You are on page 1of 328

HET

CHRISTELIJK

GETUIGENIS

DER

CATACOMBEN

Nadruk van tekst en clichés, zoowel als vertaling van den tekst, zonder schriftelijke toestemming van den schrijver, verboden in alle landen volgens de wet.

De cijfers, die hier en daar tusschen kaakjes in den tekst staan, verwijzen naar de aanteekeningen achter in dit boek.

F.

Hendrichs, S.

J.

H E T

CHRISTELIJ K GETUIGENI S

=

=

DER

CATACOMBEN

«

....

dan

zullen de steenen spreken. »

Luc.

xix, 43.

A.

N.

G O VER S

N.V.

's-GRAVENHAGE

Zeer Eerwaarde Pater,

Gaarne neem ik de gelegenheid te baat, om uw boek met eenige woorden op

zijn weg te vergezellen. Niet om het aan te bevelen, want het beveelt

zich, als de

rijpe vrucht van een langen en ernstigen arbeid, van zelf aan, maar om U met zijn

voleindiging geluk te wenschen. Tijdens uw herhaald verblijf te Rome hebben wij zoowel den inhoud als het rijke materiaal der afbeeldingen tot in de kleinste bijzonderheden samen besproken.

Toen reeds zeide ik tot me zelf, dat, als U er in slaagde uw arbeid door te zetten op de wijze, die U voor den geest zweefde, U aan onze heilige Katholieke Kerk een groot'en dienst zoudt bewijzen. Nu zie ik, dat U uw program trouw zijt gebleven.

U hebt bij beproefde schrijvers, en gevonden. De teksten, die uw

J. B. de Rossi aan het hoofd, scholing gezocht stelling moeten staven, hebt U niet genomen uit

de tweede of derde hand, zooals dit zoo vaak geschiedt, maar U zijt overal tot de bron zelf gegaan. En wat de afbeeldingen aangaat, steeds hebt U stukken gekozen, die duidelijk het denkbeeld voorstellen en die niet door latere bijwerking zijn bedorven.

Over dit alles verheug ik mij, daar het een zekeren waarborg biedt voor het gunstig onthaal van uw boek, dat een heerlijke apologie van ons heilig geloof is. God moge U daarvoor rijkelijk zegenen.

Rome, op het feest van S l Franciscus Xaverius 1926.

J .

WILPERT.

INLEIDING

Een boek schrijven over het Christelijk getuigenis der Catacomben is zonder twijfel een zware taak. De stof is uiterst omvangrijk en nergens vindt men ze stelselmatig zóó geordend, dat dit indrukwekkend getuigenis klaar en scherp uitkomt. Wel heeft Prof. Orazio Marucchi, vóór eenige jaren, een werkje in het licht gegeven, dat den titel draagt : « Le Catacombe ed il Protestantismo » (« De Catacomben en het Protestantisme »), doch hij beoogde hiermede voornamelijk een weerlegging van Roller, zoodat hij eenerzij ds slechts een beperkt gedeelte der stof behandelde en anderzijds meer dan één vraagstuk besprak, dat met het Christelijk getuigenis der Catacomben slechts in verwijderd verband staat, (i) Dit boek bedoelt echter geen strijdschrift te zijn. Het beoogt niets anders dan te voldoen aan den begrijpelijken en billijken drang, om het in lezingen over deze stof gesproken woord en het vluchtig toen op het doek geworpen beeld vóór zich te zien in blij venden vorm. Zoo kan men dan immers zelf, rustig naden- kend, de verklaringen en de gevolgtrekkingen toetsen. Het geschreven woord moet intusschen van het gesprokene verschillen in dezen zin, dat het gesprokene wisselen kan met het wisselend gehoor, terwijl het geschrevene op het geheele publiek moet worden berekend. Vandaar de vraag, wat, in een boek als het hier aangebodene, bij allen als bekend ondersteld mocht worden, wat niet. Op den tast moest een keuze worden gedaan. Moge niet al te ver zijn misgrepen.

m

Het zijn de erkende deskundigen : Kirsch, Wilpert, Belvederi en andere leden der Pauselijke archeologische Commissie te Rome, die de verzameling afbeeldingen, welke dit boek moesten verluchten, met groote nauwkeurigheid bestudeerden. Wat eenigermate twijfelachtig leek werd uitgeworpen, wat min of meer een bijgewerkt stuk kon zijn, afgekeurd, alleen onaanvechtbare voor-

IO

INLEIDING

stellingen restten. De leidende gedachten werden bovendien nagegaan door Prof. Dr. Kirsch, die menigen nuttigen wenk gaf. Terwijl ik dezen geleerden mijne dankbaarheid uitspreek voor den belan- geloozen dienst mij bewezen, gaat mijn erkentelijkheid niet minder uit naar vier andere mannen, twee te Rome en twee in Nederland : Prof. P. Albers,

kerkhistoricus te Maastricht, Prof. P. Fonck te Rome, Prof. J. F. De Groot te

Rome, en Dr. L. de Jonge, leeraar te Katwijk a / d Rijn ; zij hebben

het geheele

handschrift bestudeerd en mij van hun gewaardeerde kritiek partij laten trek- ken. Bovenal moet de dank echter Mgr Prof. Wilpert gelden, wiens veertigjarige arbeid op het terrein der Christelijke oudheidkunde hem een onbetwist gezag verworven heeft. Misschien is niet algemeen bekend, wat de Berlijnsche Hoog- leeraar, Dr. Ad. Harnack, veruit de beste protestantsche kenner der Christelijke oudheid, over zijn Roomschen collega schreef, na het verschijnen van diens « Malereien der Catacomben » :

« Twistgeschrijf kan op godsdienstig terrein in de toekomst, wat de verklaring der Catacombenfiguren betreft, nauwelijks, ik moet veeleer zeggen, niet meer bestaan. De wetenschap weet nu, hoe zij deze voorstellingen te verstaan en te schatten heeft. Overal, bij de verklaring der afzonderlijke voorstellingen en bij de noodwendige algemeene opvattingen, toont Wilpert dezelfde bezonnenheid, omzichtigheid en onbevangenheid. Men kan mogelijk bij deze of gene beoor- deeling een andere meening zijn toegedaan, maar dan zal men betere gronden aan zijn weloverwogen oordeel moeten tegenoverstellen. » (2) En onze landgenoot Prof. Dr. Pijper is niet minder beslist in zijn waar- deering ; waar hij, in het bekende werk «De Catacomben Rome- Valkenburg », de mannen bespreekt, die voor het groote Catacomben-belang bijzondere verdien- sten verwierven, laat hij zich aldus over Wilpert uit :

« Wat naderhand en ook nog in den jongsten tijd is aan het licht gebracht,

wordt in Wilpert's « Malereien der Catacomben » in meesterlijken vorm meege-

deeld ...

dit ongemeen schoone werk is bestemd om een mijlpaal te worden in de

geschiedenis der Catacomben-studiën. Wat lang en door velen was voorbereid, is hier tot een schitterende voltooiing gekomen. Grondigheid gaat bij hem gepaard

aan goeden smaak

Wilpert heeft zich, door eigen studie van de voorhanden

... gegevens, in staat gesteld, zelfstandig te oordeelen over alle vraagstukken, die op dit gebied aan de orde komen. Voor geen vraagstuk is Wilpert teruggedeinsd, te zamen maken zijn gegevens den indruk, dat men bij dezen op vasten bodem staat. » (2)

INLEIDING

II

Deze eerbiedwaardige geleerde nu heeft zich, zoowel voor de keuze der platen als de beoordeeling van den gedachtengang van dit werk, in April 1926, te Rome, een volle maand beschikbaar gesteld en voorgelicht met zijn onschatbare kennis. Zijn goedkeuring zal stellig het vertrouwen der lezers versterken, van die lezers althans, die niet tot eiken prijs loochenen willen, of door den dwang der onweer- staanbare gevolgtrekkingen, min of meer onbewust, als vanzelf tot loochenen worden geprikkeld. Het « Christelijk getuigenis der Catacomben » is nu eenmaal een zeer duide- lijke en onafwijsbare apologie. Het geheele oogmerk van dit boek is : het apologetisch karakter van dit getuigenis helder belichten. Niet wat deze oude Christelijke begraafplaatsen merkwaardigs berichten, uitsluitend op oudheidkundig en historisch gebied, behoort tot de stof van dit boek, neen, maar wat zij ons zeggen, over wat de eerste Christenheid heeft geloofd en liefgehad. Dat is het groot getuigenis dezer steenen. Het klinkt öp in de zinrijke taal der monumenten. Dit getuigenis is duidelijk, spontaan en grootsch, maar het moet worden gehoord zonder vooringenomenheid, zonder verwringing naar opvattingen, die aan deze menschen vreemd waren. Zoo moge het dan verstaan worden door allen, die van goeden wille zijn, dat zijn zij, aan wie Gods Engelen den Vrede hebben toegezegd, den Vrede, die de heerlijke vrucht is der Waarheid.

Juli 1926.

Den Haag.

D E SCHRIJVER.

TOT

RECHT

BEGRIP

DER ZAAK

i° ROME'S

CATACOMBEN

Om den titel van mijn boek te verstaan en tot recht begrip der bedoeling is het, naar 't mij voorkomt, noodzakelijk, zich eerst een juist denkbeeld te vormen van de Catacomben zelf. Wat mag ik hier onderstellen ? — Duizenden in den lande hebben de hoogst verdienstelijke en door tal van deskundigen geprezen Catacomben van Valkenburg gezien, die wel geen strikte navolging zijn van de Catacomben te Rome, maar deze toch op indrukwekkende wijze voor de oogen der bezoekers doen herleven. Het voorname en zeer wetenschappelijke werk : « De Catacomben, Rome-Valkenburg » herinnert terecht aan den uitbundigen lof door mannen als Wilpert, Kanzier, Marucchi en andere Christelijke archeologen aan de grootsche onderneming van Valkenburg gebracht. Welken aanblik Catacomben bieden, mag ik, lijkt mij derhalve, welhaast als bekend onderstellen. Wie weet dit in Nederland niet ? Ook de geschiedenis der Catacomben, waarvan, in het zooeven aangehaalde boek, de historicus P. Albers S. J. (3) en ook de algemeen verspreide « Dictionnaire apologétique » (4) een klaar en omstandig overzicht aanbieden, behoort niet onmiddellijk tot mijn terrein. Het gaat immers in dit boek over het getuigenis, dat ons toespreekt uit de monumenten dier verholen, ondergrondsche begraafplaatsen. De geschiedenis nu staat buiten dit getuigenis als zoodanig. Voor mijn doel heb ik echter noodig, maar kan ik ook niet missen, dat men zich een scherp begrip vorme van het eigenlijk karakter der Catacomben. De Catacomben zijn begraafplaatsen. Zij zijn begraafplaatsen en zijn ook als begraafplaatsen aangelegd. Ten minste voor verre het grootste gedeelte. (5) Zeker zijn zij alle plaatsen, die als begraafplaatsen werden gebruikt. Deze bestemming bepaalt hun karakter. Het meeningsverschil over den oorsprong van het woord mag ik eveneens

14

H ET

CHRISTELIJK

GETUIGENIS

DE R

CATACOMBEN

voorbijgaan (6). De Catacomben, juist daar zij begraafplaatsen zijn, dragen ook

den naam van « Coemeteria »,

dat is : rustplaatsen, daar, in de opvatting der

Christenen, de mensch in den schoot der aarde slaapt, om te wachten op de groote ontwaking des levens aan het einde der tijden.

Waarom en wanneer

de naam

« Catacomben » algemeen is geworden voor

alle Christelijke begraafplaatsen van Rome, is een historisch vraagstuk, dat ik, met mijn doel voor oogen, óók mag laten rusten, daar mijn scherp omlijnd onder- werp is : het Christelijk getuigenis dier Catacomben als zoodanig.

m

in

s

De begraafplaatsen der eerste Christenen waren ofwel uitgehouwen in een zachte soort steen (tufsteen, korrelsteen), ofwel aangelegd in zoogenaamde

« arenaria », dat is : ruimten, die ontstonden, als de Romeinen van dien tijd, uit bepaalde lagen van den bodem, de Pozzalana-aarde uitgroeven, die geschikt was voor de kalk hunner reusachtige bouwwerken : Circus Maximus, Collosseum, Thermen, Paleizen en zoo meer.

In dezen tufsteen, ofwel

in de wanden dezer arenaria, soms, als in Priscilla

een der alleroudste Catacomben — in de ingebouwde muren van een arenarium, begroeven de eerste Christenen hun dierbare dooden. Op verschillende wijzen. Men kan drie soorten graven onderscheiden. Ten eerste : zoogenaamde «loculi », dat is : « plaatsjes », rechthoekige, lade- vormige openingen, waarin de lijken werden geschoven, vaak twee, drie naast elkander : dit hing af van de diepte der opening. Deze rechthoekige grafplaatsen zijn ongeveer één tot anderhalve meter lang en 30 tot 50 cm. hoog, de diepte verschilt aanmerkelijk. Onder den grond zijn de gangetjes, waarin deze loculi in de wanden zijn uitgegraven, soms in verdiepingen boven elkander aange- bracht. De eerste verdieping, verklaarde de inspecteur der Catacomben, Dr. Josi, mij, werd gegraven in de soort tufsteen, die zich voor het doel het best scheen te leenen ; was deze laag gevuld, dan werd een tweede verdieping gegraven boven of onder de eerste. Men telt zelfs vier verdiepingen in sommige Cata- comben. De gangetjes zijn nauwelijks één meter, dikwerf nog geen meter breed en één tot vier meter hoog. Waar met de ruimte moest gewoekerd worden, zijn de gangetjes zeer smal en laag. Links en rechts zijn in de muren de «loculi » uitgegraven. (Fig. 2).

TOT

RECHT

BEGRIP

DE R

ZAAK

15

Een tweede soort graven zijn : de « arcosolia » (booggraven) die zich welfden boven de gewijde overblijfselen van voornamere personen, meest martelaren of bekende figuren in 't leven der Christen-gemeente. Deze «arcosolia » zijn ook vaak in den rondboog zelf en tegen den boog aan, ja, in den achtergrond met figuren en voorstellingen beschilderd. Veelal treft men ze aan in kleine of grootere kamertjes («cubicula »), waarvan zij dan het middelpunt vormen en waarin zij aanstonds de aandacht trekken. (Fig. 3 en fig. 4).

Fig.

1. — Rome

met

Catacomben.

Fig. 2. — Catacombe

van Pamphllus.

Fig. 3. — Arcosolhim uit

Calllxtus (links).

i6

H ET

CHRISTELIJK

GETUIGENIS

DE R

CATACOMBEN

Fig. 5. — Etn cubicuium in Prtociiia.

g eme enschap der Christenheid, be-

roemde martelaren, Pausen, dan vindt men hun gewijde grafsteden in « crypten », kleine kerkjes, die meest op alle muren levendige voorsteUingen aanbieden, terwijl het «arcosolium » dan blijkbaar het heilig gebeente bergt van den persoon, waarvoor de crypte werd gebouwd. Deze crypten treft men in schier alle Catacomben aan, soms in ééne Catacombe meer dan één. De Catacombe van Petrus en Marcellinus toont het merkwaardige verschijnsel, dat deze twee bloedgetuigen eerst in eenvoudige «loculi » werden begraven, maar later, toen men hun overblijfselen wilde eeren, geheel alléén, midden in een crypte kwamen te staan, daar de eerbied der Christenen den gehee- len muur, waarin de «lociüi» der beide martelaren zich bevonden, had wegge- broken, zoodat enkel de beide graven dezer heiligen (boven elkaar) restten. Dan bouwden de vrome vereerders om deze twee losstaande loculi een crypte. (Fig. n). Van eenige crypten geef ik afbeeldingen. (Fig. 7, 8, 9, 10, 11). Deze Catacomben, — over het getal is men het niet volkomen eens,-daar enkele schrijvers bij de Catacomben alle begraafplaatsen tellen en de meesten |Uéén de met bepaalde namen aangeduide en méér algemeene, — spreiden zich als een netwerk van gangetjes, ongeveer 825 km. lang om Rome uit (Fig. 1). Men telt er meestal 27 ; de 10 voornaamste onderstreepte ik op het kaartje, deze heb

M

Fig.

7.

De

groote

crypte

uit

Priscllla

(Capella

graeca.

Grieksche

kapel).

M

V I

i8

H ET

CHRISTELIJK

GETUIGENIS

DE R

CATACOMBEN

ik onder geleide van deskundigen bezocht. De

reden, waarom zij buiten Rome

liggen, geeft

ben (7).

Albers aan in 't genoemde werk over de Valkenburgsche Catacom- ..

. g Als een reusachtig spinneweb hebben de Catacomben zich geleidelijk ...

.

....

