als het met zijn beste vriend was geweest die als
klap op de vuurpijl nog eens homo was... zoiets gebeurde
nooit... toch?
Hij richtte zich opnieuw tot mij, zijn ogen gloeiden van
verdriet. Ik zag hem de moed bij elkaar rapen, hij hapte
letterlijk naar lucht toen ik mijn mond opendeed om hem
aan te sporen. Ik zweeg maar.
‘Het kind is van een ander. Bianca heeft een ander en ik
heb geen flauw idee wie het zou kunnen zijn.’ Ik dacht dat
ik zou flauwvallen van opluchting.
Harry nam opnieuw plaats in de zetel, trommelde even
met zijn vingers op het salontafeltje en durfde me zelfs niet
aan te kijken toen hij vervolgde: ‘Ik heb de moed nog niet
gehad het haar te vertellen, ik voel me er ook zo oneindig
nutteloos door. Ik weet het al sinds vorige zomer. Ik ben
onvruchtbaar.’






KRISTIEN LISSENS
PORTUGAL OF BAARDEGEM?


‘Hoe heet die Portugaan weer?’
‘Portugees, Mieke, en hij heet Jaime.’
‘Ja, dat zeg ik toch… Hm, Tessa en Jaime, klinkt goed, hè?’
Tessa legde haar lepel met een klap neer en keek haar zus
Mieke woedend aan: ‘Wil je nu even je mond houden, dom
kind!’ Mieke leek niet in het minst van haar stuk gebracht,
ze lepelde de soep grijnzend naar binnen.
‘Wanneer komt hij aan, schat?’ vroeg moeder Olivia.
‘Eind april. Dan blijft hij een maand bij ons logeren.’
‘Zeg mama,’ vroeg Mieke, ‘is Jaime echt een Portugalees?
Hoe weten we dat ze niet een jongen uit Baardegem naar
hier brengen en ons allemaal beetnemen?’
‘Mieke, mensen uit Portugal heten Portugezen. En waarom
zouden ze ons willen beetnemen?’
‘Oké dan, ik zoek het wel uit als hij hier is. Die zogezegde
Portugaal zal niet weten wat hem overkomt.’ Mieke begon
zachtjes te zingen terwijl ze in de soep roerde: ‘Tessa en
Jaime sitting in a tree, K... I... S... S... I... N... G...’
Tessa sloot even haar ogen, beet hard op haar tanden en
concentreerde zich op haar moeder. ‘Waar gaat hij dan
slapen? Anders mag hij mijn bed hebben, ik slaap wel op
de sofa in Miekes kamer. Wat denk je, mama?’
‘Niet in míjn slaapzak, als je met die Portugaler in bed...’
Olivia keek verstoord naar haar jongste dochter, die er
onmiddellijk het zwijgen toe deed. Wat moesten ze in
godsnaam een maandlang met die Portugese jongen doen?
‘Wat is zijn familienaam?’ De soep liep in een straaltje
langs Miekes kin terug haar bord in.
‘Mahaime.’
‘Dus die Portugalezer heet Jaime Mahaime?’
‘Portugees!’
Mieke bleef schateren, leunde achteruit en greep de rand
van de tafel vast om niet zijdelings op de grond te vallen.
‘Tjonge, ze zijn echt grappig, die Portugozers!’


KRISTIEN LISSENS
FLASHDANS
1.

vanavond dans ik alleen met jou
mijn liefste, jij bent
de schaar die zich zet

in mijn slaap, mijn weerstand kartelt
en mijn grenzen versnippert

dansen kunnen alleen wij, het is hallucinant
hoe je mij leidt, hoe je met mij
tuimelt en geniet terwijl

ik tocht, duizel en val
want je nam























RENÉE LORIE

2. voor trees

ik ben aangestoken
vuurwerk in mij
flitsen ideeën
in drukke straten rijden

door rood

in mijn hoofd: alles rond
mij slingert danst en ver-
dwaalt kennis in kermis


























RENÉE LORIE
VOOR MIJN 18DE VERJAARDAG WIL IK


krimpen speels worden een speeltuin
of een springkasteel op mijn kamer spelen
op een plastic trompet vriendjes vragen
kaarsen uitblazen zingen hiep hiep hiep
hoera confetti gooien alles vuil maken
in huis in de bomen klimmen op handen
en voeten kruipen hinkelen springen touwtje
springen mij en anderen verkleden in rare
mensen hoelahoepen tekenfilms bekijken
waterspelletjes & twister & indiaantje
spelen zelf vuil worden iemand na-apen
van hier naar daar lopen tot ik niet meer
moe ben lachen roepen op de grond rollen

en daarna volwassen worden





















RENÉE LORIE
EEN MAN VAN 27


Ik doe keurig wat ik lees op het Bord met Richtlijnen: ik
neem een douche, ik wrijf me droog, ik ga met mijn voeten
in warm water zitten, ik betreed zonder badpak de blokhut
die naar eucalyptus geurt, ik vergeet niet wat water op de
kolen te druppelen, ik ga een kwartier liggen, ik denk er-
aan eerst een handdoek open te vouwen.
Ik zweet. Ik bekijk de betere middenklasse in haar blootje.

