You are on page 1of 9

Hoofdstuk 1

Paragraaf 1 Ziek, en dan?


Kernvraag: Hoe passen artsen medische kennis toe?:In de reguliere gezondheidszorg wordt gewerkt
met een gestandaardiseerde werkwijze: door onderzoek te doen probeert de arts objectieve gegevens
over de ziekte te krijgen, waarbij op basis van de symptomen een diagnose wordt gesteld. De toegepaste
theorien zijn natuurwetenschappelijk op hun werkzaamheid onderzocht
Wat de een erge hoofdpijn noemt, is voor een ander nauwelijks een probleem. Je noemt deze
klachten subjectief. Maar uit een onderzoek van bloed of urine volgen gegevens die wel meetbaar
zijn. Zulke gegevens noem je objectief.
Je hebt 2 verschillende geneeskunde. Reguliere en Alternatieve geneeskunde. Een belangrijk
verschil hiertussen is dat de behandelingen in de reguliere zorg op een planmatige en streng
gereguleerde manier op werkzaamheid zijn getest.
Hoe weet je of een medicijn werkt?: Via dubbelblind onderzoek, dan kun je vaststellen of dat de
klachten vanzelf zijn weggegaan of door het medicijn.
Nieuwe medicijnen worden getest in de volgende volgorde: in cellen, in proefdieren, in gezonde
vrijwilligers, in een kleine groep patinten en tot slot in grote groepen patinten. In de laatste stap
wordt vooral dubbelblind onderzoek* gebruikt.
*Studie waarbij noch de patint, noch de behandelende arts weet of de patint het actieve
geneesmiddel of een placebo krijgt toegediend.

Paragraaf 2 Ziekte als raadsel


In 1853 werd Londen getroffen door de epidemie* cholera. Bij cholera raakt het maag-darmstelsel
ontregeld. Symptomen: heftige diarree, braken zonder krampen en vochtverlies van soms wel 15L
per dag, met als gevolg uitdroging.
In 1674 had Antoni van Leeuwenhoek onder zijn zelfgebouwde microscoop kleine dierkens
ontdekt. Maar Robert Koch was een van de eersten die het verband wist te leggen tussen een
bepaalde ziektekiem en een ziekte. In 1876 ontdekte hij de miltvuurbacterie. Hierdoor raakte de
wereld ervan overtuigd dat besmettelijke ziekten, infectieziekten, door bacterin en virussen
veroorzaakt worden. Zulke levensvormen die alleen met een microscoop te zien zijn, noemen we
micro-organismen.
Postulaten van Koch
Koch bedacht regel, postulaten, om te kunnen bewijzen dat een ziektekiem de oorzaak van een
ziekte is.
1. De ziektekiem moet in ongewoon grote hoeveelheden aanwezig zijn in de patint.
2. De ziektekiem moet kunnen worden gesoleerd en verder gekweekt.
3. Een proefdier dat met de gekweekte ziektekiem wordt besmet, krijgt dezelfde ziekte.
4. De ziektekiem moet kunnen worden gesoleerd uit het zieke proefdier en moet identiek zijn aan
de ziektekiem die in de patint is aangetroffen.

Paragraaf 3 Preventie
In 1901 nam de Tweede Kamer de Woningwet aan waarin eisen werden gesteld aan de
bouwkundige voorzieningen van nieuwbouwwoningen. De zorg voor hygine wordt op allerlei
manieren verbeterd. De Franse scheikundige Louis Pasteur komt met pasteuriseren. Dat houdt in
dat je voedsel langer houdbaar maakt door het een poosje te verhitten tot rond de 70 C.
In Azi was het gebruik van variolatie al eeuwen gebruikelijk. Dat houdt in dat je het vocht uit de
puisten van pokkenpatinten bij gezonde mensen in de huid krast voor het voorkomen van ziek
worden. In 1796 ontdekt de Engelse arts Jenner een veiligere methode: Inenting met koepokken.
Ook wel vaccinatie.
Ons afweersysteem zorgt ervoor dat wij veel minder snel ziek worden. Dit is belangrijk omdat we
altijd omringd zijn door enorme hoeveelheden micro-organismen. Vaccinatie helpt het
afweersysteem. De verzwakte of gedode ziektekiemen van het vaccin zorgen ervoor dat juist die
antistoffen worden aangemaakt die specifiek bij die ziektekiemen horen. Als het ware een voorraad.
Groeps-immuniteit: Het profiteren van een niet-gevaccineerde van de immuniteit van anderen.
Daarvoor is een vaccinatiegraad van ongeveer 90% nodig.

