You are on page 1of 10

RvA 213-06

belasting op de toegevoegde waarde. Het IMF heeft ook voor Aruba geadviseerd om
een BTW-stelsel in te voeren.

1.3 De overweging in de considerans, namelijk dat het voor een meer


evenwichtige verdeling tussen directe en indirecte belastingen wenselijk is een BBO
in te voeren, wordt in de toelichting gemotiveerd met een verwijzing sec naar de
internationale ontwikkelingen op dit gebied en de adviezen van het IMF3. Een
dergelijke stelling acht de Raad op zichzelf niet voldoende. Voor het feit dat er
internationaal gezien een verschuiving plaatsvindt van directe naar indirecte
belastingheffing zijn redenen aan te wijzen, zoals ook onder 1.2 is aangegeven. De
Raad acht het van belang dat inzichtelijk wordt gemaakt welke de redenen zijn en in
hoeverre deze internationale redenen nopen tot invoering van een BBO in Aruba.

1.4 In de memorie van toelichting verwijst de regering naar elders bestaande


systemen4, maar laat na een beschrijving van de voor- en nadelen daarvan alsmede
van de aldaar opgedane ervaringen te geven. Ook heefl de regering geen beschouwing
gegeven over het object van de belastingheffing; wat wil men uiteindelijk in de
belastingheffing betrekken? Evenmin is er een expose gegeven over wie (het subject)
de belasting heeft te dragen. In de meeste landen is de omzetbelasting gericht op de
bestedingen van de consument op wie de wettelijke plicht rust de belasting te betalen.

1.5 De Raad vermag niet in te zien waarom de belastingheffing van de


bestedingen van de consument administratief zo moeilijk zou zijn dat er voor de
belastingheffing van de bedrijfsomzetten van een ondernemer moet worden gekozen.
Immers, de ondernemer is ermee vertrouwd dat de loonbelasting van de werknemer
moet worden ingehouden en afgedragen. Zo zou hij binnen de kortste keren ermee
vertrouwd raken de verschuldigde omzetbelasting van de consument te heffen en af te
dragen. Dat daardoor zijn administratie onoverkomelijk moeilijker wordt kan niet
worden gestaafd, als hem, gelijk het voornemen met de BBO, verboden wordt op de
factuur of rekening de belasting te vermelden. De afdracht van de door een consument
te betaien omzetbelasting is een eenvoudige rekensom, van 3/103 x de omzet.

1.6 In de voorgestelde belasting op bedrijfsomzetten wordt de belasting geheven


van de ondernemer. Het wordt aan hem overgelaten de belasting al dan niet door te
berekenen. Indien hij, om wat voor redenen dan ook, dat niet doet, dan werkt de BBO
als een bedrijfsbelasting. Afhankelijk van zijn netto-winstpercentage kan dat
resulteren in een 'winstbelasting' die kan oplopen tot meer dan tweemaal het normale
tarief van de winstbelasting. Voorwaar geen sinecure. Het moet dan ook aangenomen
worden dat de BBO gewoon wordt doorberekend.

1.7 Een mogelijkheid de belasting te kunnen afwentelen, ontbreekt. Dat kan nare
gevolgen hebben voor, bijvoorbeeld, de verhuurder van een bedrijfspand. Heeft hij
een langjarige verhuurovereenkomst afgesloten, voor de opbrengsten waarvan hij

2
Zie het advtes van het IMF, 'Aruba Tax Reform' en het advies van de FIAS, het adviesorgaan van de
International Finance Corporation en de Wereldbank, 'Diversification for sustainable growth and
reduction of Risk (2005)
3
Pag. 1 en 2, MvT
4
Pag. 3, MvT
5
Aannemende dat de belasting voor de consument ook 3 percent zal bedragen
RvA 213-06

BBO verschuldigd zal zijn, dan kan hij die niet verhalen zo hij contractueel die
mogelijkheid niet heeft. In het onderhavige ontwerp ontbreekt een bepaiing die hem
daartoe in staat stelt. Dat lijkt niet billijk, eerder onereus. Alle, voor de
inwerkingtreding van de BBO afgesloten, langjarige contracten kunnen met dit euvel
te makenkrijgen.