‘Dag meneer, excuseer, ik ben verbonden aan de
Wellnessuniversiteit en ik voer een enquête uit in opdracht
van een Bekend Merk om u in de toekomst nog beter te
kunnen dienen. Ik zie dat u een man bent, neemt u me niet
kwalijk, maar kunt u ook even aanduiden tot welke
leeftijdscategorie u behoort? En een kruisje zetten bij het
hoogste diploma dat u heeft behaald? En u oefent toch ook
een beroep uit, ook al bent u op dit moment duidelijk niet
aan de arbeid, maar een werkloze heeft niet het geld voor
zulke vermakelijkheden. En waar woont u als u niet met
uw bezwete kont hier loopt rond te draaien: in een
stedelijke omgeving of op de boerenbuiten? Hoe vaak
komt u hier? Eén keer per jaar? Elke week? Heeft u
desgevallend een abonnement? Komt u altijd alleen?
Brengt u soms iemand mee? Zoja, wie? Uw vrouw? Uw
man? (Ja, tegenwoordig kom je die tegen, mannen die je
vragen: ‘Heb ik je al voorgesteld aan mijn man?’) Indien
neen, kunt u meteen verdergaan met vraag 27: hoelang
duurt een gemiddeld bezoek? Wat herinnert u zich nog van
uw eerste bezoek? Waren alle codes van goed gedrag
duidelijk? Wist u zich zedelijk te gedragen? Komt u altijd
naar dit ‘Health Centre Oasis’? Of varieert u? Waarom
komt u hier? Let op: meerdere antwoorden mogelijk!’

‘Toon me je handen’, zei de man na mijn vraagstaarten. Ik
deed wat hij vroeg. Hij schrok, hij had fijner verwacht. Ik
verhinderde niet dat hij zijn lange vingers in mijn
beitelaarsknoesten vlijde. Hij verkende mijn kootjes, mijn
kneukels. Aarzelend. Vlinderlicht. Zoals een lid van Apollo
11 het maanoppervlak.
‘Er zijn soorten zoenen’, zei hij, en hij telde op de vingers
van mijn handen. De warme klapzoen. De zuigzoen van
zijn zuster. De ochtendzoen, die vluchtig is. De zoen op de
wang. De zoen die je vooral met Walen wisselt. De beleefd-
heidszoen met Nieuwjaar. De gestolen zoen. De handzoen.
De nichtenzoen. De blaasjeszoen van zoon toen die een
peuter was. ‘En dan heb je de zoen van de dame met de
vlezige lippen’, zei hij, ‘één die je overvalt tussen de douche
en het bed van kamer 27.’

We zoenden, het water van de jacuzzi rimpelde.
And in his eyes I see nothing, dacht ik. Geen teken van lief-
de, zelfs geen traan. Maar toen ik wat beter keek, zag ik
dromen, illusies, het aftasten van grenzen. Ik zag hem blo-
zen, ik zag begeerte. Blij zijn, dacht ik. Try a little
tenderness.

‘Mijn lief dineert met haar minnaar in het Hof van Cleve’,
zei hij plots. ‘En ik geef straks een privévertoning voor de
merels aan het houten hek.’ Toen wankelde hij van me weg
in de richting van de boerderij. Het leek me aangenaam
slenteren over het flinterdunne sneeuwtapijt.















BEN SCHOKKAERT
LE TEMPS DES CÉRISES


Ze bloesemt als sneeuw in de lente,
het is nog vers in maart,
haar borsten prijzen kersen aan.

Maar ze geurt niet echt naar gaard,
eerder naar bankkantoorventen,
die haar plukken in het graan,

vast een voorschot op hun rente
in haar voorschoot prenten.
Wat neem ik graag

de maat van haar jurk en
de tijd voor haar kersen.






















BEN SCHOKKAERT
HUNKERING


Er staat een klasdeur open,
ik gluur naar binnen:

je schrijft onder het oog
van de leerkracht die even weg-
kijkt, mij aanstaart.

Ik verleg m’n aandacht,
stap verder: geen getuige
van mijn openbaring,

niemand zag me
verlangen.























KONRAD STRAGIER
ANNABEL
1
, 5 MAART 2020


Die dag zal je verbaasd
uitroepen: ‘Je bent er nog,
ik had niet verwacht
jou nog te vinden!’
En ik zou merken wat ik ben:
een pop met blonde haren,
gekleed in een muf jurkje,
in een mand op zolder
tussen honderd andere poppen.
Natuurlijk zocht je naar mijn onderbuur.
























KONRAD STRAGIER

1
Populair merk van poppen in de eerste helft van de jaren 2000
MOMENT IN DE STAD


Het is weer zo’n moment
om te dwalen doorheen
de straten van mijn ziel.
Verwacht geen woord van mij,
ik ga maar voorbij, met de handen
in mijn zakken.

Toch grijp ik terug
naar de hand van mijn kind, mijn pop
en vlucht de lift in.

Buiten gaapt de wind.

Ik ben
te moe.





















KONRAD STRAGIER
DANSE MACABRE


Brumaire plukt de kortste dag
in een reispak van vallende blaren,
het verwelken nog even verborgen
onder een hoed van krijsende kraaien.

Ze draagt paarse nevels,
haar dies irae aan het licht
dat verdriet tot rijm verkilt.

Brumaire bedankt voor de ijsbloemen,
glipt voorbij de grens van het graf,
vergaat als rottend loof in onbenoemde aarde

En wacht op de wende.






















TREES VAN AERDEBRUGGE
PLAN B


Ik sta op straat. Tussen de huizen
gapen holten als in een bijna tandenloze mond.