>, om Rome verbreid. Een labyrinth van gangen, die maar zelden de breedte

,, van 1 m. hebben en

meestal maar een paar meter hoog zijn, die soms in ver-

>, scheiden rijen recht of dwars boven elkaar loopen, straalt uit één of meer graf-

» kamers in allerlei richtingen. Op die wijze konden de centrale kamers, waarin

• vooral de martelaren begraven werden, gemakkelijk bereikt worden Dr Xavier Smits in het boek over de Valkenburgsche Catacomben (8).

..

aldus

Fig. 8.

.

Crypte uit

_

,

.

Luclna.

PI».

r,R

*

« .

Crypte

,

r

van

Damasus.

De crypten dragen schier alle een naam. Zij zijn als het middelpunt eener Catacombe. Meestal heeten zij naar den voornaamsten Heilige, die er rust, soms naar de stichteres. Naar deze, boven hun omgeving uitstaande, figuren heeten ook de Catacomben zelf. Zóó de Catacombe van Priscilla (stichteres), Agnes (Heilige), Domitilla (stichteres) en zoo meer. (Fig. 1). Dat de crypten niet enkel monumentale bouwwerken waren ter eere van uitmuntende en hooggeëerde mannen en vrouwen gebouwd, maar ook stellig nog een ander, een liturgisch, doel hadden, zien wij later. Hierop ga ik nu niet Hl Men zie desgewenscht onder « Heiligenverering » en « Eucharistie ».

TOT

RECHT

BEGRIP

DE R

ZAAK

19

Dit reusachtig onder- aardsch doodenrijk,door de barbaren drie eeuwen lang ruw en als zinneloos met schennige handen vernield, deze grootsche eenzaamheid borg de zeer talrijke mar- telaren en belijders, man- nen en vrouwen, welke er eertijds den slaap sliepen des doods, die ontwaakt in de eeuwige vreugde. In de arre tijden van Gothen, Heruliers, Wandalen, Hun- nen en Longobarden wer- den echter deze heilige over- blijfselen door de Pausen binnen Rome's muren be- veiligd. Dit uitgestrekt Ca-

Fig.

10. — Crypte

der

H . Emerentiana.

tacombengebied blijft niet-

temin een getuigenis

spreken zoo helder, zoo luid en zoo weldadig, dat geen

Christen het hooren kan zonder de diepste ontroering der ziel. Schaepman hoorde het en zong het na in zijn onsterfelijk gedicht op de Sofronia uit de Catacombe van Callixtus, — Molkenboer heeft het verstaan en uit- gezegd in de prachtige bladzijden, die hij in zijn « Roomsche Schoonheid » wijdde aan de Catacomben. Niemand kan dwalen in die donkere doodengangen, schouwen in die loculi met hun huiveringwekkende menschelijke beenderen, staan vóór die in kleur en lijn hoogjubelendebooggraven, opzien naar de gewelven dezer crypten, zijn blikken laten zweven langs die met allerlei beeldrijke en Fig. 11. — crypte van de HH . Petrus en Marceiiihus. zinrijke voorstellingen versierde wanden

20

HET

CHRISTELIJK

GETUIGENIS

DER

CATACOMBEN

zonder eenigszins te ontwaren, wat Molkenboer zoo kernachtig uitdrukt, dat deze doodensteden « ons beschamend doen gevoelen, wat het in die dagen beteekende, Christen te zijn ». Het is als de zegekreet van het onsterfelijke : « Schijnbaar stervenden en

zie wij leven ». Zij leven den triumf van hun eenmaal gestorven, maar on- sterfelijk triumfeerenden Christus. Ging van de Catacomben enkel dit indrukwekkend getuigenis uit, zij lagen

daar waarachtig niet voor niets

om Rome als een gordel, die met kracht van

bezielende herinnering den geest van Rome omsnoert. Ieder voelt in de Catacomben als den vleugelslag der oude eeuwen om zich heen, gelijk Molkenboer het uitdrukt. Ruischte uit de Catacomben enkel dit onverwinbaar levensgetuigenis ons tegen, zij waren van onschatbare waarde vooral in dezen tijd van inzinking van

den geest en vergoding van de stof. Maar er klinkt uit deze doodengebieden nog een ander getuigenis en het is voor dit getuigenis, dat ik nu aandacht ga vragen. Niet de doodensteden als zoodanig, neen, de afbeeldingen in schilderwerk en beeldhouwwerk, in inschrift en graphiet leggen het sprekendst en klaarst, het waardevolst en indrukwekkendst getuigenis af. « Schatkamers onzer geloofsverdediging » noemt Molkenboer ze. « Plaatsen, op wier muren de geloovigen van elke taal niet weinig artikelen

» van het Apostolisch Geloof kunnen lezen », heeft Paus Pius X I ze geheeten (9).

Dat is hun schitterendst

getuigenis ...

2° D E CATACOMBEN

GETUIGEN

HE T GELOOF DE R EERSTE

CHRISTENHEID

  • I. D E

CATACOMBEN

GETUIGEN

Wat is immers een getuigenis ? Een getuigenis, als ik mij niet zeer bedrieg, is de vaststelling van een feit, van de waarheid. Beweert iemand iets onwaars, men zegt, dat zijn getuigenis valsch is. Hij getuigt dan niet : hij liegt.

TOT

RECHT

BEGRIP

DE R

ZAAK

21

Een getuigenis geeft bloot het feit aan. Getuigen dragen voor de rechtbank feiten aan, zij geven geen gevolgtrekking ; dat is de taak van den rechter. Een beschuldigde staat voor de rechtbank ; de ééne getuige deelt mee : « Ik heb dezen

man op den bewusten dag

's avonds om 9 uur daar en daar gezien », de ander :

« Hij had een doek om den arm gewonden », een derde : « Hij liep opvallend snel»,

en zoo meer. Ik beweer derhalve, dat de Catacomben-monumenten feiten aandragen, die, gebracht vóór de rechtbank der zuivere, eerlijke critiek, vóór de rechtbank van 't gezond verstand en 't onbevooroordeeld begrip, tot gevolgtrekkingen nopen, die staven het waar Christelijk geloof. Zoo getuigen zij al eischen zij ook stellig, dat zij met gezond begrip worden verstaan het geloof der eerste Christenen. Het is te betreuren, dat een wetenschap van zóó hooge waarde en beteekenis als de historische kritiek, door niemand minder dan Paus Pius X I in zijn « Motu proprio » van 17 December 1925 moest worden gebrandmerkt met de woorden :

dat men « een geweldigen oorlog aan onzen Godsdienst aandoet met de wapenen der historische kritiek ». Dit is maar al te waar ! Eene wetenschap, die geroepen was, om de waarheid te schragen, maakt zich verwaten op, om, met beroep op zekere onaantastbare beginselen, die echter, niets minder dan onaantastbaar zijn, de groote massa te ontstellen en de oude Christelijke waarheid te ondermijnen. Helaas, is het treurige feit zóó algemeen, dat Paus Pius X I ook algemeen de blaam op deze kritiek moest werpen. Dat er loffelijke uitzonderingen zijn, doet niets af aan de bedroevende algemeenheid van deze verderfelijke mentaliteit. De waan heeft ook hier den mensch verschalkt en misleid. Het leek zoo voornaam, doch het was zoo glad onmogelijk, om zich, wilde men niet tenslotte den hoogen menschelijken geest vernederen en verlagen, los te maken van het gewoon, maar onveranderlijk menschelijke. Dit blijft echter ook den geleerde maatstaf en uitgangspunt; niet een of andere in de lucht hangende, gewilde theorie. Niemand zoover mij althans bekend is, niemand heeft eenvoudiger en beknopter dan Michelet in zijn prachtwerk « Dieu et 1'agnosticisme contemporain », het waarachtig karakter der historische kritiek geschetst, haar grondslag aange- duid, haar bestaansrecht gebillijkt, haar verdwazing gebrandmerkt. Als iedere menschelijke wetenschap is zij voor hem gebonden aan, wat hij

  • 22 HE T

CHRISTELIJK

GETUIGENIS

DE R

CATACOMBEN

terecht noemt: de « natuurlijke logica » ; als bij instinct redeneert het verstand

overeenkomstig zekere beginselen, die het geleiden

«een als in de getuigenis

«Het

... vanzelf beslotene kritiek gaat de regels der historische kritiek vooraf»

... werk der redeneering heeft de taak, juist datgene, wat reeds er in besloten bestond

(impliciet), uitdrukkelijk (expliciet) vast te stellen ; bewijskrachtig te maken,

wat reeds waargenomen was, tot wetenschappelijke kennis op te voeren, wat nog

enkel kennis was van het algemeen menschelijk begrijpen

» (10)

... Zoo heeft, voor Michelet, Duhem een groote verdienste, daar deze schrijver « het eerst de rechten der reden op dit gebied heroverde » ; eene wetenschap is «immers geene wetenschap, tenzij deze redelijk zij * (n).

Dieper ingaan op dit punt, is mijn taak niet (12). De laatste gevolgtrekking

van Michelet neem ik volkomen over : « Deze nieuwe kritiek miskent de werke-

lijke rol van het verstand

...

gaat uit van wantrouwen jegens ons verstandelijk

vermogen ». Maar dan valt alle kennis, ook die der kritiek (13).

De rol der historische kritiek is, voor Michelet, niet waarheid scheppen, maar waarheid verklaren. De rechten der reden zijn op 't gebied der proefonder-

vindelijke wetenschap en ook der geschiedenis onmiskenbaar

(14) «er zijn

... niet twee soorten kennis van verschülende natuur, maar er zijn twee wijzen om iets te kennen » (15). Dit alles zegt klaar en duidelijk, dat de historische kritiek niet de pose van iets bovenmenschelijks behoort aan te nemen, maar uitgaat van het gezond verstand en dat zij daaraan gebonden is. Het is klaarblijkelijk ook enkel de historische kritiek, welke leeft van en in den waan, dat zij een wetenschap is, die met den gezonden menschenzin geen rekening te houden heeft, waartegen Paus Pius X I stelling nam. Op het aangrenzend terrein der geschiedenis, de oudheidkunde, heeft Wilpert dezen waan vernield in zijn boek: « Principienfrage der Christlichen Archeologie ». Het is een feit, dat, toen een paar van zijn tegenstanders namen laat ik daar - hem, hoewel zeer in 't vage en verbazingwekkend oppervlakkig, geant- woord hadden, zelfs niet-Roomsche bladen eerlijk hun overtuiging te kennen gaven, dat Wilpert het pleit glansrijk gewonnen had (16). Zuiver op den grond- slag van het gezond verstand.

Meer dan eenvoudig, onbevangen gezond verstand is ook niet noodig, om het getuigenis der monumenten te verstaan ; gezond verstand dan in den breeden zin.

TOT

RECHT

BEGRIP

DE R

ZAAK

23

De monumenten immers getuigen, dat is : spreken de taal der feiten, natuur- lijk, harmonisch, voor ieder normaal menschenverstand begrijpelijk. Hier dringt zich een heerlijke herinnering aan mij op. 't Was 18 April 1926, toen ik weder de H . Mis mocht opdragen op die indrukwekkende plek, in de Catacombe van Calixtus, in de onmiddellijke nabijheid van Caecilia's laatste rustplaats vóór eeuwen. In blank marmer ligt zij daar onder de steenen over- huiving de altijd sluimerende en altijd levende voor de oogen van den geest. Klein en doodeenvoudig is 't altaar, flauw de schijn der twee kaarsen in dat ondergrondsche donker. Maar er gaat daar iets uit van die plaats, dat heel de ziel gevangen houdt.

Er was een persoon, die gevraagd had, bij het Misoffer tegenwoordig te zijn, en ter H . Tafel te naderen. Op het laatste oogenblik traden twee Toscaansche vrouwen, moeder en dochter, eenvoudige boerenmenschen, de grot binnen en knielden op den zandigen bodem neder. De broeder, die de H . Mis diende, gaf haar een ruwe lap, waarop ze konden knielen ; de grond is daar gevaarlijk vochtig. Met de persoon, die ter H . Tafel naderde, zaten zij mede aan. Na onze gemeenschappelijke dankzegging sprak ik de twee vrouwen aan. Zij waren diep bewogen en dankten mij met dien eenvoud en die hartelijkheid, die men bij zulke rijke, reine zielen aantreft. Dan zag het meisje, met tranen in de oogen om zich heen en fluisterde met van aandoening verstikte stem : « O, wat is dat hier

heerlijk, en te denken aan de tijden, dat zij hier verbleven, die

hanno tanto fatto per noi

», «zij hebben zooveel voor ons

... O ja, zij hebben zooveel voor ons gedaan

eerste Christenen ... gedaan

».

... veel, nameloos veel

... Gestreden hebben zij voor ons en geleden om het groote Christus-erfdeel

...

ongerept te bewaren.

Met heel hun kunstzinnigheid hebben zij mede hun eeuwigheidsdenkbeel-

den

op de muren Hanno tanto

hunner grafsteden uitgezongen ... fatto per noi ...

Het getuigenis der stukken spreekt in verschillende vormen. Het getuigenis echter is hetzelfde. Of het strale uit schilderwerk, of het schittere uit marmer, of het af te lezen

24

HE T

CHRISTELIJK

GETUIGENIS

DE R

CATACOMBEN

zij van inschrift of graphiet (krabbels op de muren), om het even, 't blijft hetzelfde

getuigenis. Toch is er een verschil, laat mij zeggen, in graad. Het komt me vóór, dat Wilpert juist oordeelt (17), waar hij zijn overtuiging te kennen geeft, dat voornamelijk de sarcophagen van beteekenis zijn voor het getuigenis der Catacomben. Meer immers dan schilderwerk, inschrift of krabbel, waren deze kostbare, met tal van figuren versierde marmeren doodkisten het werk van kunstzinnigheid en beschaving. Zoowel de persoon, die de opdracht gaf, als de kunstenaar, die het stuk beeldhouwde, moet deze voorstellingen zeer opzettelijk, na rijp beraad en overleg, hebben gekozen en uitgevoerd. Niemand ter wereld geeft aan een beeldhouwer, die een marmeren lijkkist voor een dier- bare met voorstellingen moet verrijken, een opdracht als deze : «Ge. laat uw verbeelding maar werken, ge plaatst er de figuren maar op, die ge wilt en ik zal U later wel betalen ». Zoo zot zijn wij niet, zoo zot waren de eerste Christenen evenmin. Van zoo'n rijk, duur stuk van piëteit en kunst wordt een teekening aangeboden aan dengene, die 'het den kunstenaar opdraagt ; er wordt over voorstellingen over en weer gesproken, wat er tenslotte op verschijnt, is gewild, berekend, opzettelijk. En daar zeer veel sarcophagen uit 't oogpunt der kunst, - ook beeldhouwers en schilders hebben dit verzekerd, — bewonderenswaardig zijn, ja, overtreffen wat in onzen tijd wordt voortgebracht, ligt de slotsom voor de hand, dat de sarco- phagen cultuurstukken zijn, die, juist als getuigenis, om hun eigen afzonderlijk karakter, de allerhoogste beteekenis hebben.

m s

$

Waar overigens deze stukken getuigen, is om 't even ; dit raakt immers het wezen van zulk getuigenis niet. Het voorkomen van een Chineeschen afgod uit de 12de eeuw wordt getuigd door zoo'n beeld, onverschillig of 't zich bevinde in een tempel te Peking of op den schoorsteen van een Amerikaanschen bankier. « Zoo zag een Chineesche afgod er uit in de 12^ eeuw », is even waar in de twee genoemde gevallen. Of de marmerstukken, goudglazen, ringen, zegels, of welke stukken dan ook, om deze of gene reden, overgebracht zijn naar musea doet voor het ge. tuigenis der stukken hoegenaamd niets ter zake. Niet alsof de reden, waarom vooral de kostbare sarcophagen naar musea zijn overgebracht, onbekend zou zijn, neen, maar die geschiedenis raakt mijn

TOT

RECHT

BEGRIP

DE R

ZAAK

25

stof weder niet. Laat mij met enkele woorden mogen zeggen, dat de invallen der

barbaren, ook in de Catacomben, en, na het wegvoeren van de lichamen der heili- gen uit deze begraafplaatsen, de algeheele verlatenheid dezer plaatsen, de Pausen en de priesters der titelkerken hebben bewogen, deze kostbare stukken aan de

  • 26 HET

CHRISTELIJK

GETUIGENIS

DER CATACOMBEN

vernielzucht van baldadigen en ook stellig aan de hebzucht der marmerhandelaren te onttrekken. Veel is toch nog verloren gegaan. De musea blijken dus een zeer belangrijk materiaal van het getuigenis der Catacomben te bergen. Bovenal het museum van S* Jan van Lateranen, waar een schat van sarco- phagen in een ruime hal van vier door breède trappen verbonden verhoogingen verzameld is. Het was door de zorgzaamheid der Pausen, dat deze kunstschat werd gered - de Rossi heeft de heidensche stukken van de Christelijke gescheiden en na hem heeft Wilpert veel. wat heidensch geacht werd, in de hal laten plaatsen, daar het ontegenzeggelijk Christelijke kunst was en veel, wat ten onrechte Christelijk werd geheeten, laten uitwerpen. Marucchi gaf, op het voetspoor van Ficker, een werk over den inhoud van dit museum (18). In een ruime galerij, die om een pandtuin staat, bracht de Rossi een schier onoverzienbare massa inschriften uit de Catacomben samen. Marmeren platen van allerlei formaat werden daar door dezen onsterfelijken Roomschen archeoloog bijeengebracht en onder bepaalde soorten in afdeelingen gesplitst. Fig. 12 geeft het museum van Lateraiien ; de plaat is uit het werk van Marucchi gelicht.