1.8 De regering heeft zich voor haar keuze laten leiden door administratieve
overwegingen: geen lastenverzwaring, eenvoud voor zowel het bedrijfsleven als de
belastingdienst en de ervaringen in Nederland en de Nederlandse Antillen.6 Naar het
oordeei van de Raad is de administratieve lastenverzwaring van een omzetbeiasting
minder zwaar dan in het algemeen wordt aangenomen. Maar bij de BBO neemt hij
juist toe, nu dat de ondernemer de belasting pas hoeft af te dragen op het tijdstip dat
de vergoeding wordt ontvangen. Iedere ondernemer, althans voor zover hij het
transactiestelsel hanteert en een debiteurenadministratie houdt - dat zullen de meesten
zijn - zal een aantal extra journaalposten moeten gaan bijhouden om de aansluiting
tussen het transactiestelsel en het kasstelsel te maken. De belastingdienst zal dus ook
extra controle moeten uitvoeren op de volledigheid en juistheid van de betaalde BBO.

1.9 Naar het oordeei van de Raad zou de regering moeten streven naar 'boter bij
de vis'. Op het moment dat de levering of de dienst plaatsvindt, dient de belasting op
het voorgeschreven tijdstip te worden betaald. Dan is de administratie eenvoudig en
hoeft de overheid niet te duchten dat haar wordt verteld: 'maar ik heb het nog niet
gehad' en wordt een bepaiing als onder artikel 9, lid 2, sub c, voor de toerekening van
vorderingen ouder dan twee jaar tot de bedrijfsomzet, overbodig.

1.10 In dit verband vraagt de Raad zich af wat er bij huurkoop moet gebeuren
wanneer de koper wanprestatie pleegt en de verkoper het verkochte weer tot zich
neemt. Vaak worden automobielen op huurkoop over een termijn tot 5 jaar verkocht.
In gevolge artikel 9, lid 2, sub c, dient hij na verloop van twee jaar over de uitstaande
vordering BBO te betalen. Hoe eenvoudig is dan de administratie van de verkoper
wanneer hij enerzijds de eerste twee jaren bij ontvangst van de (gedeeltelijke)
vergoeding BBO moet betalen, daarna het restant en vervolgens de ontvangsten buiten
bedrijfsomzet moet houden om te voorkomen dat hij nogmaals betaalt.

1.11 De regering rechtvaardigt de cumulatie van de BBO omdat zij het tarief van 3
procent laag acht. De ondernemer zal zijn bruto-verkoopprijzen echter met 3.1%
moeten verhogen wil hij 3% netto belasting kunnen betalen. Maar vooral voor de
kleine ondernemer zal dat sterk cumulatief werken, want hij verricht in het algemeen
zijn inkopen bij de Iokale groothandel en zal zijn prijzen 66k met 3.1% moeten
verhogen. Hij zal van de cumulatieve werking de meeste last ondervinden. Op den
duur zal de kleine ondernemer weg geconcurreerd worden.
De cumulatie zal tevens een struikelblok vormen wanneer de overheid in de toekomst
het nodig acht om de belasting te verhogen. Mede daarom adviseert de Raad het
stelsel met cumulatief te laten zijn.

1.12 De Raad acht de passage: 'De regering verwacht geen grote nadelen te
ondervinden van het cumulatieve aspect van het BBO-stelsel, gezien de beperkte

Pag. 3, MvT
RvA 213-06

hoeveelheid schakels in de bedrijfskolom op Aruba'7, in het licht van het voorgaande


dan ook minder op zijn plaats. De regering hoeft voor 'grote nadelen' met beducht te
zijn. Uiteindelijk vallen immers de voordelen van de BBO enkel de regering toe.