Mijn vrouw is weg. Ze verkiest
het geld van hogerhand om in een dorp
met hetzelfde dambordpatroon opnieuw te beginnen.

Er staat niet veel meer op het spel
dan nog hier en daar een dak
en een kerktoren.
God geeft, God neemt

alvast zijn moeder ten hemel op.
Hij weet ook niet wanneer de bulldozers komen.

Wat valt er nog te vieren
dan de nederlaag door schilders
op de laatste binnenmuren aangebracht en het beeld

dat een gapend venster even voor de sloop
uitzicht geeft.















TREES VAN AERDEBRUGGE
PORTRET VAN VERTROUWEN


Ik wrijf mijn wang tegen je
tot het prikt

en ik voel

hoe zwart-wit de tegels zijn, hoe glad
geboend het hout de deur omlijst,
hoe mijn hoofd opschuift.

Wanneer groeipijn mij plooit, zoek ik
naar je warmte, maar jij
leert mij de rug te rechten
tegen een stoel. Zonder vragen

herinner je me aan lege lucht.
Een schrale troost.




















TREES VAN AERDEBRUGGE
TOVENAARSGLAS


Scherven en zonlicht. Als je het licht door een stukje glas
laat spelen, krijg je een regenboog. Schoonheid vinden in
wat stukgemaakt is.
Ik ben stukgegaan. Eerst raakte ik een splinter kwijt, niet
groter dan een glasscherf.
Maar de fragmentering ging verder en wat mijn grootste
angst was, werd waarheid. Mijn spiegelbeeld bleek onvind-
baar.
In plaats daarvan keek ik naar een vreemde. Haar ogen
waren onpeilbaar, ik verdwaalde in haar reflectie.
Toen hebben ze mij gebracht naar een plaats waar ze
dachten dat ik veilig was, ver genoeg van de scherven om
mezelf geen pijn te doen.
Daar moest ik mijn veters, iPod en oorbellen afgeven.
Het land achter de spiegel.
Somewhere over the rainbow.
Als Dorothy in wonderland reisde ik weg van de vertrouw-
de wereld. Op mijn tocht ontdekte ik vreselijke plaatsen,
ontmoette ik heel gewone mensen en was alleen.

De regenboog toont alle kleuren van het spectrum, rood,
oranje, geel, groen, blauw, indigo en violet. Deze kleuren
zijn waar te nemen met het menselijke oog. Maar niets
sluit uit dat er ook nog andere kleuren bestaan. We kun-
nen ze alleen niet zien.
Ik weet nu dat er andere waarheden bestaan dan de meest
aanvaarde, dat er mensen zijn die niet waargenomen
worden zoals ze zijn, dat er tussen hemel en aarde zoveel
meer is en bovenal, dat er engelen en demonen waken en
heersen.
Ik kan ze horen, hun gefluister houdt me wakker en zo
droom ik overdag.
Je kan een spiegel herstellen. Geduldig zoeken op de grond
en alle splinters verzamelen, ineenpuzzelen en lijmen.
Maar als je beter kijkt, zie je lijntjes en barsten.
Ik kijk opnieuw in de spiegel en ik zie mezelf. Mijn
negatief.
En het is voorjaar. Na hagelbui, donderslag en regenboog,
maakt de zon haar statement. De vogels kwetteren, de
steenweg zoemt onafgebroken. Ik kijk naar de bomen in de
tuin van de instelling. In het frisse lentelicht delen alle
kleuren een kortstondige intensiteit. De hemel is oneindig
blauw.

Ik ben verbonden met mezelf, door wit en zwart en alle
kleuren daartussen.
Doorheen de spiegel reik ik naar jou, mijn Spiegelbeeld.
Mocht jij er niet zijn, ik zou vervagen als een regenboog in
de hemel. Het ene moment nog volop aanwezig, het vol-
gende moment geen spoor dat nog naar mij verwees.
Ik en mij.
Gespleten en ondeelbaar.
























