Achtergrondrapportage

Technisch deel VTV


Juli 2012










Dit rapport is opgesteld in opdracht van RWS Waterdienst


















































Achtergrondrapportage
Technisch deel VTV




1204143-001




©Deltares, 2012





Gijs Hoffmans
Han Knoeff














Voorwoord
Ter voorbereiding op de vierde toetsronde is in de periode 2006 tot 2011 veel onderzoek
uitgevoerd om de kennis over de sterkte van en de belastingen op waterkeringen te vergroten.
Dit is grotendeels gedaan binnen het onderzoeksprogramma Sterkte en Belastingen van
Waterkeringen (SBW). De resultaten van dit onderzoek zijn vastgelegd in
(onderzoeks)rapporten en instrumenten, waaronder dit rapport. De onderzoeksresultaten
worden gebruikt voor het ontwikkelen van het Wettelijk Toetsinstrumentarium voor de vierde
ronde toetsen op veiligheid (WTI 2017).














1204143-001-GEO-0019, Versie 2, 19 juli 2012, definitief


Achtergrondrapport VTV Technisch deel

i
Inhoud
1 Inleiding 1
1.1 Algemeen 1
1.2 Toetsen versus ontwerpen 2
1.3 Leeswijzer 2
2 Hoogte waterkerend grondlichaam (HTwg) 5
2.1 Inleiding 5
2.2 Vereiste toetsgegevens 5
2.3 Verschilanalyse 6
2.4 Achtergronden 6
2.5 Referenties 6
3 Macrostabiliteit Binnenwaarts (STBI) 7
3.1 Inleiding 7
3.2 Vereiste toetsgegevens 7
3.3 Verschilanalyse 8
3.4 Achtergronden 8
3.5 Referenties 8
4 Macrostabiliteit Buitenwaarts (STBU) 9
4.1 Inleiding 9
4.2 Vereiste toetsgegevens 9
4.3 Verschilanalyse 9
4.4 Achtergronden 9
4.5 Referenties 9
5 Piping en Heave (STPH) 11
5.1 Inleiding 11
5.2 Vereiste toetsgegevens 11
5.3 Verschilanalyse 11
5.4 Achtergronden 12
5.5 Referenties 12
6 Microstabiliteit (STMI) 13
6.1 Inleiding 13
6.2 Vereiste toetsgegevens 13
6.3 Verschilanalyse 13
6.4 Achtergronden 13
6.5 Referenties 13
7 Stabiliteit Asfaltbekleding (STBKaf) 15
7.1 Inleiding 15
7.2 Vereiste toetsgegevens 15
7.3 Verschilanalyse 16
7.4 Achtergronden 16
7.5 Referenties 16







ii

1204143-001-GEO-0019, Versie 2, 19 juli 2012, definitief

Achtergrondrapport VTV Technisch deel

8 Stabiliteit Grasbekl eding (STBKgr) 17
8.1 Inleiding 17
8.2 Vereiste toetsgegevens 17
8.3 Verschilanalyse 17
8.4 Achtergronden 18
8.5 Referenties 18
9 Stabiliteit Steenzettingen (STBKsz) 19
9.1 Inleiding 19
9.2 Vereiste toetsgegevens 20
9.3 Verschilanalyse 20
9.4 Achtergronden 20
9.5 Referenties 21
10 Hoogte waterkerend kunstwerk (HTkw) 23
10.1 Inleiding 23
10.2 Vereiste toetsgegevens 23
10.3 Verschilanalyse 23
10.4 Achtergronden 23
10.5 Referenties 25
11 Stabiliteit van constructie en grondlichaam (STCG) 27
11.1 Inleiding 27
11.2 Vereiste toetsgegevens 27
11.3 Verschilanalyse 27
11.4 Referenties 27
12 Sterkte constructie onderdelen (STCO) 29
12.1 Inleiding 29
12.2 Vereiste toetsgegevens 29
12.3 Verschilanalyse 29
12.4 Referenties 29
13 Piping en heave waterkerend kunstwerk (STPHkw) 31
13.1 Inleiding 31
13.2 Vereiste toetsgegevens 31
13.3 Verschilanalyse 31
13.4 Referenties 31
14 Betrouwbaarheid Sluiting (BS) 33
14.1 Inleiding 33
14.2 Vereiste toetsgegevens 33
14.3 Verschilanalyse 33
14.4 Achtergronden 33
14.5 Referenties 33
15 Duinwaterkeringen (DWK) 35
15.1 Inleiding 35
15.2 Vereiste toetsgegevens 35
15.3 Verschilanalyse 35
15.4 Achtergronden 35


1204143-001-GEO-0019, Versie 2, 19 juli 2012, definitief


Achtergrondrapport VTV Technisch deel

iii
15.5 Referenties 36
16 Hoge gronden 37
16.1 Inleiding 37
16.2 Vereiste toetsgegevens 37
16.3 Verschilanalyse 37
16.4 Achtergronden 37
17 Voorland (VL) 39
17.1 Inleiding 39
17.2 Vereiste toetsgegevens 40
17.3 Verschilanalyse 40
17.4 Achtergronden 40
17.5 Referenties 45
18 Toetsing Havendammen (HAV) 47
18.1 Inleiding 47
18.2 Vereiste toetsgegevens 47
18.3 Verschilanalyse 47
18.4 Achtergronden 47
19 Niet Waterkerende Objecten (NWO) 49
19.1 Inleiding 49
19.2 Vereiste gegevens 49
19.3 Achtergrond - basisfilosofie 52
19.4 Achtergrond - begroeiing 55
19.5 Achtergrond - bebouwing 63
19.6 Achtergrond - pijpleidingen 65
19.7 Referenties 71
20 Niet Waterkerende Objecten in Duinen 73
20.1 Inleiding 73
20.2 Vereiste toetsgegevens 73
20.3 Verschilanalyse 73
20.4 Referenties 73
21 Innovaties 75
21.1 Inleiding 75
21.2 Achtergronden 75
21.3 Verschilanalyse 75
21.4 Referenties 75
22 Toets op maat 77
22.1 Inleiding 77
22.2 Stop criteria 77
23 Referenties 81








iv

1204143-001-GEO-0019, Versie 2, 19 juli 2012, definitief

Achtergrondrapport VTV Technisch deel

Bijlage(n)
A Voorbeelden innovaties A-1
B Rekenvoorbeeld Toets op maat B-1
C Integratie Toetsinstrumentarium c-keringen in WTI-2011 C-1
D Kunstwerken D-1



1204143-001-GEO-0019, Versie 2, 19 juli 2012, definitief


Achtergrondrapport VTV Technisch deel

1 van 82
1 Inleidi ng
1.1 Algemeen
Het WTI-2011 is opgebouwd uit drie wettelijke documenten:
Voorschrift Toetsen op Veiligheid, Algemeen deel (VTV Algemeen deel). Dit deel geeft
de belangrijkste kaders en definities, beschrijft het toetsproces en geeft de
beoordelings- en rapportageverplichtingen.
Voorschrift Toetsen op Veiligheid, Technisch deel (VTV Technisch deel). Dit deel geeft
de inhoudelijke uitwerking van alle voorkomende toetssporen.
Hydraulische Randvoorwaarden, Technisch deel (HR Technisch deel). Dit deel geeft
de maatgevende hydraulische belastingen voor primaire keringen ten behoeve van de
toetsing.

Ten opzichte van het VTV-2006 maakt het WTI-2011 geen onderscheid meer tussen ener-
zijds de primaire waterkeringen en anderzijds de Maaskaden en de C-keringen. Deze drie
type keringen dienen op eenzelfde wijze te worden getoetst. Het WTI wordt ondersteund door
verscheidene andere documenten, zie ook Fig. 1.1.


Figuur 1.1 Structuur WTI-2011

W et t eli jk To et sin st r um ent ar iu m (W T I)

V TV A l g e m e e n d e e l :
+ W e t t e l ij k e k a d e r
+ B e l an g r ij k e d e f in i t i es ;
+ B e s c hr i j v in g v an h et t oe t s p r oc e s
+ B e o o r d el i n g sv er p l ic h t i n g en
+ R a p p or t ag e ve r p li ch t i n g en

V TV Te c h n is c h e d e e l
+ T oe ts r e g el s p e r t o e t ss p oor



H R T e c hn is c h e d e e l:
+ T o et s p ei le n
+ H yd r a' s
+ O v e r i g e b el as ti n g en

A a nb i e d in g sb r ie f
Te c h ni s c h e R a p p o rt e n
T o e t s ra p
D i g it ale r a p p ot a g e
D ra a i b o e k W ate r v e il ig h e i d
v oor d e v i e r d e t oe t sr on d e
To e ts a p p li c a ti e s
Sof t w ar e
A c ht e rg ro n d r a p p o rt e n
W TI








Achtergrondrapport VTV Technisch deel

1204143-001-GEO-0019, Versie 2, 19 juli 2012, definitief

2 van 82

1.2 Toetsen versus ontwerpen
Toetsen op veiligheid is het beoordelen van de waterkering door vergelijken van de aanwe-
zige sterkte van de waterkering met de bij de norm behorende belastingen; het toetsen
vertoont voor een deel andere kenmerken dan ontwerpen of beoordelen op optimaal beheer.
De belangrijkste verschillen tussen toetsen en ontwerpen zijn:

Bij toetsen wordt er naar gestreefd dezelfde methodes te hanteren als bij ontwerpen
om de veiligheid tegen overstromen te beschouwen. Uitgangspunten en randvoor-
waarden zullen echter verschillen.
Bij toetsen wordt de veiligheid tegen overstromen beoordeeld op de peildatum.
Aangezien het toetsen op veiligheid een cyclus kent van vijf jaar, is de zichtperiode
hierbij ook vijf jaar. Bij het ontwerpen wordt veelal uitgegaan van een planperiode/
levensduur van 50 jaar voor dijken en dammen en van 100 of 200 jaar voor kunst-
werken en bijzondere beschermingsconstructies.
Een ontwerper gaat meestal uit van een blanco situatie en zoekt voor een langere
periode een optimum voor kosten in aanleg en onderhoud, afgestemd op alle te
vervullen functies.
Bij het beoordelen op optimaal beheer schat men in welk beheer- en onderhouds-
beleid moet worden gevoerd om de waterkering in een goede conditie te houden
tegen minimale kosten en bij voldoende functievervulling.
Toetsen richt zich uitsluitend op de waterkerende functie van de waterkering. Bij
ontwerpen worden tevens andere functies van de waterkering beschouwd.

Als gevolg van verschillen tussen toetsen en ontwerpen kan een ontwerp- of beheer-
voorschrift andere eisen aan een waterkering opleveren dan een veiligheidstoetsing.

Dit voorschrift beperkt zich tot de veiligheidstoetsing. Het uitgangspunt bij de gegeven
methode is dus niet de ontwerper, die in staat moet worden gesteld stap voor stap een
waterkering te dimensioneren en te optimaliseren, maar de beheerder, die kennis en ervaring
heeft over het gedrag van de aanwezige kering. Deze heeft aanvullende richtlijnen nodig om,
vanuit zijn ervaring, het gedrag van de kering onder extreme omstandigheden te kunnen
beoordelen en te vertalen naar een veiligheidsoordeel.

Doordat toetsregels en toetscriteria zijn opgesteld specifiek voor de beoordeling van de
veiligheid tegen overstromen, zijn deze niet geschikt voor ontwerpen en mogen daarvoor dan
ook niet worden toegepast.

1.3 Leeswijzer
Deze rapportage, Achtergrondrapport VTV Technisch deel, geeft per toetsspoor informatie
aangaande:
Beschrijving van het (faal)mechanisme.
Vereiste toetsgegevens.
Verschilanalyse (ten opzichte van VTV-2006).
Achtergronden en referenties.

Alle toetssporen zijn onafhankelijk en hebben betrekking op het beoordelen van:
1) Dijken;
2) Bekledingen;
3) Kunstwerken;
4) Duinwaterkeringen
5) Overige toetssporen.


1204143-001-GEO-0019, Versie 2, 19 juli 2012, definitief


Achtergrondrapport VTV Technisch deel

3 van 82

Ad 1)
De stabiliteit van dijken wordt gekarakteriseerd door:
Hoogte (faalmechanismen golfoverslag en overlopen).
Weerstand van het dijklichaam tegen afschuiven (macrostabiliteit), zowel binnen-
waarts (spoor STBI) als buitenwaarts (spoor STBU).
Weerstand tegen het optreden van piping of heave (spoor STPH).
Weerstand van het dijklichaam tegen uitspoelen van grond of afdrukken van de
toplaag van het binnentalud ten gevolge van een hoge waterdruk in de dijk (micro-
stabiliteit, spoor STMI).

Ad 2)
Onder bekleding wordt verstaan het gehele pakket dat de kern van de dijk bedekt. Een
bekleding kan verschillende functies vervullen, maar voor de toetsing op veiligheid is alleen
het volgende van belang: bescherming van het onder /achterliggende grondlichaam en
reductie van de golfoploop. De reductie van de golfoploop is onderdeel van het beoordelings-
spoor Hoogte. De bekleding moet er voor zorgen dat de aantasting van het dwarsprofiel
tijdens maatgevende omstandigheden zodanig binnen de perken blijft, dat er geen gevaar
voor bresvorming optreedt.

De bijdrage van de bekleding aan de waterdichtheid van de totale kering wordt niet getoetst.
Overigens kan de doorlatendheid van de bekleding wel van belang zijn voor de stabiliteit van
de bekleding zelf, de ligging van de freatische lijn in het grondlichaam en/of de stabiliteit van
het binnentalud bij overslaand of uittredend water. De stabiliteit bij overslag is afhankelijk van
de kwaliteit van de bekleding op de kruin en het binnentalud en de helling van het binnen-
talud.

De clusterbekledingen kent drie toetssporen, te weten: stabiliteit asfaltbekledingen (STBKaf),
stabiliteit grasbekledingen (STBKgr) en stabiliteit steenzettingen (STBKsz).

Ad 3)
De beoordeling van een waterkerend kunstwerk of een bijzondere waterkerende constructie
verloopt volgens de volgende beoordelingssporen:
Hoogte van de constructie (HTkw), de afsluitmiddelen en het aangrenzende
grondlichaam.
Stabiliteit van constructie en grondlichaam (STCG).
Sterkte van (waterkerende) constructieonderdelen (STCO).
Piping en heave (STPHkw).
Betrouwbaarheid sluiting (BS).

Ad 4)
Tijdens een storm wordt het duin belast door de aanval van hoge waterstanden, golven,
stroming en wind. Deze belasting veroorzaakt afslag van het duin waarbij het zand dat van
het duin afslaat veelal lager in het profiel, dus in dieper water, weer wordt afgezet. Dit
resulteert in een flauwere helling en hangt af van de waterstand, de korreldiameter van het
duinzand en de bijbehorende intensiteit van de golven (Toetsspoor is DWK).









Achtergrondrapport VTV Technisch deel

1204143-001-GEO-0019, Versie 2, 19 juli 2012, definitief

4 van 82

Ad 5)
Daarnaast wordt de stabiliteit van de waterkering beïnvloed door:
Hoge gronden.
Weerstand tegen afschuiven of zettingsvloeiing en/of golfafslag van de vooroever
(VL).
Toetsing havendammen (HAV).
Gedrag van de niet-waterkerende objecten op of in de dijk (NWO).
Gedrag van de niet-waterkerende objecten op of in duinen.
Uitgewerkte beoordelingen van innovatieve onderdelen in primaire keringen.

In de bijlagen wordt nader ingegaan op:
Voorbeelden Innovaties.
Voorbeeld toets op maat.
Verschillende verificaties die zijn uitgevoerd in het kader van de integratie van het
Addendum op het VTV betreffende de c-keringen.
Handreikingen voor Kunstwerken zoals voorbeeldenboek.

Ten slotte wordt opgemerkt dat soms in dit Achtergrondrapport wordt verwezen naar concept
Technische Rapporten, omdat ten tijde van dit schrijven onbekend is wat de formele status
hiervan is.



1204143-001-GEO-0019, Versie 2, 19 juli 2012, definitief


Achtergrondrapport VTV Technisch deel

5 van 82
2 Hoogte waterkerend grondlichaam (HTwg)
2.1 Inleiding
De hoogte van de kruin moet in de eerste plaats voldoende zijn om het faalmechanisme
overlopen te voorkomen; dit mechanisme doet zich voor in de situatie dat Toetspeil +
toeslagen hoger is dan de kruinhoogte. In de tweede plaats is het faalmechanisme overslag
van belang; daarbij faalt de waterkering doordat de golven een te groot debiet over de kruin
veroorzaken. Bij toetsen zal vrijwel steeds de eis van beperking van het overslagdebiet
maatgevend zijn. Dit overslagdebiet kan op twee manieren leiden tot falen van de
waterkering: ten eerste door falen van de bekleding op de kruin en het binnentalud (als
gevolg van erosie van het binnentalud door de kracht van het stromende water) en ten
tweede doordat de situatie bij hoogwater onbeheersbaar wordt.
2.2 Vereiste toetsgegevens
Voor de toetsing is van belang de kruinhoogtemarge en het overslagdebiet. De kruinhoogte-
marge is gedefinieerd als het verschil tussen de actuele kruinhoogte en het Toetspeil
vermeerderd met lokale toeslagen (zie ook Technisch Rapport Ontwerpbelastingen voor het
Rivierengebied).

In de praktijk wordt de actuele kruinhoogte gecorrigeerd met de verwachte zetting en klink
binnen de toetsperiode (zie ook Technisch Rapport Waterkerende Grondconstructies). De
actuele kruinhoogte kan op verschillende manieren worden bepaald, zoals door middel van
een lengtewaterpassing over de buitenkruinlijn, laseraltimetrie vanuit een helikopter of radar-
metingen vanuit vliegtuigen of satellieten. De bemonsteringsafstand is afhankelijk van de
aanwezige variatie; bij een redelijk uniform profiel kan worden gedacht aan een afstand in
lengterichting van 20 m. Een schatting van de zetting en klink tot aan de peildatum kan bij-
voorbeeld worden gemaakt door een vergelijking van de gemeten actuele kruinhoogte met
metingen van enkele jaren geleden.

Het is mogelijk om in bijzondere gevallen niet uit te gaan van de buitenkruinlijn, maar van een
hoger punt op de kruin. Dat is alleen toegestaan als hiermee ook rekening wordt gehouden bij
de overige beoordelingssporen; voorkomen moet worden dat de score op Hoogte ‘voldoet’ op
basis van een binnenwaarts gelegen punt, terwijl de score op bijvoorbeeld Macrostabiliteit
binnenwaarts ‘voldoet’ op basis van de restprofielbenadering van stap 1 waarbij wordt
aangenomen dat het betreffende punt afschuift (zie VTV-Technisch Deel). Verder moet in een
dergelijk geval worden opgelet dat de toetsing wordt uitgevoerd langs een aaneengesloten
lijn in de lengterichting van de waterkering (zie ook Technisch Rapport Actuele Sterkte).

Het overslagdebiet dat hoort bij de geometrie van de dijk (kruinhoogte en de taludhelling)
wordt berekend met behulp van het HYDRA-rekenmodel. Bij complexe geometrie van het
talud moeten eerst de randvoorwaarden (Toetspeil, toeslagen en golfrandvoorwaarden)
bepaald worden met het HYDRA-rekenmodel op basis waarvan vervolgens het
overslagdebiet met het rekenmodel PC-OVERSLAG berekend kan worden. Het HYDRA-
rekenmodel en het rekenmodel PC-OVERSLAG gebruiken beide de formuleringen uit het
Technisch Rapport Golfoploop en Golfoverslag bij Dijken, maar het rekenmodel PC-
OVERSLAG heeft de mogelijkheid om een gecompliceerdere geometrie (dan het HYDRA-
rekenmodel) toe te passen.








Achtergrondrapport VTV Technisch deel

1204143-001-GEO-0019, Versie 2, 19 juli 2012, definitief

6 van 82

2.3 Verschil analyse
SBW-onderzoek heeft geleid tot meer inzicht in de erosiebestendigheid van grasbekledingen,
waardoor het overslagcriterium onder bepaalde condities van 0,1 naar 5 /s per strekkende
meter verruimd kan worden.
2.4 Achtergronden
Feitelijk zijn er vier kenmerken voor het beoordelingsspoor Hoogte, die in onderlinge
samenhang bepalen of een dijk aan de eisen kan voldoen:
1) Kruinhoogte;
2) Weerstand van kruin en binnentalud tegen overslag;
3) Eigenschappen ten aanzien van begaanbaarheid en
4) Mogelijkheden voor afvoer en berging van overslaand water.

Het eerste kenmerk is de absolute hoogte ter plaatse van de buitenkruinlijn. Voor de toetsing
is van belang wat per sectie de laagste waarde van de kruinhoogte is tot aan de peildatum. In
de praktijk is dat meestal de actuele kruinhoogte gecorrigeerd met de zetting en klink die
wordt verwacht.

Het tweede kenmerk is de weerstand tegen erosie en lokaal afschuiven van grond op de
kruin en het binnentalud door overslaand water. Bij onvoldoende weerstand zal dit leiden tot
kruinhoogteverlies, mogelijk gevolgd door bresvorming. De toetsing op dit kenmerk hangt af
van het bekledingstype. Grofweg wordt de sterkte bepaald door de dikte en de kwaliteit van
de diverse lagen van de bekleding, en de maximale helling van het binnentalud.

Het derde kenmerk wordt gevormd door de eigenschappen van de dijk ten aanzien van
begaanbaarheid/bereikbaarheid/berijdbaarheid van de kruin en eventuele bermen op het
binnentalud. Hieraan kunnen eisen worden gesteld in verband met mogelijk noodzakelijk
ingrijpen onder extreme omstandigheden. De sterktekenmerken zijn sterk locatiebepaald;
gedacht kan worden aan de aanwezigheid van verharding op de kruin. De toetsing op dit punt
heeft overigens een sterk kwalitatief karakter.

Het vierde kenmerk betreft de mogelijkheden om overslaand water te bergen of af te voeren.
Dit kenmerk speelt slechts mee in de beoordeling voor zover de veiligheid niet in het geding
is.
2.5 Referenties
(Concept)Technisch Rapport Grasbekledingen op Dijken.
Technisch Rapport Ontwerpbelastingen voor het Rivierengebied.
Technisch Rapport Waterkerende Grondconstructies.
Technisch Rapport Golfoploop en Golfoverslag bij Dijken.
Technisch Rapport Actuele Sterkte.





1204143-001-GEO-0019, Versie 2, 19 juli 2012, definitief


Achtergrondrapport VTV Technisch deel

7 van 82
3 Macrostabiliteit Binnenwaarts (STBI)
3.1 Inleiding
Een hoge buitenwaterstand leidt tot een verhoging van het freatisch vlak in het grondlichaam
en een verhoging van waterspanningen in de ondergrond en in de dijk, waardoor de weer-
stand tegen afschuiven reduceert. Een bijzondere situatie kan optreden wanneer een
watervoerende zandlaag in de ondergrond wordt afgedekt met een slecht doorlatend klei- en
veenpakket. Bij hoge buitenwaterstanden zal de waterspanning in de zandlaag relatief snel
oplopen waardoor aan de binnendijkse zijde het bovenliggende slecht doorlatende klei- en
veenpakket door opwaartse waterdruk omhoog wordt gedrukt. Dit fenomeen wordt wel
aangeduid met opdrijven en heeft een ongunstig effect op de macrostabiliteit.
3.2 Vereiste toetsgegevens
Voor de eenvoudige toets zijn vereist:
Belastingparameters (Toetspeil en waterstand achter de kering of maaiveldhoogte
indien geen sloot aanwezig).
Geometrische afmetingen van de dijk (kruinhoogte, steilheid van binnentalud en aan-
wezigheid van sloot).
Geometrische afmetingen van de stabiliteitsberm (breedte berm en dikte berm ten
opzichte van maaiveldhoogte).
Globale opbouw van het grondlichaam (kern van klei of kern van zand).
Globale opbouw van de ondergrond (dikte van klei- of veenlaag).

Voor een gedetailleerde toets dienen aanvullende gegevens te worden verzameld met
betrekking tot:
1. Bodemopbouw;
2. Waterspanningen in de dijk en de ondergrond;
3. Karakteristieke waarden van de schuifsterkte.

Ad 1) Bodemopbouw
Bij voorkeur wordt een geotechnisch profiel getekend voor het schematiseren van de bodem-
opbouw onder, voor en achter de dijk. Voor macrostabiliteit is voornamelijk het lengteprofiel
onder de kruin van de dijk en ter plaatse van het achterland van belang. Evenzo is het opspo-
ren en nader uitkarteren van slappe lagen van belang voor het afbakenen van secties met
een mogelijk macrostabiliteitprobleem.

De bodemopbouw ter plaatse van het achterland speelt een belangrijke rol bij het bepalen
van de opdrukveiligheid en de stabiliteitanalyse. Indien opdrijven een rol kan spelen is het
zinvol ter plaatse van opdrijfgevoelige secties de dikte en het volumegewicht van de
afdekkende laag op basis van terrein- en laboratoriumonderzoek nader te onderzoeken (zie
ook Technisch Rapport Geotechnisch Schematiseren).

Ad 2) Waterspanningen in de dijk en de ondergrond
Het meten van de stijghoogte op diverse diepten en locaties in het dwarsprofiel van de dijk
verschaft inzicht over de actuele waterspanningsopbouw. Bij dergelijke metingen is het van
groot belang onder welke omstandigheden is gemeten (seizoen, buitenwaterstanden,
polderpeilen). Op basis van responsmetingen bij sterke fluctuaties van de buitenwaterstand
kan het rekenmodel voor grondwaterstroming worden geijkt en kunnen modelonzekerheden
verder worden teruggebracht. Voor dergelijke methodes wordt verwezen naar het Technisch
Rapport Waterspanningen bij Dijken.








Achtergrondrapport VTV Technisch deel

1204143-001-GEO-0019, Versie 2, 19 juli 2012, definitief

8 van 82

Ad 3) Karakteristieke waarde schuifsterkte
In bijlage 1 van het Technisch Rapport Waterkerende Grondconstructies is aangegeven op
welke wijze karakteristieke schuifsterkteparameters kunnen worden bepaald uit een lokale of
regionale verzameling van sterkteproeven. Een lokale proevenverzameling heeft betrekking
op een gebiedsgrootte waarbinnen regionale variaties (bijna) geen rol spelen. Hierbij kan
gedacht worden aan gebieden niet groter dan 100 tot 150 meter in lengterichting van de
waterkering en een zelfde afmeting in dwarsrichting van de waterkering.
3.3 Verschil analyse
Het vernieuwde toetsschema voor STBIwg geeft ten opzichte van het VTV-2006 de volgende
verschillen:
Introductie schematiseringsfactoren; de toetsing hield tot nu toe geen rekening met de
onzekerheden rondom de schematisering van de ondergrond.
Aanpassing partiële veiligheidsfactoren voor categorie C-keringen; (vergroten van de
betrouwbaarheid van de Toetsing, dus minder onterecht ‘voldoet’ of minder onterecht
‘voldoet niet’).
Introductie van een stappenplan voor het toepassen van EEM (Eindige Elementen
Methode) in de gedetailleerde toets (toename van de toepasbaarheid van de
Toetsing).
De verwijzingen naar NEN en TGB- normen worden vervangen door de Eurocode en
leidt niet tot noemenswaardige verschillen, omdat thans de vernieuwde Eurocode
openingen biedt om deze richtlijnen te kunnen blijven gebruiken.
3.4 Achtergronden
Een bijzonder faalmechanisme is horizontale afschuiving. Hiervoor worden in dit Voorschrift
geen aparte toetsingsregels gegeven. Op basis van de huidige kennis mag worden veron-
dersteld dat dit faalmechanisme niet maatgevend is voor de Nederlandse dijken en dammen
van het primaire waterkeringensysteem in hun huidige opbouw.

Indien op basis van oude ontwerpen wordt getoetst en werd gewerkt met gemiddelde in
plaats van met karakteristieke sterkteparameters, dient de overall-veiligheidsfactor te voldoen
aan de volgende waarden voor de binnenwaartse stabiliteit:
Bij gebruik van sterkteparameters op basis van celproeven: 1,4.
Bij gebruik van sterkteparameters op basis van triaxiaalproeven: 1,6.

Indien risico’s als gevolg van grote vervormingen in ogenschouw zijn genomen en parame-
ters op statistisch/probabilistische wijze zijn onderbouwd, mag een lagere veiligheidsfactor
worden aangehouden:
Bij gebruik van sterkteparameters op basis van celproeven: 1,3 à 1,4.
Bij gebruik van sterkteparameters op basis van triaxiaalproeven: 1,5 à 1,6.

De beoordeling van oude rapporten dient door deskundigen te worden verricht.
3.5 Referenties
Technisch Rapport Waterkerende Grondconstructies.
Technisch Rapport Waterspanningen bij Dijken.
(Concept) Technisch Rapport Macrostabiliteit 2012.
Technisch Rapport Geotechnisch Schematiseren.



1204143-001-GEO-0019, Versie 2, 19 juli 2012, definitief


Achtergrondrapport VTV Technisch deel

9 van 82
4 Macrostabiliteit Buitenwaarts (STBU)
4.1 Inleiding
Met macrostabiliteit wordt het afschuiven van grote delen van een grondlichaam bedoeld. Dit
afschuiven treedt op langs rechte of gebogen glijvlakken of door plastische zones, waarin
door overbelasting geen krachtenevenwicht meer aanwezig is. De sterkte-eigenschappen en
de waterspanningen in en onder de grondconstructie bepalen de weerstand tegen
afschuiven.
4.2 Vereiste toetsgegevens
Op basis van geometrische kenmerken kan de eenvoudige toets voor zowel rivierdijken als
zee- en meerdijken worden uitgevoerd. Benodigde gegevens zijn:
Belastingparameters (Toetspeil en GWS (=gemiddelde waterstand)).
Geometrische gegevens van dijk en voorland (actuele kruinhoogte, steilheid
buitentalud, breedte en hoogte van voorland).
Globale opbouw van ondergrond (dikte klei- of veenlaag en dikte zandlaag).

Voor de gedetailleerde toets zie Toetsspoor macrostabiliteit binnenwaarts paragraaf 3.2
4.3 Verschil analyse
Zie ook Toetsspoor macrostabiliteit binnenwaarts Hoofdstuk 3.
4.4 Achtergronden
Stabiliteitsverlies van het voorland door afschuiving of zettingsvloeiing in de directe omgeving
van de dijk wordt ook (net als macrostabiliteit buitenwaarts) als een bedreiging voor de
veiligheid gezien, maar is een ander mechanisme en heeft een apart beoordelingsspoor (het
toetsspoor Voorland VL).

Zelfs bij een voldoende stabiel voorland kan de macrostabiliteit van het buitentalud in gevaar
komen in geval van een snelle val van de buitenwaterstand en een relatief hoog freatisch vlak
in de dijk of dam.

De beoordeling van macrostabiliteit buitenwaarts loopt analoog aan de toetsing op
macrostabiliteit binnenwaarts met twee uitzonderingen:
Mechanismen opdrijven en opbarsten spelen bij buitenwaartse stabiliteit geen rol.
Indien werd gewerkt met gemiddelde in plaats van met karakteristieke sterkte-
parameters, dient de overall-veiligheidsfactor te voldoen aan de volgende waarden
voor de buitenwaartse stabiliteit:
o Bij gebruik van sterkteparameters op basis van celproeven: 1,2.
o bij gebruik van sterkteparameters op basis van triaxiaalproeven: 1,4.

Bij het beschouwen van de macrostabiliteit buitenwaarts worden geen risico’s als gevolg van
grote vervormingen in ogenschouw genomen en mag dus geen lagere veiligheidsfactor
worden aangehouden, ook niet als parameters statistisch/probabilistisch zijn onderbouwd.
4.5 Referenties
Zie ook Toetsspoor macrostabiliteit binnenwaarts Hoofdstuk 3.


1204143-001-GEO-0019, Versie 2, 19 juli 2012, definitief


Achtergrondrapport VTV Technisch deel

11 van 82
5 Piping en Heave (STPH)
5.1 Inleiding
Stabiliteitsverlies door piping kan ontstaan wanneer teveel gronddeeltjes uit de onderliggende
grondlagen worden meegevoerd door een kwelstroom bij (langdurige) hoge waterstanden.
Verschillende fasen bij het ontstaan van piping zijn toegelicht in het Technisch Rapport
Zandmeevoerende Wellen (herziene versie). Het optreden van deze interne erosie is aan de
binnenzijde van de dijk zichtbaar doordat in sloten of op het maaiveld met het opwellende
kwelwater zand wordt meegevoerd.

Onder heave wordt het ontstaan van drijfzand bij verticaal uittredend grondwater verstaan.
Heave kan optreden in situaties waarbij een geconcentreerde verticale kwelstroming
optreedt, bijvoorbeeld achter een kwelscherm aan de binnenzijde van de waterkering.
5.2 Vereiste toetsgegevens
Voor de eenvoudige toets Piping en Heave (STPH) zijn de volgende gegevens benodigd:
Maximale verval over de waterkering.
Bodemopbouw van de ondergrond (dikte van de watervoerende laag en de aanwezig-
heid van eventuele tussenzandlagen).
Opbouw en geometrie van de dijk.
Minimale dikte en het (gewogen) gemiddelde volumegewicht van het slecht water-
doorlatende pakket boven het zandpakket of de tussenzandlaag.

Voor de gedetailleerde toets zijn aanvullende gegevens nodig (zie ook Hoofdstuk 7 van het
Technisch Rapport Zandmeevoerende Wellen (herziene versie):
Kwelweglengte, ofwel de afstand tussen het intreepunt op het voorland en het uittree-
punt op het achterland.
Korrelverdeling van het materiaal dat wordt belast door interne erosie, vooral ter
plaatse van het uittreepunt. Hierbij geldt dat fijner materiaal een lagere weerstand
tegen interne erosie heeft.
IJ king van het model op basis van responsmetingen.
Aanwezigheid en afmetingen van een mogelijke kwelsloot.
5.3 Verschil analyse
Het beoordelen van het faalmechanisme piping is vanwege veiligheidsoverwegingen op
bepaalde onderdelen significant gewijzigd, te weten:
Regel van Bligh vervalt en wordt vervangen door het heave criterium.
Model van Sellmeijer is in de gedetailleerde toets aangepast.

Voor het inzichtelijk maken van onzekerheden in de sterktebeoordeling zijn de volgende
factoren geïntroduceerd:
Veiligheidsfactor die naast modelonzekerheid ook rekening houdt met lengte-effect en
gebiedsnorm.
Schematiseringfactor.

Naast wetenschappelijke overwegingen is het toetsschema STPH ook aangepast om de
toepasbaarheid te vergroten middels
Introductie van het stopcriterium dat gebaseerd is op afkeurcriteria in toets op maat.
Hierdoor wordt sneller duidelijkheid geboden wanneer situaties onvoldoende zijn,
zodat een geavanceerde analyse overbodig is.








Achtergrondrapport VTV Technisch deel

1204143-001-GEO-0019, Versie 2, 19 juli 2012, definitief

12 van 82

5.4 Achtergronden
Indien er sprake is van een overwegend uit klei opgebouwd dijklichaam, dan dient op basis
van grondonderzoek te worden nagegaan of er doorgaande zandlagen in de dijk aanwezig
zijn. Indien dit niet het geval is, dan kan piping door het dijklichaam zelf worden uitgesloten.
Indien er een afsluitende kleibekleding op het buitentalud aanwezig is, zijn doorgaande
kwelwegen in het dijklichaam onwaarschijnlijk en hoeft om deze reden geen gedetailleerd
grondonderzoek te worden uitgevoerd.

Door het uitvoeren van grondonderzoek op het voorland kan worden vastgesteld of er een
afdekkende laag op het voorland aanwezig is. Een afdekkende laag op het voorland kan wor-
den beschouwd als verlenging van de kwelweglengte, indien wordt voldaan aan eisen ten
aanzien van de hydraulische weerstand en de volledige zeggenschap door de beheerder van
de waterkering over dat deel van het voorland dat in rekening wordt gebracht. Ook is het van
belang dat rekening wordt gehouden met het effect van inzijging door de afdekkende laag. Dit
effect zorgt ervoor dat, afhankelijk van de geohydrologische kenmerken, niet het volledige
voorland als kwelweglengte mag worden meegenomen.

In het Technisch Rapport Zandmeevoerende Wellen (herziene versie) is aangegeven op wel-
ke wijze het theoretisch intreepunt (rekening houdend met inzijging) bepaald kan worden. Het
meenemen van een slecht waterdoorlatende deklaag op het voorland is alleen mogelijk,
indien men over uitgebreid grondonderzoek beschikt waaruit blijkt, dat er overal een afslui-
tende laag aanwezig is van tenminste 1 m dik.

In het Technisch Rapport Zandmeevoerende Wellen (herziene versie) worden richtlijnen ge-
geven voor de eigenschappen van deze laag. Verder moet rekening worden gehouden met
een marge voor eventuele ontworteling van bomen (zie toetsspoor NWO) en aanwezigheid
van sloten.

Indien het intreepunt zich bevindt in het voorland en indien het voorland tijdens toetscondities
afslaggevoelig is, dan moet de afslagbreedte in mindering op de kwelweglengte worden ge-
bracht. Met andere woorden in zulke situaties dient rekening te worden gehouden met een
gereduceerde kwelweglengte (zie ook toetsspoor VL).

Door gericht terreinonderzoek in het achterland kan de locatie van het uittreepunt nauw-
keuriger worden vastgesteld.

Aan de hand van korrelverdelingen kunnen parameters worden bepaald voor een pipingcon-
trole. De methode Sellmeijer is gebaseerd op representatieve parameters. Dit betekent dat
men over voldoende gegevens (korrelverdelingen) dient te beschikken om deze methode te
kunnen toepassen.

Op basis van stijghoogte-responsmetingen bij sterke fluctuaties van de buitenwaterstand kan
het rekenmodel voor grondwaterstroming worden geijkt en kunnen modelonzekerheden ver-
der worden teruggebracht. Voor dergelijke methodes wordt verwezen naar het Technisch
Rapport Waterspanningen bij Dijken.
5.5 Referenties
Technisch Rapport Waterspanningen bij Dijken.
(Concept) Technisch Rapport Zandmeevoerende wellen (herziene versie).
Samenvatting voor WTI resultaten theoretisch onderzoek SBW piping, Ref. 1202341-
001-GEO-0008, Deltares.


1204143-001-GEO-0019, Versie 2, 19 juli 2012, definitief


Achtergrondrapport VTV Technisch deel

13 van 82
6 Microstabiliteit (STMI)
6.1 Inleiding
Micro-instabiliteit betreft het verlies van stabiliteit van grondlagen met zeer beperkte dikte aan
het oppervlak van het binnentalud onder invloed van door een grondlichaam stromend
grondwater. Bij micro-instabiliteit komt de bedreiging van binnen: eventuele problemen wor-
den veroorzaakt door een hoge freatische lijn in het grondlichaam. Bij micro-instabiliteit door
stromend grondwater kan worden gedacht aan het uitspoelen van materiaal uit de kern van
de dijk. Ook kan bij micro-instabiliteit worden gedacht aan instabiliteit van de toplaag op het
binnentalud door een hoge freatische lijn in de dijk. Als het binnentalud wordt beschermd
door een ondoorlatende kleilaag kan deze door het grote potentiaalverschil over de toplaag
worden afgedrukt van de dijk.
6.2 Vereiste toetsgegevens
Algemeen geldt dat de wijze van dijkversterking in het verleden gevolgen kan hebben voor de
ligging van het freatisch vlak.

Voor het uitvoeren van de eenvoudige toets dient bekend te zijn:
Globale grondsamenstelling van de dijk (kleidijk, zanddijk of zanddijk met deklaag) en
steilheid van het binnentalud voor het bepalen van de weerstand tegen opbarsten.
Drainagecapaciteit van het binnentalud (is sloot of grondverbetering aanwezig?) voor
het bepalen van de weerstand tegen uitspoelen.

Voor de gedetailleerde toets wordt onderscheid gemaakt tussen een zanddijk en een zanddijk
met kleiafdekking. De volgende info wordt gebruikt:
Zanddijk: verhang (te bepalen met een grondwaterstromingsmodel), taludhelling en
hoek van inwendige wrijving van zand.
Zanddijk met kleiafdekking: toelaatbare stijghoogteverschil, taludhelling, dikte van de
kleilaag, cohesie van klei en de hoek van inwendige wrijving van klei.
6.3 Verschil analyse
Het WTI-2011 kent geen verschillen ten opzichte van het VTV-2006.
6.4 Achtergronden
Bij hoge buitenwaterstanden of bij hevige neerslag kunnen symptomen zijn waargenomen die
kunnen duiden op (het begin van) micro-instabiliteit. Hierbij kan worden gedacht aan natte
plekken op het binnentalud, uitspoeling van zand op het binnentalud, opgebarsten of
afgeschoven kleibekleding, ernstige verweking van het binnentalud.

Micro-instabiliteit wordt wel eens verward met of gelijk gesteld met instabiliteit door infiltratie
en erosie door overslag. Ook dat proces speelt zich immers op het binnentalud af. Het
verschil tussen beide is dat bij micro-instabiliteit water door de dijk is gestroomd en van
binnen naar buiten sijpelt, terwijl bij infiltratie na overslag het water van buiten naar binnen
infiltreert. Naast infiltratie zal een deel van het overslagwater via het binnentalud afstromen.
Hierdoor kan erosie van het al dan niet verzadigde binnentalud optreden (zie Technisch
Rapport Grasbekledingen op dijken).
6.5 Referenties
Technisch Rapport Waterkerende Grondconstructies.
(Concept) Technisch Rapport Grasbekledingen op Dijken.








Achtergrondrapport VTV Technisch deel

1204143-001-GEO-0019, Versie 2, 19 juli 2012, definitief

14 van 82



1204143-001-GEO-0019, Versie 2, 19 juli 2012, definitief


Achtergrondrapport VTV Technisch deel

15 van 82
7 Stabiliteit Asfaltbekleding (STBKaf)
7.1 Inleiding
Asfaltbekledingen bestaan uit een toplaag en soms uit een of meerdere onderlagen. De
onderlaag is gedefinieerd als een laag die uit een ander materiaal bestaat dan het dijklichaam
en bovendien een andere functie vervult dan de toplaag. Voor asfaltbekledingen worden een
viertal faalmechanismen onderscheiden die resulteren in vijf beoordelingssporen:
1. Beoordeling ernstige schade AES (bij de beoordeling van de ernstige schade is de
weerstand tegen materiaaltransport van belang);
2. Materiaaltransport AMT (de weerstand tegen materiaaltransport wordt bepaald door
de verhouding tussen de afmetingen van de schade in de toplaag en de afmetingen
van het loskorrelige materiaal van de onderlaag);
3. Golfklap AGK (de weerstand van de asfaltbekleding tegen bezwijken onder golfklap-
pen wordt bepaald door de kwaliteit van het asfalt en door de laagdikte);
4. Wateroverdruk AWO (de weerstand van de asfaltbekleding tegen het faalmechanisme
wateroverdruk wordt bepaald door de dichtheid en de laagdikte van het asfalt plus
eventuele kleilagen daar direct onder);
5. Bezwijken van de onderlaag ABO (de sterkte van dit spoor wordt bepaald door de
erosiebestendigheid en de laagdikte van de onderlagen).
7.2 Vereiste toetsgegevens
Voor het bepalen van de aanwezige sterkte van de asfaltbekleding is informatie nodig over
laagdikte en materiaaleigenschappen en dient een visuele inspectie te worden uitgevoerd.
Als het asfalt nog jonger is dan de grenswaarde voor de leeftijd die volgt uit de mengsel-
samenstelling, èn bij de inspectie blijkt dat de schade gering is, dan is het mogelijk om voor
laagdikte en materiaaleigenschappen de aanleg- of besteksgegevens te gebruiken. Als de
resultaten van de visuele inspectie daartoe aanleiding geven, moeten de sterkte en stijfheid
worden bepaald door het nemen en onderzoeken van boorkernen (mechanisch onderzoek)
op deze schadeplekken. Als er onvoldoende aanleg- en besteksgegevens bekend zijn moet
een standaardonderzoek worden uitgevoerd. Indien de potentiële veroudering van de
bekleding daartoe aanleiding geeft, moet een combinatie van niet-destructieve veldmetingen
en mechanisch laboratoriumonderzoek op uit de bekleding genomen boorkernen worden
uitgevoerd. Niet-destructieve veldmetingen omvatten grondradarmetingen (GPR) en valge-
wichtdeflectiemetingen (VGD).

Voor de eenvoudige toets dienen de volgende gegevens te worden verzameld:
Belastingparameters (significante golfhoogte, Toetspeil en opwaaiing, gemiddelde
laagwaterstand; maatgevende grondwaterstand).
Sterkteparameters (laagdikte van asfalt, samenstelling, dichtheid van mengsel/ proef-
stuk, bitumenkwaliteit, holle ruimte, type ondergrond (klei of zand), geometrie buiten-
talud).
Inspectieresultaten (scheurbreedte, opstaande naden, begroeiing, aangetast opper-
vlak en gaten). (N.B. Aangetast oppervlak en begroeiing kunnen de bestekslaagdikte
reduceren).

In de KOAC-werkbeschrijving (2011) is de aanpak voor de gedetailleerde toets beschreven,
zie ook het STOWA rapport “State of the Art Asfaltbekledingen”, hoofdstuk 3, waarin beschre-
ven wordt welke gegevens verzameld moeten worden voor het beoordelen van asfaltbekle-
dingen (wordt opgenomen in TR Bekledingen).








Achtergrondrapport VTV Technisch deel

1204143-001-GEO-0019, Versie 2, 19 juli 2012, definitief

16 van 82

7.3 Verschil analyse
Sinds het uitkomen van het Technisch Rapport Asfalt voor Waterkeren, heeft de werkwijze bij
de toetsing op veiligheid van asfaltbekledingen de nodige veranderingen ondergaan. Veel
ervaring is opgedaan met het uitvoeren van veiligheidsbeoordelingen in twee toetsronden. Op
basis hiervan is de toetsmethodiek op een aantal punten verbeterd.
Er is een bovengrens voor de toepasbaarheid toetsregel golfklap geïntroduceerd. Bij
een significante golfhoogte groter dan 3 m is de gedetailleerde toets niet toepasbaar.
Er is een nieuw materiaalmodel in de gedetailleerde toetsing golfklap als gevolg van
nieuwe inzichten aangaande materiaaleigenschappen.
De grafieken golfklap in de eenvoudige toetsing zijn herberekend.
Het beoordelingsspoor ernstige schade (AES) is gewijzigd; op basis van eenvoudige
visuele beoordeling kan een bekleding niet worden afgekeurd. Een toets op maat is
noodzakelijk.
De eenvoudige toetsing van gepenetreerde breuksteen (spoor golfklap) is versimpeld;
Toegevoegd zijn schadebeelden samenhangend met de mate van degradatie van de
bekleding.
Omdat golfhoogten groter dan 3,0 m bijna niet voorkomen zijn de gevolgen voor de toepas-
baarheid van de toetsing beperkt.
7.4 Achtergronden
Het STOWA rapport “State of the Art Asfaltbekledingen” bevat geactualiseerde kennis, waarin
voorgesteld wordt delen uit het Technisch Rapport Asfalt voor Waterkeren te vervangen en
waarin nieuwe kennis met betrekking tot toetsen, inspecteren en ontwerpen van asfaltbekle-
dingen is opgenomen. In 2012 wordt een vernieuwd Technisch Rapport Bekledingen
opgesteld.
7.5 Referenties
Technisch Rapport Asfalt voor Waterkeren.
STOWA rapport “State of the Art Asfaltbekledingen”.
(Concept) Technisch Rapport Bekledingen.
KOAC-werkbeschrijving (2011).





1204143-001-GEO-0019, Versie 2, 19 juli 2012, definitief


Achtergrondrapport VTV Technisch deel

17 van 82
8 Stabiliteit Grasbekleding (STBKgr)
8.1 Inleiding
De grasbekleding van het buitentalud, berm, kruin en binnentalud biedt bescherming tegen
erosie van het dijklichaam. De bekleding kan bezwijken door golfaanval, door langsstroming
of in bijzondere gevallen door statische wateroverdruk, waarna de golven direct de kern van
de dijk kunnen aanvallen.

Een grasbekleding bestaat uit:
- Graslandvegetatie met bovengrondse en ondergrondse delen (toplaag);
- Deklaag van kleiige grond, zowel dienend als substraat voor de vegetatie, als voor
extra veiligheid na eroderen van het sterk doorwortelde bovenste deel.

Voor grasbekleding zijn verschillende mechanismen te onderscheiden die afzonderlijk of in
combinatie kunnen leiden tot het bloot komen van de kern van de dijk. Deze zijn vertaald naar
vier beoordelingssporen:
1. Erosie buitentalud;
2. Erosie binnentalud;
3. Afschuiving binnentalud;
4. Afschuiving buitentalud.
8.2 Vereiste toetsgegevens
Voor de eenvoudige toets moeten de volgende gegevens bekend zijn: de ouderdom sinds de
aanleg, de significante golfhoogte, de geometrie van de dijk (steilheid binnentalud, steilheid
buitentalud en kruinhoogte) en de kwaliteit grassterkte. Daarnaast dient ook de grootte van
het golfoverslagdebiet bepaald te worden, (zie ook Toetsspoor Hoogte HTgw).

De erosiebestendigheid van gras is afhankelijk van verschillende factoren. Voor het toetsen is
vereist (zie ook Technisch Rapport Grasbekledingen op Dijken):
Dikte van de deklaag.
Grondmechanische eigenschappen van de klei (eventueel plus wortels).
Doorworteling van grasmat (kan beoordeeld worden met de ‘wortelteeltmethode’).

De vereiste toetsgegevens voor de beoordelingssporen afschuiving binnentalud en afschui-
ving buitentalud staan achtereenvolgens beschreven in de toetssporen STBI en STBKsz.

Voor de gedetailleerde toets dienen aanvullende gegevens verzameld te worden. Per
beoordelingsspoor wordt het type belasting bepaald (zie ook het Technisch Rapport Gras-
bekledingen op Dijken). Hierbij wordt onderscheid gemaakt tussen waterstand, wind- en
scheepsgolven (golfklappen en golfoploop), stroming door overslag en neerslag, met
inachtneming van zowel intensiteit als duur.
8.3 Verschil analyse
In diverse programma’s is de afgelopen jaren onderzoek gedaan naar de sterkte van
grasbekledingen.
In het SBW onderzoek ‘golfoverslag’ is met praktijkproeven en semi-empirische mo-
dellen aangetoond dat gras sterker is dan tot nu toe werd aangenomen. Onder
bepaalde voorwaarden kan daarom een groter golfoverslagdebiet (5 /s per strekken-
de m) worden toegestaan.








Achtergrondrapport VTV Technisch deel

1204143-001-GEO-0019, Versie 2, 19 juli 2012, definitief

18 van 82

In het kader van rivierdijkversterkingen (“Ruimte voor de Rivier”) zijn de ontwerpricht-
lijnen voor grasbekledingen geactualiseerd. Deze kennis is voor zowel het buitentalud
als het binnentalud in de eenvoudige toets overgenomen. Het betreft de nieuwe
indeling voor de graskwaliteit:
o Gesloten graszode.
o Open graszode.
o Fragmentarische zode.
Diverse fouten in het VTV 2006 en consistentie tussen de deelsporen zijn verbeterd.
8.4 Achtergronden
Bij overslag zal water infiltreren in de toplaag op het binnentalud van de dijk. Hierdoor zal een
verzadigde infiltratiezone ontstaan waarin de korrelspanningen laag zijn en daarmee ook de
weerstand tegen afschuiven; tegelijkertijd zijn het volumegewicht en daarmee de aandrijven-
de kracht hoog. Beide effecten hebben een negatieve invloed op de stabiliteit van de toplaag.
Instabiliteit zal zich het eerst manifesteren in de vorm van vervormingen en het optreden van
scheuren evenwijdig aan de kruin van de dijk. Overslagwater kan leiden tot erosie van het
binnentalud van de dijk. Scheurvorming als gevolg van infiltratie zal het erosieproces
bevorderen.

De maatgevende belasting wordt veroorzaakt door de golfaanval: in de brekerzone door
klappen van brekende golven, daarboven door stromend water in de oplooptong en daar-
beneden door de orbitaalbeweging van de golven aan de bodem. Bij een talud flauwer dan
1V:5H worden de brekende golven gedempt door de nog aanwezige waterlaag van de
golfterugloop.

Stroming langs de dijk is in de Nederlandse situatie voor erosie in de regel niet maatgevend.
In uitzonderlijke gevallen kan de stroomaanval zo groot worden, dat een grasbekleding niet
voldoet. In gevallen waar dit voorkomt wordt aanbevolen contact op te nemen met de
Helpdesk Water.

Andere belastingen, zoals aanvaringen, drijvende voorwerpen, ijs, graverij, betreding, zout en
uitdroging, zijn beperkter in omvang en beïnvloeden in de eerste plaats de sterkte van de
grasbekleding. Ze leiden niet direct tot bezwijken van de waterkering; ze zijn verspreid in de
tijd en worden (met uitzondering van drijvende voorwerpen) verondersteld niet samen te
vallen met maatgevende waterstanden en golfbelastingen. Eventuele schade wordt opge-
vangen door een goede inspectie, goed onderhoud en noodherstel.

Bomen, struiken en objecten beïnvloeden de belasting op de grasbekleding door golf-
reductie, contractie in afstromend water en golfoploop en vorming van wervelstraten en
windbelasting (zie ook het toetsspoor Niet Waterkerende objecten).
8.5 Referenties
(Concept) Technisch Rapport Grasbekledingen op Dijken.


1204143-001-GEO-0019, Versie 2, 19 juli 2012, definitief


Achtergrondrapport VTV Technisch deel

19 van 82
9 Stabiliteit Steenzettingen (STBKsz)
9.1 Inleiding
Een steenzetting is de bekleding van een dijktalud en beschermt de dijk tegen golfaanval en
langsstroming. Het bestaat veelal uit standaard elementen: niet onderling verbonden, in
verband gezette, massieve zuilen of blokken. Tabel 9.1 bevat een volledig overzicht van alle
voorkomende steenzettingen.

Losgestorte material en
- Bestorting van grof grind en andere granulaire materialen
- Breuksteen (stortsteen)
Verpakte bekl edingen
- Grove granulaire materialen c.q. breuksteen verpakt in metaalgaas
- Fijne granulaire materialen c.q. zand/grind verpakt in geotextiel
Gezette bekledingen en blokkenmatten
- Betonblokken met afgeschuinde hoeken of gaten erin
- Betonblokken zonder openingen
- Open blokkenmatten
- Betonnen doorgroeistenen
- Breuksteen, gepenetreerd met cementbeton of colloïdaal beton (patroonpenetratie)
- Gezette basalt
- Gezette polygoonvormige betonzuilen
- Gezette natuursteen
Betonbekledingen
- Betonplaten in situ gestort
- Colloïdaal beton (open structuur)
- Betonplaten prefab
- Breuksteen, gepenetreerd met cementbeton of collodiaal beton (vol en zat)
Tabel 9.1 Indeling bekledingstypen

In principe worden voor steenzettingen vier faalmechanismen onderscheiden die naar zes
beoordelingssporen zijn vertaald:
1. Toplaaginstabiliteit onder golfaanval ZTG (sterkte ten aanzien van toplaaginstabiliteit
wordt bepaald door de toplaagdikte en de dichtheid van de toplaagelementen, de
wrijving/klemming tussen de elementen en de taludhelling);
2. Toplaaginstabiliteit onder langsstroming ZTS (belangrijkste sterkteparameters zijn de
toplaagdikte en de dichtheid van de toplaagelementen);
3. Afschuiving ZAF (weerstand tegen afschuiving wordt bepaald door laagdikte en rela-
tieve dichtheid van de toplaag, de dikte van de granulaire laag/filter, de dikte van de








Achtergrondrapport VTV Technisch deel

1204143-001-GEO-0019, Versie 2, 19 juli 2012, definitief

20 van 82

cohesieve laag en door de grofheid van het zand daaronder, weergegeven door de
diameter van de fijne fractie);
4. Materiaaltransport vanuit de onderlaag ZMO (weerstand tegen materiaaltransport
wordt bepaald door de verhouding tussen de korrelgrootte van de ondergrond en de
grootte van de openingen in de laag daarboven. Bij een granulair filter zijn de afme-
tingen van de fijne fractie representatief voor de grootte van de openingen);
5. Materiaaltransport vanuit de granulaire laag ZMG (weerstand tegen materiaaltransport
wordt bepaald door de verhouding tussen enerzijds de korrelgrootte van de granulaire
laag en anderzijds de openingsgrootte tussen de toplaagelementen en de toplaag-
dikte);
6. Erosie van de onderlagen ZEO (weerstand tegen erosie wordt geleverd door granu-
laire bekledingslagen en door de klei in het dijklichaam (de kleilaag die op een zand-
kern ligt of de kleikern). De weerstand van zand wordt in de rekenmethode verwaar-
loosd. Voor granulaire bekledingslagen is de laagdikte van belang. Voor de kleilaag
wordt de reststerkte bepaald door de laagdikte en door de erosiebestendigheid van
de klei).
9.2 Vereiste toetsgegevens
De parameters die van belang zijn voor de toetsing van steenzettingen worden systematisch
behandeld in Bijlage A van het Technisch Rapport Steenzettingen deel Toetsing. Hierin
worden acht groepen parameters onderscheiden betreffende:
Hydraulische belasting.
Algemene gegevens over de constructie.
Toplaag steenzettingen.
Granulaire laag steenzettingen.
Geokunststof.
Vlijlaag.
Basismateriaal steenzettingen.
Noorse stenen en breuksteenoverlaging.

Voor elke parameter wordt in het Technisch Rapport ingegaan op de volgende aspecten:
Definitie (voor zover relevant).
Rol in het toetsingsproces.
Wijze van bepaling.
Omgaan met onzekerheden.
9.3 Verschil analyse
Voor het vergroten van de betrouwbaarheid en de toepasbaarheid van de Toetsing is het
softwareprogramma Steentoets geactualiseerd op detailaspecten. Voorbeelden hiervan zijn:
Voor het bepalen van de stabiliteit van steenzettingen, onder een horizontale over-
gangsconstructie mag bij beperkte spleetbreedte nu wèl rekening worden gehouden
met klemming.
Het beter bepalen van de maximale belasting op steenzettingen bij ondiepe
voorlanden voorkomt dat laaggelegen zettingen achter een hoog voorland ten
onrechte worden afgekeurd.
Voor het vaststellen van de stabiliteit van steenzettingen boven de stilwaterlijn is nu
een minder conservatieve toetsprocedure beschikbaar.
9.4 Achtergronden
Afhankelijk van het type steenzetting kan de bekleding bestaan uit een toplaag, verschillende
soorten tussenlagen (bijvoorbeeld van granulair materiaal of geokunststof) en een onderlaag.


1204143-001-GEO-0019, Versie 2, 19 juli 2012, definitief


Achtergrondrapport VTV Technisch deel

21 van 82
In Nederland is de onderlaag meestal van klei. De bekleding kan op diverse wijzen functio-
neren:
Als noodzakelijke bescherming van het onder/achterliggende grondlichaam.
Ter reductie van de golfoploop.
Leveren van een bijdrage aan de waterdichtheid van de kering.
Ten behoeve van het beperken van onderhoud.
Om de waterkering een esthetisch/natuurlijk uiterlijk te geven.

Vaak is de functie een combinatie van deze vijf.

Bij de toetsing op veiligheid van de bekleding zelf is alleen eerstgenoemde functie van
belang; de tweede en derde functie worden niet direct getoetst, maar wel gebruikt als
invoerparameters in andere beoordelingssporen:
Invloed van de bekleding op de golfoploop wordt niet in het VTV Technisch Deel
behandeld, maar maakt onderdeel uit van de toetsing op Hoogte van dijken en
dammen. Daarnaast is er een tweede verband met de toetsing op kruinhoogte: vanaf
een bepaalde waarde van het overslagdebiet moet worden getoetst of de bekleding
van kruin en binnentalud voldoende erosiebestendig is.
Bijdrage van de bekleding aan de waterdichtheid van de totale kering wordt niet
getoetst: het lekdebiet dat via de bekleding door de dijk heen stroomt, is nooit zo groot
dat het een voor de veiligheid bezwaarlijk waterbezwaar in de polder kan veroor-
zaken. Overigens kan de doorlatendheid van de bekleding zelf wel een parameter zijn
in de toetsing: de doorlatendheid kan van belang zijn voor de stabiliteit van de
bekleding zelf, de ligging van de freatische lijn in het grondlichaam en/of de stabiliteit
van het binnentalud bij overslaand of uittredend water.
9.5 Referenties
Bijlage A van het Technisch Rapport Steenzettingen deel Toetsing.
(Concept) Technisch Rapport Bekledingen.


1204143-001-GEO-0019, Versie 2, 19 juli 2012, definitief


Achtergrondrapport VTV Technisch deel

23 van 82
10 Hoogte waterkerend kunstwerk (HTkw)
10.1 Inleiding
De hoogte van een gesloten kunstwerk moet voldoende zijn om een te groot waterbezwaar in
het dijkringgebied te voorkomen. Bij kunstwerken kan in voorkomende gevallen onder voor-
waarden worden toegestaan dat de kruin lager is dan het niveau bij Toetspeil +toeslagen.
Voor de toetsing spelen bereikbaarheid, begaanbaarheid en het niet vol mogen lopen van
bedieningskelders in dat geval een rol. Tevens mag de standzekerheid van de constructie ten
gevolge van overstromend of overslaand water niet in gevaar komen.
10.2 Vereiste toetsgegevens
Bij het uitvoeren van een toetsing van een kunstwerk (zie ook de beoordelingssporen STCG,
STCO, STPHkw en BS) is een van de eerste stappen het verzamelen van gegevens. Hierbij
moet worden gedacht aan gegevensverzameling omtrent:
Ondergrond.
Kunstwerk.
Fundering van het kunstwerk.
Aansluiting van grond op de constructie.

De hoeveelheid benodigde informatie en het detailniveau van de informatie hangt onder
andere af van het type kunstwerk en het niveau van toetsing. In Bijlage D is een checklist
opgenomen waarin is aangegeven welke informatie nodig is. Het doel van deze checklist is
de beheerder/toetser snel inzicht te verschaffen in de informatiebehoefte. De beheerder kan
op basis hiervan verschillende acties in gang zetten, zoals:
Het zelf nader onderzoeken van archieven e.d. om het dossier over het object com-
pleet te maken.
Identificeren op welke punten informatie onvoldoende is. Eventueel kan de inwinning
van deze informatie onderdeel worden gemaakt van een uitbesteding van de toetsing.
Het beschikbare dossier met gegevens inzichtelijk maken en bij uitbesteding van de
toetsing de eis stellen dat de informatie op het niveau van de checklist moet worden
gebracht.

In het hoofdstuk m.b.t. het toetsspoor HTgw is aanvullende informatie opgenomen over de
kruinhoogtemarge en het overslagdebiet.
10.3 Verschil analyse
Er zijn geen inhoudelijke verschillen ten opzichte van VTV-2006.
10.4 Achtergronden
Waterkerende kunstwerken zijn meestal primair aangelegd ten behoeve van utilitaire krui-
singen bijvoorbeeld (scheepvaart-)verkeer, waterbeheer of nutsvoorzieningen. Verder kunnen
in het ontwerpproces omgevingsfactoren zoals woon-/werk-/leefmilieu, natuur, landschap en
cultureel erfgoed, ertoe leiden dat bijzondere waterkerende constructies zoals een kistdam,
keermuur of damwand worden toegepast. In de waterkering kunnen voorts ook niet-water-
kerende objecten (bebouwing, begroeiing en leidingen) of overige objecten zoals gemalen,
duikers en tunnels voorkomen. Deze hebben geen primaire waterkerende functie maar kun-
nen wel direct of indirect invloed uitoefenen op de waterkering.










Achtergrondrapport VTV Technisch deel

1204143-001-GEO-0019, Versie 2, 19 juli 2012, definitief

24 van 82

Tabel 10.1 geeft een overzicht van de indeling van veelvoorkomende constructies in de hier-
onder genoemde types. Constructies die buiten de primaire waterkering liggen, zoals kribben,
pieren, golfbrekers en andere kustverdedigingswerken, worden alleen in de toetsing betrok-
ken als deze van invloed zijn op belastingen of op de stabiliteit van de kering. De wijze waar-
op dit is gebeurd, moet in de toetsrapportage worden vermeld. Aansluitingen van het kunst-
werk op dijk, dam of hoge grond behoren bij het kunstwerk en worden in het VTV Technisch
deel (middels verwijzingen) behandeld. Elke aansluitingsconstructie dient afzonderlijk een
eindscore te krijgen.

constructietype
I II III IV
water kerende kunst werken
Schutsluizen
stroomsluizen (spui-, inlaat- en doorlaatsluizen)
Keersluizen
hoogwater- en stormvloedkeringen
coupures
bijzondere waterkerende constructi es
specifiek beweegbare keringen (roteerbare, verschuifbare, oppompbare of
mobiele keringen)

kistdammen en diepwanden
cellen- en combiwanden
keermuren, -wanden en kadewanden
damwandschermen (stabiliteit-, erosie-, kwel-, en functiescheidende
schermen)

palenwanden
keer- en dijkmuurtjes
gewapende grondconstructies
overige objecten (kokervormige constructi es door de water keri ng)
gemalen
1)

duikers
1)

pijpleidingen
1)

tunnels (zonder kanteldijken)
1)

1)
Bij aanwezigheid van keermiddelen of vervangende waterkeringen (damwanden of kanteldijken)
Type I Constructies die volledig zelfstandig de waterkerende functie moeten vervullen;
Type II Constructies die in combinatie met een grondconstructie de waterkerende functie moeten vervullen;
Type III Constructies die na falen van een andere constructie de waterkerende functie moeten vervullen;
Type IV Constructies welke geen waterkerende functie hebben, maar bij falen de waterkering kunnen
aantasten.
Tabel 10.1 Typen constructies


1204143-001-GEO-0019, Versie 2, 19 juli 2012, definitief


Achtergrondrapport VTV Technisch deel

25 van 82
De toetsing van de aansluiting op het omringende grondlichaam is onderdeel van de
genoemde beoordelingssporen: bij de sporen Stabiliteit van constructie en grondlichaam
(STCG) en Piping en heave waterkerend kunstwerk (STPHkw) wordt expliciet aandacht
besteed aan de aansluitingen. De toetsing van het effect van de aanwezigheid van niet-
waterkerende objecten op het waterkerend vermogen van het kunstwerk is bij kunstwerken
een integraal onderdeel van de beoordelingssporen.

De Arcadisrapportage “Invulling witte vlekken kunstwerken; voorbeeldenboek” beschrijft de
toetsing van alle onderdelen (onderbouw, bovenbouw en betrouwbaarheid sluiting) voor een
viertal kunstwerken: zeesluis, historisch sluis, coupure en uitwateringssluis door een dijk. Bij
deze uitwerking staan de volgende aspecten centraal:
Beschrijving van de situatie.
Systeemanalyse.
Hydraulische randvoorwaarden.
Uitwerking van de toetsing volgens de toetsregels en de gebruikte bronnen.
10.5 Referenties
Invulling witte vlekken kunstwerken; Witte vlek 1 gebrek aan informatie.
Invulling witte vlekken kunstwerken; voorbeeldenboek.
Leidraad Kunstwerken.



1204143-001-GEO-0019, Versie 2, 19 juli 2012, definitief


Achtergrondrapport VTV Technisch deel

27 van 82
11 Stabiliteit van constructie en grondlichaam (STCG)
11.1 Inleiding
De stabiliteit en sterkte van een waterkerend kunstwerk wordt gekenmerkt door het
deformatie-/verplaatsingsgedrag van het kunstwerk en het grondlichaam dat het kunstwerk
omsluit en de sterkte van de waterkerende constructiedelen.
11.2 Vereiste toetsgegevens
Bij de beoordeling van de stabiliteit van het kunstwerk spelen vier soorten gegevens een rol
(zie ook Toetsspoor HTkw):
Ontwerpuitgangspunten met betrekking tot belastingen, gehanteerde
ontwerprichtlijnen en gebruiksspecificaties.
Resultaten van uitgevoerde ontwerpberekeningen.
Ontwerp- en revisietekeningen.
Onderhoudstoestand/actuele conditie.
Gebruik en gevoerd beheer.
11.3 Verschil analyse
De verwijzingen naar TGB normen worden vervangen door de Eurocode.
11.4 Referenties
Leidraad Kunstwerken.



1204143-001-GEO-0019, Versie 2, 19 juli 2012, definitief


Achtergrondrapport VTV Technisch deel

29 van 82
12 Sterkte constructie onderdelen (STCO)
12.1 Inleiding
De stabiliteit en sterkte van een waterkerend kunstwerk wordt gekenmerkt door het
deformatie-/verplaatsingsgedrag van het kunstwerk en het grondlichaam dat het kunstwerk
omsluit en de sterkte van de waterkerende constructiedelen.
12.2 Vereiste toetsgegevens
Bij de beoordeling STCO zijn de volgende aspecten van belang (zie ook Toetssporen HTkw
en STCG):
Waterstanden waarbij een uitgevaren deur tot een probleem zou kunnen leiden.
Geometrie van de constructie (aantal, type en positie van aanwezige deuren).
Sterkte van constructieonderdelen, b.v. de kwaliteit van het metselwerk.
Type scheepvaart.
Procedurele en fysieke maatregelen om de kans op aanvaring te beperken.
Aanvaringsbestendigheid van de dagelijkse keermiddelen.
Omvang van voor en achter de constructie gelegen gebieden.
12.3 Verschil analyse
De verwijzingen naar TGB normen worden vervangen door de Eurocode.
12.4 Referenties
Leidraad Kunstwerken.
Voorbeeldenboek Historische Kunstwerken (STOWA).



1204143-001-GEO-0019, Versie 2, 19 juli 2012, definitief


Achtergrondrapport VTV Technisch deel

31 van 82
13 Piping en heave waterkerend kunstwerk (STPHkw)
13.1 Inleiding
Stabiliteitsverlies van het kunstwerk en/of het aanliggende grondlichaam door piping kan ont-
staan bij het ontbreken of onvoldoende afmetingen van kwelschermen (onder- en achter-
loopsheidsschermen) of door lekken, bijvoorbeeld bij aansluitingen. Soms zijn lekkages te
constateren door peilbuisregistraties en/of wellen.
13.2 Vereiste toetsgegevens
Voor het beoordelen van piping en heave dienen de volgende gegevens voor de eenvoudige
toets bekend te zijn (zie ook Toetsspoor HTkw):
Wijze van funderen (op staal of op palen).
Constructie en conditie van eventuele kwelschermen.
Globale gelaagdheid van ondergrond.

Voor de gedetailleerde toets moeten aanvullende parameters beschikbaar zijn:
Hydraulische randvoorwaarden (Toetspeil en benedenstroomse waterstand (b.v. peil
binnenhaven)).
Relevante hoogtes (onderkant fundering, bovenkant van watervoerend pakket,
bodemniveau bij in- en uitstroming).
Dikte van het watervoerende pakket inclusief grondeigenschappen (korrelverdeling en
doorlatendheidscoëfficiënt).
Geometrische eigenschappen kwelschermen (totale lengte van de horizontale delen
van de kwelweg en totale lengte van de verticale delen van de kwelweg).
13.3 Verschil analyse
Er zijn geen verschillen ten opzichte van VTV-2006.
13.4 Referenties
(Concept) Technisch Rapport Zandmeevoerende Wellen (herziene versie).


1204143-001-GEO-0019, Versie 2, 19 juli 2012, definitief


Achtergrondrapport VTV Technisch deel

33 van 82
14 Betrouwbaarheid Sluiti ng (BS)
14.1 Inleiding
De werking en de gebruiksveiligheid van eventuele afsluitmiddelen in waterkerende kunst-
werken worden beschreven onder de noemer Betrouwbaarheid Sluiting (BS).
14.2 Vereiste toetsgegevens
Zie Toetssporen HTkw, STCG en STCO.
14.3 Verschil analyse
Het toetsschema BS is vereenvoudigd en op detailaspecten aangepast.
14.4 Achtergronden
De Arcadisrapportage “Invulling witte vlekken Kunstwerken; Witte vlek 2 Betrouwbaarheid
Sluiting” geeft:
1. Toelichting op toetsschema Betrouwbaarheid Sluiting;
2. Erratum op Bijlage 3 van de Leidraad Kunstwerken (N.B. De leidraad Kunstwerken zal
worden geactualiseerd).

Ad 1) In de toelichting worden de volgende onderwerpen nader behandeld:
Basisfilosofie voor de beoordeling.
Hoofdfaalbronnen sluitproces en beoordeling ervan.
Berekeningen Open Keer Peil (OKP) voor enkele kenmerkende situaties.

Ad 2) Het erratum bespreekt:
Verschillende fictieve voorbeelden, waarin wordt aangetoond dat een scherpere
beoordeling van Betrouwbaarheid Sluiting met ongelijke keermiddelen mogelijk is.
Verbeterde vragenlijst (inzake hoogwateralarmeringssysteem, falen mobilisatie,
bedieningsfout, falen als gevolg van technisch storing) inclusief toelichting.
Beoordeling van het effect van aanvaren op de Betrouwbaarheid Sluiting.
14.5 Referenties
Leidraad Kunstwerken.
Invulling witte vlekken Kunstwerken; Witte vlek 2 Betrouwbaarheid Sluiting”.






1204143-001-GEO-0019, Versie 2, 19 juli 2012, definitief


Achtergrondrapport VTV Technisch deel

35 van 82
15 Duinwaterkeringen (DWK)
15.1 Inleiding
Duinen zijn door de natuur gevormde, min of meer aansluitende zandlichamen langs de kust.
Als primaire waterkering ontlenen zij hun sterkte aan de hoeveelheid zand waaruit ze zijn
opgebouwd en aan hun geometrie. De hoeveelheid zand is onderhevig aan fluctuaties als
gevolg van erosie en aanwas door hoge waterstanden, golven en stroming enerzijds
(hydraulische krachten) en door wind anderzijds (eolische krachten). Begroeiing van de
duinen biedt weerstand tegen de vervormingen door wind en vangt door wind aangevoerd
sediment op. Soms zijn de duinen kunstmatig versterkt, bijvoorbeeld door herprofilering,
helmaanplant of een duinvoetverdediging.

De sterkte van de duinen wordt mede bepaald door het daar voor liggend strand en de
onderwateroever. In feite is het totale zandvolume in duinen, strand en vooroever de
belangrijkste sterkteparameter. Sinds de jaren ‘80 van de vorige eeuw wordt vanuit dit besef
het kustprofiel vaak versterkt met zandsuppleties, soms tegen het duin aan, maar vooral op
het strand (strandsuppletie) of de vooroever (vooroeversuppletie).
15.2 Vereiste toetsgegevens
Voordat tot uitvoering van de gedetailleerde toets (voor duinen is geen eenvoudige toets
beschikbaar) kan worden overgegaan, dienen waterkeringsgegevens beschikbaar te zijn.
Voor de inwinning en beschikbaarstelling van deze gegevens zijn verschillende overheids-
instanties verantwoordelijk. Per regio kunnen afspraken hierover verschillen.