1.13 Evenmin is op zijn plaats de zin: 'De keuze voor een niet-cumulatief stelsel
zou tot een (aanzienlijk) hoger tarief hebben geleid. In dit verband wordt verwezen
naar het niet-cumulatief BTW-stelsel van Nederland, alwaar een algemeen tarief van
19% van toepassing is.' 8 De hoogte van het huidige Nederlandse tarief is bereikt vele
jaren na de introductie daarvan in 1969 en moet in de context van een evenwicht
tussen directe en indirecte belastingen worden geplaatst. In de Arubaanse context zou,
zo daarvoor wordt gekozen, een BTW ter hoogte van 3 percent ingevoerd kunnen
worden.

1.14 De keuze voor de BBO is - blijkens de toelichting - ingegeven door de ervarin-


gen die in Sint Maarten met deze vorm van belasting zijn opgedaan. De Raad heeft
begrepen dat de redengeving voor Sint Maarten om de BBO te introduceren was
gelegen in de noodzaak het op korte termijn en op eenvoudige manier te kunnen
genereren van inkomsten voor de overheid.

1.15 Naar analogie van hetgeen onder 1.14 is opgemerkt, heeft de Raad gecon-
stateerd dat de ontwerp-begroting van het ministerie van Financien en Economische
Zaken voor het dienstjaar 2007 voor een belangrijk deel om de BBO 'draait' 9 . Uit een
nieuw opgenomen begrotingspost 7979 blijkt een financieringstekort van Afl.
88.478.000,- waardoor de financieringsbehoefte ter dekking waarvan in artikel 2,
eerste lid, van het desbetreffende ontwerp machtiging wordt gevraagd, uitkomt op
Afl. 26.900.000,-. De Raad schat ten aanzien daarvan dat na aftrek van de kosten-
verlagende maatregelen, zoals de introductie van de VUT-regeling en het voornemen
een algemene bezuinigingsronde uit te voeren10, een financieringstekort rest van ruim
Afl. 80.000.000,-. Dit tekort zal volgens de toelichting op de ontwerp-begroting van
het ministerie van Financien en Economische Zaken voor het dienstjaar 2007 worden
gedekt uit de opbrengsten van de belasting op de bedrijfsomzetten (BBO). Hiermede
is naar de mening van de Raad de realiteitswaarde van de gepresenteerde raming van
de financieringsbehoefte in 's Lands ontwerp-begroting voor het dienstjaar 2007
volledig afhankelijk van de netto opbrengsten van de BBO.

1.16 Ten aanzien van de voorgestelde verschuiving van directe naar indirecte
belastingen moet de Raad derhalve concluderen dat - nu een deugdelijke motivering
c.q. visie aan dit voorstel ontbreekt - vooralsnog uitsluitend het genereren van extra
inkomsten voor de overheid aan het onderhavige voorstel ten grondslag lijkt te Iiggen.
Dit uitgangspunt acht de Raad ten principale verkeerd. In verband daarmee vraagt de
Raad zich in gemoede af of in de behoefte van de overheid niet op een eenvoudiger
manier kan worden voorzien. Niet alleen zullen de consequenties van het onderhavige
voorstel en de inmiddels aan de Raad voor advies voorgelegde flankerende maat-
regelen ter compensatie van de gevolgen van de BBO groot zijn en op dit moment -

7
Pag. 4, eerste alinea, MvT
s
T.a.p.
9
Reden waarom naar de mening van de Raad deze begroting een groot voonvaardelijk karakter bezit.
1
Pag 1, tweede alinea, MvT op de begroting van het ministerie van Financien en Economische Zaken
van het dienstjaar 2007
RvA 213-06

op basis van de thans beschikbare informatie - nog niet te overzien. Daar komt bij dat
het onderhavige ontwerp onvolledig is (de uitkomsten van de onderhandelingen met
Valero zijn nog niet bekend) en aan de juistheid van enkele premissen kan worden
getwijfeld: de regering beoogt 3.1% aan koopkrachtverlies te compenseren; de intro-
ductie van een 3% BBO, cumulatief, zou in Sint Maarten een prijsstijging hebben
veroorzaakt tussen de 15 en 18%) n .