Keuzeparagraaf: Geneeskunde in ontwikkeling


Met beeldvormende technieken is het mogelijk om van buitenaf in het lichaam te kijken.
Er is gelukkig veel veranderd in de medische wereld, mede dankzij ontdekkingen van
wetenschappers die zelf geen arts waren. Enkele belangrijke doorbraken zijn:
1796. Edward Jenner gebruikt als eerste koepokken om mensen in te enten tegen pokken.
1846. Eerste demonstratie van het gebruik van ether als modern verdovingsmiddel bij een
operatie in het General Hospital, Massachusetts. Het idee afkomstig van chemiestudent
William Clarke.
1881. Louis Pasteur ontwikkelt een algemene methode om vaccins te maken tegen
infectieziekten op basis van verzwakte ziektekiemen.
1895. Wilhelm Rntgen maakt een foto van zijn hand waarop zijn botten zichtbaar zijn.
1899. De firma Bayer brengt Aspirine, de eerste chemische vervaardigde pijnstiller op de
markt.
1910. Pierre en Marie Curie ontdekken de chemische elementen polonium en radium.
1928. Alexander Fleming ontdekt penicilline, de basis voor de eerste algemeen bruikbare
antibioticum.
1938. Willem Kolff ontwikkelt de eerste kunstnier.
1960. Introductie van de pil.
1967. Christiaan Barnard verricht de eerste harttransplantatie.
1978. De eerste reageerbuisbaby, Louise Brown, wordt geboren.
Wet op de geneeskundige behandelingsovereenkomst (WGBO)
Patinten en hulpverleners hebben rechten en plichten. Deze staan vastgesteld in de WGBO. Deze
wet is van belang voor iedereen die met medische zorg te maken krijgt. De WGBO stelt regels voor:
Het recht op informatie door de hulpverlener
Toestemming voor een medische behandeling
Inzage in het medisch dossier
Geheimhoudingsverplichting voor de hulpverlener
Het recht op privacy tijdens een medische behandeling
Vertegenwoordiging van patinten die niet zelf kunnen beslissen
De Grieken probeerden al heel lang geleden door logisch redeneren uit bestaande kennis nieuwe
kennis af te leiden. Dit noemen we deductie. Maar vanaf de 16e eeuw werd het doen van
nauwkeurige waarnemingen steeds belangrijker. Men streefde ernaar door het doen van voldoende
waarnemingen tot algemeen geldende uitspraken te komen. Dit noemen we inductie.
In de oudste culturen werden verschijnselen zoals seizoenen en ziekten toegeschreven aan de
goden. Maar ongeveer 2500 jaar geleden dachten ze dat onpersoonlijke krachten en principes
hiervoor zorgden. Bijna 2000 jaar lang hebben deze theorien het denken over de natuur bepaalt.
De wetenschapsfilosoof Paul Feyerabend (1924-1994) beweert dat er niet zoiets als de
wetenschappelijke methode bestaat. Hij belemmert het idee dat er aan de natuurwetenschap een
bepaalde werkwijze ten grondslag ligt.
Aristoteles (384-322 v.Chr.) de beroemdste geleerde uit de klassieke oudheid, had over veel
zaken theorien ontwikkeld zonder een god of wonder nodig te hebben om zijn redenering kloppend
te maken.
Pas in de 16e en 17e eeuw begonnen geleerden door eigen waarnemingen en experimenten te
onderzoeken of de oude theorien wel klopten. Sir Francis Bacon was een van de eersten die
meende dat de experimentele natuurwetenschappelijke denkwijze de mensheid voorspoed kon
brengen. Vesalius, een andere vernieuwer, gaf in 1543 de eerste atlas van het menselijk lichaam
uit. Harvey, ook een andere vernieuwer, bestudeerde in 1610 de werking van de bloedsomloop.