Voor het bepalen van het duinafslagprofiel moet gebruik worden gemaakt van de J ARKUS-
profielen (beginprofielen) die jaarlijks beschikbaar worden gesteld door Rijkswaterstaat. De
invoergegevens voor de afslagberekening met DUROS zijn
Toetspeil (of stormvloedpeil).
Significante golfhoogte.
Golfpiekperiode.
Korreldiameter (zie hoofdstuk 19 van het Technisch Rapport Duinwaterkeringen en
Hybride Keringen).
Beginprofielen.
15.3 Verschil analyse
Het vergroten van de betrouwbaarheid en het vergroten van de toepasbaarheid en
volledigheid heeft voor Duinen geleid tot de volgende verschillen.
Nieuw afslagmodel (vertaling HR van diepwater naar de kust).
Gedetailleerde toetsmethode: integratie toetsmethode duinafslag, erosie met en
zonder NWO’s.
Nieuwe geavanceerde toetsmethode hybride keringen.
15.4 Achtergronden
Het Voorschrift voor het Toetsen van Duinen en Hybride Keringen is bedoeld voor duinwater-
keringen en hybride waterkeringen langs de Waddenzee. Tevens wordt het voorschrift toege-
past voor duinwaterkeringen in de monding van een aantal havens en estuaria.

Zoals de naam aangeeft, vindt bij duinwaterkeringen de bescherming tegen buitenwater
plaats door duinen. Een kenmerkende eigenschap is dat tijdens storm een groot deel van het
duin mag afslaan, waarbij het afgeslagen zand zorgt voor een afname van de golfaanval, en








Achtergrondrapport VTV Technisch deel

1204143-001-GEO-0019, Versie 2, 19 juli 2012, definitief

36 van 82

de duinerosie gedurende het verdere verloop van de storm steeds verder vertraagt. Voor de
beoordeling van eenvoudige duinwaterkeringen op het faalmechanisme duinafslag bestaat
sinds 1984 een detailtoets. Deze beoordelingsmethode is in 2006 uitgebreid met betrekking
tot de langere golfperiode en in 2010 met betrekking tot golfrandvoorwaarden op ondiep
water. Voor complexe duinwaterkeringen dient gebruik te worden gemaakt van een
geavanceerde toets.

Hybride keringen worden gekenmerkt als een type waterkeringen waarbij bescherming wordt
geboden door een combinatie van een duin met een hard waterkerend element. De noodzaak
voor toetsvoorschriften voor Hybride Keringen krijgt extra aandacht vanwege recente
versterkingen in de Zwakke Schakels. Hierdoor is op een aantal locaties een duin of een
zeedijk veranderd in een hybride kering. Het is voor het eerst dat voor dit type waterkeringen
expliciet toetsvoorschriften worden gegeven. Het toetsen van dit type is alleen mogelijk met
een geavanceerde toets. Binnen het type hybride waterkeringen worden de volgende twee
subtypen gedefinieerd:
Een verdedigd duin, waar harde waterkerende elementen zoals een duinvoetverde-
diging of een keermuur zorgen voor reductie van de duinafslag.
Een verdedigde dijk, waarbij het duin voor de dijk zorgt voor afname van golfaanval en
golfoverslag.

Het voorschrift richt zich ook op het toetsen van een aansluitconstructie tussen een dijk en
een duin. Het voorschrift kan nuttig zijn bij een geavanceerde toets van andere typen
waterkeringen buiten het kustgebied. Hierbij kan bijvoorbeeld worden gedacht aan
innovatieve waterkeringen. In het Technisch Rapport Duinwaterkeringen en hybride keringen
en de managementsamenvatting Duinwaterkeringen en hybride keringen wordt aanvullende
informatie gegeven.
15.5 Referenties
(Concept) Technisch Rapport Duinwaterkeringen en Hybride Keringen.


1204143-001-GEO-0019, Versie 2, 19 juli 2012, definitief


Achtergrondrapport VTV Technisch deel

37 van 82
16 Hoge gronden
16.1 Inleiding
Hoge gronden zijn gedefinieerd als natuurlijke hoge delen van Nederland die niet overstro-
men bij maatgevend hoogwater. Hoge gronden vormen samen met primaire waterkeringen
het stelsel dat een dijkringgebied omsluit.

Volgens de toelichting bij de Wet zijn hoge gronden geografische gegevens en vormen als
zodanig geen object van waterstaatszorg. Hoge gronden zullen in de toetsing echter
beoordeeld dienen te worden op twee aspecten:
Aansluiting van primaire waterkeringen aan hoge gronden (HAP).
Borging dat hoge grond ‘hoge grond’ blijft (HAL).
16.2 Vereiste toetsgegevens
Voor het bepalen van de vereiste toetsgegevens is de legger en de locatie vereist.
16.3 Verschil analyse
Er zijn geen inhoudelijke verschillen.
16.4 Achtergronden
De begrenzingslijn van de hoge gronden is slechts globaal aangegeven in Bijlagen I en IA bij
de Wet (zie VTV-Algemeen deel). Een nadere specificatie is niet direct nodig aangezien de
beheerder van de aansluitende primaire waterkering in de legger en de keur (waterschap)
aan dient te geven tot welk gebied zijn zorg zich uitstrekt om het waterkerend vermogen van
de primaire waterkeringen te waarborgen. De aansluiting van de primaire waterkering op de
hoge grond behoort dus tot de zorg van de waterkeringbeheerder. Daardoor zijn activiteiten in
de door de beheerder in de legger en keur aangegeven beschermingszone vergunning-
plichtig aan de waterkeringbeheerder en deze dient erop toe te zien dat vergunningen
gehandhaafd worden.

Buiten de aansluitingen op primaire waterkeringen is geen waterkeringbeheerder verant-
woordelijk voor het omsloten zijn en blijven van het dijkringgebied en dient de provincie er op
toe te zien dat hoge grond, hoge grond blijft. Als hulpmiddel hierbij kan de provincie een
hoogtekaart opstellen op basis van de laatste versie van het Algemeen Hoogtebestand
Nederland (AHN), waarop in kleur van toepassing zijnde kritieke hoogtelijnen zijn
opgenomen. Het is aan de provincie om de kritieke hoogtelijnen vast te stellen.

Kenmerkend voor de hoge gronden, zoals die zijn gedefinieerd in dit hoofdstuk, is dat ze niet
worden beheerd als een waterkering. Op verschillende plaatsen in Nederland wordt een deel
van de primaire waterkering gevormd door zeer brede grondlichamen van menselijke of
natuurlijke oorsprong, zoals enkele oude forten langs de IJ ssel en keileembulten zoals Urk en
Westerland in Noord-Holland. Deze grondlichamen worden van oudsher vaak aangeduid als
hoge gronden, maar zijn primaire waterkering in de zin van de Wet en dienen als zodanig
beheerd te worden. Bij brede grondlichamen kan mogelijk door middel van een
afslagbenadering nagegaan worden of het te beschermen gebied bedreigd wordt door
overstroming bij maatgevende omstandigheden.

De eerste beoordeling wordt aangeduid als Aansluiting op de primaire waterkering HAP
(waarbij de H staat voor hoge gronden). Het tweede beoordelingsspoor wordt aangeduid als
Achterloopsheid bij hoge gronden HAL. Dit spoor wijkt af van alle andere sporen in dit








Achtergrondrapport VTV Technisch deel

1204143-001-GEO-0019, Versie 2, 19 juli 2012, definitief

38 van 82

Voorschrift, omdat niet de waterkeringbeheerder maar de provincie verantwoordelijk is voor
de rapportage over dit spoor. Het betreft de controle op ontgrondingen in gebieden waar de
waterkeringbeheerder geen rol speelt; hier geldt de provinciale taak in het kader van de
Ontgrondingenwet en de Wet op de Ruimtelijke Ordening.


1204143-001-GEO-0019, Versie 2, 19 juli 2012, definitief


Achtergrondrapport VTV Technisch deel

39 van 82
17 Voorland (VL)
17.1 Inleiding
Bij de beveiliging tegen hoogwater wordt de stabiliteit van de waterkering beschouwd. Ook
buiten de invloedszone van de waterkering is een aantal faalmechanismen van belang, die tot
een inscharing en/of afslag tot in of vlakbij de waterkering kan leiden, waardoor de stand-
zekerheid direct of indirect in gevaar kan komen. Het betreft de volgende faalmechanismen:
Afschuiving voorland.
Zettingsvloeiing.
Golfafslag.

In het VTV-2006 geldt voor het toetsspoor Voorland:
In Katern 9 wordt onderscheid gemaakt tussen enerzijds de faalmechanismen
afschuivingen en zettingsvloeiingen, die direct invloed hebben op de stabiliteit van de
waterkering en anderzijds het faalmechanisme golfafslag dat indirect door het wegval-
len van het golfreducerende effect de stabiliteit bedreigt.
In het VTV 2006 worden alleen toetsvoorschriften gegeven voor afschuiving en
zettingsvloeiing. Voor golfafslag wordt naar Katern 10 verwezen, maar wordt het
faalmechanisme niet in toetsvoorschriften uitgewerkt.
In Katern 3 wordt wel aangegeven onder welke voorwaarden een golfreducerend
effect van het voorland mag worden toegepast. Indien onder invloed van het voorland
golfreductie wordt toegepast, moet het faalmechanisme golfafslag worden getoetst. In
het VTV 2006 worden hiervoor echter geen toetsvoorschriften gegeven.
In het VTV 2006 wordt wel aangegeven dat het golfreducerende effect van het
voorland kan wegvallen door:
o Geheel of gedeeltelijk verdwijnen van stroomgeleidende en/of golfbrekende
constructies.
o Verwijderen of eroderen van afsluitende (slib)lagen als gevolg van stroming,
golfafslag, waardoor de kwellengte wordt verkort.
Daarbij wordt in Katern 9 aangegeven dat de controle op deze twee aspecten onder
het normale beheer valt.

In het SBW project “Buitendijkse zones en afslagbeheer” is de relevantie van de verschillende
vormen van erosie van het voorland onderzocht. In principe zijn vijf erosievormen te onder-
scheiden, te weten:
Golfafslag (zonder NWO’s; type A).
Verticale erosie van deklaag op uiterwaard door stroming (zonder NWO’s, Type B).
Verticale erosie van deklaag op uiterwaard door golven (zonder NWO’s, Type C).
Lokale ontgrondingen door golven (nabij de teen van de dijk/kademuur, Type D).
Lokale ontgrondingen door stroming (rondom NWO's, Type E).

Voor de veiligheidstoets moet rekening worden gehouden met de eroderende werking van
brekende golven nabij de bodem (Typen A en C). Type B is irrelevant en erosie rondom
NWO’s (Typen D en E) zijn in het NWO-toetsspoor geïmplementeerd.

Het Technisch Rapport Erosie Voorland geeft inzicht in de tijdsafhankelijke aanwezige sterkte
van het voorland en de hydraulische randvoorwaarden. Voor het beoordelen van de primaire
waterkering is de relatie tussen het eroderende voorland en de faalmechanismen van dijken
relevant. In het VTV-Technisch Deel is beperkt sprake van nieuwe toetsregels. Dit hoofdstuk








Achtergrondrapport VTV Technisch deel

1204143-001-GEO-0019, Versie 2, 19 juli 2012, definitief

40 van 82

is derhalve extra uitgebreid om zoveel mogelijk ondersteuning bij de verlengde toetsing te
bieden. Met behulp van de eenvoudige toets wordt vastgesteld in welke situaties erosie van
het voorland relevant is. In afwachting van die relevantie zijn door ENW-T nog geen gedetail-
leerde toetsregels opgesteld.
17.2 Vereiste toetsgegevens
Voor afschuiving gelden gelijke sterktekenmerken als bij de eenvoudige toets Macro-instabi-
liteit buitenwaarts. Bij de weerstand tegen zettingsvloeiingen zijn voor de gedetailleerde toets
materiaaleigenschappen nodig:
Pakkingsdichtheid of relatieve dichtheid.
Aanwezigheid van zandlagen.
Dikte en diepte van het pakket met lage pakkingsdichtheid.
Korrelspanning, korrelverdeling en korrelvorm.
Eigenschappen van vooroever en geul (zoals breedte voorland, taludhelling van geul).
Al dan niet aanwezig zijn van een vooroeverbestorting.

Voor golfafslag is de globale grondopbouw (bestaande uit zand en/of kleilagen) van het voor-
land tot ongeveer 2 m onder het maaiveld van belang.
17.3 Verschil analyse
De 9 meter regel voor afschuivingen en zettingsvloeiingen is komen te vervallen, omdat
recentelijk op Vlieland een afschuiving/zettingsvloeiing heeft plaatsgevonden waar de geul-
diepte minder was dan 9 m. Het toetsvoorschrift Voorland is uitgebreid met een eenvoudige
toets voor Golfafslag en een gedetailleerde toets voor Zettingsvloeiing.
17.4 Achtergronden
Indien een vooroever is opgebouwd uit slappe klei- en veenlagen of verwekingsgevoelig
zand, dient rekening te worden gehouden met grootschalige afschuivingen en zettingsvloeiing
van de vooroever met mogelijke invloed op de veiligheid van de waterkering.

Afschuiving is een mechanisme dat optreedt, indien de kritische schuifspanning in een
bepaald vlak (al dan niet recht) in de grond wordt overschreden. Afschuivingen kunnen
optreden bij een vooroever, die is opgebouwd uit samenhangende grond zoals klei en veen,
maar ook bij al dan niet zettingsvloeiinggevoelig zand en zelfs bij bestorte oevers.

Aanleidingen voor een afschuiving zijn:
Versteiling of verdieping in het dwarsprofiel, ontstaan door erosie van de geul of
geulwand of sedimentatie op het voorland.
Vermindering van de weerstand tegen afschuiving door snelle val van de buiten-
waterstand of hogere belasting bij gedeeltelijk droogvallen van het voorland tijdens
extreem laagwater.
Aanbrengen van een bovenbelasting.

Zettingsvloeiing is een mechanisme waarbij een met water verzadigde massa zand zeer
grote verplaatsingen ondergaat ofwel ‘vloeit’ als gevolg van verweking. Verweking van zand
in een talud wordt veroorzaakt door een ongunstige combinatie van losse pakking en
taludgeometrie. Er is ook een aanleiding nodig: de verweking treedt op na een (soms zeer
kleine) schuifspanningtoename waarbij door een herschikking van het korrelskelet (volume-
verkleining) een zodanige verhoging van de waterspanning in de poriën ontstaat, dat de
contactdruk tussen de korrels onderling belangrijk wordt verminderd en de zandmassa zich
als een zware vloeistof gaat gedragen. Het gevolg is zettingsvloeiing.


1204143-001-GEO-0019, Versie 2, 19 juli 2012, definitief


Achtergrondrapport VTV Technisch deel

41 van 82
De aanleiding tot een zettingsvloeiing kan zijn:
Versteiling onderwatertalud of verdieping van de geul door erosie.
Aanbrengen van een ophoging of bovenbelasting, of aanzanding van het bovendeel
van het profiel.
Trillingen als gevolg van bijvoorbeeld heien, trillen, explosies, aardbevingen,
scheepsaanvaringen, zuigwerkzaamheden en geluidstrillingen.
Golfbelasting tijdens bijvoorbeeld een (zware) storm; deze belasting veroorzaakt
spanningswijzigingen en deformaties van het korrelskelet in de bodem
(golfindringingsproces) die zodanig ongunstig kunnen zijn dat het zand verweekt en er
een vloeiing kan ontstaan.
Snelle val van het buitenwater of extreem laagwater of groot getijverschil.
Afschuiving.

Samenvattend is er een duidelijk verschil tussen een zettingsvloeiing en een afschuiving,
hoewel er zich tussen beide verschijnselen een grijs gebied bevindt. Grondmechanisch
gezien ontstaat een zettingsvloeiing door een wateroverspanning in de grond oftewel door
verweking, terwijl een afschuiving het gevolg is van overschrijding van de schuifweerstand
van de grond. Een afschuiving kan wel de aanleiding zijn tot het ontstaan van een zettings-
vloeiing. Een groot verschil tussen een zettingsvloeiing en een afschuiving is de mogelijke
omvang van de schade, bij een zettingsvloeiing is de schade doorgaans veel groter.

Erosie is een proces waarbij bodemdeeltjes door stroming, golfslag of een combinatie hiervan
worden losgemaakt en getransporteerd. Erosie is niet alleen afhankelijk van de belasting,
maar ook van de sterkte van het bodemmateriaal. Indien de belasting groter is dan de sterkte,
vindt erosie plaats. Aanvankelijk ontstaat een verdieping, waar materiaal uit verdwijnt, die in
de tijd door de aanwezige belasting in grootte toeneemt. Uitspoeling van materiaal veroor-
zaakt veranderingen in de ondergrond, die in combinatie met de belastingen een aanleiding
kunnen zijn voor een verzwakking van de waterkering. Golfafslag is een bijzondere vorm van
erosie waarbij een grote hoeveelheid zand door windgolven wordt weggeslagen. Het ontstane
profiel na de storm wordt veelal afslagprofiel genoemd (Box 17.1).

Andere gebeurtenissen op het voorland die bedreigend zijn voor de stabiliteit van het
dijklichaam zijn:
Geheel of gedeeltelijk verdwijnen van stroomgeleidende en/of golfbrekende con-
structies.
Erosie van het voorland waarbij het maaiveld van het voorland onder het Toetspeil ligt
(Box 17.2).
Erosie van het voorland waarbij het maaiveld van het voorland boven het Toetspeil ligt
(relatief hoog voorland; Box 17.3).

Box 17.1 Schadebeelden door erosie van het voorland

Tijdens de stormvloedramp op 1 februari 1953 zijn op enkele locaties in Zeeland delen van het
voorland weggeslagen. De aantasting leek te zijn begonnen aan de zeezijde. Onderstaande
figuren tonen uitspoelingen nabij de dijk van de polder Oud Noord Beveland waarin schelp-
laagjes en mollengangen werden aangetroffen.









Achtergrondrapport VTV Technisch deel

1204143-001-GEO-0019, Versie 2, 19 juli 2012, definitief

42 van 82



Box 17.2 Erosie voorland ( maaiveld van het voorland ligt onder het Toetspeil)

Voor sommige waterkeringen bevindt zich een laag voorland. De aanwezigheid van dit
voorland kan leiden tot een reductie van de golfbelasting. Relevante situaties doen zich
dus vooral voor bij waterkeringen langs watersystemen met een forse golfaanval, te weten
de meren, delta, het benedenrivierengebied en de kust.

Indien het voorland is opgebouwd uit klei, of een voldoende dikke kleilaag bevat, dan
geldt:
- Voorland draagt bij aan de sterkte van de waterkering in de vorm van een kwel-
weglengte (slaat dus op piping);
- Voorland biedt een intredeweerstand voor grondwaterstroming, wat gunstig is voor
de waterspanningen in de zandondergrond onder en achter de waterkering (heeft
betrekking op macrostabiliteit).

Tijdens of direct voorafgaand aan de normsituatie kan het voorland worden aangetast,
met name door golfafslag. Dit kan leiden tot:
- Wegvallen van het belastingreducerende effect van het voorland, waardoor de
golfbelasting op de waterkering toeneemt;
- Verdwijnen van afsluitende slecht doorlatende lagen, waardoor de kwelweglengte
afneemt en de waterspanningen onder en achter de waterkering toenemen.



1204143-001-GEO-0019, Versie 2, 19 juli 2012, definitief


Achtergrondrapport VTV Technisch deel

43 van 82


Belangrijke vraag bij de toets op veiligheid is of vertrouwd mag worden op de
ongeschonden aanwezigheid van het voorland tijdens de normsituatie (en alle gunstige
effecten daarvan voor de veiligheid van de waterkering).

Deze voorlandsituatie is uit oogpunt van de golfbelasting alleen relevant, indien de
geringere waterdiepte op het voorland en de breedte van het voorland daadwerkelijk een
reductie van de golfbelasting geeft. Uit oogpunt van de kwelweglengte en de water-
spanningen is deze voorlandsituatie alleen relevant, indien een kleilaag aanwezig is.


Box 17.3 Erosie voorland ( maaiveld van het voorland ligt boven het Toetspeil)

Voor sommige waterkeringen bevindt zich een smal en hoog voorland. Het voorland is
vaak bebouwd (woningen, industrie/bedrijven) of in gebruik als haventerrein. Voorbeelden
zijn onderstaand gegeven (links: voorland met een bedrijventerrein, en rechts met bebou-
wing).

Bij een ligging van dit voorland boven toetspeil wordt tijdens de normsituatie niet de
waterkering maar het voorland belast. De oeverlijn van het voorland is daarbij vaak niet
ontworpen vanuit een waterkerende functie, en valt soms ook buiten het beheer van de
waterkeringbeheerder. Indien het voorland niet in staat is de normsituatie te weerstaan,
zal het voorland tijdens de normsituatie worden aangetast, door bijvoorbeeld:
- Erosie langs de waterlijn, indien de bekleding ontoereikend is;
- Afschuiving van de steile delen van het talud;
- Ernstige vervorming of bezwijken van grondkerende constructies (kadeconstruc-
ties, beschoeiingen), vooralsnog omdat ze niet op deze situatie zijn ontworpen,
maar ook omdat het waterschap (veelal) deze grondkerende constructies niet
beheerd.









Achtergrondrapport VTV Technisch deel

1204143-001-GEO-0019, Versie 2, 19 juli 2012, definitief

44 van 82








Deze voorlandsituatie is alleen relevant, indien de oeverlijn niet bestand is tegen de
belasting tijdens de normsituatie en het voorland dermate smal is dat de gebeurtenissen
langs de oeverlijn de waterkering daadwerkelijk kunnen aantasten.


Indien het voorland erosiegevoelig
1
is tijdens maatgevende situaties (dus niet onder dage-
lijkse omstandigheden, omdat de controle hiervan onder het normale beheer valt) dient reke-
ning te worden gehouden met:
Verwijderen of eroderen van afsluitende (slib)lagen, waardoor de kwelweglengte wordt
verkort.
Vermindering van de intreeweerstand, waardoor de macrostabiliteit binnenwaarts af-
neemt.
Optreden van een ontgrondingskuil nabij de teen van dijk, waardoor de bekleding
ondermijnd kan worden. Dit speelt uitsluitend, indien de teen van de dijk niet volgens
de vigerende voorschriften is ontworpen, b.v. indien een buitendijkse dijkverzwaring
met puin/zand is uitgevoerd met daarop een afdeklaag van klei.

De controle op bovenstaande gebeurtenissen wordt verdisconteerd bij het in rekening bren-
gen van de randvoorwaarden, door een ‘afslagprofiel’ te beschouwen. Ook wordt hiermee
rekening gehouden bij de toetsing van teenconstructies. Sommige dammen en kunstwerken
hebben aan twee zijden een voorland waar deze gebeurtenissen een rol kunnen spelen.


1. Relatief smalle en hoge voorlanden waarvan de deklaag betstaat uit puin en/of zand zijn erosiegevoelig mits de
belasting (golfhoogte) groter is dan de sterkte (erosiebestendigheid van grond).


1204143-001-GEO-0019, Versie 2, 19 juli 2012, definitief


Achtergrondrapport VTV Technisch deel

45 van 82
Indien het voorland onbeschermd is en indien het Toetspeil gelijk is aan het maaiveld kan
tijdens maatgevende situaties sprake zijn van significante golfafslag. De mate van golfafslag
neemt af, indien het Toetspeil ten opzichte van het maaiveld toeneemt en bereikt een mini-
mum indien de waterdiepte op het voorland groter is dan 2 keer de significante golfhoogte.
Hierbij is de lengte van de brekerzone niet groter dan 3 keer de waterdiepte.

Box 17.4 Voorbeeldberekening van afslag door erosie

Indien de waterdiepte op het voorland gelijk is aan h =2 m en de golfhoogte is Hs =1 m dan
is de gemiddelde lengte waar golfafslag te verwachten is gelijk aan L =3 x 2 =6 m. Indien
het voorland in de brekerzone slecht erosiebestendig is, kan het voorland eroderen. De
maximale afslagbreedte van het voorland is afhankelijk van de golfhoogte en de erosie-
bestendigheid van het voorland (zie ook Fig. 17.1).

0
25
50
75
100
0,0 0,5 1,0 1,5 2,0 2,5 3,0
Gol fhoogte [m]
M
a
x
i
m
a
l
e

a
f
s
l
a
g
b
r
e
e
d
t
e

[
m
]
zand
cohesief

Figuur 17.1 Afslag door erosie


17.5 Referenties
(Concept) Technisch Rapport Zettingsvloeiingen.
(Concept) Technisch Rapport Macrostabiliteit.
(Concept) Technisch Rapport Erosie Voorland.



1204143-001-GEO-0019, Versie 2, 19 juli 2012, definitief


Achtergrondrapport VTV Technisch deel

47 van 82
18 Toetsing Havendammen (HAV)
18.1 Inleiding
In de toetsing wordt onderscheid gemaakt tussen:
Normale havendammen bestaande uit een buitentalud (met eventuele bermen), een
ongeveer horizontale kruin, en een binnentalud (met eventuele bermen).
Havendammen met verticale voorzijde (meestal een damwand of kademuur).

Ook de normale havendammen kunnen verticale elementen in het profiel hebben. Die ele-
menten moeten worden getoetst met de toetsmethode voor havendammen met verticale
voorzijde.

Het beoordelen van havendammen kent verschillende beoordelingssporen en is afhankelijk
van het type dam. Voor havendammen met taluds wordt getoetst op:
Kruinhoogte.
Macro-instabiliteit buitenwaarts.
Macro-instabiliteit binnenwaarts.
Micro-instabiliteit.
Afschuiving voorland.
Zettingsvloeiing voorland.
Steenzetting (Afschuiving en materiaaltransport; Toplaaginstabiliteit en Erosie onder-
lagen).
Niet-waterkerende objecten.

Voor verticale havendammen of verticale elementen in havendammen zijn de volgende
beoordelingssporen van belang:
Kruinhoogte.
Stabiliteit en sterkte constructie.
Voorland.
18.2 Vereiste toetsgegevens
Voor de vereiste toetsgegevens aangaande de eenvoudige en gedetailleerde toets wordt
verwezen naar de voorgaande hoofdstukken.
18.3 Verschil analyse
Het WTI-2011 heeft ten opzichte van het VTV-2006 geen inhoudelijke verschillen.
18.4 Achtergronden
Voor de beoordeling van waterkeringen gelegen achter havendammen zijn hydraulische
randvoorwaarden (HR-2011) afgegeven voor een locatie aan de ingang (buitenzijde) van een
haven (buiten de invloed van havendammen). Indien uit de beoordeling van primaire water-
keringen, gelegen achter havendammen blijkt dat deze niet voldoen gegeven de hydraulische
randvoorwaarden van de locatie aan de ingang van de haven, dan dienen de waterkeringen
beoordeeld te worden met de door de havendammen gereduceerde hydraulische randvoor-
waarden. In dat geval moet tevens aangetoond worden dat de havendammen zelf betrouw-
baar zijn en voldoen aan de norm.

Alleen havendammen die van belang zijn voor de veiligheid van de achterliggende water-
keringen dienen getoetst te worden. Zij moeten opgenomen zijn in de legger en deel uit
maken van de kernzone.








Achtergrondrapport VTV Technisch deel

1204143-001-GEO-0019, Versie 2, 19 juli 2012, definitief

48 van 82


Toetsing van een havendam is strikt genomen niet nodig in de volgende gevallen:
Achterliggende primaire waterkering heeft een eindscore ‘voldoet’, indien wordt
getoetst met de niet-gereduceerde hydraulische randvoorwaarden aan de ingang van
de haven.
Achterliggende primaire waterkering heeft een eindscore ‘voldoet niet’, indien wordt
getoetst met de gereduceerde hydraulische randvoorwaarden.

Vooral in het tweede geval kan de standzekerheid van de havendam wel relevant zijn in het
kader van het verbeterplan.

Als het oordeel voor de kruinhoogte van de primaire waterkering, met de aanwezigheid van
de havendam, ‘voldoet niet’ is, kan worden overwogen om of de havendam te verhogen, of
de primaire waterkering, of beide. Door deze keuzemogelijkheid is er geen eenvoudig recept
te geven dat leidt tot een score voor de havendam en een score voor de primaire waterkering
(voorbeeld is Hoogwaterkering Den Oever).





1204143-001-GEO-0019, Versie 2, 19 juli 2012, definitief


Achtergrondrapport VTV Technisch deel

49 van 82
19 Niet Waterkerende Objecten (NWO)
19.1 Inleiding
Onder niet-waterkerende objecten (NWO’s) worden alle objecten verstaan die geen func-
tioneel deel uitmaken van de waterkering. In geval van combinaties van waterkerende en
niet-waterkerende constructies (bijvoorbeeld keermuren die deel uitmaken van de bebouwing
maar ook een waterkerende functie hebben) wordt onderscheid gemaakt tussen bijzondere
waterkerende constructies (de keermuur) en het niet-waterkerend object (de bebouwing
zonder keermuur).

Bij de beoordeling van NWO’s wordt onderscheid gemaakt tussen de volgende categorieën:
Begroeiing.
Bebouwing.
Pijpleidingen en kabels.
Overige constructies (wegen, landhoofden, geleidewerken, steigers, niet-water-
kerende kadeconstructies, weg- en dijkmeubilair etc.).

De categorie ‘overige constructies’ kent geen eigen toetsspoor.

In het VTV-Technisch Deel is beperkt sprake van nieuwe toetsregels. Dit hoofdstuk is der-
halve extra uitgebreid om zoveel mogelijk ondersteuning bij de verlengde toetsing te bieden.
Paragraaf 19.2 geeft een overzicht van de benodigde gegevens voor de toetsing. In para-
graaf 19.3 wordt beknopt ingegaan op de basisfilosofie voor de toetsing van NWO’s. In de
daaropvolgende paragrafen wordt ingegaan op de achtergronden aangaande de beoordeling
van begroeiing, bebouwing en pijpleidingen
2
.
19.2 Vereiste gegevens
De per toetsspoor benodigde gegevens kunnen worden onderscheiden in gegevens over de
waterkerende functie (resultaten van de beoordelingssporen per faalmechanisme) en de per
categorie te verzamelen specifieke NWO-gerelateerde gegevens. Hierbij wordt onderscheid
gemaakt in de voor de toetsing benodigde dijkgerelateerde en NWO-gerelateerde gegevens.
Voorbeelden van dijkgerelateerde gegevens zijn:
Lengte-/dwarsprofielen van de fysiek aanwezige dijk.
Legger- en beheersprofielen.
Beheerszones (kernzone/waterstaatswerk, beschermingszone).
Invloedszones/-profielen per faalmechanisme.
NWO-gerelateerde gegevens betreffen vooral de kenmerken van het NWO, die
afhankelijk zijn van de beschouwde categorie NWO. Deze gegevens worden afzon-
derlijk genoemd in de paragrafen over begroeiing, bebouwing of pijpleidingen.

Tabel 19.1 geeft een overzicht van de voor bomen benodigde gegevens ten behoeve van het
uitvoeren van de NWO-toets voor de categorie Begroeiing. Voor de bepaling van de kenmer-
ken zou rekening gehouden moeten worden met de toetsperiode. Dus er moet geschat
worden wat deze parameters tijdens de gehele toetsperiode zijn (ook tijdens de groei van de
boom). De bodemparameters, gebruikt voor het toetsen van waterkeringen zijn in Tabel 19.1
niet specifiek omschreven.


2. De informatie is afkomstig uit diverse studies die door DHV, (begroeiingen), Van der Kraan (bebouwing) en BT
Geoconsult (leidingen) voor het WTI 2011 zijn uitgevoerd.








Achtergrondrapport VTV Technisch deel

1204143-001-GEO-0019, Versie 2, 19 juli 2012, definitief

50 van 82


Tabel 19.1 Benodigde gegevens voor toetssporen van NWO begroeiing

Gegevensbehoefte eenvoudige
toetsmethode begroeiing
Opmerkingen

Stamdiameter
Boomhoogte
Eenstammig/meerstammig



Hulptabel aanwezig
Hulptabel aanwezig

Scheefstand
Scheefstandrichting


Hulptabel en beschrijving aanwezig

Boomsoort
Kroonhoogte
Kroonbreedte 1
kroonbreedte 2
Beheervorm
(on)voldoende beheer(d)


Bij twijfel consulteer een boomspecialist
Parallel aan windrichting
Loodrecht op de windrichting

Kluitafmetingen ontgrondingskuil
Gebruik afmetingen in brede klassen;
Hulptabel aanwezig

Gegevensbehoefte gedetailleerde
toetsmethode begroeiing
Opmerkingen

Groeifase
Conditie
Stabiliteit-gerelateerde overbelasting
Stabiliteit-gerelateerde
Schimmelaantasting
Bodemopbouw
Doorwortelde diepte
Grondwaterstand
Ondergrondse groeibelemmeringen


Opname door boomspecialist






Hulptabel aanwezig

Kluitafmetingen ontgrondingskuil

Exactere afmetingen in het veld nader
bepalen of database van de Bomenwacht
Nederland raadplegen via hun website


Specialistische gegevens:
Boom
Bodem
Omgeving


Beoordeling in het veld door
boomspecialist; berekening door
dijktechnisch specialist


1204143-001-GEO-0019, Versie 2, 19 juli 2012, definitief


Achtergrondrapport VTV Technisch deel

51 van 82
Hieruit is af te leiden, dat het ook voor niet-deskundigen mogelijk is om de eenvoudige
toetsing te doorlopen. Daarbij kan worden teruggevallen op kenmerken uit basisgegevens en
kengetallen uit tabellen. Zodra blijkt, dat een gedetailleerde beoordeling noodzakelijk is, is het
van belang de daarvoor benodigde gegevens in het veld te (laten) bepalen en/of af te leiden
uit beschikbare databases.

Gegevens van begroeiing veranderen met de groei. Aan het gebruik van de gegevens
moeten de volgende voorwaarden worden verbonden:
Gegevens zijn maximaal 2 jaar oud: ongewijzigd gebruik.
Gegevens zijn 2-4 jaar oud: correctie boomgegevens o.b.v. steekproeven.
Gegevens zijn >4 jaar oud: volledige actualisering gegevens noodzakelijk.

Tabel 19.2 geeft een overzicht van de voor bebouwing benodigde gegevens ten behoeve van
het uitvoeren van de NWO-toets voor de categorie Bebouwing.

Gegevensbehoefte eenvoudige
toetsmethode bebouwing:
Wijze van inwinning:
Toestand bebouwing Uit ‘dagelijkse’ inspectiegegevens
Oppervlakte bebouwing Uit vlakkenbestand in GIS-systeem
Aanwezigheid dijksloot voor bebouwing Wordt bekend verondersteld bij beheerder
Diepte onderzijde bebouwing

Aanname kelder van 3 meter diep ten opzichte
van de maaiveldhoogte aan de dijkzijde van de
bebouwing

Gegevensbehoefte gedetailleerde
toetsmethode bebouwing:
Wijze van inwinning:
Diepte onderzijde bebouwing Uitzoeken (bij bewoner/ archief)
Afmetingen onderkeldering Uitzoeken (bij bewoner/ archief)
Gegevens fundering Uitzoeken (bij bewoner/ archief)
Tabel 19.2 Benodigde gegevens voor toetssporen van NWO bebouwing

Tabel 19.3 geeft een overzicht van de voor pijpleidingen benodigde gegevens ten behoeve
van het uitvoeren van de NWO-toets voor de categorie Pijpleidingen.

Benodigde gegevens LD kruisingen
Historie Data, ophogingen, verzakkingen, aanpassingen, reparaties etc.
Medium
Diameter, materiaalsoort, wanddikte, starre koppelingen
of mof/spie verbindingen etc.
Max. bedrijfsdruk en bedrijfstemperatuur
Beschrijving historie (data, ophogingen,
verzakkingen, aanpassingen, reparaties etc.)s


Niet-stalen leidingen

Indicatie van de status/functioneren van de leiding
Tabel 19.3 Benodigde gegevens voor toetssporen van NWO lage druk pijpleidingen








Achtergrondrapport VTV Technisch deel

1204143-001-GEO-0019, Versie 2, 19 juli 2012, definitief

52 van 82


Benodigde gegevens HD leidingen (gedetailleerde toetsing)
Historie Data, ophogingen, verzakkingen, aanpassingen, reparaties etc.
Transportstoffen
J aar van aanleg
Diameter
Toegepaste keuringseisen (materiaal en lassen)
Ontwerpdruk en max. bedrijfstemperatuur
Plaats +conditie afsluiters en appendages


Niet-stalen leidingen


Status/functionering leiding
Corrosie
Stalen leidingen Uitwendige bekleding
Kathodische bescherming

Tabel 19.4 Benodigde gegevens voor toetssporen van NWO voor hoge druk pijpleidingen

19.3 Achtergrond - basisfilosofie
De essentie van het toetsen van NWO’s is om zoveel mogelijk NWO’s, die niet van belang
zijn voor de veiligheid uit te filteren, toetsmethoden zoveel mogelijk te versimpelen en de
daarvoor benodigde basisgegevens op af te stemmen. Het fundament daarvoor zou zoveel
mogelijk moeten worden geënt op een globale risicobeschouwing (op basis van faalkansen).
Vertrekpunt daarbij is de bepaling van de invloedszones/-profielen (Fig. 19.1) van de
waterkering per faalmechanisme en de bepaling van de verstoringszone/-profiel per categorie
NWO. Daarbij wordt tevens rekening gehouden met de plaats van het NWO in het
dwarsprofiel.

Figuur 19.1 Definitieschets
invloedszone STBI
invloedsprofiel
invl oedsl ij n
STBI
maatgevende gl ijcirkel
best aand dijkprofiel
invl oedsl ij n STBI


1204143-001-GEO-0019, Versie 2, 19 juli 2012, definitief


Achtergrondrapport VTV Technisch deel

53 van 82
Vervolgens worden de invloedszones/-profielen per faalmechanisme en de verstoringszones/
-profielen van het NWO met elkaar geconfronteerd, waarbij er de volgende twee mogelijk-
heden zijn.
1. Indien de invloedszone/-profiel van de waterkering en de verstoringszone/-profiel van
het NWO elkaar niet doorsnijden wordt aangenomen dat er geen additionele faalkans
en dus ook geen veiligheidsprobleem is.
2. Indien beide zones/-profielen elkaar wel doorsnijden is er sprake van een overlap van
beide zones/-profielen en de bijbehorende faalkansen. Dit betekent dat er sprake is
van een additionele faalkans van de waterkering als gevolg van de verstoringszone/-
profiel door de aanwezigheid of het falen van het NWO. In dat geval wordt voor zover
mogelijk de additionele faalkans van de waterkering bepaald. Voor de gevallen dat er
nog geen faalkansen beschikbaar zijn worden conservatieve faalkansen op basis van
oriënterende berekeningen en het oordeel van deskundigen aangehouden.

Figuur 19.2 toont schematisch de mogelijkheden 1 en 2 voor de invloedszone/ profiel van de
waterkering voor het faalmechanisme macrostabiliteit binnenwaarts (toetsspoor STBI) en de
verstoringszone/-profiel van het NWO voor een ontgrondingskuil van een omgevallen boom
en voor een erosiekrater van een lekkende waterleiding langs de teen van de dijk. De
hierboven beschreven 2 mogelijkheden worden vervolgens aan de hand van deze figuren
toegelicht.

Figuur 19.2
























Uit Figuur 19.2a blijkt dat de verstoringszone/-profiel van het NWO (ontgrondingskuil van een
omgewaaide boom) de invloedszone van de waterkering (glijcirkel van de afschuivende
grondmoot) elkaar niet doorsnijden. Dit betekent dat er in dit geval geen sprake is van een
additionele faalkans van de waterkering. Dat geldt ook voor de situatie dat de boom blijft
invloedszone STBI
maatgevende
gl ijcirkel
maatgevende
gl ijcirkel
verstoringszone NWO
erosiekrater
i nvloedszone STBI verstoringszone NWO
maatgevende
gl ijcirkel
ontgronding
i nvloedszone STBI verstoringszone NWO
maatgevende
gl ijcirkel
ontgronding
invloedszone STBI
maatgevende
gl ijcirkel
maatgevende
gl ijcirkel
verstoringszone NWO
erosiekrater
i nvloedszone STBI verstoringszone NWO
maatgevende
gl ijcirkel
ontgronding
i nvloedszone STBI verstoringszone NWO
maatgevende
gl ijcirkel
ontgronding
i nvloedszone STBI verstoringszone NWO
maatgevende
gl ijcirkel
ontgronding
i nvloedszone STBI verstoringszone NWO
maatgevende
gl ijcirkel
ontgronding
i nvloedszone STBI verstoringszone NWO
maatgevende
gl ijcirkel
ontgronding
i nvloedszone STBI verstoringszone NWO
maatgevende
gl ijcirkel
ontgronding


Figuur 19.2a en 19.2b Verst oringszone/-profiel NWO ligt buiten invloedszone/-profiel STBI
Figuur 19.2b Verstoringszone/-prof iel NWO doorsnijdt i nvloedszone/-prof iel STBI








Achtergrondrapport VTV Technisch deel

1204143-001-GEO-0019, Versie 2, 19 juli 2012, definitief

54 van 82

staan, omdat er bij winddruk via de boom geen extra aandrijvend moment op de afschui-
vende grondmoot kan ontstaan.

Uit Figuur 19.2b blijkt dat de verstoringszone/-profiel van het NWO (erosiekrater van de
langsleiding) de invloedszone/-profiel van de waterkering (en de glijcirkel van de afschui-
vende grondmoot) elkaar deels overlappen. Dit betekent dat er in dit geval wel een additio-
nele faalkans van de waterkering is, die wordt veroorzaakt door de kans op instabiliteit in
combinatie met de kans op lekkage/breuk van de leiding. Beide faalkansen moeten worden
bepaald en vervolgens gecombineerd. Het resultaat moet worden getoetst aan een toelaat-
bare additionele faalkans.

Invloedszone/-profiel waterkering per faalmechanisme
Voor de bepaling van de invloedszones/-profielen van de waterkeringen zijn de volgende
faalmechanismen c.q. beoordelingssporen van het VTV van belang:
Overloop/golfoverslag (HT).
Piping en heave (STPH).
Macro-instabiliteit binnenwaarts (STBI).
Macro-instabiliteit buitenwaarts (STBU).
Micro-instabiliteit (STMI).
Instabiliteit bekleding (STBK).

Op dit moment is het nog niet mogelijk om voor alle beoordelingssporen een faalkans te
bepalen. Bovendien kunnen de gevolgen van falen per mechanisme meer of minder rigou-
reus zijn. Daarom ligt de focus bij de nadere uitwerking in eerste instantie op de beoor-
delingssporen HT, STPH en STBI/STBU.

Voor de bepaling van de invloedszones/-profielen wordt zoveel mogelijk gebruik gemaakt van
de resultaten van de gedetailleerde toetsing per beoordelingsspoor. Bij witte vlekken daarin
kan worden uitgegaan van de geometrische kenmerken uit de eenvoudige toetsing. Deze
verkregen resultaten zijn representatief voor een dijk zonder NWO’s.

De invloedszone/-profiel van de waterkering is afhankelijk van het beschouwde faalmecha-
nisme. Per faalmechanisme verschilt de kans van optreden. Voor het faalmechanisme over-
loop/golfoverslag kan gebruik worden gemaakt van de berekende kruinhoogte en geometrie
uit de HT-toets. Voor het bepalen van de kans op de invloedszone/-profiel van overloop of
golfoverslag wordt in WTI 2017 nader onderzoek verricht.

Voor het faalmechanisme macro-instabiliteit kan gebruik worden gemaakt van de resultaten
van de gedetailleerde STBI-toets en STBU-toets. Het gaat daarbij om de berekende stabili-
teitsfactoren met bijbehorende invloedszones (snijpunten van de glijcirkels met de kruin en
met het maaiveld). De kans op de invloedszone van macro-instabiliteit kan worden bepaald
door de berekende stabiliteitsfactor via de bijbehorende betrouwbaarheidsindex te vertalen
naar de lokale kans op instabiliteit. Daarvoor staan rekenregels in het TR Grondonderzoek en
Grondmechanisch Schematiseren bij Dijken. Indien er geen resultaten van een gedetailleerde
toetsing maar wel van een eenvoudige geometrische toetsing beschikbaar zijn, wordt de
faalkans conservatief ingeschat op basis van expertise.

Voor de bepaling van de invloedszones/-profielen van de overige faalmechanismen kan
gebruik worden gemaakt van de resultaten van de verschillende toetssporen. Voor de
bepaling van de bijbehorende faalkansen zijn er nog geen rekenmethoden beschikbaar,
zodat die worden bepaald op basis van schattingen door deskundigen.


1204143-001-GEO-0019, Versie 2, 19 juli 2012, definitief


Achtergrondrapport VTV Technisch deel

55 van 82
Verstoringszone/-profiel NWO
Per type NWO worden de dimensies van de verstoringzone/-profiel bepaald. Daarbij wordt,
indien nodig, onderscheid gemaakt in de situatie dat het NWO wel of niet faalt of bezwijkt. Dit
speelt met name bij bebouwing en bij begroeiing. De verstoringszones/-profielen van bomen
kunnen worden bepaald op basis van kengetallen. De verstoringszones van pijpleidingen
kunnen worden berekend met formules uit bijlage A van NEN 3651. Afhankelijk van de
beschikbaarheid van gegevens wordt de kans op de verstoringzone/-profiel bepaald op basis
van kengetallen (voor pijpleidingen uit NPR 3659) of op basis van het oordeel van des-
kundigen.

Interactie tussen invloedszone/-profiel WK en verstoringszone/-profiel NWO
De interactie voor pijpleidingen wordt gepresenteerd in een verzameltabel, waarin per
faalmechanisme het effect van de verstoringszone in relatie tot de plaats van het NWO in het
dwarsprofiel is weergegeven.

Toelaatbare additionele faalkans
De additionele faalkans van de waterkering moet worden getoetst aan een nog nader te
bepalen taakstellende eis. Daarbij kan worden gedacht aan een klasse-indeling, bijvoorbeeld:

>1% van de norm =onvoldoende
0,1 - 1% van de norm =twijfelachtig
<0,1% van de norm =voldoende
19.4 Achtergrond - begroeiing
Voor de toets op veiligheid worden alleen bomen beoordeeld. De invloed van overige
begroeiing op de stabiliteit van de waterkering wordt verwaarloosbaar geacht.

Windbelasting op bomen
De mate waarin een boom wind ‘vangt’ wordt weergegeven door de luchtweerstand-
coëfficiënt C
w
-factor. Deze factor heeft een lineair verband met de horizontale kracht en het
moment die door een windbelaste boom door zijn wortelstelsel wordt overgebracht op de
ondergrond of de waterkering. De C
w
-waarde kan per boom van dezelfde boomsoort verschil-
len en kan daarom hooguit als richting gelden. De typen wortelstelsels worden mede bepaald
door plaatselijke omstandigheden. De vertaling van deze omstandigheden naar eigenschap-
pen van het wortelstelsel zoals elasticiteitsmodulus, de maximale drukspanning en de rek-
grens en bijbehorende invloed op de stabiliteit is nog niet nader onderzocht.

De kans, dat de stabiliteit van de waterkering wordt beïnvloed door de aanwezigheid van
begroeiing, hangt vooral samen met de windbelasting op de begroeiing. Het kwantificeren
van de windbelasting geschiedt op basis van windsnelheden, uitgedrukt in Beaufort (Bf). In
plaats van het aannemen van een vaste waarde voor de maatgevende maximale windsnel-
heid waarmee belastingsberekeningen worden uitgevoerd (in de meeste gevallen 12 Bf) kan
het te overwegen zijn om de maximale windbelasting waarmee gerekend wordt meer af te
laten hangen van locale omstandigheden. In het bovenrivierengebied waar windsnelheden
boven bijvoorbeeld 10 Bf zeer onwaarschijnlijk zijn kan wellicht worden volstaan met een
lager windbelastingcriterium. Analoog aan de waarde van de windsnelheid kan onderscheid
worden gemaakt in windrichtingen (zie Leidraad voor het ontwerpen van rivierdijken, deel 1
en deel2).









Achtergrondrapport VTV Technisch deel

1204143-001-GEO-0019, Versie 2, 19 juli 2012, definitief

56 van 82

De windbelasting op een boom kan gemodelleerd worden als een statische, horizontale
belasting op de kruin [DHV, 2010]. De als horizontale puntlast gemodelleerde windbelasting
F
w
op bomen kan berekend worden met:

F
w
= 0,5 C
w
u
2
A (1)

waarin:
C
w
= luchtweerstandcoëfficiënt [-]
= luchtdichtheid [kg/m
3
]
u = windsnelheid [m/s]
A = windvangend oppervlak [m
2
]

De windsnelheid zoals deze in Nederland wordt opgegeven door het KNMI geldt op een
hoogte van 10 m. Vanwege de toename van de windsnelheid met de hoogte wordt aanbe-
volen het aangrijpingspunt te kiezen op een hoogte van 2/3 van de kroon boven de takvrije
stamlengte, of 2/3 van het windvangend oppervlak kroon van de boom, dus op 1/3 van de
windvangend oppervlak kroon onder de boomtop. Het maximale moment in de boom ter
plaatse van de op maaiveldniveau veronderstelde inklemming kan als volgt worden berekend.

a = h
boom
– (h
kruin
/ 3) (2)

M
max
= F
w
a (3)

waarin:
a = arm van de kracht [m]
h
boom
= totale hoogte van de boom boven maaiveld [m]
h
kruin
= hoogte van de windvangende kroon [m]
M
max
= maximaal moment in de boomstam ter plaatse van de veronderstelde
inklemming op maaiveldniveau [Nm]
F
w
= horizontale puntlast gemodelleerde windbelasting op een boom [N]

Indien de boom blijft staan, wordt de windbelasting overgebracht naar de ondergrond. De
ondergrond wordt door een boom in de wind op 2 manieren belast:
- Horizontaal (als gevolg van de horizontale belasting van de wind op de boom). De
grootte van deze kracht is gelijk aan de horizontale windbelasting op de boom;
- Moment (als gevolg van de horizontale windbelasting op de boom). Eventueel ook het
eigengewicht door scheefstand / kromming van de boom. Hierbij wordt de inklemming
op maaiveld verondersteld, de arm van de belasting is de hoogte van de boom min
1/3 van de kroon. De grootte van deze kracht is gelijk aan het maximale moment in
de boom (DHV, 2010).

Breuk
Als een boom breekt onder maatgevende omstandigheden heeft deze geen invloed op
stabiliteit van de waterkering. De breukvastheid van een boom wordt in de praktijk bepaald
volgens de VTA methodiek en nader boomtechnisch onderzoek. Volgens deze methode kan
worden beoordeeld of een stam breukgevaarlijk is. Tijdens controle dienen aanvullende ken-
merken te worden opgenomen, die in een vervolg kunnen worden gebruikt.

Verankering van bomen
Verankering van bomen is relevant om een beeld te vormen van hoe de overdracht van
momentkrachten van de boom op de bodem plaatsvindt. Het wortelstelsel is bepalend voor


1204143-001-GEO-0019, Versie 2, 19 juli 2012, definitief


Achtergrondrapport VTV Technisch deel

57 van 82
de krachten die maximaal worden overgebracht op de waterkering. Bij het vaststellen van het
gebied dat onder invloed staat van de krachten die op de boom werken, wordt het begrip
‘ontgrondingskuil’ gehanteerd. In het VTV-2006 wordt een ontgrondingskuil met een diameter
van 4 m en een diepte van 1 m gehanteerd. In de praktijk blijkt de kluit die de ontgrondings-
kuil nalaat bij het omvallen van bomen doorgaans niet goed aan te sluiten op de ontgron-
dingskuil van 4 1 m uit het VTV 2006. Daarom is in het kader van het WTI-2011 een tabel
gemaakt, waarin de omvang van de ontgrondingskuil als functie van de stamdiameter en
grondwaterstand kan worden afgelezen (zie concept WTI-2011, onderdeel VTV Technisch
deel: NWO)

In werkelijkheid is de omvang van de ontgrondingskuil afhankelijk van de verankering van de
wortels in de grond en de mate waarin de grond wordt vastgehouden door de wortels. De
ontgrondingskuil wordt in belangrijke mate bepaald door:
Diameter van de wortelkluit.
Diepte van de wortelkluit (grondwaterstand).
Toestand van het wortelstelsel.
Kenmerken van het dijklichaam.

Diameter wortelkluit
In het verleden is onderzoek gedaan naar de verhouding tussen de diameter van de
wortelkluit (in horizontale zin) en de diameter van de stam. In algemene zin is deze relatie
grafisch uit te zetten, waarbij onderscheid wordt gemaakt tussen een ‘risicogebied’ en ‘veilig
gebied’ met betrekking tot het omwaaien van de bomen (Fig. 19.3). Risicogebied betekent
hier ‘kans op omwaaien’.

Dergelijke algemene relaties gaan echter vaak mank, omdat de geometrie van de boom, de
kluitdiepte en de bodemgesteldheid niet nader worden beschouwd. Bovendien zijn er grote
verschillen tussen de verschillende boomtypen en is de locatie van de boom in relatie tot de
waterhuishouding eveneens medebepalend voor de dimensies van de wortelkluit.


Figuur 19.3 Relatie diameter stam – wortelkluit (DHV, 2010)










Achtergrondrapport VTV Technisch deel

1204143-001-GEO-0019, Versie 2, 19 juli 2012, definitief

58 van 82


Diepte wortelkluit
Wortelstelsels liggen vaak geheel of grotendeels boven de grondwaterspiegel. De wortelzone
is beperkt tot de bovenlaag van de bodem tussen het maaiveld en het grondwater (DHV
2010). De ontwikkeling van boomwortels zal afhangen van de boomsoort en de bodem-
gesteldheid. Volgens Crow (e.g. DHV 2010) komt het niet vaak voor dat een wortel dieper
dan 2 m in de grond ligt. Uit gegevens die gepubliceerd zijn door Canadell et al. (DHV 2010)
kan worden aangenomen dat de maximale diepte onder niet tropische omstandigheden van
de wortels tot ongeveer 3 m onder de grond liggen.

Toestand wortelstelsel
Uit verschillend onderzoek is gebleken, dat indien een derde van de boomwortels beschadigd
of verrot zijn, de betreffende boom bij langdurige sterke wind een grote kans heeft om te
vallen. Aan het begrip ‘sterke wind’ is geen waarde verbonden en de locatie van de verrotte
wortels is niet beschreven.

Kenmerken dijklichaam
De toestand van de bodem is mede bepalend (STOWA 2000) voor het risico dat een boom
omwaait. Op een dijklichaam met een zandkern en kleibekleding is het risico van omwaaien
groter dan in geval van een klei dijk. De heersende grondwaterstand en bijvoorbeeld een
overgang van zand naar klei kan het dieper wortelen verhinderen waardoor de begroeiing
minder vast in de bodem staat verankerd.

Concept gedetailleerde toets
Het WTI 2011 kent geen gedetailleerde toets. De toets die in deze paragraaf wordt beschre-
ven bevat een aanzet voor een gedetailleerde toets die voor het WTI 2017 verder zal worden
uitgewerkt. Voor het WTI 2011 kan deze toets als een mogelijke eerste stap in een toets op
maat worden beschouwd.

In de gedetailleerde toets wordt getoetst of de begroeiing een risico vormt voor de veiligheid
van de waterkering waarin deze zich bevindt. Dit risico hangt samen met het al dan niet
optreden van een ontgronding in relatie tot de invloedszone per faalmechanisme van de
waterkering. Figuur 19.4 toont het toetsschema voor de gedetailleerde beoordeling van
begroeiing.

Stap 1 Onder maatgevende omstandigheden ontstaat een ontgrondingskuil (Fig. 19.4)
Er ontstaat geen ontgrondingskuil; als begroeiing niet ontwortelt of als de boom eerder
afknapt dan ontwortelt. Begroeiing ontwortelt niet, indien aan de VTA-Waterkeringen wordt
voldaan (voor meer info zie [www.bomenwacht.nl], visuele boomkwaliteitscontrole VTA).

VTA staat voor Visual Tree Assessment: het visueel beoordelen van bomen. Een visuele
beoordeling is mogelijk doordat de bomen door de plaats en mate van groei, de aanwe-
zigheid van scheuren of schimmelaantastingen en dergelijke, laten zien of er iets aan de
hand is met de stabiliteit of breukvastheid van de boom. Regulier wordt de VTA door boom-
specialisten gebruikt voor het inschatten van de breukvastheid van bomen in de stedelijke
omgeving. Hierbij gaat het meestal om een stabiele, droge omgeving waar relatief weinig
stabiliteitsproblemen spelen. Centraal staat de algemene boomveiligheid in relatie tot het
gebruik van de (stedelijke) omgeving.



1204143-001-GEO-0019, Versie 2, 19 juli 2012, definitief


Achtergrondrapport VTV Technisch deel

59 van 82
Onder maatgevende omstandigheden ontstaat een ontgrondingeskuil?
ja nee
Boom staat op de kruin?
ja nee
Toetsspoor STBI en STBU
voldoen met begroeiing?
Toetsspoor HT, STPH, STBI, STBU
STMI, STBK voldoen
met ontgrondingskuil
ja nee ja nee
Stap 1
Stap 2 Stap 3
voldoet voldoet voldoet Toets op maat Toets op maat


Figuur 19.4 Beoordelingsschema concept gedetailleerde toets begroeiing

VTA-Waterkeringen wijkt sterk af van de reguliere VTA methode. Ofschoon elementen uit de
reguliere VTA worden beschouwd, wordt geen rekening met breukvastheid van bomen
gehouden. De VTA-Waterkeringen is juist gericht op de stabiliteitgerelateerde kenmerken van
bomen op dijken. Centraal daarbij staan de stabiliteit van de wortelkluit in de waterkering en
de krachten die vanuit de wortelkluit op de waterkering worden overgedragen, een en ander
gerelateerd aan de stabiliteit van de waterkering.

Binnen de VTA-Waterkeringen wordt door een specialist - met een vereist opleidings-
certificaat VTA-Waterkeringen (voor zover bekend is vooralsnog Bomenwacht Nederland de
enige ervaringsdeskundige) gekeken naar de gezondheid van de begroeiing en eventuele
groeiplaatsbelemmeringen. Het betreft een beoordeling van de volgende aspecten.

a) Gezondheid
Bij een VTA-waterkeringen worden de volgende gezondheidsfactoren beoordeeld:
Groeifase begroeiing.
Conditie begroeiing.
Stabiliteit-gerelateerde overbelasting.
Stabiliteit-gerelateerde schimmelaantasting.

b) Groeiplaatsbelemmering
Groeiplaatsbelemmeringen kunnen optreden ten gevolge van ruimtelijke beperkingen
zoals sloten, waterwegen, wegen en/of kunstwerken, etc. Om het effect van groei-
plaatsbelemmeringen te kunnen beoordelen kunnen twee bronnen in samenhang
worden geraadpleegd. In de praktijk kan worden uitgegaan van de locaties van bomen,
zoals aangegeven op een digitale kaart, met daarin geplaatst de opgenomen bijbe-
horende boomgegevens. Dit geeft een eerste benadering van de afstand tussen de
stam van de boom en de ruimtelijke beperking. Om te beoordelen of deze afstand
voldoet niet voldoet niet








Achtergrondrapport VTV Technisch deel

1204143-001-GEO-0019, Versie 2, 19 juli 2012, definitief

60 van 82

resulteert in een groeibelemmering is het van belang de omvang en de vorm van de
wortelkuit te kennen. Om dit te bepalen wordt uitgegaan van de grenswaarden in Tabel
19.5.









Tabel 19.5 Diameter wortelkluit bij verschillende grondwaterstanden

De diameter van de wortelkluit wordt gerelateerd aan de stamdiameter op basis van de
maatgevende grondwaterstandklasse zoals ter plekke van de boom geldt. De diepte van de
wortelkluit wordt bepaald aan de hand van de maatgevende grondwaterstand. Vanuit de
aanwezige worteldiepte (op basis van de maatgevende grondwaterstand of gegevens met
betrekking tot voedingsloze zandlagen) kan de minimaal benodigde kluitomvang (straal +
diepte) bepaald worden. Deze wordt vergeleken met de aanwezige ruimte op basis van een
dwarsprofiel of bovenaanzicht.

Indien er geen betrouwbare grondwater meetgegevens beschikbaar zijn zal worden terug-
gevallen op de schattingen zoals beschreven in de eenvoudige toets in het WTI-2011
Technisch deel, hoofdstuk NWO.

Er treedt een standplaatsbelemmering op, indien de grens van de belemmerende infra-
structuur (water, weg, etc. ) zich op een afstand van minder dan de kluitdiameter tot de stam
van de begroeiing bevindt.

Indien aan beide bovenstaande voorwaarden wordt voldaan, een goede gezondheid en geen
groeiplaatsbelemmering, mag er vanuit worden gegaan dat ontworteling niet aan de orde is
tijdens maatgevende omstandigheden. De concept gedetailleerde toets wordt voortgezet met
stap 2. Indien aan een van beide voorwaarden niet wordt voldaan, kan ontworteling tijdens
maatgevende omstandigheden niet worden uitgesloten. De concept gedetailleerde toets
wordt dan met stap 3 voortgezet.

Stap 2 Toetsspoor STBI en STBU voldoen met begroeiing (Fig. 19.4)
Als de boom op de kruin staat zal het aandrijvende moment van de begroeiing op de
waterkering moeten worden bepaald. Indien de begroeiing niet ontwortelt, moet de totale
belasting op de waterkering worden beoordeeld inclusief de extra belasting, die vanuit het
wortelpakket op de waterkering werkt. Dit betreft uitsluitend een beoordeling van de
macrostabiliteit. Voor het in rekening brengen van de extra belasting moet gebruik worden
gemaakt van de rekenregels (vgl. 1 t/m 3). Daarbij kan de windkracht op de begroeiing
afgeleid worden aan de hand van Tabel 19.6.

Opgemerkt wordt dat voor de beoordeling van de buitenwaartse macrostabiliteit (val na HW)
een lagere veiligheidseis geldt dan voor binnenwaartse macrostabiliteit (hoogwater), omdat
deze niet gerelateerd is aan hoogwater. De buitenwaartse macrostabiliteit onder dagelijkse
omstandigheden (bijvoorbeeld bij extreme neerslag) dient ook te worden getoetst.

Stamdiameterklasse (cm)
Maatgevende
gws (cm -mv) 0-40 41-80 81-120 >120
0-30 3,6 6,5 7,7 8,5
30-50 3 5,2 6,2 7
50-75 2,6 3,8 4,6 5
>75 2,5 3,5 4,3 4,5


1204143-001-GEO-0019, Versie 2, 19 juli 2012, definitief


Achtergrondrapport VTV Technisch deel

61 van 82
klasse stamdiameters (cm) 21-40 41-60 61-80 81-100 >100
Boomhoogte 16 21 25 26,5 27
Boombreedte 6 9 13 16 18
Takvrije lengte 4,5 5,5 7 7 7
C
w
– waarde 0,2 0,25 0,25 0,25 0,2

Hoogte aangrijpingspunt belasting (m) 12 16 16 17 17
Horizontale kracht op
aangrijpingspunt (in KN) 5,5 13,8 23,2 30,9 28,5
Tabel 19.6 Maximum afmetingen en Cw-waarden t.b.v. maximale windlast

Indien de begroeiing niet op de kruin van de waterkering staat, dan wordt ervan uitgegaan,
dat het effect van het aandrijvende moment verwaarloosbaar is ten opzichte van het boom-
gewicht. Met andere woorden er hoeven dan geen extra aandrijvende krachten in de bereke-
ningen te worden meegenomen.

Indien de stabiliteit met begroeiing voldoende is, voldoet de waterkering inclusief begroeiing
aan de veiligheidsvoorschriften. Het eindoordeel is voldoende. Indien dit niet het geval is
wordt de toets voortgezet met een toets op maat.

Stap 3 Toetsspoor HT, STPH, STBI, STBU, STMI en STBK voldoen met ontgrondings-
kuil (Fig. 19.4).

In stap 3 wordt de waterkering inclusief ontgrondingskuil beoordeeld. Afhankelijk van de
locatie in het dwarsprofiel moeten de verschillende faalmechanismen beoordeeld worden.

HT: Hoogte toets
STBU: Macrostabiliteit buitenwaarts (afname passieve weerstand);
STBI: Macrostabiliteit binnenwaarts (afname passieve weerstand)
STPH: Piping / heave (kwel langs wortelkanaal, verkorting kwelweglengte);
STBK: Falen bekleding buitenzijde (erosie dijkmateriaal door verhoogde stroomsnelheid
langs NWO en beperkte ontwikkeling van de grasbekleding als gevolg van
schaduwwerking van overige begroeiing);
STMI: Microstabiliteit (uitspoeling dijkmateriaal);
STVL: Stabiliteit voorland

In Tabel 19.7 is aangegeven welke toetssporen wel (J ) en niet (N) beoordeeld dienen te
worden.
Toetspoor
Locatie
ontgrondingskuil
HT STPH STBI STBU STMI STBK STVL
Voorland N J J J N N J
Buitenberm N J J J J J N
Buitentalud N N J J J J N
Kruin J N J *) J *) N J N
Binnentalud N N J N J J N
Binnenberm N J J N J J N
Achterland N J J N N N N
*) Indien de boom blijft staan en er geen ontgrondingskuil optreedt (stap 3d)
Tabel 19.7 Te controleren toetssporen bij het optreden van een ontgrondingskuil









Achtergrondrapport VTV Technisch deel

1204143-001-GEO-0019, Versie 2, 19 juli 2012, definitief

62 van 82

HT: Bij een ontgrondingskuil ter plaatse van de kruin dient opnieuw de beoordeling van de
kruinhoogte te worden uitgevoerd. De hoogtetoets is afhankelijk van de reserve tussen
de aanwezige kruinhoogte en de dijktafelhoogte. Indien de ontgrondingskuil namelijk
boven de dijktafelhoogte ligt is er geen veiligheidsprobleem;
STPH: Een ontgrondingskuil in het voorland heeft alleen invloed op piping als in de bereke-
ningen een weerstand van het voorland is meegenomen. Ten gevolge van een ont-
grondingskuil kan de kwelweglengte worden verkort, waardoor gevaar voor piping kan
ontstaan. Het wortelstelsel van de meeste bomen strekt zich uit tot de dagelijkse
grondwaterspiegel. Indien de watervoerende zandlaag zich meer dan 0,5 m onder de
dagelijks grondwaterstand bevindt, kan voor een solitaire boom in het voorland of op de
buitenberm worden gesteld dat de ontworteling niet zal leiden tot een excessieve
toename van de kwelstroming. In dit geval hoeft dus niet te worden uitgegaan van een
nieuw intredepunt voor piping. In geval van boomgroepen dient een marge van 1 m
tussen de dagelijkse grondwaterstand en watervoerende zandlaag te worden aange-
houden. Door het optreden van een ontgrondingskuil in een pipingberm aan de binnen-
zijde of in het achterland kan er een uittredepunt voor piping ontstaan;
STBI: Een ontgrondingkuil aan de buitenzijde van de waterkering kan leiden tot een toename
van de waterspanning waardoor de binnenwaartse macrostabiliteit afneemt. Aan de
binnenzijde kan een ontgrondingskuil het tegenwerkend moment reduceren waardoor
de binnenwaartse macrostabiliteit afneemt. Een ontgrondingskuil in de kruin heeft geen
negatieve invloed op de binnenwaartse macrostabiliteit aangezien de kruin onderdeel
uit maakt van het aandrijvend moment.
STBU: Een ontgrondingskuil aan de buitenzijde van de waterkering kan leiden tot een
afname van het tegenwerkend moment waardoor de buitenwaartse macrostabiliteit
afneemt. Een ontgrondingskuil in de kruin of aan de binnenzijde van de waterkering
heeft geen negatieve invloed op de buitenwaartse macrostabiliteit, aangezien de kruin
onderdeel uit maakt van het aandrijvend moment.
STMI: Een ontgrondingskuil in de buitenberm of in het buitentalud kan leiden tot een toename
van de freatische waterstand in de waterkering, hetgeen kan leiden tot een afname van
de microstabiliteit. In het binnentalud of in de binnenberm kan een ontgrondingskuil
leiden tot een afname van de weerstand tegen opbarsten en uitspoelen;
STBK: Ter plaatse van een ontgrondingskuil kan een stuk onbeschermde grond aanwezig
zijn waar, bij overslag, erosie en/of instabiliteit van de toplaag door infiltrerend water
kan ontstaan;
STVL: Voortschrijdende erosie ter plaatse van een ontgrondingskuil in het voorland kan
leiden tot instabiliteit van het voorland.

Het bepalen van de ontgrondingskuil kan geschieden op een grove wijze door gebruik te
maken van Tabel 19.2. Voor een nauwkeurige bepaling van de omvang van de wortelkluit zal
een nadere bepaling in het veld noodzakelijk zijn. Een alternatief is om gebruik te maken van
de database van de Bomenwacht Nederland, waarin op basis van actuele boomgegevens en
omgevingsfactoren een nauwkeurige inschatting kan worden gemaakt van de omvang van de
te verwachten wortelkluit.

Indien de hoogte en of stabiliteit met ontgrondingskuil voldoende is, voldoet de waterkering
inclusief begroeiing aan de veiligheidsvoorschriften.

Toets op maat
Verschillende geavanceerde analyses zijn mogelijk:



1204143-001-GEO-0019, Versie 2, 19 juli 2012, definitief


Achtergrondrapport VTV Technisch deel

63 van 82
1 Een boomspecialist kan op basis van specifieke bomenkennis ten aanzien van bijvoor-
beeld het wortelpakket, omgevingsfactoren en boomparameters een geavanceerder
beeld geven van de toestand van de boom, de kans op omwaaien en de omvang van
de ontgrondingskuil. Op basis van deze specifieke input met betrekking tot de boom en
de ontgrondingskuil kan een dijkenspecialist geavanceerdere berekeningen uitvoeren
ten aanzien van de stabiliteit van de boom en de invloed hiervan op de waterkering.

2 Voor de geotechnische berekeningen met betrekking tot de stabiliteit van de boom
wordt gebruik gemaakt van het programma Mfoundation (nu Dfoundations] waarbij de
boom wordt gemodelleerd als een ‘shallow foundation’. Indien uit de berekeningen volgt
dat voldoende oversterkte aanwezig is, kan de conclusie worden getrokken, dat er geen
negatieve invloed van de ontgrondingskuil is op de stabiliteit van de kering.

3 Door de Bomenwacht, Fugro en DHV is boomspecialistische kennis en grond-
mechanische kennis gebundeld in de methode “BomenT”, waarmee de stabiliteit van
een boom kan worden berekend.

4 Een relatie kan worden gelegd tussen de kans van optreden van hoog water en de
omvang van de windbelasting op de kroon van de begroeiing. Daarnaast zou input
vanuit monitoring extra informatie kunnen bieden voor een geavanceerde analyse.
19.5 Achtergrond - bebouwing
Diverse geavanceerde analyses zijn mogelijk in de toets op maat. Onderscheid wordt
gemaakt tussen analyses waarbij de sterkte van de bebouwing niet wordt meegenomen en
analyses waarbij deze sterkte wel wordt meegenomen.

Analyses zonder sterkte bebouwing
Indien de eenvoudige toets niet voldoet (na stap 1b4-4) kan met een eenvoudige analyse
worden gecontroleerd of de bebouwing invloed heeft op het toetsspoor piping.

Negatieve invloed van bebouwing op het toetsspoor piping wordt veroorzaakt door de
aanwezigheid van een kelder en/of een paalfundering. Indien de onderzijde van de
funderingsbalken maximaal 0,5 meter in de grond steekt en de dikte van de kleilaag naast en
onder het gebouw minimaal 1,0 meter bedraagt, dan kan de negatieve invloed op piping
worden verwaarloosd. De score is dan voldoende. Een voldoende is er ook als de bebouwing
achter een binnendijkse dijksloot ligt. De slootbodem zal dan maatgevend zijn voor het
mechanisme piping.

In de geavanceerde analyses wordt de invloed van het gebouw op de stabiliteit, zoals
verandering van de (gewichts)belasting en de verandering van de freatische grondwaterstand
als volgt meegenomen.

STPH: Bebouwing kan op diverse plaatsen aan de binnen- en buitenzijde invloed hebben op
het mechanisme piping. Bij de eenvoudige toetsing is daar al naar gekeken. De
bebouwing waarvoor nog geen oordeel kon worden gegeven veroorzaakt een
verkorte kwelweg door een verplaatsing van het intredepunt of het uittredepunt. Met
dat gegeven kan de mogelijkheid op piping voor de dijk worden bepaald.

STBI: Bebouwing hoog op het buitentalud of langs de buitenkruin met kelder kan een
hogere freatische grondwaterstand veroorzaken wat van invloed is op de macro-
stabiliteit binnenwaarts, zie Fig. 19.5.








Achtergrondrapport VTV Technisch deel

1204143-001-GEO-0019, Versie 2, 19 juli 2012, definitief

64 van 82


Bebouwing aan de binnenkruin of op het binnentalud wordt volgens de eenvoudige
toetsingsregels al uitgefilterd als deze buiten het minimaal profiel blijft. Als de
bebouwing het minimaal profiel doorsnijdt (talud 1V : 2H bij kleidijken, 1V : 3H bij
heterogene dijken en 1V : 4H bij zanddijken) dan is sprake van een geavanceerde
analyse in de toets op maat. De sterkte van de keldermuur speelt daarbij een rol.
Uitgaande van een voldoende sterke keldermuur kan het dijkprofiel worden gesche-
matiseerd met een star (gewichts)element (zie Fig. 19.6).


freatische grondwaterstand verhoogde freatische grondwaterstand
zonder kelder door lekkage onder kelder

Figuur 19.5 Situatie macrostabiliteit binnenwaarts met verhoogde freatische grondwaterstand (voorbeeld voor
bebouwing langs binnenkruin)











Figuur 19.6 Situatie macrostabiliteit binnenwaarts met star element met bovenbelasting, voorbeeld bebouwing langs
binnenkruin


STBU: Bebouwing op het buitentalud of langs de buitenkruin gefundeerd op staal kan een
toename betekenen van de bovenbelasting. Maatgevend daarbij is een pand op staal
zonder kelder. Bij gebrek aan gegevens over kelder en fundering kan daarvan worden
uitgegaan als maatgevende situatie, zie Fig. 19.7.
t o e t s p e i l
t o e t s p e i l
t o e t s p e i l


1204143-001-GEO-0019, Versie 2, 19 juli 2012, definitief


Achtergrondrapport VTV Technisch deel

65 van 82



fundering op palen, fundering op staal
geen bovenbelasting bovenbelasting in rekening brengen

Figuur 19.7 Situatie macrostabiliteit buitenwaarts met en zonder bovenbelasting, (voorbeeld bebouwing langs
buitenkruin)

STBK: De aansluiting van de bebouwing op de dijkbekleding moet worden getoetst op het
voorkomen van erosie (uitspoeling). Dat wordt voorkomen met een goede aansluiting
van bekleding op de bebouwing (geen kieren) en daaronder een kleilaag van mini-
maal 1 meter, of een aanvullende voorziening aan de bebouwing in de vorm van een
kwelscherm.

Analyses met sterkte bebouwing
Bovenstaande analyses gaan uit van algemene toetsingsregels waarin de invloed van de
aanwezigheid van de bebouwing is meegenomen. In de toets op maat is het ook mogelijk een
toetsing van individuele bouwwerken of doorgaande bebouwingslijnen in samenhang met de
stabiliteit van de waterkering uit te voeren, waarbij rekening wordt gehouden met de sterkte
van de grondkerende elementen van het gebouw en de onderlinge samenhang van wanden
en vloeren. De stabiliteit zelf kan ook nog worden bepaald met het in acht nemen van 3D-
effecten van de omliggende grond bij solitaire bebouwing.

Mogelijke onderzoeken die hiervoor kunnen worden uitgevoerd zijn:
Sterkte van grondkerende elementen vaststellen op basis van algemene kenmerken
zoals de dikte van de muren en vloeren en de gebruikte materialen.
Nadere regels opstellen voor schematisering van doorgaande bebouwingslijnen in
waterkeringen.
Nadere studie naar 3D-effecten bij een korte onderbreking van een doorgaand
dijkprofiel zoals dat voorkomt bij solitaire bebouwing, waarbij zowel profielvernauwing
als profielverruiming voorkomen.
19.6 Achtergrond - pijpleidingen
De gedetailleerde toets van de sterkte van pijpleidingen staat beschreven in bijlage E van
NEN 3651.