LIESBETH VANDERBEKE
VERTALING


verzend je woorden
in wolkende watten
met donzende dekens
stileer je kabaal

laat in slowmotion,
verdragende klanken,
jouw wereld verzinken
in dovende taal



























LIESBETH VANDERBEKE
ALLES WAT VREEMD IS BUITEN


Dit is een slogan die mij nu al jaren bezig houdt. Wat
betekent dat echt en hoe pak je dat nu aan? De betekenis
van ‘vreemd’ kan ik vinden bij mijn deskundige dikke
vriend: van Dale.
Die zegt dat ‘vreemd’ ongewoon, zonderling, raar,
abnormaal, gek, mal, curieus, komiek betekent. Sterker
nog, ‘vreemd’ wil ook zeggen: niet tot het eigen volk
behorend, niet nationaal. Die verklaring past uitstekend
bij de campagnes die regelmatig opduiken om deze slogan
te ondersteunen.
Het is een uitleg waar ik mij helemaal in kan terugvinden.
Maar ik wil die uitspraak dan ook tot op de letter
toepassen. Ik wil alles wat niet origineel Belgisch is,
buiten. Dus ook goederen die niet in een Belgisch bedrijf,
in een Belgische gemeente en met Belgisch kapitaal
geproduceerd zijn. Om het goede voorbeeld te geven, ben
ik bij mij thuis begonnen. In de keuken heb ik nog geluk.
Mijn keukentoestellen zijn van Atag en Pelgrim, Belgische
merken, zelfs nog uit Erpe-Mere. Maar mijn wasmachine
en droogkast heb ik onmiddellijk aan de deur gezet: van
Duitse makelij, raus!
Ik heb ook onmiddellijk een afspraak gemaakt met de
vloerder. Die moet zo snel mogelijk de Spaanse en
Italiaanse tegels vervangen door Belgische. Ik begrijp niet
waarom hij zo moest lachen toen ik hem naar zijn collectie
Belgische tegels vroeg.
In mijn kleerkast heb ik ook maar meteen grote
schoonmaak gehouden. Alle kleren van bij C&A, Street
One en H&M zijn de zak in gegaan. De kleren waar dit is
Belgisch op hangt, kan ik met een gerust hart in de kast
laten. Probleem: wat doe ik met de kleren die gekocht zijn
in een Belgische winkel, maar met made in Bangladesh op
het etiket? Belgisch bedrijf, Belgisch geld, vreemde
arbeiders. Daar moet ik nog eens uitgebreid over
nadenken. Maar nu is er wel ineens enorm veel plaats in
mijn kleerkast!
Mijn auto heb ik naar de schroothoop gebracht. Een Skoda
van amper twee jaar oud. De oudijzerman begreep er niets
van. Van die auto kon ik toch nog geld krijgen? Maar neen,
als ik echt al wat vreemd is buiten wil, dan mag ik die
Tsjechische auto toch niet doorverkopen aan een Belg? Ja,
aan een Tsjech in Tsjechië wel. Maar dat lijkt mij toch echt
iets te ingewikkeld. Ik kan die auto ook niet via het inter-
net te koop zetten. Mijn PC is Japans, het operating system
Amerikaans…
Nog diezelfde dag heb ik al mijn geld weggehaald bij de
Fortisbank. Die is ook al niet meer in Belgische handen.
Maar waar moet ik er dan mee blijven? Deutsche Bank?
Amrobank? Citibank, Kaupting, BNP-Paris Bas,…? Het is
geen sinecure een bank te vinden waar geen vreemd
kapitaal in zit. Gelukkig heeft KBC nog aandelen in de
Belgische wapenhandel.
Om mijn aandacht af te leiden van dergelijke hoofd-
brekende beslissingen, ben ik maar gaan winkelen. Dat
was ooit een leuke ontspannende bezigheid. Nu loop ik
WE, Kruidvat en Hema zomaar voorbij. En… mag ik wel
bij Coolcat kopen? De verkoopster kan mij niet eens
vertellen van welke origine de keten is. Esprit? De naam
klinkt Frans. Mexx?
Compleet gestrest en moedeloos ben ik terug naar huis
gegaan. En ik ben dan maar een boek gaan lezen, van een
Belgische schrijver, gepubliceerd bij een Belgische
uitgeverij. Zelfs TV-kijken kan ik niet meer. Belgacom is
wel Belgisch, maar mijn toestel is dat niet… en het is
trouwens al naar het containerpark!
En ik die dacht dat het simpel zou zijn… Wat zal dat geven
als we met de mensen beginnen?








YANNICK VAN DER SPEETEN
DIT IS VAKANTIE! - een fragment


‘Zijn we er bijna?’
‘Nog tien minuutjes, zegt de gps.’
‘Ik moet plassen.’
‘Ik ook, maar we moeten nog even geduld hebben.’
‘Het is dringend.’
‘Nog even geduld, nog vijfhonderd meter.’
‘Ik kan zolang niet meer wachten.’
‘Even stil nu, hier moet het zijn.’
‘Ik zie niets.’
‘Ik ook niet… en al helemaal geen hotel.’
‘Gelieve om te draaien.’
‘Mama, IK MOET DRINGEND!!!’
Papa stopt aan de kant van de weg en ik mag tussen de
struiken plassen. Oef.
‘Mama, kom eens kijken. Ik zie allemaal water achter de
struiken.’
‘Natuurlijk, je hebt net geplast.’
‘Neen mama, ik zie echt heel veel water.’
‘Dat is niet mogelijk, Narjo. De Donau ligt aan de andere
kant van de weg.’
‘Toch zie ik water mama.’
‘…’
‘Blauw water.’
‘…’
‘Precies een zwembad.’

Eindelijk komt mama kijken.

‘Goed zo, man! Je hebt het hotel gevonden!’
‘Ja hé mama! Nog een geluk dat ik moest plassen, hé!’