Hoofdstuk 4
Paragraaf 1 Onze oorsprong
Kernvraag: Hoe komen we aan de kennis over onze oorsprong?: De vondst van fossielen
bracht onderzoekers aan het twijfelen over het scheppingsverhaal. Darwin stelde een
theorie op waarmee hij kon verklaren hoe soorten uit elkaar kunnen ontstaan.
Al tijden lang vraagt men zich af waar wij en de wereld vandaan komen. Elke cultuur gaf hierop zijn
eigen antwoord. De christelijke wereld nam aan dat god de wereld had geschapen in 7 dagen>creationistische visie.. In de 18e eeuw werden veel fossielen gevonden die onderzoekers aan het
denken zetten. Wat het waren en waar ze vandaan kwamen baseerden ze op de bijbel, want de
fossielen moesten versteende overblijfselen zijn van planten en dieren gestorven tijdens de
zondvloed. Alleen Noach die van god een ark moest bouwen en van ieder diersoort een mannetje
en vrouwtje mee moest nemen, overleefde dit met zijn gezin. Fossielen die zij niet herkenden
verklaarden zij eerst dat ze te laat bij de ark waren aangekomen, later bedachten ze dat deze
dieren ergens op de wereld moesten zijn en je ze zou vinden als je goed zocht. Alleen de Franse
wetenschapper George Cuvier geloofde dit niet. Hij dacht eerst dat het fossielen waren van soorten
die in de loop van de tijd ontwikkeld waren tot nu levende vormen. Daarna vormde hij een
hypothese dat sommige soorten gewoon zijn uitgestorven, naar ongeloof van de christenen. Door
Cuviers ideen gingen geleerden de fossielen anders bekijken.

1.
2.
3.
1.
2.

De Engelse geleerde Charles Darwin dacht ook na over het ontstaan van soorten en ontdekte het
volgende:
Binnen populaties van een bepaalde soort vertonen de individuen verschillen(natuurlijke variatie).
Er worden meer nakomelingen geboren dan voor de vervang van ouders nodig is.
Doorgaans blijft een populatie mi of meer constant van grootte.
Hierop formuleerde hij 2 principes:
struggle for life: er is een strijd om het bestaan(o.a. door voedseltekort)
survival of the fittest: de individuen die het best aan de omgeving zijn aangepast overleven en
krijgen de meeste nakomelingen.
In 1859 schreef Darwin een boek over zijn theorie: On the Origin of Species by means of Natural
Selection.
n van de grootste bezwaren tegen Darwins evolutietheorie vormt het feit dat er weinig fossielen
zijn gevonden van missing links: dieren die de overgang vormen tussen de belangrijkste groepen
van de gewervelde dieren(bv. dino met reptiel en vogelkenmerken). Men blijft zoekende naar zulke
verbindende schakels. Anderen geloven de theorie van Stephen Jay Gould, die beweerde met zijn
theorie(punctuated equilibrium)dat door de relatief korte overgangstijd van soorten in andere
soorten de kans klein is dat er een missing link gevonden wordt. Mensen die deze theorie geloven
zijn niet meer op zoek naar missing links.

