1.

INLEIDING
Zowel de bouwkunst als de beeldende kunsten spreken ons aan door hun vorm, lijn en/of kleur. Dit zijn de visuele elementen; daarnaast is het geestelijke element belangrijk: vreugde, droefheid, religieuze extase, verslagenheid of verbijstering, enz. Ook de kennis van en over kunst, (Kerk)geschiedenis en mythologie, is heel belangrijk omdat het anders onmogelijk wordt om oude kunstwerken te interpreteren. Daarom wordt bij deze kunstgeschiedenis een Culturele Begrippenlijst 11e tot en met 14e eeuw gevoegd.

DE NEUROLOGISCHE BASIS
Doordat na de geboorte Griekse moeder niet de gewoonte hadden de zuigeling de hele dag met zich mee te dragen, wordt in de eerste drie maanden na de geboorte, als de groei van hersencellen nog door gaat, een ander grondpatroon van neuronen gevormd. In computertaal zal men zeggen dat de hardware en deze baby anders is dan de hardware van bijvoorbeeld Afrikaanse en Aziatische zuigelingen. Kinderen in Afrika krijgen, doordat ze de hele dag huidcontact met de moeder hebben en meegedragen worden, ander indrukken. Hun indrukken komen tot stand via voelen en tasten. Kinderen in onze cultuur maken de dingen niet zo lijfelijk mee, ze beleven ze alleen op afstand door te kijken en te luisteren terwijl de moeder praat. Om die reden denkt men dat juist daarom, door de vorming van anders gerichte hardware, in Europa het analytisch-wetenschappelijk denken kon ontstaan. En als hierin de bijdrage van Griekenland aan de cultuur van de westerse wereld ligt, dan is dat van zeer groot belang. In Griekenland was een voedingsbodem geschapen voor het ontstaan van kunst en wetenschap. Vooral het Apollinische karakter daarvan, de zoekactie naar wetmatigheden, naar ordening, naar het ideale, leidde tot grote culturele hoogte De gevolgen hiervan zijn nog steeds dagelijks in onze maatschappij zichtbaar en voelbaar. Niet alleen de analytische houding, maar ook het verdere gebruik van de Griekse erfenis in de kunst en cultuur, heeft onze maatschappij zijn eigen authentieke vorm gegeven. De vergelijking wordt gemaakt tussen Plato en Pythagoras

PLATO (428 – 347) Πλατων

Onder schoonheid versta ik niet de schoonheid van mensen, landschappen en dieren, maar de schoonheid van rechte lijnen, cirkels en planmetrische en geometrische figuren, die daaruit gevormd kunnen worden: want deze bevatten niet alleen een betrekkelijke schoonheid maar een eeuwige en absolute.

Echte ideale schoonheid bestond volgens Plato uiteindelijk alleen in de geest. Naar aanleiding van de waarneembare werkelijkheid werd de onderlinge structuur, de geheime geometrie, in de geest als ideaal model DE IDEE gezien

PYTHAROGAS (582 – 496) Beweerde dat alles getal is. Waar ligt onder de prachtige Πυθαγορας
chaos die waarneembaar is, de eenvoudige getallenstructuur verborgen? 1= • (soort atoom) 2 = •──────• lijn 3= ς vlak 4=ρ lichaam

5

Twee feiten waarop het zichtbare is gebaseerd: - de zwaartekracht is vertikaal - de horizon is horizontaal


Samen

← de rechte hoek! ───────────────

Alle natuurverschijnselen worden gereguleerd door een hogere logica: Pythagoras geloofde dat God een razend knappe ingenieur was en dat een wiskundige wet, HARMONIE, tot taak had de natuur te besturen. “Eerst was er de Chaos (wanorde) en daarna had de Monade (het getal EEN) de getallen gecreëerd, daaruit weer de punten, de lijnen, daarna was Harmonie ten tonele verschenen om de juiste afstand tussen de dingen vast te stellen!” Dat was voor Pythagoras de Kosmos, of te wel de Orde Gezondheid Deugd Vriendschap Kunst Muziek

Kwalitatief

Uitingen van Harmonie

De Grieken proberen hun Kosmos te symboliseren door 2 tegengestelde krachten.

PERSOONLIJKHEID DE ORDE ↓ DE CHAOS


Apollo Toneel Dionysos

↓ ↓
Persona ↓ Masker


Orde Regelmaat Macht Overheersing Hiërarchie


Aarde Oerkrachten Emotie

↓ PLATO


Muziek Dans Toneel ↓ Catharsis ↓

ARISTOTELES

6

DE BOUWKUNST
Deze is net als de kunstnijverheid sterk gebonden: functie, klimaat, materiaal, wensen van opdrachtgevers e.d. zijn erg bepalend. Houten of ijzeren kapconstructies, architraafbouw en stenen gewelven worden aangetroffen. Het al of niet aanwezig zijn van bepaalde materialen hangt hier nauw mee samen. De combinatie materiaal en constructie kan zich op twee manieren voordoen: 1. Het ter plaatse aanwezige materiaal bepaalt de constructie en de vorm; 2. De bouwmeester bepaalt vorm en constructie eerst en zoekt daarna het geëigende materiaal en laat dat aanvoeren. De schoonheid van een gebouw vloeit echter niet alleen voort uit praktisch nut of eerlijke constructie, ook de verhoudingen van de diverse onderdelen t.o.v. elkaar zijn van belang, evenals de versiering die alleen de vorm en de sfeer van het gebouw mag ondersteunen.

DE BEELDENDE KUNSTEN
Hiertoe rekent men de beeldhouwkunst, de schilderkunst en de grafische kunsten. Het praktische is hier nagenoeg niet van toepassing, het esthetische element is hier het belangrijkst, vandaar ook wel de vrije kunsten genoemd. Bij de beeldhouwkunst is de plastische vorm hoofdzaak, bij de schilderkunst lijn en kleur. Er zijn 2 essentiële verschillende manieren van weergeven van het waargenomene: 1. Analytisch 2. Synthetisch bijv. Pieter Bruegel en Jacob Maris: de eerste ziet alles stuk voor stuk, de tweede het grote geheel en de samenhang der onderdelen. Over het algemeen is de analytische zienswijze veel voorkomend in het begin van een nieuw kunsttijdperk en bij beginnende kunstenaars, en de synthetische zienswijze bij rijpere kunstenaars en in een verder ontwikkelingsstadium van een periode.

DE BEELDHOUWKUNST
Dit is de meest gebonden van de vrije kunsten: het beeld moet zo gemaakt zijn dat het niet omvalt of afbreekt. Het beeld staat in de ruimte en is dus 3-dimensionaal, terwijl de schilderkunst en de grafische kunst slechts twee dimensies hebben, n.l. hoogte en breedte.

DE SCHILDERKUNST
Lijn en kleur zijn hier het belangrijkste, daarnaast ook de compositie. De schilder kan ook diepte suggereren, die in feite niet bestaat. Dat komt voor in perioden, waarin men de werkelijkheid realistisch probeert weer te geven: zoals tijdens de laatste fase der antieke kunst en vanaf de Renaissance in West-Europa.

7