Hieronder de galerij en een muur met

inschriften, alle uit

de Catacomben

afkomstig, — « Catacomben » dan zeer ruim genomen ; er zijn ook inschriften bij

uit onderaardsche begraafplaatsen van oude

Fig. 13. De pandtuin

van 't museum.

Fig.

14.

Muur

der galerij.

TOT

RECHT

BEGRIP

DE R ZAAK

27

Een ander museum van hooge waarde is dat van het Vaticaan. Een kleine zaal, doch die uiterst smaakvol is ingericht en tal van voorwerpen uit de Cata- comben, vooral kleinkunst, bevat. Wij geven eene afbeelding onder figuur 15.

Het derde museum, dat mij van heel bijzondere beteekenis lijkt, is

het

plaatselijk museum van Callixtus. Dit is door de Rossi in de oude basiliek van Sixtus II, ter plaatse, waar deze Paus den marteldood stierf (19) ingericht, om de tallooze stukken marmer, die bij de opgravingen werden gevonden, te verza- melen. Deze stukken zijn dus gedeelten van sarcophagen, die zich in het coeme- terium (Catacombe) van Callixtus bevonden. Wilpert heeft de Rossi's werk voortgezet. Dit museum is als zijn terrein. Hij kent daar alle stukken, heeft er in de 40 jaar, dat hij nu te Rome zich schier uit- sluitend aan de Catacomben wijdt, zeer veel bij ontdekt, veel van elders toege- voegd, om op aannemelijke wijze het geheel te herstellen. Om een denkbeeld te geven van de wijze, waarop de vondsten in zulk een museum worden bewaard, geef ik ook enkele muren van dit museum, die ik met verlof van den dienstvaardigen Hoog Eerw. Abt van de Paters Trappisten, die Callixtus' heiligdom bewaken, liet in beeld brengen. (Fig. 17, 18, 19). Tenslotte nog een museum, dat veel Nederlanders kennen en waar ook enkele waardevolle stukken worden gevonden: het plaatselijk museum vanDomitilla, ook

28

HE T

CHRISTELIJK

GETUIGENIS

DE R CATACOMBEN

Fig. 17. Muur

van het

museum.

Fig.

18. — Een

andere

muur.

TOT

RECHT

BEGRIP

DER ZAAK

29

de basiliek vanNereus en Achilleus genaamd, omdat op den grond dezer Catacombe

hier ter plaatse de basiliek ter eere van deze heilige martelaren werd gebouwd; deze basiliek werd later, nadat de lichamen der martelaren naar een kerk binnen

de muren der stad Rome waren overgebracht, tot

museum ingericht. (Fig. 20).

Fig.

19.

Derde muur.

F |g .

20.

Museum

In

Domltilla.

Uit de diepten der Catacomben zelf derhalve en uit de zalen en hallen dezer musea zal het getuigenis zich doen hooren. Het getuigenis der steenen. « Lapides clamabunt », zooals Christus voorspelde. (Luc xix, 40).

II.

HE T

GETUIGENIS

DER

CATACOMBEN-MONUMENTEN

IS WE L DEGELIJK

OOK VA N APOLOGETISCHEN

AARD.

Dit

feit

staat

daar

onmiskenbaar

verklaring van Paus Pius X I (20).

duidelijk, door de

boven

aangevoerde

Het wordt gestaafd door de scherpe aanduiding der reden, waarom de « Dictionnaire apologétique » zijn lang artikel over de Catacomben schreef. Ging

van de Catacomben immers geen kracht van geloofsverdediging uit, een meer uitvoerig artikel over de Catacomben ware in een Apologetisch boek niet op zijn

plaats geweest. De schrijver van 't artikel (P. Allard)

voelt dit zelf

: « De

studie

der Romeinsche Catacomben levert aan de Apologie (geloofsverdediging) waar-

devolle en rijk-verscheidene argumenten. De ontdekkingen, die men iederen dag

doet in

deze graf verholenheden, raken een menigte van godsdienstige vraagstuk-

3

0

HE T CHRISTELIJK

GETUIGENIS

DE R CATACOMBEN

ken De tegenstanders hebben de Apologetische belangrijkheid begrepen van

deze NIEUWE BEWIJZEN en zij beginnen slag te leveren in dit strijdperk, waarin

...

tot heden enkel Roomschen waren opgedaagd. Dit is de dubbele reden, waarom

wii aan ons artikel een vrij belangrijken omvang hebben gegeven >, (21) De

Catacomben bieden volgens dezen schrijver «bewijzen ter verdediging der waar-

heid a aan (22).

Om het machtig getuigenis,

.

.

.

dat van deze monumenten uitgaat, stelt ook

Kraus in zijn bekend werk over de Catacomben, vast :

-

i i)e monumentale Theologie en de Christelijke oudheidkunde moeten haar

» rechtmatige plaats in het theologisch onderwijs gaan innemen ». Zoo immers

kan men «in de jonge verschijning der eerste Christen-Kerk de geliefde trek-

>, ken terugvinden van de Kerk, die men nu bemint, als de moeder van zijn eigen

» geestelijk leven » (23).

P

Sisto Scaglia,

in zijn boekje « I Novissimi», verklaart slechtweg, dat

« geen theoloog meer de studie der monumenten kan voorbijgaan, niet enkel,

» daar zij soms feiten aangeven, die men te vergeefs zoekt in de geschriften der

» Vaders maar ook omdat meer dan eens de kennis van een of ander geloofspunt,

>, die dóór verschillende bronnen der overlevering wordt aangeboden, juist uit

» de monumenten met krachtiger uitwerking den geest der menschen treft die

, buiten de Roomsche Kerk staan ; dit is te verklaren uit de mindere leers elhg-

,, heid, de grootere spontanëiteit en, in zekeren zin, de machtiger welsprekend-

» heid der monumenten » (24).

In gelijken zin Wüpert in zijn « Pietro » (25) en Marucchi (26).

Met zijn eigen klaarheid en scherpte stelt de Nederlandsche Apologeet, Pro-

fessor de Groot, in zijn boek : « Summa apologetica » de zaak in den vorm van het

zuivere argument op : «De oude Christenen hebben hun geloof

...

in de monu-

menten uitgebeeld, dus dit oud getuigenis heeft beteekenis voor de godgeleerde

studie» (27). Dan duidt de geleerde schrijver eenige dogmata aan, die door de

Catacomben-monumenten worden getuigd (28).

Het is niet moeilijk, deze aanhalingen te vertienvoudigen. Men moet wel

niets van de Catacomben begrijpen, als men dezer Apologetisch karakter loochent.

Na de uitdrukkelijke verklaringen van Paus Pius XI in zijn « Motu propno » van

I

7

December 1925, lijkt mij dit, althans in den mond van Roomschen, zacht

gesproken, onbehoorlijk.

.

Het is overigens ten eenenmale onwetenschappelijk en kan enkel in naam

eener zekere schijnwetenschap geschieden.

TOT

RECHT

BEGRIP

DE R

ZAAK

Blijkbaar juist is ook het woord van Dr. Xav. Smits :

« In Apologetischen zin is het belang der

...

» Catacomben-beschilderingen

...

groot

...

» (29)

Prof. Pijper begreep dit eveneens :

monumentale traditie van de

« Vooral op de godsdienstige beteekenis dezer stukken wordt nadruk gelegd,

» ter toelichting van 't geloof der oudste Christelijke geslachten » (30).

Terloops bemerk ik, hoe juist dit is uitgedrukt. Het gaat immers in den

grond niet strikt om « de eerste Christenen » maar om de « oudste Christelijke

geslachten ». 't Is immers onwijs, te onderstellen, dat de tweede en derde Chris-

telijke generatie reeds ontaard zouden zijn geweest en vervallen van den aposto-

lisehen opzet ...

zonder dat van eenig verzet of van eenig meeningsverschil trek

of spoor zij te vinden. Neen, wat de «oudste Christelijke geslachten» in hun

monumenten openbaren als hun geloof, is onbestrijdbaar 't geloof der Apostelen.

Herinnert in dit verband Mgr. Dr. B. Eras (31) niet terecht aan de grootsche

hulp, die Rome verleende aan de stichting der Valkenburgsche Catacomben ?

Aan de stellige toezegging van Paus Pius X : « Je ferai tout pour favoriser votre

oeuvre » — « ik zal alles doen om uw werk te bevorderen » ? Zou men meenen, dat

Paus Pius IX de gelden, die hij als giften voor de groote Roomsche belangen'had

ontvangen, zou besteed hebben, om de Catacombe van Callixtus, dat is de

boerderijen en landen, die zich, vijftig bunder groot, boven deze Catacombe uit-

strekten, aan te koopen ; zou men meenen, dat Paus Pius X de velden en

woningen boven de Catacombe van Praetextatus, Paus Benedictus X V den

bovengrond der Catacombe van Pamphilus tot zeer hooge bedragen zouden

hebben gebracht in 't bezit der Roomsche Kerk, ten einde deze onderaardsche

doodensteden uit te graven, als daar, in hun opvatting, enkel een oudheidkundig

of cultureel belang mee was gemoeid geweest ? Neen, zij hebben zich deze hooge

kosten getroost, omdat zij overtuigd waren van het machtig Christelijk getuigenis,

dat van de monumenten der Catacomben uitgaat, daar dit « monumenten zijn

van de grootst mogelijke historische waarde, waarmee de Roomsche Kerk de

oudheid van dogma's van haar geloof kan aantoonen » (31).

m

Het gezond en eerlijk menschenverstand heeft intusschen recht, ja, plicht,

dit getuigenis nauwlettend te toetsen.

HET

CHRISTELIJK

GETUIGENIS

DE R

CATACOMBEN

Het getuigenis zou niet bestaan, als het beducht moest zijn voor deze onbe- vangene kritiek. De monumenten getuigen de

al ge mee ne aloude Christelijke in symbolen uitgebeelde

mentaliteit der «oudste Christelijke geslachten ».

III.

HE T GETUIGENIS

DE R

CATACOMBEN-MONUMENTEN

DRAAGT

EE N ALGEMEEN

KARAKTER.

Zonder twijfel

geven zij de heel algemeene opvatting der eerste Christenen

W

Gelijk Prof. Sinthern in de inleiding op het werk

:

.

Roma Sacra .

opmerkt

7 Overal worden wij in de nronnmenten van het Christehjk verleden ons de » tegenwoordigheid bewast van de rots. waarop Gods Zoon Znn Kerk sttchtte overal worden wij eraan herinnerd, dat wij staan op den bodem d.er Kerk van

I Rome die door den H . Ignatias (t 107) als de Voorzitster van den Lrefdebond

„ der Katholieke Kerk geprezen werd

...

»

« De opgaande Christelijke gedachte was te ,eugdkracht,g en te jeelbe » lovend om als een mooie vlek, het oude, voddige kleed van het hetdensche li ZZ te blijven sieren. De nienwe gedachte eischte gebredend een menw " ''""De omwenteling in de geesten was diepingrijpend, volkomen • het reinigings- e„ v^redenngsproces drong onweerstaanbaar tot openbartng m heel menw Tonnen Daarom treffen wij de nronnmenten, die wij tot getmgems oproepen, me InTl te Rome aan, gelijk Wilper, in meer dan één werk aantoont en bovemd Verstaanbaar tot gelding brengt in zijn werk over ^-^^ d ^rika eetuieende monnmenten staan daar ook in Spanje en Frankr.,k .n Noord Afrrka en Xerr e Oosten, om te zwijgen van de ItaHaansche steden, dre krachtrg mede

vnnrtdraeen het

getuigenis der

Catacomben van

Rome.

H

t w

ookwaarlijk niet om een of ander losstaand stuk! Het gaat over een

schier onorerzilare Jassa, die, wél geordend, immer in dezelfde gedachtensfeer

opvoert, naar dezelfde overtuiging

heenstuwt.

TOT

RECHT

BEGRIP

DER ZAAK

33

Meestdeels zijn de voorstellingen bovendien uit ééne, algemeen-Christelijke

bronader geput: de boeken van het Oud- en Nieuw Testament; altijd gelijk

Prof. Dr. Kirsch mij herinnerde, blijken zij de monumentale uitbeelding van

wat de Christelijke geschriften dier tijden in één grootschen samenhang doen

rijzen voor den geest.

Zoo staat het monumentaal getuigenis der Romeinsche Catacomben, over-

weldigend en harmonisch, als een uitbeelding der algemeen-Christelijke mentali-

teit, en gaat ook over de monumenten in toepassing, wat reeds Ignatius van Antio-

chië aan de Kerk van Rome schreef : « Gij hebt nooit iemand benijd, gij hebt allen

geleerd

...

» (34)

De Romeinsche Catacomben staan niet daar, als uitzonderlijke gevallen ;

zij leeren ons niet iets, wat lag buiten den gedachtenkring der Christenheid, in-

tegendeel, zij geven dien juist weder in klaar-verstaanbare uitbeelding.

Door hun massale talrijkheid, door hun harmonischen samenhang, door hun

overeenstemming met de monumenten buiten Rome, door hun blijkbaren oor-

sprong uit de algemeene bron der HH. Schriften, en stellig ook door de centrale

positie van Rome zelf, bieden zij het werkelijk «Christelijk getuigenis» aan.

IV.

BOVENDIEN

DAGTEEKENEN

D E STUKKEN

DER ROMEINSCHE

CATACOMBEN

UIT

D E VROEGSTE

CHRISTENTIJDEN.

't Is echter niet genoeg, dat deze stukken de algemeen Christelijke levensop-

vatting der hoogere orde openbaren ; om werkelijk te gelden als getuigenis der

«oudste Christelijke geslachten», moeten zij zonder twijfel uit de tijden dezer

oudste geslachten dagteekenen.

Er is een tijd geweest, dat men waande het machtig en dringend getuigenis

dezer monumenten te kunnen weglachen

...

Zij waren immers uit de tiende of

elfde eeuw

! ...

Zij hadden, voor den tijd, waarvoor zij werden opgeroepen en

ingeroepen, geen de minste waarde, vooral de sarcophagen getuigden niets, want

zij waren eerst in veel lateren tijd ontstaan

...

Dit doet mij denken aan hetgeen

Mgr. Wilpert mij verhaalde uit zijn ervaring. Vóór ongeveer 36 jaar bezocht hij,

met een paar vreemdelingen, die gevraagd hadden, hem te vergezellen en haar de

gewenschte verklaringen te verstrekken, de Catacombe van Priscilla. Een der

dames was diep onder den indruk der voorstellingen, die zij daar aanschouwde en

waarvan Mgr. Wilpert haar de beteekenis tot helder bewustzijn bracht. Zij woonde

Het

Christelijk

getuigenis der Catacomben.

j

34

HET

CHRISTELIJK

GETUIGENIS

DER CATACOMBEN

in Amerika. In haar land teruggekeerd, ging zij op stap naar een man, die, in haar

oogen van de stukken der Catacomben op de hoogte moest zijn en uitte haar

verbazing «O.die voorstellingen beduiden niets „.luidde de toelichting,, die hebben

Roomsche Priesters er later op geschilderd ». Machteloozer onbenulligheid leek

haar niet denkbaar ! Zij antwoordde enkel : «O, zoo». Dan bestudeerde zij de

monumenten grondig. Haar slotsom was geheel anders

...

Toen ik m 1926 te Rome

verbleef zag Mgr. Wilpert haar terug. Zij kwam den geleerde dankzeggen, want,

zoo zeid'e zij : « Uw verklaring indertijd in Priscilla bracht mij tot nadenken en ik

heb het getuigenis der steenen verstaan». Zij keerde tot de Kerk der «oudste

Christelijke geslachten » terug ...

Vergeefs hebben Misson, Burnet, Basnage en anderen beproefd, de oudheid

der Catacomben-monumenten te loochenen. Boldetti, Marengoni, Bottan en na

hen Marchi, de Rossi en Wilpert hebben, gelijk Marucchi aanmerkt, met afdoende

bewijzen de ongerijmdheid dezer fantasterij beschaamd (35) \ de Dict. apologe-

tiquekan vaststellen: «Deze (menschen) maakten zich schuldig aan zooveel

onjuistheden, dat zelfs hun geloofsgenooten heden ten dage geen de minste

waarde hechten aan hun beweringen » (36).