YANNICK VAN DER SPEETEN
KOPPEL À DEUX


In onze straat zongen we graag. Kinderliedjes, top-tienhits
of Vlaamse schlagers, jong en oud zong mee. Aan inspiratie
was er geen tekort, daar zorgde Elvire van café ‘t Plezierke
wel voor, niet het minst met het alcoholisch vocht dat ze
graag en veel tapte. Toen Moeke en Zjangske uit het verre
Brussel naar onze straat verhuisden, duurde het niet lang
of Zjangske ontpopte zich tot de meest enthousiaste zanger
van allemaal. Nadat hij weer eens te lang bij Elvire blijven
plakken was, hoorden we hem van ver luid zingend naar
huis komen. Zijn versie van L’amour est un oiseau rebelle
uit de opera Carmen was voor heel de buurt het sein om
het nakende schouwspel op straat bij te wonen. Zjangske
belde aan bij het eenvoudige rijhuisje op het ogenblik dat
zijn aria het hoogtepunt bereikte. Si je t’aiaiaiaiaiaime
prend gaaaarde à toi! Hoezeer Zjangske zijn liefde voor
haar ook bejubelde, Moeke deed niet open. In Franse aria’s
waren wij in onze buurt niet zo thuis – verder dan het
Lavé Maria waren we nooit gekomen – maar toen
Zjangske overschakelde op zijn eigenste smartlap, zong de
hele straat uit volle borst mee. Ach Moeke doe open. Uw
Zjangske is hier. Hij heeft zich bezopen met jenever en
bier.
Dit was het startsein voor gekrakeel en gekijf van gene
naar andere zijde van de voordeur, waarbij Moeke steevast
voet bij stuk hield en hem niet binnenliet. Pas wanneer
Zjangske na drie mislukte pogingen om de deur in te
beuken, ineenzeeg op de drempel en als laatste wapenfeit
een kletterende scheet de wereld instuurde, deed Moeke
open en sleurde haar zatte Zjangske naar binnen. De dag
nadien zagen we Zjangske ofwel helemaal niet, ofwel met
een kleurrijk toegetakeld gezicht schuw de straat
oversteken. Toen wij dan naar de reden van zijn licht
aangepast voorkomen informeerden, zei hij dat hij uitslag
gekregen had van de jenevers die hij bij Elvire gedronken
had. Als kind was ik daar zo van onder de indruk dat ik tot
op de dag van vandaag geen jenever gedronken heb.
Zjangske en drinken. Het had iets fatalistisch. Met zo’n
levensstijl zou hij het niet lang uitzingen, dachten wij.
Maar toch was het Moeke die als eerste het tijdelijke met
het eeuwige verwisselde. Zjangske scheen er op slag door
ontnuchterd. Maandenlang raakte hij geen druppel meer
aan en hoorden we Franse aria’s noch smartlappen in de
straat. Tot wanneer het Allerheiligen werd en de laatste
bezoekers van het kerkhof in de eerste schemer van de
avond Zjangske over de gemeentelijke rustplek zagen
zwalpen. De pot chrysanten bungelde in zijn armen toen
hij voor haar graf zijn bekende lied zong. Ach Moeke doe
open. Uw Zjangske is hier. Hij heeft zich bezopen met
jenever en bier.
Twee dagen later mocht hij binnen.

























ANJA VAN GEERT
ZITTING


Hoe het voortaan verder moet
met ons zal me worst wezen
eindelijk zit ik op mijn gemak
heb tijd om de krant te lezen.

Had ik je maar nooit ontmoet
- beneveld door teveel cognac -
en hoezeer ik je ook begeerde
je was enkel sier en kouwe kak.

Afscheid nemen is een harde strijd
ik heb er echt mijn buik van vol.

En nu is het zover: ik ben je kwijt
het gevoel dat blijft is leeg en hol

maar de scheiding wel een heuglijk feit.
Het moet enkel nog op de rol.


















ANJA VAN GEERT
DRIE – een kindergedicht


… Pif, de kat,
ligt naast het bad
op de mat.
Ze kijkt naar

Poef, de muis,
die zit op haar gat
en piept zich grijs met

Pol, de hond,
die bijt in de staart van …

























BARBARA VAN SANTEN
LEIDEN


Je kijkt. Ik bloos, durf niet,
wacht op de eerste
toon en geniet
met mijn ogen. Je

knijpt in mijn hand. Ik
voel me zweven op
hoge hakken en volg je
snelle passen.

Mijn rechterbeen draait zich
rond jou. Je duwt mij weg,
trekt me naar je toe.

Je wang aait de mijne, je
wacht. Ik fluister: ‘Ik hou van
tango.’



















BARBARA VAN SANTEN
NA


Ze werpt haar
schaamte af
en stelt zich op
voor zijn spiegel

-beeld. Ze wil hem
tonen hoe ze is.
Laag per laag gaat
uit. Hij verliest haar

ogen bij het laatste
stuk maar houdt haar
hand bij zich. Ze streelt

de lieverd van zijn vingers
en lippen. Hij breekt in
haar leegte in.



















BARBARA VAN SANTEN
EVOLUEREN


we denken FOUT

we vinden het beter FOUT

we beschouwen FOUT

we concluderen FOUT

we hebben bedenkingen FOUT

we vermoeden FOUT

we overleggen FOUT

we komen op het idee FOUT

we besluiten FOUT

we veronderstellen FOUT

we oordelen FOUT

we overwegen FOUT

JUIST











INGE VAN SNICK
SOMEONE HAS LEFT THE BUILDING
(en toch zijn we wie we zijn)

mascarasporen & lipstickvegen
glanzend gelakte
nagels klauwen in een tasje

de handtekening van een avond weg

hij hinkt door
een afgebroken stilettohak
zijn heup schrijnt

klote glazen tafels

in de pailletten
van zijn strapless jurk
weerspiegelt het vaalgroene licht

het volstaat
voor even


















INGE VAN SNICK
VANUIT DE SCHOMMELSTOEL


ze was zo mooi
ik wist niet
wat me overkwam
toen ze instemde met
me meeging
mijn leven vulde

ze was zo mooi
ik wist niet wat
ik zag die dag
toen ik thuiskwam
vol vervolg
-verhalen

ze liet me
zo weinig




















INGE VAN SNICK
POPULAIRE WALTER CLOSET


Je kent veel mensen:
zangers, actrices, de beenhouwer
van drie straten verder, de huurmoordenaar...

Je kent al hun geheimen.