Paragraaf 2 DNA en evolutie

Kernvraag: Hoe weet je of de evolutietheorie waar is?:In de loop van de tijd zijn er
ontdekkingen gedaan die een steeds steviger fundament onder de evolutietheorie
legden, zoals de ontdekkingen van de genetica door Mendel en de opheldering van het
DNA-molecuul door Watson en Crick.
Voor veel geleerden was de theorie van Darwin moeilijk te begrijpen door bewijstekort. De monnik
Gregor Mendel bracht hier verandering in en ontdekte dat beide ouders hun eigenschappen aan de
nakomelingen doorgaven. Soms kwam het voor dat een eigenschap van n ouder in alle
nakomelingen te zien was, terwijl andere eigenschappen maar af en toe werden doorgegeven. Zo
maakte hij onderscheid in dominante eigenschappen(eigenschappen die het winnen van andere) en
recessieve eigenschappen(zwakkere eigenschappen). Deze ontdekking werd pad rond 1900 serieus
genomen(40 jaar later). Geleerden ontdekten aan het eind van de 19e eeuw chromosomen(staafjes
die in de kern van een cel zitten). In de 1e helft van de 20e eeuw werd duidelijk dat de
chromosomen waren opgebouwd uit DNA. In 1953 ontdekten James Watson(biochemicus) en
Francis Crick(natuurkundige) hoe DNA eruit zag. Rosalind Franklin(chemicus) stierf tijdens de
zoektocht. Namelijk: een soort gedraaide touwladder, een dubbele helix, opgebouwd uit twee in
elkaar gedraaide spiralen, opgebouwd uit de basen A,T,C,G. Ze zagen in dat DNA heel geschikt is
om erfelijke info op te slaan. Elke keer als een cel zich deelt, krijgt elke nieuwe cel hetzelfde DNA.
Een bevruchte eicel krijgt altijd de helft van het DNA van de moeder en de helft van het DNA van de
vader. De basen kunnen dienen als code voor de bouw van eiwitten. Eiwitten zijn verantwoordelijk
voor alle processen in het lichaam. Het zijn eigenlijk meerdere aminozuren aan elkaar. De volgorde
van de As ,Cs, Ts, en Gs in het DNA kunnen een code zijn voor de volgorde waarin aminozuren
tot eiwitten worden geregen. Het bleek dat elke mogelijke combinatie van 3 opeenvolgende basen
de code vormt voor 1 aminozuur(genetische code). Aan het begin van een recept voor een eiwit
staat altijd ATG als startcode en aan het einde TAG als stopcode. DE info tussen de start- en
stopcode bevat de info voor de bouw van een eiwit. Zon stuk van het DNA wordt een gen
genoemd. In elk van onze genen staat precies beschreven hoe onze lichaamscellen een bepaald
eiwit moeten maken. De ontdekking van DNA bevestigde Darwins ontdekking dat siersoorten hun
eigenschappen aan nakomelingen doorgeven. Evolutiebiologen probeerden evolutiestambomen te
maken om te ontdekken welke soorten van elkaar afstammen d.m.v. de indeling van soorten op

basis van hun uiterlijke kenmerken in klassen in te delen. Zo kregen alle organismen een naam, die
bestaat uit een soort- en geslachtsnaam(Systema Natura van Carolus Linnaeus). Foutjes in genen,
zoals een fout bij het kopiren van chromosomen bij celdeling doordat n of meer verkeerde
bouwstenen wordt ingevoerd of er extra bouwstenen worden ingevoerd of te weinig, zorgen voor
mutaties. Als er mutaties in een gen zitten is het mogelijk dat de cel een verkeerde/geen eiwit
maakt. Al bevindt zon fout in de geslachtscellen, wordt de fout doorgegeven aan nakomelingen. De
fout is dan erfelijk. Evolutie berust dus op toeval, op een wisselwerking tussen toevallige mutaties
en toevallige wijzigingen in de omstandigheden. Omdat mutatis toevallig zijn, is de kans dat 2
individuen dezelfde mutatie hebben niet erg groot en kunnen we soorten ook indelen door DNA te
vergelijken.

Paragraaf 3 DNA-technieken in de praktijk


Kernvraag: Wat kunnen we in de praktijk met kennis over erfelijkheid en DNA?
Een DNA-profiel is net zo identiek als een vingerafdruk en kan dus je identiteit vaststellen. DNAprofielen worden gebruikt voor misdrijven, zowel vrijpleiten als schuldig verklaren, om
verwantschap tussen mensen te vinden(bv. ouders en kind) en zelfs om verwantschap tussen
dieren te vinden. Tussen de genen liggen grote stukken DNA die geen informatie over erfelijke
eigenschappen bevatten. Daarin zitten bepaalde korte stukjes DNA die zich soms een paar keer en
soms heel vaak herhalen. Het aantal keer dat zon bepaald stukje DNA zich herhaalt, verschilt per
mens. Met DNA-onderzoek kun je afwijkingen in DNA aantonen. Mensen met syndroom van down
hebben 3 chromosoom-21 i.p.v. 2.
Paul berg ontdekte in 1972 dat wanneer je een gen uit een virus in een bacterie plakt. het DNA
gecombineerd wordt(recombinant DNA-technologie). Als je veranderingen(modificaties) in het DNA
van een cel aanbrengt, krijgt die cel andere eigenschappen. Als dat een geslachtscel is of wanneer
deling van die cel tot nageslacht leidt, verander je daarmee de erfelijke eigenschappen van dat
organisme(genetische modificatie). Met dezelfde technieken is het mogelijk de erfelijke
eigenschappen van planten en dieren aan te passen. Stamcellen zijn cellen die nog niet zijn
gespecialiseerd .