Algemeen
In het kader van de ontwikkeling van het Wettelijk Toetsinstrumentarium (WTI) voor de 3
e

toetsronde van de primaire waterkeringen worden onder meer voor het nieuwe Voorschrift
Toetsen op Veiligheid de toetsregels voor Niet-waterkerende objecten (NWO’s) aangepast.
De toetsing van bestaande pijpleidingen is daar een onderdeel van. Bij de toetsing kan
gebruik worden gemaakt van een eenvoudige methode (simpel aan de hand van conser-
t o e t s p e i l
t o e t s p e i l








Achtergrondrapport VTV Technisch deel

1204143-001-GEO-0019, Versie 2, 19 juli 2012, definitief

66 van 82

vatieve geometrische kengetallen), een gedetailleerde methode (uitgebreid op basis van
berekeningen) of een geavanceerde toetsmethode (maatwerk). In het huidige VTV-2006 staat
voor pijpleidingen een gedetailleerde analyse, die uit twee stappen bestaat:
1) Beoordeling van de ligging van de pijpleiding in de waterkering;
2) Beoordeling van de sterkte van een leiding, waarbij wordt doorverwezen naar bijlage
E van NEN 3651:2003.

Box 19.2 I nvloed bebouwing op toetssporen
STVL STBU STPH HT STBI
STMI en STBK
2
staal
palen
staal
palen
staal
palen
staal
palen
staal toename
aandrijfgewicht
palen nvt
staal toename
aandrijfgewicht
palen nvt
staal toename
aandrijfgewicht
palen nvt
staal toename
aandrijfgewicht
palen nvt
staal
palen
staal
palen
staal
palen
staal nvt
palen nvt, meestal op
aangeheeld land
staal
palen
staal
palen
staal
nog geen foto
palen
staal
palen
staal
palen
staal
palen
staal
palen
staal
palen
1
hoort thuis bij toetsing overige NWO. Bij aangevuld land met afsluitende damwanden/keerwanden
kan sterkte daarvan van invloed zijn
2
hoort thuis bij toetsing bekleding
pipingberekening met verkorte kwelweg
alleen grondmechanische stabiliteitsberekening
grondmechanische berekening inclusief starre constructie
wanden en vloeren ook apart berekenen
nvt
1
berekening met
keldermuur
meestal op
aangeheeld land,
zonodig apart
profiel berekenen
binnentalud hoog
geen kelder
kelder
geen kelder
binnentalud laag
nvt
nvt
binnenberm
Toetsspoor
Type
(kelder, fundering)
nvt 1
hoog voorland
buitentalud
buitenkruin
kelder
geen kelder
nvt
binnenteen
binnenmaaiveld
Plaats bebouwing
kelder
kelder
geen kelder
kelder
geen kelder
kelder
binnenkruin
kelder
geen kelder
kelder
geen kelder
kelder
geen kelder
kelder
geen kelder
nvt
nvt nvt
nvt nvt
nvt nvt
nvt nvt nvt
nvt
aangrijpingspunt
erosie
meestal op
aangeheeld land,
zonodig apart
profiel berekenen
nvt
nvt
verkorte kwelweg
(intredepunt,
lekweg)
nvt nvt
nvt
berekening met
keldermuur
langs binnenkruin
en op binnentalud
met
geconcentreerde
waterafvoer langs
talud
2
verhoogde
grondwaterstand
vloedschotten
berekening met
keldermuur
verhoogde
grondwaterstand
nvt
aangrijpingspunt
erosie
aangrijpingspunt
erosie
aangrijpingspunt
erosie
nvt
aangrijpingspunt
erosie
nvt nvt nvt
nvt nvt
verkorte kwelweg
(lekweg,
uittredepunt)
nvt
nvt
nvt
nvt
verkorte kwelweg
(lekweg,
uittredepunt)
nvt
nvt
verkorte kwelweg
(lekweg,
uittredepunt)
geen kelder
laag voorland
beneden toetspeil
nvt nvt nvt aangrijpingspunt
erosie, toetsing op
aanwezigheid
kleilaag
nvt, tenzij bij
berekening
aangehouden
intredepunt bij
teen voorland
verkorte kwelweg
(intredepunt,
lekweg)
nvt
aangrijpingspunt
erosie
nvt nvt nvt

Bij de actualisatie van de toetsregels voor pijpleidingen is er een discrepantie geconstateerd
tussen de eisen van het VTV-2006 en NEN 3651:2003 en de binnenkort uit te brengen


1204143-001-GEO-0019, Versie 2, 19 juli 2012, definitief


Achtergrondrapport VTV Technisch deel

67 van 82
herziene NEN-3551:2011. Dit betreft een verschil in de bepaling van de invloedszone en het
beoordelingsprofiel van de waterkering, die in het VTV betrekking heeft op alle relevante
faalmechanismen, waaronder macrostabiliteit en piping, terwijl bij de ontwerpeisen voor
parallelle pijpleidingen volgens NEN 3651 enkel rekening wordt gehouden met de
stabiliteitszone van de waterkering en niet met de pipingzone.

De vraag is of deze discrepantie uit oogpunt van veiligheid van de waterkering wel acceptabel
is. Hieronder worden de achtergronden vanuit het VTV en vanuit NEN 3651 nader toegelicht.

Methode VTV-2006
De invloedszone van de waterkering is een gebied, waarbinnen de verstoringszones van
NWO’s een negatieve invloed kunnen hebben op de waterkerende functie. De invloedszone
van de waterkering is afhankelijk van de mechanismen waardoor de waterkering kan falen. In
Katern 10 Niet-waterkerende objecten van het VTV-2006 staat een procedure beschreven,
aan de hand waarvan op basis van geometrische kengetallen per faalmechanisme een kri-
tieke lijn kan worden bepaald. De omhullende contourlijn van alle kritieke lijnen tezamen
wordt het beoordelingsprofiel genoemd.

Het beoordelingsprofiel is ontwikkeld voor de toetsing van niet-waterkerende objecten en is
gedefinieerd als een theoretisch minimumprofiel, dat wordt toegepast om globaal na te
kunnen gaan wanneer een verstoring in de ondergrond als gevolg van de aanwezigheid of
het falen van een niet-waterkerend object een bedreiging kan zijn voor de waterkerende
functie. Figuur 19.9 toont een voorbeeld van de invloedszone van de waterkering op basis
van kritieke lijnen.


Uit dit voorbeeld blijkt dat aan de waterzijde de kritieke lijn voor macro-instabiliteit buiten-
waarts (STBU) en aan de landzijde de kritieke lijn voor piping/heave (STPH) maatgevend is
voor de contourlijn van het beoordelingsprofiel.


Figuur 19.8 Voorbeeld van invloedszone op basis van kritieke lijnen (bron: VTV-2006)








Achtergrondrapport VTV Technisch deel

1204143-001-GEO-0019, Versie 2, 19 juli 2012, definitief

68 van 82

Indien de verstoringszone van een NWO buiten het beoordelingsprofiel ligt, dan heeft het
NWO geen negatieve invloed op de waterkerende functie en hoeft het NWO niet verder te
worden getoetst. Voor de bepaling van de verstoringszones van pijpleidingen wordt in het
VTV-2006 doorverwezen naar NEN 3651:2003, Bijlage A: Bepaling verstoringszones.

Indien de verstoringzone van een NWO het beoordelingsprofiel doorsnijdt, dan is er sprake
van een additioneel risico en moet de invloed daarvan op de waterkerende functie worden
getoetst. Dat is bijvoorbeeld het geval als een erosiekrater als gevolg van lekkage door breuk
van een waterleiding de stabiliteitszone doorsnijdt.

Bij de eenvoudige toetsing worden voor de bepaling van de kritieke lijnen geometrische
kengetallen gebruikt, die zijn gebaseerd op de eenvoudige toetsmethode van Katern 5 Dijken
en dammen van het VTV-2006. Figuren 19.10 en 19.11 geven voorbeelden van kritieke lijnen
voor piping en macro-instabiliteit binnenwaarts.





































slecht doorlatend pakket
Toetspeil
polderpeil = mv
L = 18 {H – (0,3 d)}
d
H
kritieke lijn STPH
Dijk type 2A (zandkern op slecht doorlatend pakket)
controle opbarsten:
g
/
w
1,2

w

g
invloedszone STPH
slecht doorlatend pakket
Toetspeil
polderpeil = mv
L = 18 {H – (0,3 d)}
d
H
kritieke lijn STPH
Dijk type 2A (zandkern op slecht doorlatend pakket)
controle opbarsten:
g
/
w
1,2

w

g
invloedszone STPH

Figuur 19.9 Voorbeeld kritieke lijn en invloedszone voor piping
slecht doorlatend pakket
Toetspeil
di jktafelhoogte
4 H
H
k
r
i
t
i
e
k
e

l i
j
n

S
T
B
I
Dijk type 2A (zandkern op slecht doorlatend pakket)
zonder berm en zonder opdrijven
controle opbarsten:
g
/
w
1,2

w

g
1
:

n
*
)
*) bij kleikern: n = 2
invloedszone STBI
slecht doorlatend pakket
Toetspeil
di jktafelhoogte
4 H
H
k
r
i
t
i
e
k
e

l i
j
n

S
T
B
I
Dijk type 2A (zandkern op slecht doorlatend pakket)
zonder berm en zonder opdrijven
controle opbarsten:
g
/
w
1,2

w

g
1
:

n
*
)
*) bij kleikern: n = 2
invloedszone STBI
slecht doorlatend pakket
Toetspeil
di jktafelhoogte
4 H
H
k
r
i
t
i
e
k
e

l i
j
n

S
T
B
I
Dijk type 2A (zandkern op slecht doorlatend pakket)
zonder berm en zonder opdrijven
controle opbarsten:
g
/
w
1,2

w

g
1
:

n
*
)
*) bij kleikern: n = 2
invloedszone STBI


Figuur 19.10 Voorbeeld kritieke lijn en invloedszone voor macro-instabiliteit binnenwaarts (zonder opdrijven)


1204143-001-GEO-0019, Versie 2, 19 juli 2012, definitief


Achtergrondrapport VTV Technisch deel

69 van 82

Afhankelijk van de reikwijdte van de invloedszone per faalmechanisme is de kritieke lijn voor
piping of de kritieke lijn voor macro-instabiliteit maatgevend voor de omhullende contourlijn
van het beoordelingsprofiel.

Als de verstoringszone van een pijpleiding buiten de invloedszone ligt is er geen sprake van
een negatieve invloed van de pijpleiding op het beschouwde faalmechanisme. Indien de
invloedszone wel wordt doorsneden door de verstoringszone, dan kan de pijpleiding wel een
negatieve invloed op het beschouwde faalmechanisme uitoefenen. In dat geval dient de toets
te worden vervolgd door een meer gedetailleerde bepaling van de invloedszone en/of de
verstoringszone op basis van grondmechanische berekeningen en/of een uitgebreidere
berekening van de verstoringszone.

Bij de toetsing is de invloedszone met de grootste afstand uit de teen van de dijk bepalend.
Vooraf is niet bekend welk faalmechanisme maatgevend is; afhankelijk van de lokale rand-
voorwaarden en grondeigenschappen kan dat de stabiliteitszone of de pipingzone zijn.

Veiligheidszone volgens NEN 3651
In NEN 3651:2003 wordt bij het ontwerp van pijpleidingen het begrip “veiligheidszone”
gehanteerd. Bij de toetsing van bestaande pijleidingen volgens bijlage E wordt daarbij
aangesloten. De veiligheidszone bestaat uit een stabiliteitszone en de verstoringszone van de
leiding. Figuur 19.12 laat dat zien voor een parallelle leiding.
























De veiligheidszone wordt gemeten uit de teenlijn van de dijk. Als eis geldt dat de breedte van
de veiligheidszone gelijk moet zijn aan de afstand tot het hart van de leiding waarbinnen
ontgrondingen en verstoringen door lekkage, breuk of explosie kunnen optreden (verstorings-
zone), vermeerderd met de breedte van de stabiliteitszone.


(vuistregel : 4 H)
verstoringszone vloeistof 2 R
B
R
B
R
B
(gas: G
B
) (vuistregel : 4 H)
verstoringszone vloeistof 2 R
B
R
B
R
B
(gas: G
B
)


Figuur 19.11 Stabiliteitszone en verstoringszone bij parallelle leiding ( bron: NEN3651:2003)








Achtergrondrapport VTV Technisch deel

1204143-001-GEO-0019, Versie 2, 19 juli 2012, definitief

70 van 82

De breedte van de stabiliteitszone hangt af van de eigenschappen van de ondergrond en de
afmetingen van het werk. Deze breedte kan worden bepaald op basis van een conservatieve
vuistregel of worden berekend op basis van grondmechanisch onderzoek. Indien echter blijkt
dat er geen bijzondere omstandigheden zijn die aanleiding geven tot evenwichtsverlies van
de grondslag, dan kan de breedte van deze terreinstrook zonder nader onderzoek worden
bepaald op vier maal de hoogte van de kruin boven het maaiveld (4 H).

Deze vuistregel mag niet worden toegepast indien:
Zeer slappe lagen in de ondergrond voorkomen.
Spanningstoestand nog niet aan de bestaande belastingstoestand is aangepast.
Voortgaande deformaties van het waterstaatswerk optreden; een sterke omhoog-
gerichte grondwaterstroming (bijvoorbeeld door kwel) optreedt.

In dat geval moet de breedte van de stabiliteitszone worden bepaald op basis van
grondmechanisch onderzoek. Dit kan ook nuttig zijn om vast te stellen of de aangegeven
waarde van vier maal de hoogte als stabiliteitszone kan worden verminderd.

Discrepantie tussen VTV en NEN 3651
De discrepantie tussen het VTV-2006 en NEN 3651:2003 betreft de bepaling van de
invloedszone van de waterkering. In het VTV wordt die bepaald voor meerdere faal-
mechanismen met bijbehorende kritieke lijnen (beoordelingsprofiel in breedte en diepte),
terwijl in NEN 3651 voor de invloedszone van de waterkering die in NEN 3651 wordt uitge-
gaan van één faalmechanisme, namelijk macro-instabiliteit (stabiliteitszone, horizontaal
gemeten vanaf de teen van de dijk). Daarbij dient tevens te worden opgemerkt dat de
stabiliteitszone in het VTV is gedefinieerd ten opzichte van een theoretisch profiel (het
beoordelingsprofiel) en in NEN 3651 ten opzichte van een fysiek aanwezig profiel.

De discrepantie tussen het VTV en NEN 3651 ontstaat als de invloedszone voor piping
verder reikt dan de stabiliteitszone (Fig. 19.13). In dat geval wordt de pipingzone doorsneden
door de verstoringszone van de pijpleiding en is er sprake van een potentieel additionele
faalkans, waarop de waterkerende functie zou moeten worden getoetst.

















Deze situatie wordt in NEN 3651 buiten beschouwing gelaten, omdat de invloedszone van de
waterkering is afgeleid voor macro-instabiliteit (stabiliteitszone). Indien dit aspect bij de
toetsing van bestaande leidingen zou worden geïntroduceerd kan dit leiden tot een grotere

verstoringszone vloeistofleiding
R
B
stabiliteitszone
pipi ngzone
erosiekrater
veiligheidszone
verstoringszone vloeistofleiding
R
B
stabiliteitszone
pipi ngzone
erosiekrater
veiligheidszone


Figuur 19.12 Situatie dat pipingzone wordt doorsneden door verstoringszone


1204143-001-GEO-0019, Versie 2, 19 juli 2012, definitief


Achtergrondrapport VTV Technisch deel

71 van 82
veiligheidszone dan volgens de ontwerpeisen uit NEN. Dit is niet in overeenstemming met het
uitgangspunt dat toetseisen soepeler moeten zijn dan ontwerpeisen.

De vraag is of dit wel of geen omissie is in de NEN 3651, hetgeen nader dient te worden
onderzocht.

Nader onderzoek
Om na te kunnen gaan in hoeverre er bij doorsnijding van de pipingzone door de verstorings-
zone van parallelle leidingen sprake is van een negatieve invloed op de veiligheid van de
waterkering is nader onderzoek nodig. Dit onderzoek kan worden gebaseerd op een
faalkansbenadering, waarbij de additionele kans op piping als gevolg van een calamiteit aan
de leiding wordt bepaald.
19.7 Referenties
Bij het opstellen van dit hoofdstuk is gebruik gemaakt van de volgende bronnen:

Arcadis, 2008. Pilot toetsen NWO traject Vuren-Gorinchem waterschap Rivierenland.
Avans Hogeschool ’s Hertogenbosch i.s.m. Fugro Ingenieursbureau, 2010.
Afstudeeronderzoek van Abdullahi, Muse Hassan naar de invloed van bomen op
waterkeringen.
Bomenwacht, Praktijkvoorbeelden hoe om te gaan met bomen op kaden
(cursusmateriaal ‘Veiligheidsaspecten van bomen op kaden’).
Concretio, 2002. Toetsing panden waterkering Schieland.
DHV, 2010. NWO’s in Waterkeringen, Begroeiing.
GeoDelft, 2001. Onderzoek problematiek voorland'.
GeoDelft, 2001. Briefrapport conclusies invloed bebouwing op stabiliteit waterkering.
GeoDelft, 2002. Projectvoorstel Bomen op Waterkeringen (18 april 2002).
GeoDelft, 2005. Toetsing dijkring 16/Deelrapport E: Bebouwing (panden).
GeoDelft en Provincie Zuid-Holland, 2007. Achtergrondrapport niet-waterkerende
objecten VTV.
Leidraad voor het ontwerpen van rivierdijken, deel 1 (bovenrivierengebied) en deel 2
(be-nedenrivierengebied).
NEN 3651, 2003. Aanvullende eisen voor leidingkruisingen in waterstaatswerken.
Provincie Zuid-Holland, 2009. Vuistregels voor het beheersoordeel bij de toetsing van
niet-waterkerende objecten.
STOWA, 2000. Bomen op en nabij waterkeringen, Achtergrondrapport.
STOWA, 2000. Handreiking voor beplanting op en nabij primaire waterkeringen.
Unie van Waterschappen, 2009. Verslag Expertgroep Niet Waterkerende Objecten.
Van der Kraan, A. 2002. Proef detailtoetsing bebouwing aan de primaire waterkering
van het hoogheemraadschap van Schieland.
Van der Kraan, A. 2003. Globale’ Toetsing bebouwing aan de primaire waterkering
van het hoogheemraadschap van Schieland.
Van der Kraan, A., 2004. Toetsing niet-waterkerende objecten aan de primaire
waterkering van het hoogheemraadschap van de Krimpenerwaard.
Van der Kraan, A. 2009. Plan van aanpak Toetsinstrumentarium voor niet-
waterkerende objecten, deelnotitie bebouwing.
VTV 2006, Voorschrift Toetsen op Veiligheid primaire waterkeringen, Min. V&W.
Waterschap Hollandse Delta, Waterschap Rivierenland en Hoogheemraadschap van
Schieland en de Krimpenerwaard, 2010. Toetsrapportages bebouwing toetsing.


1204143-001-GEO-0019, Versie 2, 19 juli 2012, definitief


Achtergrondrapport VTV Technisch deel

73 van 82
20 Niet Waterkerende Objecten in Duinen
20.1 Inleiding
Net als bij dijken dient bij de beoordeling van duinwaterkeringen en hybride keringen rekening
te worden gehouden met Niet Waterkerende Objecten (NWO’s) tijdens de beoordeling op
veiligheid.
20.2 Vereiste toetsgegevens
De invloed van NWO’s op duinerosie wordt bepaald door de volgende factoren:
Sterkte van NWO.
Ligging van de fundering.
Omvang van het NWO.
Afstand van het NWO tot de afslaglijn.
Bebouwingsdichtheid van de NWO’s.

Voor het uitvoeren van de gedetailleerde toets zijn de volgende gegevens vereist:
Afmetingen van NWO’s.
Afstand van het NWO tot de afslaglijn.
20.3 Verschil analyse
Achtergronden ontbreken.
20.4 Referenties
Managementsamenvatting Duinwaterkeringen en hybride keringen.
Technisch Rapport Duinwaterkeringen en Hybride Keringen 2011.



1204143-001-GEO-0019, Versie 2, 19 juli 2012, definitief


Achtergrondrapport VTV Technisch deel

75 van 82
21 Innovaties
21.1 Inleiding
Onder innovaties wordt verstaan een range van niet eerder toegepaste oplossingen om de
veiligheid van de waterkering te verhogen, met als belangrijkste kenmerk dat er geen eerdere
ervaring mee opgedaan is als waterkering of als onderdeel van een waterkering.

Een innovatie hoeft alleen beoordeeld te worden als innovatie voor de beoordelingssporen
waarop de innovatie van invloed is. Voor andere onderdelen van de waterkering of
beoordelingssporen dienen de reguliere beoordelingssporen gevolgd te worden.
21.2 Achtergronden
Innovaties in de waterkeringswereld verlopen vaak moeizaam wegens het ontbreken van
ervaring, onzekerheid over de levensduur en ontbreken van een methode voor beoordeling in
het kader van de toetsing.

De toetsmethode voor innovaties is gebaseerd op het principe van RAM-specificaties
(Reliability, Availability and Maintainability). De toetser dient te verifiëren of de veiligheid
voldoet op basis van de beschikbare documentatie. Dit is overigens een principe dat voor elk
regulier ontwerp toegepast zou moeten worden. Innovatieve ontwerpen verschillen
doorgaans maar beperkt van ontwerpen volgens reeds geaccepteerde regels en wel
voornamelijk op de volgende punten:

Bij innovaties is het creëren van draagvlak in de ontwikkelfase essentieel, maar dit blijkt in de
praktijk een zoekproces te zijn, waarvoor kaders wenselijk zijn:
Bij innovaties dient extra aandacht besteed te worden aan monitoring om te kunnen
leren.
Terugvalscenario’s dienen bij innovaties te worden ontwikkeld voor het geval de
innovatie niet voldoet aan de verwachtingen in de aanleg– of gebruiksfase.

Doorontwikkeling van de handreiking wordt gewenst geacht. De handreiking dient te focussen
op de topeis “Voldoen aan de wet”, ondersteund door een aantal voorbeelden voor de
aspecten van innovaties die in de praktijk het lastigst worden gevonden. Gezien de
genoemde topeis dient bij de doorontwikkeling vooral aandacht te worden geschonken aan
innovaties waarbij de beschikbare rekenmodellen te kort schieten en de noodzakelijke
effectiviteit pas blijkt bij (bijna) maatgevende omstandigheden, en monitoring na realisatie van
de innovatie bijna zeker niet het gewenste inzicht oplevert.

In Bijlage A wordt een drietal voorbeelden nader uitgewerkt waarbij bovengenoemde toets-
stappen als rode leidraad fungeren.
21.3 Verschil analyse
Het WTI-2011 heeft ten opzichte van het VTV-2006 geen inhoudelijke verschillen.
21.4 Referenties
Handreiking innovaties voor waterkeren Ontwerp en toetsing van innovaties; Verkorte
documenttitel Innovatieve versterking van waterkeringen.



1204143-001-GEO-0019, Versie 2, 19 juli 2012, definitief


Achtergrondrapport VTV Technisch deel

77 van 82
22 Toets op maat
22.1 Inleiding
Indien het op basis van de voorgeschreven toetsmethoden niet mogelijk is om tot een positief
oordeel over de waterstaatkundige toestand van de waterkering te komen dient een toets op
maat te worden uitgevoerd. De toets op maat is bedoeld om de veiligheid van de waterkering
te beoordelen volgens een methodiek die gericht is op de specifieke situatie/locatie.

De procesgang voor het uitvoeren van een toets op maat en de eisen die aan toets op maat
worden gesteld zijn voorgeschreven in het VTV Algemeen deel. Daarbij wordt ingegaan op:
Proces (de te zetten stappen, kwaliteitseisen en de partijen waarmee afstemming
nodig is).
Methode (stopcriteria en geavanceerde analyse).

Bij de toets op maat is de te volgen toetsmethodiek en uit te voeren analyses per definitie niet
voorgeschreven. Dit hoofdstuk geeft extra informatie over de methode (stopcriteria en
geavanceerde analyse). Bijlage B behandelt een voorbeeld inzake het uitvoeren van een
toets op maat.
22.2 Stop criteria
De toetsing is geen eindeloos proces, maar heeft een duidelijk begin en einde. Voor het
beëindigen van de toetsing zijn drie stopcriteria beschikbaar.
1. Verder analyse leidt niet tot een ander oordeel;
2. Geen toetsmethode is meer voor handen;
3. Kosten-baten analyse: Het uitvoeren van de geavanceerde toets is veelal niet
kosteneffectief ten opzichte van het uitvoeren van een verbeteringsmaatregel
(monumenten vragen speciale aandacht).

Indien aan één van de criteria wordt voldaan, kan de toetsing worden beëindigd.

Belangrijk bij het beëindigen van de toetsing is dat de onderbouwing van de keuze tot het
beëindigen van de toetsing eenduidig wordt vastgelegd. Indien er beëindigd wordt, omdat
verdere analyse niet tot een ander oordeel zal leiden, dient deze stelling onderbouwd
gerapporteerd te worden.

De effectiviteit van de geavanceerde analyse kan worden aangetoond met een kosten-baten-
analyse, KBA. Een dergelijke analyse kan zowel heel eenvoudig worden uitgevoerd als zeer
gedetailleerd met allerlei gradaties daartussen. In alle gevallen zullen de stappen die worden
doorlopen eenduidig moeten worden vastgelegd en ter goedkeuring aan de toezichthouder
worden voorgelegd.

In een KBA worden de kosten van het geavanceerd onderzoek afgewogen tegen de
mogelijke besparing van het niet uitvoeren van een dijkversterking. Naast het besparen op
dijkversterking kunnen renteopbrengsten bij het onderbouwd uitstellen van de dijkversterking
baten genereren.

Het is duidelijk dat een geavanceerde analyse, die meer kost dan een versterking, geen zin
heeft. Voor een geavanceerde analyse, met minder kosten dan versterken dient een
afweging te worden gemaakt, waarbij rekening wordt gehouden met de verwachte uitkomst
van de geavanceerde analyse. Vooraf kan niet met zekerheid worden gesteld dat na het








Achtergrondrapport VTV Technisch deel

1204143-001-GEO-0019, Versie 2, 19 juli 2012, definitief

78 van 82

uitvoeren van de geavanceerde analyse een eindscore “voldoet” kan worden toegekend ofwel
hoe deze eindscore zal luiden. In dit licht bezien zijn er meerdere mogelijkheden; of de
geavanceerde analyse levert een toetsoordeel: “voldoet”, die versterking uitstelt, of een score
op die versterking noodzakelijk maakt (“voldoet niet”).

De kans dat, ondanks de geavanceerde analyse, er toch versterking moet plaats vinden,
dient mee te worden genomen in de KBA. Uiteindelijk wordt er een vergelijk gemaakt tussen
de verwachte totale kosten met en zonder geavanceerde analyse.

Ge a v an c e e r d e a n a lys e
Bekende geavanceerde analyses worden in het VTV Technisch deel per toetsspoor genoemd
en in Technische Rapporten op hoofdlijnen uitgewerkt. Voordat de geavanceerde analyse
wordt uitgevoerd, wordt geadviseerd om een plan van aanpak op te stellen en deze met de
toezichthouder te bespreken. Dit plan van aanpak kan de volgende onderwerpen omvatten:
1. Beschrijving toetsmethode;
2. Kwaliteitsborging;
3. Toetscriteria.

Ad 1) Beschrijving toetsingsmethode
De beschrijving van de toetsingsmethode bevat welke stappen er worden genomen om tot
een eindoordeel te komen. Deze beschrijving dient zodanig uitgewerkt te zijn dat alle stappen
worden beschreven, maar dient ook voor niet experts leesbaar te zijn. Indien beschikbaar
dienen in de beschrijving literatuurverwijzingen naar de technische onderbouwing van de
toetsingsmethode te worden opgenomen. Geavanceerd toetsen is niet per definitie
ingewikkeld; dit kan ook een expertoordeel zijn.

Ad 2) Kwaliteitsborging
Afhankelijk van de situatie en toetsspoor zullen voor een specifieke situatie slechts een of
enkele experts beschikbaar zijn om een dergelijke toetsing uit te voeren. Onafhankelijke
kwaliteitscontrole kan dan in de praktijk lastig blijken. In het plan van aanpak kan vooraf
worden aangeven hoe met dit probleem wordt omgegaan. De toezichthouder, heeft een
belangrijke rol om toe te zien of de kwaliteitsborging voldoende is ingevuld.

In formule:

K(GA) =kosten geavanceerde analyse (GA)

P(succes) =kans dat GA uitsluitsel ‘goed’ of ‘voldoende’ oplevert

P(versterken) =100% - P (succes)

TK(GA) =verwachting totale kosten geavanceerde analyse
TK(DV) = verwachting totale kosten van dijkversterking zonder geavanceerde
analyse

TK(GA)=K(GA) +P(versterken) * TK(DV)

TK(GA) vergelijken met TK(DV)


1204143-001-GEO-0019, Versie 2, 19 juli 2012, definitief


Achtergrondrapport VTV Technisch deel

79 van 82
Ad 3) Toetscriteria
In het plan van aanpak kunnen de criteria worden beschreven op basis waarvan de
geavanceerde analyse tot goed- of afkeuren leidt. Deze criteria dienen schriftelijk te worden
vastgelegd, voordat het daadwerkelijke onderzoek start. Op deze wijze wordt een discussie
over het toetsresultaat achteraf vermeden.


1204143-001-GEO-0019, Versie 2, 19 juli 2012, definitief


Achtergrondrapport VTV Technisch deel

81 van 82
23 Referenties
- Arcadis, 2008. Pilot toetsen NWO traject Vuren-Gorinchem waterschap Rivierenland.
- Arcadis, 2010. Invulling witte vlekken kunstwerken; Witte vlek 1 gebrek aan informatie,
Rapport 074373219:B/C02021.000042.
- Arcadis, 2010. Invulling witte vlekken kunstwerken; Voorbeeldenboek”, Rapport
074374894:B/C02021.000042.
- Avans Hogeschool ’s Hertogenbosch i.s.m. Fugro Ingenieursbureau, 2010. Afstudeer
onderzoek van Abdullahi, Muse Hassan naar de invloed van bomen op waterkeringen.
- Bijlsma, E., 2010. Polyurethane bonded aggregate revetments, Design manual, final draft
Arcadis, 073962493:A.1!, 110403.002009.006B.
- Bomenwacht, Praktijkvoorbeelden hoe om te gaan met bomen op kaden (cursusmateriaal
‘Veiligheidsaspecten van bomen op kaden’).
- Boot, W.J ., 2009. Project Kwaliteitsplan bij zaak ID 31010101 Zeeuwse Stromen, PKP 520-
002.
- Concretio, 2002. Toetsing panden waterkering Schieland.
- CUR Rapport 219 INSIDE Innovatieve dijkversterking.
- Deltares, 2002. Toetsmethode voor havendammen. Rapport H4048.
- Deltares, 2010. Samenvatting voor WTI resultaten theoretisch onderzoek SBW piping, Ref.
1202341-001-GEO-0008.
- DHV, 2010. NWO’s in Waterkeringen, Begroeiing.
- Elastogran, 2009. Reglement Centrale organisatie Elastocoast gebonden steenslag, als
onderdeel van de Nationale Beoordelingsrichtlijn voor het nl bsb®productcertificaat voor
de milieuhygiënische kwaliteit van polymeergebonden steenslag voor toepassing in gww
werken.
- ENW, 2004. Technisch Rapport Waterspanningen bij Dijken.
- ENW, 2007. Technisch Rapport Ontwerpbelastingen voor het Rivierengebied.
- ENW, 2012. Technisch Rapport Grasbekledingen op Dijken (contactpersoon: A. van
Hoven).
- ENW, 2012. Technisch Rapport Macrostabiliteit (contactpersoon: C. Zwanenburg).
- ENW, 2012. Technisch Rapport Zandmeevoerende Wellen (herziene versie)
(contactpersoon: Ulrich Förster).
- ENW, 2012. Technisch Rapport Duinwaterkeringen en Hybride Keringen Duinafslag
(contactpersoon: Marien Boers).
- ENW, 2012. Technisch Rapport Harde Bekledingen (contactpersoon: DHV).
- ENW, 2012. Hydraulische Randvoorwaarden.
- GeoDelft, 2001. Onderzoek problematiek voorland'.
- GeoDelft, 2001. Briefrapport conclusies invloed bebouwing op stabiliteit waterkering.
- GeoDelft, 2002. Projectvoorstel Bomen op Waterkeringen (18 april 2002).
- GeoDelft, 2005. Toetsing dijkring 16/Deelrapport E: Bebouwing (panden).
- GeoDelft en Provincie Zuid-Holland, 2007. Achtergrondrapport niet-waterkerende objecten
VTV.
- KOAC-NPC (A.K. de Looff, M.P. Davidse), 2011. Werkwijzebeschrijving voor het uitvoeren
van een gedetailleerde toetsing op golfklappen op een bekleding van waterbouw-
asfaltbeton, Versie 4.
- Leidraad voor het ontwerpen van rivierdijken, deel 1 (bovenrivierengebied) en deel 2 (be-
nedenrivierengebied).
- NEN 3651, 2003. Aanvullende eisen voor leidingkruisingen in waterstaatswerken.
- Provincie Zuid-Holland, 2009. Vuistregels voor het beheersoordeel bij de toetsing van niet-
waterkerende objecten.








Achtergrondrapport VTV Technisch deel

1204143-001-GEO-0019, Versie 2, 19 juli 2012, definitief

82 van 82

- Royal Haskoning, 2010. Proefproject Mixed-in-Place Dijkverbetering Nieuw-Lekkerland
Definitief ontwerp Conceptrapport, Projectnummer 9T9718.C05
- STOWA, 2000. Bomen op en nabij waterkeringen, Achtergrondrapport.
- STOWA, 2000. Handreiking voor beplanting op en nabij primaire waterkeringen.
- STOWA, 2010. State of the Art Asfaltbekledingen, Rapport w06; Onderzoek 2010.
- TAW, 1994. Handreiking Constructief Ontwerpen.
- TAW, 1997. Leidraad Waterkerende Kunstwerken en bijzondere Constructies.
- TAW, 2001. Technisch Rapport Waterkerende Grondconstructies.
- TAW, 2002. Technisch Rapport Asfalt voor Waterkeren.
- TAW, 2002. Leidraad Zandige Kust.
- TAW, 2003. Technisch Rapport Steenzettingen.
- TAW, 2004. Technisch Rapport Waterspanningen bij Dijken.
- Unie van Waterschappen, 2009. Verslag Expertgroep Niet Waterkerende Objecten.
- Van der Kraan, A. 2002. Proef detailtoetsing bebouwing aan de primaire waterkering van
het hoogheemraadschap van Schieland.
- Van der Kraan, A. 2003. Globale’ Toetsing bebouwing aan de primaire waterkering van het
hoogheemraadschap van Schieland.
- Van der Kraan, A., 2004. Toetsing niet-waterkerende objecten aan de primaire waterkering
van het hoogheemraadschap van de Krimpenerwaard.
- Van der Kraan, A. 2009. Plan van aanpak Toetsinstrumentarium voor niet-waterkerende
objecten, deelnotitie bebouwing.
- Veiligheidstoetsing Noordwijk “Dijk in Duin” oplossing, 2009. 3e landelijke veiligheidstoet-
sing primaire keringen (cat. a) rap. Nr. A2465R1, opgesteld door Alkyon in opdracht van
het Hoogheemraadschap van Rijnland.
- VTV 2006, Voorschrift Toetsen op Veiligheid primaire waterkeringen, Min. V&W.
- Waterschap Hollandse Delta, Waterschap Rivierenland en Hoogheemraadschap van
Schieland en de Krimpenerwaard, 2010. Toetsrapportages bebouwing toetsing













1204143-001-GEO-0019, Versie 2, 19 juli 2012, definitief


Achtergrondrapport VTV Technisch deel

A-1
A Voorbeelden innovati es
In de navolgende paragrafen wordt een uitwerking gegeven van de eenvoudige toets voor
een drietal innovatieve onderdelen in een primaire waterkering, te weten:
Elastocoast.
Mixed in place.
Dijk in duin.
1.1 El a s to co a s t
Elastocoast is een twee componenten Polyurethaan die in staat is breuksteen zo elkaar te
lijmen dat er een zeer sterk en poreus composietmateriaal ontstaat. Daardoor leent deze
zich uitstekend als bekleding op bijv. zee- en rivierdijken. Door de open structuur wordt de
energie uit de golven geabsorbeerd en daarnaast bieden de vele tussenruimtes plaats aan
planten- en dierengroei. In deze subparagraaf is de eenvoudige toets innovaties toegepast op
een dijkbekleding van Elastocoast. Deze dijkbekleding is in 2009 aangelegd langs de
Bathpolder (zuideinde van de Oesterdam, zie Fig. A.1).


Figuur A.1 Locatie en foto van innovatieve dijkbekleding van Elastocoast

Het ontwerp is uitgevoerd volgens de toen geldende randvoorwaarden. Hierbij is uitgegaan
van zwaardere randvoorwaarden om toekomstige klimaat scenario’s en hydraulische
condities te kunnen keren (Bijlsma 2010; hoofdstuk 6). Een analyse van de randvoorwaarden
voor het ontwerp en de randvoorwaarden voor de toetsing, laat zien dat de nu geldende
toetsrandvoorwaarden gunstiger zijn dan de ontwerprandvoorwaarden. Voor een aantal
onderdelen is tijdens het ontwerp gebruik gemaakt van leidraden die in de huidige
toetsmethodiek niet meer vigerend zijn. Deze onderdelen zijn volgens de huidige vigerende
leidraden getoetst.

Voordat de toetsing doorlopen wordt, moet eerst vastgesteld worden of er een geaccepteerde
toetsmethode beschikbaar is. Hoewel er een ontwerpmethode is (Bijlsma 2010), die in prin-
cipe ook gebruikt kan worden bij de toetsing, is deze nog niet geaccepteerd. Het commen-
taar van ENW-techniek op het conceptrapport is nog geenszins afdoende verwerkt. Daarom
wordt voortgegaan met toetsstap 1.



projectlocatie








Achtergrondrapport VTV Technisch deel

1204143-001-GEO-0019, Versie 2, 19 juli 2012, definitief

A-2

Toetsstap 1
Stap 1 uit het toetsschema betreft de vraag of de beschikbare gegevens voldoen aan de
eisen van de checklist. De gegevens moeten inzicht geven op welke eigenschappen de
innovatie ontworpen en uitgevoerd is en of dit voldoet aan de verwachtingen.

Ontwikkeling
Dit onderdeel betreft de onderbouwing van het basisidee van de innovatie en de vaststelling
van de rekenregel voor ontwerp.

nr vraag antwoord
A1 Is de veiligheidsfilosofie conform de eis aan de
waterkeringsveiligheid? In het ontwerp dient
aangetoond te worden dat minimaal voldaan wordt aan
de eis van waterkerendheid. Een toelichting of
verwijzing naar ontwerpleidraden of een verklaring van
geen bezwaar door ENW strekt hierbij tot aanbeveling.
Er kan gesteld worden dat er een veiligheidsfilosofie
beschikbaar is (Bijlsma 2010), gericht op de water-
keringsveiligheid. Het antwoord is dus: J a. De ENW
heeft het echter (nog) niet geaccepteerd, maar daar
gaat de vraag niet expliciet op in.
A2 Zijn er duidelijke criteria gegeven voor de uiterste
grenstoestand (UGT) ten aanzien van waterkerings-
veiligheid? Van belang is hier dat de grens voor falen
van de waterkering aangegeven is. De bruikbaarheids-
grenstoestand (BGT) en de UGT kunnen wel
samenvallen vanuit het perspectief van waterkerings-
veiligheid. Meestal verschillen UGT en BGT omdat in de
BGT ‘ruimte’ zit vanwege andere functies dan veiligheid.
J a: zie Bijlsma (2010).

Ontwerpspecificaties
De specificaties/technische analyse betreft de uitwerking/toepassing van de innovatie voor de
specifieke locatie. De vragen beogen helder te krijgen of de criteria beschikbaar zijn voor
vaststelling van het (verlies van) waterkerend vermogen. De toleranties zijn gebaseerd op de
UGT of BGT (zie vraag A2).

nr vraag antwoord
B1 Is gespecificeerd welke marges en toleranties bij de
aanleg en tijdens de inregelperiode gelden? Dit betreft
toleranties ten aanzien van de afmetingen van het
geheel, dan wel afzonderlijke onderdelen.

J a, zie Boot (2009).
B2 Is gespecificeerd welke marges en toleranties gelden in
de gebruiksfase? Dit betreft de toleranties ten aanzien
van optredende vervormingen of veroudering
gedurende de levensduur.
J a, zie Bijlsma (2010).

Aanleg
Dit onderdeel betreft de aandachtspunten die volgen vanuit de bouw- of aanlegfase. Doel is
te beoordelen op de ‘as-built’-situatie. Dit betreft de verificatie of de as-built situatie nog
voldoet aan de eis van waterkerendheid als bij de aanleg afwijkt van het ontwerp.


1204143-001-GEO-0019, Versie 2, 19 juli 2012, definitief


Achtergrondrapport VTV Technisch deel

A-3

nr vraag antwoord
C1 Is de uitvoering uitgevoerd binnen de gestelde marges
en toleranties van vraag B1? Zo niet, zijn de afwijkingen
verwerkt in de ontwerp- of beheersspecificaties zodat
vastgesteld is dat de as-built situatie voldoet aan de eis
van waterkeringsveiligheid?
J a.

Gebruiksfase
In de gebruiksfase ligt de nadruk op het gebruik van de inspectie en monitoring voor het
vaststellen van het gedrag. De inspectie of monitoring dient ter vaststelling of de
verwachtingen bij het ontwerp gehaald worden. Inspectie of monitoring dient bij toepassing
van een innovatie altijd plaats te vinden aangezien er nog onvoldoende praktijkervaring is met
de waterkerendheid.

nr vraag antwoord
D1 Zijn de resultaten van de monitoring en inspectie binnen
de marges of toleranties uit vraag B2 en C1, of is – in
geval van procesafspraken – geconcludeerd dat het
gedrag acceptabel is?

J a. Er wordt geregeld geïnspecteerd, maar tot nog toe
is het resultaat ervan niet gerapporteerd. Gezien de
vraag is dat kennelijk geen probleem.

Op basis van bovenstaande antwoorden op de vragen moet geconcludeerd worden dat stap
1 wordt afgesloten met een ‘ja’. Daarom moet doorgegaan worden met stap 2. Opgemerkt
moet worden dat gewerkt is met de beschikbaar gestelde documenten. Het is niet uitgesloten
dat er nog meer documenten zijn.

Toetsstap 2
Sinds de aanleg zijn er inderdaad nieuwe inzichten, namelijk dat afschuiving een reëel
mechanisme is als dit systeem wordt toegepast op een dijk waarin geen kleilaag aanwezig is.
In de onderhavige dijk is er wel een kleilaag, dus heeft deze ontwikkeling geen invloed op dit
dijkvak. Op grond daarvan wordt geconcludeerd dat het antwoord op de vraag in deze stap
‘nee’ is, en wordt de toetsing vervolgd met stap 3.

Toetsstap 3
De randvoorwaarden voor het toetsen zijn niet in ongunstige zin veranderd ten opzichte van
de gehanteerde ontwerprandvoorwaarden. Daarom wordt geconcludeerd dat verdergegaan
kan worden met stap 4.

Toetsstap 4
Stap 4 betreft de waarnemingen tijdens inspectie en monitoring en richt zich op de vraag of
het systeem goed functioneert in de praktijk. Sinds de aanleg is er af en toe geïnspecteerd,
waarbij geconstateerd is dat het systeem sindsdien niet verslechterd is. Zover nagegaan kon
worden, is dit echter (nog) nergens gerapporteerd, maar gezien de vraagstelling is dit
kennelijk geen probleem. Deze constatering sluit aan op de verwachtingen in de
ontwerpdocumentatie. Geconcludeerd kan worden dat deze stap afgerond kan worden met
een ‘nee’, waardoor het toetsresultaat ‘goed’ wordt.
1.2 Mi xe d i n p l a ce
In het kader van het project INSIDE heeft het consortium HKR de techniek ‘Mixed in place’
(MIP) ontwikkeld. MIP is een grondstabiliserende techniek waarbij de grond wordt gemengd








Achtergrondrapport VTV Technisch deel

1204143-001-GEO-0019, Versie 2, 19 juli 2012, definitief

A-4

met een geschikt bindmiddel (Fig. A.2). De grond krijgt daardoor verbeterde eigenschappen
(de sterkte neemt toe).


















Figuur A.2 Mixed in Place


In 2009 is in opdracht van het Waterschap Rivierenland een praktijkproef uitgevoerd waar de
techniek in het binnentalud van een primaire waterkering is toegepast. Het doel van de
praktijkproef was o.a. het versterken van de huidige zwakke plek in de waterkering.
Daarnaast diende praktijkervaring en kennisontwikkeling te worden opgedaan.

De praktijkproef is uitgevoerd in het dijktraject bij Dijkpaal AW 171+100 nabij Nieuw Lekker-
land. Tijdens de praktijkproef zijn 2 van de 6 geprojecteerde blokken aangebracht. Dit betreft
de blokken 2 en 5 (Fig. A.3). De blokken 1 en 6 zijn niet gerealiseerd wegens de kans op
schade bij de aanwezige bebouwing. De blokken 3 en 4 zijn niet gerealiseerd omdat een
gasleiding niet tijdig kon worden omgelegd.




Figuur A.3 Bovenaanzicht proefvak
Blok 2 Blok 5


1204143-001-GEO-0019, Versie 2, 19 juli 2012, definitief


Achtergrondrapport VTV Technisch deel

A-5
Voordat de toetsing doorlopen wordt, moet eerst vastgesteld worden of er een geaccepteerde
toetsmethode beschikbaar is. Hoewel er een ontwerpmethode beschikbaar is (CUR 219), zijn
er nog geen toetsregels uitgewerkt speciaal voor deze techniek. Daarom wordt de
beoordeling met toetsstap 1 voortgezet.

Toetsstap 1
Stap 1 uit het toetsschema betreft de vraag of de beschikbare gegevens voldoen aan de
eisen van de checklist. De gegevens moeten inzicht geven op welke eigenschappen de
innovatie ontworpen en uitgevoerd is en of dit voldoet aan de verwachtingen.

Ontwikkeling
Dit onderdeel betreft de onderbouwing van het basisidee van de innovatie en de vaststelling
van de rekenregel voor ontwerp.

nr vraag antwoord
A1 Is de veiligheidsfilosofie conform de eis aan de
waterkeringsveiligheid? In het ontwerp dient
aangetoond te worden dat minimaal voldaan
wordt aan de eis van waterkerendheid. Een
toelichting of verwijzing naar ontwerpleidraden of
een verklaring van geen bezwaar door ENW
strekt hierbij tot aanbeveling.
In CUR 219 is de veiligheidsfilosofie nader
uitgewerkt. In 2010/2011 is een voorstel uitge-
werkt voor een wijziging in de veiligheidsfiloso-
fie voor waterkeringen (gronddijken en bijzonde-
re constructies). Dit betreft ook de veiligheids-
filosofie voor MIP. Het voorstel wordt onder-
steund door ENW-T.

Het antwoord is: ja, de veiligheidsfilosofie is
conform de eis aan de waterkeringsveiligheid.
Echter is niet bekend of de gerealiseerde MIP-
blokken voldoen aan de minimale eisen van
waterkerendheid.
A2 Zijn er duidelijke criteria gegeven voor de
uiterste grenstoestand (UGT) ten aanzien van
waterkeringsveiligheid? Van belang is hier dat
de grens voor falen van de waterkering aange-
geven is. De bruikbaarheidsgrenstoestand
(BGT) en de UGT kunnen wel samenvallen
vanuit het perspectief van waterkerings-
veiligheid. Meestal verschillen UGT en BGT
omdat in de BGT ‘ruimte’ zit vanwege andere
functies dan veiligheid.
J a: De veiligheidsfilosofie en de bijbehorende
ontwerpmethodiek zijn gebaseerd op de uiterste
grenstoestand.

De bruikbaarheidsgrenstoestand is hier niet
beschouwd
1
1
Er is bij de ontwikkeling van de veiligheidsfilosofie binnen INSIDE uitsluitend rekening gehouden met een
benadering voor de uiterste grenstoestand. De vraag of MIP ook voor de bruikbaarheidsgrenstoestand dient
te worden beschouwd, dient nog te worden ingevuld. In principe is MIP een grondverbetering. De vraag of er
vervormingseisen dienen te gelden bij grondconstructies is nog in beweging.

Ontwerpspecificaties
De specificaties/technische analyse betreft de uitwerking/toepassing van de innovatie voor de
specifieke locatie. De vragen beogen helder te krijgen of de criteria beschikbaar zijn voor
vaststelling van het (verlies van) waterkerend vermogen. De toleranties zijn gebaseerd op de
UGT of BGT (zie vraag A2).








Achtergrondrapport VTV Technisch deel

1204143-001-GEO-0019, Versie 2, 19 juli 2012, definitief

A-6


nr vraag Antwoord
B1 Is gespecificeerd welke marges en toleranties bij de
aanleg en tijdens de inregelperiode gelden? Dit betreft
toleranties ten aanzien van de afmetingen van het
geheel, dan wel afzonderlijke onderdelen.
De blokafmetingen zijn vastgesteld op basis van
sterkteberekeningen. Echter is de sterkte van de
verbeterde grond vooraf ingeschat op basis van
praktijkervaringen. Het specificeren van marges en
toleranties zegt dus onvoldoende over de bereikte
sterkte door middel van de grondverbetering. De
bereikte sterkte kon bij de praktijkproef pas worden
vastgesteld na afloop van de praktijkproef.

Het antwoord is: J a, in termen van afmetingen wel,
alleen zegt dit weinig over de bereikte veiligheid.
B2 Is gespecificeerd welke marges en toleranties gelden in
de gebruiksfase? Dit betreft de toleranties ten aanzien
van optredende vervormingen of veroudering
gedurende de levensduur.
Voor wat betreft de toleranties, is het antwoord nee, zie
verder vraag A2 onder ‘Ontwikkeling’. Opgemerkt dient
te worden dat er geen ‘noemenswaardige’
vervormingen worden verwacht tijdens dagelijkse
omstandigheden. Bij MIP wordt pas ‘noemenswaardige’
vervormingen verwacht bij het optreden van hoog water
op de rivier.

Uit onderzoek is gebleken dat de sterkte van gemixed
materiaal (met name veen) waarschijnlijk niet afneemt
gedurende de levensduur van de constructie. Uiteraard
dient dit op termijn te worden gecontroleerd.

Aanleg
Dit onderdeel betreft de aandachtspunten die volgen vanuit de bouw- of aanlegfase. Doel is
te beoordelen op de ‘as-built’-situatie. Dit betreft de verificatie of de as-built situatie nog
voldoet aan de eis van waterkerendheid als bij de aanleg afwijkt van het ontwerp.

nr vraag Antwoord
C1 Is de uitvoering uitgevoerd binnen de gestelde marges
en toleranties van vraag B1? Zo niet, zijn de afwijkingen
verwerkt in de ontwerp- of beheersspecificaties zodat
vastgesteld is dat de as-built situatie voldoet aan de eis
van waterkeringsveiligheid?
Nee, de uitvoering is niet uitgevoerd binnen de gestelde
marges en toleranties. Bij een van de blokken zijn
slechts ca. 80% van de kolommen gerealiseerd. Dit
zegt op zicht zelf weinig over of de situatie voldoet aan
de gestelde eisen. Dit is afhankelijk van de gehaalde
sterkte bij het mixen. Dit dient nog te worden
beoordeeld. Antwoord op de vraag is voorlopig: Nee.

Gebruiksfase
In de gebruiksfase ligt de nadruk op het gebruik van de inspectie en monitoring voor het
vaststellen van het gedrag. De inspectie of monitoring dient ter vaststelling of de
verwachtingen bij het ontwerp gehaald worden. Inspectie of monitoring dient bij toepassing
van een innovatie altijd plaats te vinden aangezien er nog onvoldoende praktijkervaring is met
de waterkerendheid.


1204143-001-GEO-0019, Versie 2, 19 juli 2012, definitief


Achtergrondrapport VTV Technisch deel

A-7

nr vraag antwoord
D1 Zijn de resultaten van de monitoring en inspectie
binnen de marges of toleranties uit vraag B2 en
C1, of is – in geval van procesafspraken –
geconcludeerd dat het gedrag acceptabel is?
Het antwoord op de vraag is deels J a, deels nee.
Inspectie heeft pas zin tijdens en na een
hoogwater periode. Tot nu toe kan dus
gemakkelijk worden geconcludeerd dat het
gedrag acceptabel is. Echter zegt resultaten uit
monitoring en inspectie bij dagelijkse
omstandigheden weinig over het wel of niet
functioneren van de grondverbetering. Een
monitoringsplan bij hoog water is nodig om dit
nader te kunnen invullen. Kennelijk wordt dit niet
belangrijk gevonden. Het antwoord op de vraag
is derhalve: J a.
1.3 D i jk i n du i n
In deze paragraaf is de concepttoetsmethode toegepast op een “Dijk in duin” oplossing te
Noordwijk. Het beschouwde deel van de waterkering is in de derde toetsronde als zwak
aangemerkt, vandaar dat er naar een innovatieve oplossing is gezocht. De innovatieve
oplossing heeft in 2009 het toetsoordeel goed gekregen.

Deze “Dijk in duin” oplossing omvat een primaire waterkering (categorie a) waar een hybride
waterkering is opgebouwd uit een harde kering (dijk met bekleding) met daarvoor een zachte
kering (duin), zie Fig. A.4. Parallel aan de Koningin Wilhelmina Boulevard ligt nu een dijk,
afgedekt door duinen. Daarnaast zijn de duinen van Huis ter Duin tot en met afrit 21 zo’n 42
meter breder gemaakt. De dijk en de nieuwe duinen houden zoveel mogelijk de huidige
duinhoogte aan en gaan geleidelijk over in het bestaande duin. Door de duinverbreding ligt
het strand iets verder weg.

De “Dijk in duin” zorgt ervoor dat de waterkering zeewaarts van de boulevard ligt. De
boulevardbebouwing ligt hierdoor binnendijks. Door de oplossing ‘Dijk in duin’ kunnen de
bouwbeperkingen deels opgeheven worden. Er is daardoor ruimte voor ruimtelijke
ontwikkelingen langs de boulevard.



Figuur A.4 Dwarsdoorsnede over de innovatieve oplossing Dijk in Duin (bron: www.Kustvisie.nl)

Het tracé loopt van rijksstrandpaal 80,75 tot aan rijksstrandpaal 82,25 (zie Fig. 23.5). Deze
hybride dijk is in 2008 opgeleverd. De oplossing maakt deel uit van de boulevard in
Noordwijk.










Achtergrondrapport VTV Technisch deel

1204143-001-GEO-0019, Versie 2, 19 juli 2012, definitief

A-8


Figuur A.5 Locatie innovatieve hybride dijk


De waterkerendheid van de waterkering met de innovatie dient bepaald te worden aan de
hand van de rekenregels zoals gehanteerd in het ontwerp. Het ontwerp is getoetst naar de
methode voorgesteld door Helpdesk Water. Het concept Dijk in Duin is opnieuw berekend
volgens de nu geldende voorschriften en richtlijnen (TRDA2006, Steentoets2008 en
DurosTA).

Omdat de oplevering in 2008 heeft plaats gevonden zijn alleen de jaren 2008 en 2009
geanalyseerd. Er is op basis van deze jaren een voorspelling gemaakt naar het jaar 2011.
Om een oordeel te kunnen geven over het gedrag is monitoring en inspectie noodzakelijk. Dit
is in het aangeboden rapport nog niet goed uitgewerkt. Wel wordt voorgesteld om het verloop
van de kustlijn te monitoren (MKL). De toetsing betrof afslagberekeningen, overslag
berekeningen, de steenzetting en de achterloopsheid van de aansluiting van de innovatie met
het bestaande duin ten noorden en zuiden hiervan.

In hoofdstuk 2 (Veiligheidstoetsing Noordwijk) wordt een werkwijze aangegeven die door de
Helpdesk Water is voorgesteld. Deze werkwijze is gevolgd bij het toetsen van dit deel van de
waterkering. Door Alkyon is deze werkwijze in grote lijnen overgenomen. Op een aantal
punten is de voorgestelde aanpak aangevuld of gewijzigd, dit is in bovengenoemd rapport
aangegeven. Omdat er geen vigerende rekenregels zijn en de vigerende rekenregels niet
toepasbaar zijn, is de beoordeling als innovatie nodig en wordt het toetsschema, stap 1 t/m 4,
worden doorlopen.

Toetsstap 1
Stap 1 uit het hernieuwde toetsschema betreft de vraag naar de onderbouwing van het
basisidee van de innovatie en de vaststelling van de rekenregel voor ontwerp.

Ontwikkeling
Dit onderdeel betreft de onderbouwing van het basisidee van de innovatie en de vaststelling
van de rekenregel voor ontwerp.



1204143-001-GEO-0019, Versie 2, 19 juli 2012, definitief


Achtergrondrapport VTV Technisch deel

A-9
nr vraag antwoord
A1 Is de veiligheidsfilosofie conform de eis aan de waterkeringsveiligheid? In het
ontwerp dient aangetoond te worden dat minimaal voldaan wordt aan de eis
van waterkerendheid. Een toelichting of verwijzing naar ontwerpleidraden of
een verklaring van geen bezwaar door ENW strekt hierbij tot aanbeveling.
J a, in overleg met
Helpdesk Water .
Hoofdstuk 2.1
A2 Zijn er duidelijke criteria gegeven voor de uiterste grenstoestand (UGT) ten
aanzien van waterkeringsveiligheid? Van belang is hier dat de grens voor falen
van de waterkering aangegeven is. De bruikbaarheidsgrenstoestand (BGT) en
de UGT kunnen wel samenvallen vanuit het perspectief van
waterkeringsveiligheid. Meestal verschillen UGT en BGT omdat in de BGT
‘ruimte’ zit vanwege andere functies dan veiligheid.
J a, Hoofdstuk 3.

Ontwerpspecificaties
De specificaties/technische analyse betreft de uitwerking / toepassing van de innovatie voor
de specifieke locatie. De vragen beogen helder te krijgen of de criteria beschikbaar zijn voor
vaststelling van het (verlies van) waterkerend vermogen. De toleranties zijn gebaseerd op de
UGT of BGT (zie vraag A2).

nr vraag antwoord
B1 Is gespecificeerd welke marges en toleranties bij de aanleg en tijdens de inregelperiode
gelden? Dit betreft toleranties ten aanzien van de afmetingen van het geheel, dan wel
afzonderlijke onderdelen.
J a, Hoofdstuk 3.
B2 Is gespecificeerd welke marges en toleranties gelden in de gebruiksfase? Dit betreft de
toleranties ten aanzien van optredende vervormingen of veroudering gedurende de
levensduur
J a, Hoofdstukken 3,
4 en 5.
.
Aanleg
Dit onderdeel betreft de aandachtspunten die volgen vanuit de bouw- of aanlegfase. Doel is
te beoordelen op de ‘as-built’-situatie. Dit betreft de verificatie of de as-built situatie nog
voldoet aan de eis van waterkerendheid als bij de aanleg afwijkt van het ontwerp.


nr vraag antwoord
C1 Is de uitvoering uitgevoerd binnen de gestelde marges en toleranties van vraag B1? Zo
niet, zijn de afwijkingen verwerkt in de ontwerp- of beheersspecificaties zodat vastgesteld is
dat de as-built situatie voldoet aan de eis van waterkeringsveiligheid?
J a.

Gebruiksfase
In de gebruiksfase ligt de nadruk op het gebruik van de inspectie en monitoring voor het
vaststellen van het gedrag. De inspectie of monitoring dient ter vaststelling of de
verwachtingen bij het ontwerp gehaald worden. Inspectie of monitoring dient bij toepassing
van een innovatie altijd plaats te vinden aangezien er nog onvoldoende praktijkervaring is met
de waterkerendheid.

Hierbij kan gekozen worden voor een vooraf opgesteld inspectie en monitoringsplan, of
procesafspraken ten aanzien van monitoring en inspectie. Procesafspraken zijn nodig, indien
nog niet op voorhand aan te geven is welke aspecten gecontroleerd dienen te worden.
Procesafspraken dienen ten minste in te gaan op de verantwoordelijke instantie en de wijze
waarop de uitkomsten van monitoring en inspectie worden verwerkt.








Achtergrondrapport VTV Technisch deel

1204143-001-GEO-0019, Versie 2, 19 juli 2012, definitief

A-10


nr vraag antwoord
D1 Zijn de resultaten van de monitoring en inspectie binnen de marges of
toleranties uit vraag B2 en C1, of is – in geval van procesafspraken –
geconcludeerd dat het gedrag acceptabel is?
J a, Hoofdstuk 6. Meetreeksen voor
monitoring zijn kort (2 jaar). Wel
aanbeveling om monitoring voort te
zetten.

Toetsstap 2
De resultaten van toetsstap 1 (goede gegevens) leiden naar toetsstap 2 (geen aanscherping
van de methode). Er is een nieuwe opzet gemaakt volgend uit het overleg tussen het
Hoogheemraadschap van Rijnland en Helpdesk Water en aangevuld door inzichten van
Alkyon, dus vanuit stap 2 wordt doorverwezen naar stap 3 (onveranderde randvoorwaarden)

Toetsstap 3
Toetsstap 3 gaat in op de randvoorwaarden. De randvoorwaarden zijn niet in ongunstige zin
veranderd. Er kan dus overgegaan worden naar toetsstap 4 (goed gedrag).

Toetsstap 4
In toetsstap 4 wordt gekeken naar het gedrag in deze innovatie. In het rapport wordt een
meetreeksgebruik van 2 jaar. Op locatie RSP 81,75 is er sprake van een afnemende tendens
tussen MLK (momentane kustlijn) en BLK (Basis kust Lijn) (tabel 3.1 uit rapport).
Geadviseerd wordt om de monitoring van MLK voort te zetten. Hoewel het waargenomen
gedrag binnen de toegestane marges valt, is er een tendens nabij RSP 81,75 dat de
aanwezige reserve tussen MKL en BKL kleiner wordt. Op basis van dit gedrag zal een
geavanceerde toetsing volgens stap 5 bij de volgende toetsing noodzakelijk blijken.






1204143-001-GEO-0019, Versie 2, 19 juli 2012, definitief


Achtergrondrapport VTV Technisch deel

B-1
B Rekenvoorbeeld Toets op maat
Algemeen
Voor een dijktraject worden de kosten voor versterking begroot op 320 m (lengte traject) x €
400 =€ 128.000,--. De kosten voor een geavanceerde analyse bedragen € 25.000,--

Indien voor dit traject wél een geavanceerde analyse wordt uitgevoerd, bedragen de kosten in
ieder geval € 25.000,-- maar de kans is voor 20% aanwezig (zij het heel grof) dat toch zal
moeten worden versterkt. Gemiddeld genomen mag derhalve worden verwacht dat de kosten
€ 51.000,-- zullen bedragen (25.000,-- +(100%-80%)/100% * 128.0000,--). Opgemerkt wordt
dat voor een goed vergelijk van de kosten in Tabel B.1 bij ‘verwachting totale kosten indien
geavanceerde analyse’ rekening is gehouden met een gedeelte van de kosten voor verster-
king.

verwachting totale kosten indien verwachting totale kosten versterking
Geavanceerde analyse, TK(GA)
indien geen geavanceerde analyse,
TK(DV)
verwachting kosten totale hoeveelheid prijs totale
kans op onderzoek kosten resultaats- per kosten
succes 1) versterking verplichting eenheid versterking
[%] [k€] [k€] [m] [k€] [k€]
80 (±20) 25 51 (±26) 320 0.4 128
1) Bandbreedte van de gegeven kans op succes is circa +of - 20 %
Tabel B.1 Voorbeeld KBA Geavanceerde analyse

Inschatten kans op succes
De kans op succes van het onderzoek is een belangrijke parameter in de KBA. In veel
gevallen zal de uitvoerende partij, bijvoorbeeld het ingenieursbureau dat later de geavan-
ceerde analyse gaat uitvoeren, als een van de weinigen in staat zijn een schatting van de
kans op succes te maken. Hierdoor komt enige subjectiviteit in de beschouwing. Dit hoeft
geen probleem te zijn. Wanneer een geavanceerde analyse wordt afgewogen tegenover een
ingrijpende dijkverbetering zal in veel gevallen de kans op succes weinig invloed hebben op
het resultaat. Kosten van de dijkversterking zijn dan vele mate groter dan de kosten van de
geavanceerde analyse en zelfs bij een kleine kans van slagen kan het voorgestelde
onderzoek nog kosteneffectief zijn. Als de kosten van de geavanceerde analyse dezelfde
orde van grootte hebben als de opbrengstverwachting wordt het schatten van de succeskans
belangrijker.

Afhankelijk van de situatie zijn er verschillende mogelijkheden waarmee de succeskans kan
worden ingeschat. Als eerste kan de succeskans worden gebaseerd op projecten uit het
verleden. Een andere optie is het vaststellen van de benodigde verbetering in grondeigen-
schappen. Vervolgens kan met behulp van enige geo-statistiek een inschatting worden
gemaakt in hoeverre deze verbetering ook daadwerkelijk kan worden bewerkstelligd. Indien
geen andere opties beschikbaar zijn, zal op basis van een expert judgement een kans
moeten worden bepaald. In cruciale gevallen kan hier een second opinion worden gevraagd.
Tot slot kan een gevoeligheidsanalyse worden uitgevoerd. In dat geval kan worden nagegaan
binnen welke range van kans op succes het uitvoeren van het geavanceerd onderzoek
kosten-effectief is.








Achtergrondrapport VTV Technisch deel

1204143-001-GEO-0019, Versie 2, 19 juli 2012, definitief

B-2


Bepaling kosten verbeteringsmaatregel
In veel gevallen zullen de kosten van een verbeteringsmaatregel (nog) niet bekend zijn op het
moment dat de KBA wordt uitgevoerd. Het is niet de bedoeling dat in deze fase van de
toetsing een uitgebreide prijsopgaaf wordt opgesteld. In veel gevallen zullen bij de dijkbe-
heerder kosten van eerder uitgevoerde dijkverbeteringen bekend zijn. Het zou van belang
kunnen zijn rekening te houden met het verschil in prijspeil ten tijde van de uitvoering van de
dijkverbetering en het moment van uitvoeren van de KBA. Indien dergelijke bedragen niet
bekend zijn, kan contact worden gezocht met de Helpdesk Water.

Houdbaarheid eindoordeel
Afhankelijk van de situatie zal in voorkomende gevallen een waterkering die pas na het
uitvoeren van de geavanceerde analyse is goedgekeurd niet ruim aan de criteria voldoen. De
kans bestaat dat na een kleine wijziging in de (hydraulische) randvoorwaarden in een
volgende toetsronde de waterkering alsnog wordt afgekeurd. Dit kan worden meegenomen in
de KBA middels (tijdelijke) besparingen (renteopbrengsten) die het uitstellen van een dijkver-
betering verantwoorden.

Uitvoering KBA als waterkering reeds op een ander toetsspoor is afgekeurd
Voor elk toetsspoor dient het toetsproces volledig te worden doorlopen ook als op een ander
spoor reeds de score “voldoet niet” is toegekend. Het oordeel van de overige toetssporen
heeft dan geen invloed meer op het eindoordeel, maar geeft wel beter inzicht in de benodigde
dijkverbetering. In de KBA kan dit eenvoudig worden meegenomen door in de baten niet de
kosten van de dijkverbetering op te nemen, maar de meerkosten van de dijkverbetering die
eventueel bespaard kunnen worden met behulp van het geavanceerde onderzoek.

Rapportage beëindiging toetsing
Indien de toetsing niet met een toegekend eindoordeel wordt beëindigd, maar via de
stopcriteria, dient het gevolgde proces eenduidig te worden vastgelegd. Conform de reguliere
toetsresultaten dient ook een beëindiging via de stopcriteria te worden voorgelegd aan de
toezichthouder.

In de rapportage dienen alle gevolgde stappen te worden beschreven. Indien de toetsing is
beëindigd bij het ontbreken van toetsmethoden dan dient te worden vastgelegd:
Waarom een geavanceerde analyse niet tot een ander oordeel zal leiden.
Hoe de inventarisatie van de geavanceerde analysemethoden is verlopen.
Welke inspanning is gepleegd om dit overzicht compleet te krijgen.

Indien via een KBA de toetsing wordt beëindigd dient te worden vastgelegd:
Welke toetsmethoden zijn overwogen.
Hoe de kansen op succes zijn ingeschat.
Hoe de kosten op verbetering zijn ingeschat.
Hoe de kosten van het onderzoek zijn ingeschat.
Inventarisatie van alternatieve methoden die eventueel wel kosteneffectief zouden
zijn.




1204143-001-GEO-0019, Versie 2, 19 juli 2012, definitief


Achtergrondrapport VTV Technisch deel

C-1
C Integratie Toetsinstrumentari um c-keringen in WTI-2011
Bijlage C is een stand-alone rapport en behandelt het volgende. Tijdens de 3
de
toetsronde zijn
het Addendum bij het Voorschrift Toetsen op Veiligheid cat.c-keringen en het Addendum bij
de Hydraulische Randvoorwaarden voor de cat.c-keringen voltooid. Beide Addenda dienen te
worden opgenomen in het Wettelijk Toetsinstrumentarium voor de 4
de
toetsronde (WTI-2011).
Dit rapport beschrijft de resultaten van verschillende verificaties in het kader van de integratie
van het Addendum op het VTV betreffende de c-keringen (VTV-C2006) in het WTI-2011.
Deze bijlage wordt separaat toegevoegd.

De Inhoudsopgave van “Integratie Toetsinstrumentarium c-keringen in WTI-2011” bestaat uit
de volgende hoofdstukken en bijlagen

1) Inleiding
2) Standzekerheid voorliggende regionale kering
3) Erosie bodem van voorliggende watersystemen
4) Erosie voorland direct voor c-kering
5) Beperking strijklengte door voorliggende kering

Bijlage 1.1 Casus Boezemkade Noord Holland
Bijlage 1.2 Casus gekanaliseerde Hollandse IJ ssel
Bijlage 1.3 Uitgangspunten gevoeligheidsanalyse
Bijlage 2 Aansluiting c-kering op waterkering voorliggende dijkringgebied
Bijlage 3 Aansluiting dijkringscheidende c-keringen op voorliggende dijkringgebied
Bijlage 4 Analyse stroomsnelheden tijdens dijkdoorbraken






1204143-001-GEO-0019, Versie 2, 19 juli 2012, definitief


Achtergrondrapport VTV Technisch deel

D-1
D Kunstwerken
In deze studie zal worden ingegaan op de beoordeling van de kunstwerken. Het doel is het
terugbrengen van het percentage ‘geen oordeel’ voor de kunstwerken. Om dit doel te
bereiken is door Arcadis onderzocht wat de oorzaak is van het niet kunnen geven van een
oordeel. Op basis van de bevindingen is een plan van aanpak opgesteld voor het verbeteren
van het toetsinstrumentarium door het invullen van de witte vlekken. Op hoofdlijnen bestaat
de aanpak van de witte vlekken uit:
Het beschikbaar maken van informatie aan de beheerder over de benodigde infor-
matie voor het toetsen en de mogelijkheden voor inwinning van informatie (Witte Vlek
1).
Het toelichten, aanpassen en waar mogelijk vereenvoudigen van het toetsrecept voor
betrouwbaarheid sluiting (Witte Vlek 2).
Het geven van uitgewerkte voorbeelden van toetsingen van kunstwerken.

Deze bijlage wordt separaat toegevoegd.

Bijlage D kent drie rapportages
1) Invulling witte vlekken kunstwerken “witte vlek 1 gebrek aan informatie”
2) Invulling witte vlekken kunstwerken “witte vlek 2 betrouwbaarheid sluiting”
3) Invulling witte vlekken kunstwerken “voorbeeldenboek”




















INVULLING WITTE VLEKKEN KUNSTWERKEN
WITTE VLEK 1 GEBREK AAN INFORMATIE

DELTARES
DRS M.W.J. HULST















19 februari 2010
074373219:B
C02021.000042

INVULLING WITTE VLEKKEN KUNSTWERKEN
074373219:B ARCADIS 2
Inhoud
1 Inleiding ____________________________________________________________________ 4
1.1 Achtergrond _____________________________________________________________ 4
1.2 Doelstelling en afbakening _________________________________________________ 4
1.3 Werkwijze _______________________________________________________________ 5
2 Checklist benodigde informatie _______________________________________________ 6
2.1 Inleiding_________________________________________________________________ 6
2.2 Positie in het VTV ________________________________________________________ 6
2.3 toelichting op de checklist _________________________________________________ 7
3 Methoden voor gegevensinwinning___________________________________________ 8
3.1 Inleiding_________________________________________________________________ 8
3.2 Analyse _________________________________________________________________ 8
3.3 Overwegingen __________________________________________________________ 10
3.3.1 Wat zijn relevante faalmechanismen__________________________________ 10
3.3.2 Zijn alle beschikbare gegevensbronnen gebruikt ________________________ 12
3.3.3 Welk soort onderzoek past bij het gewenste resultaat.___________________ 12
3.3.4 Wegen de onderzoekskosten op tegen herstelmaatregelen_______________ 13
3.4 Methoden voor gegevensinwinning_________________________________________ 13
3.4.1 Gegevensinwinning toetsspoor STCG_________________________________ 14
3.4.2 Gegevensinwinning toetsspoor STCO_________________________________ 18
3.4.3 Gegevensinwinning Toetsspoor STPH _________________________________ 21
3.4.4 Opmerkingen bij methoden voor gegevensinwinning____________________ 24
3.5 Stowa database kenmerken historische kunstwerken __________________________ 25
4 Richtlijnen voor beheer van informatie _______________________________________ 26
4.1 Inleiding________________________________________________________________ 26
4.2 Beschrijving VNK-2 Kunstwerkentool________________________________________ 26
4.3 Evaluatie VNK-2 Kunstwerkentool __________________________________________ 28
4.4 aanbevelingen __________________________________________________________ 29
5 Meervoudig beheer van kunstwerken ________________________________________ 32
5.1 Inleiding________________________________________________________________ 32
5.2 Tekstvoorstel meervoudig beheer kunstwerken _______________________________ 32
5.3 Positie in het VTV ________________________________________________________ 34
6 Toetsprocedure opstellen plan van aanpak____________________________________ 35
6.1 Inleiding________________________________________________________________ 35
6.2 Voorstel aanpassing Katern 2 ______________________________________________ 35
6.3 Voorstel aanvulling Katern 2 en 3 __________________________________________ 36
6.4 Voorstel aanvulling Katern 5 tot en met 10 __________________________________ 39
Bijlage 1 Literatuurlijst__________________________________________________________ 40
INVULLING WITTE VLEKKEN KUNSTWERKEN
074373219:B ARCADIS 3
Bijlage 2 Checklist benodigde informatie __________________________________________ 41
Bijlage 3 Onderzoeksmethoden materiaalonderzoek ________________________________ 52
Bijlage 4 Onderzoeksmethoden niet zichtbare constructie- onderdelen _________________ 57
Bijlage 5 Presentatie Technieken voor inspectie en veldonderzoek _____________________ 59
Bijlage 6 Inhoud kunstwerkentool ________________________________________________ 60
Bijlage 7 Evaluatie volledigheid kunstwerkentool VNK2 ______________________________ 64
Bijlage 8 Kunstwerken in PC-ViNK________________________________________________ 68

Colofon _______________________________________________________________________ 71

INVULLING WITTE VLEKKEN KUNSTWERKEN
074373219:B ARCADIS 4
HOOFDSTUK
1 Inleiding
1.1 ACHTERGROND
De Wet op de waterkeringen schrijft sinds 1996 een vijfjaarlijkse toetsing voor, waarin de
per dijkringgebied aanwezige veiligheid tegen overstromen wordt getoetst aan de norm die
in de wet is vastgelegd. Op dit moment zijn twee toetsrondes verstreken en wordt de derde
toetsronde (2006 – 2011) uitgevoerd. In de Landelijke Rapportage Toetsing 2006 (LRT 2006)
zijn de resultaten van de tweede toetsing samengevat en toegelicht. De resultaten van de
toetsing van de a- en b-keringen zijn in de onderstaande figuren samengevat.