Juist de schilderingen en stellig vele sarcophagen zijn, naast tal van inschrif-

ten en krabbels op de muren, uit de vier eerste eeuwen des Christendom* In

tegenstelling met de mosaïeken. Terecht schrijft P. Sisto in zijn werk over het

coemeterium van Callixtus : «De latere mosaïeken en marmerplaten waren het

werk van kunstenaars na den tijd van Constantijn in de vierde eeuw. Maar de

fresco's verschijnen op de graven van den Apostolischen tijd af » (37)-

Onloochenbaar zijn de schilderingen over 't algemeen de oudste getuigen.

Enkele sarcophagen slechts dagteekenen uit de allereerste tijden van het Christen-

dom • eenige echter uit de tweede en de derde eeuw. Dit volstaat.

Het getuigenis der Catacomben staaft inderdaad in schilderwerk, beeldhouw-

werk, inschrift en krabbels de opvatting der « oudste Christelijke geslachten ».

V.

DE

STUKKEN

DER

ROMEINSCHE

CATACOMBEN

ZIJN

MONUMENTEN

VAN CHRISTELIJKE

KUNST.

Zijn zij onloochenbaar Christelijk ? Zijn de stukken niet heidensch of

onzijdig ?

„,

.

....

.

,

,

't Valt niet te ontkennen, dat men óók gepoogd heeft, het Chnsteh]k karakter

TOT

RECHT

BEGRIP

DE R

ZAAK

35

der meest waardevolle Catacomben-monumenten in twijfel te trekken

...

Wat

heeft men al niet beproefd, sinds de machtige bewijskracht dezer stukken door-

drong tot de geesten ! ...

Christelijk zijn zij echter voor de rechtbank van 't gezond verstand, — en

ook van de archeologische wetenschap.

De volle horizon van het argument : «De Catacomben waren Christelijke

begraafplaatsen, derhalve zijn de monumenten der Catacomben stellig grooten-

deels Christelijk », — kan niet met een enkelen blik worden overzien.

Het gezond verstand echter laat zich niet aanstonds opdringen, dat op een

Christelijke begraafplaats de monumenten niet goeddeels, ja, in overweldigende

meerderheid Christelijk zouden zijn. Op dit verband kom ik terug.

Waar ik thans aandacht voor vraag, is voor 't feit, dat de Romeinsche Cata-

comben zonder twijfel Christelijke begraafplaatsen waren.

Terecht haalt Albers de Rossi aan : « Wij zien, dat de Catacomben des-

tijds (derde eeuw) totaal in 't bezit der Kerk waren

...,

zij stonden onder de

geestelijke rechtsmacht der Priesters en der Romeinsche hiërarchie » (38). «Elke

titelkerk ontving eene grootere Catacombe

...

» (39). Uitvoerig behandelt Prof.

Dr. Kirsch het vraagstuk in zijn standaardwerk over de « Titelkerken van Rome»

(40) onder het hoofdstuk : « Die Titelkirchen und die Coemeterien » (de Titelkerken

en de begraafplaatsen). Zonder den minsten twijfel stonden de heilige oorden,

waar de Christenen de overblijfselen hunner dierbaren aan den schoot der aarde

toevertrouwden, onder de rechtsmacht der Kerk, die hiërarchisch in de Titel-

kerken van Rome geordend was. Op de historie dezer Titelkerken kan ik hier niet

uitvoerig ingaan.

Genoeg zij het, te herinneren, dat de Pausen de Romeinsche Christenheid

regelden; vijf en twintig of zes en twintig kleinere en grootere gebouwen van den

eeredienst, — oudtijds huizen («titels ») van heidensche bewoners, die tot het

Christendom overgingen en een deel van hun huis ter beschikking van den eere-

dienst stelden, — bestonden te Rome en de Priesters dezer kerken beheerden

tevens de begraafplaatsen. Deze waren ter beschikking der Kerk, behoorden tot

haar rechtsgebied.

Paus

Zephyrinus

(198-217)

ontving van

't geslacht

der

Caecilii, voor

de

Christenheid in 't algemeen, de begraafplaats, welke eigendom was van dit

beroemd heidensch geslacht (41). Deze Paus vertrouwde de zorg van den gewijden

grond toe aan Diaken Callixtus, die Paus Zephyrinus op den Pauselijken zetel

opvolgde in 217. Paus Fabianus (236-250) verdeelde Rome in zeven wijken en

3

Ö

HET CHRISTELIJK

GETUIGENIS

DER CATACOMBEN

wees aan welke begraafplaatsen bij iedere wijk behoorden. De Kerkelijke Ge-

meente ontving dan ook na de vervolging van Valeriaan (257) deze kerkhoven

terug. Keizer (Gallienus) twijfelde er geen oogenblik aan, of de begraafplaatsen

waren eigendom der Kerk (42).

Dat Priesters der Christen-kerken, die over deze begraafplaatsen gingen,

de graven niet voor de groote meerderheid met Christelijke, doch met heidensche

voorstellingen zouden hebben versierd, lijkt me in zich reeds onwaarschijnlijk, om

riet te zeggen onaannemelijk. - Ik geloof ook niet, dat pelgrimstochten door

Christenen eeuwen lang naar heidensche begraafplaatsen werden gehouden! De

«itineraria » (reisgidsen) der aloudste tijden zijn daar, om ons die pelgrimstochten

naar de Catacomben te verhalen.

Scherp teekenen zich overigens hier en daar, in den donkeren schoot der

aarde om Rome in de Catacomben, het heidensch en het Christelijk gedeelte af.

Domitilla van 't geslacht der Flaviers, wordt Christin, schenkt haar familie-

begraafplaats aan de Christenheid. Deze staat onder het bestuur der Kerk, gelijk

van zelf spreekt. Nu ziet men daar ter plaatse den overgang van het hypogaeum

(begraafplaats) der heidensche Flavii en der onmiddellijk daaropvolgende Christe-

nen ! Agnes stamt van 't geslacht der Claudii, - Caecilia van de Caecilu Metellae,

Lucina (stichteres van 't oudste deel van Callixtus) van de Pomponu, - Pnscilla

van de Acüii Glabriones. Dit staat historisch vast; welnu dezelfde bodem van haar

Catacomben toont zich eerst heidensch, daarna Christelijk.

Men moet ook de vurige geloofshelden, die de eerste Christenen waren, wel

een uiterst belachelijke geestesgesteldheid willen toeschrijven, als men gaat aan-

nemen dat zij op de graven hunner dierbaren voorstellingen gingen afbeelden

uit een gedachtenwereld, waaraan zij den rug hadden gekeerd, waaruit zij met

alle denkbare

vijandelijkheid werden bestookt,

waarvoor zij hoegenaamd

met

het allerminste meer konden gevoelen !

...

Is het eigenlijk niet een openstaande

deur openloopen, hierop nog aan te dringen ?

Eischt het gezond verstand met

met nadruk, dat op Christengraven, algemeen gesproken, Chnstehjke voorstel-

lineen het oog zullen treffen ?

„. „

'

,

In zijn reeds boven aangehaald werk : « Principienfragen der Chnsthchen

Archeologie », geeft

Wilpert

overigens verschillende kentekenen, varaa n

de

Christelijke voorstellingen duidelijk van de heidensche worden onderscheiden (43).

Het D

M

(« Diis Manibus », « aan de goden der onderwereld ») komt nooit op

de graven der Christenen voor. Althans niet vóór het einde der tweede eeuw,

toen deze uitdrukking haar heidenschen stempel verloren had en meerm talge-

TOT

RECHT

BEGRIP

DER ZAAK

37

meen, zeer vaag, beduidde, zekere toewijding aan

beschermende geesten, van welk

karakter dan ook. Toen waren deze letters niet meer dan een onderscheidings-

teeken tusschen een graf inschrift en een inschrift van anderen aard.

Nooit laten de heidensche inschriften voorts na, op stand, eere, waardigheid

en aanzien van den overledene te stoffen. — De Christen inschriften doen dit

nooit. — De Rossi wijst er terecht op, dat deze Christelijke soberheid, zoo

lijnrecht staande tegenover de heidensche praalzucht, niet steunt op een geschre-

ven wet, doch veeleer een gevolg was van de diepste ziele-opvatting der Christe-

nen, dat in den dood alle menschelijke grootheid wegvalt (44).

Hoe zou men kunnen twijfelen, of er verschil bestaat tusschen Christelijke

en heidensche figuren ? De Rossi (45) heeft een heele « familie » van zulke voor-

stellingen openbaar gemaakt, 257 stuks. Uitdrukkingen als de Apostolische

groet:«in vrede », afbeeldingen als het anker, de palm, heilwenschen als * in God »,

en zoo meer, zijn uitsluitend Christelijk. Aan deze figuren en zegewenschen

herkent men onmiddellijk het Christelijk graf.

Kan men overigens meenen, dat schriftuurlijke voorstellingen, waarvan

de Catacomben-graven ontelbare voorbeelden aanbieden, heidensch zijn ? Dit

lijkt ongerijmd. Onzijdig zijn zulke voorstellingen voor 't gezond verstand even-

min.

VI.

DEZE

MONUMENTEN

DER

ROMEINSCHE

CATACOMBEN

SPREKEN

VEELAL

IN

SYMBOLISCHE VORMEN.

Wie zijn blikken door de ruimten der Catacomben-crypten en kamers, langs

de wanden en bogen der arcosolia, zelfs hier en daar door de galerijen dezer diep

onder de aarde vertakte doodengebieden laat weiden, wordt herhaaldelijk getroffen

door dezelfde, in verschillende standen en groepeeringen aangebrachte, schilder-

stukken. — De sarcophagen toonen dezelfde betrekkelijke eenvormigheid ; ook

dezer figuren bewegen zich in een tamelijk beperkten kring.

Hier is blijkbaar opzet in 't spel ; hier is niet de eerste bedoeling geweest,

een of andere willekeurige afbeelding te laten zien, soms zelfs in min of meer

gebrekkige kleur-figuren en steenen-omtrekken ; hier rest enkel de, trouwens

door zeer weinig geleerden ontkende, opvatting, dat onder deze figuren aan vaste

groep van waarheden aan den voorbijganger wordt herinnerd ; dat de afbeel-

dingen met andere woorden symbolisch zijn.

38

HET

CHRISTELIJK

GETUIGENIS

DER

CATACOMBEN

Zonder de minste bedenking neemt Prof. Pijper, in 't reeds vroeger aange-

haalde artikel uit het boek : « De Catacomben, Rome-Valkenburg », waar hij

gewaagt van Wilpert's Catacomben-arbeid, diens overtuiging over : È Het is niet

te doen om de historie, maar om het symbool» (46). Daarom moeten ook, volgens

Dt. Xavier Smits, « de schilders der eerste eeuwen niet op de allereerste plaats

beoordeeld worden naar het min of meer kunstige van hun arbeid, doch ...-

beschouwd worden als predikers, als kerkelijke bedienaren, omdat zij namelijk

op de eerste plaats aan 't volk hoogere waarheid prediken in hun kunstwerken »

— (47), deze mogen dan van grooter of kleiner kunstwaarde zijn. Voor dezen

geleerde heeft er zelfs een school van schilders der Catacomben bestaan, zoodat

de taak van de versiering der grafsteden mede stond onder Kerkelijk beheer (48).

Daar is zeker veel voor te zeggen. Stellig zijn de Catacomben-voorstellingen van

de allerhoogste beteekenis, omdat « de taak der Christelijke schilders, vooral in

de tijden, dat de geloovigen in grooten getale begraven werden, ten gevolge van

vervolging en martelie, niet op de eerste plaats was de kunst, maar het geloof

te verbreiden en de eenvoudige geloovigen tot standvastigheid aan te moedigen

», ...

(49) « de beeldende kunst » (der Catacomben) « was maatschappelijk, moest ook

naar haar wijze, alles voor allen zijn

...

aan alle huisgenooten des geloofs de

waarheid, het licht en den vrede mededeelen » (50).

De voorstellingen werden dus niet gegeven om haarzelfs wil, neen, de bedoe-

ling was apologetisch, maatschappelijk-opvoedkundig ; zii hadden ten doel, het

voik, langs de lijnen der kunstvoorstellingen, op te voeren naar de hoogere ideeën-

wereld der Christenheid.

De bedoeling is dus allerminst op de eerste plaats geschiedenis te verhalen !

Neen, de historische figuren zijn symbolisch bedoeld, - zij dienen om in, aan

't volk bekende, historische gebeurlijkheden, de denkbeelden en gevoelens op te

wekken, die spontaan bij de aanschouwing van zulke figuren, bij 't zien van zulke

voorvallen rijzen voor den geest van den normaal denkenden mensch. — « Niet

om de historie is het te doen, maar om het symbool

...

»

m

H

S

Kan het verwonderen ?

Laat het waar zijn, — Prof. Kirsch vroeg mij bijzondere aandacht voor dit

feit - dat het bestaan van een eigenlijke, dwingénde wet van geheimhouding in

de eerste Christen-eeuwen moeüijk strikt te bewijzen valt, zeker oordeelt Dr.

TOT

RECHT

BEGRIP

DE R

ZAAK

39

Smits juist, dat «de vrees voor den spot der heidenen

...

aanleiding gaf tot

het

slechts beknopt in beeld brengen van geschiedkundige en leerstellige bijbelfrag-

menten » (51). Waarbij wij dan stellig mogen denken ook aan de «vervolging en

martelie » dier dagen (52).

De oude Abercius van Hieropolis zal wel dezelfde reden hebben aangevoeld,

om zijn grafschrift zóó in

te kleeden, dat het enkel verstaanbaar was voor de

broeders, die, langskomend en lezend, voor hem moesten bidden in zijn opvatting.

Dat hij met opzet symbolische termen en voorstellingen gaf op zijn beroemden

grafsteen uit het jaar 160-170 van onze jaartelling, staat op den steen zelf te

lezen : « Wie dit leest en verstaat en 't zelfde houdt als de schrijver, bidde voor

Abercius ». Hij begreep zeer goed, dat velen hem niet zouden verstaan. Tot in de

twintigste eeuw

...

(53).

Men versta mij echter wèl ! De huidige Roomsche archeologie is er ver van

af, haar kracht te zoeken in 't aanvaarden van zekere vaststaande, onsamen-

hangende symbolische vormen. Een paard beteekent bij de eerste Christenen dit,

een hert beteekent dat, een hond beduidt dit, een appel beduidt dat, en zoo meet ...

Zóó redeneert de Roomsche archeologie niet meer, zóó staat ook het vraag-

stuk niet. Het gaat over de geheele voorstellingswijze der Catacomben-monumen-

ten, over de symbolische inkleeding der denkbeeldensfeer, die de grafsteden

omzweeft. De vraag is : leest men uit het schilderwerk en het beeldhouwwerk der

Catacomben inderdaad de gedachten wereld der eerste Christenen, of zijn de figuren,

— steen dan of kleur, — niet meer dan plaatwerk, dat genomen moet worden,

gelijk het daar staat, zonder achtergrond van dieper zin en dieper duiding ? Voor

de beantwoording dezer vraag is het niet zonder belang, vast te stellen, dat de

bedekte uitbeelding der symboliek in de eerste Christen-eeuwen alleszins verklaar-

baar moet worden geacht ; dat de steen met het grafschrift van Pectorius uit de

tweede eeuw (te Autun) zonder twijfel symbolisch verhaalt ; dat ook Abercius

op zijn grafsteen in Klein Azie, eveneens in de tweede eeuw, onomwonden mee-

deelt, dat hij enkel voor de broeders in verstaanbare vormen spreekt. Stellig om

deugdelijke redenen.

Hoe geheel natuurlijk dit samenhangt

met de vrees voor spot en de gevaren,

die de Christenen van alle zijden dreigden, ligt onmiddelliik voor de hand. Zoo

kan de symboliek der Catacomben-afbeeldingen

allerminst verwonderen.

4Q

HET CHRISTELIJK

GETUIGENIS

DER CATACOMBEN

De voorstellingen zijn, daarvoor vraag ik op de derde plaats aandacht, sym-

bolisch, « secondo 1'indole dell' arte antica » (54)

« volgens

het karakter der oude

kunst» . Wi e ook maar een flauw begrip heeft van deze oude kunst, kan haar dit

karakter niet ontzeggen.