Paragraaf 4 DNA en ethiek

DNA onderzoeken kan duidelijkheid geven, maar kan ook voor een onprettige uitslag zorgen. Dit
zorgt voor dilemmas (keuze tussen 2 kwaden). JE hebt als patint het recht zelf te bepalen of je wilt
weten wat de uitslag is. Zo hoeven afwijkende genen niet te betekenen dat je ook echt ziek wordt.
Er kwam een regel dat er alleen met gehandicapte bacterin mocht worden gexperimenteerd die
buiten het lab niet konden overleven, om te voorkomen dat de mens ziek werd gemaakt door
onderzoek. Door de ontwikkelingen in de DNA-technologie is het nu mogelijk om medicijnen te
maken die vroeger niet of met veel moeite uit menselijk of dierlijk materiaal werden gezuiverd. Een
andere belofte van de DNA-technologie is gentherapie. Bij gentherapie wordt in het virus een extra
gen geplakt waarna het virus het lichaam wordt ingebracht (in een cel). Meestal is de ziekmakende
DNA-fout in een groot gedeelte vd cellen aanwezig waardoor gentherapie onbegonnen werk is.
Klonen zijn genetisch identiek aan hun ouders, dit is niet zo bij geslachtelijke voortplanting. Bij
ziekten spelen naast het afwijkende gen ook de omgevingsfactoren vaak een rol.
Dat gen kan bv. zorgen voor het doden van tumorcellen. Recombinant DNA-technologie maakt ook
het klonen van dieren mogelijk. Klonen zijn genetisch identiek aan hun ouder. Doordat er meer
bekent wordt over DNA worden er steeds meer ethische vragen opgeroepen. Mensen zijn bang dat
het zo ver zal komen dat we er bv. achter komen welk gen zorgt voor criminaliteit en dan zorgen
dat of deze embryo niet geboren wordt of het DNA aanpassen en het gen eruit halen. Het genoom
van een organisme is het geheel van erfelijke informatie in een cel (DNA)

Keuzeparagraaf: Van biologie naar politiek

Sociaal-darwinisme is een stroming die concludeert dat individuen, rassen en groepen mensen
onderhevig zijn aan natuurlijke selectie, de zwakkeren van de samenleving moeten aan hun lot
worden overgelaten en zo verdwijnen.
De eugenetica of rasverbetering is het wetenschappelijk onderzoek naar het verbeteren van de
genetische samenstelling van een populatie. Darwin zelf zou hier echter helemaal niet voor zijn
geweest en de zwakken juist willen helpen altrusme (behulpzaam).