Een deel van de waterkeringen is beoordeeld als ‘geen oordeel’. Voor dijken en duinen is
32% op ‘geen oordeel’ gezet. Van alle kunstwerken zijn 459 kunstwerken (49%) beoordeeld
als ‘geen oordeel’.

1.2 DOELSTELLING EN AFBAKENING
In deze studie zal worden ingegaan op de beoordeling van de kunstwerken. Het doel is het
terugbrengen van het percentage ‘geen oordeel’ voor de kunstwerken. Om dit doel te
bereiken is door ARCADIS onderzocht wat de oorzaak is van het niet kunnen geven van een
oordeel. Op basis van de bevindingen is een plan van aanpak [lit. 1] opgesteld voor het
verbeteren van het toetsinstrumentarium door het invullen van de witte vlekken. Op
hoofdlijnen bestaat de aanpak van de witte vlekken uit:
Het beschikbaar maken van informatie aan de beheerder over de benodigde informatie
voor het toetsen en de mogelijkheden voor inwinning van informatie (Witte Vlek 1);
Het toelichten, aanpassen en waar mogelijk vereenvoudigen van het toetsrecept voor
betrouwbaarheid sluiting (Witte Vlek 2);
Het geven van uitgewerkte voorbeelden van toetsingen van kunstwerken.

In deze rapportage zal worden ingegaan op Witte Vlek 1 Gebrek aan informatie. Het betreft
het uitwerken van de in het plan van aanpak voorgestelde oplossingen voor het invullen
van de Witte Vlek 1. De uitwerking van Witte Vlek 2 en de voorbeelden van toetsingen zijn
in separate rapportages beschreven.
Figuur 1.1
Resultaten toetsing a- en b-
keringen
INVULLING WITTE VLEKKEN KUNSTWERKEN
074373219:B ARCADIS 5
1.3 WERKWIJZE
In het plan van aanpak zijn voor het invullen van Witte Vlek 1 de volgende
oplossingrichtingen geïdentificeerd:
1. Opstellen van een checklist van benodigde informatie;
2. Opstellen van een document met richtlijnen voor risicoanalyse;
3. Opstellen van een document met methoden voor gegevenswinning;
4. Opstellen van een document met richtlijnen voor opslag, beheer en ontsluiten van
informatie;
5. Opstellen van een korte tekst over toetsen van een kunstwerk in de situatie van
meervoudig beheer;
6. Opstellen van een toetsprocedure met verplichting tot opstellen van een plan van aanpak
in geval van ‘geen oordeel’.

In deze rapportage worden de oplossingsrichtingen 1, 3, 4, 5 en 6 uitgewerkt.
Oplossingsrichting 2 wordt vooralsnog niet nader uitgewerkt. Dit onderdeel wordt mogelijk
in een breder verband verder uitgewerkt, waarbij niet alleen het verzamelen van informatie
benodigd voor de risicoanalyse maar ook de toetsing wordt betrokken.


INVULLING WITTE VLEKKEN KUNSTWERKEN
074373219:B ARCADIS 6
HOOFDSTUK
2 Checklist benodigde
informatie
2.1 INLEIDING
Bij het uitvoeren van een toetsing van een kunstwerk is één van de eerste stappen het
verzamelen van de gegevens. De hoeveelheid benodigde informatie en het detailniveau van
de informatie hangt onder andere af van het type kunstwerk en het niveau van toetsing
(eenvoudig, gedetailleerd en geavanceerd). In de huidige VTV staat summier aangegeven
welke gegevens nodig zijn. Dit staat vaak tussen de toetsregels aangegeven en is niet
overzichtelijk in een lijst opgenomen.

Om het proces van gegevensverzameling te verduidelijken is een checklist opgesteld waarin
per toetsspoor is aangegeven welke informatie nodig is. Het doel van deze checklist is de
beheerder of toetser snel inzicht te verschaffen in de informatiebehoefte. De beheerder kan
op basis van deze informatie verschillende acties in gang zetten, zoals:
Het zelf nader onderzoeken van archieven e.d. om het dossier over het object compleet te
maken;
Identificeren op welke punten informatie onvoldoende is. Eventueel kan de inwinning
van deze informatie onderdeel kan worden gemaakt van een uitbesteding van de
toetsing;
Het beschikbare dossier met gegevens inzichtelijk maken en bij uitbesteding van de
toetsing de eis stellen dat de informatie op het niveau van de checklist moet worden
gebracht.

In dit hoofdstuk wordt ingegaan op de checklist zelf. In hoofdstuk 3 van dit rapport wordt
een handreiking gegeven met die technieken die kunnen helpen bij het verzamelen van
ontbrekende gegevens en het gebruik van de Stowa database. Deze database bevat
belangrijke kenmerken van een groot aantal (historische) waterkerende kunstwerken en een
groot spectrum aan gegevens welke nuttig kunnen zijn bij het doorlopen van een VTV toets.

2.2 POSITIE IN HET VTV
De toetsing van waterkerende kunstwerken wordt behandeld in Katern 7 van de VTV2006.
In hoofdstuk 1 van dit katern wordt in paragraaf 1.2 de beschikbaarheid van informatie als
aandachtspunt genoemd. Ook in hoofdstuk 4 worden vier soorten gegevens genoemd.
Voorgesteld wordt de checklist via de site van de Helpdesk Water beschikbaar te stellen. In
hoofdstuk 1 en 4 kan dan verwezen worden de site van de Helpdesk.

INVULLING WITTE VLEKKEN KUNSTWERKEN
074373219:B ARCADIS 7
De checklist is opgesteld als hulpmiddel bij de toetsing van kunstwerken. In de toekomst
kan de lijst uitgebreid worden met de benodigde informatie voor de toetsing van de overige
types waterkering.

2.3 TOELICHTING OP DE CHECKLIST
In Bijlage 2 is de checklist opgenomen. Per toetsspoor is een overzicht gemaakt. Het betreft
de toetssporen conform de VTV2006 te weten:
Hoogte (HT) van de constructie en de afsluitmiddelen;
Stabiliteit en sterkte (ST) van de constructie en de waterkerende, onderverdeeld in:
- Stabiliteit van constructie en grondlichaam (STCG);
- Sterkte van (waterkerende) constructieonderdelen (STCO);
- Piping en heave (STPH);
- Stabiliteit van het voorland (STVL);
Betrouwbaarheid sluiting (BS).

Verder is per toetsniveau (eenvoudig, gedetailleerd en geavanceerd) aangegeven welke
informatie nodig is. Hoewel de uitwerking van de geavanceerde toetsing niet omschreven is
in het VTV, is de geavanceerde toetsing wel opgenomen in het overzicht. De kanttekening
hierbij is dat de informatie op dit punt niet volledig is, maar wel een goede indicatie geeft
van wat nodig is. De informatie die nodig is voor de geavanceerde toetsing is grotendeels
dezelfde informatie die nodig is voor de gedetailleerde toetsing. De aanvullende informatie
die nodig is hangt af van de wijze waarop de geavanceerde toetsing wordt uitgevoerd en is
locatie specifiek.

De ervaring is dat op zeer diverse wijze de informatie is gerapporteerd. De inhoud van
bijvoorbeeld een beheersplan of ontwerprapportage verschilt van kunstwerk tot kunstwerk.
Ter verduidelijking is daarom daar waar nodig een toelichting gegeven en gespecificeerd
welke informatie nodig is.



INVULLING WITTE VLEKKEN KUNSTWERKEN
074373219:B ARCADIS 8
HOOFDSTUK
3 Methoden voor
gegevensinwinning
3.1 INLEIDING
De laatste decennia zijn de technieken voor onderzoek uitgebreid en verfijnd. Met de
huidige technologie kan vaak een heel breed scala aan gegevens worden achterhaald. Het
doel van dit hoofdstuk is om een handreiking te geven met die technieken die kunnen
helpen bij het verzamelen van ontbrekende gegevens in het kader van toetsing van
kunstwerken aan de VTV.

Allereerst zal in paragraaf 3.2 worden ingezoomd op het nut en de noodzaak van
gegevensinwinning in het veld. Paragraaf 3.3 zoomt in op het spectrum aan gegevens dat
vaak ontbreekt voor het toetsen aan de VTV. In de paragraaf 3.4 wordt op basis van de
deeltoetssporen binnen de sterktetoets een analyse gemaakt van welke specifieke gegevens
vaak ontbreken indien bestek of tekening niet voorhanden is. Per deeltoetsspoor worden
handreikingen gegeven voor onderzoeksmethoden om ontbrekende gegevens in het veld te
bepalen. Hierbij is gebruik gemaakt van overzichtelijke tabellen. Voor het toetsspoor STPH
is gebruik gemaakt van de rapportage “SBW Piping kunstwerken” van Deltares.

In bijlage 3 en 4 zijn in tabelvorm op dit moment relevante vormen van materiaalonderzoek
en onderzoek naar niet zichtbare delen van een constructie kort beschreven, waarbij is
geredeneerd vanuit de VTV toetsen. Het betreft derhalve geen overzicht van alle
onderzoeksmethoden. Het werkelijke scala aan onderzoeksmethoden is vele malen groter,
maar levert niet altijd de gewenste gegevens op in relatie tot toetsing in het kader van de
VTV.

3.2 ANALYSE
In deze paragraaf wordt middels een korte analyse per deeltoetsspoor afgebakend in welk
spectrum de witte vlekken in de gegevens zich bevinden.

Uit een analyse van de toetsoordelen welke met “geen oordeel” zijn aangemerkt is op te
maken dat het in veel gevallen het toetsspoor Stabiliteit & Sterkte betreft waar de gegevens
daadwerkelijk ontbreken. Dit is een logisch gevolg van het feit dat juist oude tekeningen,
berekeningen of bestekken ontbreken in de documentatie van een object. De toetssporen HT
en BS zijn in veel mindere mate afhankelijk van deze gegevens.

In onderstaande figuur is in het hoofdschema voor de beoordeling van waterkerende
kunstwerken afgebakend welke hoofd- en deelsporen dit zijn.
INVULLING WITTE VLEKKEN KUNSTWERKEN
074373219:B ARCADIS 9


Als gekeken wordt naar het beoordelingsschema voor de stabiliteit van kunstwerken en we
nemen als uitgangspunt dat tekeningen en constructieberekeningen van een object
ontbreken, dan betekent dit dat de toetsstappen 1 (eenvoudige toetsing) en 2 (gehanteerde
ontwerpmethode) van het toetsspoor sterkte niet kunnen worden doorlopen. Immers, het is
niet aantoonbaar dat de constructie conform de vigerende leidraden (of gelijkwaardig) is
ontworpen. Voor deze objecten moet in elk geval een gedetailleerde of geavanceerde toets
op sterkte en stabiliteit worden doorlopen (stap 3 of 4). Dit betekent dus een herberekening
van de hoofdbezwijkmechanismen van het object. Dit is in het volgende
beoordelingsschema voor stabiliteit en sterkte schematisch weergeven.

Afbakening hoofd
en deelsporen met
“Geen oordeel”
INVULLING WITTE VLEKKEN KUNSTWERKEN
074373219:B ARCADIS 10


In paragraaf 3.4 wordt per deel toetsspoor een nadere analyse gemaakt van de mogelijk
ontbrekende gegevens.

3.3 OVERWEGINGEN
Het uitvoeren van onderzoek ‘in het veld’ kan op vele manieren. Van het eenvoudig in kaart
brengen van de constructieopbouw tot aan onderzoek met zeer specialistische apparatuur.
De kosten voor onderzoek ‘in het veld’ kunnen uiteenlopen van enkele honderden euro’s tot
aan vele duizenden of tienduizenden euro’s. Het uitvoeren van onderzoek naar alle
onbekende gegevens van de constructie kan dan ook leiden tot een enorme investering aan
onderzoekskosten. Altijd dient men zich af te vragen of de investering voor ‘onderzoek in
het veld’ lonend is ten opzichte van het verwachte resultaat.

Voordat wordt geïnvesteerd in onderzoeken welke de complete constructieopbouw van een
kunstwerk in kaart brengen, verdient het aanbeveling eerst ter dege het nut en de noodzaak
van onderzoeken af te wegen. Vragen die men zich moet stellen zijn:
1. Wat zijn de relevante faalmechanismen;
2. Zijn alle beschikbare gegevensbronnen gebruikt;
3. Welk soort onderzoek past bij het gewenste resultaat;
4. Wegen de onderzoekskosten op tegen herstelmaatregelen.

In onderstaande paragrafen zijn deze vraagstellingen toegelicht.
3.3.1 WAT ZIJN RELEVANTE FAALMECHANISMEN
Waterkerende kunstwerken bevinden zich vaak in een situatie waarbij zij slechts voor een
zeer beperkt gedeelte van hun tijd tot het uiterste worden belast. Deze situaties doen zich
Historische kunstwerken,
ontwerpdocumenten
ontbreken: Toetsstappen
niet van toepassing.
Voor deze toetsstappen
is (gedeeltelijke)
herberekening nodig.
Gegevens inwinnen
noodzakelijk.
INVULLING WITTE VLEKKEN KUNSTWERKEN
074373219:B ARCADIS 11
voor bij extreme waterstanden die enkele keren per jaar of soms slechts enkele keren in hun
levensduur voorkomen.

In het algemeen kan voor de oudere kunstwerken worden gesteld dat de faalmechanismen
die voortkomen uit de dagelijkse (rustende) belastingssituatie veelal vanuit het principe
van “bewezen sterkte” kunnen worden onderbouwd. Immers de constructie is al decennia
lang in staat gebleken deze belastingen te weerstaan. Uitgangspunt is natuurlijk wel dat de
kwaliteit van de materialen niet structureel is afgenomen en er geen tekenen zijn van grote
deformaties.

Van belang voor toetsing aan de veiligheid in extreme situaties (hoge waterstand) zijn de
faalmechanismen die een vrijwel directe relatie hebben met de per toetsperiode wisselende
buitenwaterstand / golfhoogte. Het volgende praktijkvoorbeeld wordt gebruikt ter
illustratie:

Funderingspalen van een sluiskolk worden permanent belast met het eigenwicht van de
constructie bij een vrijwel constante grondwaterstand. In een extreme situatie met hoge
waterstanden tegen het buitenhoofd zal lokaal de grondwaterstand achter de sluiskolk stijgen
en een nieuwe freatische lijn door het grondlichaam aannemen. Een verhoging van de
grondwaterstand betekent een verlaging van de korrelspanning. Effectief zal de sluiskolk een
groter opdrijvend effect ervaren waardoor het gewicht op de fundatie afneemt. Als de
funderingspalen van de kolk al decennia lang in staat zijn het eigen gewicht te dragen, en in
een extreme situatie alleen maar minder worden belast, kan dit faalmechanisme met
“voldoende” worden beoordeeld. In dit kader heeft een fundatieonderzoek geen toegevoegde
waarde voor de VTV toets.
Hoewel trekpalen in oude constructies zelden voorkomen (vroeger werd veel meer vertrouwd
op gewichtsconstructies) is een trekpaal een valkuil in deze beschouwing. Op trekbelaste palen
zullen door de gewichtsvermindering alleen maar meer trek moeten gaan afdragen omdat de
eigengewichtscomponent afneemt. Hier neemt de belasting dus toe. In dit specifieke geval
heeft onderzoek wel toegevoegde waarde.

Ook kan worden gekeken naar alternatieve methoden van krachtsafdracht waardoor op een
meer beschouwende wijze wordt onderbouwd of een constructie nog voldoet. Het volgende
praktijkvoorbeeld wordt gebruikt ter illustratie:

De horizontale stabiliteit (afdracht waterdruk) van een object op het toetsspoor STCG kan vaak
door toekenning van geringe wrijvingsweerstand tussen grond en constructie positief worden
getoetst. Hierdoor wordt voorkomen dat de fundatie moet worden beoordeeld op horizontaal
belaste palen. In dit kader heeft een duur onderzoek naar de fundatie opbouw nagenoeg geen
toegevoegde waarde. Valkuil hierin is een object met een korte lengte (b.v. een coupure of
keersluis). Door de vaak korte lengte van het kunstwerk kan er weinig afdracht naar de grond
worden gerekend, de palen zullen hier hun werk moeten doen. Voor de afdracht van
horizontale en kantelstabiliteit speelt hier de fundatie dus een veel grotere rol. Mogelijk zelfs
met druk- en trekpalen. Hier maakt de fundatie wel deel uit van een relevant faalmechanisme
dat een directe relatie heeft met de buitenwaterstand. Hier heeft onderzoek naar de fundatie
wel toegevoegde waarde.

INVULLING WITTE VLEKKEN KUNSTWERKEN
074373219:B ARCADIS 12
Door op soortgelijke, beschouwende wijze, te doorgronden welke faalmechanismen moeten
worden getoetst, wordt inzicht verkregen in de daadwerkelijk ontbrekende gegevens om
een toetsing te kunnen afronden.

Dit laatste sluit aan bij wat in het voorbeeldenboek is beschreven: het uitvoeren van een
systeemanalyse. Met name voor complexe waterkerende kunstwerken is het zinvol
voorafgaand aan de toetsing een systeemanalyse uit te voeren. Het gaat bij de
systeemanalyse vooral om het inzicht in de functie van het kunstwerk als waterkering en de
bedreigingen voor deze waterkerende functie. Hiermee worden de toetser handvatten
gegeven voor de beoordeling van het kunstwerk, maar ook kan de informatiebehoefte
inzichtelijk worden gemaakt.
3.3.2 ZIJN ALLE BESCHIKBARE GEGEVENSBRONNEN GEBRUIKT
Voordat wordt over gegaan op gegevensinwinning ‘in het veld’ dient men zich af te vragen
of alle beschikbare gegevensbronnen zijn nagegaan. Bij oude, vaak historische kunstwerken
kunnen naast de huidige eigenaar / onderhoudsplichtige de volgende bronnen ook
informatie opleveren:
Archief voormalige eigenaar / beheerder (bij fusies of eigendomsoverdracht in het
verleden);
Archief bouw- en woningtoezicht van het desbetreffende bevoegde gezag (gemeente);
Persoonlijk archief van bv. bedienend personeel, of ex-bedienend personeel;
Archief van aannemers/bedrijven die in het verleden onderhoudswerk/aanpassingen
aan het object hebben verricht;
Archieven van verenigingen/stichtingen op het gebied van oudheid en historie.

Navraag bij soortgelijke instanties kan in sommige gevallen voldoende aanvullende
informatie opleveren.
3.3.3 WELK SOORT ONDERZOEK PAST BIJ HET GEWENSTE RESULTAAT.
Als helder is welke parameters in een berekening of beschouwing onbekend zijn, kan een
onderzoek worden uitgevoerd om deze ‘in het veld’ te bepalen. Voor het bepalen van het
soort onderzoek dat uitgevoerd gaat worden, is het verstandig om vooraf te bepalen welke
getalswaarde bij benadering nodig is voor een positief toetsresultaat en deze te vergelijken
met de verwachte bandbreedte van de resultaten van het onderzoek. Indien met de
verwachte bandbreedte geen ‘goed’ of ‘voldoende’ gegeven kan worden, kan direct het
oordeel ‘onvoldoende’ gegeven worden en is het niet zinvol geld uit te geven voor
onderzoek. De eindscore ‘geen oordeel’ mag in dit geval niet gegeven worden. Anderzijds
geldt: indien de verwachte bandbreedte van de resultaten ruim voldoende zijn voor een
positief toetsoordeel, kan wellicht met een eenvoudiger onderzoek met minder
nauwkeurigheid worden volstaan, bijvoorbeeld een schatting of een expert judgment
beoordeling op onder- en bovengrenzen. Bewust wordt hier gesproken over bandbreedten
en onder/bovengrenzen omdat in de ene situatie de ondergrens, en in de andere situatie de
bovengrens maatgevend kan zijn voor het toetsoordeel.

Ter illustratie het volgende praktijkvoorbeeld:

Als voor een positief toetsresultaat op een sterktetoets een hoge toelaatbare
metselwerktreksterkte nodig is, heeft het investeren in onderzoek niet of nauwelijks zin. De
verwachtingswaarde uit een metselwerkonderzoek zijn namelijk laag. Immers metselwerk, en
INVULLING WITTE VLEKKEN KUNSTWERKEN
074373219:B ARCADIS 13
zeker oud metselwerk heeft een lage toelaatbare treksterkte. In deze situatie levert onderzoek
wel een waarde op maar dit resulteert niet in een positief toetsresultaat. Veldonderzoek heeft
in dit geval geen toegevoegde waarde en de eindscore voor de beoordeling is ‘onvoldoende’.

Andersom geldt dat als voor een positief toetsresultaat op een sterktetoets een lage toelaatbare
metselwerktreksterkte nodig is kan in plaats van relatief duur onderzoek met boorkernen en
laboratoriumonderzoek, ook een goedkoop schiethamer onderzoek worden uitgevoerd waarbij
op basis van literatuurstudie of referenties in de STOWA database een indicatie voor de
minimale treksterkte wordt achterhaald. Op deze wijze kan met een geringe investering ook
een positief toetsresultaat worden behaald.

Met soortgelijke afwegingen kan voor elk in te winnen gegeven worden beoordeeld welk
type veldonderzoek passend is.
3.3.4 WEGEN DE ONDERZOEKSKOSTEN OP TEGEN HERSTELMAATREGELEN
Als helder is welk type onderzoek(en) nodig is/zijn om een toetsspoor te kunnen
doorlopen, dient men zich af te vragen of het geld, dat hiervoor moet worden uitgegeven
een maatschappelijk verantwoorde uitgave is. Het wordt aanbevolen om een
kostenschatting te maken voor de herstelmaatregel die nodig is indien het toetsoordeel
“onvoldoende” blijkt te zijn. In sommige gevallen is het uitvoeren van een eenvoudige
herstelmaatregel aan een kunstwerk een goedkopere en snellere oplossing dan het uitvoeren
van een complex onderzoek en verfijnen van geavanceerde toetsmethoden en berekeningen.

Ter illustratie het volgende praktijkvoorbeeld:

Bij oude kunstwerken is vaak achterloopsheid een potentiëel probleem met “onvoldoende” als
toetsresultaat. De toetsing kan worden verfijnd door het uitvoeren van geavanceerde toetsing
op piping en heave. Dit betekent vaak het plaatsen van peilbuizen in het grondlichaam en het
terugrekenen van de gevonden freatische lijn middels een grondwaterstromingsmodel. Dit soort
onderzoeksmethoden kosten al gauw enkele tienduizenden euro’s. Voor ditzelfde budget
kunnen wellicht enkele damwandplanken worden bij geplaatst die de achterloopsheid
problemen definitief oplossen en de veiligheid van de constructie voor een paar decennia
waarborgen.

3.4 METHODEN VOOR GEGEVENSINWINNING
In deze paragraaf wordt ingezoomd op methoden voor het inwinnen van gegevens ‘in het
veld’. Per deeltoetsspoor wordt middels een korte analyse bepaald welke gegevens in veel
gevallen onbekend zijn indien bestek of tekeningen ontbreken. Daarna zijn in tabelvorm per
ontbrekend item de onderzoeksmogelijkheden weergegeven.
Indeling naar complexiteit
Omdat in sommige gevallen het achterhalen van een veilige onder- of bovengrens al
voldoende is voor een positief toetsresultaat is, waar mogelijk, onderscheid gemaakt naar
complexiteit, wat weer een directe relatie heeft met de benodigde investering.

Grofweg geldt voor de gehanteerde indeling het volgende.
INVULLING WITTE VLEKKEN KUNSTWERKEN
074373219:B ARCADIS 14
Eenvoudig
Dit zijn onderzoeksmethoden die met een beperkte inspanning en kosten kunnen worden
uitgevoerd. De methoden zijn bedoeld voor een indruk of inschatting van de bandbreedte te
geven waarbinnen de waarde zou moeten liggen. Vaak kunnen dit soort onderzoeken
middels bureaustudie of literatuuronderzoek worden afgerond.
Gemiddeld
Dit zijn onderzoeksmethoden die met een beperkte inspanning getalswaarden kunnen
opleveren zoals die ‘in het veld’ aanwezig zijn. De onderzoeken zijn vaak een detailopname
op één specifieke plaats, waardoor statistisch gezien vaak meerdere onderzoeksplekken
nodig zijn om een gemiddelde en een standaardafwijking hierop te kunnen bepalen.
Complex
Dit zijn onderzoeksmethoden die een behoorlijke tot grote inspanning vereisen om te
kunnen worden uitgevoerd. Goede voorbereiding en een deugdelijk onderzoeksplan zijn
essentieel. Deze onderzoeksmethoden zijn zeer specifiek en kunnen worden ingezet als met
andere methoden geen positief toetsoordeel kan worden behaald.
Referenties naar bijlage materiaalonderzoek
De onderzoeksmogelijkheden zijn in tabelvorm weergegeven. Een aantal velden in de
tabellen zijn voorzien van een grijze arcering en vetgedrukte tekst. Bij dit onderzoek wordt
verwezen naar de bij dit rapport behorende bijlagen “Materiaalonderzoek” en
“Onderzoeksmethoden niet zichtbare constructieonderdelen“ . In deze bijlage zijn diverse
relevante methoden voor onderzoek kort verwoord.
3.4.1 GEGEVENSINWINNING TOETSSPOOR STCG
Detailanalyse toetsspoor STCG
De toetsing van het spoor STCG is beschreven in de VTV 2006, Katern 7, Paragraaf 4.2.2
“Stabiliteit van constructie en grondlichaam (STCG)”. Onderstaand zijn enkele fragmenten
uit deze tekst overgenomen.

Het gaat in dit spoor om de weerstand tegen beweging en vervorming van de constructie als
geheel, niet van de onderdelen.
Een constructie is in de regel een onderbreking in een uit grond opgebouwd profiel. Tussen het
‘ongestoorde grondprofiel’ en het kunstwerk bevindt zich een grondlichaam dat door de
aanwezigheid van het kunstwerk wordt beïnvloed. Bij de hier beschouwde beoordeling staat de
stabiliteit van de constructie als geheel en die van het grondlichaam rond en onder de
constructie centraal. Interactie tussen grondlichaam en constructie kan een essentieel onderdeel
zijn van de stabiliteitbeschouwing, denk hierbij bijvoorbeeld aan grondkerende constructies.

Te toetsen aspecten en daaruit volgende faalmechanismen kunnen zijn:
draagvermogen van een fundering op palen (op druk belast, op trek belast, horizontaal
belast);
draagvermogen van een fundering op staal;
stabiliteit van grondkerende constructies zoals damwanden en keermuren;
macrostabiliteit van het grondlichaam aansluitend op de constructie of het grondlichaam
inclusief de constructie. Hiervoor kan de beoordeling op de sporen Macrostabiliteit
binnenwaarts en Macrostabiliteit buitenwaarts volgens Katern 5 worden gevolgd, met dien
verstande dat ook belastingen in rekening moeten worden gebracht die via of vanuit de
constructie op het grondlichaam worden afgedragen;
INVULLING WITTE VLEKKEN KUNSTWERKEN
074373219:B ARCADIS 15
instabiliteit van het voorland (afschuiving of zettingvloeiing). Voor de beoordeling van dit
onderdeel wordt verwezen naar toetsspoor Voorland in Katern 9;

Bij het ontbreken van tekeningen of bestek zijn het de gegevens van fundaties of
damwanden die ontbreken. Voor de toetsing van de draagkracht van de fundatie is ook een
inschatting van het eigengewicht benodigd en de horizontale belastingen die, naast de
verticale belastingen, zullen leiden tot extra druk of trek op funderingspalen. Daarnaast is
met name voor ouder kunstwerken een oordeel over de kwaliteit van de constructie van
belang (opgetreden zetting van de constructie).

Voor de toetsing op STCG ontbreekt veelal de volgende informatie:
Eigengewicht: hoofdafmetingen en volumieke massa van de constructie en eventuele
grondmassieven die op de constructie rusten;
Paalfundatie: aantallen, positie, afmetingen, schoorstand en inheiniveau;
Fundatie op staal: bodemopbouw onder het kunstwerk, aanlegniveau, aanlegbreedte;
Damwanden: type/soort en inheiniveau.

In de onderstaande tabellen zijn per in te winnen gegeven de onderzoeksmogelijkheden
weergegeven.
Tabel 1: inwinnen gegevens tbv eigengewicht
Eigengewicht Eenvoudig Gemiddeld Complex
Hoofdafmetingen (zichtbaar) Schatten van foto’s
of tekening
Inmeting
(landmeet
apparatuur,
meetband,
duimstok)
-
Schatten op basis
van expert
judgement en
gegevens van
gelijkwaardige
constructies uit b.v.
de Stowa database.
Gaten boren en
hiermee de dikte of
hoogte van
constructie
onderdelen
bepalen (bv oude
keermuren of
sluishoofden)
Vrijgraven en
inmeten. Eventueel
met verlaging van
de lokale (grond)
waterstand.


Hoofdafmetingen (niet
zichtbaar) b.v. onder water,
of in de grond
Dikte bepaling met
radartechnieken
[B3.1.4 / B3.3.3]
-
Volumieke massa constructie
of grondmassief
Inschatting op basis
van literatuur en
bekende tabellen /
normen
Monster name
door middel van
het uitboren van
een kern. Gevolgd
door laboratorium
onderzoek
-
INVULLING WITTE VLEKKEN KUNSTWERKEN
074373219:B ARCADIS 16
Tabel 2: inwinnen gegevens paalfundaties
Paalfundaties Eenvoudig Gemiddeld Complex
Schatten op basis
van expert
judgement en
gegevens van
gelijkwaardige
constructies uit b.v.
de Stowa database.
- Vrijgraven van een
deel van de
constructie en, al
dan niet onder
water, middels
visuele
waarneming een
representatief deel
van de fundatie
inmeten.
- - Inzet van
grondradar-
techniek in een
verticaal boorgat
direct naast de
constructie.
[B4.1.1]
Aantallen / posities
- - Inzet van seismiek
in zeer specifieke
gevallen.
[B4.1.2]
Afmetingen Schatten op basis
van expert
judgement en
gegevens van
gelijkwaardige
constructies uit b.v.
de Stowa database.
- Vrijgraven van een
deel van de
constructie en, al
dan niet onder
water, middels
visuele
waarneming een
representatief deel
van de fundatie
inmeten.
Schatten op basis
van expert
judgement,
gegevens van
gelijkwaardige
constructies uit b.v.
de Stowa database
en gegevens van de
lokale
bodemopbouw.
- Inzet van
grondradar-
techniek in een
verticaal boorgat
direct naast de
constructie.
[B4.1.1]
Inheiniveau
- - Inzet van seismiek
in zeer specifieke
gevallen.
[B4.1.2]

INVULLING WITTE VLEKKEN KUNSTWERKEN
074373219:B ARCADIS 17
Tabel 3: inwinnen gegevens fundatie op staal
Fundatie op staal Eenvoudig Gemiddeld Complex
Bodemopbouw - Uitvoeren van
grondboringen
en/of sonderingen
nabij het
kunstwerk.
-
Schatten op basis
van expert
judgement en
gegevens van
gelijkwaardige
constructies uit b.v.
de Stowa database.
- Lokaal vrijgraven
en opmeten
- - Inzet van grond-
radartechniek in
een verticaal
boorgat direct
naast de
constructie.
[B4.1.1]
Aanlegniveau
Aanlegbreedte
- - Inzet van seismiek
in zeer specifieke
gevallen.
[B4.1.2]

Tabel 4: inwinnen gegevens damwanden
Damwanden Eenvoudig Gemiddeld Complex
Type /soort Opmeten
slotafstand en
kasdiepte. Middels
tabellen van oude
damwanden
terugzoeken welk
type vermoedelijk
is gebruikt.
Damwandvorm
inmeten (kas
afmetingen,
slotafstand.
Rest staaldikte
meting dmv
ultrasone
onderzoek
-
Schatten op basis
van expert
judgement en
gegevens van
gelijkwaardige
constructies uit b.v.
de Stowa database.
Inzet van
magnetometer
sonderingen in de
directe nabijheid
van een
damwandscherm.
(indien van staal)
[B4.1.3]
Inzet van grond-
radartechniek in
een verticaal
boorgat direct
naast de
constructie.
[B4.1.1]
Inheiniveau
- - Inzet van seismiek
in zeer specifieke
gevallen.
[B4.1.2]
INVULLING WITTE VLEKKEN KUNSTWERKEN
074373219:B ARCADIS 18
3.4.2 GEGEVENSINWINNING TOETSSPOOR STCO
Detail analyse toetsspoor STCO
De toetsing van het spoor STCO is beschreven in de VTV 2006, Katern 7, Paragraaf 4.2.3
“Sterkte van (waterkerende) constructieonderdelen (STCO)”. Onderstaand zijn enkele
fragmenten uit deze tekst overgenomen.

De beoordeling van de sterkte van constructieonderdelen begint met het selecteren van de
kritieke onderdelen en de maatgevende belastingen en belastingcombinaties daarop. In eerste
instantie kan onderscheid worden gemaakt tussen afsluitmiddelen en overige onderdelen van
de constructie. De overige te toetsen onderdelen zijn in de regel betonconstructies of oudere
gemetselde constructies. Andere constructies, zoals bijvoorbeeld leidingen, worden in andere
katernen (o.a. Katern 10) uitgewerkt. Nadrukkelijk wordt erop gewezen dat ook Toetspeil +
toeslagen de maatgevende belastingsituatie kan opleveren, vooral bij keersluizen is dit het
geval. Keersluizen, stormvloedkeringen e.d. hebben in kerende toestand een relatief kleine
aanvaarkans. Tijdens situaties bij Toetspeil zal scheepvaart slechts op enkele plekken
voorkomen; alleen op dergelijke plekken en daar waar losgeslagen of op drift geraakte schepen
in stormsituaties of iets dergelijks denkbaar zijn, heeft een dergelijke toetsing zin. Aangenomen
mag worden dat schippers geen intentie hebben om door een kunstwerk te varen. Per geval
moet worden onderzocht of toetsing op aanvaarbelasting een relevante controle is.
Aanvullende informatie over bevaarbaarheid of toegankelijkheid van vaarwegen kan worden
gevonden in de vaarwegreglementen (Binnenvaart Politiereglement e.d.).

Op de constructie aansluitende grondlichamen worden in het algemeen niet als onderdeel van
de constructie gezien. Toetsing hiervan vindt plaats bij het toetsspoor Stabiliteit van constructie
en grondlichaam. Wel wordt opgemerkt dat diverse belastingen via de aansluitende
grondlichamen direct invloed kunnen uitoefenen op constructieonderdelen.

Essentie van dit toetsspoor is de sterkte van de keermiddelen, en de kritieke constructieve
onderdelen van het object, veelal de hoofddraagconstructie. Bij het ontbreken van
tekeningen of bestek zijn het vaak de volgende aspecten die ontbreken:
Keermiddelen
Afmetingen en constructieve opbouw
Materiaalgegevens (Kwaliteit, sterkte en technische staat)
Overige kritieke constructieve onderdelen
Afmetingen beton, metselwerk constructies
Constructieve opbouw van het object. Met andere woorden: het statische systeem.
Materiaal gegevens (Kwaliteit, sterkte, technische staat)
Specifiek wapening in het beton: Aanwezige wapeningspercentage en staalkwaliteit, en
aantastinggraad
Keermiddelen
Tabel 1: inwinnen sterkte gegevens keermiddelen
Hoofdafmetingen en
constructieve opbouw
Eenvoudig Gemiddeld Complex
Hoofdafmetingen en
constructief systeem
Aflezen typeplaatje
van het keermiddel
(schuif, klep, etc),
Keermiddel
inspecteren en
inmeten. Eventueel
Zie “Gemiddeld”,
methode
aangevuld met
INVULLING WITTE VLEKKEN KUNSTWERKEN
074373219:B ARCADIS 19
Hoofdafmetingen en
constructieve opbouw
Eenvoudig Gemiddeld Complex
en via de
leverancier van het
product informatie
inwinnen
met ondersteuning
van een duiker bij
objecten onder de
waterstand. Of in
overleg met de
beheerder bepalen
of tijdelijk
droogzetten
kan/mag.
ultrasone
diktemetingen.
[B3.2.2]
Aanname van
minimale, veilige
waarde van de
kwaliteit op basis
van expert
judgement of
gegevens van
gelijkwaardige
constructies uit b.v.
de Stowa database.
Monsterneming en
lab onderzoek om
de kwaliteit van
het staal / kunststof
/ hout aan te
tonen.
[B3.1.2 / B3.1.5 /
B3.2.1 / B3.3.2 /
B3.4.2]
- Materiaal kwaliteiten
Aflezen typeplaatje
van het keermiddel
(schuif, klep, etc),
en via de
leverancier van het
product informatie
inwinnen
- -
Overige kritiek constructieonderdelen
Tabel 1: inwinnen hoofdafmetingen en constructieve opbouw
Hoofdafmetingen en
constructieve opbouw
Eenvoudig Gemiddeld Complex
Hoofdafmetingen (zichtbaar) Schatten van foto’s
of tekening
Inmeting
(landmeet
apparatuur,
meetband,
duimstok)
-
Schatten op basis
van expert
judgement en
gegevens van
gelijkwaardige
constructies uit b.v.
de Stowa database,
Gaten boren en
hiermee de dikte of
hoogte van
constructie
onderdelen
bepalen (bv oude
keermuren of
sluishoofden)
Vrijgraven en
inmeten. Eventueel
met verlaging van
de lokale (grond)
waterstand.


Hoofdafmetingen (niet
zichtbaar)
b.v. onder water, of in de
grond
- Diktebepaling met
radartechnieken of
in geval van staal:
ultrasone techniek.
[B3.3.3 / B3.2.2 /
B3.1.4]
-
INVULLING WITTE VLEKKEN KUNSTWERKEN
074373219:B ARCADIS 20

Tabel 2: inwinnen materiaal gegevens
Materiaal gegevens Eenvoudig Gemiddeld Complex
Schatten op basis
van expert
judgement,
gegevens uit
literatuur of oude
normen en
gegeven van
gelijkwaardige
constructie uit b.v.
de Stowa database
Boorkernen nemen
en beproeven in
een laboratorium.
[B3.1.2]
- Beton
Schiethamer
onderzoek
[B3.1.1]
- -
Schatten op basis
van expert
judgement,
gegevens uit
literatuur of oude
normen en
gegeven van
gelijkwaardige
constructie uit b.v.
de Stowa database
Boorkernen nemen
en beproeven in
een laboratorium.
[B3.3.2]
- Steen of metselwerk
Schiethamer
onderzoek
[B3.3.1]

- -
Staal Schatten op basis
van expert
judgement,
gegevens uit
literatuur of oude
normen en
gegeven van
gelijkwaardige
constructie uit b.v.
de Stowa database
Monsterneming en
beproeving in een
laboratorium.
[B3.2.1]
Ultrasone en
röntgenonderzoek
t b v
haarscheurtjes.
[B3.2.2 / B3.2.3]
Hout Schatten op basis
van expert
judgement,
gegevens uit
literatuur of oude
normen en
gegeven van
gelijkwaardige
constructie uit b.v.
de Stowa database
Penetrometer
onderzoek.
[B3.4.1]

Monsterneming
met holle boor en
laboratorium
onderzoek.
[B3.4.2]
-
Prikken ter
indicatie van de
zachte schil
-
INVULLING WITTE VLEKKEN KUNSTWERKEN
074373219:B ARCADIS 21

Tabel 3: inwinnen gegevens toegepaste wapening (beton)
Beton, toegepaste wapening Eenvoudig Gemiddeld Complex
Wapeningshoeveelheid Uitgaan van
minimale
wapening conform
oude normen
(0,15% of 0,18%).
Dit is een
ondergrens
benadering.
Ferroscan,
radartechniek
[B3.1.3]
Destructief
onderzoek,
Vrijhakken en
inmeten
[B3.1.6]
Staalkwaliteit Literatuur, oude
staalsoorten
- Destructief
onderzoek,
Vrijhakken,
monsterneming en
onderzoek in een
laboratorium
[B3.1.6]
Aantastinggraad Visuele inspectie,
kloppen
Chloride en
carbonatatie
indringing op basis
van boorgruis
[B3.1.5]
Boorkern nemen
en onderzoek in
een laboratorium
[B3.1.5]
3.4.3 GEGEVENSINWINNING TOETSSPOOR STPH
Detail analyse toetsspoor STPH
De toetsing van het spoor STPH is beschreven in de VTV 2006, Katern 7, Paragraaf 4.2.4
“Piping en heave (STPH)”. Onderstaand zijn enkele fragmenten uit deze tekst
overgenomen.

Piping en heave worden ook wel aangeduid met onderloopsheid indien de kwelweg onder de
constructie en eventuele kwelschermen doorloopt. Achterloopsheid wordt gebruikt indien de
kwelwegen aan weerszijden (in lengterichting van de waterkering) langs de constructie of
kwelschermen lopen.

De basis van de gedetailleerde toetsing is een analyse van alle mogelijke kwelwegen onder en
langs het kunstwerk. In het Technisch Rapport Zandmeevoerende Wellen zijn verschillende
methodes beschreven waarmee de minimaal vereiste kwelweglengte kan worden bepaald. In
het bijzonder voor kunstwerken dienen de volgende zaken in acht te worden genomen:
mogelijke kwelwegen dienen ruimtelijk te worden beschouwd. In het Technisch Rapport
Zandmeevoerende Wellen is een voorbeeld gegeven van een driedimensionale analyse van
kwelwegen onder en langs een keersluis;
indien er palen onder de constructie aanwezig zijn dan moet worden uitgegaan van het
ontstaan van een open ruimte (spleet) tussen onderkant constructie en ondergrond. Als
gevolg hiervan dient de horizontale kwelweglengte onder de constructie te worden
verwaarloosd;
indien er alleen bovenstrooms een onderloopsheidscherm aanwezig is, mag de horizontale
lengte onder de constructie van het scherm tot aan het uittreedpunt niet worden
meegenomen.

INVULLING WITTE VLEKKEN KUNSTWERKEN
074373219:B ARCADIS 22
Essentie van dit toetsspoor is het bepalen van de maatgevende ruimtelijke kwelweg onder
maatgevend verval. Bij het ontbreken van tekeningen of bestek zijn het vaak de volgende
aspecten die ontbreken:
Maatgevende kwelweglengte
Aanwezigheid en gesteldheid bodembescherming achter het object;
Aanwezigheid en aantallen kwelschermen;
Afmetingen van het kwelscherm. Diepte, maar ook tot welke breedte buiten het
kunstwerk;
Bodemopbouw onder en naast het object.
Overige aspecten
Detectie in- en uittredepunten;
Zijn er lekken of potentiële lekken in het kwelscherm (technische staat).

Om volledig inzicht te krijgen in de toestand en kwaliteit van de kwelschermen onder een
(historisch) kunstwerk is visuele inspectie meestal niet voldoende. Een mogelijkheid is een
kunstwerk geheel te ontgraven. Een groot nadeel van deze mogelijkheid is dat deze
methode zeer ingrijpend is en de waterkering kan verzwakken. Om die redenen wordt vaak
overgegaan tot indirecte methoden van onderzoek. In onderstaande paragrafen wordt een
korte inventarisatie van de mogelijkheden weergegeven. Hiervoor is gebruik gemaakt van
de rapportage “SBW Piping Kunstwerken, KW6. Aanbevelingen toetsmethode onder- en
achterloopsheid bij (historische) kunstwerken”, versie 3.0 van 10 november 2009.

Met de genoemde set aan onderzoeksmethoden is het in veel gevallen nog niet mogelijk om
alle informatie betreffende de aanwezige kwelvoorzieningen helder te krijgen. In de
paragraaf“Methoden ter bepaling van maatgevende kwelwegen” zijn methoden
weergegeven die een bijdrage kunnen leveren aan het afronden van een toetsing.
Maatgevende kwelweglengte
Tabel 1: Inwinnen gegevens aanwezige bodembescherming achter het object
Bodembescherming Eenvoudig Gemiddeld Complex
- Sonar of
bodempeiling met
hoge
nauwkeurigheid
- Aanwezigheid en afmetingen
- Inzet van duikers
ter detectie van het
gebied waarop de
bodembescherming
aanwezig is.
-
Zanddicht of -open - Met behulp van
duikers vaststellen
van de
aanwezigheid van
een geotextiel of
de filteropbouw.
Vaststellen
deugdelijke
aansluiting op het
kunstwerk.
-
INVULLING WITTE VLEKKEN KUNSTWERKEN
074373219:B ARCADIS 23
Tabel 2: Inwinnen aantallen, lengte en breedte kwelschermen
Kwelschermen Eenvoudig Gemiddeld Complex
Schatten op basis
van expert
judgement en
gegevens van
gelijkwaardige
constructie uit b.v.
de Stowa database
Inzet van
magnetometer
sonderingen op
korte afstand van
elkaar. (indien van
staal)
Inzet van grond-
radartechniek in
een verticaal
boorgat direct
naast de
constructie.
[B4.1.1]
Aantallen
- - Inzet van seismiek
in zeer specifieke
gevallen.
[B4.1.2]
Schatten op basis
van expert
judgement en
gegevens van
gelijkwaardige
constructie uit b.v.
de Stowa database
Inzet van
magnetometer
sonderingen in de
directe nabijheid
van een
damwandscherm.
(indien van staal)
Graven van
proefsleuven voor
detectie van
kwelscherm buiten
de constructie.
(Mits aannemelijk
dat deze niet al te
diep onder
maaiveld zullen
zijn).
- - Inzet van grond-
radartechniek in
een verticaal
boorgat direct
naast de
constructie.
[B4.1.1]
Breedte buiten het
kunstwerk
- - Inzet van seismiek
in zeer specifieke
gevallen.
[B4.1.2]
Schatten op basis
van expert
judgement en
gegevens van
gelijkwaardige
constructie uit b.v.
de Stowa database
Inzet van
magnetometer
sonderingen in de
directe nabijheid
van een
damwandscherm.
(indien van staal)
Inzet van grond-
radartechniek in
een verticaal
boorgat direct
naast de
constructie.
[B4.1.1]
Lengte (diepte), buiten en
onder het kunstwerk
- - Inzet van seismiek
in zeer specifieke
gevallen.
[B4.1.2]
Tabel 3: inwinnen gegevens Bodemopbouw
Bodemopbouw Eenvoudig Gemiddeld Complex
Vaststellen diepte ligging
watervoerende lagen
Schatten op basis
van expert
judgement en
gegevens van
gelijkwaardige
constructie uit b.v.
de Stowa database
Het nemen van
enkele
handboringen of
sonderingen
-
INVULLING WITTE VLEKKEN KUNSTWERKEN
074373219:B ARCADIS 24
Overige aspecten
Aanvullend op de gegevensinwinning in het veld worden in het rapport “SBW Piping
Kunstwerken” nog de volgende methoden aangemerkt die een bijdrage kunnen leveren aan
het afronden van een toetsing:
Stroomschema’s uit de rapportage “Hulpmiddelen voor toetsers – historische
kunstwerken (Schalkx en Homberg 2006);
Inschatting onderhoudsstaat van de kwelschermen op basis van kennis en ervaring
met kwaliteitsafname (levensduur);
Visueel onderzoek (Inspecties en waterpassingen) vergelijken met eerder
uitgevoerde visuele onderzoeken om zodoende tekenen van erosie en
uittredepunten te kunnen onderkennen;
Meting van grondwaterstanden en stijghoogten door middel van peilbuizen en/of
waterspanningsmeters. Informatie over het verhang onder wisselend verval geeft
een beeld van de weerstand tegen piping. Er dient uiteraard een extrapolatie naar
toetspeil te worden uitgevoerd. Door voor en achter een kwelscherm peilbuizen te
plaatsen kan een potentieel lek in het kwelscherm worden aangetoond;
Het toepassen van een camerasonde in sondeerequipment waarmee mogelijke
holle ruimten zichtbaar kunnen worden gemaakt;
Het toepassen van tracémethoden waarbij nabij een intredepunt een tracer aan het
(grond)water wordt toegevoegd. Hiermee kan de verblijftijd van het water onder
de constructie worden bepaald. Hiermee kan een gemiddelde stroomsnelheid
worden bepaald. Rekening houdend met de porositeit van het materiaal kan de
geschatte afgelegde afstand worden terug gerekend. Tracers zijn o.a.: kleurstoffen,
radioactieve stoffen, chemische stoffen zoals b.v. zout of temperatuursverhoging;
Toepassen van geofysische methoden zoals Geo-elektrisch meten, Spontane
Potentiaal methode. Onder deze zelfde categorie vallen de reeds in de tabellen
vermelde methoden als Grondradarmetingen, Seismiek en
Magnetometersonderingen.

Voor een nadere toelichting op deze onderzoeksmethoden wordt verwezen naar de
rapportage “SBW Piping Kunstwerken, KW6. Aanbevelingen toetsmethode onder- en
achterloopsheid bij (historische) kunstwerken”, versie 3.0 van 10 november 2009 van
Deltares.
3.4.4 OPMERKINGEN BIJ METHODEN VOOR GEGEVENSINWINNING
Het uitvoeren van nadere onderzoeken aan historische kunstwerken is gezien de steeds
wisselende omstandigheden en situaties te allen tijde maatwerk. Bijgaand nog enkele
aandachtspunten:
Voer bij het hanteren van gegevens uit een eenvoudige benadering altijd een
gevoeligheidsanalyse uit op het effect van afwijkingen. Of kies bewust voor een
conservatieve waarde (dit hoeft niet altijd een lage waarde te zijn);
Inzet van een bepaalde methode kan ook sterk afhankelijk zijn van de beschikbare ruimte
en de bereikbaarheid voor van het benodigde materieel;
Voor een goede uitvoering kan het nodig zijn scheepvaartverkeer of wegverkeer tijdelijk
te stremmen of om te leiden.

Door de Stichting PostAcademisch Onderwijs (PAO) wordt de cursus “Ontwerpen en
toetsen waterbouwkundige constructies” gegeven. Eén van de onderwerpen die tijdens de
cursus aan de orde komt is “Technieken voor inspecties en veldonderzoek”. De bij dit
INVULLING WITTE VLEKKEN KUNSTWERKEN
074373219:B ARCADIS 25
onderwerp behorende presentatie is in Bijlage 5 opgenomen. De presentatie bevat een
samenvatting van de in dit hoofdstuk beschreven onderzoeksmethoden voor
gegevensinwinning.
3.5 STOWA DATABASE KENMERKEN HISTORISCHE KUNSTWERKEN
Diverse malen is in hoofdstuk 3.4. de Stowa database vermeld. In deze paragraaf wordt kort
ingegaan op de wijze waarop gebruik kan worden gemaakt van de hier in beschikbare
gegevens.

In opdracht van Stowa is door DHV een database opgezet met kenmerken van (historische)
kunstwerken. Deze database bevat belangrijke kenmerken van een groot aantal (historische)
waterkerende kunstwerken en een groot spectrum aan gegevens welke nuttig kunnen zijn
bij het opstellen van een VTV toets. De database biedt de mogelijkheid informatie uit de
database te halen en naar eigen inzicht toe te passen bij de toetsing van kunstwerken op de
functie waterkeren. De verantwoordelijkheid voor het gebruik van de database en de
interpretatie van de gegevens ligt bij de gebruiker.

Als afgeleide van de gegevens in deze database is de rapportage “Hulpmiddelen voor
toetsers – Historische kunstwerken” opgesteld. In deze rapportage zijn stroomschema’s
opgenomen die op basis van gemeenschappelijke kenmerken van een groep kunstwerken
ondersteuning biedt om lacunes in de beschikbare gegevens van de constructie van een
kunstwerk aan te vullen, en onzekerheden te kunnen verkleinen. Voor deze rapportage zijn
de gegevens van ruim 600 kunstwerken gebruikt.

De database is via internet bereikbaar op www.khk-stowa.nl
De rapportage “Hulpmiddelen voor toetsers – Historische kunstwerken is te downloaden
op de website van de Stowa (www.stowa.nl)

INVULLING WITTE VLEKKEN KUNSTWERKEN
074373219:B ARCADIS 26
HOOFDSTUK
4 Richtlijnen voor beheer
van informatie
4.1 INLEIDING
Het verzamelen van gegevens is arbeidsintensief en daardoor tijdrovend en kostbaar. Het is
dan ook van groot belang dat eenmaal ingewonnen informatie goed ontsloten wordt voor
volgende toetsingen. De ervaring is dat belangrijke informatie vaak niet goed wordt
gearchiveerd of wordt weggegooid. Ook relevante informatie die bij de aanleg van het
kunstwerk beschikbaar komt gaat verloren. De noodzaak van goed databeheer dient
daarom in de VTV te worden benadrukt. Een bijkomend voordeel is dat, door het goed
opslaan en beheren van informatie, na verloop van tijd de conditieontwikkeling van het
object kan worden gevolgd.

In het kader van VNK2
1
is een internetapplicatie ontwikkeld. Onderdeel daarvan is de
kunstwerkentool ‘PC-kunstwerken’. Voor het VNK2 project is veel data over kunstwerken
verzameld die met de kunstwerkentool benaderd kan worden. Veel van deze informatie is
ook relevant voor de vijfjaarlijkse toetsing van de kunstwerken. Er is daarom onderzocht in
hoeverre de kunstwerkentool gebruikt kan worden voor het beheer van de voor de toetsing
relevante informatie.

Onderzocht is PC-Kunstwerken, versie 3.1.0. Dit is gedaan in overleg met de heer R.
Hoogendoorn van Deltares. De heer Hoogendoorn is datamanager bij VNK2 heeft de
kunstwerkentool (mede) ontwikkeld.

4.2 BESCHRIJVING VNK-2 KUNSTWERKENTOOL
Plaats binnen het VNK2-instrumentarium
In het kader van VNK2 zijn meerdere tools ontwikkeld. De applicatie waarmee de tools
beheerd kunnen worden is PC-ViNK. PC-ViNK is een applicatie die het mogelijk maakt om
de dijkring in vakken op te knippen en die het beheer van het VNK-instrumentarium

1
In 2001 startte het ministerie van Verkeer en Waterstaat (V&W) een studie om overstromingsrisico’s in
beeld te brengen: Veiligheid Nederland in Kaart (VNK). Dit project heeft voor zestien van de 53
dijkringen de kansen op en gevolgen van overstromingen globaal in beeld gebracht. Het ministerie van
V&W, provincies en waterschappen zijn gestart met een vervolg om ook de rest van Nederland in kaart
te brengen: Veiligheid Nederland in Kaart 2 (VNK2). Zie voor meer informatie over VNK2 de site van
de Helpdesk Water.

INVULLING WITTE VLEKKEN KUNSTWERKEN
074373219:B ARCADIS 27
verzorgt. PC-ViNK draait op een centrale server zodat het gehele werkproces in VNK-2
traceerbaar is. Het volgende schema
2
geeft een overzicht. Rood omkaderd is de
kunstwerkentool.



In PC-ViNK worden niet alle kunstwerken die in de database zijn opgeslagen
gepresenteerd. Alleen de kunstwerken die voor de berekening van VNK2 van belang zijn
worden getoond (zie Bijlage 8).
Opbouw van de kunstwerkentool
Voor de beoordeling van de kunstwerken is de kunstwerkentool ontwikkeld. In de
onderstaande figuur is het huidige opstartscherm van de kunstwerkentool weergegeven.



Aan de linkerzijde worden de dijkringen en de bijbehorende kunstwerken weergegeven. De
kunstwerkentool kent per kunstwerk een vaste opbouw waarbij de informatie is
ondergebracht in een aantal tabbladen. In Bijlage 6 zijn de tabbladen weergegeven. De

2
Bron (lit.2): Presentatie VNK2 instrumentarium, d.d. 11 oktober 2007, door dhr. R. Hoogendoorn van
Deltares.
Figuur 4.2
VNK2-instrumentarium
Figuur 4.3
PC-Kunstwerken 3.1.0
INVULLING WITTE VLEKKEN KUNSTWERKEN
074373219:B ARCADIS 28
informatie zelf is opgeslagen in een centrale database. Per kunstwerk zijn de volgende
tabbladen beschikbaar:
Algemeen. Dit tabblad bevat onder andere informatie over de locatie van het kunstwerk,
de beheerder en het type kunstwerk;
Randvoorwaarden. Dit tabblad bevat de hydraulische randvoorwaarden;
Gebruik en bediening. Dit tabblad bevat informatie de wijze waarop het kunstwerk bediend
wordt (onder andere de waterstand waarbij het kunstwerk gesloten wordt, minimum en
maximum schutpeil);
Historie en staat der onderdelen. Dit tabblad bevat informatie staat van het kunstwerk
(onder andere eventuele schade, bijzondere belastinggevallen);
Afmeting. Dit tabblad bevat de afmetingen en kerende hoogte van het kunstwerk;
Specifieke info leidingen. Dit tabblad bevat informatie over leidingen die de waterkering
kruisen;
LK Hoogwateralarmering, Mobilisatie, Bedieningsfouten, Technische storingen. Deze tabbladen
bevatten de vragenlijsten voor de gedetailleerde beoordeling van de betrouwbaarheid
sluiting volgens bijlage B3.4 van de Leidraad Kunstwerken;
Status. In dit tabblad kan worden aangegeven of het kunstwerk of het kunstwerk in de
berekening van VNK moet worden meegenomen.

4.3 EVALUATIE VNK-2 KUNSTWERKENTOOL
De kunstwerkentool is op de volgende aspecten beoordeeld:
Volledigheid van de informatie;
Beheer van de informatie.
Volledigheid van de informatie
Voor de beoordeling op volledigheid is gebruik gemaakt van de checklist Benodigde
informatie (Bijlage 2). Onderzocht is welke informatie terug te vinden is in de huidige
kunstwerkentool. In Bijlage 7 zijn de bevindingen weergegeven. Op hoofdlijnen is de
conclusie:
Een deel van de benodigde informatie is goed terug te vinden in de tool. Het betreft
voornamelijk de (hydraulische) randvoorwaarde en de actuele onderhoudstaat van het
kunstwerk;
Een deel van de benodigde informatie is wel genoemd maar niet gedetailleerd genoeg
weergegeven voor de toetsing. Het betreft voornamelijk de grondmechanische gegevens,
VTV toetsgegevens en informatie over constructieonderdelen. Ook is bij hoogtematen
niet gespecificeerd of het een actuele hoogtemaat is of een ontwerpmaat;
Een deel van de benodigde informatie is niet opgenomen in de tool. Het betreft
voornamelijk de gegevens die nodig zijn voor de geavanceerde toetsing zoals faalkansen.
Beheer van de informatie
Er is veel tijd en geld gestoken in het verzamelen van de informatie. Door de beheerders zijn
de benodigde gegevens aangeleverd in Excel bladen en deze informatie is vervolgens in een
centrale database gezet. In de huidige opzet van het systeem kunnen de beheerders zelf vrij
eenvoudig de informatie bijhouden en aanvullen, om zo de data up-to-date te houden.

Een belangrijk deel van de informatie die nodig is voor een toetsing is vastgelegd in
documenten zoals de legger, beheers- en instandhoudingplannen, bedieninstructies,
ontwerpnota’s en tekeningen. In de kunstwerkentool is een deel van de informatie uit
bovengenoemde documenten vastgelegd. De documenten zelf zijn niet via de tool
INVULLING WITTE VLEKKEN KUNSTWERKEN
074373219:B ARCADIS 29
beschikbaar. Wel is in de tab ‘Algemene gegevens’ een record ‘Tekeningen en informatie’
aanwezig waarin een overzicht van tekeningen en rapporten is opgenomen. In het kader
van de toetsing is het wenselijk dat deze documenten voorhanden zijn en geraadpleegd
kunnen worden.

In de huidige opzet van de kunstwerkentool wordt de actuele informatie over het
kunstwerk getoond. In een aantal gevallen is het gewenst terug te kunnen kijken en de
gegevens uit voorgaande toetsrondes te kunnen inzien. Te denken valt aan hydraulische
randvoorwaarden die in het verleden gehanteerd zijn, de conditieontwikkeling van een
kunstwerk en de toetsresultaten van voorgaande toetsrondes.

Conclusie
Op basis van bovenstaande bevindingen is de conclusie dat de kunstwerkentool een goed
hulpmiddel is voor het beheer en de opslag van voor de toetsing relevante informatie. Met
de tool kan op een overzichtelijke en eenduidige wijze per kunstwerk de informatie worden
vastgelegd en beheerd. In het kader van VNK2 is al veel informatie verzameld waar gebruik
van gemaakt kan worden. In het kader van de VTV toetsingen is het wel gewenst de tool op
een aantal aspecten uit te breiden. De verwachting is dat de kosten van een eventuele
aanpassing of uitbreiding van de tool lager zullen zijn dan de ontwikkeling van een heel
nieuw systeem.

4.4 AANBEVELINGEN
Om de huidige versie van de kunstwerkentool ook voor VTV-toetsing in te zetten, is het aan
te bevelen de tool op een aantal aspecten uit te breiden dan wel aan te passen. Omdat al veel
voorwerk gedaan is bij de ontwikkeling van de huidige tool zijn de aanpassingen op
eenvoudige wijze door te voeren. De volgende aanpassingen worden voorgesteld:
1. Koppeling met ToetsRap;
2. Een nieuw tabblad met een overzicht van brondocumenten;
3. Brondocumenten digitaal koppelen aan het overzicht;
4. Toevoegen van records aan de bestaande tabbladen;
5. Toevoegen GIS interface;
6. Verwijzing opnemen in VTV.

1 Koppeling met ToetsRap
Voorgesteld wordt de kunstwerkentool te koppelen aan ToetsRap en ToetsRap als
toegangsportaal te gebruiken. ToetsRap is in de afgelopen periode bij alle beheerders
ingevoerd en wordt nu gevuld met de toetsresultaten van de derde toetsronde. Het grote
voordeel van de koppeling is dat via één platform zowel de toetsresultaten als de
brongegevens te bereiken zijn. Op deze manier wordt de drempel verlaagd om de
kunstwerkentool te gaan gebruiken en up-to-date te houden.

Bijkomend voordeel is dat Toetsrap een grafische interface heeft waarbij de kunstwerken op
een kaartondergrond worden weergegeven. Dit verhoogt de gebruiksvriendelijkheid van de
tool.

Mocht het vanuit de beheerders gewenst zijn, dan kan bij het opstarten van de tool een
keuzescherm toegevoegd worden waar bij het opstarten een keuze gemaakt moet worden
INVULLING WITTE VLEKKEN KUNSTWERKEN
074373219:B ARCADIS 30
tussen een VNK2-toetsing of een VTV-toetsing. Per item kan op deze manier geregeld
worden welke informatie zichtbaar is.

2 Nieuw tabblad met brondocumenten
In de huidige versie van de kunstwerkentool is onder het tabblad ‘Algemeen’ een record
‘Tekeningen en informatie’ opgenomen. Voorgesteld wordt een nieuw tabblad aan te maken
waarin een overzicht van alle relevante documenten is opgenomen. Dit vereenvoudigt het
documentbeheer en geeft een beter beeld van de beschikbare informatie.

3 Brondocumenten digitaal koppelen
Voorgesteld wordt de relevante documenten digitaal te koppelen aan bovengenoemde
documentenlijst. Veel beheerders hebben weliswaar een eigen archiefsysteem, maar de
ervaring is dat het terugvinden van de documenten veel tijd kost. In het kader van een
toetsing wordt veel inspanning gedaan om de informatie te verzamelen (eventueel
aangevuld met veldonderzoek), maar bij aanvang van de volgende toetsronde blijkt de
informatie lastig terug te vinden.

Door de documenten digitaal in een centrale database onder te brengen, zijn ze ook voor een
volgende toetsronde eenvoudig terug te vinden. Belangrijk is wel dat alleen de documenten
die voor de toetsing relevant zijn worden ondergebracht in de database. Zeker van grote
kunstwerken zijn vaak honderden rapporten en tekeningen aanwezig, waarvan maar een
paar documenten echt relevant zijn voor de toetsing. Het doel moet zeker niet zijn een
geheel nieuw archiefsysteem voor de beheerders op te zetten.

Een andere mogelijkheid is dat er vanuit de kunstwerkentool een link gelegd wordt naar het
archiefsysteem van de beheerders. Dit is vooral interessant voor beheers die hun archief
goed op orde hebben en ook actueel houden. Het voordeel is dat de informatie in de
kunstwerkentool daarmee actueel te houden is.

Zoals hierboven al is aangegeven, is een belangrijk deel van de informatie die nodig is voor
een toetsing vastgelegd in documenten zoals de legger, bedieninstructies, ontwerpnota’s en
tekeningen. Het is ondoenlijk al die informatie onder te brengen records. Het is zinvoller de
documenten zelf te kunnen raadplegen (dit geldt zeker voor tekeningen).

4 Toevoegen van records
Aan de bestaande tabbladen kunnen records worden toegevoegd met informatie die voor de
toetsing van belang is. Mogelijke toevoegingen zijn: grondwaterstanden, toetsresultaten
vorige toetsronde, gegevens over de fundering, grondmechanische gegevens en gegevens
constructieonderdelen (zie ook Bijlage 2 en 7). Voor dit laatste punt kan overwogen worden
een nieuw tabblad toe te voegen of het tabblad ‘Afmetingen’ verder uit te breiden. Hierbij
dient goed nagedacht te worden over welke record zinvol zijn om toe te voegen. Zoals bij
punt 2 is aangegeven is het niet mogelijk alle informatie goed in records onder te brengen en
kan het zinvoller zijn te verwijzen naar een tekening of ontwerpnota.

Zoals in paragraaf 4.3 is aangegeven wordt in de huidige opzet van de kunstwerkentool de
actuele informatie over het kunstwerk getoond. Als aanvulling kan de huidige tool worden
uitgebreid met de mogelijkheid tot het inzien gegevens uit voorgaande toetsrondes.

5 Toevoegen GIS interface
INVULLING WITTE VLEKKEN KUNSTWERKEN
074373219:B ARCADIS 31
Om de huidige kunstwerkentool gebruiksvriendelijker te maken, wordt voorgesteld een GIS
interface toe te voegen. Voorgesteld wordt om, vergelijkbaar met PC-ViNK, een grafische
interface toe te voegen waarbij de kunstwerken op een kaartondergrond worden
weergegeven. De benodigde componenten hiervoor zijn al beschikbaar, zodat de grafische
interface eenvoudig kan worden toegevoegd. Wordt de kunstwerkentool gekoppeld met
ToetsRap (aanbeveling 1) dan is de grafische interface aanwezig en komt deze aanbeveling
te vervallen.

6 Verwijzing opnemen in VTV
Voorgesteld wordt om in de VTV de aanbeveling tot het gebruik van de kunstwerkentool op
te nemen. Vergelijkbaar met de wijze waarop de digitale rapportage wordt voorgeschreven,
kan ook het gebruik van de kunstwerkentool worden voorgeschreven. Hiermee krijgt het
een wettelijk en dus verplicht karakter.

INVULLING WITTE VLEKKEN KUNSTWERKEN
074373219:B ARCADIS 32
HOOFDSTUK
5 Meervoudig beheer
van kunstwerken
5.1 INLEIDING
Een situatie die op kunstwerken veelvuldig voorkomt is de situatie van meervoudig beheer.
Daarmee wordt bedoeld dat op een kunstwerk meerdere beheerders zijn die
verantwoordelijk zijn voor verschillende functies van het object. Het is in dat geval van
groot belang dat de verantwoordelijkheid voor de toetsing duidelijk wordt belegd, maar dat
ook de rol van andere beheerders in de toetsing duidelijk wordt afgesproken. Uiteindelijk is
dit een procesmatig/bestuurlijk probleem dat opgelost moet worden voordat de eigenlijke
toetsing goed kan worden uitgevoerd. Binnen het VTV kan wel deze situatie en de daaruit
voortvloeiende complicaties worden aangegeven.

5.2 TEKSTVOORSTEL MEERVOUDIG BEHEER KUNSTWERKEN
Kunstwerken liggen op locaties waar de functie waterkeren wordt gecombineerd met
tenminste één andere functie. Voorbeelden zijn:
Combinatie van scheepvaartverkeer met waterkeren door middel van een schutsluis
(bijvoorbeeld de Roompotsluis in de Oosterscheldekering);
Combinatie van het spuien van overtollig water met waterkeren door middel van een
spuisluis (bijvoorbeeld de spuisluizen in de Afsluitdijk);
Combinatie van een verbinding voor landverkeer (weg of spoor) met waterkeren door
middel van een coupurekering in een tunnel of een weg over sluisdeuren (voorbeeld van
een laatste combinatie is het sluizencomplex IJmuiden in verband met het vervoer van
gevaarlijke stoffen).

In de meeste gevallen zijn de functies van het object met elkaar in conflict. In veel gevallen
doordat vervulling van de functie water keren een gesloten kering vereist en het vervullen
van de andere functie een open kering.

In veel gevallen is niet alleen sprake van verschillende functies, maar zijn ook verschillende
beheerders verantwoordelijk voor het beheer van de verschillende functies. Onderstaande
tabel geeft een overzicht van in de praktijk voorkomende beheersituaties.

Situatie Toedeling beheer
1 Eén beheerder voor alle functies
2 Beheer waterkering belegd bij één afdeling en beheer andere functies belegd bij
een andere afdeling van één organisatie
3 Beheer waterkering belegd bij één organisatie en beheer andere functies belegd bij
Tabel 5.1
Mogelijke toedeling van beheer
bij een waterkerend kunstwerk
INVULLING WITTE VLEKKEN KUNSTWERKEN
074373219:B ARCADIS 33
Situatie Toedeling beheer
een andere organisatie
4 Beheer waterkering belegd bij één organisatie en beheerder andere functie
onbekend

Alle geschetste situaties komen in de praktijk voor. Situatie 4 doet zich vooral voor bij
kleinere objecten, zoals leidingkruisingen, waarvan het bestaan soms bij een nadere
inspectie van de waterkering aan het licht komt en waarvan dan niet altijd duidelijk is wat
de functie is van het object en wie de beheerder is.
Buiten het voornoemde bestaat de mogelijkheid dat het beheer van al de mogelijke functies
bij één instantie berust maar het (dagelijkse) gebruik gekoppeld aan minimaal één functie
wordt uitgeoefend door een derde instantie. Bij het sluizencomplex IJmuiden is
Rijkswaterstaat beheerder uit oogpunt van al de functies; waterkering, spuisluis, schutsluis
en weg. Het Centraal Nautisch Beheer Noordzeekanaalgebied begeleidt de scheepvaart van
en naar het Noordzeekanaalgebied en gebruikt in dit kader de schutsluizen. Rijkswaterstaat
is echter weer verantwoordelijk voor het oplossen van technische storingen.

De situatie met meerdere functies en meerdere beheerders kan tot diverse complicaties
leiden met betrekking tot het toetsen van de waterkering:
De functie van het object is onduidelijk en de beheerder ervan is onbekend;
De rolverdeling is onduidelijk. Het is niet duidelijk wie het initiatief neemt tot het
uitvoeren van de toetsing;
Het gebruik van het object als waterkering is veel minder frequent dan het gebruik voor
de andere functie. Zelfs wanneer één organisatie verantwoordelijk is voor het totale
beheer, dan nog is de beheerder zich soms onvoldoende bewust van de verplichting tot
toetsen en de informatie en inspanning die daarvoor nodig is. Bijkomend kan het zich
voordoen dat uit oogpunt van één functie aanpassingen gewenst zijn maar intern bij de
beheerder niet wordt gekeken daar de consequenties hiervan voor de functie
waterkering. Een toets op voorhand aan de Wet op de waterkering / Waterwet norm
wordt dan ook vergeten met alle mogelijke gevolgen van dien bij de ‘echte’ toets;
Het is onduidelijk waar informatie over het object wordt bijgehouden;
Informatie over het object met betrekking tot de functie water keren wordt niet of
onvoldoende bijgehouden.

Uiteraard dient de waterkeringbeheerder primair te zorgen voor dekkende kennis over alle
relevante objecten in de waterkering en het identificeren van de betrokken beheerders.
Vervolgens dienen vanuit waterkeringsperspectief duidelijke afspraken te worden gemaakt
over:
Toedeling van verantwoordelijkheden, waaronder de uitvoering van de toetsing en de
uitvoering van het beheer en onderhoud;
Eisen aan beheer en onderhoud in verband met de functie waterkering;
Afspraken met betrekking tot de toegang tot het object en de bevoegdheden met
betrekking tot het gebruik van het object, vooral in het geval van (dreigende) hoog water
situaties;
Afspraken met betrekking tot het bijhouden van objectinformatie (waaronder
storingsregistratie en onderhoudshistorie);
Afspraken met betrekking tot de toegang tot objectinformatie;
INVULLING WITTE VLEKKEN KUNSTWERKEN
074373219:B ARCADIS 34
In de regel zal de waterkeringbeheerder de beheerder zijn van de legger en het
beheersregister van de waterkering. De wijze, waarop de andere beheerder zijn gegevens
toelevert aan deze documenten, dient te worden afgestemd.

Ten behoeve van het beheren en toetsen van het object als waterkering kan een
(kwalitatieve) integrale risicoanalyse behulpzaam zijn. Daarmee ontstaat een helder beeld
van de functies die door het object worden vervuld, de daarmee samenhangende rol en
verantwoordelijkheidverdeling intern dan wel met een externe instantie en de oorzaken die
vervulling van de functies bedreigen.

Verder is het van groot belang dat alle betrokken partijen zich bewust zijn en blijven van de
afspraken en verantwoordelijkheden.

5.3 POSITIE IN HET VTV
Voorgesteld wordt de bovenstaande tekst op te nemen in Katern C als extra paragraaf
(paragraaf 2.8). In aanvulling hierop kan in Katern 7 een verwijzing naar deze tekst worden
opgenomen.

INVULLING WITTE VLEKKEN KUNSTWERKEN
074373219:B ARCADIS 35
HOOFDSTUK
6 Toetsprocedure
opstellen plan van aanpak
6.1 INLEIDING
In geval dat geen oordeel gegeven kan worden, dient in de toetsrapportage een
gedetailleerd plan van aanpak te worden opgenomen voor het vervolg van de toetsing. Als
het gebrek aan gegevens de oorzaak is van het niet kunnen geven van een oordeel dan dient
een plan van aanpak voor het inwinnen van informatie te worden opgesteld. De ervaring is
dat in de huidige toetsrapportages weinig aandacht wordt besteed aan een plan voor het
inwinnen van informatie. Pas als de volgende toetsronde ten einde loopt worden er acties in
gang gezet om gegevens te verzamelen.

In de huidige VTV wordt het opstellen van een plan van aanpak benoemd als onderdeel van
de toetsing. Ook wordt een handreiking gedaan voor het plan van aanpak. Op deze punten
kan de VTV echter aangescherpt worden zodat nadrukkelijker de verplichting tot het
opstellen van een plan van aanpak voor het inwinnen van informatie naar voren komt. In
dit hoofdstuk zijn voorstellen opgenomen voor een aanpassing van de VTV op dit punt. Het
betreft aanvullingen voor:
Katern 2 en 3;
Katern 5 tot en met 10.

6.2 VOORSTEL AANPASSING KATERN 2
Voor Katern 2 worden de volgende aanpassingen voorgesteld:
Aanpassing van het hoofdschema van de toetsing Figuur 2-2.2;
Tekstuele aanpassing van paragraaf 2.1.4.
Aanpassing hoofdschema toetsing
In figuur 2-2.2 van VTV 2006 is het hoofdschema van de toetsing weergegeven. Het huidige
schema eindigt bij de eindscore (zie onderstaande afbeelding).