1.17 In verband met het voorgaande mist de Raad een beschouwing van de na-
volgende vraagpunten:
a) Heeft de overheid wel voldoende onderzoek en (administratieve) inspanningen
verricht om het moeten nemen van maatregelen ter generering van extra middelen
te voorkomen?
b) Zijn er geen andere, meer eenvoudige en meer tijdelijke maatregelen mogelijk?
c) Hoe effectief is de Belastingdienst met de uitvoering van belastingwetgeving? De
Raad beschikt over een totaalstaat van uitstaande vorderingen van de
Belastingdienst van 2003, waar het totaal bedrag van Afl.1421,5 miljoen aan
openstaande vorderingen staat opgenomen. De Raad heeft begrepen dat dit bedrag
in 2006 inmiddels tot Afl. 1683 miljoen is opgelopen. Hoewel de Raad heeft
begrepen dat een belangrijk deel hiervan niet realistisch is dan wel niet meer
invorderbaar, zou een conservatieve aanname van 25% alsnog invorderbare
belastingen c.q. premie- afdrachten een nettobedrag van ruim 420 miljoen florin
opleveren: hetgeen niet alleen ruim voldoende is voor het verwachte
begrotingstekort van 2007, maar de overheid ook in staat stelt de
overheidsleningen te saneren en de nodige investeringen te doen. Met dit gegeven
voorhanden vraagt de Raad zich af of de regering geen toelichting zou kunnen
geven of en in hoeverre deze invorderingsachterstand te gelde gemaakt kan
worden en of de effectiviteit van de Belastingdienst niet eerder moet worden
verhoogd alvorens tot een nieuwe belasting, waarvan gevreesd moet worden dat
deze evenmin effectief zal worden uitgevoerd, haar toevlucht te nemen.
d) De Raad vraagt zich met de SER12, de Centrale Bank13 en de FIAS14 af of er door
de (hoge) opbrengsten van de BBO nog wel incentives zullen zijn voor de
regering om de noodzakelijke maatregelen te treffen ter beheersing van het
uitgavenpatroon van de overheid.

1.18 De Raad moet voorts constateren dat er meerdere aspecten zijn die thans een
rechtmatigheids- en doelmatigheidstoets van de onderhavige voorstellen door de Raad
bemoeilijken. Zo is de Raad van mening dat het onderhavige ontwerp zich nog niet in
een eindfase bevindt, nu enkele van de principiele uitgangspunten van het ontwerp
kennelijk nog ter discussie staan.

1.19 Dit betreft in de eerste plaats de vraag of de Valero Oil Refining Company
onder de werkingsfeer van het ontwerp zal gaan vallen. Dat wil, blijkens de

11
Aldus gesteld door de Kamer van Koophandel Sint Maarten, tijdens een seminair over de BBO hier
te Lande, georganiseerd door Adviesbureau Deloitte.
12
Zie het advies eigener beweging van de SER inzake de sociaal economische effecten van de BBO,
dd. 21 november 2006.
13
Zie de inleidirtg namens de CBA gehouden op 23 november jl. t.g.v. een bijeenkomst van de Kamer
van Koophandel.
14
Het adviesorgaan van de International Finance Corporation en de Wereldbank in zijn rapport
'Diversification for sustainable growth and reduction of Risk (2005)
RvA 213-06