Popper
Popper wilde een onderscheid maken tussen wetenschap en pseudowetenschap. Hij lette er daarbij
wel op dat wetenschap zich soms vergist en pseudowetenschap vaak op toevalligheden berusten.
Het antwoord dat door iedereen werd gegeven was dat wetenschap zich onderscheidt doordat het
een empirische wetenschap is. Hiermee was hij niet tevreden.
Hij formuleerde zijn probleem anders: Hoe kon hij een onderscheid maken tussen een empirische
wetenschap en een niet-empirische wetenschap (of zelfs een pseudo-empirische wetenschap). Een
pseudo-empirische wetenschap is de wetenschap die wel probeert zich te baseren op
waarnemingen, maar verder niet aan de wetenschappelijke normen voldoet.
In 1919 werd Popper ontevreden over 3 theorien die na de val van het Oostenrijkse keizerrijk
waren ontstaan: het Marxisme, Psychoanalyse (Freud) en individuele psychologie (Alfred Adler). Dat
hij over die wetenschappen zo ontevreden was, was niet omdat ze (zoals de relativiteitstheorie van
Einstein) niet exact (= mathematisch) genoeg waren, maar dat ze meer leken op mythen dan op
wetenschappen. Dit kwam omdat ze zoveel verklaarden. Experimenten confirmeerden
(bevestigden) de theorie niet, maar verschijnselen werden verklaard door de theorie. Alles wat men
zag, zagen ze als een bevestiging voor die wetenschap.
Bijvoorbeeld: Een man duwt een kind in het water met de bedoeling het te verdrinken en er is een
man die zijn leven waagt met de bedoeling het kind te redden. Dit is Freudiaans, want de 1e man
verdringt iets, en de 2e zet negatieve energie om in positieve energie. Het is Adleriaans, want beide
mannen hadden een minderwaardigheidscomplex en wilden zichzelf bewijzen. De 1e deed dat door
een misdaad te begaan en de 2e door het kind te redden. Zo is 1 situatie zogenaamd een
bevestiging voor beide theorien. Volgens aanhangers waren die duizenden bevestigingen het
bewijs dat het een sterke theorie is, maar volgens Popper is het juist een zwakte.
Bij Einstein ligt het anders. Die neemt risicos met zijn hypotheses. Als die hypothese niet klopt, is
de theorie gewoon weerlegd. Dat is heel anders dan de theorien hiervoor, die gewoon zorgen dat
hypotheses kloppen.
Conclusies van Popper:
1.
Het is makkelijk om bevestigingen te vinden voor bepaalde theorien, als we maar moeite
doen om ze te zoeken
2.
Bevestigingen zijn alleen waardevol als ze het gevolg zijn van risicovolle hypotheses.
3.
Elke goede wetenschappelijke theorie is een verbod: hoe meer een theorie verbied, des te
beter is hij.
4.
Een theorie die niet kan worden weerlegd, is een onwetenschappelijke theorie.
5.
Elke test van een theorie, is een poging haar te weerleggen. Testbaarheid =
weerlegbaarheid. Er zijn verschillende graden van testbaarheid: De theorien die grotere risicos
nemen, zijn meer blootgesteld aan weerleggingen.
6.
Bevestigend bewijs is geen bewijs, tenzij het het gevolg is van een (mislukte) poging om de
theorie te weerleggen.
7.
Er zijn theorien die, als er bewijs is gevonden dat hij niet klopt, hulptheorien gebruiken, of
de hoofdtheorie net iets anders verdraaien zodat hij toch niet weerlegd wordt. Dit heet
conventionalistische stategie. Ze doen dit bijvoorbeeld om de wetenschappelijke status te
behouden.

Extra te weten
Personen:
Aristoteles
betekenis

4de eeuw v Chr.

Galileo Galilei
16de en 17de eeuw
natuurwetenschappelijke methode
Darwin
1809-1888
Popper
1902-1994
Ignaz Semmelweis
1818-1865
van hygine voor
en Joseph Lister
1827-1912
Alexander Fleming
1888-1955
antibioticum
Antonie van Leeuwenhoek
1632-1723
microscoop
Louis Pasteur
1822-1895
hun invloed
Robert Koch
1843-1910
te genezen

Geen natuurwetenschapper in de moderne


van het woord
Pionier van de
Ontwierp de evolutietheorie (exclusief dna)
Ontwierp de falsificatietheorie
Twee wetenschappers die het belang
gezondheidszorg ontdekten
Ontdekker van het eerste
Een van de ontdekkers van de
Ontdekker van microben en onderzoeker naar
Ontwikkelde een methode om bacterile ziektes