INVULLING WITTE VLEKKEN KUNSTWERKEN
074373219:B ARCADIS 36


Het voorstel voor het aangepaste schema is hieronder weergegeven.


Aan het schema is de stap toegevoegd die doorlopen moeten worden nadat een eindscore
gegeven is. Dit geldt in het bijzonder bij de eindscore ‘onvoldoende’, maar ook in geval geen
oordeel gegeven kan worden als gevolg van gebrek aan gegevens. In dat geval dient er
nader onderzoek (no) uitgevoerd te worden. Hiermee wordt duidelijker weergegeven dat er
na de eindscore nog een proces van verbetering volgt voordat de volgende toetsing
uitgevoerd kan worden.

Verder wordt voorgesteld om aan paragraaf 2.1.1 de volgende toelichtende tekst toe te
voegen aan de laatste alinea:
Indien de eindscore onvoldoende(o) is of indien het geven van een eindscore niet mogelijk is als
gevolg van gebrek aan informatie (no) dient een plan van aanpak voor verbetering te worden
opgesteld (zie Katern 2 en 3).
Tekstuele aanpassing paragraaf 2.1.4
Voorgesteld wordt aan de laatste alinea van paragraaf 2.1.4 de volgende tekst toe te voegen:
Indien het geven van een eindscore niet mogelijk is als gevolg van het ontbreken van gegevens,
dient een plan van aanpak voor het inwinnen van gegevens te worden opgesteld.

6.3 VOORSTEL AANVULLING KATERN 2 EN 3
Voor Katern 3 worden de volgende aanpassingen voorgesteld:
Tekstuele aanpassing van paragraaf 2.2.1;
Figuur 6.4
Huidig hoofdschema toetsing
Figuur 6.5
Aangepast hoofdschema
toetsing
INVULLING WITTE VLEKKEN KUNSTWERKEN
074373219:B ARCADIS 37
Tekstuele aanpassing van paragraaf 3.1;
Tekstvoorstel nieuwe paragraaf 3.4.
Tekstuele aanpassing paragraaf 2.2.1
Paragraaf 2.2.1 begint met een korte beschrijving van de inhoud van een toetsrapportage.
Aangegeven is dat de rapportage aangevuld moet worden met:
De ervaringen opgedaan met het toetsen;
Het gevoerde beheer;
Een plan van aanpak voor voorziene verbeteringen in geval van secties met een eindscore
‘onvoldoende’;
Een plan van aanpak voor de volgende toetsronde in geval een oordeel niet mogelijk is,
opdat de volgende toetsronde wel een eindscore toegekend kan worden.

De eerste drie punten worden in paragraaf 2.2.1 verder uitgewerkt (bladzijde 86 van Katern
3), terwijl het laatste punt in de uitwerking niet meer terug komt. Voorgesteld wordt de
tekst van kopje “Gevoerd beheer en plan van aanpak voorziene verbeteringen” aan te
passen en een extra kopje toe te voegen voor de uitwerking van het plan van aanpak bij
geen oordeel.

Voorgesteld wordt de tekst van kopje “Gevoerd beheer en plan van aanpak voorziene
verbeteringen” als volgt aan te passen:
Gevoerd beheer en plan van aanpak bij score onvoldoende
In het plan van aanpak dienen de volgende aspecten te zijn opgenomen:
Het gevoerde beheer;
De uit de toetsing voortvloeiende beheermaatregelen;
Uit te voeren nader onderzoek voor onvoldoende getoetste onderdelen;
Voorgenomen verbeteringen (versterkingen);
Planning van de acties;
Eventuele verschillen in inzicht met andere overheden ten aanzien van beleid dat risico’s
inhoudt of schadelijk is voor het beheer van de waterkering.

In hoofdstuk 3 wordt het plan van aanpak nader toegelicht en uitgewerkt.

In de huidige tekst wordt gesproken over uit te voeren nader onderzoek voor reeds
getoetste onderdelen. Dit is gewijzigd in nader onderzoek voor onvoldoende getoetste
onderdelen. Bij een score onvoldoende kan het zinvol zijn nader onderzoek te doen, zeker
als de gegevens die voor de toetsing gebruikt zijn vrij globaal zijn. Op basis van meer
gedetailleerde informatie is het soms mogelijk alsnog een score goed of voldoende te geven.

De tekst “eventueel nog niet getoetste onderdelen” is komen te vervallen.

Voorgesteld wordt de volgende tekst aan paragraaf 2.2.1 toe te voegen:
Plan van aanpak in geval van nader onderzoek
In het plan van aanpak dienen de volgende aspecten te zijn opgenomen:
De niet getoetste onderdelen;
De oorzaak dat onderdelen niet getoetst zijn;
Uit te voeren nader onderzoek ter verkrijging van ontbrekende informatie;
Uit te voeren berekeningen ter verkrijging van ontbrekende hydraulische randvoorwaarden;
Planning van de acties.
INVULLING WITTE VLEKKEN KUNSTWERKEN
074373219:B ARCADIS 38

In hoofdstuk 3 wordt een handreiking gedaan voor het plan van aanpak.
Tekstuele aanpassing paragraaf 3.1
In hoofdstuk 3 wordt een handreiking gedaan voor het plan van aanpak bij de
toetsrapportage. Voorgesteld wordt paragraaf 3.1 als volgt aan te passen:
3.1 Algemeen
Indien de toestand van de kering daartoe aanleiding geeft, bevatten de rapportages
omschrijvingen van de ‘voorzieningen’ die nodig geacht worden om het waterkerend vermogen
weer op peil te brengen (bij de eindscore ‘onvoldoende’ volgens de toetsregels). Hierbij kan
onderscheid worden gemaakt tussen vast onderhoud, variabel onderhoud, verbeteringswerken
en herstelmaatregelen (zie hoofdstuk 1 van Katern 2). Tevens dient een globaal plan van
aanpak (inclusief planning) te worden opgenomen voor het tot stand brengen van de nodig
geachte voorzieningen.

Voor de beoordelingssporen (zie Tabel 2 - 4.1 in Katern 2) en de secties waarvoor een eindscore
niet mogelijk is dient in de rapportage een plan van aanpak (inclusief planning) te worden
opgenomen om bij de eerstvolgende toetsronde wel een eindscore toe te kunnen kennen.

Voor dijkringgebieden in het boven- of benedenrivierengebied waarvan een of meer dijksecties
de eindscore ‘onvoldoende’ volgens de toetsingsregels hebben, worden in § 3.2 van dit katern
handreikingen gegeven voor het op te stellen plan van aanpak.

In § 3.3 van dit katern worden aanwijzingen gegeven voor het op te stellen plan van aanpak
voor duinsecties met een eindscore ‘onvoldoende’ volgens de toetsingsregels.

In § 3.4 van dit katern worden aanwijzingen gegeven voor het op te stellen plan van aanpak
voor secties waar een eindscore niet mogelijk is als gevolg van het ontbreken van informatie.
Tekstvoorstel nieuwe paragraaf 3.4
Als aanvulling op hoofdstuk 3 wordt de volgende tekst voorgesteld:
3.4 Secties waar een eindscore niet mogelijk is
In veel gevallen is het niet kunnen geven van een oordeel het gevolg van het ontbreken van
informatie over het kunstwerk of de hydraulische randvoorwaarden. In de toetsrapportage
dient een plan van aanpak opgenomen te worden voor het inwinnen van informatie, zodat in
de volgende toetsronde de toetsing wel uitgevoerd kan worden.

Het plan van aanpak dient de volgende onderdelen te bevatten:
1. Een overzicht van de niet getoetste onderdelen;
2. Een overzicht van de ontbrekende informatie;
3. Uit te voeren archiefonderzoek;
4. Uit te voeren veldonderzoek;
5. Uit te voeren berekeningen of modelonderzoek;
6. Planning van werkzaamheden.

1 Overzicht niet getoetste onderdelen
In het plan van aanpak dient een overzicht van de niet getoetste onderdelen te worden
opgenomen met daarbij aangegeven welke toetssporen niet getoetst zijn. Ook de reden dat
het onderdeel niet getoetst is dient te worden toegelicht. Het kan zijn dat de gegevens geheel
ontbreken. Ook is het mogelijk dat er summier informatie beschikbaar is waardoor niet
INVULLING WITTE VLEKKEN KUNSTWERKEN
074373219:B ARCADIS 39
doorgetoetst kan worden (gedetailleerd/geavanceerd).

2 Overzicht ontbrekende informatie
Op basis van het overzicht van niet getoetste onderdelen dient een overzicht van ontbrekende
informatie worden opgesteld. Hiervoor kan gebruik gemaakt worden van de Checklist
benodigde informatie. De benodigde informatie hangt mede af van het detailniveau waarop de
toetsing uitgevoerd moet worden.

3 Archiefonderzoek
Het uitvoeren van archiefonderzoek is relatief goedkoop. Het is daarom raadzaam als eerste
een archiefonderzoek uit te voeren voordat er veldonderzoek uitgevoerd wordt. Er kan in beeld
gebracht worden wie de beheerder van het kunstwerk is (of in het verleden is geweest) en waar
mogelijke archieven te vinden zijn. Naast de archieven bij de beheerders
(Waterschappen/Rijkswaterstaat) zijn ook bij andere instanties archieven die geraadpleegd
kunnen worden, zoals het gemeentearchief en de STOWA database.

4 Veldonderzoek
Het plan van aanpak dient een overzicht van het benodigde veldonderzoek te bevatten.
Aangegeven moet worden voor welke onderdelen veldonderzoek nodig is en welke informatie
verkregen moet worden. Voor dit overzicht kan gebruikt gemaakt worden van het document
“Methoden voor gegevensinwinning”.

5 Aanvullende berekeningen of modelonderzoek
Indien aanvullende berekeningen gemaakt moeten worden of modelonderzoek nodig is dan
dient hiervoor een plan van aanpak opgesteld te worden. Aangegeven moet worden voor
welke onderdelen veldonderzoek nodig is en welke informatie verkregen moet worden.

6 Planning van de werkzaamheden
Gewaarborgd moet worden dat de ontbrekende informatie tijdig beschikbaar is voor de
volgende toetsronde. Het plan van aanpak dient daarom een planning van de uit te voeren
werkzaamheden te bevatten. Hiermee wordt inzicht verkregen in de benodigde
doorlooptijden.
6.4 VOORSTEL AANVULLING KATERN 5 TOT EN MET 10
Om meer aandacht te schenken aan de verplichting tot het opstellen van een plan van
aanpak als het geven van een oordeel niet mogelijk is, wordt voorgesteld aan Katern 5 tot en
met 10 de volgende tekst toe te voegen:
Indien het geven van een eindscore niet mogelijk is als gevolg van het ontbreken van gegevens,
dient een plan van aanpak voor het inwinnen van gegevens te worden opgesteld (zie Katern 2
en 3).

De tekst kan per katern aan de volgende paragrafen worden toegevoegd:
Katern 5: paragraaf 1.2, bladzijde 114;
Katern 6: paragraaf 1.1.1, bladzijde 199;
Katern 7: paragraaf 1.2, bladzijde 232;
Katern 8: paragraaf 1.1, bladzijde 261;
Katern 9: paragraaf 2.1, bladzijde 374;
Katern 10: paragraaf 1.2, bladzijde 400.

INVULLING WITTE VLEKKEN KUNSTWERKEN
074373219:B ARCADIS 40
BIJLAGE 1 Literatuurlijst
1. Plan van aanpak toetsing witte vlekken kunstwerken; versie D; kenmerk 074133592:D;
d.d. 3 september 2009;
2. Presentatie VNK2 instrumentarium, d.d. 11 oktober 2007, door dhr. R. Hoogendoorn van
Deltares;
3. E-mail R. Hoogendoorn, Deltares, d.d. 3 december 2009;
INVULLING WITTE VLEKKEN KUNSTWERKEN
074373219:B ARCADIS 41
BIJLAGE 2 Checklist benodigde informatie











































INVULLING WITTE VLEKKEN KUNSTWERKEN
074373219:B ARCADIS 42
Bijlage 2.1 Checklist toetsspoor Hoogte (HT)

Toetsniveau
Toetsspoor Hoogte (HT)


Nr. Omschrijving
E
e
n
v
o
u
d
i
g

G
e
d
e
t
a
i
l
l
e
e
r
d

G
e
a
v
a
n
c
e
e
r
d

Toelichting
1 Actuele hydraulische randvoorwaarden X X X Informatie die nodig is voor de toetsing:
• Maatgevende hoogwaterstand
• Maatgevende golfhoogte
• Maatgevende golfperiode
2 Vertaling van de hydraulische randvoorwaarden naar locatie
specifieke randvoorwaarden
*1

X X X De gegevens die nodig zijn om de vertaling te kunnen maken zijn
locatie afhankelijk. Te denken valt aan:
• Geometrie en waterdiepte havenbekken
• Geometrie havendammen
• Hoogte van het voorland
3 Actuele legger en beheersregister X X X
4 Beheers- en Instandhoudingplan
*2
X X X
5 Toetsresultaten vorige toetsronde X X X
6 Ontwerpnota van het kunstwerk X Informatie die nodig is voor de toetsing:
• Gehanteerde ontwerpvoorschriften;
• Gehanteerde (hydraulische) randvoorwaarden.
7 Actuele hoogtemeting keermiddelen
*8
X X X
8 Actuele overzichtstekening en doorsnede tekeningen van het
kunstwerk
*3

X X
9 Actuele informatie van aansluitende grondlichamen X X Informatie die nodig is voor de toetsing:
• Geometrie
• Grondopbouw en grondparameters
10 Actuele hoogtemeting aansluitende grondlichamen
*9
X X
11 Actuele informatie over de bekleding van de aansluitende
grondlichamen, sluisplateau of binnentalud
X X Informatie die nodig is voor de toetsing:
• Type bekleding
• Opbouw van de bekleding (dikte, materiaaleigenschappen)
12 Actuele inspectiegegevens/gegevens onderhoudsstaat X X
INVULLING WITTE VLEKKEN KUNSTWERKEN
074373219:B ARCADIS 43
Toetsniveau
Toetsspoor Hoogte (HT)


Nr. Omschrijving
E
e
n
v
o
u
d
i
g

G
e
d
e
t
a
i
l
l
e
e
r
d

G
e
a
v
a
n
c
e
e
r
d

Toelichting
13 Toelaatbare waterstand aan de binnenzijde en/of
kombergend vermogen van het achterland
X X Hierbij dient ook rekening gehouden te worden met het aantal
kunstwerken van het watersysteem of in het dijkringgebied.
14 Statistische onzekerheid op het toetspeil X
15 Correlatie tussen de hoge waterstand op het buitenwater en
de hoge waterstand op het binnenwatersysteem
X
16 Correlatie tussen de kansverdelingen van overloopdebieten
over de verschillende kunstwerken in de dijkring
X
17 Hoogwater overschrijdingslijn / vervalstatistiek X



INVULLING WITTE VLEKKEN KUNSTWERKEN
074373219:B ARCADIS 44

Bijlage 2.2 Checklist toetsspoor Sterkte en Stabiliteit (ST)

Toetsniveau
Toetsspoor Stabiliteit en Sterkte (ST)
Deelspoor Stabiliteit van constructie en grondlichaam (STCG)



Nr. Omschrijving
E
e
n
v
o
u
d
i
g

G
e
d
e
t
a
i
l
l
e
e
r
d

G
e
a
v
a
n
c
e
e
r
d

Toelichting
1 Actuele hydraulische randvoorwaarden X X X Informatie die nodig is voor de toetsing:
• Maatgevende hoogwaterstand
• Maatgevende golfhoogte
• Maatgevende golfperiode
• Golfrichting
2 Vertaling van de hydraulische randvoorwaarden naar locatie
specifieke randvoorwaarden
*1

X X X De gegevens die nodig zijn om de vertaling te kunnen maken zijn
locatie afhankelijk. Te denken valt aan:
• Geometrie en waterdiepte havenbekken
• Geometrie havendammen
• Diepte van het voorland
3 Actuele legger en beheersregister X X X
4 Beheers- en Instandhoudingplan
*2
X X X
5 Toetsresultaten vorige toetsronde X X X
6 Actuele overzichtstekening en doorsnede tekeningen van het
kunstwerk
*3

X X X Informatie die nodig is voor de toetsing:
• Aanleghoogte en oorspronkelijke geometrie van het
kunstwerk
*5

7 Ontwerpnota van het kunstwerk X X X Informatie uit de ontwerpnota die voor de stabiliteitstoetsing van
belang zijn:
• Gehanteerde ontwerpvoorschriften
• Gehanteerde (hydraulische) randvoorwaarden
• Oorspronkelijke ontwerpberekening (berekeningen
(paal)fundering, damwandberekeningen,
stabiliteitsberekeningen van de grondlichamen)
8 Informatie over operationele of onderhouds-
omstandigheden
*4

X X X
9 Het verval over het kunstwerk (minimale en maximale X X X
INVULLING WITTE VLEKKEN KUNSTWERKEN
074373219:B ARCADIS 45
Toetsniveau
Toetsspoor Stabiliteit en Sterkte (ST)
Deelspoor Stabiliteit van constructie en grondlichaam (STCG)



Nr. Omschrijving
E
e
n
v
o
u
d
i
g

G
e
d
e
t
a
i
l
l
e
e
r
d

G
e
a
v
a
n
c
e
e
r
d

Toelichting
waterstanden)
10 Grondwaterstand rond het kunstwerk X X X
11 Keringconcept (enkel of getrapt keren) X X X
12 Actuele hoogtemeting keermiddelen en overige
constructieonderdelen (sluishoofd, pijlers)
*5

X X X
13 Actuele informatie over aansluitende en achterliggende
grondlichamen
X X X Informatie die nodig is voor de toetsing:
• Aanleghoogte en oorspronkelijke geometrie
• Grondopbouw en grondparameters
• Maaiveldhoogte
14 Actuele inspectiegegevens/gegevens onderhoudsstaat X X X
15 Actuele informatie over de fundering X X Informatie die nodig is voor de toetsing:
• Palenplan, type en afmeting palen, paalpuntniveaus
• Afmetingen funderingsvlak (bij fundering op staal)
16 Actuele informatie over keerwanden/keermuren X X Informatie die nodig is voor de toetsing:
• Afmeting, diepte, type damwand
17 Gegevens grondopbouw, boringen, sonderingen (tot een
diepte 4x paalafmeting onder pp niveau)
X X Informatie die nodig is voor de toetsing:
• Laagdiktes aanwezige grondlagen
• Eigenschappen/parameters van de aanwezige grondlagen
18 Actuele informatie over de bodem- en oeverbescherming X X Informatie die nodig is voor de toetsing:
• Type bodem- en oeverbescherming
• Opbouw van de constructie (laagdikte,
materiaaleigenschappen, sortering, afmeting elementen)
19 Faalkansen van de constructieonderdelen X
20 Correlatie tussen de hoge waterstand op het buitenwater en
de hoge waterstand op het binnenwatersysteem
X
21 Hoogwater overschrijdingslijn / vervalstatistiek X
INVULLING WITTE VLEKKEN KUNSTWERKEN
074373219:B ARCADIS 46

Toetsniveau
Toetsspoor Stabiliteit en Sterkte (ST)
Deelspoor Sterkte van constructieonderdelen (STCO)



Nr. Omschrijving
E
e
n
v
o
u
d
i
g

G
e
d
e
t
a
i
l
l
e
e
r
d

G
e
a
v
a
n
c
e
e
r
d

Toelichting
1 Actuele hydraulische randvoorwaarden X X X Informatie die nodig is voor de toetsing:
• Maatgevende hoogwaterstand
• Maatgevende golfhoogte
• Maatgevende golfperiode
• Golfrichting
2 Vertaling van de hydraulische randvoorwaarden naar locatie
specifieke randvoorwaarden
*1

X X X De gegevens die nodig zijn om de vertaling te kunnen maken zijn
locatie afhankelijk. Te denken valt aan:
• Geometrie en waterdiepte havenbekken
• Geometrie havendammen
• Diepte van het voorland
3 Actuele legger en beheersregister X X X
4 Beheers- en Instandhoudingplan
*2
X X X
5 Actuele overzichtstekening en doorsnede tekeningen van het
kunstwerk
*3

X X X
6 Toetsresultaten vorige toetsronde X
7 Ontwerpnota van het kunstwerk X X X Informatie uit de ontwerpnota die voor de sterktetoetsing van
belang zijn:
• Gehanteerde ontwerpvoorschriften
• Gehanteerde (hydraulische) randvoorwaarden
• Oorspronkelijke ontwerpberekening
(constructieberekeningen)
8 Informatie over operationele of onderhouds-
omstandigheden
*4

X
9 Actuele inspectiegegevens/gegevens onderhoudsstaat X X X
10 Het verval over het kunstwerk (minimale en maximale
waterstanden)
X X X
11 Grondwaterstand rond het kunstwerk X X X
12 Keringconcept (enkel of getrapt keren) X X X
INVULLING WITTE VLEKKEN KUNSTWERKEN
074373219:B ARCADIS 47
Toetsniveau
Toetsspoor Stabiliteit en Sterkte (ST)
Deelspoor Sterkte van constructieonderdelen (STCO)



Nr. Omschrijving
E
e
n
v
o
u
d
i
g

G
e
d
e
t
a
i
l
l
e
e
r
d

G
e
a
v
a
n
c
e
e
r
d

Toelichting
13 Informatie over aanpassingen aan het kunstwerk
*6
X X X
14 Informatie over de fundering X X Informatie die nodig is voor de toetsing:
• Palenplan, type en afmeting palen, paalpuntniveaus
• Afmetingen funderingsvlak (bij fundering op staal)
15 Gegevens grondopbouw, boringen, sonderingen (tot een
diepte 4x paalafmeting onder pp niveau)
X X Informatie die nodig is voor de toetsing:
• Laagdiktes aanwezige grondlagen
• Eigenschappen/parameters van de aanwezige grondlagen
16 Actuele informatie over de waterkerende
constructieonderdelen (sluishoofd, kwelscherm,
keermiddelen, vleugelwanden, schotbalken)
X X Informatie die nodig is voor de toetsing:
• Afmeting van de onderdelen
• Materiaaleigenschappen (druksterkte, staalkwaliteit, sterkte
metselwerk, hoeveelheid wapening)
17 Actuele vervormingmetingen keermiddelen en overige
constructieonderdelen (sluishoofd, pijlers)
X
18 Faalkansen van de constructieonderdelen X
19 Correlatie tussen de hoge waterstand op het buitenwater en
de hoge waterstand op het binnenwatersysteem
X
20 Hoogwater overschrijdingslijn / vervalstatistiek X

INVULLING WITTE VLEKKEN KUNSTWERKEN
074373219:B ARCADIS 48

Toetsniveau
Toetsspoor Stabiliteit en Sterkte (ST)
Deelspoor Piping en Heave (STPH)



Nr. Omschrijving
E
e
n
v
o
u
d
i
g

G
e
d
e
t
a
i
l
l
e
e
r
d

G
e
a
v
a
n
c
e
e
r
d

Toelichting
1 Actuele hydraulische randvoorwaarden X X X Informatie die nodig is voor de toetsing:
• Maatgevende hoogwaterstand
2 Vertaling van de hydraulische randvoorwaarden naar locatie
specifieke randvoorwaarden
*1

X X X De gegevens die nodig zijn om de vertaling te kunnen maken zijn
locatie afhankelijk. Te denken valt aan:
• Geometrie en waterdiepte havenbekken
• Geometrie havendammen
• Diepte van het voorland
3 Actuele legger en beheersregister X X X
4 Beheers- en Instandhoudingplan
*2
X X X
5 Informatie over operationele of onderhouds-
omstandigheden
*3

X
6 Actuele overzichtstekening en doorsnede tekeningen van het
kunstwerk
*3

X X X
7 Toetsresultaten vorige toetsronde X
8 Ontwerpnota van het kunstwerk X X X Informatie uit de ontwerpnota die voor de piping en heave
toetsing van belang zijn:
• Gehanteerde ontwerpvoorschriften
• Gehanteerde (hydraulische) randvoorwaarden
• Oorspronkelijke ontwerpberekening
9 Het verval over het kunstwerk (minimale en maximale
waterstanden)
X X X
10 Duur van het hoogwater X X
11 Grondwaterstand rond het kunstwerk X X X
12 Actuele informatie over de fundering X X X Informatie die nodig is voor de toetsing:
• Type fundering (op palen/staal)
• Palenplan, type en afmeting palen, paalpuntniveau’s
• Afmetingen funderingsvlak (bij fundering op staal)
13 Gegevens grondopbouw, boringen, sonderingen X X X Informatie die nodig is voor de toetsing:
INVULLING WITTE VLEKKEN KUNSTWERKEN
074373219:B ARCADIS 49
Toetsniveau
Toetsspoor Stabiliteit en Sterkte (ST)
Deelspoor Piping en Heave (STPH)



Nr. Omschrijving
E
e
n
v
o
u
d
i
g

G
e
d
e
t
a
i
l
l
e
e
r
d

G
e
a
v
a
n
c
e
e
r
d

Toelichting
• Laagdiktes aanwezige grondlagen
• Eigenschappen/parameters van de aanwezige grondlagen
14 Actuele informatie over kwelschermen X X X Informatie die nodig is voor de toetsing:
• Type, afmeting, lengte
• Locatie kwelschermen
• Huidige staat van de kwelschermen
15 Actuele hoogtemeting van het kunstwerk X X X
16 Informatie over filter/bodembescherming aan de
uitstroomzijde
X Informatie die nodig is voor de toetsing:
• Type bodem- en oeverbescherming
• Opbouw van de constructie (laagdikte,
materiaaleigenschappen, sortering, afmeting elementen)
17 Correlatie tussen de hoge waterstand op het buitenwater en
de hoge waterstand op het binnenwatersysteem
X
18 Hoogwater overschrijdingslijn / vervalstatistiek X

Toetsniveau

Toetsspoor Stabiliteit en Sterkte (ST)
Deelspoor Stabiliteit Voorland (STVL)



Nr. Omschrijving
E
e
n
v
o
u
d
i
g

G
e
d
e
t
a
i
l
l
e
e
r
d

G
e
a
v
a
n
c
e
e
r
d

Toelichting
1 Actuele hydraulische randvoorwaarden X X X Informatie die nodig is voor de toetsing:
• Maatgevende hoogwaterstand
2 Hoogteligging van het voorland X X X
3 Lengte vooroeverbestorting X X X
4 Gegevens grondopbouw, boringen, sonderingen X X Informatie die nodig is voor de toetsing:
• Laagdiktes aanwezige grondlagen
• Eigenschappen/parameters van de aanwezige grondlagen
INVULLING WITTE VLEKKEN KUNSTWERKEN
074373219:B ARCADIS 50
Bijlage 2.3 Checklist toetsspoor Betrouwbaarheid Sluiting (BS)
Toetsniveau
Toetsspoor Betrouwbaarheid Sluiting (BS)



Nr. Omschrijving
E
e
n
v
o
u
d
i
g

G
e
d
e
t
a
i
l
l
e
e
r
d

G
e
a
v
a
n
c
e
e
r
d

Toelichting
1 Actuele legger en beheersregister X X X
2 Beheers- en Instandhoudingplan
*2
X X X
3 Actuele overzichtstekening en doorsnede tekeningen van het
kunstwerk
*3

X X X
4 Toetsresultaten vorige toetsronde X
5 Ontwerpnota van het kunstwerk X X X Informatie uit de ontwerpnota die voor de betrouwbaarheid
sluiting van belang zijn:
• Gehanteerde ontwerpvoorschriften
• Gehanteerde (hydraulische) randvoorwaarden
6 Informatie over operationele of onderhouds-
omstandigheden
*4

X
7 Bedieninstructies / sluitprotocollen X X X
8 Drempelhoogte of sluitpeil van het kunstwerk X
9 Toelaatbare waterstand aan de binnenzijde en/of
kombergend vermogen van het achterland
X X Hierbij dient ook rekening gehouden te worden met het aantal
kunstwerken van het watersysteem of in het dijkringgebied.
10 Geometrie van de doorstroomopening X X
11 Actuele informatie over het bedien- en besturingssysteem X Informatie die nodig is voor de toetsing:
• Elektrotechnische en werktuigbouwkundige tekeningen
• Faalkansen, testintervallen en reparatietijden van
componenten
12 Faalkansen van alle onderdelen van het kunstwerk
*7
X
13 Statistische onzekerheid op het toetspeil en golfhoogtes X
14 Correlatie tussen de hoge waterstand op het buitenwater en
de hoge waterstand op het binnenwatersysteem
X
15 Correlatie tussen de kansverdelingen van overloopdebieten
over de verschillende kunstwerken in de dijkring
X
16 Hoogwater overschrijdingslijn / vervalstatistiek X
INVULLING WITTE VLEKKEN KUNSTWERKEN
074373219:B ARCADIS 51
Voetnoten
1. Niet in alle gevallen zijn de benodigde hydraulische randvoorwaarden direct uit de voorgeschreven Hydraulische Randvoorwaarden te halen. Te
denken valt aan kunstwerken die afgeschermd zijn door havendammen of kunstwerken met een voorhaven. Ook kan het zijn dat een kunstwerk ver bij
de locatie waar de randvoorwaarde voor gegeven zijn vandaan ligt.
2. In Beheers- en instandhoudingsplannen is informatie te vinden over de opbouw en werking van het kunstwerk. Met deze informatie kunnen de
waterkerende onderdelen geïdentificeerd worden en kan worden beoordeeld of het kunstwerk op de juiste wijze wordt gebruikt en beheerd.
3. Op basis van tekeningen kan snel inzicht verkregen worden in de opbouw en de werking van het kunstwerk (systeemanalyse). Ook de waterkerende
onderdelen kunnen hiermee geïdentificeerd worden.
4. Op basis van deze informatie kunnen de mogelijk optredende belastingsituaties in de gebruik- of onderhoudsfase geïnventariseerd worden. Het is
bijvoorbeeld mogelijk dat tijdens het onderhoud van een kunstwerk de maatgevende belastingsituatie optreedt/is opgetreden (bijvoorbeeld het
droogzetten van een sluiskolk of een bouwkraan) of tijdens de gebruiksfase (bovenbelasting door passerende voertuigen). Deze informatie kan ook zijn
beschreven in het Beheers- en instandhoudingsplan.
5. Met deze informatie kan samen met de gegevens over de oorspronkelijke aanleghoogte een beeld verkregen worden van het verloop van de zetting.
6. Wat van belang is of door onderhoud of aanpassingen aan het kunstwerk de krachtswerking is gewijzigd. Te denken valt aan ingrepen in de
krachtsafdracht van de keermiddelen. Ook kan door wijzigingen in het gebruik van het kunstwerk een gewijzigde belastingsituatie maatgevend
worden.
7. Deze informatie is nodig als de faalkans van het totale kunstwerk beoordeeld wordt. De methodes van Leidraad Kunstwerken, ook op geavanceerd
niveau, gaan uit van een vaste faalkansruimte van 0,1 x de wettelijke norm voor het faalmechanisme Betrouwbaarheid sluiting. Het is mogelijk om
hiervan af te wijken en een grotere faalkans toe te staan, tussen 0,1 x de norm en 1,0 x de norm.
8. Als kunstwerk op palen gefundeerd is, kan overwogen worden de frequentie van de hoogtemeting te verminderen (1 x per 2 of 3 toetsrondes). Op
palen gefundeerd wordt als nagenoeg zettingsvrij beschouwd dus zal de hoogte gedurende de levensduur niet snel veranderen.
9. Indien hoogtemetingen uit het verleden beschikbaar zijn, kan het zettingsverloop bepaald worden.


INVULLING WITTE VLEKKEN KUNSTWERKEN
074373219:B ARCADIS 52
BIJLAGE 3 Onderzoeksmethoden materiaalonderzoek


Materiaal: Beton

Soort onderzoek Schiethamer onderzoek [B3.1.1]
Bedoeld voor Indicatie representatieve betondruksterkte
Toepasbaarheid /
Beperkingen
Middels een schiethamer wordt de hardheid van de buitenste betonschil bepaald. De
betondruksterkte is een afgeleide van de hardheid.
Kan niet onder water worden uitgevoerd, tenzij de behuizing waterdicht wordt uitgevoerd.
Nauwkeurigheid

Meting geschied aan het oppervlak, en geeft een indruk van de hardheid van buitenste
betonschil. Bij interne betonschade, (wapeningscorrosie, losse schollen) wordt de terugslag
gedempt en kan mogelijk een lagere waarde worden gevonden.

Soort onderzoek Drukproef [B3.1.2]
Bedoeld voor Representatieve betondruksterkte
Toepasbaarheid /
Beperkingen
Middels het uitboren van een betonnen kern uit de constructie wordt de betondruksterkte
bepaald door middel van een drukproef.
Nauwkeurigheid Nauwkeurig. Beproefde methode, vastgelegd in de NEN normering.

Soort onderzoek Ferroscan [B3.1.3]
Bedoeld voor Aantonen van de in het beton aanwezig wapening en een indruk van de betondekking en de
staafdiameter
Toepasbaarheid /
Beperkingen
Middels een magnetisch veld wordt de ligging, de richting en de diepte ligging van de
wapeningsstaven aangetoond. Er wordt een indruk verkregen van de staafdiameter. Hiermee
wordt een indruk verkregen van het wapeningspatroon. De staalkwaliteit is met deze methode
niet te achterhalen. Apparatuur met een dieptewerking tot 30 cm is op de markt beschikbaar.
Nauwkeurigheid Hart op hart afstanden en diepte ligging tot ca. 5 mm nauwkeurigheid. Hoe dieper de staven in
het beton liggen hoe groter de onnauwkeurigheid.

Soort onderzoek Radarscan [B3.1.4]
Bedoeld voor Aantonen van de in het beton aanwezig wapening en een indruk van de betondekking. Tevens
geschikt voor het aantonen van holle ruimten zoals kabelkokers, voorspankanalen, etc.
Toepasbaarheid /
Beperkingen
Middels de echo van radargolven wordt discontinuïteiten in het beton zichtbaar gemaakt.
Hiermee wordt een indruk verkregen van de ligging, de richting en de diepte ligging van de
wapeningsstaven, kabelkanalen, etc. De staalkwaliteit is met deze methode niet te
achterhalen. Apparatuur met een dieptewerking tot 80 cm a 100 cm is op de markt beschikbaar
Nauwkeurigheid Nauwkeurigheid is sterk afhankelijk van een correcte verwerking van de radarsignalen met
filters. Centimeter nauwkeurigheid is haalbaar.

Soort onderzoek Chloride en carbonatatie onderzoek [B3.1.5]
Bedoeld voor Het aantonen van de mate van indringing van chloride en carbonatatie (verouderings-
mechanismen).
Toepasbaarheid /
Beperkingen
Middels het boren van gaten wordt betongruis verzameld dat met chemicaliën getest kan
worden op de aanwezigheid van chloride-indringing en carbonatatie in het beton. Boven
INVULLING WITTE VLEKKEN KUNSTWERKEN
074373219:B ARCADIS 53
water kan met boorgruis worden volstaan. Onder water is het opvangen van boorgruis zeer
lastig. Hier is het uitboren van een betonkern, en deze boven water beproeven, de meest
gangbare methode.
Nauwkeurigheid Beide onderzoeken zijn proeven in het veld en geven een indruk van de indringingsdiepte.
Voor een nauwkeuriger beeld dienen betonkernen te worden uitgeboord en beproefd in een
laboratorium.

Soort onderzoek Destructief onderzoek [B3.1.6]
Bedoeld voor Het aantonen van de kwaliteit, de aantastingsgraad en natuurlijk het wapeningspatroon van
de aanwezige wapening, maar ook voorspanning / voorspankanalen.
Toepasbaarheid /
Beperkingen
Middels het weghakken van beton met mechanische middelen (boren, pneumatische hamer)
wordt de wapening blootgelegd. Deze kan worden opgemeten. Indien gewenst kan een
staalmonster worden genomen voor bepaling van de staalkwaliteit. In principe toepasbaar op
elke locatie. Ook onder water mits het juiste gereedschap wordt gebruikt. Dit onderzoek is
arbeidsintensief en laat visueel sporen achter in de vorm van reparatiemortel waarmee het
weggehakte beton wordt gerepareerd.
Nauwkeurigheid Millimeter nauwkeurigheid.


INVULLING WITTE VLEKKEN KUNSTWERKEN
074373219:B ARCADIS 54


Materiaal: Staal

Soort onderzoek Monsterneming, chemische analyse [B3.2.1]
Bedoeld voor Bedoelt voor het bepalen van staalsoort / kwaliteit en de daarbij behorende sterkte
eigenschappen
Toepasbaarheid /
Beperkingen
Dit onderzoek is met name bedoeld om de staalkwaliteit van oude stalen constructies aan te
tonen. Op een constructief niet schadelijke plek wordt een staalmonster uit de constructie
gezaagd/gebrand. Dit monster wordt in een laboratorium chemisch geanalyseerd, en beproefd
op sterkte.
Nauwkeurigheid Nauwkeurig. Testen onder laboratorium omstandigheden.

Soort onderzoek Ultrasoon onderzoek [B3.2.2]
Bedoeld voor Het bepalen van de plaatdikten van stalen onderdelen.
Toepasbaarheid /
Beperkingen
Middels een zender/ontvanger van ultra hoge geluidsgolven wordt kan de dikte van stalen
onderdelen worden bepaald.
Nauwkeurigheid Tot op 0,1 mm nauwkeurig.

Soort onderzoek Röntgen onderzoek [B3.2.3]
Bedoeld voor Detectie van haarscheurtjes (vermoeiing) in het metaal. Tevens geschikt voor onderzoek naar
de laskwaliteit (dikte, slak insluitingen etc.)
Toepasbaarheid /
Beperkingen
Geschikt voor onderzoek naar de aanwezigheid van haarscheurtjes op constructie onderdelen
welke onderhevig zijn aan sterk wisselende belastingen (dynamische belastingen) en gevoelig
zijn voor vermoeiing. Tevens toepasbaar voor dikte metingen van stalen onderdelen en dikte
van een inwendige corrosielaag. Ook geschikt voor een kwaliteitsoordeel van lassen (lasdikte,
slakinsluitingen, haarscheurtjes, etc.).
Nauwkeurigheid Geeft een beeld van de interne constructie, diktes tot op mm nauwkeurigheid.


INVULLING WITTE VLEKKEN KUNSTWERKEN
074373219:B ARCADIS 55


Materiaal: Metselwerk / Steen

Soort onderzoek Schiethamer onderzoek [B3.3.1]
Bedoeld voor Indicatie representatieve metselwerk druksterkte
Toepasbaarheid /
Beperkingen
Middels een schiethamer wordt de hardheid van de buitenste metselwerkschil bepaald. De
metselwerk druksterkte is een afgeleide van de hardheid.
Kan niet onder water worden uitgevoerd, tenzij de behuizing waterdicht wordt uitgevoerd.
Nauwkeurigheid Meting geschied aan het oppervlak, en geeft een indruk van de hardheid van buitenste
metselwerkschil. Bij interne schade, (losse schollen, breuk) wordt de terugslag gedempt en kan
mogelijk een lagere waarde worden gevonden.

Soort onderzoek Drukproef [B3.3.2]
Bedoeld voor Representatieve metselwerk druksterkte
Toepasbaarheid /
Beperkingen
Middels het uitboren van een metselwerk kern uit de constructie wordt de metselwerk
druksterkte bepaald door middel van een drukproef.
Nauwkeurigheid Nauwkeurig. Beproefde methode, vastgelegd in de NEN normering.

Soort onderzoek Radarscan [B3.3.3]
Bedoeld voor Aantonen van de dikte en eventuele doorgaande scheuren in de steenconstructie.
Toepasbaarheid /
Beperkingen
Middels de echo van radargolven wordt discontinuïteiten in de steenconstructie zichtbaar
gemaakt. Dikten van steenconstructie. Doorgaande scheuren, holle ruimten en losse schollen
kunnen hiermee zichtbaar worden gemaakt. Apparatuur met een dieptewerking tot 80 cm a
100 cm is op de markt beschikbaar
Nauwkeurigheid Nauwkeurigheid is sterk afhankelijk van een correcte verwerking van de radarsignalen met
filters. Centimeter nauwkeurigheid is haalbaar.


INVULLING WITTE VLEKKEN KUNSTWERKEN
074373219:B ARCADIS 56


Materiaal: Hout

Soort onderzoek Penetrometer onderzoek [B3.4.1]
Bedoeld voor Bepaling van de dikte van de zachte/rotte schil van hout constructie.
Toepasbaarheid /
Beperkingen
Doormiddel van een schiethamer wordt met een vastgestelde kracht een naald in het hout
geschoten. De mate van indringing is een indicatie van de dikte van de zachte schil. Middels
omrekeningstabellen ook toepasbaar onderwater.
Nauwkeurigheid Genoemde methode geeft een indruk van de dikte van de zachte schil.

Soort onderzoek Monsterneming met holle boor [B3.4.2]
Bedoeld voor Bepaling van de dikte van de zachte / rotte schil. Tevens wordt door laboratorium onderzoek
bepaald welke houtsoort het betreft en welke vormen van aantasting hierin aanwezig is.
Toepasbaarheid /
Beperkingen
Middels een holle boor wordt een monster van enkele cm lang uit het hout geboord en
onderzocht in een laboratorium.
Het betreft een zeer lokale waarneming. Middels het nemen van meerdere monsters verdeeld
over het materiaal moet tot een gemiddelde waarde worden gekomen.
Nauwkeurigheid Nauwkeurig.






INVULLING WITTE VLEKKEN KUNSTWERKEN
074373219:B ARCADIS 57
BIJLAGE 4 Onderzoeksmethoden niet zichtbare constructie-
onderdelen


Niet zichtbare constructieonderdelen

Soort onderzoek Grondradar techniek [B4.1.1]
Bedoeld voor Het in beeld brengen van objecten en obstakels in de grond.
Toepasbaarheid /
Beperkingen
Middels radargolven worden discontinuïteiten in de grond waargenomen in de vorm van radar
echo’s. Hiermee is het mogelijk de aanwezig en posities van harde objecten (fundaties,
kwelschermen verankeringen) te detecteren.
Deze methode kent enige beperkingen. De indringingsdiepte in de grond is sterk afhankelijk
van de grondsoort. In droog zand zijn diepten tot ca 2 a 3 m haalbaar, in klei is het signaal na
een beperkte diepte reeds geabsorbeerd. De meetresultaten worden beïnvloed door de
overgang van droge grondslag naar natte grondslag. Indien (zoals in grof zand) er een
duidelijke scheiding is tussen nat en droog treed er weinig verstoring op. Zones met hangwater
(capillair water) zijn een geleidelijke overgang van droog naar nat en geven veel verstoring in
de signalen.

Nauwkeurigheid Is sterk afhankelijk van de grondslag, en de interpretatie en correcte verwerking van de
radarsignalen met filters.Onderstaand is een indicatie van de haalbare nauwkeurigheid
weergegeven:

Scan diepte:
0 - 6 m (bij 250 MHz), 2 – 4 m (bij 500 MHz), 1 – 1,5 m (bij 1 GHz)

Afhankelijkheid van grondsoorten:
Droge grond: Zeer goed
Vochtig zand: Goed (150 cm bij 1 GHz)
Nat zand: Redelijk - Goed (in zoet milieu)
Natte klei: Matig – Slecht (20 cm bij 1 GHz)
Zout / Brak water: Zeer slecht
Zoet water: Redelijk - Goed
IJs: Zeer goed
Bevroren grond: Goed


Soort onderzoek Seismiek [B4.1.2]
Bedoeld voor Het door middel van akoestische signalen waarnemen van discontinuïteiten in de grond.
Toepasbaarheid /
Beperkingen
Deze methode is gebaseerd op akoestische signalen die gereflecteerd worden op
discontinuïteiten in de grond. Dit kunnen laagscheidingen zijn of overgang van grond naar
constructie. Seismische metingen kunnen in een boorgat worden uitgevoerd of via een
sondering met een seismische conus.
Nauwkeurigheid Sterk afhankelijk van de uitvoeringsmethode en apparatuur.

INVULLING WITTE VLEKKEN KUNSTWERKEN
074373219:B ARCADIS 58
Soort onderzoek Magnetometer onderzoek (sondering) [B4.1.3]
Bedoeld voor Het doel van deze metingen is het in kaart brengen van ijzerhoudende objecten die zich op of
onder de oppervlakte van de bodem bevinden
Toepasbaarheid /
Beperkingen
Een magnetometriesurvey wordt uitgevoerd met behulp van een gradiometer, die verstoringen
in het aardmagnetisch veld meet. De meetapparatuur is ingebouwd in een sondeerconus
waardoor ijzerhoudende objecten in diepte kunnen worden vastgelegd.
Nauwkeurigheid Sterk afhankelijk van de afstand tot de magnetische (stalen) onderdelen.



INVULLING WITTE VLEKKEN KUNSTWERKEN
074373219:B ARCADIS 59
BIJLAGE 5 Presentatie Technieken voor inspectie en
veldonderzoek
1
2
Onderwerpen
• Inspecties
Detailniveau en waarvoor ?
• Materiaal onderzoek
Welke technieken, welke materialen
• Toepassing in waterbouwkundige constructies
Eenvoudig voorbeeld van inspecties aan een schutsluis
3
Inspecties
4
Inspecties (1)
Visueel
Globaal visueel
• Met het oog en beperkte
hulpmiddelen (schuifmaat /
rolmaat, scheurenmeter,
verrekijker)
• Bedoelt voor een eerste indruk
van de algehele technische
staat.
• Beeldmateriaal
• 2 tot 5 jaarlijks
Visueel
• Met het oog en hulpmiddelen
(hoogwerker, duikers, hamer,
meetmiddelen)
• Bedoelt voor een gedetaileerde
indruk van conditie van de
hoofddraagconstructie en
cruciale punten.
• Beeldmateriaal + gehoor
• 5 a 10 jaarlijks
5
Inspecties (2)
Gedetaileerd
Non destructief
• Met behulp van techniek /
technologie: radar, rontgen,
ultrasone etc
• Bedoelt voor bepaling van
kwaliteit, dikten etc
• Beeldmateriaal + rapportage
• Elke 10 a 20 jaar
Destructief
• Met behulp van techniek /
technologie: boren, zagen,
hakken etc.
• Bedoelt voor monstername +
materiaal onderzoek, of
beoordelen wapening /
voorspanning in beton
• Beeldmateriaal +
onderzoeksresultaten +
rapportage
• Elke 10 a 20 jaar
6
Materiaal onderzoek
7
Materiaalonderzoek
Inleiding
Materialen
• Beton
• Staal
• Steen/metselwerk
• Hout
• Conservering
• Grond en grondwater
8
Materiaalonderzoek
Beton
(globaal) visueel
• Scheuren (watervoerend)
• Craquele
• Vochtstrepen, roest
• Zichtbare schade (wapening)
• Losse schollen (kloppen)
• Schiethamer (kwaliteit)
Gedetaileerd
• Ferroscan (dekking, hoh afstand
wapeningsstaal)
• Radarscan (wapeningspatroon,
voorspanningspatroon, holle
ruimten)
• Boorkernen (onderzoek
betonkwaliteit, drukken)
• Boorkernen en stofmonsters
(Chloride en Carbonatatie)
• Vrijhakken (wapening,
voorspanning blootleggen voor
inspectie)
9
Materiaalonderzoek
Staal
(globaal) visueel
• Roestvorming
• Contact/spannings corrosie
• Platische vervorming
• Gescheurde lassen
• Ruime boutverbindingen
• Schuifmaat (dikte bepaling)
Gedetaileerd
• Ultrasoon (dikte bepaling)
• Rontgen (laskwaliteit en dikte
slakinsluitingen, haarscheurtje,
vermoeiing)
• Monstername (chemische
analyse, treksterkte)
10
Materiaalonderzoek
Steen en Metselwerk
(globaal) visueel
• Scheuren (door de steen of
langs de voeg)
• Zichtbare kwaliteit voegwerk
• Los liggende delen (eventueel
kloppen)
• Vocht en kalkstrepen (uittredend
water)
• Schiethamer (indruk
druksterkte)
Gedetaileerd
• Radarscan (holle ruimten,
dikten, losse schollen)
• Gaten boren (afmetingen
vaststellen)
• Boorkernen (onderzoek
metselwerkdruksterkte + evt
treksterkte)
• Boorkernen (onderzoek
toegepaste steensoort en
toegepast specie, ouderdom)
11
Materiaalonderzoek
Hout
(globaal) visueel
• Rotte plekken (rottingsgraad),
prikken met priem. (wind-
waterlijn is het meest
kwetsbaar)
• Kromtrekken (boutverbindingen)
Gedetaileerd
• Penetrometer (schiethamer met
naald), indringingsgraad in
rotteschil
• Monstername met holleboor
(houtsoort, dikte zachte schil,
soort aantasting / schimmel)
12
Materiaalonderzoek
Conservering
(globaal) visueel
• Bladderen
• Bubbels en blaasjes
• Glansgraad
• Beschadigingen / roestvorming
Gedetaileerd
• Hechtings graad (V-insnede)
• Ultrasoon (totale laagdikte)
13
Materiaalonderzoek
Grond en grondwater
(globaal) visueel
• Handboring
• Peilbuizen
• Meting zetting, zakking
• Kwel, wellen
Gedetaileerd
• Sonderingen
• Boringen + monstername
• Beproeving monster op:
- Waterdoorlatendheid
- Zettingsparameters
- Korrelverdeling
- Volumieke massa’s
- Etc.
• Grondradartechniek
14
Monitoring
15
Monitoring
Meten en bijhouden, verbanden leggen
Bedoelt om effecten tov een uitgangspositie vast te leggen
• Positie (x,y of RD) è Verplaatsing
• Hoogte (NAP) è Zakking of zetting
• Scheefstand (hoek of helling) è Kantelen
Altijd vastleggen in de tijd
Altijd vastleggen gelijktijdig met mogelijk beinvloeders b.v.
- (Grond)waterstanden
- Weersgesteldheid (temperatuur, windkracht/richting)
- Aangebracht externe belasting (grondophoging, bovenbelasting)
16
Toepassing in
waterbouwkundige
constructies
17
Toepassing in de waterbouwkunde
Inleiding
Toepassing
• Periodiek vastleggen van de kwaliteit van de
materialen (onderhoudsinspecties)
• Verzamelen van gegevens tbv VTV toetsingen
18
Toepassing in de waterbouwkunde
Hoe ?
• Vaak complexe constructie, veel
onderdelen, veel soorten materialen.
• Matig tot slecht toegankelijk
• Onder water, onder of in de grond.
• Kunstwerk vaak in gebruik
(scheepvaart, stroming, waterkeren)
• Duur ! (€ )
• Goed inspectieplan is het halve werk
19
Toepassing in de waterbouwkunde
Voorbeeld schutsluis
Onderdelen constructief:
• Fundatie op staal
• Betonnen bakconstructie
• 2 betonnen sluishoofden
• 3 sets sluisdeuren (houten
puntdeur)
• 2 Kwelschermen (onder en
naast het kunstwerk)
• Aansluitende dijklichaam
Overige onderdelen
• Scheepvaartvoorzieningen
(Bolders/haalkommen,
remmingwerken)
• Bodembescherming
E&M installaties (excl):
- Bewegingswerk deuren
- Scheepvaart seinen
- Intercom
- Camera toezicht
20
Toepassing in de waterbouwkunde
Voorbeeld schutsluis
Onderdelen constructief:
• Fundatie op staal
• Betonnen bakconstructie
• 2 betonnen sluishoofden
• 3 sets sluisdeuren (houten
puntdeur)
• 2 Kwelschermen (onder en
naast het kunstwerk)
• Aansluitende dijklichaam
Inspectiemethoden
• Hoogtemeting (scheefzakken)
• Positie RD (verplaatsen)
Beinvloeders
• Waterstanden
• Dijkverzwaring
• Maaiveldszakking (dus ook
punten in de omgeving
meenemen)
21
Toepassing in de waterbouwkunde
Voorbeeld schutsluis
Onderdelen constructief:
• Fundatie op staal
• Betonnen bakconstructie
• 2 betonnen sluishoofden
• 3 sets sluisdeuren (houten
puntdeur)
• 2 Kwelschermen (onder en
naast het kunstwerk)
• Aansluitende dijklichaam
(Globale) visuele inspectie
• Boven waterlijn visueel,
scheuren, beschadigingen,
kloppen, etc
• Onder de waterlijn ??
- Droogzetten (als het kan)
- Duikers inzetten (als het
zicht voldoende is,
foto/video)
22
Toepassing in de waterbouwkunde
Voorbeeld schutsluis
Onderdelen constructief:
• Fundatie op staal
• Betonnen bakconstructie
• 2 betonnen sluishoofden
• 3 sets sluisdeuren (houten
puntdeur)
• 2 Kwelschermen (onder en
naast het kunstwerk)
• Aansluitende dijklichaam
Gedetaileerd
• Schiethamer
• Kernen boren + onderzoek
chloride / carbonatatie
• Ferro scan (zit er wapening?)
• Radartechniek (betondikten)
• Lokaal vrijhakken (hoe ziet
het er uit ?)
• Onder de waterlijn ??
- Droogzetten (als het kan)
- Duikers inzetten (als het
zicht voldoende is)
23
Toepassing in de waterbouwkunde
Voorbeeld schutsluis
Onderdelen constructief:
• Fundatie op staal
• Betonnen bakconstructie
• 2 betonnen sluishoofden
• 3 sets sluisdeuren (houten
puntdeur)
• 2 Kwelschermen (onder en
naast het kunstwerk)
• Aansluitende dijklichaam
(Globale) visuele inspectie
• Boven waterlijn visueel,
houtrot, kromtrekken,
lekkage, aanslaglijsten
• Onder de waterlijn ??
- Droogzetten tussen
schotbalken (als het kan)
- Duikers inzetten (als het
zicht voldoende is)
- eruit halen en op de kant
inspecteren (b.v. 1 als
steekproef)
24
Toepassing in de waterbouwkunde
Voorbeeld schutsluis
Onderdelen constructief:
• Fundatie op staal
• Betonnen bakconstructie
• 2 betonnen sluishoofden
• 3 sets sluisdeuren (houten
puntdeur)
• 2 Kwelschermen (onder en
naast het kunstwerk)
• Aansluitende dijklichaam
Gedetaileerd
• Houtrot onderzoek
• Penetrometer
• Onder de waterlijn ??
- Droogzetten tussen
schotbalken (als het kan)
- Duikers inzetten (als het
zicht voldoende is)
- eruit halen en op de kant
inspecteren (b.v. 1 als
steekproef)
25
Toepassing in de waterbouwkunde
Voorbeeld schutsluis
Onderdelen constructief:
• Fundatie op staal
• Betonnen bakconstructie
• 2 betonnen sluishoofden
• 3 sets sluisdeuren (houten
puntdeur)
• 2 Kwelschermen (onder en
naast het kunstwerk)
• Aansluitende dijklichaam
(Globale) visuele inspectie
• Niet mogelijk ?
• Naast het kunstwerk:
- Kop kwelscherm
vrijgraven tot GWS
- Inspectie
- Aansluiting op kunstwerk
Onder het kunstwerk
- Bodembescherming
verwijderen
- Grond wegspuiten
- Inspectie aansluiting op
vloer mbv duikers
26
Toepassing in de waterbouwkunde
Voorbeeld schutsluis
Onderdelen constructief:
• Fundatie op staal
• Betonnen bakconstructie
• 2 betonnen sluishoofden
• 3 sets sluisdeuren (houten
puntdeur)
• 2 Kwelschermen (onder en
naast het kunstwerk)
• Aansluitende dijklichaam
Gedetaileerd
Vrijgraven = €
Advies: gelijk gedetaileerde
inspectie
• Conservering
• Roestvorming
• Staaldikte
• Aansluiting aan kunstwerk
27
Toepassing in de waterbouwkunde
Voorbeeld schutsluis
Onderdelen constructief:
• Fundatie op staal
• Betonnen bakconstructie
• 2 betonnen sluishoofden
• 3 sets sluisdeuren (houten
puntdeur)
• 2 Kwelschermen (onder en
naast het kunstwerk)
• Aansluitende dijklichaam
(Globale) visuele inspectie
• Monitoring zetting/zakking
• Visuele controle op kwel en
wellen etc.
Gedetaileerd
• Freatischelijn in dijkprofiel
(peilbuizen)
• Grondboring + labonderzoek
- Korrelverdeling
- Grondsoorten
• Sonderingen
INVULLING WITTE VLEKKEN KUNSTWERKEN
074373219:B ARCADIS 60
BIJLAGE 6 Inhoud kunstwerkentool





INVULLING WITTE VLEKKEN KUNSTWERKEN
074373219:B ARCADIS 61







INVULLING WITTE VLEKKEN KUNSTWERKEN
074373219:B ARCADIS 62








INVULLING WITTE VLEKKEN KUNSTWERKEN
074373219:B ARCADIS 63

INVULLING WITTE VLEKKEN KUNSTWERKEN
074373219:B ARCADIS 64
BIJLAGE 7 Evaluatie volledigheid kunstwerkentool VNK2
In de onderstaande tabel is aangegeven in welk tabblad de informatie is terug te vinden. De
tabbladen zijn als volgt genummerd:
1. Algemeen;
2. Randvoorwaarden;
3. Gebruik en bediening;
4. Historie en staat der onderdelen;
5. Afmeting;
6. LK Hoogwateralarmering, Mobilisatie, Bedieningsfouten, Technische storingen.

Toetsspoor Hoogte (HT)
Nr. Omschrijving Tabblad
1 Actuele hydraulische randvoorwaarden 2
2 Vertaling van de hydraulische randvoorwaarden naar locatie specifieke
randvoorwaarden
*1

Niet aanwezig
3 Actuele legger en beheersregister Deels in 1 t/m 6
4 Beheers- en Instandhoudingplan Deels in 1 t/m 6
5 Toetsresultaten vorige toetsronde Deels in 1
6 Ontwerpnota van het kunstwerk Deels in 2
7 Actuele hoogtemeting keermiddelen 5
8 Actuele overzichtstekening en doorsnede tekeningen van het
kunstwerk
Niet aanwezig
9 Actuele informatie van aansluitende grondlichamen Deels in 4
10 Actuele hoogtemeting aansluitende grondlichamen -
11 Actuele informatie over de bekleding van de aansluitende
grondlichamen, sluisplateau of binnentalud
Deels in 4
12 Actuele inspectiegegevens/gegevens onderhoudsstaat 4
13 Toelaatbare waterstand aan de binnenzijde en/of kombergend
vermogen van het achterland
2
14 Statistische onzekerheid op het toetspeil
Niet aanwezig
15 Correlatie tussen de hoge waterstand op het buitenwater en de hoge
waterstand op het binnenwatersysteem
Niet aanwezig
16 Correlatie tussen de kansverdelingen van overloopdebieten over de
verschillende kunstwerken in de dijkring
Niet aanwezig
17 Hoogwater overschrijdingslijn / vervalstatistiek
Niet aanwezig

Toetsspoor Stabiliteit en Sterkte (ST)
Deelspoor Stabiliteit van constructie en grondlichaam (STCG)
Nr. Omschrijving Tabblad
1 Actuele hydraulische randvoorwaarden 2
2 Vertaling van de hydraulische randvoorwaarden naar locatie specifieke
randvoorwaarden
Niet aanwezig
3 Actuele legger en beheersregister Deels in 1 t/m 6
4 Beheers- en Instandhoudingplan Deels in 1 t/m 6
5 Toetsresultaten vorige toetsronde Deels in 1
6 Actuele overzichtstekening en doorsnede tekeningen van het
kunstwerk
Niet aanwezig
7 Ontwerpnota van het kunstwerk Deels in 2
8 Informatie over operationele of onderhoudsomstandigheden 4
INVULLING WITTE VLEKKEN KUNSTWERKEN
074373219:B ARCADIS 65
Toetsspoor Stabiliteit en Sterkte (ST)
Deelspoor Stabiliteit van constructie en grondlichaam (STCG)
Nr. Omschrijving Tabblad
9 Het verval over het kunstwerk (minimale en maximale waterstanden) 2 en 3
10 Grondwaterstand rond het kunstwerk Niet aanwezig
11 Keringconcept (enkel of getrapt keren) 3
12 Actuele hoogtemeting keermiddelen en overige constructieonderdelen
(sluishoofd, pijlers)
Deel in 5
13 Actuele informatie over aansluitende en achterliggende
grondlichamen
Deels in 4
14 Actuele inspectiegegevens/gegevens onderhoudsstaat 4
15 Actuele informatie over de fundering
Niet aanwezig
16 Actuele informatie over keerwanden/keermuren
Niet aanwezig
17 Gegevens grondopbouw, boringen, sonderingen (tot een diepte 4x
paalafmeting onder pp niveau)
1
18 Actuele informatie over de bodem- en oeverbescherming 4
19 Faalkansen van de constructieonderdelen
Niet aanwezig
20 Correlatie tussen de hoge waterstand op het buitenwater en de hoge
waterstand op het binnenwatersysteem
Niet aanwezig
21 Hoogwater overschrijdingslijn / vervalstatistiek
Niet aanwezig

Toetsspoor Stabiliteit en Sterkte (ST)
Deelspoor Sterkte van constructieonderdelen (STCO)
Nr. Omschrijving Tabblad
1 Actuele hydraulische randvoorwaarden 2
2 Vertaling van de hydraulische randvoorwaarden naar locatie specifieke
randvoorwaarden
Niet aanwezig
3 Actuele legger en beheersregister Deels in 1 t/m 6
4 Beheers- en Instandhoudingplan Deels in 1 t/m 6
5 Actuele overzichtstekening en doorsnede tekeningen van het
kunstwerk
Deels in 1
6 Toetsresultaten vorige toetsronde Niet aanwezig
7 Ontwerpnota van het kunstwerk Deels in 2
8 Informatie over operationele of onderhoudsomstandigheden 4
9 Actuele inspectiegegevens/gegevens onderhoudsstaat 4
10 Het verval over het kunstwerk (minimale en maximale waterstanden) 2 en 3
11 Grondwaterstand rond het kunstwerk Niet aanwezig
12 Keringconcept (enkel of getrapt keren) 3
13 Informatie over onderhoud en/of aanpassingen aan het kunstwerk 1
14 Informatie over de fundering Deels in 4
15 Gegevens grondopbouw, boringen, sonderingen (tot een diepte 4x
paalafmeting onder pp niveau)
1
16 Actuele informatie over de waterkerende constructieonderdelen
(sluishoofd, kwelscherm, keermiddelen, vleugelwanden, schotbalken)
Deels in 1 en 4
17 Actuele vervormingmetingen keermiddelen en overige
constructieonderdelen (sluishoofd, pijlers)
Niet aanwezig
18 Faalkansen van de constructieonderdelen
Niet aanwezig
19 Correlatie tussen de hoge waterstand op het buitenwater en de hoge
waterstand op het binnenwatersysteem
Niet aanwezig
20 Hoogwater overschrijdingslijn / vervalstatistiek
Niet aanwezig




INVULLING WITTE VLEKKEN KUNSTWERKEN
074373219:B ARCADIS 66
Toetsspoor Stabiliteit en Sterkte (ST)
Deelspoor Piping en Heave (STPH)
Nr. Omschrijving Tabblad
1 Actuele hydraulische randvoorwaarden 2
2 Vertaling van de hydraulische randvoorwaarden naar locatie specifieke
randvoorwaarden
Niet aanwezig
3 Actuele legger en beheersregister Deels in 1 t/m 6
4 Beheers- en Instandhoudingplan Deels in 1 t/m 6
5 Informatie over operationele of onderhoudsomstandigheden 4
6 Actuele overzichtstekening en doorsnede tekeningen van het
kunstwerk
Niet aanwezig
7 Toetsresultaten vorige toetsronde Deels in 1
8 Ontwerpnota van het kunstwerk Deels in 2
9 Het verval over het kunstwerk (minimale en maximale waterstanden) 2 en 3
10 Duur van het hoogwater
Niet aanwezig
11 Grondwaterstand rond het kunstwerk
Niet aanwezig
12 Actuele informatie over de fundering
Niet aanwezig
13 Gegevens grondopbouw, boringen, sonderingen 1
14 Actuele informatie over kwelschermen Deels in 4
15 Actuele hoogtemeting van het kunstwerk Deels in 5
16 Informatie over filter/bodembescherming aan de uitstroomzijde Deels in 4
17 Correlatie tussen de hoge waterstand op het buitenwater en de hoge
waterstand op het binnenwatersysteem
Niet aanwezig
18 Hoogwater overschrijdingslijn / vervalstatistiek
Niet aanwezig


Toetsspoor Stabiliteit en Sterkte (ST)
Deelspoor Stabiliteit Voorland (STVL)
Nr. Omschrijving Tabblad
1 Actuele hydraulische randvoorwaarden 2
2 Diepteligging van het voorland
Niet aanwezig
3 Lengte vooroeverbestorting
Niet aanwezig
4 Gegevens grondopbouw, boringen, sonderingen 1


Toetsspoor Betrouwbaarheid Sluiting (BS)
Nr. Omschrijving Tabblad
1 Actuele legger en beheersregister Deels in 1 t/m 6
2 Beheers- en Instandhoudingplan Deels in 1 t/m 6
3 Actuele overzichtstekening en doorsnede tekeningen van het
kunstwerk
*3

Niet aanwezig
4 Toetsresultaten vorige toetsronde Deels in 1
5 Ontwerpnota van het kunstwerk Deels in 2
6 Informatie over operationele of onderhoudsomstandigheden 4
7 Bedieninstructies / sluitprotocollen Deels in 3 en 6
8 Drempelhoogte of sluitpeil van het kunstwerk 5
9 Toelaatbare waterstand aan de binnenzijde en/of kombergend
vermogen van het achterland
2
10 Geometrie van de doorstroomopening 5
11 Actuele informatie over het bedien- en besturingssysteem
Niet aanwezig
12 Faalkansen van alle onderdelen van het kunstwerk
*7

Niet aanwezig
13 Statistische onzekerheid op het toetspeil en golfhoogtes
Niet aanwezig
14 Correlatie tussen de hoge waterstand op het buitenwater en de hoge
waterstand op het binnenwatersysteem
Niet aanwezig
INVULLING WITTE VLEKKEN KUNSTWERKEN
074373219:B ARCADIS 67
Toetsspoor Betrouwbaarheid Sluiting (BS)
Nr. Omschrijving Tabblad
15 Correlatie tussen de kansverdelingen van overloopdebieten over de
verschillende kunstwerken in de dijkring
Niet aanwezig
16 Hoogwater overschrijdingslijn / vervalstatistiek Niet aanwezig
INVULLING WITTE VLEKKEN KUNSTWERKEN
074373219:B ARCADIS 68
BIJLAGE 8 Kunstwerken in PC-ViNK
Hieronder wordt d.m.v. screendumps uit PC-ViNK een vergelijking gemaakt van de
waterkerende kunstwerken die in VNK2 worden meegenomen met de waterkerende
kunstwerken zoals die zijn opgenomen in het RWS-kunstwerkenbestand v1.1 van 2009 (lit.
3).

De blauwe vierkanten betreffen de in VNK2 meegenomen kunstwerken (een blauw rondje is
het in PC-ViNK geactiveerde kunstwerk). De roze open ringen betreffen de kunstwerken in
het completere kunstwerkenbestand V1.1. Hieronder is duidelijk dat niet alle kunstwerken
worden meegenomen in VNK2 en ze in categorie C-keringen in VNK2 helemaal niet
worden meegenomen (nl. langs Noordzeekanaal en tussen DR12 en 13).

AHN als kaartondergrond (diepe Wieringermeer en droogmakerijen/polders)
INVULLING WITTE VLEKKEN KUNSTWERKEN
074373219:B ARCADIS 69


Boven: kunstwerknamen uit V1.1 (ondergrond AHN).

Onder: Unieke kunstwerk-ID’s uit KW bestand versie 1.1 (ondergrond luchtfoto)

INVULLING WITTE VLEKKEN KUNSTWERKEN
074373219:B ARCADIS 70

Boven: haven van Den Helder (DR13), ondergrond AHN

Onder: haven Medemblik (DR13) en grens – cat. C - met Wieringermeer DR12







INVULLING WITTE VLEKKEN KUNSTWERKEN
074373219:B ARCADIS 71
COLOFON INVULLING WITTE VLEKKEN KUNSTWERKEN
WITTE VLEK 1 GEBREK AAN INFORMATIE

OPDRACHTGEVER:
DELTARES
Drs. M.W.J. Hulst
STATUS:
Definitief

AUTEUR:
Ing. E. van der Oord
Ing. G.J. van der Want
Dr. Ir. H.G. Voortman


GECONTROLEERD DOOR:
Ing. G.J. van der Want
Dr. Ir. H.G. Voortman

VRIJGEGEVEN DOOR:
Ing. G.J. van der Want

19 februari 2010
074373219:B



ARCADIS NEDERLAND BV
Nieuwe Steen 3
Postbus 173
1620 AD Hoorn
Tel 0229 285 285
Fax 0229 219 996
www.arcadis.nl
Handelsregister
9036504

©ARCADIS. Alle rechten voorbehouden. Behoudens
uitzonderingen door de wet gesteld, mag zonder
schriftelijke toestemming van de rechthebbenden niets uit
dit document worden verveelvoudigd en/of openbaar
worden gemaakt door middel van druk, fotokopie, digitale
reproductie of anderszins.