Als men te Rome ernstig om zich heen ziet en de heidensche stukken i n oogenschouw neemt van het museum van 't Capitool, het Nationale museum, het Vaticaansche museum en het Lateraansche, kan men met geen mogelijkheid

aan den indruk ontkomen, die zelfs door ta l va n

zuilen op de openbare pleinen

wordt gewekt, dat de heidensche kunst der dagen, die de Christelijke onmiddellijk voorafgingen, en uit den tijd, waarin de Christelijke monumenten zelf ontstonden, symbolische voorstellingen aanbiedt. Di t is werkelijk, gelijk ik daareven uit Marucchi aanhaalde, « het karakter der oude kunst» . He t lijkt mij uilen naar Athene dragen, dit nader te willen bewijzen. Niemand, die de antieken kent, zal het beweren loochenen. Zouden dan enkel de Christenen, die zooeven uit het heidendom waren

herboren i n de hoogere Goddelijke orde, i n hun kunstwerken het karakteristieke

verloren hebben

der

zuidelijke kunst

?

Di t symbolische hangt

toch niet

samen

met het heidensch, doch met het zuidelijk karakter dezer volken : Romeinen, Grieken, Egyptenaren, Assyriers, Joden. Of is mogelijk de oude Israelietische grafkunst der eerste Christen-eeuwen niet symbolisch ? Men werpe eens een blik in 't Israelietisch coemeterium van de vigna (wijngaarde) Randanini (Via Appia).

Men

vindt de beschrijving bij Marucchi : « Le Catacombe Romane » (55). De symboliek der zuidelijke volken bloeide van zelf uit de rijke weel-

derigheid der verbeelding hunner kunstenaars op. Wa t de tropen en figuren in

de letterkunde zijn, dat zijn immers kunsten. In zijn beroemd werk « Théorie

de symbolische vormen i n de beeldende

des

beUes lettres »,

schrijft G . Longhaye,

dat de naam-dichter en de naam-redenaar zoeken moeten naar beelden, om hun dorre ideeën leven en kleur te geven, maar dat de geboren dichter en de geboren

redenaar als van zelf hun ideeënwereld i n het lichte kleed der verbeeldingsvormen

zien aanvliegen.

Spontaan slaat i n hen de idee het beeld los.

Zoo is het, heel algemeen gesproken, ook met de zuidelijke volken. Men kan

ieder, die eenigen tijd i n

Rome verblijft, hooren zeggen, de indruk is onweder-

staanbaar : het

zijn

hier

allen

kunstenaars

...

In

den zin, dien ik bedoel, is dit

zeker waar. Niet als Romeinen op de eerste plaats, minder nog, — hoe dwaas ! -

als heidenen, neen, volgens het karakter der zuidelijke volken doorweeft hun

TOT

RECHT

BEGRIP

DE R

ZAAK

41

verbeelding hun denkbeelden met verbeeldingsvormen, en zoo wordt als van zelf

de symbolische uitbeelding geboren.

Dat de Christenen, de hemel weet hoe, aan deze algemeene zuidelijke geestes-

gesteldheid zouden ontgroeid zijn door hun Christendom, dat zulk een eisch in

't allerminst niet stelt, is tegen alle gezond begrip en tegen alle waarschijnlijkheid.

Dit klemt te meer, daar men op tal van stukken de eigen mentaliteit der

Romeinen na kan gaan; derhalve van het volk, waaruit de kunstenaars der Cata-

comben-figuren ontsproten.

De heidensche

Romeinsche beeldhouwwerken uit de eerste

eeuwen onzer

jaartelling staan in massa in de museums van Rome.

Nu spreek ik derhalve niet van de zuidelijke volken in 't algemeen, doch van

de Romeinen in 't bijzonder.

Zou werkelijk de telkens weerkeerende berenjacht op de heidensche sarco-

phagen geen andere bedoeling hebben dan een jachttafereel aan te bieden ? Zou

de Juno pronuba, (eene vrouw, die met haar twee handen, een vóór haar, in

busten afgebeeld, echtpaar beschermt b. v. n° 40799 van 't Nationale museum),

— geen andere bedoeling hebben, dan een vrouw in zulk een houding af te beel-

den ? Waarom keert dan die uitbeelding zóó standvastig terug, dat deze « pro-

nuba »- - figuur klassiek werd en bewijst, dat de sarcophaag een echtpaar bevatte ?

Hebben ook deBacchanaliën op de sarcophagen geen beteekenis ? Och kom ! Dwaal

eens eenige uren door den uitgestrekten pandtuin van het Nationaal museum, door

de hallen van het Capitolinum, in de onmetelijke zalen van 't Vatikaansch mu-

seum, bekijk de heidensche Romeinsche sarcophagen uit den Christentijd nauw-

lettend en zeg dan nog, dat de Romeinsche Christelijke kunstenaars dier tijden

geen symbolische voorstellingen gaven ...

Het lijkt mij onmogelijk.

Vóór en na beeldden de Romeinen zinnebeeldig uit op de graven

...

Enkel

de Christenen zouden plots hun wezen in de kunst hebben verloochend ?

In de eeuwen vóór Christus is dan de Romeinsche kunst symbolisch. In de

zesde, zevende, achtste eeuw eveneens ; dit blijkt in nog bestaande mosaïeken;

men zie öp naar de groepen in de absis der kerk van Pudentiana, Sabina, Prassede,

Clemente, Cosma en Damiano, Quattre Coronati; de symboliek is onloochenbaar.

Enkel in de tweede tot de zesde eeuw hebben dan deze wondere menschen, die de

4

2

HET CHRISTELIJK

GETUIGENIS

DER CATACOMBEN

eerste Christenen waren, zonder eenige redelijkerwijze naspeurbare bedoeling, hun

volkseigenaardigheid afgelegd, - was de zinnebeeldige uitdrukking hun eensklaps

vreemd ! In de zesde eeuw raapten ze die, even onverwacht als onverklaarbaar,

weer op ...

Is het niet een bespotting van het gezond verstand ?

Merkwaardig is te dien aanzien, wat Sinthern, in de inleiding op 't

pracht-

werk « Roma Sacra », aanmerkt over de symboliek van sommige ornamenten (56).

In 't beeldhouwwerk ruischt « een groot loflied op de Allerheiligste Drieëenheid ».

De drielinien-ornamentiek beheerscht blijkbaar in ontelbare vormen de Christe-

lijke kunstenaars, hier en daar reeds in de vierde, vijfde, zesde, algemeen in de

negende eeuw en later. Altijd drie gebogen lijnen, die elkaar kruisen en, uitge-

bloeid uit één uitgangspunt, zich ook harmonisch weer vereenigen

...

De voorhal

van S. Maria in Transtevere, de muren van S. Clemente, de ontelbare fragmenten

uit andere titelkerken staan daar met hun onweerspreekbaar getuigenis. Het sym-

bolische, dat vóór en na het karakteristieke der Romeinsche kunst blijkt, wordt

öf te kwader trouw aan de kunst der eerste Romeinsche Christenen ontzegd, —

öf uit onbekendheid met de oude Romeinsche kunst.

m

S

M

Wilpert vraagt nog aandacht voor een ander oogpunt, waaronder het vraag-

stuk dat ons bezighoudt, moet worden bezien. In zijn klein, maar fijn boekje :

«Wahre und falsche Auslegung der altchristlichen Sarcophagskulpturen » schrijft

hij :

« De symboliek was zóó als in 't wezen der eerste Christenheid doorgedrongen,

» dat Clemens van Alexandrië zelfs verlangde, dat de Christenen symbolische

>, afbeeldingen als duif, schip, anker, lier op zegelringen zouden griften ; en als

» «iemand visscher is, moge hij denken aan den Apostel » (Petrus) «en aan de

,, kinderen, die uit het water worden geboren» (gedoopt) (57)- «De oude Chns-

,, telijke kunst en letterkunde worden gekenschetst door de voorkeur voor de

symboliek »(58). « Zij was als een erfstuk uit het Oud-Testament, dat, evenals

» 't Nieuwe, van symboliek doorweven is » (59).

Op de symbolische voorstellingen van Christus en na Hem van de schrijvers

der Evangeliën en der brieven van het Nieuwe Testament, bouwden de Kerk-

vaders voort, en « deze groote schat van symbolen bleef niet zoo maar aan eenige

geleerden en ontwikkelden voorbehouden, maar drong door geschriften, mondeling

TOT

RECHT

BEGRIP

DE R

ZAAK

43

onderwijs, gebed en prediking te zamen met de geloofswaarheden i n de ziel van het volk. Da t de symboliek werkelijk gemeengoed der geloovigen was, bewijzen in 't bijzonder de predikingen, die i n de toehoorders de onmiskenbare kennis dezer symboliek onderstellen. Daartoe volstond, gelijk vanzelf spreekt, de kennis der voornaamste en meest gangbare van haar voorstellingen, 't Was daarvoor niet noodig, de veelvoudige verklaringen der Kerkvaders te kennen, maar deze komen voor de grafsymboliek ook niet in aanmerking, daar deze steeds eenvoudig en klaar is, zoodat de geloovige zich die kan eigen maken en ze op de schilderstukken en beeldhouwwerken der graven gemakkelijk toepassen kan » (60). Niet enkel derhalve is er geen de minste reden, om i n de Romeinsche Chris- tenen een andere, van de symboliek vervreemde, geestesgesteldheid te onderstel- len, maar voor de Christenen, die door Christus zelf, de Apostelen,de Vaders en de

volksgeschriften van dien tijd i n de

symboliek geschoold waren, was deze voor-

stellingswijze de gewoonste zaak ter wereld. De kunstenaars wisten, dat de sym-

bolische uitbeelding door de broeders zou worden verstaan. Juist deze. symbolische

voorstellingen stelden hun i n bekende

en heel natuurlijke vormen de Christelijke

ideeën voor oogen. De kunstenaars zouden tegen de door de gewoonte geijkte wijze i n hebben uitgebeeld, als zij niet i n symbolische vormen hadden gesproken i n schilder- en beeldhouwwerk. Men moet zich dus over deze eigenaardige vormen niet verwonderen, — men zou zich moeten verwonderen, als zij ontbraken ; dat is : als de kunstenaars had- den getoond, maar weinig te begrijpen van de wijze, waarop de Christenen gewoon waren, zich, als Romeinen en als Christenen, de hoogere ideeënwereld voor te stellen. Of zou men meenen, dat de Christenen dier tijden dit anders gingen doen, dan volgens de scholing, die zij ontvingen van Christus' tijden af, eerst van Chris- tus zelf, later van de Apostelen, de Vaders en zeer verbreide populaire godsdien- stige geschriften ?

De « Dictionnaire apologétique », door mij reeds meer dan eens i n 't geding opgeroepen, vraagt terecht aandacht voor het feit, dat telkens dezelfde figuren op de graven i n schilder- en beeldhouwwerk terugkeeren (61). Ware 't immers te doen geweest, om geschiedenissen te verhalen, men had duizend en méér gebeur-

lijkheden

uit de gewijde en ongewijde historie kunnen lichten !

  • 44 HET

CHRISTELIJK

GETUIGENIS

DER CATACOMBEN

Waarom vindt men dan telkens dezelfde ? Waarom tachtig maal de ééne,

negentig maal een andere figuur ? Waarom keert schier immer dezelfde gedachten-

kring (cyclus), met kleiner of grooter wijziging terug ? Het lust mij niet, hier "de

getallen op te stapelen. Reeds lang hebben verschillende Duitsche geleerden

opgeteld, hoe dikwerf Noë, Jonas, de jaargetijden, Susanna, de Orante-figuur,

de Goede Herder, Abraham, Daniël, en zoo meer onder de Catacomben-voorstel-

lingen voorkomen.

Mijn taak is niet, deze eigenaardigheid uit archeologisch oogpunt te bezien,

maar te wijzen op het symbolisch karakter dezer altijd weerkeerende zelfde

figuren.

Wie zal meenen, dat de op vaste plaatsen op de muren van Roomsche kerken

steeds geschilderde kruisjes geen beteekenis hebben, bij wien zal zich niet van

zelf de vraag opdringen, wat deze beduiden ? Waarom juist overal dezelfde

figuur ? Waarom juist daar ? Wie neemt genoegen met het antwoord : « enkel

om de eentonigheid van het muurvlak te breken ? » Als toch immer weer, als

op geijkte punten, op de muren diezelfde kruisjes staan !

...

Niemand, tenzij hij

loochenen wil, zal ontkennen, dat er een bepaalde reden moet zijn voor deze

steeds zich herhalende bepaalde figuren.

« Voorvallen uit den Bijbel in beperkt aantal, worden in de Catacomben

afgebeeld. Deze beperkte keuze der onderwerpen en de veelvuldigheid der voor-

stellingen bewijzen, dat zij voor de eerste geloovigen symbolische beteekenis

hadden ». Aldus in de « Dictionnaire apologétique » P. Allard (62).

Zaak van gezond verstand.

Er moet een reden zijn voor deze blijkbaar opzettelijk telkens weder uitslui-

tend gekozen versieringen.

Geschiedenis te vertellen, is de reden blijkbaar niet.

De eenige denkbare reden is, dat deze voorstellingen, althans voor de omge-

ving, waarvoor zij werden geplaatst op de graven, een bijzondere beteekenis

hadden, door de kunstenaars beoogde denkbeelden en gevoelens opwekten.

Dat is met andere woorden zeggen, dat zij symbolisch zijn.

Dit klemt te meer, als wij de figuren nader bezien.

Herhaaldelijk nemen zij vormen aan, die zoo klaarblijkelijk symbolisch zijn,

dat men geen kans heeft, dit te ontkennen, tenzij men de kunstenaars onbenul-

TOT

RECHT

BEGRIP

DER ZAAK

45

ligheden en ongerijmdheden wil toeschrijven. Wilpert (63), P. Sisto Scaglia (64),

Marucchi (65) en andere schrijvers vragen terecht aandacht voor dit vaststaand

feétv ..

Zou de schilder, zou de beeldhouwer, die toont, zoo nauwkeurig de geschie-

denis der opwekking van Lazarus te kennen, dat hij zelfs de tot Jesus smee-

kende Maria (66) niet vergeet, niet geweten hebben, dat Lazarus geen vrouw was ?

Hoe komen de drie jongelingen in den Babylonischen oven aan den vredetak

van Noë's duif in de hand ? Hoe rijst Daniël uit den kuil als Lazarus uit zijn

graf ? Hoe komt Noë aan de figuur van een jongen of een meisje van vijftien,

zestien jaar ? Kon de kunstenaar hier aan historische uitbeelding denken ?

Wie kan de

historie van Noë kennen en wanen, dat deze oudvader vijftien,

zestien jaar oud was, toen hij in de ark de bruisende golven overwon ? Hoe kon

een beeldhouwer denken, dat Isaac voor Pilatus heeft terecht gestaan ? Hoe

kunnen de drie jongelingen van Babyion aan Nabuchodonosor weigeren, het af-

godsbeeld te aanbidden, met een heenwijzen naar de ster, die toch enkel aan de

geloofstrouw van Bethlehem's Wijzen herinnert ? Kon de kunstenaar, die toont,

Daniël's geschiedenis te kennen, meenen, dat de profeet in den kuil stond met

twee ouderlingen ? Dat hij gevoed werd met brood en visch ? Dat hij een deel at

van de brooden, die restten van de wonderdadige broodvermenigvuldiging in de

woestijn ? Dat er ooit een oogenblik was (het tegendeel staat in de H . Schrift),

waarop twee grijsaards Susanna beschuldigden en naast haar Daniël haar ver-

dedigde ?

Men kan tal van andere voorbeelden in de Catacomben-stukken vinden.

Het symbolische is hier klaarblijkelijk.

Of wel de schilders en beeldhouwers hadden hun verstand verloren.

Zij kenden oogenschijnlijk de geschiedenis, die zij uitbeeldden, tot in bijzon-

derheden ; zij hebben deze dan doelloos, onberaden en hersenloos vervalscht.

Mogelijk aanvaardt

te nemen ...

iemand liever deze verklaring, dan het symbolische aan

Het gezond verstand eischt echter, dat het den kunstenaars

« niet te doen

was om de geschiedenis, maar om het symbool ».

Zij willen niet op de eerste plaats verhalen, wat Noë, Daniël, Lazarus,

Susanna, Jonas, enz., overkomen is,— zij willen niet op het graf van den H. Janua-

rius allereerst vertellen, hoe er op het land wordt gezaaid en gemaaid en het

graan in schoven gebonden. Zij willen op tal van graven geen gymnastische

voorstellingen geven van menschen, die hun armen uitrekken en omhoog houden.

4 6

HET CHRISTELIJK

GETUIGENIS

DER CATACOMBEN

Zij willen niet verschillende vischsoorten laten kijken aan de voorbijgangers, als

zij visschen afbeelden

op

de

muren

...

Zij willen ook niet, met onverklaarbare

koppigheid, telkens opnieuw, zonder zin of reden, de historie van Susanna ver-

tellen.

Dan zouden zij ten minste juist verhalen.

Dat doen zij herhaaldelijk niet.

