You are on page 1of 3

LESONTWERP

ALGEMENE VAKKEN / VOEDING-VERZORGING


Naam: Wout Geeraerts
Campus Heverlee
Hertogstraat 178
3001 Heverlee
Tel. 016 375600
www.khleuven.be

Vakkencombinatie: AA-BIO
Stagebegeleider DLO: L. van Rompuy

School: Heilig Hart Heverlee

Les gegeven door: Wout Geeraerts

Onderwijsvorm: A-stroom

Vak: Aardrijkskunde

Richting: GR-Latijn, Latijn

Onderwerp: Benvloedende factoren voor de landbouw

Klas: 210

Vakmentor: Ann Schellemans

Lokaal: G1.05

Datum/Data: 4-11-2014

Aantal leerlingen: 23

Lesuur/-uren: 9.15-10.05

BEGINSITUATIE
Situering in de lessenreeks
-

Deze les situeert zich in het thema landbouwlandschappen en aan dit thema zullen een totaal van 5 lestijden
gespendeerd worden. In het vorige thema hebben de leerlingen de toeristische landschappen in Europa
besproken en dit gesitueerd op de kaart van Europa. Het volgende thema gaat over industrielandschappen.
Leerlingen hebben in de vorige lessen binnen dit thema de verschillende landbouwtypes in Europa
besproken.

Relevante voorkennis (en/of kennis die nog niet aanwezig is)


-

Leerlingen kennen al een deel van de factoren die de landbouw benvloeden vanuit de algemene kennis.
Leerlingen kunnen met klimatogram en determineertabel werken van uit het eerste leerjaar.

Belevings- en ervaringswereld & Actualiteit


- Leerlingen kunnen factoren die de landbouw benvloeden herkennen vanuit het nieuws.
Leerniveau van de klasgroep, klassfeer,
Vlijtige, leergierige klas. Als er duidelijke afspraken gemaakt worden is dit een zeer leuke klas om les aan te geven
en werken ze goed mee.

DIDACTISCHE VERANTWOORDING

Welke (vak)didactische principes komen in je les aan bod? (= opsomming)

In de les benvloedende factoren voor de landbouw leren de leerlingen aan de hand van proeven, oefeningen,
voorbeelden, kaarten, fotos de verschillende factoren herkennen en benoemen. (fysische factoren: bodem, relif,
klimaat. Economische factoren: kapitaal, beschikbare ruimte, bevolkingsdichtheid.)
1. Fysische factoren:
1.1 Bodem: De leerlingen leren door een proef, welke bodem het meest doorlaatbaar is en welke bodem dan
ook het meeste geschikt is om aan landbouw te doen. Er zijn verschillende bodemstalen in een
erlenmeyer, hier wordt water in gegoten en zo kunnen de leerlingen zelf waarnemen welke bodem dus
het meeste geschikt is. Na deze proef wordt er via een oefening gekeken naar verschillende
landbouwvormen in Belgi en deze vormen worden dan ook gelinkt aan het gesteente dat er zich op die
plaats bevind. (Deze oefening gebeurt via de atlaskaarten grondsoort, bodemgebruik en geografische
streek).
1.2 Relif: Ze leren het relif determineren via fotos en gaan hieruit afleiden welke relif vorm het meest
geschikt is om aan landbouw te doen. Nadat het relif gedetermineerd is worden de verschillende
relifvormen overlopen en wordt er zo gekeken naar welke vorm het gemakkelijkste te bewerken is.
1.3 Klimaat: De invloed van het klimaat wordt aangetoond via het determineren van twee klimatogrammen
van op verschillende plaatsen (warm en koud klimaat). Hierbij wordt er gekeken naar welke
landbouwvorm er wel of niet mogelijk is naar gelang het klimaat, en wat de reden voor deze
landbouwkeuze is (te koud; te nat, te droog,)
2. Economische factoren
2.1 bevolkingsdichtheid, beschikbare ruimte, voldoende kapitaal worden afgeleid via atlaskaarten.
Via deze werkvormen wordt er geprobeerd de leerlingen zoveel mogelijk zelf aan het werk te zetten en na te denken.
Het is de bedoeling dat zoveel mogelijk antwoorden uit de leerlingen zelf komen en dat ze de structuur door hebben.

Via een goed bordschema wordt de structuur dan ook behouden (structureringsprincipe). Ook bouwt deze les zicht
geleidelijk op (geleidelijkheidsprincie). Via de proeven, fotos, kaarten, kunnen de leerlingen zoveel mogelijk zelf
waarnemen en begrijpen. (Aanschouwelijkheidsprincipe)

EINDTERMEN & LEERPLANDOELEN


Situering in de eindtermen: (Vakoverschrijdend en/of vakgebonden)
ET 19
ET 21

De leerlingen kunnen met voorbeelden illustreren dat weer en klimaat de plantengroei en de activiteiten
van dier en mens benvloeden.
Een landelijk landschap herkennen, beschrijven naar uitzicht en functies en eenvoudige observeerbare
kenmerken ervan vergelijken met een landelijk landschap elders.

Situering in het leerplan:

VVKSO, Leerplan aardrijkskunde 1e graad, Brussel, September 2008


4.12 Landbouwlandschappen
3
In een gebied met fysische beperkingen in Europa het verband zoeken tussen landbouwtype
en fysische omstandigheden.
3.1
Als introductie op dit themaonderdeel leiden de leerlingen de factoren af die de landbouw
benvloeden: klimaat, relif, bodem en bevolkingsdichtheid. Deze introductie kan vrij kort
gehouden worden aan de hand van een onderwijs-leergesprek.
3.2
De leerlingen onderzoeken voor een gebied zonder landbouw welke factoren hier- van de oorzaak
zijn.
3.4
De leerlingen situeren de bestudeerde landbouwvoorbeelden op een vereenvoudig- de
landbouwkaart van Europa.

ALGEMEEN LESDOEL
De factoren die de landbouw benvloeden omschrijven en het verband zien met welk type landbouw in welke regio
voorkomt.

SCHOOLAGENDA

(Van de leerlingen. Verwijs naar het werkblad en/of de paginas in het werk- en/of handboek.)

Benvloedende factoren voor de landbouw.

BRONNEN (Noteer alle gebruikte bronnen, volgens BIN.)


Leerwerkboek Heilig hart Heverlee.

LEERMIDDELEN & MEDIA


Experiment
Powerpoint
Bord

Reflectie:
De eerste les over de didactische verantwoording was niet zo duidelijk. Ik wist zelf niet goed wat ik er nu
wel of niet mee moest doen omdat we dit zelf in de praktijk nog nooit gedaan hadden. De 2 de les
daarentegen was veel duidelijker en overzichtelijker omdat iedereen een persoonlijk voorbeeld had en het
zo duidelijk werd wat er wel en niet in moest. Ook was het veel duidelijker omdat er dan voorbeelden bij
waren waarop je kon toepassen en de bedoeling van de didactische verantwoording veel duidelijker werd
omschreven.