INVULLING WITTE VLEKKEN KUNSTWERKEN
WITTE VLEK 2 BETROUWBAARHEID SLUITING
DELTARES
DRS. M.W.J HULST
1 februari 2010
074374860:A
C02021.000042
INVULLING WITTE VLEKKEN KUNSTWERKEN
074374860:A ARCADIS 2
Inhoud
1 Inleiding____________________________________________________________________ 3
1.1 Achtergrond ____________________________________________________________ 3
1.2 Doelstelling en afbakening_________________________________________________ 3
1.3 Werkwijze ______________________________________________________________ 4
2 Vereenvoudigde passage en toetsschema BS___________________________________ 5
2.1 Inleidng ________________________________________________________________ 5
2.2 Vereenvoudigd toetsschema _______________________________________________ 5
3 Erratum bijlage 3 Leidraad Kunstwerken ______________________________________ 9
3.1 Inleiding ________________________________________________________________ 9
3.2 Toelichting op de analyse van bedrijfstoestanden voor het OKP en toepassing van de
vragenlijsten_____________________________________________________________ 9
3.3 Verbeterde vragenlijsten en toelichting op de vragen __________________________14
3.4 Beoordeling van het effect van aanvaren op de betrouwbaarheid sluiting _________18
4 Toelichting toetsrecept Betrouwbaarheid Sluiting _____________________________ 28
4.1 Inleiding _______________________________________________________________28
4.2 Basisfilosofie, hoofdfaalbronnen sluitproces en beoordeling ____________________28
4.3 Hydraulische berekeningen voor vaststelling van het OKP ______________________30
5 Digitaal invulblad beoordeling kans op niet sluiten____________________________32
Colofon_______________________________________________________________________33
INVULLING WITTE VLEKKEN KUNSTWERKEN
074374860:A ARCADIS 3
HOOFDSTUK
1Inleiding
1.1 ACHTERGROND
De Wet op de waterkeringen schrijft sinds 1996 een vijfjaarlijkse toetsing voor, waarin de
per dijkringgebied aanwezige veiligheid tegen overstromen wordt getoetst aan de norm die
in de wet is vastgelegd. Op dit moment zijn twee toetsrondes verstreken en wordt de derde
toetsronde (2006 – 2011) uitgevoerd. In de Landelijke Rapportage Toetsing 2006 (LRT 2006)
zijn de resultaten van de tweede toetsing samengevat en toegelicht. De resultaten van de
toetsing van de a- en b-keringen zijn in de onderstaande figuren samengevat.
Een deel van de waterkeringen is beoordeeld als ‘geen oordeel’. Voor dijken en duinen is
32% op ‘geen oordeel’ gezet. Van alle kunstwerken zijn 459 kunstwerken (49%) beoordeeld
als ‘geen oordeel’.
1.2 DOELSTELLING EN AFBAKENING
In deze studie zal worden ingegaan op de beoordeling van de kunstwerken. Het doel is het
terugbrengen van het percentage ‘geen oordeel’ voor de kunstwerken. Om dit doel te
bereiken is door ARCADIS onderzocht wat de oorzaak is van het niet kunnen geven van een
oordeel. Op basis van de bevindingen is een plan van aanpak
1
opgesteld voor het verbeteren
van het toetsinstrumentarium door het invullen van de witte vlekken. Op hoofdlijnen
bestaat de aanpak van de witte vlekken uit:
 Het beschikbaar maken van informatie aan de beheerder over de benodigde informatie
voor het toetsen en de mogelijkheden voor inwinning van informatie (Witte Vlek 1);
 Het toelichten, aanpassen en waar mogelijk vereenvoudigen van het toetsrecept voor
betrouwbaarheid sluiting (Witte Vlek 2);
 Het geven van uitgewerkte voorbeelden van toetsingen van kunstwerken.
In deze rapportage zal worden ingegaan op Witte Vlek 2 Betrouwbaarheid Sluiting. Het
betreft het uitwerken van de in het plan van aanpak voorgestelde oplossingen voor het

1
Plan van aanpak toetsing witte vlekken kunstwerken; versie D; kenmerk 074133592:D; d.d. 3
september 2009.
INVULLING WITTE VLEKKEN KUNSTWERKEN
074374860:A ARCADIS 4
invullen van Witte Vlek 2. De uitwerking van Witte Vlek 1 en de voorbeelden van
toetsingen zijn in separate rapportages beschreven.
1.3 WERKWIJZE
In het plan van aanpak zijn voor het invullen van Witte Vlek 2 de volgende
oplossingrichtingen geïdentificeerd:
1. Vereenvoudigde passage en toetsschema betrouwbaarheid sluiting;
2. Opstellen van een erratum op Bijlage 3 van de Leidraad Kunstwerken;
3. Opstellen van een toelichting op het toetsrecept betrouwbaarheid sluiting;
4. Opstellen van een digitaal invulblad voor de beoordeling van de ‘kans op niet sluiten’.
INVULLING WITTE VLEKKEN KUNSTWERKEN
074374860:A ARCADIS 5
HOOFDSTUK
2Vereenvoudigde
passage en toetsschema BS
2.1 INLEIDING
De beoordeling van de betrouwbaarheid van het sluitproces volgens de VTV is gebaseerd
op bijlage B3 van de TAW-Leidraad Kunstwerken. In de praktijk blijkt de koppeling tussen
het VTV en de Leidraad voor veel beheerders en toetsers onvoldoende duidelijk. In dit
hoofdstuk is een voorstel opgenomen voor een vereenvoudigd toetsschema dat
nadrukkelijker de Leidraad Kunstwerken als uitgangspunt heeft.
2.2 VEREENVOUDIGD TOETSSCHEMA
Het voorstel voor een vereenvoudigd toetsschema is hieronder opgenomen.
INVULLING WITTE VLEKKEN KUNSTWERKEN
074374860:A ARCADIS 6
(1.1)
- Uit de ontwerpinformatie blijkt dat betrouwbaarheid sluiting conform de Leidraad Kunstwerken is verwerkt
- De toetsomstandigheden zijn niet ongunstiger dan de ontwerpomstandigheden
- De procedures voor beheer en gebruik voortvloeiend uit het ontwerp worden aantoonbaar toegepast
Ja Nee
(1.2)
- Er is een ri sico-analyse conform de geavanceerde methode LKW toegepast
- Uit de risico-analyse bli jkt de betrouwbaarheid van de sl uiting van voldoende niveau
- De toetsomstandigheden zijn niet ongunstiger dan omstandigheden aangehouden in de
betrouwbaarheidsanalyse
- De procedures voor beheer en gebruik voortvloeiend uit de analyse worden aantoonbaar toegepast
Ja Nee
(2.1)
Het open keer peil (OKP) wordt minder dan 1x per 10 j aar overschreden
Ja Nee
(3.1)
Het kunstwerk voldoet bij eenvoudige beoordeling volgens LKW, bijl age B3, par.
B3.3
Ja Nee
(3.2)
Faalkans volgens gedetailleerde beoordeling volgens LKW, bijlage B3, par. B3.4
P<0,1xnorm 0,1xnorm<P<1xnorm P>1xnorm
(3.3)
Er zijn beveiligingssystemen aanwezi g die in de gedetailleerde
methode niet worden afgedekt of er is gedetail leerde
faalkansi nformatie aanwezig die gunstiger is dan de gedetaill eerde
methode
Ja Nee
(3.4)
Faalkans berekend vol gens de gevanceerde
methode volgens LKW, bijlage B3, par. B3.5
P<0,1xnorm 0,1xnorm<P<1xnorm P>1xnorm
g g g g v g v o o
Toelichting op het voorgestelde schema
Vraag 1.1
De essentie is onveranderd ten opzichte van vraag 1.1 uit VTV 2006. De omschrijving is
aangepast om duidelijker weer te geven hoe het kunstwerk beoordeeld moet worden. In
VTV 2006 ontbreekt de vraag of de uitgangspunten van de beheer- en gebruiksprocedures
nog geldig zijn. Deze is toegevoegd.
Vraag 1.2
De essentie is onveranderd ten opzichte van vraag 1.2 uit VTV 2006. De omschrijving is
aangepast en gesplitst in enkele subonderdelen.
Figuur 2.1
Voorstel vereenvoudigd
toetsschema betrouwbaarheid
sluiting
INVULLING WITTE VLEKKEN KUNSTWERKEN
074374860:A ARCADIS 7
Vraag 2.1
De overschrijdingsfrequentie van het OKP bepaalt of de eenvoudige of de gedetailleerde
toetsmethode moet worden toegepast. De bepaling van het OKP wordt nader behandeld in
hoofdstuk 4.
N.B: de vraag of het keermiddel buiten bediende tijd normaliter gesloten is komt in de Leidraad
Kunstwerken niet voor en speelt geen rol in beoordeling volgens de gedetailleerde methode. Het is
discutabel of het relevant is om dit aspect op deze manier te verwerken in de beoordeling. Het is
logischer om te stellen dat:
 Indien het kunstwerk buiten bediende tijd gesloten is, de beoordeling dient plaats te vinden op
basis van de situatie in bediende tijd, dus met permanente bemanning aanwezig op het object;
 Indien het kunstwerk buiten bediende tijd open is (bijvoorbeeld keersluizen die alleen bij hoog
water worden bemand en bediend), de beoordeling gebaseerd dient te zijn op de situatie waarin het
object niet bemand is. Mobilisatie speelt dan een belangrijke rol in de betrouwbaarheid.
Vraag 3.1
De eenvoudige methode conform paragraaf B3.3 van de Leidraad Kunstwerken wordt
onverkort toegepast. Hiermee wordt dit deel van de Leidraad verheven tot onderdeel van
het VTV.
Vraag 3.2
Volledig in lijn met de Leidraad Kunstwerken wordt de gedetailleerde methode toegepast
als:
 Het OKP vaker dan eens per 10 jaar wordt overschreden;
 Het kunstwerk niet voldoet aan de eisen voor de eenvoudige methode.
Vraag 3.3
In het gebruik van VTV 2006 is gebleken dat in veel gevallen de toetser in de geavanceerde
toetsing wordt “ gedwongen” en dat het geven van “ onvoldoende” op basis van een
gedetailleerde methode niet is toegestaan. In de praktijk blijkt het goed mogelijk om op basis
van de gedetailleerde beoordeling en gedegen kennis van het object te beoordelen of een
tijdrovende geavanceerde betrouwbaarheidsanalyse tot een ander resultaat kan leiden. Dit
is bijvoorbeeld het geval als:
 Een gedegen storingsregistratie aanwezig is, waaruit blijkt dat het kunstwerk aanzienlijk
betrouwbaarder functioneert dan blijkt uit de analyse;
 Er in het systeem componenten of deelsystemen aanwezig zijn die de betrouwbaarheid
verbeteren. In veel schutsluizen is het bijvoorbeeld niet mogelijk om beide deuren tegelijk
te openen, omdat dit door het bediensysteem wordt geblokkeerd.
WTI BEGELEDINGSCOMMISSIE
Voorgestelde aanpassing komt voort uit de discussie binnen de WTI begeleidingscommissie. In de
huidige toetsschema’s wordt na ‘onvoldoende’ bij een gedetailleerde toetsing altijd
doorgetoetst met een geavanceerde toetsing. Binnen de begeleidingscommissie wordt
gesproken over het aanpassen van de toetsschema’s op dit punt. Indien op voorhand al aan te
geven is dat een geavanceerde toetsing niet tot een score ‘voldoende’ leidt, heeft geavanceerd
doortoetsing geen zin. De voorgestelde aanpassing loopt vooruit op de definitieve beslissing op
dit punt.
INVULLING WITTE VLEKKEN KUNSTWERKEN
074374860:A ARCADIS 8
Vraag 3.4
De gegeven grenzen wijken iets af van de grenzen in VTV 2006. De toelichting bij stap 4 in
VTV 2006 lijkt bovendien niet helemaal consistent met de uitgangspunten van de Leidraad
Kunstwerken. Daar geldt:
 Voor betrouwbaarheid sluiting een criterium van 0,1 x norm;
 Voor constructieve betrouwbaarheid een criterium van 0,01 x norm.
Het eerste criterium is gebaseerd op een beschouwing van het bergend vermogen van het
beschouwde gebied. Het is voorstelbaar dat in geval van toetsen het niet halen van het
criterium 0,1 x norm niet direct leidt tot afkeuren. In het schema zijn de grenzen alleen
gebaseerd op de kombergingsbeschouwing. Constructieve betrouwbaarheid speelt in het
voorgestelde schema geen rol.
Het verdient aanbeveling om de constructieve betrouwbaarheid in geval van een falende
sluiting apart te beoordelen. Daartoe kunnen dezelfde stappen worden doorlopen als voor
betrouwbaarheid sluiting, met dien verstande dat het OKP dan wordt gebaseerd op de
sterkte van het kunstwerk en de daarachter gelegen bodembescherming. Dit is nu niet in het
schema opgenomen.
INVULLING WITTE VLEKKEN KUNSTWERKEN
074374860:A ARCADIS 9
HOOFDSTUK
3Erratum bijlage 3
Leidraad Kunstwerken
3.1 INLEIDING
De toetsing van de betrouwbaarheid van de sluiting is complex. De achtergrond van de
complexiteit is het samenkomen van een aantal verschillende eigenschappen van het
kunstwerk in één analyse:
 De betrouwbaarheid van de alarmering, bediening en de daarbij gebruikte systemen;
 De hydraulische eigenschappen van het geopende kunstwerk;
 Statistiek van de hydraulische condities aan de buitenzijde;
 Aanvaarkans en daaraan gerelateerde constructieve betrouwbaarheid.
Het toetsinstrument volgt nauwgezet de beoordelingsstappen uit de Leidraad Kunstwerken.
De criteria voor toepassing van eenvoudige en gedetailleerde methodes zoals die in de
Leidraad zijn opgenomen zijn in het VTV verwoordt in toetsschema’s. Door het verschil in
presentatievorm is niet evident dat het om gelijke criteria gaat. Daarnaast blijkt in de
praktijk behoefte te bestaan aan nadere toelichting van de werkwijze uit de Leidraad
Kunstwerken, vooral bij toepassing van de gedetailleerde methode. In dit hoofdstuk worden
de volgende punten gecorrigeerd/nader toegelicht:
 Toelichting op en uitbreiding van de berekening van het Open Keer Peil (paragraaf 3.2);
 Toelichting op de vragenlijst op grond waarvan de betrouwbaarheid sluiting wordt
beoordeeld en verbeteren van de fouten in bovengenoemde vragenlijsten (paragraaf 3.3);
 Het effect van aanvaren op de betrouwbaarheid sluiting (paragraaf 3.4).
3.2 TOELICHTING OP DE ANALYSE VAN BEDRIJFSTOESTANDEN VOOR HET OKP EN
TOEPASSING VAN DE VRAGENLIJSTEN
Het Open Keer Peil (OKP) is het waterpeil aan de buitenzijde van het kunstwerk dat, bij een
geopend kunstwerk, nog juist niet tot problemen leidt in het achterland van het kunstwerk.
De TAW-Leidraad Kunstwerken vermeldt in paragraaf B3.4, stap 2 dat per functie (of
bedrijfstoestand) het OKP moet worden vastgesteld. De analyse van het OKP dient daarom
te beginnen met een analyse van relevante bedrijfstoestanden. Er zijn verschillende
configuraties mogelijk. Onderstaande tabel geeft de meest voorkomende configuraties weer.
Configuratie Openingen Keermiddelen
1 1 1 op kerende hoogte
2 1 2 op kerende hoogte
3 1 1 op kerende hoogte en 1 lager
4 1 2, getrapt keren
Tabel 3.1
Voorbeelden van configuraties
van een waterkerend
kunstwerk
INVULLING WITTE VLEKKEN KUNSTWERKEN
074374860:A ARCADIS 10
Configuratie Openingen Keermiddelen
5 >1 1 per opening
6 >1 2 per opening
Hieronder wordt voor de zes configuraties een nadere toelichting gegeven op de vaststelling
van het OKP. De toelichting beperkt zich tot de te beschouwen bedrijfssituaties en de
daaruit voortvloeiende analyses van het OKP. Een nadere toelichting op hydraulische
berekeningen die gebruikt kunnen worden voor de berekening van het OKP voor een
gegeven bedrijfssituatie is opgenomen in hoofdstuk 4.
Configuratie 1
Een voorbeeld van configuratie 1 is een keersluis of een coupure met een enkel keermiddel.
Het OKP moet worden berekend voor een geheel geopend kunstwerk met de methodes uit
de Leidraad Kunstwerken en hoofdstuk 4 van dit document. De eenvoudige methode is niet
toepasbaar omdat het gaat om een enkel keermiddel. In de gedetailleerde methode wordt in
rekening gebracht dat er geen tweede kering aanwezig is.
Configuratie 2
Configuratie 2 is van toepassing op een schutsluis met twee volwaardig kerende hoofden
(met keermiddelen). Het OKP wordt vastgesteld voor de situatie waarin beide
keermiddelen falen. De eenvoudige methode kan van toepassing zijn, mede afhankelijk van
de andere criteria voor toepassing van de methode. In de gedetailleerde methode wordt het
tweede keermiddel in rekening gebracht.
Configuratie 3
Configuratie 3 is in een aantal schutsluizen aanwezig en wordt bij nieuwbouw regelmatig
overwogen uit kostenoverwegingen. Het keermiddel aan de hoogwaterzijde is uitgevoerd
op volledige hoogte. Het andere keermiddel is lager uitgevoerd. De hoogte daarvan is
meestal gerelateerd aan de hoogste waterstand waarbij nog geschut moet kunnen worden.
Het tweede keermiddel heeft meestal een aanzienlijke hoogte, maar is in hoog water
situaties niet volledig kerend. Een conservatieve aanpak is het beoordelen van de
betrouwbaarheid alsof het een enkel keermiddel betreft (zie configuratie 1). De eenvoudige
methode is in ieder geval niet toepasbaar, vanwege de complexiteit van de beoordeling.
VOORBEELD BEOORDELING BETROUWBAARHEID SLUITEN KUNSTWERK MET ONGELIJKE
KEERMIDDELEN, CONSERVATIEVE AANPAK
Ter illustratie wordt voor een fictief voorbeeld de analyse gedemonstreerd. De situatie is als
volgt:
- Normfrequentie 10
-4
per jaar
- Kerende hoogte buitenhoofd NAP +5 m;
- Kerende hoogte binnenhoofd NAP +3 m;
- OKP voor geheel geopend kunstwerk NAP +1 m.
Op basis van waterstandstatistiek wordt de overschrijdingsfrequentie van het OKP gevonden:
- n
j
= 0,5 vragen/jaar
Uitgaande van de conservatieve aanpak wordt de kering in het binnenhoofd geheel buiten
beschouwing gelaten. Het OKP wordt dan gebaseerd op een volledig geopend kunstwerk. De
betrouwbaarheid sluiting wordt dan:
- P
ns
=310
-3
per vraag (maximale betrouwbaarheid enkel keermiddel, Leidraad Kunstwerken
pagina 137)
INVULLING WITTE VLEKKEN KUNSTWERKEN
074374860:A ARCADIS 11
De betrouwbaarheid van de waterkering wordt dan:
P
ns
 n
j
=310
-3
0,5=1,510
-3
Dit is ruim boven de normfrequentie. Op deze gronden zou betrouwbaarheid sluiting
beoordeeld worden als “onvoldoende”.
Een scherpere beoordeling kan worden verkregen door het effect van het lagere keermiddel
wel in rekening te brengen. Onderstaande figuur toont de bedrijfstoestanden die in een
dergelijke configuratie mogelijk zijn. N.B: betrouwbaarheid speelt in de analyse van de
bedrijfstoestanden en het OKP nog geen rol. De analyse wordt gemaakt per bedrijfstoestand, er vanuit
gaande dat deze is opgetreden.
INVULLING WITTE VLEKKEN KUNSTWERKEN
074374860:A ARCADIS 12
In bedrijfstoestanden 1 en 2 is het hoge keermiddel gesloten. Voor die bedrijfssituaties is een
vaststelling van het OKP niet relevant. De waterkering is gesloten.
In bedrijfstoestand 3 is het hoge keermiddel niet gesloten, maar het lagere keermiddel wel.
Het OKP voor deze bedrijfstoestand wordt vastgesteld op basis van de Open Keer Hoogte,
die in dit geval gelijk is aan de kerende hoogte van de binnendeur. Dit OKP is hoger dan het
OKP voor bedrijfstoestand 4 en heeft daarom ook een lagere overschrijdingsfrequentie. De
betrouwbaarheid sluiting wordt bepaald door middel van de vragenlijsten op basis van het
hoge keermiddel en zonder backup-kering.
In bedrijfstoestand 4 falen beide keermiddelen. Het OKP wordt vastgesteld met de
methodes uit de Leidraad Kunstwerken en hoofdstuk 4 van dit document voor een geheel
geopend kunstwerk. De betrouwbaarheid sluiting wordt vastgesteld op basis van de
vragenlijsten met gebruik van beide keringen.
Figuur 3.2
Overzicht bedrijfstoestanden
van een schutsluis met
keermiddelen van verschillende
hoogte
INVULLING WITTE VLEKKEN KUNSTWERKEN
074374860:A ARCADIS 13
De totale betrouwbaarheid wordt bepaald door de twee bedrijfssituaties onafhankelijk te
veronderstellen. De faalkansen kunnen dan worden opgeteld. Dit is een conservatieve
benadering
2
.
VOORBEELD BEOORDELING KUNSTWERK MET ONGELIJKE KEERMIDDELEN, AANSCHERPING
De situatie is gelijk aan het vorige voorbeeld. Nu wordt voor bedrijfssituatie 3 en 4 apart het
OKP vastgesteld:
- OKP bedrijfssituatie 3 NAP +2,70 m;
- OKP bedrijfssituatie 4 NAP +1 m.
Op basis van waterstandstatistiek worden de overschrijdingsfrequenties van de twee OKP’s
gevonden:
- n
j;BS3
=10
-2
vragen/jaar;
- n
j;BS4
= 0,5 vragen/jaar.
Per bedrijfssituatie wordt tevens de faalkans van de sluiting vastgesteld:
- P
ns;BS3
=310
-3
(maximale betrouwbaarheid met enkel keermiddel, Leidraad Kunstwerken pagina
137);
- P
ns;BS4
=10
-4
per vraag (maximale betrouwbaarheid met dubbel keermiddel, Leidraad
Kunstwerken pagina 137).
De betrouwbaarheid van de waterkering per bedrijfssituatie wordt dan:
- P
ns;BS3
 n
j;BS3
=310
-3
10
-2
=310
-5
per jaar;
- P
ns;BS4
 n
j;BS4
=10
-4
0,5=510
-5
per jaar.
In totaal is dit 810
-5
per jaar. Dit is hoger dan de grens van 0,1 x norm maar lager dan de
normfrequentie. Op basis van het schema voorgesteld in rapport 1 volgt toetsoordeel
“voldoende”
Configuratie 4
Een bijzondere configuratie is de aanwezigheid van twee keermiddelen die in geval van
hoog water worden ingezet om “getrapt” te keren. De keermiddelen mogen in dat geval niet
als onafhankelijk worden beschouwd, aangezien beide nodig zijn om de vervalbelasting op
te nemen. De analyse verloopt als onder configuratie 1.
Configuraties 5 en 6
In configuraties 5 en 6 is sprake van meerdere openingen in een kunstwerk met per opening
1 of 2 keermiddelen. Voorbeelden zijn de spuisluizen in de Afsluitdijk, de spuisluis
Haringvliet en de stormvloedkering Oosterschelde. Bij een beperkt aantal openingen kan
voor de bepaling van het OKP nog goed worden aangesloten op de aanpak uit de Leidraad
Kunstwerken. Een spuisluis met vijf openingen kent zo bijvoorbeeld vijf OKP’s (voor 1 t/m
5 geopende openingen). De betrouwbaarheid van de sluiting is niet meer met de
eenvoudige of de gedetailleerde methode te beoordelen. Dit komt voort uit het feit dat de
keermiddelen deels individuele faaloorzaken kennen (bijvoorbeeld het falen van een
hydraulische cilinder behorende bij één schuif) en deels gemeenschappelijke faaloorzaken

2
Deze rekenmethode is niet opgenomen in de Leidraad of in het VTV, maar is in het kader van deze
opdracht voorgesteld door ARCADIS. Geadviseerd wordt om op deze aanpak goedkeuring te vragen
van ENW alvorens deze op te nemen in het VTV.
INVULLING WITTE VLEKKEN KUNSTWERKEN
074374860:A ARCADIS 14
(zoals het falen van de energievoorziening op het object). Voor de beoordeling is daarom in
de regel een geavanceerde analyse noodzakelijk.
Wanneer het aantal openingen zeer groot wordt (zoals bij de Stormvloedkering
Oosterschelde), dan kan de aanpak via OKP’s nog steeds worden gehanteerd. Wel wordt
dan geadviseerd om vanaf het begin de betrouwbaarheid van de sluiting in de analyse te
betrekken. Vaak kennen groepen van openingen gemeenschappelijke componenten zoals de
besturing of energievoorziening. Dit zorgt ervoor dat bepaalde combinaties of aantallen
gefaalde openingen zeer onwaarschijnlijk zijn. Door de betrouwbaarheid eerst te analyseren
kan de analyse van OKP’s worden beperkt tot een subset van faalsituaties die het meest
waarschijnlijk zijn.
Een alternatieve strategie is het direct verwerken van de resultaten van de
betrouwbaarheidsanalyse in een waterbewegingsmodel, waarmee de
hoogwateroverschrijdingslijn op een aantal meetpunten in het achterliggende systeem
wordt bepaald (zogenoemde prestatiepeilen). De beoordeling wordt hier dus direct
gebaseerd op de gerealiseerde binnenpeilen en niet meer op een OKP dat een buitenwaterstand
is. Deze strategie wordt door Rijkswaterstaat onder meer toegepast op de Oosterschelde en
op het benedenrivierengebied.
3.3 VERBETERDE VRAGENLIJSTEN EN TOELICHTING OP DE VRAGEN
Verbeterde vragenlijsten
In de vragenlijsten in de Leidraad Kunstwerken zitten enkele storende drukfouten.
Hieronder zijn verbeterde tabellen opgenomen. Voor de volledigheid zijn alle tabellen
opgenomen. Correcties zijn in de tabellen geel gemarkeerd.
Stap Vraag Score
a1 is het primaire alarmsysteem gebaseerd op:
-een af te lezen peilstok?
-een automatische niveaumeting?
-een automatische niveaumeting met minimaal een controle
per maand?
-een voorspelling ?
ja: a = 1
ja: a = 2
ja: a = 3
ja: a = 1
a2 gebeurt de registratie/voorspelling gewoonlijk minimaal
tweemaal per dag bij een getijregime of eenmaal per dag
bij een rivierregime? ja: a = a + 1
a3 is er een controle of back up registratiesysteem? ja: a = a + 1
b1 moeten in geval van hoogwater via menselijke handelingen
andere personen worden gewaarschuwd?
indien antwoord ‘nee’, ga door met c
nee: b = 5
ja : b = 2
b2 is er een schriftelijke procedure voor meting en
waarschuwing? ja: b = b + 1
b3 wordt deze procedure minstens eenmaal per jaar uitgevoerd
of geoefend? ja: b = b + 1
b4 is er een terugmeldingsprocedure?
(n = aantal schakels in de waarschuwingsketen)
ja : b = b - n/2
nee: b = b – n
c Tussenscore c = min(a,b)
d1-d3 alle vragen a voor een eventueel tweede systeem d
Tabel 3.2
Scoretabel falen
hoogwateralarmeringssysteem
(Aspect A)
INVULLING WITTE VLEKKEN KUNSTWERKEN
074374860:A ARCADIS 15
e1-e4 alle vragen b voor een eventueel tweede systeem e
f tussenscore
als er geen tweede systeem is
f = min(d,e) - 1
f = 0
g kan in geval van falend alarm de bevolking op tijd
waarschuwen?
ja : g = 1
mog: g = 0,5
nee: g = 0
h eindscore falen hoogwateralarmeringssysteem (HAS) E1 = c + f + g
Stap Vraag Score
a1 is een volledige bemanning permanent aanwezig?
(indien ja, sla a2/a3/a4/a5 over)
nee: a = 1
ja : a = 4
a2 is er een schriftelijk vastgelegde up-to-date
mobilisatieregeling? ja: a = a + 0,5
a3 is er een voorwaarschuwingssysteem? ja: a = a + 0,5
a4 is er een terugmeldingssysteem voor mobilisatie? ja: a = a + 0,5
a5 wordt de mobilisatie minstens eenmaal per jaar
uitgevoerd of geoefend?
ja: a = a + 0,5
b1 bevat het mobilisatieplan een schriftelijk vastgelegde
stand-by regeling?
ja : b = 1
nee: b = 0
b2 is er een voorwaarschuwingssysteem voor de stand-by? ja: b = b + 0,5
c tussenscore c = a + b
d1 is er een volledige bemanning permanent aanwezig?
indien ja, ga naar e
ja : d = 4
nee: d = 1
d2 is het kunstwerk onder alle omstandigheden bereikbaar? meestal d = d + 1
vrijwel d = d + 2
altijd d = d + 3
e eindscore falen mobilisatie (MOB) E2 = min(c,d)
Stap Vraag Score
a1 De bediening is
(1) volledig automatisch
(2) niet automatisch, sluitprocedure aanwezig
(3) niet automatisch, geen sluitprocedure aanwezig
Bij (1) kan in principe worden doorgegaan naar e,
met E3=4
Bij (3) zijn de vragen a2-a4 niet relevant
a = 4
a = 2
a = 1
a2 Bevat de sluitingsprocedure een terugmeldingsplicht? ja: a = a + 0,5
a3 Is de procedure bekend bij alle bij de sluiting betrokken
personen?
ja: a = a + 0,5
a4 Wordt de sluitingsprocedure minstens eenmaal per jaar
uitgevoerd of geoefend? ja: a = a + 0,5
b Zijn er bij bedieningsfouten mogelijkheden tot herstel? ja : b = 1
mog: b = 0,5
nee: b = 0
c1 Zijn alle ruimten en toegangen verlicht en wordt dit
minstens tweemaal per jaar gecontroleerd?
ja : c = 1
nee: c = 0
c2 Wordt minstens eenmaal per jaar gecontroleerd of iedereen
beschikt over de benodigde sleutels voor toegang of
ja: c = c + 1
Tabel 3.3
Scoretabel falen mobilisatie
(Aspect B)
Tabel 3.4
Scoretabel bedieningsfout
(Aspect C)
INVULLING WITTE VLEKKEN KUNSTWERKEN
074374860:A ARCADIS 16
bediening?
c3 Zijn er communicatiemiddelen (portofoons) of zijn deze
niet nodig? ja: c = c + 0,5
d Is er bij problemen genoemd bij c een realistische mogelijkheid tot
herstel?
ja : d = 1
mog: d = 0,5
e Eindscore bedieningsfout (BED) nee: d = 0
E3 = min(a + b,
c + d)
Stap Vraag Score
a1 is het primaire keermiddel een permanent middel
(dus geen schotbalken, zandzakken of dergelijke)?
ja: a = 2
nee: a = 1
a2 wordt het primaire keermiddel minstens tweemaal
per jaar gecontroleerd en minstens eenmaal per jaar
volledig getest? ja: a = a + 1
a3 is er aanvarings- of aanrijdingsrisico van betekenis? ja: a = a - 1
b Is de aandrijving van het keermiddel
-elektrisch via het GEB, met noodaggregaat?
-elektrisch via het GEB, zonder noodaggregaat?
-via handkracht?
-via een diesel- of benzinemotor?
b = 4
b = 3
b = 3
b = 2
c tussenscore c = min(a,b)
d is er een volledig en onafhankelijk reserveaandrijvingssysteem? ja: d = 1
nee: d = 0
e zijn er meer dan normale belemmeringen te verwachten? ja: e = 1
nee: e = 2
f is ingrijpen mogelijk bij fysieke belemmering? ja: f = 0,5
nee: f = 0
g tussenscore g = min(c + d,e
+ f)
h is er een tweede keermiddel?
indien ja: beantwoordt vragen a, b, c, e voor het
tweede keermiddel
nee: h = 0
h = min (c,e) - 1
i Eindscore falen als gevolg van technische storing
(STO)
E4 = g + h
De vragenlijsten geven een kwantificering van de kans op falen van de sluitoperatie, gegeven
een sluitvraag voor de kering. De eenheid van de gevonden kans is 1/sluitvraag. De
faalkans die is gevonden met de vragenlijsten moet gecombineerd worden met de
overschrijdingsfrequentie van het OKP om te komen tot de faalkans per jaar (zie ook par. 3.1
en hoofdstuk 4).
Nadere toelichting op de vragen
Algemeen
In de praktijk blijken de vragen niet altijd even duidelijk. Hieronder wordt, gebaseerd op de
gebruikservaring van ARCADIS, een nadere toelichting gegeven op een aantal vragen uit de
eenvoudige en de gedetailleerde methode uit de Leidraad Kunstwerken.
Tabel 3.5
Scoretabel falen als gevolg van
technische storing (Aspect D)
INVULLING WITTE VLEKKEN KUNSTWERKEN
074374860:A ARCADIS 17
Overigens blijkt in het gebruik dat de eenvoudige methode als onduidelijker wordt ervaren
dan de gedetailleerde methode. Deels kan de onduidelijkheid daarom worden ondervangen
door gericht toelichtingen uit de gedetailleerde methode over te nemen bij de eenvoudige
methode.
Eenvoudige methode
 Aspect A, onderdeel 2. Het is onduidelijk aan wie moet worden teruggemeld. Dit dient
de functionaris te zijn die, in geval van het uitblijven van een terugmelding, over kan
gaan tot het alarmeren van vervangers;
 Aspect B, algemeen. Een omissie in de Leidraad is hoe omgegaan moet worden met
keringen die automatisch sluiten. Voorgesteld wordt om in dergelijke gevallen de
beoordeling van mobilisatie achterwege te laten;
 Aspect B, onderdeel 4: “voldoende mensen” is niet erg duidelijk. Om dit te kunnen
beoordelen dient te worden aangegeven:
- Hoeveel mensen nodig zijn voor het bedienen van de kering
- Hoeveel primaire functionarissen en vervangers volgens het rooster beschikbaar zijn
 Aspect B, onderdeel 6: “Goed bereikbaar” is slecht gedefinieerd. Voorstel voor
aanscherping: bereikbaar met motorvoertuigen over land, zonder aanvullende
maatregelen. Zie ook gedetailleerde methode, mobilisatie, vraag d2;
 Aspect C, onderdeel 4. Gedefinieerd dient te worden aan wie wordt teruggemeld. Zie
ook aspect A, onderdeel 2;
 Aspect C, onderdeel 8: communicatie goed mogelijk. Het is niet duidelijk of de
communicatie mogelijk dient te zijn zonder hulpmiddelen. Voorgesteld wordt om bij de
beantwoording van deze vraag uit te gaan van communicatie zonder hulpmiddelen.
 Aspect D, onderdeel 1: vervang “noodaggregaat” door “noodstroomvoorziening”. In
bepaalde gevallen is een no-break installatie voldoende om te kunnen sluiten
 Aspect D, onderdeel 2: onafhankelijk betekent een tweede set keermiddelen met eigen
bewegingswerk en eigen energievoorziening. Een losse noodkering te plaatsen met een
mobiele kraan voldoet aan deze criteria;
 Aspect D, onderdeel 3: tweemaal per jaar controle met een tussenperiode van ten minste
3 maanden en op relevante momenten in het jaar. Logischerwijs vinden deze controles
plaats direct voorafgaand en halverwege het hoogwaterseizoen. Het gaat hier om de
geplande controles. Controles die plaatsvinden na een hoogwatersluiting tellen niet mee
in deze beoordeling;
 Aspect D, onderdeel 4: zie ook paragraaf 3.4 van dit rapport. Voor schutsluizen met een
significant deel beroepsvaart zal al snel niet meer aan dit criterium worden voldaan.
Gedetailleerde methode
 Onderdeel HAS, toelichting vragen b1-b3: de eerste drie zinnen vervangen door: “Indien
de waarnemer van de waterstand zelf de sluitingshandelingen uitvoert is het antwoord
op b1 “nee”. In dat geval geldt b=5 en wordt doorgegaan met vraag c.”
 Onderdeel HAS, toelichting vraag b4: verwijzing naar vraag a5 is niet correct.
Waarschijnlijk is bedoeld b1-b3;
 Onderdeel MOB, toelichting vraag a1: voorgesteld wordt om bij kunstwerken met een
onbediende tijd die in onbediende tijd gesloten zijn
3
:
- De beoordeling te baseren op de situatie in bediende tijd

3
Zoals schutsluizen die alleen bediening overdag kennen
INVULLING WITTE VLEKKEN KUNSTWERKEN
074374860:A ARCADIS 18
- Voor de beoordeling te verlangen dat gewaarborgd is dat de kering buiten bediende
tijd gesloten is door middel van geschreven en geoefende procedures of automatische
systemen;
 Onderdeel MOB, toelichting vraag a1: voorgesteld wordt om de beoordeling van
kunstwerken die buiten bediende tijd geopend zijn te baseren op de situatie buiten
bediende tijd
4
;
 Onderdeel MOB, toelichting vraag a4: “alarmeringspost” is onduidelijk. Terugmelding
dient altijd te geschieden naar een post of functionaris die in staat is om
vervolgmaatregelen te nemen in geval van uitblijven van een terugmelding. De
beschreven procedures dienen hier expliciet melding van te maken;
 Onderdeel BED, toelichting vraag c1-c3: “mobilisatie” moet in dit geval zijn “bediening”
 Onderdeel STO, toelichting vraag a3: zie ook de beschouwing van aanvaring in paragraaf
3.4. Keermiddelen in schutsluizen kennen altijd aanvaringsrisico van betekenis, tenzij op
grond van de vlootsamenstelling kan worden geconcludeerd dat verlies van waterkerend
vermogen niet aan de orde is bij aanvaren. Het is onduidelijk wat met “scheepvaart
minimaal” wordt bedoeld in de Leidraad;
 Onderdeel STO, toelichting vraag b1-b4: “noodaggregaat” vervangen door
“noodstroomvoorziening met voldoende vermogen om te kunnen sluiten”;
 Onderdeel STO, toelichting vraag h: van zandzakken dient het voldoen “op overtuigende
wijze te zijn aangetoond”. Het is noodzakelijk om de constructieve betrouwbaarheid van
een stapeling van zandzakken in de beoordeling te betrekken. Vooral bij grotere kerende
hoogtes is deze stabiliteit niet vanzelfsprekend;
 Kwantitatieve beschouwing scoretabellen: de maximum haalbare score voor STO
bedraagt 3,5 en niet 4. De maximaal toe te kennen betrouwbaarheid is daarmee 10
-3,5
per
vraag = 3,2  10
-4
per vraag.
3.4 BEOORDELING VAN HET EFFECT VAN AANVAREN OP DE BETROUWBAARHEID SLUITING
Algemeen
De beoordeling van het effect van aanvaren op de betrouwbaarheid van de sluiting staat
summier omschreven bovenaan blz. 116 van de Leidraad Kunstwerken. Hieronder wordt
een aanpak gegeven voor het beoordelen van aanvaren in relatie tot betrouwbaarheid
sluiting, die is gebaseerd op deze passage uit de Leidraad.
De volgende kenmerken zijn van belang voor het beoordelen van aanvaren in relatie tot de
betrouwbaarheid sluiting:
 De frequentie van overschrijden van het Open Keer Peil;
 De kans op aanvaren van het hoog water kerende keermiddel;
 Het effect van aanvaren op het waterkerende vermogen en de daaruit voortvloeiende
kans op verlies van het waterkerend vermogen gegeven een aanvaring;
 De herstelduur in geval van het in ongerede raken van het keermiddel door een
aanvaring en het daaruit voortvloeiende in rekening te brengen aantal scheepspassages.
Op grond van deze vier gegevens kan de kans op een fatale aanvaring per jaar worden
bepaald die moet worden gecombineerd met de kans op falen van het reguliere sluitproces
en vervolgens kan worden vergeleken met de eis; in formule:

4
Zoals bijvoorbeeld de keersluis bij Zwartsluis of de bestaande schutsluis in Heumen
INVULLING WITTE VLEKKEN KUNSTWERKEN
074374860:A ARCADIS 19
eis ns j aanv fataal schip per aanv j aanv f
P P n N P P n P      
| _ _ ;
Waarin:
n
j
: Frequentie van overschrijden van het OKP;
P
aanva_per_schip
: De kans op aanvaren per passerend schip;
P
fataal|aanv
: Kans dat de aanvaring fataal is voor het waterkerend vermogen, gegeven
het optreden van een aanvaring;
N: Het aantal kritieke scheepspassages;
P
ns
: De kans op falen van het reguliere sluitproces van de kering.
Hieronder wordt op de vier onderdelen van falen als gevolg van aanvaring nader ingegaan.
Frequentie van overschrijden van het Open Keer Peil
Een aanvaring van het keermiddel is voor de waterkering alleen kritiek als de aanvaring
gevolgd wordt door een overschrijding van het OKP. De frequentie van overschrijden van
het OKP is daarom onderdeel van de beoordeling. De vaststelling van het maatgevende
OKP en de overschrijdingsfrequentie ervan vindt plaats conform de methodes die zijn
toegelicht in de Leidraad Kunstwerken en paragraaf 3.2 van dit rapport.
Kans op aanvaren van het keermiddel
Vanuit het gezichtspunt van de waterkering is het gebruik van een sluis voor het schutten
van schepen een kritisch proces. Eén van de twee keringen wordt geopend voor het
doorlaten van schepen en de schepen moeten tot stilstand komen op relatief korte afstand
van het overgebleven (gesloten) keermiddel.
Het Handboek Ontwerp van Schutsluizen (RWS, 1999) geeft een stopstreepafstand van 2 tot
5 m vanaf de deur en noemt nadrukkelijk menselijke beoordelingsfouten en technische
mankementen aan het schip als mogelijke oorzaken voor aanvaren van de deur. Tevens
geeft het handboek aan dat vergroten van de stopstreepafstand de kans op aanvaren
verminderd, maar gekwantificeerd wordt dit niet.
In het onderzoek “Aanvaarrisico’s voor sluisdeuren” (WL, 1992)
5
wordt op basis van
casuïstiek een kans op aanvaren van de tweede (gesloten) deur gevonden van 1 op 33.000
nivelleringen, waarbij als uitgangspunt geldt dat bij schuttingen met meerdere schepen alleen
het eerste invarende schip de deur zal kunnen aanvaren. In de Leidraad Kunstwerken is dit
getal terug te vinden in tabel B3.10, met dien verstande dat het getal is gesteld op 1 op
33.000 per schip. Voor schutsluizen met een kleine kolk of weinig verkeersaanbod, waar per
schutting één schip passeert maakt dit geen verschil. Voor grotere sluizen met veel verkeer
geeft de Leidraad Kunstwerken een overschatting van de aanvaarkans ten opzichte van het

5
Het onderzoek is gebaseerd op tellingen en metingen uit de periode 1985 – 1989 en is daarmee al
enigszins verouderd. Recentere onderzoeken zijn echter niet bekend.
Figuur 3.3
Schets van ongevalscenario
“aanvaren 2
e
deur” (uit WL,
1992)
INVULLING WITTE VLEKKEN KUNSTWERKEN
074374860:A ARCADIS 20
onderzoek uit 1992. De aanvaarkans van de 1
e
deur is ook in het genoemde onderzoek
onderzocht, maar deze ligt aanzienlijk lager dan de aanvaarkans van de tweede deur. Om
die reden, en omdat bij aanvaren van de eerste deur de tweede deur veelal gesloten is, speelt
aanvaren van de eerste deur geen rol bij de beoordeling van de sluis als waterkering.
Het WL-onderzoek uit 1992 was gericht op vaarwegen van klassen VI, Va en Vb, ofwel de
(grotere) binnenvaart. Uitgangspunt was het op eigen kracht invaren en remmen van
schepen in de sluis. Om die reden kunnen de gevonden kentallen niet zonder meer worden
gebruikt voor zeesluizen. Het schutproces bij zeesluizen wordt veelal uitgevoerd met
sleepboothulp. Daardoor ontstaan vanzelf meer back-up mogelijkheden voor het opvangen
van fouten en mankementen zodat verwacht mag worden dat de aanvaarkansen lager
komen te liggen.
Samenvattend wordt gesteld dat:
 De kans op aanvaren van de tweede deur voor het beoordelen van een binnenvaartsluis
als waterkering wordt gesteld op 1/33.000 per schip;
 Voor grote sluizen, waar per schutting meerdere schepen worden geschut, kan de kans
op aanvaring worden gereduceerd. Dit dient dan te worden gemotiveerd op basis van
verkeersgegevens;
 Voor zeesluizen, waar schutting plaatsvindt met sleepboothulp, geldt het getal van
1/33.000 per schip niet. Het getal kan alleen worden gebruikt voor een eerste
beoordeling. De aangehouden kans geldt dan als een bovengrens.
Effect van aanvaren op het waterkerend vermogen
Overzicht van de aanpak
Niet iedere aanvaring van de deur zal fatale gevolgen hebben voor het waterkerend
vermogen van de deur. Of een aanvaring leidt tot schade aan de deur hangt af van:
 De scheepsmassa;
 De snelheid bij aanvaren;
 De constructieve eigenschappen van de deur.
Hierna worden wat praktische richtlijnen gegeven, hoe in de praktijk de kans op een
zogenoemde “fatale aanvaring” kan worden vastgesteld. De basiskans is telkens de kans op
aanvaren van 1/33.000 per schip, zoals weergegeven in de voorgaande paragraaf.
De volgende mogelijkheden worden achtereenvolgens behandeld:
 Bovengrensbenadering;
 Reductie op grond van de vlootsamenstelling;
 Reductie op grond van de constructieve eigenschappen van de deur.
De drie mogelijkheden zijn gepresenteerd in volgorde van oplopende inspanning en kunnen
daarom heel goed na elkaar worden gebruikt om van “grof naar fijn” werkend te komen tot
een steeds scherpere inschatting van de kans op een fatale aanvaring
6
.

6
De Leidraad Kunstwerken geeft in een toelichting op de eenvoudige methode een kans van 1 op
1.000.000 per passage, onder verwijzing naar de eerder aangehaalde WL-studie uit 1992. Uit
bestudering van het rapport van WL in het kader van deze studie kon dit getal echter niet worden
getraceerd.
INVULLING WITTE VLEKKEN KUNSTWERKEN
074374860:A ARCADIS 21
Bovengrensbenadering
De bovengrens wordt gevonden door eenvoudigweg te veronderstellen dat iedere aanvaring
fatale gevolgen heeft voor het waterkerend vermogen van het aangevaren keermiddel. Deze
aanpak werkt goed bij sluizen met een beperkt verkeersaanbod.
Reductie op grond van vlootsamenstelling
Bij veel sluizen is sprake van een gemengd verkeersaanbod, bestaande uit beroepsvaart en
recreatievaart. Ook zijn er sluizen waar sprake is van overwegend recreatievaart. Dergelijke
gegevens over de vlootsamenstelling kunnen gebruikt worden om op een snelle en
verantwoorde manier te komen tot een reductie van de kans op een fatale aanvaring. Deze
reductie komt tot stand door een scheiding aan te brengen in de vloot, door bijvoorbeeld
recreatievaart te onderscheiden van beroepsvaart. Recreatievaart bestaat uit kleine, relatief
lichte schepen die, bij aanvaren, geen of weinigs schade aan de deur zullen veroorzaken. In
deze benadering wordt de beroepsvaart behandeld volgens de hierboven gegeven
bovengrensbenadering; met andere woorden: van beroepsvaart wordt verondersteld dat
iedere aanvaring fataal is voor het waterkerend vermogen. Vooral voor sluizen met alleen of
overwegend recreatievaart werkt deze aanpak heel goed.
Reductie op grond van constructieve eigenschappen van de deur
De meest geavanceerde methode is gebaseerd op een constructieve berekening van de deur.
Op grond van die berekening wordt vastgesteld hoeveel botsenergie door de deur kan
worden opgenomen terwijl het waterkerend vermogen intact blijft. Daarbij is het van belang
een goede analyse te maken welke vervorming van de deur kan worden toegelaten. In veel
gevallen zal plastisch vervormen van het keermiddel mogelijk zijn zonder verlies van het
waterkerend vermogen.
Het type keermiddel is van grote invloed op de opneembare botsenergie. Een puntdeur die
“met de punt mee” wordt aangevaren opent gemakkelijk zonder dat veel energie wordt
opgenomen. Een aanvaring “op de punt” leidt vrij snel tot hoge normaalkrachten waardoor
bij relatief weinig energie veel schade kan ontstaan aan het keermiddel en/of aan het
sluishoofd. Roldeuren zijn, vanwege de grote overspanning, vaak erg breed en robuust. Een
roldeur draagt op buiging en zal in de regel veel kunnen vervormen zonder verlies van
waterkerend vermogen.
De opneembare botsenergie die is afgeleid uit de constructieve herberekening van de deur
kan vervolgens worden vergeleken met de optredende botsenergie die is af te leiden uit het
WL-onderzoek uit 1992. Dit wordt toegelicht aan de hand van een voorbeeld. In
onderstaande figuren staan twee kansverdelingen van de optredende botsenergie nabij de 2
e
Figuur 3.4
“Met de punt mee” en “op de
punt” aanvaren
INVULLING WITTE VLEKKEN KUNSTWERKEN
074374860:A ARCADIS 22
deur. Op de verticale as staat de waargenomen botsenergie nabij de 2
e
deur, zoals deze is
vastgesteld uit scheepsmassa en naderingssnelheid. Op de horizontale as staat de
overschrijdingskans. Het verschil tussen de twee grafieken is de waterdiepte in de
sluiskolk
7
.
In onderstaande tabel zijn de kansen op constructieve schade weergegeven, gegeven een
botsing met het aangegeven type schip.

7
De waterdiepte is belangrijk. In een kolk met beperkte afmeting (ten opzichte van het schip) zal het
schip van nature sterker worden afgeremd dan in een ruime (diepe) kolk.
Figuur 3.5
Kansverdeling van de
botsenergie nabij de 2
e
deur.
Diepte in de sluis 3,65 m (WL,
1992)
Figuur 3.6
Kansverdeling van de
botsenergie nabij de 2
e
deur.
Diepte in de sluis 10,0 m (WL,
1992)
INVULLING WITTE VLEKKEN KUNSTWERKEN
074374860:A ARCADIS 23
Situatie Kans op schade RHK, ongeladen Kans op schade RHK, geladen
Ondiepe kolk 0,15 0,01
Diepe kolk 0,40 0,40
De kansen worden gevonden door in de grafiek van de botsenergie op de verticale as de
toelaatbare botsenergie op te zoeken. Vervolgens wordt het snijpunt met de
overschrijdingscurve gezocht en kan op de horizontale as de overschrijdingskans worden
afgelezen.
De verschillen tussen de ondiepe en de diepe kolk zijn groot en grotendeels te verklaren
vanuit het verschil in gedrag van het schip in de sluis. In de ondiepe kolk is de doorsnede
van het schip groot in vergelijking met de doorsnede van de kolk. Het gevolg is dat de
schepen sterker worden geremd, maar bovendien dat geladen schepen, die relatief nog meer
ruimte (onder water) innemen, sterker geremd worden dan ongeladen schepen. Het
resultaat is dat over het geheel genomen de botsenergie lager ligt in de ondiepe kolk en dat
het verschil tussen de diepe en ondiepe kolk groter is voor geladen schepen.
Bij de diepe kolk is het verschil tussen geladen en ongeladen schepen nagenoeg afwezig. Er
is in alle gevallen zoveel ruimte onder de kiel dat schepen beperkt worden geremd. Dit uit
zich ook in een hogere ligging van de overschrijdingscurve van de botsenergieën. De kans
op constructieve schade aan het keermiddel dan ook hoger dan voor een ondiepe kolk en
voor geladen en ongeladen schepen nagenoeg gelijk.
VOORBEELD KANS OP NIET-SLUITEN DOOR AANVAREN
Als voorbeeld wordt de volgende fictieve situatie beschouwd. Het voorbeeld is in twee stappen
uitgewerkt. De eerste stap wordt in dit kader uitgewerkt, op pagina 26 wordt het vervolg
behandeld. Een sluis in een klasse IV vaarweg kent 10.000 scheepspassages per jaar. Uit tellingen
is bekend dat 10 % hiervan bestaat uit recreatievaart en 90 % uit beroepsvaart. Verder is bekend
dat de opvaart vrijwel altijd uit geladen schepen bestaat en de afvaart vrijwel altijd uit
ongeladen schepen. De sluiskolk is vrij krap. Daardoor wordt met beroepsvaart slechts één schip
per keer geschut. De waterdiepte in de kolk wordt gesteld op 4 m. De sluis is voorzien van
roldeuren in beneden- en bovenhoofd. De normfrequentie bedraagt 1/4000 per jaar.
De opgave is om de kans op een fatale aanvaring per scheepspassage vast te stellen. Dit wordt
uitgewerkt volgens de drie methoden die hierboven zijn geïntroduceerd.
Bovengrens
De basiskans op aanvaring volgens de Leidraad Kunstwerken bedraagt 1/33.000 per schip = 3,0 
10
-5
per schip. In de bovengrensbenadering wordt hierop geen reductie toegepast.
Reductie op basis van vlootsamenstelling
Uitgangspunt is dat recreatievaartuigen te klein en te licht zijn om schade aan de deuren te
veroorzaken. De kans op een fatale aanvaring reduceert daarmee tot het aandeel van de
beroepsvaart daarin: 0,9 x 1/33.000 = 2,7  10
-5
per schip
Reductie op basis van de constructieve eigenschappen van de deur
Ten behoeve van het voorbeeld wordt aangenomen dat een constructieve berekening heeft
uitgewezen dat de deur 1000 kNm aan botsenergie kan opnemen zonder noemenswaardig
effect op het waterkerend vermogen van de deur. Met de gegeven kolkdiepte kan uitgegaan
Tabel 3.6
Conditionele kansen op fatale
aanvaring, voorbeeld
INVULLING WITTE VLEKKEN KUNSTWERKEN
074374860:A ARCADIS 24
worden van het resultaat “ondiepe kolk” uit tabel 3.7. Ter vereenvoudiging worden alle
passages met beroepsvaart gekenmerkt als RHK-schepen. Omdat een deel van de vloot uit
lichtere schepen zal bestaan is de benadering nog steeds enigszins conservatief. De tabel
hieronder geeft weer hoe de kans op een fatale aanvaring per passage wordt vastgesteld.
Scheepstype Aandeel in totale vloot
Kans op fatale aanvaring
gegeven aanvaring
Kansbijdrage fatale
aanvaring gegeven
aanvaring
Recreatievaart 10 % nihil nihil
RHK, geladen 45 % 1 % 0,5 %
RHK,
ongeladen
45 % 15 % 6,8 %
Totaal 7,2 %
De kans uit de tabel geeft de kans op een fatale aanvaring gegeven dat er een aanvaring
optreedt. De kans per passage wordt gevonden door dit getal te vermenigvuldigen met de
basiskans op aanvaring: 1/33.000  0,072 = 2,2  10
-6
per schip.
Herstelduur na aanvaring
De voorgaande twee paragrafen behandelen de kans op een fatale aanvaring per
scheepspassage. De norm voor de waterkering is echter gegeven als een kans per jaar. Daarom
moet ook het effect van aanvaren worden uitgedrukt in een kans per jaar. Hiervoor moet het
aantal kritieke scheepspassages per jaar worden bepaald.
Een aanvaring is alleen kritiek voor de waterkering wanneer tussen het moment van
aanvaren en het moment van herstel van de kering de buitenwaterstand een kritieke waarde
overschrijdt. Deze kritieke waarde is het Open Keer Peil of OKP, dat is toegelicht in
paragraaf 3.2. Uitgaande van een vaste herstelduur van de waterkering zijn daarom alleen
die scheepspassages kritiek die plaatsvinden op een tijdstip korter dan de herstelduur voor
de volgende overschrijding van het OKP. In onderstaande figuur is dit weergegeven,
waarbij er vanuit is gegaan dat het Hoogste Schutpeil
8
(HSP) en het OKP aan elkaar gelijk
zijn.

8
Het hoogste schutpeil is het peil waarboven niet meer geschut wordt. Meestal wordt dit peil bepaald
door de kerende hoogte van het binnenhoofd.
INVULLING WITTE VLEKKEN KUNSTWERKEN
074374860:A ARCADIS 25
Het aantal kritieke passages is in dit geval gelijk aan het aantal passages dat gemiddeld
optreedt in de aangehouden herstelduur.
Wanneer het Hoogste Schutpeil lager ligt dan het OKP, dan wordt de scheepvaart eerder stil
gelegd. Het aantal kritieke passages neemt dan af. Onderstaande figuur geeft dit weer.
De figuur laat zien dat de helft van het aantal passages in de herstelduur wegvalt, omdat
dan de scheepvaart om andere redenen al is stilgelegd.
Figuur 3.7
Aanvaarrisico en hersteltijd in
relatie tot het OKP en het
Hoogste Schutpeil (HSP)
Figuur 3.8
Aanvaarrisico en hersteltijd met
Hoogste Schutpeil lager dan
OKP
INVULLING WITTE VLEKKEN KUNSTWERKEN
074374860:A ARCADIS 26
Voor het vaststellen van de herstelduur zelf moet op basis van de werkelijke situatie een
onderbouwde en niet te optimistische keuze worden gemaakt. Enkele voorbeelden:
 Schutsluis met puntdeuren. Puntdeuren kunnen onder verval niet worden gesloten. In
getijgebied kan mogelijk worden gewacht op de kentering, zodat de herstelduur gelijk is
aan een halve getijperiode. Bij sluizen met een constant waterstandsverschil zijn andere
maatregelen nodig (stortsteen of big bags, te plaatsen in de kolk) of kan worden gewacht
tot het bovenstroomse kanaalpand is leeg gelopen;
 Schutsluis met hefdeuren. Een hefdeur is in de regel bestand tegen sluiten onder verval.
Of de deur daadwerkelijk sluit hang af van het verval en het bediensysteem. Het verval
zorgt dat de deur in z’n aanslagen wordt gedrukt. Als het bediensysteem in staat is de
hierdoor ontstane wrijving te overwinnen, dan kan worden gesloten en is de hersteltijd
kort. Is sluiten niet mogelijk, dan resteren maatregelen als gegeven bij puntdeuren;
 Schutsluis met roldeuren. Een roldeur is niet te sluiten onder verval omdat deze dan uit
zin geleiding wordt getild. Maatregelen: zie puntdeuren.
Afhankelijk van de eigenschappen van de sluis en het al dan niet voorbereid zijn op
noodmaatregelen wordt de herstelduur ingeschat.
VOORBEELD KANS OP NIET-SLUITEN DOOR AANVAREN, VERVOLG
Voor de hierboven aangehaalde fictieve situatie wordt de herstelduur ingeschat. De
eigenschappen van de sluis zijn:
- De sluis is voorzien van roldeuren;
- Er zijn big bags en zand aanwezig om in geval van calamiteiten de kolk te kunnen afsluiten
- Er is met het noodmateriaal geoefend;
- Het OKP wordt gemiddeld 1x per 5 jaar overschreden.
De beheerder schat in dat in maximaal 48 uur de kolk kan worden afgesloten, rekening houdend
met de tijd die nodig is om te beslissen over de inzet van de noodmaatregel en eventuele
tegenvallers bij de uitvoering ervan. Tevens wordt er vanuit gegaan dat het verkeer wordt
stilgelegd bij bereiken van OKP. Op basis van 10.000 passages per jaar resulteert gemiddeld iets
meer dan 1 passage per uur. Het is echter bekend dat er pieken optreden in het verkeer tot 5
passages per uur. Hiervan wordt voor de analyse uitgegaan. Het aantal in rekening te brengen
passages bedraagt nu: 5 schepen per uur x 48 uur = 240 schepen
Hierboven is de kans op een fatale aanvaring per passage vastgesteld, beginnend met een
conservatieve schatting en eindigend met een vrij scherpe bepaling. Gecombineerd met 240
passages geeft dit:
- Bovengrens: 1/5 sluitvragen per jaar x 240 schepen per jaar x 1/33.000 per schip = 1,5 x 10
-3
per
jaar;
- Aangescherpt op vlootsamenstelling: 1/5 sluitvragen per jaar x 240 schepen per jaar x 2,7x10
-5
per schip = 1,3 x 10
-3
per jaar;
- Op basis van eigenschappen deur: 1/5 sluitvragen per jaar x 240 schepen per jaar x 2,2 x 10
-6
per
schip = 1,1 x 10
-4
per jaar.
Uitgaande van het criterium van 0,1 x norm als grens voor de betrouwbaarheid van de sluiting
(Leidraad Kunstwerken) moet de combinatie van aanvaren en betrouwbaarheid sluiting
gezamenlijk voldoen aan een faalkans van 2,5 x 10
-5
per jaar. In het voorbeeld wordt deze
waarde alleen door aanvaren al overschreden. Er zijn daarom maatregelen nodig. Enkele
mogelijkheden zijn:
INVULLING WITTE VLEKKEN KUNSTWERKEN
074374860:A ARCADIS 27
- Een gedetailleerdere constructieve beschouwing van het keermiddel, rekening houdend met
herverdeling van belastingen in het keermiddel waardoor de opneembare botsenergie mogelijk
kan worden verhoogd;
- Het eerder stilleggen van de scheepvaart, waardoor het aantal kritieke passages wordt
teruggebracht;
- Het aanbrengen van een aanvaarbeveiliging voor het keermiddel, waardoor de kans op
daadwerkelijk stuk varen van het keermiddel wordt beperkt.
INVULLING WITTE VLEKKEN KUNSTWERKEN
074374860:A ARCADIS 28
HOOFDSTUK
4Toelichting toetsrecept
Betrouwbaarheid Sluiting
4.1 INLEIDING
In dit hoofdstuk wordt een nadere toelichting gegeven op het toetsrecept Betrouwbaarheid
Sluiting, zoals dat is verwoord in bijlage B3 van de Leidraad Kunstwerken. Op de volgende
onderwerpen wordt in dit hoofdstuk nader ingegaan:
 Basisfilosofie voor de beoordeling;
 Hoofdfaalbronnen sluitproces en beoordeling ervan;
 Berekeningen OKP voor enkele kenmerkende situaties.
4.2 BASISFILOSOFIE, HOOFDFAALBRONNEN SLUITPROCES EN BEOORDELING
De hoofdfoutenboom voor het falen van de sluiting is gegeven onder de beschrijving van de
gedetailleerde methode in paragraaf B3.4 (figuur B3.8). De getoonde aanpak is echter de
basis voor beoordeling op alle niveaus, dus ook voor de eenvoudige en geavanceerde
methode. Figuur B3.8 uit de Leidraad is hieronder weergegeven.
INVULLING WITTE VLEKKEN KUNSTWERKEN
074374860:A ARCADIS 29
De waterkering faalt alleen als:
 De buitenwaterstand dermate hoog is dat het kunstwerk moet worden gesloten, en
 De sluiting van de kering faalt
Voor het falen van de sluiting zijn vier hoofdfaalbronnen aangegeven. Het falen op één van
deze vier aspecten is voldoende voor het falen van de sluiting. Deze vier aspecten zijn:
 De hoogwateralarmering: bij uitblijven van het hoogwateralarm komt er geen enkele
actie op gang en sluit de kering niet
 Mobilisatie: het niet mobiliseren van personeel dat nodig is voor de sluiting leidt tot falen
van de sluiting. Op dit aspect zijn permanent bemande kunstwerken duidelijk
betrouwbaarder dan onbemande kunstwerken
 Bediening: het maken van bedieningsfouten kan ertoe leiden dat de kering niet tijdig
gesloten is
 Technisch falen: technische storingen aan het keermiddel zelf of aan ondersteunende
systemen (energievoorziening, besturing) kan ertoe leiden dat de kering niet sluit
Ongeacht het niveau van toetsen (eenvoudig, gedetailleerd of geavanceerd) is altijd een
analyse nodig van:
 De hydraulische effecten van een geopend kunstwerk en op grond daarvan een
vaststelling van het OKP
 De faalkans van de vier hoofdfaalbronnen van de sluitoperatie
Alleen de wijze waarop de faalkans tot stand komt verschilt. Op de vaststelling van het OKP
wordt in de volgende paragraaf nader ingegaan. Een overzicht van de beoordeling van de
kans op niet-sluiten per vraag is weergegeven in onderstaande tabel.
Figuur 4.9
Hoofdfoutenboom falen als
gevolg van niet-sluiten (figuur
B3.8 uit de Leidraad
Kunstwerken)
INVULLING WITTE VLEKKEN KUNSTWERKEN
074374860:A ARCADIS 30
Beoordelingsniveau
Wijze van beoordelen
faalkans per vraag
Uitkomst
Eenvoudig Evaluatie op twintig
hoofdkenmerken van het
proces
Indien voldaan: kans op niet-sluiten niet
hoger dan 10
-3
per vraag
Gedetailleerd Vaststellen kans op niet-
sluiten voor elk van de vier
hoofdfaalbronnen op basis
van kenmerken van het
sluitproces
Faalkans per hoofdfaalbron en voor het
totaal
Geavanceerd Opbouwen foutenboom,
kwantificeren
basisgebeurtenissen op basis
van kentallenlijsten en
databases, waaronder de
Leidraad Kunstwerken
Faalkans per hoofdfaalbron en voor het
totaal. Alleen in de geavanceerde
methode is het mogelijk rekening te
houden met gunstige configuraties die
buiten de scope van de vragenlijsten
vallen, zoals de aanwezigheid van
beveiligingssystemen
4.3 HYDRAULISCHE BEREKENINGEN VOOR VASTSTELLING VAN HET OKP
Algemeen
In paragraaf 3.2 is aangegeven op welke wijze de verschillende bedrijfssituaties van een
kunstwerk in kaart dienen te worden gebracht als basis voor de vaststelling van het OKP. In
deze paragraaf wordt voor enkele kenmerkende situaties een toelichting gegeven op de
wijze waarop voor een gegeven bedrijfssituatie het OKP kan worden bepaald. De
configuraties in onderstaande tabel worden beschouwd.
Situatie Kenmerken Voorbeelden
a Kerende hoogte zonder keermiddel
boven de laagste waterstand
- Coupure
- Schutsluis met ongelijke keermiddelen, hoge
keermiddel geopend
b Kerende hoogte zonder keermiddel
onder de laagste waterstand
- Geheel geopende schutsluis
- Geopende keersluis of stormvloedkering,
evt. met meerdere openingen
Het onderscheid tussen de twee situaties is de fysiek aanwezige kerende hoogte in
afwezigheid van het geanalyseerde keermiddel. De Leidraad Kunstwerken noemt deze
hoogte de Open Keer Hoogte, of OKH.
Situatie a, OKH boven laagste waterstand
In deze situatie ligt de kerende hoogte boven de laagste buitenwaterstand. Dat betekent dat
zonder keermiddel een zeker kerend vermogen aanwezig is. Er zijn een aantal
mogelijkheden om het OKP vast te stellen in deze situatie. Naarmate de situatie
nauwkeuriger wordt geanalyseerd kan vaak op een verantwoorde wijze een hoger OKP
worden gekozen. Op volgorde van oplopend OKP zijn de volgende benaderingen mogelijk:
 OKP gelijk aan OKH minus een waakhoogte (Leidraad Kunstwerken, figuur B3.4). In
geval van toetsing hoeft geen rekening te worden gehouden met hoogwaterstijging en
NAP-daling. Zettingen worden in rekening gebracht zoals deze zijn opgetreden op de
peildatum van de toetsing
 OKP gebaseerd op een zeker toegelaten overloopdebiet (Leidraad Kunstwerken, figuur
B3.5). De komberging en toelaatbare waterstand in het achterliggende gebied speelt
hierin een rol. Tevens dient rekening te worden gehouden met de eventuele
aanwezigheid van andere kunstwerken in hetzelfde systeem. Ook hier hoeft in het geval
Tabel 4.7
Beoordelingsniveaus van de
kans op niet-sluiten per
sluitvraag volgens de Leidraad
Kunstwerken
Tabel 4.8
Kenmerkende situaties voor
berekeningen OKP
INVULLING WITTE VLEKKEN KUNSTWERKEN
074374860:A ARCADIS 31
van toetsing geen rekening te worden gehouden met hoogwaterstijging en NAP-daling
en worden zettingen gebaseerd op de peildatum van de toetsing.
Het debiet over het geopende kunstwerk kan in dit geval worden bepaald door het
kunstwerk te beschouwen als een volkomen overlaat. Afvoerformules voor deze situatie
kunnen worden gevonden in handboeken vloeistofmechanica. Ook formule B3.2 uit de
Leidraad Kunstwerken is geldig voor een volkomen overlaat.
Situatie b, OKH onder laagste waterstand
In deze situatie ligt de kerende hoogte onder de laagste buitenwaterstand. Dat betekent dat,
bij afwezigheid van het keermiddel, er fysiek geen kering aanwezig is. Deze situatie komt in
de Leidraad Kunstwerken niet expliciet aan de orde. Vaststelling van het OKP als OKH
minus een waakhoogte is in deze situatie niet mogelijk.
Ook in deze situatie zijn er verschillende wijzen van vaststelling van het OKP mogelijk. In
volgorde van oplopend OKP:
 OKP gelijk aan het streefpeil aan de binnenzijde. Als de buitenwaterstand lager blijft dan
het streefpeil, dan zal de waterstand op de boezem nooit boven streefpeil stijgen
 OKP gelijk aan het maximum toelaatbaar peil op de boezem
 OKP gebaseerd op de laagste kerende hoogte van de boezemkaden minus een
waakhoogte (deze zal vaak vrijwel overeenkomen met de vorige benadering)
 OKP gebaseerd op toegelaten instroomdebiet (Leidraad Kunstwerken, figuur B3.5)
Voor kunstwerken met een relatief diep gelegen drempel kan het instroomdebiet worden
gevonden door het kunstwerk te modelleren als onvolkomen lange overlaat. In bijzondere
gevallen, wanneer het verval groot is en de drempel relatief ondiep ligt moet rekening
worden gehouden met een volkomen afvoersituatie bij de hogere waterstanden. Op grond
van de lokale situatie en met gebruikmaking van handboeken vloeistofmechanica kan snel
worden beoordeeld welk type model nodig is.
INVULLING WITTE VLEKKEN KUNSTWERKEN
074374860:A ARCADIS 32
HOOFDSTUK
5Digitaal invulblad
beoordeling kans op niet sluiten
Nader in te vullen
INVULLING WITTE VLEKKEN KUNSTWERKEN
074374860:A ARCADIS 33
COLOFON INVULLING WITTE VLEKKEN KUNSTWERKEN
WITTE VLEK 2 BETROUWBAARHEID SLUITING
OPDRACHTGEVER:
DELTARES
DRS. M.W.J HULST
STATUS:
Concept
AUTEUR:
Ing. G.J. van der Want
Dr. Ir. H.G. Voortman
GECONTROLEERD DOOR:
Ing. G.J. van der Want
Dr. Ir. H.G. Voortman
VRIJGEGEVEN DOOR:
Ing. G.J. van der Want
1 februari 2010
074374860:A
ARCADIS NEDERLAND BV
Nieuwe Steen 3
Postbus 173
1620 AD Hoorn
Tel 0229 285 285
Fax 0229 219 996
www.arcadis.nl
Handelsregister
9036504
©ARCADIS. Alle rechten voorbehouden. Behoudens
uitzonderingen door de wet gesteld, mag zonder
schriftelijke toestemming van de rechthebbenden niets uit
dit document worden verveelvoudigd en/of openbaar
worden gemaakt door middel van druk, fotokopie, digitale
reproductie of anderszins.
lNVULLlNC Wl11E VLEKKEN KUNS1WERKEN
074374894:8 ARCADI5 1
INVULLING WITTE VLEKKEN KUN5TWERKEN
VOORßEELDENßOEK
DLLTAPLS
DPS. M.W.J. HULST
19 febiuaii 2010
074374894:ß
C02021.000042
lNVULLlNC Wl11E VLEKKEN KUNS1WERKEN
074374894:8 ARCADI5 2
lnhoud
1 InIeiding____________________________________________________________________ 4
!.! Achlergrond ____________________________________________________________ 4
!.2 Doelslelling en albakening_________________________________________________ 4
!.3 Werkwijze ______________________________________________________________ 5
2 PraktijkvoorbeeId toetsing zeesIuis ___________________________________________ 7
2.! 8eschrijving van de sluis ___________________________________________________ 7
2.2 Sysleemanalyse __________________________________________________________ 9
2.3 Hydraulische randvoorwaarden _____________________________________________ 9
2.4 Uilwerking van de loelsing _______________________________________________!!
2.4.! Algemeen _______________________________________________________!!
2.4.2 Overnemen loelsresullalen vorige loelsronde__________________________!4
2.4.3 Toelsspoor Hoogle (HT) ____________________________________________!5
2.4.4 Toelsspoor Slerkle en Slabilileil (ST)__________________________________!8
2.4.5 Toelsspoor 8elrouwbaarheid Sluiling (8S) _____________________________23
2.4.6 Vervolg van de loelsing ____________________________________________25
3 PraktijkvoorbeeId toetsing historische sIuis ___________________________________26
3.! 8eschrijving van de sluis __________________________________________________26
3.2 Sysleemanalyse _________________________________________________________27
3.3 Hydraulische belaslingen _________________________________________________28
3.4 Uilwerking van de loelsing _______________________________________________28
3.4.! Algemeen loelsschema ____________________________________________28
3.4.2 Toelsspoor Hoogle (hl) ____________________________________________29
3.4.3 Toelsspoor Slerkle en Slabilileil (ST)__________________________________3!
3.4.4 Toelsspoor 8elrouwbaarheid Sluiling (8S) _____________________________39
3.4.5 Vervolg van de loelsing ____________________________________________46
4 PraktijkvoorbeeId toetsing coupure _________________________________________47
4.! 8eschrijving van de coupure_______________________________________________47
4.2 Sysleemanalyse _________________________________________________________48
4.3 Hydraulische randvoorwaarden ____________________________________________49
4.4 Uilwerking van de loelsing _______________________________________________49
4.4.! Algemeen loelsschema ____________________________________________49
4.4.2 Toelsspoor Hoogle (HT) ____________________________________________49
4.4.3 Toelsspoor Slerkle en Slabilileil (ST)__________________________________5!
4.4.4 Toelsspoor 8elrouwbaarheid Sluiling (8S) _____________________________54
4.4.5 Vervolg van de loelsing ____________________________________________56
5 PraktijkvoorbeeId toetsing uitvateringssIuis _________________________________57
5.! 8eschrijving van de uilwaleringssluis________________________________________57
5.2 Sysleemanalyse _________________________________________________________58
5.3 Hydraulische randvoorwaarden ____________________________________________59
lNVULLlNC Wl11E VLEKKEN KUNS1WERKEN
074374894:8 ARCADI5 3
5.4 Uilwerking van de loelsing _______________________________________________59
5.4.! Algemeen loelsschema ____________________________________________59
5.4.2 Toelsspoor Hoogle (HT) ____________________________________________60
5.4.3 Toelsspoor Slerkle en Slabilileil (ST)__________________________________60
5.4.4 Toelsspoor 8elrouwbaarheid Sluiling (8S) _____________________________62
5.4.5 Vervolg van de loelsing ____________________________________________65
8ijlage ! Nadere loelichling sysleemanalyse _______________________________________66
8ijlage 2 loulenboom lalen zeesluis______________________________________________70
CoIo!on_______________________________________________________________________72
lNVULLlNC Wl11E VLEKKEN KUNS1WERKEN
074374894:8 ARCADI5 4
HOOlDSTUK
1lnleiding
1.1 ACHTERGROND
De Wel op de waleikeiingen scliijfl sinds 1996 een vijfjaailijkse loelsing vooi, waaiin de
pei dijkiinggebied aanwezige veiligleid legen oveisliomen woidl geloelsl aan de noim die
in de wel is vaslgelegd. Op dil momenl zijn lwee loelsiondes veislieken en woidl de deide
loelsionde (2006 - 2011) uilgevoeid. In de Landelijke Rappoilage Toelsing 2006 (LRT 2006)
zijn de iesullalen van de lweede loelsing samengeval en loegelicll. De iesullalen van de
loelsing van de a- en b-keiingen zijn in de ondeislaande figuien samengeval.
Len deel van de waleikeiingen is beooideeld als 'geen ooideel'. Vooi dijken en duinen is
32º op 'geen ooideel' gezel. Van alle kunslweiken zijn 459 kunslweiken (49º) beooideeld
als 'geen ooideel'.
1.2 DOEL5TELLING EN AfßAKENING
In deze sludie zal woiden ingegaan op de beooideling van de kunslweiken. Hel doel is lel
leiugbiengen van lel peicenlage 'geen ooideel' vooi de kunslweiken. Om dil doel le
beieiken is dooi ARCADIS ondeizocll wal de ooizaak is van lel niel kunnen geven van een
ooideel. Op basis van de bevindingen is een plan van aanpak
1
opgesleld vooi lel veibeleien
van lel loelsinsliumenlaiium dooi lel invullen van de wille vlekken. Op loofdlijnen
beslaal de aanpak van de wille vlekken uil:
Hel besclikbaai maken aan de beleeidei van een oveizicll van de benodigde infoimalie
vooi lel loelsen en de mogelijkleden vooi inwinning van infoimalie (Wille Vlek 1),
Hel loelicllen, aanpassen en waai mogelijk veieenvoudigen van lel loelsiecepl vooi
beliouwbaaileid sluiling (Wille Vlek 2),
Hel geven van uilgeweikle vooibeelden van loelsingen van kunslweiken.
In deze iappoilage zijn uilgeweikle vooibeelden van loelsingen opgenomen. De uilweiking
van Wille Vlek 1 en 2 zijn in sepaiale iappoilages besclieven.

1
Ilan van aanpak loelsing wille vlekken kunslweiken, veisie D, kenmeik 074133592:D, d.d. 3
seplembei 2009
figuur 1.1
Pesullalen loelsing a en b
keringen
lNVULLlNC Wl11E VLEKKEN KUNS1WERKEN
074374894:8 ARCADI5 5
1.3 WERKWI1ZE
De geselecleeide vooibeelden lebben beliekking lebben op de meesl vooikomende
kunslweiken en omvallen de loelsing van alle ondeidelen (ondeibouw, bovenbouw en
beliouwbaaileid sluiling). Hel beliefl de volgende lypen kunslweiken:
Len zeesluis,
Len lisloiiscle sluis,
Len coupuie,
Len uilwaleiingssluis dooi een dijk.
ßij de uilweiking van de vooibeelden gaal lel vooial om lel inzicllelijk maken van lel
loelspioces. Len beleeidei of degene die de loelsing uilvoeil, moel een duidelijk beeld
kiijgen loe lel loelsen van een kunslweik in zijn weik gaal.
Iei vooibeeld zullen de volgende aspeclen belandeld woiden:
1. ßescliijving van de silualie,
2. Sysleemanalyse,
3. Hydiauliscle iandvooiwaaiden,
4. Uilweiking van de loelsing volgens de loelsiegels en de gebiuikle bionnen.
1 8cs:|rij.ing .cn Jc si|uc|ic
In dil loofdsluk woidl een koile bescliijving van lel kunslweik gegeven. Iei kunslweik
woidl zoveel infoimalie gegeven dal de loelsing van de le loelsen ondeidelen kan woiden
geiepioduceeid. Daainaasl woidl aangegeven wal de calegoiie en veiligleidsnoim van lel
kunslweik is.
2 Sµs|ccmcnc|µsc
Hel gaal bij de sysleemanalyse vooial om lel inzicll le kiijgen in de funclie van kunslweik
als waleikeiing en de bedieigingen vooi deze waleikeiende funclie. In dil loofdsluk zal de
weiking en opbouw van lel kunslweik geanalyseeid woiden. De volgende aspeclen
woiden in beeld gebiacll:
Wal zijn de waleikeiende ondeidelen,
Welke faalmeclanisme zijn le veiwacllen,
Wal zijn de iaakvlakken mel aansluilende waleikeiingen.
3 HµJrcu|is:|c rcnJ.ccruccrJcn
In dil loofdsluk zullen de loegepasle lydiauliscle iandvooiwaaiden besclieven woiden
en zal een koile loeliclling gegeven woiden op de wijze waaiop deze zijn bepaald.
4 Ui|ucr|ing .cn Jc |cc|sing .c|gcns Jc |cc|srcgc|s cn Jc gc|rui||c |rcnncn
In dil loofdsluk zal een loeliclling gegeven woiden op de uil le voeien loelsslappen
volgens VTV-Kalein 7 en een loeliclling op de loelssclema's in dil kalein. Veivolgens
zullen de loelsiesullalen koil woiden omsclieven. ßelangiijk is dal lel loelspioces
inzicllelijk woidl gemaakl. In dil loofdsluk zal ook woiden loegelicll welke gegevens zijn
gebiuikl en loe de infoimalie veizameld kan woiden. Vooi een oveizicll van gegevens die
lNVULLlNC Wl11E VLEKKEN KUNS1WERKEN
074374894:8 ARCADI5 6
nodig zijn vooi lel uilvoeien van een loelsing woidl veiwezen naai de clecklisl benodigde
infoimalie
2
.
De gekozen vooibeelden zijn ficlief maai deels gebaseeid op weikelijke silualies.