Zij steken er den draak mee, of zij hebben de geschiedenissen als uitgangs-

punt genomen, om bepaalde denkbeelden in de voorbijgangers op te wekken. En

omdat, bij voorbeeld een of ander graf voor een vrouw was aangelegd, een of

andere' sarcophaag een vrouw bevatte, beeldden zij Lazarus als vrouw af. Hun

doel was dan blijkbaar, te zeggen : « De vrouw, die hier rust, denken wij ons

in den zegevierenden toestand van Lazarus, die door Christus' wonderkracht, den

dood overwon ».

«De afbeeldingen zijn niet als willekeurige, loutere versierselen van de wan-

den aangezien, » schreef Prof. Kirsch mij in Maart 1925.

« De tooneelen

worden dikwerf, de Oud-testamentische bijna

immer, met

om zichzelf afgebeeld, maar om de symbolische idee, die zij in tastbare vormen

voorstellen » (67).

Stellig mag ik tenslotte opmerkzaamheid vragen voor een denkbeeld van

Harnack. Het lijkt mij treffend juist.

« De eerste Christenen, voortdurend levend in het aanschijn des doods,

» onder het zwaard der vervolgers, kunnen niet, dan in hoogst ernstige beteekenis

» deze meer dan eens omvangrijke schilderwerken hebben aangebracht » (68)-

Hier raken wij reeds het hart der kwestie.

Hier worden wij reeds naar de gedachte verwezen, die den eersten Christenen

voortdurend voor den geest zweefde, en die juist ook symbolisch m de schilder-

werken en beeldhouwwerken herinnerd werd; zij het dan ook, om langs die on-

weerstaanbare gedachte zich tot hooger denkbeeld te verheffen.

Ongetwijfeld was er geen stemming in die angstige en bange dagen, om, met

tegennatuurlijke kalmte, onderaardsche begraafplaatsen met plaatjes te gaan

versieren.

Daarvoor was de tijd te ernstig.

Het voortdurend dreigend doodsgevaar te nijpend.

TOT

RECHT

BEGRIP

DER ZAAK

47

De verwoedste vervolgingen werden losgelaten tegen de jonge Christenheid ;

overal werd zij bespied, verdacht gemaakt, opgejaagd, te vuur en te zwaard

verdelgd. Dan gaat niemand doodkalm tafereeltjes op wanden van graven schil-

deren ...

« Niet dan in hoogst ernstige beteekenis kan dan zulk omvangrijk schilderwerk

aangebracht

zijn

...

»

Ieder, die menschelijk meevoelt, zal dit erkennen.

Hier komt mij de roerende schilderij voor den geest, die mij steeds diep

heeft getroffen. Een treurige, slepende stoet. Op een doodsbaar een jong meisje.

Vóór de baar, ernstig, diep gebogen het hoofd, de vader. Aan beide zijden der

baar broeders en familieleden van het meisje. Achter de baar, snikkend, de ver-

loofde. Langzaam, treurig, gaat de rouwstoet de Catacomben binnen. Straks

zijn zij in het kamertje, waarin de dierbare zal worden bijgezet. Dan zal rustig

en vredig staan boven haar graf, haar eeuwenlangen doodsslaap beheerschend,

wat onder de plaat geschreven staat : « Sabina, mijn dochtertje in vrede ».

Daar treden zij het doodenkamertje in ...

Zouden zij daar een schilder vinden, die doellooze tafereeltjes maalt boven

het booggraf, waaronder straks de martelares rusten zal ? Kan men zich zulk

een ontwijding verbeelden ?

Neen, waarlijk, de tijd was te ernstig

voor zulk ijdel kleurenspel ...

De heele Christenheid leefde als in de sfeer van lijden en dood. Er was tijd

noch lust voor zulk onbeduidend bedrijf. De priesters, die de begraafplaatsen

beheerden, konden niet aldus de hoogst-menschelijke roerselen laten kwetsen.

De schilderwerken en beeldhouwwerken moeten

in harmonie zijn

geweest

met de teerste gevoelens, met de verheven gedachten dier hooge, in het Godde-

lijke levende zielen.

VIL

D E

SYMBOLIEK

DIER

STUKKEN

IS

GRAFSYMBOLIEK.

Dit is het hart der kwestie.

De symboliek der Catacomben-figuren is onverstaanbaar,

als men ze niet

beschouwt, gelijk zij is : Christelijke grafsymboliek.

Zoo geef ik er mij rekenschap van, dat mijn bewijzen voor het symbolisch

karakter der Catacomben-schilderingen en beeldhouwwerken soms onvolledig aan-

doen, tenzij men bijwijlen symboliek als graf-symboliek verstaat.

4 8

HET

CHRISTELIJK

GETUIGENIS

DER CATACOMBEN

In zulke mate treedt de grafgedachte

naar den voorgrond, dat Albers (69)

schrijft : « De symboliek dezer graf-schilderingen wordt geheel beheerscht door

het leven der genade, de eeuwige rust en de Hemelsche Zaligheid der afgestor-

venen, voor welke ze worden vervaardigd. Wie den afgestorvene uit het oog ver-

liest, verklaart dan ook die symboliek gewoonlijk verkeerd ».

Grafsymboliek derhalve op de eerste plaats.

De grafgedachte der Christenen is de sleutel dier zinnebeeldige voorstellingen.

De eenige.

« De versierselen worden niet om haar zelfs wil opgenomen,maar omdat men

ze in verband brengt met den doode » (70).

Omdat de Christenen in de lichamen der afgestorvenen tempels van den

H. Geest zagen, nu daar machteloos neerliggend in den slaap des doods, weldra

in stof vergaan en tot den schoot der aarde weergekeerd, maar geroepen om in

Christus te herrijzen in heerlijkheid, — daarom ging hun gedachte, over de graven

heen, uit naar de in den strijd gewonnen zegepraal, die de dierbaren wachtte,

waarin de overlevenden hen reeds aanschouwden in hun blijde, juichende hoop ...

« Oppermachtig beheerscht het gevoel voor de dierbare afgestorvenen en de

zucht naar het eeuwig leven de Catacomben, weerspiegelt zich in ieder monument

van deze machtige rustplaatsen der oorspronkelijke Christenheid. De geloovigen

der eerste eeuwen, midden in de heidensche wereld van zinnelijk materialisme

geplaatst, moesten zeer krachtig het verlangen gevoelen naar een toekomstig

leven, een zalige eeuwigheid, die het loon zouden zijn van zooveel offers en zooveel

vervolging, en die hen zouden schadeloos stellen voor den haat en de verachting,

waarmede zij werden bejegend

door het trotsche heidendom ». Aldus terecht

Prof. Marucchi (71).

 

Om

de

graf gedachte

der

Catacomben-figuren

te

verstaan

lijkt me dit

afdoende.

Dat op een kerkhof de grafgedachte zich opdringt, behoeft wel geen betoog.

Niemand ontkomt aan dien indruk op den doodenakker. De rustplaats der

overledenen roept de ernstige denkbeelden wakker over 's menschen aardsch

en toekomstig bestaan. Vooral, wanneer onze eigen dierbaren daar rusten.

Men ziet het aan den starren blik, aan den langzamen tred, aan den gébogen

gang hoezeer de geest des menschen op de begraafplaats door de zware grafge-

dachte beheerscht wordt. Daaraan ontworstelt zich geen normaal voelend mensch.

Wat daar wordt gesproken, klinkt uit de grafidee. Volgens de overtuiging,

die leeft in den geest van hem, die spreekt. Het afgesloten verleden wordt in

T O T

RECH T

BEGRI P

DE R

ZAA K

49

verband gebracht met de verwachting der toekomst, als men aan een toekomstig

leven gelooft. Hangt men de overtuiging aan, dat het leven in den dood is onder-

gegaan, men ziet terug in geest en woord op het reddeloos weggevallen aardsch

bestaan. Ernstig is de grafgedachte immer, hetzij men aan de eeuwigheid na dit

bestaan waarde hecht of niet.

Gelijk de overtuiging is, zal het denkbeeld zijn bij het graf ; gelijk de over-

tuiging is, zal het woord klinken bij het graf ; gelijk de overtuiging

is, zal

de

symbolische afbeelding zijn, waarin men uitspreekt zijn verwachting voor den

doode.

Om de overweldigende

macht,

die uitgaat

van het doodenrijk, waar men

staat en aan welks indruk men niet ontkomt.

Zoo is het klaar, dat de symboliek der Catacomben-figuren grafsymboliek

zal zijn.

Een andere is er niet te verwachten.

Wie ze niet zóó beschouwt, maar de afbeeldingen buiten dit graf-verband

wil verklaren, zal mistasten of gewrongen verklaringen geven. De natuur van het

graf zelf geeft de lijn der verklaring aan.

De grafgedachte nu der Christenen is de slaap der scheiding van het aardsche.

maar ééne, waaruit de ziel voor de eeuwigheid opstaat in heerlijke verrijzenis.

Dat is de zegepraal-gedachte van het Christelijk graf.

Zal niet, even natuurlijk en spontaan als de overlevenden op den dooden-

akker in hun gedachten zich troosten met de eeuwige victorie hunner dierbare

overledenen, ook even natuurlijk, en spontaan deze blije en triumf antelij ke

verwachting zich afspiegelen in de openbaringen hunner ziel, woorden dan, of

symbolische afbeeldingen ?

Komt het niet op hetzelfde neer, of wij over een overledene op een kerkhof

spreken : « Christus zal hem eenmaal opwekken van de dooden », of wel deze idee

uitbeelden in Christus, die Lazarus opwekt uit den dood ? ...

Dringt zich deze beschouwing niet nog met te meer kracht op bij een volk

als de Romeinsche eerste Christenen, zoo kunstzinnig en, als zuidelijk volk, zoo

geneigd tot symboliek vol sprekende uitdrukking ?

En wordt dit bovenal niet de heel natuurlijke en als zuivere waarheid zich

opdringende verklaring voor de symbolische grafafbeeldingen der eerste Christe-

nen, zóó vervolgd, zóó, dag in dag uit, levend in druk en nood, zóó gemarteld en

afgeslacht om hun hoogere overtuiging ? Moest niet, als met geweldige vaart, hun

heele zielezucht omhoog gaan naar die eeuwigheidszegepraal, die hun altijd voor

Het

Christelijk

getuigenis der Catacomben.

H ET

CHRISTELIJK

GETUIGENIS

DE R

CATACOMBEN

oogen stond, waarvoor, aan alle zijden, broeders en zusters uit hun liefste kringen

het aardsch bestaan offerden ? Moest hun niet in het groote donkere doodenrijk,

uit den dood zelf de toekomst rijzen in de stralende glorie der eeuwige overwin-

ning die zij getuigden voor de rechtbanken hunner heidensche haters, die zij

bevochten in Collosseum en Circus, die zij als den inzet hadden aanvaard al hunner

martelies, die zij als de ééne parel hadden leeren zien, waarvoor de mensch met

winst het al verliest ? En kon het dan anders, of de Catacomben-muren werden

de vlakken,

die de breede

vlucht der eeuwigheidsideeën dezer menschen vast-

hielden, -

de spiegels hunner onverwoestbare idealen, de steenen massa s, die

weerkaatsten hun onsterfelijke verwachtingen ?

'

" /

*

_

De overheerschende idee is onloochenbaar : de grafidee ; wil men het denk-

beeld in andere, geijkte termen, de idee is «eschatologisch», «paranetisch»,

. sepulchraal » ; - dat is : de idee dezer figuren is overheerschend « uiteindelijk »,

ziet allereerst naar het eeuwige einddoel des menschen, jaagt, over het graf heen,

naar de eindzegepraal omhoog (72).

VIII.

Zóó BEGREPEN , GETUIGEN

D E MONUMENTE N

DE R ROMEINSCHE

CATACOMBEN

D E

GRAFVICTORIE-GEDACHTE

DE R

EERSTE

CHRISTENEN .

Dit is een logisch gevolg van het voorafgaande. Iets nieuws biedt dit hoofd-

stuk niet aan ; enkel een nadere toelichting. Het

spreekt immers vanzelf dat

i

n

verband met de beheerschende grafgedachte, de Catacomben-figuren enkeIte

zien geven.wat de eerste Christenen zich dachten als in meer onmiddellijk verband

met de eeuwigheidszegepraal.

Een volledig dogma-boek zijn de Catacombenmuren dus allerminst (73). Zi]

geven in zinrijke symboliek de onsterfelijkheidsidealen weer, die de overledenen

oeheerschten, de onsterfelijkheids-werkelijkheid, die zij wonnen honderd en

duizend maal door hun weerloozen marteldood.

Zoo staan

de figuren daar,

als het

getuigenis van wat zij,

die

ze

op

deze

gewijde muren uitbeeldden, over dit toekomstige dachten.

Zoo staan zij daar eveneens, als het getuigenis, van wat zij, die de figuren

aanbrachten, opvatten nopens de levenszegepraal van hen, die daai• rus tem

Zooals vrome Christenen, - ik spreek nu eerst van Chnstenen, die met tot

de Roomsche Kerk behooren en geen bidprentjes voor overledenen plegen saam

te stellen - na het overlijden van een liefdadig, geloovig mensch, spreken .

TOT

RECHT

BEGRIP

DE R

ZAAK

51

« De Heer zal hem (haar) genadig zijn, want hij

(zij) was goed voor de armen »

of « was standvastig in de rechtvaardigheid ». Beeld dat nu in steen- of schilder-

werk uit, het getuigenis is hetzelfde. Het geeft terug, wat men gevoelt, als den

grond der innige, blije overtuiging, dat de overledene in de eeuwigheid 's levens

eindzegepraal won.

Roomschen schrijven op een bidprentje : « Hij (zij) opende zijn (haar) hand

voor den behoeftige », — « De rechtvaardige leeft door het geloof ».

Die het bidprentje samenstelt, geeft met deze woorden zijn overtuiging weer,

dat milddadigheid jegens de armen, of dat geloofstrouw voert tot God in den

Hemel.

En deze woorden geven óók weder, wat als de levensdaad wordt

gedacht

in den overledene, die dezen gevoerd heeft naar zijn hemelsche bekroning.

Dat is 't logisch begrip

van een bidprentje. 1

De Catacomben-figuren op de graven zijn bidprentjes

in steen of schilder-

werk ;

de idee is dezelfde.

En zij geven dan ook van zelf, gelijk zulke bidprentjes,

de lijn aan,

waarlangs de overlevenden, in hun gebeden voor de overledenen, hun geest en hun

 

hart laten gaan.

» Heer, erbarm U over Uw dienaar, gedenk zijn liefde voor de armen, vergeef

hem, terwille van zijn naasteliefde, wat hij mogelijk tegen U misdreef ».

« Heer, Gij weet, dat deze man een zondig mensch was, maar gedenk

zijn

groot geloof, vervul in hem Uwe beloften, die Gij hebt uitgesproken over hem,

die leeft uit het geloof ».

Is dat niet het heel spontaan gebed, dat, door den tekst van 't aangehaalde

bidprentje, voor den overledene oprijst uit de ziel ?

De

Catacomben-figuren

gevolg (74).

hebben,

met

hun symbolische figuren, hetzelfde

De schilder of beeldhouwer dier figuren spreekt er dus vooreerst in uit, hoe

hij, als Christen, zich de eeuwigheid voorstelt, waaraan het graf hem denken

doet ; blijkbaar komt hem, aan het graf, een zegepraal-idee voor den geest, stelt

hij zich de toekomst, na het graf, vóór als een heerlijke overwinning.

Op de tweede plaats geeft hij verschillende figuren, die als om de overwin-

nings-afbeelding worden gegroept ; zij geven als de lijnen aan, waarlangs hij

zich denkt, dat de levenszegepraal in de eeuwigheid bevochten wordt.

Mag ik het nu in geijkte, meer wetenschappelijke termen uitdrukken ?

Subjectief (voor den maker zelf) duidt de symboliek der Catacomben-

5

2

HET CHRISTELIJK

GETUIGENIS

DER CATACOMBEN

figuren aan hoe de schilder, de beeldhouwer, zich de toekomstigheid na den dood

denken namelijk als een victorie over het aardsch vergankelijke na harden levens-

strijd, - en de levensdaden, die, in hun opvatting, tot deze levenszegepraal

opvoeren.

Objectief (voor de overledenen zelf) duiden de symbolische figuren der Cata-

comben aan, dat deze overledene, op wiens graf de figuren staan, in de schatting

dan van den kunstenaar, tot deze victorie opsteeg, en door welke levensdaden

deze man deze vrouw, dit kind tot den triumf des hemels zich bereidden (75).

Spreken de figuren met op een bepaald graf, doch in een gang, op een muur dezer

Christelijke doodenrijken, dan gaat de grootsche levensgedachte zoowel van de

eindzegepraal als van de daad, die deze wint, over vele graven tegelijk uit.

Zij zeggen steeds in fresco of marmertaai, dat deze geloovigen, door het

beleven der in symbolische vormen uitgebeelde, overtuiging, de eeuwige zege-

praal wonnen, - zij zijn, wil men het zich eenvoudig voorstellen, bidprentjes in

schilder-of beeldhouwwerk.