Soms voelt het goed
om geliefd te zijn.
Hoewel... Wie is er graag W.C.?



























ANASTASIA VERLEYSEN
ALS EEN LOLLY...


Hard en sappig vanbuiten,
zoet en karamelachtig vanbinnen
soms ook een beetje zuur of compleet
anders.

Je speelt er maar wat mee en je
gezicht fleurt op als een kind
dat zijn eerste pasjes zet.




























ANASTASIA VERLEYSEN
REFLECTIES


Spiegels, ik ken ze! Herinneringen
komen helder terug
door een blik in glas.

Een aanblik die me herinnert
aan wie ik ben, hoe ik was of wil zijn,
die me doet denken of
me juist wil laten vergeten.




























ANASTASIA VERLEYSEN
PERCEPTIE


Laat ons samen wandelen,
bomen verplanten
tot ze geel worden
achter hun oren.

Laat ons bladeren tellen,
ze vangen in hun vlucht
en doen alsof
we daarna rijker zijn.

Laat ons een dak
van bladgroen maken,
eronder schuilen zonder
de vrees om doorweekt te worden.

Water is slechts een klein beetje nat.




















ANKE VERLEYSEN
KENNIS


Hij spant een net over zijn
takken, probeert een vogel
weg te houden, maar verschuift
geen teen.

Soms laat hij een hoopje
sneeuw los als muts
op het hoofd van vreemden.
Dan gillen ze onthutst.

Hij hoopt hen weg te jagen
maar ze blijven
aan hem hangen
tot hij schors verliest.

Een boom moet weten
wie zijn vrienden zijn.



















ANKE VERLEYSEN
HET STERVEN VAN EEN BOOM


Hij dwarsboomt haar
net als zij denkt
dat ze de juiste weg gevonden heeft.

Ze weet niet dat hij geen sap meer heeft
en dat zijn ringen zijn geteld.
Hij verroert een laatste wortel.

Zij streelt zijn bruine schors,
hoopt dat hij nog nuttig wordt,
dat zij hem kan bezitten.

Zijn takken breken.























ANKE VERLEYSEN
WHERE NO MAN HAS GONE BEFORE…


Iemand zou ooit gezegd hebben – ik herinner me jammer
genoeg niet meer wie – dat je voor een goed verhaal drie
dingen nodig hebt: een goed verhaal, een goed verhaal en
een goed verhaal. Dat klinkt aardig – waarschijnlijk zal de
quote dus wel afkomstig zijn van een of andere bobo uit de
filmwereld – maar het slaat nergens op.

Je kunt het zo sterk niet bedenken, of het is al gebeurd –
maar het levert niet noodzakelijk een geloofwaardig
verhaal op. Leg de beste mop in de mond van een slecht
verteller, en het wordt een flauwe grap. Of geef een reeks
heel erg flauwe grappen aan een goed verteller, en voor je
‘t weet, lig je in een deuk. De verhalen van William
Shakespeare stellen echt niet zo veel voor, drijven op de
‘grote thema’s’, hangen vaak met haken en ogen, ver-
kleedpartijen en persoonsverwisselingen aan elkaar. Maar
de manier waarop de bard van Avon een cliché onder-
handen neemt, blinkt zijn weinig opzienbarende, nogal
eens tweedehands verhaaltjes op tot schitterende, unieke,
onvergetelijke parels.

Want een goed verhaal, dames en heren, is altijd in de
eerste plaats een goed verteld verhaal. Met louter gevoe-
lens, diepe wijsheden of schitterende inzichten schrijf je
geen geslaagd gedicht. Het zit ‘m in de manier waarop je
de zaken verwoordt… en dan schrijf je een pakkend gedicht
over – pak weg – een krop sla.

Wijlen Peter Simons, televisieregisseur en docent filmregie
aan het RITS, vertelde graag hoe hij bij zijn allereerste les
telkens vooraan in de klas op een stoel ging staan en
uitriep: ‘Het doet er niet toe wat je vertelt! Het gaat erom
hoe je ‘t vertelt!’ – Waarna hij ging zitten en er nog aan
toevoegde: ‘Voilà, meer heb ik eigenlijk niet te zeggen.’

En toch blijft het zoeken naar die ‘beste manier’ om een
verhaal of gedicht onder woorden te brengen telkens weer
een hele… ontdekkingstocht? Ja, soms moet ik al eens den-
ken aan de commentaarstem uit de generiek van Star Trek,
als opeens weer die plek in zicht komt ‘where no man has
gone before’.

Ik hoop dat ook u, beste lezer, in de bladzijden die achter u
liggen, iets van de opwinding van onze literair creatieve
ontdekkingsreizen hebt mogen ervaren.




























PATRICK BERNAUW, schrijver, docent Literaire Creatie
WERKTEN MEE AAN DIT BOEK


ANNE BAATHS
(Tielt, 1979) is van opleiding economist.
In 2009 publiceerde ze haar debuut Dochters van Europa.
De levensvraag die ze zichzelf bijna dagelijks stelt: ben ik
nu een schrijver die zich vergiste van opleiding, een econo-
mist die na een literair zijsprongetje dringend terug aan
het werk moet of toch gewoon een moeder…

CHRISTINA CEUPPENS
zag het daglicht op een zondagochtend in 1968. Zij schrijft
al zolang ze zich kan herinneren, maar volgens haar telt
het pas vanaf het moment dat ze het ook zelf kon lezen...
Het is Christina’s ambitie om haar creatieve uitspattingen
te publiceren en gelezen te weten; ze zal niet rusten voor ze
dat bereikt heeft. Of zoals Boon het zei: Schrijven zult ge
tot uw laatste ademtocht, schrijven zult ge tot het uur na-
dert waarin ge u voorgoed neerleggen moet...