2
ßijlage 2 van iappoil: Invulling Wille Vlekken Kunslweiken, Wille vlek 1 Gebiek aan infoimalie,
kenmeik 074373219.
lNVULLlNC Wl11E VLEKKEN KUNS1WERKEN
074374894:8 ARCADI5 7
HOOlDSTUK
2Praklijkvoorbeeld
loelsing zeesluis
2.1 ßE5CHRI1VING VAN DE 5LUI5
ßeschrijving van de situatie
In dil loofdsluk woidl ingegaan op de loelsing van een kunslweik langs de kusl. Hel
besclouwde kunslweik is een zeesluis gelegen aan de Nooidzee. De sluis leefl lol doel een
diiecle scleepvaailveibinding lol sland le biengen lussen de Nooidzee en lel
aclleigelegen binnenwalei. De sclulsluis woidl gebiuikl dooi visseiij-, landels- en
ieciealievaail. Hel sluiscomplex omval een sclulsluis, een bedieningsgebouw, een
deuienbeigplaals, iemmingsweiken en wacllplaalsen. Aan de Nooidzeezijde woidl de
sluis afgescleimd dooi lavendammen. De lavendammen lebben een kiuinloogle van
NAI+5,0 m.
De maximale lengle van de sclepen die de sluis moelen kunnen passeien is 90 m. De
sclulkolklengle is 130 m en de sluiskolk leefl een bieedle van 20 m en een diempelniveau
van NAI-5,70 m. In de ondeislaande figuui is de silualie weeigegeven.
figuur 2.2
Overzichl zeesluis
lNVULLlNC Wl11E VLEKKEN KUNS1WERKEN
074374894:8 ARCADI5 8
De belonconsliuclie van de sluis beslaal uil veisclillende ondeidelen:
ßinnen- en builenloofd mel elk een ioldeuikas,
Zes sluiskolkmolen,
L-voimige keeimuien,
Len bedieningsgebouw vooi de sluis op lel builenloofd.
De sluis leefl in iedei loofd één ioldeui op iails. ßeide deuien zijn idenliek en zijn
elekliiscl/lydiauliscl aangedieven. Llke deui is vooizien van viei sluks
elekliiscl/meclaniscl aangedieven deuiscluiven. Tevens is een volledig ingeiiclle
ieseivedeui besclikbaai.
De binnen- en builenloofden lebben elk een lengle van 20 m. In de loofden zijn deuikassen
gemaakl vooi de ioldeuien. Deze deuikassen dienen levens als fionlmuui vooi de
nooidelijke zijde van lel sluiscomplex. Om ondeiloopsleid le vooikomen zijn ondei de
loofden kwelscleimen van slalen damwand aangebiacll. De L-voimige keeiwanden zijn
op veisclillende looglen gefundeeid en dienen als fionlmuien. De sluis is na
giondveibeleiing in zijn geleel op slaal gefundeeid.
De sluis dooikiuisl een logei gelegen dijkliclaam mel een kiuinloogle van NAI+12,0 m.
Hieidooi onlslaal een coupuie in de vasle waleikeiing. De bieedle van dil ielalief lage
sluisplaleau is ongeveei 100 m. Hel sluisplaleau kan bij een evenluele sloimvloed dooi
golfoveislag oveispoeld woiden. Li is daaiom vooi een slioombeslendige bekleding
gekozen die in de aansluilende laluds is dooigezel.
Aan weeiszijden van de sluiskolk is bodembescleiming aangebiacll lei bescleiming legen
eiosie dooi sclioefslialen van passeiende sclepen, in- en uilslioom van de sluiskolk en
golfaanval aan de Nooidzeezijde. Aan de binnenzijde ligl sloilsleen 60-300 kg. Aan de
Nooidzeezijde is gekozen vooi een bodembescleiming ovei de eeisle 10 m van sloilsleen
300-1000 kg. De daaiop volgende 50 m is vooizien van een bodembescleiming van
sloilsleen 60-300 kg.
Categorie en veiIigheidsnorm
De sluis is ondeideel van een dijkiing veibindende keiing calegoiie b en dienl volledig
zelfslandig de waleikeiende funclie le veivullen. Confoim de LKW 2003 belooil de sluis lol
consliuclielype I.
De bedieiging van de sluis woidl gevoimd dooi de Nooidzee. De sluis moel veiligleid
bieden legen een sloimvloed mel een waleisland, die een gemiddelde
oveiscliijdingsfiequenlie leefl van 1/4000 pei jaai.
figuur 2.3
Doorsnede sluisplaleau
lNVULLlNC Wl11E VLEKKEN KUNS1WERKEN
074374894:8 ARCADI5 9
ßeschikbare gegevens
Van de sluis is een gedelailleeide onlweipnola besclikbaai. In de onlweipnola zijn de
(lydiauliscle) onlweipiandvooiwaaiden en belaslingen besclieven. Ook de uilgevoeide
beiekeningen zijn loegelicll. Daainaasl is een landboek besclikbaai waai de kenmeikende
lekeningen van de sluis in zijn opgenomen. Samen mel de bescliijving in de onlweipnola
geven deze een duidelijk beeld van de opbouw van lel sluiscomplex. Veidei is een beleei-
en ondeiloudsplan van de sluis vooilanden. Hieiin is pei ondeideel ondei andeie de
ondeiloud- en inspeclieslialegie omsclieven.
Mel bovengenoemde documenlen is een belangiijk deel van de benodigde infoimalie
vooilanden. Tei aanvulling is lel volgende veldondeizoek uilgevoeid:
Inmelen van de loogle van de keeimiddelen,
Inmelen van de loogle van lel aansluilende giondliclaam,
Visuele inspeclie van de bekleding van lel sluisplaleau.
2.2 5Y5TEEMANALY5E
De loelsing van waleikeiende kunslweiken is uilgeweikl in VTV-Kalein 7. De loelsspoien
in dil kalein (en zekei lel loelsspooi Sleikle en Slabilileil) zijn op loofdlijnen besclieven.
Hel is daaiom zinvol om vooiafgaand aan de loelsing een sysleemanalyse uil le voeien. Hel
gaal bij de sysleemanalyse vooial om lel inzicll in de funclie van lel kunslweik als
waleikeiing en de bedieigingen vooi deze waleikeiende funclie. In ßijlage 1 is lei
loeliclling de sysleemanalyse vooi de sluis in dil vooibeeld veidei uilgeweikl en loegelicll.
In deze paiagiaaf woiden alleen de van loepassing zijnde faalmeclanismen gegeven. Op
giond van de sysleemanalyse woiden de volgende faalmeclanismen geïdenlificeeid:
1. Toelsspooi HT (Waleibezwaai bij een geslolen kunslweik),
Oveiloop en oveislag ovei de keeimiddelen
Oveiloop en oveislag ovei lel sluisplaleau
2. Toelsspooi ST (Consliuclief falen van de sluis),
Inslabilileil belonconsliuclie (kanlelen/afscluiven),
Inslabilileil bekleding sluisplaleau,
Inslabilileil bodembescleiming,
ßezwijken keeimiddelen,
ßezwijken belonconsliuclie,
Ondei- en aclleiloopsleid,
Inslabilileil vooiland.
3. Toelsspooi ßS (Waleibezwaai bij een geopend kunslweik).
Ialen van de sluiling van lel kunslweik, gegeven een oveiscliijding van lel Open
KeeiIeil (OKI).
2.3 HYDRAULI5CHE RANDVOORWAARDEN
AIgemeen
De lydiauliscle iandvooiwaaiden vooi lel loelsen van piimaiie waleikeiingen in
Nedeiland zijn opgenomen in lel Hydiauliscl Randvooiwaaidenboek. Hel VTV en lel
Hydiauliscl Randvooiwaaidenboek lebben een wellelijke slalus.
lNVULLlNC Wl11E VLEKKEN KUNS1WERKEN
074374894:8 ARCADI5 10
Vooi de deide loelsionde zijn de loe le passen lydiauliscle iandvooiwaaiden vaslgelegd in
de 'Hydiauliscle Randvooiwaaiden Iiimaiie Waleikeiingen vooi de deide loelsionde
2006-2011' (HR2006). Ondeideel van de HR2006 zijn de HYDRA iekenmodellen waaimee
de lydiauliscle iandvooiwaaiden pei localie beiekend kunnen woiden. In Kalein 4 van lel
Vooiscliifl Toelsen op Veiligleid Iiimaiie Waleikeiingen (VTV) is een loeliclling gegeven
op lel gebiuik van de HR2006 in combinalie mel de loelsingsiegels.
De lydiauliscle iandvooiwaaiden uil lel iandvooiwaaidenboek of de HYDRA modellen
kunnen niel zondeimeei gebiuikl woiden vooi de loelsing. Hel loe le passen loelspeil langl
af van lel lype waleikeiing en lel loelsspooi dal dooilopen moel woiden. In label 4-2.1 van
lel VTV is pei lype waleikeiingen en pei loelsspooi een oveizicll gegeven van loeslagen
op de waleisland die in iekening gebiacll moelen woiden. Deels zijn deze loeslagen
veiweikl in de HYDRA iekenmodellen. De loeslagen die niel zijn opgenomen in de
iekenmodellen moelen landmalig woiden loegevoegd. In lel VTV-Kalein 4 slaal
aangegeven welke loeslagen wel en niel zijn meegenomen.
ßij lel gebiuik van de HYDRA-modellen dienl eivooi gewaakl le woiden dal de gevonden
illuslialiepunlen voldoende iepiesenlalief zijn vooi lel lype waleikeiing en lel
faalmeclanisme dal geloelsl woidl. De illuslialiepunlen komen lol sland dooi de
combinalie van een faalmeclanisme mel de lokaal geldende slalisliek van de lydiauliscle
omslandigleden. In de HYDRA-modellen zijn alleen faalmeclanismen vooi dijken gedekl,
waaidooi juisl vooi kunslweiken de illuslialiepunlen onvoldoende iepiesenlalief kunnen
zijn.
In lel gebied lussen lel uilvoeipunl van de HYDRA-iekenmodellen en de waleikeiing
kunnen de golfiandvooiwaaiden woiden beïnvloed dooi obslakels of ondieplen. Hel effecl
van golfieduceiende obslakels of ondieplen kan woiden meegenomen in de loelsing. De
belangiijksle golfieduceiende invloeden zijn van ondiepe vooilanden en lavendammen.
Ondiep vooiland leidl lol een bepeikle waleidieple waaidooi golven bieken en afnemen in
loogle. Havendammen kunnen golven doen bieken en bepeiken de indiinging van golven
in lavens. Dil is maai len dele afgedekl in de HYDRA-modellen. Vooi de loelsing is lel
noodzakelijk om lianspaianl en ondeibouwd de lokale iandvooiwaaiden vasl le slellen.
ßerekening hydrauIische beIasting
De sluis in dil vooibeeld is gelegen aan de Nooidzee en is afgescleimd dooi
lavendammen. In lel Hydiauliscle Randvooiwaaidenboek zijn vooi deze sluis geen
iandvooiwaaidenlocalies gegeven in de diiecle nabijleid van de sluis. De lydiauliscle
iandvooiwaaiden zijn daaiom beiekend mel iekenmodel HYDRA-K. Mel HYDRA-K zijn
lel maalgevende loelspeil, de maalgevende golfloogle en - peiiode beiekend op basis van
de noimfiequenlie 1/4000 jaai. Vooi de sluis in dil vooibeeld gelden de volgende
lydiauliscle iandvooiwaaiden:
Toelspeil= NAI+ 5,2 m,
Significanle golfloogle H
s
= 3,0 m,
Iiekpeiiode T
p
= 9 s.
Confoim Kalein 4 van lel VTV dienl bij de loogleloels een aanlal loeslagen op de
waleisland in iekening le woiden gebiacll. De in iekening le biengen loeslagen kunnen
woiden bepaald mel label 4-2.1 van Kalein 4 en zijn vooi dil vooibeeld:
ßuislolen, buioscillalies en seicles,
lNVULLlNC Wl11E VLEKKEN KUNS1WERKEN
074374894:8 ARCADI5 11
Slingeiingen.
De loeslag vooi slingeiingen is opgenomen in HYDRA-K. De loeslag vooi buislolen,
buioscillalies en seicles is niel opgenomen in HYDRA-K en moel landmalig woiden
loegevoegd. De in iekening le biengen loeslag vooi buislolen, buioscillalies en seicles is
gegeven in de Leidiaad zee- en meeidijken. De sluis in dil vooibeeld is gelegen in een
zeeaim. De loeslag vooi buislolen, buioscillalies en seicles is in dal geval 0,3 m.
De sluis woidl aan de Nooidzeezijde afgescleimd dooi lavendammen die een
golfieduceiende weiking lebben. De volledige golfieduclie mag ecllei alleen in iekening
gebiacll woiden als de lavendammen ondeideel zijn van de waleikeiing en ondei
loelsomslandigleden inlacl blijven. De lavendammen maken in dil vooibeeld geen deel uil
van de waleikeiing en dienen deilalve builen besclouwing gelalen le woiden. Hel volledig
builen besclouwing lalen van de lavendammen is een eig conseivalieve benadeiing. De
golfloogle die oveiblijfl na bezwijken van de lavendammen kan giof woiden gesclal aan
de land van een analogie mel golfbiekeis. Ovei lel algemeen woidl bij golfbiekeis de
bekleding dooigezel lol een afsland van ciica 1,5 lol 2 maal H
s
ondei de slilwaleilijn. ßij
bezwijken van de bekleding is de insclalling dal de golfbiekei lol ongeveei 1 maal H
s
ondei
de slilwaleilijn woiden afgeslagen. Li is dan een liansmissie van ongeveei 80º
3
van de
golfeneigie ovei de dam. De acluele maalgevende golfloogle bij de onlweipsloim vanaf de
Nooidzee bediaagl ongeveei 3,0 m builen de lavendammen. Uilgaande van een liansmissie
van 80º woidl de maalgevende golfloogle H
s
= 2,4 m. Hieibij is aangenomen dal de
lavendam ovei de volledige lengle weggeslagen is, wal een conseivalieve aanname is.
Waaisclijnlijk zal maai een deel van de lavendam bezwijken. De liansmissie zal daaidooi
afnemen.
Hel maalgevende veival ovei lel kunslweik woidl bepaald dooi de maximale
builenwaleisland en de minimale binnenwaleisland. De maximale builenwaleisland is in
dil geval lel loelspeil op de Nooidzee en is NAI+ 5,2 m. De minimale binnenwaleisland is
dooi de beleeidei gesleld op NAI+0,5 m lijdens maalgevende omslandigleden. Hel
maalgevende veival ovei lel kunslweik is dan 4,7 m.
Samengeval woiden vooi de sluis de volgende loelsiandvooiwaaiden aangelouden:
Cmschri|ving Waarde
Norm!requenIie 1/4000 |aar
1oeIspeil NAP+ 5,2 m
Minimale waIersIand binnenwaIer NAP+ 0,5 m
1oeslag bi| hoogIeIoeIs 0,3 m
Signi!icanIe gol!hoogIe H
s
2,4 m
Piekperiode 1
p
9 s
2.4 UITWERKING VAN DE TOET5ING
2.4.1 ALCEMEEN
De loelsing van een waleikeiing woidl uilgevoeid aan de land van lel Vooiscliifl Toelsen
op Veiligleid Iiimaiie Waleikeiingen 2006 (VTV2006). De loelsing veiloopl slapsgewijs en

3
CUR/CIRIA/CLTMLI, Tle Rock Manual, C683.
TabeI 2.1
Samenvalling
loelsrandvoorwaarden
lNVULLlNC Wl11E VLEKKEN KUNS1WERKEN
074374894:8 ARCADI5 12
is weeigegeven in lel ondeislaande sclema uil de VTV. Als eeisle woidl de keiing
opgedeeld in seclies. Iei seclies woiden een opdeling gemaakl naai lel lype keiing en pei
lype keiing woidl veivolgens de loelsing uilgevoeid. Als laalsle woiden alle eindscoies pei
lype en seclie samengevoegd lol een eindooideel vooi lel dijkiinggebied.
Dil vooibeeld bepeikl zicl lol de loelsing van de sluis. De eeisle lwee slappen in lel
loelspioces (opdeling in seclies en lype waleikeiing) woiden niel veidei loegelicll. De
loelsing van de sluis veiloopl volgens lel ondeislaande loofdsclema uil de VTV.
figuur 2.4
Toelsschema primaire
walerkeringen
figuur 2.5
Hooldschema loelsing
lNVULLlNC Wl11E VLEKKEN KUNS1WERKEN
074374894:8 ARCADI5 13
De eindscoie van de loelsing van lel kunslweik woidl gebaseeid op lwee eindscoies:
Lindscoie gebaseeid op de loelsingsiegels in lel VTV,
Lindscoie gebaseeid op lel beleeideisooideel.
Eindscore op basis van toetsingsregeIs
ßij de loelsing volgens de loelsingsiegels kunnen ondei bepaalde vooiwaaiden de
loelsiesullalen uil de voiige loelsionde woiden oveigenomen. In sclema 2-2.3 in VTV-
Kalein 2 woidl slapsgewijs besclieven aan welke vooiwaaiden voldaan moel woiden om
de eindscoie van de seclie van de piimaiie waleikeiing volgens de loelsingsiegels van de
lweede loelsionde 2001-2006 ovei le nemen als eindscoie volgens de loelsingsiegels van de
deide loelsionde 2006-2011. Als niel woidl voldaan aan de genoemde vooiwaaiden dan
woidl lel kunslweik beooideeld volgens de loelsingsiegels in lel VTV2006.
De beooideling van waleikeiende kunslweiken is omsclieven in Kalein 7. De volgende
beooidelingsspoien woiden dooilopen:
Hoogle (HT) van de consliuclie en de afsluilmiddelen,
Slabilileil en sleikle (ST) van de consliuclie en de waleikeiende, ondeiveideeld in:
- Slabilileil van consliuclie en giondliclaam (STCG),
- Sleikle van (waleikeiende) consliuclieondeidelen (STCO),
- Iiping en leave (STIH),
- Slabilileil van lel vooiland (STVL),
ßeliouwbaaileid sluiling (ßS).
In lel ondeislaande sclema zijn de beooidelingsspoien weeigegeven.
figuur 2.6
Hooldschema voor de
beoordeling van walerkerende
kunslwerken
lNVULLlNC Wl11E VLEKKEN KUNS1WERKEN
074374894:8 ARCADI5 14
In de vijfjaailijkse loelsing van de waleikeiing confoim de VTV woiden alleen de
ondeidelen van een kunslweik besclouwd die gekoppeld zijn aan lel funclioneien van lel
kunslweik als waleikeiing. In de sysleemanalyse zijn deze ondeidelen en de mogelijke
faalwijzen geïdenlificeeid. Deze kunnen gekoppeld woiden aan de beooidelingsspoien uil
lel VTV.
Eindscore op basis van beheerdersoordeeI
ßij lel beooidelen van een waleikeiing woidl naasl de eindscoies volgens de
loelsingsiegels ook dooi de beleeidei een ooideel gegeven ovei de keiing. Op giond van
eigen eivaiingen of op giond van kennis die niel woidl gebiuikl in de loelsing volgens de
loelsmellodes koml de beleeidei lol een eigen ooideel ovei de waleikeiing. Als lel
ooideel volgens de loelsingsiegels dooi de beleeidei woidl oveigenomen, is geen nadeie
ondeibouwing nodig. Daai waai lel beleeideisooideel afwijkl van lel ooideel volgens de
loelsingsiegels dienl dooi de beleeidei een ondeibouwing gegeven le woiden van lel
beleeideisooideel.
2.4.2 CVERNEMEN 1CE1SRESUL1A1EN VCRlCE 1CE1SRCNDE
In lel ondeislaande sclema is weeigegeven ondei welke vooiwaaide de loelsiesullalen uil
de voiige loelsionde kunnen woiden oveigenomen.
Om de iesullalen uil de voiige loelsionde in geval van een scoie 'goed' of 'voldoende' ovei
le kunnen nemen dienl aan de volgende vooiwaaiden le woiden gedaan:
figuur 2.7
Voorwaarden overnemen
loelsresullalen vorige
loelsronde
lNVULLlNC Wl11E VLEKKEN KUNS1WERKEN
074374894:8 ARCADI5 15
1. De geomeliie van lel kunslweik is niel ongunsligei dan geomeliie lijdens voiige
loelsionde,
2. De luidige lydiauliscle iandvooiwaaiden zijn niel ongunsligei dan de lydiauliscle
iandvooiwaaiden uil de voiige loelsionde,
3. De luidige loelsiegels zijn niel ongunsligei dan de loelsiegels uil de voiige loelsionde.
Van de sluis in dil vooibeeld is een loelsiappoil van de vooigaande loelsing besclikbaai.
Geconlioleeid woidl of deze loelsiesullalen oveigenomen kunnen woiden.
VccruccrJc 1.
Ten beloeve van de loelsing is de loogle van lel kunslweik ingemelen. Li zijn ecllei geen
inmelingen van de sluis uil de voiige loelsionde besclikbaai zodal niel beooideeld kan
woiden of de geomeliie gewijzigd is len opziclle van de voiige loelsionde. Wel blijkl uil de
inmeling dal de loogle niel of nauwelijks is gewijzigd len opziclle van de onlweiploogle.
Op giond daaivan is de conclusie dal aan vooiwaaide 1 woidl voldaan.
VccruccrJc 2.
In de ondeislaande label zijn de lydiauliscle iandvooiwaaiden uil de voiige loelsionde en
de acluele iandvooiwaaiden samengeval.
Cmschri|ving
Waarden 2
e
IoeIsronde
Waarden huidige
IoeIsronde
Norm!requenIie 1/4000 |aar 1/4000 |aar
1oeIspeil NAP+ 5,15 m NAP+ 5,2 m
Minimale waIersIand binnenwaIer NAP+ 1,0 m NAP+ 0,5 m
MaaIgevend verval 4,15 m 4,7 m
Signi!icanIe gol!hoogIe H
s
4,0 m 2,4 m
Piekperiode 1
p
onbekend 8,7 s
Hel loelspeil en lel veival zijn vooi de luidige loelsionde ongunsligei gewoiden. Li woidl
niel aan de lweede vooiwaaide voldaan.
VccruccrJc 3.
In Kalein C van de VTV zijn de wijzigingen in de luidige VTV len opziclle van de VTV
2004 besclieven. De beooideling van de loogle en de beliouwbaaileid sluiling van
waleikeiende kunslweiken is in oveieenslemming gebiacll mel de Leidiaad Kunslweiken.
Hieidooi is de beooideling duidelijkei, zondei dal dil lol significanl andeie loelsiesullalen
leidl dan op giond van de loelsingsiegels in lel VTV2004. Op giond daaivan is de conclusie
dal aan vooiwaaide 3 woidl voldaan.
De conclusie is dal niel woidl voldaan aan alle diie de vooiwaaiden. De sluis zal volgens de
loelsiegels in lel VTV2006 woiden beooideeld.
2.4.3 1CE1SSPCCR HCCC1E (H1)
De loogle (HT) van lel gcs|c|cn kunslweik moel voldoende zijn om een le giool
waleibezwaai in lel dijkiinggebied le vooikomen. Tevens mag de slandzekeileid van de
consliuclie len gevolge van oveisliomend of oveislaand walei niel in gevaai komen. De
keiing loefl niel 100º waleidicll le zijn, zolang de keiende funclie genoeg is om de
waleisland in lel binnenwalei ondei een bepaalde loelswaaide le louden. In de
TabeI 2.2
Samenvalling hydraulische
randvoorwaarden 2
e
en
huidige loelsronde
lNVULLlNC Wl11E VLEKKEN KUNS1WERKEN
074374894:8 ARCADI5 16
sysleemanalyse zijn vooi dil beooidelingsspooi de volgende waleikeiende ondeidelen en
faalmeclanismen ondeiscleiden:
Oveiloop en oveislag ovei de keeimiddelen,
Oveiloop en oveislag ovei lel sluisplaleau.
De beooideling van deze ondeidelen volgl lel ondeislaande sclema uil lel VTV.
Vooi de kiuinloogle van de keiing (l
k
) woidl de ingemelen kiuinloogle aangelouden.
Stap 1: Onlwoipen volgens vigeiende leidiaden en de geomeliie en iandvooiwaaiden zijn
niel veisleclleid.
De sluis is gebouwd vooi 2003 en deilalve niel onlwoipen volgens de Leidiaad
Kunslweiken. De loelsing woidl vooilgezel mel slap 2.
Stap 2.1: l
ki
_ Toelspeil + loeslagen
l
ki
van de sluisdeui en lel sluisplaleau= NAI+5,8 m,
figuur 2.8
8eoordelingsschema voor de
hoogle van kunslwerken
lNVULLlNC Wl11E VLEKKEN KUNS1WERKEN
074374894:8 ARCADI5 17
Toelspeil= NAI+5,2 m,
Toeslag= 0,3 m.
Slap 2.1: 5,8 _ 5,2 + 0,3. De belaslingsilualie is oveislag en de loelsing woidl dooigezel mel
slap 2.2.
Stap 2.2: Oveislagdebiel q |l/m/sj, q _ 0,1; 0,1 · q · 10; q _ 10
In deze slap woidl lel oveislagdebiel beiekend. In lel Addendum 1 van lel VTV2006
woidl vooi de beiekening van lel oveislagdebiel veiwezen naai ßijlage L
¨Damwandmodule in Hydia-R¨ uil de ¨Gebiuikeislandleiding Hydia-R vooi HR2006.¨ In
deze bijlage woidl weei dooiveiwezen naai de Leidiaad Kunslweiken. Deilalve woidl lel
oveislagdebiel beiekend aan de land van de volgende foimule uil de Leidiaad
Kunslweiken:
)
1
0 , 3 exp( 13 , 0
3
n s
kr
s
H
h
gH q
¸ ¸
|
÷ =
mel: q = gemiddeld oveislagdebiel |l/m/sj,
g = veisnelling van de zwaailekiacll = 10 m/s
2
,
H
s
= significanle inkomende golfloogle vlak vooi de consliuclie. =2,4 m,
l
ki
4
= loogle van de kiuin boven lel loelspeil= 0,3 m,
¸
|
= invloedsfacloi vooi scleve golfaanval= 1,
¸
n
= invloedsfacloi vooi een neus bovenaan de consliuclie= 1.
Hel oveislagdebiel vooi de sluis beiekend mel bovenslaande foimule is ca. 1000 l/m/s en is
> 10 l/m/s. De loelsing woidl dooigezel mel slap 2.3.
Stap 2.3: l
ki
- (Toelspeil + loeslagen) _ 0,3 m
De beooideling volgens slap 2.3: l
ki
-Toelspeil + loeslagen _ 0,3 m. Vooi deze sluis is de
maige 0,3 m, de loelsing woidl dooigezel mel slap 3.2.
Stap 3.2 Slandzekeileid en beleeismalige gevolgen bij giole oveislag
Hel walei dal ovei de kiuin sliooml dooi oveiloop of golfoveislag kan de slandzekeileid
van lel kunslweik aanlaslen of lel beleei lijdens loogwalei bemoeilijken. In deze slap
woidl de slandzekeileid van de consliuclie geloelsl en de gevolgen van lel oveislaande
walei uil lel oogpunl van lel beigend veimogen van lel aclleiliggende gebied.
ßij de beooideling op slandzekeileid van de consliuclie woidl ondeizocll of lel
oveislaande walei sclade kan veiooizaken aan de sluisconsliuclie of de bekleding van lel
sluisplaleau. Uil de onlweipnola blijkl dal len lijde van lel onlweip is uilgegaan van een
oveislagdebiel van 1100 l/m/s. Hel oveislagdebiel ondei loelsomslandigleden is 1000
l/m/s. De belasling op de sluiskolk en de bekleding van lel sluisplaleau is afgenomen len
opziclle van lel onlweip. De slandzekeileid woidl niel in gevaai gebiacll.

4
De definilie van de loogle l
ki
in de oveislagfoimule in de Leidiaad Kunslweiken wijkl af van de
definilie van l
ki
in lel VTV. Omdal dezelfde afkoiling woidl gebiuikl, kan dil lol veiwaiiing leiden. In
de oveislagfoimule is l
ki
de loogle van de kiuin boven de waleisland. In lel VTV is l
ki
de loogle van
de kiuin l.o.v. NAI.
lNVULLlNC Wl11E VLEKKEN KUNS1WERKEN
074374894:8 ARCADI5 18
Hel oveislaande walei woidl afgevoeid naai lel aclleigelegen binnenwalei. De
loeveelleid walei die aanvaaidbaai is langl af van lel kombeigend veimogen of de
loelaalbaie waleisland van lel binnenwalei. Hel oveislagdebiel ondei
loelsomslandigleden is mindei dan ondei onlweipomslandigleden en veiooizaakl uil lel
oogpunl van beiging en afvoei geen oveilasl.
Hel ooideel vooi de sluis en lel sluisplaleau vooi loelsspooi Hoogle luidl: goed.
2.4.4 1CE1SSPCCR S1ERK1E EN S1A8lLl1El1 (S1)
Sleikle en slabilileil woiden geloelsl op basis van een aanlal deelspoien:
STCG: slabilileil consliuclie en giondliclaam. Hel gaal daaibij om de slabilileil van de
consliuclie c|s gc|cc|
5
,
STCO: sleikle van waleikeiende consliuclieondeidelen. Hel gaal daaibij om opnemen
van de lydiauliscle belaslingen dooi de keeimiddelen en de afdiacll van deze
belaslingen naai de consliuclie,
STIH: beooideling op piping en leave. Hel gaal daaibij om lel ondeimijnd iaken van de
consliuclie als gevolg van le giole slioomsnelleden in lel giondwalei ondei en iond de
consliuclie,
STVL: slabilileil vooiland. Hel gaal daaibij om de mogelijkleid dal lel vooiland vooi de
consliuclie inslabiel woidl dooi afscluiving of zellingsvloeiïng, mel inslabilileil van lel
kunslweik lol gevolg.
Vooi de eeisle diie spoien woidl lel ondeislaande loelssclema gevolgd. Hel spooi STVL
woidl geloelsl volgens VTV-Kalein 9.

5
Soms woidl in loelsiappoilen lel opnemen van kiacllen uil de keeimiddelen dooi de consliuclie
ondei dil spooi besclouwd. Dal is ecllei niel confoim lel geslelde op blz. 247 van lel VTV.
lNVULLlNC Wl11E VLEKKEN KUNS1WERKEN
074374894:8 ARCADI5 19
LEIDRAAD KUN5TWERKEN
ln de Leidraad KunsIwerken wordI uiIgebreid ingegaan op de beoordeling van de sIerkIe en
sIabiliIeiI van waIerkerende kunsIwerken. ln de Leidraad wordI de relaIie gelegd meI de van
Ioepassing zi|n de normen en leidraden, waarbi| de aspecIen die speci!iek voor waIerkerende
kunsIwerken van Ioepassing zi|n, worden beschreven. ln de Leidraad zi|n Ievens Iwee
voorbeelden van IoeIsingen op sIerkIe en sIabiliIeiI uiIgewerkI. Voor een nadere IoelichIing op
de IoeIsing van sIerkIe en sIabiliIeiI wordI derhalve verwezen naar de Leidraad KunsIwerken.
De loelsing op Sleikle en Slabilileil iicll zicl op de ondeidelen die een iol spelen in de
waleikeiende funclie van lel kunslweik. In de sysleemanalyse zijn de faalmeclanismen
geïdenlificeeid. Deze kunnen gekoppeld woiden aan de loelsspoien volgens de VTV:
Inslabilileil belonconsliuclie (kanlelen/afscluiven) => STCG,
Inslabilileil bekleding sluisplaleau => STCG,
Inslabilileil bodembescleiming => STCG,
ßezwijken keeimiddelen => STCO,
ßezwijken belonconsliuclie => STCO,
Ondei- en aclleiloopsleid => STIH,
Inslabilileil vooiland => STVL.
Toetsspoor 5tabiIiteit van de constructie en grondIichaam (5TCG)
Hel gaal bij dil spooi om de weeisland legen beweging en veivoiming van de consliuclie.
Ondei dil deelspooi woiden de volgende aspeclen geloelsl:
Slabilileil van de belonconsliuclie (sluiskolk, lel sluisloofd en de keeiwanden),
Slabilileil van de bodembescleiming,
Slabilileil van lel giondliclaam en de bekleding van lel sluisplaleau.
figuur 2.9
8eoordelingsschema voor
Slabilileil en Slerkle van
kunslwerken
lNVULLlNC Wl11E VLEKKEN KUNS1WERKEN
074374894:8 ARCADI5 20
SIabiliIeiI beIonconsIrucIie
In lel VTV is loelsing op Slabilileil en Sleikle summiei omsclieven. Alvoiens ovei le gaan
lol leibeiekeningen zijn vaak benadeiingen mogelijk. Len mogelijke benadeiing kan zijn
om, bijvooibeeld aan de land van de iesullalen van de ooispionkelijke
onlweipbeiekeningen, een eenvoudige conliole uil le voeien waaiuil kan volgen dal de
aanwezige veiligleid lenminsle even giool is als de veieisle veiligleid. Len snelle mellode
lieivooi is lel veigelijken van de onlweipbelasling mel de loelsbelasling, waaibij de
lydiauliscle belasling de belangiijksle bijdiage leveil. ßeide keeimiddelen van de sluis
dienen als elkaais ieseive, zodal vooi lel loofd en de deuikas aan de zee- en
binnenwaleizijde dezelfde onlweipciileiia zijn aangelouden. De onlweipbelaslingen zijn in
de onlweipnola besclieven. In de ondeislaande label zijn de lydiauliscle onlweipwaaiden
en loelswaaiden samengeval.
Cmschri|ving CnIwerpwaarden 1oeIswaarden
1oeIspeil NAP+ 5,5 m NAP+ 5,2 m
MaaIgevend verval 6,2 m 4,7 m
Signi!icanIe gol!hoogIe H
s
3,65 m 2,4 m
In lel geval van een geslolen sluis zijn de luidige loelsbelaslingen lagei dan bij lel onlweip
is aangenomen. De veiligleid van de consliuclie is daaimee loegenomen.
In lel ßeleei en Ondeiloudplan van de sluis is de ondeiloud- en inspeclieslialegie
besclieven. Lén keei in de lien jaai vindl ei een inspeclie van de sluis plaals. Dil is een
diepgaande leclniscle inspeclie van ondeidelen mel beliekking lol noimlanleiing,
veiligleid en slaal van ondeiloud, evenals conliole op onlweip- en gebiuikeiseisen. Hel is
een gedegen inspeclie, waaibij de loesland van ondeidelen woidl veigeleken mel de
daaiaan geslelde eisen.
Daainaasl vindl elke 2 à 3 maanden een visuele inspeclie plaals geiicll op lel funclioneien
van piimaiie ondeidelen, alsmede conliole op die ondeidelen die een inlensieve bewaking
nodig lebben. Li woidl globaal gekeken naai alle zicllbaie ondeidelen van de sluis en
evenlueel woidl gelijk scloongemaakl, gesmeeid en/of kleine ondeiloudsklussen
uilgevoeid. Deze inspeclie woidl iegelmalig uilgevoeid en dienl als ¨vangnel¨ om
onveiwaclle aclleiuilgang in de condilie van de ondeidelen le kunnen opmeiken.
Uil de bovengenoemde inspeclies zijn geen gebieken (veizakkingen, veiplaalsingen,
scleuien) naai voien gekomen die wijzen op een aclleiuilgang in de slaal van lel
kunslweik. De condilie van de sluis is in oide.
Omdal de belasling op de consliuclie is afgenomen en de condilie van lel kunslweik in
oide is, is de eindscoie vooi de slabilileil van de belonconsliuclie voIdoende.
SIabiliIeiI van heI grondlichaam en de bekleding van heI sluisplaIeau
Slabilileil van lel giondliclaam en de bekleding van lel sluisplaleau woidl geloelsl volgens
de deelspoien in VTV-Kalein 5 en 8 en is niel specifiek vooi kunslweiken. Li woidl liei niel
veidei op ingegaan.
SIabiliIeiI van de bodembescherming
De dominanle belasling silualie op de bodembescleiming van de sluis lieedl op in de
silualie van niel-sluilen van beide sluisdeuien. Aflankelijk van de opliedende veivallen zal
TabeI 2.3
Samenvalling hydraulische
onlwerp- en loelswaarden
lNVULLlNC Wl11E VLEKKEN KUNS1WERKEN
074374894:8 ARCADI5 21
ei een geconcenlieeide uilslioom onlslaan, waaidooi de bekleding op slioming woidl
belasl. Als dooi veilies van maleiiaal uil bekleding een gal in de loplaag onlslaal, zal een
onlgiondingskuil voimen die zicl snel uilbieidl en de iesl van de bodembescleiming en
uileindelijk de sluisconsliuclie kan ondeimijnen.
De bodembescleiming aan de binnenzijde beslaal uil sloilsleen 60-300 kg. Aan de land van
de iekeniegels uil de Rock Manual
6
kan de slabilileil van de bodembescleiming beiekend
woiden. De slabilileil van de bodembescleiming woidl beiekend mel de foimule van
Iilaiczyk:
mel: D
n
= benodigde sleendiamelei,
A = ielalieve dicllleid,
1
cis
= kiilieke scluifspanningspaiamelei,
k
la
= dieplepaiamelei,
k
sl
= laludfacloi,
k
l
= luibulenliefacloi,
U
o
= slioomsnelleid
g = zwaailekiacllveisnelling.
De waaiden die vooi bovengenoemde paiameleis aangelouden moelen woiden zijn
gegeven in de Rock Manual.
Uil slabilileilsbeiekeningen vooi de bodembescleiming volgl dal de loplaag inslabiel woidl
bij veivallen giolei dan 2,0 m en dal de sluis consliuclief faall. Deze mogelijkleid van
consliuclief falen van de sluis legl eigen eisen op aan de beliouwbaaileid van de sluiling.
De beooideling van de slabilileil van de bodembescleiming dienl uilgevoeid le woiden in
combinalie mel de beooideling van de ßeliouwbaaileid Sluiling.
De analyse veiloopl langs dezelfde lijnen als de analyse van lel OKI op basis van een
kombeigingsbesclouwing, waaibij lel OKI nu woidl vaslgesleld op giond van de
consliuclieve eigensclappen van de sluis. De faalkans kan nu woiden gedefinieeid als lel
pioducl van de kans (pei sluilviaag) op niel-sluilen van de afsluilmiddelen en de kans op
oveiscliijding van lel kiiliscle veival of Open Keeiveival (OKV):
(bodembescherming Iaalt) (niet sluiten) ( )
kritisch
P P P h h = × A > A
I(bodembescleiming faall)= de kans dal de bodembescleiming faall,
I(niel sluilen)= kans dal lel kunslweik niel is geslolen op lel momenl dal lel open
keeiveival (OKV) woidl oveisclieden,
I(Al > Al
kiiliscl
)= fiequenlie waaimee lel veival (Al) lel open keeiveival (OKV)
oveiscliijdl.
De op deze maniei beiekende faalkans van de bodembescleiming kan veigeleken woiden
mel de noimfiequenlie. Volgens de Leidiaad Kunslweiken dienl vooi consliuclief falen een

6
CUR/CIRIA/CLTMLI, Tle Rock Manual, C683.
D
n
|
sc
A
0.035
¢
cr

k
ha
k
sl
k
t
2

U
o
2
2 g

lNVULLlNC Wl11E VLEKKEN KUNS1WERKEN
074374894:8 ARCADI5 22
faalkans van 0,01 x de noimfiequenlie gelaald le woiden. De eis van een faalkans van 0,01 x
noim of lagei is een onlweipeis. In lel kadei van de loelsing kan evenlueel ondeibouwd de
eis maximaal een oide logei woiden gesleld, dooi een aanpassing van de
faalkansbudgelleiing van de sluis.
Vooi de sluis in dil vooibeeld is op basis van de veivalslalisliek de kans op falen van de
bodembescleiming beiekend. De beiekende faalkans is logei dan 0,01 x de noimfiequenlie,
maai blijfl ondei de noimfiequenlie van 1/4000 jaai. De eindscoie vooi de slabilileil van de
bodembescleiming is beooideeld als voIdoende.
Toetsspoor 5terkte van de (vaterkerende) constructieonderdeIen (5TCO)
Ondei dil deelspooi woiden de volgende aspeclen geloelsl:
Sleikle van de belonconsliuclie (sluiskolk, lel sluisloofd en de keeiwanden),
Sleikle van de keeimiddelen.
Vooi de beooideling van de sleikle van de consliuclie kan dezelfde aanpak gevolgd woiden
die ook vooi de beooideling van de slabilileil van de consliuclie gevolgd is. In lel geval van
een geslolen sluis zijn de luidige loelsbelaslingen lagei dan bij lel onlweip is aangenomen.
De veiligleid van de consliuclie is daaimee loegenomen. Uil de inspeclies zijn geen
gebieken (coiiosie, bescladigingen, scleuien, e.d.) naai voien gekomen die wijzen op een
afname van de sleikle van lel kunslweik. De condilie van de sluis is in oide.
Omdal de belasling op de consliuclie is afgenomen en de condilie van lel kunslweik in
oide is, is de eindscoie vooi de sleikle van de belonconsliuclie voIdoende.
Toetsspoor 5tabiIiteit Piping en Heave (5TPH)
De scoie vooi Iiping en Heave op basis van de eenvoudige loelsing is 'voldoende' indien
woidl voldaan aan de volgende ciileiia:
1. De consliuclie is niel op palen gefundeeid,
2. De consliuclie en evenluele kwelscleimen woiden iondom dooi een slecll dooilalend
klei-/veenpakkel omslolen,
3. Na zelling aan lel eind van de loelspeiiode is de consliuclie iondom nog sleeds
minimaal 1 m ingebed in een klei-/veenpakkel waaibij ei geen in- of uilliedepunlen vooi
piping via de aansluiling lussen giond en consliuclie kunnen onlslaan,
4. Hel klei-/veenpakkel aan de builendijkse en binnendijkse zijde van de waleikeiing is
slabiel,
5. Ondei lel kunslweik aanwezige zandlagen zijn beooideeld als 'goed' of 'voldoende'
volgens loelsspooi Iiping en Heave uil Kalein 5.
De bodemopbouw is besclieven in de onlweipnola en beslaal uil zand. De sluis in dil
vooibeeld voldoel niel aan ciileiia 2 en 3. De loelsing woidl dooigezel mel slap 2
Gelanleeide onlweipmellode.
In Slap 2 moel woiden nagegaan of lel kunslweik is onlwoipen op basis van lel Teclniscl
Rappoil Zandmeevoeiende Wellen of de Handieiking Consliuclief Onlweipen. De sluis in
dil vooibeeld voldoel niel aan dil ciileiium, de loelsing woidl dooigezel mel slap 3
Gedelailleeide loelsing.
De gedelailleeide loelsing woidl gedaan op basis van de mellode Lane zoals omsclieven is
in lel Teclniscl Rappoil Zandmeevoeiende Wellen. Hel loelsciileiium is
lNVULLlNC Wl11E VLEKKEN KUNS1WERKEN
074374894:8 ARCADI5 23
creep w
J H
c
C
L L
H H
,
3
1
+
= A s A
AH = opliedend veival |mj,
AH
C
= kiiliscl veival |mj,
L
H
= lolale loiizonlale kwelweg |mj,
L
V
= lolale veilicale kwelweg |mj,
C
W,CRLLI
= Cieep-facloi vooi de iekeniegel van Lane.
De opbouw van de ondeigiond van de sluis is besclieven in de onlweipnola. De
ondeigiond van de sluis beslaal uil zand. Vooi C
W,CRLLI
woidl de meesl ongunslige waaide
vooi zand genomen: 8,5.
Maximaal opliedend veival (l) ovei de sluis: 4,7 m.
Zowel ondei lel builenloofd als ondei lel binnenloofd zijn kwelscleimen aanwezig. In de
onlweipnola slaal de lengle van de kwelscleimen besclieven. Op basis van deze gegevens
is de veilicale kwelweg bepaald en deze is 20 m.
De sluis is op slaal gefundeeid dus mag de loiizonlale kwelweglengle meegenomen
woiden. De loiizonlale kwelweglengle is 130 m.
Hel invullen van de waaiden in de foimule geefl: AH
c
= 7,5 m. Hel opliedende veival is 4,7
m. Volgens de foimule van Lane voldoel de consliuclie.
Aclleiloopsleid woidl geacll een mindei ielevanl meclanisme le zijn in veiband mel de
ligging in een mel klei/asfall/sleenbekleding bedekle dijk die weeisland legen oveislag kan
leveien. De dicllleid van deze bekleding zoigl vooi een goede afsluiling van de
kolkwanden vooi aclleiloopsleid.
Hel ooideel vooi lel loelsspooi Slabilileil Iiping en Heave luidl: goed.
Toetsspoor 5tabiIiteit voorIand (5TVL)
Dil deelspooi woidl belandeld in een apail VTV-kalein en is niel specifiek vooi
kunslweiken. Li woidl liei niel veidei op ingegaan.
2.4.5 1CE1SSPCCR 8E1RCUW8AARHElD SLUl1lNC (8S)
De beliouwbaaileid sluiling woidl beooideeld volgens ondeislaand sclema. In de
bescliijving van de slappen woidl veelal veiwezen naai de Leidiaad Kunslweiken waai, in
bijlage ß3, de beliouwbaaileid van sluiling van waleikeiende kunslweiken of bijzondeie
consliuclies mel afsluilmiddelen woidl belandeld.
lNVULLlNC Wl11E VLEKKEN KUNS1WERKEN
074374894:8 ARCADI5 24
Vooi de beooideling van de beliouwbaaileid sluiling is gebiuik gemaakl van de
bedieninsliuclies van de sluis en lel ßeleei- en ondeiloudsplan. Daainaasl is oveileg
gevoeid mel de beleeidei van de sluis.
Stap 1.1: De sluis is onlwoipen vooidal de Leidiaad Kunslweiken weid gepubliceeid. Li
zijn dan ook geen specificalies vooi gebiuik en beleei volgens de Leidiaad.
Stap 1.2: Li is geen iisicoanalyse uilgevoeid
Stap 2.1: De keeimiddelen woiden vooial in lel zomeiseizoen meeideie keien pei dag
bediend, dus ¨}a¨.
figuur 2.10
8eoordelingsschema
8elrouwbaarheid Sluiling
lNVULLlNC Wl11E VLEKKEN KUNS1WERKEN
074374894:8 ARCADI5 25
Stap 2.2: De keiing is builen bediende lijd noimalilei geslolen
7
. Anlwooid ¨}a¨.
Stap 3.2: Deze viaag beliefl de volgende aspeclen uil de Leidiaad Kunslweiken (blz. 115).
Ondeislaande label loonl deze aspeclen en de anlwooiden die vooi dil vooibeeld gelden.
Eis Aan voldaan? (|a/nee)
SIoringen in de normale sluiIing moeIen
kunnen worden opgevangen via een
handbediening o! via een alIernaIie!
sIuringssysIeem meI noodaggregaaI
Ja. 8eide deuren hebben een alIernaIie!
sIuringssysIeem meI noodaggregaaI.
Er is een Iweede ona!hankeli|ke seI
a!sluiImiddelen
Ja. 8eide deuren zi|n volwaardig kerend
uiIgevoerd.
HeI primaire keermiddel wordI minsIens
Iweemaal per |aar geconIroleerd en minsIens
eenmaal per |aar volledig geIesI
Ja. HeI primaire keermiddel wordI regelmaIig
bediend, waarmee de werking is aangeIoond.
DaarnaasI vindI elke 2 à 3 maanden een
visuele inspecIie plaaIs.
HeI aanvarings- o! aanri|dingsrisico is nieI
bi|zonder hoog
Ja. De sluis wordI beperkI gebuikI voor
beroepsvaarI. 1i|dens een sIorm vindI geen
schuIIing plaaIs. HeI wegverkeer over de sluis
is minimaal.
Om op basis van deze slap de sluis goed le kunnen keuien moel aan alle aspeclen voldaan
zijn. Dil is vooi deze sluis lel geval.
Hel ooideel vooi lel loelsspooi ßeliouwbaaileid sluiling luidl: goed.
2.4.6 VERVCLC VAN DE 1CE1SlNC
Van de sluis in dil vooibeeld is voldoende infoimalie besclikbaai om alle loelsspoien le
dooilopen. Nadal alle loelsspoien zijn dooilopen, ook die van lel sluisplaleau en lel
aansluilende dijkliclaam, is de volgende slap in lel loelspioces lel opslellen van lel
beleeideisooideel. Op giond van eigen eivaiingen of op giond van kennis die niel woidl
gebiuikl in de loelsing volgens de loelsmellodes koml de beleeidei lol een eigen ooideel
ovei de waleikeiing. Als lel ooideel volgens de loelsingsiegels dooi de beleeidei woidl
oveigenomen, is geen nadeie ondeibouwing nodig. Daai, waai lel beleeideisooideel
afwijkl van lel ooideel volgens de loelsingsiegels, dienl dooi de beleeidei een
ondeibouwing gegeven le woiden vooi lel beleeideisooideel.

7
Aanbevolen woidl om bij de loelsing allijd le veiifiëien of dil in bedienpioceduies is vaslgelegd en of
deze insliuclie bij de bedienaais bekend is.
TabeI 2.4
8eoordeling aspecl D
lNVULLlNC Wl11E VLEKKEN KUNS1WERKEN
074374894:8 ARCADI5 26
HOOlDSTUK
3Praklijkvoorbeeld
loelsing hislorische sluis
3.1 ßE5CHRI1VING VAN DE 5LUI5
ßeschrijving van de situatie
In dil loofdsluk woidl ingegaan op de loelsing van lisloiiscle kunslweiken. In lel sysleem
van piimaiie waleikeiingen liggen meeideie objeclen mel een oudeidom van 100 jaai of
meei. Lxlieme vooibeelden zijn enkele sluizen uil de 17
e
eeuw die nog sleeds een funclie
veivullen als waleikeiing en vooi de scleepvaail.
Kenmeikend vooi dil sooil consliuclies is:
Hel vooikomen van consliuclies of consliucliedelen die nu niel meei woiden gebiuikl.
Denk bijvooibeeld aan gemelselde gewicllsmuien, fundeiingen op luiden, balklagen
van eikenloul als kolkvloei,elc.
Len mengeling van oud en nieuw in één consliuclie. Kunslweiken mel deze oudeidom
lebben in lun beslaan vaak al een of meeideie ienovalies ondeigaan. De
veivangingscyclus van keeimiddelen en bediensyslemen is meeslal aanzienlijk koilei
dan de veivangingscyclus van de consliuclie.
In dil vooibeeld woidl een ficlieve lisloiiscle sclulsluis geloelsl. De sluis is aangelegd iond
1650 en is in loofdzaak in gebiuik vooi lel sclullen van ieciealievaail. ßeioepsvaail koml
sleclls incidenleel vooi. De sluis woidl dagelijks bediend van 9.00 uui lol 18.00 uui.
De sluiskolk leefl een bieedle van 7,40 m en een lengle van 36 m. De sluis giensl aan
vooimalig gelijdewalei en was daaiom vioegei vooizien van eb- en vloeddeuien in binnen-
en builenloofd. In de luidige silualie keeil de sluis in één iiclling. In lel builenloofd zijn
alleen de vloeddeuien nog aanwezig. De bovenzijde van de deuien en lel aangienzende
loofd ligl op NAI +3,26 m. De deuien in lel builenloofd fungeien als loogwaleikeiing. In
lel binnenloofd zijn de eb- en vloeddeuien beide nog aanwezig. Deze keien lol NAI +1,50
m.
lNVULLlNC Wl11E VLEKKEN KUNS1WERKEN
074374894:8 ARCADI5 27
Categorie en veiIigheidsnorm
De sluis is gelegen in een waleikeiing calegoiie a. De sluis is volledig zelfslandig
waleikeiend en is daaiom een consliuclie lype I volgens de Leidiaad Kunslweiken. De
veiligleidsnoim bediaagl 1/4000 pei jaai.
ßeschikbare gegevens
Hel ooispionkelijke onlweip en beslek zijn niel besclikbaai. Wel is een ienovaliebeslek van
begin 19
e
eeuw bekend mel bijbeloiende lekeningen. In de jaien '70 van de 20
e
eeuw is de
beweegbaie biug ovei de sluis veivangen en is de bediening van de sluis gemeclaniseeid.
In lel begin van de 21
e
eeuw zijn de deuien van de sluis veivangen.
3.2 5Y5TEEMANALY5E
Vooi de sysleemanalyse van een sclulsluis woidl veiwezen naai loofdsluk 2 en ßijlage 1.
In deze paiagiaaf woiden alleen de van loepassing zijnde faalmeclanismen gegeven. Op
giond van de sysleemanalyse woiden de volgende faalmeclanismen geïdenlificeeid:
1. Toelsspooi HT (Waleibezwaai bij een geslolen kunslweik):
Oveiloop en oveislag ovei de keeimiddelen,
Oveiloop en oveislag ovei lel sluisplaleau,
2. Toelsspooi ST (Consliuclief falen van de sluis):
ßezwijken keeimiddelen,
ßezwijken melselweik van de sluisloofden,
Inslabilileil loofden (kanlelen/afscluiven),
Ondei- en aclleiloopsleid,
Inslabilileil bodembescleiming in combinalie mel niel-sluilen van lel kunslweik,
3. Toelsspooi ßS (Waleibezwaai bij een geopend kunslweik)
Ialen van de sluiling van lel kunslweik, gegeven een oveiscliijding van lel Open
KeeiIeil (OKI).
figuur 3.11
Overzichlslekening hislorische
sluis
lNVULLlNC Wl11E VLEKKEN KUNS1WERKEN
074374894:8 ARCADI5 28
3.3 HYDRAULI5CHE ßELA5TINGEN
De lydiauliscle iandvooiwaaiden woiden gebaseeid op lel vigeiende
iandvooiwaaidenboek en de vigeiende sel HYDRA-modellen, mel in acllneming van de
aandacllspunlen uil lel VTV. In loofdsluk 2 woidl liei uilgebieidei op ingegaan. Vooi dil
vooibeeld gelden de iandvooiwaaiden zoals weeigegeven in ondeislaande label.
Cmschri|ving Waarde
Norm!requenIie 1/4000 |aar
1oeIspeil NAP+ 1,1 m
Signi!icanIe gol!hoogIe H
s
1,8 m
Piekperiode 1
p
5,9 s
Zoals aangegeven in loofdsluk 2 geefl een beiekening mel de Hydia's niel aulomaliscl de
juisle combinalies vooi lel loelsen van een kunslweik. ßovenslaande iandvooiwaaiden zijn
vaslgesleld dooi loelspeil, golfloogle en golfpeiiode afzondeilijk van elkaai le beiekenen.
Dil is een veilige aanpak. Indien deilalve mel deze veilige aanpak niel lol goedkeuiing kan
woiden gekomen kan mogelijk dooi lel in samenlang besclouwen van deze
iandvooiwaaiden een gunsligei loels iesullaal woiden beieikl.
3.4 UITWERKING VAN DE TOET5ING
3.4.1 ALCEMEEN 1CE1SSCHEMA
In ondeislaande figuui is lel algemene loelssclema weeigegeven. In deze paiagiaaf woidl
de loelsing volgens de loelsiegels uilgeweikl.
De volgende loelsspoien woiden dooilopen:
Hoogle (HT) van de consliuclie en de afsluilmiddelen,
Slabilileil en sleikle (ST) van de consliuclie en de waleikeiende, ondeiveideeld in:
- Slabilileil van consliuclie en giondliclaam (STCG),
- Sleikle van (waleikeiende) consliuclieondeidelen (STCO),
- Iiping en Heave (STIH),
TabeI 3.5
Toelsrandvoorwaarden
hislorische sluis (licliel)
figuur 3.12
Toelsing volgens de loelsregels
als onderdeel van hel
loelsproces
lNVULLlNC Wl11E VLEKKEN KUNS1WERKEN
074374894:8 ARCADI5 29
- Slabilileil van lel vooiland (STVL),
ßeliouwbaaileid sluiling (ßS).
3.4.2 1CE1SSPCCR HCCC1E (H1)
De beooideling op lel spooi loogle gescliedl volgens lel ondeislaande sclema.
Hel loelsspooi loogle is goed uilvoeibaai vooi lisloiiscle kunslweiken. De vooi de
loelsing benodigde consliuclie-eigensclappen zijn goed in lel veld vasl le slellen dooi
middel van inmelingen. De loelsing op loogle is lieiondei uilgeweikl.
Stap 1: Onlwoipen volgens vigeiende leidiaden en de geomeliie en iandvooiwaaiden zijn
niel veisleclleid.
Dil kunslweik is onlwoipen en gebouwd vooi 2003 dus niel aan de land van de Leidiaad
kunslweiken.
Stap 2.1: l
ki
_ Toelspeil + loeslagen
figuur 3.13
Toelsschema beoordeling
Hoogle
lNVULLlNC Wl11E VLEKKEN KUNS1WERKEN
074374894:8 ARCADI5 30
De loogle van lel keeimiddel is vaslgesleld op NAI +3,26 m,
Hel loelspeil is NAI +1,1 m,
In deze silualie loefl geen iekening gelouden le woiden mel loeslagen op lel loelspeil.
De keiende loogle is dus giolei dan de som van loelspeil + loeslagen. Anlwooid is dus ¨}a¨
Stap 2.2: Oveislagdebiel q |l/m/sj, q _ 0,1; 0,1 · q · 10; q _ 10
Aan de land van de volgende foimule uil de Leidiaad Kunslweiken woidl lel
oveislagdebiel beiekend:
)
1
0 , 3 exp( 13 , 0
3
n s
kr
s
H
h
gH q
¸ ¸
|
÷ =
mel: q = gemiddeld oveislagdebiel |l/m/sj,
g = veisnelling van de zwaailekiacll = 10 m/s
2
,
H
s
= significanle inkomende golfloogle vlak vooi de consliuclie = 1,8 m,
l
ki
= loogle van de kiuin boven de slilwaleisland = 2,16 m,
¸
|
= invloedsfacloi vooi scleve golfaanval = 1,
¸
n
= invloedsfacloi vooi een neus bovenaan de consliuclie = 1.
Ondeislaande giafiek geefl lel oveislagdebiel als funclie van de kiuinloogle.
3 3.5 4 4.5 5
10
100
Kruinhoogte (NAP ¹m)
O
v
e
r
s
l
a
g
d
e
b
i
e
t

(
l
t
r
/
s
m
)
ßij de aanwezige kiuinloogle iesulleeil een oveislag van 27 l/m/s. Veidei mel slap 2.3.
Stap 2.3: Hel veisclil lussen de aanwezige keiende loogle en lel loelspeil+loeslagen
(kiuinlooglemaige) is giolei dan 0,3 m. Anlwooid ¨}a¨.
Stap 3.2: De geconslaleeide giole oveislag is alleen loelaalbaai als dil beleeismalig cn vooi
de slandzekeileid van lel kunslweik geen piobleem voiml.
8c|ccrsmc|igc gc.c|gcn.
ßij dil aspecl woidl beooideeld of de giole oveislag op lel aclleiliggende waleisysleem
kan woiden geboigen, zondei dal dil lol pioblemen leidl. Daailoe woidl ondei meei
figuur 3.14
Overslagdebiel als lunclie van
kruinhoogle (licliel hislorisch
kunslwerk)
lNVULLlNC Wl11E VLEKKEN KUNS1WERKEN
074374894:8 ARCADI5 31
gekeken naai lel beigend oppeivlak van lel aclleiliggende sysleem en de waakloogle van
de aanwezige kades len opziclle van lel slieefpeil.
De beiekende oveislag lieedl op ovei de bieedle van de sluiskolk en ovei de aansluilende
wanden van lel builenloofd. De lolale oveislagbieedle bediaagl daaimee 7,40 m+ 2x0,90 m
= 9,20 m. De lolale oveislag bediaagl 0,25 m
3
/s. Hel aclleiliggende waleisysleem leefl een
gioolle van 15.000 la. Uilgaande van een exlieem lange duui van de oveislag van 12 uui,
iesulleeil een peilslijging van mindei dan 0,1 mm. De beleeismalige gevolgen zijn daaiom
acceplabel
S|cnJ.c|cr|ciJ
ßij de beooideling van slandzekeileid moel gekeken woiden naai de slandzekeileid van
de consliuclie, de keeimiddelen en de aansluiling op aangienzende giondliclamen.
Keeimiddelen en consliuclie zijn besland legen veel logeie oveislagdebielen dan de liei
gevonden 27 l/m/s. De slandzekeileid daaivan is dus ¨Goed¨. ßij een inspeclie lei plaalse
blijkl dal lel sluisloofd aansluil op lel dijkliclaam dooi middel van een gemelselde muui
mel een keiende loogle ongeveei 1 m boven de keiende loogle van de keeimiddelen. De
aansluilende dijk is veidei onbekleed, en de muui is sleclls één sleen dik. Op basis van
figuui 3.14 woidl snel gevonden dal bij een keiende loogle van NAI +4,26 m een
oveislagdebiel oplieedl van ongeveei 8 l/m/s. Vooi een onbekleed lalud is dil een loge
waaide. ßovendien moel op dil niveau iekening woiden gelouden mel aanzienlijke
golfbelasling op de aansluilmuui. Gezien de afmelingen van de consliuclie is lel
lwijfelacllig of de muui lieilegen besland is. Hel ooideel op slandzekeileid luidl om deze
iedenen ¨onvoldoende¨.
Mel de uilvoeiing van slap 3.2 is de loelsing afgeiond. Hel ooideel op keiende loogle luidl:
¨Onvoldoende¨.
Oveiwogen kan woiden de bekleding van lel aansluilende dijkliclaam le loelsen volgens
VTV-Kalein 8. Hieivooi zal aanvullend veldondeizoek uilgevoeid moelen woiden om de
opbouw van de bekleding le aclleilalen (lype bekleding, dikle, maleiiaaleigensclappen).
ßelangiijk lieibij is dal de koslen van veivolgondeizoek op dienen le wegen legen
mogelijke veisleikingsmaaliegelen.
3.4.3 1CE1SSPCCR S1ERK1E EN S1A8lLl1El1 (S1)
De loelsing op Slabilileil en Sleikle omval de volgende beooidelingsspoien:
Slabilileil van de consliuclie en giondliclaam (STCG),
Sleikle van (waleikeiende) consliuclieondeidelen (STCO),
Iiping en Heave (STIH),
Slabilileil Vooiland (STVL).
De deelspoien STCG, STCO en STIH woiden beooideeld volgens ondeislaand sclema. Hel
deelspooi STVL woidl geloelsl volgens de beooidelingsspoien uil Kalein 9 van lel VTV.
lNVULLlNC Wl11E VLEKKEN KUNS1WERKEN
074374894:8 ARCADI5 32
DeeIspoor 5TCG
Cmschri|ving van heI deelspoor
ßij dil deelspooi woidl ei vanuil gegaan dal de consliuclie als geleel inlacl blijfl en dal
bezwijken oplieedl als gevolg van lel als geleel kanlelen of veiscluiven van lel
kunslweik. Dal belekenl concieel:
ßij fundeiingen op slaal: beooideling van de slabilileil van de fundeiing,
ßij fundeiingen op palen: beooideling van de opliedende paalkiacllen in ielalie lol de
punldiaagveimogens en opneembaie kleef bij diukpalen en bij liekpalen alleen de
opneembaie kleef
8
.
Eenvoudige IoeIsing
ßij de eenvoudige loelsing kan woiden gekeken naai aanwezige onlweipbeiekeningen of
naai ¨bewezen sleikle¨. Veidei is een snel ooideel mogelijk wanneei lel kunslweik is
onlwoipen volgens vigeiende leidiaden en de uilgangspunlen van de loelsing niel
ongunsligei zijn dan die van lel onlweip. In dil geval zijn onlweipbeiekeningen niel
aanwezig en kan op basis daaivan geen loelsing woiden uilgevoeid.
ßewezen sleikle moel in dil geval omzicllig woiden gelanleeid. Weliswaai is uil
lisloiiscle gegevens bekend dal lel kunslweik waleislanden boven NAI + 2,0 m leefl
gekeeid, dus 0,9 m logei dan lel luidige loelspeil. Hel is ecllei niel bekend welke
golfbelaslingen bij die loge waleislanden zijn opgelieden en of de lolale aan le louden
loelscombinalie ongunsligei is dan de lisloiiscl opgelieden silualie. Veidei is de laalsle
loogwaleisilualie inmiddels iuim 90 jaai geleden. Hel is maai de viaag of de fundeiing en
de consliuclie nog in dezelfde slaal veikeien als len lijde van de loogwaleisilualie. De
enige wijze om le veiifiëien of de lisloiiscle belaslingsilualies iepiesenlalief zijn vooi lel

8
De consliuclieve sleikle van de palen en de kiacllsoveidiacll van de consliuclie naai de palen is in
dil iappoil ondeigebiacll ondei STCO
figuur 3.15
Toelsschema kunslwerken
lNVULLlNC Wl11E VLEKKEN KUNS1WERKEN
074374894:8 ARCADI5 33
loelsooideel lijkl daaiom lel analyseien en leibeiekenen van lel kunslweik, waaimee
feilelijk woidl oveigeslapl naai een gedelailleeide loelsing.
Onlweipbeiekeningen zijn afwezig en gezien lel bouwjaai van lel kunslweik zal in dil
geval zekei niel volgens de vigeiende leidiaden onlwoipen zijn.
Lenvoudige loelsing blijkl om bovenslaande iedenen niel mogelijk vooi dil kunslweik.
CedeIailleerde IoeIsing
Len gedelailleeide loelsing koml in essenlie neei op een leibeiekening van lel kunslweik.
In dil geval een leibeiekening van de fundeiing. Vooi een deigelijke beiekening zijn
gegevens nodig. Deze gegevens kunnen gebaseeid zijn op:
Objeclspecifieke gegevens,
Aannames, mede gesloeld op kennis ovei lisloiiscle bouwwijzen,
Veldondeizoek.
Vooi een oveizicll van benodigde gegevens vooi de loelsing woidl veiwezen naai de
clecklisl benodigde infoimalie
9
. In dil geval zijn de volgende objeclspecifieke gegevens
bekend:
Lnkele beslekslekeningen. De fundeiing slaal lieiop niel aangegeven,
Len besleksdocumenl waaiin slaal aangegeven dal de sluis op lwee iijen eikenloulen
palen moel woiden gefundeeid. Iaallengle en lail-op-lail afsland zijn in dil documenl
aangegeven,
Uil ienovaliebeslekken uil de jaien '70 is de giondopbouw bekend,
Inspeclieiappoilen van lel kunslweik.
In de bovenslaande documenlen is voldoende aangelioffen om een leibeiekening van de
fundeiing le kunnen maken. Mogelijk dal op ondeidelen (zoals de eigensclappen van de
diaagkiacllige zandlaag) nog aannames moelen woiden gedaan. Vooi een nadeie
loeliclling op de slabilileilsbeiekening woidl veiwezen naai de Leidiaad Kunslweiken.
Wanneei de fundeiingseigensclappen zouden lebben onlbioken, dan is lel soms mogelijk
om op basis van kennis van lisloiiscle bouwwijzen ondeibouwde aannames le doen ovei
de eigensclappen van de consliuclie. Len belangiijke bion vooi deze aanpak is lel STOWA-
iappoil ¨Hisloiiscle Kunslweiken, Hulpmiddelen vooi Toelseis¨. Als basis vooi dil
iappoil dienl een ondeizoek naai iuim 600 lisloiiscle kunslweiken, waaivooi ielevanle
eigensclappen zijn opgenomen in een dalabase (de dalabase zelf is loegankelijk via
www.klk-slowa.nl). In de bijlage van lel iappoil zijn sclema's opgenomen op giond
waaivan aannames ovei de consliuclie kunnen woiden gedaan. Hieiondei is als vooibeeld
lel sclema opgenomen vooi de slabilileil van een wandconsliuclie.