Met dezelfde bedoeüng. met dezelfde beteekenis, met dezelfde uitwerking (76).

Het behoeft wel geen betoog meer, dat de symbolische figuren derhalve

logisch

in

twee

groote

groepen

moeten

vallen

:

Vooreerst

de groep, die de levenszegepraal na den dood symboliseert.

Vervolgens de groep, die deze

overwinnings-idee omstuwt, die symboliseert,

wat

door de eerste Christenheid bij het graf werd gedacht als de waarborg dezer

^Da t ik thans als bekend onderstel, hoe de Catacomben graf-symboliek

aanbieden, hoe zij afbeeldingen geven, ontstaan in de eerste eeuwen des Christen-

doms hoe de voorstellingen Christelijk zijn en niet heidensch, - dat ik dit thans

onderstel, is, meen ik, na het bovenstaande, mijn eerlijk, goed recht.

I X . UIT

D E

CATACOMBEN-FIGUREN

(MILIEU),

MOETEN

VERKLAARD

ONTSTAAN.

HET MIDDEN

WAARIN

ZIJ ZIJN

Het midden is vooreerst de gewijde omgeving van het graf.

Men hoeft nog niet juist in de hooge zielestemming te leven, waardoor de

TOT

RECHT

BEGRIP

DE R

ZAAK

53

Rossi keer op keer in de Catacomben biddend neerknielde, en waardoor Philippus

Nerius er de nachten overwegend doorwaakte. Maar als men niet iets gevoelt, van

wat zoo innig treft in het werk « Roomsche schoonheid » van Molkenboer, waar

deze schrijver zijn Catacomben-bezoek met zooveel piëteit en heilige geestdrift

verhaalt, dan moet men er liever over zwijgen. De Catacomben-vraag is heel iets

anders, dan het nasnuffelen van bijvoorbeeld de reisroute van Vasco de Gama of

de historie van Jacoba van Beieren. Dat is zuivere historie ; — de Catacomben-

geschiedenis is wel degelijk het mede-aanvoelen van de heilige graf gedachte, die

door deze gewijde duisternissen zweeft. Wie daar binnentreedt, enkel gewapend

met de opgestoken kuif van een ongeloovigen criticus, zal even bedrogen uitko-

men, als de man, waar Hugh Benson den spot mee drijft in zijn meesterwerkje :

«Christus in de Kerk» (77), die de symphonie van Beethoven wil verklaren met

trillingen of de schoonheid der bloem met chemische formules. Ook het gemoed

heeft zijn rechtmatige sfeer en het verstand kan het gemoed niet op eigen gelegen-

heid uitleggen. De Catacomben-symboliek eischt, dat men ze late in 't milieu

(midden) waarin ze werd geboren : de gewijde gemoedssfeer der geloovige

ziel. Daar leeft ze, daar spreekt ze, daar komt ze met volle kracht tot den be-

schouwer. Wie ze gewelddadig rukt uit haar natuurlijke sfeer, vermoordt ze. Dan

houdt men niet over, dan het doode, zwijgende element ; maar dit element zwijgt

niet, daar het niet getuigen kan, maar, omdat men het tegennatuurlijk heeft

verwrongen.

De schuld ligt niet bij de Catacomben-figuur, maar bij het gemis aan juiste

waardeering van den al te eenzijdigen beoordeelaar.

Eerlijk was de erkentenis van den Duitschen geleerde, die mij op mijn terug-

tocht uit de Catacombe van Petrus en Marcellinus vergezelde, 16 April 1926. Wij

hadden deze bezocht onder geleide van Mgr. Dr. Kirsch, in tegenwoordigheid van

den bekenden Bollandist Delehaye en andere geleerden. De verklaring was, gelijk

men van Mgr. Dr. Kirsch kon verwachten.

Ik verstoutte mij, met den Duitscher terugwandelend, die jarenlang studeerde

aan 't Duitsch Instituut te Rome, dezen te vragen : « Zou ik mij vergissen, zeg

U mij eens open, wat U denkt, als ik meen, dat per slot van rekening scholing te

Rome zelf noodig is, voor ons, kinderen van het Noorden ? Zou het niet waar zijn,

dat men niet missen kan de middellijke of onmiddellijke aanraking met de zuide-

54

HET

CHRISTELIJK

GETUIGENIS

DER CATACOMBEN

lijke mentaliteit, omdat de noordelijke er te veel van verschilt ? Zou U denken,

dat men overdrijft, als men zegt, dat stukken, die geworden zijn uit de ziel van

zuidelijke Christenen en dagteekenen uit de eerste eeuwen des Christendoms,

stellig niet kunnen verklaard worden met de mentaliteit van ongeloovige noorder-

kathedergèleerden uit de twintigste eeuw ?» « Da haben Sie ganz recht, » luidde

het eerlijke antwoord, « Gij hebt groot gelijk ».

Het schijnt mij hetzelfde, als Japansche monumenten te willen verklaren

met de opvattingen van Hongaren. Dit leidt begrijpelijkerwijze tot niets.

Het leidt ook tot niets, de Catacomben-figuren uit de verte te beoordeelen.

Dat begreep de Valkenburgsche Commissie zoo goed, die telkens weder naar

Rome toog, om de werkelijkheid te aanschouwen.

Deze is zoo heel anders, of liever geeft zoo'n heel ander beeld, dan men uit

boeken vermoeden zou. Het getuigenis der steenen komt niet tot ons, tenzij men

de oude werkelijkheid voor oogen zie en onder den onweerstaanbaren indruk

gerake van den telkens overal weerkeerenden gedachtenkring.

Dan dringt zich aan het gezond verstand de gevolgtrekking op, dat deze

figuren-groepen opzettelijk aldus zijn gesteld, opzettelijk aldus de onder de sym-

bolen verborgen waarheden getuigen op de graven.

Dien indruk geven boeken niet in die mate.

Monumenten getuigen nu eenmaal anders dan documenten.

Verstaat men de Catacomben-monumenten met de piëteit, die zij eischen,

los van de vooringenomenheid, die het oordeel gevangen houdt, — in den geest

der zuidelijke denkbeelden en denkwijzen, volgens de school der mannen, die

deze stukken in levens van toewijding ter plaatse hebben bestudeerd, dan zegt

het midden, waaruit zij zijn ontstaan,

ware beteekenis uit.

met

overweldigende duidelijkheid hun

Dat midden (milieu), waaruit zij moeten worden verklaard, is, zakelijk

beschouwd, de eerste Christenheid zelf.

Swoboda zegt het zoo goed : « De monumenten moeten worden gezien met

de oogen van hen, die ze hebben gemaakt ».

TOT

RECHT

BEGRIP

DER ZAAK

55

Zoo is 't met alle monumenten. De naald van Waterloo te Soestdijk kan niet

verklaard worden met de mentaliteit van Groenlanders uit de twaalfde eeuw.

Enkel de historische omgeving, waaruit dit monument groeide, kan het redelijk

doen verstaan.

Een molentje, ergens in den gevel van een huis, vindt uitsluitend zijn juisten

uitleg uit den geest van hem, die het in den gevel geplaatst heeft. Het kan 't één

of 't ander voorstellen, het stelt inderdaad enkel vóór, wat de maker bedoelde,

't Is aan 't molentje niet te zien. Het blijkt uitsluitend uit de opvatting van

dengene, die dit symbool in dezen gevel heeft laten metselen.

Zoo is het ook met de symbolische figuren op de graven der Christenen in

de Catacomben.

Zij moeten uit hun milieu, de eerste Christenheid, worden verklaard. Zij

eischen derhalve, dat men zich rekenschap geve van de mentaliteit der Christenen,

welke beheerscht werd door zeer scherp geteekende denkbeelden, waarvoor zij

leden en stierven, die hun leven waren en hun ziel, die zij putten

uit de heilige

Boeken en uit de gewijde geschriften dier dagen.

Die de figuren lieten maken en veelal ook maakten, waren de Christenen der

school van het Evangelie ; Christenen, die dachten langs de lijnen door Christus

aangeduid ; Christenen die de brieven van Paulus, vooral dien aan de Romeinen

kenden ; Christenen die niet onkundig waren van de brieven van Petrus en

Joannes, die, althans stellig de meer ontwikkelden, den brief van Clemens voor

de hoofdzaken in zich opgenomen hadden ; die geschoold waren in dat boekje uit

  • 80 tot 85 Van onze jaartelling : « Leer der Apostelen », Christenen, die de veel-

vuldig verspreide apocriefe boeken kenden (79) en voor wie de brieven van Poly-

carpus en Ignatius, de Apologieën van Justinus, de hoofdlijnen der werken van

Tertulliaan, Irenaeus niet vreemd kunnen zijn geweest.

Dat er tal van Joden onder de eerste Christenen waren, lijkt aan geen twijfel

onderhevig; dat, onder deze, minstens de beter gestelden, niet onkundig waren

van het Oud-Testament, zal wel niemand tegenspreken. Ook zijn de toespelingen

van Christus en de vroegste kerkelijke schrijvers op sommige verhalen uit het

Oud-Testament talrijk en duidelijk.

Zeden en gewoonten der « oudste Christen-geslachten » spelen mede een rol

in het natuurlijke midden, waaruit de Catacombenstukken ontstonden.

Tenslotte mogen de oude liturgieën niet worden voorbij gezien.

Dezer datum vaststellen, zal misschien immer onmogelijk blijven. Maar het

is volstrekt niet moeilijk te begrijpen, dat zij dagteekenen uit de eerste tijden des

  • 56 H ET

CHRISTELIJK

GETUIGENIS

DE R

CATACOMBEN

Christendoms. Zij worden meest geheeten naar de stichters der Kerken, of naar

een zeer op den voorgrond tredenden bisschop. Wij kennen de Liturgie van

Jacobus, (apostel, bisschop der Kerk van Jerusalem), de Liturgie van Marcus,

(evangelist, bisschop van Alexandrië),van Joannes Chrysostomus (Constantinopel),

Cyrillus, Basilius, Gelasius. Zelfs spreken sommigen van de Liturgie van Petrus

(Rome). Men kan bezwaarlijk aanvaarden, dat deze liturgieën zouden heeten naar

mannen, die althans niet in de hoofdlijnen deze eeredienstregelingen hebben

getroffen ; overigens komen zij in zooveel hoofdpunten overeen, zelfs in termen

en uitdrukkingen, dat men onweerstaanbaar in een tijd wordt teruggeplaatst,

toen de Christenen nog een kleine onverdeelde, gelijkvormige gemeenschap samen-

stelden. Cyrillus en Chrysostomus, schrijvend in de vierde eeuw, toonen boven-

dien in hun geschriften, dat zij zich de liturgieën als reeds lang bestaand

dachten. Zoo voeren de liturgieën ons naar de alleroudste Christentijden terug.

De monumenten der Catacomben moeten derhalve begrepen worden uit dit

groote midden van Evangeliën, kerkelijke geschriften, zeden en gewoonten,

liturgieën, waaruit zij heel ongedwongen zijn ontstaan.

Zij geven in beeld, wat in de geesten der Christenen leefde, door tal van

verscheiden, doch harmonisch zich aanvullende geschriften dier dagen.

Het kon niet anders, of dit spontane, zuidelijke volk ging uitdrukken in

tastbare vormen op de graven, wat, in verband met het graf, hun denkwijze

beheerschte, hun gemoed vervulde.

Beziet men de Catacomben-figuren aldus, uit dit natuurlijk midden, men

beziet ze, gelijk Swoboda rechtens vordert, met de oogen van hen, die ze maakten.

Men heeft dan kans ze te verstaan.

Neemt men ze buiten dit verband, breekt men ze los uit hun normale omge-

ving, zij staan menschkundig onverklaarbaar vóór ons, daar zij hun ondergrond

verliezen.

Houdt men ze in 't verband, waarin zij behooren, zij bieden het meest

gewone verschijnsel ter wereld. Men zou zich redelijkerwijze verbazen, als zij

niet prijkten op de wanden dezer wijdingvolle begraafplaatsen uit den eersten

Christentijd.

TOT

RECHT

BEGRIP

DER ZAAK

57

3° DE LOGISCHE OPZET VAN DIT BOEK

Gelijk ik boven reeds besloot, gaat het getuigenis der steenen, wel verstaan,

in dubbele richting.

Vooreerst : luid sprekend van zegepraal over den dood.

Vervolgens : van zekere ideeënwereld, die in verband met deze zegepraal

werd gedacht, daarmee samenhangt, als de oorzaak met het gevolg.

Zoo ligt het voor de hand, dit boek in twee afdeelingen te splitsen.

I. De voorstellingen der levenszegepraal.

II. De voorstellingen der gedachtenwereld, welke de eerste Christenen be-

heerschte, en, in hun opvatting, tot die zegepraal leidde.

Zoo getuigt ook, mag ik dit voorbeeld nog herinneren, de tekst van

een bidprentje. Er ligt ontegenzeggelijk verband tusschen den tekst en de hoop-

rijke verwachting der eeuwigheid ; niemand schrijft, om iets te noemen, op zulk

een herinneringsplaatje : «Zalig zijn de vreedzamen, want zij zullen kinderen

Gods genoemd worden », als het bidprentje een bekend twistzieke vrouw betreft ;

dit ware immers bijtende ironie.

Het oorzakelijk verband nu is hetzelfde, of men zijn denkbeeld in woord,

schrift, of symbolisch schilder- en beeldhouwwerk uitdrukt.

Steeds wordt hetzelfde getuigd : vooreerst, hoe de maker zich voorstelt, dat

de Christen de levenszegepraal wint.

Vervolgens : door de trouw aan welke opvattingen hij of zij, die daar rust in

het graf, de eeuwige heerlijkheid heeft gewonnen.

Zoo

klinkt dan het dubbel graf getuigenis der Catacomben ons duidelijk toe.

Het getuigenis werd door de wijding dezer heilige plaatsen ingegeven, ging,

in harmonie met de graf muren zelf, van de graf steenen uit en moest veelal sym-

bolische vormen aannemen in deze doodenhallen van een volk van zuidelijke

verbeeldings- en uitzeggingskracht; het was de weerklank der Christelijke denk-

beelden en gevoelens dier tijden over het hiernamaals in verband met het sterfelijk

afgesloten bestaan.

Dit getuigenis verstomt niet, het blijft op de doode steenen in onsterfelijk

levende vormen spreken van de zegepraalgedachte der oudste eeuwen des Christen-

doms en van de banen, waarlangs men in die tijden overtuigd was naar de glo-

rieuze eindoverwinning op te gaan.

EERSTE

AFDEELING

DE

SYMBOLISCHE

VOORSTELLINGEN

DER

LEVENSZEGEPRAAL

Merkwaardig

is de soberheid der Catacomben-voorstellingen van de graf over-

winning over den dood. Deze schijnbare eentonigheid vindt echter haar natuur-

lijke verklaring in het symbolisch karakter der figuren, waarvoor boven aandacht

werd gevraagd, en niet minder in de omgeving, waarvoor deze afbeeldingen op

de graven werden geplaatst : het volk der Christenheid. Voor het volk werden

zij immers in het algemeen bedoeld. "Daardoor gaan zij ook meestal niet boven

het. gewone volksbegrip uit en stellen bijna immer het denkbeeld in klare,voor de

hand liggende vormen voor oogen (80).

De groote Christelijke levensidee werd door Christus zelf in een magistraal

levensprogram

vast

omlijnd

:

« In de wereld zult gij vervolging lijden,

maar

vreest niet, ik heb de wereld overwonnen » (81).

Kon echter deze gouden einder van blije, hemelsche verwachting, bevrijding

na verdrukking, zegepraal na strijd, levensvolheid na levensnood, voor het

Christelijk volk in treffender en lichtbegrijpelijker vormen worden uitgebeeld,

dan in figuren ontleend aan het oud en nieuw Testament, die deze overwinnings-

gedachte voor den geest roepen ? Immers neen.

Zoo zullen dan, onvermijdelijk in beperkte verscheidenheid, de symbolische

voorstellingen der levenszegepraal ons voor oogen rijzen in figuren uit de gewijde

boeken en wel in zulke figuren, die ons dezen levenstriumf herinneren.

Petrus, de Prins der Apostelen, wijst herhaaldelijk de Christenheid heen naar

den strijd, die de victorie der toekomst waarborgt (82) ; Paulus, de Apostel der

volken, in zijn brieven aan de Corinthiërs, de Philippers, de Hebreeën (83, 84, 85)

en de Apostel Jacobus spreken niet anders (86), eveneens Joannes in zijn boek der

Openbaring (87).

Men kan zich echter de eerste Christenheid niet denken geheel buiten de

gedachtensfeer, waarin zij door Christus en de Vaders hunner gedachtenwereld

werd geplaatst.