Onderzoek doen
1. Onderzoeksonderwerp verzinnen/tegenkomen/opgedragen krijgen
2. Onderzoeksvraag formuleren
3. Hypothese opstellen
4. Onderzoeksvoorstel schrijven inclusief beschrijving van het te gebruiken experiment
5. Experiment uitvoeren en gegevens noteren
6. Experimentele gegevens interpreteren en conclusie formuleren
Videos vragen en antwoorden
1. Wat is het verband met wat je hier hoort en dat hele verhaal rondom de geboorte van de
natuurwetenschap?:
Het uitvoeren van testen
2. Friedrich Sertrner (1783-1842) ontdekte Morfine een stof die hij extraheerde uit opium,
waarom was dit essentieel voor de voortgang van de geneeskunde?:
Omdat operaties nu zonder pijn, en dus meer en gemakkelijker konden gebeuren
3. William Morton(1819-1868) is bij zijn tweede demonstratie wl succesvol, probeer 3
variabelen(invloedrijke factoren) te noemen die van invloed waren bij het tot stand komen en
bekend worden van de mogelijkheid tot anesthesie mbv lachgas/morfine. 1Tweede kansen
2Presenteerbaar 3Wetenschappelijke vooruitgang hangt af van toevalligheid
4. Waarom is de wetenschap rondom medicijnen zo verweven met het bedrijfsleven? En is dat
wenselijk?
Hoe meer geld er wordt vrijgesteld om medicijnen uit te vinden, hoe meer onderzoek er gedaan
kan worden. Dit is zeer wenselijk, want zonder dit geld kunnen er geen medicijnen uitgevonden
worden.
5. Waarom zouden slordige kopien leiden tot snelle evolutie?
Er treden steeds veranderingen op, waardoor er niks tegen het virus gedaan kan worden .
6. Kan je met je overweging bij vraag 8 in het achterhoofd wel van een causaal verband tussen
dergelijke medicijnen en genezing spreken?(vraag 8: Waarom een combinatie van medicijnen;
een cocktail. Waarom is de kans op een enkel middel dat voor iedereen werkt niet groot?):
Als je vanuit de geneeskunde kijkt: Als het medicijn werkt bij 50% v.d. mens is het een causaal
verband, maar bij de natuurkunde is 50% geen causaal verband, dus het ligt eraan hoe streng
je naar een causaal verband kijkt.
Dus: Ja, want als de griep verandert moet het medicijn ook veranderen, anders heeft het geen
nut meer

Aantekeningen

Mensen redeneerden vroeger alleen maar, Galileo Galilei was de 1 e die wel experimenten deed.
Voor de 16e en 17e eeuw was wetenschap meer nadenken en minder van waarnemingen. Aristotelis
ging verder redeneren maar niet testen, ondanks dat hij veel naar buiten keek. Christiaan Huygens,
Johannes Kepler en Galileo Galilei ontdekten in de 16 e/17e eeuw natuurkunde. Ze deden
waarnemingen i.p.v. alleen maar bedenken hoe iets zou moeten zijn. De klassieke
wetenschappelijke methode maakte vooral gebruik van deductie. De nieuwe
natuurwetenschappelijke methode leunt meer op de redeneervorm inductie
Deductie: uit een aantal voor waar aangenomen premissen(uitgangspunten/stellingen) een logisch
geldende conclusie trekken.
voorbeeld:

