Programmamuziek

:

P.I. Tchaikovski (1840-1893): Ouverture 1812
1. De componist 1.1 Biografie

Russisch componist, pianist en dirigent. Geboren in 1840. Vanaf 10-jarige leeftijd woonde hij in St.-Petersburg (Leningrad). Hij werkte eerst als ambtenaar bij het ministerie van justitie en werd pas leerling van het conservatorium te St.-Petersburg op 22-jarige leeftijd. Hij werd later leraar aan het conservatorium van Moskou. P. Tchaikovski was een zonderling, vaak zwaarmoedig en pessimistisch man. Hij kon een hele tijd leven van een jaargeld dat hij kreeg van een vurige bewonderaarster, mevrouw von Meck. De voorwaarde was echter dat zij mekaar nooit zouden ontmoeten. Na 1880 werd hij meer en meer beroemd en trad hij vaak op als dirigent. Zo vb. in 1892/93 in Wenen, Praag, Parijs, Brussel en Londen.

1.2
-

Werken

7 symfonieën Symfonische gedichten, ouvertures, baletten o.a. De Notenkraker en het Zwanenmeer Concerto’s: vooral bekend zijn het 1ste pianoconcerto en het vioolconcerto Kamermuziek en liederen

1.3

Stijlkenmerken

Hij nam, als Russisch componist, een voorbeeld aan het Westen. In de typische klassieke vormen wist hij toch zijn eigen persoonlijk gevoel uit te drukken. Hij werkte in een periode dat Rusland, zoals veel andere landen, een eigen nationale muziek wilde ontwikkelen. Sommigen namen het hem kwalijk dat hij zich niet nationalistisch oriënteerde. We ontdekken bij hem: - Italiaanse zangerigheid (Bellini) - Franse instrumentatiekunst (Berlioz)

Daardoor blijft hij de 1ste grote “internationale” Russische componist.

2. Het werk: OUVERTURE 1812
Een ouverture is een voorspel. Meestal wordt bedoeld een openingsstuk voor een meerdelige compositie. b.v. – opera, ballet (theater) - cantata, oratorium (kerk) - suite (concertzaal) Er bestaan echter (sedert de 19de eeuw) ook ouvertures als zelfstandig orkestwerk geschreven. Daarvan is ouverture 1812 een prachtig voorbeeld. We merken de klassieke ingesteldheid van de componist aan de elementen die duidelijk naar de sonatevorm verwijzen (zie vermelding tussen haakjes bij het schema). Het is een gelegenheidswerk in opdracht gecomponeerd. Het werd voor het eerst uitgevoerd te Moskou in 1882 bij de inwijding van de kerk van de Verlosser. Dit nationaal monument werd opgericht als nagedachtenis aan de heldhaftige overwinning van de Russen tegen het machtige Franse leger van Napoleon dat in juni 1812 Rusland binnenviel. Slechts 18.000 van het half miljoen Franse soldaten overleefden deze Russische veldtocht…) Het is een groots effectstuk dat werd uitgevoerd op een plein voor de kerk. Vandaar de ongewone bezetting: naast een groot orkest een tweede afzonderlijk blaasorkest en zelfs kerkklokken en kanonschoten! Tchaikovski zelf zou verklaard hebben: “Het zal een erg knallend en lawaaierig geval zijn, ik heb de ouverture niet met veel liefde geschreven. De stijl van deze muziek schijnt mij weinig geschikt voor een symfonieconcert”. Toch is dat werk een veel gespeeld concertstuk gebleven. Een overzicht van het werk in verschillende fases: De minutage is gebaseerd op de opname van Antonio Pappano (EMI) 1) 1-33 (Inleiding): Smeekbede voor de overwinning 2) 34-76 (2:28): Klagend hobo-motief (2:34, blz.3 partituur) dat verder wordt verwerkt in strijkers en kopers (3:26, blz 7 partituur) in een tafereel dat angst en paniek suggereert. 3) 77-95 (4:12, blz 12 partituur) : Een typisch militair cavalerie-motief 4) 96-162 (Expositie)(5:05, blz. 15 partituur) Een strijdfase met:

-

(Eerste thema) een agressief Russisch thema dat onrustig tot een climax leidt - (brug) Marseillaise-motieven (5:56, motieven starten op blz.20, melodie marseillaise komt op blz.22 en 23 partituur) in de kopers - De beide motieven herhaald: het eerste forte in het orkest en het tweede uitstervend. 5) 163-205 (tweede thema) (7:09, blz.34 partituur): Een typische Tchaikovski-melodie na een akkoord dat deze fase inleidt, eerst in de strijkers dan in de houtblazers (8:12, blz.37 partituur) met een canonische verwerking (vrijwel onmiddellijk na inzet melodie houtblazers) in beide groepen. Dit thema roept een rustige sfeer op. Bedoelt de componist hier het geweeklaag van de vrouwen, of het gekreun van de gewonden? 6) 206-223 (doorwerking)(9:00, blz.41 partituur): weer een schets van de cavalerie, nu in een licht motief begeleid met tamboerijn. 7) 224-256 (9:46, blz.43 partituur): Hier barst de strijd volledig los. We horen de Marseillaiseflarden afgewisseld met het agressief thema uit de eerste strijdfase (m96) 8) 257(opmaat)-298 (reëxpositie) (10:44, laatste tel blz. 52, bekijk ook blz. 53) : een gevarieerde herhaling van de beide thema’s met de brug, brengt opnieuw “rust voor de storm”. Tweede thema begint op bladzijde 57 (laatste tel, 11:21 op opname). Let op de pedaalnoot. 9) 299-357 (tweede doorwerking) (12:12, blz.61 partituur, waar koor invalt):Een duel tussen het Russische cavalerie-motief (maat 307, en het Marseillaise-motief (maat 307, 12:36, blz. 63) Dit laatste komt eerst fier uit de strijdkanonnen (13:09-13:14, blz.68)! maar dan wordt de Russische doodsteek realistisch uitgetekend in het orkest (338-359). 10) 358-379 (coda) (14:01, blz.72): Plechtig, jubelend-feestelijk klinkt nu de smeekbede van het begin (hier + 2de koperorkest en klokken!) 11) 380-slot (15:22, blz.77) : Apotheose! Cavalerie-motief en het feestelijke tsaren-lied (= nationaal lied ten tijde van de tsaren). Een pompeus slot!