Deze veronderstelling zou, in deze menschen, zelfs ongerijmd zijn. Of zouden

deze vurige geloofshelden mogelijk hun heilige boeken niet hebben liefgehad ?

Gekend hebben zij ze zeker. A l hadden zij deze, bij gebrek aan genoegzame ver-

  • 62 H ET

CHRISTELIJK

GETUIGENIS

DE R

CATACOMBEN

spreiding niet allen in handen. Wij weten immers van Justinus, uit de helft der

tweede eeuw dat, van den Apostolischen tijd af, de Christenen in hun bijeenkom-

sten de heilige boeken hoorden lezen. Kan het ook anders ? God kon toch niet

aan'heüige mannen ingeven (88) deze richting-biedende boeken te schrijven,

terwijl de vurige, eerste Christenheid deze doelloos en nutteloos aan zich voorbij

liet gaan.

Stellig kenden dan de «oudste

geslachten

.

.

der Christenheid»

,

althans de

hoofddenkbeelden der gewijde schrijvers, die God geroepen had, om de heilswaar-

heden in vasten vorm te gieten.

De Christenschare had deze denkbeelden reeds in zich opgenomen uit de pre-

diking (89), welke de eerste Christenheid vormde ; in de Heilige Schrift werd hun

derhalve bekende waarheid herinnerd.

Deze bewaarden zij met eerbied, met kinderlijke liefde voor hun blij en hoop-

vol geloof. Zoo ging zich heel natuurlijk op de graven de juichende verwinningsidee

in schriftuurlijke vormen openbaren.

m @

M

Rees overigens niet, telkenmale als zij een martelaar of martelares het dooden-

rijk binnendroegen der Catacomben, de stralende graf-idee voor den geest dier

groote lijders, straks mogelijk zelf bebloed en verminkt deze gangetjes ingedra-

gen '

Moest niet dag aan dag hun de levens- en wereldgedachte van Christus voor

den geest komen ? Lichtte de eeuwigheidsvictorie niet uit vele groeven, groot

en klein eenvoudig en met versierselen gesmukt, hen tegen ? Wie dwaalt nü nog

langs deze onafzienbare gravenreeksen, zonder den huiver der eeuwigheid te

voelen > Zouden enkel de menschen, wie deze graven raakten, koud, onbewogen,

zonder iets van het uit den dood hier opbruisende leven waar te nemen, m deze

gangen tusschen hun dierbaren door, hebben rondgeloopen ? Zonder de over-

winningsidee gelijk Christus en de apostelen deze uitbeeldden voor den geest te

zien oprijzen, geweldig als in onweerstaanbare vaart meenemend hun bede zid

naar omhoog ? Zou het graf hun niet hebben gezegd, wat het onsterfelijk spreekt

tot óns ? Wij denken aan de aangevoerde teksten van Christus en de apostelen

in deze onderaardsche heiligdommen van martelstrijd en martelvictorie - de

eerste Christenen hebben het stellig óók gedaan. En als vanzelf de gedachten, hun

door de heilige boeken aangegeven,

uitgebeeld in symboüsche vormen.

D E

SYMBOLISCHE

VOORSTELLINGEN

DE R

LEVENSZEGEPRAA L

63

Sla ook de bladzijden op, waar Ruinart de getuigenissen der geloofshelden

en heldinnen voor de heidensche rechtbanken heeft vereeuwigd. Daar laait de

brandende liefde uit, die staalt hun levensstrijd, die moed instort en kracht, om

te kampen den grooten kamp

...

Zoo juichen en jubelen zij

...

Christus zal hen

kronen in de eeuwigheid

...

de sterfelijke rechter deert hen niet

...

de martelie der

lichamen schrikt hen niet

af, zij beduidt niets in vergelijking met de eeuwige

kroon

...

De opstanding is

hun verzekerd na den bitteren

levensnood

...

God is

trouw in Zijn beloften van heil en zegepraal

...

Zij weten, als Job, dat hun Verlosser

leeft, en dat Hij hen opwekken zal in den jongsten dag

...

Zij haken ernaar te

sterven

...,

want de dood is gewin, daar hij in 't leven verzinkt en verdwijnt

...

Zóó

zingt hun ziel zich uit vóór de rechtbanken der heidenen in het aanschijn hunner

haters en dooders

...

En keer op keer breekt het eeuwigheidsgeluid dezer stervens-

blije helden de geestdrift los van een heiden, die het bovenaardsche gejubel

verstaat, en hij snelt den getergden, geslagen, afgestreden, doorwonden Christen

ter zijde

...

: « Ik

wil óók Christen zijn, ik wil sterven met hèm !

...

»

Dat is reeds op aarde de zege over den dood.

 

Waar bleef bij hen, o dood, uw prikkel ? Gij werdt verzwonden in de zege-

praal (90).

 

Zóó was de dagelijksche ondervinding der eerste Christenheid, zij tastte

als met de handen de werkelijkheid der overwinningsbelofte van Christus, hun

Meester, en van diens apostelen, hun leeraars.

Zij konden niets

anders dan, wat hun ziel dus vervulde uitbeelden

op

de

graven, in de hun dierbaarste, heiligste figuren.

Treft het ook niet den opmerkzamen geest, dat men in een gebed, 't welk in

de Apostolische instellingen uit de tweede helft der derde eeuw wordt gevonden,

den tekst ontmoet : « Wij gelooven ook aan de Verrijzenis, want de Heer zelf is

verrezen. Hij is het, die Lazarus tot het leven terugriep. Die de dochter van

Jaïrus en den zoon der weduwe deed opstaan uit den dood

...

Hij is het, die Jonas,

na drie dagen, levend en ongedeerd heeft bevrijd uit den buik van het zeemonster,

die de drie jongelieden te Babyion verloste uit den vuuroven, en die Daniël

6 4

H ET

CHRISTELIJK

GETUIGENI S DE R

CATACOMBEN

beschermde tegen de muilen der leeuwen. Hij kan ons ook bevrijden van den

dood » (91).

Paus Damasus (t 384) getuigt ongeveer hetzelfde in zijn grafschrift : « Hij,

die wandelde op de onstuimige golven, Die het leven geeft aan de graankorrels,

welke sterven in de aarde, Die Lazarus van de banden des doods kon bevrijden.,

zal ook mij, Damasus, opwekken, omdat ik geloof » (92).

Is het niet alleszins merkwaardig, dat deze en voorts vele andere figuren,

die als vanzelf de gedachte opwekken aan de heel bijzondere hulp Gods in hoog

gestegen gevaar, herinnerd worden in de gebeden, die de Roomsche priester

bidt in de laatste ure van den stervende ? Dan, als de eeuwigheid onweerstaan-

baar voor den geest rijst, denkt het liturgisch gebed der Roomsche Kerk juist aan

al de symbolische personen der Catacomben : « Heer, bevrijd zijn of haar ziel,

gelijk Gij Jonas

...

Daniël

...

Noë

...

Susanna

...

Lazarus

...

de jongelingen in den

Babylonischen oven hebt bevrijd

...

» Op veel andere figuren wordt nog gewezen

in dit symbolisch gebed, doch 't is voor mijn doel voldoende, te herinneren, dat

het symbolisch gebed en de symbolische afbeelding elkaar dekken. Aan louter

toeval denken, lijkt mij niet voor de hand liggend. Eerder schijnt aannemelijk,

dat ook hier de geschriften het normale midden waren, waaruit de voorstellingen

groeiden, en dat de kunstenaars vaak onder leiding van de Kerk,waaraan de Cata-

comben reeds op 't eind der derde eeuw behoorden (93), de meest bekende figuren,

die het krachtigst de zegepraal in Gods kracht over nood en dood in de gedachte

opriepen, uit oude documenten hebben gelicht, om ze, in kleuren en lijnen, de

groote Christelijke overwinningsidee van het graf te doen getuigen.

Noë, Daniël, Jonas, de drie jongelingen, Lazarus, komen in zoo opvallende

menigte 'voor, dat deze verklaring van Pater Sisto Scaglia (94) mij allerminst

onnatuurlijk voorkomt. Symbolisch zijn zij zonder twijfel (95), gelijk de overige,

waarvan ik nu afbeeldingen wensch te geven. In sprekende trekken getuigen zij

op het Christen-graf de eindzegepraal over 's levens verdrukking en angsten, over

tyrannen-martelie en lichamelijken dood.

In de kracht van den God des levens, die over dood en leven regeert.

Een gebeurtenis, die als van zelf moest teruggeroepen worden in den geest

der Christenen, die in Christus' Godskracht de levensvictorie van den dood, over

het graf heen, verwachtten, was onloochenbaar de indrukwekkende opwekking

van den reeds drie dagen in 't graf liggenden Lazarus. Rustig, met kalme majes-

teit, verhaalt Joannes het overweldigend machtsbetoon van Jesus van Nazareth

aan het graf van Zijn vriend (Jo. xi). Eerst Martha, later Maria aan de voeten

geknield van den geliefden Meester, smeeken het schier onmogelijke, het onge-

hoorde, dat zij nauw durven uitspreken.

Jesus is bewogen en weent. Dan, staande aan 't graf, heft Hij oog en stem

op tot den Vader en getuigt, « dat niet voor Zich, maar opdat alle omstanders in

Hem mogen gelooven », Hij Zijn Koningsmacht over den dood openbaren zal ...

« Lazarus, kom uit [ »

...

En Lazarus komt uit en leeft. Op het zien van dit wonder

gelooven velen in den Godsgezant.

Moest dit aangrijpend, beslissend gebeuren niet onuitwischbaar den geesten

zijn ingeprent

?

Zooals Lazarus, zoo ook wij

...

In dezelfde Christus-kracht

...

Wij zullen met Hem verrijzen

...

De dood is Zijn machtelooze slaaf

...

Lazarus' opstanding uit den dood, op de stem van Christus, het onderpand

en de figuur van de verrijzenis der dierbaren

...

Klaar zeide de Onverwinbare aan

Lazarus' graf : « Ik ben de Opstanding en het Leven » (Jo. xi, 25) en « die in Mij

gelooft, zal, ook als hij gestorven is, leven» (t. z. p.).

Dit moest aan het graf der dierbaren rijzen vóór den geest. Dit moest heel

natuurlijk de symboliek worden, waarin de Christenen de zegepraal van den in

Christus geloovige gingen uitbeelden.

De oudste voorstelling is uit de Grieksche kapel van Priscilla. Zij dagteekent

uit het begin der tweede eeuw (96) ; Christus komt niet op de afbeelding voor.

Lazarus heeft het graf verlaten, en staat nog heel onder den indruk van het gewel-

dig en verbijsterend wonder. Eene voorstelling, die afzonderlijk bleef in de geheele

Catacomben-symboliek. (Fig 21).

Op andere schilder- of beeldhouwwerken, die Lazarus' opstanding ten leven

herinneren op de Christengraven der Catacomben, treft men steeds Christus aan.

66

HET

CHRISTELIJK

GETUIGENIS DER CATACOMBEN

Met bevelend gebaar roept Hij.Wien de Vader macht gaf over dood en leven (97),

die zelf het leven is (98), den gestorvene op uit zijn graf ; ofwel Hij raakt

hem met

de roede Gods, met den

wonder-machtigen staf.

De afbeelding van Fig. 22

is

uit

de 2 d e Sacraments-

kapel der Catacombe van

Callixtus

(tweede eeuw) ;

die van

Fig. 23 is van

sar-

cophaag

n° 161 van het

museum

van

S* Jan

van

Fig. 21.

Lazarus'

opwekking uit

de

Grleksche

Kapel

van

Priscilla.

Lateranen ; zij dagteekent

^

vierde eeUW.

Belangrijk

voor

het

recht begrip van de symboliek der voorstelling is ongetwijfeld, naast het

eigen karakter der verwinningsidee, die op een graf onweerstaanbaar uit Lazarus'

historie tot ons komt, het schier immer boven in Lazarus' rustplaats prijkende

zegekransje. Zóó is toch stellig Lazarus niet begraven geweest, met een overwin-

ningsembleem boven het hoofd!

...

En Lazarus van sarcophaag 161 — men zie

Fig- 23 — is een vrouw. Meent men werkelijk, dat deze beeldhouwer, dat zoo-

velen vóór en na hem zich vergisten

...

niet wisten, dat Lazarus de broeder van

Maria en Martha was ? « Heer, als Gij hier waart geweest, mijn broeder ware niet

 

DE

SYMBOLISCHE VOORSTELLINGEN

DER LEVENSZEGEPRAAL

6 7

gestorven

...

I Wie zóó goed leest,

dat

hij

de

aan Jesus'

voeten biddende Maria

niet vergeet,

kan niet

telkens zóó slecht lezen, dat

hij

over

't hoofd

zag, dat

Lazarus een man was.

Het was «niet te doen om de geschiedenis, maar om de

idee ». « Deze vrouw wacht en wij wachten voor haar de opwekking, o Christus,

in de kracht, die van U over Lazarus is uitgegaan

...

»

Deze symboliek is glashelder, de eenvoudigste kan ze verstaan (99).

Een andere veelgeliefde symboliek is die der drie jongelingen in den Baby-

lonischen oven. Daniël verhaalt de geschiedenis hoofdstuk III van zijn boek. Het

moedige drietal weigerde het tyrannenbevel van Nabuchodonosor in te volgen

en den afgod te aanbidden. Dan wierp de geprikkelde en gramme koning hen

Fig. 24.

De

drie

jongelingen in

het

vuur

van

den

oven.

in een oven, om daar den vuurdood te sterven. Maar de vlam greep wèl de bedie-

naars van den vèr in 't rond zijn heeten gloed werpenden oven, doch de drie

bleven ongedeerd. De Engel des Heeren voegde zich, zichtbaar voor den tyran,

bij de jeugdige helden en zij zongen en juichten doodverwinnend in het laaiende

vuur. Clemens van Rome, de derde opvolger van Petrus op den Pauselijken Stoel,

brengt reeds de zegepraal der drie onvervaarde belijders in verband met de

martelaren der Christenheid en Cyprianus neemt later dit denkbeeld gemakkelijk

  • 68 HET

CHRISTELIJK

GETUIGENIS

DER CATACOMBEN

over (100). Er is niemand, die deze symboliek op een graf niet onmiddellijk be-

grijpt.

D<

afbeelding

2i

van Fig. 24 is genomen uit Priscilla, (ariekscne Kapei. UOK

Fig.

25

is

uit

deze

zeer

oude

Catacombe ;

echter niet

uit dezelfde

kapel. Zij is ook niet uit

de tweede, maar

uit

de

vierde eeuw. Men vindt

Ftg. 25.

De

drleljongelingen^welgeren,

den

afgod

te

aanbidden.

ze in kamer L. Merk-

waardig is, dat hier de

jongelingen, als om hun

weigering te wettigen,

wijzen op een ster. Het

symbolische der voor-

stelling wordt daardoor

nog, zoo noodig, aange-

scherpt. Immers kunnen

zij niet anders dan de ster van Bethlehem, symbool van Christus' lichtende

komst ter wereld, bedoelen. Zij symboliseeren dus de trouw aan Christus van

hem, die rust in dit graf. « Opziend naar Christus, weerstond hij de pomperijen

der tyrannen,die zijn: duivel, wereld en vleesch» (101).

m

1

Noë uit de dreigende

zondvloedgolven gered in kracht van God, is een ander

geliefkoosd symbool. De aartsvader, over den nood der tijden zegevierend en

veilig bewaard van den ondergang, door de Godskracht, die hem droeg op de

golven, — dan door een duif met den vredetak in den bek verwittigd van zijn

redding, is hij niet een welsprekend symbool van zegepraal over bruisenden

levensstorm ? Toen immers de duif den tak aanbracht, was de aarde droog

(Gen. vin, 8, 9), het nijpend levensgevaar overwonnen.

Onze 'eerste afbeelding, Fig. 26, is uit de Grieksche Kapel (onder de « Orante »)

uit den aanvang der tweede eeuw.

Een andere, uit de vierde eeuw tot ons gekomen, afbeelding van den grijzen

aartsvader, die in groot geloof de ark binnentrad en door God werd gered (102),

D E

SYMBOLISCHE

VOORSTELLINGEN

DE R

LEVENSZEGEPRAA L

6 9

wordt gevonden in de Catacombe van Petrus en Marcellinus. Overduidelijk is zij

symbolisch of wel ze is dwaas; het is ongerijmd, tenzij men geen historie beoogt,

maar veeleer zinnebeeldige voorstelling, Noë af te schilderen als een jongen van

Fig.

26.

Noë's

zegepraal.

De

duif

boodschapt

hem

de

blijde

tijding.

ongeveer 20 jaar

...

De patriarch was immers zes honderd jaar oud (Gen. vu, 6),

en stond aan 't hoofd van een gezin ; nu vergelijke men Fig. 27.

Wie zich een oogenblik indenkt, welk een schrikwekkenden aanblik