toelichting, de regering wel. Aan de andere kant bevat het ontwerp in artikel 12,
vierde lid, nadrukkelijk een vrijstellingsmogelijkheid voor de bedrijfsomzetten voor
zover deze is gerealiseerd door export. Hierdoor kenmerkt het ontwerp zich door
innerlijke tegenstrijdigheden. Naar het oordeel van de Raad wreekt het zich dat de
regering geen helder beeld heeft van het object van de belastingheffing. Het is
enerzijds heel gemakkelijk te kiezen voor de bedrijfsomzet, maar dat zou ongewenste
gevolgen kunnen hebben door het treffen van de met export behaalde omzet. In de
meeste ontwikkelde landen wordt export onbelast. Ook Nederland, evenals vele
andere Europese landen, kende in de tijd voor de introductie van het BTW-stelsel een
vrijstelling voor uitvoer. Daar komt bij dat Vrije Zone-maatschappijen in het ontwerp
wel een vrijstelling toegekend krijgen. Waarom die export wel maar die van Valero
niet vrijstellen? Het komt de Raad dan ook onbegrijpelijk voor dat het door Valero
(mogelijk) af te dragen bedrag op grond van het ontwerp is meegenomen in de
berekening van de BBO-opbrengsten. 5 De Raad acht derhalve het voorleggen van het
ontwerp voor advies prematuur.
Hoewel de Raad een bijdrage van Valero aan 's Lands kas toejuicht is het naar zijn
mening zeker voorspelbaar dat de hoogte van de BBO-afdracht door Valero, zijnde
Afl. 180 miljoen16, bij Valero op problemen zal stuiten. Teneinde de verwachte BBO-
opbrengsten en de flankerende maatregelen in voile omvang te kunnen toetsen, acht
de Raad het noodzakelijk dat er ook duidelijkheid wordt verkregen omtrent een
eventuele bijdrage van Valero aan 's Lands kas.

1.20 Voorts bereiken de Raad via de media, naar aanleiding van publieke
uitlatingen van de minister van Financien en Economische Zaken, berichten dat
verschillende in het ontwerp neergelegde beleidskeuzen ter discussie staan, dan wel
zullen worden gewijzigd. Zo zou de BBO - in tegenstelling tot hetgeen in artikel 11
van het ontwerp staat en kennelijk ingegeven door protesten van de commerciele
sector - wel op de factuur mogen worden vermeld, om slechts een voorbeeld te
noemen.

1.21 Dat er in ieder geval sprake is van haastwerk blijkt ook uit het feit dat evenmin
vooraf advies van de SER is verzocht. Dit college heeft inmiddels eigener beweging
advies uitgebracht, welk advies op 22 november aan de regering is aangeboden en
welk op 28 november jl. door de Pvfinister President aan de Raad is aangeboden.
Daarnaast kon de Raad pas op 14 november jl. over het ontwerp inhoudende de
flankerende maatregelen ter compensatie van de BBO beschikken. De Raad had de
regering bericht, hetgeen later bij schrijven van 10 november 2006 nogmaals is
bevestigd, dat zowel inzicht in het SER-advies en de flankerende maatregelen
minimaal nood-zakelijk waren voor de Raad om het onderhavige voorstel te kunnen
toetsen.

1.22 De Raad moge er in dit verband op wijzen dat weliswaar de regering


verantwoordelijk is voor het tijdig tots tan dbrengen van wetgeving, doch dat het de
verantwoordelijkheid van de Raad is om een volledige toetsing uit te voeren ten
aanzien van een voldragen ontwerp. Daarbij kan en mag de Raad de
verantwoordelijkheid van de regering niet ovememen, in die zin dat door een te laat in
gang zetten van het wetgevingstraject en met het oog op een door de regering

15
Pag. 6. derde alinea, MvT
16
Pag. 6, derde aiinea, MvT
RvA 213-06

gewenste inwerkingtredingsdatum, de Raad zijn staatsrechtelijke taak niet in zijn


voile omvang zou uitoefenen.

1.23 Tot slot wil de Raad over de beoogde effecten van de introductie van de BBO
het volgende stellen. Uitgangspunt van de regering is dat de bevolking geen nadelige
gevolgen mag ondervinden van de introductie van de BBO. Daartoe strekken de
flankerende maatregelen ter compensatie van de effecten van de BBO. Mede als
gevolg van de keuze voor het (ondoorzichtige) cumulatieve stelsel, de effectiviteit van
de Belastingdienst (vide 1.17 en 2.1) en de openstaande vraagpunten staat minimaal
vast dat de regering dit niet kan garanderen. De BBO zal voorts wel effect moeten
sorteren met betrekking tot twee categorieen, die thans naar de mening van de
regering te weinig of geen bijdrage leveren aan de staatskas: het toerisme en Valero.
De Raad is echter van mening dat voor geen van beide de BBO het juiste middel is,
gezien de omvangrijke exercitie die moet worden verricht om de burger en het
bedrijfsleven te compenseren en de vele onzekerheden die er nog bestaan met
betrekking tot de sociaal-economische gevolgen hiervan. De Raad geeft derhalve in
dringende overweging om meer geeigende maatregelen voor beide categorieen te
nemen, zoals een niet-cumulatieve omzetbelasting. De SER heeft daartoe in zijn
eerder genoemd advies aanbevelingen gedaan.