KATRIEN COPPENS
studeerde Germaanse talen. In 2005 nam ze een sabbat-
jaar waarin ze een poëziecursus volgde aan de Nederlandse
LOI. Daarna volgde ze Literaire Creatie aan de Academie
van Aalst bij Frank Pollet en Patrick Bernauw. Ze studeer-
de af aan de Academie van Ieper onder leiding van Roel
Richelieu Van Londersele, 1ste stadsdichter van Gent.
Momenteel volgt ze poëziecursusssen bij Wisper in Gent.

RITA CORTHALS
is 61. Geboren en getogen in Aalst – alleenstaande oma,
moeder, dochter en zus.
Rita heeft een stapel persoonlijke geschriften van een me-
ter of twee hoog, al tien keer moeten verhuizen. Wil die
graag in een boek verwerkt zien tegen de tijd dat ze naar
een home moet.
In 2008 besloot Rita de cursus Literaire Creatie te volgen,
en merkt sindsdien dat die stapel alleen maar groter
wordt.
ILSE DE BAERDEMAEKER (PS Lives in Eden)
(Asse, 1975) geboren en getogen in Ternat, heeft één broer
en één zus en twee schatten van ouders, droomde er als
kind van om schrijfster te worden, maar werd tot handels-
wetenschapster opgeleid door Vlekho, en is momenteel
werkzaam bij een verzekeringsmaatschappij als reporting
officer. In haar vrije tijd amuseert ze zich met lezen, teke-
nen en schilderen, websites ontwikkelen en schrijven.
Ilse woont samen met haar zielenmaatje, en heeft als mid-
dertiger heel wat dromen waaronder een boek schrijven.

CHANTAL DE CRAECKER
werd geboren op 11 april 1957.
Haar boterham verdient ze als vastgoedmakelaar.
Sinds kort heeft ze besloten tijd te maken om te doen wat
al jaren kriebelt: schrijven!

KARINE DE GUCHT
(Dendermonde 1968) juichte al van op de lagere school-
banken alle schrijfopdrachten toe. Een korte cursus ‘Ho-
ren, Zien en Schrijven’ in 2002 (Lodewijk De Raetstich-
ting) smaakte naar meer en resulteerde in 4 jaar Literaire
Creatie aan de Academie voor Podiumkunsten in Aalst.
Karine schreef een korte roman ‘Het Onvermogen’ als
afstudeeropdracht in de haar typerende uitgebeende stijl.

JOHAN DE WILDE
werd geboren in Kapellen een maand voor Neil Armstrong
voet zette op de maan. Net zomin als Neil naar de maan,
keerde Johan terug naar Kapellen. Johan vloog naar Quito
en Atlanta om uiteindelijk in Aalst te landen om er kleuter-
onderwijzers op te leiden. De Krokodilwachter gepubli-
ceerd krijgen zou one small step for mankind, one giant
leap for him zijn.

KATRIEN DIERICK
(Dendermonde, 1978)
Omdat talen haar beter lagen dan wiskunde, ging Katrien
talen studeren. Maar omdat ze zo van schrijven en spelen
met taal houdt, schreef ze zich in als student Literaire
Creatie. Na een jaar millimeterwerk in de poëzie besloot ze
zich toe te leggen op proza. Intussen is Katriens eerste
roman bijna klaar en hoopt ze dat uitgeverijen ook iets
zien in Raak mij niet aan.

JOOST DE SAEDELEER (ps)
stuurde ons volgende korte bio: ‘Ik geloof dat dieren en
planten praten, ik weet zeker dat kabouters bestaan en ik
ben er van overtuigd dat bij volle maan de gekste dingen
gebeuren. Hoewel ik de kinderschoenen ben ontgroeid
(geboren in 1980, Dendermonde) probeer ik mijn jeugdige
creativiteit, zowel tekstueel als illustratief een plaats te
geven. Het boek Tuin op stelten, mijn eerste literaire
publicatie, biedt iedereen de kans een blik te werpen op
mijn levendige fantasie.’

BART LIEVENS
werd geboren in de tweede helft van de jaren 1970 in het
stadje aan de Dender, Aalst. Sinds het begin van de jaren
1990 was hij in de ban van de Academie voor Podium-
kunsten: eerst muziek, dan dictie, toneel en later literaire
creatie. Rode draad is vooral taal, in al zijn vormen en ma-
ten, in bittere ernst en toch met speelsheid. Eerst spreken,
dan voordragen, en uiteindelijk zelf iets proberen te cre-
eren, puur uit taal. Het ontzag voor dit soort magie is nooit
meer weggegaan.