9
Rappoil ARCADIS: Invulling Wille Vlekken Kunslweiken, Wille vlek 1 Gebiek aan infoimalie,
kenmeik 074373219.
lNVULLlNC Wl11E VLEKKEN KUNS1WERKEN
074374894:8 ARCADI5 34
figuur 3.16
Schema voor conslruclie-
eigenschappen voor
beoordeling slabilileil (bron.
STOWA, 2006 pagina 68)
lNVULLlNC Wl11E VLEKKEN KUNS1WERKEN
074374894:8 ARCADI5 35
Uil lel sclema blijkl dal, wanneei de wand gemelseld is, de fundeiing in 99 º van de
gevallen beslaal uil een loulen paalfundeiing mel:
Iaaldiaagveimogen 10-15 lon,
Iaalafsland l.o.l. 0,9 - 1,1 m in lengleiiclling van de consliuclie,
Iaalafsland l.o.l. 0,6 - 1,0 m in dwaisiiclling van de consliuclie.
Deze infoimalie samen mel infoimalie ovei de giondopbouw geefl voldoende
aanknopingspunlen om een eeisle leibeiekening van de fundeiing le kunnen maken.
Veldondeizoek naai de eigensclappen van de consliuclie is ondei meei aan de oide
wanneei:
Len beiekening op giond van aannames leidl lol lel ooideel ¨onvoldoende¨ en ei een
mogelijkleid beslaal dal de consliuclie sleikei is dan op giond van de aannames is
veiondeisleld,
Scleuivoiming in de consliuclie wijsl op pioblemen in de fundeiing en lel gewensl is
om de aaid van deze pioblemen goed le kennen.
Veidei kan lel in sommige gevallen nodig zijn om geoleclniscl ondeizoek uil le voeien,
om belei zicll le kiijgen op de giondeigensclappen ondei en iondom de consliuclie.
Ceavanceerde IoeIsing
In de meesle gevallen kunnen kunslweiken niel woiden beooideeld dooi gebiek aan
gegevens. Wanneei geen ooideel kan woiden gegeven, dan is in de meesle gevallen lel
inwinnen van onlbiekende gegevens gevolgd dooi een leilaling van de gedelailleeide
loelsing de besl begaanbaie weg.
In bijzondeie gevallen kan gebiuik woiden gemaakl van geavanceeid loelsen. De aanpak
vooi lisloiiscle kunslweiken veisclill niel wezenlijk van de aanpak vooi andeie
kunslweiken. Li woidl liei niel veidei op ingegaan.
DeeIspoor 5TCO
Cmschri|ving van heI deelspoor
ßij dil deelspooi woidl de inlegiileil van de consliuclie beooideeld. Dal belekenl dal alle
sclakels in de afdiacll van de belaslingen naai de fundeiing, inclusief de
fundeiingsondeidelen zelf woiden beooideeld:
Opname van de lydiauliscle belaslingen dooi de keeimiddelen,
Afdiacll van de belasling uil de keeimiddelen naai de consliuclie via punlvoimige of
lijnvoimige aanslagen en al dan niel mel oplieden van noimaalkiacllen (spalkiacllen),
Afdiacll van de belaslingen in de wanden van de consliuclie naai de vloei,
Afdiacll van de belaslingen in de vloei naai de palen (bij een paalfundeiing),
Consliuclieve sleikle van de palen zelf.
Eenvoudige IoeIsing
Lenvoudige loelsing is meeslal niel mogelijk. De iedenen zijn gelijk aan lelgeen veimeld
slaal bij deelspooi STCG. Len uilzondeiing voimen soms de keeimiddelen. Aangezien deze
iegelmalig woiden veivangen (loul eens pei 40 lol 50 jaai) zijn lieivan soms nog
beiekeningen en lekeningen besclikbaai en is lel zelfs mogelijk dal lel onlweip leefl
plaalsgevonden op basis van vigeiende leidiaden.
lNVULLlNC Wl11E VLEKKEN KUNS1WERKEN
074374894:8 ARCADI5 36
CedeIailleerde IoeIsing
Vooi een leibeiekening van de consliuclie zijn consliucliegegevens nodig. De aaid van de
consliuclie (loul of slaal vooi keeimiddelen, belon of melselweik vooi de consliuclie) is
visueel goed vasl le slellen. Vooi de maleiiaaleigensclappen geldl dil niel. Wel kan visueel
woiden vaslgesleld of sclade aan de consliuclie is opgelieden die eiop wijsl dal mel
geieduceeide sleikle iekening moel woiden gelouden.
Omdal maleiiaaleigensclappen in (zeei) oude beslekken veelal onlbieken moel woiden
leiuggevallen op wal bekend is ovei de sleikle-eigensclappen van lisloiiscle
consliuclievoimen. Nel als bij loelsspooi STCG kan lieivooi gebiuik woiden gemaakl van
lel ondeizoek STOWA (2006) vooi een eeisle insclalling. De sleikle van melselweik en de
afmelingen van de wanden zijn bijvooibeeld af le leiden uil figuui 3.16.
}uisl bij dil deelspooi is lel van giool belang goed le begiijpen loe de consliuclie
consliuclief weikl. In lisloiiscle kunslweiken zijn consliuclieondeidelen aanwezig die nu
niel meei woiden loegepasl. Len vooibeeld is lel gebiuik van eikenloulen dwaisbalken
mel daailussen melselweik als kolkvloei.
In de lekening is le zien dal deze consliuclie dooiloopl in lel sluisloofd. Hel sluisloofd kan
niel woiden gesclemaliseeid als een U-voimige bak omdal van een momenlvasle
veibinding lussen vloei en wand geen spiake is. Len passende sclemalisalie is in dil geval:
Keeimiddelen diagen de belaslingen via lijnlaslen en spalkiacllen af naai de wanden,
De wanden diagen de belaslingen in dwaisiiclling af dooi middel van een
paalfundeiing naai de ondeigiond en in langiiclling dooi wiijving mel de
giondaanvulling acllei de wanden,
De vloei speell sleclls een bepeikle iol in de afdiacll van belaslingen uil de
keeimiddelen,
figuur 3.17
Voorbeeld van een hislorische
conslruclievorm. Houlen
balken mel melselwerk als
kolkvloer
lNVULLlNC Wl11E VLEKKEN KUNS1WERKEN
074374894:8 ARCADI5 37
De vloei diaagl dooi middel van buiging in de balken lel veisclil lussen de waleisland
in de kolk en de giondwaleisland. De wanden woiden lieidooi opwaails belasl indien
lel waleipeil lei plaalse lagei is dan de giondwaleisland.
Vooi een nadeie loeliclling op de sleiklebeiekening woidl veiwezen naai de Leidiaad
Kunslweiken.
Ceavanceerde IoeIsing
Nel als bij lel spooi STCG is in de iegel gebiek aan gegevens ei de ooizaak van dal geen
ooideel kan woiden gegeven. Ook liei geldl dal lel inwinnen van exlia gegevens gevolgd
dooi een gedelailleeide loelsing meeslal de besle aanpak is om le komen lol een
loelsooideel vooidal lol een geavanceeide loelsing woidl oveigegaan.
Len mogelijkleid vooi geavanceeid loelsen specifiek vooi de consliuclieve beooideling is
lel lanleien van mindei slienge veivoimingseisen. Consliuclies (ondei meei keeimiddelen
en damwanden) woiden soms consliuclief afgekeuid op giond van een le giole beiekende
veivoiming. In sommige gevallen kan woiden aangeloond dal een gioleie veivoiming nog
niel leidl lol veimindeiing van lel waleikeiend veimogen zodal de veivoimingseis kan
woiden veilicll. De consliuclie woidl dan iekenkundig meei ¨uilgenul¨ waaimee
onleiecll afkeuien mogelijk kan woiden vooikomen.
Len sooilgelijke benadeiing geldl bij lel beooidelen van lel paaldiaagveimogen, waaibij
vaak bij een bepaalde veivoiming woidl gesleld dal lel paaldiaagveimogen is beieikl,
leiwijl ei in weikelijkleid nog ieseive in de consliuclie zil. Len deigelijke aanpak kan
woiden ondeisleund mel geoleclniscl ondeizoek en/of lel belaslen van enkele pioefpalen.
DeeIspoor 5TPH
Eenvoudige IoeIsing
Hel VTV geefl vooi de eenvoudige loels op Iiping en Heave een sel van vijf ciileiia. Als aan
alle ciileiia is voldaan, is de scoie ¨voldoende¨. In ondeislaande label zijn de vijf ciileiia
opgenomen en is aangegeven of in lel liei belandelde vooibeeld is voldaan aan lel
ciileiium of niel.
CriIerium Aan voldaan? (|a/nee)
De consIrucIie is nieI op palen ge!undeerd Nee, er zi|n sIerke aanwi|zingen daI een
paal!undering aanwezig is
De consIrucIie en evenIuele kwelschermen
worden rondom door een slechI doorlaIend klei-
/veenpakkeI omsloIen
Nee, heI ondoorlaIende pakkeI reikI IoI
ongeveer 1 m onder de kolkbodem. HeI
vermoeden besIaaI daI de kwelschermen
onder diI pakkeI uiIsIeken
Na zeIIing aan heI eind van de IoeIsperiode is de
consIrucIie rondom nog sIeeds minimaal 1 m
ingebed in een klei-/veenpakkeI waarbi| er geen
in- o! uiIIredepunIen voor piping via de
aansluiIing Iussen grond en consIrucIie kunnen
onIsIaan
Nee. ZeIIing zal, gezien de lee!Ii|d van de
consIrucIie, nauweli|ks meer opIreden. De
inbedding nu is geli|k o! ieIs kleiner dan 1
m.
HeI klei-/veenpakkeI aan de buiIendi|kse en de
binnendi|kse zi|de van de waIerkering is sIabiel
Ja
Cnder heI kunsIwerk aanwezige zandlagen zi|n
beoordeeld als "goed" o! "voldoende" volgens
IoeIsspoor Piping en Heave uiI KaIern 5.
Ja
TabeI 3.6
Lenvoudige beoordeling Piping
en Heave bij kunslwerken
volgens hel VTV 2006-20!!
lNVULLlNC Wl11E VLEKKEN KUNS1WERKEN
074374894:8 ARCADI5 38
Omdal aan een aanlal ciileiia niel is voldaan moel de loels woiden vooilgezel mel de
gedelailleeide loelsing volgens Lane.
CedeIailleerde IoeIsing
De gedelailleeide loelsing woidl gedaan op basis van de mellode Lane zoals omsclieven is
in lel Teclniscl Rappoil Zandmeevoeiende Wellen. De benodigde gegevens kunnen
woiden aclleilaald op de wijzen besclieven ondei deelspooi STCG. Objeclspecifieke
infoimalie veidienl daaibij allijd de vooikeui. Ondeibouwde aannames op basis van
consliuclielype en bouwpeiiode kunnen woiden bepaald op basis van lel STOWA-
ondeizoek naai lisloiiscle kunslweiken, zoals lieiboven is loegelicll. Hieibij moel
iekening woiden gelouden mel evenluele afname van de sleikle dooi veioudeiing.
In dil geval is op de lekeningen zicllbaai dal ondei lel builenloofd een kwelscleim
aanwezig is. De lengle is niel op de lekening aangegeven. Op basis van lel STOWA-
ondeizoek volgl dal vooi deze consliuclie 1 lol 4 kwelscleimen mogen woiden veiwacll
mel een lengle van 3,5 m lol 4 m pei plank. Op basis van de objeclspecifieke lekeningen lijkl
één kwelscleim pei loofd aannemelijk. Hel ienovaliebeslek van begin 19
e
eeuw veimeldl
niels ovei de kwelscleimen. Mogelijk zijn deze al vanaf lel alleieeisle begin (midden 17
e
eeuw) aanwezig.
In de loelsing zal daaiom begonnen woiden mel de aanname dal ondei de sluis lwee
scleimen aanwezig zijn mel een lengle van elk 3,5 m. De lolale veilicale kwelweg bediaagl
daaimee 14 m. Omdal de sluis gefundeeid is op palen woidl de loiizonlale kwelweg niel
besclouwd.
ßij de bepaling van lel veival moel iekening woiden gelouden mel de mogelijkleid van
afwaaiïng op de boezem. Aangelouden woidl een builenwaleisland van NAI +1,2 m
(loelspeil + 0,1 m loeslag vooi buislolen) en een binnenwaleisland van NAI -1,0 m. Hel
veival bediaagl daaimee 2,2 m.
Hel loelaalbaie veival woidl bepaald mel de foimule van Lane zoals omsclieven is in lel
Teclniscl Rappoil Zandmeevoeiende Wellen:
creep w
J H
c
C
L L
H H
,
3
1
+
= A s A
AH = opliedend veival |mj,
AH
C
= kiiliscl veival |mj
L
H
= lolale loiizonlale kwelweg |mj,
L
V
= lolale veilicale kwelweg |mj,
C
W,CRLLI
= Cieep-facloi vooi de iekeniegel van Lane
Vooi de Cieep-facloi woidl de waaide 8,5 aangelouden, iepiesenlalief vooi fijn zand. Hel
loelaalbaie veival woidl daaimee 1,65 m. Dil is lagei dan lel loelsveival van 2,2 m en de
sluis scooil daaimee vooialsnog onvoldoende.
Veibeleiing kan mogelijk woiden beieikl dooi lel inwinnen van gegevens lei plaalse. De
aanwezigleid van diie scleimen van minimaal 3,1 m of lwee scleimen mel een lengle van
minimaal 4,7 m is voldoende om de sluis op piping le kunnen goedkeuien. Veidei kan
lNVULLlNC Wl11E VLEKKEN KUNS1WERKEN
074374894:8 ARCADI5 39
giondondeizoek wijzen op de aanwezigleid van giovei zand dan is aangenomen in de
loelsing, waaimee de Cieep-facloi logei kan woiden gesleld.
Daainaasl is lel mogelijk om de samenlang lussen binnen- en builenwaleislanden nadei le
ondeizoeken. Hel is mogelijk dal de binnenwaleisland bij andeie windiicllingen andeis
ieageeil dan de builenwaleislanden, waaidooi ei sleclls een gedeellelijke samenlang
beslaal lussen binnen- en builenwaleisland en loelsveival kan woiden leiuggebiacll lol een
lageie waaide.
Ceavanceerde IoeIsing
De geavanceeide loelsing op piping wijkl vooi kunslweiken niel wezenlijk af van een
geavanceeide analyse vooi dijken. Vooi infoimalie woidl veiwezen naai blz. 143 van lel
VTV 2006-2011. Vooi deze silualie lijkl lel in iekening biengen van de niel-slalionaiileil lel
belangiijksle. De belaslingen zijn in dil gebied windgedieven en loge waleislanden louden
loogslens enkele uien aan.
DeeIspoor 5TVL
Dil deelspooi woidl belandeld in een apail VTV-kalein en is niel specifiek vooi
kunslweiken. Li woidl liei niel veidei op ingegaan.
3.4.4 1CE1SSPCCR 8E1RCUW8AARHElD SLUl1lNC (8S)
De beliouwbaaileid sluiling woidl beooideeld volgens ondeislaand sclema.
lNVULLlNC Wl11E VLEKKEN KUNS1WERKEN
074374894:8 ARCADI5 40
De beliouwbaaileid van de sluiling langl samen mel de volgende deelsyslemen in lel
kunslweik:
Lneigievooiziening en eleklioleclniscle syslemen,
Weikluigbouwkundige ondeidelen,
Menselijke bedieningslandelingen.
De leclniscle delen van lel bediensysleem lebben een veivangingsduui van 20 jaai lol 50
jaai. In de meesle gevallen zal daaiom lel bediensysleem (inclusief keeimiddelen)
aanzienlijk nieuwei zijn dan de consliuclieve delen van lel objecl. Daaidooi is ook de kans
giolei dal ovei deze ondeidelen aicliefgegevens le vinden zijn.
figuur 3.18
Toelsschema beoordeling
belrouwbaarheid sluiling
lNVULLlNC Wl11E VLEKKEN KUNS1WERKEN
074374894:8 ARCADI5 41
Indien aicliefinfoimalie onlbieekl, dan kan in de iegel dooi middel van een objeclbezoek
snel inzicll veikiegen woiden in de weiking en de componenlen van lel sysleem.
In lel vooibeeld is in de jaien '70 een meclanisalie van de sluis uilgevoeid.
ßesleksinfoimalie is besclikbaai. De deuien zijn vooizien van lydiauliscle duwpeisen. De
builendeuien zijn in 2002 veivangen. Li lijkl voldoende infoimalie besclikbaai om lel
loelsspooi le kunnen aflopen.
Stap 1.1: De meclanisalie is uilgevoeid vooidal de Leidiaad Kunslweiken weid
gepubliceeid. Li zijn dan ook geen specificalies vooi gebiuik en beleei volgens de
Leidiaad.
Stap 1.2: Li is geen iisicoanalyse uilgevoeid
Stap 2.1: De keeimiddelen woiden vooial in lel zomeiseizoen meeideie keien pei dag
bediend, dus ¨}a¨.
Stap 2.2: De keiing is builen bediende lijd noimalilei geslolen
10
. Anlwooid ¨}a¨.
Stap 3.2: Deze viaag beliefl de volgende aspeclen uil de Leidiaad Kunslweiken (blz. 115).
Ondeislaande label loonl deze aspeclen en de anlwooiden die vooi dil vooibeeld gelden.
Eis Aan voldaan? (|a/nee)
SIoringen in de normale sluiIing moeIen
kunnen worden opgevangen via een
handbediening o! via een alIernaIie!
sIuringssysIeem meI noodaggregaaI
Ja. De keermiddelen zi|n relaIie! klein en
kunnen evenIueel meI handkrachI worden
gesloIen
Er is een Iweede ona!hankeli|ke seI
a!sluiImiddelen
Nee. De keermiddelen in de binnendeuren
reiken IoI NAP +1,50 m en geven een
berekende overslag van 500 l/m/s. 8i| een
dergeli|k groIe overslag kan nieI zonder
nadere analyse worden aangenomen daI heI
keermiddel daarIegen besIand is
HeI primaire keermiddel wordI minsIens
Iweemaal per |aar geconIroleerd en minsIens
eenmaal per |aar volledig geIesI
Ja. HeI primaire keermiddel wordI in heI
zomerseizoen regelmaIig bediend, waarmee
de werking is aangeIoond.
HeI aanvarings- o! aanri|dingsrisico is nieI
bi|zonder hoog
Ja. De sluis is voornameli|k in gebruik voor
recreaIievaarI. RecreaIievaarIuigen zi|n Ie lichI
om omvangri|ke schade aan heI keermiddel Ie
veroorzaken. 8eroepsvaarI komI slechIs
incidenIeel voor
Om op basis van deze slap de sluis goed le kunnen keuien moel aan alle aspeclen voldaan
zijn. Dil is niel lel geval. Anlwooid ¨Nee¨ en dooi mel slap 4.
Stap 4: Gedelailleeide iekeniegel. In deze slap woidl de gedelailleeide beooideling volgens
slap ß3.4 van de Leidiaad Kunslweiken uilgevoeid. Deze beslaal uil de volgende
ondeidelen:

10
Aanbevolen woidl om bij de loelsing allijd le veiifiëien of dil in bedienpioceduies is vaslgelegd en of
deze insliuclie bij de bedienaais bekend is.
TabeI 3.7
8eoordeling aspecl D
lNVULLlNC Wl11E VLEKKEN KUNS1WERKEN
074374894:8 ARCADI5 42
1. Invenlaiisalie van funclies en daaimee samenlangende gebiuiksloeslanden,
2. ßepalen van lel Open Keei Ieil pei gebiuiksloesland,
3. ßepalen van de oveiscliijdingsfiequenlie van lel OKI pei gebiuiksloesland,
4. ßepalen van de kans op niel-sluilen pei gebiuiksloesland,
5. Veigelijking mel de noim.
Vooi meei infoimalie ovei de invenlaiisalie van gebiuiksloeslanden en de analyse van lel
OKI woidl veiwezen naai iappoil 2.
In dil vooibeeld is spiake van een sclulsluis mel ongelijke keiende loogle in lel builen- en
binnenloofd. Ondeislaande label geefl een oveizicll van de gebiuiksloeslanden en lel
bijbeloiende OKI. Hel slieefpeil op lel aclleiliggende waleisysleem volgens de opgave
van de beleeidei is NAI -0,50 m.
Nr. Cmschri|ving 8i|behorend CKP
Cverschri|dings!re-
quenIie CKP (vr/|r)
1 8eide hoo!den gesloIen NvI NvI
2 8uiIenhoo!d gesloIen,
binnenhoo!d geopend
NvI NvI
3 8uiIenhoo!d open,
binnenhoo!d gesloIen
NvI. De overslag over de binnendeur
wordI snel zeer grooI. CKP geli|k aan
normale buiIenwaIersIanden
NvI
4 8innen- en buiIenhoo!d
open
NAP 0,00 m (berekend meI de meIhodes
uiI de Leidraad KW en heI maximum
IoelaaIbaar peil op de boezem)
5
Vanwege de aanzienlijke golfaanval op deze sluis kan de binnendeui in geen enkele silualie
fungeien als back-up vooi de builendeui. De sluis is moel daaiom besclouwd woiden als
een kunslweik mel een enkel keeimiddel vooi alle mogelijke builenwaleislanden.
De kans op niel-sluilen pei viaag woidl vaslgesleld dooi lel invullen van de viagenlijslen
uil de Leidiaad Kunslweiken. De ingevulde viagenlijslen zijn lieiondei opgenomen.
Stap Vraag Score
a1 is lel piimaiie alaimsysleem gebaseeid op:
-een af le lezen peilslok`
-een aulomaliscle niveaumeling`
-een aulomaliscle niveaumeling mel minimaal een conliole
pei maand`
-een vooispelling`
nee
nee
ja: a = 3
nee
a2 gebeuil de iegislialie/vooispelling gewoonlijk minimaal
lweemaal pei dag bij een gelijiegime of eenmaal pei dag
bij een iivieiiegime` ja: a = a + 1 = 4
a3 is ei een conliole of back up iegislialiesysleem` nee
b1 moelen in geval van loogwalei via menselijke landelingen
andeie peisonen woiden gewaaiscluwd`
indien anlwooid 'nee', ga dooi mel c
nee: b = 5
(kunslweik is
bemand of
geslolen)
b2 is ei een scliiflelijke pioceduie vooi meling en
TabeI 3.8
Overzichl OKP per
bedrijlssilualie
TabeI 3.9
Scorelabel lalen
hoogwaleralarmeringssysleem
lNVULLlNC Wl11E VLEKKEN KUNS1WERKEN
074374894:8 ARCADI5 43
Stap Vraag Score
waaiscluwing` nvl
b3 woidl deze pioceduie minslens eenmaal pei jaai uilgevoeid
of geoefend` nvl
b4 is ei een leiugmeldingspioceduie`
(n = aanlal sclakels in de waaiscluwingskelen)
nvl
nvl
c Tussenscoie c = min(a,b) = 4
d1-d3 alle viagen a vooi een evenlueel lweede syslem nvl
e1-e4 alle viagen b vooi een evenlueel lweede sysleem nvl
f lussenscoie
als ei geen lweede sysleem is f = 0
g kan in geval van falend alaim de bevolking op lijd
waaiscluwen`
mog: g = 0,5
l eindscoie falen loogwaleialaimeiingssysleem (HAS) L1 = c + f + g =
4,5
Stap Vraag Score
a1 is een volledige bemanning peimanenl aanwezig`
(indien ja, sla a2/a3/a4/a5 ovei) ja : a = 4
a2 is ei een scliiflelijk vaslgelegde up-lo-dale
mobilisalieiegeling` nvl
a3 is ei een vooiwaaiscluwingssysleem` nvl
a4 is ei een leiugmeldingssysleem vooi mobilisalie` nvl
a5 woidl de mobilisalie minslens eenmaal pei jaai
uilgevoeid of geoefend`
nvl
b1 beval lel mobilisalieplan een scliiflelijk vaslgelegde
sland-by iegeling`
ja : b = 1
b2 is ei een vooiwaaiscluwingssysleem vooi de sland-by` ja: b = b + 0,5 = 1,5
c lussenscoie c = a + b = 5,5
d1 is ei een volledige bemanning peimanenl aanwezig`
indien ja, ga naai e
ja : d = 4
d2 is lel kunslweik ondei alle omslandigleden beieikbaai` nvl
e eindscoie falen mobilisalie (MOß) L2 = min(c,d) = 4
Stap Vraag Score
a1 De bediening is
(1) volledig aulomaliscl
(2) niel aulomaliscl, sluilpioceduie aanwezig
(3) niel aulomaliscl, geen sluilpioceduie aanwezig
ßij (1) kan in piincipe woiden dooigegaan naai e,
mel L3=4
ßij (3) zijn de viagen a2-a4 niel ielevanl
a = 2
a2 ßeval de sluilingspioceduie een leiugmeldingsplicll` ja: a = a + 0,5 =
2,5
a3 Is de pioceduie bekend bij alle bij de sluiling beliokken
peisonen`
ja: a = a + 0,5 = 3
a4 Woidl de sluilingspioceduie minslens eenmaal pei jaai
TabeI 3.10
Scorelabel lalen mobilisalie
TabeI 3.11
Scorelabel bedieningsloul
lNVULLlNC Wl11E VLEKKEN KUNS1WERKEN
074374894:8 ARCADI5 44
uilgevoeid of geoefend` ja: a = a + 0,5 =
3,5
b Zijn ei bij bedieningsfoulen mogelijkleden lol leislel` mog: b = 0,5
c1 Zijn alle iuimlen en loegangen veilicll en woidl dil
minslens lweemaal pei jaai geconlioleeid`
ja : c = 1
c2 Woidl minslens eenmaal pei jaai geconlioleeid of iedeieen
besclikl ovei de benodigde sleulels vooi loegang of
bediening`
ja: c = c + 1 = 2
c3 Zijn ei communicaliemiddelen (poilofoons) of zijn deze
niel nodig`
ja: c = c + 0,5 =
2,5
d Is ei bij pioblemen genoemd bij c een iealisliscle mogelijkleid lol
leislel`
mog: d = 0,5
e Lindscoie bedieningsfoul (ßLD) L3 = min(a + b,
c + d) = min (4,
3) = 3
Stap Vraag Score
a1 is lel piimaiie keeimiddel een peimanenl middel
(dus geen sclolbalken, zandzakken of deigelijke)`
ja: a = 2
a2 woidl lel piimaiie keeimiddel minslens lweemaal
pei jaai geconlioleeid en minslens eenmaal pei jaai
volledig gelesl` ja: a = a + 1 = 3
a3 is ei aanvaiings- of aaniijdingsiisico van belekenis` nee
b Is de aandiijving van lel keeimiddel
-elekliiscl via lel GLß, mel noodaggiegaal`
-elekliiscl via lel GLß, zondei noodaggiegaal`
-via landkiacll`
-via een diesel- of benzinemoloi`
b = 3
c lussenscoie c = min(a,b) = 3
d is ei een volledig en onaflankelijk ieseiveaandiijvingssysleem` ja: d = 1
(op landkiacll)
e zijn ei meei dan noimale belemmeiingen le veiwacllen` nee: e = 2
f is ingiijpen mogelijk bij fysieke belemmeiing` nee: f = 0
g lussenscoie g = min(c + d,e
+ f) = min(4, 2)
= 2
l is ei een lweede keeimiddel`
indien ja: beanlwooidl viagen a, b, c, e vooi lel
lweede keeimiddel
nee: l = 0
i Lindscoie falen als gevolg van leclniscle sloiing
(STO)
L4 = g + l = 2+0
= 2
De ingevulde viagenlijslen geven de volgende scoies in ondeislaande label.
Cnderdeel Score Faalkans (1/vr)
Alarmering 4,5 3,2 × 10
-5
MobilisaIie 4,0 10
-4
8ediening 3,0 10
-3
TabeI 3.12
Scorelabel lalen als gevolg van
lechnische sloring
TabeI 3.13
Score ingevulde vragenlijslen
lNVULLlNC Wl11E VLEKKEN KUNS1WERKEN
074374894:8 ARCADI5 45
1echnische sIoring 2,0 10
-2
Alle aspecIen 2,0 10
-2
Gecombineeid mel de oveiscliijdingsfiequenlie van lel OKI iesulleeil een faalkans van:
fr vr fr
vr
ns f f
P n P
1
2
1
2
10 5 10 5
÷ ÷
× = × = × =
Li is niel voldaan aan de gedelailleeide loelsing volgens de Leidiaad Kunslweiken. Hel
anlwooid op viaag 4 is daaiom ¨nee¨ en volgens lel loelssclema moel geavanceeide
loelsing volgen.
Len geavanceeide loelsing beslaal volgens de Leidiaad Kunslweiken uil een volledige
beliouwbaaileidsanalyse van de keiing. Len deigelijke analyse geefl alleen ielevanle
veisclillen mel de gedelailleeide mellode wanneei ei veiligleidssyslemen in de keiing
aanwezig zijn die in de gedelailleeide mellode niel in besclouwing woiden genomen. Dal
lijkl in dil vooibeeld niel lel geval le zijn, zodal een geavanceeide beliouwbaaileidsanalyse
naai veiwaclling weinig gaal opleveien in leimen van de faalkans pei viaag.
Len andeie mogelijkleid is om lel Open Keei Ieil logei le slellen op giond van een nadeie
besclouwing van de kombeiging en de afvoeieigensclappen van de sluis. Om de
laalbaaileid lieivan af le sclallen kan op giond van de bovenslaande foimule woiden
afgeleid welke oveiscliijdingsfiequenlie van lel OKI gelaald moel woiden. Uilgaande van
een le lalen faalkans van 0,1 x de noimfiequenlie (volgens Leidiaad Kunslweiken) is lel
loelaalbaie aanlal viagen pei jaai:
fr
vr
vr
fr
ns
f
P
norm
n
3
1
2
1
40000
1
10 5 , 2
10
1 , 0
÷
÷
× = =
×
=
De eis van een faalkans van 0,1 x noim of lagei is een onlweipeis. In lel kadei van de
loelsing kan evenlueel ondeibouwd de eis maximaal een oide logei woiden gesleld, dooi
een aanpassing van de faalkansbudgelleiing van de sluis. Op die gionden mag de
oveiscliijdingsfiequenlie van lel OKI maximaal 2,5 x 10
-2
pei jaai bediagen.
De beiekende oveiscliijdingsfiequenlies komen vooi deze localie oveieen mel een OKI van
NAI +0,62 m lol NAI +0,85 m. ßij de beooideling van de loelaalbaaileid moel iekening
woiden gelouden mel een ieseive van 0,30 m (volgens de Leidiaad). Len evenlueel uil le
voeien kombeigingsbesclouwing dienl daaiom de loelaalbaaileid aan le lonen van
builenwaleislanden van NAI +0,92 m lol NAI +1,15 m bij een open keiing. Gezien de
gioolle van lel aclleiliggende waleisysleem zou dil loelaalbaai kunnen zijn.
Op basis van slap 5 zou daaiom ¨voldoende¨ kunnen woiden gelaald op giond van een
nadeie besclouwing van lel Open Keei Ieil.
ßij de lieiboven besclieven besclouwing dienl wel geconlioleeid le woiden of de sluis
consliuclief besland is legen de opliedende loge slioomsnelleden (o.a. falen van de
bodembescleiming). De mogelijkleid van consliuclief falen van de sluis legl eigen eisen op
aan de beliouwbaaileid van de sluiling. De analyse eivan veiloopl langs dezelfde lijnen als
lNVULLlNC Wl11E VLEKKEN KUNS1WERKEN
074374894:8 ARCADI5 46
de analyse van lel OKI op basis van een kombeigingsbesclouwing, waaibij lel OKI nu
woidl vaslgesleld op giond van de consliuclieve eigensclappen van de sluis.
3.4.5 VERVCLC VAN DE 1CE1SlNC
Van de sluis in dil vooibeeld is bij een aanlal loelsspoien de eindscoie 'onvoldoende'
gegeven. Vooi deze spoien kan oveiwogen woiden aanvullend veldondeizoek le doen. Mel
de aanvullende gegevens kan de loelsing opnieuw woiden uilgevoeid, waaina mogelijk
alsnog een scoie 'goed' of 'voldoende' gegeven kan woiden.
Nadal alle loelsspoien zijn dooilopen is de volgende slap in lel loelspioces lel opslellen
van lel beleeideisooideel. Op giond van eigen eivaiingen of op giond van kennis die niel
woidl gebiuikl in de loelsing volgens de loelsmellodes koml de beleeidei lol een eigen
ooideel ovei de waleikeiing. Als lel ooideel volgens de loelsingsiegels dooi de beleeidei
woidl oveigenomen, is geen nadeie ondeibouwing nodig. Daai, waai lel
beleeideisooideel afwijkl van lel ooideel volgens de loelsingsiegels, dienl dooi de
beleeidei een ondeibouwing gegeven le woiden vooi lel beleeideisooideel.
lNVULLlNC Wl11E VLEKKEN KUNS1WERKEN
074374894:8 ARCADI5 47
HOOlDSTUK
4Praklijkvoorbeeld
loelsing coupure
4.1 ßE5CHRI1VING VAN DE COUPURE
ßeschrijving van de situatie
In dil loofdsluk woidl ingegaan op loelsing van een coupuie. Len coupuie is een
ondeibieking in de waleikeiing vooi de dooigang van landveikeei die bij loge
waleislanden geslolen woidl. De coupuie in dil vooibeeld is gelegen in een zeeaim en is
ondeideel van een dijkliclaam. De coupuie beslaal uil belonnen keeimuien en kan woiden
geslolen mel een peimanenl aanwezige belonnen ioldeui. De deui moel mel een liacloi
woiden geslolen en leefl een keiende loogle van NAI+7,4 m. Hel wegdek leefl lei plaalse
van de coupuie een loogle van NAI+5,0 m. In geslolen silualie woidl de belasling op de
deui via de keeimuien afgediagen naai de ondeigiond. De coupuie is op slaal gefundeeid.
In de ondeislaande figuui is de silualie weeigegeven.
figuur 4.19
8oven- en zijaanzichl coupure
lNVULLlNC Wl11E VLEKKEN KUNS1WERKEN
074374894:8 ARCADI5 48
Categorie en veiIigheidsnorm
De coupuie is gelegen in een veibindende waleikeiing calegoiie b. De coupuie is volledig
zelfslandig waleikeiend en is daaiom een consliuclie lype I volgens de Leidiaad
Kunslweiken. De veiligleidsnoim bediaagl 1/10.000 pei jaai.
ßeschikbare gegevens
Van de coupuie zijn besleklekening uil 1994 besclikbaai mel daaiop een langsdooisnede en
een aanlal dwaisdooisneden van de ioldeui en de keeimuien. Veidei zijn de
wapeningslekeningen van de belonconsliuclies en een aanlal sondeiingen besclikbaai. De
coupuie is opgenomen in lel ßeleeis- en ondeiloudsplan van de veibindende keiing waai
de coupuie deel van uilmaakl. Ten beloeve van de loelsing is de loogle van de coupuie
ingemelen. De onlweipuilgangspunlen zijn niel leiuggevonden in lel aiclief en de coupuie
is in de voiige loelsionde niel geloelsl.
4.2 5Y5TEEMANALY5E
Vooi een nadeie loeliclling op de sysleemanalyse woidl veiwezen naai loofdsluk 2 en
ßijlage 1. In deze paiagiaaf woiden alleen de funclies en de van loepassing zijnde
ondeidelen en faalmeclanismen gegeven. Vooi de coupuie woiden de volgende funclies
ondeiscleiden:
Hel keien van lel builenwalei,
Hel veizoigen van een veikeeisveibinding vooi landveikeei.
Vooi de coupuie zijn de volgende ondeidelen le ondeiscleiden die een iol spelen bij de
funclie waleikeien:
ßelonnen ioldeui,
ßelonnen keeimuien.
Vooi de coupuie zijn de volgende ielevanle faalmeclanismen le ondeiscleiden:
1. Toelsspooi HT (Waleibezwaai bij geslolen kunslweik):
Oveiloop en oveislag ovei de keeimiddelen,
2. Toelsspooi ST (Consliuclief falen van de sluis):
ßezwijken van de keeimiddelen,
Inslabilileil van de coupuie (kanlelen/afscluiven),
Iiping and Heave ondei de coupuie,
3. Toelsspooi ßS (Waleibezwaai bij een geopend kunslweik):
Ialen van de sluiling van lel kunslweik.
figuur 4.20
Doorsneden coupure
lNVULLlNC Wl11E VLEKKEN KUNS1WERKEN
074374894:8 ARCADI5 49
4.3 HYDRAULI5CHE RANDVOORWAARDEN
De lydiauliscle iandvooiwaaiden woiden gebaseeid op lel vigeiende
iandvooiwaaidenboek en de vigeiende sel HYDRA-modellen, mel in acllneming van de
aandacllspunlen uil lel VTV. In loofdsluk 2 woidl liei uilgebieidei op ingegaan. Vooi dil
vooibeeld gelden de iandvooiwaaiden zoals weeigegeven in ondeislaande label.
Cmschri|ving Waarde
Norm!requenIie 1/10.000 |aar
1oeIspeil NAP+ 5,2 m
1oeslag voor buioscillaIies 0,3 m
Signi!icanIe gol!hoogIe H
s
0,9 m
Piekperiode 1
p
10 s
4.4 UITWERKING VAN DE TOET5ING
4.4.1 ALCEMEEN 1CE1SSCHEMA
Hel kunslweik is in de voiige loelsionde niel geloelsl en zal geloelsl woiden confoim lel
algemene loelssclema. In ondeislaande figuui is lel algemene loelssclema weeigegeven.
In deze paiagiaaf woidl de loelsing volgens de loelsiegels uilgeweikl.
De volgende loelsspoien woiden dooilopen:
Hoogle (HT) van de consliuclie en de afsluilmiddelen,
Slabilileil en Sleikle (ST) van de consliuclie en de waleikeiende, ondeiveideeld in:
- Slabilileil van consliuclie en giondliclaam (STCG),
- Sleikle van (waleikeiende) consliuclieondeidelen (STCO),
- Iiping en Heave (STIH),
- Slabilileil van lel Vooiland (STVL),
ßeliouwbaaileid Sluiling (ßS).
4.4.2 1CE1SSPCCR HCCC1E (H1)
De beooideling van deze ondeidelen volgl lel ondeislaande sclema uil lel VTV.
TabeI 4.14
Samenvalling
loelsrandvoorwaarden
figuur 4.21
Hooldschema loelsing
lNVULLlNC Wl11E VLEKKEN KUNS1WERKEN
074374894:8 ARCADI5 50
Vooi de kiuinloogle van de coupuie (l
ki
) woidl de ingemelen kiuinloogle aangelouden.
Stap 1: Onlwoipen volgens vigeiende leidiaden en de geomeliie en iandvooiwaaiden zijn
niel veisleclleid.
De coupuie is onlwoipen en gebouwd vooi 2003 dus niel aan de land van de Leidiaad
kunslweiken. De loelsing woidl vooilgezel mel slap 2.
Stap 2.1: l
ki
_ Toelspeil + loeslagen
l
ki
van de ioldeui en keeimuien= NAI+7,4 m,
Toelspeil= NAI+5,2 m,
Toeslag= 0,3 m.
Slap 2.1: 7,4 _ 5,2 + 0,3. De belaslingsilualie is oveislag en de loelsing woidl dooigezel mel
slap 2.2.
figuur 4.22
8eoordelingsschema voor de
hoogle van kunslwerken
lNVULLlNC Wl11E VLEKKEN KUNS1WERKEN
074374894:8 ARCADI5 51
Stap 2.2: Oveislagdebiel q |l/m/sj, q _ 0,1; 0,1 · q · 10; q _ 10
Hel oveislagdebiel woidl beiekend aan de land van de volgende foimule uil Leidiaad
Kunslweiken:
)
1
0 , 3 exp( 13 , 0
3
n s
kr
s
H
h
gH q
¸ ¸
|
÷ =
mel: q = gemiddeld oveislagdebiel |l/m/sj,
g = veisnelling van de zwaailekiacll = 10 m/s
2
,
H
s
= significanle inkomende golfloogle vlak vooi de consliuclie. =0,9 m,
l
ki
= loogle van de kiuin boven lel loelspeil= 1,9 m,
¸
|
= invloedsfacloi vooi scleve golfaanval= 1,
¸
n
= invloedsfacloi vooi een neus bovenaan de consliuclie= 1.
Hel oveislagdebiel vooi de sluis beiekend mel bovenslaande foimule is < 0,1 l/m/s. De
loelsing woidl dooigezel mel slap 4a.
Stap 4a: l
ki
- (Toelspeil + loeslagen) _ 0,3 m
Vooi de coupuie geldl: l
ki
-Toelspeil + loeslagen _ 0,3 m.
Hel ooideel vooi de sluis en lel sluisplaleau vooi loelsspooi Hoogle luidl: goed.
4.4.3 1CE1SSPCCR S1ERK1E EN S1A8lLl1El1 (S1)
De loelsing op Slabilileil en Sleikle omval de volgende beooidelingsspoien:
Slabilileil van de consliuclie en giondliclaam (STCG),
Sleikle van (waleikeiende) consliuclieondeidelen (STCO),
Iiping en Heave (STIH),
Slabilileil Vooiland (STVL).
De deelspoien STCG, STCO en STIH woiden beooideeld volgens ondeislaand sclema. Hel
deelspooi STVL woidl geloelsl volgens de beooidelingsspoien uil Kalein 9 van lel VTV.
lNVULLlNC Wl11E VLEKKEN KUNS1WERKEN
074374894:8 ARCADI5 52
Toetsspoor 5tabiIiteit van de constructie en grondIichaam (5TCG)
ßij dil deelspooi woidl ei vanuil gegaan dal de consliuclie als geleel inlacl blijfl en dal
bezwijken oplieedl als gevolg van lel als geleel kanlelen of veiscluiven van lel
kunslweik. De coupuie is op slaal gefundeeid, geloelsl woidl de slabilileil van de
fundeiing.
ßij de eenvoudige loelsing kan woiden gekeken naai aanwezige onlweipbeiekeningen of
naai ¨bewezen sleikle¨. Veidei is een snel ooideel mogelijk wanneei lel kunslweik is
onlwoipen volgens vigeiende leidiaden en de uilgangspunlen van de loelsing niel
ongunsligei zijn dan die van lel onlweip. In dil geval zijn onlweipbeiekeningen niel
aanwezig en kan op basis daaivan geen loelsing woiden uilgevoeid.
Van de coupuie zijn lekeningen en sondeiingen aanwezig. Deze gegevens zijn voldoende
om een leibeiekening van de fundeiing le kunnen maken. Uil de beiekening blijkl dal de
coupuie voldoende slabiel is. Vooi een nadeie loeliclling op de slabilileilsbeiekening woidl
veiwezen naai de Leidiaad Kunslweiken.
De coupuie is visueel geïnspecleeid. Uil de inspeclies zijn geen gebieken (veizakkingen,
veiplaalsingen, scleuien) naai voien gekomen die wijzen op een aclleiuilgang in de slaal
van lel kunslweik. Uil de inmeling van de coupuie blijkl dal de keiende loogle van
coupuie niel of nauwelijks is gewijzigd. De condilie van de sluis is in oide.
Hel ooideel vooi de coupuie vooi loelsspooi Slabilileil luidl: goed.
Toetsspoor 5terkte van de (vaterkerende) constructieonderdeIen (5TCO)
ßij dil deelspooi woidl de inlegiileil van de consliuclie beooideeld. Dal belekenl dal alle
sclakels in de afdiacll van de belaslingen naai de fundeiing, inclusief de
figuur 4.23
8eoordelingsschema voor de
Slabilileil en Slerkle
kunslwerken
lNVULLlNC Wl11E VLEKKEN KUNS1WERKEN
074374894:8 ARCADI5 53
fundeiingsondeidelen zelf woiden beooideeld. Vooi de coupuie in dil vooibeeld woiden
de volgende ondeidelen geloelsl:
Sleikle van de belonnen ioldeui,
Sleikle van de belonnen keeimuien.
Van de coupuie zijn geen onlweipbeiekeningen aanwezig en lel kunslweik is niel
onlwoipen volgens vigeiende leidiaden. Len eenvoudige loelsing is niel mogelijk. Aan de
land van de beslekslekeningen en wapeningslekeningen is een leibeiekening uilgevoeid.
Uil de beiekening blijkl dal de deui en de keeimuien voldoen. ßij de visuele inspeclie van
de deui zijn geen gebieken geconslaleeid.
Hel ooideel vooi lel loelsspooi Sleikle van de coupuie luidl: goed.
Vooi een nadeie loeliclling op de sleiklebeiekening woidl veiwezen naai de Leidiaad
Kunslweiken.
Toetsspoor 5tabiIiteit Piping en Heave
Hel VTV geefl vooi de eenvoudige loels op Iiping en Heave een sel van vijf ciileiia. Als aan
alle ciileiia is voldaan, is de scoie ¨voldoende¨. In ondeislaande label zijn de vijf ciileiia
opgenomen en is aangegeven of in lel liei belandelde vooibeeld is voldaan aan lel
ciileiium of niel.
CriIerium Aan voldaan? (|a/nee)
De consIrucIie is nieI op palen ge!undeerd Ja, !undering op sIaal.
De consIrucIie en evenIuele kwelschermen
worden rondom door een slechI doorlaIend klei-
/veenpakkeI omsloIen
Nee, de ondergrond besIaaI uiI zand.
Na zeIIing aan heI eind van de IoeIsperiode is de
consIrucIie rondom nog sIeeds minimaal 1 m
ingebed in een klei-/veenpakkeI waarbi| er geen
in- o! uiIIredepunIen voor piping via de
aansluiIing Iussen grond en consIrucIie kunnen
onIsIaan
Nee.
HeI klei-/veenpakkeI aan de buiIendi|kse en de
binnendi|kse zi|de van de waIerkering is sIabiel
Ja
Cnder heI kunsIwerk aanwezige zandlagen zi|n
beoordeeld als "goed" o! "voldoende" volgens
IoeIsspoor Piping en Heave uiI KaIern 5.
NieI beoordeeld
Omdal aan een aanlal ciileiia niel is voldaan moel de loels woiden vooilgezel mel de
gedelailleeide loelsing.
De gedelailleeide loelsing woidl gedaan op basis van de mellode Lane zoals omsclieven is
in lel Teclniscl Rappoil Zandmeevoeiende Wellen. Hel loelsciileiium is
creep w
J H
c
C
L L
H H
,
3
1
+
= A s A
AH = opliedend veival |mj,
AH
C
= kiiliscl veival |mj,
L
H
= lolale loiizonlale kwelweg |mj,
L
V
= lolale veilicale kwelweg |mj,
TabeI 4.15
Lenvoudige beoordeling Piping
en Heave bij Kunslwerken
lNVULLlNC Wl11E VLEKKEN KUNS1WERKEN
074374894:8 ARCADI5 54
C
W,CRLLI
= Cieep-facloi vooi de iekeniegel van Lane.
De ondeigiond van de coupuie beslaal uil zand. Vooi C
W,CRLLI
woidl de meesl ongunslige
waaide vooi zand genomen: 8,5.
Hel loelspeil is NAI+5,2 m, volgens label 4-2,1 uil de VTV woiden ei geen loelslagen
meegenomen in deze beiekening. De weg leefl lei plaalse van de coupuie een loogle van
NAI+5,0 m. Maximaal opliedend veival (l) ovei de coupuie: 0,2 m.
De veilicale kwelweg is bepaald aan de land van de beslekslekening en is ca. 1,0 m.
Sluis is op slaal gefundeeid dus mag de loiizonlale kwelweglengle meegenomen woiden.
De loiizonlale kwelweglengle is ca. 4,0 m.
Hel invullen van de waaiden in de foimule geefl: AH
c
= 0,3 m. Hel opliedende veival is 0,2
m. Volgens de foimule van Lane voldoel de consliuclie juisl.
Hel ooideel vooi lel loelsspooi Slabilileil Iiping en Heave luidl: goed.
DeeIspoor 5TVL
Dil deelspooi woidl belandeld in een apail VTV-kalein en is niel specifiek vooi
kunslweiken. Li woidl liei niel veidei op ingegaan.
4.4.4 1CE1SSPCCR 8E1RCUW8AARHElD SLUl1lNC (8S)
De beliouwbaaileid sluiling woidl beooideeld volgens ondeislaand sclema. In de
bescliijving van de slappen woidl veelal veiwezen naai de Leidiaad Kunslweiken waai, in
bijlage ß3, de beliouwbaaileid van sluiling van waleikeiende kunslweiken of bijzondeie
consliuclies mel afsluilmiddelen woidl belandeld.
lNVULLlNC Wl11E VLEKKEN KUNS1WERKEN
074374894:8 ARCADI5 55
Stap 1.1: De coupuie is onlwoipen vooidal de Leidiaad Kunslweiken weid gepubliceeid.
Li zijn dan ook geen specificalies vooi gebiuik en beleei volgens de Leidiaad.
Stap 1.2: Li is geen iisicoanalyse uilgevoeid
Stap 2.1: In lel beleei- en ondeiloudsplan van de keiing is opgenomen lenminsle één keei
pei jaai geoefend moel woiden mel de sluiling van de coupuie. De deui moel mel een
liacloi woiden geslolen. Vooi lel ondeiloud en de inspeclie van de coupuie is een
ondeiloudsconliacl afgeslolen mel een aannemei. Hieiin is opgenomen dal de deui één
keei pei jaai woidl bediend. In lel conliacl onlbieken ecllei vaslgelegde en geoefende
pioceduies vooi alaimeiing, mobilisalie en bediening van de coupuie.
figuur 4.24
8eoordelingsschema voor de
8elrouwbaarheid Sluiling van
kunslwerken
lNVULLlNC Wl11E VLEKKEN KUNS1WERKEN
074374894:8 ARCADI5 56
Tussenstap: Dooi de beleeidei is beslolen alvoiens de loelsing le veivolgen eeisl de
geconslaleeide gebieken in de pioceduie le leislellen.
Stap 2.2: ßuilen bediende lijd is de coupuie noimalilei geopend om lel landveikeei dooi le
kunnen lalen sliomen.
Stap 2.3: Hel OKI woidl in deze silualie niel vakei dan 1 keei pei 10 jaai oveisclieden,
Dooi de looggelegen diempel van de coupuie (NAI + 5,00 m) is de oveiscliijdingskans
van lel OKI zeei laag. Dil belekend dal ei een gedelailleeide loelsing uilgevoeid zal
moelen woiden.
Stap 4: De gedelailleeide loelsing woidl uilgevoeid volgens slap ß3.4 van de Leidiaad
Kunslweiken. Deze beslaal uil de volgende ondeidelen:
1. Invenlaiisalie van funclies en daaimee samenlangende gebiuiksloeslanden,
2. ßepalen van lel Open Keei Ieil pei gebiuiksloesland,
3. ßepalen van de oveiscliijdingsfiequenlie van lel OKI pei gebiuiksloesland,
4. ßepalen van de kans op niel-sluilen pei gebiuiksloesland aan de land van de
viagenlijslen uil de Leidiaad Kunslweiken,
5. Veigelijking mel de noim.
Vanwege de lel onlbieken van een lweede afsluilmiddel en bediening via dieselkiacll is op
basis van de viagenlijslen uil de Leidiaad Kunslweiken de maximale le belalen kans op
niel sluilen 10
-2
pei viaag. Hel OKI is in deze silualie gelijk aan de OKH, dil loudl in dal n
j
gelijk is aan de noim en een faalkans leefl van 10
-4.
pei jaai. Dil belekend dal I
ns
minimaal
10
-1.
pei viaag moel zijn om de noim le lalen. Volgens de viagenlijslen uil de Leidiaad
kunslweiken Slap ß3.4 is de faalkans van de coupuie 10
-2.
pei viaag, dus akkooid.
Hel ooideel vooi lel loelsspooi beliouwbaaileid sluiling luidl: goed
4.4.5 VERVCLC VAN DE 1CE1SlNC
Nadal de loelsing van de ßeliouwbaaileid Sluiling is afgeiond is de volgende slap in lel
loelspioces lel opslellen van lel beleeideisooideel. Op giond van eigen eivaiingen of op
giond van kennis die niel woidl gebiuikl in de loelsing volgens de loelsmellodes koml de
beleeidei lol een eigen ooideel ovei de waleikeiing. Als lel ooideel volgens de
loelsingsiegels dooi de beleeidei woidl oveigenomen, is geen nadeie ondeibouwing
nodig. Daai, waai lel beleeideisooideel afwijkl van lel ooideel volgens de loelsingsiegels,
dienl dooi de beleeidei een ondeibouwing gegeven le woiden van lel beleeideisooideel.
lNVULLlNC Wl11E VLEKKEN KUNS1WERKEN
074374894:8 ARCADI5 57
HOOlDSTUK
5Praklijkvoorbeeld
loelsing uilwaleringssluis
5.1 ßE5CHRI1VING VAN DE UITWATERING55LUI5
ßeschrijving van de situatie
In dil loofdsluk woidl ingegaan op loelsing van een uilwaleiingssluis. Uilwaleiingssluizen
zijn veel vooikomende kleine kunslweiken dooi dijkliclamen.
De uilwaleiingssluis in dil vooibeeld beslaal uil een leiding Ø 0,9 m dooi de dijk mel in de
kiuin een inspecliesclacll. De uilwaleiingssluis leefl een dubbele keiing, beslaande uil een
azobé loulen waclldeui en een afsluilei (slalen scluif). De waclldeui is lel piimaiie
keeimiddel van de sluis en is aangebiacll in een belonnen uilslioombak. Als lel
builenwalei logei koml le slaan dan lel binnenwalei sluil de waclldeui op slioming. De
slalen scluif is lel secundaiie keeimiddel en is aangebiacll in de inspecliesclacll. ßij
loogwalei alaimeiing woidl de slalen scluif geslolen.
Aan de in- en uilslioomzijde van de sluis is een bodembescleiming aangebiacll beslaande
uil een belonplaal. In de ondeislaande figuien zijn de langsdooisnede en loiizonlale
dooisnede gegeven.
figuur 5.25
Langsdoorsnede
uilwaleringsluis
lNVULLlNC Wl11E VLEKKEN KUNS1WERKEN
074374894:8 ARCADI5 58
Categorie en veiIigheidsnorm
De uilwaleiingssluis is gelegen in een waleikeiing calegoiie a. De sluisconsliuclie veizoigl
samen mel de giondconsliuclie de waleikeiende funclie en is daaiom een consliuclie lype
II volgens de Leidiaad Kunslweiken. De veiligleidsnoim bediaagl 1/1250 pei jaai.
ßeschikbare gegevens
Van de sluis is een beslekslekening besclikbaai mel daaiop een langsdooisnede en een
aanlal dwaisdooisneden van de sluis. Van de loulen waclldeui is een delaillekening
besclikbaai mel daaiop de afmelingen van de veisclillende ondeidelen van de deui. Van
de slalen scluif onlbieken de specificalies. Ook de onlweipuilgangspunlen en gegevens van
de bodemopbouw zijn niel besclikbaai. Van lel dijkliclaam is in lel kadei van de loelsing
de loogle ingemelen en zijn giondgegevens veizameld. De uilwaleiingssluis is in de voiige
loelsionde niel geloelsl.
Om de loelsing van lel kunslweik uil le kunnen voeien is lel volgende veldondeizoek
uilgevoeid:
Visuele inspeclie van lel kunslweik,
Ondeizoek van de slalen scluif,
Giondondeizoek.
5.2 5Y5TEEMANALY5E
Vooi een nadeie loeliclling op de sysleemanalyse woidl veiwezen naai loofdsluk 2 en
bijlage 1. In deze paiagiaaf woiden alleen de funclies en de van loepassing zijnde
ondeidelen en faalmeclanismen gegeven. Vooi de uilwaleiingssluis woiden de volgende
funclies ondeiscleiden:
Hel keien van lel builenwalei,
Hel spuien van walei uil de aclleigelegen poldei.
Vooi de uilwaleiingssluis zijn de volgende ondeidelen ondeiscleiden die een iol spelen bij
de funclie waleikeien:
Keeimiddelen, beslaande uil een loulen waclldeui en een slalen scluif,
ßelonnen inspecliesclacll en uilslioombak,
ßodembescleiming aan de in- en uilslioomzijde, beslaande uil een belonnen plaal.
figuur 5.26
Horizonlale doorsnede
uilwaleringssluis
lNVULLlNC Wl11E VLEKKEN KUNS1WERKEN
074374894:8 ARCADI5 59
Vooi de uilwaleiingssluis zijn de volgende ielevanle faalmeclanismen le ondeiscleiden:
1. Toelsspooi ST (Consliuclief falen van de sluis):
ßezwijken van de keeimiddelen,
Inslabilileil van de sluis (kanlelen/afscluiven),
Ondei- en aclleiloopsleid,
Inslabilileil van de bodembescleiming,
2. Toelsspooi ßS (Waleibezwaai bij een geopend kunslweik):
Ialen van de sluiling van lel kunslweik.
5.3 HYDRAULI5CHE RANDVOORWAARDEN
De lydiauliscle iandvooiwaaiden woiden gebaseeid op lel vigeiende
iandvooiwaaidenboek en de vigeiende sel HYDRA-modellen, mel inacllneming van de
aandacllspunlen uil lel VTV. In loofdsluk 2 woidl liei uilgebieidei op ingegaan. Vooi dil
vooibeeld gelden de iandvooiwaaiden zoals weeigegeven in ondeislaande label.
Cmschri|ving Waarde
Norm!requenIie 1/1250 |aar
1oeIspeil NAP+ 13,70 m
Minimale waIersIand binnenwaIer NAP+ 9,0 m
Tei plaalse van de uilwaleiingssluis komen golven vooi van ciica 20 à 30 cm. De invloed
lieivan op de keeimiddelen is geiing omdal de bovenzijde van de keeimiddelen een aanlal
meleis ondei lel loelspeil gelegen is. De invloed van de golven is meikbaai lol een
waleidieple van ongeveei vijfmaal de golfloogle. ßij de loelsing van de keeimiddelen
woidl om deze ieden de invloed van golven builen besclouwing gelalen.
5.4 UITWERKING VAN DE TOET5ING
5.4.1 ALCEMEEN 1CE1SSCHEMA
Hel kunslweik is in de voiige loelsionde niel geloelsl en zal geloelsl woiden confoim lel
algemene loelssclema. In ondeislaande figuui is lel algemene loelssclema weeigegeven.
In deze paiagiaaf woidl de loelsing volgens de loelsiegels uilgeweikl.
TabeI 5.16
Samenvalling
loelsrandvoorwaarden
figuur 5.27
Hooldschema loelsing
lNVULLlNC Wl11E VLEKKEN KUNS1WERKEN
074374894:8 ARCADI5 60
De volgende loelsspoien woiden dooilopen:
Hoogle (HT) van de consliuclie en de afsluilmiddelen,
Slabilileil en Sleikle (ST) van de consliuclie en de waleikeiende, ondeiveideeld in:
- Slabilileil van consliuclie en giondliclaam (STCG),
- Sleikle van (waleikeiende) consliuclieondeidelen (STCO),
- Iiping en Heave (STIH),
- Slabilileil Vooiland (STVL),
ßeliouwbaaileid sluiling (ßS).
5.4.2 1CE1SSPCCR HCCC1E (H1)
De uilwaleiingssluis is gelegen in een dijkliclaam. De keiende loogle woidl veikiegen
dooi lel dijkliclaam en is niel van loepassing bij de loelsing van lel kunslweik.
5.4.3 1CE1SSPCCR S1ERK1E EN S1A8lLl1El1 (S1)
De loelsing op Slabilileil en Sleikle omval de volgende beooidelingsspoien:
Slabilileil van de consliuclie en giondliclaam (STCG),
Sleikle van (waleikeiende) consliuclieondeidelen (STCO),
Iiping en Heave (STIH),
Slabilileil Vooiland (STVL).
De deelspoien STCG, STCO en STIH woiden beooideeld volgens ondeislaand sclema. Hel
deelspooi STVL woidl geloelsl volgens de beooidelingsspoien uil Kalein 9 van lel VTV.
figuur 5.28
8eoordelingsschema voor de
Slabilileil en Slerkle
kunslwerken
lNVULLlNC Wl11E VLEKKEN KUNS1WERKEN
074374894:8 ARCADI5 61
Toetsspoor 5tabiIiteit van de constructie en grondIichaam (5TCG)
Hel gaal bij dil spooi om de weeisland legen beweging en veivoiming van de consliuclie.
De uilwaleiingssluis is op slaal gefundeeid en is ondeideel van een dijkliclaam.
Onlweipuilgangspunlen zijn niel vooilanden, deilalve dienl een leibeiekening le woiden
uilgevoeid op basis van de vigeiende vooiscliiflen. Van lel kunslweik zijn voldoende
gegevens besclikbaai om de leibeiekening uil le kunnen voeien. ßelangiijk lieibij is dal de
beooideling van de slabilileil inlegiaal woidl uilgevoeid mel de beooideling van de
slabilileil van lel dijkliclaam.
Vooi een nadeie loeliclling op de slabilileilbeiekening woidl veiwezen naai de Leidiaad
Kunslweiken.
Toetsspoor 5terkte van de (vaterkerende) constructieonderdeIen (5TCO)
Ondei dil deelspooi woiden de volgende aspeclen geloelsl:
Sleikle van de loulen waclldeui,
Sleikle van de slalen scluif.
1oeIsing houIen wachIdeur
De loulen waclldeui is lel piimaiie keeimiddel van de sluis. Van de deui zijn geen
onlweipuilgangspunlen of onlweipbeiekeningen besclikbaai. Len eenvoudige loelsing is
daaiom niel mogelijk, ei woidl een gedelailleeide loelsing uilgevoeid.
Aan de land van de lei besclikking geslelde lekening woidl de azobé waclldeui
leibeiekend. Azobé mag sinds enkele jaien lol sleikleklasse D70 woiden geiekend.
Aangezien de waclldeui al oudei is, woidl mel sleikleklasse D60 geiekend. Uil de
beiekening blijkl dal de deui voldoel. Vooi een nadeie loeliclling op de sleiklebeiekening
woidl veiwezen naai de Leidiaad Kunslweiken.
ßij de visuele inspeclie van de deui zijn geen gebieken geconslaleeid.
Hel ooideel vooi lel loelsspooi Sleikle van de waclldeui luidl: goed.
1oeIsing sIalen schui!
De afsluilei is lel secundaiie keeimiddel en beslaal uil een slalen scluif die enige
ioeslvoiming veiloonl maai wel in goede slaal veikeeil. ßij de inspeclie van de scluif is op
de scluif een plaalje aangelioffen waaiop lel lype van de scluif en de fabiikanl slaan
veimeldl. ßij de fabiikanl zijn de specificalies van de scluif aclleilaald. Uil de infoimalie is
af le leiden dal een veival van 6 melei le keien is. Onbekend is of bij lel veival een
veiligleidsfacloi is meegenomen of dal dil lel weikelijke bezwijkveival is. Daaiom woidl
ei uilgegaan dal ei nog een veiligleidsfacloi van 1,25 meegenomen. Ovei de sluis lieedl een
veival op van NAI + 13,70 m naai NAI + 9 m, waaimee de scluif voldoel.
Hel ooideel vooi lel loelsspooi Sleikle van de scluif luidl: goed.
Toetsspoor 5tabiIiteit Piping en Heave
De gegevens ovei de bodemopbouw iond lel kunslweik zijn niel meei besclikbaai. Ten
beloeve van de loelsing zijn 2 landboiingen uilgevoeid bij de binnenleen aan weeiszijden
van lel uilliedepunl. Uil de boiingen is naai voien gekomen dal de ondeigiond beslaal uil
giof zand. Van 2 zandmonsleis zijn de koiielveidelingen en de Cieep-facloi van Lane
bepaald.
lNVULLlNC Wl11E VLEKKEN KUNS1WERKEN
074374894:8 ARCADI5 62
De sluis in dil vooibeeld voldoel niel aan ciileiia 2 en 3 van de eenvoudige loelsing op
piping. De loelsing woidl dooigezel mel slap 2 Gelanleeide onlweipmellode.
In Slap 2 moel woiden nagegaan of lel kunslweik is onlwoipen op basis van lel Teclniscl
Rappoil Zandmeevoeiende Wellen of de Handieiking Consliuclief Onlweipen. De sluis in
dil vooibeeld voldoel niel aan dil ciileiium, de loelsing woidl dooigezel mel slap 3
Gedelailleeide loelsing.
De gedelailleeide loelsing woidl gedaan op basis van de mellode Lane zoals omsclieven is
in lel Teclniscl Rappoil Zandmeevoeiende Wellen. Hel loelsciileiium is
creep w
J H
c
C
L L
H H
,
3
1
+
= A s A
AH = opliedend veival |mj,
AH
C
= kiiliscl veival |mj
L
H
= lolale loiizonlale kwelweg |mj,
L
V
= lolale veilicale kwelweg |mj,
C
W,CRLLI
= Cieep-facloi vooi de iekeniegel van Lane.
Ovei de sluis lieedl een veival op van NAI + 13,70 m naai NAI + 9 m, lel kiiliscl veival is
dus 4,70 m. Ondei lel kunslweik zijn kwelscleimen aanwezig die de veilicale
kwelweglengle naai 16,3 m veilengen. De loiizonlale kwelweglengle leefl een lolale lengle
van 44,7 m. De Cieep-facloi is bepaald aan de land van de zandmosleis en is vaslgesleld op
een waaide van 5. Mel deze gegevens is lel kiiliek veival vaslgesleld op 4,70 m, lel kiilieke
veival AH
c
is beiekend en vaslgesleld op 6,23 m dus giolei dan lel opliedende veilang AH.
Hel ooideel vooi lel loelsspooi Slabilileil Iiping en Heave luidl: goed.
DeeIspoor 5TVL
Dil deelspooi woidl belandeld in een apail VTV-kalein en is niel specifiek vooi
kunslweiken. Li woidl liei niel veidei op ingegaan.
5.4.4 1CE1SSPCCR 8E1RCUW8AARHElD SLUl1lNC (8S)
De beliouwbaaileid sluiling woidl beooideeld volgens ondeislaand sclema. In de
bescliijving van de slappen woidl veelal veiwezen naai de Leidiaad Kunslweiken waai, in
bijlage ß3, de beliouwbaaileid van sluiling van waleikeiende kunslweiken of bijzondeie
consliuclies mel afsluilmiddelen woidl belandeld.
lNVULLlNC Wl11E VLEKKEN KUNS1WERKEN
074374894:8 ARCADI5 63
Vooi de beooideling van de beliouwbaaileid sluiling is oveileg gevoeid mel de beleeidei
van de uilwaleiingssluis.
Stap 1.1: De uilwaleiingssluis is onlwoipen vooidal de Leidiaad Kunslweiken weid
gepubliceeid. Li zijn dan ook geen specificalies vooi gebiuik en beleei volgens de
Leidiaad.
Stap 1.2: Li is geen iisicoanalyse uilgevoeid
Stap 2.1: Dooi de beleeidei woidl jaailijks gesclouwd waaibij de loulen waclldeui woidl
geïnspecleeid en gelesl of de deui viij is van obslakels en volledig sluil. Iei jaai woidl
meeideie keien een loogwalei alaim gegeven waaina de slalen scluif geslolen woidl.
Anlwooid ¨ja¨.
figuur 5.29
8eoordelingsschema voor de
8elrouwbaarheid Sluiling van
kunslwerken
lNVULLlNC Wl11E VLEKKEN KUNS1WERKEN
074374894:8 ARCADI5 64
Stap 2.2: Als lel builenwalei logei koml le slaan dan lel binnenwalei sluil de waclldeui
op slioming. Op vooiland kan niel woiden aangenomen dal de deui daadweikelijk
geslolen is, bijvooibeeld omdal de deui woidl geblokkeeid dooi obslakels. De kans dal de
deui daadweikelijk geslolen is, is ondei andeie aflankelijk van lel gevoeide beleei (loe
vaak woidl geïnspecleeid/ loe snel woidl niel sluilen gedelecleeid). Ook de silualie vooi
de waclldeui speell mee in de beooideling. Als bijvooibeeld vooi de sluis een bieuksleen
bodembescleiming aanwezig is, kan de deui geblokkeeid woiden dooi losse slenen.
Om lol een ooideel le komen zijn de volgende oplies mogelijk:
In oveileg mel de beleeidei een insclalling maken van de kans dal de deui niel geslolen
is op basis van lel gevoeide beleei en de silualie lei plaalse,
De loulen waclldeui builen besclouwing lalen in de loelsing.
ßij de sluis in dil vooibeeld is gekozen vooi de eeisle oplie. ßij een loogwalei alaim woidl
de slalen scluif geslolen. Daaibij woidl ook de weiking van de loulen waclldeui gelesl.
Vooi de sluis is een bodembescleiming aangebiacll die beslaal uil een belonnen plaal. De
kans is klein dal de deui woidl geblokkeeid dooi bieuksleen of begioeiing. Op basis
lieivan is de insclalling dal de deui geslolen is bij loogwalei. Hel anlwooid op slap 2.2 is
¨ja¨.
Als op basis van bovenslaande insclalling niel mel zekeileid gezegd kan woiden dal de
deui geslolen is, kan de loulen waclldeui builen besclouwing woiden gelalen in de
loelsing (oplie 2). De slalen scluif woidl dan lel piimaiie keeimiddel. ßij de beooideling
volgens slap 3.1 of 3.2 zal in die silualie niel woiden voldaan aan aspecl D omdal geen
lweede onaflankelijk sel afsluilmiddelen aanwezig is. De loelsing moel woiden dooigezel
mel de gedelailleeide loelsing. De gedelailleeide loelsing woidl uilgevoeid volgens slap
ß3.4 van de Leidiaad Kunslweiken. In loofdsluk 3 is een uilgeweikl vooibeeld gegeven van
een gedelailleeide loelsing.
Stap 3.2: Deze viaag beliefl de volgende aspeclen uil de Leidiaad Kunslweiken (blz. 115).
Ondeislaande label loonl deze aspeclen en de anlwooiden die vooi dil vooibeeld gelden.
Eis Aan voldaan? (|a/nee)
SIoringen in de normale sluiIing moeIen
kunnen worden opgevangen via een
handbediening o! via een alIernaIie!
sIuringssysIeem meI noodaggregaaI
Ja. De sIalen schui! kan meI de hand worden
gesloIen.
Er is een Iweede ona!hankeli|ke seI
a!sluiImiddelen
Ja. 8eide deuren zi|n volwaardig kerend
uiIgevoerd.
HeI primaire keermiddel wordI minsIens
Iweemaal per |aar geconIroleerd en minsIens
eenmaal per |aar volledig geIesI
Ja.
HeI aanvarings- o! aanri|dingsrisico is nieI
bi|zonder hoog
Ja.
Om op basis van deze slap de uilwaleiingssluis goed le kunnen keuien moel aan alle
aspeclen voldaan zijn. Dil is vooi deze uilwaleiingssluis lel geval.
Hel ooideel vooi lel loelsspooi ßeliouwbaaileid sluiling luidl: goed.
TabeI 5.17
8eoordeling aspecl D
lNVULLlNC Wl11E VLEKKEN KUNS1WERKEN
074374894:8 ARCADI5 65
5.4.5 VERVCLC VAN DE 1CE1SlNC
Nadal alle loelsspoien zijn dooilopen, ook die van lel aansluilende dijkliclaam, is de
volgende slap in lel loelspioces lel opslellen van lel beleeideisooideel. Op giond van
eigen eivaiingen of op giond van kennis die niel woidl gebiuikl in de loelsing volgens de
loelsmellodes koml de beleeidei lol een eigen ooideel ovei de waleikeiing. Als lel
ooideel volgens de loelsingsiegels dooi de beleeidei woidl oveigenomen, is geen nadeie
ondeibouwing nodig. Daai waai lel beleeideisooideel afwijkl van lel ooideel volgens de
loelsingsiegels dienl dooi de beleeidei een ondeibouwing gegeven le woiden van lel
beleeideisooideel.
lNVULLlNC Wl11E VLEKKEN KUNS1WERKEN
074374894:8 ARCADI5 66
8lJLACL 1 Nadere loelichling sysleemanalyse
AIgemeen
De loelsing van waleikeiende kunslweiken is uilgeweikl in VTV-Kalein 7. De loelsspoien
in dil Kalein (en zekei lel loelsspooi Sleikle en Slabilileil) zijn op loofdlijnen besclieven.
Mel name vooi complexe waleikeiende kunslweiken is lel zinvol vooiafgaand aan de
loelsing een sysleemanalyse uil le voeien. Hel gaal bij de sysleemanalyse vooial om lel
inzicll in de funclie van lel kunslweik als waleikeiing en de bedieigingen vooi deze
waleikeiende funclie. Hieimee woidl de loelsei landvallen gegeven vooi de beooideling
van lel kunslweik. ßij kleine kunslweiken zijn de faalmeclanismen en waleikeiende
ondeidelen snel inzicllelijk le maken zondei uilgebieide sysleemanalyse. Tocl is lel zinvol
om ook bij kleine kunslweiken een koile sysleemanalyse le maken.
In de sysleemanalyse zijn de volgende slappen le ondeiscleiden:
1. Iunclieanalyse,
2. Sysleemdecomposilie,
3. Analyse faalmeclanismen,
4. Analyse van de iaakvlakken mel aansluilende waleikeiingen.
Deze viei slappen geven een lianspaianl en gesliucluieeid oveizicll van waleikeiende
ondeidelen van een kunslweik en mogelijke faalwijzen, gekoppeld aan lel funclioneien als
waleikeiing. In de vijfjaailijkse loelsing van de waleikeiing confoim de VTV woiden alleen
deze ondeidelen besclouwd. Ook in lel licll van lel analyseien van de infoimaliebeloefle
vooi lel loelsen van een objecl zijn deze slappen zinvol. Hel oveizicll leidl lol een
objeclspecifieke invulling van de infoimaliebeloefle. De viei slappen woiden lieiondei
veidei uilweikl en loegelicll aan de land van lel vooibeeld uil loofdsluk 2.
functieanaIyse
De sysleemanalyse van lel sluiscomplex beginl mel lel definiëien van de funclies van lel
complex. In lel ßeleei- en Ondeiloudsplan zijn deze funclie besclieven:
Hel veizoigen van een scleepvaailveibinding lussen de Nooidzee en lel binnenwalei,
Hel veizoigen van een waleikeiende oveigang lussen de lwee vasle dijkliclamen,
Hel veizoigen van een veikeeisveibinding ovei de sluis.
In lel kadei van de vijfjaailijkse loelsing van de waleikeiing is de funclie waleikeien van
belang. ßij de veivolgslappen in de sysleemanalyse woidl daaiom piimaii deze funclie
besclouwd. De andeie funclies woiden alleen besclouwd als ze van invloed zijn op de
funclie 'waleikeien'.
5ysteemdecompositie
De volgende slap in de sysleemanalyse is lel opdelen van lel sluiscomplex in
subondeidelen waai faalmeclanismen aan gekoppeld kunnen woiden. In deze fase van de
loelsing bepeikl de decomposilie zicl lol een opdeling in loofdelemenlen van lel
kunslweik. ßelangiijk is dal inzicllelijk woidl gemaakl welke objeclen een iol spelen in de
waleikeiende funclie van lel kunslweik. Als in deze fase leveel woidl ingegaan op de
lNVULLlNC Wl11E VLEKKEN KUNS1WERKEN
074374894:8 ARCADI5 67
delails van de consliuclie beslaal lel gevaai dal lel oveizicll veiloien gaal. Indien nodig
kan bij de loelsing van de ondeidelen een veideie opdeling woiden gemaakl.
Vooi de sluis in dil vooibeeld woiden de volgende ondeidelen ondeiscleiden:
Sluiskolk, beslaande uil zes kolkmolen en lwee sluisloofden mel kwelscleimen,
Keeimiddelen, beslaande uil lwee ioldeuien,
Sluisplaleau, mel een slioombeslendige bekleding en laludbekleding van de aansluilende
dijkliclamen,
ßodembescleiming aan weeiszijden, beslaande uil een sloilebed.
AnaIyse !aaImechanismen
ßij de analyse van de faalmeclanismen woidl aangeslolen bij de loelsspoien uil lel VTV-
Kalein 7 en de filosofie van de Leidiaad Kunslweiken. Kenmeikend vooi de
veiligleidsfilosofie in de Leidiaad Kunslweiken is lel splilsen van lel falen van een
kunslweik in diie basisooizaken. Deze coiiespondeien mel de loelsspoien uil lel VTV :
Ialen als gevolg van onvoldoende keiende loogle (falen zondei bezwijken). In lel VTV-
Kalein 7 is dil ondeigebiacll bij lel loelsspooi Hoogle (HT),
Consliuclief falen (bezwijken) van de consliuclie in geslolen loesland of als gevolg van
lel niel (lijdig) sluilen. In lel VTV-Kalein 7 is dil ondeigebiacll bij lel loelsspooi
Slabilileil en Sleikle (ST),
Ialen als gevolg van lel niel (lijdig) sluilen van de waleikeiing (falen zondei bezwijken).
In lel VTV-Kalein 7 is dil ondeigebiacll bij lel loelsspooi ßeliouwbaaileid Sluiling
(ßS).
In de ondeislaande figuui zijn de basisgebeuilenissen weeigegeven in een foulenboom.
figuur 5.30
Hooldloulenboom lalen
kunslwerk
lNVULLlNC Wl11E VLEKKEN KUNS1WERKEN
074374894:8 ARCADI5 68
Als bovenslaande filosofie woidl loegepasl op de sluis in dil vooibeeld dan zijn alle diie de
basisgebeuilenissen van loepassing:
4. Toelsspooi HT (Waleibezwaai bij een geslolen kunslweik,
5. Toelsspooi ST (Consliuclief falen van de sluis),
6. Toelsspooi ßS (Waleibezwaai bij een geopend kunslweik).
1 1oeIsspoor H1, waIerbezwaar bi| een gesloIen kunsIwerk
Hel gaal bij faalmeclanisme om de loeveelleid walei die als gevolg van oveiloop of
golfoveislag ovei een geslolen kunslweik sliooml. Hel kunslweik faall als de loeveelleid
walei lel loelaalbaie volume oveiscliijdl. In dil vooibeeld zijn de volgende
faalmeclanismen ondeiscleiden:
Oveiloop en oveislag ovei de keeimiddelen,
Oveiloop en oveislag ovei lel sluisplaleau.
Golfoveislag en oveiloop ovei lel sluisplaleau en de keeimiddelen is in piincipe
aanvaaidbaai, omdal lel oveislaande walei kan woiden afgevoeid naai lel aclleigelegen
binnenwalei. De loeveelleid walei die aanvaaidbaai is langl af van lel kombeigend
veimogen of de loelaalbaie waleisland van lel binnenwalei. Ook mag lel oveislaande
walei de bekleding van lel sluisplaleau niel in gevaai biengen.
2 1oeIsspoor S1, consIrucIie! !alen van de sluis
ßij lel consliuclief falen woidl gekeken naai de sleikle en slabilileil van de consliuclie
(ondeidelen). De consliuclie moel voldoende sleik en slabiel zijn om de belaslingen le
kunnen weeislaan.
De belaslingen op de sluiskolk langen af van de Nooidzeewaleisland, de waleisland in de
sluiskolk, en de binnenwaleisland. De bewegingsweiken en de fionlmuien woiden vooial
aan de Nooidzeekanl dooi golven belasl. De belonconsliuclie moel voldoende sleik zijn om
gionddiukken aan weeiszijden le weeislaan en opwaailse diukken le weeislaan. De
combinalie van loiizonlale en veilicale waleidiukken en inslabilileil van lel vooiland
kunnen eivooi zoigen dal de consliuclie afscluifl of kanlell. Tenslolle kan dooi lel veival
giondwaleislioming ondei of langs de sluiskolk onlslaan, welke zoigl vooi uilspoeling van
maleiiaal. Dooi deze ondei- of aclleiloopsleid kan de keiing falen.
ßij lel sluisplaleau is spiake van consliuclief falen als de bekleding van lel sluisplaleau
bezwijkl als gevolg van lel oveislaande walei. Ook kan lel zijn dal lel waleibezwaai
zodanig giool woidl, dal andeie consliucliedelen in gevaai komen. Dil kunnen zijn de lel
bedieningsluis, of de oveigangslaluds naai de vasle waleikeiing.
De bodembescleiming aan de binnenzijde van de sluis woidl belasl in de silualie van niel-
sluilen van beide sluisdeuien. Aflankelijk van de opliedende veivallen zal ei een
geconcenlieeide uilslioom onlslaan, waaidooi de bekleding op slioming woidl belasl. Als
dooi veilies van maleiiaal uil de bekleding een gal in de loplaag onlslaal, zal een
onlgiondingskuil voimen die zicl snel uilbieidl en de iesl van de bodembescleiming en
uileindelijk de sluisconsliuclie kan ondeimijnen.
Samenvallend woiden de volgende faalmeclanismen geïdenlificeeid:
Inslabilileil belonconsliuclie (kanlelen/afscluiven),
Inslabilileil bekleding sluisplaleau,
lNVULLlNC Wl11E VLEKKEN KUNS1WERKEN
074374894:8 ARCADI5 69
Inslabilileil bodembescleiming,
ßezwijken keeimiddelen,
ßezwijken belonconsliuclie,
Ondei- en aclleiloopsleid,
Inslabilileil vooiland.
3 1oeIsspoor 8S, waIerbezwaar bi| een geopend kunsIwerk
Hel gaal bij dil faalmeclanisme om de loeveelleid walei die dooi een geopend kunslweik
sliooml als gevolg van lel falen van de sluiling van de keeimiddelen. De waleikeiing faall
alleen als de builenwaleisland deimale loog is dal lel kunslweik moel woiden geslolen
(lel OKI) en sluiling van de keiing faall. In dil vooibeeld is lel volgende faalmeclanisme
ondeiscleiden:
Ialen van de sluiling van de keeimiddelen, gegeven een oveiscliijding van lel OKI.
In ßijlage 2 zijn alle faalmeclanismen weeigegeven in een foulenboom.
AnaIyse van de raakvIakken
Len waleikeiend kunslweik is allijd ondeideel van een dijkiing of veibindende
waleikeiing. ßelangiijk is dal lel oveigang lussen lel kunslweik en de aansluilende
dijkliclamen woidl meegenomen in de loelsing. Vooikomen moel woiden dal de oveigang
woidl veigelen bij de loelsing. Vooial als de loelsing van lel kunslweik en loelsing van de
dijkliclamen dooi veisclillende pailijen woidl uilgevoeid of als lel kunslweik en lel
dijkliclaam in beleei is bij veisclillende beleeideis woiden de oveigangen snel veigelen.
De sluis in dil vooibeeld dooikiuisl lel giondliclaam van een waleikeiing. Hel sluisplaleau
voiml de oveigang van lel kunslweik naai lel giondliclaam en dienl in de loelsing van lel
kunslweik le woiden meegenomen. Hel vooibeeld bepeikl zicl lol de loelsing van lel
kunslweik. De loelsing van lel giondliclaam en de bekleding zal in lel vooibeeld niel
woiden uilgeweikl
lNVULLlNC Wl11E VLEKKEN KUNS1WERKEN
074374894:8 ARCADI5 70
8lJLACL 2 loulenboom lalen zeesluis
l
N
V
U
L
L
l
N
C

W
I
T
T
L

V
L
L
K
K
L
N

K
U
N
S
T
W
L
R
K
L
N
0
7
4
3
7
4
8
9
4
:
8
A
R
C
A
D
I
5
7
1
lNVULLlNC Wl11E VLEKKEN KUNS1WERKEN
074374894:8
COLOlON lNVULLlNC WlTTL VLLKKLN KUNSTWLPKLN
VOOP8LLLDLN8OLK
OPDRACHTGEVER.
DLLTARLS
Dis. M.W.}. Hulsl
5TATU5.
Definilief
AUTEUR.
Ing. G.}. van dei Wanl
GECONTROLEERD DOOR.
Di.ii. H.G. Vooilman
VRI1GEGEVEN DOOR.
Ing. G.}. van dei Wanl
19 Iebruari 2010
074374894:B
ARCADIS NLDLRLAND ßV
Nieuwe Sleen 3
Ioslbus 173
1620 AD Hooin
Tel 0229 285 285
Iax 0229 219 996
www.aicadis.nl
Handelsiegislei
9036504
©APCADlS. Alle rechlen voorbehouden. 8ehoudens
uilzonderingen door de wel gesleld, mag zonder
schrillelijke loeslemming van de rechlhebbenden niels uil
dil documenl worden verveelvoudigd en/ol openbaar
worden gemaakl door middel van druk, lolokopie, digilale
reproduclie ol anderszins.