2. Ontwerp-Iandsverordening

2.1 De Raad constateert dat in artikel 1, eerste lid, van het ontwerp het begrip
'ondernemer' ruim wordt gedefinieerd. Zo zal dit ondernemersbegrip zich
bijvoorbeeld mede uitstrekken over instellingen met een liefdadig of anderszins het
algemeen belang bevorderend doel (zonder winstoogmerk), welke op al dan niet
reguliere basis fondsenwervende acties ontplooien. Hierbij merkt de Raad op dat door
een eventueel te verlenen vrijstelling aan dergelijke instellingen deze volgens het
ontwerp niet worden ontslagen van de verplichting tot het doen van aangifte. Dit heeft
naar de mening van de Raad niet alleen gevolgen voor de administratieve afhandeling
van de aangiftes in het kader van de BBO door het belastingkantoor. In de memorie
van toelichting wordt echter niet aangegeven hoe deze additionete druk op de
administratieve capaciteit van het belastingkantoor zal worden opgevangen en welke
kosten hiermede gemoeid zijn. Globale berekeningen wijzen op zo'n 10.000 extra
aangiften per maand die door het belastingkantoor moeten worden verwerkt. Dit
klemt temeer nu volgens de memorie van toelichting de 10 extra full time controleurs
slechts zullen worden ingezet voor het bezoeken van ondernemers welke onder de
werking van de BBO vallen17. De Raad acht het derhalve noodzakelijk dat de
additionete druk op de belastingverwerking door het belastingkantoor in de memorie
van toelichting wordt gekwantificeerd waarbij een raming van de kosten terzake
wordt opgenomen. Gezien de beoogde inwerkingtredingsdatum van het ontwerp,
zijnde 1 januari 2007, acht de Raad het daarnaast noodzakelijk dat inzichtelijk wordt
gemaakt in hoeverre het belastingkantoor thans is geequipeerd tot de verwerking van
een groot aantal maandelijks terugkerende BBO-aangiftes. Daarnaast rest de
principiele vraag of de voorgestelde verplichting voor insteflingen met een liefdadig
of anderszins het algemeen belang bevorderend doel (zonder winstoogmerk) tot het
doen van aangifte noodzakelijk dan wel doelmatig is. Zie ook hetgeen onder 2.7 is
opgemerkt.

Pag. 5, derde alinea, MvT


RvA 213-06

2.2 Naar aanleiding van het in artikel 11 neergelegde verbod tot vermelding van
de belasting op facturen of kassastroken, wil de Raad uit het oogpunt van
transparantie18 en teneinde enig inzicht te verkrijgen in de doorberekening van de
BBO binnen de bedrijfskolom, in dringende overweging geven vermelding van de
belasting op facturen en kassastroken verplicht te stellen. De Raad heeft begrepen uit
publieke uitiatingen van de minister van Financie'n en Economische Zaken dat dit
inderdaad wordt overwogen.

2.3 Met betrekking tot de in artikel 12 en 13, geregelde vrijstellingen van de BBO
constateert de Raad dat uitvoeringsmaatregelen betrekking hebbende op de behan-
deling van verzoeken tot vrijstelling ontbreken. Zoals reeds onder 2.1 is gesteld, houdt
een vrijstelling in dat geen BBO is verschuldigd over de bedrijfsomzet maar dat dit de
ondernemer niet ontslaat van de verplichting tot het doen van aangifte. Op de
administratieve last voor het belastingkantoor heeft de Raad reeds gewezen onder 2.1.
Op deze plaats wenst de Raad te wijzen op het feit dat het ontwerp niet voorziet in een
aanwijzing van een orgaan dat bevoegd is vrijstelling te verlenen alsmede een
regeling van de indiening van een verzoek tot vrijstelling en de daaraan verbonden
voorwaarden. De Raad acht het noodzakelijk dat hierin wordt voorzien alvorens het
ontwerp in werking treedt.