1altijd als a dan bij: altijd als het regent wordt het gras nat
2a:het regent
(oude kennis)
Conclusie b:het gras wordt nat (nieuwe kennis)
Waaruit blijkt dat de conclusie van een deductieve redevoering altijd klopt als de argumenten van
de redenering kloppen.
Een ander voorbeeld:
Alle dingen hebben een doel. Zware dingen hebben een doel dichter bij de aarde te zijn dan lichte
dingen. Hoe verder een ding van zijn doel is, hoe sneller hij richting zijn doel beweegt.
Conclusie: Zware dingen vallen sneller dan lichte dingen.
Inductie: Uit een aantal waarnemingen een algemeen geldende conclusie trekken.
Voorbeeld:
1 Als a dan b
ik steek een bom aan, hij ontploft
2 Als a dan b
ik steek een bom aan, hij ontploft
3 Als a dan b
ik steek een bom aan, hij ontploft
4 Als a dan b
ik steek een bom aan, hij ontploft
5 Als a dan b
ik steek een bom aan, hij ontploft
Conclusie: als a dan b Als je een bom aansteekt, ontploft hij
Rationalistisch: met het verstand vastgelegd.
Empirisch: met een waarneming vastgelegd.
De natuurwetenschappelijke kennis komt tot stand door inductie en deductie
Dubbelblind onderzoek
De doelgroep is de groep waarvoor de conclusie geldt. De 2 onderzoeksgroepen bestaan uit een
placebogroep(controlegroep) en een behandelgroep die het echte medicijn krijgt.
Onderzoeksgroepen moeten: 1groot genoeg zijn 2representatief zijn(geschikt om te
vertegenwoordigen)
3onderling vergelijkbaar zijn(bv. allemaal mannen)
Evolutietheorie:
Hoe komt het dat er zoveel verschillende organismen zijn. Er gebeurt niets expres, alles is toeval.
Het is zo invloedrijk omdat er geen goed alternatief is.
Charles Darwin(1809-1882):
Het hoofddoel van zijn theorie is het verklaren van de soortenrijkdom. De motor achter de
evolutietheorie zijn mutaties in het DNA. Dieren hebben geen invloed op hun DNA. Conclusie: een
individueel dier is nooit expres(intentioneel)met de evolutionaire ontwikkeling van zijn soort bezig.
Menselijk DNA(desoxyribonuclenezuur) bestaat uit ongeveer 2 meter materiaal en bevat 46
chromosomen(23 paar). Een DNA-streng is 22 tot 26*10 -10 breed.
De basenparen bestaan uit AT en CG combinaties die coderen voor de volgende basen: Adenine,
Themine, Guanine, Cytosine. Elke gen bestaat uit 3 codonnen. Een codon, drie basisparen, staat
voor een aminozuur, of een start of een stop (eind van een eiwit). n gen, een combinatie van xaantal codonnen, codeert voor n eiwit. Een eiwit bestaat uit een x-aantal aminozuren.
De drijvende kracht achter het evolutionaire proces word gevormd door mutaties in het DNA
1. 99% van de mutaties is onvoordelig voor het doorgeven van DNA aan de volgende generatie
2. een mutatie is slechts een kleine stap
conclusie: evolutie gaat heel langzaam
Variatie is soorten is afhankelijk van

mutaties

heel veel tijd

veranderlijke omstandigheden

isolatie
Soort: een groep dieren die samen vruchtbare nakomelingen kan krijgen.
micro-evolutie: veranderingen binnen een soort. = makkelijk aan te tonen
macro-evolutie: er ontstaan nieuwe soorten. = slecht falsificeerbaar, experimenten doen is
moeilijk(want deze evolutie gaat langzaam)
falsificatie: Het aantonen van de valsheid of onwaarheid van een stelling of een theorie. Staat
tegenover verificatie.
Correlatie: twee gebeurtenissen die vlak na elkaar plaatsvinden, waartussen het verband niet per
se hoeft te zijn aangetoond. Een correlatie kan puur toeval zijn. Een causaal verband wijst er op
dat de eerste gebeurtenis de oorzaak is van de tweede (die dus het gevolg van de eerste genoemd

kan worden). Oftewel een causaal verband is een correlatie waarbij vast staat dat de eerste
gebeurtenis de oorzaak is van de tweede en de tweede gebeurtenis het gevolg van de eerste
gebeurtenis.
Een labiel virus betekend dat het virus zo oud is dat het uit elkaar gevallen is.
DNA moet je vergelijken zodat je de verschillen onderling kan zien en zo weet welk eigenschap het
veroorzaakt.
Virusdeeltjes die worden ingeademd hechten zich aan de cellen en dringen binnen waar het erfelijk
materiaal van de griep de celkernen om honderdduizenden kopien te maken van het virus die
worden verzien van een nieuw omhulsel en zo de cel verlaat. Dit gebeurd slordig zodat het virus
snel evolueert.
Virussen kunnen zich tegelijkertijd vermeerderen en zo mengen waardoor er een mengvirus
ontstaat.
Een pandemie is wanneer een griep een groot aantal mensen wereldwijd treft.
Een epidemie is wanneer een griep heerst binnen een bepaald gebied.