HILDEGARDE LIEVENS
(1957) is master tolk. Zij woont, schrijft, leest en musiceert
in Aalst. Hildegarde werkt in Brussel om Duits in de
praktijk te brengen. ‘Schrijven is het passionele verlangen
van de door schrijvers verleide…’

KRISTIEN LISSENS
werd geboren in Aalst, 1987. Zeventien jaar later studeerde
ze als eerste Literair Creatuur af aan de Academie voor
Podiumkunsten in Aalst. In haar job als logopediste zijn
taal en schrijven gelukkig nog steeds dagelijkse kost. Maar
in haar vrije tijd kruipt ze vooral graag met een boek in de
zetel, of waagt ze zich aan enkele kortverhalen.
RENÉE LORIE
is 22 en studeert filmstudies en visuele cultuur. Daarvoor
studeerde ze theaterwetenschappen met minor literatuur.
Renée woont in Gent. Ze houdt van gedichten, fotografie
en films, theater, reizen, …

BEN SCHOKKAERT
(Ninove, 1967) is een knutselaar met letters. Het liefst
knutselt hij in opdracht / op verzoek. Sinds kort is hij ook
een Echte Schrijver. Of toch: een schrijver met een Eigen
Boek. Het koekje bij de koffie (EPO, 2011) verpakt de
geschiedenis van 40 jaar wereldwinkels in een verhaal over
socialistische suiker, kromme bananen en roze stoelen.
Niet zo literair creatief, denkt u? Ontdek het zelf op
www.benschokkaert.be

KONRAD STRAGIER
leert Slavische talen aan de universiteit van Gent en spelt
met taal. Je kent hem wel van wereldberoemde uitspraken
als ‘there is nothing but jazz’ en nog nader te publiceren
bestsellers zoals Bij mij waart ge veilig, Zwarte man,
witte was en De mammoetbrengers.

TREES VAN AERDEBRUGGE
overtuigde zichzelf met Ik kan het wel, ik kan het wel...
toen ze het eerste jaar Literaire Creatie begon. Nu ze
afgestudeerd is, schrijft ze: Ik kon het niet, ik kon het een
beetje, een vaag vermoeden als een onzeker licht dat lijkt
op een luchtspiegeling. Ik kon al iets, zo’n petieterig lijntje
dat goed stond, goed klonk met waarschijnlijk dubbele
bodems en een vleug vlug vervlogen erotiek.
Ik kan het, een stem die de dialoog aangaat met de wereld.

LIESBETH VANDERBEKE
(Aalst, 1979) studeerde Germaanse Letter- en Taalkunde.
Nadien ging ze aan de slag als leerkracht Nederlands-
Engels op de DvM-Humaniora in Aalst. Woorden, en dan
vooral de liefde voor de belletrie loopt als een rode draad
door haar leven. Altijd aan het lezen, meestal de schrijfsels
van anderen, wilde ze weleens iets anders, en begon te
schrijven. Daar is ze voorlopig nog niet mee gestopt…

YANNICK VAN DER SPEETEN
werd geboren in 1962 in Aalst.
Van kinds af aan schrijft ze verhalen, maar ze durfde pas
recent een opleiding te volgen. Met zakelijk schrijven
verdient ze haar dagelijkse kost. Kinderverhalen en toneel
zijn haar grootste uitdaging. Een beker vol gedichten laat
ze liever aan zich voorbij gaan.

ANJA VAN GEERT
(Aalst, 1967) spendeerde sinds haar geboorte ruim 111 da-
gen in het kleinste kamertje. Het biedt haar gelegenheid
tot diepe inzichten, tot het lezen van boeken of zorgt bij
vlagen voor inspiratie voor een gedicht. Op andere mo-
menten schreef ze dan weer verhalen voor kinderen uit de
basisschool. Zo werden Kwistenbiebel, Code Casablanca
(2008) en Operatie Opgespoord (2010) gepubliceerd bij
uitgeverij Die Keure.

BARBARA VAN SANTEN
(Aalst, 1983) probeerde al tijdens haar middelbare-school-
opleiding een roman te schrijven. Ondanks vele pogingen,
bleef het manuscript in de kast liggen. In de zomer van
2009 schreef ze zich in voor een driedaagse schrijfcursus
van Vormingplus. Toen raakte ze echt goed gebeten door
de schrijfmicrobe en kon ze de pen niet meer neerleggen.
Hoewel ze er altijd van uitging dat proza haar ding was,
ontdekte ze dat poëzie en verhalen voor beginnende lezers
haar echt na aan het hart liggen.

INGE VAN SNICK
stuurde ons, als antwoord op onze vraag of ze een biootje
voor dit boek wilde leveren, deze tekst: ‘Toen ik in de jaren
zestig licht zag, werd ik een Inge. Ik loop hier al een tijdje
rond maar blijf mijn ogen uit-kijken tot het tijd is.
Iets zeggen over schrijven kan volstaan met: het boeiende
van woorden zal me altijd wel ergens blijven raken. En ja,
dat is boeiend met alles erop en eraan.’

ANASTASIA VERLEYSEN
werd geboren in het jaar waarin Muren vielen, zag het le-
venslicht in het Dendermondense. Na 18 jaren in het
Aalsters paradijs trekt ze naar katholiek Leuven en de
Franse romantici voor de opleiding Taal- en Letterkunde
om drie jaar later uit te komen in Dantes stad en van dicht-
bij Berlusconi’s val maar vooral de Italiaanse literatuur-
stromingen bij te wonen.

ANKE VERLEYSEN
(Dendermonde, 1983) schrijft al sinds ze een balpen kan
vasthouden. Wat uit haar pen komt, is prachtige poëzie!
Door de geboorte van haar kinderen lag deze pen een aan-
tal jaren neer, maar met de Literaire Creatie heeft ze haar
liefde terug opgevist. Zijzelf noemt dit het beste wat haar
ooit is overkomen en sindsdien kan ze niet meer stoppen
met schrijven.