2.4 Artikel 12. tweede lid, onderdeel a, bevat een vrijstelling voor de levering van
onroerende zaken voor zover terzake van die levering overdrachtsbelasting is betaald.
In de toelichting wordt opgemerkt dat het overdragen van het economisch eigendom
van onroerend goed zal leiden tot hefting van BBO, aangezien de overdracht van
economische eigendom geen belastbaar feit is voor de overdrachtsbelasting. De Raad
acht het op zijn plaats indien de regering ook uitweidt over het geval van de levering
van de juridische eigendom nadat de economische eigendom was overgedragen. Vindt
er dan verrekening van de betaalde BBO plaats?

2.5 In dit kader bevreemdt het de Raad dat waar de Landsverordening


overdrachtsbelasting in artikel 4 een aantal vrijstellingen bevat, deze vrijstellingen
door de werking van de BBO teniet worden gedaan. Zo dit de bedoeling is, zou dit
niet nader toegelicht moeten worden?
Heeft de regering overigens de samenloop van de BBO met andere
belastingverordeningen onder de Ioep genomen? Hoe moeten de twee instrumenten,
het invoerrecht en de BBO, in samenhang worden bezien? In Aruba heeft het
invoerrecht een zuiver fiscale werking en ontberen binnenlandse producenten
bescherming van de overheid. Zou het geen tijd worden het invoerrecht af te schaffen
en daarvoor in de plaats een omzetbelasting te introduceren? Zou de
Zegelverordening nu de BBO wordt ingevoerd, niet afgeschaft moeten worden?
Moeten consumenten voor bepaalde transacties zowel zegel als BBO betalen?

2.6 De Raad stelt vast dat ten aanzien van de in artikel 12. derde lid, geregelde
vrijstelling voor de belasting op de bedrijfsomzet van bedrijven die als doel hebben de
productie van water en elektriciteit, een redengeving in de memorie van toelichting
ontbreekt. De Raad acht het noodzakelijk dat hierin wordt voorzien. Indien aan deze
vrijstelling de premisse ten grondslag ligt dat vanwege de invoering van de BBO de

18
zie punt 1.14
RvA 213-06

prijzen van water en elektriciteit, als zijnde eerste levensbehoeften, niet mogen stijgen
dan acht de Raad deze maar ten dele valide. De toeleveringsbedrijven van
bijvoorbeeld de WEB N.V. en Elmar N.V. zullen immers, voorzover het geen brand-
stof voor de opwekking van energie betreft, gezien het kostprijsverhogende karakter
van de BBO voor hun producten een hogere prijs in rekening brengen. De verwach-
ting is naar 's Raads mening gerechtvaardigd dat het water- en elektriciteitsbedrijf
deze kosten zullen doorberekenen aan de consument. In dit kader wenst de Raad er
tevens op te wijzen dat gezien het feit dat het water- en elektriciteitsbedrijf zijn vrijge-
steld controle op deze afwenteling vanwege de inspecteur der belastingen
problematisch is. Overigens vraagt de Raad zich af gezien de relatie tussen de vrijstel-
ling en het feit dat deze eerste levensbehoeften betreft waarom niet tevens de levering
van gas aan consumenten (Arugas N.V.) is vrijgesteld. De Raad merkt voorts op dat
drinkwater dat te koop wordt aangeboden via de detailhandel wel onder de BBO valt.

