College 4 Mechanica van de bronchusobstructie

In de alveoli heerst een negatieve druk ten opzichte van de druk van de buitenlucht. Hierdoor
kunnen we inademen.
De drijvende druk voor je ademhaling is de alveolaire druk. Deze wordt bepaald door:
- Elastische eigenschappen van de long
- De elastische eigenschappen van de thorax
- Druk die je spieren oplevert
We kunnen de druk van de spieren niet meten, maar wel de pleurale druk. Deze bestaat uit de druk
van de spieren en de druk van de thorax.
Elastische druk van de longen en de thorax
De long is als een ballon. Als je lucht in de longen blaast neemt de tegendruk van de longen toe. De
longen willen samentrekken. De thorax wil graag uitzetten.
Bij een pneumothorax zal aan de aangedane zijde de long dus invallen en de thoraxwand naar buiten
bewegen. Hieraan kun je een pneumothorax herkennen.
Compliantie: verandering in volume gedeeld door de verandering in druk
- Wordt voor 50% veroorzaakt door de elastische eiwitten in de long
- Wordt voor 50% veroorzaakt door de oppervlaktespanning
Wet van La Place: P=4T/r (T=oppervlaktespanning, r=straal)
Waardoor ontstaat de oppervlaktespanning:
Waterdruppeltjes willen een druppel vormen en trekken elkaar aan. Er is dus een inwaartse kracht
door de watermoleculen. Hoe groter de alveolus hoe kleiner deze kracht. R wordt in de formule dus
groter en dus wordt de druk minder.
De oppervlaktespanning wordt verminderd door surfacant. Hier zit een stof in met een hydrofobe en
een hydrofiele kant. De hydrofobe staarten steken uit het waterlaagje waardoor de neiging van het
water om het longblaasje samen te trekken nemen dus af.
Bij een kleiner longblaasje zal de tegenwerkende kracht van het surfactant groter worden. De
drukverschillen tussen de longblaasjes zullen dus minimaal worden waardoor de lucht niet zomaar
van de een naar de ander kan lopen.
Surfactant wordt aangemaakt door type II pneumocyten
Druk uitgeoefend door de spieren
De druk die de spieren uit kunnen oefenen op de longen is veel groter dan die van de longen en de
thorax. De uitademingsspieren leveren een hogere druk dan de inademingsspieren.
Interpretatie spirometrie
- Longvolumes zijn een anatomisch kenmerk, is niet bij iedereen hetzelfde
- Referentiewaarden worden verkregen bij een grote populatie van mensen die nooit gerookt
hebben, die verschillende lengtes hebben, leeftijd, sekse enz.

Dit is 5% of minder van de referentiewaarden TLC= totale long capaciteit FEV1/FVC<LLN  obstructief defect FEV1/FVC>LLN  restrictieve afwijking en FVC<LLN. Je vraagt de patiënt om in te ademen tegen een gesloten klep. De barodruk weet je. Che * Vzak = Che. TLC<LLN (je kunt niet voldoende diep inademen) - Bij een holle curve van de forced expiration spirografie duidt op een obstructieve afwijking Bij een restrictieve afwijking is de grafiek een stuk smaller dan normaal. FRC * Pbaro = (FRC + deltaV) * (Pbaro .Meting met de heliumverbinding: aanvankelijk zit alle helium in de zak. Aan het eind wordt weer de concentratie bepaald. We hebben een zak met een bekend volume gevuld met een bekende concentratie. eind * ( Vzak + FRC ) - Meting in de body box: de body box is een soort telefooncel waar je helemaal in kunt zitten.deltaP) . De verandering in druk in de longen kan aan de mond gemeten worden (deltaP) en de druk i de box neemt toe door de toename van het thoraxvolume (deltaV). Na een minuut of tien ademen is het zo dat de helium zich over de zak en het longvolume verdeeld. De vorm van de grafiek is normaal Om het residuaal volume te meten kun je twee dingen doen .LLN= lower limit of normal.