2.7 De Raad vraagt zich af wat de reden is om aan de minister in artikel 13, vierde
lid, de bevoegdheid tot aanwijzing toe te kennen van instellingen en beroepen in de
medische of sociale zorg waarvan de bedrijfsomzetten worden vrijgesteld. De
memorie van toelichting geeft omtrent deze bevoegdheidstoedeling geen uitsluitsel.
Het komt de Raad voor dat de voorgestelde aanwijzing van de betreffende instellingen
bij landsbesluit h.a.m. niet doelmatig is. Een dergelijk landsbesluit zou immer na
oprichting van een instelling die onder de omschrijving van artikel 13. vierde tid. valt
wederom aangepast dienen te worden, Tevens acht de Raad het van belang dat de
aanwijzing van een instelling als bedoeld in artikel 13, vierde lid, tot stand komt op
basis van objectieve criteria, mede in verband met de rechtszekerheid. De Raad
beveelt derhalve aan objectieve criteria ter bepaling van de omstandigheid of een
instelling valt onder de in artikel 13. vierde lid, genoemde omschrijving van instelling
die in aanmerking komen voor vrijsteiling, op te nemen in het ontwerp, eventueel
voorzien van een hardheidsclausule.

3. Memorie van toelichting

3.1 Naar aanleiding van de controle op de BBO-afdrachten door het belasting-


kantoor19 is bij de Raad de vraag gerezen in hoeverre van overheidswege zal worden
toegezien op de stijging van de prijzen als gevolg van de invoering van de BBO.

3.2 De Raad vraagt zich af op basis van welke vooronderstellingen de


onderverdeling van de BBO-opbrengsten20 is berekend en beveelt aan deze op te
nemen in de memorie van toelichting.

3.3 De Raad acht het wenselijk dat de hoogte van de 'benaderde' consumptie21
van Afl. 2,26 miljard nader wordt onderbouwd.

3.4 De Raad meent dat er in de tweede zin op pagina 6 van de memorie van
toelichting sprake is van een verschrijving en beveelt aan het cijfer '6,92' te
vervangen door: 69,2.

19
Pag 3, derde alinea, MvT
20
Pag. 5, vierde alinea, MvT
21
Pag. 6, eerste alinea, MvT
RvA 213-06

3.5 Gezien het feit dat de Sociaal Economische Raad (SER) op 21 november 2006
advies heeft uitgebracht aangaande het onderhavige ontwerp, beveelt de Raad aan dit
advies in de memorie van toelichting te bespreken in plaats van het advies van de
secretaris van de SER d.d. 25 September 2006. Overigens bevreemdt het de Raad dat
in de toelichting gewag wordt gemaakt van een advies dat niet afkomstig is van de
SER, doch van diens ambtelijk secretaris.

4. Flankerende maatregelen

4.1 Gezien het in punt 1.1 beschreven karakter van de BBO onderschrijft de Raad
de opvatting van de regering dat het koopkrachtverlies zoveel mogelijk dient te
worden ondervangen door onder andere een verlaging van de tarieven van de
inkomstenbelasting22. De Raad deelt echter niet de mening dat hiertoe tevens het
tarief van de winstbelasting dient te worden verlaagd23. Naar de mening van de Raad
zullen ondememers de te betalen BBO voor het overgrote deel doorberekenen in de
prijs van hun producten. Zij kunnen dan ook niet als belastingdrager worden
aangemerkt. In de opvatting van de Raad kan er derhalve geen rechtvaardiging voor
de verlaging van het winstbelastingtarief gevonden worden in de compensatie van het
koopkrachtverlies als gevolg van de invoering van de BBO.

4.2 Ten overvloede moge de Raad erop wijzen dat het onderhavige ontwerp
slechts kan worden bezien dan wel beoordeeld in samenhang van de zogenaamde
flankerende maatregelen, die in andere voorstellen worden geregeld. Dat geldt tevens
voor de desbetreffende adviezen van de Raad, waarin de Raad nader zal ingaan op de
socio-economische gevolgen.

5. Conclusie en eindadvies

De Raad kan zich op grond van het bovenstaande niet met de doelstelling en
de inhoud verenigingen en geeft u in overweging het onderhavige ontwerp niet aan de
Staten aan te bieden, dan nadat met het voorgaande rekening zal zijn gehouden.

De Voorzitt

mr. H.A. van der Wai

Bijfage: overzicht van uitstaande vorderingen Directie Belastingen over het jaar 2003.
De Raad heeft begrepen dat deze vorderingen in 2006 zijn toegenomen.

22
Pag. 6, tweede alinea, MvT
23
Idem